Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Claudianus - Schaking van Persephone

Bron: www.theoi.com

Translated by Smyth, Herbert Weir. Loeb Classical Library Volumes 145 and 146. Cambridge, MA. Harvard University Press. 1926.

Boek 1

Voorwoord

1vw; 1-11
Hij die als eerste een schip bouwde en daarmee de zee doorkliefde, het water beroerend met ruw getrokken roeiriemen, die als eerste zijn elzenhouten schip durfde toe te vertrouwen aan de onzekere winden en die door zijn vaardigheid een manier bedacht om de natuur te weerstaan, angstig op de aanvankelijk gladde zee, volgde de kust op een niet avontuurlijke route. Maar al snel begon hij de brede baaien over te steken, het land achter zich latend en het zeil in de zuidelijke wind te spreiden. En, beetje bij beetje door zijn groeiende moed, terwijl zijn hart de verdovende angst vergat, grotere tochten makend, uiteindelijk op volle zee terecht kwam, met de tekens aan de hemel om hem te leiden, triomfantelijk door de stormen varend van de Egeïsche en Ionische Zee.

Aanroep van de dichter

1; 1-19
Mijn hart gebiedt me vrijmoedig te zingen over de paarden van de ontvoerder uit de onderwereld en de sterren die verduisterden door de schaduw van zijn helse wagen en de sombere kamers van de koningin van de onderwereld. U kwam niet bij nacht, gij ongetrouwde. Nu heeft goddelijke waanzin alle sterfelijke gedachten uit mijn borst verdreven, en is mijn hart gevuld met Apollo’s inspiratie. Nu zie ik het heiligdom wankelen en bewegen op haar fundamenten terwijl de deur gloeit met een stralend licht wat vertelt dat de god op komst is. Nu hoor ik een luid kabaal vanuit de diepten der aarde, weerkaatst door de tempel van Cecrops en de heilige fakkels van Eleusis flakkeren. De sissende slangen van Triptolemus heffen hun geschubde nekken schurend langs de gebogen kragen, en, terwijl ze soepel naar boven glijden, hun roze koppen uitstrekken in de richting van het gezang. Kijk in de verte stijgt Hecate met haar drie verschillende hoofden op en met haar komt Inachus met zijn gladde huid mee, zijn slapen bekroond met klimop. Hij is gekleed in de vacht van een Parthische tijger, zijn vergulde klauwen aaneengeknoopt, en de Lydische thyrsus leidt zijn dronken voetstappen.

1; 20-31
Gij goden, die heersen over grote groepen doden in de schemerachtige Onderwereld, aan wie allen die op aarde sterven moeten betalen aan uw hebzuchtige schatkist, gij wiens vlaktes worden omringd door de bleke stroom van de Styx, terwijl Phlegethon, zijn stroomversnellingen spetteren hoog op, daar doorheen stroomt met stomende kolken – onthul voor mij de mysteriën van jullie heilige verhaal en de geheimen van jullie wereld. Vertel hoe de fakkel van de liefdesgod Hades veroverde, en vertel hoe Persephone als maagd werd geschaakt en Chaos als bruidsschat kreeg. En hoe Demeter haar door vele landen, hevig treurend, achtervolgde in een angstige zoektocht; toen koren aan de mensheid werd geschonken en zij hun normale voedsel van eikels terzijde legden, en de nieuwe korenaar de eiken van Dodona nutteloos maakten.

Opstandige Hades

1; 32-47
De heer van de Erebus kwam eens roodgloeiend van woede naar boven, de goden met oorlog dreigend, omdat hij als enige niet was getrouwd en lange jaren had verspild in kinderloze staat, niet langer het gebrek duldend van de geneugten van het huwelijk en de vreugden van het echtgenoot zijn en nooit de geliefde titel van vader te kennen. Alle monsters die in de onderwereld op de loer liggen kwamen toen in oorlogszuchtige bendes bijeen, en de Erinyen verbonden zich door een eed tegen de donderaar. Tisiphone, bloederige slangen groeiden in trossen op haar hoofd, zwaaide met de lugubere dennentoorts en riep de gewapende schimmen op naar het kamp der geesten. Bijna hadden de elementen, wederom in oorlog met de onwillige natuur, hun verbond verbroken; De opgesloten Titanen, hun diepe gevangenishuizen opengeworpen en hun ketenen verbroken, hadden bijna weer het hemelse licht aanschouwd; en bloedige Aegaeon, de geknoopte touwen om zijn grote lichaam verbrekend, had bijna weer gevochten tegen de bliksems van Zeus met honderdhandige slagen.

De Moiren kalmeren Hades

1; 48-67
Maar de angstwekkende Moiren namen deze dreiging weg, en, voor de wereld vrezend, legden zij hun grijze hoofden voor de voeten en troon van de heer der duisternis, en met smekende tranen raakten zij zijn knieën met hun handen aan – die handen waar alle dingen aan moeten gehoorzamen, waarvan de duimen de draad van het lot bevelen en spinnen aan de lange jaren met hun ijzeren spoelen. Lachesis, haar haren onverzorgd en in de war, riep als eerste naar die wrede koning: ‘Grote heer van de nacht, heerser over de schimmen, gij op wiens bevel onze draden worden gesponnen, die de oorsprong en het eind van alle dingen benoemd en afwisselend geboorte of vernietiging bepaald, rechter over leven en dood – wat ook maar ergens ontstaat is door uw welwillendheid gemaakt en dankt zijn leven aan u, en na een vastgestelde cyclus van jaren stuurt u de zielen opnieuw naar sterfelijke lichamen – probeer niet het overeengekomen vredesverdrag dat onze spinrokken hebben gesponnen en aan u schonken te verbreken, en zo de gesloten overeenkomst tussen u en uw twee broers te vernietigen. Waarom hijst u onrechtvaardig de strijdvlag omhoog? Waarom laat u die gemene groep van Titanen weer toe in de open lucht? Vraag Zeus; hij zal u een vrouw geven.’

1; 68-75
Ze had nauwelijks gesproken toen Hades stopte, beschaamd door haar smeekbede, en zijn grimmige geest werd kalm maar niet helemaal afgeremd: Net zoals wanneer de grote Boreas gewapend met zware stormvlagen en bevroren sneeuw, zijn vleugels stijf bevroren met hagel de strijd zoekt, de zee dreigt te overweldigen, de wouden, en de velden met zijn bulderende storm; maar Aeolus de bronzen deuren voor zijn neus sluit en diens woede wegsterft terwijl zijn stormen zich geschrokken terugtrekken in zijn gevangenishuis.

Klacht van Hades

1; 76-88
Toen ontbood hij Hermes, de zoon van Maia, om een vurige boodschap aan Zeus over te brengen. De gevleugelde god van Cyllene stond onmiddellijk naast hem en bewoog zijn slaapverwekkende staf, de boodschapperkap op zijn hoofd. Hades zelf zat stevig op zijn ruwe troon, ontzagwekkend in sombere majesteit; bezoedeld met eeuwenoud stof op zijn machtige scepter; voorspellende wolken verduisterden zijn verheven hoofd; meedogenloos was de stijfheid van zijn angstwekkende gedaante; woede verhoogde zijn schrikwekkende uiterlijk. Toen sprak hij met opgeheven hoofd en donderende stem, terwijl, toen de geweldenaar sprak, zijn zalen voortdurend trilden, de enorme hond, wachter bij de poort, het geblaf van zijn drievoudige hoofd beteugelde, Cocytus zijn tranen onderdrukkend terugzonk; Acheron sprakeloos was met stil ontzag, en de oevers van de Phlegethon stopten met murmelen.

1; 89-116
‘Kleinkind van Atlas, in Arcadië geborene, godheid die onderwereld en hemel deelt, jij die als enige het recht heeft om in beide werelden te verblijven, en de boodschapper tussen deze werelden is, ga snel, splijt de winden, en breng deze boodschap naar de trotse Zeus. ‘Heb jij, wrede broer, zo’n volledig gezag over mij? Heeft het kwetsende fortuin me in één slag beroofd van kracht en licht? Omdat daglicht mij ontstolen werd, verloor ik daarom kracht en wapens? Denk je mij nederig en geïntimideerd te houden omdat ik geen door de Cyclopen gesmede bliksem werp en de lege lucht met donder voor de gek houdt? Is het niet genoeg dat je mij het plezierige licht van de dag ontnam dat ik dankte aan die onfortuinlijke derde en laatste keuze en zo dit afschuwelijke rijk verkreeg, terwijl jij de sterrenhemel siert en de Wagen omringt met twinkelende schittering – verbiedt jij nu ook mijn huwelijk? Amphitrite, dochter van Nereus, houdt Poseidon in haar zeegrijze omarming; Hera, je zuster en vrouw, drukt jou aan haar boezem wanneer jij je bliksems vermoeid opzij legt. Moet ik vertellen over jouw geheime liefdes voor Leto of Demeter of de grootse Themis? Hoeveel nakomelingen jij hebt! Jij wordt jij door een menigte van gelukkige kinderen omringd. En ik moet in dit lege paleis, zonder plezier, zonder roem, kinderlijke liefde ontberen die onmiddellijke zorg nodig hebben? Ik zal zo’n saai leven niet dulden. Ik zweer bij de elementaire nacht en de onontgonnen diepten van het Stygische meer, dat als jij weigert naar mijn woorden te luisteren, ik de onderwereld zal opengooien en haar monsters zal loslaten, de oude ketens van Cronos zal verbreken en de zon in duisternis hullen. De fundamenten van de wereld zullen door elkaar worden geschud en de stralende hemel vermengd worden met de schaduwen van Onderwereld.

1; 117-121
Hij was amper uitgesproken toen zijn boodschapper de sterren al betrad. De Vader hoorde het bericht en, met zichzelf overleggend, voerde een lange discussie wie een dergelijk huwelijk aan zou durven, wie zou de zon willen ruilen voor de grotten van de Styx. Hij wilde graag beslissen en uiteindelijk vormde zich in zijn geest de oplossing.

Demeter en haar dochter

1; 122-141
Demeter, wiens tempel in Henna staat, had maar één jeugdige dochter, een kind waar zij lang voor had gebeden. Want de godin was geen tweede kind vergund, en haar baarmoeder, uitgeput door die eerste bevalling, werd onvruchtbaar. De moeder is nog trotser dan alle andere moeders, en Persephone nam de plaats van vele anderen in. Ze is de zorg en lieveling van haar moeder. Een felle moederkoe kan niet liefdevoller zorgen voor haar kalf dat nog niet kan rennen door de velden waarvan de hoorns nog niet in de vorm van de maan op haar hoofd groeien. Naarmate de jaren vorderden groeide zij uit tot een meisje rijp voor het huwelijk, en gedachten aan een huwelijk haar meisjesachtige bescheidenheid begonnen te roeren. Maar terwijl ze naar een echtgenoot verlangde had ze gelijkertijd angst voor die trouwbelofte. De stemmen van vele vrijers waren in het hele paleis te beluisteren; twee goden scharrelden met het meisje, Ares, ervaren in de strijd, en Apollo, de betere boogschutter. Ares bood Rhodope aan, Apollo wilde Amyclae schenken, Delos en zijn tempel bij Clarus. De concurrenten Hera en Leto claimden haar als vrouw voor een zoon. Maar blondharige Demeter versmade hen beiden, en vrezend dar haar dochter geschaakt zou worden (blind voor de toekomst) vertrouwde haar parel in het geheim aan Sicilië toe, vertrouwend op het veilige karakter van deze schuilplaats.

