Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Claudianus - Strijd der Giganten

Bron: www.theoi.com

Claudian. Translated by Platnauer, Maurice. Loeb Classical Library Volumes 135 en 136. Cambridge, MA. Harvard Univserity Press. 1922. Vertaald uit het Engels door Maarten Hendriksz 2016.

Geboorte van de Giganten

1-13
Eens vulde moeder Aarde, jaloers op het hemelse koninkrijk en uit medelijden met de onophoudelijke ellende van de Titanen, de hele Tartarus met een monsterlijk broedsel, en baarde iets dat een vreselijke vloek zou worden. Haar baarmoeder zwol door deze monsterlijke geboorte en ze opende de flanken van Phlegra om zo haar vijanden tegen de hemel ter wereld te brengen. Zij kwamen met een donderend geluid te voorschijn, en amper geboren, maakten zij zich al gereed voor de oorlog, en maakten sissend hun dubbele spoor op de grond. De sterren werden bleek, Apollo keerde zijn rossige paarden en, gedreven door angst, keerde terug op zijn schreden. De Beer nam zijn toevlucht in de Oceaan, en de niet ondergaande Triones leerden ondergaan. Toen stookte hun boze moeder hen op tot oorlog met woorden van deze strekking:

Oproep van Gaea tot de strijd

14-35
Kinderen, jullie zullen de hemel veroveren: alles wat jullie zien is de prijs van de overwinning. Win, en het heelal is van jullie. Eindelijk zal de zoon van Cronus het gewicht van mijn woede voelen, en de kracht van de Aarde erkennen. Wat! Welke kracht kan mij overwinnen? Heeft Cybele zoons die superieur aan die van mij zijn? Waarom wordt de aarde niet geëerd? Waarom is ze altijd verdoemd om bitter verlies te lijden? Welke krenking is mij bespaard gebleven? Ongelukkige Prometheus hangt in het gindse Scythische dal, de gier voedend uit zijn levende borst, Atlas draagt het gewicht van de sterrenrijke hemel op zijn schouders, en zijn grijze haar is stijf bevroren van de wrede koude. Wat moet ik nog vertellen over Tityus van wie de lever telkens weer aangroeit onder de snavel van de wilde gier, worstelend met zijn zware straf? Ga omhoog, leger van wrekers, het uur is eindelijk gekomen, bevrijdt de Titanen van hun ketenen, verdedig jullie moeder. Hier zijn zeeën en bergen, ledematen van mijn lichaam, maar trek je daar niets van aan. Gebruik ze als wapens. Ik zal nooit aarzelen om een wapen voor de vernietiging van Zeus te zijn. Ga heen en overwin. Werp de hemel in verwarring, haal de torens van de hemel neer. Laat Typhoes de scepter en de bliksems overnemen. Enceladus, heers over de zee, en een ander de plaats van de zon innemen om de teugels van Dageraad’s paarden te leiden. Porphyrion, vlecht de lauriertakken van Delphi om je hoofd en neem Cirrha als jouw heiligdom.

36-40
Deze aansporing vulde hun geesten met ijdele hoop. Zij dachten al dat ze de goden hadden verslagen, dachten al dat zij Poseidon in de ketenen geslagen en hem als gevangene uit het bed van de Oceaan hadden gesleept. Een dacht Ares neer te slaan, een om Apollo’s lokken van zijn hoofd te trekken, een bestemde Aphrodite voor zichzelf, een ander verwachtte in gedachten met Artemis te trouwen, en weer een ander stond in vuur en vlam om de kuise Athena te overweldigen.

De goden verzamelen zich in de Hemel

41-59
Ondertussen riep Iris, boodschapster van de goden, de onsterfelijken bijeen voor een vergadering. Daar komen de goden van rivieren en meren. Alle schimmen waren er om de hemel te verdedigen. De deuren van de schaduwrijke onderwereld konden Persephone niet weghouden. De koning van de stilte zelf kwam naar boven in zijn Letheaanse strijdwagen. Zijn paarden vreesden het licht dat hun verbaasde ogen nog nooit gezien hadden en, alle kanten uitzwenkend, ademden dikke dampen uit hun roetzwarte neusgaten. Zoals, wanneer een vijandelijk belegeringswerktuig een stad bedreigt, de burgers van alle kanten komen aanrennen om hun burcht te verdedigen, zo kwamen de goden in alle gedaanten en vormen bijeen om het huis van hun vader te verdedigen. Zeus sprak hen zo toe: ‘Onsterfelijk leger, dat in de hemel woont, en dat altijd zal doen, jullie die door geen vijandelijk fortuin ooit maar enig nadeel kunnen ondervinden. Zie hoe de Aarde met haar nieuwe kinderen samenzweert tegen ons koninkrijk en onverschrokken een nieuw geslacht heeft gebaard? Welnu, laten we voor alle zonen die ze baarde, evenzovele doden aan hun moeder teruggeven. Laat haar rouw eeuwen duren terwijl zij huilt bij net zoveel graven als dat ze nu kinderen heeft.

