Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Clement - Vermaningen

Bron: www.theoi.com

Translated by Butterworth, G W. Loeb Classical Library Volume 92. Cambridge, MA. Harvard Universrity Press. 1919. Vertaald naar het Nederlands door Maarten Hendriksz, 2016.

Boek 1

Amphion en Arion

1; 1
Amphion van Thebe en Arion van Methymna waren zangers. Beiden worden gevierd in legenden, en tot aan de dag van vandaag wordt het verhaal bezongen door een koor van Grieken hoe hun muzikale vaardigheden, de ene vissen lokte en de ander de muren van Thebe bouwde. Daar leefde ook een Thracische wijze (Orpheus), - zo vertelt een andere Griekse legende, - die gewoon was om wilde dieren te temmen met slechts zijn lied, ja, bomen verplaatste, eiken, door muziek.

Eunomus en de sprinkhaan

1; 2
Ik kan je ook een andere legende vertellen over een andere zanger, verwant aan hen, namelijk Eunomus de Locriër en de Pythische sprinkhaan. Een plechtige bijeenkomst van Grieken, gehouden ter ere van een dode slang, werd gehouden in Pytho, en Eunomus zong een klaagzang voor de slang. Of zijn lied een hymne ter ere van de slang was, of een begrafenislied, kan ik niet zeggen. Maar er was een wedstrijd, en Eunomus speelde op de op de lier tijdens de hitte van de dag, op de tijd dat sprinkhanen, opgewarmd door de zon, aan het zingen waren onder de bladeren bij de heuvels. Zij zongen, zie je, niet tot de dode slang van Pytho, maar tot de alwetende god, een spontaan natuurlijk lied, beter dan de ceremoniële snaren van Eunomus. Een snaar breekt in Locrische handen. De sprinkhaan gaat op de steel van de lier zitten en begint te twitteren alsof hij op een tak zit, waarop de zanger, door zijn muziek aan te passen aan het lied van de sprinkhaan, voorzag op de plek van de missende snaar. Het was dus niet Eunomus die de sprinkhaan naar zijn lied trok, zoals de legende het wilde, toen hij het bronzen beeld in Pytho oprichtte, Eunomus tonend met zijn lier, en zijn bondgenoot in de wedstrijd. Nee, de sprinkhaan vloog uit eigen beweging, en zong zijn eigen lied, hoewel de Grieken dachten dat deze reageerde op de muziek.

Tirade tegen de legenden

1; 3
Hoe ter wereld is het mogelijk dat je deze waardeloze legenden gelooft, denkend dat wrede beesten worden betoverd door muziek, terwijl het heldere gezicht van de waarheid je als bedrieglijk lijkt over te komen, en met ongelovige ogen wordt beschouwd? Cithaeron (heilig voor Zeus), en Helicon (van de Muzen), en de bergen van Odyrsië en Thracië (van Dionysus), tempels van inwijding die zich vergissen, en heilig worden gewaand voor de dienaren van de Mysteriën, en worden gevierd in hymnen. Wat mij betreft, slechts een legende hoewel ze bestaan, ik kan de gedachte niet verdragen van al die calamiteiten die in tragediën zijn verwerkt. Maar in jouw handen zijn de verhalen van dit kwaad tot drama’s geworden, en het schouwspel dat de acteurs in de drama’s leveren verheugen jouw hart. Maar wat de drama’s en de Lenaeaanse dichters betreft, die één grote dronken bende zijn, laten we hen bekransen, als je wilt met klimop, terwijl zij de dwaze zwelgpartijen uitvoeren van de Bacchantische riten, en ze dan opsluiten, Saters en waanzinnige bende bij elkaar, - ja, en de rest van de groep demonen ook, - in Helicon en Cithaeron waar zij oud kunnen worden. En laat ons de waarheid boven tafel brengen, met wijsheid in al haar helderheid, uit de hemel boven ons, naar de heilige berg van god en de hele groep van de profeten. Laat Waarheid, haar stralen van licht uitzendend naar de verste uithoeken, overal schijnend op diegenen die zwelgen in de duisternis, en mensen van hun dwaling bevrijden, haar hoge rechterhand uitstrekkend, zelfs begrijpend, om hen te wijzen op hun redding. En als zij hun hoofden hebben opgeheven om omhoog te kijken laat ze dan de Helicon en Cithaeron verzaken om in Sion te wonen. ‘Want vanuit Sion zal de wet komen, en het Woord van de Heer uit Jeruzalem,’ dat wil zeggen, het hemelse Woord, de ware kampioen, die gekroond is op het podium van de hele wereld. Ja, en deze Eunomus van mij zingt niet de over de melodie van Terpander of van Capio, noch op de Phrygische of Lydische of Dorische wijze. Maar de nieuwe muziek, met zijn eeuwige melodie dat de naam van god draagt. Dit is het nieuwe lied, het lied van Mozes, verzachter van verdriet en woede, die alle ziekten gebiedt om te worden vergeten (Odyssee 4.221. Er is een zoet en echt medicijn van overreding vermengd met dit lied.

Vermaningen

1; 4
Naar mijn mening, zijn daarom onze Thraciër, Orpheus, en de Thebaan evenals de twee uit Methymna, niet waardig aan de naam mens, omdat het bedriegers waren. Onder de mom van muziek hebben zij het menselijke leven geweld aangedaan, beïnvloedt door demonen, en wat handige tovenarij, hebben zij de vernietiging van de mens tot stand gebracht. Door daden van geweld te herdenken in hun godsdienstige riten, en door verhalen van verdriet in aanbidding te veranderen, waren zij de eersten om de mensen naar aanbidding te leiden. Ja, en met bomen en stenen, dat wil zeggen, beelden en tekeningen, om aan hun stomme gewoontes te bouwen. Door hun gezangen en bezweringen werden ze gevangen gehouden in de laagste vorm van slavernij, die werkelijk nobele vrijheid welke toebehoort aan hen die burgers onder de hemel zijn.

Maar mijn zanger is duidelijk anders, want Hij is gekomen om snel een eind te maken aan de bittere slavernij onder de demonen die over ons heersen. En door ons terug te leiden naar het milde en vriendelijke juk van vroomheid roept Hij diegenen opnieuw naar de hemel welke in het verleden zijn neergeworpen op de aarde. Hij is uiteindelijk de enige die ooit de meest wilde van alle wilde beesten temde – mensen: want hij temde vogels, dat wil zeggen, lichtzinnige mensen. Slangen, dat wil zeggen, sluwe mensen. Leeuwen, dat wil zeggen gepassioneerde mensen. Zwijnen, dat wil zeggen plezier liefhebbende mensen. Wolven, dat wil zeggen, roofzuchtige mensen. Mensen zonder begrip zijn bomen en stenen. Een man doordrenkt met onwetendheid is inderdaad nog zinlozer dan stenen ...

De rest van hoofdstuk 1, een zuiver Christelijke vermaning, is weggelaten.

Hoofdstuk 2

Valse heiligdommen

2; 1
Zoek daarom niet zorgvuldig naar goddeloze heiligdommen, noch naar ingangen van grotten vol bedriegerij (orakel van Trophonius), of de Thesprotische ketel, of de Cirrhaeaanse drievoet (orakel van Apollo), of het Dodoniaanse grote ketel (orakel van Zeus). Zoals de oude stomp wordt geëerd door het zand van de woestijn (orakel van Zeus Ammon), en het orakelende heiligdom met de eik daar in verval komt, verban die twee dan naar het gebied van de legenden die nu in vergetelheid raken. De Castaliaanse bron (van Delphi), is althans stil. Zo ook de bron van Colophon. En de rest van de voorspellende bronnen zijn eveneens dood. Ontdaan van hun absurde pretenties, hoewel niet te vroeg, zijn zij uiteindelijk waarlijk blootgelegd. Het water is opgedroogd gelijk met de legenden die met hen waren verbonden. Vertel mij de volkomen vergeefse uitlatingen van die andere vorm van voorspelling, - ik kan beter zeggen hallucinatie, - de orakels van Apollo, Clarios, Pythia en Didyme, en die van Amphiaraüs en Amphilochus.

En, als je wil, wijdt je dan eveneens aan de vernietiging van de waarzeggers, voorspellers en de vertalers van dromen. En tegelijkertijd, pak en zet naast de Pythische Apollo diegenen die goddelijk zijn door meel, en gerst, en de buiksprekers (degenen die simuleren met de stem van de geesten te spreken) die nog steeds in ere worden gehouden door de menigte. Ja, en laat de heiligdommen van Egypte en de Toscaanse orakels van de doden aan de duisternis uitgeleverd worden. Het zijn naar waarheid huizen van hallucinatie, deze scholen van drogredenen voor ongelovige mensen, deze gokhuizen van pure misleiding. Partners in deze zaken van bedrog zijn geiten, opgeleid voor waarzeggerij, en raven, door mensen onderwezen om met een orakel antwoorden te geven aan mensen.

De Bacchananten

2; 2
Maar wat als ik al deze geheimen aan je zou vertellen? Ik zal er geen klucht van maken, zoals men zegt dat Alcibiades heeft gedaan, maar ze grondig blootleggen, in overeenstemming met de echte waarheid, en het bedrog dat zij verbergen. En wat uw zogenaamde goden betreft, aan wie de mystieke riten behoren, die zal ik als het ware tentoonstellen het toneel des levens, voor de toeschouwers van de waarheid. De tierende Dionysus wordt door Bacchananten aanbeden met orgieën, waarin zij hun razernij vieren met een feest van rauw vlees. Omkranst met slangen, beelden zij de verdeling van delen van hun slachtoffers uit, de naam van Eva schreeuwend, de Eva die door een fout ter wereld kwam (de Bacchananten schreeuwen euai dat gelijkgesteld wordt met de bijbelse Eva). En een gewijde slang is het embleem van de Bacchante orgieën. In ieder geval, volgens de correcte Hebreeuwse spraak, betekent het woord ‘hevia’ met eerzucht de vrouwelijke slang. Demeter en Persephone zijn het onderwerp van een mystiek drama geworden, en Eleusis viert met fakkels de schaking van de dochter en de treurige zwerftocht van de moeder.

Orgieën en mysteriën

2; 3
Nu lijkt het me dat de termen ‘orgie’ en ‘mysterie’ moeten worden afgeleid, de eerste vorm van de woede (orge) van Demeter tegen Zeus, en de laatste van de vervuiling (mysos) die plaatsvond in relatie met Dionysus. Maar als zij zijn vernoemd naar een zekere Myus uit Attica, die volgens Apollodorus werd gedood tijdens de jacht, maak ik geen bezwaar. Uw mysteriën hebben de roem van begrafenissen gekregen! Je kunt ze ook, op een andere wijze, voorstellen als jachtverhalen (mytheria), aangezien de letters overeenstemmen. Want zo zeker als er mannen zijn die op wilde dieren jagen, zo zijn jachtlegenden als deze de grofste onder de Thraciërs, de domste onder de Phrygiërs, en de geestenvrezende onder de Grieken. Een vloek dan voor de man die met het bedrog voor de mensheid begon, of het nu Dardanus is, die de mysteriën van de Moeder der Goden introduceerde.

Of Eëtion, die de Samothraceaanse orgiën en riten introduceerde. Of de Phrygische Midas, die het kunstige bedrog van Odrysus leerde en vervolgens doorgaf aan zijn onderdanen. Maar ik zal nooit worden misleid door de beweringen van de eilander Cinyras, van Cyprus, die het lef had om de wellustige orgieën van Aphrodite van de nacht naar de dag te brengen, in zijn ambitie om een straatmeid te vergoddelijken in zijn eigen land. Anderen vertellen dat het Melampus, de zoon van Amythaon, was die vanuit Egypte de festivals van Demeter naar Griekenland bracht, dat wil zeggen, het verhaal van haar verdriet dat werd gevierd in lofzangen. Deze mensen zou ik wat mij aangaat de bedenkers van onheil noemen, ouders van goddeloze legenden en dodelijke geestenverering, ziende dat zij de mysteriën in het menselijke leven implanteerden om daar het zaad van kwaad en corruptie te worden.

Aphrodite

2; 4
Maar nu, (en het is hoog tijd ook,) zal ik je orgieën veroordelen die overlopen van misleiding en bedriegerij, en als je een ingewijde bent zul je des te meer glimlachen over deze legenden die je gewend bent om te vereren. Ik zal openlijk spreken over de geheime zaken, en zal niet terugdeinzen om te spreken over datgene waar je niet beschaamd over bent om te vereren. Zo is daar de ‘schuimgeborene’ of ‘Cyprusgeborene’ godin, de lieveling van Cinyras. Ik bedoel Aphrodite, die de naam Philomedes ontving omdat ze werd geboren uit medea, de wellustige lichaamsdelen die van Uranus werden afgesneden en na de scheiding geweld in de golven veroorzaakte. Kijk hoe onzedelijk de lichaamsdelen zijn van iemand van zo’n waardige afkomst! En in de riten waarin zij dit genot van de zee vieren, als een symbool van haar geboorte, wordt als geschenk een zoute koek en een fallus gegeven aan diegenen die ingewijd zijn in de kunst van ontucht. En de ingewijden brengen met een munt hun eerbetoon aan de godin, zoals minnaars doen bij hun minnares.

De mysteriën van Demeter

2; 5
De mysteriën van Demeter herdenken de amoureuze omarmingen van Zeus met zijn moeder Demeter, en de woede van Demeter (ik weet niet hoe ik haar in de toekomst moet noemen, moeder of vrouw) op grond waarvan ze, zo wordt verteld, de naam Brimo ontving (De Verschrikkelijke)., en ook de smeekbeden van Zeus, het drinken van gal, het uitrukken van harten van slachtoffers, en onuitsprekelijke obsceniteiten. Dezelfde riten worden uitgevoerd ter ere van Attis en Cybele en de Corybanten door de Phrygiërs, die in het buitenland invoerden hoe Zeus de testikels van een ram afscheurde, en ze vervolgens naar Demeter bracht en midden in haar schoot smeet, aldus een schaamtevolle boete doend voor zijn gewelddadige omarming door zo te pretenderen dat hij zichzelf verminkt had. Als ik verder ga om de symbolen van inwijding in dit mysterie op te noemen zullen zij, dat weet ik, je aan het lachen brengen, ook al ben je niet in een vrolijke bui omdat je rituelen worden blootgelegd. ‘Ik at uit de trommel, ik dronk uit het bekken, ik droeg de heilige schaal, ik verwierf het bruidsvertrek’ (Phrygische spreuk). Zijn deze symbolen geen schande? Zijn deze mysteriën geen aanfluiting?

