Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Clement - (H)erkenningen

Bron: www.theoi.com

Ante-Nicene Library Volume 8. Translated by Smith, Rev. Thomas. T. en T. Clark, Edinburgh. 1867. Vertaald uit het Engels door Maarten Hendriksz.

Ik wenste dat heel gods volk profeten waren

10; 16
Maar toen ik op het punt stond om te spreken, wenkte Niceta naar mij, verbeten, om stil te zijn. Toen Petrus hem zag, zei hij: ‘Waarom zou je zijn liberale karakter en edele natuur onderdrukken, dat je hem het zwijgen oplegt ter mijner ere, welke niets waard is? Of weet je niet, dat alle landen, nadat zij over mij gehoord hebben dat ik de waarheid preek, en dat geloven, zichzelf zouden onderwijzen, en grotere glorie over mij zouden verzamelen, als jij inderdaad denkt dat ik naar roem verlang? Maar wat is er zo roemvol aan de discipelen die over Christus prediken, niet degenen die stil blijven, en alleen worden gered. En wie zal er spreken over wat hij geleerd heeft, en goed voor anderen zal zijn? Ik wens inderdaad dat jullie beiden, Niceta, en jij, Aquila geloven, die me steunt in het verkondigen van het woord van God, en liefst zo snel mogelijk vanwege de dingen waar de heidenen zich over vergissen en jullie zo goed bekend mee zijn. En niet alleen jij, maar allen die me aanhoren, ik wens, zoals ik heb gezegd, zo te luisteren en te leren, dat ook zij in staat zullen zijn om te onderwijzen. Want het woord heeft vele helpers nodig, waardoor de mensen teruggeroepen worden van hun fouten.’ Nadat hij zo tegen mij gesproken had, zei hij: ‘Ga dus verder, Clement, met wat je begonnen bent.’

Heidense kosmogonie

10; 17
En ik antwoordde direct: ‘Toen ik zag waarover je ruzie had in Tripolis, zoal ik al zei, en je een verhandeling over de goden van de heidenen hield die veel profijt en overtuiging opleverde, wilde ik in uw aanwezigheid de herkomst van hun belachelijke legenden uiteen te zetten, zowel omdat u niet onbekend bent met de onjuistheid van dit ijdele bijgeloof, en ook dat de aanhoorders die aanwezig waren het schandelijke karakter van hun fouten zouden inzien. De wijze mensen die onder de heidenen waren, zeiden dat Chaos er als eerste van alle dingen was. Dat deze, in de loop van een lange periode aan de buitengrenzen stolde, grenzen aan zichzelf stelde en een soort fundament om zich heen verzamelde, om het zo maar te zeggen, op de wijze van een groot ei, waar binnen, in de loop der tijd, zoals binnen de schaal van een ei, een bepaald dier tot leven wordt gewekt en gekoesterd. En dat daarna, nadat die enorme wereldbol was gebroken, een bepaald soort mens tevoorschijn kwam met een dubbel geslacht, die zij manvrouwelijk noemden. Die noemden zij Phanetas, van verschijning, omdat nadat het verscheen, zeggen zij, er ook licht scheen. En van deze, zeggen zij, werden substantie, voorzichtigheid, beweging en coïtus geproduceerd, en hiervan werden de hemel en de aarde gemaakt. Zij zeggen dat in de hemel zes mannen werden gemaakt die zij de Titanen noemen. En op dezelfde wijze op aarde zes vrouwen, die zij de Titaniden noemden. En dit zijn de namen van de mannen die uit de hemel voortkwamen: Oceanus, Coeus, Crius, Hyperion, Iapetus en Cronus, die onder ons Saturnus wordt genoemd. Op dezelfde wijze, de namen van de vrouwen die voortkwamen uit de aarde, zijn dit: Theia, Rhea, Themis, Mnemosyne, Tethys en Hebe (Phoebe).’

De familie van Cronus

10; 18
‘De mannen namen allen een vrouw, de eerstgeborene in de hemel de eerstgeborene op de aarde, de tweede nam de tweede, en de rest op dezelfde manier. De eerste man, die de eerste vrouw had getrouwd, werd vanwege haar naar beneden getrokken. Maar de tweede vrouw steeg omhoog, vanwege hem met wie ze was getrouwd. En zo, elk op volgorde, verbleven allen op hun plaatsen die hen waren toebedeeld door hun huwelijk. Uit hun geslachtsgemeenschap ontstonden vele anderen. Maar van deze zes mannen, degene die Cronus werd genoemd en Rhea als vrouw ontving, nadat hij door een zeker orakel gewaarschuwd was dat degene die uit haar geboren zou worden machtiger dan hijzelf zou zijn, en hem van zijn troon zou verdrijven, was vastbesloten om alle zoons die hij zou krijgen te verslinden. Als eerste kreeg hij een zoon die Aedoneus werd genoemd, en bij ons Orcus (Hades) heet. En hem, vanwege de reden die we zojuist genoemd hebben, nam hij op en verslond hij. Na hem kreeg hij een tweede zoon, Poseidon genaamd. En hem verslond hij op dezelfde wijze. Als laatste, kreeg hij degene die wij Jupiter noemen (Zeus). Maar zijn moeder Rhea had medelijden met hem, en trok hem met een list weg bij zijn vader toen deze op het punt stond om hem te verslinden. Daarop liet ze, opdat het gehuil van het kind niet opgemerkt zou worden, bepaalde Corybanten op bekkens en trommels slaan, zodat door het oorverdovende geluid het gehuil van het kind niet gehoord zou worden.’

