Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Aratus - Phaenomena

Bron: www.theoi.com

Aratus. Translated by Mair, A. W. en G. R. Loeb Classical Library Volume 129. London: William Heinemann, 1921. Naar het Nederlands vertaald door Maarten Hendriksz, 2015

1. Aanroep van de Muzen

01; 1-18

Laat ons met Zeus beginnen, wij stervelingen laten hem nooit ongenoemd. Vanwege Zeus zijn alle straten en marktpleinen vol met mensen. De zee is vol en daardoor ook de havens. We hebben hem allemaal altijd nodig. Want wij zijn nakomelingen van hem, en in zijn goedheid voor de mensheid geeft hij gunstige tekens en spoort de mensen aan om te gaan werken, zich hun levensonderhoud herinnerend. Hij vertelt ze wat de beste tijd is voor het werk met de os en het houweel, en wanneer het seizoen gunstig is voor zowel het planten van bomen en het inzaaien van allerlei zaden. Hij was het die tekens aan de hemel plaatste, en de sterrenbeelden benoemde, en bedacht welke sterren aan de mensen jaarlijks de juiste tekens moesten geven voor het seizoen, zodat alle dingen uiteindelijk feilloos konden groeien. Daarom bidden de mensen altijd als eerste en als laatste tot hem. Wees gegroet, O vader, machtig wonder, machtige zegen voor de mensheid. Welkom aan u en aan het oude ras! Welkom, gij muzen, vriendelijk zoals het hoort, iedereen! Maar voor mij, in antwoord op mijn gebeden, begeleid mijn werk, zelfs als het gepast is, om over de sterren te vertellen.

2. Sterrenbeelden noordelijk halfrond

02; 19-24

Zij, allen gelijk, hoewel met velen en andere sterren in andere banen, trekken voor eeuwig en altijd langs de hemel. Maar de as verschuift geen millimeter, is onveranderlijk voor eeuwig vastgezet, en in het midden houdt hij de aarde in evenwicht, en draait de hemel er omheen.

02; 25-44

De as eindigt aan weerszijden in twee polen, maar daarvan is er één niet te zien, terwijl de ander ons aanstaart hoog boven de oceaan in het noorden. De twee Beren omarmend (De Grote en de Kleine Beer) die samen draaien – daarom worden zij ook de Wagens genoemd. Ze houden eeuwig hun hoofden in de richting van de flank van de ander, en worden schoudergewijs meegevoerd, om de beurt draaiend om hun schouders. Als het verhaal inderdaad waar is klommen zij vanuit Kreta, door de wil van de machtige Zeus, op naar de hemel, omdat hij in zijn jeugd als kind speelde in het geurige Dicte, vlakbij de berg Ida. Daar verstopten zij hem in een grot en voedden hem gedurende een jaar, terwijl de Cureten al dit tijd Cronus bedrogen. Nu noemt de ene mens haar Cynosura en de ander Helice. Vanwege deze Helice sturen de Achaeërs op goddelijke wijze hun schepen over zee, maar de Phoeniciërs vertrouwen op de ander wanneer zij de zee oversteken. Helice, vroeg in de avond groots verschijnend, is helder en eenvoudig te zien, de ander is klein, maar beter voor zeelieden. Want al haar sterren draaien in een kleinere baan. Met haar als gids, zeilen de mannen van Sidon een rechte koers.

02; 45-62

Tussen hen in, als ware het de vertakkingen van een rivier, cirkelt op wonderbaarlijk wijze de Draak, oneindig kronkelend in cirkels. Aan weerszijden van zijn kronkelingen bewegen zich de Beren, die de zee eeuwig mijden. Nu eens strekt hij met het eind van zijn staart naar de een, dan onderschept hij met zijn draaiingen weer de Kleine Beer. Het puntje van zijn staart eindigt bij het hoofd van Helice, maar Cynosura bevindt zich in zijn kronkels. Want zijn kolkende draaiingen trekken voorbij haar hoofd en komen in de buurt van haar voeten, maar gaan, zich omdraaiend, daarna weer omhoog. Niet één eenzame ster straalt vanaf zijn hoofd, maar twee sterren verlichten zijn voorhoofd, en twee in zijn ogen, en één daaronder bezet de punt van de kin van het gevreesde monster. Zijn hoofd staat schuin, en het lijkt of hij naar het puntje van de staart van Helice knikt. Zijn mond en rechterslaap staat recht tegenover het einde van haar staart. Dat hoofd draait in de buurt van de grenzen van het dalende en rijzende mengsel.

02; 63-70

Rechts daarvan draait een geheimzinnige vorm in zijn baan, als een man die streeft naar een taak. Een teken waarvan niemand weet hoe dit duidelijk te lezen, noch voor welke taak hij buigt, maar men noemt hem eenvoudigweg de Knieler. Deze onbekende, die op zijn knieën zwoegt, lijkt met gebogen knieën te zitten, met omhoog gestrekte armen vanuit zijn schouders, nu eens die kant op, dan weer de andere kant, in grootse lengte. Het puntje van zijn rechtervoet, staat midden op het hoofd van de slinkse Draak.

02; 71-73

Hier draait ook de Kroon, die roemrijke Dionysus aan de hemel plaatste ter herinnering aan de dood van Ariadne, onder de rug van de zwoegende Knieler.

02; 74-87

De Kroon staat in de buurt van de rug van de Knieler, maar bij zijn hoofd is het hoofd van Ophiuchus zichtbaar, en vandaar kun je in de sterrenhemel Ophiuchus zelf opsporen. Helder geplaatst onder zijn hoofd worden zijn glanzende schouders zichtbaar. Ze zijn zelfs duidelijk waarneembaar bij volle maan, maar zijn handen zijn niet zo helder. Want de glans van de sterren verzwakt aan weerskanten. Toch zijn zij zichtbaar, want ze zijn niet zwak. Beiden klampen zich stevig vast aan de Slang, die om de taille van Ophiuchus cirkelen, maar hij, standvastig op beide voeten staand, vertrapt een groot monster, de Schorpioen, recht op zijn oog en borst staand. Nu worden de twee handen van de Slang omcirkeld – een kleine boven zijn rechterhand, en een met vele kronkelingen hoog boven zijn rechter.

02; 88-90

De kaak van de Slang leunt tegen de Kroon, maar zoek onder zijn kronkelende gedaante naar de machtige Klauwen (Weegschaal). Zij geven nauwelijks licht af en zijn geenszins stralend.

02; 91-95

Achter Helice, als degene die ment, wordt Arctophylax meegevoerd die de mensen ook Boötes noemen, want hij lijkt de hand te leggen op de wagenvormige Beer. Hij is geheel helder. Maar onder zijn riem draait een ster, helderder dan alle anderen, Arctourus zelf.

02; 96-136

Onder beide voeten van Boötes is de Maagd zichtbaar, die in haar handen de glanzende Korenaar (Spica) draagt. Of ze nu de dochter van Astraeus was, die, zo vertelt men, van oudsher de vader van de sterren is, of kind van een andere vader, haar baan is onbekommerd! Maar onder de mensen is een ander verhaal gangbaar, hoe zij vroeger op aarde onder de mensen woonde, de stammen van mannen en vrouwen niet verachtend, zich met hen mengde en haar plaats innam, hoewel ze onsterfelijk was. De mensen noemde haar Gerechtigheid. Maar zij riep de ouderen bijeen, misschien op de oude marktplaats of de breed uitwaaierende straten, verhief haar stem, en drong altijd aan op betere beslissingen voor de mensen. In die tijd hadden de mensen de hatelijke strijd nog niet ervaren, of boze ruzies, of ophef over strijd, maar leefden op eenvoudige wijze. De wrede zee was ver bij hen vandaan en de schepen brachten hun levensonderhoud nog niet van verre, maar de ossen met de ploeg en Gerechtigheid zelf, koningin van het volk, schenkster van gewone dingen, voorzag hen van alles wat zij nodig hadden. Net zolang als de aarde het Gouden Ras koesterde, had zij haar woning op aarde.

Maar met het Zilveren Ras bemoeide zij zich nog mondjesmaat en bewoog zich alleen onder hen als het uiterst noodzakelijk was, omdat ze smachtte naar de leefwijze van vroeger. In die Zilveren Tijd leefde ze nog steeds op aarde, maar kwam alleen ’s avonds de echoënde heuvels uit, niemand met vriendelijke woorden aansprekend. Maar nadat ze de grote hoogten met drukke menigten had gevuld, wilde zij hun kwade leefwijze berispen met dreigingen, en verklaarde dat zij zich nooit meer aan de mensen zou vertonen wanneer zij om haar baden. ‘Zie welk ras de vaders van de Gouden Eeuw achterlieten! Veel gemener dan zijzelf! Maar jullie zullen een nog vuiger nageslacht achterlaten! Oorlogen en wreed bloedvergieten zullen hen voorwaar ten deel vallen en de mensheid zal pijnlijke straffen moeten ondergaan.’ Zo sprak zij, ging naar de heuvels, en verliet de mensen die naar haar staarden. Maar toen ook zij dood waren, en, nog vernietigender dan hun voorvaderen, het Bronzen Ras was geboren, die als eersten het zwaard van de struikrover smeedden, en als eersten het vlees van de ploegende os aten, toen verafschuwde Gerechtigheid werkelijk het ras der mensen en vluchtte hemelwaarts waar zij haar plaats innam, waar tot op heden de Maagd zichtbaar is in de nacht, vlak in de buurt bij de van verre zichtbare Boötes.