Sicilië

1; 142-159
Thrinacia was ooit een deel van Italië maar zee en getij veranderden het gezicht van het land. Zegevierende Nereus verbrak zijn grenzen en smolt de gekliefde bergen samen met zijn golven waardoor een smal kanaal deze verwante landen nu scheidt. Natuur bepaalt nu de vorm van dit driehoekige eiland in zee, afgesneden van het vasteland waar het eens toe behoorde. Op één hoek weert de kaap van Pachynus met vooruitstekende rotspunten de woeste golven van de Ionische Zee, rond een ander brult de Afrikaanse Zee die zwelt en beukt op de gebogen haven van Lilybaeum, en als derde de razende Tyrrheense Zee, ongeduldig in toom gehouden, trilt het obstakel van Kaap Pelorus. In het midden van het eiland verrijzen de verkoolde riffen van de Etna, welsprekend monument van Zeus’ zege over de Giganten, het graf van Enceladus, wiens gebonden en gekneusde lichaam eindeloze wolken zwavel uitademt uit zijn brandende wonden. Wanneer zijn opstandige schouders hun last naar links of rechts verschuiven, schudt het hele eiland op haar grondvesten terwijl de muren van wankelende steden heen en weer zwaaien.

1; 160-178
De toppen van de Etna kun je alleen vanuit de verte zien, er leidt geen voetpad heen. De rest is bedekt met bladeren maar de top kan geen landbouwer bewerken. Nu eens spuwt zij natuurlijke rook met pikzwarte golven uit en verduistert de dag, dan bedreigt ze met vreselijke beroering de sterren weer en voedt haar vlammen met de vruchten van haar eigen lichaam. Maar terwijl ze kookt en met intense hitte uitbarst weet ze een bestand in acht te nemen met de sneeuw, en groeit het ijs samen met de gloeiend as snel aan, tegen grote hitte beschermd door de inwendige koude, zodat onschadelijke vlammen likken aan het naburige ijs dat door de vrieskoude zijn samenstelling niet verliest. Welke enorme machine slingert de rotsen weg, welke grote kracht stapelt rots op rots? Waar vandaan ontspringt die vurige rivier? Komt het door de wind, zich langs verborgen hindernissen wringend, die woedt tussen de gespleten en versperrende rotsen, zoekend naar een uitgang, de verbrokkelende grotten met zijn wilde windstoten wegwerpt op zoek naar de vrijheid, of dat de zee, die via de darmen van de zwavelhoudende berg naar binnen spoelt, in vlammen uitbarst wanneer het water wordt samengeperst en grote rotsen wegslingert, ik weet het niet.

Demeter bewerkt de aarde

1; 179-189
Toen de liefhebbende moeder haar zorg in het geheim aan Henna had toevertrouwd ging ze bevrijd van die zorg op bezoek bij de hooggekroonde Cybele in haar huis in Phrygië, rijdend in een wagen die getrokken werd door kronkelende slangen die de wolken doorkliefden met hun vleugels en het bit bevlekten met ongevaarlijk gif. Hun hoofden zijn gekuifd en ze hebben groen gespikkelde vlekken op hun ruggen terwijl er goud tussen hun schubben schittert. Nu eens zwemmen zij rondjes in de lucht, scheren dan weer laag over de velden tijdens hun reis. De langskomende wielen zaaien het geploegde land in met goudkleurig graan en in hun spoor groeit geel koren. Kiemende aren bedekken hun sporen en begeleidende gewassen bekleden het pad van de godin.

1; 190-201
Ze laat de Etna achter, en heel Sicilië verdwijnt in de verte. Ah, hoe vaak, de komende ellende voorvoelend, ontsierde zij haar wangen met opwellende tranen. Hoe vaak keek ze om naar haar huis met worden als deze: ‘Wees gelukkig, lief land, voor mij dierbaarder dan de hemel, in uw veilige bewaring geef ik mijn dochter, mijn enige vreugde, geliefde vrucht van mijn zwoegen. Uw beloning zal niet gering zijn, want je zult niet lijden onder schoffel noch zal uw bodem het wrede ijzer van de ploeg kennen. Onbebouwd zullen uw velden vrucht dragen, en hoewel uw ossen niet ploegen, zal een rijkere landman met verbazing naar de zelfgezaaide oogst kijken.’ Zo sprak ze en bereikte de berg Ida, getrokken door haar gele slangen.

Het huis van Cybele

1; 202-213
Hier is de koninklijke zetel van de godin met in haar heilige tempel het heilige beeld, overschaduwd door de dikke bladeren van het dennenbos waar, hoewel geen storm de bosjes beroert, het gekraak van bloemdragende takken klinkt. Binnen zijn de angstige scharen van ingewijden die het heiligdom met hun wilde gezang laten weerklinken. De Ida huilt luid en Gargarus buigt zijn bossen in vrees. Zodra Demeter verschijnt hervatten de trommels hun geroffel. De koren zijn stil en de Corybanten staan te zwaaien met hun messen. Fluiten en bekkens zwijgen, en de leeuwen laten hun manen zakken ter begroeting. Cybele komt verheugd aansnellen uit het heiligdom en buigt haar hoofd om haar gast te kussen.

Zeus beveelt Aphrodite

1; 214-228
Zeus staarde lang naar dit tafereel, kijkend vanaf zijn verheven zitplaats, en aan Aphrodite onthulde hij aldus zijn hartsgeheim: ‘Godin van Cythera, ik wil je deelgenoot maken van mijn verborgen problemen. Lang geleden besliste ik dat Persephone ten huwelijk zou worden gegeven aan de heer van de Onderwereld. Dat is het bevel van Atropus, zo luidde de oude voorspelling van Themis. Nu dat haar moeder haar heeft verlaten is het tijd voor actie. Ga jij naar de grenzen van Sicilië, gewapend met je listen, en loods Demeter’s dochter omstreeks de tijd dat het ochtendlicht de rozige Dageraad verjaagd naar het niveau van de weilanden. Ontplooi jouw kunsten waarmee je gewoon bent om alle dingen in vuur en vlam te zette, zelfs vaak mijzelf. Waarom zou het laaggelegen koninkrijk de liefde niet kennen? Laat geen land vrij zijn van en geen borst temidden van de schaduwen onaangeraakt door Aphrodite. Laat de sombere Erinyen eindelijk de prikkel van passie voelen en Acheron en het ijzige hart van Hades lieflijk blozen door de pijlen der liefde.’

Het huis van Demeter

1; 229-245
Aphrodite haastte zich zijn bevel op te volgen, en op aandringen van haar heer werd ze vergezeld van Athena en Artemis die met haar gespannen boog de hellingen van Maenalus angst aanjoeg. Het pad scheen helder onder haar goddelijke voeten, net als een komeet, beladen met slechte voortekens, halsoverkop valt, een gloeiende voorbode van bloedrood vuur. Geen zeeman kan er naar kijken en overleven, geen mens kan het zien zonder vernietigd te worden. De boodschap van zijn dreigende staart is storm voor de schepen en vijandelijke aanvallen voor de steden. Ze bereikten de plaats waar Demeter’s paleis glansde, stevig gebouwd door Cyclopenhanden. De stalen muren rijzen hoog op, van ijzer zijn de poorten, en stalen staven beveiligen de massieve deuren. Noch Pyragmon noch Steropes hadden ooit zo’n groot werk met zoveel moeite gebouwd, noch bliezen de blaasbalgen ooit zulke windvlagen of stroomde er ooit zo’n diepe rivier gesmolten massa van metaal waardoor de ovens vermoeid raakten van het verhitten. De hal was ommuurd met ivoor. Het dak versterkt met balken van brons en ondersteund door bebladerde kolommen van elektron.

Persephone weeft een kleed

1; 246-268
Persephone zelf, het huis met lieflijk gezang kalmerend, naaide ijdel aan een geschenk voor haar moeders terugkeer. In dit doek borduurde ze met haar naald het samenstromen van de atomen en de woning van de vader der goden en beeldde uit hoe moeder natuur orde in de chaos schiep, en hoe het eerste begin van alle dingen ontstonden, ieder op zijn juiste plek – zij die licht waren werden hemelwaarts geboren, de zwaardere vielen naar het midden. De lucht werd helder en vuur koos de pool als zijn woonplaats. Hier vloeide de zee, daar hing de aarde. Ze gebruikte vele kleuren, de sterren met goud en de stromende zee met paars. De kustlijn gaf ze reliëf met edelstenen en wendde kunstig draadwerk aan om de golven van de zee te imiteren. Je zou denken dat je het zeewier tegen de rotsen zag slaan en het gemurmel van de branding hoorde terwijl de ruisende golven over het dorstige zand spoelden. Ze voegde vijf zones toe. Met rood garen aangeduid: haar woestijnen waren uitgedroogd en de draad die ze daarvoor gebruikte werd gedroogd door de niet aflatende hitte van de zon. Aan weerszijden lagen twee bewoonbare zone’s, gezegend met het milde klimaat dat geschikt was voor het leven van de mensen. Aan de boven- en onderkant maakte ze twee bevroren zone’s, de verschrikking van de eeuwige winter in haar borduurwerk uitbeeldend en de somberheid van de nooit aflatende koude. Verder borduurde ze de vervloekte stoel van haar oom, Hades, en de goden van de onderwereld, haar voorbestemde verwanten. Het voorteken ging niet onopgemerkt voorbij, want kennis over de toekomst maakten haar wangen nat van plotselinge tranen.

1; 269-275
Vervolgens begon ze de doorschijnende diepten van de Oceaan op de uiterste randen van het tapijt uit te beelden, maar op dat moment werden de deuren geopend. Ze zag de godinnen naderen, en liet haar werk onafgemaakt achter. En rode blos overdekte haar lichte wangen die het mooie gezicht omlijste en de toortsen verlichtte met staalharde zuiverheid. Zelfs de ivoren glans van een meisje dat zich heeft opgemaakt met de dieprode kleurstof uit Sidon is niet zo mooi.

