Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Dictys Cretensis - Journaal van de Trojaanse Oorlog

Bron: www.theoi.com

The Trojan War. The Chronicles of Dictys of Crete and Dares the Phrygian. Translated by R. M. Frazer (Jr.). Indiana University Press. 1966. Vertaald uit het Engels door Maarten Hendriks.

Boek 1

Brief

Lucius Septimus stuurt zijn groeten naar Quintus Aradius Rufinus.

Dictys van Kreta schreef zijn Journaal van de Trojaanse Oorlog in het Phoenicische alfabet, dat Cadmus en Agenor door heel Griekenland hebben verspreid. Dictys heeft samen met Idomeneus gediend in de oorlog.

Na vele eeuwen stortte het graf van Dictys in Cnossus (vroeger de zetel van de koning van Kreta) van ouderdom in. Toen troffen herders, die in de buurt van de ruïne zwierven, een kleine tinnen doos aan. Zij dachten dat het een schat was, en braken die snel open, maar eenmaal open, troffen zij, in plaats van goud of andere rijkdom, boeken aan die geschreven waren op lindehouten tabletten. Zwaar teleurgesteld brachten zij hun vondst naar Praxis, de eigenaar van het paleis. Praxis heeft de tabletten vertaald naar het Attische alfabet (de taal was Grieks) en schonk ze aan de Romeinse keizer Nero. Nero beloonde hem rijkelijk.

Toen ik deze kleine boeken toevallig in handen kreeg, voelde ik, een student van de ware geschiedenis, een groot verlangen om hiervan een Latijnse vertaling te maken. Ik wist dat ik geen speciaal talent had maar wilde wat te doen hebben in mijn vrije tijd. Zonder weglating heb ik de eerste vijf delen intact gelaten die zich bezighielden met de gebeurtenissen tijdens de oorlog, maar de andere ingekort tot één deel welke zich over de de Terugkeer van de Grieken gaat. Zo, mijn Rufinus, heb ik ze naar jou gestuurd. Gun mijn werk de eer die het verdient, tijdens het lezen van Dictys…

Inleiding

Inleiding
Dictys, een inwoner van Kreta uit de stad Cnossus en een tijdgenoot van de Atriden , kende de Phoenicische taal en het alfabet, dat Cadmus naar Achaea bracht. Hij vergezelde de aanvoerders Idomeneus en Meriones met het leger dar naar Troje ging. (Idomeneus en Meriones waren de zoons van Deucalion en respectievelijk Molus.) Ze kozen hem uit om de geschiedenis van deze campagne op te schrijven. Dienovereenkomstig, schrijvend op lindehouten tabletten en gebruikmakend van het Phoenicische alfabet, componeerde hij negen delen over de hele oorlog.

De tijd verstreek. In het dertiende jaar van zijn bewind trof een aardbeving Cnossus en, ten gevolge van de verwoestingen, kwam het graf van Dictys op zodanige wijze bloot te liggen dat mensen, wanneer zij passeerden, de kleine doos konden zien. En herders deze het hadden gezien toen zij langskwamen stalen het uit het graf, in de veronderstelling dat het een schat was. Maar toen zij die openmaakten en de lindehouten tabletten vonden die met letters waren beschreven die zij niet kenden, brachten zij die naar hun meester. Hun meester, wiens naam Eupraxides was, herkende de letters, en gaf de boeken aan Rutilius Rufus, die op dat moment gouverneur van hat eiland was. Daar Rufus, toen de boeken aan hem werden gegeven, dacht dat zij bepaalde geheimen bevatten, bracht hij die, samen met Eupraxides, naar Nero. Nero gaf opdracht, nadat hij de tabletten had ontvangen en merkte dat ze in het Phoenicische alfabet waren geschreven, aan zijn Phoenicische filologen om naar hem toe te komen en te ontcijferen wat er was geschreven. Toen dit was gebeurd, besefte hij dat dit de aantekeningen waren van een oude man die in Troje was geweest, en liet ze in het Grieks vertalen. Zo werd een nauwkeuriger tekst van de Trojaanse Oorlog voor iedereen bekend. Toen gaf hij geschenken en het Romeinse burgerschap aan Eupraxides, en stuurde hem terug naar huis.

De Griekse Bibliotheek, volgens het bevel van Nero, verwierf deze geschiedenis die Dictys had geschreven, waarvan de inhoud onderstaand op volgorde wordt weergegeven.

De erfenis van Minos

1; 1
Alle koningen die de achterkleinzoons van Minos waren, de zoon van Zeus, en over Griekenland heersten, kwamen naar Kreta om de rijkdommen van Catreus te verdelen. Catreus, de zoon van Minos, toen hij zijn testament opmaakte, vermaakte al zijn goud en zilver, en zelfs zijn kudden, aan hen. Want zij waren zijn kleinkinderen. De zoons van zijn dochters. Alles werd gelijkelijk onder hen verdeeld, uitgezonderd de heerschappij over zijn steden en landen. Die liet hij na aan Idomeneus, de zoon van Deucalion, en Meriones, de zoon van Molus. Onder diegenen die naar Kreta kwamen waren Palamedes en Oeax, de zoons van Clymene en Nauplius. Ook Menelaüs en zijn ouder broer Agamemnon, de zoons van Aerope en Pleisthenes, kwamen om hun aandeel op te halen. (Zij hadden een zuster, Anaxibia, die op dat moment getrouwd was met Nestor.) De mensen dachten vaak dat hun vader Atreus was, omdat hun echte vader, Pleisthenes, jong gestorven was zonder een echte naam op te bouwen. Atreus, die medelijden had met hun benarde situatie, nam ze op in zijn huis en bracht ze groot als prinsen. Ten gevolge van Catreus’ bezittingen verwierf iedereen een aardige erfenis die bij zijn rang paste.

1; 2
Alle nakomelingen van Europa (Zij werd op Kreta met de meest uitgebreide rituelen vereerd), toen zij vernamen dat de erfgenamen van Catreus waren geland, haastten zich om hen vriendelijk welkom te heten. Ze begeleidend naar de tempel, vermaakten zij hen rijkelijk met elegante banketten, en offerden, in overeenstemming met hun oude gewoonten, vele menselijke offers. Zo, dag na dag, genoten de koningen van Griekenland verheugd van dit vermaak. Zij waren echter, nog meer onder de indruk van de Tempel van Europa, zo prachtig was de schoonheid van dit gebouw, zo rijk aan versieringen. Al deze prachtige kenmerken bewonderen, riepen zij in gedachten op hoe Europa’s vader, Phoenix, en diens edele vrouw, al deze zaken vanuit Sidon hadden gebracht

Schaking van Helena

1; 3
Gelijkertijd verwelkomde het huis van Menelaüs in Sparta de Phrygiër Alexander , de zoon van Priamus, die met andere familieleden was aangekomen. Alexander, profiterend van de afwezigheid van Menelaüs, beging een grote fout. Wanhopig verliefd geworden op Helena, de mooiste vrouw van Griekenland, ontvoerde hij haar, samen met veel andere schatten, alsmede Aethra en Clymene, de familieleden van Menelaüs, die Helena aanspoorden om mee te gaan. Een verslag over deze misdaad bereikte Kreta. Maar het gerucht, zoals zo vaak gebeurt, verspreidde zich over het eiland, hetgene wat Alexander had gedaan erger makend dan het was. De mensen zeiden zelfs dat koning Menelaüs’ huis door storm was verwoest en dat zijn koninkrijk was veroverd.

1; 4
Nadat Menelaüs dit nieuws hoorde, was hij diep geschokt over de ontvoering van zijn vrouw, maar hij was nog meer verstoord over het feit dat de familieleden die we zojuist hebben genoemd, hem zo’n onrecht hadden aangedaan. Palamedes merkte op dat de koning, radeloos door woede en rechtvaardige verontwaardiging, alle verstand had verloren. Bijgevolg, maakte hij de schepen klaar voor vertrek en bracht ze naar de wal met heel hun uitrusting. Zoveel van Menelaüs’ erfenis inladend als mogelijk was onder de gegeven omstandigheden, betuigde hij kort maar passend zijn medeleven, en liet de koning vertrekken. En zo, terwijl de wind gunstig waaide, kwamen zij binnen een paar dagen in Sparta aan. Agamemnon, Nestor, en alle leiders van Griekenland die afstammelingen van Pelops waren, nadat zij het nieuws hoorden, hadden zich al in Sparta verzameld. Toen zij de aankomst van Menelaüs vernamen, kwamen zij allen bijeen. Als eerste, vanwege de barbaarsheid van de daad eisten zij onmiddellijke wraak, besloten zij om gezanten naar Troje te sturen. Palamedes, Odysseus en Menelaüs werden gekozen om te gaan, en geïnstrueerd om een klacht in te dienen over deze misdaad en de teruggave van Helena te eisen inclusief de rijkdommen die waren meegenomen.

Roof en moord in Phoenicië

1; 5
Deze, nadat zij binnen een paar dagen in Troje waren aangekomen, troffen Alexander niet thuis aan. Want hij was toen hij met zijn schip uit Sparta vertrok, gehaast zonder aan het weer te denken, was door de wind gedwongen om naar Cyprus te zeilen. Nadat hij zich enkele schepen had aangeschaft, ging hij vervolgens naar Phoenicië, waar de koning van de Sidoniërs hem vriendelijk ontving. Maar hij slachtte ’s nachts de koning trouweloos af en, opnieuw lucht gevend aan zijn criminele aard die hij in Sparta had getoond, plunderde het paleis. Schaamteloos gaf hij zijn mannen opdracht om alles te grijpen met als doel te koninklijke pracht en praal te tonen, en het naar de schepen te brengen. Onder de Sidoniërs, die aan de algehele slachting waren ontsnapt, ontstond een enorm tumult, en beweenden het lot van hun heerser. Alle mensen haastten zich naar het paleis, en toen, zich zo goed mogelijk bewapenend, snelden zij naar de schepen. Want Alexander had alles wat hij wilde meegenomen en probeerde snel uit te varen. Er ontstond een verwoede strijd, en er sneuvelden vele mensen aan beide zijden. Terwijl de Sidoniërs vochten vanwege de moord op hun koning, streefden de Trojanen er naar om uit alle macht de geroofde buit in bezit te houden. Twee van hun schepen werden in brand gestoken. Maar zij wisten, uiteindelijk, na een verschrikkelijke strijd, met de anderen te ontsnappen. En zo, na de kracht van hun vijanden gebroken te hebben, ontsnapten zij.

Palamedes klaagt Troje aan

1; 6
Ondertussen in Troje, haalde één van de gezanten, Palamedes, (hij stond bekend als een kundig adviseur en diplomaat), Priamus over om hem te laten spreken tijdens een bijeenkomst van de Raad. Eerst uitte hij zijn klacht, de misdadige manier beschrijvend waarop Alexander de wederzijdse banden van vriendschap had verbroken. Vervolgens, waarschuwde hij voor het verschrikkelijke conflict dat er tussen Troje en Griekenland kon ontstaan als gevolg van deze daad, verwijzend, naast andere voorbeelden, naar de vete tussen Ilus en Pelops , die om soortgelijke reden hun landen tot een oorlog hadden gedreven. Toen, de gevaren van de oorlog vergelijkend met de zegeningen van vrede, zei hij dat wist dat de meeste van de Trojanen deze barbaarse misdaad veroordeelden. Allen zouden diegenen die schuldig waren willen uitleveren, en de schuldigen zouden moeten betalen voor hun misdadige praktijken.

Palamedes wilde een eind maken aan zijn toespraak, maar Priamus onderbrak hem en zei: ‘Ik smeek u, Palamedes, om niet haastig te oordelen. Het lijkt oneerlijk om een man aan te vallen die niet aanwezig is, die, als hij aanwezig was, de beschuldiging van de misdadige praktijken die u tegen hem inbrengt misschien kan weerleggen.’ Dus gaf Priamus opdracht aan Palamedes om zijn aanklacht op te schorten totdat Alexander arriveerde. Hij had gemerkt dat iedereen die bij de Raad aanwezig was geroerd was door Palamedes’ redevoering. Hoewel ze zwegen, lieten zij met hun gezichten merken dat zij de dingen die Alexander had gedaan veroordeelden. Palamedes bracht zijn argumenten met een prachtige welsprekendheid, en er was een bepaalde onbeschrijflijke kracht in de aandoenlijke toon van zijn redevoering. De raad ging voor die dag uiteen. De gezanten gingen naar het huis van Antenor, blij om zijn gasten te mogen zijn. Hij was een stijlvolle gastheer en een man die, meer dan iemand anders, hield van het goede en de waarheid.

Aankomst van Alexander in Troje

1; 7
Verschillende dagen gingen voorbij, en Alexander arriveerde met de metgezellen die we hierboven genoemd hebben, en ook met Helena. Tijdens zijn aankomst, toonden alle mensen hun afkeer over hetgeen hij gedaan had. Sommigen vervloekten het kwade precedent dat hij had geschapen, anderen beweenden het onrecht dat Menelaüs was aangedaan. En uiteindelijk, walgend en boos, kwamen zij in opstand. Priamus, gealarmeerd door de gang van zaken, riep zijn zoons bijeen en vroeg wat zij adviseerden. Zij antwoordden unaniem dat, ongeacht wat er gebeurd was, Helena niet teruggegeven mocht worden. Zij zagen, zonder twijfel, dat wanneer dit zou gebeuren, zij alle rijkdommen zouden verliezen die met haar meegekomen was. Bovendien, waren zij verliefd geworden op de mooie vrouwen in het gezelschap van Helena en hadden hun zinnen er al op gezet om met een van hen te trouwen. Barbaars in taal en zeden, en ongeduldig om hun acties af te wegen of advies te vragen, werden zij voortgedreven door hebzucht voor buit en lust.

1; 8
Zijn zoons verlatend, riep Priamus de ouderen bijeen. Nadat hij hen had verteld wat zijn zoons hadden besloten, vroeg hij elke lid om zijn advies te geven. Dit was de gewoonte. Maar voordat iemand zijn mening kon geven, brak de prins plotseling in bij de Raad en – dit was nog nooit gebeurd – bedreigde alle aanwezigen. Zij konden beter niet tegen zijn wil ingaan. Ondertussen vervloekten en schreeuwden alle mensen de misdaad die Alexander had gepleegd en vele andere soortgelijke daden. Dit zorgde ervoor dat Alexander, die door zijn passie roekeloos was, zichzelf met gewapende broers omringde en een aanval op de menigte uitvoerde. Want hij was bang dat de mensen hem iets zouden aandoen. Velen werden gedood, maar uiteindelijk werd de slachtpartij gestopt door diegenen die in de Raad aanwezig waren geweest, de edelen geleid door Antenor. Dus keerden de mensen terug naar hun huizen, hun aantal niet onverminderd, gefrustreerd omdat zij hun doel niet hadden bereikt en geminacht werden. Stambomen

1; 9
De volgende dag ging koning Priamus, op aandringen van Hecabe, naar Helena. Haar vriendelijk begroetend, drong hij er bij haar op aan om zich thuis te voelen en vroeg wie zij was en wat haar familie was. Ze antwoordde dat ze Alexander’s gezellin was en nauwer verwant met Priamus en Hecabe dan met de zoon van Plisthenes. Ze ging door de hele lijst van haar voorouders. Danaüs en Agenor waren haar stamvaders, respectievelijk, die van Priamus en van haar. De dochter van Danaüs was Hesione, die via Atlas bevallen was van Electra. Electra was van Dardanus bevallen bij Zeus. En van Dardanus stamden Tros en, in volgorde van opvolging, de andere koningen van Troje. En wat Agenor betreft, hij was vader van Taygete, en zij had Lacedaemon gebaard aan Zeus. Lacedaemon werd vader van Amyclas, en hij weer van Argalus, de vader van Oebalus. Het was welbekend dat Oebalus de vader van Tyndareus was, en hij, zo leek het, was haar vader. Ze somde ook de relaties van haar moeders familie met Hecabe op, want de zoon van Agenor, Phoenix, was de voorvader van zowel Leda en van Hecabe’s vader, Dymas. Na de onthulling van haar stamboom, barste zij in tranen uit en smeekte hem om haar niet terug te sturen. Nu dat de Trojanen haar welkom hadden geheten, en ze haar vertrouwen in hen gesteld had, moesten zij niet trouweloos zijn. Alles wat Alexander had meegenomen uit het huis van Menelaüs was van haar. Niets anders was er meegenomen. Het was onduidelijk waarom zij op deze manier op haar belangen toezag. Was het vanwege haar onkuise liefde voor Alexander, of uit angst voor de straf die haar echtgenoot zou uitvoeren vanwege haar desertie?

Helena moet blijven

1; 10
Toen Hecabe op de hoogte gesteld was van Helena’s houding en de relatie tussen hun families, omhelsde ze haar en deed alles wat ze kon om te voorkomen dat zij teruggestuurd zou worden. Maar tegen die tijd zeiden Priamus en de meeste prinsen dat zij de gezanten niet langer in het ongewisse konden laten of zich verzetten tegen de wil van het volk. (Deïphobus was de enige die de kant van Hecabe koos, want zijn oordeel, net als Alexander, was beïnvloed vanwege zijn begeerte naar Helena.) Hecabe, bleef echter bemiddelen namens Helena en klampte Priamus en al haar zoons aan die aanwezig waren. Zij kwamen erachter dat het onmogelijk was om Helena uit haar armen te trekken en besloten, uiteindelijk, te doen wat zij wenste. Dus door haar invloed als moeder en vrouw bracht ze het welzijn van haar land in opspraak.

De volgende dag kwam Menelaüs, in gezelschap van de andere afgezanten, naar de Raad. Hij eiste de teruggave van zijn vrouw en de zaken die Alexander had meegenomen. Toen zei Priamus, midden tussen de prinsen staand en om stilte roepend, dat Helena (die met dit doel in het openbaar was verschenen om door de mensen gezien te worden) het recht had om zelf te beslissen. Toen hij haar vroeg, ‘Wil je naar huis toe?’ was haar antwoord, zoals wordt gemeld, ‘Nee.’ Ze was niet onvrijwillig meegezeild, zei ze, vanwege haar huwelijk met Menelaüs dat haar niet paste. En zo verlieten de prinsen, jubelend, de vergadering met Helena.

1; 11
Toen zij vertrokken waren, pleitte Odysseus, hoewel hij wist dat niets wat hij zei enig verschil zou maken, met alle mogelijke argumenten. Hij liet alles wat Alexander gedaan had de revue passeren en zwoer dat de Grieken snel deze misdaden zouden wreken. Vervolgens brak Menelaüs, vol woede en donker fronsend, de bijeenkomst af met dreigingen over vernietiging. Toen Priamus’ zoons verteld werd wat er gebeurd was, zwoeren zij in het geheim de afgezanten te ontvoeren. Zij geloofden, terecht, dat de afgezanten, nadat hun missie gefaald was, terug zouden keren naar Griekenland en een grootste oorlog tegen Troje zouden ontketenen. Antenor, wiens vrome karakter we hierboven vermeld hebben, verijdelde echter dit complot. Hij ging naar Priamus, en klaagde over de samenzwering. Priamus’ zoons zwoeren niet samen tegen de afgezanten, maar tegen zichzelf, en dit kon hij niet verdragen. Kort daarna informeerde hij de afgezanten. Alle voorzorgsmaatregelen werden dus genomen. Hij gaf ze een bewaker, en bij de eerste gelegenheid, stuurde hij ze ongedeerd naar huis.

Terugkeer van de afgezanten naar Griekenland

1; 12
Terwijl dit in Troje gebeurde, verspreidde het nieuws van de ontvoering zich door heel Griekenland. Alle afstammelingen van Pelops kwamen samen en verbonden zich met wederzijdse eden. Als Helena niet werd teruggestuurd met de spullen die Alexander had meegenomen, zwoeren zij om oorlog tegen Priamus te voeren. De afgezanten, nadat zij in Sparta waren teruggekeerd, vertelden over het besluit van Helena en beschreven de vijandige woorden en daden tegen hen van Priamus en zijn zoons. Maar zij prezen Antenor met grootse woorden over de goede trouw die hij had betoond. De leden van de Griekse Raad, nadat zij dit verslag hadden gehoord, besloten om voorbereidingen voor de oorlog te treffen in hun verschillende gebieden en koninkrijken. Zij kozen Argos dat het rijk van Diomedes was, als een goede plek om elkaar te treffen en plannen voor de oorlog te maken.

