Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Callimachus - Hymnen

Bron: www.theoi.com

Callimachus, Hymns. Translated by Mair, A. W. en G. R. Loeb Classical Library Volume 129. London: William Heinemann, 1921. Uit het Engels vertaald door M. Hendriksz, 2016.

Hymne I. Aan Zeus

I;1-3
Wat zou er beter bezongen kunnen worden dan een plengoffer aan de god zelf, altijd oppermachtig, voor eeuwig koning, verdrijver van de Pelasgen, schenker van het recht aan de zonen van de hemel?

I; 4-9
Hoe zullen we hem bezingen, als koning van Dicte of van Lycaeus? Sinds er over zijn geboorte wordt gesproken twijfelt mijn ziel. O Zeus, sommigen zeggen dat u geboren bent in de heuvels van de Ida; anderen, o Zeus, zeggen in Arcadië; sprak de ene of de andere, O vader, leugens? “Kretenzers liegen altijd.” Ja, een graf, o heer, bouwden de Kretenzers voor u, maar u stierf niet, want uw werken zijn eeuwigdurend.

I; 10-16
Het was in Parrhasia dat Rhea u baarde, in de buurt van een heuvel die was beschut met een dikke laag kreupelhout. Sindsdien is het een heilige plaats, en geen enkel viervoetig wezen had Eileithyia nodig noch enige vrouw verzocht om haar, en de Apidaniërs noemden het de oerkraamkamer van Rhea. Nadat uw moeder u had gebaard uit haar machtige schoot, zocht ze direct een waterstroom, waarin ze zich van de geboorte kon reinigen en haar lichaam wassen.

I; 17-27
Maar de machtige Ladon stroomde nog niet, of de Erymanthus, helderste van alle rivieren; geheel Arcadië was nog zonder water, toch werd het waterrijk genoemd. Want voor de tijd dat Rhea haar maagdelijkheid verloor, liet het water van de Iaon menige holle eik groeien, en de grote Melas voerde vaak een serpent hemelwaarts, hoewel nu nat, is zijn nest verlaten; en een man kon te voet reizen over de Crathis en de kiezelsteenrijke Metope, dorstig: terwijl het overvloedige water onder zijn voeten stroomde.

I; 28-41
En door uitputting vermoeid riep vrouwe Rhea, “Lieve aarde, gij schenkt ook leven! Maar uw barensweeën zijn licht.” Zo sprak de godin, en ze hief haar grote arm hemelwaarts en trof de berg met haar staf; en op grootse wijze spleet deze voor haar in tweeën waardoor een machtige rivier begon te stromen. Daarin, o heer, reinigde zij haar lichaam; zwachtelde u, en gaf u aan Neda om u naar uw schuilplaats op Kreta te dragen, zodat u in het geheim grootgebracht kon worden: Neda, oudste van de nimfen die rondom haar bed bezig waren, als eerste geboren na Styx en Philyra. En niet zonder gunsten betoonde de godin haar, en noemde die stroom Neda; welke, naar ik meen, als een grote rivier bij de stad van de Cauconiërs, die Lepreion genoemd wordt, zijn water mengt met Nereus (de zee), en van dit oorspronkelijke water dronken de zonen van de Beer, Lycaon’s dochter.

I; 42-53
Toen de nimf, u droeg, o Vader Zeus, naar Cnossus, en Thenae verliet – want Thenae grensde aan Cnossus – toen, o god, viel uw navelstreng op de grond: sindsdien noemen de Cydoniërs die vlakte de navelvlakte. Maar gij, o Zeus, de makkers van de Corybanten grepen hun wapens, zelfs de Meliaden van Dicte, werd door Adrastia in een gouden wieg gelegd om te rusten, u zoog aan de voedselrijke tepel van de geit Amalthea, die daarvoor heerlijke honingraten at. En plotseling verschenen in de heuvels van de Ida, die men Panacra noemt, de werken van de Panacrische bij. En om u heen dansten de vurige Cureten een oorlogsdans, op hun wapenrusting slaand, zodat de oren van Cronus het zouden horen, maar niet uw kindergeluid.

I; 54-89
Gij groeide snel, o hemelse Zeus, u werd goed verzorgd, en u groeide vlug naar volwassenheid, en spoedig groeide er dons op uw wang. En u, nog steeds een kind, bedacht daden van een perfecte omvang. Waarover uw familie wrokte, ofschoon van een eerdere generatie, opdat u de hemel niet zou krijgen als uw vooraf vastgestelde woning. Want ze zeiden dat het lot de drie verschillende bestemmingen moest bepalen voor de zonen van Cronus. Maar wie zou de Olympus als lot trekken en wie de onderwereld – behoedt de gek? Met gelijke kansen werd het lot getrokken; maar zij liggen werelden uit elkaar.

Wanneer ik verhalen vertel, moge die dan het oor van de luisteraar overtuigen! Gij werd geen koning van de goden door het lot te trekken maar door de daden van uw handen, uw macht en de kracht die u naast uw troon had gezet. En de meest voortreffelijke van alle vogels maakte u tot boodschapper van uw tekens, gunstig voor mijn vrienden waren die tekens die u liet zien! En u koos datgene wat het beste was onder de mensen – niet de vaardigheid van de scheepsbouw, noch de krijgskunde van het schild, of de minstreel; dit liet u rechtstreeks over aan de mindere goden, anderen gaven om anderen. Maar gij koos de heersers over de steden zelf, onder wiens bewind de boeren leven, de talentvolle speerwerpers, de roeier, ja, alle dingen die bestaan: wat valt er niet onder de heerschappij van de koning?

Dus, smeden, zeggen we, behoren toe aan Hephaistos; aan Ares de krijger; aan Artemis van de tuniek, de jagers, aan Apollo zoals welbekend de snaren van de lier. Maar van Zeus komen de koningen; want niets is goddelijker dan de koningen van Zeus. Gij koos ze voor uw eigen doeleinden, en gaf ze steden om te bewaken. En gijzelf zetelde op de hoogste plaatsen in deze steden, en hield in de gaten wie over zijn volk regeerde met oneerlijke wetten, en wie anders regeerde. En gij verleende hen overvloedige rijkdom en welvaart; aan allen, maar niet in gelijke mate. De één kon goed rechtspreken onder uw leiding, waardoor hij alle anderen puur overtrof, ’s avonds volbracht hij waar hij ’s morgen over gedacht had; ja, ’s avonds de grootste zaken, maar des te minder dacht hij aan hen. Maar de anderen volbrachten soms zaken in een jaar, en sommige zaken niet in één keer; of weer anderen; opnieuw, waarbij gijzelf de uitvoering van deze zaken enorm frustreerde en hun begeerten dwarsboomde.

I; 90-96
Heil! Een groots heil! Hooggeboren zoon van Cronus, schenker van goede zaken, schenker van veiligheid. Wie kan uw werken bezingen? Het is nog nooit gebeurd, en zal ook niet gebeuren, wie kan de daden van Zeus bezingen. Heil! Vader, opnieuw heil! En schenk ons voeding en welvaart. Zonder voeding kan welvaart de mensheid niet zegenen, geen voeding zonder welvaart. Geef ons voeding en geluk.

Hymne II. Aan Apollo

Hym;II;1-8
Hoe de lauriertak van Apollo beefde! Hoe heel het heiligdom beefde. Weg, weg, hij is zondig! Zeker nu Phoebos met zijn mooie hand op de deur klopte. Ziet gij het niet? De palmboom van Delos boog plotseling plezierig voorover en de zwaan zong zoetgestemd haar lied. De grendels schoven weg, teruggeschoven door jezelf, uw barrière! De god is niet ver weg meer, en gij, jongemannen, maak je klaar voor zang en dans.

II; 9-16
Apollo verscheen niet voor iedereen, maar voor hem was dat goed. Wie Apollo heeft gezien, is groot; wie hem niet heeft gezien, is van lage afkomst. Wij zullen u zien, o boogschutter, en we zullen nooit laaggeboren zijn. Laat de jeugdigen hun lier of geluidloze stap niet stilhouden wanneer Apollo zijn heiligdom bezoekt, wanneer zij denken een huwelijk te volvoeren en de leeftijd van zich afschudden, terwijl de muur rust op zijn oude grondvesten. Goed gedaan jullie jongeren, want die bescherming is niet langer werkeloos.

II; 17-21
Wees stil, opdat gij, het lied van Apollo hoort; ja, zelfs de zee is stil als de minstrelen de lier of de boog bezingen, de wapens van de Lycoreïsche Phoebos. Zelfs Thetis stopte haar jammerde klaagzang voor haar zoon Achilles, toen ze hoorde "Schiet Paeëon, Schiet Paeëon".

II; 22-31
Ja, de huilende rots stelde haar pijn uit, die natte steen staat in Phrygië, een marmeren rots gelijkend op een vrouw met een open mond en een droevige uitdrukking. Zeg ja schiet! Schiet! Het is verkeerd om de gezegenden tegen te streven. Hij die vecht met de gezegenden zal vechten met mijn koning; hij die met mijn koning vecht, zal zelfs met Apollo vechten. Apollo zal het koor eren, sinds het in overeenstemming met zijn hart zingt; want Apollo heeft kracht, daarom zit hij aan de rechterhand van Zeus. Noch zal het koor maar één dag zingen voor Phoebos. Hij is een rijk onderwerp voor liederen; wie wil er nu niet graag over Phoebos zingen?