02; 137-146

Boven haar schouders aan haar rechterzijde draait een ster, die de naam Wijnoogster draagt – met een enorme omvang en helderheid, als de ster die schijnt onder de staart van de Grote Beer. Want de Beer is angstaanjagend, en vreeswekkend zijn de sterren bij hem in de buurt. Als je die ziet hoef je niet verder te gissen met welke andere sterren zij haar gedaante vormt. Zulke sterren zijn lang geleden geboren, prachtig en groot, één voor haar voorpoten, en een onder haar achterpoten. Maar alle eenlingen, een hier, een daar, draaien voort zonder naam.

02; 147-155

Onder het hoofd van Helice staat de Tweeling. Onder haar middel staat de Krab. Onder haar achterpoten straalt de felle Leeuw. Daar is het heetste zomerpad van de Zon. Dan zijn de velden beroofd van hun korenaren, als de Zon samenkomt met de Leeuw. Dan vallen de brullende Etesiaanse winden aan op de uitgestrekte diepte, en is het seizoen niet geschikt voor roeiriemen. Laat dan het stevig gebouwde schip mijn keuze zijn, en de stuurman zijn roer in de wind houden.

02; 156-166

Maar als u de Voerman en zijn sterren wil ontdekken, en als u over de roem van de Geit en haar kinderen vernomen hebt, die vaak in de donkere diepte door mannen in zware stormen zijn waargenomen, zult u hem zien in al zijn pracht, voorovergebogen aan de linkerkant van de Tweeling. Dan draait tegenover hem de bovenkant van het hoofd van Helice, en zit de heilige Geit op zijn schouder, die, zoals de legenden vertellen, de borst aan Zeus gaf. De vertalers van Zeus noemen haar de Olenische Geit. Ze is groot en helder, en bij de pols van de Wagenmenner schijnen flauw de Kinderen.

02; 167-178

Zoek bij de voeten van de Wagenmenner naar de hunkerende en gehoornde Stier. Zijn tekens zijn heel levensecht. Zijn kop is zo duidelijk gevormd, dat men die met andere tekens niet zal aanzien voor de kop van een os, omdat deze sterren zo speciaal, aan weerszijden draaiend, gemaakt zijn. Hun naam is veelbesproken en niet geheel onbekend zijn de Hyaden. Zij stralen op het voorhoofd van de Stier. Eén ster bezet de punt van zijn linkerhoorn en één de rechtervoet van de Wagenmenner, die vlakbij staat. Samen worden zij voortbewogen op hun koers, maar de Stier gaat eerder onder in het westen dan de Wagenmenner, hoewel zij samen gelijktijdig opkomen.

02; 179-187

De ongelukkige familie van opgezweepte Cepheus zal niet ongenoemd rusten. Want hun naam is ook naar de hemel gereisd, omdat zij verwant zijn aan Zeus. Cepheus zelf staat achter de Beer Cynosura (Kleine Beer), als degene die zijn beide armen uitstrekt. Van haar staartpunt tot zijn voeten strekt zich een afstand uit die gelijk is aan die van voet naar voet. Maar kijk iets naast zijn buik om de eerste kronkel van de machtige Draak te zien.

02; 188-196

Ten oosten van hem glanst zijn ongelukkige vrouw, Cassiopea, als het ’s nachts volle maan is, draaiend met haar kleine sterren. Enkele afwisselende sterren sieren haar, die haar gestalte vormen met lijnen van licht. Net als de sleutel van een dubbele deur met een balk aan de binnenzijde, waarmee mannen de grendels terugschuiven, zo afzonderlijk staan haar sterren te stralen. Maar van haar doffer schouders strekt zich een enorme leegte uit. Je zou zeggen dat zij om haar dochter treurde.

02; 197-204

Voor haar, draait ook de zielige gestalte van Andromeda, zonder sterren onder haar moeder. Je hoeft op geen andere nacht te wachten, huil ik, om haar duidelijker te zien! Zo helder is haar hoofd en zo duidelijk afgetekend zijn haar schouders, de punten van haar voeren en heel haar gordel. Maar zelfs daar wordt ze gepijnigd, met de armen ver uiteen gestrekt, en zelfs in de hemel zijn boeien haar deel. Voor eeuwig opgeheven en uitgespreid zijn haar handen.

02; 205-224

Onder haar hoofd is het grote Paard (Pegasus) uitgebeeld, haar rakend met zijn onderbuik. Een gewone ster straalt op de navel van het Paard en de kruin van haar hoofd. Drie andere afzonderlijke sterren, groot en helder, bezetten flank en schouder op gelijke afstanden, een vierkant vormend op het Paard. Zijn hoofd is niet zo helder gemarkeerd, noch zijn nek, hoewel die lang is. Maar de verste ster op zijn vlammende neusgat kan gemakkelijk wedijveren met de voormalige vier, die hem bekleden met enorme pracht. Noch is hij viervoetig. Gedeeld bij de navel, met slechts een half lichaam, draait het heilige Paard in de hemel. Hij was het, zegt men, die het heldere water van de overvloedige Hippocrene van de hoge Helicon naar beneden liet stromen. Want de bronnen druppelden nog niet van Helicon’s top, maar het Paard raakte die en onmiddellijk stroomde het water tevoorschijn door de trap van zijn voorpoot, en de herders waren de eersten die deze stroom de bron van het Paard noemden. Het water welt op uit de rotsen en u zult de mannen van Thespiae nooit ver van haar verwijderd zien. Maar het Paard zelf draait in de hemel van Zeus en is daar aanwezig om door u gezien te worden.

02; 225-232

Daar zijn ook de snelste koersen van de Ram, die, over de langste afstand achtervolgt, geen snars langzamer voortsnelt dan de Beer Cynosura – hijzelf zwak en zonder sterren op een maanverlichte nacht, maar die u toch kunt opsporen bij de gordel van Andromeda. Want iets onder haar gaat hij onder. Hij betreedt de machtige hemel halverwege, waar de punten van de Klauwen van de Schorpioen en de Gordel van Orion draaien.

02; 233-238

Er is daar ook een ander teken, in de buurt gevormd, onder Andromeda, Deltoton (Driehoek), uitgebeeld met drie zijden, waarvan er twee gelijk lijken en de derde kleiner is, maar gemakkelijk zijn te vinden, want daarboven is het vergeven van de sterren. Iets ten zuiden van Deltoton staan de sterren van de Ram.

02; 239-247

Nog verder aan de voorzijde van de Ram en nog steeds in de hal van het Zuiden staan de Vissen. De een groter dan de ander, en luider klinkt het frisse waaien van de Noordenwind. Zij strekken zich beiden uit, alsof het kettingen zijn, waardoor hun staarten aan beide zijden verenigd zijn. De samenkomende kettingen zijn aaneengeknoopt met een enkele, prachtige en grote ster, die de Knoop der Staarten wordt genoemd. Laat de linkerschouder van Andromeda de gids zijn naar de noordelijke Vis, want die staat dichtbij.

02; 248-252

Haar twee voeten geleiden u naar haar bruidegom, Perseus, over wiens schouder zij voor eeuwig worden meergevoerd. Maar hij beweegt zich in het noorden met een grotere gedaante voort dan de anderen. Zijn rechterhand is uitgestrekt naar de troon van de moeder van zijn bruid, en, alsof hij achtervolgt wat voor zijn voeten ligt, stapt hij statig voorwaarts, in de hemel van Zeus.

02; 253-267

Vlakbij zijn linker bovenbeen bewegen de Plejaden, allemaal in één groep, maar de ruimte waarbinnen zij bewegen is klein en allen glanzen vaag. In de liederen der mensen zijn het er zeven. Er is nog geen ster, denk ik, ongemerkt verdwenen uit de hemel sinds de eerste herinnering der mensen, en zo wordt dit ook verteld. Deze zeven sterren heten Alcyone, Merope, Celaeno, Electra, Sterope, Taygete en de koninklijke Maia. Ze zijn allemaal klein en schemerachtig, maar alom beroemd draaien zij ’s morgens en ’s avonds aan de hemel, door de wil van Zeus, die hen opdracht gaf om over het begin van de zomer en de winter te vertellen en het aanbreken van de ploegtijd.

02; 268-274

Ginds is ook de kleine Schilpad, die, weliswaar nog steeds naast zijn wieg, Hermes doorboorde en beval dat dit voortaan de Lier genoemd zou worden. En hij vervoerde het naar de hemel en zette het voor de onbekende Gedaante (Knieler). Die hurkende persoon komt met zijn linkerknie in de buurt van de Lier, maar de kruin van het Vogelhoofd draait aan de andere kant, en tussen het vogelhoofd en knie van de Knieler straalt de Lier.

02; 275-281

Want er is waarlijk in de hemel een schitterend uitgespreide Vogel (Cycnus). De Vogel is gehuld in nevelen, maar het gedeelte boven hem staat vol met sterren, niet erg groot, en niet verduisterd. Als een vogel in een vreugdevolle vlucht, die naar het westen glijdt met mooi weer, met de tip van zijn rechtervleugel uitgestrekt naar de rechterhand van Cepheus, en in de buurt van zijn linkervleugel is het steigerende Paard opgehangen.