Zeus en Demeter

2; 6
Maar wat als ik de rest van het verhaal vertel? Demeter werd zwanger en het Meisje groeide op. En deze Zeus die haar verwekte had weer gemeenschap met haar, deze keer met Persephone zelf, zijn eigen dochter, na zijn vereniging met haar moeder Demeter. Totaal voorbijgaand aan zijn vorige wandaad werd Zeus zowel de schaker als de vader van het meisje, haar ontmoetend in de gedaante van een slang, zijn ware aard aldus onthullend. In ieder geval, tijdens de Sabazische mysteriën wordt aan degenen die worden ingewijd het volgende teken gegeven; ‘De god over de beesten’. Dit is een slang die op de borst van de volgelingen wordt getekend, een bewijs over de losbandigheid van Zeus. Persephone droeg ook een kind, dat de gedaante van een stier had. Als bewijs hiervoor, is ons door bepaalde mythologische dichters verteld dat ‘De stier een slang verwekte, de slang een stier’. In de heuvels draagt de herder zijn mystieke prikstok, - deze prikstok van de herder, denk ik, is de naam van de stok die de Bacchananten vlechten.

Persephone en Hades

2; 7
Wil je dat ik ook het verhaal vertel van Persephone die bloemen ging plukken, met haar mand, en hoe ze door Hades werd gegrepen, van de spleet die in de aarde open ging, en over het varken van Eubulus die werd verzwolgen samen met de twee godheden, en dat dit de oorzaak is van de gewoonte om varkens in de heilige grotten te smijten tijdens het festival van de Thesmophoriën? Dit is het verhaal dat de vrouwen vieren tijdens hun verschillende feesten in de stad, Thesmophoria, Scirophoria en Arretophoria, waarin zij op verschillende manieren de tragedie over de schaking van Persephone uitbeelden.

Dionysus

2; 8
De mysteriën van Dionysus (Zagreus) hebben een volledig woest karakter. Hij was nog een kind, en de Cureten dansten met oorlogszuchtige bewegingen om hem heen, toen de Titanen stiekem naderden. Zij verleidden hem eerst met kinderspeelgoed, en toen – deze Titanen – scheurden zij hem aan stukken, hoewel het nog maar een kind was. Orpheus van Thracië, de dichter van de inwijding, spreekt over de ‘Tol, bewegingen en al het speelgoed, met prachtige vruchten van goud van de zoetgevooisde Hesperiden’. En het is de moeite waard om voor jou die waardeloze symbolen te citeren van deze riten om je veroordeling op te wekken: het knokkelbeen, de bal, de draaiende tol, appels, het wiel, de spiegel en de schapenvacht!

Athena ging aan de haal met het hart van Dionysus, en kreeg de naam Pallas vanwege het kloppen er van (pallein). Maar de Titanen, zij die hem aan stukken scheurden, hingen een ketel aan een drievoet, en smeten de ledematen van Dionysus er in en kookte die. Toen, ze aan een spies stekend, ‘hielden zij die boven Hephaestus’ (d.w.z. boven het vuur). Later verscheen Zeus. Misschien, omdat hij een god was, omdat hij de stoom rook van het vlees dat kookte, waarover jouw goden erkenden dat zij ‘hun deel ontvingen’. Hij kwelde de Titanen met donder, en vertrouwde de ledematen van Dionysus toe aan zijn zoon Apollo om te begraven. Gehoorzaam aan Zeus, droeg Apollo het verminkte lichaam naar de Parnassus en lag het daar ter ruste.

De Corybanten

2; 9
Als je ook een visie over de orgiën van de Corybanten wilt horen, dit is het verhaal. Twee van de Corybanten doodden een derde, die hun broer was, en bedekten het hoofd van het lijk onder een paarse mantel, waarna zij dat omkransten en begroeven, nadat zij het op een bronzen schild naar de voet van de berg Olympus hadden gedragen. Hier zien we wat de mysteriën zijn, in één woord, moorden en begrafenissen! De priesters van deze mysteriën, diegenen die in hen geïnteresseerd zijn noemen hen ‘Voorzitters van de koningsriten,’ voegen een voorteken toe aan dit sombere verhaal. Zij verbieden dat wilde selderij, met wortel en al, op tafel wordt geplaatst, want zij geloven werkelijk dat wilde selderij groeit uit het bloed dat uit de vermoorde broer stroomde.

Eenzelfde gewoonte, uiteraard, wordt waargenomen bij de vrouwen die de Thesmophoria vieren. Zij letten er zeer zorgvuldig op om geen zaden van de granaatappels die op de grond zijn gevallen te eten, omdat zij van mening zijn dat granaatappels zijn voortgekomen uit de bloeddruppels van Dionysus. De Corybanten worden Cabeiri genoemd, die de rite van de Cabeiri verkondigen. Want door deze broedermoorden kwamen zij in het bezit van de kist waarin de mannelijke geslachtsdelen van Dionysus waren gedeponeerd, en brachten die naar Tyrrhenië (Lemnos), handelaars in roemrijke goederen! Daar bleven zij, ballingen, en verkondigden hun kostbare leer van vroomheid, en toonden de geslachtsdelen en de kist, in Tyrrhenië, tijdens erediensten. Om deze reden wensten sommigen Dionysus, logisch genoeg, Attis te noemen, omdat hij verminkt was.

De mysteriën van Demeter

2; 10
Maar hoe bestaat het dat de Tyrrheniërs, die barbaren zijn, zo gewijd zijn aan zulke vuige hartstochten terwijl de Atheners en de rest van Griekenland - ik schaam mij om er zelfs maar over te spreken – dat schaamtevolle verhaal over Demeter bezitten? Het verhaalt hoe Demeter, zwervend door Eleusis, dat een deel van Attica is, op zoek naar haar maagdelijke dochter, uitgeput raakt en in grote nood bij een bron gaat zitten. Dit vertoon van verdriet is verboden, tot aan de dag van vandaag, voor degenen die ingewijd zijn, uit vrees dat de gelovigen zullen denken dat zij de godin in haar verdriet imiteren.

In die tijd werd Eleusis bewoond door oorspronkelijke bewoners, wier namen Baubo, Dysaules, Triptolemus, en ook Eumolpus en Eubulus heetten. Triptolemus was een veehoeder, Eumolpus een schaapsherder, en Eubulus een varkenshoeder. Dit waren de stamvaders van de Eumolpiaden en van de Heracliden, die de priesterlijke stam vormden in Athene. Maar we gaan verder met het verhaal, want ik ben niet bang om de rest van het verhaal te vertellen. Baubo bood haar, nadat zij Demeter als gast had ontvangen, een maaltijd met wijn aan. Ze weigerde die aan te nemen, niet bereid om te drinken vanwege haar rouw. Baubo was diep gekwetst, dacht dat zij werd geminacht, en ontblootte daarop haar geheime delen en toonde die aan de godin.

Demeter fleurde op bij het aanzien, en nam de maaltijd nu wel in ontvangst, - verheugd over het spektakel! Dit zijn de geheime mysteriën van de Atheners! Dit zijn ook de onderwerpen in Orpheus’ gedichten. Het laat je de regels van Orpheus citeren, opdat je schepper van de mysteriën als getuige van hun schaamteloosheid kent. Dit gezegd hebbende, schoof ze haar mantel opzij, en toonde haar intieme delen. Het kind Iacchus was daar aanwezig, en schoof lachend, zijn hand onder haar borsten. Toen glimlachte de godin, haar hart glimlachte, en dronk de versnapering uit de glimmende beker.

2; 11
En de formule van de Eleusische mysteriën luidt als volgt: ‘Ik vastte. Ik dronk het vocht. Ik nam van de borst. Mijn taak uitgevoerd hebbend, deed ik het in de mand, en uit de mand in de borst.’ Inderdaad een prachtige bezienswaardigheid, en passend bij een godin! Ja, zulke riten zijn passend voor de nacht en toortsvuren, en voor de ‘ruimhartigen’ – ik zou liever zeggen leeghoofdigen – mensen van de Erechthedianen, inclusief de rest van de Grieken, ‘die na de dood zulke zaken verwachten die zij niet verdienen.’ Tegen wie sprak Heracleitus van Ephesus zijn profetie? Tegen ‘nachtbrakers, tovenaars, Bacchananten, Lenaeaanse feestvierders en aanhangers van de mysteriën.’ Dit zijn de mensen die hij dreigt met straffen die de dood tot gevolg hebben. Aan het voorspelt hij het vuur. ‘Want ze worden op een heidense manier ingewijd in de mysteriën die onder hen gebruikelijk zijn’.

2; 12
De mysteriën, zijn meer gewoonte dan overtuiging, en het is een bedrog van de slang die mensen aanbidden, met valse vroomheid, wanneer zij zich wenden naar deze heilige inwijdingen die in werkelijkheid ontheiligingen zijn, en plechtige riten die geen enkele vorm van heiligheid vertonen. Denk ook na over de inhoud van de mystieke kisten. Want ik moet hun heilige voorwerpen onthullen en het onuitsprekelijke vertellen. Want zijn het geen sesamkoeken, piramide en bolvormige koeken, koeken met veel pitten, ook ballen van zout en een slang, het mystieke teken van Dionysus Bassareus? Zijn het ook geen granaatappels, vijgentakken, venkelstengels, klimopbladeren, ronde koeken en papavers? Zijn dit hun heilige voorwerpen? Daarnaast zijn er onuitsprekelijke symbolen van Ge Themis, marjolein, een lamp, een zwaard, en een vrouwenkam, welke de eufemistische uitdrukking is die wordt gebruikt voor de intieme delen van een vrouw.

Wat een openbaring van schaamteloosheid! Vroeger was de nacht, die een sluier trok over de pleziertjes van een gematigde man, een tijd van stilte. Maar nu, nu is de nacht voor diegenen welke worden ingewijd in de verleiding van losbandigheid, overvloedig pratend, en veroordelen toortsen ongebreidelde hartstochten. Doof het vuur, jullie priesters. Krimp ineen voor de vlammende toortsen, fakkeldrager. Het licht veroordeelt uw Iacchus. Verduur de nacht om de mysteriën te verbergen. Laat de orgiën vereerd worden door duisternis. Het vuur maakt er geen deel van uit. Het veroordelen en straffen is haar taak.

Atheïsten

2; 13
Dit zijn de mysteriën van de atheïsten. En ik heb recht om hen te brandmerken als atheïstische mensen die geen kennis hebben van de ware god, maar schaamteloos een kind aanbidden dat aan stukken is verscheurd door de Titanen, een arme door verdriet getroffen vrouw, en lichaamsdelen die, uit een gevoel van schaamte, waarlijk te heilig zijn om over te spreken. Het is een tweevoudig atheïsme waarin zij verstrikt zijn. Ten eerste, het atheïsme vanwege hun onwetendheid over God (omdat zij de ware God niet herkennen). En dan deze tweede fout, om te geloven in het bestaan van zaken die niet bestaan, hen met de naam van god aanroepend die geen echte goden zijn – nee erger noch, die zelfs niet bestaan, maar alleen de naam hebben. Ongetwijfeld is dit ook de reden waarom de Apostel ons veroordeelt, wanneer hij zegt, ‘En gij zijt vreemdelingen voor het verbond van de belofte, bent zonder hoop en zijt atheïsten in de wereld.’

2; 14
Gezegend is de koning van de Scythiërs, wie hij ook geweest is. Toen een landgenoot onder de Scythiërs de riten imiteerde van de Moeder der Goden zoals die werden gepraktiseerd in Cyzicus, door op een trommel te slaan en de cimbalen te laten klinken, met afbeeldingen van de godin hangend om zijn hals op de wijze van een priester van Cybele, doodde deze koning hem met een pijl (Herodotus 4.76), omdat de man, in Griekenland beroofd van zijn eigen viriliteit, nu de verwijfde ziekten aan zijn mede Scythiërs communiceerde. Dit alles – want ik moet zeker niet verbergen wat ik denk – heeft mij verbaasd doen staan hoe de term atheïst is toegepast op Euhemerus van Acragas, Nicanor van Cyprus, Diagoras en Hippo van Melos, de Cyreniër genaamd Theodorus en daarnaast nog vele anderen, mannen die zinvol leefden en beter konden onderscheiden, denk ik, dan de rest van de mensheid deze onjuistheden in verband brachten met deze goden.

Zelfs als zij de waarheid niet waarnamen, vermoedden zij tenminste onjuistheden. En dit vermoeden is een levende vonk van wijsheid, geen kleintje, dat als een zaadje opgroeit naar de waarheid. Eén van hen (Xenophanes) zegt tegen de Egyptenaren: ‘Als jullie geloven dat er goden zijn, bejammer hen dan niet, noch sla op uw borst. Maar als je om hen rouwt, beschouw deze wezens dan niet langer als goden.’ Nog een ander, nadat hij in bezit was gekomen van een Heracles die was gemaakt van een blok hout – hij was waarschijnlijk thuis iets aan het koken – zei: ‘Kom, Heracles, het is nu tijd om je dertiende werk voor mij uit te voeren, zoals je er twaalf voor Eurystheus uitvoerde, en voor Diagoras zijn maaltijd bereidde!’’ Toen wierp hij hem in het vuur als een houtblok.

2; 15
Het lijkt dat atheïsme en geestenaanbidding de uiterste vormen van domheid zijn, waarvoor wij ons tot het uiterste moeten inspannen om daar ver vandaan te blijven. Zie je Mozes niet, de heilige vertolker van de waarheid, die opdracht heeft gegeven om geen eunuch of verminkte man tot de bijeenkomst toe te laten, of de zoon van een hoer? Met de eerste twee uitdrukkingen verwijst hij figuurlijk naar de atheïstische manier van leven, die is beroofd van goddelijke kracht en vruchtbaarheid. Door de derde en laatste, aan de man die beslag legt op vele goden, ten onrechte zo genoemd, in plaats van de enige echte god. Net zoals de zoon van een hoer aanspraak maakt op vele vaders, vanwege onwetendheid over zijn werkelijke vader.

Maar in de oudheid is de mens een bepaalde vriendschap met de hemel ingeprent, door duisternis door onwetendheid, die soms plotseling uit de duisternis stralend tevoorschijn sprong. Neem bijvoorbeeld de bekende uitspraak die iemand ooit eens heeft gedaan: Ziet u het grenzeloze firmament in de hoogte, waarvan de armen de aarde met een zachte omarming omhullen? (Euripides, Fragment 935). En deze, O verblijfplaats aarde, die uw zetel in de hoogte hebt, wie u ook bent, door gissen amper te onderscheiden. (Euripides, Trojaanse Vrouwen 884) en alle andere soortgelijke zaken waarover de zonen van de dichters zingen.