De Grieken verzamelen zich

1; 13
Toen de tijd juist leek, was Ajax, de zoon van Telamon, die bekend stond om zijn moed en in niet geringe mate om zijn grote lichaam, de eerste die aankwam, in gezelschap van Teucer, zijn broer. Kort daarna kwamen Idomeneus en Meriones, die elkaars beste vrienden waren. (Ik kwam met hen mee. Over wat er eerder in Troje gebeurde, heb ik geprobeerd om mijn verslag zo accuraat mogelijk te maken, waar Odysseus de bron van was. Het verslag dat nu volgt, dat is gebaseerd op mijn eigen observaties, zal, naar ik hoop, de hevigste kritiek kunnen doorstaan.) Ook Nestor kwam naar Argos, vergezeld van Antilochus en Thrasymedes, zijn zoons bij Anaxibia. Daarna kwam Peneleus met zijn neven Clonius en Arcesilaus. En deze werden gevolgd door twee leiders van de Boeotiërs, Prothoënor en Leitus. Schdius en Epistrophus kwamen uit Phocis. Ascalaphus en Ialmenus uit Orchomenus. Toen kwamen Diores en Meges, zoons van Phyleus. Daarna Thoas, de zoon van Andraemon. Eurypylus, de zoon van Evaemon, uit Ormenion. En toen Leonteus.

1; 14
Vervolgens arriveerde Achilles, de zoon van Peleus en Thetis. (Thetis, zeggen zij, was de dochter van Chiron.) Achilles verkeerde net in de eerste jaren van zijn volwassenheid, een edele jongeling en knap. Zijn ambitie voor de oorlog was zo groot dat hij nu al bekend stond als de dapperste kampioen. Niettemin, het moet worden erkend, had hij een bepaald onevenwichtig karakter, en een woest ongeduld. Hij werd vergezeld door Patroclus, zijn dierbaarste vriend, en Phoenix, zijn voogd en leraar. Toen kwam Tlepolemus, de zoon van Heracles, en na hem, Phidippus en Antiphus, de kleinzoons van Heracles, die schitterende harnassen droegen. Na hen kwam Protesilaus, de zoon van Iphiclus, met zijn broer Podarces. En Eumelus uit Pherae was daar. (Eumelus’ vader, Admetus, had zijn leven eens verlengd omdat zijn vrouw voor hem stierf.) Podalirius en Machaon kwamen uit Tricca, de zoons van Asclepius, die waren opgeroepen om als artsen te dienen.

Toen kwam Philoctetes, de zoon van Poeas, die de prachtige boog en pijlen van Heracles droeg, die hij vroeger had gediend. (Als een beloning voor zijn diensten, had Heracles, toen hij zich bij de goden voegde, deze wapens aan hem gegeven.) Toen kwam de knappe Nireus. Menestheus kwam uit Athene. Ajax, de zoon van Oileus, uit Locris. Amphilochus, de zoon van Amphiaraus, en Sthenelus. De zoon van Capaneus, uit Argos, en bij hem was Euryalus, de zoon van Mecisteus. Thersander, de zoon van Polynices, kwam uit Aetolië. En als laatsten, Demophon en Acamas. Dit waren allen afstammelingen van Pelops. Zij werden gevolgd door een groot aantal anderen, uitkomstig uit de verschillende regio’s, sommigen waren bedienden van koningen, en anderen waren zelf machthebbers. Het is echter zinloos om een lijst van hun namen te geven.

Het Verbond

1; 15
Toen iedereen zich in Argos verzameld had, leverde Diomedes de noodzakelijke behoeften om hen zich thuis te laten voelen. Agamemnon verdeelde een grote hoeveelheid goud dat hij met zich meegebracht had uit Mycene, waardoor hun verlangen naar de oorlog nog meer toenam. Toen besloten zij unaniem hun verbond als volgt te bezegelen: De ziener Calchas, de zoon van Thestor, die opdracht had gegeven om een zwijn in hun midden te brengen, sneed dat in tweeën en lag de stukken in oostelijke en westelijke richting. Toen gaf hij aan iedereen opdracht om hun zwaarden te trekken en langs het offer te lopen. Zo, hun zwaarden besmeurend met het bloed van het zwijn, voltooiden zij de vereiste rite, en bonden zich aan de oorlog tegen Priamus. Zij zwoeren te vechten totdat Troje en Priamus’ hele koninkrijk totaal was vernietigd. Nadat deze eed was afgenomen en zij zich met een bad gereinigd hadden, offerden zij vele offers aan Ares en Eendracht, om zo de steun van deze goden af te smeken.

1; 16
Toen besloten zij om een legerleider te benoemen. Bijgevolg ontving iedereen, in de tempel van de Argivische Hera, een stembriefje, en schreef daarop de naam (in Phoenicische letters) van de man waarvan mern dacht dat deze de beste aanvoerder zou zijn. Agamemnon werd gekozen en zo, met blijmoedige instemming van iedereen, nam hij de leiding van de strijdkrachten op zich. Hij verdiende deze positie om twee redenen: Ten eerste, hij was de broer van de man ter wille waarvan iedereen ten strijde trok. Ten tweede, hij werd beschouwd als de rijkste en machtigste koning in Griekenland. Daarna benoemden zij Achilles, Ajax en Phoenix als de aanvoerders die verantwoordelijk waren voor de vloot, en gaven Palamedes, Diomedes en Odysseus het gezamenlijk commando over het legerkamp, dat wil zeggen, de dagelijkse routinezaken en de bewaking tijdens de nacht. Nadat zij deze regelingen hadden getroffen, vertrokken de Grieken naar hun verschillende koninkrijken om hun legers uit te rusten en gereed te maken voor de oorlog. In de daarop volgende periode ontstond er een heftig verlangen naar oorlog bij de Grieken. Binnen twee jaar was iedereen klaar. Wapens voor verdediging en aanval, paarden en schepen. De mannen hadden hun werk versneld, sommigen handelend uit een natuurlijke interesse, anderen wedijverend vanwege de roem die hun makkers vergaarden. Zij voelden, begrijpelijk genoeg, dat hun grootste taak het bouwen van een grote vloot was. Het vertrek van de vele duizenden soldaten, wanneer zij eenmaal uit alle windhoeken bijeen waren gebracht, mocht geen vertraging oplopen door gebrek aan schepen.

1; 17
Zo hadden aan het eind van die twee jaar alle koningen, variërend in aantallen, schepen uitgerust naar de rijkdom en kracht van hun koninkrijken, en die naar Aulis in Boeotië gestuurd, de havenplaats die zij hadden uitgekozen. Agamemnon bracht een vloot samen van 100 schepen uit Mycene, naast 60 anderen uit de verschillende steden die in zijn macht waren. Hij stelde Agapenor aan als aanvoerder. Nestor ruste een vloot van 90 schepen uit. Menelaüs had 60 schepen uit heel Lacedaemon. Menestheus 40 uit Athene. Elephenor 40 van Euboea. Ajax, de zoon van Telamon, 12 uit Salamis. Diomedes 80 uit Argos. Ascalaphus en Ialmenus 30 uit Orchomenus. Ajax, de zoon van Oileus, 40. Arcesilaus, Prothoënor, Peneleus, Leitus en Clonius 50 uit heel Boeotië. Schedius en Epistrophus 50 uit Phocis. Thalpius en Diores, samen met Amphimachus en Polyxenus, 40 uit Elis en de andere steden in dit gebied. Thoas 40 uit Aetolië. Meges 40 van Duluchium en de Echidneïsche Eilanden. Idomeneus en Meriones 80 uit Kreta. Odysseus 12 van Ithaca. Prothoüs 40 van Magnesia. Tlepolemus 9 van Rhodos en de andere eilanden in de buurt. Eumelus 11 van Pherae. Achilles 50 uit het Pelasgische Argos. Nireus met 3 van Symne. Podarces en Protesilaüs 40 van Phylace en de andere steden die zij controleerden. Podalirius en Machaon 30. Philoctetes 7 van Methone en andere steden. Eurypylus 40 uit Ormenium. Guneus 22 vanuit Perrhaebia. Leonteus en Polypoetes 40 uit hun gebieden. Phidippus en Antiphus 30 van de eilanden Cos en Crapathos. Thersander (de zoon van Polynices, zoals we boven genoemd hebben) 50 van Thebe. Calchas 20 van Acarnië. Mopsus 20 van Colophon, en Epeius 30 van de eilanden der Cycladen. Zij vulden hun schepen met grote hoeveelheden graan en andere noodzakelijke goederen. Agamemnon had hen natuurlijk opdracht gegeven om dit te doen, opdat een dergelijk groot leger niet in de problemen zou komen door gebrek aan voorraden.

1; 18
In aanvulling op deze enorme armada, waren er paarden en strijdwagens, in grote aantallen, gezien hun gebrek aan goede weilanden in Griekenland. De voetsoldaten overtroffen echter de cavalerie met grote aantallen. Er waren ook vele vaklui die nodig waren om de schepen te besturen en te onderhouden. Gedurende deze periode waren wij niet in staat, noch door omkoping of door de invloed van Phalis, de koning van de Sidoniërs, om de Lycische Sarpedon te verleiden om ons verbond te volgen. Priamus, door grotere geschenken aan te bieden, had zijn steun aan de Trojanen reeds gewonnen. Het duurde vijf jaar voordat alle schepen (die, zoals we hierboven hebben beschreven, bijeen werden gebracht vanuit de verschillende gebieden in Griekenland) klaar waren en volledig uitgerust. Toen ons echter niets meer verhinderde, behalve de afwezigheid van soldaten, om uit te zeilen, kwamen al onze leiders, op hetzelfde ogenblik, alsof er een signaal was gegeven, bijeen in Aulis.

Agamemnon beledigt Artemis

1; 19
Terwijl wij ons haastten om uit te zeilen, had Agamemnon (die, zoals we hierboven gezegd hebben, unaniem tot legerleider was gekozen) welke op de een of andere manier verdwenen was uit het kamp, een geit opgemerkt die in de buurt van het bos van Artemis graasde en, geen ontzag hebbend voor de plek, het dier met zijn speer gedood. Kort daarna, ofwel vanwege hemelse woede of door atmosferische storingen, werden wij door de pest getroffen. Dagenlang trof deze ons in alle hevigheid, vele duizenden vernietigend zonder aanziens des persoons, iedereen treffend die in de weg stond, er was geen ontsnappen aan, geen eind aan het sterven.

Terwijl onze aanvoerders op zoek waren naar een remedie, bleek een bepaalde vrouw , door goddelijke inspiratie, de oorzaak van onze ellende te hebben onthuld: de woede van Artemis. De godin strafte het leger om de heiligschennis vanwege het doden van de geit waarop zij bijzonder was gesteld. Zij zou niet eerder verzoend worden totdat de dader van deze afschuwelijke misdaad zijn eigen oudste dochter aan haar geofferd zou hebben. Toen dit bericht tot het leger doordrong, benaderden alle aanvoerders Agamemnon. Smekend en dreigend, probeerde zij hem ter overtuigen om het offer snel te brengen, maar hij weigerde hardnekkig en resoluut. En dus scholden zij hem uit en onthieven hem uit het commando. Maar om te voorkomen dat hun enorme leger, zonder aanvoerder, een ongedisciplineerde menigte zou worden, kozen zij vier man om het commando te delen: Palamedes, Diomedes, Ajax, de zoon van Telamon, en Idomeneus. En zij verdeelden het leger, in overeenstemming met het aantal leiders, in vier gelijke delen.

De list van Odysseus

1; 20
Ondertussen woedde de pest onverminderd voort totdat Odysseus onverwachts in de remedie voorzag. Niemand wist van zijn plan. Hij deed of hij uit woede terugkeerde naar zijn koninkrijk vanwege de weigering van Agamemnon, maar ging in werkelijkheid naar Mycene en gaf Clytaemnestra een brief van haar echtgenoot die hij had vervalst. De strekking van deze brief was als volgt: Achilles weigerde om naar Troje uit te varen totdat hij getrouwd was met hun oudste dochter, Iphigenia, die zij aan hem beloofd hadden. Daarom, moest zij Iphigenia naar Aulis sturen, samen met haar bruidsschat, zo snel als mogelijk was. In aanvulling op deze brief vertelde Odysseus vele dingen om het geloof in de echtheid ervan bij Clytaemnestra te versterken. En dus, geleid door zowel de wens om haar zus Helena terug te krijgen en, sterker nog, om haar dochter aan een beroemde man uit te huwelijken, vertrouwde Iphigenia graag toe aan Odysseus. Binnen een paar dagen keerde hij terug naar het kamp en verscheen onverwachts met het meisje in het bos van Artemis. Toen Agamemnon hoorde wat er gebeurd was, wilde hij vluchten, ofwel vanwege de liefde voor zijn dochter, of omdat hij geen deel wilde hebben aan zo’n misdadig offer. Nestor ontdekte echter zijn voornemen, en met een lange toespraak, met de kunst der overtuiging waarmee hij effectiever en beter kon pleiten dan iemand anders in Griekenland, kon hem overtuigen om te blijven.

Het offer van Iphigenia

1; 21
Odysseus, Menelaüs en Calchas werden belast met de uitvoering van het offer. Alle anderen werden op een afstand gehouden. Toen zij begonnen met het meisje gereed te maken, begon het plotseling, zie en aanschouw, duister te worden. De donder brulde en de bliksem flitste, aarde en zee schudden. Uiteindelijk maakte een wervelwind van stof de duisternis compleet. Kort daarop viel er regen en hagel uit de hemel. Deze afschuwelijke verwarring die geen tekenen van verzwakking vertoonden veroorzaakte een grote opschudding bij Menelaüs en de andere priesters. Zij werden heen en weer geworpen tussen angst en verbijstering. In eerste instantie waren zij geschrokken door de plotselinge weersverandering en geloofden dat dit een teken was van de een of andere god, maar daarna werden zij bang dat het leger enige vorm van schade kon ondervinden als zij stopten met het offer. Terwijl zij hun dilemma probeerden op te lossen, hoorden zij een stem uit het bos die zei dat de goden zo’n offer niet wensten. De godin had medelijden met het meisje, en zij mochten haar niet aanraken. Wat Agamemnon betreft, na zijn overwinning in Troje, zou zijn vrouw toezien op een passende straf. Zij moesten, in plaats van het meisje, offeren wat zij te zien kregen en naar hen was toegestuurd. Toen begonnen de winden, de bliksem en de felheid van de storm te minderen.

1; 22
Terwijl deze dingen gebeurden, ontving Achilles een persoonlijke brief van Clytaemnestra, en ook een grote hoeveelheid goud. Zij beval haar dochter en heel haar huis aan hem toe. Toen hij de brief gelezen had, besefte hij de list van Odysseus en, alle andere problemen vergetend, snelde hij naar het bos, tegen Menelaüs en de andere priesters roepend dat zij met hun handen van Iphigenia af moesten blijven, of dat hij hen anders zou doden. Hij vond hen nog steeds in een toestand van shock. En toen het weer opklaarde, bevrijdde hij het meisje. Maar wat was hetgene, waar was hetgene waarvoor zij opdracht hadden gekregen om te offeren? Hierover waren zij allen in verwarring toen bij het altaar zonder angst een wondermooi hert verscheen. Dit hert als voorspeld offer aanvaardend dat nu goddelijk werd aangeboden, sprongen zij er op af en doodden het snel. Na de uitvoering van dit offer, werd de kracht van de pest steeds minder, en werd de hemel helder alsof het zomer was. Toen vertrouwden Achilles en de drie priesters, handelend onder volledige geheimhouding, het meisje toe aan de koning van de Scythiërs, die daar op dat moment was.

De vloot zeilt uit

1; 23
Onze leiders waren allen zeer verheugd, want zij zagen dat de kracht van de pest verminderde en dat de wind gunstig stond om uit te zeilen, terwijl de zee kalm was als in de zomer. Zij gingen naar Agamemnon en troostten hem over de dood van zijn dochter, zij maakten hem opnieuw weer legerleider. Dit verheugde het hele leger zeer, want alle soldaten hielden van Agamemnon, en waren de mening toegedaan dat hij hun belangen verdedigde als een vader. Agamemnon vertoonde geen tekenen dat hij wist wat er werkelijk met Iphigenia was gebeurd. Misschien wist hij het wel, of had hij, nadenkend over de menselijke wentelingen van het fortuin, zich gehard tegen tegenspoed? In ieder geval, zijn taken hervattend, nodigde hij de aanvoerders die dag uit voor een diner. Enkele dagen later, het weer was gunstig om te zeilen, stelden onze aanvoerders het leger in slagorde op. En zo gingen we aan boord van de schepen. We hadden allerlei soorten en kostbare voorraden aan boord welke de mensen die in de buurt van Aulis woonden ons hadden gegeven. Graan, wijn, en andere noodzakelijke voedingsmiddelen door Anius en zijn dochters. Deze laatsten stonden bekend als Oenotropae (De Wijnbouwsters) en priesteressen van eden heilige religie, Zo zeilden we weg van Aulis.

Boek 2

Strijd in Mysië

2; 1
De wind dreef onze vloot richting Mysië, en op een bepaald teken stuurden we al onze schepen in de richting van de kust, waar echter wachters aanwezig waren die voorkwamen dat onze mannen konden ontschepen. Deze mannen waren daar gestationeerd door Telephus, die op dat moment de heerser van Mysië was, om zijn land te beschermen tegen overzeese vijanden. Zij verboden ons om aan land te komen, of zelfs het land aan te raken, totdat zij hun koning verteld hadden wie wij waren. Toen onze mannen geen aandacht aan deze orders gaven, en een voor een begonnen te ontschepen, lieten de wachters zich niet vermurwen en zetten al hun kracht in om ons te weerstaan en te dwarsbomen. Daarop waren al onze aanvoerders het eens dat geweld met geweld moest worden bestreden en, de wapens grijpend sprongen van boord, sloegen boos enkele van de wachters neer, joegen de anderen op de vlucht en doodden iedereen die zij toevallig in handen kregen.

2; 2
De wachters die als eerste aan de Grieken ontsnapten gingen naar Telephus en vertelden hem over de vijandige horde die hun land was binnengevallen en die, een aantal van hun wachters dodend, nu de kust bezet hielden. En elk van deze wachters, in verhouding met zijn angst, verfraaide het verhaal met enkele extra incidenten. Nadat hij dit nieuws had vernomen, nam Telephus de mannen die hij bij zich had en verzamelde diegenen die tijdens deze noodtoestand daartoe in staat waren, en haastte zich om de Grieken te ontmoeten. Toen de twee partijen hun legers hadden opgesteld, volgde een grote veldslag. Ze doodden elkaar van dichtbij, waarbij de dood van hun kameraden hen aanspoorde om nog feller te strijden. Het was tijdens dit gevecht dat Thersander (de zoon van Polynices, zoals we eerder vermeldden) Telephus aanviel, en onder zijn handen sneuvelde. Thersander had vele van de Mysiërs gedood, waaronder een dappere strijder, een favoriet van Telephus, die hem tot een van zijn generaals had benoemd vanwege zijn moed, kracht en natuurlijke vaardigheden. Deze successen veroorzaakten dat Thersander uitgelaten werd vanwege het uitzicht op de uiteindelijke overwinning. En zo, nog grotere daden uitvoerend, werd hij gedood. Daarop nam Diomedes, met de vriendschap van hun vaders in gedachten, Thersander’s bebloede lichaam op de schouders en droeg het weg om gecremeerd en begraven te worden volgens de gewoonte.

2; 3
Achilles en Ajax, de zoon van Telamon, ziende dat de strijd resulteerde in zware verliezen aan onze kant, verdeelden het leger onder hen tweeën, hun troepen vermanend als de gelegenheid dit eiste, en vielen de vijand feller aan, met kennelijk vernieuwde krachten. Zijzelf streden aan het front van de gevechten, degenen die vluchtten achtervolgend, dan weer staand blijvend, als een muur, tegen degenen die aanvielen. Op deze manier, door de eersten of een van de eersten in elke ontmoeting te zijn, verwierven zij voor zichzelf en onder onze mannen en de vijand, een roemruchte reputatie voor dapperheid. Ondertussen haastte Teuthranius zich, nadat hij gemerkt had dat Ajax grote roem verwierf in de strijd, naar hem toe om hem te treffen, en stierf er strijdend, gevallen door de speer van Ajax. Teuthranius was de zoon van Teuthras en Auge, en de halfbroer van Telephus , want zij hadden dezelfde moeder.

Telephus, enorm ontdaan vanwege de dood van zijn broer ging op zoek naar wraak, viel de vijandelijke linie aan. De mannen op de vlucht jagend die hem weerstonden, achtervolgde hij Odysseus verbeten in een wijngaard in de buurt toen hij over een wijnstok struikelde. Daarop wierp Achilles die, van enige afstand, had gezien wat er gebeurde, zijn speer en doorboorde de linkerdij van de koning. Maar Telephus stond snel op en, nadat hij de speer eruit had getrokken, ontsnapte aan onmiddellijke vernietiging onder dekkinng van een groep van zijn mannen die hem te hulp waren gekomen.