De paarden van Hades

1; 276-287
Nu dook de zon in de Oceaan, en nevelige Nacht bracht een verkwikkende slaap voor stervelingen in haar zwarte tweespan. Toen begon Hades, gewaarschuwd door zijn broer, aan zijn tocht naar boven. De gevreesde Alecto leidde de vier felle paarden die graasden aan de oevers van de Cocytus en door de weiden van de donkere Erebus zwierven naar de wagen, en, drinkend uit de rottende poelen van trage Lethe, liet donkere vergetelheid op hun slaperige lippen druppelen – Orphnaeus, wild en snel, Aethon, sneller dan een pijl, grote Nycteus, trotse roem van de paarden uit de onderwereld, en Alastor, gebrandmerkt met het teken van Hades. Deze stonden klaar voor de poort en kauwden woest op het bit allen popelend naar het plezier van de morgen en hun bestemde buit.

Boek 2

Voorwoord

2vw; 1-8
Toen Orpheus rust zocht en, zacht een slaaplied zingend, zijn taak lang had verwaarloosd, klaagden de Nimfen dat hen hun plezier was ontstolen en de trieste rivieren rouwden over het verlies van zijn melodieuze klanken. De wreedheid van de Natuur keerde terug en de vaars beefde in angst voor de terreur van de leeuw en zocht vergeefs steun bij de intussen geluidloze lier. De ruige bergen klaagden over zijn zwijgen en de bossen die zo vaak zijn Thracische luit hadden gevolgd.

2vw; 9-28
Maar nadat Heracles, vertrekkend vanuit het Inachische Argos, de vlakten van Thracië bereikte tijdens zijn werken van verlossing, en de stallen van Diomedes vernietigde, de paarden van de bloederige tiran aan het gras voerend, toen was het dat de zanger, dolblij over het gelukkige lot van zijn land, opnieuw de welluidende snaren van zijn lange luit terzijde legde, en de werkloze snaren aanraakte met een zachte veer, het beroemde ivoor met feestelijke vingers beroerend. Zodra ze hem hoorden werden de wind en de golven kalm. Hebrus stroomde trager met weerspannige snelheid, Rhodope strekte enthousiast over het lied haar rotsen uit, en Ossa, zijn top minder verheven, schudde zijn deken van sneeuw af. De grote populieren en dennen, vergezeld door de eik, verlieten de hellingen van de boomloze Haemus, en zelfs de laurier kwam, gelokt door de stem van Orpheus, hoewel zij vroeger Apollo’s kunst hadden veracht. Molossische honden joegen speels op onverschrokken hazen, en het lam maakte naast haar ruimte voor de wolf. Herten speelden in vriendschap met gestreepte tijgers en hinden hadden geen angst voor de manen van de leeuw.

2vw; 29-48
Hij bezong de toornige daden van een stiefmoeder en de daden van Heracles, de monsters die door zijn sterke rechterarm waren verslagen, hoe hij, toen hij nog een kind was, de gewurgde slangen aan zijn doodsbange moeder had laten zien, en had gelachen, onbevreesd zulke gevaren minachtend. ‘U noch de stier die met zijn gebrul opschudding in de steden van Kreta veroorzaakte, noch de wreedheid van de hond in de onderwereld; noch u of de leeuw, zullen binnenkort een sterrenbeeld in de hemel worden, noch het wilde zwijn die bekendheid aan de hoogten van Erymanthus bracht. U hebt de Amazonen hun gordels ontnomen, de vogels van Stymphalus met uw boog neergeschoten, en het vee uit het westerse klimaat naar huis gedreven. U hebt de vele ledematen van het driehoofdige monster overwonnen en keerde driemaal zegevierend terug van een enkele vijand. Antaeus sneuvelde tevergeefs, en tevergeefs groeiden er nieuwe koppen aan de Hydra. De gevleugelde voeten van het hert van Artemis redden het niet uit uw handen. Cacus vlammen werden gedoofd en de Nijl werd rood van het bloed van Busiris. De hellingen van Pholoë stonken naar de gedode uit de wolken geboren Centauren. U boezemde de gebogen kust van Libië ontzag in. De machtige Oceaan keek met ontzag naar u toen u de wereld op uw schouders nam. Op de schouders van Heracles was de wereld beter in evenwicht. De zon en de sterren koersten over hun schouders.’

2vw; 49-52
Zo zong de Thracische zanger. Maar u, Florentinus, bent een tweede Heracles voor mij. U bent het die mijn ganzenveer aanstuurt, u bent het die de grot van de Muzen verstoorde waar zij lang in slaap hadden gelegen en nu hun tedere groep ten de dans leidde.

Persephone negeert de voortekens

2; 1-10
De heldere dag had de golven van de Ionische Zee nog niet met haar herautenstaf aangeraakt. Het licht van de Dageraad schemerde op de golven en de verstrooide een flikkerende schittering over de diepblauwe zee. De vermetele Persephone, de jaloerse zorg van haar moeder vergetend en door de listen van Aphrodite verleidt, bezocht het door de rivier gevoede dal. Zo luidde het bevel van de Moiren. De deuren lieten driemaal een waarschuwing klinken toen die in hun scharnieren openzwaaiden, driemaal liet de voorspellende Etna een gerommel horen met verschrikkelijke donderslagen. Maar haar kon geen wonder, geen weerhouden. De zustergodinnen hielden haar gezelschap.

Persephone, Athena en Aphrodite op pad

2; 11-17
Aphrodite ging jubelend en geïnspireerd door haar opdracht voorop in het bedrog. In haar hart was ze beducht op de komende schaking. Binnenkort zou ze de angstwekkende Onderwereld beheersen, binnenkort, wanneer Hades onderworpen was, zou ze de onderworpen geesten leiden. Heur haar, met vele lokken, was op haar hoofd gebonden en vastgezet met een Cyprische speld, en een kunstig door haar echtgenoot Hephaistus vervaardigde broche hield haar mantel dicht die was bezaaid met paarse edelstenen.

2; 18-35
Achter haar aan liepen Artemis, mooie koningin van de Arcadische Lycaeus, en Athena, met haar speer, beschermster van de citadel van Athene – beiden maagd. Athena, wrede godin van de oorlog, Artemis, vloek van de wilde dieren. Op haar gepolijste helm droeg de uit Zeus geboren godin een gesneden figuur van Typhon, het bovenste gedeelte van zijn lichaam levenloos, de onderste ledematen nog steeds kronkelend, deels dood, deels nog heel snel. Haar verschrikkelijke speer, de wolken doorborend als ze ermee zwaaide, leek op een boom, alleen het sissende hoofd van de Gorgo hield ze verborgen in de plooien van haar glinsterende mantel. Maar de blik van Artemis was mild en leek heel erg op haar broer. Haar ogen en wangen hadden van Apollo kunnen zijn, alleen haar figuur maakte het verschil duidelijk. Haar glanzende armen waren bloot, haar wilde lokken wapperden in de zachte bries, en de pees van haar ongespannen boog hing los naar beneden, haar pijlen slingerden achter op haar rug. Haar Kretenzische tuniek, bijeengehouden door een dubbele gordel, hing neer tot op haar knieën, en Delos strekte zich omgeven door een gouden zee uit op haar geweven kleed.

De jurk van Persephone

2; 36-54
Demeter’s kind liep, nu nog de trots van haar moeder, binnenkort haar verdriet, tussen die twee op het gras met hetzelfde tempo, hun gelijke, ook in gestalte en schoonheid. Je zou denken dat het Athena was, als ze een schild had gedragen, en Artemis, indien een speer. Een broche van gepolijst jaspis sloot haar jurk en gordel af. Nooit eerder was kunst een zo vrolijk onderwerp voor de vaardigheid van de weefspoel geweest. Kleding was nog nooit zo mooi gemaakt en zag borduurwerk er zo levensecht uit. Ze had de geboorte van de Zon uit het zaad van Hyperion erin verwerkt, de geboorte ook van de Maan, hoewel hun vorm verschilde – van de zon en maan die naar dageraad en nacht leiden. Thetis gaf hun een wieg en kalmeerde hun kinderlijke gesnik tegen haar boezem. Het roze lichtschijnsel van haar pleegkinderen straalt op haar donkerblauwe vlakten. Op haar rechterarm draagt zij de kleine Titaan, te jong nog om te kwellen met zijn licht, en met een nog niet volgroeide omhullende stralenkrans, in die verzorgende jaren is hij meer lieflijker afgebeeld, en uit zijn mond komt een zachte vlam die zijn kinderlijk gehuil begeleidt. De Maan, zijn zuster droeg Tethys op haar rechterarm, melk zuigend uit die stralende borst, haar voorhoofd gemarkeerd met een kleine hoorn.

2; 55-70
Zo’n wonder was de jurk van Persephone. De Najaden hielden haar gezelschap en drongen aan weerskanten om haar heen, zij die zich bij uw rivieren ophouden, Crinisus , en Pantagea’s bergstromen en Gela die zijn naam aan de stad gaf. Zij die Camerina, de onverstoorbare, koestert in haar ondiepe moerassen, die wonen in de rivier Arethusa of het water van Alpheus, haar buitenlandse geliefde. De grootste van haar gezelschap is Cyane. Zo bewogen zij zich voort als een prachtige groep Amazones, zwaaiend met hun maanvormige schilden die destijds de vrouwkrijger Hippolyte, nadat zij de gebieden van het noorden had verwoest, na een slag haar mooie leger naar huis leidt, nadat ze de blondharige Getae hadden verslagen of de bevroren Tanaes hadden opengespleten met de bijl uit hun natuurlijke Thermodon. Of zoals de Lydische Nimfen de feesten van Dionysus vierden – de Nimfen waar Hermus de stamvader van was en aan wiens oevers zij leefden, spetterend in zijn goudkleurige water. De riviergod verheugt zich in zijn thuisgrot en giet rijkelijk water uit zijn urn.

De vallei van Henna

2; 71-87
Henna, moeder van de bloesems, ontwaarde het gezelschap godinnen vanaf haar met gras begroeide top en zei tegen Zephyrus, loerend in de omsloten vallei: ‘Genadige vader van de lente, u die altijd over mijn weiden heerst met zwervende winden en regen over het zomerland brengt met uw niet aflatende adem, aanschouw dit gezelschap van Nimfen en de grote dochters van Zeus die het zich verwaardigen om in mijn weiden te wandelen. Blijf hier en wordt gezegend, bid ik u. Sta toe dat nu alle bomen zwaar worden van de nieuwe vruchten, dat het vruchtbare Hybla jaloers zal worden en zal erkennen dat haar paradijs is overtroffen. Alle zoete luchten van Panchaea’s wierookdragende wouden, alle honinggeuren van Hydaspes’ verre rivier, alle specerijen die de langlevende Phoenix van de verre velden verzamelt, zoekend naar leven terwijl hij eerst naar de dood verlangde – verspreidt dit alles over mijn aderen en verfris mijn land met uw genereuze adem. Laat mij waardig worden om geplunderd te worden door goddelijke handen en laat godinnen gehuld gaan met mijn bloemslingers.’