Hun lot

10; 19
‘Maar hij begreep, toen haar buik was verdwenen, dat het kind was geboren en eiste dat hij hem mocht verslinden. Toen gaf Rhea hem een grote steen, en vertelde hem dat dit datgene was wat ze had gebaard. Hij greep die, slikte hem in, en de steen, toen deze werd verslonden, duwde en verdreef de zonen die hij eerder had ingeslikt weer naar buiten. Daarom bezet Orcus, die als eerste naar buiten kwam, en neerdaalde, de laagste, dat wil zeggen, de helse gebieden. De tweede, die bovenop hem lag en wij Poseidon noemen, werd de wateren toevertrouwd. De derde, die overleefde door de kunstgreep van zijn moeder Rhea, zette ze op een geit en stuurde hem naar de hemel.’

De daden van Zeus

10; 20
‘Maar genoeg gezegd over de fabels van oude vrouwen en genealogie van de heidenen. Want het zou eindeloos duren als ik alle generaties uiteenzet van diegenen die zij goden noemen, en hun goddeloze daden. Maar bij wijze van voorbeeld, met weglating van de rest, zal ik in detail de goddeloze daden van alleen hem vertellen die zij als de grootste en belangrijkste zien, en die ze Zeus noemen. Want ze zeggen dat hij de hemel bezit, en superieur is aan de rest. En, zodra hij volwassen was, trouwde hij met zijn eigen zuster, die zij Hera noemen, waardoor hij zich werkelijk op slag als een beest gedroeg. Hera baarde Hephaistus, zoals zij vertellen, maar Zeus was niet zijn vader. Maar, bij Zeus werd ze moeder van Medea (Hebe), en Zeus ontving de boodschap dat degene die uit haar geboren zou worden machtiger zou zijn dan hijzelf, hem uit zijn koninkrijk zou verdrijven, waarna hij het kind greep en verslond. Bovendien baarde Zeus Athena uit zijn hoofd, en Bacchus (Dionysus) uit zijn dijbeen. Hierna, toen hij verliefd was geworden op Thetis, wordt er verteld, toen Prometheus hem vertelde, wanneer hij met haar zou samenliggen, dat degene die zij zou baren, machtiger zou worden dan zijn vader. Uit angst hiervoor gaf hij haar als vrouw aan Peleus. Vervolgens had hij seks met Persephone, die zijn eigen dochter was bij Demeter, en werd vader van Dionysus, die aan stukken werd gescheurd door de Titanen. Maar zich herinnerend, zo wordt verteld, dat zijn eigen vader Cronus wellicht een andere zoon zou krijgen, die machtiger zou zijn dan hijzelf, en hem uit zijn koninkrijk zou verdrijven, trok hij ten strijde tegen zijn vader, en diens broers de Titanen. En nadat hij hen verslagen had, wierp hij uiteindelijk zijn vader in de onderwereld, sneed zijn geslachtsdelen af, en wierp die in zee. Maar het bloed dat uit de wond stroomde, vermengde zich met de golven, en veranderde in schuim door de voortdurende golfbewegingen, en bracht degene voort die we Aphrodite noemen, die wij zelf Venus noemen. Uit de omgang met haar die zijn eigen zus was, zeggen ze dat dezelfde Zeus vader van Cypris (Aphrodite) werd, die, zoals ze vertellen, de moeder van Eros was.’

Een zwarte catalogus

10; 21
‘Tot zover over zijn incest. Nu zal ik spreken over zijn overspelige daden. Hij verleidde Europa, de vrouw van Oceanus, waaruit Dodonaeus werd geboren. Helen, de vrouw van Pandion, baarde Musaeus. Eurynome, de vrouw van Asopus, beviel van Ogygius. Eurynome, De dochter van Oceanus, werd moeder van de Gratiën: Thalia, Euphrosyne en Aglaia. Themis, zijn eigen zuster, baarde de Horen: Eunomia, Dike en Irene. Themisto (Callisto), de dochter van Inachus, bracht Arcas voort. Idaea, de dochter van Minos, baarde Asterion. Phoenissa, de dochter van Alphion, werd moeder van Endymion. Io, de dochter van Inachus, beviel van Epaphus. Hippodamia en Isione, dochters van Danaüs, van wie Hippodamia de vrouw van Olenus was, en Isione van Orchomenus of van Chryses. Carme, de dochter van Phoenix, uit wie Britomartis werd geboren, welke een volgeling van Artemis was. Callisto, de dochter van Lycaon, baarde Arcas. Libya, de dochter van Munantius, werd moeder van Belus. Leto, van Apollo en Artemis. Leandia, de dochter van Eurymedon, van Coronia. Lysithea, de dochter van Evenus, baarde Helenus. Laodamia, de dochter van Bellerophon, beviel van Sarpedon. Megaclite, de dochter van Macarius, werd moeder van Thebe en Locrus. Niobe, de dochter van Phoroneus, baarde Argus en Pelasgus. Olympia, de dochter van Neoptolemus, werd moeder van Alexander. Pyrrha, de dochter van Epimetheus, baarde Helmetheus; bij Protogenia en Pandorra, dochters van Deucalion, verwekte hij Aethlius en Dorus, en Melera en Pandorus. Uit Thaicrucia, de dochter van Proteus, werd Nympheus geboren. Salamis, de dochter van Asopus, werd moeder van Saracon. Bij Taygete, Electra, Maia, Pluto, dochters van Atlas, verwekte hij respectievelijk Lacedaemon, Dardanus, Hermes, en Tantalus. Phthia, de dochter van Phoroneus, beviel van Achaeus. Clonia, de dochter van Aramnus, kreeg Lacon. Uit Chalcea, een nimf, werd Olympus geboren. Uit de nimf Chardia, Alcanus. Chloris, die de vrouw van Ampycus was, baarde Mopsus. Cotonia, de dochter van Lesbus, werd zwanger van Polymedes. Hippodamia, de dochter van Anchises. Chrysogenia, de dochter van Peneus, baarde Thissaeus.’