De strijd begint

60-72
De wolken weerkaatsten het geluid van hemelse trompetten. Aan deze kant in de Hemel, aan de andere kant op de Aarde, klonk de aanval. Opnieuw werd de Natuur weer eens in verwarring gebracht en vreesde voor haar heer. Het machtige gezelschap van de Giganten veroorzaakte een grootse verwarring onder alle dingen. Eilanden verlieten de oceaan. Bergen verscholen zich in zee. Menige rivier viel droog of had zijn oude loop gewijzigd. Een gigant zwaaide met de Thessalische Oeta in zijn machtige hand, een ander verzamelde al zijn kracht en smeet Pangaeüm naar de vijand, een ander bewapende zich met besneeuwde Athos. Daar tilde er één de Ossa van zijn fundamenten, die tranen stortte uit de bron van Rhodope en Hebrus, de wateren scheidend die eerst één waren. Enipeus, met zijn overhangende rotsen opgepakt, verspreidde zijn water over de schouders van gindse Gigant. Beroofd van haar bergen werd de Aarde een egale vlakte, gescheiden van haar zoons.

Ares valt aan

73-84
Overal klonk een verschrikkelijk kabaal en alleen de lucht scheidde de rivaliserende legers. Onstuimige Ares stuurde als eerste zijn Thracische paarden, die de Getae en Geloni vaak op een verwarde vlucht hadden gejaagd, naar die verschrikkelijke groep. Zijn gouden schild straalde helderder dan vlammen, de top van zijn glanzende helm torende hoog op. Zich in de strijd werpend trof hij als eerste Pelorus en doorstak hem met zijn zwaard, op de plek waar de lies twee slangenlichamen verenigde met het reusachtige lichaam, en zo met één slag een eind aan drie levens maakte. Jubelend over zijn overwinning stuurde hij zijn strijdwagen over het stervende lichaam van de Gigant totdat de wielen rood werden van het bloed.

85-90
Mimas rende naar voren om zijn broer te wreken. Hij had Lemnos met het vurige huis van Hephaistus uit de schuimende zee losgescheurd, en stond op het punt die te gooien toen Ares’ speer dat voorkwam, en uit zijn verbrijzelde schedel de hersenen zich verspreidden. Al dat Gigantisch in hem was stierf, maar zijn slangenbenen leefden nog, en, wraak sissend, gingen op weg om de veroorzaker van Mimas’ dood aan te vallen.

Athena met het hoofd van de Gorgo

91-103
Athena stormde naar voren met op haar borst het hoofd van de Gorgoon. De aanblik hiervan, wist ze, was genoeg, ze had geen speer nodig. Een blik was genoeg. Pallas kwam niet dichterbij, woedend als hij was, want hij was de eerste die in rots veranderde. Toen hij, op een afstand van zijn vijand, niet gewond, merkte dat hij aan de grond verankerd was, en het moordende hoofd hem, stukje bij beetje, in steen veranderde, riep hij: ‘Wat gebeurt er met me? Wat is dit voor koude dat door heel mijn lichaam trekt? Wat is dit voor gevoellosheid die me gevangen houdt in deze marmeren boeien? Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken toen hij werd wat hij vreesde, en wilde Damastor, op zoek naar een wapen om de vijand af te weren, naar hen het stenen lichaam van zijn broer slingeren in plaats van een rots.

104-113
Toen richtte Aetion, verbaasd, totaal onwetend, over de dood van zijn broer, zelfs toen hij naar de dader van de misdaad zocht om aan te vallen, zijn blik op U, godin, die niemand een tweede keer kan aankijken. Zijn vermetelheid werd neergeslagen en als straf leerde hij door zijn dood de godin kennen. Maar Pallas, gek van woede, wendde zijn blik af, vloog op Athena af, en sloeg ongericht met zijn zwaar naar haar. Toen hij in de buurt kwam sloeg ze met haar zwaard neer, en op hetzelfde ogenblik bevroren de slangen door de aanblik van de Gorgo, zo stierf een deel van het lichaam door een wapen en het andere deel door een eenvoudige aanblik.

Noodkreet van Delos

114-127
Goddeloze Porphyrion, door zijn slangen naar het midden van de zee gedragen, probeerde bevend Delos te ontwortelen, wilde het naar de Hemel smijten. De Egeïsche Zee was zeer bevreesd. Thetis en haar oude echtgenoot vluchtten uit hun natte grotten. Het paleis van Poseidon, met ontzag aanschouwd door alle bewoners van de diepte, lag er verlaten bij. Op de top van Cynthus klonken de kreten van de lieflijke nimfen die de ongeoefende handen van Apollo hadden geoefend om met zijn boog de zwervende dieren te schieten. Zij die het bed voor de zwervende Leto hadden klaargemaakt, in verwachting van de levenslichten van de Hemel, en de wereld zegende met twee nakomelingen. Delos riep in paniek naar haar heer Apollo en smeekte hem haar te helpen: ‘Herinner de tijd dat Leto u als zuigeling aan mijn zorgen toevertrouwde, help degene die u nu aanroept. Zie, ze proberen me opnieuw van mijn fundamenten los te trekken.’

Onvoltooid werk

© 2017 Maarten Hendriksz