02; 282-299

Om het steigerende Paard koersen de twee Vissen. De rechterhand van Hydrochoüs (Waterman) strekt zich uit naar het hoofd van het Paard. Hij staat achter Aegocerus (Steenbok), die ervoor is gezet en meer naar beneden, waar de machtige zon draait. Ga in die maand niet de open zee op tenzij je verzwolgen wilt worden door de golven. Noch kun je tijdens de dageraad een lange reis maken, want de tijd tussen avond en dageraad is kort. Uw angsten zullen tijdens middernacht de dageraad eerder naderbij trekken, en uw kreten zullen luid en constant klinken. De vernietigende vlagen van de zuidenwinden zijn dan pijnlijk wanneer Zon en Aegocerus zich samenvoegen, en dan is de vrieskou uit de hemel zwaar voor de verdoofde zeeman. Maar de zee is niet gedurende het hele jaar donker onder de kielen, en, net als duikende meeuwen, zitten we dan vaak, turend over de diepte, op het schip met gezichten naar de kust gekeerd. Maar de kust verdwijnt boven de golven steeds verder uit het zicht en worden we slechts door een dun plankje van de Dood gescheiden.

02; 300-310

Maar ook in de voorgaande maand, met stormachtige zee, wanneer de Zon de Boog schroeit en de Gebruiker van de Boog (Boogschutter), vertrouw dan niet langer op de nacht en zorg dat je ’s avonds aan land komt. Laat in dat seizoen en die maand de opkomst van de Schorpioen aan het einde van de nacht een teken voor u zijn. Want de Boogschutter duwt zijn grote Boog dan dicht naar de stekel van de Schorpioen tijdens zijn opkomst, maar de Boogschutter komt direct na hem op. Dan, aan het einde van de nacht stijgt ook het hoofd van Cynosura zeer hoog op, maar net voor de dageraad gaat Orion geheel onder en Cepheus van hand tot middel.

02; 311-315

Verderop is er nog een andere Pijl afgeschoten – alleen zonder boog. Daarbij spreidt de Vogel zijn vleugels verder naar het noorden, maar vlakbij zwoegt een andere vogel in de storm, van kleinere afmetingen maar wreed tijdens zijn opkomst uit de zee wanneer de nacht taant, die de mensen Adelaar noemen (Stormvogel).

02; 316-318

Boven Aegocerus drijft de Dolfijn met enkele heldere sterren en zijn lichaam gehuld in de mist. Maar vier briljanten sieren hem, in paren naast elkaar.

3. Sterrenbeelden zuidelijk halfrond

03; 319-321

Deze sterrenbeelden liggen tussen het noorden en het zwervende pad van de zon (de eclips), maar vele namen van anderen zweven tussen het zuiden en de koers van de zon.

03; 322-325

Schuin onder de borst van de Stier staat de grote Orion. Laat niemand, die hem groots in de hoogte ziet passeren tijdens een wolkenloze nacht, zich inbeelden dat hij, starend naar de hemel, andere sterren zal zien die mooier zijn.

03; 326-337

Als bewaker, staand op zijn vier poten zichtbaar onder zijn torenhoge rug, de van sterren gemaakte Hond, niet in zijn hele gedaante zichtbaar, want precies bij zijn buik is hij donker. Het puntje van zijn verschrikkelijke kaak wordt gemarkeerd door een ster die, het sterkst van allen, schittert met een hete vlam en die men Sirius noemt. Als hij samen met de zon opkomt, bedriegen de bomen hem niet langer met de zwakke frisheid van hun bladeren. Want hij doorboort hun gelederen met zijn scherpe blik, en aan sommigen schenkt hij kracht maar bij anderen vernietigt hij de schors volkomen. Tijdens deze periode zijn wij ons ook van hem bewust, maar de andere sterren van de Hond verlichten met een zwakker schijnsel zijn poten.

03; 338-341

Onder beide voeten van Orion bevindt zich de voortdurend de opgejaagde Haas, terwijl Sirius hem eeuwig achtervolgt. Hij komt vlak na hem op en als hij ondergaat kijkt hij in de ogen van de ondergaande Haas.

03; 342-351

Naast de staart van de grote Hond vaart het schip van de Argo op zijn sterrenplek. Maar zij vaart niet zoals een echt schip dat in beweging is, maar is achterstevoren geplaatst, omgekeerd net als echte schepen, wanneer zeelieden de achtersteven naar het land brengen als zij de haven binnenkomen, en iedereen het schip achteruit roeit, waardoor haar achtersteven op de kust land. Zo is ook de Argo van Iason als voornaam sterrenbeeld geplaatst. Zij wordt gedeeltelijk in de mist meegevoerd, en heeft geen sterren vanaf de boeg tot de mast, maar de romp is geheel gehuld in het licht. Haar roer is los gegooid en staat onder de achterpoten van de Hond, terwijl hij voorop loopt.

03; 352-358

Andromeda, hoewel ze op de juiste wijze in elkaar duikt, wordt belaagd door de aanval van het machtige Zeemonster (Cetus). Want haar baan ligt onder het gebulder van de Thracische Boreas, maar de zuidenwind waait tegen haar in, onder de Ram en de twee Vissen, het hatelijke Monster Cetus, daar waar hij geplaatst is boven de Rivier van Sterren.

03; 359-366

Want die arme overblijfselen van de Eridanus zijn allen, Rivier van vele tranen, eveneens ontstaan onder de voeten van de goden. Hij draait onder de linkervoet van Orion, maar de boeien waarmee de vissenstaarten bijeen worden gehouden, reiken vanaf hun staarten en komen bijeen, en achter de nek van Cetus smelt hun pad samen en reizen samen verder. Zij eindigen in een enkele ster van Cetus, op de plek waar zijn rug en hoofd samen komen.

03; 367-384

Andere sterren, middelmatig van afmetingen en minder van pracht, draaien tussen het roer van de Argo en Cetus, en zijn onder de zijden van de grijze Haas geplaatst zonder een naam. Want zij zijn niet aangemerkt als de lichaamsdelen van een figuur, zoals vele anderen, op hun vaste paden reizend, naarmate het jaar vordert – sterren, die door een persoon in de oudheid zijn opgemerkt en in groepen aangewezen tot figuren die met een naam zijn aangeduid. Want het ging boven zijn vaardigheid om elke afzonderlijke ster van naam te kennen of een naam te geven. Omdat velen dezelfde kleur en grootte hebben, terwijl zij allemaal ronddraaien. Daarom schikte hij de sterren in groepen, zodat zij voor het oog, elk bij de ander, figuren vormen. Zo kregen de sterrenbeelden hun namen, en is geen ster nu nog aanleiding tot verbazing wanneer deze boven de horizon verschijnt. Zo zijn de andere sterren gegroepeerd in duidelijke figuren die helder stralen, maar degenen die onder de opgejaagde Haas voortgaan zijn naamloos gehuld in nevelen.

03; 385-388

Onder Aegocerus voor de stormvlagen van de zuidenwind zwemt de Vis, kijkend naar Cetus, alleen en gescheiden van de eerstgenoemde Vissen. En de mensen noemen hem de Zuidelijke Vis.

03; 389-401

Andere sterren, spaarzaam geplaatst onder Waterman, hangen in de hoogte tussen Cetus in de hemel en de Vis, mat en naamloos, en in de buurt van de rechterhand van Waterman, als enkele druppels water die eenvoudig alle kanten op verspreid worden, daarnaast draaien andere sterren helder maar zwak rond. Maar tussen hen in staan er twee met een glanzender vorm, niet ver van elkaar maar ook niet dichtbij. Eén onder beide voeten van Waterman, een mooie en heldere ster, de ander onder de staart van donkerblauwe Cetus. Deze groep als geheel noemt met het Water. Maar diep onder de voorpoten van de Boogschutter (Centaurus), geplaatst in een ronddraaiende cirkel, draaien ook anderen rond aan de hemel.

03; 402-535

Onder de vurige stekel van het beangstigende monster, Schorpioen, richting het zuiden hangt het Altaar. De tijd dat je deze boven de horizon ziet is kort. Want zij komt op tegenover Arctourus. De baan van Arctourus ligt hoog, maar het Altaar passeert eerder richting de westelijke zee. Maar het Altaar gaat als geen ander in de oude nacht, huilend over de ellende der mensen, onder als een machtig voorteken voor storm op zee. Want schepen in problemen pijnigen haar hart, en ze laat andere tekens in andere kwartieren in zorgen ontbranden voor zeelieden, die stormen op zee worden geteisterd. Daarom bid ik u, wanneer u op open zee bent, dat dit sterrenbeeld niet in wolken verschijnt temidden van de anderen in de hemel, naakt en schitterend in de hoogte met aanzwellende wolken, waardoor zij vaak wordt belaagd en u door de herfstwinden wordt teruggedreven.