Laaghartige gedaanteveranderingen van Zeus

10; 22
‘Hij pleegde ook talloze keren overspel, die geen nakomelingen tot gevolg hadden, en te langdradig zijn om te noemen. Maar onder degenen die we genoemd hebben, schond hij sommigen door een gedaanteverandering, als een soort tovenaar. Kortom, hij verleidde Antiope, de dochter van Nycteus, toen hij veranderd was in een Sater, en bij haar verwekte hij Amphion en Zethus. Bij Alcmene, toen hij in de gedaante van haar man Amphitryon was veranderd, verwekte hij Heracles. Uit Aegina, de dochter van Asopus, toen hij de gedaante van een adelaar had aangenomen, kwam Aeacus voort. Zo bezoedelde hij ook Ganymedes, de zoon van Dardanus (Tros), toen hij veranderd was in een adelaar. Uit Manthea (Callisto), de dochter van Phocus, toen hij in een beer veranderd was, werd Arctus (Arcas) geboren. Danaë, de dochter van Acrisius, terwijl hij was veranderd in een gouden regen, beviel van Perseus. Europa, de dochter van Phoenix, terwijl hij was veranderd in een stier, baarde Minos, Rhadamanthys en Sarpedon. Eurymedusa, de dochter van Cletor, nadat hij was veranderd in een mier, baarde Myrmidon. Uit Thalia de nimf, nadat hij in een gier was veranderd, werden in Sicilië de Paliscenen geboren. Hij verleidde op Rhodos Imandra, de dochter van Geneanus, nadat hij in een regenbui was veranderd. Cassiopea, nadat hij in haar echtgenoot Phoenix was veranderd, werd zwanger van Anchinos. Leda, de dochter van Thestius, nadat hij in een zwaan veranderd was, werd zwanger van Helena. En daarna, maar nu veranderd in een ster, werd zij moeder van Castor en Polydeuces. Met Lamia bedreef hij de liefde toen hij veranderd was in een kievit. Mnemosyne werd moeder, nadat hij veranderd was in een herder, van de negen Muzen. In de gedaante van een gans bedreef hij de liefde met Nemesis. Semele, de dochter van Cadmus, nadat hij zich in vuur had veranderd, werd moeder van Dionysus. Zijn eigen dochter Persephone, die hij bij Demeter verwekt had, bezoedelde hij in de gedaante van een draak.’

Waarom een God?

10; 23
‘Hij pleegde ook overspel met Europa, de dochter van zijn eigen oom Oceanus, en met haar zuster Eurynome, en strafte hun vader. En hij pleegde overspel met Pluto, de dochter van zijn eigen zoon Atlas, en verdoemde Tantalus, die zij hem baarde. Bij Larisse, de dochter van Orchomenus, verwekte hij Tityon, die hij ook bestrafte. Hij schaakte Dia, de vrouw van zijn eigen zoon Ixion, en onderwierp hem aan een eeuwigdurende straf. En bijna alle zonen die uit zijn overspel voortkwamen bezorgde hij een gewelddadige dood. En de graven van hen allen zijn bijna allemaal bekend. Ja, het graf van deze vadermoord zelf, die zijn ooms vernietigde en hun vrouwen bezoedelde, die hoereerde met zijn zusters, deze tovenaar van vele gedaanteveranderingen, die door de Kretenzers getoond wordt, die, hoewel ze van zijn afschuwelijke en incestueuze daden weten en die erkennen, ze aan iedereen verkondigen, schamen zich niet om hem als een god te erkennen. Daarom is het voor mij niet te begrijpen, ja buitengewoon verwonderlijk, terwijl hij alle mensen in misdaden en goddeloosheid overtreft, dat hij die heilige en goede naam heeft verworven welke boven alle twijfel is verheven, en de vader van goden en mensen wordt genoemd. Tenzij diegene zich misschien verheugt in het kwaad der mensen en ongelukkige zielen heeft overgehaald om eer te bewijzen aan hem die hij bovenmatig ten opzichte van aanderen in misdaden zag uitblinken, waardoor hij hen misschien allemaal kon verlokken om zijn slechte daden te imiteren.’