Familiebanden worden ontdekt

2; 4
Aan het eind van deze dag, beide partijen waren uitgeput, want de strijd was zonder pauze doorgegaan, namen de aanvoerders deel aan de felle strijd. De aanwezigheid van Telephus had onze geesten getemperd, moe als we al waren nadat we zover gezeild hadden. Want Telephus was een grote en machtige man wiens daden van moed wedijverden met die van zijn goddelijke vader, Heracles. Dus met het invallen van de nacht, was iedereen blij dat het vechten stopte. De Mysiërs keerden terug naar hun huizen, onze mannen naar de schepen. Hat aantal doden dat in deze slag was gevallen was groot, maar het aantal gewonden was nog veel groter. Niemand, of althans zeer weinig, ontsnapten zonder verwondingen. De volgende dag stuurden beide kampen gezanten om een wapenstilstand te sluiten om de doden te begraven. Dus werden de lichamen verzameld, gecremeerd en begraven.

2; 5
Ondertussen kwamen Tlepolemus en de broers Antiphus en Phidippus (die de zoons van Thessalus en de kleinzoons van Heracles waren, zoals we eerder hebben gemeld) er achter dat Telephus de koning van Mysië was. Vertrouwend op bescherming vanwege hun familiebanden, gingen zij naar hem toe en vertelden wie zij waren en met wie zij waren uitgezeild. Uiteindelijk, na een lang gesprek, beschuldigden zij hem bitter over de wijze waarop hij zijn eigen volk had aangevallen, er op wijzend dat Agamemnon en Menelaüs, die het leger bijeen hadden gebracht, afstammelingen van Pelops waren en daarom verre familie . Daarna vertelden zij hem over Alexander’s misdaden tegen Menelaüs’ huis en de schaking van Helena. Daarom moest Telephus, zo concludeerden zij, de Grieken te hulp komen vanwege zijn relatie met hen, en zeker gezien in het licht van de overtreding door Alexander van de wetten der gastvriendschap. Bovendien had Heracles, Telephus’ vader, ook altijd de Grieken gesteund bij die talloze Werken waarvan de monumenten in heel Griekenland te zien waren.

Telephus, hoewel die verschrikkelijk pijn leed vanwege zijn wond, antwoordde hun aanklachten beleefd. Wat er was gebeurd, zei hij, was niet zijn fout, maar die van hen. Hij wist niet dat degenen die waren aangekomen de beste vrienden en gekoesterde familieleden waren. Ze hadden boodschappers vooruit moeten sturen en hun aankomst aan moeten kondigen, dan hij zou met hun meegegaan zijn, om ze welkom te heten, en zich thuis te laten voelen. Zij zouden zijn gasten zijn geweest, en hij zou ze weggestuurd hebben met mooie geschenken wanneer zij meenden dat zij moesten vertrekken. Wat de expeditie tegen Priamus betrof, weigerde hij om deel te nemen. Dit kon hij niet doen vanwege nauwe familiebanden, want zijn vrouw Astyoche, de moeder van zijn zoon Eurypylus, was één van de dochters van Priamus. Toen gaf hij snel opdracht aan zijn mensen dat zij moesten stoppen om zich voor te bereiden op oorlog en gunde onze mannen het recht om ongestoord weg te varen. Tlepolemus en de andere gezanten werden aan de zorgen van Eurypylus toevertrouwd. En zo, hun missie volbracht, keerden zij terug naar de schepen om Agamemnon en de andere edelen over de vrede en het verdrag met Telephus te vertellen.

Vriendschap

2; 6
Toen we dit nieuws hoorden, stopten we verheugd met ons voor te bereiden op oorlog. En, in overeenstemming met de wens van de Raad, gingen Achilles en Ajax naar Telephus. Ziend dat hij veel pijn leed, probeerden zij hem te troosten en spoorden hem aan om zich moedig te gedragen. Telephus, toen de pijn hem toestond te spreken, beschuldigde de Grieken nogmaals dat zij geen boodschapper vooruit gestuurd hadden om hun aankomst mede te delen. Vervolgens vroeg hij hoeveel van onze mannen afstammelingen van Pelops waren, en wie deze nakomelingen waren. Nadat we dit verteld hadden, stond hij erop dat deze familieleden zouden komen om hem te ontmoeten. Daarop keerden onze mannen, nadat zij beloofd hadden te doen wat hij wilde, terug en vertelden de anderen wat hij verlangde. Bijgevolg kwamen alle afstammelingen van Pelops, met uitzondering van Agamemnon en Menelaüs, bijeen en gingen naar Telephus. Hij was zeer dankbaar en blij om hen te zien en ontving hen gastvrij met vele geschenken. Bovendien toonde hij zijn vriendelijkheid door graan en voorraden naar al onze mannen te sturen die waren achtergebleven bij de schepen. Opmerkend dat Agamemnon en Menelaüs afwezig waren, smeekte hij Odysseus om naar hen toe te gaan en hen te roepen. Bij hun aankomst, wisselden hij en zij geschenken uit, zoals het koninklijke gebruik voorschrijft. En zij gaven Podalirius en Machaon, de zoons van Asclepius, opdracht om te komen en hem te behandelen. Deze twee haastten zich om een remedie en een passende behandeling te ontdekken voor de wond.

2; 7
Toen we enkele dagen vertraging opliepen om uit te varen, en de zee, vanwege ongunstige winden, steeds ruwer werd, gingen we naar Telephus en vroegen wat de beste tijd was om vanuit Mysië naar Troje te zeilen. Het begin van het voorjaar, zei hij. Geen enkele andere tijd was geschikt. Daarop, met unanieme stemming, keerden we terug naar Boeotië en, dat wij de schepen op de wal hadden getrokken, verspreidden wij ons om de winter in onze verschillende koninkrijken door te brengen. Gedurende deze vrije tijd, voelde Agamemnon zich vrij om Menelaüs te beschuldigen omdat deze Iphigenia had verraden, want hij geloofde dat hij dit had geadviseerd, bij wijze van spreken, in deze oorzaak van zijn verdriet.

Stilte voor de storm

2; 8
En gedurende deze periode kwamen de Trojanen via de barbaarse Scythiërs achter onze vijandige alliantie, die hun goederen ruilden met de mensen die aan beide zijden van de Hellespont woonden. Angst en zorgen heersten in heel Troje. Iedereen die vanaf het begin de misdaden van Alexander had afgekeurd zwoer dat Griekenland onrecht was aangedaan en dat alle Trojanen, vanwege de misdaden van enkelen, rechtstreeks op weg waren naar de ondergang. Om deze dreiging voor hun land tegen te gaan, stuurden Alexander en zijn adviseurs mannen, zorgvuldig uit elke groep gekozen, om legers in de omliggende gebieden te werven, en gaf ze opdracht om zo snel mogelijk terug te keren als hun missie volbracht was. Zo versnelden de zoons van Priamus de voorbereidingen opdat zij, wanneer het leger gereed was, als eerste konden uitzeilen om de gehele oorlog in Griekenland uit te vechten.

2; 9
Ondertussen, nadat hij te weten was gekomen wat er gebeurde in Troje, ging Diomedes snel rond in heel Griekenland. Hij ontmoette al onze leiders en vertelde hen over de plannen van de Trojanen. We moeten, zo drong hij aan, voorraden en uitrustingen verzamelen en zo snel als we kunnen uitvaren. Dus verzamelden wij in Argos. Maar daar wekte Agamemnon de woede van Achilles op door te weigeren uit te zeilen. Hij was nog steeds totaal ontdaan vanwege het verlies van zijn dochter. Uiteindelijk, blies Odysseus hem nieuw leven in door hem te vertellen wat er werkelijk met Iphigenia was gebeurd. Iedereen was in Argos aanwezig, en niemand verzaakte zijn militaire plicht. Maar Ajax, de zoon van Telamon, samen met Achilles en Diomedes, hadden de meeste aandacht en zorg getoond in de voorbereidingen op de oorlog. Want zij zagen toe op de bouw van extra schepen waarmee een bruggenhoofd gemaakt kon worden op Trojaans grondgebied, door binnen een paar dagen vijftig van zulk soort volledig afgewerkte schepen te bouwen. Acht jaar waren verstreken vanaf het punt dat we met de voorbereidingen voor de oorlog begonnen, en nu was het negende begonnen.

2; 10
Toen ons niets meer belette om uit te zeilen, de schepen waren klaar en de zee kalm, huurden we Scythen als gidsen in. Zij waren in Argos geland om goederen te ruilen. Tegelijkertijd haastte Telephus zich zeilend naar Argos om genezing te vinden voor de wond die hij had opgelopen toen hij met onze mannen vocht. Nadat hij lang pijn had geleden en geen genezing vond, was hij naar het orakel van Apollo gegaan, en daar werd hem verteld dat hij Achilles en de zoons van Asclepius moest raadplegen. Hij rapporteerde het orakel aan al onze leiders, die zich afvroegen waarom hij gekomen was, en smeekten hem – zij waren zijn vrienden – om de voorspelde genezing niet te ontkennen. Toen zij zijn dringende verzoek hoorden, behandelden Achilles, Machaon en Podalirius zijn wond, en zo bleek het orakel spoedig waar te zijn. Nadat we veel offers gebracht hadden en de goden smeekten om onze inspanningen te steunen, gingen we naar Aulis, naar de schepen die we eerder genoemd hebben. En vanaf daar haastten wij ons om uit te zeilen. Telephus, dankbaar vanwege zijn genezing, bood zich aan als gids. Zo gingen we aan boord van de schepen, onder een gunstige wind, en kwamen enkele dagen later in Troje aan.

De eerste gevechten om Troje

2; 11
Intussen leidde de Lyciër Sarpedon, de zoon van Xanthus en Laodamia, in antwoord op verzoeken die vele boodschappers namens Priamus hadden gebracht, een enorm leger naar Troje. Vanuit de verte opmerkend dat onze grote armada aan het landen was, realiseerde hij zich de situatie en, zijn leger alarmerend, haastte zich naar voren om onze landing te voorkomen. Vlak daarna ontdekten de zoons van Priamus wat er aan de hand was en, de wapens oppakkend, snelden Sarpedon te hulp. Zo werden we van alle kanten fel aangevallen. In eerste instantie konden we niet ontschepen zonder te worden gedood noch onszelf bewapenen, elke actie werd een hopeloos geploeter door de algehele verwarring. Uiteindelijk waren sommigen echter, ondanks de verschrikkelijke druk, in staat om zich te bewapenen en gingen gegroepeerd fel in de tegenaanval. In deze strijd viel Protesilaüs, wiens schip als eerste was geland, onder degenen die aan het front vochten, getroffen door het wapen van Aeneas. Ook werden er twee zoons van Priamus gedood. In feite ontsnapte aan beide zijden niemand zonder verwondingen.

2; 12
Achilles en Ajax, de zoon van Telamon, vochten met grote roem, hun moed behield en vergrootte het vertrouwen van onze mannen. Zij joegen de vijand vrees aan, en sommigen van hen, die zich tegen hen durfden te verzetten, trokken zich snel terug, en uiteindelijk werd iedereen op de vlucht gejaagd. Zo waren we in staat, even vrij van vijandelijke aanvallen, om onze schepen op het droge te trekken en ze veilig op te stellen. Toen kozen we Achilles en Ajax, de zoon van Telamon, omdat zij de moedigsten waren, om onze schepen en het leger te bewaken, hen positionerend aan de einden van ons kamp om de flanken te dekken. Toen iedereen zijn plaats had ingenomen, vertrok Telephus naar huis. Ons leger was hem erg dankbaar dat hij ons de weg naar Troje gewezen had.

Kort daarna verraste Cycnus ons met een verraderlijke aanval. Hij had over onze aankomst gehoord, want zijn koninkrijk was niet ver verwijderd van Troje. Zijn aanval was gericht tegen onze mannen die bezig waren met de begrafenis van Protesilaüs. Zij, geen problemen verwachtend, werden onverwachts overvallen en gedwongen om in volslagen wanorde te vluchten. Maar al snel kwam de rest van onze mannen, die niet belast waren met de begrafenis, en hoorden wat er gebeurde hen te hulp. Onder hen bevond zich Achilles die Cycnus benaderde en doodde met talloze anderen. Zo werden degenen die op de vlucht waren gejaagd weer ontzet.

Steden worden vernietigd

2; 13
Maar regelmatige aanvallen van de vijand veroorzaakten zware verliezen aan onze kant en zorgde voor ernstige verontrusting bij onze leiders. Daarom werd besloten om als eerste wat er moest gebeuren het aanvallen van de steden in de omgeving van Troje was met een deel van ons leger om algehele vernietiging aan te richten. We begonnen met het koninkrijk van Cycnus en plunderden het gebied er omheen. Toen we binnenvielen en de hoofdstad in brand begonnen te steken, waarvan werd gezegd dat de zoons van Cycnus daar werden grootgebracht, bood de bevolking echter, dat wil zeggen, de Neandriensiërs, geen weerstand en smeekten ons om hen te sparen. Huilend, en op hun knieën, bij alle menselijke goddelijke dingen, smeekten zij om hun stad te sparen. Zij waren niet, zeiden zij, verantwoordelijk voor de goddeloze daden van hun slechte koning. Zij waren onschuldig en hadden, na zijn dood, onze kant gekozen. Zo riepen zij ons medelijden op en wij spaarden hun stad. Wij eisten echter, dat zij de zoons van de koning, Cobis en Corianus, samen met hun zuster Glauce, aan ons zouden uitleveren. Toen gaven we het meisje aan Ajax, in aanvulling op de gewoonte om de buit te delen, een gepaste beloning voor zijn moedige daden. Kort daarna kwamen de Neandriensiërs naar ons kamp en smeekten om vrede. Zij beloofden om onze bondgenoten te zijn en te doen wat wij maar bevalen. Toen deze campagne was afgelopen, bestormden we Cilla maar lieten Carene links liggen, hoewel het dichtbij was. Zo toonden we onze dankbaarheid voor de trouwe vriendschap van de Neandriensiërs, omdat zij de heersers over Carene waren.

Philoctetes gebeten door een slang

2; 14
Gelijktijdig werd ons een orakel van de Pythische god gemeld. We moesten, zo werd verteld, Palamedes kiezen om een offer aan de Sminthiaanse Apollo te brengen. Wij moesten allen deze eer aan Palamedes gunnen. Velen van ons waren verheugd om dit orakel te gehoorzamen, zich de ijver en liefde herinnerend die Palamedes had betoond in het leger. Maar sommige aanvoerders hadden een hekel aan hem. Niettemin, we deden wat ons was opgedragen en lieten Palamedes een offer van honderd slachtoffers brengen namens heel het leger. Chryses, de priester van Apollo in het gebied, ging voor tijdens het offer. Ondertussen verzamelde Alexander, nadat hij vernomen had wat er gebeurde, een leger van gewapende mannen en probeerde het offer te voorkomen. Maar voordat hij de tempel kon bereiken, doodden de twee Ajaxen een groot aantal van zijn mannen en joegen de rest op de vlucht.

Chryses (die, zoals we eerder vertelden, de priester van de Sminthiaanse Apollo was) vreesde nadeel van beide legers en deed alsof hij de voorkeur gaf aan elke kant die hem benaderde. Tijdens het offer werd Philoctetes, die in de tempel naast het altaar stond, plotseling door een slang gebeten. Iedereen die zag wat er gebeurde hief een schreeuw aan, en Odysseus vloog naar voren en doodde de slang. Kort daarna stuurden we Philoctetes, met een paar andere mannen, naar Lemnos om te genezen van het vergif, want de inwoners van dit eiland, dat was gewijd aan Hephaistus, beweerden dat hun priesters gewend waren om gevallen als van hem te genezen.

Dood van Palamades

2; 15
Gelijkertijd bedachten Diomedes en Odysseus een complot om Palamedes te doden. (het is kenmerkend voor de menselijke natuur om toe te geven aan wrok en afgunst. Men staat niet makkelijk toe dat jezelf wordt overtroffen door een beter iemand.) Daarom overtuigden deze twee, terwijl ze deden alsof ze goud in een bron hadden gevonden, dat Palamedes – ze wilden, zeiden ze, de schat met hem delen – dat hij zou afdalen. Hij vermoedde niets, en zo, terwijl er niemand in de buurt was, lieten zij hem neer aan een touw, en toen, stenen oprapend die in de buurt op de grond lagen, stenigden zij hem snel dood. Zo stierf Palamedes, de beste der mannen en de favoriet van het leger, wiens raadgevingen en moed nooit faalden, op een wijze die hij niet verdiende, verraderlijk vermoord door de meest onwaardige mannen. Er waren mensen die Agamemnon verdachten dat hij had deelgenomen aan dit complot, want Palamedes was erg populair bij de soldaten, de meesten van hen wilden hem als hun koning en zeiden openlijk dat hij tot legerleider benoemd had moeten worden. Na het verbranden van zijn lichaam, een ceremonie die werd bijgewoond, als een openbare begrafenis, door alle Grieken, werd zijn as in een gouden urn gedaan.

Stedenbedwingers

2; 16
Ondertussen vermoedde Achilles dat de staten die grensden aan Troje hun bondgenoten waren en, bij wijze van spreken, een Trojaans arsenaal. Daarom viel hij, sommige schepen meenemend, Lesbos aan en overviel het als een storm. Nadat hij Phorbas, de koning van het eiland, had gedood, die veel vijandige daden tegen ons had begaan, voerde hij Diomede mee, Phorbas’ dochter, samen met veel buit. Toen, zoals als zijn soldaten eisten, viel hij de rijke steden van Scyrus en Hierapolis met al zijn legers aan. En die vernietigde hij zonder enig probleem volledig binnen een paar dagen. Overal waar hij verscheen, werd het land volledig gepacificeerd en geplunderd, en alles in beroering gebracht. Alles dat Troje kon helpen werd of omvergeworpen of vernietigd. De naburige volkeren, nadat zij hadden vernomen wat er gebeurd was, dromden voor vrede om hem heen en beloofden hem de helft van hun oogst als hij, in ruil, hun velden ongedeerd zou laten. Zo sloot hij verdragen met hen en wisselde toezeggingen van vrede met hen uit. Na het voltooien van deze campagne, keerde Achilles naar het kamp terug, een glorieuze overwinnaar met veel buit. Gelijkertijd kwam de koning van de Scythiërs, nadat hij gehoord had dat onze mannen waren gearriveerd, en bracht vele geschenken.

2; 17
Maar Achilles was geenszins tevreden met wat hij tot nu tot had gedaan. Daarom viel hij de Ciliciërs aan en nam binnen een paar dagen Lyrnessus als een wervelstorm in. Nadat hij Eëtion had gedood, de koning van Lyrnessus, vulde hij zijn schepen met veel rijkdommen en nam Astynome met zich mee, de dochter van Chryses en, op dat moment, de vrouw van Eëtion. Toen haastte Achilles zich om Pedasus te bestormen, een stad van de Lelegiërs. Toen Briseus, de koning van de Lelegiërs, de felheid van de belegering zag, realiseerde hij zich dat hij op geen enkele wijze de vijand kon weerstaan of zijn eigen mensen voldoende kon verdedigen. Wanhopig over vluchten en veiligheid, keerde hij terug naar zijn paleis en, terwijl iedereen aan het vechten was, hing zichzelf op. Kort daarna werd de stad ingenomen. Vele mensen werden gedood, en Hippodamia, de dochter van Briseus, werd meegevoerd.

2; 18
Gelijkertijd voerde Ajax, de zoon van Telamon, een vliegende aanval uit tegen het Thracische Chersonesus. Toen Polymestor, kennis nam van de bekwaamheden van Ajax in de oorlog, bedacht hij dat het nutteloos was om te vechten en zocht naar voorwaarden voor overgave. Al eerste gaf hij hem Priamus’ zoon, Polydorus. (Priamus, handelend met volledige geheimhouding, had zijn zoon overzee gestuurd, vlak na zijn geboorte, naar Polymestor om op te voeden). Ten tweede, gaf hij goud en andere soortgelijke geschenken, genoeg om aan de eisen van zijn vijanden te voldoen. Ten derde, beloofde hij een jaar lang graan voor ons hele leger en vulde de handelsschepen die Ajax voor dit doel had meegebracht. Toen, tenslotte, haf hij zijn verdrag opgezegd, met vele vloeken, dat hij met Priamus had gesloten tegen ons, zijn pleidooi voor vrede werd aanvaardbaar geacht. Na het voltooien van deze campagne, richtte Ajax zich op het land van de Phrygiërs. Hij viel hen aan en doodde hun heerser Teuthras in een tweegevecht. Binnen een paar dagen had hij hun stad veroverd en in brand gestoken en nam een grote hoeveelheid buit met zich mee, inclusief Tecmessa, de dochter van Teuthras.