Want Nacht zelf onthult dit teken vaak, maar ook de zuidenwind in haar goedheid voor de zwoegende zeilers. Als zij maar luisteren naar haar begunstigende tekens en vlug alles in gereedheid brengen, en zie, plotseling is hun taak eenvoudiger. Maar als uit de hoogte plotseling een windvlaag hun schip bestookt, geheel onverwachts, en al de zeilen in verwarring brengt, zullen zij soms hun reis onder de golven voortzetten, maar in andere tijden, als zij door hun gebeden de hulp van Zeus inroepen, en de machtige noordenwind met bliksems passeert, zien zij na veel gezwoeg elkaar weer op het schip. Maar vrees de zuidenwind bij dit teken, totdat je de noordenwind met zijn bliksems bespeurt. Maar als de schouder van Centaurus net zo ver verwijderd is van de westelijke als de oostelijke zee, en een vage nevel haar bedekt, terwijl achter Nacht tekenen van storm ontstaan voor het flikkerende Altaar, moet u niet uitkijken naar het zuiden, maar denken aan een oostenwind.

03; 436-442

Het sterrenbeeld Centaurus zult u vinden onder twee anderen. Want het menselijke deel staat onder de Schorpioen, maar de rest, een paardenromp en staart, staat onder de Klauwen. Hij lijkt zijn rechterhand eeuwig uit te strekken naar het ronde Altaar, hoewel zijn hand is uitgebeeld terwijl die een ander teken vastgrijpt – het Beest, want zo hebben de mensen van vroeger het genoemd.

03; 443-448

Een ander sterrenbeeld reist daar achter, welke men de Hydra noemt. Als een levend wezen draait het in de verte in zijn kronkelende gedaante. Haar hoofd staat onder het midden van de Krab, de kronkelingen onder het lichaam van de Leeuw, en haar staart hangt boven de Centaur. Middenin haar kronkelingen is de Krater geplaatst, en aan het uiteinde de figuur van een Raaf dat lijkt te pikken aan de kronkelingen.

03; 449-450

Daar, bij de Hydra, onder de Tweeling straalt ook de heldere Procyon.

03; 451-452

Al deze sterrenbeelden kunt u zien als de seizoenen voorbij gaan, elk verschijnend op de vastgestelde tijd. Want ze zijn allemaal onveranderlijk en stevig gefixeerd in de hemel als ornamenten van de voortgaande nacht.

4. De vijf planeten

04; 453-461

Maar van een totaal andere klasse zijn de vijf andere bollen, die zich met hen vermengen en aan alle kanten rondzwerven om de twaalf tekens van de Dierenriem. Je kunt hun baan niet langer markeren met de anderen als gids, omdat zij een onbetrouwbare koers varen, de perioden van hun omwentelingen zijn lang en het doel van hun samenvoeging ligt ver. Wanneer ik aan hen toekom faalt mijn durf, want aan mij is de macht om te vertellen over de banen van de vaste sterren en tekenen in de hemel.

5. Cirkels aan de hemel

05; 462-468

Deze banen liggen als ringen, vier in getal, voornaam in afmeting en grootte, als je het aanwassen en tanen van de seizoenen zou herkennen. Op alle vier zijn bakens aanwezig, veel in aantal, in alle opzichten dicht opeen geplaatst. De cirkels zijn onbeweeglijk, en aan elkaar bevestigd, maar in afmetingen zijn er twee paren gelijk aan elkaar.

05; 469-479

Als eens op een heldere nacht, wanneer Nacht in de hemel al haar heldere sterren aan de mensheid toont en om middernacht geen enkele ster zwak straalt, maar zij allen scherp afgetekend priemen in de duisternis – op zo’n moment zult u verwonderd merken dat de hemel is gesplitst door een brede riem, of als iemand naast u aanwijst dat de cirkels met briljanten zijn bezet – dat is wat men de Melkweg noemt. Een gelijk draaiende cirkel qua kleuren zult u niet vinden, maar in afmetingen zijn twee van de vier riemen zo groot, terwijl de andere twee veel minder zijn.

05; 480-500

Van de kleinere kringen staat er één (de Kreeftskeerkring) vlakbij Boreas wanneer deze opkomt, en één staat er boven de hoofden van de Tweeling en de knieën van de standvastige Wagenmenner, en boven hem staan de linkerschouder en het scheenbeen van Perseus. Zij kruist Andromeda’s rechterarm boven de elleboog. Daarboven staat haar handpalm, dichter naar het noorden, en meer zuidelijker steunt haar elleboog. De hoeven van het Paard, het hoofd en de nek van de Vogel en Ophiuchus’ (Slangenhouder) stralende schouders draaien in hun baan langs deze cirkel.

De Maagd is een beetje naar het zuiden geplaatst en raakt de Riem niet, maar de Leeuw en de Krab staan er op. Beiden naast elkaar geplaatst, maar de cirkel doorsnijdt de Leeuw in de lengte onder borst en buik tot aan de lendenen, en de Krab is zuiver doormidden gesneden bij de schaal waar je duidelijk de doorsnijding kan zien, terwijl hij rechtop staat met zijn ogen aan beide kanten van de Riem. De cirkel is, zo goed als mogelijk, in acht delen verdeeld, waarvan overdag vijf delen in de hoogte boven de aarde draaien en drie onder de horizon. Daarbinnen bevindt zich het keerpunt van de Zon in de zomer. Deze cirkel is geplaatst in het noorden rond de Krab.

05; 501-510

Maar er is een andere cirkel (de Steenbokskeerkring) als tegenhanger in het zuiden. Deze snijdt door het midden van Aegocerus, de voet van Waterman, de staart van het Zeemonster, Cetus, en erop bevindt zich de Haas. Het neemt geen groot deel van de Hond in bezit, maar alleen de ruimte die hij bezet met zijn poten. Daarbinnen bevinden zich de Argo en de machtige rug van de Centaur, de stekel van de Schorpioen, en de Boog van de heldere Boogschutter. Deze cirkel passeert de Zon als die zuidwaarts keert uit het heldere noorden, en hier is het keerpunt van de Zon in de winter. Van zijn baan staan drie van de acht delen boven, en vijf onder de horizon.

05; 511-523

Tussen deze twee Riemen bevindt zich een andere Riem (de Evenaar), gelijke van de Melkweg, de aarde schragend en met een denkbeeldige lijn de hemel doorsnijdend. Daarbinnen zijn de nachten net zolang als de dagen bij het tanen van de zomer en het wassen van de lente (de Equinoxen). De daarvoor benoemde tekens zijn Ram en de knieën van de Stier – de Ram omdat hij er in de lengte doorheen voert, maar van de Stier omdat alleen de gebogen knieën zichtbaar zijn. Daarbinnen bevinden zich Orion, met zijn vele sterren, en de kronkelingen van de stralende Hydra. Daar zijn ook de schemerige Krater en de Kraai en de Klauwen, met weinig sterren, en de knieën van Ophiuchus. Maar het heeft geen deel van de Adelaar, maar deze machtige boodschapper van Zeus vliegt er wel vlakbij. Hoofd en nek van het Paard kijken naar de draaiende Adelaar.

05; 524-543

Deze drie Ringen (Kreeft, Steenbok en Evenaar) draaien parallel, en haaks op de As die zij omringen en waarvan deze het middelpunt is. Maar de vierde (de Eclips) staat schuin ten opzicht van de Kreeft- en Steenbokskeerkring. Zij ondersteunen die aan weerszijden van de Evenaar bij hun grenzen, maar de Evenaar doorsnijdt hem. Op geen enkele manier zou een man vaardig in het handwerk van Athena deze wervelende Ringen kunnen sluiten, hen allen ronddraaiend, zoveel en zulke grote Ringen, net als de Riemen in de hemel, gegrepen door de dwarse cirkel, eeuwig haastend van zonsopgang tot de nacht.

Deze drie Ringen komen altijd parallel op en gaan parallel onder en is alleen het punt gelijk waar zij in volgorde elk opkomen of ondergaan in het oosten of het westen. Maar de vierde Cirkel passeert net zoveel water van de Oceaan als er ligt tussen de opkomende Aegocerus en het opkomen van de Krab. Zoveel als hij in beslag neemt tijdens zijn opkomst, zo veel neemt hij in beslag tijdens zijn ondergang. Zolang is de straal die naar de hemel geworpen wordt uit de schittering van het oog, deze lijn is zes keer zo lang als de straal van deze ring. Elke straal, van gelijke lengte, onderschept de twee sterrenbeelden. Deze cirkel wordt de Dierenriem genoemd.

05; 544-552

Daarbinnen bevindt zich de Rots. Na de Rots de Leeuw en onder hem de Maagd. Na de Maagd de Klauwen en de Schorpioen en de Boogschutter en Aegocerus, en na Aegocerus de Waterman. Onder hem stralen de twee Vissen en na hen de Ram en vervolgens de Stier en de Tweeling. Binnen hen, twaalf in getal, heeft de zon zijn baan terwijl deze het hele jaar voortgaat, en terwijl die rond deze Ring voortgaat, hebben alle vruchtbare seizoenen hun groei.

05; 553-558

De helft van deze ring staat onder de horizon, terwijl de andere helft boven de aarde staat. Elke nacht gaan zes van de twaalf sterrenbeelden onder en komen er evenzovele op. Zolang de nacht duurt strekt de helft van deze ring zich boven aarde uit tot aan het einde van de nacht.