Abstracte goden

2; 16
Maar foute meningen die afwijken van het recht – dodelijke meningen, naar waarheid – zetten mensen aan de kant, de hemelse kolonie, van een hemelse manier van leven, die zich over heel de aarde uitstrekt, door die te introduceren en behoedzaam om te gaan met dingen die uit de aarde voortkomen. Sommige mensen werden voor het eerst misleid door het spektakel in de hemel. Uitsluitend vertrouwend op hun ogen, staarden zij naar de bewegingen van de hemellichamen, en vergoddelijkten die in verwondering, hen de namen gevend van goden die van hun baan werd afgeleid (Afgeleid van Platos, Cratylus 397).

Daarom aanbidden zij de Zon, zoals de Indiërs doen, en de Maan, net als de Phrygiërs. Anderen, bij het oogsten van gekweekte vruchten aan planten die uit de aarde voortkomen, noemen het graan Demeter, zoals de Atheners, en de wijnstok Dionysus, zoals de Thebanen. Anderen, die nadenken over de straffen ten gevolge van een slecht leven, stellen goden in op basis van hun ervaringen uit vergelding, en aanbidden de calamiteiten. Dit is de bron van waaruit de Erinyen en Eumeniden, godinnen van boetedoening en wraak, net als de Alastors, zijn gevormd door de dichters op het toneel. Bepaalde filosofen, de dichters volgend, gingen zelfs zover om goden voor te stellen als een emotie, zoals Angst, Liefde, Vreugde en Hoop. Net als Epimenides natuurlijk in de oudheid deed, toen hij de altaren oprichtte voor Onbeschoftheid en Schaamteloosheid.

Sommige goden komen voort uit loutere levensomstandigheden en worden vergoddelijkt door de mensheid die hen een lichamelijke verschijning geven. Zoals de Atheense goden, Recht (Dike), de Spinster (Clotho), de Schenkster van het Noodlot (Lachesis), de Onbuigzame (Atropus), het Lot (Heimarmene), Groei (Auxo) en Overvloed (Thallo). Er is een zesde manier van het introduceren van misleiding en het instellen van goden, op basis waarvan de mensen tot twaalf in aantal komen, waarover de genealogie van Hesiodus zijn eigen verhaal zingt, en Homerus, heeft ook veel over hen te vertellen. Tenslotte (want er zijn totaal zeven manieren van fouten), blijft er een over die voortvloeit uit de goddelijke weldadigheid die aan de mensheid wordt getoond. Want, omdat mensen niet begrijpen dat het God was die hen voordeel schonk, vonden zij bepaalde Redders uit, de Tweeling (Dioscuren), de afweerder van kwaden Heracles, en Asclepius de dokter.

De goden waren mensen

2; 17
Dit zijn dan de gladde en schadelijke paden die ons van de waarheid afleiden, de mens uit de hemel slepend en hem in een diepe put werpend. Maar ik wil je de goden van dichtbij tonen, laten zien wat hun karakters zijn, en of ze echt bestaan. Zodat je uiteindelijk op het rechte pad terugkeert om de hemel weer binnen te lopen. Want ook wij waren eens de kinderen van de woede, net als de rest. Maar God kent veel genade, door Zijn grote liefde waarmee hij ons liefheeft, toen we al dood waren vanwege onze misdaden, maakte hij ons weer levend door Christus.

Want het Woord leeft, en hij die met Christus wordt begraven wordt verheven tot bij God. Zij die nog steeds niet geloven worden ‘kinderen van de woede’ genoemd, omdat zij met woede worden grootgebracht. Wij, integendeel, zijn niet langer wezens van woede, want we zijn van het verkeerde pad afgeleid en spoedden ons naar de waarheid. Zo zijn wij, die eens zoons van wetteloosheid waren, nu zoons van God dankzij de liefde voor het Woord voor de mens. Maar jij bent degene waarover zelfs je eigen dichter, Empedocles van Acragas, de nadruk ligt in de volgende regel: Dus, door grote ellendige radeloosheid, zal je geest nooit vrij zijn van pijnlijke ellende (Empedocles, fragment 145).

Nu zijn het grootste gedeelte van jouw goden legenden en verzinsels. Maar net zoveel als er voor waar worden gehouden zijn er verhalen over vuige mannen die een losbandig leven leidden: Wandel je in dwaasheid. Je verliet het enige, ware pad, en koos het pad met doornen en staken. Waarom dwalen, gij stervelingen? Stop nu, dwaze mensen! Geef de donkere nacht op, en kies voor het licht. (Sibyllijnse Orakels, Voorwoord 23)

2; 18
Dit is wat de voorspellende en poëtische Sibylle ons beveelt. En naar waarheid, doet ook schaamte dat, toen ze die afschuwelijke en angstaanjagende maskers van de menigte goden wegtrok, en bepaalde naamsovereenkomsten opvoerde om de absurdheid van je meningen te bewijzen. Zo zijn er, bijvoorbeeld, enkelen die vertellen over drie goden met de naam Zeus. Eén in Arcadië, de zoon van Aether, de andere twee zijn zoons van Cronus, de een in Kreta, de andere opnieuw in Arcadië. Sommigen noemen vijf Athena’s. De dochter van Hephaistus, welke de Atheense is. De dochter van Nilus, die een Egyptische is en een derde, de dochter van Cronus, die de uitvinder van oorlog is. Een vierde, de dochter van Zeus, die de Messeniërs de titel Coryphassia gaven naar haar moeder. Bovendien, is daar het kind van Pallas en Titanis, dochter van Oceanus. Dit is degene die haar vader goddeloos doodde en gekleed gaat in de ouderlijke huid, alsof het een schapenvacht is.

Verder somt Aristoteles, ten aanzien van Apollo, als eerste op, de zoon van Hephaistus en Athena (d.w.z. Erichthonius die een einde maakte aan de maagdelijkheid van Athena). Ten tweede de zoon van Cyrbas Op Kreta. Ten derde, de zoon van Zeus, en ten vierde, de Arcadiërs, de zoon van Silenus, die onder de Arcadiërs Nomius genoemd wordt. In aanvulling op hen noemt hij de Libiër, de zoon van Ammon, en Didymus de grammaticus voegt hij als zesde toen, de zoon van Magnes. En hoeveel Apollo’s zijn er op dit moment? Een ontelbare groep, allen sterfelijk en vergankelijke mensen, die met soortgelijke namen naar de goden zijn vernoemd die we zojuist hebben genoemd. En wat zou je denken als ik je vertel over de vele goden die Asclepius zijn genoemd, of elke Hermes opsom, of elke Hephaistus die voorkomt in jouw mythologie? Maar de landen waarin zij woonden, de vaardigheden die zij praktiseerden, de verhalen over hun levens, ja, zelfs hun graven, bewijzen onomstotelijk dat het mensen waren.

2; 19
Zo is daar bijvoorbeeld Ares, die zo ver als mogelijk door de dichters wordt vereerd, – Ares, jij plaag voor mensen, bloedverspiller, bestormer van steden (Homerus, Ilias 5.31). Deze wispelturige en onverbiddelijke god was, volgens Epicharmus, een Spartaan. Maar Sophocles kent hem als een Thraciër, anderen als een Arcadiër. Dit is de god waar Homerus over zegt dat hij gedurende dertien maanden met ketenen was vastgebonden: Dit was het lot van Ares, toen Otus en de sterke Ephialtes, zoons van Aloeus, hem gevangen namen, en zijn lichaam met sterke ketenen vastbonden. En hij zat gedurende dertien maanden gevangen in een kerker van koper. (Homerus, Ilias 5.385). Gezegend zijn de Cariërs, die honden aan hem offeren! Laat de Scythiërs nooit ophouden met ezels aan hem te offeren, zoals Apollodorus zegt dat zij doen, en ook Callimachus, in het volgende vers: In noordelijke landen worden ezels geofferd wanner Phoebos voor het eerst verschijnt. (Callimachus, fragment 187) Iets verder zegt dezelfde schrijver: Rijke offers van ezels waar Phoebos van houdt. (Callimachus, fragment 188)

2; 20
Hephaistus, die Zeus van de Olympus smeet, ‘van de drempel der hemel,’ (Homerus, Ilias 1.591) viel bij Lemnos op aarde en werkte als smid. Hij was kreupel aan beide voeten, ‘maar zijn dunne benen bewogen snel onder hem.’ (Ilias 18.411) Jullie hebben niet alleen een smid onder de goden, maar ook een dokter. Die dokter was gek op geld, en zijn naam was Asclepius. Ik zal je eigen dichter citeren, Pindar de Boeotiër: Goud was zijn ondergang. Het blonk in zijn handen, prachtige beloning voor een moedige daad. Zie, uit de handen van Zeus in de hoogte schieten de gloeiende bliksems dodelijk op hem af. Sneden van de man zijn nieuw hervonden ademhaling af, overstroomde de god in een stervelingendood (Pindar, Pythische Oden 3.97). En Euripides zegt: Het was aan Zeus te wijten. Hij doodde Asclepius, mijn zoon – met bliksemende vlammen die zijn hart doorboorden (Euripides, Alcestis 3). Deze god, gedood door de bliksem, ligt begraven op de grens van Cynosuris.

Maar Philochorus zegt dat in Poseidon in Tenos werd vereerd als dokter. Hij voegt daaraan toe dat Sicilië bovenop Cronus werd gezet, en daar begraven ligt. Zowel Patroclus van Thurium en de jongere Sophocles vertellen het verhaal van de Tweelingbroers (Dioscuren) in sommigen van hun tragediën. Deze Broers waren simpelweg mensen, onderworpen aan de dood, als de autoriteit van Homerus volstaat voor deze verklaring, zij zijn nu door de levenbrengende aarde omsloten, daar in het verre Lacedaemon, het geliefde land van hun vaderen (Homerus (Ilias 3.243). Laat de auteur van de Cyprische liederen nu ook ten tonele verschijnen: Castor is een sterfelijk mens, en het Lot heeft zijn dood bepaald. Maar de grote Polydeuces is onsterfelijk, nakomelingen van Ares.

2; 21
De laatste regel is een dichterlijke leugen. Maar Homerus is geloofwaardiger dan deze dichter in wat hij zei over de beide Broers. Daarnaast heeft hij bewezen dat Heracles een schim was. Want hij ‘Heracles, ingewijd tot grote daden,’ is gewoon ‘een man.’ (Homerus, Odyssee 21.6). Heracles is dus, zelfs bij Homerus, bekend als een sterfelijke man. Hieronymus de filosoof schetst ook zijn lichamelijke kenmerken, - kleine gestalte, kort haar, grote kracht. Dicaearchus voegt daar aan toe dat hij slim was, pezig, donker, met gehoekte neus, helder glanzende ogen en lang steil haar. Deze Heracles, beëindigde zijn dagen na een leven van tweeënvijftig jaar, en zijn uitvaart werd gevierd op een brandstapel in de buurt van de berg Oeta.

De Muzen

2; 22
Wat de Muzen betreft, Alcman schrijft hun oorsprong toe aan Zeus en Mnemosyne, en de rest van de dichters en prozaschrijvers verafgoden en aanbidden hen op zodanige wijze dat hele steden ter ere van hen ‘tempels van de Muzen’ aan hen wijden. Maar het waren Mysische dienstmeiden die waren gekocht door Megaclo, de dochter van Macar. Deze Macar, die een (mythische) koning was op Lesbos, had voortdurend ruzie met zijn vrouw, en Megaclo was bedroefd omwille van haar moeder. Wat kon ze anders? Dus kocht ze deze Mysische dienstmeiden, het juiste aantal, en sprak hun namen uit als Moisai, volgens het Aeolische dialect. Ze leerde hen te zingen over oude daden, en de lier te bespelen voor een melodieuze begeleiding. En zij waren in staat, door hun voortdurende spel en hun betoverende gezang, om Macar te kalmeren en zijn woede weg te laten ebben. Als dankoffer voor deze dienst richtte Megaclo, namens haar moeder, bronzen beelden van de meisjes op, en gaf opdracht dat zij geëerd moesten worden in alle tempels. Dit is de oorsprong van de Muzen. Het verslag van hen is te vinden in Myrilus van Lesbos.

Wellustelingen

2; 23
Luister nu naar de liefdesperikelen van deze goden van jou. Over de buitengewone verhalen van hun gebrek aan zelfbeheersing. Over hun wonden, opsluitingen, lachbuien, conflicten en perioden van dienstbaarheid. Luister, ook naar hun feesten, hun omarmingen, hun tranen, passies en losbandige geneugten. Noem Poseidon, en de groep meisjes die door hem zijn onteerd, Amphitrite, Amymone, Alope, Melanippe, Alcyone, Hippothoe, Chione, en de duizenden anderen. Maar ondanks dit grote aantal, is de passie van jouw Poseidon nog steeds niet bevredigd. Noem ook Apollo. Hij is Phoebos, een heilige profeet een raadgever! Maar dat is niet de mening van Sterope of Aethusa, of Arsinoë, of Zeuxippe, of Prothoe, of Marpesa, of Hypsipyle. Want Daphne was de enige die ontsnapte aan de profeet en zijn verderf.

Laten we bovendien ook Zeus noemen, hij die, volgens jouw relaas, ‘vader van de goden en mensen’ is. Hij werd zo volledig beheerst door wellust, dat elke vrouw niet alleen zijn verlangen opriep, maar er ook slachtoffer van werd. Waarom, zou hij zijn buik minder volvreten met vrouwen dan de bok van de Thmuitianen (heilige Egyptische geit) doet met geiten. Ik sta verbaasd over de verzen van jouw Homerus: Aldus sprak de zoon van Cronus, en knikte met zijn hoofd. Zie, de ambrozijnen lokken van de koning vloeiden golvend rond zijn onsterfelijke hoofd, en de grote Olympus schudde op zijn grondvesten. (Homerus, Ilias 1.528)

2; 24
Het is een majestueuze Zeus die Homerus portretteert, en jij installeert hem een hoofdknik die in ere wordt gehouden. Maar, mijn goede man, als je hem maar een glimp van een vrouwengordel laat zien, wordt zelfs Zeus blootgelegd en maakt hij zich te schande. Wat een graad van losbandigheid bereikte deze grote Zeus toen hij zoveel plezierige nachten doorbracht met Alcmene! Nee, zelfs die negen nachten waren geen lange periode voor deze wellusteling, - inderdaad, een heel leven was kort voor zijn gebrek aan zelfbeheersing, - in het bijzonder wanneer het doel was een god te verwekken wiens werk het is om kwaad te voorkomen. Heracles is de zoon van Zeus, verwekt in deze lange nacht. En hij is een ware zoon. Want lang en vermoeiend was de periode waarin hij zijn twaalf werken volbracht, maar in een enkele nacht verleidde hij de vijftig dochters van Thespius, in één keer bruidegom en verleider wordend van al deze meisjes.