Dwaasheid van het veelgodendom

10; 24
‘Maar ook de graven van zijn zoons, die deze heidenen als goden beschouwen, worden openlijk aangewezen, de een op de ene plek, en de anderen op andere plekken. Dat van Hermes in Hermopolis. Die van de Cyprische Aphrodite op Cyprus, die van Ares in Thracië, en van Dionysus in Thebe, waarover wordt verteld dat hij daar in stukken is gescheurd. Dat van Heracles in Tyre, waar hij door vuur is verbrand. Dat van Asclepius in Epidaurus. En over allen wordt gezegd, dat zij niet alleen als mensen zijn gestorven, maar als goddeloze mensen die voor hun misdaden zijn gestraft, en toch worden ze door dwaze mensen aanbeden als goden.’

Vergoddelijkte dode mensen

10; 25
‘Maar als zij een discussie aangaan, en bevestigen dat dit eerder de plaatsen van hun geboorte zijn dan hun begraafplaats, worden de vroegere en oude daden door diegenen die nog steeds ter plekke zijn veroordeeld, omdat we aangetoond hebben dat degenen die zij aanbidden, en waarover zij zelf zeggen dat dit mensen waren, gestorven zijn, of liever gezegd hun straf hebben ondergaan. Zoals de Syriërs Adonis aanbidden, en de Egyptenaren Osiris en de Trojanen Hector. Achilles wordt aanbeden in Leuconesus, Patroclus in Pontus, De Macedoniër Alexander op Rhodos. En vele anderen worden aanbeden, de een hier en de ander daar, waarover men niet twijfelt dat het dode mensen zijn. Waaruit volgt dat hun voorgangers ook, dezelfde fout makend, goddelijke eer verleenden aan dode mensen, die misschien een bepaalde macht of vaardigheid bezaten, en vooral als zij flegmatieke mannen hadden verdoofd met magische fantasieën.’

Gedaanteveranderingen

10; 26
‘Vandaar dat er nu aan toegevoegd is, dat dichters met elegante woorden de leugens en vergissingen vereren, en overtuigende zoetgevooisde redevoeringen houden dat stervelingen onsterfelijk zijn gemaakt. Ja, sterker nog, zij zeggen dat mensen in sterren zijn veranderd, en in bomen en dieren, en bloemen en vogels, en bronnen en rivieren. En opdat het misschien een verspilling van woorden lijkt te zijn, zou ik zelfs bijna alle sterren, bomen, bronnen en rivieren kunnen noemen, waarvan zij beweren dat die uit mensen zijn ontstaan. Maar, bij wijze van voorbeeld, zal ik tenminste één van elke soort noemen. Ze zeggen dat Andromeda, de dochter van Cepheus, in een ster is veranderd. Daphne, de dochter van de rivier Ladon, in een boom. Hyacinthus, geliefde van Apollo, in een bloem. Callisto in het sterrenbeeld dat zij Arctos noemen. Procne en Philomela, samen met Tereus in vogels. Dat Thisbe in Cilicia oploste in een fontein, en Pyramus, op dezelfde plek, in een rivier. En zij beweren dat bijna alle sterren, bomen, bronnen, en rivieren, bloemen, dieren en vogels, op een bepaald moment mensen zijn geweest.’

Tegenstrijdigheden van het veelgodendom

10; 27
Maar Petrus, toen hij dit hoorde, zei: ‘Dus volgens hen, voordat mensen in sterren werden veranderd, en de andere voorwerpen die je noemde, was de hemel zonder sterren, en de aarde zonder bomen en dieren. En er waren geen bronnen, noch rivieren of vogels. En hoe leefden die mensen dan, zonder al deze dingen, waar zij later in werden veranderd, want het is duidelijk, dat zonder deze zaken, mensen niet op de aarde konden leven?’ Toen antwoordde ik: ‘Maar ze zijn niet eens in staat om de verering van hun eigen goden consequent na te leven. Want elk van diegenen die zij aanbidden heeft iets dat aan zichzelf gewijd is, waarvan zijn aanbidders zich moeten onthouden. Zoals zij zeggen is de olijf gewijd aan Athena, de geit aan Zeus, zaden aan Demeter, wijn aan Dionysus, water aan Osiris, de ram aan Hammon, het hert aan Artemis, de vis en de duif aan de demon van de Syriërs, vuur aan Hephaistus. En aan elk van hen, zoals ik heb gezegd, is iets speciaals gewijd. Waar de aanbidders zich van moeten onthouden, voor de eer van hen aan wie ze zijn gewijd. Maar waar de een zich onthoudt van het ene ding, en een andere van het andere, door een van de goden te vereren, roepen zij de woede van heel de rest op. En daarom, als zij hen allemaal met elkaar in overeenstemming zouden brengen, en zij zich van alles moeten onthouden om hen allen te vereren, waardoor zij allen, zichzelf veroordelend door een rechtvaardige straf op de dag des oordeels, door een ellendige hongerdood zullen omkomen.’