6. Opkomst van de dierenriem

06; 559-568

Het is voor iemand die op zoek is naar voortekens van de komende dag niet zinloos om elk teken van de Dierenriem te markeren. Want de zon komt altijd met één van hen op. Men kan het beste deze sterrenbeelden opzoeken door er zelf naar te kijken, maar als zij verduisterd zijn door wolken of verscholen achter een heuvel, kijk dan naar de vaste tekens over hun komst. De oceaan geeft u tekens bij iedere landpunt – in het oosten of het westen – door de vele sterrenbeelden die om hen heen draaien, want van beneden weerkaatst hij elk opkomend teken.

06; 569-589

Want de draaiende sterrenbeelden die boven de oceaan in het oosten en westen opkomen zijn niet mat, wanneer de Krab opkomt, enkelen gaan in het westen onder en anderen komen in het oosten op. De Kroon gaat onder en de zuidelijke Vis tot aan zijn rug. De helft van de ondergaande Kroon is zichtbaar aan de hemel als de helft al onder de horizon is verdwenen. Van Engonasin (Knieler), achterover gekeerd, is zijn middel nog zichtbaar als zijn bovenlichaam door de nacht wordt meegevoerd. De opkomst van de Krab laat de ellendige Ophiuchus (Slangenhouder) van knie tot schouder en Ophis (Slang) tot de nek ondergaan. Arctophylax is niet langer groot meer aan beide zijden van de horizon maar nog voor een klein gedeelte zichtbaar, terwijl het grootste gedeelte is gehuld in de nacht.

Want met vier tekens van de Dierenriem gaat Boötes onder en wordt in de schoot van de Oceaan ontvangen. En wanneer hij verzadigd is van het licht duurt het tot middernacht voordat hij zijn ossen verliest, in het seizoen wanneer hij samen met de zon ondergaat. Deze nachten zijn vernoemd naar zijn late ondergang. Zo gaan deze sterren onder, maar anderen, die tegenover hen staan, geen matte sterren, zoals Orion met zijn glinsterende riem en stralende schouders vertrouwend op de macht van zijn zwaard, en de zoute Rivier, komen aan de andere kant op, het oosten.

06; 590-595

Bij de opkomst van de Leeuw gaan deze sterrenbeelden volledig onder, ondergaand als de Krab opkomt, en ook de Adelaar gaat met hen onder. Maar de Gedaante van de Knieler wenkt met gebogen knie en linkervoet onder de stormachtige oceaan. Het hoofd van de Hydra komt op en de helderogige Haas en Procyon en de voorpoot van de vlammende Hond.

06; 596-606

Niet gering zijn de sterrenbeelden die de Maagd onder de rand van de aarde stuurt bij haar opkomst. Dan gaat de Cylleense Lier onder, de Dolfijn en de welgevormde Pijl. Met hen wordt de vleugelpunt van de Vogel tot aan haar staart en de verste uithoeken van de Rivier overschaduwd. Het hoofd van het Paard gaat onder, onder tot aan zijn nek. De Hydra stijgt op tot aan de Krater, en voor haar brengt de Hond zijn poten boven water, de achtersteven van de met vele sterren uitgebeelde Argo achter zich aan slepend. En zij komt op boven de aarde, precies bij de mast gespleten, juist op het moment dat de Maagd is opgekomen.

06; 607-633

Evenmin kan de opkomende Klauwen (Weegschaal), hoewel mat schijnend, onopgemerkt passeren, als aan haar grenzen het machtige teken van Boötes opkomt, de van juwelen voorziene Arctourus. Hemelwaarts stijgt ook Argo, maar van de Hydra, uitgestrekt als ze in de hemel is, ontbreekt de staart. De Klauwen vertoont alleen het rechterbeen tot aan het dijbeen van het Figuur dat altijd op zijn Knieën zit, altijd hurkend bij de Lier – die Geest, onbekend tussen de figuren van de hemel, die we vaak zien opkomen en ondergaan in dezelfde nacht. Van hem is alleen het been zichtbaar bij de opkomst van de Klauwen. Hijzelf komt ondersteboven op en wacht op de rijzende Schorpioen en de Boogschutter.

Want na hem komen de Schorpioen en al het voornoemde, en de linkerhand en hoofd van de Boog. Zo in drie stukken verdeeld verschijnt hij stukje bij beetje boven de horizon. De helft van de Kroon en de staartpunt van de Centaur komen op met het stijgen van de Klauwen. Dan gaat het Paard onder na zijn verdwenen hoofd, en gesleept aan de staartpunt volgt de Vogel, die al is ondergegaan. Het hoofd van Andromeda gaat onder en tegenover haar komt de verschrikkelijk machtige Cetus op gedragen door de mistige Zuidenwind, maar tegenover hem in het noorden stuurt Cepheus hem onmiddellijk met opgeheven hand terug. Cetus, met zijn nek naar beneden, gaat tot zijn nek onder, en Cepheus met hoofd, hand en schouder.

06; 634-664

De kronkelende Rivier zakt onmiddellijk in de mooi stromende oceaan bij de komst van de Schorpioen, wiens opkomst zelfs de machtige Orion op de vlucht jaagt. Naar uw gratie, Artemis, hunkeren we! Er bestaat een verhaal dat werd verteld door mensen van weleer, die zeiden dat de dappere Orion zich aan haar probeerde te vergrijpen, ten tijde dat hij in Chios met zijn knots allerlei beesten doodde, als dienstverlening tijdens de jacht aan koning Oenopion. Maar zij spleet onmiddellijk de omringende heuvels van het eiland in tweeën en stookte een anders soort beest tegen hem op – de Schorpioen, die machtiger bleek te zijn verwondde hem, hoewel hij zelf ook machtig was, en doodde hem, omdat hij Artemis had lastiggevallen. Daarom, zegt men ook, dat bij de opkomst van de Schorpioen in het oosten Orion naar de westelijke rand vlucht.

Noch ontgaat datgene wat over is van Andromeda en Cetus zijn opkomst en vluchten ook zij ijlings. In dat uur schampt de riem van Cepheus de aarde als hij zijn bovenlichaam in zee doopt, maar nog niet de rest – zijn voeten en knieën en lendenen, want de Beren hebben dit verboden. De ongelukkige Cassiopea haast zich achter de beeltenis van haar kind aan. Ze straalt niet langer in schijnbare wijsheid op haar troon, inclusief voeten en knieën, maar gaat halsoverkop onder als een duiker, gescheiden bij de knieën. Want ze concurreert niet geheel ongedeerd met Doris en Panope. Zo reist ze naar het westen, maar andere tekens in het oostelijke gewelf van de hemel komen van onder, de resterende helft van de Kroon en de staart van de Hydra, en het lichaam en hoofd van de Centaur komen omhoog en het Beest dat de Centaur in zijn rechterhand houdt. Maar de voorbenen van de Centaurdienaar wachten op de opkomst van de Boog.

06; 665-682

Bij de komst van de Boog (Boogschutter) komen de kronkelingen van de slang en het lichaam van Ophiuchus op. De Schorpioen zelf brengt hun hoofden omhoog en verheft de handen van Ophiuchus en de voorste kronkelingen van de met sterren bezaaide slang. Dan duikt van onder enkele dele van de Knieler op, die altijd met zijn voeten vooruit opkomt, en dan, zijn benen, middel, hele borst, en zijn schouder met rechterhand. Maar zijn ander hand en hoofd komen gelijk met Boog en Boogschutter op. Samen met hen komen uit de oostelijke oceaan de Lier van Hermes en Cepheus tot aan zijn borst boven water, terwijl gelijkertijd de stralen van de machtige hond ondergaan en geheel Orion, ja, heel de Haas, die door de Hond wordt achtervolgd in een eindeloze race. Maar de Kinderen van de Wagenmenner en de Olenische Geit vertrekken nog niet. Zij stralen bij zijn grote hand, en stralen voornaam voorbij al zijn andere ledematen in woedende stormen, wanneer zij samen reizen met de Zon.

06; 683-699

Zijn hoofd, hand en middel gaan onder bij het opkomen van Aegocerus (Steenbok). Van zijn middel tot aan zijn voeten gaat hij onder bij het opkomen van de Boogschutter. Noch blijven Perseus en het einde van de achtersteven van de met veel sterren uitgebeelde Argo in de hoogte, maar Perseus gaat met alles behalve zijn knie en rechtervoet onder en is ook de Argo verdwenen behalve haar gebogen achtersteven. Zij zakt volledig bij de opkomst van de Steenbok, wanneer Procyon ook ondergaat, en daar verrijzen de Vogel en de Adelaar en de juwelen van de gevleugelde Pijl en het heilige Altaar, die zijn gevestigd in het zuiden.

Wanneer Waterman net is verschenen, draaien de hoeven en het hoofd van het Paard omhoog. Maar tegenover het Paard trekt de sterrenrijke Nacht de Centaur, de staart eerst, onder de horizon, maar kan zijn kop, brede schouders en borst nog niet helemaal overspoelen, maar zij zinkt onder de rand samen met de kronkelende nek en het hoofd van de glanzende Hydra.

06; 700-711

Toch blijven er nog veel kronkelingen van de Hydra achter, maar Nacht overspoelt haar totaal met de Centaur, wanneer de Vissen opkomen. Samen met de Vissen is de Vis onder de opkomende Steenbok geplaatst – niet compleet maar gelijktijdig wachtend op een ander teken van de dierenriem. Zo zijn de vermoeide handen, knieën en schouders van Andromeda gescheiden – sommigen uitgestrekt onder en anderen boven de horizon, wanneer de Vissen opnieuw uit de oceaan opkomen. Haar rechterzijde brengt de Vissen, maar haar linkerkant de opkomende Ram. Wanneer de laatstgenoemde opkomt, gaat het Altaar in het westen onder, terwijl in het oosten al iets van het hoofd en schouders van de opkomende Perseus zichtbaar worden.