Verdeling van de buit

2; 19
Toen keerden Achilles en Ajax, uit verschillende richtingen komend, Gelijkertijd terug naar het kamp, alsof zij dit hadden afgesproken. Nu zij vele steden hadden verslagen en grote gebieden verwoest, vergaarden zij grote beroemdheid voor zichzelf. Toen de herauten alle soldaten en aanvoerders bijeengeroepen hadden, naderden de twee terugkerende helden de menigte – niet samen, maar een voor een – en toonden, voor iedereen duidelijk zichtbaar, de resultaten van hun werk en gezwoeg. Ziende wat zij bijeen hadden gebracht, schreeuwden wij hun lof toe, en kroonden hen, zoals ze daar in ons midden stonden, met kransen van olijfhout.

Bij de beslissing hoe we het beste de buit konden verdelen, volgden we het advies van Nestor en Idomeneus, de meest verstandige der mannen. Als eerste, uit de buit die Achilles had gebracht, werd Astynome (de vrouw van Eëtion en de dochter van Chryses, zoals we hiervoor hebben genoemd) aan Agamemnon gegeven, met unanieme stemmen, in het licht van zijn koninklijke ambt. En wat Achilles betreft, hij hield Diomede en ook Hippodamia, de dochter van Brises. Het zou wreed zijn om deze meisjes te scheiden, want zij hadden dezelfde leeftijd en achtergrond. Bovendien waren zij voor de voeten van Achilles op de grond gevallen en hem gesmeekt om niet gescheiden te worden. De rest van Achilles’ buit werd verdeeld onder de mannen in overeenstemming met hun verdiensten. Toen liet Ajax Odysseus en Diomedes de buit brengen die hij had veroverd. Agamemnon werd net zoveel goud gegeven als zijn stand vereiste. En wat Ajax zelf betreft, hem werd toegestaan om Tecmessa, de dochter van Teuthras, voor zichzelf te houden, als een passende beloning voor zijn dappere daden. De rest van de zaken werd eerlijk verdeeld, en het graan werd over het leger verdeeld.

Opnieuw gezanten naar Troje

2; 20
Toen ze klaar waren met het verdelen van de buit, vertelde Ajax over het verdrag dat hij had gesloten met Polymestor, en hoe Polydorus aan hem was overgedragen. Daarop waren we het allemaal eens dat Odysseus en Diomedes naar Priamus moesten gaan en, in ruil voor de teruggave van Polydorus, Helena terug moesten vorderen samen met de zaken die waren meegenomen. Terwijl Odysseus en Diomedes zich aan het voorbereiden waren om te vertrekken, voegde Menelaüs – dit was tenslotte zijn zaak – zich ook bij de missie. Zo gingen zij naar Troje, met het lot van Polydorus in hun handen. Toen de Trojanen onze gezanten zagen en hen herkenden als mannen van grote naam, haastten zij zich naar de Raad, dat wil zeggen, degenen die gewoon waren om in de Raad bijeen te komen. Priamus, werd echter thuis ophouden door zijn zoons.

Tijdens de bijeenkomst met de Raad zei Menelaüs dat hij nu voor de tweede keer was gekomen, maar om dezelfde reden. Hij klaagde over al het verkeerds dat hem en zijn huis was aangedaan, en betreurde vooral het feit dat Helena’s afwezigheid een wees van zijn dochter had gemaakt. Een vroegere vriend, zei hij, een voormalige gast, had hem dit allemaal aangedaan, en hij had een dergelijke slechte behandeling niet verdiend. Zijn grote verdriet ziende, weenden de Trojanen, en stemden in met alles dat hij gezegd had, alsof zij deelden in zijn onrecht.

2; 21
Vervolgens stond Odysseus in hun midden op en hield een toespraak die ongeveer als volgt ging: ‘Trojaanse Heren, ik geloof dat u allen goed genoeg weet dat de Grieken niet gewoon zijn om iets ondoordacht of zonder goede reden te beginnen. Reeds van oudsher eerden wij deze gedachte in plaats van de schuld te krijgen zomaar iets te doen. Laat mij, zonder in detail te treden, de vorige ontmoeting in uw gedachten brengen toen wij hier waren. Nadat Alexander de Grieken had aangevallen en beledigd, hebben wij niet toegegeven aan de verleiding om snel de wapens op te pakken. Dit is, zeker, de gebruikelijke manier voor gekrenkte gevoelens om verlichting te krijgen. In plaats daarvan, zoals u zich zult herinneren, stuurde onze Raad ons, samen met Menelaüs, als afgezanten voor de terugkeer van Helena. Maar we kregen niets van Priamus en zijn prinsen, niets anders dan trots, dreigende taal en verborgen verraad. Daarom, vanwege het mislukken van onze missie, was het te verwachten, denk ik, dat we de wapens zouden opnemen en door geweld zouden terugnemen wat we niet met vriendelijke bedoelingen konden bereiken. Dus brachten we een leger bijeen met vele uitstekende en beroemde aanvoerders. Maar nog steeds hebben we niet besloten om oorlog te voeren. Integendeel, onze normale gewoonte en gematigdheid volgend, zijn wij hier opnieuw gekomen om u te smeken over dezelfde zaak. Trojanen, de rest is in uw handen. We zullen niet minder over u denken als u terugkomt op eerder genomen beslissingen. Overweeg alleen datgene wat verstandig is, en neem een gedegen besluit.’

2; 22
‘Ik smeek u, bij de onsterfelijke goden, om na te denken over wat zal gebeuren als u de verkeerde beslissing neemt. Het effect zal een ramp zijn die zich zal verspreiden, als een plaag, door heel de wereld. Hierna, wanneer iemand aantreedt voor een belangrijke onderhandeling, zal hij dan niet, met de misdaad van Alexander in gedachten, vele redenen vinden om achterdochtig te zijn en verraad te vrezen? Vriend zal vriend vrezen. Wie zal zijn huis nog voor zijn broer nog open stellen? Wie zou een gast of familie niet vrezen als ware hij een vijand? Ten slotte, als jullie een verkeerd besluit nemen – en ik hoop zeker dat jullie dit niet zullen doen – vernietigen jullie elke basis voor een overeenkomst en wederzijds begrip tussen barbaren en Grieken. Daarom, Trojaanse leiders, doe wat goed en juist is, wees waarlijk vriendelijk en rechtvaardig. Stuur de Grieken naar huis met alles dat van hen werd gestolen. Wacht niet totdat onze twee koninkrijken, in weerwil van hun vriendschap, vandaag tot vijandelijkheden komen.’ ‘Vanwege Heracles, wanneer ik aan uw lot denk, heb ik medelijden met u. Hoewel jullie onschuldig en vrij van schuld zijn, moeten jullie toch buigen voor het genot van een paar enkelingen. En zo is de misdaad van één man er de oorzaak van dat jullie allen worden gestraft. Jullie moeten intussen weten dat de Grieken naburige steden hebben aangevallen die jullie goedgezind zijn en plannen maken om, elke dag weer, nieuwe aanvallen uit te voeren. Ons succes blijkt uit de gevangenneming van Polydorus. Wij zullen Polydorus ongedeerd aan Priamus geven wanneer Helena, uiteindelijk, teruggekeerd is met alles dat gestolen is. Als dat niet gebeurt, zal er onmiddellijk oorlog zijn, een voortdurende oorlog, totdat een kant volledig zal zegevieren. Ofwel alle Griekse aanvoerders, elk van hen kan de vernietiging van jullie steden veroorzaken, moeten sterven of, zoals ik hoop, Troje moet vernietigd en in brand gestoken zijn, en jullie zullen dan voor je nakomelingen een voorbeeld worden van goddeloze bestraffing. Daarom smeek ik u allen, ik bid u, kijk vooruit, terwijl je de touwtjes nog in handen hebt.’

2; 23
Toen Odysseus uitgesproken was, heerste er eren lange stilte. Iedereen, zoals zo vaak gebeurt, wacht op iemand anders om te spreken, iemand die beter was dan hijzelf. Uiteindelijk werd de stilte verbroken door Panthous, die met luide stem zei: ‘Odysseus je spreekt tegen mensen die niet in staat zijn om te doen wat zij willen. Wij zijn niet in staat om deze situatie te verhelpen.’ En vervolgens zei Antenor: ‘Omdat we wijze en verstandige mensen zijn, gunnen wij je alles wat je zegt. En als we de macht hadden, zouden we overeenkomstig adviseren. Maar, zoals je ziet, anderen die meer belang stellen in persoonlijke hebzucht dan in het algemeen welzijn hebben de controle over dit land.’

Vervolgens gaf Antenor opdracht om de aanvoerders van zijn buitenlandse leger voor te stellen. Degenen die waren gekomen vanwege hun verdragen met Priamus, en zij die waren aangenomen als huurlingen. Toen die waren geïntroduceerd, hield Odysseus een tweede toespraak. ‘Zij waren allen, zei hij, de slechtste mannen. Zij verschilden niet van Alexander, die de slechtste der misdadigers was, want zij hadden het goede en de waarheid afgezworen om hem te volgen. Elk van hen wist dat als zij deze vreselijke misdaad goedkeurden zij een slecht voorbeeld zouden stellen dat, eenmaal bekend bij de naburige volkeren, zou dienen als een voorbeeld van soortgelijke of nog bedroevender daden.’

Toen overdacht elk van de raadsleden in stilte hoe verschrikkelijk de gevolgen van deze vreselijke misdaad zouden kunnen zijn. Bewogen door afschuw en ineenkrimpend voor hun eigen slechte voorbeeld, brachten zij in stemming, op hun gebruikelijk manier, dat Menelaüs onrecht was aangedaan. Alleen Antimachus, in tegenstelling tot ieder ander, stemde voor Alexander. Daarop kozen zij twee mannen om naar Priamus te gaan en te vertellen over alles wat er gebeurd was. En zij brachten ook, samen met de andere zaken die hen waren opgedragen, ook verslag uit over Polydorus.

De Trojanen blijven weigeren

2; 24
Toen Priamus dit verslag hoorde, stortte hij in, volkomen verbijsterd, in aanwezigheid van iedereen. Kort daarop was hij weer bij zijn positieven, en hielpen degenen die om hem heen stonden hem weer op de been. Hij wilde naar de Raad gaan, maar de prinsen lieten hem blijven terwijl zij zelf vertrokken. Vlak voor ze de Raad instormden, maakte Antimachus verwijten naar de Grieken. Zij hadden enorme brutaliteit getoond, zei hij, en de Trojanen moesten Menelaüs maar vasthouden totdat Polydorus was teruggekeerd en Menelaüs net zo behandelen als Polydorus was behandeld. Iedereen zweeg op dit voorstel uitgezonderd Antenor, die, gebruikmakend van al zijn bevoegdheden die hoorden bij zijn rang, probeerde te voorkomen dat de Raad deze kant op ging. Hij en Antimachus discussieerden fel, en vanwege hun passie gingen ze elkaar te lijf. Toen riepen alle aanwezigen Antimachus uit tot een lastige opstandige persoon en verdreven hem uit de Raad.

2; 25
Zodra de zoons van Priamus aankwamen, smeekte Panthous bij Hector (die als beste van de prinsen in de Raad en in moed werd gezien) om Helena vreedzaam terug te geven, nu de gezanten waren gekomen om haar terug te eisen. Alexander, zei hij, had tijd genoeg gehad om de liefde te bevredigen die hij had gevoeld voor Helena. De Griekse koningen, moesten zij bedenken, waren in hun land en hadden recent diverse steden vernietigd die bevriend waren met Troje. Bovendien hadden deze Griekse successen ervoor gezorgd dat Polymestor vrijwillig de verschrikkelijk misdaad beging door Polydorus aan de Grieken te geven. De Trojanen zouden moeten leren van dit voorbeeld en vrezen dat naburige gebieden soortgelijke regelingen zouden treffen en de vernietiging van Troje beramen. Zo’n aanval zou de Trojanen volledig van hun buitenposten beroven. Eden van trouw zouden verbroken worden, verraad zou overal heersen, oude overeenkomsten zouden verdwijnen als sneeuw voor de zon. Daarom, moesten zij in de Raad de dingen in het juiste daglicht zien en de gezanten niet langer ophouden, en Helena opgeven. Deze daad van goede wil zou tot een sterkere en hechtere band van vriendschap leiden tussen de Grieken en de Trojanen. Toen hij dit hoorde, werd Hector bedroefd en huilde, toen hij zich de misdaad van zijn broer herinnerde. Toch vond hij dat Helena in geen geval teruggegeven mocht worden, want zij was een smekelinge in zijn huis. Goede trouw was tussenbeide gekomen, en ze moesten haar houden. Maar, als de gezanten een opsomming wilden geven van de verschillende zaken die met Helena waren meegenomen, al deze zaken, vond hij, moesten teruggegeven worden. En, om de plaats van Helena in te nemen, moest Cassandra of Polyxena, afhankelijk welke de gezanten de beste leek, als vrouw aan Menelaüs worden gegeven tezamen met een aanzienlijke bruidsschat.

2; 26
Menelaüs werd hier verschrikkelijk boos over en antwoordde als volgt: ‘Volgens Heracles, word ik op een uitstekende manier behandeld als ik, die van zijn vrouw is beroofd, gedwongen wordt opnieuw te trouwen in overeenstemming met de wens van mijn vijanden.’ Toen antwoordde Aeneas: ‘Jij zult deze eer niet worden gegund zolang ik en de andere familieleden en vrienden die Alexander adviseren er sterk tegen gekant zijn. Gelukkig zijn er, en zullen er altijd zijn, nog mensen die het huis en koninkrijk van Priamus nog veiligstellen. Het verlies van Polydorus laat Priamus niet beroofd van kinderen achter, want hij heeft nog vele van zulke zonen. Denk je dat ontvoeringen, zoals die van Helena, alleen aan hen worden toegestaan die afkomstig zijn uit Griekenland? De Grieken van Kreta, zoals je weet, ontvoerden Europa succesvol uit Sidon evenals Ganymedes uit ons koninkrijk. Medea is nog zo’n voorbeeld. Zij, zoals je zeker weet, werd uit Colchis ontvoerd en weggevoerd naar Iolchus. En, ten slotte, niet te vergeten de eerste der ontvoeringen, Ion die uit Sidon werd meegenomen naar Argos. Tot op dit moment hebben wij alleen woorden uitgewisseld. Maar, tenzij jullie ons land ontvluchten binnen een redelijke termijn, en jullie vloot meenemen, binnenkort, zeer binnenkort, zullen jullie de Trojaanse dapperheid en moed ervaren. Troje heeft meer dan genoeg jongemannen die klaar zijn voor de strijd, en elke dag komen er meer bondgenoten bij.’

Toen Aeneas zijn toespraak beëindigd had, zei Odysseus kalm: ‘Dan, bij Heracles, is er geen noodzaak meer om de vijandelijkheden nog langer uit te stellen. Geef het signaal voor de oorlog en, zoals jullie ook de eersten waren om onrecht te plegen, wees ook de eerste om de strijd aan te vangen. Provoceer ons en wij zullen gepast volgen.’ Na deze uitwisseling van beschimpingen verlieten de gezanten de Raad en vertrokken uit Troje. Zodra de Trojanen hoorden wat Aeneas de gezanten had geantwoord, ontstond er grote opschudding. Aeneas, dachten zij, was zonder twijfel een diplomaat van de slechtste soort. Hij was de reden waarom het koninkrijk van Priamus werd gehaat en het hele huis van Priamus haar ondergang tegemoet ging.

Dood van Polydorus

2; 27
De gezanten, teruggekeerd naar het kamp, vertelden onze aanvoerders wat de Trojanen hadden gezegd en gedaan om hen te weerstreven. Daarop waren wij vastbesloten om Polydorus te doden in het zicht van de muur waar al de Trojanen eenvoudig konden zien wat er gedaan werd. Zonder oponthoud, leidden we hem midden voor de muur en stenigden hem dood vanwege de goddeloosheid van zijn broer, terwijl de meeste van de vijanden vanaf de muur toekeken. Vervolgens stuurden we een heraut om de Trojanen te vragen te komen kijken en het lichaam mee te nemen om te begraven. Idaeus kwam, met behulp van enkele slaven van de koning, en nam Polydorus, verminkt en verscheurd door de stenen, mee terug naar zijn moeder Hecabe.

Ondertussen viel Ajax, de zoon van Telamon, om de vijand overstuur te maken, de gebieden in de buurt van Troje aan die hen goed gezind waren. Hij nam Pityeia en Zelia in, welbekende rijke steden, en, hier niet tevreden mee, verwoeste vliegensvlug Gargarum, Arisbe, Gergitha, Scepsis en Larissa. Toen, nadat hij van de inwoners te horen had gekregen dat er vele kudden met allerlei dieren graasden op de berg Ida, en al zijn soldaten het eisten, viel hij snel de bergen aan en, nadat hij de herders had gedood, dreef een groot aantal runderen weg. Toen weerstond niemand hem meer. Iedereen vluchtte waar hij verscheen, en zo, toen de tijd rijp leek, keerde hij terug naar het kamp, afgeladen met buit.

Chryses wordt weggestuurd

2; 28
Tegelijkertijd kwam Chryses (die de priester van de Sminthiaanse Apollo was, zoals we hierboven hebben vermeld), nadat hij hoorde dat zijn dochter, Astynome, bij Agamemnon was, naar de schepen, vertrouwend op de macht van zijn ontzagwekkende geloof. Hij bracht hem een beeld van de god en bepaalde ornamenten uit de tempel, daarbij hopend dat het ijzer de koningen aan de god zouden herinneren, en hen met ontzag zou vervullen. Biddend om de vrijlating van zijn dochter, bood hij geschenken van goud en zilver aan, een rijk losgeld. We moesten, smeekte hij, de aanwezigheid van de god eren. Apollo was er, ons smekend in zijn naam. Bovendien, omdat hij onlangs als priester had gefungeerd bij ons offer, had hij zich de vijandschap van Alexander en zijn broers op de hals gehaald, die dagelijks complotten tegen hem smeedden. Bij het horen van zijn smeekbede, dachten we allemaal dat het meisje teruggegeven zou worden. Evenmin zouden we enige vorm van losgeld moeten accepteren. Dit waren wij verplicht aan Chryses, niet alleen vanwege zijn persoonlijke trouw aan ons, maar wat er meer toe deed, vanwege zijn functie als priester van Apollo. Omdat we vele bewijzen van Apollo’s macht hadden gezien en zijn populariteit in de regio’s in de buurt kenden, waren we van plan om deze god devoot te dienen.

2; 29
Toen Agamemnon zag wat er gebeurde, nam hij een tegenovergesteld standpunt in ten opzichte van iedereen. Woest fronsend en met de dood dreigend, beval hij de priester om zich weg te scheren. Bijgevolg vertrok de oude man, bang en vrezend voor zijn leven, zijn missie mislukt. Toen onze groep uiteenging, benaderden onze aanvoerders Agamemnon, een voor een, en beschimpten hem van goddeloosheid. Vanwege zijn liefde voor een gevangengenomen meisje, had hij zijn mannen verraden, dat wil zeggen, henzelf, met minachting en, wat nog het meest beschamend was, hij had een zeer krachtige god geminacht. Toen iedereen hem beschimpt had, gingen zij weg, met in gedachten hoe hij had meegedaan aan het complot waarbij Diomedes en Odysseus verraderlijk Palamedes hadden gedood, de gunsteling van het leger. Achilles schold openlijk, in aanwezigheid van iedereen, zowel Agamemnon als Menelaüs uit.

De pest

2; 30
Chryses keerde, nadat Agamemnon hem ten onrechte had weggestuurd, terug naar zijn huis. En enkele dagen later overviel een verschrikkelijke plaag ons leger. Of dit te wijten was aan de wraak van Apollo, zoals iedereen dacht, of aan een andere oorzaak, was onzeker. De ziekte viel eerst het vee aan en, steeds sneller rondgaand, verspreidde deze zich over de mannen. Een groot aantal van hen streed een verschrikkelijke doodsstrijd, hun lichamen teerden langzaam weg. Uitgezonderd onze aanvoerders (de koningen), niemand van hen stierf of werd zelfs ziek, de plaag wist niet van ophouden, en elke dag zag men meer mannen sterven. Daarom kwamen onze aanvoerders bijeen, elk bang voor zijn eigen hachje, en lieten Calchas komen (we hebben al verteld over zijn kennis van de toekomst) om de oorzaak van dit verschrikkelijke kwaad te verkondigen. Hoewel hij toegaf in staat te zijn om te doen wat wij wensten, zie hij dat hij geenszins vrijuit kon spreken, uit angst een zeer machtige koning te beledigen. Daarop dwong Achilles al onze koningen te zweren dat zij zich niet beledigd zouden voelen, ongeacht wat Calchas zou zeggen. Zo verkondigde Calchas, voelend dat iedereen hem goedgunstig gezind was, dat de wraak van Apollo de oorzaak van de plaag was. Apollo, zei hij, was kwaad vanwege de onrechtvaardige manier waarop wij zijn priester behandeld hadden en had daarom een passende straf voor ons leger bedacht. Toen Achilles vroeg wat we moesten doen om de plaag ter stoppen, zei de ziener: ‘Breng het meisje terug!’