Steunpilaren van beschaving

10; 28
‘Maar laten we terugkeren naar ons doel. Welke reden is er, of liever, welke waanzin heeft bezit genomen van de geesten der mensen, dat zij als een god aanbidden en verafgoden, een man die zij niet alleen kennen als goddeloos, verdorven, schendend – ik bedoel Zeus – incestueus, een vadermoordenaar en echtbreker, maar hem zelfs openlijk bezingen in hun liederen in de theaters? En als hij door deze daden het heeft verdiend om een god te zijn, dan nog, als zij over alle moorden horen, het overspel, de vadermoordende incestueuze personen, moeten zij hen als goden aanbidden. Maar ik begrijp niet waarom zij in hem datgene eren dat zij verafschuwen bij andere mensen.’ Toen antwoordde Petrus: ‘Omdat je vertelt dat je het niet kan begrijpen, luister dan naar mij waarom zij die slechtheid in hem vereren. In de eerste plaats, komt het, wanneer zijzelf zulke daden plegen, opdat zij zullen weten dat die aanvaardbaar voor hem zijn, omdat zij alleen maar zijn slechtheid hebben geïmiteerd. Op de tweede plaats, omdat de Ouden deze zaken bekwaam gecomponeerd hebben achtergelaten in hun geschriften, en elegant verwerkt in hun liederen. En daardoor, vanwege de steun aan het kinderonderwijs, omdat de kennis over deze zaken zich hecht aan hun gevoelige en eenvoudige geesten, kan het niet eenvoudigweg van hen losgescheurd en verworpen worden.’

Allegorieën

10; 29
Toen Petrus dit gezegd had, antwoordde Niceta: ‘Denk niet, mijn heer Petrus, dat deze geleerde mannen van de heidenen geen waarschijnlijke argumenten hebben, waarmee zij deze zaken ondersteunen die verwijtbaar en schandelijk lijken te zijn. En dit verklaar ik, niet om hun vergissingen te bevestigen (want het staat ver van mij dat zulke dingen ooit in mijn gedachten zullen opkomen), maar toch weet ik dat er bij de verstandigen onder hen bepaalde verweren leven, waardoor ze gewend zijn om deze dingen die absurd zijn kleur te geven en te ondersteunen. En al het u genoegen doet dat ik enkele van hen vertel omdat ik daar tot op zekere hoogte mee vertrouwd ben – zal ik dat doen als u mij dat opdraagt.’ Toen Petrus hem toestemming gaf, vertelde Niceta het volgende.

Kosmogonie van Orpheus

10; 30
‘Alle literatuur bij de Grieken die over het onderwerp van de oorsprong van de oudheid is geschreven, is gebaseerd op vele autoriteiten, maar in het bijzonder van twee, Orpheus en Hesiodus. Hun geschriften zijn verdeeld in twee delen, ten aanzien van hun bedoeling, dat zijn de prozaïsche en zinnebeeldige. En de gewone menigte heeft de prozaïsche omarmd, maar alle welsprekende filosofen en geleerde mensen bewonderden de zinnebeeldige. Het is Orpheus, die stelt dat er in eerste instantie Chaos was, eeuwig, grenzeloos, uit zichzelf ontstaan, en dat hieruit alle dingen ontstonden. Hij zegt dat deze Chaos noch donker of licht was, noch nat of droog, noch heet of koud, maar dat het al deze dingen door elkaar was, en altijd een ongevormde massa was. Maar op een gegeven moment, als het ware op de wijze van een reusachtig ei, bracht het uit zichzelf een bepaalde dubbele vorm voort, die was voortgekomen na een enorme tijdspanne, en die ze manvrouwelijk noemen, een vormvaste massa uit die tegenovergestelde vermenging van diversiteit. En dat dit de basis was van alle dingen, die van deze zuivere materie kwamen, en die, tevoorschijn komend, een scheiding van de vier elementen veroorzaakte, en de Hemel vervaardigde uit de twee elementen die er als eerste waren, vuur en lucht, en de Aarde van de andere, aarde en water. En hij zegt dat uit deze elementen alle dingen zijn geboren en voortgebracht door een wederzijdse vermenging. Tot zover Orpheus.’

Kosmogonie van Hesiodus

10; 31
‘Maar hier voegde Hesiodus aan toe, dat onmiddellijk na Chaos de Hemel en de Aarde werden gemaakt, van waaruit deze elf werden gemaakt (soms spreekt hij over twaalf van hen) waarvan hij zes mannen en vijf vrouwen maakt. En dit zijn de namen die hij geeft aan de mannen: Oceanus, Coeus, Crius, Hyperion, Iapetus en Cronus, die ook Saturnus wordt genoemd. De namen van de vrouwen zijn: Theia, Rhea, Themis, Mnemosyne en Tethys. En deze namen interpreteren zij op de volgende zinnebeeldige wijze. Ze zeggen dat het aantal elf of twaalf is. Dat de eerste de natuur zelf is, die ook zij de naam Rhea geven, van Vloeiend. En zij zeggen dat de andere tien haar bijkomstigheden zijn, die ze ook wel eigenschappen noemen. Maar ze voegden een twaalfde toe, namelijk Cronus, die bij ons Saturnus wordt genoemd, en hem stellen zij voor als de tijd. Daarom stellen zij dat Cronus en Rhea tijd en materie zijn. En zij, wanneer ze met vocht en droogte worden gemengd, hitte en koude, produceren alle dingen.’