2; 88-100
Zo sprak zij, en Zephyrus schudde zijn vleugels waar frisse nectar van afdruppelde en doordrenkte de grond met hun levenbrengende dauw. Waar hij vloog volgde de stralende lente. De velden werden weelderig groen en de hemelse koepel straalde onbewolkt boven hen. Hij kleurde de prachtige rozen rood, de hyacinten blauw en de lieflijke viooltjes paars. Welke omgording van Babylon, die de gordel van een koninklijke borst ontmoet, is versierd met zulke uiteenlopende juwelen? Welke schapenvacht is zo geverfd met het rijke sap van de purperslak waar de koperen torens van Tyrus staan? De vleugels van Hera’s vogel heeft zelfs niet zulke schitterende kleuren. Zelfs de veelvuldig veranderende tinten van de regenboog niet die de jonge winterlucht omspant wanneer zijn regenachtige pad met kromme bogen tussen de vertrekkende wolken schijnt.

2; 101-118
Nog lieflijker dan de bloemen op het land. De vlakte, met zacht golvende en geleidelijke hellingen, steeg op naar een heuvel. Van de levende rots stroomde water dat het gras op de oevers met dauw besprenkelde. De schaduw van een bos tempert met zijn takken de felle hitte van de zon en creëert midden in de zomer zijn eigen winterse koude. Daar groeit een pijnboom, nuttig voor de zeevaart, de kornoelje voor de wapens van de oorlog, de eik, Zeus goedgezind, de cipres, bewaker van de graven, de steeneik vol met honingraten, en de laurier die de toekomst kent. Hier weeft de palmboom zijn dikke kruin van bladeren, hier kruipt de klimop, hier bekleedt de wijnstok de iep. Niet ver hier vandaan ligt een meer dat Sicani Pergus wordt genoemd, zijn bleke water direct omringd door een gordel van groene bossen. Diep beneden voor het oog dat dit wil zien, nodigt het overal heldere water uit tot een onbelemmerde blik in de klamme diepte om zo de laatste geheimen van haar doorschijnende golven te verraden. Hier kwam het gezelschap zeer tevreden over de bloemrijke klim heen.

Bloemen plukken

2; 119-136
Aphrodite bood aan om bloemen te plukken. ‘Kom zusters, terwijl de ochtendzon nog door de vochtige lucht schijnt, en Phosphorus, mijn voorbode van de dageraad, zijn bedauwde paarden bestuurd en het heldere veld bevochtigd.’ Zo sprak zij en plukte de bloem die getuigde van haar eigen leed. Haar metgezellen doorkruisten verschillende valleien. Je zou gedacht hebben dat een zwerm bijen uitvloog, popelend om de zoetheid van Hyblaeaanse tijm te verzamelen, terwijl de koning van de bijen het honingdragende leger uit zijn wassen huizen leidt, uitvliegend van de holle stam van zijn beukenboom, zoemend rond zijn favoriete bloemen. De weilanden werden beroofd van hun glorie. De ene godin weefde lelies met donkere viooltjes ineen, de andere omhing zichzelf met buigzaam marjolein, een derde liep met rozen gekroond rond, weer een volgende tooide zich met witte liguster. Ook jij, Hyacinthus, verzamelden zij, je bloem met wee gegraveerd, en ook Narcissus – eens een mooie jongen, nu de trots van het voorjaar. Jij, Hyacinthus, werd in Amyclae geboren, Narcissus was het kind uit Helicon. Jij werd door de dolende discus gedood. Zijn liefde werd bedrogen door de weerspiegeling van zijn gezicht in het water. Om jou huilt de god van Delos met zwaarbedroefd hart en Cephisus met geknakt riet.

2; 137-150
Maar zij volgde achter haar, de enige hoop van de korendragende godin, brandend van een fel verlangen om bloemen te plukken. Ze vulde haar lachende manden, van tenen gevlochten, met de buit van de velden. Ze vlocht een bloemenkrans en zette die op haar hoofd, en had niet in de gaten dat het Lot al de schaduw vooruitwierp van het huwelijk dat zij in petto had. Zelfs Athena, godin van de trompetten en de oorlog, wijdde haar handen, waarmee ze legers in oorlogen overweldigt en poorten en stadsmuren neerhaalt, aan zachtaardiger bezigheden. Ze legde haar speer opzij en omkranste haar helm met zachte bloemen – een vreemd aureool! De opgewekte ijzeren piek, de felle oorlogszuchtige glinstering werd overschaduwd, en de pluimen, eerst fier rechtopstaand, knikten nu getooid met bloesems. Ook Artemis, die berg Parthenius met haar scherp ruikende honden doorkruist, had geen minachting voor deze bezigheden en wilde haar loswaaiende lokken met een bloemenkroon tooien.

Hades komt naar boven

2; 151-178
Maar terwijl de meisjes zich zo vermaakten, door de velden wandelend, klonk plotseling een gebrul, torens kraakten en steden, op hun fundamenten door elkaar geschud, wankelden en vielen om. Niemand wist waar het tumult vandaan kwam. Alleen Paphos’ godin herkende het geluid dat haar gezellinnen verbaasde, en angst vermengt met vreugde vervulde haar hart. Want de koning der zielen boorde zich een weg in het duistere labyrint van de onderwereld en de verpletterende Enceladus, steunend onder het gewicht van zijn massieve paarden, bood de reus weerstand, Sicilië en Hades op zijn bezwaarde schouders dragend, en probeerde zwakjes te bewegen om de wielen met zijn vermoeide slangen te verstrikken, de rokende wagen reed over zijn nog steeds brandende rug. Zoals soldaten proberen op hun nietsvermoedende vijanden af te sluipen, een ondergronds pad volgend onder de funderingen van een ondertunneld veld, en de door de vijand onveilig gemaakte gangen passeren om in de stad uit te komen, een zegevierende partij, in de citadel van de verschalkte vijand, ze lijken uit de aarde te zijn ontstaan, zo ging ook Cronus’ derde zoon door de kronkelende duisternis waar zijn span hem voortdreef, allen popelend om onder de hemel van zijn broer tevoorschijn te komen. Geen deur stond er voor hem open. Aan alle kanten versperden rotsen de uitgang en hielden de god op in hun moeilijk te ontsnappen gevangenis. Hij duldde geen vertraging en sloeg woedend naar de rotsen met zijn balkachtige staf. De grotten van Sicilië donderden, Lipara’s eiland was onthutst, Hephaistus verliet zijn smederij in verbazing en de Cyclopen lieten van angst hun bliksems vallen. De bergbewoners van de bevroren Alpen hoorden het tumult en hij die door uw golven zwom, vader Tiber, uw hoofd nog niet zo grijs omkranst en gezegend door Italië’s overwinningen. Daar hoorde hij wie het was die zijn schip door Padus’ rivier stroomafwaarts roeide.

2; 179-185
Toen het door rotsen omgeven meer, voordat Peneus’ golven zeewaarts rolden, geheel Thessalië zouden bedekken en hij niet toestond dat haar velden die bebouwd moesten worden zouden onderlopen, trof Poseidon de omringende berg met zijn drietand. Toen scheidde de piek van Ossa, verscheurd door de machtige stroom, zich af van de besneeuwde Olympus. Er werd een doorgang gemaakt en het water werd bevrijdt, waardoor de zee haar voedende rivieren terugkreeg en de boer zijn velden.

2; 186-203
Toen Thrinacia haar rotsachtige verbindingen vrijgaf door de slagen van Hades en met spelonkachtige kloven wijdopen geeuwde, greep een plotselinge angst de hemel aan. De sterren verlieten hun normale banen, de Beer dook in de voor hem verboden Oceaan, terreur versnelde de ondergang van Boötes, Orion beefde. Atlas verbleekte toen hij het gehinnik van de dravers hoorde, hun rokerige adem verduisterde de heldere hemel en de zonnebol beangstigde hen, zo lang door duisternis gevoed. Bijtend op hun teugels stonden zij verbaasd in de heldere lucht, probeerden het rijtuig om te keren en terug te rennen naar de vreeswekkende Onderwereld. Maar spoedig, toen zij de zweep op hun ruggen voelden en de helderheid van de zon leerden te verdragen, galoppeerden zij in een sneller tempo dan een winterstroom en nog sneller dan een suizende speer, sneller dan een Parthenische pijl, de woede van de zuidenwind of de snelle gedachte van een bange geest. Hun bitten zijn warm van het bloed, hun doodbrengende adem besmet de lucht, het vervuilde stof is vergiftigd met hun schuim.

Schaking van Persephone

2; 204-213
De Nimfen vluchten alle kanten uit. Persephone is er vandoor in de wagen, de godinnen om hulp smekend. Nu onthult Athena het hoofd van de Gorgo, Artemis spant haar boog en schiet te hulp. Niet toegevend aan het geweld van haar oom, een gemeenschappelijke maagdelijkheid dwingt hen te vechten en het op te nemen tegen de misdaad van die felle ontvoerder. Hades is als een leeuw die een vaars heeft gegrepen, de trots van de stal en de kudde, het weerloze vlees verscheurend met zijn klauwen en zich woedend verzadigd aan haar lichaam, hij staat daar vervuild met geronnen bloed en schudt zijn verwarde manen in minachting voor de zwakke woede van de herders.

2; 214-222
‘Heer van de krachteloze dood,’ riep Athena, ‘slechtste van uw broers, welke Erinyen hebben u met hun aanspringen en vervloekte fakkels opgestookt? Waarom heb jij je troon verlaten en hoe durf jij de bovenwereld te vergiftigen met je helse span? Jij bezit de afzichtelijke Vloeken, de andere goden van de onderwereld, de schrikwekkende Erinyen – één van hen zou een waardige partner voor je zijn. Verlaat het rijk van je broer, vertrek uit het koninkrijk dat aan een ander is toegewezen. Maak dat je wegkomt, volsta met je eigen nacht. Waarom het levende vlees met de dood vermengen? Waarom betreed je onze wereld, een onwelkome bezoeker?’

2; 223-231
Zo roepend sloeg ze met haar dreigende schild naar de paarden die probeerden weg te komen en hun weg versperd zagen door een groot deel van haar beukelaar, hen terugdringend met het sissende slangenhaar van Medusa’s hoofd en hen overschaduwend met de uitgestrekte vederdos. Ze balanceerde om haar pijl van essenhout te werpen waarvan de glans Hades’ zwarte wagen trof en verlichtte. Ze had die bijna geworpen als Zeus niet vanuit de hemelse hoogte zijn rode bliksem op vreedzame vleugels had geworpen, zijn nieuwe zoon erkennend, halverwege de gespleten wolken donderde het huwelijksloflied en getuigden vuren bevestigend de eenwording.