II; 32-41
Van goud is de tuniek van Apollo en van goud is zijn mantel, zijn lier en zijn Lyctoïsche boog en zijn pijlenkoker: van goud zijn ook zijn sandalen, want Apollo is rijk aan goud, rijk aan bezittingen: in Pytho zoals je kunt bedenken. En hij is altijd mooi en altijd jong: en op de meisjeswangen die Apollo bezat kwam nooit zo veel neer als op die van de mensen. Vanaf zijn lokken druppelen welriekende oliën op de grond; geen vet of gewone olie scheidden die lokken af maar de meest heilzame van allemaal. En ongeacht in welke stad het vocht op de grond valt, in die stad zijn alle dingen vrij van letsel.

II; 42-46
Niemand is zo rijk aan bekwaamheden als Apollo. Hem behoren de boogschutters, de minstrelen; want aan Apollo is het gegeven om zowel de boog te bespelen als te zingen. Aan hem behoren de levens van de godsdienstigen en zijn zieners; en de aanhangers van Phoebos weten de dood uit te stellen.

II; 47-54
Phoebos, die we Nomius noemen, sinds de tijd dat hij bij Amphrysos de ingespannen paarden hoedde, vurig verliefd op de jonge Admetus. Langzaamaan groeide de kudde rundvee, de geiten in de kudde hadden nooit gebrek aan jongen, als Apollo zijn oog op hen wierp terwijl ze aten; de ooien waren nooit zonder melk of onvruchtbaar, maar hadden allemaal lammeren lopen; en zij die er nu één wierp zou spoedig de moeder zijn van een tweeling.

II; 55-59
En de mensen volgden Phoebos wanneer zij steden stichtten. Want Phoebos zelf ontwierp de fundamenten. Vier jaar oud was Phoebos toen hij zijn eerste fundamenten ontwierp in het verre Ortygia vlak bij het ronde meer.

II; 60-96
Artemis jaagde en bracht aldoor de koppen van Cynthusische geiten en Phoebos vlocht een altaar. Van hoorns bouwde hij de fundamenten, van hoorns ontwierp hij het altaar, en van hoorns waren de muren die hij er omheen bouwde. Toen leerde Phoebos zijn eerste fundering maken. Phoebos ook, het werd Battus verteld over mijn eigen stad op vruchtbare grond, met het uiterlijk van een raaf – voorspoed aan onze stichter – zwoer aan onze koning dat hij een ommuurde stad zou toestaan toen die zijn volk leidde en ze Libya bereikten. En de eed van Apollo is altijd zeker. O Apollo! Er waren er velen die u Boedromius noemde, en velen noemden u Clarius: uw naam was overal op de lippen van velen.

Maar ik noemde u Carneius; want dat deden mijn voorvaderen ook. Sparta, O Carneius! Was uw eerste grondlegging; en daarna Thera; maar de stad Cyrene als derde. Van Sparta bracht de zesde generatie van Oedipus’ zonen u naar hun kolonie van Thera; en van Thera bracht de sterke Aristoteles u naar het Asbystiaanse land, en bouwde voor u een altaar van uitnemende schoonheid, en in de stad stelde hij een jaarlijks festival in waar menige stier, O Heer, voor de laatste keer door de knieën ging. Schiet, Schiet, Carneius! Heer van vele gebeden – uw altaren dragen bloemen in de lente, zelfs de bontgekleurdste bloemen welke de Uren begeleiden als Zephyrus zijn vochtige adem blaast, en in de winter de mooie krokussen.

Uw vuur is onsterfelijk en eeuwig, en nimmer voedt de as de kolen van gisteravond. Enorm, inderdaad, verheugde Phoebos zich als de geriemde strijders van Enyo dansten met de geelharige Libische vrouwen, wanneer het vastgestelde seizoen van het Carnionische feest zich aandiende. Maar de Doriërs konden nog niet de fonteinen van Cyre benaderen, maar zwierven in de met dicht hout begroeide dalen van Azilis. Deze hield de Heer voor zichzelf en toonde ze aan zijn bruid toen hij op de gehoornde Myrtussa stond waar de dochter van Hypseus de leeuw versloeg die geleek op die van Eurypylus. Apollo had nog nooit een meer goddelijker dans aanschouwd, aan geen enkele andere stad had hij zoveel zegeningen geschonken als aan Cyrene, gedenkend zijn ontering van destijds. Daarom, weer, is er geen enkele god die de zonen van Battus meer eerden dan Phoebos.

II; 97-104
Schiet, Schiet, Paeeon, we hoorden – sinds het volk van Delphi dit refrein voor het eerst uitvond, wanneer gij het boogschieten met de gouden boog toonde. Toen gij naar Pytho ging, daar ontmoette gij een onaards beest, een ontzaglijke slang. En u versloeg hem, de ene na de andere snelle pijl schietend; en het volk schreeuwde “Schiet, Schiet, Paeeon, schiet een pijl!” een helper sinds het moment dat uw moeder u baarde, en sinds die tijd is dat uw lof.

II; 105-slot
Spaar de heimelijke afgunst voor de oren van Apollo: “Ik bewonder de dichter niet die verplichte nummers over de zee zong.” Apollo vertrapte de afgunst met zijn voet en sprak aldus: “Groots is de stroom van de Assyrische rivier, maar veel aards vuil weigerde hij vaak om het op zijn water te dragen. En niet alle water draagt de Melisse naar Demeter, maar van de druppelende stroom die ontspringt van een heilige fontein, puur en zuiver, de beste van alle rivieren.” Heil, o Heer, maar schande – laat hem gaan waar afgunst woont.

Hymne III. Aan Artemis

III; 1-27
Lofzang aan Artemis – het is niet eenvoudig voor zangers om haar te vergeten – die leeft voor de boog en het schieten van hazen en de ruimtelijke dans en sport in de bergen; beginnend met de tijd dat ze op haar vaders knieën zat – nog steeds een klein meisje – sprak ze deze woorden tot haar eerbiedwaardige vader: “Laat me mijn maagdelijkheid houden, Vader, eeuwig: en laat me vele namen hebben, zodat Phoebos niet met me kan wedijveren. En geef me pijlen en een boog – nee wacht, Vader, ik vraag u niet om een pijlenkoker of een machtige boog: de Cyclopen zullen straks voor mij die pijlen en die welgevormde boog wel maken.

Maar laat me een bezorgster van licht zijn en laat me mijzelf kleden in een tuniek met een geborduurde rand die tot aan de knieën reikt, zodat ik wilde dieren kan doden. En geef me zestig dochters van Oceanus voor mijn koor – allemaal negen jaar oud, allen nog maagd; en geef me als dienstmaagden twintig nimfen van Amnisus opdat die mijn jachtlaarzen goed kunnen verzorgen, en, wanneer ik geen lynx of hert meer schiet, kunnen zorgen voor mijn snelle honden. En geef me alle bergen en een stad, wijs me er een aan, ongeacht welke gij wenst: want Artemis zal zelden naar die stad gaan. Over de bergen zal ik zwerven en de steden der mensen zal ik alleen bezoeken wanneer vrouwen gekweld worden door de snerpende pijn van geboorteweeën en om mijn hulp vragen gelijk aan de tijd dat ik zelf werd geboren en de Lotsgodinnen bepaalden dat ik hun helper zou worden, aangezien mijn moeder geen pijn leed toen ze me baarde of toen ze me droeg in haar schoot, en mij zonder barensnood uit haar lichaam tevoorschijn bracht.” Zo sprak het kind en wilde de baard van haar vader aanraken, en niet vergeefs stak ze haar hand uit, en mocht hem aanraken.

III; 28-39
En haar vader glimlachte en knikte instemmend. Terwijl hij haar liefkoosde, zei hij: “Wanneer godinnen mij kinderen baren zoals deze, dan heb ik weinig meer nodig om de woede van de jaloerse Hera over me af te roepen. Neem, kind, alles wat gij mij vroeg, van harte. Ja, en daarbij zal je vader je nog grotere zaken geven – drie maal tien steden en torens meer dan één wil ik u geven – drie maal tien steden die geen enkele andere god zullen verheerlijken dan die ene god die Artemis genoemd zal worden. En gij zult de beschermster zijn van de straten en havens.” Zo sprak hij en knikte met zijn hoofd om zijn woorden te bevestigen.

III; 40-45
En het meisje ging naar de witte met bebladerde bomen bedekte berg van Kreta; vandaar naar Oceanus; en ze koos vele nimfen allen negen jaar oud, alle meisjes nog maagd. En de rivier Caraetus was buitengewoon verheugd, en Thetis was blij dat zij hun dochters zonden om de dienstmaagden te worden van de dochter van Leto.