Zinnebeeldige interpretatie

10; 32
‘Zij (Rhea, of de natuur) produceerde daarvoor als het ware, zo wordt verteld, een bepaalde bubbel die een lange periode alles verzamelde. En zij verzamelde geleidelijk de geest die in het water huisde, verzwolg die, en dreef geruime tijd over het oppervlak van de materie, waaruit het was voortgekomen als uit een baarmoeder, en verhardde door de intense kou, en nam almaar toe door de aangroeiing van ijs, brak uiteindelijk af en zonk in de diepte, en door het eigen gewicht neergetrokken, kwam het in de onderaardse gebieden. En omdat het onzichtbaar was werd het Aedoneus genoemd, maar heet ook Orcus of Hades. En omdat het tot zinken was gebracht vanuit de hemel naar de bodem, kwam er ruimte vrij voor de natte elementen om samen te stromen. En het grovere gedeelte, dat de aarde is, werd blootgelegd dor het terugtrekken van het water. Ze zeggen, daarom, dat deze vrijheid van het water, die vroeger werd tegengehouden door de aanwezigheid van de bubbel, Poseidon werd genoemd nadat de bubbel de laagste plek had bereikt. Daarna, toen het koude element naar de lagere gebieden was gezonken door de verharding van de ijzige bubbel, en de droge en natte elementen waren gescheiden, en er nu geen hinder meer van ondervond, kwam het warme element met kracht tevoorschijn en ging licht naar de bovenste lagen van de lucht, omhoog gedragen door wind en storm. Deze storm, die in het Grieks kataigin wordt genoemd, noemden zij Aegis – dat wil zeggen, geit. En het vuur, dat naar de bovenste regionen was opgestegen noemden zij Zeus. Daarom zeggen zij dat hij naar de Olympus opsteeg rijdend op een geit.’

Zinnebeeldige voorstelling van Zeus, enz.

10; 33
‘Deze Zeus noemen de Grieken nu de bron van het leven, of leven schenkend, maar onze mensen noemen die zo vanwege zijn hulp. Zij zeggen, dat dit daarom de levenschenkende substantie was, die, geplaatst in de bovenste regionen, alle dingen naar zijn voorbeeld maakte onder invloed van de warmte, en via zijn hoogverheven hoofd, dat dit schikte door een bepaalde vermenging te matigen, wordt gezegd dat wijsheid is voortgekomen, welke zij Athena noemen, die door de Grieken Athênê wordt genoemd vanwege haar onsterfelijkheid. Waarover, omdat de vader met zijn wijsheid alle dingen heeft geschapen, ook gezegd wordt dat zij uit zijn hoofd voortkwam, en uit die voornaamste plek, voorgesteld wordt als de hele wereld te hebben gevormd en verfraaid door de elementen op een gecontroleerde wijze te vermengen. Daarom wordt gezegd dat, de vormen die aan de materie werden meegegeven, opdat de wereld gemaakt kon worden, en deze beperkt werden door de kracht van de warmte, zij bijeen gehouden werden door de energie van Zeus. En omdat hier genoeg van was, en zij niets nieuws nodig hadden om er aan toe te voegen, maar elk ding hersteld werd door de productie van haar eigen zaad, waren de handen van Cronus door Zeus gebonden. Omdat, zoals ik al zei, de tijd niets nieuws uit de materie maakte. Maar de warmte van de zaden herstelde alle dingen naar hun aard. En er kwam geen nieuwe geboorte bij Rhea opzetten, dat wil zeggen, geen toename van de vloeiende materie. Daarom noemen zij de eerste scheiding van de elementen de verminking van Cronus, omdat hij geen wereld meer kon maken.’

Andere zinnebeeldige voorstellingen

10; 34
‘En van Aphrodite geven ze weer een zinnebeeldige voorstelling van dit effect. Toen de zee, zeggen zij, onder de hemel werd geplaatst, en de helderheid van de hemel zeer aangenaam straalde, weerspiegelend in het water, de lieflijkheid der dingen, die mooier verscheen uit het water, en Aphrodite werd genoemd. En zij, zo wordt verteld, verenigde zich met de lucht, haar eigen broer, om zo schoonheid te kunnen voortbrengen, die het object van verlangen zou worden, en Eros baarde. Op deze wijze, zoals we al zeiden, leerden zij dat Cronus, die Saturnus is, een zinnebeeldige voorstelling van tijd is en Rhea van materie. Aedoneus – dat wil zeggen, Hades – is de uitbeelding van de onderwereld. Poseidon van water en Zeus van lucht – dat wil zeggen, het element warmte. Aphrodite is de lieflijkheid der dingen. Eros is verlangen, dat in alles aanwezig is, en waardoor nageslacht wordt gewaarborgd, of zelfs de oorzaak van dingen, dat verrukking schept als er wijs naar wordt gekeken. Van Hera wordt gezegd dat zij de middelste luchtlaag is die uit de hemel neerdaalt op de aarde. Aan Dione, die zij Persephone noemen, gaven zij de lucht er onder. Ze zeggen dat Apollo de Zon is, die rond gaat in de hemel. Dat Hermes de spraak is, waardoor een reden wordt gegeven voor alles. Dat Ares ongebreideld vuur is, dat alle dingen verteert. Maar we zullen niet doorgaan met alles op te sommen, degenen die menen meer diepzinnige inlichtingen over zulke dingen te hebben denken dat zij eerlijke en goede redenen gaven, door het toepassen van zulke zinnebeeldige voorstellingen aan al diegenen die onderwerp zijn van aanbidding.’