06; 712-723

Met betrekking tot zijn riem kan erover gediscussieerd worden of deze opkomt als de Ram ondergaat, of bij het opkomen van de Stier, met wie hij geheel opkomt. Evenmin blijft de Wagenmenner achter bij de Stier, want hun banen liggen dicht bij elkaar. Maar hij verschijnt niet volledig bij dat teken, maar de Tweeling maakt hem geheel zichtbaar. De Kinderen en de zool van de Wagenmenner’s linkervoet evenals de Geit vergezellen de Stier, op welke tijd de nek en staart van Cetus, zeemonster van de hemel, eronder opkomt. Nu begint Arctophylax onder te gaan met de eerste van vier sterrenbeelden uit de Dierenriem die hem volledig zien ondergaan, uitgezonderd zijn nooit ondergaande linkerhand die opkomt met de Grote Beer.

06; 724-732

Laat ondergaande Ophiuchus met zijn beide voeten tot aan zijn knieën een teken zijn voor de opkomst van de Tweeling in het oosten Dan is een gedeelte van Cetus niet langer onder de rand, maar ziet u hem geheel. Dan, kan de zeeman op open zee de eerste bocht herkennen van de Rivier die verrijst uit de diepte, terwijl zelf hij toekijkt naar Orion die hem misschien een tip geeft over de lengte van de nacht of over zijn reis. Want vanaf alle kanten openbaren de goden tekenen aan de mensheid.

7. Weertekens

07; 733-739

Merkt u niet dat wanneer Maan met de slanke hoorns weer in het westen schijnt, zij vertelt dat er een nieuwe maand begint. Als haar eerste stralen net aankomen en een beetje schaduw werpen, gaat ze op weg naar de vierde dag. Met haar gestalte half compleet zijn er acht dagen voorbij. En met volle maan is zij halverwege de maand. En met altijd wisselende fasen vertelt zij wanneer de dageraad in aantocht is.

07; 740-751

Deze twaalf tekens van de Dierenriem zijn voldoende om de grenzen van de nacht aan te geven. Maar zij markeren ook het lange jaar – het seizoen om te ploegen, de tijd om het braakliggende land in te zaaien en het seizoen om bomen te planten – dat al onthuld is aan Zeus en van alle kanten is vastgesteld. Ja, en op zee, hebben de zeelieden de komst van het stormachtige seizoen gemarkeerd, zich de angstige Boötes herinnerend of de andere sterren die in de ochtendschemering uit de oceaan opkomen of bij het vallen van de avond. En tussen hen door passeert de Zon op zijn jaarlijkse koers, terwijl hij zijn machtige voren ploegt, en nu eens naar de een, en dan weer naar de ander trekt, nu eens ondergaand en dan weer opkomend, en steeds weer kikt een ster naar een andere ochtend.

07; 752-764

Opdat u weet, want alle negentien cycli (de negentien cycli van Meton) van de heldere zon zijn nu voltooid – opdat u weet dat alle sterren hoogverheven door de nacht koersen van Orion’s riem tot het einde van Orion en zijn stoutmoedige Hond, de sterren van Poseidon, de sterren van Zeus, die, indien herkend, de tekenen van het seizoen weergeven. Luister daarom zorgvuldig naar hun tekens als er ooit vertrouwen gesteld moet worden in een schip, en is het aan u om te kijken welke tekens in de hemel werkzaam zijn onder stormachtige wind of storm op zee. De inspanning is klein maar de beloning is duizendvoudig voor degene die uiterst behoedzaam is. Ten eerste is hij zelf veiliger, en schenkt bovendien voordeel aan een ander door zijn waarschuwing, als een storm op komst is.

07; 765-777

Want meestal, tijdens een kalme nacht, neemt een zeeman de zeilen in uit angst voor de ochtendzee. Soms komt de storm op de derde dag, soms op de vijfde, maar soms komt het kwaad geheel onverwachts. Want wij stervelingen weten nog niet alles van Zeus, en blijft er nog veel verborgen, wat hij, wanneer hij wil, hierna ook nog aan ons zal onthullen. Want hij steunt openlijk het ras der mensen, zich overal openbarend en aan alle kanten tekenen plaatsend. Sommige boodschappen zal de Maan brengen met halfvolle maan of wanneer zij aanwast of afneemt, en weer anderen wanneer zij vol is. Anderen door de Zon met waarschuwingen bij dageraad en opnieuw bij het vallen van de avond, en andere tekens kunnen dag en nacht uit andere bronnen worden betrokken.

07; 778-798

Onderzoek eerst de hoorns aan beide zijden van de Maan. Want de avond schildert haar van tijd tot tijd met verschillende kleuren en haar hoorns zijn op verschillende tijdstippen anders van vorm als de Maan wast – de ene vorm op de derde dag en weer een andere op de vierde. Door deze te onderzoeken kunt u iets leren over de maand die is begonnen. Als ze helder en slank is op de derde dag, voorspelt ze rust. Als ze slank en rozig is, wind. Maar als ze vol is met stompe hoorns en een zwak licht verspreidt op de derde en vierde nacht, dan zijn haar stralen kort vanwege de zuidenwind of dreigende regen. Als in de derde nacht een hoorn niet naar voren of achteren knikt, als hun punten zich aan weerskanten verticaal buigen, zal de wind die nacht wind uit het westen komen. En als ze nog steeds een verticale kromming hebben op de vierde dag, geeft ze waarschuwingen af voor een naderende storm. Maar als haar bovenste hoorn naar voren knikt, verwacht dan noordenwind, en als deze naar achteren buigt, de zuidenwind. En als zij op de derde dag een volmaakte cirkel vormt, rood blozend, voorspelt ze storm en, hoe roder ze bloost, hoe feller de storm.

07; 799-818

Onderzoek haar wanneer zij vol of halfvol aan weerskanten van volle maan is, want als ze wast of afneemt naar halve maan, voorspel dan aan haar kleur de weersverwachtingen per maand. Als zij heel helder is van kleur, verwacht dan mooi weer. Wanneer zij rossig is, verwacht dan ruisende wind, en als zij donker gekleurd met vlekken wordt, kijk dan uit naar regen. Doch niet elke dag is aangewezen als apart teken, maar de tekenen van de derde en vierde dag duiden de weersituatie aan tot aan halve maan. Die van de halve maan tot aan volle maan, en op haar beurt de tekens van de volle maan tot de afnemende halve maan. De tekens van de halve maan worden gevolgd door die van de vierde dag vanaf het einde van de afnemende maand, en zij op hun beurt door die van de derde dag van de nieuwe maand. Maar als halo’s de Maan omcirkelen, drie- of tweevoudig of slechts één – verwacht dan bij een enkele ring, kalmte, maar als de cirkel verbroken is, wind, en wanneer deze mat en vervagend zijn, kalmte. Twee cirkels die de Maan omringen voorspellen storm. Een Drievoudige halo brengt een heviger storm, die zwaarder, zwarter, en nog furieuzer is, als de cirkels onderbroken zijn. Zulke waarschuwingen voor de maand kunt u aflezen aan de Maan.

07; 819-831

Sla in maart acht op de Zon in het oosten en westen. Zijn tekenen geven nog meer relevante waarschuwingen als hij ondergaat, en als hij vanonder de horizon opkomt. Laat zijn bol, als u een mooie dag verlangt, geschakeerd zijn als zijn eerste stralen de aarde raken, en laat hem geen vlek hebben maar totaal vlekvrij schijnen. Als hij nog steeds zo zuiver is in het uur dat de ossen worden uitgespannen, en wolkeloos ondergaat in de avond met vriendelijk stralen, zal hij de volgende ochtend verschijnen bij mooi weer. Maar dat is niet zo, wanneer hij opkomt met een schijnbaar holle schijf, en evenmin als zijn stralen deels het noorden of zuiden raken, terwijl hij middenin helder is. Want dan zal hij naar waarheid door regen of wind koersen.

07; 832-879

Onderzoek nauwkeurig, als zijn stralen u dat toestaan, de zon zelf, want onderzoeken is het beste, om te kijken of er een blos over hem trekt, zo vaak hij hier of daar een blos toont, wanneer hij door slepende wolken reist, of als hij daardoor wordt verduisterd. Laat donkere vlekken een teken voor u zijn voor komende regen, en elke blos een teken voor wind. Maar als hij gelijktijdig zowel met zwart en rood gedrapeerd is, zal hij regen brengen en zich inspannen onder de wind. Maar als de stralen van de opkomende of ondergaande Zon samenkomen en bijeendringen op één plek, of wanneer hij van de nacht naar de dageraad reist, of van de dageraad naar de nacht, met een dicht wolkenpakket, zullen die dagen vergezeld gaan van grote groepen regenbuien. Wees niet onachtzaam over regen, als vlak voor hem een ijle mist opkomt, en de Zon daarna zelf met enkele stralen zichtbaar wordt. Maar wanneer een brede gordel van mist lijkt samen te smelten en uit te dijen vlak voor zonsopkomst maar vlug daarna verdwijnt, zal zijn baan mooi zijn, en ook mooi, als in het winterseizoen zijn kleur bij het vallen van de avond bleek ziet.