III; 46-79
En ze ging rechtstreeks bij de Cyclopen op bezoek. Die vond ze op het eiland Lipara – zo werd het later genoemd, maar toen heette het Meligunis – bij het aambeeld van Hephaistos, staande rond een gesmolten massa ijzer. Ze haastten zich om een groot karwei uit te voeren; de vervaardiging van een paardentrog voor Poseidon. En de nimfen werd schrik aangejaagd toen zij die verschrikkelijke monsters zagen die leken op de steile rotsen van Ossa: ze hadden allemaal één oog onder hun wenkbrauwen, als een scherm van formaat met viervoudige beschutting, waaronder ze verschrikkelijk woest blikten; toen ze het lawaai hoorden van het luid echoënde aambeeld, en de krachtige luchtstromen van de blaasbalgen en het zware zuchten van de Cyclopen zelf. Omdat de Etna luid brulde, en Thrinacia brulde, het thuisland van de Sicanianen, brullend naar hun buur Italië, en Cyrnus bovendien een machtig geluid maakte, wanneer zij hun hamers boven hun schouders tilden en met een ritmische zwaai op het bronskleurig gloeiende ijzer uit de oven sloegen, zo op grootse wijze werkend.

Hierdoor konden de dochters van Oceanus hen niet onberoerd in het gezicht kijken noch konden hun oren het lawaai verdragen. Geen schande aan hen! Naar hen keken zelfs de dochters van de Gezegende niet zonder huivering. Ondanks lang vervlogen kinderjaren. Maar wanneer één van deze meisjes ongehoorzaam was aan haar moeder, dreigde de moeder haar kind met de Cyclopen – Arges of Steropes; en dan kwam Hermes vanuit het huis, bevlekt met verbrandde as. Hij speelde onmiddellijk de boeman voor het kind, en zij rende met de handen voor haar ogen naar haar moeder’s schoot. Maar gij, Meisje, zelfs eerder, terwijl je nog maar drie jaar oud was, toen Leto kwam en U in haar armen droeg op uitnodiging van Hephaistos en hij u een cadeautje gaf en Brontes u op zijn knieën zette – plukte gij het aan het ruige haar van zijn grote borst en trok het met kracht uit. En tot aan de dag van vandaag is het midden van zijn borst haarloos gebleven, net zoals schurft zich vestigt op de slaap van een man en zijn haar wegvreet.

III; 80-97
Daarom sprak gij hen toen vrijpostig toe: “Cyclopen, maak voor mij een Cydonische boog en pijlen en een holle kist voor mijn werpsperen; want ik ben ook een kind van Leto, net als Apollo. En als ik met mijn boog enkele wilde schepselen of monsterachtige beesten heb verslagen, dan zullen de Cyclopen die eten.” Zo sprak zij en ze voldeden aan haar verzoek. Onmiddellijk keerde U zich om, O Godin. En snel vertrok u opnieuw om uw honden te verkrijgen; en kwam gij naar de Arcadische kudde van Pan. En hij sneed het vlees van een lynx van Maenalus dat zijn wijfjes als voedsel mochten eten. En de bebaarde god gaf aan u twee zwart-witte honden, drie roodkleurige, en een gevlekte, die leeuwinnen bij hun keel grepen en neerhaalden waarna zij hen levend naar de kudde brachten. En hij gaf U zeven Cyrnosurische wijfjes sneller dan de winden – het ras dat het snelste is om jonge herten te achtervolgen en de haas die zijn ogen niet sluit; snelste ook om het leger te markeren van het mannetjeshert en de plek waar het stekelvarken zijn hol heeft, en te leiden in het spoor van de gazelle.

III; 98-108
Vandaar vertrok gij (en uw honden snelden met u mee) en vond aan de voet van de Parrhasische bergen dartelende herten – een kolossale kudde. Zij graasden altijd bij de oevers van de kiezelzwarte Anaurus – groter dan stieren, en hun hoorns blonken goudkleurig. En gij was plotseling verbaasd en droefheid overviel uw eigen hart: “Dit zal een eerste vangst worden Artemis waardig.” Het werden er totaal vijf; vier ving u door de snelheid van uw voeten – zonder de jachtstoet van de honden – om uw snelle wagen te trekken. Maar één ontsnapte over de rivier Celadon, door Hera beraamd, opdat het in latere dagen een werk voor Heracles zou zijn, en de Ceryneïsche heuvels ontvingen haar.

III; 109-133
Artemis, maagdelijke vrouwe, doder van Tityus, goud zijn uw armen en goud is uw riem, en u mende een gouden wagen, en met gouden teugels, godin, spande u de herten in. En waar bracht uw gehoornde team u voor het eerst heen? Naar het Thracische Haemus, vanwaar de stormwinden van Boreas de kwade adem van koude brengen naar mantelloze mensen. En waar gij de bomen omhakte en met welk vuur deed gij ze ontvlammen? Het was op de Mysische Olympus, waar gij in uw borst de adem van onblusbare vlammen deed ontwaken, die uw vaders bliksems zuiverden. En hoe vaak, godin, beproefde gij uw zilveren boog? Eerst op een iep, en vervolgens schoot gij op een eik, en opnieuw als derde op een wild beest. Maar de vierde keer – het duurde niet lang voordat gij schoot op de stad die mij onrechtvaardig behandelde, op diegene die naar elkaar en naar vreemdelingen vele zondige daden wrochten, brutale mensen, die gij versteld deed staan van uw pijnlijke toorn. De pest voedde zich met hun kuddes, op hun bevroren akkers, en de oude mannen knipten hun haar af in rouw over hun zonen, en hun vrouwen werden of getroffen of stierven tijdens de barensweeën, of, als ze ontsnapten, baarden vogels waarvan er geen een recht op zijn poten stond. Maar diegene naar wie gij gracieus en glimlachend keek, voor hen droeg de bewerkte grond overvloedig de korenaar, en de viervoeters brachten overvloedig jongen voort, en overvloedig groeide hun voorspoed: noch gingen zij naar hun graf, en veilig bereikten zij een hoge leeftijd. Geen enkele groepering verwondde hun ras – groeperingen die zelfs de welgestelde families teisterden: maar zwagers en schoonzussen zetten hun stoelen rond één tafel.

III; 134-161
Vrouwe, van al diegenen is wie dan ook een ware vriend van mij, en ik ben één van diegenen, O koningin. En laat een lied mijn eeuwig streven zijn. In dit lied zal het huwelijk van Leto voorkomen; daarin zal uw naam veelvuldig bezongen worden; daarin zal Apollo voorkomen en al uw werken, en uw honden en uw boog en uw rijtuigen, die u gemakkelijk dragen in uw pracht, wanneer u naar het huis van Zeus rijdt. Daar bij de ingang ontmoet u Hermes en Apollo: Hermes de heer van de zegeningen, neemt uw wapens aan, Apollo neemt elk willekeurig dier aan dat u brengt. Ja, net zoals Apollo deed voordat de sterke Alcides kwam, want Phoebos voert deze taak niet meer uit; op deze wijze staat het aambeeld van Tiryns voor de poorten, wachtend om te zien of gij thuis zou komen met een vet hapje. En al de goden lachen naar hem met onophoudelijk gelach en het meest van allemaal zijn eigen schoonmoeder wanneer hij een grote stier of een wild zwijn, moeizaam bij het achtereind dragend, van het rijtuig haalt. Met deze woorden, godin, waarschuwde hij u: ‘Schiet op de slechte wilde beesten die stervelingen u als hun helper zien net zoals ze mij dat noemen. Laat herten en hazen leven in de heuvels. Welk kwaad kunnen herten en hazen doen? Het zijn wilde zwijnen die de akkers van de mensen verwoesten en wilde zwijnen die de planten verwoesten; en ossen zijn een grote vloek voor de mensheid: schiet ook op hen.’ Zo sprak hij en snel ging hij druk aan het werk met het machtige beest. Maar hoewel zijn vlees onder een Phrygische eik was vergoddelijkt, was zijn gulzigheid er niet minder om. Hij had nog steeds die buik waarmee hij Theodamas ontmoette bij de ploeg.

III; 162-169
Voor u lieten de nimfen van Amnisus de herten ontsnappen aan het juk, en op de weide van Hera vergaarden en haalden zij de snelbloeiende klaver voor hen om ze te voeden, die ook de paarden van Zeus aten; en zij vulden gouden troggen met water zodat de herten zich plezierige konden laven. En gijzelf ging het huis van uw vader binnen, en iedereen bood u gelijktijdig een zetel aan; maar u ging naast Apollo zitten.

III; 170-182
Maar wanneer de nimfen u omringden voor de dans, vlakbij de bronnen van het Egyptische Inopus of Pitane – want Pitane is ook van u – of in Limnae of waar, godin, gij ook kwam van Scythië om te zwerven, in het Alae Araphenides, de riten van de Tauri verwerpend, dan mogen mijn koeien niet trouw blijven aan een vier are groot braakliggend veld voor het loon van een vreemde ploegsman; waardoor zij zeker onbruikbaar en vermoeid van het ploegen naar de stal zouden komen, ja zelfs al waren zij van het Stymphalische geslacht, negen jaar oud, getrokken aan de hoorns; die koeien zijn veruit de beste om diepe voren te trekken; want god Helios reed deze prachtige dans nooit voorbij, maar stopte zijn wagen om naar dit uitzicht te staren, zo het licht van de dag verlengend.