Nutteloosheid van deze zinnebeelden

10; 35
Nadat Niceta zo gesproken had, antwoordde Aquila: ‘Wie deze gestoorde auteur en uitvinder van deze dingen ook was, hij lijkt mij zeer goddeloos te zijn geweest, omdat hij de dingen die zeer aangenaam en gepast waren bedekte, en het ritueel van zijn bijgeloof tot basale en onbeschaamde observaties maakte, aangezien deze dingen die werden opgeschreven volgens de overlevering in basis tamelijk onbehoorlijk zijn. En de naleving van hun geloof bestaat uit niets anders, dan deze misdaden en goddeloosheden aan de mensen te onderwijzen om zo hun goden te imiteren die zij vereren. Wat kunnen deze zinnebeelden hen voor voordeel opleveren? Want hoewel ze op fatsoenlijke wijze zijn opgezet, is er geen gebruik om te aanbidden van af te leiden, noch voor een aanpassing van de moraal.’

Zinnebeelden zijn bijzaak

10; 36
‘Daarom is het duidelijk dat voorzichtige mensen, wanneer die zeggen dat het gemeenschappelijke bijgeloof zo beschamend was, zo basaal, toch niet geleerd hebben om dit op enigerlei wijze te corrigeren, met enige kennis, en hebben getracht met enkele argumenten en interpretaties onbetamelijke dingen met onbetamelijke spraak te verdoezelen, en niet, zoals ze zeggen, met betamelijke redenen onder onbetamelijke fabels. Want als dit het geval was, zouden hun standbeelden en afbeeldingen zeker nooit gemaakt zijn met voorstellingen van hun ondeugden en misdaden. De zwaan, die overspel pleegde met Leda, zou niet weergegeven zijn, noch de stier die overspel pleegde met Europa. Noch zou hij in duizenden monsterlijke vormen veranderd zijn, hij die denkt beter te zijn dan iedereen. En voorwaar, als deze grote en wijze mannen die onder hen verkeerden wisten dat het allemaal verbeelding en niet de waarheid was, zouden zij dan degenen niet aanklagen met goddeloosheid en heiligschennis welke een afbeelding of beeldhouwwerk van dit soort zouden vertonen, tot schande van de goden? Kortom, laat ze een koning van hun tijd presenteren in de gedaante van een os, of een gans, of een mier, of een gier, en laat hen de naam van hun koning erop schrijven, en een dergelijk standbeeld neerzetten op een openbare plek, want zij zullen binnenkort gedwongen worden om het foute van hun daden in te zien, en de grootsheid van die straf.’

Zoals de goden, zo zijn de gelovigen

10; 37
‘Maar sinds die dingen enigszins waar zijn zoals de publieke vuigheid getuigt, en verdoezelingen zijn gezocht en gemaakt door voorzichtige mensen om hen te verontschuldigen tijdens passende redevoeringen, daarom zijn zij niet alleen verboden, maar zijn er zelfs mysterieuze figuren verzonnen zoals Cronus die zijn eigen zoons verslindt, en het lichaam dat verborgen wordt door bekkens en trommels van de Corybanten. En met betrekking tot de verminking van Uranus, welk beter bewijs van die waarheid kan er zijn, dan dat zijn aanbidders ook verminkt zijn, door een gelijksoortig ellendig lot, ter ere van hun god? Sindsdien worden deze zaken kennelijk waargenomen, wie heeft er zo weinig verstand, ja, van een dergelijke onaandoenlijkheid, dat hij niet ziet dat deze zaken betreffende de onfortuinlijke goden waar zijn, welke hun meer onfortuinlijke aanbidders getuigen door hun lichamen te verwonden en te verminken? Geschriften van de dichters 10; 38
‘Maar als, zoals men zegt, deze zaken, zo verdienstelijk en vroom uitgevoerd, worden toegediend door zulke schandelijke en goddeloze rituelen, is diegene zeker een heiligschenner, die als eerste deze zaken weergaf, en volhardde in de vervulling ervan, nu blijkt dat zij ongelukkig zijn weergegeven. En wat zullen we zeggen over de boeken van de dichters? Zouden ze ook niet, als zij de eerbare en goddelijke daden van de goden niet onteerd hebben met valse fabels, onmiddellijk in het vuur gesmeten moeten worden, dat zij niet mogen overtuigen over de nog steeds jonge leeftijd van jongens die Zeus, de baas van de goden, voorstellen als een vadermoordenaar, incestpleger met zijn zusters en dochters, en zelfs onzedelijk met jongens. Dat Aphrodite en Ares overspelplegers waren, en al die zaken die hierboven besproken zijn? Wat denkt u van deze zaken, mijn heer Petrus?’