2; 31
Toch zei Agamemnon niets, hoewel hij voorzag wat er ging gebeuren, maar trok zich terug uit de Raad en gaf iedereen opdracht zich op de oorlog voor te bereiden. Achilles, toen hij dit merkte, werd van woede vervuld en eveneens geërgerd over de verschrikkelijke manier waarop onze mannen stierven, gaf hij opdracht om de lichamen van iedereen die door de plaag was gestorven te verzamelen en voor de Raad te werpen opdat iedereen ze zou zien. Dit was een aanzicht dat al onze aanvoerders snel tot in het diepst van hun ziel beroerde en zich van Agamemnon deed afkeren tenzij hij berouw kreeg. Agamemnon, toen hij dit hoorde, hield echter hardnekkig vast aan zijn eerste beslissing en weigerde om toe te geven. Het is onduidelijk of zijn halsstarrigheid te wijten was aan zijn natuurlijke koppige karakter of zijn liefde voor het gevangengenomen meisje.

2; 32
De Trojanen, die vanaf hun muren toekeken, zagen de vele brandstapels van onze doden voortdurend branden. Zij werden ook op de hoogte gesteld dat diegenen van ons die overbleven verzwakten terwijl de plaag bleef voortwoeden. Dus, elkaar aanvurend en de wapens grijpend, stormden zij uit de poorten met hun bondgenoten en vielen aan. Hun leger was in twee divisies opgesteld in de vlakte. Hector leidde de Trojanen, Sarpedon de bondgenoten. Toen wij hen zo klaar voor de aanval zagen, grepen wij zelf onze wapens, vormden een aaneengesloten verdedigingslinie, en stelden ons leger op om hen te treffen. Achilles en Antilochus leidden onze rechtervleugel. Ajax, de zoon van Telamon, en Diomedes leidden de rechter, en de andere Ajax en Idomeneus, mijn aanvoerde, leidde het midden.

Vervolgens rukten de twee legers, op deze wijze opgesteld, naar voren op om aan te vallen. Zodra zij binnen elkaar bereik waren, slaakte iedereen de oorlogskreet en nam deel aan de strijd. Het gevecht duurde enige tijd, en de aantallen slachtoffers aan beide zijden waren groot. Hector en Sarpedon waren voortreffelijke leiders aan de zijde van de barbaren. Diomedes en Menelaüs straalden onder de Grieken. Uiteindelijk bracht de nacht een eind aan de slag en rust voor de legers. Toen trokken beide kampen zich terug waarna zij hun doden cremeerden en begroeven.

Achilles wordt beledigd

2; 33
De Grieken stonden nu op het punt om Achilles tot legerleider te maken, want hij was de enige, zo dachten wij, die het meest verontrust was over onze problemen. En dit wekte de vrees op bij Agamemnon dat hij misschien zijn roemrijke positie zou verliezen. In de Raad sprekend, zei hij dat diep bezorgd was om het welzijn van het leger en dat Astynome, zonder verder oponthoud, teruggegeven moest worden aan haar vader, vooral als we ons zo zouden ontdoend van de pest. Hij vroeg in ruil daarvoor dat Hippodamia hem dan gegeven zou worden, de slavin van Achilles, om de plaats van de prijs in te nemen die hij kwijtraakte. Hoewel iedereen vond dat zijn verzoek gemeen en oneervol was, waren we toch genegen om het in te willigen. En Achilles, aan wie Hippodamia was geschonken vanwege zijn grootse prestaties, toonde geen enkel teken van zijn gevoelens.

Zo groot was de liefde en zorg voor ons leger in het hart van deze uitstekende jongeman. Zo bespotte Agamemnon ieders wensen, maar omdat niemand hem openlijk tegensprak dacht hij dat hij onze unanieme goedkeuring had. Daarom gaf hij opdracht aan bedienden om Hippodamia te halen. En hen werd opgedragen om te gehoorzamen. Tegelijkertijd namen Diomedes en Odysseus Astynome, samen met een groot aantal menselijke offers, mee naar de tempel van Apollo. Toen zij het offer voltooid hadden, leek de kracht van de pest geleidelijk te verminderen. Mensen werden niet langer ziek, en zij die al waren geïnfecteerd leken te herstellen, alsof hun gebeden door de goden waren verhoord. En zo hervond ons leger in korte tijd weer zijn gebruikelijke kracht en sterkte. Tijdens deze periode stuurden we ook Philoctetes deel van de buit naar Lemnos, waar hij verbleef. Dit was de buit die Ajax en Achilles hadden veroverd en eerlijk hadden verdeeld.

2; 34
Achilles, nadat hij zo onrechtvaardig was behandeld, bleef weg uit onze raadsvergaderingen. Hij haatte met name Agamemnon. En nu was zijn liefde voor de rest van de Grieken ook dood, omdat zij hadden gezwegen toen hij van Hippodamia werd beroofd, de beloning voor zijn vele overwinningen en dappere daden die hij had verdiend. Hij weigerde om ook maar een van de aanvoerders te zien die bij hem op bezoek kwamen. Noch wilde hij een van zijn vrienden vergeven voor het feit dat ze hem in de steek hadden gelaten toen zij hem tegen de buitensporige actie van Agamemnon hadden moeten verdedigen. Hij bleef liever in zijn hut met alleen Patroclus, zijn dierbaarste vriend, en Phoenix, zijn wijze leraar, en Automedon, zijn wagenmenner.

Bondgenoten van Troje

2; 35
Ondertussen, in Troje, begonnen de bondgenoten en huurlingen die Troje waren komen helpen te muiten. Zij werden hiertoe waarschijnlijk gemotiveerd ofwel uit verveling om daar doelloos lange tijd te verblijven of door verlangen naar degenen die zij thuis hadden achtergelaten. Hector, die dit merkte, voelde zich gedwongen om zijn troepen te wapen te roepen. Zij moesten gereed staan wanneer hij het teken gaf. Toen, nadat hem verteld was dat de tijd gunstig leek en zijn mannen gereed waren, gaf hij opdracht om allemaal naar buiten te gaan, en nam zelf de leiding door voorop te gaan.

Dit lijkt een goed moment om alle koningen van de bondgenoten op te noemen (degenen die door verdragen met de Trojanen waren verbonden) en ook de huurlingenlegers (zij, die uit verschillende gebieden komend, Priamus tegen betaling dienden). De eerste die zich uit de poorten haastte was Pandarus, de zoon van Lycaon, uit Lycië. Toen Hippothous en Pylaeus, de zoon van Lethus, van Pelasgiaans Larissa. Daarna Acamas en Peirus uit Thracië. Vervolgens Euphemus, de zoon van Troezenus, die de Ciconiërs leidde. Pylaemenes, de pochende Paphlagoniër, wiens vader Melius was. Odius en Epistrophus, de zoons van Minuus, die de Alizonen leidden. Sarpedon, de zoon van Xanthus, die de Lyciërs aanvoerde, uit Solymum. Nastes en Amphimachus, de zoons van Nomion, uit Carië. Antiphus en Mesthles, de zoons van Talaemenes, uit Maeonië. Glaucus, de zoon van Hippolochus, uit Lycië, die Sarpedon had opgedragen het commando te delen omdat hij alle Lyciërs overtrof in raad en wapens. Phorcys en Ascanius uit Phrygië. Chromius en Ennomus, welke Mygdoniërs waren, uit Mysië. Pyraechmes, de zoon van Axius, uit Paeonië. Amphius en Adrastus, de zoons van Merops, uit Adrestië. Asius, de zoon van Hyrtacus, van Sestos, en dan de andere Asius, de zoon van Dymas en de broer van Hecabe, uit Phrygië. Vele mannen volgden de leiders die we zojuist hebben opgesomd. Hun verschillende gewoonten en talen zorgden ervoor dat zij in grote wanorde en onrust streden.

2; 36
Toen onze mannen zagen wat er gebeurde, gingen we naar de vlakten en stelden ons leger in slagorde op. Menestheus, de Athener, die met onze inzet belast was, stelde ons op, in overeenstemming met onze verschillende stammen en gebieden van herkomst. Alleen Achilles en zijn Myrmidonen bleven achter. Achilles bleef boos op Agamemnon die hem onrecht had aangedaan door hem Hippodamia af te nemen. Ook het feit dat Agamemnon hem niet samen met de andere aanvoerders had uitgenodigd voor het diner vatte hij op als een belediging. Toen ons leger was opgesteld, werden we voor de eerste keer geconfronteerd met de volledige slagkracht van de vijand. Maar geen van de twee partijen durfde te beginnen, beiden hielden voor een tijdje hun positie en trokken zich daarna met algehele instemming terug toen dat teken gegeven werd.

De wrok van Achilles

2; 37
Nadat we teruggekeerd waren bij de schepen, wierpen wij onze wapens af en maakten ons zoals gewoonlijk klaar om van het avondeten te genieten. We waren ontspannen, vreesden geen problemen, toen Achilles ons probeerde te overrompelen. Er waren echter wachters die lucht kregen van zijn plannen en dit aan Odysseus vertelden. En Odysseus, alle aanvoerders langs rennend, waarschuwde en spoorde hen aan, schreeuwend dat Achilles ging aanvallen. Zij moesten, zei hij, klaar zijn, zij moesten zich bewapenen. Er ontstond een enorme opschudding, waarbij iedereen zich haastte om zich te bewapenen en in veiligheid te brengen. Zo werd Achilles’ plan ontdekt, en hij, van zijn stuk gebracht, keerde terug naar zijn hut, vertwijfeld dat hij geen succes had behaald tegen ons gewaarschuwde leger.

Toen verhoogden onze aanvoerders, uit angst dat deze opschudding de Trojanen op het idee zouden brengen om een nieuwe aanval in te zetten, het aantal vooruitgeschoven wachtposten. De twee Ajaxen, Diomedes en Odysseus werden eropuit gestuurd. Zij namen posities in waarvan zij dachten – geheel terecht, als het zou gebeuren – dat de vijand het meest waarschijnlijk zou komen opdagen. Hector, die nieuwsgierig was naar de oorzaak van de opschudding in het kamp van de Grieken, had Dolon, de zoon van Eumedes, met beloften van een grote beloning overgehaald, om te gaan spioneren. Terwijl Dolon, trachtend zijn opdracht te vervullen, gretig informatie verzamelde, viel hij in handen van Diomedes. Diomedes en ook Odysseus, die het gebied in de omgeving van de schepen bewaakten, dwongen hem om alles te vertellen wat hij wist. Toen doodden zij hem.

Menelaus treft Alexander

2; 38
Verscheidene dagen gingen voorbij zonder dat er vijandigheden plaatsvonden. Toen bereidden de Grieken en Trojanen zich voor om hun legers naar de vlakte tussen Troje en de schepen te leiden. Toen alles gereed leek voor de strijd, gingen beide kampen, op volle sterkte, voorzichtig naar voren. Op het gegeven teken botsten de voorhoedes in dichte formaties op elkaar. De Grieken vochten goed gegroepeerd, iedereen volgde de commando’s van de aanvoerder van zijn divisie. De barbaren, streden echter zonder enige orde of discipline. Desondanks vielen er velen aan beide zijden tijdens deze slag. Er werd niet teruggetrokken. Iedereen viel aan en streefde ernaar om de moed van de mannen om hem heen te overtreffen. Onder de barbaarse aanvoerders die ernstig gewonden werden en gedwongen waren om zich uit de strijd terug te trekken waren Aeneas, Sarpedon, Glaucus, Helenus, Euphorbus en Polydamas. Onder degenen aan onze kant die ook werden gewond waren Odysseus, Meriones en Eumelus.

2; 39
Toen Menelaüs zicht op Alexander kreeg rende hij naar voren, uit alle macht, om hem te treffen. Alexander durfde echter niet te blijven waar hij was, nam snel de benen en ontsnapte. Maar Hector, die dit van een afstand zag, snelde naar voren, samen met Deïphobus, en riepen Alexander een halt toe. Zij wierpen hem bittere verwijten toe en haalden hem uiteindelijk over om uit de gelederen te stappen en, wanneer iedereen stil was, Menelaüs uit te dagen voor een tweegevecht. Zo dwongen zij Alexander terug naar de strijd. En hij (kennelijk was dit de manier om een uitdaging te doen) ging voor de Trojaanse linie staan. Menelaüs, dit van een afstand opmerkend, voelde dat hij uiteindelijk een kans kreeg om de man aan te vallen die hij het meest haatte. Hier en nu, dacht hij, gaat Alexander betalen met zijn leven voor al zijn misdaden. En dus stormde hij opnieuw op hem af. Tekens werden gegeven, en iedereen trok zich aan beide zijden terug toen zij deze twee op elkaar afstormende mannen zagen, bewapend en gretig om te vechten.

2; 40
Weldra waren de twee kemphanen, met grote stappen, elkaar op zo’n afstand genaderd dat zij hun speren konden gebruiken. Alexander, in de hoop Menelaüs snel te verwonden, was de eerste die wierp. Zijn speer, raakte echter het schild van Menelaüs, en werd zo afgebogen. Toen wierp Menelaüs, gooiend met al zijn kracht, met helaas hetzelfde resultaat – zijn speer bleef in de grond steken. Alexander was op zijn hoede en ontweek de klap. Maar al snel waren zij bewapend met nieuwe speren, en begon het gevecht opnieuw. Uiteindelijk viel Alexander, gewond in zijn dij, en Menelaüs, in de hoop wraak te nemen en zo grote roem te vergaren, snelde naar voren om hem te doden. Maar Pandarus, een daad van het zwartste verraad plegend door met zijn boog vanuit een schuilplaats te schieten, verwondde Menelaüs waardoor deze halt moest houden. Dit deed de woede van onze mannen weer oplaaien, en zij hieven een enorm gebrul aan, zich bedrogen voelend doordat de Trojanen het gevecht op deze verraderlijke manier hadden beëindigd, vooral dit gevecht tussen twee mannen die de hele oorlog hadden veroorzaakt. Tijdens deze algehele verwarring, snelde een groep barbaren naar voren en redden Alexander uit de gevarenzone.

Algehele strijd

2; 41
Tegelijkertijd profiteerde Pandarus van onze besluiteloosheid. In de verte staand, trof hij veel van onze mannen met zijn pijlen. Hij ging door met die slachtpartij, totdat Diomedes, woest over deze barbaarse actie, hem aanviel en van dichtbij neerstak. Zo betaalde Pandarus, die vele mannen in strijd met het bestand had gedood (dat wil zeggen, het bestand op grond waarvan Menelaüs en Alexander zouden vechten), met zijn leven voor deze gruwelijke manier van vechten. Zijn lichaam werd uit de strijd gedragen en naar behoren gecremeerd door de zoons van Priamus. Zij as werd aan zijn metgezellen gegeven om in Lycië begraven te worden in zijn geboortegrond.

Intussen hadden de twee legers het teken voor de strijd gegeven en sloegen weer op elkaar in. Zij vochten met al hun kracht tot zonsondergang, maar geen van beiden kon de overwinning claimen. Met het invallen van de nacht, trokken de legerleiders hun legers een klein stukje terug en plaatste voldoende wachters langs de strijdlinies. Zij hielden hun mannen volledig bewapend op deze posities en wachtten op een kans om een succesvolle aanval te doen. Maar deze mogelijkheid kwam nooit, want de winter begon in te treden, en doordrenkte het slagveld met regelmatige regenbuien. De barbaren keerden terug binnen hun muren, en onze mannen, achtergebleven zonder vijand om mee te vechten, keerden terug naar de schepen en pakten hun wintertaken op. Het gedeelte van de vlakte in tweeën scheidend dat ongeschikt was voor de strijd, cultiveerden zij de bodem en lieten gewassen opgroeien die dat jaargetijde toeliet. In diezelfde periode, deed Ajax, de zoon van Telamon, met een groep van zijn eigen mannen en enkelen uit het leger van Achilles, een aanval in Phrygië, veroverde steden en veroorzaakte een algehele verwoesting. Binnen een paar dagen keerde hij terug naar het kamp, afgeladen met zijn buit.

Verrassingsaanval van de Trojanen

2; 42
Vlak voor zijn terugkeer, voerden de barbaren een verrassingsaanval uit op onze mannen, die zich ontspanden in de winterverblijven en geen vijandigheden verwachtten. Hector, de aanstichter van deze expeditie, was als aanvoerder gekozen. Bij het ochtendgloren, nadat hij zijn mannen te wapen had geroepen, leidde hij hen door de poorten, met de opdracht om in looppas rechtstreeks naar de schepen te hollen, en ons te overvallen. Onze strijders die overal in het rond zwierven, werden overrompeld. De vlucht van degenen die werden aangevallen verhoogde de verwarring onder de anderen en maakte het voor hen moeilijk om zich te bewapenen. Een grote slachting volgde. Zodra onze mannen in het centrum ruimte gaven, was Hector op een schip, tekeergaand met fakkels om de boeg in brand te steken. Niemand van ons durfde zich tegen hem te verzetten. Deze onvoorziene situatie bracht ons bijna de dood, en we smeekten Achilles om hulp. Maar zelfs nu weigerde hij. Hoe plotseling en radicaal was de strijdlust in ons en onze vijanden veranderd!

De Grieken slaan terug

2; 43
Maar toen Ajax, de zoon van Telamon, terugkeerden en hoorde waar Hector bezig was op de schepen, ging hij naar de plek toe, gekleed in zijn prachtige harnas. Daar kwam hij aan, badend in het zweet, zijn grote lichaam tegen de vijand drukkend, terwijl hij ze van de schepen wegjoeg en buiten de wal joeg. Hoe meer zij zich terugtrokken, hoe meer hij hen aanviel. Hector, bleef staan waar hij stond – te dapper voor zijn eigen bestwil, want Ajax trof hem met een enorm rotsblok en hij viel languit op de grond. Toen drongen vanuit alle richtingen een groot aantal Trojanen naar voren en, om hem heen dringend, redden Hector uit de strijd en droegen hem naar de stad, een halfdode held, zijn expeditie mislukt.

Ajax, zo van eer en roem beroofd, was des duivels. Vergezeld door Diomedes, Idomeneus, en de andere Ajax, achtervolgde hij de Trojanen, die in angstige verwarring vluchtten. Hij gebruikte zijn speer om hen in de verte te raken, zijn schild om hen die hij van dichtbij trof te vermorzelen. Niemand die deelnam aan dat gevecht ontsnapte zonder wonden. Glaucus, de zoon van Hippolochus, Sarpedon en Asteropaeus probeerden hun angstwekkende terugtocht te stuitten maar, na een kort verzet, gaven het snel op, ernstig gewond. Het verlies van deze aanvoerders veroorzaakte dat de barbaren alle hoop verloren en, de gelederen verbrekend, renden zij in verwarring naar de poorten. De doorgangen waren echter te smal voor het grote aantal mannen die er doorheen probeerden te komen. Ze struikelden en vielen, als een aardverschuiving, over elkaar heen. Ajax en de Grieken die we zojuist noemden waren snel bij hen, en een groot aantal barbaren, bang en verward, werden neergeslagen en gedood. Onder degenen die werden gedood waren de zoons van Priamus, Antiphus, Polites, Pammon en Mestor, en de zoon van Troezenus, Euphemus, de roemrijke Ciconische aanvoerder.

De roem van Ajax

2; 44
Zo veranderde de terugkomst van Ajax het wel en wee van de oorlog. De Trojanen, tot dat moment de winnaars, verloren hun aanvoerders, en werden gedwongen om te boeten voor hun slecht overwogen agressie. Toen de avond inviel en het sein voor terugtrekken werd gegeven, keerden onze mannen terug naar de schepen, blij met de overwinning. Toen gaf Agamemnon een diner ter ere van Ajax, waar hij deze held zeer hoog roemde en hem vele prachtige geschenken gaf. Ook onze aanvoerders loofden de moed van Ajax. Niemand zweeg. Zij vertelden over zijn dappere daden, hoe hij vele Phrygische steden veroverde en plunderde, en hoe hij had gestreden met Hector op de schepen, een gevecht om te herinneren, en de schepen bevrijd had van het vuur. Er was niemand die daar op dat moment aan twijfelde, vanwege zijn uitstekende en roemrijke daden, en al onze hoop op een succesvolle campagne rustte op hem. Binnen korte tijd repareerde Epeius de twee schepen die in brand waren gestoken. Alleen hun boegen waren vernietigd. Toen namen de Grieken de tijd om te ontspannen zonder angst, denkend dat de Trojanen, in het licht van de aanval die zojuist was mislukt, zouden afzien van een nieuwe poging.