III; 183-205
Welke nu van de eilanden, welke heuvel genoot uw voorkeur? Welke haven? Welke stad? Wie van de nimfen verkoos u boven de rest, en welke heldinnen koos u als uw metgezellen? Zeg het me, godin, en ik zal uw voorkeur bezingen voor anderen. Van de eilanden, genoot Doliche uw voorkeur, van steden Perge, van de heuvels Taygeton, de haven van Euripus. En boven anderen hield u het meest van de nimf van Gortys, Britomartis, doder van herten, die mooie boogschutter; waar de oude Minos hevig verliefd op was en daardoor wanhopig door de heuvels van Kreta zwierf. En de nimf verborg zich nu eens onder verwilderde eiken en dan weer in de laaggelegen weiden. Negen maanden lang zwierf hij over de steile rotsen en kliffen zonder de achtervolging te staken, totdat, niet gevangen, ze van een klif in zee sprong en in de netten van een visser viel die haar redde. Sindsdien noemden in latere dagen de Cydoniërs de nimf de vrouwe van de netten (Dictyna) en de heuvel van waar de nimf ontsnapte noemden ze de heuvel van de netten (Dictaeon), en ze richtten altaren op en offerden. En de kransen waren op die dag van hout of mastiek (boom), maar geen hand raakte de mirte aan. Want toen ze vluchtte raakte een mirtetak verstrikt in de mantel van het meisje; waardoor ze een grote afkeer overhield aan mirte. Upis, o koningin, met het stralende gezicht, brenger van licht, u naam noemen de Kretenzers ook na die van de nimf.

III; 206-224
Ja, en Cyrene maakte gij tot uw vriendin, aan wie u zelf twee jachthonden schonk, met wie de jonge dochter van Hypseus naast het Iolcische graf de prijs won. En de mooigelokte vrouw van Cephalus, zoon van Deioneus, o vrouwe, maakte gij tot uw makker in de jacht; en van de mooie Anticlea, zeggen ze, hield gij evenveel als van uw eigen ogen. Dit waren de eersten die de schitterende boog en pijlhoudende pijlenkoker op hun schouders droegen; hun rechterschouder droeg de riem van de pijlenkoker, en de rechterborst was altijd onbedekt. Verder eerde u op grootse wijze de snelvoetige Atalanta, de doder van zwijnen, dochter van de Arcadische Iasus, en leerde haar jagen met honden en uitstekend boogschieten. Degenen die de jagers op het wilde zwijn van Calydon worden genoemd konden geen fout bij haar ontdekken; want de zegetekens kwamen naar Arcadië met nog steeds de slagtanden van het beest eraan vast. Noch veroordeel ik dat Hylaeüs en de dwaze Rhoecus die, met al hun haat, in Hades haar boogschuttergave verachten. Want de leeuwen, van wie het bloed van Menelaüs’ heuvel stroomt, zullen niet tot een leugen aanzetten.

III; 225-232
Vrouwe van vele altaren, van vele steden, heil! Godin van de tuniek, wonend in Miletus; van u maakte Neleus zijn Gids, toen hij met zijn schepen vertrok van het land van Cecrops. Vrouwe van Chesion en van Imbrasos, in de hoogte tronend, Agamemnon droeg in uw heiligdom het roer van zijn schip aan u op, een amulet tegen slecht weer, toen u de winden voor hem tot bedaren bracht, toen de Achaëische schepen zeilden naar de steden van de Teucriërs, om ze te kwellen als wraak voor de Rhamnusische Helena.

III; 233-247
Voor u richtte Proetus twee heiligdommen op, een voor de maagdelijke Artemis omdat gij voor hem zijn jonge dochters verzamelde, toen die door de Azanische heuvels zwierven; de ander stichtte hij in Lusa voor Artemis de zachtmoedige, omdat gij van zijn dochters de geest van razernij wegnam. Voor u ook, richtten de Amazonen, oorlogszuchtige geesten, in Ephese aan de kust een beeld op aan de voet van een eik, en Hippo droeg een heilige rite aan u op, en zij dansten zelf, o Upis koningin, dansten rond het beeld een oorlogsdans – eerst met schilden en wapens, en opnieuw in een cirkel rondom een groot koor. En de luide fluiten begeleidden hen daarbij met een snerpend gefluit, zodat zij deze dans gezamenlijk konden dansen (want ze hadden nog geen gaten gemaakt in de botten van het reekalf, Athena’s handwerk, een vloek voor het hert ). En de echo reikte tot Sardis en zelfs tot aan Berecynthië. En zij stampten luid met hun voeten en ratelden met hun pijlenkokers.

III; 248-257
En later werd rond dat beeld een altaar met stevige fundamenten opgericht. Zodat niets goddelijker de dageraad zou aanschouwen, niets machtiger. Eenvoudig Pythia overtreffend. Waarvan Lygdamis in zijn krankzinnige onbeschaamdheid dreigde dat hij het zou verwoesten, en daarvoor een groep Cimmerianen op de been bracht die merries melkten, in grote aantallen, en hun stevige huizen hadden bij de straat van de koe (Bosporus) dochter van Inachus. Ach, dwaas onder koningen, hoe groots zondigde hij! Hij was niet voorbestemd om terug te keren naar Scythia of enig andere van diegenen wiens rijtuigen in de Caystrianische Vlakte stonden; want uw pijlen zijn altijd waakzaam om Ephese te verdedigen.

III; 258-263
O vrouwe van Munychië, bewaakster van havens, heil, vrouwe van Pherae! Laat niemand Artemis veronachtzamen. Want Oeneus onteerde haar altaar en geen prettige strijd kwam naar zijn stad. Noch laat iemand zich met haar meten in het schieten van herten of een wedstrijd boogschieten. En de zoon van Atreus onderging vanwege zijn snoeverij een niet geringe vergelding. Noch laat iemand het kleine meisje het hof maken; want niet zonder tranen bleef de weigering van Hippo om te dansen rondom haar altaar. Heil, grote koningin, en begroet mijn lied genadiglijk.

Hymne IV. Aan Delos

IV; 1-10
Wanneer of waar, o mijn ziel, wilt u zingen over het heilige Delos, verzorgster van Apollo? Zeker de Cycladen, meest heilige van alle eilanden die in zee liggen, zijn uitstekende thema’s voor mijn lied. Maar Delos zal veruit de beloning ontvangen van de Muzen sinds zij diegene was die Apollo baadde, koning van de zangers, en hem zwachtelde, en de eerste was die hem erkende als een god. Zoals de Muzen diegene verafschuwt die niet over Pimpleia zingt zo verafschuwt Phoebos diegene die Delos vergeet. Aan Delos wil ik nu haar aandeel in de liederen geven, opdat Cynthusische Apollo looft vanwege mijn gedachten over zijn geliefde verzorgster.

IV; 11-27
Winderig en onherbergzaam ligt ze in zee, en, door golven gebeukt, meer geschikt als veelvuldig trefpunt voor meeuwen dan als parcours voor paarden. De zee, groots om haar heen deinend, spat terug op haar kust met een nevel van schuim uit het Icarische water. Daarom hebben de op zee ronddolende vissers haar tot hun thuis gemaakt. En niemand misgunde haar dat ze genoemd werd onder de eersten, toen Oceanus en de Titanide Tethys de eilanden verzamelden en zij altijd voorop ging. In haar voetstappen volgden Phoenicisch Cyrnus, geen gering eiland, en Abantisch Macris van de Ellopianen, en verrukkelijk Sardo, en het eiland waar Cypris als eerste naar toe zwom vanuit het water en veilig was toe ze op het land stapte. Ze zijn sterk vanwege hun bescherming door torens, maar Delos is sterk vanwege de steun van Apollo. Welke verdediging is standvastiger? Muren en stenen kunnen vallen door de kracht van de Strymonische Boreas; maar een god is standvastig voor eeuwig. Geliefd Delos, ze is de kampioen die gij volledig omvat!

IV; 28-50
Nu vele liederen u omringen, met welk lied zal ik u omarmen? Welke is degene die het u pleziert om te horen? Is dat het verhaal over het allereerste begin toen die machtige god de bergen trof met zijn drietand welke de Telchinen voor hem ontworpen hadden, en de eilanden in de zee schiep, en hen allemaal van hun diepste fundamenten tilde net zoals met een hefboom en hen in zee rolde? En in de diepte wortelde hij hun fundamenten opdat zij het vasteland zouden vergeten. Maar geen dwang kwelde u, gij dreef vrij op de open zee; en uw oude naam was Asteria, net als een ster sprong gij vanuit de hemel in het diepe water, het huwelijk met Zeus ontvluchtend. In die tijd verbleef Leto niet met u: toen was gij nog Asteria en werd nog geen Delos genoemd. Vaak kwamen zeelieden van de stad van de mooigelokte Troezen naar Ephyra in de Sardonische golf waar zij u ontwaarden, maar op de terugreis van Ephyra zagen zij u niet meer, want gij moest vlug naar de snelle zeestraat van het smalle Euripus met zijn luidruchtige stroom. En dezelfde dag, keerde gij terug naar de wateren van de zee van Colchis, gij zwom naar het zonbeschenen voorgebergte van de Atheners of naar Chios of naar de golvenomspoelde borst van het meisjeseiland, nog geen Samos genoemd – waar de nimfen van Mycalessus, buren van Ancaeüs, u vermaakten.

IV; 51-54
Maar toen gij uw bodem ter beschikking stelde als geboorteplaats voor Apollo, gaven zeelieden u deze naam in ruil, sindsdien dreef gij niet meer onbekend op het water, maar temidden van de golven van de Egeïsche Zee vestigde gij zich en plaatse gij uw voeten op de vaste bodem.