Niet zonder reden benoemen de dichters hem tot ‘verdorvene’ en ‘pleger van kwaad’. Het zou een lang verhaal worden om al de keren van overspel en de verleiding van jongens te vertellen. Want jouw goden waren niet afkerig van jongens. Eén (Heracles) hield van Hylas, een ander (Apollo) van Hyacinthus, Poseidon van Chrysippus, en Zeus van Ganymedes. Dit zijn de goden die jullie vrouwen aanbidden! Net zoals ze moeten bidden voor hun echtgenoten, soortgelijke gevallen van deugd, - dat zij net als de goden mogen worden door dezelfde torenhoge idealen na te streven! Laat ze worden als degene die jouw jongens opleiden om te eren, zodat zij tot mannelijkheid zullen opgroeien met de goden voor een kennelijk patroon van overspel!

2; 25
Maar in het geval van de goden, zijn het alleen de mannen die zich ijverig haasten naar seksuele uitspattingen terwijl elke godin van schaamte in haar eigen huis rustte. (Homerus, Odyssee 8.324). Zoals Homerus zegt, want als godinnen krompen die van zedigheid ineen wanneer zij Aphrodite in de greep van het overspel bezig zagen. Toch tonen zij meer passie tijdens hun losbandigheid, snel in de greep van het overspel. Zoals bijvoorbeeld, Eos met Tithonus, Selene met Endymion, Endeis met Aeacus, Thetis met Peleus, Demeter met Iasion en Persephone met Adonis. Aphrodite, nadat zij te schande was gezet vanwege haar liefde voor Ares, maakte Cinyras het hof, trouwde Anchises, sloot Phaëthon in en hield van Adonis. Zij, ging ook de strijd aan met (Hera) de ‘godin met de grote ogen’ waardoor, vanwege een appel, de godinnen zich uitkleedden en naakt toonden aan de herder, om te zien of hij een van hen als mooiste uit zou roepen.

Losbandige Feesten

2; 26
Laten we nu snel doorgaan om de Spelen te bespreken, en laten we een eind maken aan de plechtige bijeenkomsten bij graven, de Isthmenische, de Nemeaanse, de Pythische, en bovenal, de Olympische spelen. In Pytho wordt de slang aanbeden, en de bijeenkomst die wordt gehouden ter ere van deze slang wordt de Pythische spelen genoemd. Op de Isthmus werpt de zee een ellendig karkas op, en de Isthmische Spelen zijn een jammerklacht voor Melicertes. In Nemea ligt een ander begraven, het kind Archemorus, en de viering die daar bij het graf van dat kind wordt gehouden heet de Nemeïsche Spelen.

En in Pisa, - let op, jullie Pan Helleense volkeren! – in Pisa is het graf van een Phrygische wagenmenner, waar plengoffers worden vergoten voor Pelops, die deel uitmaken van de Olympische festiviteiten, welke door de Zeus van Pheidias zijn toegeëigend. Het lijkt er dus op dat wedstrijden, gehouden ter ere van de doden, de ware aard van de Mysteriën zijn, net zoals de orakels dat zijn. En beiden zijn publieke instellingen geworden. Maar de mysteriën in Agra en die van Halimus in Attica beperken zich tot de Atheners. Aan de andere kant, de wedstrijden zijn nu een wereldwijde schande, daar ook de phalloi (fallusfeesten) aan Dionysus gewijd zijn, en het kwaad die deze verspreiden onder het menselijke leven.

2; 27
Dit is de oorsprong van deze phalloi. Dionysus wilde graag in de Hades afdalen, maar kende de weg niet. Daarop beloofde een zekere man, Prosymnus, hem die te vertellen, maar niet zonder beloning. Het was geen passende beloning, hoewel het voor Dionysus passend genoeg leek. Het was een aanmoediging voor wellust, die aan Dionysus werd gevraagd. De god is bereid om het verzoek in te willigen. En zo belooft hij in het geval van zijn terugkeer, de wens van Prosymnus in te willigen, en bevestigt die belofte met een eed. Nadat hem de weg was gewezen trok hij erop uit, en kwam weer terug. Hij kon Prosymnus niet vinden, want deze was dood.

Ter vervulling van zijn belofte aan zijn minnaar haastte Dionysus zich naar diens graf en gaf zich over aan een onnatuurlijke hartstocht. Hij sneed een tak van een vijgenboom die in de buurt stond, en boog deze in de vorm van een fallus, en bracht de vervulling van zijn belofte aan de dode man in praktijk. Als mystieke herinnering aan deze passie worden in steden fallussen opgericht ter ere van Dionysus. ‘Want het was niet voor Dionysus dat zij plechtige processies hielden en fallusliederen zongen, want dan zouden ze uiterst schandalig handelen,’ zei Heracleitus. ‘En Hades is hetzelfde als Dionysus, ter ere van wie zij waanzinnig worden en de Lenaeaanse Feesten vieren.’ Niet vanwege hun lichamelijke dronkenschap, denk ik, maar door hun beschamende vertoning van losbandigheid.

De goden waren slaven

2; 28
Het lijkt mij bijna logisch dat die goden van jou slaven zijn, omdat het slaven van hun passies zijn geworden. Sterker nog, zelfs voor de tijd van de Heloten, zoals zij werden genoemd door de Lacedaemoniërs, ging Apollo gebukt onder het juk van slavernij bij Admetus in Pherae, en Heracles onder dat van Omphale in Sardis. Poseidon en Apollo waren horigen onder Laomedon, Apollo, als een waardeloze dienaar, niet in staat, denk ik, om het geschenk van de vrijheid te verkrijgen van zijn vroegere meester. Toen was het dat deze twee goden de muren van Ilium bouwden voor hun Phrygische heer. Homerus schaamt zich niet om te spreken over Athena die de weg voor Odysseus verlicht, ‘een gouden lamp ophoudend’ (Odyssee 19.34) met haar handen.

We lezen over Aphrodite, die, als een gewillige dienstmeid, een krukje voor Helena bracht, en die recht voor haar minnaar plaatste, zodat Helena hem kon verleiden met een omarming (Ilias 3.424) In aanvulling daarop vertelt Panyasis van vele andere gevallen waarin goden, dienaren voor mensen werden. Hij schrijft: - Demeter droeg het juk. Ook Hephaistus, Poseidon en Apollo, met zijn zilveren boog, om een jaar onder de sterfelijke mensen te dienen. Eveneens werd de sterke Ares, door zijn vader verplicht. (Panyasis, Heracleia, Fragment 16) – enzovoorts.

2; 29
Ten gevolge hiervan, komen deze amoureuze en hartstochtelijke goden van jou op mij over alsof zij aan elk soort menselijke emotie onderworpen zijn. ‘Want hun lichaam is werkelijk sterfelijk,’ hier levert Homerus het bewijs van, wanneer hij in precieze bewoordingen omschrijft hoe Aphrodite luid en schel krijst over haar wond (Ilias 5.343). En wanneer hij vertelt hoe de boogschietende krijger, Ares, in zijn zij wordt gestoken door Diomedes (Ilias 5.855). Polemon zegt dat Athena ook werd verwond door Ornytus. Ja, zelfs Hades werd geraakt door een pijl van Heracles, ook volgens Homerus (Ilias 5.395). En Panyasis vertelt verder dat Hera, de godin van het huwelijk, verwond werd door dezelfde Heracles, ‘in zanderig Pylos’ (Panyasis, Heracleia, Fragment 6)

Sosibius zegt dat Heracles door de zoons van Hippocoön werd verwond aan de hand. En als er wonden zijn is er ook bloed. Want het ‘ichor’ van de dichters is een walgelijke uitdrukking voor bloed, het woord ichor betekent namelijk rottend bloed. Het is daarom noodzakelijk, om de goden te voorzien van een behandeling en voeding, wanneer zij daar behoefte aan hebben. Dus houden ze feesten, braspartijen, en barsten in lachen uit over daden van geslachtsgemeenschap, alsof zij onsterfelijk zijn, en niets nodig hebben, en onaangetast door leeftijd, nemen ze niet deel aan de genoegens van de menselijke liefde, noch verwekken kinderen, en slapen ook niet. Zeus at zelfs aan een menselijke tafel met de Ethiopiërs (Ilias 1.423), en aan een onmenselijke en onwettige tafel met de feestende Arcadiër Lycaon die hem, als een sierlijke schotel, zijn eigen kind voorzette, Nyctimus genaamd, die hij geslacht had.

Zeus de wellustige

2; 30
Wat een fijne Zeus is hij, de voorspeller, de beschermheer van gasten, de aanhoorder van smekelingen, de barmhartige, de voortbrenger van orakels, de wreker van misdaden! Hij kon beter de onrechtvaardige genoemd worden, de ongeremde, de wetteloze, de onheilige, de onmenselijke, de gewelddadige, de verleider, de overspelige, de wellustige minnaar. Maar toch, er was bezieling in hem in die dagen, toen hij dit allemaal was, toen hij een man was. Maar voor mij lijken tegen die tijd jouw legenden verouderd te zijn.

Zeus is niet langer een slang, of een zwaan, of een adelaar, noch een amoureuze man. Hij is geen god die kan vliegen, of jongens onteert, of kust, of verrukt. En toch zijn er nog steeds veel mooie vrouwen over, zelfs nog mooier dan Leda en jonger dan Semele, en jongere jongens in de bloei van hun jeugd en meer verfijnt dan de Phrygische herder (Ganymedes). Waar is nu die beroemde adelaar? Waar is de zwaan? Waar is Zeus zelf? Is hij oud geworden, gevleugeld en al. En je kunt er zeker van zijn dat hij geen berouw heeft over zijn liefdesaffaires, noch streeft hij naar een soberder leven. Zie, de legende is blootgelegd. Leda is dood, de zwaan is dood, de adelaar is dood.

Ga op zoek naar jouw Zeus. Doorzoek niet de hemel, maar de aarde. Callimachus van Kreta, in wiens land hij begraven ligt, zal je zijn liederen vertellen: Want een graf, O prins, bouwden de Kretenzers voor U (Callimachus, Hymne aan Zeus 8) Ja, Zeus is dood (neem het niet al te zwaar op), net als Leda, net als de zwaan, net als de adelaar, net als de amoureuze man, net als de slang. Maar het is duidelijk dat zelfs de demonenaanbidders begrijpen, hoewel tegen hun wil, de dwalingen over de goden, want: Zij ontlenen hun bestaan niet aan de oude eik noch aan de rots (Homerus, Odyssee 19.163)

2; 31
Nee, ze zijn van het menselijke ras, hoewel zeer binnenkort ontdekt zal worden dat ze niets anders zijn geweest dan eiken en rotsen. Er wordt een Zeus Agamemnon vereerd in Sparta, volgens Staphylus. En Phanocles, in zijn boeg genaamd Liefdes, of Mooie Jeugdigen, zegt dat Agamemnon de koning van de Grieken een tempel bouwde voor Aphrodite Argynnus, ter ere van Argynnus die hij liefhad. Arcadiërs aanbidden een Artemis die ‘de godin die werd opgehangen’ (Apachomene) heette, zoals Callimachus zegt in zijn Oorzaken. En in Methymna wordt een andere vereerd, een Artemis Conylitis (Opvallende). Daar is ook een ander, een ‘jichtige’ (Podarge) Artemis, met een heiligdom in Laconië, zoals Sosibius zegt.

Polemon kent een standbeeld van ‘gapende’ (Cechenotus) Apollo. En ook een andere Apollo ‘de levensgenieter’ (Opsophagus), dat wordt vereerd in Elis. Deze Eliërs offeren aan Zeus ‘afweerder van vliegen’ (Apomius), en de Romeinen gaven aan Heracles dezelfde titel, evenals aan ‘Koorts’ (Pyretus) en ‘Angst’ (Phobus) die zij zelfs toevoegen aan de metgezellen van Heracles. Ik ga voorbij aan de Argivers, Aphrodite de ‘grafroofster’ (Tymborhychus) wordt door hen aanbeden, evenals door de Laconiërs. Bovendien vereren de Spartanen Artemis Chelytis of de ‘hoestende’ Artemis, omdat het werkwoord overeenkomt met Chelytis dat voor hen het woord is voor ‘hoesten’.

2; 32
Denk je dat de voorbeelden die ik je vertel uit een onbetrouwbare bron komen? Waarom, het lijkt wel of jij je eigen schrijvers niet herkent, die ik als getuigen oproep tegen jouw ongeloof. Helaas voor jou! Ze hebben je leven gevuld met goddeloze bedriegerij, totdat het leven pas echt ondraaglijk werd. Vertel me, wordt er geen ‘naakte’ (Phalacrus) Zeus vereerd in Argos, en een andere, een ‘wreker’ (Timorus), in Cyprus? Offeren de Argivers niet aan Aphrodite divaricatrix (Peribasus), Atheners aan haar als ‘courtisane’ (Hetaira), en de mensen uit Syracuse aan haar als ‘zij met de mooie billen’ (Callipygus), die de dichter Nicander ergens ‘met de mooie kont’ (Callipluton) heeft genoemd? Ik zal zwijgen over Dionysus Choiropsalas.

De Sicyoniërs aanbidden Dionysus als de god die heerst over de intieme delen van de vrouw, waardoor ze de grondlegger van losbandigheid vereren, als opzichter van datgene wat beschamend is. Dat is dus het karakter van de Griekse goden. Zo ook zijn de aanbidders, die het goddelijke tot een aanfluiting maken, of liever, zichzelf bespotten en beledigen. Hoeveel beter zijn de Egyptenaren, wanneer zij in steden en dorpen dieren groots vereren, dan de Grieken die goden als deze aanbidden? Want hoewel de Egyptische goden dieren zijn, zijn zij niet overspelig, zijn niet onzedig, en geen van hen zoekt plezier in strijd met zijn eigen natuur. Maar wat de Griekse goden betreft, wat moet er nog meer gezegd worden? Zij zijn voldoende blootgelegd.