Kijk voor de regen van morgen dan naar de ondergaande zon en onderzoek de wolken. Als een donkere wolk de zonnestralen aan weerszijden splitst van de wolk, zul je een schuilplaats moeten zoeken voor de dageraad. Maar als hij zonder wolken in de westelijke oceaan duikt, en, als hij ondergaat of al verdwenen is, de wolken vlakbij hem rood kleuren, hoeft u de volgende morgen of nacht niet bang te zijn voor regen. Maar vrees de regen als de zonnestralen plotseling ijl en bleek lijken te worden – net als wanneer zij vervagen als de Maan hen overschaduwd, op het moment dat ze precies tussen de aarde en de Zon staat. Noch blijven de velden droog op de dag, als voor de dageraad, wanneer de zon wacht met schijnen, hier en daar rode wolken verschijnen. Wees niet onachtzaam voor wind of komende regen, wanneer, terwijl de Zon nog onder de horizon is, de stralen van zijn voorgangster schimmig schijnen in de dageraad. Hoe meer deze stralen door de schaduw worden gevoerd, hoe zekerder deze regen zullen brengen, maar als ijl stof de stralen bedekt, als een zachte verdampende mist, voorspelt die sluier van stof wind. Donkere kringen om de Zon zijn evenmin tekens van mooi weer. Hoe dichter bij de Zon en hoe donkerder, voorspellen zij grote stromen. Als er twee ringen zijn, voorspellen deze een nog heftiger storm.

07; 880-889

Let op de Zon als deze ondergaat of opkomt, of de wolken, parhelia genaamd, blozen (in het zuiden, het noorden of beide), en doe deze observatie niet in een zorgeloze stemming. Want als deze wolken aan beide zijden gelijktijdig de Zon omringen, laag boven de horizon, is er snel een storm op komst uit de handen van Zeus. Maar als er slecht enkelen paars schijnen in het noorden, zal de storm uit het noorden komen, en in het zuiden, vanuit het zuiden. En zullen er kletterende regendruppels neervallen.

07; 890-891

Let zo mogelijk nog zorgvuldiger op deze tekens in het westen, want vanuit het westen worden de waarschuwingen steeds met dezelfde onfeilbare zekerheid gegeven.

07; 892-908

Onderzoek ook de Voerbak. Als een vage nevel in het noorden speelt deze de gids onder Kreeft. Daaromheen staan twee flauw stralende sterren, niet ver weg maar ook niet dichtbij maar op een afstand van de lengte van een elleboog, één in het noorden, terwijl de andere naar het zuiden kijkt. Zij worden de Ezels genoemd in het sterrenbeeld Kreeft, en tussen hen in staat de Voerbak. Als plotseling, wanneer de hemel helder is, de Voerbak geheel verdwijnt, terwijl de sterren die aan weerskanten staan naar elkaar toe lijken te trekken, is de storm niet gering waarmee de velden dan worden overstelpt. Als de Voerbak donkerder wordt maar beide sterren ongewijzigd blijven, voorspellen zij regen. Maar als de Ezel ten het noorden van de Voerbak zwakjes door een ijle mist schijnt, terwijl de Zuidelijke Ezel helder straalt, verwacht dan wind uit het zuiden. Maar als de Zuidelijke Ezel bewolkt is en de noordelijke helder, verwacht dan noordenwind.

07; 909-912

Een teken voor wind is ook de aanzwellende zee, de verklinkende branding, het echoën van rotsen bij een kalme zee, en het kreunen van bergtoppen.

07; 913-923

Als de reiger in een wanordelijke vlucht met veel geschreeuw landinwaarts komt vliegen vanuit zee, is hij een voorbode van de storm op zee. Dan komen ook de stormachtige stormvogels, wanneer zij kalm fladderen, in groepen om de komende wind te trotseren. Voor een storm slaan ook vaak de wilde eenden of de boven zee zwenkende meeuwen hun vleugels uit naar de kust, of rust een wolk in de lengterichting op de bergtoppen. Schenk ook aandacht aan de verwelkte bloemblaadjes als voorteken van wind, het neerhangen van de witte distel, wanneer zijn overvloedig drijven, sommigen vooraan en anderen achteraan, op het oppervlak van de kalme zee.

07; 924-932

Verwacht vanuit het kwartier waar de zomerse donders en bliksem vandaan komen, het begin van de storm. Wanneer vallende sterren als dikke vliegen met een wit spoor door de nacht schieten, verwacht dan een wind vanuit dezelfde hoek. Als vallende sterren hen confronteren en anderen uit andere kwartieren voorbijschieten, wees dan op uw hoede voor wind uit alle richtingen – winden, die boven alle anderen moeilijk zijn te beoordelen, en mensen niet de vaardigheid bezitten om die te voorspellen.

07; 933-941

Maar wanneer uit het oosten en zuiden de bliksems schieten, en opnieuw uit het westen en weldra uit het noorden, dan is de zeeman op zee zeker dat hij in één keer gegrepen wordt door de golven onder hem en de regen vanuit de hemel. Want zulke bliksems voorspellen regen. Voor de komende regen verschijnen vaak schapenwolken of omcirkelt een dubbele regenboog de lucht of krijgen sommige sterren donkere kringen.

07; 942-953

Vaak duiken vogels bij een meer of op zee constant in het water, of dartelen de zwaluwen lang rond een vijver, het kabbelende water met hun borst rakend, of bij ongelukkiger groepen, een zegen voor waterslangen, kwaken de vaders van de kikkervisjes in het meer, of zoemt het ochtendlegsel van de boomkikker, of besluipt de klapperende kraai het droge land bij de vooruitspringende oever voor de komende storm, hij zal dan zijn kop tot aan zijn schouders in het water steken, of zelfs volledig onderduiken, en hees krassend het water verstoren.

07; 954-961

En voordat er regen uit de hemel valt, zijn de hemelwaarts kijkende ossen te zien de aan de lucht ruiken, en de mieren met hun holle nesten brengen met grote haast al hun eieren in veiligheid, en de duizendpoten lijken in zwermen de muren te beklimmen, en kruipen de wormen voort die mensen de donkere darmen der aarde noemen. De tamme kippen met vader haan strijken hun veren glad en kakelen hardop met stemmen die lijken op het geluid van druppelend water.

07; 962-972

Ook de generaties van kraaien en kauwen zijn tekenen dat er regen van Zeus op komst is, wanneer zij in groepjes verschijnen en krijsen als haviken. Kraaien imiteren met hun gezang ook het hevige gekletter van neervallende regen, of zij verheffen een luid zoemend geluid met regelmatig gefladder van hun vleugels na eerst tweemaal diep te krassen, en eenden van de boerderij en kauwen die het dak bejagen zoeken dekking onder de dakrand en klapperen met hun vleugels, of de reiger vliegt met schrille kreten zeewaarts.

07; 973-987

Laat niets van deze zaken u ontgaan als u op uw hoede bent voor regen, en geef gehoor aan deze waarschuwingen, als de muggen anders dan normaal steken en dol zijn op bloed, of als tijdens een mistige nacht er zich snuif verzamelt op het mondstuk van de lamp, of wanneer in het winterseizoen de vlam van de lamp gestaag groter wordt en er binnenkort snel vonken vanaf vliegen, als lichte zeepbellen, of als er in het licht zelf priemende stralen verschijnen, of wanneer tijdens midzomer de eilandvogels in grote groepen worden geboren. Wees niet onachtzaam over de ketel of driepoot boven het vuur, als er veel vonken omheen vliegen, noch onachtzaam wanneer er in de as van brandende kolen gloeiende plekjes ontstaan van gierstzaad, maar schenk hier ook aandacht aan als u op zoek bent naar regentekens.

07; 988-993

Maar als een mistige wolk uitgestrekt langs de voet van een hoge heuvel ligt, terwijl de bovenste toppen duidelijk zichtbaar zijn, zal de hemel zeer helder worden. U zult ook mooi weer hebben, wanneer bij de zeerand een laag bij de grond hangende wolk wordt gezien, nooit hoog komend, maar daar vastgepind lijkt als een platte klip van een rots.

07; 994-998

Speur in mosselen naar tekenen van storm, en in stormen naar tekenen van kalmte. Onderzoek de voerbak goed, waar de Kreeft dichtbij draait, wanneer deze is bevrijdt van alle afdekkende wolken. Want deze opheldering markeert de afnemende storm.

07; 999-1012

Herken als teken van afnemende storm de rustig brandende vlam van de lamp, het zachte gekras van de uil in de nacht, en de kraai als deze bij avond met verschillende zachte tonen krast, en de roeken, wanneer zij twee lieflijke enkele noten laten volgen door felle en herhaalde kreten, en wanneer zij met grote groepen, luidruchtig, denken aan hun slaapplaats. Men zou denken dat zij blij zijn, als men ziet hoe ze met schrille kreten krassen, nu eens veelvuldig om de bladeren van de boom heen vliegend, dan weer op de tak, waarop zij rusten, en vervolgens weer met hun vleugels klapperen. Kraanvogels zullen voor een rustige periode met wiekende vleugels gestaag hun weg in rechte lijn vervolgen, allen bijeen, en bij mooi weer niet tot een wanordelijke vlucht vervallen.