2; 232-246
Onwillig ruimden alle godinnen het veld, huilende Artemis liet haar wapens vallen en zei: ‘Vaarwel, een lang vaarwel, vergeet ons niet. Eerbied voor onze vader verbiedt ons te helpen, en wij kunnen jou niet verdedigen tegen zijn wil. Wij erkennen de nederlaag tegenover een macht die sterker is dan die van ons. De Vader heeft tegen je samengezworen en je verraden aan het rijk de Stilte, helaas, het is niet anders! Je zult de zusters en metgezellen aanschouwen die snakken naar jouw verschijning. Welk Lot heeft jou geroofd van de bovenlucht en de hemel veroordeeld tot zo’n diepe rouw? Nu kunnen wij ons niet meer verheugen terwijl we netten op de hellingen van Parthenius uitzetten, of de pijlenkoker dragen. Nu heeft het wilde zwijn de vrijheid om te razen en de leeuw om wild brullen met niemand om hen tegen te houden. U, top van de Taygetus, en u hoge Maenalus zult huilen, terwijl de jacht is vergeten. U zult lang reden om te huilen zijn op de treurende hellingen van de Cynthus. Zelfs mijn broers heiligdom in Delphi zal niet meer spreken.’

Klaagzang van Persephone

2; 247-272
Ondertussen werd Persephone weggevoerd in de gevleugelde wagen, haar haren wapperend in de wind, jammerend haar armen slaand en in ijdel protest roepend tegen de wolken: ‘Waarom heb je geen door de handen van Cyclopen gesmede bliksems naar mij geworpen, vader? Was het jouw wil om je dochter aan de wrede schaduwen uit te leveren en haar voor altijd van deze wereld te af te voeren? Wordt je dan helemaal niet door liefde bewogen? Heb je dan helemaal geen gevoel als vader? Wat heb ik gedaan dat je in zo’n woede bent ontstoken? Toen Phlegra door waanzin van de oorlog werd geteisterd droeg ik geen standaard tegen de goden. Het kwam niet door mijn kracht dat de ijsgebonden Ossa de bevroren Olympus ondersteunde. Voor welke poging tot misdaad, voor welke medeplichtigheid aan welke schuld, word ik neergehaald en verbannen naar die bodemloze put van de Onderwereld? Gelukkiger meisjes die andere ontvoerders hebben weggevoerd, genieten tenminste nog van het daglicht, terwijl ik, samen met mijn maagdelijkheid, de lucht van de hemel verlies. Onschuld en daglicht worden mij gelijktijdig ontstolen. Moet ik noodzakelijk deze wereld verlaten en als gevangen genomen bruid de tiran van de Onderwereld dienen. Jullie bloemen waarvan ik zoveel hield in dit kwade uur, O, waarom sloeg ik de waarschuwingen van mijn moeder in de wind? Ik ontdekte de listen van Aphrodite te laat. Moeder, mijn moeder, hetzij hoor je de vreeswekkende fluiten bij de Lydische stammen klinken in de valleien van de Phrygische Ida, of je jaagt op berg Dindymus, meehuilend met de zelfverminkende Galli, en ziet de ontblote zwaarden van de Cureten, help me in mijn bittere nood. Verijdel de dwaze lust van Hades en houdt de begrafenisteugels van mijn felle ontvoerder tegen.’

Hades troost Persephone

2; 273-305
Haar woorden en die steeds maar komende tranen overmeesterden dat wrede hart toen Hades voor het eerst de verlangens van de liefde ervoer. Hij veegde de tranen weg met zijn donkere mantel, haar trieste verdriet stillend met deze geruststellende woorden: ‘Stop, Persephone, om je hart te kwellen met sombere kwellingen en onnodige angst. Een prachtige scepter zal de jouwe zijn, en je zult niet in het huwelijk treden met een man die jou onwaardig is. Ik ben de telg van Cronus aan wie het geraamte van de wereld gehoorzaamt, wiens macht zich over de eindeloze leegt uitstrekt. Denk niet dat je het licht van de dag kwijt bent. Ik bezit andere sterren en hun rondlopen. Je zult een zuiverder licht zien en je verwonderen over de zon van de Elyzeese Velden en haar gezegende inwoners. Daar zijn rijkere tijdperken, een gouden ras heeft er zijn thuis, en we bezitten eeuwig wat de mens maar eenmaal wint. Zachte weiden zullen jou niet ontbreken, en eeuwig bloeiende bloemen, zoals Henna die nooit produceerde, ademend onder de zachte Zephyrus. Daar is bovendien een waardevolle boom in de groene bossen waarvan de gebogen takken glanzen van levend erts – een boom aan jou gewijd. Je zult de koningin zijn van de gezegende herfst en steeds getooid gaan met gouden vruchten. Nee meer, wat de heldere lucht ook maar omvat, wat de aarde ook maar voedt, wat de zoute zeeën beweegt, de rivieren doet stromen, of de moeraslanden voedt, de opbrengst van alle levende dingen gelijk staan onder jouw heerschappij, allen, zeg ik, die wonen onder de maan die de zevende van de planeten is en op zijn vluchtige reis alle sterfelijke dingen scheidt van de onsterfelijke sterren. Aan jouw voeten zullen purper geklede koningen komen, ontdaan van hun pracht, en zich mengen met de onvermogende menigte, want de dood maakt iedereen gelijk. Je zult straf uitdelen aan de schuldigen en rust voor de deugdzamen. Voor de troon des oordeels moeten de goddelozen hun misdaden bekennen uit hun slechte leven. Lethe’s water zal jou gehoorzamen en Moiren zullen je dienstmeiden zijn. Moge je wil geschieden.’

Aankomst in de onderwereld

2; 306-316
Zo sprekend spoorde hij zijn triomfantelijke paarden aan en ging de Tartarus op vriendelijker wijze binnen. De schaduwen verzamelden zich, zo dicht als de bladeren die de stormachtige zuidenwind van de bomen schudt, zo dicht als regenwolken was de massa, talloos als de golven die omkrullen en het zand verstrooien. De doden van elke leeftijd drongen met gehaaste voeten naar voren om die illustere bruid te zien. Spoedig zou Hades met een vreugdevolle gelaatsuitdrukking binnenkomen onder de verzachtende invloed van plezierig lachen, geheel in tegenstelling tot zijn vroegere ik. Bij de binnenkomst van zijn heer en gemaal stond de enorme Phlegethon op. Zijn borstelige baard was nat van brandend water en vlammen die over zijn gezicht dansten.

2; 317-325
Slaven die uit de massa waren gekozen haastten zich om het tweetal te begroeten. Sommigen voerden het verheven rijtuig af, de bitten uit de monden van de vermoeide paarden nemend en hen naar hun normale weiden leidend om te grazen. Sommigen hielden de gordijnen open, anderen versierden de deuropening met takken en hingen geborduurde tapijten op in de bruidskamer. In kuise groepen drongen de hoofden van de huishouding om hun koningin heen, en verdreven met zoete conversatie haar angst. Zij kamden en vlochten haar verwarde haren en wierpen de trouwsluier over haar hoofd om haar bezorgde blos te verbergen.

Feest in de onderwereld

2; 326-342
Vreugde vulde dat grijze land, de begraven menigte vierde een groot feest, en de geesten sportten op het bruiloftsfeest. De bloemgekroonde schimmen zaten aan een vreugdevol banket en ongewone liederen verbraken de sombere stilte, gejammer kwam tot zwijgen. De duisternis van de Onderwereld verspreidde zich blijmoedig en de eeuwenlange duisternis vergleed en werd minder ondoorzichtig. Minos’ urn van gerechtigheid bedeelde geen dubbelzinnige straffen. Het geluid van slagen verstierf, want straffen werden afgebroken. Ixion werd niet langer gemarteld door het steeds draaiende wiel waarop hij was vastgebonden. Het water trok zich niet langer terug van Tantalus’ lippen. Ixion werd bevrijdt, Tantalus bereikt het water, en Tityus kon uiteindelijk zijn enorme ledematen strekken en onthulde negen acres smerige grond (zo groot was zijn lichaam), en de gier, die zich aan de donkere kant ingroef, werd zeer tegen haar wil weggesleept van de pijnlijke en vermoeide borst, klagend dat het verslonden vlees niet langer vernieuwd werd.

2; 343-360
De Erinyen, misdaden en vreselijke wraak vergetend, maakten de mengbeker gereed en dronken daaruit met al hun slangenharen. Nee, met zacht gezang, werden hun bedreigingen terzijde gelegd, zij strekten hun slangen uit naar de volle bekers en ontstaken de feestfakkels met ongewone vlammen. Toen, ook, vlogen vogels ongedeerd over de stilgevallen stroom van de giftige Onderwereld, en het Meer van Amsanctus beteugelde zijn dodelijke uitwasemingen. De rivier stopte met stromen en de draaikolken vielen stil. Ze zeggen dat de bron van Acheron toen veranderde en er nieuwe melk opwelde, terwijl Cocytus, omkranst met klimop, voortstroomde in een rivier van heerlijke wijn. Lachesis sneed de draad van het leven niet meer door noch liet begrafenis treurzangen klinken als uitdaging tegen het heilige gezang. De Dood ging niet rond op aarde en ouders weenden niet naast de brandstapel. De golven brachten geen vernietiging voor de zeelui of de speer voor de krijger. Steden floreerden en kenden de Dood niet, de vernietiger. Charon kroonde zijn ongekamde haren met riet en hanteerde zingend zijn gewichtloze riemen.

2; 361-373
En nu scheen in de Onderwereld haar eigen Avondster. Het meisje werd naar de bruidskamer geleid. Nacht, gekleed in een sterrengewaad, stond aan haar zijde als bruidsvrouw. Ze raakte het bed aan en zegende de band van het huwelijk die niet verbroken kan worden. De gezegende schaduwen verhieven hun stemmen onder het dak van het paleis van Hades en zongen een slapeloze begroeting; ‘Persephone, koningin van ons rijk, en u, Hades, in een klap de broer en schoonzoon van Zeus, de donderaar, laat verbindende slaap jullie bondgenootschap zijn. Beloof wederzijds trouw terwijl jullie elkaar omarmen. Gelukkig nageslacht zal jullie ten deel vallen. Natuur verwacht vreugdevol de goden die nog geboren moeten worden. Geef de wereld een nieuwe goddelijkheid en Demeter de kleinkinderen waarnaar zij verlangt.

Boek 3

Alle goden bijeengeroepen

3; 1-17
Ondertussen gebood Zeus de wolkenomgorde Iris om alle goden van het universum bijeen te roepen. Zij, de winden overtreffend tijdens haar regenboogvlucht, riep de zeegoden op, berispte de Nimfen voor hun getreuzel, en ontbood de riviergoden uit hun vochtige grotten. Zij kwamen vertwijfeld en in angst naar buiten om te zien wat er aan de hand was dat tot zo’n grote verstoring van hun rust had geleid. De sterrenhemel werd opengegooid en de goden kregen opdracht om hun plaatsen in te nemen die zij verdienden, niet toevallig, en werd opgedragen. De eerste plaatsen werden toegekend aan de hemelse machten, vervolgens kwamen de twaalf Oceaangoden, kalme Nereus en grijsharige Phorcys, en als laatste tweevormige Glaucus en Proteus, voor eens in onveranderende vorm. De oude riviergoden, ook, mochten ook hun zetels innemen. De andere rivieren, duizend man sterk, stonden zoals de jeugd tijdens een aardse vergadering staan. Druipende Waternimfen leunden op hun vochtige vaders en Faunen genoten in stilte van de sterren.