IV; 55-105
En gij beefde niet voor de woede van Hera, die verschrikkelijk mopperde tegen alle in verwachting zijnde vrouwen die kinderen van Zeus droegen, maar speciaal tegen Leto, want zij droeg voor Zeus een zoon nog dapperder dan Ares. Daarom hield ze zelf ook de wacht in de hemel, met een grootse woede in het hart te groot om te vertellen, en ze voorkwam dat Leto, die hoogzwanger was, zou kunnen bevallen. En ze had nog twee uitkijken geplaatst om de wacht te houden op aarde. De ruimte op het land hield de stoutmoedige Ares in de gaten, gewapend zittend op de hoge top van het Thracische Haemus, terwijl zijn paarden waren gestald bij de grot met zeven kamers van Boreas. En de ander hield de wacht over de verspreide eilanden, zelfs de dochter van Thaumas zetelde op Mimas, waar zij zich naar toe had gehaast. Daar zaten zij en dreigden alle steden die Leto benaderde en voorkwamen zo dat zij haar ontvingen. Vluchtend uit Arcadië, vluchtend van Auge’s heilige heuvel Parthenium, vluchtend naar het oude Pheneus, vluchtend van al het land van Pelops dat naast de Isthmus ligt, veilig waren alleen Aegialus en Argos. Maar op deze paden zette ze haar voeten niet neer, want Inachus behoorde aan Hera. Ontvluchtend, ook, Aonië met dezelfde vaart, en Dirce en Strophia, getrouw aan hun heerseres, donkerkiezelige Ismenus; ver daar voorbij volgde Asopus, veelbochtig, want hij was gevormd door een bliksem.

En de aardgeboren nimf Melia die daar rondzwierf stopte met dansen terwijl haar wangen bleek werden en ze snakte naar haar even oude eik, toen ze de steilten zag van de bevende Helicon. Mijn godin, ja Muzen, men zegt dat de eiken gelijktijdig met de nimfen tot leven kwamen? De nimfen verheugden zich wanneer de regen de eiken liet groeien; en de nimfen huilden als er geen bladeren meer groeiden aan de eiken. En Apollo, nog in zijn moeders schoot, was zo woedend op hen en hij sprak tegen Thebe in niet mis te verstane woorden: ‘Thebe, waarom, ongelukkige, waagt u het te vragen naar de vloek die binnenkort de uwe zal zijn? Dwing me niet te voorspellen tegen mijn wil. De drievoet gevestigd in Pytho is mijn zorg nog niet; de grote slang is nog niet dood, maar dat beest met zijn verschrikkelijke kaken, kruipt al onder de Pleistus vandaan, kronkelend om de besneeuwde Parnassus met zijn negen bochten. Ondanks dat zal ik duidelijker tegen u zijn dan wanneer er gesproken wordt bij de lauriertak. “Vlucht! Want spoedig zal ik u overnemen en mijn boog in bloed dompelen. U hebt de kinderen van een lasterlijke vrouw onder uw hoede. Niet u zult mijn geliefde verzorgster zijn, noch Cithaeron. Zuiver ben ik en mag ik de zorg worden van hen die ook zuiver zijn.” Zo sprak hij. En Leto keerde en ging terug. Maar toen de steden van Achaea haar weigerden toen ze kwam – Helice, de makker van Poseidon, en Bura, de woonplaats van Dexamenus, de zoon van Oeceus – keerde ze om naar Thessalië. En Anaurus vluchtte en groot Larissa en de klippen van Chiron; vluchtten, ook, Peneus kronkelend naar Tempe.

IV; 106-152
Maar uw hart, Hera, was zelfs toen zonder erbarmen en u gaf de moed niet op of betoonde enig erbarmen, toen ze haar beide armen in de lucht stak en vergeefs sprak: ‘Ja nimfen van Thessalië, nakomelingen van een rivier, zeg tegen jullie vader zijn grote stroom te bedaren. Omstrengel met uw handen zijn baard en smeek hem dat de kinderen van Zeus geboren mogen worden in zijn wateren. Phthiaanse Peneus, waarom wedijvert u met de winden? O heer, u moet niet wedijveren met een racepaard. Zijn uw voeten altijd zo snel, of zijn ze alleen snel voor mij, en bent u vandaag plotseling gemaakt om te vliegen?’ Maar hij hoorde haar niet. ‘O last van mij, waarheen zal ik u dragen? De ongelukkige spieren van mijn voeten zijn uitgeput. O Pelion, bruidskamer van Philyra, blijft u, o blijft, sinds op uw heuvels zelfs de wilde leeuwinnen vaak in barensnood gingen liggen voor een vroegtijdige geboorte.’ Tranen vergietend, antwoordde Peneus haar toen: ‘Leto, Noodzaak is een grote godin. Ik ben het niet die weigert, o vrouwe, in uw barensnood, voorzover ik weet van anderen die zich in mij hebben gereinigd na de geboorte – maar Hera heeft me fors gedreigd.

Aanschouw op welke wijze de wachter de wacht houdt op de bergtop, die me eenvoudig kan wegslepen uit de diepte. Wat kan ik bedenken? Of is het voor u een plezierige gedachte dat Peneus omkomt? Laat mijn voorbestemde dag zijn beloop hebben. Ik zal het ter wille van u verdragen, zelfs als ik voortaan voor eeuwig moet vloeien met afnemend water en dorstig, en alleen genoemd zal worden als de minst eerbare onder de rivieren. Hier ben ik! Wat is er meer nodig? Roept gij Eileithyia maar.’ Zo sprak hij terwijl hij in zijn machtige stroom stond. Maar Ares tilde de toppen van Pangaeüm van hun grondvesten en smeet ze in zijn kolkende water en verstopte zijn water. En vanuit de hoogte maakte hij een lawaai gelijkend op de donder en sloeg met de punt van zijn speer op zijn schild, en het donderde met een oorlogszuchtig geluid. En de heuvels van Ossa beefden en de vlakte van Crannon, en de winderige steilten van Pindus, en geheel Thessalië bewoog van angst: zo’n echoënd gedonder klonk van zijn schild. En zelfs de berg Etna smeulde vurig en al zijn geheime diepten beefden toen de gigant onder aarde, Briareus, hem op zijn andere schouder zette, en de vuurtongen in Hephaistos’ werkende ovens brulden bovendien; en vuurbewerkte schalen en drievoeten rinkelden verschrikkelijk toen zij op en over elkaar vielen: zo klonk in dat uur het gerammel van het mooigevormde schild. Maar Peneus trok zich niet terug, maar hield stand, standvastiger zelfs dan daarvoor, en liet zijn snelstromende water standhouden, totdat de dochter van Coeus tegen hem zei: ‘Blijft u zelf, vaarwel! Redt u zelf; verduur geen kwaad uit medelijden voor mij; uw vriendelijkheid zal beloond worden.’

IV; 153-170
Zo sprak zij en kwam met veel inspanning naar de eilanden van de zee. Maar die ontvingen haar niet toen ze kwam – niet de Echinaden met hun kalme ankerplaatsen voor schepen, niet Cercyra welke de meest gastvrije is van alle eilanden, sinds Iris vertoornd was op het winderige Mimas en hen allemaal succesvol tegenhield. En na haar vermaan vluchtten allen, overal waar ze kwam, over de wateren. Toen ze op het oude Cos kwam, het eiland van Merops, de heilige schuilplaats van de heldin Chalciope, maar het zwaard van haar zoon bedwong haar: ‘draag me niet, moeder, naar hier. Ik verwijt het eiland niets of heb enige grief, omdat ze een stralend eiland is en rijker aan weiden dan menig ander. Maar het lot van een andere god heeft schuld aan haar, het meest heilige geslacht van de Redders; onder wiens kroon zij vallen – niet afkerig om geregeerd te worden door een Macedoniër – beide continenten en landen welke in de zee zijn geplaatst, net zo ver als het naar het einde van de wereld is en weer terug vanwaar zijn snelle paarden de zon dragen. En hij zal de wegen van zijn heer kennen.

IV; 171-190
‘Ja en op een dag hierna zult u een ordinaire strijd over ons brengen, wanneer de latere Titanen opstaan tegen het barbaarse Helleens zwaard en een Keltische oorlog, die vanuit het verste westen in grote aantallen over ons heen zal komen zoals sneeuwvlokken die net als ontelbare de sterren dik samenklonteren in de lucht; Vervolgens zullen vanuit de dorpen van de Locriërs en de Delphische hoogten en Criseaenische vlakten de mensen toestromen die de rijke rook zullen aanschouwen van hun brandende buren, en het niet meer van horen zeggen hebben; maar de gelederen van de vijand reeds naast de tempel zien, en naast mijn drievoeten tevens de zwaarden en wrede riemen en gehate schilden zullen zien, die een slechte reis zullen veroorzaken naar de dwaze stammen van de Galateanen. Van deze schilden zullen sommigen mijn beloning zijn: anderen, wanneer zij de dragers ervan hebben zien omkomen temidden van het vuur, zullen neerstrijken aan de oevers van de Nijl waar zij de beloning zullen zijn van een hardwerkende koning. O Ptolemy wat zal het zijn, deze voorspellingen die ik voor u uitspreek. Groots zult u worden geprezen in alle dagen voor hem die voorspelt terwijl hij nog in zijn moeders schoot is.’