Egyptische aanbidders

2; 33
De Egyptenaren echter, die ik net noemde zijn verdeeld over de zaken betreffende hun religieuze erediensten. De mensen van Syene aanbidden de vis phagrus. De inwoners van Elaphantine een andere vis, de maeotes. De mensen van Oxyrhynchus aanbidden ook een vis, welke de naam van hun land draagt. Verder aanbidden de mensen van Heracleopolis de ichneumon. Die van Sais en Thebe, het schaap. Van Lycopolis, de wolf. Van Cynopolis, de hond. Van Memphis, de meeuw Apis, en van Mendes, de geit.

Maar wat jou betreft, die in elk opzicht beter is dan een Egyptenaar, - ik ben bang om jou slecht te noemen – jij die nooit een dag voorbij laat gaan zonder te lachen om de Egyptenaren, wat is jouw oordeel met betrekking tot deze redeloze dieren? De Thessaliërs vereren de ooievaar op basis van oude gewoonten. Thebanen de wezels op basis van de geboorte van Heracles. Wat nog meer over de Thessaliërs? Er wordt gemeld dat zij mieren aanbidden, omdat hen geleerd is dat Zeus, in de gedaante van een mier, gemeenschap had met Eurymedusa, de dochter van Cletor, en Myrmidon kreeg.

Polemon vertelt dat de bewoners in de Troad de lokale muizen aanbidden (die zij sminthoi noemen), omdat deze gebruikt werden om de boogpezen van hun vijanden door te knagen. En zij noemden Apollo ‘Smintheus’ naar deze muizen. Heracleides, in zijn werk over ‘De stichting van de tempels in Acarnania’, zegt dat er op de kaap van Actium, waar de tempel van Apollo van Actium staat, inleidende offers van ossen worden gebracht aan vliegen. Ook zal ik de Samianen niet vergeten, die, zoals Egyptenaren zeggen, het schaap aanbidden. Noch de Syrische inwoners van Phoenicië, waarvan sommigen de duiven aanbidden, en anderen vissen (Syrische godinnen Deceto en Semiramis), even buitensporig als de Eleanen

Aanbiddiung Zeus

2; 34
Maar goed! Omdat zij die jij dient geen goden zijn, heb ik besloten om een nieuw onderzoek in te stellen om te bezien of het waar is dat het demonen zijn, en ingeschreven moeten worden, zoals je zegt, als tweederangs godheden. Want als het werkelijk demonen zijn, zijn zij hebzuchtig en onzuiver. We kunnen perfecte voorbeelden ontdekken van demonen van plaatselijke oorsprong die lokale eer verzamelen in steden, zoals Menedemus onder de Cynthiërs, Callistagoras onder de Tenianen, Anius onder de Delianen en Astrabacus onder de Laconiërs. Er wordt ook eer betoond in Phalerum aan een zekere held ‘op de achtersteven’ (Androgeus), en de Pythische profetes schrijft voor dat de Plataeanen aan Androcrates, Democrates, Clyaeus en Leucon moeten offeren wanneer de strijd met de Meden op zijn hevigst is. En de man die in staat is om zelfs maar het kleinste onderzoek uit te voeren kan een indruk krijgen van de vele andere demonen. Want driemaal tienduizend wonen op moeder aarde, onsterfelijke demonen, bewakers van sterfelijke mensen (Hesiodus, Werken en Dagen 252).

2; 35
Wie zijn deze bewakers, jij Boeotische zanger? Weiger niet om het ons te vertellen. Of is het juist dat het degenen zijn die ik zojuist genoemd heb, en anderen meer geëerd dan zij, namelijk de grote demonen Apollo, Artemis, Leto, Demeter, Persephone, Hades, Heracles en Zeus zelf? Maar het belet ons niet om weg te lopen van hen die ons bewaken, dichter van Ascra! Misschien voorkomt het dat wij zondigen, ziende dat zij, om er zeker van te zijn, geen ervaring hebben met zondigen. Hier kunnen we ons bekwaam uiten over de spreekwoordelijke regel. De vader waarschuwt zijn kind maar niet zichzelf. Maar als zij, uiteindelijk, daadwerkelijk wachters zijn, worden zij niet bewogen door goede wil jegens ons. Maar, jouw vernietiging voor ogen hebbend, bestoken ze het menselijke leven op de manier van vleiers, verleidt door de rook van de offers. Op hun manier geven de demonen zelfs toe aan gulzigheid wanneer zij zeggen: Wijn en geurige rook, want dat ontvangen wij als ons aandeel (Homerus, Ilias 4.49)

2; 36
Als Egyptische goden, zoals katten en wezels, begiftigd werden met spraak, welke andere kreten zouden zij dan uitslaan dan die welke worden weergegeven in Homerus’ gedichten, een liefde verkondigend voor aromatische geuren en maaltijden? Laat het zijn zoals het is, dat is het karakter van de demonen en goden die jij aanbidt, en ook van de halfgoden, als jij iemand bij die naam genoemd hebt, in overeenkomst met ezels, of muildieren. Want je kent geen armoede – zelfs geen woorden die een verbinding vormen tot jouw goddeloosheid.

Hoofdstuk 3

Bloedoffers

3; 1
Maar kom, laten we het volgende hier nog aan toevoegen, uw goden zijn onmenselijke en mensenhatende demonen, die zich niet alleen verheugen over de waanzin van mensen, maar ook zover gaan dat zij genieten van menselijke slachtpartijen. Zij verschaffen zichzelf bronnen van genot, de ene keer tijdens wedstrijden met wapens in het stadion, de andere keer gedurende de talloze schermutselingen in de oorlog, om de kans zeker te stellen dat zij elke mogelijkheid benutten om zich vol te kunnen drinken met menselijk bloed. In het verleden, toen zij als een plaag op hele steden en landen neerstreken, eisten zij plengoffers van een wreed karakter. Bijvoorbeeld, de Messeniër Aristomenes slachtte driehonderd mensen af voor Zeus Ithome, in de overtuiging dat door offers van een dergelijke omvang en kwaliteit de voortekens gunstig beïnvloed zouden worden. Onder de slachtoffers bevond zich zelfs Theopompus, de koning van Lacedaemon, een adellijk offer.

Het Taurische ras, dat op het Taurische schiereiland woonde, als zij vreemdelingen op hun gebied gevangen namen, dat wil zeggen, mannen die schipbreuk hadden geleden, offerden hen ter plaatse aan de Taurische Artemis. Dit zijn de offers die Euripides opvoert in zijn tragedie. Monimus, in zijn verzameling van Wonderbaarlijke Gebeurtenissen, vertelt dat in Pella in Thessalië een menselijk offer gebracht werd aan Peleus en Chiron, het slachtoffer was een Achaeër. Zo verklaart ook, Anticleides in zijn Thuiskomsten, dat de Lyctianen, een bevolkingsgroep van Kretenzers, mensen aan Zeus offerden. En Dosidas zegt dat de mensen van Lesbos op dezelfde wijze offeren aan Dionysus. En wat de Phociërs betreft, - want ik mag hen niet overslaan – deze mensen zijn gemeld door Pythocles in zijn derde boek Over Eendracht waarin zij een brandoffer van een mensen brengen aan de Taurische Artemis. De Athener Erechtheus en Marius de Romein offerden hun eigen dochters, de eerste aan Persephone, zoals Demaratus vertelt in zijn eerste boek van zijn Tragische Onderwerpen. De laatste, Marius, aan de ‘Wrekers van Kwaad’, zoals Dorotheus vertelt in het vierde boek van zijn

Italiaanse Geschiedenis

3; 2
Het waren echt vriendelijke wezens die demonen, zoals deze voorbeelden duidelijk aantonen! En wat kunnen deze demonenaanbidders er aan doen dat zij op dezelfde manier heilig zijn? De eerstgenoemden werden geprezen als redders, de laatsten smeken om veiligheid bij degenen die samenspannen om de veiligheid te vernietigen. Zeker, terwijl ze veronderstellen dat er aanvaardbare offers aan de demonen gebracht worden, vergeten ze totaal dat zij menselijke wezens afslachten. Want moord wordt geen heilig offer vanwege de plek waar die wordt begaan, zelfs niet als je een man plechtig inwijdt en dan afslacht op een zogenaamde heilige plek aan Artemis of Zeus, in plaats van uit woede of hebzucht, demonen of andersoortigen, op altaren in plaats van op wegen. Integendeel, zo’n offer is moord en een menselijke slachtpartij. Hoe komt het dan, O mensen, wijste van alle levende dingen, dat we voor woeste wilde dieren vluchten en opzij gaan als we misschien een beer of leeuw ontmoeten, en ‘Zoals op een open plek van een berg wanneer de reiziger een slang ontdekt, snel omkeert, terwijl zijn benen onder hem bibberen, en snel maakt dat hij wegkomt’ (Homerus, Ilias 3.33).

3; 3
Maar als we geconfronteerd worden met dodelijke en vervloekte demonen, ga je niet opzij noch ontwijk je ze, hoewel je al gezien hebt en zeker weet dat het samenzweerders zijn, mensenhaters en vernietigers? Welke mogelijke waarheid kunnen zulke kwaadaardige wezens uitdragen, of wie kunnen zij voordeel brengen? In ieder geval, kan ik je direct bewijzen dat een mens beter is dan die goden van jou, de demonen, dat Cyrus en Solon beter zijn dan Apollo de profeet. Jouw Phoebos is een liefhebber van geschenken maar niet van mensen. Hij verraadde zijn vriend Croesus (historische Lydische koning), en, de beloning vergetend die hij had ontvangen (zo behield hij zijn eer), leidde de koning over de rivier Halys naar zijn begrafenisbrandstapel.

Dit is hoe de demonen liefhebben, zij leiden mensen naar het vuur! Maar jullie, O mensen met een vriendelijker en waarheidlievender spraak dan Apollo, heb medelijden met hem die gebonden op de brandstapel ligt. Spreek, Solon, een orakel over de waarheid. En ook jij, Cyrus, bidt dat dan de brandstapel gedoofd is. Kom te elfder ure tot bezinning, Croesus, omdat je na al dit lijden beter weet. Degene die je aanbidt is ondankbaar. Hij neemt als beloning goud, en bedriegt je daarna opnieuw. Let op, het is niet de demon, maar de man die u over de zaken van het leven vertelt. Anders dan Apollo, preekt Solon geen profetieën met een dubbele betekenis. Allen bij dit orakel zul je de waarheid vinden, o barbaar. Dat zul je bewijzen op de brandstapel.

Tempels zijn graven

3; 4
Ik vraag daarom mezelf af, welke bedrieglijke fantasieën diegenen op een dwaalspoor hebben geleid om zelf bedrogen te worden, mede dankzij de wetten die zij hebben opgesteld voor de verering van die vervloekte demonen, om hun bijgeloof aan de mensheid te verkondigen. Ik bedoel mensen zoals de welbekende Phoroneus, of Merops (Mythische koning), of anderen net als zij, die tempels en altaren oprichtten voor de demonen, en waarover de legenden vertellen dat zij de eersten waren die offers brachten. Er kan geen twijfel over bestaan dat in de daarop volgende eeuwen mensen goden uitvonden die zij konden aanbidden. Die Eros, bijvoorbeeld, waarvan wordt gezegd dat hij zich onder de oudste goden bevond, - waarom niemand hem vereerde totdat Charmus een jonge jongen ontvoerde en een altaar oprichtte in Academia, als dankoffer voor de bevrediging van zijn lust. En deze plaag van losbandigheid is wat met Eros noemt, ongebreidelde lust in een god veranderend! En evenmin wisten de Atheners wie Pan was, totdat Philippides hen dat vertelde.

3; 5
We moeten dan ook niet verbaasd zijn dat, toen de demonenverering eenmaal was begonnen, dit een bron van gevoelloze goddeloosheid werd. En daarna, niet in toom gehouden, steeds grotere vormen aannemend, zichzelf definitief vestigde als schepper van een veelheid aan demonen. Het levert grote openbare offers op, het houdt plechtige feesten, het richt standbeelden op en bouwt tempels. Deze tempels – want ik zal er niet over zwijgen, maar ze aan de kaak stellen – worden aangeroepen met mooi klinkende namen, maar zijn in werkelijkheid graftomben. Maar ik doe een beroep op jou, zelfs op dit late tijdstip, vergeet de demonenaanbidding, voel je beschaamd om graftomben te vereren. In de tempel van Athena op de Acropolis in Larissa bevindt zich het graf van Acrisius.

En op de Acropolis van Athene het graf van Cecrops, zoals Antiochus zegt in zijn negende boek over Geschiedenis. En wat te denken van Erichthonius? Ligt hij niet in de tempel van Athena Polias? En ligt Immaradus, de zoon van Eumolpus en Daeira, niet in de omsloten ruimte die zich onder de Acropolis bevindt? Zijn de dochters van Celeus niet in Eleusis begraven? Waarom jou weer over de Hyperboreaanse vrouwen vertellen? Zij werden Hyperoche en Laodice genoemd, en zij liggen in het Artemisium op Delos. Dit is op het tempelterrein van de Delische Apollo. Leandrius zegt dat Cleochus is begraven in het Didymaeum in Miletus. Hier, Zeno van Myndus volgend, moeten we niet vergeten het graf van Leucophryne te noemen, die in de tempel van Artemis in Magnesia ligt. Noch het altaar van Apollo in Telmessus, waarvan wordt gezegd dat het een monument voor de profeet Telmessus is.

Ptolemaeus, de zoon van Agesarchus, in het eerste deel van zijn werk over Philopater zegt dat in de tempel van Aphrodite op Paphos zowel Cinyras als zijn nakomelingen begraven liggen. Maar heus, als ik alle graven moet noemen die in jouw ogen heilig zijn, zou ik de benodigde tijd te kort komen. En jij, tenzij jou een vleugje schande bekruipt voor al deze vermetelheden, zult uiteindelijk dood gaan, net als de doden waar jij je vertrouwen in stelt. ‘O, meest ellendige van alle mensen, wat is het kwaad waar jij aan lijdt? Uw hoofd is in duisternis gehuld.’ (Homerus, Odyssee 20.351)

Hoofdstuk 4

Afgodsbeelden

4; 1
Als ik, in aanvulling hierop, zelf de beelden breng en ze voor je neer zet om te inspecteren, zul je tijdens je onderzoek ontdekken dat gewoonte waarlijke nonsens is, als dit tot gevolg heeft deze zinloze dingen te aanbidden, ‘het werk van mensenhanden’. In de oudheid aanbaden de Scythiërs de dolk, de Arabieren hun heilige steen, en de Perzen hun rivier. Andere, nog oudere, volkeren richtten opvallende houten palen op waarop zij stapels stenen plaatsten, waarin zij de naam xoana graveerden, dat geschraapte objecten betekent, omdat het ruwe oppervlak van het materiaal was afgeschraapt. Het standbeeld van Artemis in Icarus was zeker een stuk onbewerkt hout, en dat van de Cithaeronische Hera in Thespiae van een gevelde boomstam. Het standbeeld van de Samiaanse Hera, zoals Aethlius zegt, was eerst een houten balk, maar later, toen Procles heerste, werd het een menselijke gedaante gegeven. Toen deze ruwe beelden tot menselijke gedaanten werden gevormd, kregen ze extra aanduiding brete, van brotoi dat stervelingen betekend. In het oude Rome, volgens Varro de gedichtenschrijver, was het object dat Ares voorstelde een speer, omdat de ambachtslieden de mooi-ogende maar ondeugende kunst van beeldhouwen nog niet hadden ontdekt. Maar de belangrijke kunst bloeide op, en fouten namen toe.