Thracische Rhesus

2; 45
Gedurende die periode arriveerde Rhesus, de zoon van Eioneus, met een groot leger van Thraciërs. Hij had een afspraak met Priamus die hem beloofd had om te betalen voor zijn hulp. Op de dag van zijn aankomst, wachtte hij totdat de avond inviel op het schiereiland dat aan zijn koninkrijk in Thracië grensde. Toen, omstreeks de tweede wacht, naderde hij de Trojaanse vlakte, richtte daar een kamp in, en zette zijn tenten op. Diomedes en Odysseus, die deze sector bewaakten, en de drukte vanuit de verte opmerkten, dachten dat Priamus vanuit Troje een verkenningsmissie stuurde. Bijgevolg grepen zij hun wapens en, steels bewegend en sluipend overal rondkijkend, bereikten al snel de plek. Daar ontdekten zij de Thracische wachters, die, vermoeid door hun lange reis, in slaap waren gevallen. Nadat zij hen gedood hadden, naderden zij de tent van Rhesus en doodden de koning zelf. Zij waren, echter bang om hun geluk teveel op de proef te stellen en keerden terug naar de schepen, de strijdwagen en rijk versierde paarden van Rhesus meevoerend. Toen, nadat zij naar hun hutten waren gegaan, sliepen zij de rest van de nacht. Bij het ochtendgloren gingen zij naar al onze aanvoerders en vertelden over hun geslaagde avontuur. De algehele instemming was dat de dood van Rhesus de Thraciërs woedend zou maken en een aanval zouden doen. Daarom werd iedereen opgedragen in de buurt van zijn wapens te blijven en klaar te staan voor de strijd.

2; 46
We hoefden niet lang te wachten, want de Thraciërs, toen zij wakker werden, ontdekten dat hun koning wreed was gedood in zijn tent en zagen de, het verhaal vertellende, sporen die de gestolen strijdwagen had achtergelaten. Onmiddellijk, ongedisciplineerd en ongeorganiseerd, begonnen groepjes mannen richting schepen te rennen. Zodra onze mannen de Thraciërs in het zicht kregen, rukten zij naar voren op, de opdrachten van hun aanvoerders uitvoerend, in een gesloten front. De twee Ajaxen voerden hen aan. Zij waren de eersten die hen troffen en de vijand doodden. Toen sloegen onze andere aanvoerders, op hun verschillende posities, degenen neer die hen weerstonden. Soms werkten sommigen van hen samen om de kracht van de aanvallende groepen te breken, waardoor die werden afgeslacht en, verspreid en zonder leider, niemand het overleefde. Zodra deze aanvallers waren weggevaagd, spoedden onze mannen, het signaal gehoorzamend om door te gaan, zich naar de Thracische tenten. De enige Thraciërs die nog leefden waren diegenen die waren achtergelaten om het kamp te bewaken. Toen zij onze mannen zagen naderen, werden zij doodsbang, en alles in de steek latend, vluchtten zij naar de veiligheid van de muren. Het was echt zielig. Onze mannen kwamen van alle kanten en grepen de wapens, paarden en koninklijke rijkdommen die het lot zo vriendelijk voor ons had achtergelaten.

Terugkeer van Philoctetes en Astynome

2; 47
Daarop keerden onze troepen, nu Rhesus en zijn Thraciërs volledig waren vernietigd, terug naar de schepen, zegevierend beladen met buit. Intussen waren de Trojanen bang, terwijl zij van hun kantelen toekeken, omdat zij hun bondgenoten niet konden helpen, en bleven binnen hun muren. Hun geesten gebroken door de recente tegenslagen, stuurden zij ons gezanten die om vrede smeekten. En zo werd een verdrag gesloten dat beide kampen, plechtige offers brengend, zwoeren om te handhaven. Ongeveer in diezelfde tijd kwam Chryses (de priester van de Sminthiaanse Apollo, zoals we eerder verteld hebben) naar de Grieken om hen te bedanken voor de teruggave van zijn dochter, Astynome. Vanwege deze vriendelijkheid, en omdat hij wist dat zijn dochter netjes was behandeld, bracht hij haar nu terug om aan Agamemnon te schenken. De volgende gebeurtenis was de terugkeer van Philoctetes van Lemnos, samen met diegenen die gegaan waren om hem zijn deel van de buit te geven. Hij was nog steeds ziek en liep uiterst moeilijk.

Achilles verzoent zich

2; 48
Toen hielden onze aanvoerders een bijeenkomst van de Raad, waar Ajax, de zoon van Telamon, naar het midden liep, en een redevoering hield. Hij adviseerde om smekelingen naar Achilles te sturen en hem te smeken, namens de aanvoerders en gewone soldaten, zijn woede op te geven en zijn eervolle positie weer tussen ons in te nemen. We moesten, zo voelde hij het, nu handelen, in het licht van onze recente overwinning en het gunstige bestand dat we hadden afgesloten. We moesten hem opzoeken, niet vanwege onze nood, maar alleen om hem de eer te gunnen die hij had verdiend. We wilden hem aan onze kant, eenvoudigweg vanwege zijn grootsheid. Bovendien, smeekte Ajax, moest Agamemnon de bereidheid tonen om zich te verzoenen met Achilles. In de huidige omstandigheden, vechtend, in de staat waarin zij verkeerden, deze verschrikkelijke oorlog ver van hun vaderland, behoorde iedereen enkel en alleen aan het gemeenschappelijke doel te denken. Toen hij uitgesproken was, stemden al onze aanvoerders unaniem in met wat hij had gezegd en prezen hem de hemel in. Hij was, zeiden zij, niet alleen sterker maar ook intelligenter dan iedereen. Toen vertelde Agamemnon dat hij al vele smekelingen had gestuurd die geprobeerd hadden om Achilles te verzoenen. Er was niets dat hij meer verlangde. Daarom vroeg hij Ajax (wiens relatie met Achilles meer overtuigingskracht moest toevoegen) en Odysseus om deze missie uit te voeren om namens hem naar Achilles te gaan. Ajax en Odysseus beloofden te doen wat zij konden. En Diomedes bood aan om ook mee te gaan.

2; 49
Daarop gaf Agamemnon opdracht aan twee begeleiders om een zoenoffer te brengen. Deze brachten het offer en hielden het boven de grond terwijl hij, zijn zwaard trekkend, het in tweeën sneed. De stukken vielen op de aarde waar iedereen ze kon zien. Nadat dit gebeurd was, wandelde hij er tussendoor, en besmeurde zijn zwaard met bloed. Het was op dit moment dat Patroclus, die had gehoord dat de Raad bijeen was gekomen, arriveerde. Toen Agamemnon tussen het offer door liep, zwoer hij dat hij Hippodamia nooit has misbruikt. Hij had nooit toegegeven aan lust of zingenot. Het was, eerder, zijn onvermogen om zijn temperament onder controle te houden dat hem talloze problemen had bezorgd. Nu wilde hij het volgende aanbod doen. Hij zou Achilles een van zijn dochters als vrouw schenken, welke hij maar wilde, alsmede een tiende van zijn koninkrijk en vijftig talenten als bruidsschat. Degenen in de raad, nadat zij dit hoorden, waren verbaasd over zijn grootmoedigheid. Patroclus was vooral onder de indruk door het aanbod van zoveel rijkdom, en was ook blij dat Hippodamia niet was geschonden. Zo keerde hij terug naar Achilles en vertelde hem over alles dat in de Raad gebeurd was.

2; 50
Achilles overdacht Agamemnon’s aanbod, probeerde te beslissen wat hij zou doen, toen Ajax en de andere aanvoerders de hut binnenkwamen. Hij ontving hen gastvrij en bood hen stoelen aan. Ajax, die ging zitten op de stoel naast Achilles, begon, toen de tijd rijp leek, hem te berispen en te vermanen. Daar zij familie waren, kon hij vrijer spreken dan de anderen. Hij verweet Achilles dat hij bleef wrokken terwijl veel van zijn vrienden en de meeste van zijn verwanten – zij, zijn mensen, verkeerden in ernstig gevaar – hem smeekten om te zwichten. Odysseus was de volgende die sprak. Ten eerste, zei hij dat de goden de schuld hadden voor wat er tot dan toe was gebeurd. Toen vertelde hij over de bijeenkomst van de Raad, over de beloften die Agamemnon had gedaan en de eed die Agamemnon had gezworen. Uiteindelijk, er bij Achilles op aandringend de gebeden van de Grieken niet te minachten en een dergelijk huwelijk niet te versmaden, eindigde hij met een opsomming van de bruidsschat die Agamemnon aanbood.

2; 51
Toen begon Achilles, met een lange toespraak, zijn daden en prestaties te vertolken, hen herinnerend aan de vele werken die hij had uitgevoerd voor het algemeen welzijn, en de steden die hij had veroverd. Terwijl iedereen uitrustte, had hij zijn dagen en nachten angstig doorgebracht en zich ijverig ingespannen voor de oorlog, zichzelf of zijn soldaten nimmer sparend. En bovendien, had hij toegestaan dat de buit die hij had veroverd over het hele leger verdeeld werd. Als dank voor deze diensten, ontving hij de unieke eer om beroofd te worden van zijn rechtvaardige beloning. Alleen hij was met een dergelijke minachting behandeld, zo’n schande, want hij was beroofd van Hippodamia, zijn prijs, het symbool van zijn succes. Het was niet alleen aan Agamemnon te wijten. Wat echter nog erger was dat alle andere Griekse aanvoerders, eerdere vriendelijkheden vergetend, het feit dat hij was beledigd, negeerden door te zwijgen. Toen Achilles uitgesproken was, zei Diomedes: ‘Wat gebeurd is, is gebeurd, en een wijs man blijft er niet over zeuren. Probeer het als je kunt, maar je kunt het niet terugdraaien.’ Intussen stonden Phoenix en Patroclus als smekelingen rond Achilles, pakten zijn knieën, kusten, zonder terughoudendheid, zijn handen en gezicht, en smeekten hem om zijn boosheid op te geven en terug te keren naar zijn ereplaats in hun midden. Doe dit, zeiden zij, niet zozeer voor ons maar, zoals het hoort, voor heel het leger.

2; 52
Uiteindelijk zwichtte Achilles. Hij zou doen wat zij wilden. De aanblik van de afgezanten, de smekingen van zijn beste vrienden, en het begrip dat het leger niets te verwijten was deden hem van gedachten veranderen. Toen voor de eerste keer na zijn woede, op de suggestie van Ajax, ging Achilles naar een bijeenkomst van de Raad. Agamemnon begroette hem op koninklijke wijze, en de andere aanvoerders waren blij om hem weer te verwelkomen. Overal was er vreugde, onbegrensde vreugde. En toen voerde Agamemnon, door Achilles bij de hand te nemen, hem weg, samen met de andere aanvoerders, naar het diner. Even later, tijdens het diner, toen zij zichzelf vermaakten, gaf Agamemnon aan Patroclus de opdracht om Hippodamia naar de hut van Achilles te brengen, samen met de juwelen die hij haar gegeven had. Dit was een opdracht die Patroclus met genoegen gehoorzaamde. Tijdens deze winter, vermengden de Grieken en Trojanen zich in het bos van de Thymbraeaanse Apollo. Zij gingen vrijuit, alleen of in groepen, zonder enige angst voor elkaar.

Boek 3

Winter in Troje

3; 1
Zowel de Grieken als de Trojanen hielden zich aan het bestand en zagen tijdens heel de winter af van vijandelijkheden. De Grieken maakten goed gebruik van de pauze en besteedden al hun tijd en energie aan de voorbereidingen voor de strijd. Zij verzamelden zich voor de wal, onder hun diverse leiders, elk contingent oefende in hun bepaalde vaardigheid. Een groep oefende in het speerwerpen, daarbij standaard gebruik makend van spiesen met het exacte gewicht en lengte, of anders puntige staken. Anderen oefenden in het werpen met de slinger of het boogschieten. Onder degenen die uitblonken in het boogschieten waren Odysseus, Teucer, Meriones, Epeius en Menelaüs, maar Philoctetes was de beste. Hij bezat de boog van Heracles, en raakte altijd de roos met verbazingwekkende vaardigheid. De Trojanen en hun bondgenoten gedroegen zich, in vergelijking met de Grieken, bijna zorgeloos. Zij vreesden geen verraad, en verwaarloosden daarom hun militaire plichten, en brachten hun tijd door met het veelvuldig offeren aan de Thymbraeaanse Apollo.

Op ongeveer hetzelfde moment werden zij in kennis gesteld dat vrijwel alle steden in Azië zich tegen Priamus hadden gekeerd en hun diplomatieke betrekkingen met Troje verbraken. Deze steden gaven Priamus de schuld omdat hij de zaak van Alexander verdedigde. Hij was een slecht voorbeeld dat afbreuk deed aan de wetten der vriendschap in hun gebieden. Ook waren zij zich er goed van bewust dat de Grieken tot op dat moment al hun veldslagen hadden gewonnen en veel van de omliggende steden hadden veroverd. En als laatste maar niet het minste, zij haatten Priamus’ zonen en Priamus’ koninkrijk.

Achilles verliefd op Polyxena

3; 2
Op een dag, in Troje, toen Hecabe tot Apollo aan het bidden was, kwam Achilles en een paar van zijn mannen om naar de religieuze ceremoniën te kijken. Er waren daar vele andere vrouwen naast Hecabe. Haar schoondochters bijvoorbeeld, en de vrouwen van de voorname Trojanen. Sommigen van hen, uit zuivere toewijding aan hun koningin, begeleidden haar, terwijl anderen, die deden dat ze ook zo devoot waren, kwamen in werkelijkheid om voor iets voor zichzelf te bidden. Daar waren ook de dochters van Hecabe, Polyxena en Cassandra, nog ongehuwd. Zij waren de priesteressen van Athena en Apollo. Hun haren waren warrig, hun hoofdbanden vreemd en barbaars. Polyxena was degene die hen deze taken had opgelegd. Toen Achilles bij toeval zijn blik op Polyxena liet vallen, werd hij getroffen door de schoonheid van het meisje. Hoe langer hij daar bleef, des te dieper werd zijn passie. Geen verlichting vindend, keerde hij terug naar de schepen en, na een paar dagen van toenemende kwelling, liet hij Automedon komen en stortte zijn hart uit. Automedon, smeekte hij uiteindelijk, moest naar Hector gaan en zijn aanzoek voor het meisje overbrengen. En wat Hector betreft, als hij, om zeker te zijn, hem zijn zuster als vrouw wilde geven zou hij heel het leger aan hem verraden.

3; 3
Dienovereenkomstig beloofde Achilles dat hij aan de oorlog een eind zou maken als Polyxena aan hem gegeven zou worden. Toen zei Hector dat Achilles of een eed moest zweren over dit verraad of anders de zoons van Plisthenes en Ajax moest doden, en dat hij anders niet van een overeenkomst wilde weten. Achilles, toen hij dit hoorde, werd vreselijk kwaad en schreeuwde dat, in de eerste slag, zodra het vechten weer was begonnen, hij Hector zou doden. Toen, zijn hart gekweld door enkele verschrikkelijke emoties, zwierf hij rond, nu eens hier, dan weer daar. Maar soms overwoog hij toch tot hoever hij moest gaan om op de eisen van Hector in te gaan. Maar toen Automedon zag hoe hevig hij in de war was en dat, terwijl de dagen voorbij gingen, hij steeds meer van streek raakte door het verlangen naar haar, en de nachten buiten zijn hut doorbracht, vreesde hij dat Achilles zichzelf of de eerdere genoemde aanvoerders kwaad aan zou doen, en dus onthulde hij de hele zaak aan Patroclus en Ajax. Deze hielden hun vriend nauwlettend in de gaten zonder te laten merken dat zij iets wisten.

Terwijl zij dit deden, kwam Achilles op een gegeven moment bij zijn positieven. Nadat hij Agamemnon en Menelaüs bij zich had geroepen, vertelde hij van zijn liefde voor Polyxena en over zijn onderhandelingen met Hector. Toen probeerde iedereen hem te troosten door erop te wijzen dat hij het meisje snel genoeg in bezit zou krijgen, want, zoals altijd, zou geweld slagen waren smeekbeden faalden. Wat zij zeiden leek redelijk, daar de val van Troje al ophanden was. Alle steden van Azië hadden hun diplomatieke betrekkingen met Priamus al verbroken en hun steun en bondgenootschap aan ons aangeboden. Onze aanvoerders hadden beleefd geantwoord: Onze huidige troepen zijn ruimschoots voldoende, en wij hebben geen behoefte aan hulp. Maar, om zeker te zijn, aanvaardden wij graag de vriendschap die zij aanboden, en hun goede wil plezierde ons. Dit zeiden we, zonder twijfel, omdat hun trouw niet vertrouwt kon worden, hun moed te weinig op de proef gesteld, en hun plotselinge verandering van trouw werd waarschijnlijk door bedrog ingegeven.

De strijd vangt weer aan

3; 4
De winter liep ten einde, met het begin van de lente, en zowel de Grieken als de Trojanen waren klaar voor de oorlog. Zij riepen hun legers onder de wapens, gaven het signaal, en leidden hen naar de vlakte. Toen zij vooruit drongen, in formatie, dichtbij genoeg om hun speren te gebruiken, hieven zij oorlogskreten aan en begonnen aan de strijd. De cavalerie aan beide zijden hielden het midden aan en waren daarom de eersten die elkaar troffen. De koningen stegen in hun strijdwagens en namen deel aan de strijd, elk naast zijn wagenmenner die hij had gekozen om zijn paarden te leiden. Diomedes stond in het rijtuig. Strijdend met Pyraechmes, de koning van de Paeoniërs, hij doodde hem met een speerstoot in het gezicht. De bedienden van Pyraechmes, mannen die hij had uitgekozen vanwege hun moed, groepten bijeen en probeerden weerstand te bieden. Maar Diomedes, in volle galop midden tussen hen door rijdend, reed enkelen aan met zijn rijtuig en joeg de anderen met zijn speer op de vlucht. Toen doodde Idomeneus (Meriones was zijn wagenmenner) Acamas, de koning van de Thraciërs. Hem uit zijn wagen duwend, ving hij hem op, toen hij viel, met de punt van zijn speer. Toen Hector, die op een ander deel van de vlakte vocht, hoorde dat de Trojaanse ruiters in het centrum vluchtten, snelde hij hen te hulp, zijn commando achterlatend in de handen van waardige strijders, en nam Glaucus, Deïphobus en Polydamas met zich mee. Zonder twijfel zouden de Trojanen in het centrum compleet vernietigd zijn als Hector niet was aangekomen en hun vlucht had tegen gehouden. Nu waren wij niet langer in staat om ze op te ruimen, ons offensief kwam tot stilstand. Toch hielden wij onze posities en weigerden terug te trekken voort Hector en de andere net aangekomen nieuwelingen.

3; 5
Weldra verspreidde het nieuws van deze slag zich door het leger, en de andere aanvoerders, die hun posities toevertrouwden aan waardige ondergeschikten, spoedden zich naar het centrum. De linies, aan beide zijden, sloten zich aaneen, en de strijd laaide weer op. Hector voelde zich gesterkt, toen hij zag dat een groot aantal Trojanen aanwezig waren en voelde zich redelijk veilig. Vervolgens spoorde hij zijn mannen aan om met meer durf te strijden, hen met luide stem aanroepend bij hun namen. En hijzelf dook de strijd in en verwondde de twee dappere leiders van de Eliërs, Diores en Polyxenus. Zodra Achilles Hector zo zag aanvallen, kwam hij de strijdende Grieken te hulp, zijn geest in beroering vanwege de gedachte hoe Hector zijn aanzoek voor Polyxena had afgewezen. Hij werd echter gedwongen, halverwege te stoppen en Pylaemenes te doden, de koning van de Paphlagoniërs, die op zijn pad stond. Pylaemenes, zo zeggen ze, beweerde familie van Priamus te zijn via Phineus, de zoon van Agenor, want Phineus’ dochter Olizone, toen zij oud genoeg was, was getrouwd met Dardanus.