De rede van Zeus

3; 18-32
Toen begon de ernstige Vader vanuit zijn zetel op de hoge Olympus: ‘Opnieuw vragen de bezigheden der mensen mijn aandacht, zaken die lang zijn genegeerd omdat ik naar de rustige regeerperiode van Cronus’ keek en de traagheid van die stilstaande leeftijd, terwijl ik het mensenras graag had geholpen, lang verzonken in lethargie vanwege de trage regels van mijn vader, hen aansporend tot een kommervol leven, waar hun gewassen niet op eigen kracht naar volwassenheid groeiden in de onbewerkte velden of de bomen in het bos niet dropen van de honing of wijn niet uit bronnen vloeide of niet iedere stroom in klinkende bekers vloeide. Het was niet dat ik hun zegeningen benijdde – goden mogen niet jaloers zijn of deren – maar omdat weelde een vijand is voor een godvruchtig leven, en mensen snel afstompen. Daarom vroeg ik Noodzaak, moeder van de uitvindingen, hun trage geesten te provoceren en beetje bij beetje te laten zoeken naar de verborgen sporen van dingen. Gaf opdracht om ijver te ontwikkelen en in praktijk te brengen.

3; 33-66
Door onophoudelijke klachten noodzaakt Natuur mij nu om het mensenras te hulp te komen, men noemt me wreed en een onverbiddelijke tiran, roept in gedachten de eeuwen op van mijn vader’s heerschappij en noemt me de uitbuiter van haar rijkdommen, omdat ik de wereld heb laten verwilderen en het land bedekt heb met struikgewas en het jaar zonder vruchten heb gelaten. Ze klaagt erover dat ze, die eerst de moeder van de levende dingen was, plotseling het gehate voorkomen op zich geladen kreeg van een stiefmoeder. Wat baat het dat de mens dat zijn verstand van boven heeft gekregen, dat hij zijn hoofd naar de hemel gericht houdt, als hij als een wild beest ongebaande paden bewandelt, en net als die dieren zijn eigen voedsel vertrapt? Kan een leven als dit hem geluk brengen, verborgen in de open plekken van het bos, niet te onderscheiden van het dierlijke leven? Deze klachten heb ik tot vervelens toe gehoord van moeder Natuur, uiteindelijk kreeg ik medelijden met de wereld en besloot om de mensheid te bevrijden van zijn bosvoedsel. Daarom besloot ik dat Demeter, die nu, onwetend van haar verlies, de leeuwen op de Ida geselt, vergezeld door haar vreeswekkende moeder, moet zwerven over zee en land in angstig verdriet, totdat, verlangend om sporen van haar dochter te vinden, ze de mensheid het geschenk van graan geeft en haar wagen door de wolken omhoog wordt gedragen om de, nog bij de volkeren onbekende, korenaren uit te strooien en de staalblauwe kruipers zich onderwerpen aan het Attische juk . Maar als een van de goden Demeter durft te informeren wie de ontvoerder is, zweer ik bij de onmetelijkheid van mijn rijk, bij de stevig gewortelde vrede van de wereld, of hij nu mijn zoon of zuster is, echtgenoot van een van mijn dochters, snoevend over de geboorte uit mijn eigen hoofd, dan zal diegene van verre de woede van mijn wapens voelen, de klap van de donderslag, en spijt hebben dat hij werd geboren en zal bidden om de dood. Dan, pijnlijk gewond, zal hij worden uitgeleverd aan mijn schoonzoon, Hades zelf, om te worden bestraft in het rijk dat hij wilde verraden. Daar zal hij leren of de Onderwereld trouw is aan de zaak van haar koning. Dat is mijn wil. Laat het onveranderlijke lot mijn bevel vervullen.’ Zo sprak hij en liet de sterren schudden met zijn hoofdknik.

Demeter heeft visioenen

3; 67-79
Maar Demeter, ver van Sicilië, werd gealarmeerd door een duidelijke achterdocht over het verlies dat ze had geleden, waar ze lang en veilig onder het rotsachtige dak van de grot die weerklonk van haar wapens lang vreedzaam had gewoond. Dromen verdubbelden haar angst en visionen over de vermiste Persephone verstoorden alle slaap. Nu eens droomde ze dat een vijandelijke speer door haar lichaam stak, dan weer (o verschrikking!) dat haar kleding was veranderd in zwart, of dat besmette as ontlook in het midden van haar huis. Bovendien, daar stond een laurier, geliefd door alle bosjes, wier meisjesbladeren werd gebruikt om de maagdelijke boog van Persephone te overschaduwen. Ze zag dat die bij de wortels werd omgehakt, de worstelende takken overdekt met stof, en toen ze naar de reden van deze ramp vroeg antwoordden de Dryaden dat de Erinyen die hadden vernield met een bijl uit de Onderwereld.

3; 80-96
Vervolgens verscheen haar gedaante in de dromen van de moeder, haar lot op niet mis te verstane wijze vertellend. Ze zag Persephone opgesloten tussen de donkere muren van een gevangenis en gebonden met wrede ketenen. Zo had ze haar niet toevertrouwd aan de velden van Sicilië, zo had de verbaasde godin haar niet gezien in de bloemrijke weiden van de Etna. Smerig was nu dat haar, vroeger mooier dan goud, nacht had het vuur in haar ogen gedoofd en vorst het roze van haar bleke wangen verdreven. De gracieus blozende huid en haar ledematen waarvan de witheid overeenkwam met de geheime vrieskou waren allemaal veranderd in onderwereldgekleurd graan. Toen ze, uiteindelijk, in staat was haar dochter te herkennen, zij het met twijfelende blik, riep ze: ‘Welke misdaad verdient deze vele straffen? Vanwaar komt dit vreselijke wegkwijnen? Wie heeft de macht om zo’n wreedheid over mij uit te storten? Waaraan hebben jouw zachte armen deze ketens van hardnekkig ijzer verdiend, nauwelijks geschikt voor beesten? Ben jij mijn dochter of word ik bedrogen door een dwaze schaduw?’

3; 97-107
Aldus antwoordde ze: ‘Wrede moeder, ben je het lot van je dochter vergeten, harder dan het hart van de geelbruine leeuwin! Hoe kun je zo achteloos zijn tegen mij? Houd je me voor zo verachtelijk omdat ik je enige dochter ben! Dierbaar moet de naam Persephone inderdaad voor je zijn die nu, opgesloten in deze uitgestrekte grot, zoals je ziet, door kwelling wordt geplaagd! Heb je zin om te dansen, wrede moeder? Ben je in staat om pret maken in de steden van Phrygië? Als jij de moeder niet uit je hart hebt verdreven, als jij, Demeter, werkelijk mijn moeder bent en het geen Hyrcanische tijger was die mij baarde, red me dan, bid ik je, uit deze gevangenis en breng me terug naar de bovenwereld. Als de Lotsgodinnen mijn terugkeer verbieden kom dan tenminste naar beneden om me te bezoeken.’

Demeter vertrekt bij Cybele

3; 108-132
Zo sprak zij en probeerde haar trillende handen uit te steken. De kracht van het meedogenloze ijzer verbood het, en het gerammel van de kettingen wekte haar slapende moeder. Demeter lag stijf van angst vanwege het visioen, hopend dat het niet waar was, treurend dat ze haar dochter niet kon omarmen. Gek van angst rende ze de grot uit en riep tegen Cybele: ‘Ik zal niet langer treuzelen in het land van Phrygië, heilige moeder. De plicht om mijn lieve dochter te beschermen roept met terug na zo’n lange afwezigheid, want zij is op een leeftijd die aan vele gevaren wordt blootgesteld. Ik vertrouwde mijn paleis niet volledig, hoewel het is gebouwd met ijzer uit de ovens van de Cyclopen. Ik vrees dat haar schuilplaats bekend is geworden en vertrouwde te lichtvaardig dat Sicilië haar zou beschermen. De roem van die plek was te bekend in het buitenland en had mij moeten alarmeren, nu moet ik ergens anders een verduisterende schuilplaats zoeken. Onze terugkeer moet overal onderwerp van gesprek zijn door het gekreun van Enceladus en naburige vlammen. Kwaad voorspellende dromen, met uiteenlopende droombeelden geven mij geen rust, en er gaat geen dag voorbij dat er niet iets onheilspellends gebeurt. Hoe vaak is mijn kroon van gouden korenaren uit zichzelf gevallen! Hoe vaak stroomde er bloed van mijn borst! Tot mijn eigen verdriet stromen er tranen van mijn wangen en sla ik met mijn handen ongewild op mijn verbaasde borst. Zal ik de fluit blazen, met begrafenis als grondtoon. Zal ik de bekkens schudden, de bekkens weerkaatsen een geluid van rouw. Wee! Ik vrees dat de voortekenen daar problemen voorspellen. Dit lange verblijf hier heeft me ellende gebracht.”

3; 133-136
‘Moge de wind je ijdele woorden ver weg voeren.’ antwoordde Cybele. ‘Het gebrek aan zorg van de Dondergod is niet van dien aard dat hij geen bliksems zou werpen ter verdediging van zijn dochter. Maar ga heen en terug, laat je niet afschrikken door een kwade gebeurtenis.

Aankomst op Sicilië

3; 137-145
Toen dit gezegd was, verliet Demeter de tempel, maar geen enkele snelheid was genoeg voor haar haast. Ze klaagde dat haar trage draken traag bewogen, en ranselde nu eens de rug van de een en dan weer van de ander (hoewel ze dit niet verdienden), ze hoopte Sicilië te bereiken nog voordat Ida uit het gezicht was. Ze vreesde alles en hoopte op niets, bang als een vogel die haar nest met jongen toevertrouwt aan het laaggroeiende kreupelhout tijdens haar afwezigheid, wanneer zij voedsel verzamelt en vele angsten doorstaat omdat de wind het fragiele nest misschien uit de boom blaast waardoor haar jongen blootgesteld worden aan de hebzucht van slangen of door de mensen worden gestolen.

3; 146-158
Toen ze zag dat de poortwachter was gevlucht, het huis onbewaakt, de verroeste scharnieren, de omvergeworpen deurpost, en de ellende toestand van de stille zalen, stopte ze niet om opnieuw naar de ramp te kijken, ze verscheurde haar gewaad en trok de verbrijzelde korenaren en haar haren uit haar hoofd. Ze kon niet huilen, spreken of ademen en een huivering trok door heel haar lichaam, haar weifelende stappen wankelden. Ze wierp de deuren open en dwaalde door de lege kamers en verlaten zalen, de halfvernietigde schering van het weefgetouw en de wanordelijke draden herkennend. De zwoegende godin was voor niets gekomen, er bleef niets anders over, dan dat de stoutmoedige spin zijn heiligschennende web af zou maken.