4; 2
Tegenwoordig is het vanzelfsprekend dat uit stenen en blokken hout, en, in een woord, uit materie, mensen standbeeld maken die lijken op de menselijke gestalte, waar jullie een schijn van vroomheid aan toekennen, zo de waarheid geweld aandoend. Maar, omdat dit punt om bepaalde argumenten vraagt, moeten we niet weigeren om deze te leveren. Iedereen zal, denk ik, toegeven dat de standbeelden van Zeus in Olympia en die van Athena Polias in Athene van goud en ivoor zijn gemaakt door Pheidias. En Olympichys in zijn Samiaanse Geschiedenis vertelt dat het beeld van Hera in Samos gemaakt is door Smilis, de zoon van Eucleides. Twijfel er ook niet aan dat de godinnen in Athene ‘eerbiedwaardigen’ (Semnai) worden genoemd. Twee waren gemaakt door Scopas uit steen en werden Lychneus genoemd, en de middelste door Calos. Ik kan je wijzen op het relaas van Polemon in het vierde deel van zijn werk Tegen Timaeus.

Twijfel er ook niet aan dat de standbeelden van Zeus en Apollo in het Lycische Patara ook door de grote Pheidias zijn gemaakt, net als de leeuwen die aan hen zijn gewijd. Maar als, zoals sommigen vertellen, dit het werk is van Bryaxis, zal ik dat niet tegenspreken. Hij is ook een van jouw beeldhouwers, neem van deze twee welke je wilt. Verder zijn de negen el hoge standbeelden van Poseidon en Amphitrite die worden aanbeden in Tenedos het werk van de Athener Tlesius, zoals Philochorus ons vertelt. Demeterius, in zijn tweede boek over de Geschiedenis van Argolis, over het beeld van Hera in Tiryns, en registreert het materiaal, perenhout, evenals zijn schepper, Argus. Velen zouden misschien verbaasd staan als zij wisten dat de beelden van Pallas ‘hemelgezonden’ worden genoemd (omdat het uit de hemel viel), waarover verteld wordt dat Diomedes en Odysseus het uit Troje gestolen hebben, en het toevertrouwden aan de zorgen van Demophon, gemaakt is van de beenderen van Pelops, net zoals de Olympische Zeus ook gemaakt is van beenderen, - die van een Indisch beest.

Ik vertel je ook, mijn bron voor dit verhaal, namelijk Dionysus, die het verhaal vertelt in zijn vijfde deel van zijn Cyclus. Apellas vertelt in zijn Geschiedenis van Delphi dat er twee van zulke beelden van Pallas bestaan, en dat beiden door menselijk vakmanschap zijn vervaardigd. Ik wil ook het standbeeld van de Morychiaanse Dionysus in Athene noemen, - zodat niemand zal denken dat ik deze feiten vanwege onwetendheid heb weggelaten, - dat gemaakt is van de steen die phellatas wordt genoemd, en het werk is van Sicon, de zoon van Eupalamus, zoals Polemon vertelt in een bepaalde brief. Er waren ook twee andere beeldhouwers, Kretenzers denk ik, die Scyllis en Dipoenus heetten. Dit tweetal maakte de standbeelden van de Tweeling (de Dioscuren) in Argos, het figuur van Heracles in Tiryns en het beeld van de Munchiaanse Artemis in Sicyon.

Egyptische godenbeelden

4; 3
Maar waarom blijf ik bij dit alles stilstaan, als ik je de oorsprong van de boogschutterdemon zelf kan aantonen, degene die, zo wordt verteld, bij uitstek door alle mensen wordt vereerd, waarover zij durven te zeggen dat het is gemaakt zonder handen, de Egyptische Sarapis? Sommigen vertellen dat hij door het volk van Sinope was gestuurd als dankoffer voor Ptolemy Philadelpus, de koning van Egypte, die hun dankbaarheid had verworven op het moment dat toen zij uitgeput waren door honger hij graan uit Egypte had gestuurd. En dit figuur was een standbeeld van Hades. Na ontvangst van het beeld, zette de koning het op een landkaap die ze nu Rhacotis noemen, waar de vereerde tempel van Sarapis zich bevindt, en deze plek is in de buurt van de begraafplaatsen.

En ze zeggen dat Ptolemy zijn minnares Blistiche, die in Canobus gestorven was, hier naartoe bracht en begroef onder het zojuist genoemde heiligdom. Anderen zeggen dat Sarapis een beeld was van Pontus, en dat het met een plechtig festival eervol werd overgebracht Alexandrië. Alleen Isidorus stelt dat het beeld door de mensen van Seleucia, in de buurt van Antioche, werd gebracht, toen ook zij te kampen hadden met een gebrek aan graan en werden geholpen door Ptolemy. Maar Sthenodorus, de zoon van Sandon, met de bedoeling om de ouderdom van Sarapis vast te stellen, struikelde op onverklaarbare wijze, want hij bewees dat het een standbeeld was dat door een mens was gemaakt. Hij zegt dat Sesostris, de Egyptische koning, nadat hij de meeste van de Griekse gebieden had onderworpen, bij zijn terugkeer naar Egypte een aantal ambachtslieden met zich meebracht.

Hij gaf hen persoonlijk opdrachten, waardoor het standbeeld van Osiris, zijn eigen voorouder, met grote zorg en kosten gemaakt werd. En het standbeeld werd gemaakt door de kunstenaar Bryaxis, - niet de beroemde Athener, maar een andere met dezelfde naam, - die een mix van verschillende materialen gebruikte tijdens de bouw. Hij had versieringen van goud, zilver, brons ijzer, lood en zelfs tin. En geen Egyptische steensoort ontbrak, er waren stukken saffier, hematiet, smaragd en ook topaas. Hij vergruisde die allen tot poeder en mengde ze door elkaar, hij kleurde het mengsel donkerblauw (waardoor de kleur van het beeld bijna zwart is), en, het geheel mengend met het pigment dat was overgebleven van de begrafenisriten van Osiris en Apis, modelleerde Sarapis. Zijn naam impliceert een verband met de begrafenisriten, en de bouw van materialen voor de begrafenissen, want Osirapis is een samenvoeging van Osiris en Apis.

4; 4
Een andere nieuwe godheid werd in Egypte gecreëerd – en ook bijna onder de Grieken, - toen de Romeinse koning (Hadrian) plechtig werd verheven tot een favoriete god wiens schoonheid ongeëvenaard was. Hij wijdde Antinous op dezelfde wijze in als Zeus met Ganymedes. Want wellust is niet eenvoudig in te houden, wanneer men geen angst kent. En tegenwoordig vieren mensen de heilige nachten van Antinous, die behoorlijk schaamtevol zijn, zoals de minnaar die hij bij zich hield goed wist. Waarom, vraag ik mij af, beschouw je iemand als een god die wordt geëerd vanwege ontucht? Waarom gaf je opdracht dat er om hem gerouwd moet worden als voor een zoon? Waarom vertel je ook het verhaal van zijn schoonheid? Schoonheid is een schaamtevol iets als die wordt verwoest door verontwaardiging.

Wees geen tiran, O mens, over schoonheid, en wees ook niet verontwaardigd over hem die in de bloei van zijn jeugd verkeert. Bewaak die met zuiverheid, opdat deze mooi zal blijven. Groei uit tot koning over schoonheid, niet als tiran. Laat het vrij blijven. Wanneer je het beeld zuiver houdt, dan zal ik je schoonheid erkennen. Dan zal ik schoonheid aanbidden, als het ware model van mooie dingen. Maar nu hebben we een graf van een jongen die bemind werd, een tempel en stad van Antinous. Het lijkt mij dat graven onderwerpen van eerbied zijn op dezelfde manier als tempels. In feite zijn piramiden, mausolea, en labyrinten net zozeer tempels van dode mensen als dat tempels graven zijn van goden. Als jouw onderwijzer citeer ik de profetische Sibylle, ‘De goddelijke woorden komen niet van Phoebos’ lippen, die valse profeet, door dwaze mensen god genoemd, maar van de grote God, die niet door mensenhanden is geschapen, zoals de sprakeloze idolen gemaakt uit gepolijste steen (Sibyllaanse Orakels 4.4.).

Zij noemt de tempels echter ruïnes. Die van de Ephesische Artemis zullen opgeslokt worden door ‘gapende kloven een aardbevingen,’ aldus: Ephese zal ter aarde geworpen kreunen, wanneer, met veel tranen, ze langs haar oevers zoekt naar de verdwenen heiligdommen (Sibyllaanse Orakels 5.295). Over die van Isis en Sarapis in Egypte zegt ze dat deze omver geworpen zullen worden en afbranden: Driemaal vervloekte Isis, je staat alleen bij het water van de Nijl, sprakeloos van razernij op het donkere zand van de Acheron (Sibyllaanse Orakels 5.483). En iets verder: En jij, Sarapis, met nutteloze opgestapelde stenen, ligt neer in het ellendige Egypte, een grootse ruïne (Sibyllaanse Orakels 5.486).

Er is maar één ware God

4; 5
Als je echter weigert om naar de woorden van de profetes te luisteren, luister dan tenminste naar je eigen filosoof, Heracleitus van Ephese, als hij de beelden hoont vanwege hun gebrek aan gevoel: ‘En zij bidden tot deze beelden als iemand die tegen zijn huis praat.’ Zijn zij niet geweldig, de mensen die smeekbeden richten tot stenen, en ze voor hun poorten plaatsen alsof ze levend en actief zijn, het beeld van Hermes aanbiddend alsof het een god is, en de ‘God van de Wegen (Agyieus) als deurwachter opstellen? Maar als zij hen met hoon behandelen als wezens zonder gevoel, waarom aanbidden zij hen dan als goden? Maar als zij geloven dat ze ook gevoel hebben, waarom zetten ze hen dan neer als poortwachters? De Romeinen, hoewel ze hun grootste successen toeschrijven aan Fortuna, en haar zien als hun grootste godheid, dragen haar beelden naar hun privé-vertrekken en stellen ze daar op, haar aldus een passende tempel toewijzend.

4; 6
Maar het zinloze hout en steen en het kostbaarste goud betoont inderdaad niet de kleinste eerbied aan de stoom, het bloed en de rook. Ze zijn zwart geblakerd door de wolken van rook die bedoeld zijn om hen te eren, maar ze luisteren niet naar de verering noch de beledigingen. Elk enkel levend wezen is meer waard dan deze standbeelden. En hoe het kon gebeuren dat deze zinloze dingen vergoddelijkt werden gaat al mijn begrip te boven, en ik heb diep medelijden met het gebrek aan begrip bij de mensen die op deze wijze jammerlijk dwalen. Want hoewel er enkele levende wezens zijn die niet over alle zintuigen beschikken, zoals wormen en rupsen, en al diegenen die ten eerste onvolmaakt zijn vanwege de omstandigheden van hun geboorte, zoals mollen en veldmuizen, die Nicander ‘blind en verschrikkelijk’ noemt, zijn deze toch beter dan deze beelden en standbeelden die volledig stom zijn. Want zij hebben in ieder geval enigszins gevoel, dat van horen, laten we zeggen, of van aanraken, of iets dat overeenkomt met geur of smaak.

Maar deze beelden hebben geen enkel zintuig. Er zijn ook vele soorten levende wezens, zoals de oesterfamilie, die niet kunnen zien, horen of praten, niettemin leven en groeien ze onder invloed van de Maan. Maar die beelden zijn bewegingloze dingen die niet in staat zijn om te bewegen of gevoel te hebben, ze zijn gebonden, vastgenageld en stevig bevestigd, gesmolten, gevijld, gezaagd, gepolijst en gesneden. De stomme aarde wordt onteerd wanneer beeldhouwers haar eigenaardige karakter verstoren en door hun kunst de mensen verleiden om die te aanbidden. Terwijl godenmakers, als ik nog een klein beetje verstand bezit, geen goden en demonen aanbidden, maar aarde en kunst, dat alles is wat beelden zijn. Want een standbeeld is echt levenloze materie die gevormd is door de handen van een ambachtsman. Maar in onze ogen is het beeld van God geen object van gevoel dat gemaakt is van materie welke waargenomen wordt door de zintuigen, maar een geestelijk object. God, dat wil zeggen, de enige ware God, wordt niet door de zintuigen waargenomen maar door de geest.

Vernietiging van de tempels

4; 7
Aan de andere kant, wanneer er een crisis ontstaat, leren de demonenaanbidders, de aanbidders van stenen, door ervaring om geen zinloze zaken te vereren. Want zij bezwijken aan de behoeften van het moment, en deze vrees voor demonen is hun ondergang. En terwijl hun hart de beelden minacht zijn zij zelf niet bereid om hun totale minachting voor hen te tonen, en wordt hun dwaasheid blootgelegd door de onmacht van de goden aan wie ze zijn opgedragen. Bijvoorbeeld, de tiran Dionysus de jongere ontdeed het beeld van Zeus op Sicilië van zijn gouden mantel en gaf opdracht om die te vervangen door een van wol, met de grappige opmerking dat die beter was dan degene van goud, omdat deze lichter was in de zomer en warmer in de winter.