07; 1013-1020

Maar als het heldere licht van de sterren gedimd wordt, hoewel zij niet door dreigende wolken bedekt worden, noch andere duisternissen de Maan onduidelijk verbergen, maar de sterren plotseling zonder oorzaak bleek worden, denk dan niet meer aan tekens van kalmte maar kijkt uit voor een storm. Slecht weer, zal ook komen, wanneer sommige wolken op hun plek blijven hangen, maar anderen passeren en met de volgende in hun kielzog.

07; 1021-1043

Ware tekens van komende storm zijn ganzen die zich met velen tegelijk op hun eten storten, de negende generatie kraaien die ’s nachts krassen, de kauw die laat kletst, de vink die zingt bij de dageraad, watervogels die allemaal landinwaarts wegvluchten van de zee, het winterkoninkje of het roodborstje die zich terugtrekken in holle kloven, en grote groepen kauwen die laat terugkeren van hun droge voedingsgronden naar hun rustplaatsen. Wanneer de woedende storm dreigt, gaan de taankleurige bijen niet ver weg om was te verzamelen, maar vliegen snel met hun honing naar hun raten, ook de kraanvogels vliegen niet in lange rijen verder op hun gestage koers, maar draaien en keren tijdens hun vlucht.

Kijk ook uit, voor slecht weer, wanneer in windstille perioden luchtige en ragfijne weefsels door de lucht vliegen, en als de stralen van de lamp verflauwen en flikkeren, of wanneer tijdens mooi weer vuur en fakkels moeilijk aan te steken zijn. Waarom alle waarschuwende tekens die naar de mensheid komen opnoemen? De lelijke klontering van de Ezel is een teken voor sneeuw. De ring van vlekken gierstzaad rond de brandende pit van de lamp betekent sneeuw. Maar een teken voor hagel zijn gloeiende kolen, wanneer zij uitwendig helder stralen, maar vanbinnen, zo lijkt het, een dunne mistlaag in het gloeiende vuur.

07; 1044-1063

Ook zijn de steeneiken, vol met eikels, en de donkere mastiekboom nog niet op de proef gesteld. Met veelvuldige blikken kijkt de molenaar naar alle kanten, bang dat de zomer uit zijn handen glijdt. Steeneiken met een gemiddelde oogst van vele eikels geeft een signaal van zware storm die op komst is. Bid dat zij niet buitengewoon zwaar worden getroffen, maar dat de korenvelden ver van de droogte zullen net zo zullen floreren als zij. Driemaal rijpen de knoppen van de mastiekbomen en zijn bessen.

Elk gewas op zijn beurt geeft een teken af om te zaaien. Want de mensen verdelen het zaaiseizoen in drieën – vroeg, midden en laat. De eerste oogst van mastiek voorspelt de eerste graanoogst. De tweede de middelste, en de laatste de laatste van allemaal. Het rijkste gewas dat de samenwerkende mastiekboom draagt is een voorteken van de rijkste oogst van de ploeg. De minste oogst voorspelt een schaarse graanoogst, en gemiddelde mastiekbomen voorspellen een gemiddelde oogst van graan. Op dezelfde wijze voorspelt de stengel van de sterhyacint driemaal de overeenkomstige oogst. Al deze voortekens die de boer ziet in de oogst van de mastiekboom, komen ook tot hem vanuit de witte bloesem van de sterhyacint.

07; 1064-1074

Maar wanneer in de herfst vaak vele zwermen bijen overal rondzweven, kan iemand voorspellen dat de winterstorm eraan komt nog voordat de Plejaden naar het westen koersen, snel en plotseling als een wervelstorm waarbinnen de wespen draaien. Zeugen, ooien en geiten, wanneer zij na een paring met een mannetje direct opnieuw paren, voorspellen net als wespen een hevige storm. Wanneer geiten, ooien en zeugen laat in het seizoen paren, verheugt de arme man zich, omdat hun paring hem verteld dat er een gematigde winter op komst is.

07; 1075-1081

De van het seizoen afhankelijke boer verheugt zich over de seizoenvlucht van de toestromende kraanvogels, en in de voorbarige vlucht de voorbarige ploeger. Want de winters volgen altijd na de kraanvogels. Vroege winters, wanneer hun vlucht in koppels vroeg is. Wanneer zij laat en niet in koppels vliegen, maar uitgesmeerd over een lange periode en in kleine groepen, heeft de latere landbouw voordeel door de late inval van de winter.

07; 1082-1090

Als ossen en schapen na een zwaarbeladen herfst in de grond graven en hun koppen opheffen om de noordenwind te trotseren, zullen de Plejaden bij hun ondergang zeker een stormachtige winter brengen. Bid dat hun gegraaf niet buitensporig zal zijn, want dan zal de winter buitengewoon wreed zijn en een vijand voor zowel boom als akker. Laat een dikke laag sneeuw de velden bedekken, een deken over de gevoelige scheuten, nog niet ontsproten en lang, zodat de angstige boer zich kan verheugen over hun welzijn.

07; 1091-1093

Laat de sterren in de hoogte eeuwig stralen met de nodige helderheid. En laat er geen kometen, één noch twee of meer, verschijnen! Want veel kometen voorspellen een seizoen van droogte.

07; 1094-1103

Ook op het vasteland is de boer blij met de komst van de zomer en grote groepen vogels te zien, wanneer zij van de eilanden neerstrijken op zijn velden, maar hij is buitengewoon bang voor zijn oogst, omdat zij door droogte geteisterd zullen opkomen met lege aren en veel kaf. Maar de geitherder verheugt zich zelfs over de vogels, wanneer zij aankomen in kleine groepen en zo een seizoen van veel melk beloven. Want zo beklagenswaardig zijn we, veranderlijke stervelingen die op verschillende manieren hun levensonderhoud verdienen, en klaar staan om de tekens bij hun voeten op te merken en die op dat moment vast te stellen.

07; 1104-1112

Schapen waarschuwen de schaapherder voor komende storm wanneer zij tegen hun gewoonte in snel naar de weide rennen, maar sommigen achteraan de kudde, nu eens rammen, dan weer lammeren, spelen onderweg door met hun koppen tegen elkaar aan te stoten, terwijl sommigen hier, en anderen daar, omhoogspringen, de dwazere jongen met vier poten van de grond, de gehoornde ouders met twee, of wanneer de herder een onwillige kudde opdrijft, hoewel het avond is als hij hen naar hun hokken drijft, terwijl zij hier en daar grazen, door vele stenen aangespoord.

07; 1113-1123

Ook van ossen en de rundveekudde leert de boer over de in beweging zijnde storm. Als ossen met hun tong aan de hoeven van hun voorpoten likken of in hun stallen zich uitstrekken op hun rechterzijde, verwacht de oude ploeger dat het zaaien zal worden uitgesteld. Als met onophoudelijk geloei de koeien zich verzamelen bij avond om naar hun stallen te gaan, geven de vaarzen die terughoudend zijn om de weide te verlaten een teken zij zich binnenkort niet kunnen voeden in stormvrij weer. Ook de geiten voorpellen geen goed weer wanneer zij hebzuchtig eten van de stekelige steeneiken, en de zeugen woedend door hun modderpoel razen.

07; 1124-1131

Als een eenzame wolf luid huilt, wanneer hij naar dekking zoekt, en afdaalt naar de gecultiveerde landerijen vlakbij de mensen om daar een schuilplaats te zoeken, alsof hij een storm verwacht wanneer de derde dageraad opkomt. Ja, ook door de vorige tekens kun je de wind of storm of regen voorspellen die dezelfde dag komt of morgen of wellicht op de derde morgen.

07; 1132-1139

Muizen, ook een teken voor storm, wanneer deze luider piepen dan normaal en lijken te dansen en te springen in mooi weer, zijn niet onopgemerkt gebleven door de oude weervoorspellers van vroeger. En evenmin de honden. De hond graaft met beide poten wanneer hij de komst van een storm verwacht, en dan veranderen deze muizen ook in voorspellers. En de krab komt aan land, wanneer de storm op losbarsten staat.

07; 1140-1141

Muizen werpen overdag stro op en zijn ijverig bezig om een nest te bouwen wanneer Zeus zijn tekens voor regen vertoond.

07; 1142-1152

Denk niet lichtvaardig over deze waarschuwingen. De gouden regel is om naar elkaar bevestigende tekens te zoeken. Als twee dezelfde kant op wijzen, voorspel dan met hoop. Wanneer het er drie zijn, met vertrouwen. Je kunt niet altijd de tekens van het voorbije seizoen toevoegen, en die vergelijken met die van de opkomst of van het ondergaan of bij het aanbreken van de dag zoals de kalender doet vermoeden. Het brengt veel voordeel om de laatste vier dagen van de oude en de eerste vier van de nieuwe maand te markeren. Zij hebben de voorwaarden van de ontmoetende maanden, wanneer de hemel gedurende acht achtereenvolgende nachten misleidend is tegen haar gewoonte in door het ontbreken van een heldere maan.

07; 1153-1154

Bestudeer alle tekens tezamen het hele jaar door en je zult nooit het weer door een willekeurige gok behoeven te voorspellen.

© 2017 Maarten Hendriksz