Allemaal voor het goede doel

10; 39
Deze antwoordde: ‘Wees er zeker van, geliefde Aquila, dat al deze dingen zijn gebeurd vanwege de goede voorzienigheid van God, dat de oorzaak die in strijd is met de waarheid niet allen ziekelijk en zwak is, maar ook vals. Want als de foutieve bewering sterker is en meer waarheidlievend, zou iedereen die er door misleid is niet eenvoudig terugkeren op het pad der waarheid. Zelfs nu, terwijl zovele kwade en schandelijke zaken zijn gerelateerd aan de goden van de heidenen, zou dan iemand de basis vergissing laten varen, als er meer waarheidlievend in was voorgekomen? Want de geest wordt met moeite veranderd over deze zaken waarmee zij in hun jeugd zijn opgegroeid. En hierdoor, zoals ik al zei, het is gebeurd door goddelijke voorzienigheid, is de materie van vergissingen zowel zwak als vals. Maar alle andere dingen verdelen zijn gunstig voor de goddelijke voorzienigheid, hoewel de methode van goddelijke voorzienigheid, zo goed en best als mogelijk, niet helder is voor ons die onwetend zijn over de oorzaak van dingen.’

Meer informatie gevraagd

10; 40
Nadat Petrus dit had gezegd, vroeg ik, Clement, aan Nictea, dat hij ons ter lering, sommige zaken zou uitleggen met betrekking tot de zinnebeelden van de heidenen, die hij zorgvuldig had bestudeerd. ‘Want,’ zei ik, ‘het is nuttig dat wanneer wij dit met de heidenen bespreken, we niet onbekend zijn met deze zaken.’ Toen zei Niceta: ‘Als mijn heer Petrus mij toestaat, zal ik doen wat je mij vraagt.’ Toen zij Petrus: ‘Vandaag heb ik je verlof gegeven om te spreken ter verdediging van de heidenen, zoals je weet.’ En Niceta zei: ‘Vertel me dan, Clement, waar wil je dat ik over spreek.’ En ik zei tegen hem: ‘Informeer ons hoe de heidenen de zaken voorstellen betreffende de maaltijd van de goden, die zij hadden tijdens het huwelijk van Peleus en Thetis. Wat vonden zij van de herder Paris, en wat van Hera, Athena en Aphrodite, voor wie hij optrad als jury? Over Hermes, en over de appel, en de andere gebeurtenissen die er op volgden?’

Uitleg over de mythologie

10; 41
Niceta begon: ‘Het verhaal van het banket van de goden gaat als volgt. Ze zeggen dat het banket de wereld is, dat de volgorde waarin de goden aan tafel zitten de positie van de hemellichamen is. Degenen die Hesiodus de eerste kinderen van Hemel en Aarde noemt, waarvan er zes mannelijk waren en zes vrouwelijk, ze verwijzen naar het aantal van de twaalf tekens, welke rond de wereld draaien. Ze zeggen dat de gerechten van het banket de reden en oorzaak van alle dingen zijn, zoet en begeerlijk, die in de vorm van gevolgtrekkingen uit de posities van de tekens en de banen van de sterren, verklaren hoe de wereld wordt geregeerd en bestuurd. Maar ze zeggen dat deze dingen bestaan in overeenstemming met de vrije keuze van het banket, aangezien de geest van iedereen de keuze heeft of hij zal proeven van dit soort kennis, of dat hij zich zal onthouden. En net als tijdens het banket wordt niemand gedwongen, maar staat het iedereen vrij om te eten, zo is ook de manier van filosoferen afhankelijk van de keuzes van de geest. Ze zeggen dat tweedracht de begeerte van het vlees is, die oprijst tegen de doelstellingen van de geest, en de wens om te filosoferen belemmert. En daarom zeggen ze dat dit het moment was waarop het huwelijk werd gevierd. Dus maken ze Peleus en de nimf Thetis tot het droge en natte element, want uit dit mengsel is de materie van de lichamen samengesteld. Ze houden Hermes voor de spraak, waardoor opdrachten worden overgebracht naar de geest. Hera is kuisheid, Athena moed, Aphrodite lust en Paris het inzicht. Als het daarom, zeggen zij, gebeurt dat er een barbaars en woest begrip is in een man, niet bekend met het recht, zal hij kuisheid en moed verachten, en de prijs, die de appel is, aan lust schenken. En bovendien, vernietiging en verwoesting staan niet op zich, ook aan zijn landgenoten en het hele ras. Daarom ligt het binnen hun vermogen om, wat zij maar wensen, deze dingen uit materie samen te stellen. Maar zij kunnen aangepast worden aan iedere man. Omdat wanneer iemand een landelijk, boers en onbebouwd begrip heeft, en niet onderwezen wenst te worden, wanneer de hitte van zijn lichaam suggesties doet met betrekking tot genotvol plezier, veracht hij onmiddellijk de deugden van studies en de zegeningen van kennis, en keert zijn hoofd naar lichamelijk plezier. En dus is het onvermijdelijk dat er oorlogen ontstaan, steden worden vernietigd, landen vallen, zelfs als Paris, door de schaking van Helena, de Grieken en barbaren te wapen riep tot hun wederzijdse vernietiging.’

© 2017 Maarten Hendriksz