Antiochus van Cyzicus, toen hij gebrek aan geld had, gaf opdracht om het gouden beeld van Zeus, vijftien el hoog, om te smelten, en een vergelijkbaar beeld van goedkoper materiaal bedekt met bladgoud er voor in de plaats te zetten. Zwaluwen en ook andere vogels nestelen zich op deze beelden en bevuilen die, geen aandacht schenkend aan de Olympische Zeus of Epidauriaanse Asclepius, nee, niet aan Athena Polias of de Egyptische Sarapis. En zelfs deze voorbeelden doen jou niet beseffen hoe ontdaan van gevoel deze beelden zijn. Maar er zijn bepaalde boosdoeners of vijanden tijdens de oorlog die uit liefde voor winst de tempels verwoesten, de gewijde offers plunderen en de beelden omsmelten. Als nu Cambyses of Darius of iemand anders zijn handen aan zulke daden vuilmaakt in een vlaag van waanzin, en als een van hen (Cambyses) de Egyptische god Apis verslaat, terwijl ik lach bij de gedachte aan hem als hij hun god doodt, ben ik desondanks verontwaardigd als winst het motief voor dit misdrijf is. Ik zal deze kwade daden daarom vrijwillig vergeten, die zien als het werk van hebzucht en geen blootlegging van de hulpeloosheid van de afgoden. Maar brand en aardbevingen hebben op geen enkele wijze winst als oogmerk.

Maar zij zijn niet bang of onder de indruk van de demonen of hun beelden, net zomin als de golven langs de met opgehoopte kiezelstenen bezaaide kust. Ik weet dat vuur jouw angst voor de demonen kan blootleggen en genezen. Als je met deze dwaasheid wilt stoppen, zal vuur jouw leidend licht zijn. Dit vuur was het dat de tempel in Argos en al haar priesters van Chryses verbrandde, en ook die van Artemis in Ephese (de tweede na de periode van de Amazonen). En het heeft vaak het Capitool van Rome verslonden, en spaarde zelfs de tempel van Sarapis in de stad van Alexandrië niet. De tempel van Dionysus Eleuthereus in Athene werd op dezelfde wijze vernietigd, en die van Apollo in Delphi werd eerst gegrepen door een storm en toen volkomen vernietigd door een ‘indrukwekkend’ vuur. Hier zag je een voorspel van wat vuur belooft om hierna te doen.

4; 8
Neem vervolgens de makers van beelden. Zetten zij jouw verstand niet volledig te schande door deze minachting voor louter materie? De Atheense Pheidas schreef op de vinger van de Olympische Zeus, ‘Pantacres is beeldschoon’, hoewel het niet Zeus Pantacres was die hij beeldschoon vond, maar zijn eigen favoriete met die naam. Praxiteles, zoals Poseidippus helder aantoont in zijn boek over Cnidus, toen hij het beeld maakte van de Cnidische Aphrodite, liet de godin lijken op de gedaante van zijn minnares Cratina, waardoor de ellendige mensen de minnares van de beeldhouwer moesten aanbidden. Toen Phryne, de Thespiaanse courtisane, op haar mooist was, gebruikten schilders alles om haar schoonheid te imiteren op de schilderijen van Aphrodite, net zoals de marmerbeeldhouwers Alcibiades kopieerden naar de buste van Hermes in Athene. Je moet maar naar eigen inzicht handelen in dit spel, en beslissen of je courtisanes wilt blijven aanbidden.

Mensen roepen zich uit tot goden

4; 9
Dit waren de feiten, denk ik, die de koningen van vroeger bezig hielden, en hun minachting voor de legenden, om zichzelf tot god uit te roepen. Dit deden ze zonder enige aarzeling, omdat er geen gevaar van de mensen kwam. Op deze wijze leerden zij ons dat andere goden ook mensen waren, onsterfelijk gemaakt vanwege hun bekendheid. Ceyx, de zoon van Aeolus, werd door zijn vrouw Alcyone met Zeus aangesproken, terwijl zij op haar beurt door haar echtegenoot Hera werd genoemd. Ptolemy was de vierde die Dionysus werd genoemd, net als Mithridates van Pontus. Alexander wilde de zoon van Ammon genoemd worden, en met hoorns door de beeldhouwers te worden uitgebeeld, zo gretig was hij om het mooie gezicht van een man geweld aan te doen met hoorns. Ja, en niet alleen koningen, maar ook privé-personen waren gewend om zichzelf te verheerlijken met goddelijke titels, zoals Menecrates de dokter, die er als Zeus uitzag.

Waarom moet ik aan Alexarchus denken? Zoals Aristus van Salamis vertelt, hij was een geleerde met de deugd van zijn wetenschap, maar hij veranderde zichzelf in de Zonnegod (Helius). En waarom Nicagoras noemen, een man van Zeleis door ras, in de tijd van Alexander levend, die Hermes werd genoemd en ook de kleding van Hermes droeg, volgens zijn eigen verklaring? Want hele landen en steden met al hun inwoners, de maskers van vleierij opzettend, kleineerden inderdaad de legenden over de goden, louter mensen, opgeblazen figuren met ijdele roem, mensen als zichzelf veranderend in de gelijke van de goden die ze buitensporige eer betoonden. Op een gegeven moment stelde zij in Cynosarges een wet vast die de aanbidding van Philip regelde, de zoon van Amyntas, de Macedoniër uit Pella, hij met het ‘gebroken sleutelbeen en het lamme been’, en een uitgeslagen oog. Over een ander, verkondigden zij dat Demetrius op zijn beurt een god was.

En op de plek waar hij afdaalde tijdens zijn nadering van Athene is nu een tempel van Demetrius de Verlichter (Cataebatus), terwijl zijn altaren overal staan. Er werden regelingen getroffen door de Atheners voor zijn huwelijk met Athena, maar hij minachtte de godin, niet in staat om met haar standbeeld te trouwen. Hij ging de Acropolis op, echter wel in gezelschap van de courtisane Lamia, en lag samen met haar in de bruidskamer van Athena, de houdingen van de jonge courtisane tentoonstellend aan de oude maagd. We moeten daarover niet boos zijn, zelfs niet over Hippo, die zijn dood zag als een vergoddelijking van zichzelf. Deze Hippo wilde dat het volgende couplet op zijn monument werd gegraveerd: Zie hier het graf van Hippo, die in de dood de gelijke werd van de onsterfelijke goden.

4; 10
Goed gedaan, Hippo, jij wijst voor ons de vergissingen van de mensen aan! Want hoewel zij je niet geloofden toen je nog kon spreken, laat je hen nu discipelen worden van een lijk. Dit is het orakel van Hippo. Laat ons de betekenis ervan begrijpen. Degenen die jullie aanbidden waren eens mensen, die later overleden. Legenden en het verloop van tijd schonk hen die eer. Want op de een of andere manier is het heden gewoon onze vertrouwdheid ermee te versmaden, terwijl het verleden, doordat de onmiddellijke blootstelling eraan is afgesneden vanwege de onduidelijkheden die tijd met zich meebrengt, is bekleed met een fictieve eer.

En terwijl de gebeurtenissen van het heden worden gewantrouwd, worden die van het verleden met eerbiedige bewondering bekeken. Als voorbeeld, van de dode mensen van vroeger, verheven door de lange periode van vergissingen, wordt geloofd dat zij goden zijn door hen die later zijn geboren. Hiervan vindt je bewijs in de oude mysteriën zelf, in de heilige festivals, in boeien, wonden en huilende goden: Wee, ja, wee mij! Dat Sarpedon, liefste van de stervelingen, gedoemd is te sneuvelen door de speer van Patroclus, zoon van Menoetius. (Homerus, Ilias 16.433) De wil van Zeus is overwonnen, en jouw oppergod, verslagen, jammerend omwille van Sarpedon. Je hebt gelijk om de goden ‘schaduwen’ (eidolon) te noemen en ‘demonen’. Want Homerus spreekt over Athena en haar medegoden als ‘demonen’, hen zo een kwaadaardig compliment gevend. Maar ze was vertrokken naar de Olympus, thuis van de schildvoerende Zeus, om zich aan te sluiten bij de rest van de demonen. (Homerus, Ilias 1.221).

Beelden komen van de aarde

4; 11
Hoe kunnen de schaduwen en demonen nu nog langer goden worden genoemd, terwijl ze in werkelijkheid onreine en walgelijke geesten zijn, door iedereen erkend als aards en verkeerd, aan de aarde gebonden, en ‘sluipend rond graven en tomben’, waar zij ook vaag verschijnen als ‘spookachtige verschijningen’ (Plato, Phaedo 81C)? Dit zijn jullie goden, deze schaduwen en geesten. En samen met hen gaan de ‘lamme en gerimpelde scheefogige goden’ (Homerus, Ilias 9.502), de Bidsters, dochters van Zeus, hoewel het meer waarschijnlijk is dat het dochters van Thersites zijn. Dus ik denk dat Bion een grappige opmerking maakte toen hij zich afvroeg hoe mensen waarlijk Zeus om knappe kinderen konden vragen, terwijl hij niet eens in staat was om dit voor zichzelf te doen. Helaas voor zulk een atheïsme! Zak weg in de aarde, zo ver als je kunt, onvergankelijke bestaan, en begraaf datgene wat onbevlekt en heilig is in de tomben. Zo hebben jullie de goden beroofd van hun echte en ware wezen.

Waarom, vraag ik mij af, heb je aan degenen die geen goden zijn de eer bewezen die aan God alleen toekomt? Waarom heb je de hemel verzaakt om eer aan de aarde te bewijzen? Want wat zijn goud, zilver, staal, ijzer, brons, ivoor en edelstenen anders? Zijn zij niet aards, en door de aarde gevormd? Zijn al deze dingen die je ziet geen nakomelingen van één moeder, de aarde? Waarom dan, ijdele en dwaze mensen, - opnieuw stel ik je de vraag, - hebben jullie de hoge hemel belasterd en de vroomheid naar beneden gesleurd door voor jezelf aardse goden te creëren? Waarom zijn jullie in de diepere duisternis afgedaald door deze duistere dingen te volgen in plaats van de ongeschapen God? Het Pariaanse marmer is mooi, maar is nog geen Poseidon. Het ivoor is prachtig, maar is nog geen Olympische Zeus. Materie zal altijd nodig zijn voor de kunst, maar God heeft dat niet nodig. Kunst ontwikkelt zich, materie wordt vormgegeven, en de kostbaarheid van het materiaal maakt het de moeite waard om het te stelen voor winst, maar de alleen de vorm maakt het tot een object van verering. Jullie standbeeld is god, van hout, van steen, of in jullie gedachten volg je het tot zijn oorsprong, de aarde, die zijn vorm heeft gekregen door de handen van de kunstenaar. Maar het is mijn gewoonte om over de aarde te lopen, en niet om die te aanbidden. Want ik vind het een zonde om hoop toe te vertrouwen aan zielloze dingen.

4; 12
We moeten de beelden zo dichtbij mogelijk benaderen om aan te tonen dat hun verschijning onlosmakelijk gebaseerd is op verkeerde uitgangspunten. Want hun figuren zijn onmiskenbaar voorzien van de karakteristieke kenmerken van demonen. Tenminste, als iemand rond de beelden en schilderijen zou lopen om ze te onderzoeken, zou hij onmiddellijk jullie goden herkennen aan hen onwaardige gedaanten. Dionysus aan zijn kleding, Hephaistus aan zijn handwerk, Demeter aan haar verdriet, Ino aan haar sluier, Poseidon aan zijn drietand en Zeus aan de zwaan. De brandstapel markeert Heracles, en als iemand een vrouw ziet die naakt wordt uitgebeeld, begrijpt hij dat dit de ‘gouden’ Aphrodite is. Zo werd de beroemde Pygmalion verliefd op een ivoren standbeeld, dat van Aphrodite was en naakt. De man van Cyprus was in de ban van de vormen en omarmde het standbeeld. Dit wordt verteld door Philostephanus.

Er was ook een Aphrodite in Cnidus, gemaakt van marmer en mooi. Hier werd een andere man verliefd op, en had gemeenschap met het marmer, zoals Poseidippus vertelt. Het verhaal van de eerste auteur staat in zijn boek over Cyprus, dat van de tweede in zijn boek over Cnidus. Kunst heeft zo’n kracht om te bedriegen dat het voor amoureuze mannen een gids naar de put der vernietiging werd, Vakmanschap is machtig, maar kan een rationeel wezen niet bedriegen, noch degenen die met verstand leven. Het is waar dat, bij levensechte schilderijen, duiven richting geschilderde duiven vliegen, en hengsten hinniken bij goedgetekende merries. Ze zeggen dat een meisje eens verliefd werd op een afbeelding, en een prachtige jongeman op een Cnidiaans beeld, maar het waren hun ogen die door kunst bedrogen werden. Want geen mens met zintuigen zou het standbeeld van een godin omarmd hebben, of begraven willen zijn met een levenloze minnaar, of verliefd zijn geworden op een demon van steen. Maar in jullie geval betreft de kunst niet de illusie om verliefd te worden op standbeelden en schilderijen, maar om die te eren en aanbidden.

Het schilderij, zeg je, is levensecht. Laat de kunst geprezen worden, maar laat het mensen niet bedriegen door de waarheid te pretenderen. Het paard staat onbeweeglijk, de duif fladdert niet, zijn vleugels zijn in rust. Toch misleidde de koe van Daedalus, gemaakt van hout, een wilde stier, en het beest, op een dwaalspoor gebracht door de kunst, was gedwongen een verliefde vrouw te benaderen. Dergelijke krankzinnige passies veroorzaakten de kunst, met hun verdorven kunstgrepen, ingeprent bij dieren zonder verstand. Zelfs apen weten wel beter. Zij verbazen hun verzorgers en eigenaren, omdat wassen figuren of meisjessieraden hen op geen enkele wijze kunnen bedriegen. Maar jullie, gek genoeg, bewijzen jezelf minderwaardig te zijn aan apen door de eer die jullie betonen aan standbeelden van steen en hout, goud en ivoor, en aan schilderijen. Dit is het verderfelijke speelgoed dat voor jullie gemaakt is door de marmerbewerkers, beeldhouwers, schilders, timmerlieden en dichters, die deze grote menigte van goden introduceerden. Saters en Pan’s in de velden, berg- en boomnimfen in de bossen, evenals Najaden in de meren, rivieren en bronnen, en Nereïden in de zee. Tovenaars gaan zo ver om te pochen dat demonen de assistenten zijn bij hun goddeloze daden. Zij hebben hen in dienst genomen als hun bedienden, en ze door hun bezweringen noodgedwongen tot hun slaven gemaakt.