3; 6
Toen ging Achilles verder met zijn razende rit naar Hector, maar Hector, die zeer goed begreep hoe Achilles hem haatte, weigerde te blijven waar hij was en, zijn wagen beklimmend, vluchtte weg van de strijd. Achilles achtervolgde hem tot aan de vijandelijke linies en, zijn speer werpend, verwondde Hector’s wagenmenner dodelijk, waarna Hector zijn paarden achterliet en naar een andere sector ontsnapte. Achilles was vreselijk kwaad toen hij bedacht hoe de man die hij het meest haatte aan zijn greep was ontsnapt. Nadat hij zijn speer uit de wagenmenner had getrokken, werd hij nog gewelddadiger, iedereen dodend die hij tegenkwam, de doden vertrappend, terwijl hij voortging. De Trojanen vluchtten, in doodsangst, totdat Helenus, die een verre schuilplaats had gevonden vanwaar hij zijn pijlen afschoot, een eind maakte aan de aanval van Achilles. Achilles was overrompeld, zijn hand was geraakt, en zo was de grote kampioen van de Grieken, hij die ervoor had gezorgd dat Hector was gevlucht, hij die vele mannen en hun leiders had gedood, gedwongen om het slagveld te verlaten, verraderlijk gewond.

Dood van Sarpedon

3; 7
Ondertussen grepen Agamemnon en de twee Ajaxen, tijdens de slachtpartij met onbeduidende tegenstanders, vele zoons van Priamus die zij doodden. Agamemnon doodde Aesacus en Deiopites en ook Archemachus, Laodocus en Philenor. De Ajaxen – zowel de zoon van Oileus als de Telamonische Ajax – doden Mylius, Astynous, Doryclus, Hippothous en Hippodamas. Op een ander deel van de vlakte hadden Patroclus en de Lycische Sarpedon zich afgezonderd van hun mannen en probeerden de flanken van hun respectievelijke legers te beschermen. Uit de strijdlinies rijdend, daagden zij elkaar uit tot een tweegevecht. Zij wierpen eerst hun speren, maar raakten geen van beiden hun doel. Toen, uit hun strijdwagens springend en hun zwaarden grijpend, troffen zij elkaar en vochten bijna de gehele dag, snelle en woedende slagen met elkaar uitwisselend, maar geen van hen kon de ander verwondden. Uiteindelijk, kroop Patroclus, zich realiserend dat hij met meer durf moest handelen, achter de bescherming van zijn schild en ging dicht naar hem toe. Met zijn rechterhand gaf hij Sarpedon een verlammende slag tegen de zenuwen aan de achterkant van zijn been en toen, zijn lijf tegen hem aandrukkend – Sarpedon verzwakte en begon te wankelen – duwde hem omver en maakte hem af toen hij viel.

3; 8
De Trojanen, die zagen wat er gebeurde, schreeuwden luid en verlieten hun strijdlinies, en, nadat het teken gegeven werd, voerden een gezamenlijke aanval uit tegen Patroclus. Zij voelden, zonder twijfel, dat de dood van Sarpedon een grote ramp voor hen was. Patroclus zag echter de vijanden aankomen. Beschermd door zijn pantser en een speer van de grond oppakkend, bood nog moediger weerstand. Hij doodde Gorgythion en verjoeg Deïphobus, Gorgythion’s broer, door hem in de knie te verwonden met zijn speer. Kort daarop kwam Ajax aan en joeg de andere Trojanen op de vlucht. Op ongeveer hetzelfde moment kwam Hector, die ook in de gaten had wat er gebeurde, hen te hulp. Hij wees de Trojaanse officieren terecht en stopte hem merendeel van de mannen die zich terugtrokken. Hij liet hen omkeren en, voor de rest van de dag, hun formatie weer innemen. Door zijn aanwezigheid herstelde hij de bezieling van zijn volk en zorgde ervoor dat de strijd weer oplaaide. De strijdlinies botsten weer op elkaar, beide kanten geïnspireerd door geweldige aanvoerders. Nu eens viel de een aan, en dan weer de ander. Waar de gelederen op het punt stonden te bezwijken, kwamen er versterkingen. Intussen verloren beide legers grote aantallen mannen, en de overwinning kwam niet dichterbij. Toen de avond inviel na een lange en vermoeiende dag van intensieve strijd, waren de soldaten aan beide zijden blij om van de strijd te kunnen vertrekken.

3; 9
Toen was Troje vervuld met kreten van verdriet. Al de Trojanen, vooral de vrouwen, huilden en rouwden rond het lichaam van Sarpedon. Zij voelden dat geen enkele andere ramp, hoe bitter ook, hiermee te vergelijke was, zelfs niet de dood van de zoons van Priamus. Zij hadden hun geloof in Sarpedon gesteld. Zij hadden gehoopt dat hij hen zou beschermen. Maar nu was hun hoop de bodem dingeslagen. De Grieken, van hun kant, keerden terug naar het kamp, en gingen direct naar Achilles. Na vragen over zijn wond kwamen zij erachter, tot hun vreugde, dat hij niet leed. Zij vertelden hem over de dappere daden van Patroclus. Daarna, zich verspreidend over de verschillende hutten, bezochten en inspecteerden zij de anderen die gewond waren geraakt. Toen Patroclus terugkeerde, prees Achilles hem en drong er bij hem op aan dat de herinnering aan wat hij die dag had gedaan hem zou aansporen om nog moediger te vechten in toekomstige gevechten. De Grieken en Trojanen brachten de nacht door. Toen de dageraad aanbrak, verzamelden, cremeerden en begroeven zij hun doden. Daarna, na enkele dagen, toen de gewonden het goed maakten, brachten zijn hun legers in gereedheid en trokken met hun legers weer ten strijde.

Dood van Patroclus

3; 10
De barbaren, in overeenstemming met hun volslagen gebrek aan principes, begonnen de vijandigheden met een verrassingsaanval. Veldslagen bevielen hun niet. Verraad en onrust pasten hen beter. Zij kwamen over ons heen als een aardverschuiving, hun speren werpend met barbaarse oorlogskreten. Veel van onze mannen, die half bewapend werden overvallen, werden gedood, inclusief Arcesilaus, de Boeotiër, en Schedius, de Crissaeaan, die beiden uitstekende leiders waren. Het aantal gewonden, was echter nog groter. Onder hen waren Meges, de koning van de Echinaden, en Agapenor, koning van Arcadië. Tijdens dit verschrikkelijke conflict, hoopte Patroclus, die zag dat onze kant werd verslagen, dat hij het tij van de slag kon keren. Dus, onze mannen aansporend, nam hij deel aan de strijd en viel de vijand nog feller aan dan ooit iemand anders gedaan had. Euphorbus, vond hem echter met een speer. En weldra kwam Hector naar voren en, schrijlings boven het gevallen lichaam staand, bracht dat vele steken toe en probeerde het uit de strijd te slepen. Geen twijfel mogelijk, in overeenstemming met het totale gebrek aan fatsoen bij zijn volk, wilde Hector het slachtoffer op alle mogelijke manieren verminken en bespotten. Toen Ajax, die op een ander plek aan het vechten was, zag wat er gebeurde, ging hij er snel naar toe. Zijn speer gebruikend, verdreef hij Hector, die al begonnen was het lichaam weg te slepen. Ondertussen besprongen Menelaüs en de andere Ajax Euphorbus en lieten hem met zijn leven betalen omdat hij de oorzaak van Patroclus’ dood was geweest. Toen de avond viel en de strijd werd afgebroken, waren een groot aantal van onze mannen dood, verraderlijk en barbaars neergeslagen.

Begrafenis van Patroclus

3; 11
Nu de twee legers zich hadden teruggetrokken, waren we vrij om te ontspannen. Onze aanvoerders gingen naar Achilles. Hij was getekend door verdriet, zijn gezicht was ontsierd door het huilen terwijl hij languit over het lichaam op de grond lag. Hij beroerde ieders hart. Zelfs Ajax, die bij hem stond en hem probeerde te troosten, brak en huilde. Al onze leiders beweenden de dood van Patroclus en, nog meer, de verschrikkelijke manier waarop hij was verminkt. Dit was het eerste voorbeeld van een dergelijke schaamtevolle en onmenselijke daad, iets dat de Grieken daarvoor nog nooit gedaan hadden. Dus troostten onze aanvoerders, met vele gebeden, Achilles op alle mogelijk manieren, en haalden hem uiteindelijk over om op te staan. Toen bedekten zij, nadat het lichaam van Patroclus was gewassen, het met een mantel, vooral om de wonden zorgvuldig te verbergen, die je tot huilen aanzetten wanneer je het zag.

3; 12
Toen dit was gebeurd, spoorde Achilles de wachters aan om vooral goed op te letten of de vijand geen aanval op hun gebruikelijke manier zou uitvoeren, terwijl wij met de details van de begrafenis bezig waren. Bijgevolg, bewapenden de wachters, elk zeer aan hun taak verplicht, zich en lieten gedurende de nacht de wachtvuren fel branden. Bij zonsopgang, omdat we hadden besloten tot een publieke begrafenis, kozen we vijf van de aanvoerders, Ialmenus, Ascalaphus, Epeius, Meriones en de andere Ajax, om hout op de berg Ida te gaan halen. Toen bouwden we een grote brandstapel van het hout dat zij meebrachten, vijf speren lang en vijf speren breed, die we ontstaken. Patroclus was gekleed in de mooiste en kostbaarste kleding. Hippodamia en Diomede (haar had hij vooral liefgehad) had hierop toegezien.

Dood van Hector

3; 13
Toen zij een paar dagen hun slaap hadden ingehaald, leidden onze aanvoerders op een morgen ons leger weer naar de vlakte. We wachtten en wachtten, maar de barbaren, die van de muren op ons neerkeken en ons daar bewapend zagen, wilden niet naar buiten komen om te vechten. Daarom, keerden we bij zonsondergang weer terug naar de schepen. De volgende dag, echter, was nauwelijks begonnen toen de Trojanen zelf gewapend uit hun poorten stroomden, hopend, zoals hun gewoonte was, om ons te overrompelen met een wilde en plotselinge aanval. Maar we waren goed genoeg georganiseerd om ons te verdedigen, en daarom, toen zijn met grote energie en grote aantallen hun speren wierpen, toen zij onze verdedigingswal bereikten, misten die meestal hun doel. Tegen het einde van de dag merkten wij dat zij tekenen van vermoeidheid begonnen te vertonen en hun felheid verloren. Bijgevolg, gingen onze mannen die hun linkerflank weerstonden, in het offensief en verstrooide hen en joegen ze op de vlucht. Snel daarna werd ook de andere flank, die al aarzelde, zonder enige moeite verdreven.

3; 14
Met de staart tussen de benen, vluchtten de meesten van hen als lafaards weg. En wij, hen achtervolgend en neermaaiend, doodden grote aantallen. Onder hen waren de heersers van Larissa, Pylaeus en Hippothous, en de koning van Sestos, Asius, de zoon van Hyrtacus. Op dezelfde dag, maakte Diomedes twaalf gevangenen, en Ajax veertig. Twee van de gevangenen, Pisus en Evander, waren zoons van Priamus. De slachtoffers aan onze kant in deze slag waren Guneus, de koning van de Cyphiërs, die was gedood, en mijn aanvoerder, Idomeneus, die gewond was. Toen de Trojanen de veiligheid van hun muren bereikt hadden en de poorten gesloten, waren wij niet langer in staat om hen te achtervolgen. Met de wreedheden in gedachten die waren begaan tegen het lichaam van Patroclus, ontdeden we de vijandige lichamen van hun harnassen en dumpten die in de rivier. Toen gaven we alle gevangenen aan Achilles, de een na de ander, zoals we hen gevangen hadden genomen. Achilles, nadat hij de as van Patroclus met wijn had vermengd, verzamelde de resten in een urn. Hij was van plan om die, wanneer hij daar ooit heen ging, naar zijn geboorteland te brengen, of er naast begraven te worden, bij zijn beste vriend, daar in hetzelfde graf zoals het lot bevolen had. Hij gaf opdracht om de gevangenen die we hem gegeven hadden, inclusief de zoons van Priamus, naar de brandstapel te leiden en niet ver van de as verwijderd te doden, zonder twijfel een offer aan de verdwenen geest van Patroclus. Toen gaf hij de lichamen van de zoons van de koning aan de honden om aan stukken gescheurd te worden. Hij zwoer dat hij zijn nachten in de open lucht door zou brengen totdat hij wraak genomen had, bloed voor bloed, op de man die verantwoordelijk was voor zijn onuitsprekelijke verdriet.

3; 15
Na een paar dagen hoorden we het plotselinge bericht dat Hector en een paar anderen naar Penthesilea onderweg was, de koningin van de Amazonen. Waarom ze Priamus te hulp kwam, vanwege het geld of eenvoudig vanwege haar liefde voor oorlog, was onzeker. Haar ras, van nature oorlogszuchtig, was altijd bezig om naburige volken te veroveren en de standaard der Amazonen heinde en ver uit te dragen. Dus koos Achilles een paar trouwe kameraden en haastte zich om een hinderlaag voor de Trojanen te leggen. Hij overviel ze onverwachts – ze probeerden een rivier over te steken – en omsingelde en doodde hen voordat zij in de gaten hadden waardoor zij getroffen werden. Hector en alle anderen die bij hem waren werden gedood. Met uitzondering van één van de zoons van Priamus, die Achilles gevangennam en, nadat zijn handen waren afgehakt, terugstuurde naar Troje om te vertellen wat er gebeurd was. Achilles werd tot beestachtige daden gedreven, door zijn meest gehate vijand af te slachten, vanwege zijn voortdurende verdriet over Patroclus. Nadat hij Hector van zijn wapenrusting had ontdaan, bond hij het lichaam, met de voeten bijeen gebonden, achter zijn strijdwagen, toen beklom hij die en gaf opdracht aan Automedon, zijn wagenmenner, zijn paarden de vrije teugel te laten. En zo galoppeerde hij over de vlakte waar eenvoudig gezien kon worden hoe hij het lichaam voortsleepte. Een nieuwe en verschrikkelijke vorm van wraak.

3; 16
Maar in Troje, zagen de Trojanen, vanaf hun muren, de wapenrusting van Hector, waarvoor Achilles opdracht aan de Grieken had gegeven om die in het zicht van de vijand te brengen. En de zoon van Priamus die Achilles terug had gestuurd vertelde wat er gebeurd was. In heel de stad heerste er ellende en verdriet, waarop onze mannen als antwoord beledigingen schreeuwden. Het geluid was zo luid dat zelfs de vogels uit de lucht leken te vallen, sprakeloos, in de war. Alle poorten van de stad waren dicht. Het koninkrijk, gehuld in rouw, verborg haar gezicht in droefheid. Zoals zo vaak gebeurt in zulke omstandigheden, wilden de uitzinnige mensen plotseling naar één plek rennen en dan, zonder aanwijsbare reden, zich weer in alle richtingen verspreiden. Nu eens was er overal gekrijs, dan weer een griezelige en totale stilte. Veel van de Trojanen verloren alle hoop. Zij dachten dat, met het vallen van de nacht, de Grieken, opgetogen over de dood van Hector, een aanval zouden doen op de muren en de stad met geweld innemen. Sommigen van hen geloofden dat het leger dat Penthesilea had geleid om Priamus te steunen zich nu bij Achilles had gevoegd. Alles was negatief en vijandig, heel hun kracht was gebroken en vernietigd. Zij hadden geen hoop meer op veiligheid, want Hector was dood. Hij alleen was een gelijkwaardige partij geweest voor de talloze hordes, voor de vele aanvoerders van de vijand. Zijn dapperheid in de strijd was beroemd in heel de wereld maar had, desondanks, zijn wijsheid niet overtroffen.

Lijkspelen voor Patroclus

3; 17
Ondertussen, bij de Grieken, had Achilles het lichaam van Hector naar de schepen gebracht en het aan iedereen getoond. Het verdriet dat we kortgeleden voelden over de dood van Patroclus werd vervangen door een uitzinnige vreugde over de dood van onze formidabele vijand. Want nu was er niets meer om te vrezen van de Trojanen, iedereen stond te popelen om spelen te houden, zoals de gewoonte is bij begrafenissen, ter ere van Patroclus. Andere volken, die waren komen kijken maar niet meededen, stonden gewapend klaar om elke aanval van de vijand te weerstaan, hoewel in sterkte de mindere, op de gebruikelijk verraderlijke manier. Achilles stelde de prijzen vast voor de winnaars, dingen die hij van grootste waarde achtte. Toen alles in gereedheid was gebracht, ging hij midden tussen alle koningen staan, een klein beetje hoger dan de rest, en drong er bij hen allen op aan om hun plaatsen in te nemen. In de eerste wedstrijd, de vierspanrace, was Eumelus de winnaar. Niemand kon hem verslaan. Diomedes won de prijs in de tweespanrace. Menelaüs werd tweede.

3; 18
Vervolgens kwam de wedstrijd boogschieten. Odysseus en Meriones zetten twee palen op waartussen zij, vastgebonden aan de punten, een zeer dun touw bevestigden, waaraan zij in het midden een duif ophingen aan een koord. Dit was het doel. Vervolgens kregen alle deelnemers een beurt. Maar alleen Odysseus en Meriones raakten het doel. Zij werden door iedereen gefeliciteerd, uitgezonder Philoctetes die pochte dat hij het beter kon. Hij zou het koord doormidden schieten waar de duif aan hing. Onze aanvoerders verbaasden zich over de moeilijkheid van wat hij van plan was. Toch, meer op zijn vaardigheid vertrouwend dan op geluk, maakte hij zijn grootspraak waar. Het koord werd doormidden geschoten en de duif viel op de grond. Er klonken luide kreten van goedkeuring vanuit onze mannen. Meriones en Odysseus namen de prijzen voor deze wedstrijd in ontvangst, maar Achilles beloonde de uitzonderlijke prestatie van Philoctetes met een dubbele prijs.

3; 19
Ajax, de zoon van Oileus, wond de hardloopwedstrijd. Polypoetes werd tweede. Machaon won de dubbele springwedstrijd, Eurypylus de enkele. Tlepolemus de hoogspringwedstrijd, en Antilochus het discuswerpen. De prijzen voor het worstelen bleven onbeloond. Ajax had bijna Odysseus verslagen, hem bij zijn middel grijpend en neerwerpen, maar Odysseus, zelfs terwijl hij viel, had de voeten van zijn tegenstander gegrepen en hem uit balans geslagen. Dus beide mannen lagen op de grond. Dezelfde Ajax, de zoon van Telamon, liep weg met de zegepalm voor alle bokswedstrijden, inclusief het gevecht met de cestus. Diomedes won de laatste wedstrijd, de hardloopwedstrijd in volle wapenrusting. Nadat Achilles alle prijzen uitgereikt had, gaf hij geschenken. Als eerste, het geschenk dat hij het meest waardevol vond aan Agamemnon. Toen aan Nestor, aan Idomeneus, aan Podalirius en Machaon, en aan alle andere aanvoerders in volgorde van hun verdiensten. En ten slotte, aan de kameraden die in de strijd gevallen waren, met de opdracht om die geschenken meer naar huis te nemen, wanneer de tijd dat toeliet, voor de familieleden van de overledenen. Tegen de tijd dat de spelen afgelopen waren en de prijzen uitgereikt, was het avond en ging iedereen naar zijn hut.

Priamus bij Achilles

3; 20
Bij het ochtendgloren kwam Priamus naar Achilles – een ellendig schouwspel, gekleed in rouwkleding, met een smekend gezicht en smekende handen, een koning waarbij verdriet alle voormalige macht en roem had weggewist. Met hem kwam Andromache mee, niet minder ellendig dan hijzelf, haar gezicht hevig ontdaan. Als steun voor de koning bij zijn verzoek, bracht ze haar zoons, ze voor zich neerzettend, twee kleine jongens, Astyanax (sommigen noemen hem Scamandrius) en Laodamas. En Polyxena kwam ook, haar vader steunend, terwijl hij wankelde onder de last van zijn leeftijd en verdriet. Karren volgden, gevuld met goud en zilver en kostbare kleding. Dit beeld van koning en gevolg veroorzaakte een plotselinge stilte onder de verbaasde Trojanen die van hun muren toekeken. Snel gingen onze aanvoerders naar Priamus toe, nieuwsgierig naar de reden waarom hij was gekomen. Toen Priamus ze zag aankomen, viel hij voorover op de grond en wierp stof, en al het andere wat hij kon vinden, over zijn hoofd. Hij smeekte hen om medelijden te hebben met zijn ongeluk en bepleitte zijn zaak bij Achilles. Zijn hoge leeftijd en verwoeste leven wekte de sympathie van Nestor op. Odysseus vervloekte hem echter, hem er aan herinnerend hoe hij tegen de gezanten had gesproken in Troje voordat de oorlog was begonnen. Toen Achilles hoorde van de aankomst van Priamus, stuurde hij Automedon om de koning te roepen. Hijzelf wachtte, met de urn die de beenderen van Patroclus bevatte in zijn handen.