IV; 191-195
‘Maar let op, moeder: er is een klein eiland te zien in het water, zwervend over de zeeën. Haar voeten blijven niet op één plaats, maar zij zwemt op het tij en sluipend als een affodil, waar de zuidenwind of de oostenwind blaast, waar de zee haar ook maar heen draagt. Draag mij daarheen. Want zij zal uw komst verwelkomen.’

IV; 196-204
Toen hij deze woorden gesproken had, vluchtten de andere eilanden over de zee. Maar gij, Asteria, liefhebster van liederen, kwam van Euboea om de kring van de Cycladen te bezoeken – niet lang geleden, en in uw spoor volgde het zeewier van Geraestus …… sinds uw hart ontvlamd was, ziende dat de ongelukkige vrouwe leed onder de geboorteweeën: ‘Hera, doe met me wat je wilt. Ik zal mij niet bekommeren om uw dreigementen. Steek over, steek over, Leto, naar mij.’

IV; 205-227
Zo sprak gij, en zij staakte van blijdschap vervuld haar smartelijke zwerftocht en ging zitten bij de stroom van de Inopus, welke de aarde tevoorschijn liet komen uit de diepte tijdens het seizoen dat de Nijl in één grote stroom neerstortte van de Ethiopische hoogte. En ze knoopte haar gordel los en leunde achterover met haar schouders tegen de stam van een palmboom, bedrukt door pijnlijke droefheid, en het zweet stroomde als regen over haar lichaam. En in haar zwakte zei ze: ‘Waarom, kind, doet gij uw moeder neerdrukken? Hier, lief kind, is uw eiland drijvend op de zee. Wordt geboren, wordt geboren, mijn kind, en kom voorzichtig uit mijn schoot.’ O echtgenote van Zeus, vrouwe van grote woede, gij bleef niet lang verstoken van dit nieuws: zo snel spoedde een boodschapper zich naar u toe. En, nog steeds zwaar ademend, sprak deze (Iris) – en haar boodschap was vermengd met vrees: ‘Geëerde Hera, van godinnen de meest uitnemende, de uwe ben ik, alle dingen zijn de uwe, en gij zijt de oorspronkelijke koningin van de Olympus, en we vrezen geen andere vrouwelijke hand; en U, o koningin wilt weten wie de oorzaak is van uw woede, Leto heeft haar gordel verwijderd op een eiland. Alle anderen spoorden haar aan maar ontvingen haar niet; maar Asteria riep haar naam toen ze passeerde – Asteria dat slechte schuim van de zee: gij weet het zelf. Maar lieve vrouwe, - want gij kunt het – verdedig uw bedienden die de aarde betreden in uw opdracht.’

IV; 228-248
Zo sprak zij en ging naast de gouden troon zitten, net als een jachthond van Artemis, die, wanneer de snelle jacht is afgelopen, gaat zitten bij haar voeten, de oren gespitst, altijd klaar om de roep van de godin te ontvangen. Zo zat ook de dochter van Thaumas naast haar troon. En ze vergat nooit haar plaats, zelfs niet wanneer de slaap over haar heen lag met zijn vergeetachtige vleugel, maar hier schuin bij de hoek van de grote troon licht gebogen sliep. Ze deed haar gordel nooit af of haar snelle jachtlaarzen vrezend dat haar meesteres haar plotseling een opdracht kon geven. En Hera die diep verontwaardigd was zei tegen haar: ‘Zo, o schaamteloze wezens van Zeus, moge jullie allen in het geheim trouwen en dan duisternis baren, niet daar waar de arme molenaarsvrouwen baren tijdens een zware bevalling, maar daar waar de zeeleeuwen baren, temidden van de ruige rotsen. Maar op Asteria ben ik niet vertoornd over deze zonde, noch kan ik onvriendelijk tegen haar doen zoals ik zou moeten – want het was verkeerd van haar om Leto een dienst te bewijzen. Niettemin vereer ik haar bijzonder omdat ze mijn bed niet onteerde, maar in plaats van Zeus de voorkeur gaf aan de zee.’

IV; 249-274
Zo sprak ze: en de zwanen, de goden van de zangers, verlieten met muziek Maeonisch Pactolus en cirkelden zeven keer om Delos, en zongen boven het kraambed, de vogels van de Muzen, meest muzikale vogels van alle vogels die vliegen. Sindsdien beroerde dat kind in latere dagen de lier met evenzovele snaren – zeven snaren, want zeven keer zongen de zwanen over de geboorteweeën. Geen acht keer zongen zij: voordat het kind naam maakte en de nimfen van Delos, kinderen van een oude rivier, zongen met verreikende stemmen het heilige lied van Eileithyia. En de bronskleurige lucht weerkaatste het verreikende lied direct terug en het griefde Hera niet, omdat Zeus haar woede had weggenomen. In dat uur, O Delos, werden al uw fundamenten van goud: elke dag stroomde uw ronde meer vol met goud, en gouden gebladerte brachten uw olijfbomen voort en vol met goud stroomde de kronkelige Inopus als een diepe rivier.

IV; 275-299
Sinds die dag is uw naam gevestigd en staat u bekend als het meest heilige van alle eilanden, verzorgster van Apollo’s jeugd. Op u kwam geen Enyo of Hades noch de paarden van Ares; maar elk jaar werd het tiende deel van het eerste fruit naar u gezonden: naar u stuurden alle steden koren, maar de steden die hun lot naar het oosten wierpen en diegene die het naar het westen wierpen en diegenen in het zuiden, en de bevolking die hun huizen boven de noordelijke kust hadden, hielden een langdurige wedstrijd. De eersten brachten u koren en heilige schoven van gerstekorrels, welke de Pelasgiërs van Dodona, die op de grond slapen, dienaren van de grote ketel die nooit stil is – veruit als eersten ontvingen, wanneer deze offergaven hun land van verre bereikten.

Vervolgens gingen ze naar de heilige stad en bergen van het Melische land; en vandaar staken zij over naar de mooie Lelantische vlakte van de Abanten; en dan is de reis niet ver meer van Euboea, omdat uw havens daar vlakbij zijn. De eersten die u deze offergaven brachten van de mooigelokte Arimaspiërs waren Upis en Loxo en de vrolijke Hecaerge, dochters van Boreas, en diegenen die toen tot de beste van de jongemannen behoorden. En zij keerden niet naar huis terug, een gelukkig lot was hen beschoren, en zij zullen nooit roemloos zijn. Waarlijke meisjes van Delos, wanneer zoetgevooisde huwelijksnimfen meisjesverblijven schrik aanjoegen, offergaven brengend van meisjeslokken naar de maagden, terwijl de jongens aan de jongemannen hun eerste oogst van het dons op hun kin offerden.

IV; 300-315
Asteria, onschuldig eiland, om u heen vormden de eilanden een cirkel en werden zo tot uw koor. Geen stille of geluidloze verering voor u wanneer Hesperus met zijn gekrulde lokken op u neerkeek, maar eeuwig klinkende muziek. De mensen zingen het lied van de oude man van Lycië – hetzelfde lied dat de ziener Olen aan u bracht vanaf de Xanthus: de maagden in het koor stampten met hun voeten op de stevige grond. Toen, ook, werd het heilige beeld bezwangerd met bloemkransen, het beroemde beeld van oud Cyprus die door de oude Theseus en de kinderen was opgericht toen hij terugzeilde vanuit Kreta. Ontsnappend aan de wreed brullende en wilde zoon van Pasiphaë en het spiraalvormige verblijf van het kronkelige labyrint, rondom uw altaar, o vrouwe, klonk de muziek van de luit en werd de rondedans gedanst, en Theseus leidde het koor. Sindsdien zonden de zonen van Cecrops de eeuwig levende offergaven van dat Pelgrimschip naar Phoebos, de uitrusting van het schip.

IV; 316-325
Asteria van vele altaren en vele gebeden, welke zeevarende handelskoopman in de Egeïsche Zee zal u voorbijvaren met zijn snelle schip? Nooit zolang de machtige winden hem voortstuwen, ondanks de aansporing om de snelste reis te maken die maar mogelijk is, maar zij zullen hun zeilen snel oprollen en gaan niet eerder aan boord terug, voordat zij door vuisten geslagen om uw altaar hebben gelopen en gebeten hebben in de heilige boom van de olijf, met hun handen op de rug gebonden. Deze handelswijze bedachten de nimfen van Delos als sport en vermaak voor de jonge Apollo. O gelukkig hart van de eilanden, heil aan uzelf! Heil ook aan Apollo en aan haar die Leto baarde

Hymne V. Aan het bad van Pallas

V; 1-12
Al diegenen die behoren tot het gezelschap van het bad van Pallas, verschijn, verschijn, ik hoorde u maar nu snuiven de heilige rossen, en de godin is klaar om te gaan. Haast je nu, O mooigelokte dochters van Pelasgus, schiet op! Athena wast haar machtige armen nooit voordat ze het vuil heeft verwijderd van de flanken van haar paarden – zelfs niet wanneer, haar wapenrusting volledig vervuild, ze terugkeerde van de strijd met de wetteloze Giganten; maar bekommerde zich eerst om de paardennekken, en in de bronnen van Oceanus hun zweetvlekken verzorgde en van hun monden die in het bit beten het vlokkende schuim verwijderde.