3; 159-169
Ze huilde of jammerde niet om het kwaad. Ze kuste alleen het weefgetouw en greep met haar duim de draden, drukte dit aan haar boezem, alsof het haar kind was, ze raakte met haar hand de spoelen van haar kind aan, de wol die ze opzij had geworpen, en al het meisjesspeelgoed dat verspreid lag. Ze nam het maagdenbed in zich op, de verlaten bank, en de stoel waarop Persephone had gezeten. Net zoals een kudde, aangevallen door de onverwachte woede van een Afrikaanse leeuw of plunderende dieren, verbaasd naar de leegstaande stal kijkt, te laat terugkerend, door de lege weilanden zwerft, triest roepend naar de niet antwoordende ossen.

Demeter en Electra

3; 170-178
En daar, liggend in het binnenste van het huis, zag ze Electra, liefdevolle verzorgster van Persephone, bekendste van de oude Nimfen uit de Oceaan. Ze hield evenveel van Persephone als Demeter. Zij was het, toen Persephone haar wieg was ontgroeid, die haar aan haar liefdevolle borst naar de machtige Zeus bracht en haar daar op haar vaders schoot zette om te spelen. Ze was haar metgezel, haar voogd, en kon als haar tweede moeder beschouwd worden. Daar, met uitgetrokken en verwarde haren, overdekt met vuil en grijs stof, jammerde ze over de schaking van haar goddelijke pleegkind.

3; 179-191
Demeter kwam dichterbij, en in haar verdriet verzuchtte ze uiteindelijk ongeremd: ‘Wat voor vreselijks is hier gebeurd?’ vroeg ze. ‘Van welke vijand ben ik het slachtoffer geworden? Regeert mijn echtgenoot nog of hebben de Titanen de hemel in handen? Wie had de moed om dit te doen, terwijl de Donderaar nog steeds leeft? Hebben de schouders van Typhon Inarime gedwongen of loopt Alcyoneus door de Etruskische Zee, uit zijn boeien van de gevangen houdende Vesuvius gebroken? Of heeft naburige Etna haar kaken geopend en Enceladus verdreven? Heeft Briareus met zijn honderd armen misschien mijn huis aangevallen? Ach, mijn dochter, waar ben je nu? Waar zijn mijn duizend bedienden heen gevlucht, Waarheen Cyane? Welk geweld heeft de gevleugelde Sirenen verjaagd? Is dit je trouw? Is dit de manier om de schat van een ander te bewaken?

Het verhaal van Electra

3; 192-201
De verzorgster beefde en haar verdriet maakte plaats voor schaamte. Ze zou graag zijn gestorven om zo aan de blik van de ongelukkige moeder te ontsnappen, en bewoog lange tijd geen spier, aarzelend om de vermeende dader en de zeer waarschijnlijke dood bekend te maken. Aarzelend begon ze te spreken: ‘Kan die razende groep van Giganten deze puinhoop aangericht hebben! Een gemeenschappelijk lot is makkelijker te dragen. Het zijn de godinnen, en, hoewel je het bijna niet zult geloven, haar eigen zusters, die samenspanden tot ons verderf. Je ziet de oogmerken van goden en wonden van zusterlijke jaloezie. De hemel is een is een wredere vijand dan de onderwereld.’

3; 202-219
‘Het huis was kalm, het meisje durfde niet naar buien te gaan om de grazige weiden te bezoeken, indachtig jouw opdracht. Het weefgetouw hield haar bezig, de Sirenen zorgden voor ontspanning met hun gezang – ze voerde met mij aangename gesprekken, ze sliep samen met mij. Ze genoot van veilige lekkernijen in je huis. Toen kwam opeens Aphrodite (wie haar de weg naar onze schuilplaats wees weet ik niet), en, om ons niet achterdochtig te maken, bracht Artemis en Athena met zich mee, die aan weerskanten van haar liepen. Met een stralende glimlach wekte ze onmiddellijk een schijn van vreugde, kuste Persephone vele keren, haar vele keren zuster noemend, klagend over de hardvochtige moeder die ervoor koos om zo’n schoonheid tot opsluiting te veroordelen en klagend dat door haar verbod over de omgang met de godinnen ze ver verwijderd was van de hemel van haar vader. In mijn onwetendheid verheugde ik mij in deze kwade woorden en liet een maaltijd met overvloedige nectar opdienen. Nu eens raakte ze Artemis’ armen en kleed aan en probeerde met zachte vingers haar boog. Dan weer bekroonde ze met paardenhaar haar helm, Athena prees haar, en drong er bij haar op aan om het enorme schild eens te proberen.’

3; 220-230
‘Met een slinkse suggestie noemde Aphrodite als eerste de velden en dalen van Henna. Geraffineerd bezong ze de dichtbij zijnde bloemrijke weiden, en alsof ze het niet wist, vroeg zij naar de bijzonderheden van die plek. Deed alsof ze niet geloofde dat een onschuldige winter de rozen toestond om te bloeien. Dat de koude maanden straalden van bloemen die niet in deze tijd hoorden te bloeien, en dat het struikgewas in de lente niet bang was voor Boötes wraak. Met haar verbazing, van hartstocht vervuld om de plek te zien, overtuigde ze zo Persephone. Ach, hoe gemakkelijk is de jeugd om de tuin te leiden! Hoeveel tranen heb ik nutteloos vergoten, hoeveel tevergeefse smeekbeden hebben mijn lippen niet geuit! Weg vloog ze, vertrouwend op de bescherming van haar zusters. Het verspreidde gezelschap van Nimfen volgden haar.’

3; 231-259
‘Zij gingen naar de met onsterfelijk gras bedekte heuvels en verzamelden bloemen onder de schemering van de dageraad, toen de stille weiden overdekt waren met dauw en de viooltjes het verspreide vocht dronken. Maar toen de zon in de middag haar hoogste punt had bereikt, zie! De hemel werd verborgen door de duistere nacht en het eiland schudde en trilde onder de paardenhoeven en het geratel van wielen. Niemand durfde te vertellen wie de wagenmenner was – de voorbode van de dood of de Dood zelf. Een somberheid verspreidde zich over de weiden, de rivieren stroomden niet meer, de velden verdorden, en leken niet meer te leven, wanneer zij waren aangeraakt door de adem van deze paarden. Ik zag de heggenrank verbleken, de rozen verwelken, de lelies verdorren. Toen de wagenmenner zijn paarden op hun denderende koers keerde hield de nacht hen gezelschap en kwam het licht terug op de wereld. Persephone was nergens meer te bekennen. Hun gelofte vervult, talmden de godinnen niet en keerden terug. We vonden Cyane halfdood in de velden. Daar lag ze, een bloemenkrans om haar nek en zwartgeblakerde kransen om haar hoofd. We gingen direct naar haar toe en ondervroegen haar naar over lot van haar meesteres, want zij was getuige geweest van de ramp. Wat, vroegen we, hoe zagen de paarden er uit, wie was de wagenmenner? Ze zei niets, maar geïnfecteerd door een of ander verborgen gif, loste op in water. Water kroop door haar haren, benen en armen smolten en vloeiden weg, en weldra stroomde er een helder beekje aan onze voeten. De rest was verdwenen. De Sirenen, Achelous’ dochters, op snelle vleugels wegvliegend, bezetten de kust van de Siciliaanse’ Pelorus, in woede over deze misdaad werden hun lieren nu het gereedschap tot vernietiging van de mens, als melodieus kwaad. Hun zoetgevooisde stemmen hielden schepen tegen, en als zij eenmaal het lied hadden gehoord konden de riemen niet meer bewegen. Ik ben als enige in het huis overgebleven om langdurige rouw naar buiten te slepen.’

Demeter vaart uit tegen de goden

3; 260-268
Demeter was nog steeds ten prooi aan angst. Radeloos vreesde zij alles alsof het allemaal nog niet was gebeurd. Ze wendt haar hoofd en ogen naar de hemel en vaart met razend hart uit tegen haar bewoners. Zoals de verheven Niphates beeft onder het gebrul van de Hyrische tijgerin wiens welpen door de doodsbange ruiter worden weggedragen om het speelgoed van de koning van Perzië te worden. Sneller dan de westenwind, die haar minnaar is , haast de tijgerin zich, woede vlamt van haar strepen, maar als ze op het punt staat om de doodsbange jager te grijpen met haar grote muil, wordt ze gestopt door het spiegelbeeld van haar eigen gedaante.

3; 269-291
Zo ging de moeder van Persephone tekeer tegen alle Olympiërs en riep: ‘Geef haar terug, ik ben geen kind van een reizende rivier. Ik ben niet ontsprongen aan het gespuis van de Dryaden. Hoogverheven Cybele baarde mij en Cronus was mijn vader. Waar zijn de verordeningen van de goden, waar zijn de wetten van de hemel? Wat baat het een vroom leven te leiden? Zie, Aphrodite durft het om haar gezicht te laten zien (zedige godin!) zelfs na haar Lemnische gevangenschap ! Komt het door kuise slaap en een liefdevol bed dat deze moed haar wordt vergund! Het is, denk ik, de beloning voor deze meisjesachtige omarmingen! Geen wonder dat zij na een dergelijke onbeschaamdheid zich niet schaamt. Jullie godinnen die het huwelijk niet kennen, negeren jullie zo het eervolle van maagdelijkheid? Hebben jullie je moraal zo veranderd? Hebben jullie je aangesloten bij Aphrodite en haar ontvoerende trawanten? Jullie zijn stuk voor stuk waardig om aanbeden te worden in naar menselijk bloed hunkerende Scythische tempels en altaren. Wat heeft zo’n grote woede veroorzaakt? Wie van jullie is onrecht aangedaan door een enkel woord van Persephone? Ongetwijfeld verdreef ze jullie, Delische godinnen, uit jullie lieflijke bossen, of ontnam ze je, Tritongeborene, een strijd waar je plezier in had. Heeft ze iemand van jullie geplaagd met woorden? Jullie dansen wreed verstoord? Nee, opdat ze geen last voor jullie zou zijn, woonde ze ver weg in eenzaamheid op Sicilië. Wat voor goeds heeft dit teruggetrokken leven haar gebracht? Geen vrede kan de waanzin van deze bittere jaloezie temperen.’

3; 292-310
Zo verweet ze hen allen. Maar zij, gehoorzaam aan het bevel van de Vader, zwegen of zeiden dat ze van niets wisten, en lieten tranen opwellen als antwoord op de vragen van de moeder. Wat kon ze doen? Ze hield op, verslagen, en veranderde van tactiek door nederig te smeken. ‘Als moederliefde te hoog oploopt of als ik iets brutaler ben geweest dan past bij deze bovenmaatse ellende, vergeef me! Als ellendige smekeling werp ik mij aan jullie voeten. Gun mij mijn lot te kennen. Gun mij tenminste dat – mijn ellende te kennen. Ik zou graag de oorzaak van deze ellende kennen, welk gebeuren jullie over mij gebracht hebben zodat ik rekening kan houden en weet hoe mijn lot te dragen, en niet met onrecht. Gun een ouder het aanzicht van haar kind, ik vraag haar niet terug. Wij jullie ook zijn, bezit in vrede wat jullie hebben genomen. De prooi is voor jullie, vrees niet. Maar als de ontvoerder mij heeft tegengewerkt, jou bindend door een eed, kun jij, Leto, mij zijn naam toch wel vertellen. Aan jou heeft Athena misschien haar kennis opgebiecht. Jij hebt kinderen gebaard, kent de angst en liefde om kinderen. Jij hebt twee kinderen het leven geschonken, dit was mijn enig kind. Zo mag jij altijd genieten van Apollo’s lokken, zo ben je een gelukkiger moeder dan ik.’