Overspelige goden

4; 13
Verder, de huwelijken van de goden, hun daden voor het verwekken en baren van kinderen die de mensen vertellen, hun overspel dat door de dichters bezongen wordt, hun feesten die een thema van komedie bezitten, en de lachsalvo’s die boven hun bekers klinken, die mij vermanen om luid te wenen, zelfs als ik graag zou zwijgen, - Helaas voor dit atheïsme! Jullie hebben de hemel veranderd in een podium. Jullie kijken naar de goddelijke natuur als een onderwerp voor een drama. Achter de maskers van de demonen hebben van iets dat heilig is een komedie gemaakt. Want de ware aanbidding van God hebben jullie vervangen door een aanfluiting. Zing voor ons die prachtige regels, Homerus. Vertel over de liefde van Ares en de mooie Aphrodite, hoe zij in het geheim elkaar voor het eerst troffen in de zalen van Hephaistus. De vele geschenken die hij gaf, en het bed en de bank van Hephaistus die met schaamte werd bezoedeld. (Odyssee 8.267)

4; 14
Staakt het lied, Homerus. Er is geen schoonheid in, het propageert overspel. Wij zien er van af om te luisteren naar ontucht. Want wij, ja wij, zijn de mensen, die dit levende en bewegende beeld dragen over het beeld van God, een beeld dat bij ons woont, onze raadsman is, compagnon, de deler van onze haard, die met ons meevoelt, en voor ons voelt. We hebben een gewijd offer aan God gebracht om Christus’ wil. ‘We zijn het uitverkoren ras, het koninklijke priesterschap, een heilige natie, een volk van God, die in het verleden geen volk waren maar nu het volk van god zijn.’ Wij zijn degenen die, volgens Johannes, niet ‘van beneden’ zijn maar de waarheid hebben geleerd van Hem die van boven kwam, die de vrijstelling van God hebben begrepen, die geleerd hebben om ‘een nieuw leven in te gaan’.

Wellust overheerst

4; 15
Maar de meeste mensen omarmen deze gedachte niet. Schaamte en angst van zich afwerpend, hebben zij hun huizen versierd met afbeeldingen van de demonen die de onnatuurlijke lusten voorstellen. Met de liederlijkheid die in hun gedachte heerst, versieren zij hun kamers met hoog opgehangen beschilderde tabletten als beloftevolle offers, losbandigheid voor vroomheid houdend. En, terwijl zij op bed liggen, terwijl zij nog midden in hun omarmingen verkeren, richten zij hun blikken op de naakte Aphrodite, gevangen tijdens haar overspel. Om hun instemming met de aanwezige verwijfdheid te tonen, graveren ze de amoureuze vogel die boven Leda hangt in de rand van hun ringen, met behulp van een zegel dat de losbandigheid van Zeus weerspiegelt. Dit zijn de voorbeelden van uw wellust. Dit zijn de verhalen die goddelijke bevestiging geven voor een baldadig leven. Dit zijn de lessen die door de goden worden gegeven welke net als jullie ontuchtplegers zijn. ‘Want wat een man begeert, beeldt hij zich ook in dat het waar is,’ zegt de Atheense redenaar (Demosthenes, Olynthiacs 3.19).

Kijk ook naar andere van jullie afbeeldingen, - kleine figuurtjes van Pan, naakte meisjes, dronken Saters, en obscene emblemen, duidelijk tentoongesteld op afbeeldingen, en zichzelf veroordelend vanwege hun onfatsoenlijkheid. Erger nog, je ziet zonder schaamte alle houdingen van de kunst der losbandigheid openlijk in het openbaar afgebeeld. Maar wanneer zij hoog worden opgehangen (in huizen) waarderen jullie ze nog meer, net alsof zij werkelijk de beelden van jullie goden zijn. Want jullie zijn zeer toegewijd aan deze monumenten van schaamteloosheid in jullie huizen, en zijn net zo gretig om schilderijen met de houdingen van Philaenis aan te schaffen als de werken van Heracles. wij verklaren dat niet alleen het bezit ervan, maar ook het er naar kijken en er over spreken vergeten moet worden. Je oren hebben ontucht gepleegd. Je ogen hebben zichzelf geprostitueerd. En nog gekker, nog voor de omhelzing hebt u overspel gepleegd door je uiterlijk. Jullie hebben de mensheid geweld aangedaan, en het goddelijke beeld waarnaar zij is gecreëerd met schande gewist, jullie zijn volslagen ongelovigen waardoor je de gelegenheid geeft aan jullie passies. Jullie geloven in afgoden omdat jullie hunkeren naar hun gebrek aan zelfbeheersing. Je gelooft niet in God omdat je jezelf niet kunt beheersen. Jullie hebben een hekel aan het betere, en vereren het slechte. Jullie hebben jezelf tot toeschouwers van de deugd gemaakt, maar ware kampioenen van de ondeugd.

4; 16
De enige mensen, daarom, die met goedvinden, om het zo maar te zeggen, de ‘gezegenden’ genoemd kunnen worden, zijn degenen die de Sibylle beschrijft, ‘Wie, de tempels ziend, ze allemaal omver wil werpen, met de altaren, nutteloze heiligdommen van zinloos steen. Stenen beelden ook, en met de hand gemaakte standbeelden die met bloed bevlekt en nog warm zijn, en offers van vier- en tweevoeters, vogels en beesten (Sibyllaanse Orakels 4.24). Verlossing

4; 17
Verder is ons uitdrukkelijk verboden om bedrieglijke praktijken uit te voeren. Want de profeet zegt, ‘Gij zult geen gelijkenis maken van iets dat uit de hemel komt of uit de aarde.’ Is het mogelijk dat we nog steeds denken dat Demeter en Persephone en de mystieke Iacchus of Praxiteles goden zijn? Dienen we de meesterstukken van Lysippus of de werken van Apelles als goden te beschouwen, want zij waren het die goddelijke glorie schonken aan de materie? Maar wat jullie betreft, terwijl jullie veel moeite hebben om te ontdekken hoe een beeld het best gevormd kan worden tot de hoogst mogelijke staat van perfectie, denken er nooit over na om te voorkomen dat jullie zelf veranderen in beelden ter wille van de zintuigen. In ieder geval, met de grootst mogelijke eenvoud en bondigheid weerlegt de profeet met zijn woorden de gewoonten van afgoderij als hij zegt, ‘Alle goden van alle landen zijn beelden van demonen. Maar God schiep de hemel,’ en de dingen in de hemel. Sommigen, het is waar, vanaf dit punt startend, verdwalen, - ik weet niet hoe, - en aanbidden niet God maar zijn werk, de zon, de maan en de groep sterren er omheen, absurd denkend dat dit goden zijn, terwijl zij alleen maar instrumenten zijn om tijd te meten.

Want ‘door Zijn woord zijn ze stevig gevestigd. En al hun macht komt uit de adem uit zijn mond.’ Maar terwijl menselijk vakmanschap huizen bouwt, schepen, steden en schilderijen, hoe zal ik dan spreken over alles dat God creëert? Kijk naar het totale universum. Dat is Zijn werk, de hemel, zon, engelen en mensen zijn ‘het werk van Zijn handen.’ Groot is de macht van God! Zijn loutere wil is creatie. Want God is de enige die schept, omdat Hij de enige ware God is. Na een enkele wens is Zijn werk gereed, en het bestaan van de hele wereld volgde op een enkel bevel van Zijn wil. Hier keert de grote groep filosofen zich af, wanneer zij toegeven dat de mens door de overpeinzingen van de hemel mooi gemaakt is, en toch de dingen aanbidden welke verschijnen in de hemel en zich aan dit zicht vasthouden. Want hoewel de hemellichamen niet het werk van de mens is, zijn ze op zijn minst geschapen voor de mens. Laat niemand van jullie de zon aanbidden. Maar laat hem liever verlangen naar de schepper van de zon. Laat niemand het universum ontkennen. Laat hem liever zoeken naar de schepper ervan. Het lijkt er dus op dat er maar een toevlucht overblijft voor de mens die de leeftijd van de verlossing bereikt, en dat is goddelijke wijsheid. Van daar, als van een ongeschonden heilige tempel, kan geen enkele demon hem meer wegvoeren, als hij verder zoekt naar verlossing.

Hoofdstuk 5

De filosofen

5; 1
Laten we nu, als je wilt, de meningen doornemen die de filosofen, van hun kant, vol vertrouwen over de goden verkondigden. Misschien vinden we zo de filosofie zelf, door ijdelheid, die haar opvattingen over goddelijkheid uit materie haalt. Of anders kunnen we in het voorbijgaan tonen dat, wanneer bepaalde goddelijke krachten worden vergoddelijkt, ze in een droom de waarheid ziet. Sommige filosofen, lieten ons de eerste beginselen der elementen na. Water werd voor verering geselecteerd door Thales van Miletus, Lucht door Anaximenes uit dezelfde stad, die later werd gevolgd door Diogenes van Apollonia. Vuur en aarde werden geïntroduceerd als goden door Parmenides van Elea. Maar slecht één van deze elementen, namelijk vuur, is goddelijk volgens de veronderstellingen van zowel Hippasus van Metapontum en Heracleitus van Ephesus. En Empedocles van Acragas, koos voor een menigte, en rekent ‘liefde’ en ‘strijd’ tot zijn lijst van goden, in aanvulling op deze vier elementen.

5; 2
Deze mensen waren ook echte atheïsten, want met een dwaze voorstelling van wijsheid aanbaden zij materie. Zij, het is waar, vereerden geen stammen en stenen, maar maakten een god van de aarde, die de moeder van hen is. Ze maakten geen Poseidon, maar vereerden het water zelf. Want wat ter wereld is Poseidon, uitgezonderd een soort van vloeibare substantie dat naar posis, water, wordt genoemd? Net zoals, zonder twijfel, krijgshaftige Ares zo genoemd wordt naar arsis anadanairesis, vernieling en vernietiging. Dit is de voornaamste reden, denk ik, waarom vele stammen eenvoudig hun zwaarden in de grond steken en er dan aan offeren als aan Ares. Dit is de gewoonte van de Scyhiërs, zoals Eudoxus zegt in zijn tweede boek over Geschiedenis, terwijl de Sauromantiërs, een Scythische stam, een dolk aanbidden, volgens Hicesius in zijn boek over Mysteriën. Dit is ook het geval met de volgelingen van Heracleitus als zij het vuur aanbidden als bron van alle bestaan. En dit vuur is wat anderen Hephaistus noemen. De Perzische koningen en veel van de inwoners van Azië hebben eer bewezen aan het vuur, net als de Macedoniërs, zoals Diogenes zegt in zijn eerste deel van zijn Geschiedenis van Perzië.

Waarom zou ik aandringen op de Sauromantiërs, die Nymphodorus in zijn Barbaarse Gewoonten opvoert als aanbidders van vuur, of de Perzen, Meden en Magi? Dinon vertlet dat deze Magi offeren in de open lucht, in de overtuiging dat vuur en water de enige elementen van goddelijkheid zijn. Zelfs hun onwetendheid verberg ik niet. Want hoewel zij er behoorlijk van overtuigd zijn dat zij ontsnappen aan afgoderij, glijden zij toch weg in een andere misleiding. Zij stellen niet, zoals de Grieken, dat stammen en stenen emblemen van goddelijkheid zijn, noch ibissen en sluipwespen, naar de wijze van de Egyptenaren. Maar zij erkennen vuur en water, net als de filosofen. Het duurde vele eeuwen totdat zij beelden in menselijke gedaanten begonnen te aanbidden, zoals Berosus omschrijft in zijn derde boek over Chaldaeaanse Geschiedenis. Want deze gewoonte werd geïntroduceerd door Artaxerxes, de zoon van Darius en vader van Ochus, die de eerste was welke een standbeeld voor Aphrodite Anaitas oprichtte in Babylon, Susa en Ecbatana, en opdracht gaf tot aanbidding door de Perzen en Batrianen, in Damascus en Sardis. Laat de filosofen daarom bekennen dat Perzen, Sauromantiërs en Magi hun leraren waren, van wie ze de atheïstische doctrine van hun vereerde ‘eerste beginselen’ hebben geleerd. ‘Het grote voorbeeld’, de schepper van alle dingen, en bedenker van de ‘eerste principes’, God zelf zonder begin, kennen zij niet, maar bieden verering aan deze ‘zwakke en arme elementen,’ zoals de apostel hen noemt, gemaakt om de mens te dienen.

5; 3
Andere filosofen gingen voorbij aan de elementen en zochten ijverig naar een meer verheven en uitmuntend principe. Sommigen van hen vierden het lof van de Oneindige, zoal Anaximander van Miletus, Anaxagoras van Clazomenae, en Archelaus van Athene. Deze twee laatsten waren het eens om de Geest boven het Oneindige te plaatsen. Terwijl aan de andere kant Leucippus van Miletus en Metrodorus van Chios, zoals het lijkt, enkele eerste principes achterlieten zoals ‘volheid’ en ‘leegte’. Democritus van Abdera nam deze twee en voegde daar aan toe ‘beelden’. Nog was dit niet alles. Alcmaeon van Croton dacht dat de sterren waren begiftigd met leven en daarom goden waren. Ik zal de vermelding over de vermetelheid van de anderen niet nalaten. Xenocrates van Chalcedon imiteert dat de planeten zeven goden zijn en de geordende vaste sterren de achtste is. Evenmin zal ik de stoïcijnen achterwege laten, die zeggen dat de goddelijke natuur alle materie doordringt, zelfs in zijn laagste vormen.

Deze mensen bedekken eenvoudigweg alle filosofie met schaamte. Op dit punt aangekomen, denk ik, is er niets dat mij verhindert om ook Peripatetics ook te noemen. De vader van deze sekte (Aristoteles), omdat hij de Vader van alle dingen niet waarnam, denkt dat hij die de ‘Hoogste’ wordt genoemd de ziel is van het universum. Dat wil zeggen tegenwoordig, hij veronderstelt dat de ziel van de wereld god is, en zo doorboord wordt met zijn eigen zwaard. Want hij verklaart eerst dat voorzienigheid allen geldt tot aan de maan. Dan spreekt hij zichzelf tegen door te stellen dat het universum God is, bewerend dat datgene wat geen aandeel in God heeft God is. Aristoteles’ leerling, de gevierde Theophrastus van Eresus, veronderstelt op de ene plek dat God de hemel is, en ergens anders dat God een geest is. Alleen Epicurus zal ik uit mijn geheugen bannen, geheel vrijwillig, want hij, voornaam in goddeloosheid, denkt dat God niets om de wereld geeft. wat dan te denkenvan Heracleides van Pontus? Is er een enkele plek waar ook hij niet naar toe is getrokken vanwege de ‘beelden’ van Democritus?

© 2017 Maarten Hendriksz