V; 13-32
O kom, dochters van Achaea, en breng geen parfum of zalfpotjes (Ik hoor het geluid van de wagen-assen); breng, gij vrienden van het bad, geen parfum noch albasten potjes (want Athena houdt niet van gemengde zalfjes), breng ook geen spiegel. Haar gezicht is altijd mooi, en, zelfs toen de Phrygiër de wedstrijd op de Ida jureerde, keek de godin niet naar het brons noch in het weerspiegelende oppervlak van de Simoïs, wat ook Hera niet deed. Maar Cypris nam het glimmende brons en veranderde vaak en veranderde opnieuw dezelfde haarlok. Maar Pallas, nadat ze tweemaal zestig dubbele ronden had gelopen, net als naast de Eurotas de Lacedaemonische sterren, greep eenvoudige zalven waarmee ze zichzelf zeer bedreven inzalfde, de geboorte van haar eigen stam. En, o maagden, een rode blos verscheen op haar, als de kleur van de morgenstond of het zaad van de granaatappel. Daarom brengt gij nu alleen de mannelijke olijfolie, waarmee Castor en waarmee Heracles zichzelf insmeerden. En breng haar een kam van puur goud, waarmee ze haar haar kan kammen, nadat ze haar glanzende vlechten heeft ingesmeerd.

V; 33-41
Verschijn, Athena! Een gezelschap dat uw hart verheugt wacht op u, de jonge dochters van Acestor’s machtige zonen. En daarenboven, O Athena, dragen zij het schild van Diomedes, sinds dit de gewoonte is van de Argivers waarmee vroeger Eumedes hen onderwees: een priester die uw voorkeur genoot: die eens, toen hij merkte dat de mensen tegen hem samenzwoeren en zijn dood beraamden, met uw heilige beeld vluchtte en in de heuvels van Creon rondzwierf – zwierf op de heuvel van Creon en uw naam daar vestigde, O godin, op de ruige rotsen, die nu de Pallantische rotsen heten.

V; 42-56
Verschijn, Athena, bedwingster van steden, goudgehelmde, die zich verheugt over het geluid van het paard en het schild. Vandaag, gij waterdragers, hoeft u uw kruiken niet te vullen, O Argos, drink uit de fontein en niet uit de rivier; vandaag, gij dienstmaagden draagt u uw kruiken naar Physadea of Amymone, dochter van Danaüs. Want, zijn wateren mengend met goud en bloemen, zal Inachus van zijn landelijke heuvels hierheen komen, mooi water brengend voor het bad van Athena. Maar let op, O Pelasgiërs, waak ervoor dat u zelf onbedoeld de koningin aanschouwt. Al die Pallas aanschouwen, hoedster van steden, naakt, zal voor het laatst naar Argos gekeken hebben. Vrouwe Athena, komt gij nader, en intussen zal ik aan diegenen iets vertellen. Het verhaal is niet van mij maar verteld door anderen.

V; 57-67
Meisjes, van één nimf uit het oude Thebe hield Athena het meest, ja boven al haar ander metgezellen, namelijk de moeder van Tiresias, en was nooit van haar gescheiden. Maar wanneer ze haar paarden richting het oude Thespië dreef, of naar Coroneia of naar Haliartus, de bebouwde velden op de heuvels van oud Thespië passerend – of naar Coroneia met zijn geurige woud en de altaren welke bij de rivier stonden – liet de godin de nimf vaak plaats nemen in haar wagen en was er geen stoeipartij van nimfen of een mooie reidans, die Chariclo niet leidde.

V; 68-82
Ondanks dat wachtten haar vele tranen in latere dagen, ofschoon ze een metgezel was die het hart van Athena verheugde. Op een dag maakte dit tweetal de gespen van hun mantels los naast de mooisstromende fontein van het Paard in Helicon en namen een bad; en het stille middaguur hield alle heuvels in zijn greep. Deze twee baadden op het middaguur en een diepe stilte lag over de heuvels. Alleen Tiresias, op wiens kaken het dons net begon te groeien, zwierf met zijn honden over de heilige plek. En, zeer dorstig, kwam hij naar de stromende fontein, ongelukkige man! En ongewild zag hij datgene wat niet toegestaan was. En Athena werd boos, en zei tegen hem: ‘Welke god, O zoon van Everes, leidde u op deze pijnlijke weg? Vanaf nu zult u nooit meer kunnen zien!’

V; 83-92
Zo sprak ze en duisternis bedekte de ogen van de jeugd. En hij stond daar sprakeloos; van pijn knikten zijn knieën en van hulpeloosheid stokte zijn stem. Maar de nimf huilde: ‘Wat heeft u gedaan met mijn zoon, vrouwe? Is dit uw vriendschap godin? Gij hebt het gezichtsvermogen van mijn zoon weggenomen. Dom kind! Je hebt de borsten en het lichaam van Athena gezien, maar de zon zult gij nooit meer zien. O ongelukkige ik! O heuvel, O Helicon, waar ik niet meer mag komen, zeker er is een grote prijs betaald voor een kleinigheid. Een paar herten en gazellen verliezend, maar gij hebt de ogen van mijn kind genomen.’

V; 93-129
Vervolgens omhelsde de moeder haar geliefde kind met beide armen en, de hevige jammerklacht jammerend van de treurende nachtegaal, leidde hem weg. En de godin Athena had medelijden met haar gezel en sprak tegen haar met de woorden: ‘Edele vrouwe, neem alle woorden terug die u in uw woede gesproken hebt. Ik was het niet die uw kind blind maakte. Want Athena schept er geen plezier in om de ogen van kinderen te grijpen. Maar de wetten van Zeus luiden aldus: Ongeacht wie de onsterfelijken zal aanschouwen, wanneer die godheid zelf dat niet verkiest, zal een zware prijs moeten betalen. Edele vrouwe, de daad die is voltrokken kan niet meer ongedaan worden gemaakt; sinds aldus zijn levensdraad werd gesponnen door de Moiren toen u hem voor het eerst droeg; maar nu, O zoon van Everes, neem nu de beslissing die gij toekomt. Hoeveel brandende offers zal de dochter van Cadmus branden in de dagen die nog komen? Hoeveel Aristaeüs? Biddend dat zij hun enige zoon zullen zien, de jonge Actaeon, blind. En toch behoorde hij tot het jachtgezelschap van de grote Artemis.

Maar nog de jachtstoet nog de kameraadschap tijdens het boogschieten op de heuvels zal hem redden in dat uur, wanneer hij, hoewel ongewild, het schone bad van de godin aanschouwde. Nee, zijn eigen honden zullen dan hun voormalige heer verslinden. En zijn moeder zal de beenderen van haar zoon verzamelen, verspreid liggend tussen de bosjes. Gelukkigste van alle vrouwen zal zij u noemen en een gelukkig lot beschoren, daarom ontvangt gij uw zoon thuis vanuit de heuvels – blind. Daarom, O gezellin, weeklaag niet; want voor deze zoon, ter wille van u, zullen vele andere ereblijken van mij komen. Want ik zal hem een ziener maken die later door veel mensen bezongen zal worden, ja, beter dan enige ander. Hij zal die vogels herkennen – welke een goed voorteken zijn onder al die talloze vogels die vliegen en die vogels welke een slecht voorteken zijn. Vele orakels zal hij uitspreken tegen de Boeotiërs en vele tegen Cadmus, en tegen de machtige zonen van Labdacus in latere dagen. Ik zal hem ook een grote staf geven die zijn voeten zal leiden wanneer dat nodig is, en ik zal hem een lang leven schenken. En hij alleen, wanneer hij sterft, zal wandelen tussen de doden en daar verstand bezitten, geëerd door de grote leider van de mensen.

V; 130-136
Zo sprak zij en boog haar hoofd; en dat woord werd vervuld met Pallas’ boog; want Zeus had aan Athena als enige van al zijn dochters beloofd dat ze alle dingen zou krijgen die haar vader bezat. O gezellen van het bad, en geen moeder droeg deze godin, maar het hoofd van Zeus. Dit hoofd boog niet vals, en er was geen onwaarheid in zijn dochter.

V; 137-141
Nu komt Athena werkelijk. O maagden, wiens taak het is, om de godin te ontvangen met vrome groeten en met gebeden, en met de stem van dankzegging. Heil, godin, en hou het Inachische Argos in uw eigendom! Heil wanneer gij uw rossen voortjaagt, en weer thuis laat u ze berijden met plezier, en bescherm al de huizen van de Danaïden.

Hymne VI. Aan Demeter

VI; 1-8
Als de Mand komt, groet haar, ja vrouwen, zeg ‘Heil grootste Demeter! Vrouwe van grote mildheid, van vele maten graan. ‘Als de Mand komt, van de aarde zult u het aanschouwen, ja oningewijd, en staar niet van het dak of van het hemelgewelf – kind nog vrouw nog dienstmeid had zich ontdaan van haar haren – zelfs niet wanneer of toen we bevestigend spuugden uit verdroogde monden. Hesperus van de wolken markeert de tijd van haar komst: Hesperus, de enige die Demeter overhaalde om te drinken, toen ze op zoek was naar de onbekende sporen van haar gestolen dochter.