3; 311-331
Tranen stroomden overvloedig over haar wangen. Ze vervolgde: ‘Waarom deze tranen? Waarom deze stilte? Wee mij, iedereen heeft me verlaten. Waarom dralen jullie zo doelloos? Zien jullie niet dat er openlijk oorlog is met de hemel? Zou het niet beter zijn om jullie dochter te land en in de zee te zoeken? Ik zal mezelf vermannen en heel de wereld doorzoeken, onvermoeibaar zal ik in elke uithoek door dringen, ik zal niet rusten of slapen totdat ik mijn schat gevonden heb, hoewel ze misschien in het diepe bed van de Oceaan ligt of afgedekt in de diepten van de Rode Zee. Noch de bevroren Rijn of de vorst in de Alpen zullen mij tegenhouden, of de verraderlijke getijden van Syrte zullen me niet stoppen. Ik zal de sterktes van het zuiden binnendringen en het besneeuwde huis van Boreas in gaan. Ik zal de Atlas beklimmen en naar de rand van de zonsondergang gaan en Hydaspes’ rivier verlichten met mijn fakkels. Die verdorven Zeus zal mij zien zwerven door steden en landen, en Hera’s jaloezie zal bevredigd worden door de ondergang van haar concurrent. Geniet van de wedstrijd, triomfeer in de hemel, trotse goden, vier jullie illustere overwinning over Demeter’s overwonnen dochter. Zo sprak zij en ging de bekende hellingen van de Etna af, om daar de toortsen te maken die haar bij moesten lichten op haar nachtelijke zoektochten.

Demeter maakt fakkels/

3; 332-356
Er is een bos, dicht bij de rivier van Acis, waar de mooie Galatea vaak de voorkeur aan gaf in plaats van de oceaan om daar te zwemmen met haar sneeuwwitte borsten – een dicht bebladerd bos met ineen gegroeide takken vlak onder de top van de Etna. Er word verteld dat Zeus daar zijn bebloede schild en buit heeft neergelegd na het gevecht. De bosjes op de vlakte van Phlegra zijn beroemd om hun trofeeën en tekenen van de overwinning bekleden elke boom. Hier hangen de opengesperde muilen en monsterlijke huiden van de Giganten, aan de bomen opgehangen terwijl hun gezichten nog steeds verschrikkelijk dreigend kijken, terwijl overal de reusachtige botten van verslagen slangen opgestapeld liggen. Hun verstijfde afgestroopte slangenvellen roken nog na elke inslag van een bliksemschicht, en elke boom pocht over een illustere naam. De één draagt op zijn neerwaarts gebogen takken het naakte zwaard van de honderdarmige Aegaeon, dat straalt over de sombere trofeeën van Coeus, de ander draagt de wapens van Mimas, beroofde Ophion drukt zwaar op de takken. Maar een pijnboom torent hoog boven alle ander bomen uit, zijn beschaduwde takken strekken zich wijd uit, en dragen de stinkende armen van Enceladus zelf, oppermachtige koning van de aardgeboren Giganten. De zware last zou naar beneden gevallen zijn als een naburige eik zijn vermoeide last niet mede had ondersteund. Daarom ademt de wind op die plek ontzag en heiligheid uit. Niemand raakt het oeroude bos aan, en is het een misdaad om de trofeeën van de goden te schenden. Geen Cycloop durft daar zijn kudde te wieden of de bomen om te hakken, zelfs Polyphemus ontvlucht de heilige schaduwen.

3; 357-369
Maar Demeter stopte hierom niet. De zeer heilige plek liet haar woede ontvlammen, boos zwaaide ze haar bijl, klaar om Zeus zelf te slaan. Ze aarzelde of ze dennen of de kaarrechte ceders zou omhakken, bekeek aandachtig geschikte en lommerrijke bomen en schudde met krachtige hand hun takken. Net zoals wanneer een man, die graag handel wil drijven over verre zeeën, een schip op het droge land bouwt en zich klaar maakt om zijn leven in een storm te wagen, hij hakt beuk en els om en markeert verschillende bruikbare anderen in het nog groeiende bos. Hij kiest de hoogste boom als ra voor het bollende zeil, geeft de voorkeur aan de sterke voor het roer, de buigzame zullen goede riemen worden, de waterdichte zijn geschikt voor de kiel.

3; 370-391
Twee dichtbij in het gras staande cipressen hieven hun ongeschonden kruinen naar de hemel. Simoïs kent tussen zijn rotsen op de Ida niet zulke verbazingwekkende bomen, noch bevloeit het water van de Orontes hun gelijken, Orontes dat het bos van Apollo voedt en havens en rijke steden aan zijn oevers heeft. Ze zou denken dat het zusters zijn want ze zijn even hoog en kijken met hun dubbele toppen neer op het bos. Deze zou ze nemen als haar fakkels. Ze viel elk met krachtige slagen aan, haar kleed teruggeslagen, haar armen bloot en gewapend met de bijl. Eerst viel ze de een aan, toen de ander, en een regen van machtige slagen kwam neer op hun bevende stammen. Samen stortten zij neer op de grond, lieten hun bladeren in het stof vallen en lagen neer op de vlakte, bejammerd door Faunen en Boomnimfen. Ze greep beiden precies zoals ze er bij lagen, tilde hen op, met wapperende haren, beklom hijgend de hellingen van de berg, ging voorbij de vlammen en ontoegankelijke afgronden, en betrad de lava waarop geen sterfelijk wezen kon lopen. Net als de grimmige Megaera die zich haast om taxusbomen aan te steken om haar bij te lichten op weg naar de misdaad, zich haastend naar de muren van Cadmus’ stad of om haar duivelswerk te doen in het Thyestische Mycene, gaven de duisternis en de schaduwen haar doorgang, en de Onderwereld weerklonk onder haar ijzeren voetstappen, tot ze stopte naast Phlegethon’s golven om haar toortsen te ontsteken aan zijn gloeiendhete water.

3; 392-403
Toen ze naar de uitmonding van de brandende rots geklommen was, draaide zij onmiddellijk haar hoofd opzij, duwde de cipressen in de diepte om hen aan te steken, en sloot zo de grot aan alle kanten af en stopte de brandende uitstoot van de vlammen. De berg donderde door het bedwongen vuur en Hephaistus werd opgesloten in een pijnlijke gevangenis, de ingesloten rook kon niet ontsnappen. De kegeldragende toppen van de cipressen ontploften en de Etna groeide door nieuwe as, de takken knetterden, aangestoken met zwavel. Toen, uit vrees dat zij het tijdens de lange reis niet zouden volhouden, gebood ze de vlammen nooit te doven of te slapen en doordrenkte het hout met het geheime middel waarmee Phaëthon zijn paarden en de Maan haar stieren mee besprenkelde.

Demeter begint haar zoektocht

3; 404-427
De stille nacht bezocht nu op haar beurt de wereld om slaap te verspreiden. Demeter, met haar gewonde hart, begon aan haar lange reis, en, toen ze vertrok, sprak ze als volgt: ‘Ik had niet gedacht, Persephone, voor jou zulke fakkels te moeten dragen. Ik had gehoopt wat elke moeder hoopt, huwelijk, feestelijke fakkels en een huwelijkslied dat in de hemel gezongen zou worden – dat was mijn verwachting. Zijn wij godheden nu de speelbal van het lot? Laat Lachesis nu dezelfde zwaarmoedigheid op ons neerkomen als over de mensheid? Hoe verheven was mijn woning, omringd door talloze vrijers die om de hand van mijn dochter vroegen! Welke minderwaardige moeder van vele kinderen zou mijn enige dochter willen hebben! Je was mijn eerste en enige vreugde, ik werd vruchtbaar genoemd voordat ik jou baarde. Jij was mijn heerlijkheid, mijn troost, lief onderwerp van moederlijke trots. Met jou levend was ik inderdaad een godin, met jou levend was ik Hera’s gelijke. Nu ben ik een paria, tot de bedelstaf gedwongen. Het is de wil van Vader. Maar waarom is Zeus verantwoordelijk voor mijn tranen? Ik was het die jou zo wreed te gronde richtte, ik beken het, want ik liet je achteloos alleen en stelde je bloot aan bedreigende vijanden. Ik was te diep verstrikt in zorgeloos plezier van schelstemmige braspartijen, en, gelukkig tussen het lawaai van de wapens, ik mende Phrygische leeuwen terwijl jij werd ontvoerd. Maar kijk welke straf ik kreeg. Mijn gezicht is gebrandmerkt met wonden en lange schrammen kerfden mijn bloederige borst. Mijn schoot, vergeten dat ik je baarde, wordt gepijnigd door voortdurende slagen.’

3; 428-437
‘Waar onder de hemel moet ik je zoeken? Onder welk kwartier van de lucht? Wie zal de weg wijzen, welk pad moet ik gaan? Met welke wagen? Wie was die wrede ontvoerder? Een bewoner van de aarde of de zee? Welke sporen van zijn gevleugelde wagen kan ik ontdekken? Waar leiden mijn voeten of het toeval me heen, daar zal ik gaan. Zelfs Dione kan verlaten worden en op zoek gaan naar Aphrodite! Zal mijn zwoegen succesvol zijn? Zal ik ooit weer gezegend worden door jouw omhelzing, mijn dochter? Ben je nog steeds mooi, gloeit nog steeds de opgewektheid van je wangen? Of moet ik je misschien zien zoals je verscheen in mijn nachtelijke visioen, zoals ik je zag in mijn dromen?’

3; 438-448
Zo sprak ze en begon met slepende voeten de Etna af te dalen, en, zijn schuldige bloemen vervloekend vanwaar Persephone werd weggevoerd, de zwervende sporen van de wagenwielen volgend terwijl ze de velden in het volle licht van de fakkels onderzocht. Elk wagenspoor was nat van haar tranen, ze huilde bij elk spoor dat ze ontdekte tijdens haar omzwervingen over de vlakte. Als een schaduw gaat ze voort over de zee en de verre straling van haar fakkels raakt de kusten van Italië en Libië. De Toscaanse kust wordt helderder en de Syrte glanst met aangelichte golven. Het licht bereikt de verre grot van Scylla, waarvan enkele honden terugdeinzen en nog steeds stom verbaasd zijn, anderen, nog niet door stilte ontzet, blaffen nog steeds.

Het verhaal stopt hier onafgemaakt door de schrijver

© 2017 Maarten Hendriksz