VI; 9-16
Vrouwe, hoe waren uw voeten in staat om u te dragen naar het westen, naar de zwarte mensen en waar de gouden appels zijn? Gij at of dronk niet gedurende de tijd noch waste u zichzelf. Driemaal kruiste u de Acheloüs met zijn zilveren draaikolken, en even zovele keren kruiste u de loop van elk van de eeuwig stromende rivieren, en driemaal zette u zich neer op de grond naast de Callichorus fontein, dorstig en zonder te drinken, en gij at niet of waste uzelf.

VI; 17-23
Nee, nee, laat ons niet spreken over datgene wat Demeter tot tranen bracht! Beter om te vertellen hoe zij aangename riten aan steden gaf; beter om te vertellen hoe zij de eerste was die stro en heilige graanschoven sneed en door ossen werden platgelopen, in die tijd leerde Triptolemus het goede vak; beter om te vertellen – een waarschuwing voor mensen om zondigen te vermijden – hoe ze de zoon van Triopas gehaat en meelijkwekkend maakte om te aanschouwen.

VI; 24-30
Nog niet in het land van Cnidus, maar nog steeds in het heilige Dotium zwierven de Pelasgiërs en voor u maakten zij een mooi bos met een overvloed aan bomen; voor een pijl bijna onmogelijk om doorheen te komen. Daarin waren pijnbomen, en daarin stonden machtige olmen, en daarbinnen waren perenbomen, en daarin waren heerlijk zoete appels; en vanuit de greppels stroomde water omhoog alsof het amber was. En de godin hield krankzinnig veel van deze plaats, net als Eleusis, en als van Triopum, en als van Enna.

VI; 31-49
Maar toen hun goedgunstige fortuin vergramd raakte met de Triopaden, nam slecht advies bezit van Erysichthon. Hij spoedde met twintig dienaren, allen nog in hun jeugd, allen mannelijke giganten die in staat waren een hele stad op te tillen, dubbel bewapend met gewone en dubbele bijlen, en zij bestormden het heilige bos van Demeter. Nu was daar een populier, een grote boom reikend naar de hemel, met vlakbij de nimfen die tijdens het middaguur niet aan het spelen waren. Deze populier werd als eerste omgehakt en huilde treurig tegen de anderen. Demeter merkte dat haar heilige boom pijn leed, en werd boos en zei: ‘Wie hakt mijn mooie boom om?’ Onmiddellijk vergeleek ze haar met Nicippe, die de stad als haar priesteres had gekozen, en in haar hand nam ze haar haarband en haar klaproos, en van haar schouder hing kaar sleutel. En ze sprak tot de goddelozen en schaamtelozen om hen te bedaren en zei: ‘Mijn kind, wie hakt de bomen om die gewijd zijn aan de goden, laat, mijn kind, kind van uw ouders’ vele gebeden, uw bedienden hun bezigheden staken en omkeren, anders zal de vrouwe Demeter boos worden, wiens heilige plaats u verwoest.’

VI; 50-65
Maar met een blik die woester was dan die waarmee een leeuwin kijkt naar de jager op de heuvels van Tmarus – een leeuwin met pasgeboren welpen, van wiens blik men zegt dat het de meest verschrikkelijk is – zei hij: ‘Wedijver niet met mij, anders zal ik mijn grote bijl in uw vlees laten bijten! Deze bomen zullen mijn stevige woning gaan vormen waarin ik voortaan plezierige banketten kan houden voor mijn kameraden.’ Zo sprak de jeugd en Nemesis hoorde zijn kwaadaardige woorden. En Demeter werd verschrikkelijk boos en nam haar goddelijke vorm aan. Haar voeten raakten de aarde, maar haar hoofd reikte tot de Olympus. En zij, halfdood toen zij de vrouwelijke godin aanschouwden, haastten zich plotseling weg, hun bronzen bijlen achterlatend in de bomen. En ze liet de anderen alleen – want zij werden gedwongen door de hand van hun meester – maar zij antwoordde tegen hun boze koning: ‘Ja, ja, bouw uw huis, hond, en dat uw kunstwerk, waarin gij uw feesten wilt vieren; hierna voor frequente banketten tot uw beschikking zal zijn.’ Zoveel zei ze en bedacht slechte dingen voor Erysichthon.

VI; 66-95
Direct stuurde ze hem een wrede en kwade honger – brandend en sterk – en hij werd gekweld door een smartelijke ziekte. Ongelukkige man, zoveel als hij at, zoveel begeerde hij opnieuw. Twintig bereidden zijn maaltijd voor hem, en twaalf brachten wijn. Want wat Demeter ook maar ergerde, ergerde ook Dionysus, want Dionysus deelde de woede van Demeter. Zijn ouders zonden hem van schaamte niet naar enig gewoon feest of banket, en elke vorm van excuus werd bedacht. De zoons van Ormenus kwamen hem verzoeken om deel te nemen aan de spelen van de Ithonische Athena. Toen wees zijn moeder het verzoek af: ‘hij is niet thuis: eergisteren is hij naar Crannon gegaan om daar honderd ossen op te eisen.’ Polyxo kwam, moeder van Actorion – want zij bereidde een huwelijk van haar kind voor – en nodigde zowel Triopas en zijn zoon uit.

Maar de vrouwe, zwaarmoedig, antwoordde in tranen: ‘Triopas zal komen, maar Erysichthon werd verwond door een beer op de Pindus met de mooie weiden en hij moet negen dagen het bed houden.’ Arm kindliefhebbende moeder, welke leugens vertelde u niet? Iemand gaf een feest: ‘Erysichthon is in het buitenland’. Iemand anders bracht een bruid thuis: ‘Een werpschijf had Erysichthon geraakt,’ of ‘hij is van zijn wagen gevallen,’ of ‘hij is zijn vee aan het tellen op de Othrys.’ Toen terwijl hij in huis was, elke dag feestend, at hij voedsel in niet te tellen hoeveelheden. Maar zijn buik dijde niet meer en meer uit terwijl hij at, en de etenswaren stroomden, vergeefs en ondankbaar, onverteerd naar de diepten van de zee. En net als de sneeuw op de Mimas, als een wassen pop in de zon, ja, erger nog slonken en verteerden zijn eigen pezen: alleen spieren en botten had de man nog over. Zijn moeder weende, en zijn twee zusters kreunden op grootse wijze, en de borst die hem voedde en de tien dienstmaagden keer op keer.

VI; 96-106
En Triopas zelf legde zijn handen op zijn grijze haren, roepend naar Poseidon, die er geen acht op sloeg, met woorden als deze: ‘Onechte vader, aanschouw deze derde generatie van uw zonen – als ik een zoon van u ben en van Canace, dochter van Aeolus, en dit ongelukkige kind is van mij. Dan wilde ik dat hij was getroffen door Apollo en dat mijn handen hem hadden begraven! Maar nu zit hij als een vervloekte veelvraat voor mijn ogen. Of gij verwijdert deze wrede ziekte van hem of neem en voedt hem zelf; want mijn tafels zijn uitgeput. Mijn schaapskooien zijn verlaten en leeg zijn mijn koeienstallen met viervoetige beesten; en de slagers hebben al ‘nee’ tegen me gezegd.

VI; 107-110
Zelfs de muildieren zijn verloren gegaan voor de grote karren en hij at de vaars die zijn moeder voedde voor Hestia en het racepaard en het oorlogspaard, en de kat waarop het kleine ongedierte leeft.

VI; 111-117
Tot die tijd waren er magazijnen in het huis van Triopas waren, alleen de kamers van het huis waren zich bewust van het ongeluk; maar toen zijn tanden niets meer te eten hadden in het rijke huis, toen zat de koningszoon bij kruisingen, bedelend om een korst als een verjaagde verschoppeling van het feest. O Demeter, laat deze man nooit mijn vriend worden die haatdragend is tegen u, noch laat hem ooit de feestmuren met mij delen; ik verafschuw zieke buren.

VI; 118-133
Zing, u dienstmaagden. En u moeders, zeg met hen: ‘Demeter, groots heil! Vrouwe van veel mildheid, van vele korenmaten.’ En als de vier witharige paarden de mand vervoeren, zo zal de grote godin van de wereldwijde heerschappij komen en ons een witte lente en witte oogst brengen en winter en herfst, en ons beschermen tot het volgende jaar. En zonder sandalen en met ongebonden haren lopen we naar de stad, zo zullen we eeuwig ongedeerde voeten en een hoofd hebben. En als de voorsten de met goud gevulde manden dragen, laat ons dan onbeperkt goud ontvangen. Laat de oningewijden volgen tot aan de schatkamers van de stad, en de ingewijden tot aan het heiligdom van de godin – en velen zijn jonger dan zestig jaar. Maar laat de ouderen en zij die hun hand uitstrekken naar Eileithyia en zij die pijn lijden – het is toereikend als zij zo ver gaan dat hun knieën hen kunnen dragen. En aan hen zal Demeter alle voorspoed schenken, zelfs alsof zij naar haar tempel kwamen.

VI; 134-139
Heil, godin, en bescherm dit volk in harmonie en in voorspoed, en breng op de velden alle plezierige dingen! Voedt onze koeien, breng ons kuddes, breng ons de korenaar, breng ons oogst! En verzorg de vrede, dat hij die zaait ook mag oogsten. Wees genadig, O driemaal aanbedene, grote koningin van godinnen!

© 2017 Maarten Hendriksz