3; 21
Daarop ging Priamus, samen met onze aanvoerders, naar de hut van Achilles. Toen zei hij, de knieën van Achilles omvattend: ‘Jij bent niet de schuld van mijn ongeluk. Het is een van de goden die, in plaats van medelijden met mij te hebben, een ramp aan het eind van mijn leven heeft veroorzaakt. Nu ben ik overweldigd en versleten vanwege het verdriet over mijn zoons. Zij, vertrouwend op hun jeugd en de rijkdommen van het koninkrijk, en altijd de begeerten van hun harten volgend, hebben de vernietiging, in tegenstelling tot hun verwachtingen, van hunzelf en voor mij bedacht. Niettemin, als mijn dood voorkomt dat de zonen, die mij nog overgebleven zijn, nog meer van dit soort misdaden plegen, dan bied ik mijzelf nu ook aan, als het u bevalt, voor de doodstraf. Doe wat u wilt. Neem met een slag mijn nietige leven en al die beproevingen weg die mij tot een treurende stakker hebben gemaakt, een uiterst miserabel spektakel onder de mensen. Hier ben ik. Ik vraag niet om medelijden. Neem me gevangen, als u wilt. Van mijn vroegere geluk is niets meer over. Mijn koninkrijk viel toen Hector sneuvelde. Maar ik heb al betaald met mijn privézorgen, met het bloed van mijn zoons, een tevredenstellende straf voor de Grieken vanwege alle slechte daden van mijn volk, heb medelijden met mijn leeftijd, overdenk de goden, herinner vroomheid. Vergun tenminste het verzoek van deze jongens om het lichaam, niet het leven, van hun vader, Hector. Herinner je eigen vader die al zijn wakkere uren besteed met aan je te denken, zich afvragend of je veilig bent. Laat al zijn gebeden verhoord worden. Laat hem genieten van een goede oude dag, totaal verschillend aan dat van mij.’

3; 22
Terwijl hij sprak, haperde zijn geest. Toen, terwijl hij het vermogen om te praten verloor, begaven zijn benen het. Iedereen die aanwezig was werd pijnlijk getroffen door dit meelijwekkende gezicht. Vervolgens wierp Andromache de kleine zoons van Hector voor Achilles. Zijzelf huilde, met een stem vol van verdriet, en smeekte om toestemming om naar het lichaam van haar man te mogen kijken. Tijdens deze beklagenswaardige scene, hielp Phoenix Priamus opstaan en moedigde hem aan om te herstellen. Toen de koning zich weer beter voelde, sprak hij, knielend en met beide handen zijn haar uittrekkend: ‘Waar is die rechtvaardige genade waar de Grieken zo beroemd om zijn? Wordt dit alleen aan Priamus onthouden?’

3; 23
Iedereen was diep ontroerd. Achilles zei echter dat Priamus zijn zoons aan het begin tegen had moeten houden bij hun misdadige acties. Door berusting, was hij medeplichtig geworden aan hun verraad. Tien jaar geleden was hij nog niet zo oud dat zij geweigerd zouden hebben om naar hem te luisteren. Maar, zoals is gebleken, hebben hun hebzucht, hun begeerte naar de eigendommen van iemand anders, hen aangezet tot monsterlijke daden. Zij hadden niet alleen een vrouw maar ook de bezittingen van Atreus en Pelops weggevoerd. Het was niets anders dan gerechtigheid dat zij hun straf, of nog erger, moesten ondergaan. Tot aan dit moment, hadden de Grieken gehoorzaamd aan de beschaafde regels van de oorlog en de lichamen van hun vijanden teruggegeven aan hun vijanden om begraven te worden. Maar Hector had in strijd met de wetten van de menselijke natuur gehandeld toen hij het lichaam van Patroclus van het slagveld wegsleepte, met de duidelijke bedoeling om het te verminken en te bezoedelen. Nu moesten de Trojanen hun straf ondergaan als boetedoening voor deze misdaad. Zodat, in de toekomst, de Grieken en andere volkeren, zich herinnerend wat er in dit geval gebeurd was, zich houden aan de natuurlijke regels. De Grieken hadden hun huizen en kinderen niet verlaten om naar deze bloedige, moeizame oorlog te komen vanwege de zaak van Helena, of die van Menelaüs. Wat zij werkelijk wensten was te beslissen wie over de wereld zou heersen, zijzelf of de barbaren. Niettemin, de ontvoering van een vrouw was aanleiding genoeg voor een invasie. Degenen die waren geplunderd treurden niet minder over hun verliezen dan de plunderaars genoten van hun winsten. Zo sprekend, riep Achilles vervloekingen af over Helena, zwerend dat wanneer Troje was genomen hij haar in het openbaar zou doden, een passende beloning voor haar misdaad. Hij verweet haar het gemis aan zijn geboortegrond en ouders en, de grootste troost voor dit heimwee, Patroclus.

3; 24
Toen stond Achilles op en ging naar buiten om te overleggen met de aanvoerders die we zojuist noemden. Hij werd overgehaald om hun unanieme advies op te volgen. Hij zou de geschenken aanvaarden die werden aangeboden en het lichaam van Hector overhandigen. Toen dit besloten was, vertrokken de zij naar hun verschillende hutten, en keerde hij terug naar die van hem. Bij zijn terugkeer, viel Polyxena aan zijn voeten en beloofde zijn gewillige slaaf te zijn als hij het lichaam terug zou geven. Dit beeld, alsook de gedachte van vader en zoon, brachten hem tot tranen, in weerwil van al zijn haat voor Priamus en Troje vanwege Patroclus’ dood. Dus gaf hij Polyxena zijn hand en hielp haar overeind. Maar eerst toonde hij zijn bezorgdheid om Priamus en gaf Phoenix opdracht om hem te troosten. Maar toen Priamus weigerde om getroost te worden en bleef jammeren, zwoer Achilles dat aan de wensen van Priamus niet voldaan zou worden totdat hij betere kleren had aangetrokken en met hem gegeten had. En zo besloot de koning, bang om te weigeren, waardoor hij verloor wat verleend leek, zich nederig te onderwerpen aan de wil van Achilles.

3; 25
Nadat hij het stof uit zijn haar geschud had, nam hij een bad, en ging toen met zijn gevolg naar het diner met Achilles. Toen iedereen voldoende had gegeten, sprak hun gastheer als volgt: ‘Vertel me nu eens, Priamus, wat de werkelijke reden is waarom jullie denken Helena zo lang te kunnen vasthouden, zelfs nu jullie militaire inspanningen falen en de problemen steeds groter worden? Waarom joeg je haar niet weg, als een ongeluksvogel? Je wist dat ze haar geboorteland en haar ouders had verraden en, het meest beschamende, haar goddelijke broers . Deze broers vervloekten haar misdaad en weigerden zelf om met deze campagne mee te gaan, opdat, zij zeker niet verantwoordelijke gesteld wilden worden voor haar tergkomst. Waarom, als ze naar Troje was gekomen om een vloek voor iedereen te worden, waarom smeet je haar er niet uit? Waarom heb je haar niet van de muren gegooid met een vervloeking? Waarom legde de ouderen van Troje zich neer bij het feit dat hun zonen elke dag in de strijd stierven? Kon het zijn omdat zij niet wisten dat zij alleen al die doden veroorzaakte? Is iedereen in Troje zo duivels verliefd dat er niemand gevonden kan worden die medelijden heeft met het ongeluk van zijn land en dat probeert te redden door Helena te doden? Wat mij betreft, ik eer zowel je leeftijd en je gebeden. Ik zal het lichaam teruggeven. Ik zal mij nooit schuldig maken aan de misdaden die ik veroordeel bij mijn vijanden.’

3; 26
Deze woorden brachten Priamus opnieuw aan het huilen. Hij zei dat het de wil van de goden was geweest om de oorlog te beginnen. De goden waren de auteurs van goed en kwaad voor elke sterveling. Zolang als hem werd toegestaan om gelukkig te zijn, had niemand van zijn vijanden de macht gehad om hem te verslaan. Hij die vijftig zoons bij verschillende moeders had werd beschouwd als de meest gezegende van alle koningen, tot de geboorte van de jongste, Alexander. Hij was niet in staat geweest om de toekomst te vermijden, hoewel de goden de gebeurtenissen die Alexander zou veroorzaken hadden onthuld. Toen Hecabe zwanger was, vertelde ze hem hoe zij gedroomd had over een fakkel waarvan de vlammen de berg Ida verteerde en, terwijl het vuur doorbrandde, daarna de heiligdommen van de goden en uiteindelijk het hele land, uitgezonderd de huizen van Antenor en Anchises. De zieners hadden gezegd dat deze droom de val van Troje voorspelde. Daarom hadden ze besloten om het kind na de geboorte te doden. Maar Hecabe, met de tederheid van een vrouw voor haar kind, gaf hem stiekem aan herders om hem groot te brengen op de Ida. Toen hij volwassen was, en zij wisten wat er gebeurd was, was hij zo knap dat niemand, zelfs zijn ergste vijanden niet, het konden verdragen om hem te doden. Toen was hij getrouwd met Oenone. Kort daarop, nadat hij werd gegrepen door het verlangen om verre gebieden en koninkrijken te zien, was hij aan de reis begonnen waarop hij Helena geschaakt had. Een god drong er bij hem op aan, dreef hem voort. En wat Helena betreft, alle Trojanen, inclusief Priamus zelf, hielden van haar. Zelfs de gedachten aan de dood van hun zoons en familie konden hen er niet van overtuigen om haar te verwerpen. Alleen Antenor, de wijste raadgever in tijden van vrede en oorlog, was hiervoor. Antenor verstootte zelfs, in het begin, toen Alexander terugkeerde uit Griekenland, zijn eigen zoon, Glaucus, omdat hij was meegegaan op die reis. Nu werd Troje vernietigd en was hij, de koning, dicht bij zijn dood. Sterker nog, hij verlangde ernaar om te sterven en de last van het koningschap op te geven Hij werd gekweld door de gedachte dat wanneer zijn land zou vallen, Hecabe en zijn dochters tot slavinnen gemaakt zouden worden. Welke meesters, welke schande, zouden zij moeten doorstaan?

3; 27
Toen Priamus klaar was met deze toespraak, gaf hij opdracht om alles uit te stallen dat hij als losgeld voor zijn zoon had meegebracht. Achilles zei dat al het goud en zilver verwijderd moest worden, en ook de kleding die hij het mooiste vond. Nadat hij gepakt had wat er overgebleven was, gaf hij dit aan Polyxena. Toen gaf hij het lichaam aan Priamus. De koning, die met zichzelf streed hoe hij zijn dankbaarheid moest tonen dat hij een begrafenis kon houden, en de veiligheid van zijn dochter hoopte veilig te stellen wanneer Troje zou vallen, viel op zijn knieën voor Achilles en smeekte hem om Polyxena te nemen en voor zichzelf te houden. De jongeman antwoordde dat zij moest terugkeren met haar vader Zij zouden over haar op een andere plek en in een andere tijd beslissen. Zo herkreeg Priamus het lichaam van Hector en, zijn wagen beklimmend, keerde samen met de anderen terug naar Troje

Boek 4

Begrafenis van Hector

4; 1
Toen zij vernamen dat hun koning zijn missie had volbracht en ongedeerd samen met de anderen terugkeerde, prezen de Trojanen de Griekse hartstocht. Priamus, dachten zij, zou het lichaam nooit terugkrijgen. De Grieken zouden zich gerechtigd voelen om hem te houden omdat zij, de Trojanen, geweigerd hadden om Helena terug te geven. Toen zij Hector’s lichaam zagen, rende iedereen, inclusief de bondgenoten, er naar toe. Zij huilden en trokken hun haren uit en krabden hun gezichten. De stad werd door wanhoop geregeerd. Hector, wiens daden tijdens vrede als in oorlog in de hele wereld bekend waren, zijn roem vanwege zijn rechtschapen karakter dat niet minder was dan zijn krijgshaftige geest, Hector was dood. Zij begroeven hem dicht bij het graf van hun voormalige koning Ilus, en dromden er omheen, aan de ene kant de vrouwen met Hecabe, aan de andere kant de Trojaanse mannen met hun bondgenoten, hieven zij hun treurige klaagzangen aan. Gedurende tien dagen vanaf zonsopgang tot zonsondergang, de tijd van de wapenstilstand, jammerde iedereen, zonder ophouden, voor Hector, zoals het behoorde.

Penthesilea

4; 2
Tijdens de begrafenis kwam Penthesilea aan. Zij bracht een groot leger Amazonen mee en andere naburige volkeren met zich. Nadat zij hoorde over Hector’s dood, werd ze enorm kwaad en wilde naar huis terugkeren. Maar Alexander gaf haar veel goud en zilver, en overtuigde haar uiteindelijk om te blijven. Enkele dagen later rukte zij met haar leger op en deed een aanval, zonder enige steun van de Trojanen, zo groot was haar vertrouwen in haar volk. Ze stelde de boogschutters op aan de rechterflank, de voetsoldaten aan de linker, en de cavalerie, waartoe zij zelf behoorde, in het midden. Onze mannen werden opgesteld om haar te treffen, met Menelaüs, Odysseus, Meriones en Teucer tegenover de boogschutters, de twee Ajaxen, Diomedes, Agamemnon, Tlepolemus, Ascalaphus en Ialmenus tegen de voetsoldaten, en Achilles, samen met de anderen, tegen de cavalerie. Zo begonnen de twee legers, nadat zij hun mannen hadden opgesteld, aan de strijd. De koningin doodde velen van ons, haar boog gebruikend, zoals Teucer dat voor ons deed. Ondertussen leiden de Ajaxen de voetsoldaten. Vooruitlopend met hun schilden voor zich en iedereen terugduwend die op hun pad kwam, veroorzaakten zij een algehele ravage aan. Niemand kon hen, zo leek het, tegenhouden met het wegvagen van de vijand.

4; 3
Achilles vond Penthesilea tussen haar cavalerie en, zijn speer werpend, trof doel. Toen – geen probleem meer nu ze gewond was – greep hij haar bij de haren en trok haar van het paard. Haar volgelingen, die haar zagen vallen, werden ontmoedigd en sloegen op de vlucht. We achtervolgden hen en sloegen diegenen neer die niet in staat waren de poorten te bereiken voordat deze dicht gingen. Desondanks hebben we ons onthouden om de vrouwen iets aan te doen vanwege hun sekse. Daarna keerden wij terug, allen overwinnaars, onze vijanden gedood. Toen we Penthesilea halfdood vonden, verbaasden wij ons over haar brutale moed. Vrijwel onmiddellijk werd er een vergadering belegd om over haar lot te beslissen, en er werd besloten om haar, nog genoeg in leven om gevoel te hebben, ofwel in de rivier te werpen om te verdrinken of door de honden aan stukken gescheurd te worden, omdat zij de grenzen van de natuur en haar sekse had overtreden. Achilles was van oordeel om haar gewoon te laten sterven en een begrafenis te geven. Diomedes won echter de stemming. Rondgaand vroeg hij iedereen wat er moest gebeuren en er werd unaniem besloten om haar te verdrinken. Vervolgens, haar bij de voeten slepend, dumpten zij haar in de Scamander. Het spreekt voor zichzelf dat dit een zeer wrede en barbaarse daad was. Maar zo verloor de koningin van de Amazonen haar leger dat zij naar Priamus had gebracht om hem te helpen, en stierf op een manier die bij haar onbezonnen karakter paste.

Memnon

4; 4
De volgende dag kwam Memnon, de zoon van Tithonus en Eos, aan met een groot leger van Indiërs en Ethiopiërs, een werkelijk opmerkelijk leger dat uit duizenden en nog eens duizenden mannen bestond met verschillende soorten wapens, dat zelfs de hoop en gebeden van Priamus overtrof. Al het land rond en voorbij Troje, zover het oog kon zien, was gevuld met mannen en paarden, en schitterde door de pracht van wapens en standaards. Memnon had deze legers naar Troje geleid door de bergen van de Kaukasus. Gelijkertijd stuurde hij een andere groep van dezelfde grootte over zee, met Phalas als hun gids en aanvoerder. Die anderen landden op het eiland Rhodos, waarvan zij al snel ontdekten dat dit een bondgenoot van de Grieken was. In het begin, vrezend dat het doel van hun missie bekend zou worden, en hun schepen in brand gestoken, bleven zij in de haven. Maar later, verdeelden zij hun leger, en gingen op weg naar de steden Cameirus en Ialysus. Weldra gaven de Rhodesiërs Phalas de schuld dat hij probeerde om Alexander te helpen, dezelfde Alexander die onlangs Phalas’ land, Sidon, had veroverd . Om het leger op te stoken, zeiden zij dat degene die deze misdaad verdedigde in geen enkel opzicht beter was dan een barbaar. En ze voegden er nog vele van zulke dingen aan toe waardoor de gewone soldaten boos zouden worden en hun zijde zouden kiezen. En zij faalden niet in hun opzet, want de Phoeniciërs, die de meerderheid vormden in Phalas’ leger, of ze nu beïnvloedt werden door de beschuldigingen van de Rhodesiërs, of de controle over de rijkdommen die in de schepen zaten wilden hebben, vielen Phalas aan een stenigden hem tot hij dood was. Toen, het goud en alle andere buit die zij hadden verdelend, verspreidden zij zich over de steden die we zojuist noemden.

4; 5
Ondertussen had het leger dat met Memnon gekomen was zijn kamp in een groot gebied opgezet (de muren van de stad konden niet eenvoudig zo’n groot aantal mannen omvatten), en iedereen, ieder in zijn eigen groep, was aan het oefenen voor de strijd. Deze groepen verschilden in de wijze van vaardigheden en methoden al naar gelang het gebied waar ze vandaan kwamen. Hun verschillende soorten wapens, hun verschillende schilden en helmen, gaven hen een angstaanjagend krijgshaftig aanzien.

Bij dageraad, na enkele dagen, toen zijn soldaten klaar waren voor de strijd, gaf Memnon het teken en leidde hen naar de strijd. En de Trojanen, samen met hun bondgenoten, verlieten de bescherming van hun muren en vielen ook aan. Wij, aan onze kant, stelden onze legers op om hen te treffen, enigszins onder de indruk over de grootte van deze onbekende vijand. Toen zij binnen speerworpafstand waren, vielen zij op ons aan met een enorm dissonerend geschreeuw. Het leek wel een aardverschuiving. Onze mannen, eendrachtig staand, waren in staat om hun aanval te breken. Maar hun gelederen werden snel aangevuld en opnieuw gegroepeerd, overal vlogen de wapens heen en weer, en aan beide kanten werden velen gedood. Er was geen einde in zicht, zolang Memnon, vergezeld door al zijn dapperste soldaten, ons centrum aanviel, rijdend in zijn strijdwagen, en iedereen doodde en verwondde die hij maar tegenkwam. Onze aantallen slachtoffers stegen verschrikkelijk, en onze aanvoerders overwogen op te geven. Zij voelden dat het ons lot was om te verliezen en onze enige hoop was te vluchten. Maar de nacht, het toevluchtsoord van de onderdrukten, hield de vijand tegen. Anders zou die dag onze schepen vernietigd door vuur hebben aangetroffen. Zo groot waren de macht en krijgshaftige vaardigheden van Memnon, zo pijnlijk hachelijk onze situatie.

4; 6
Toen de gevechten waren gestopt, wij, met gebroken geesten en de uiteindelijke uitslag van de oorlog vrezend, besteedden de nacht om diegene te begraven die we in de strijd hadden verloren. Toen bedachten we een plan. Eén van onze mannen moest Memnon uitdagen tot een tweegevecht. Vervolgens gingen we verder door het lot een kampioen aan te laten wijzen. De stembriefjes van iedereen werden geschud, uitgezonderd – zoals Agamemnon gevraagd had – die van Menelaüs, Odysseus en Idomeneus. En Ajax, in antwoord op de gebeden van iedereen, werd gekozen. Toen gingen we eten en hernieuwden onze krachten en brachten de rest van de nacht slapend door. Bij zonsopgang bewapenden wij ons, stelden onze troepen op, en gingen naar de strijd. Memnon, niet minder alert, trok ook op, samen met alle Trojanen. Toen beide legers gereed waren, begon de strijd. Zoals verwacht kon worden, vielen er vele mannen aan beide zijden dood neer, of trokken zich dodelijk gewond terug. Het was in deze slag dat Antilochus, de zoon van Nestor, naar Memnon ging, en zo zijn dood ontmoette.

Toen Ajax dacht dat de tijd rijp was, stapte hij uit de gelederen en riep de koning. Maar eerst riep hij echter Odysseus en Idomeneus om hem te verdedigen in het geval anderen hem zouden aanvallen. Memnon, die zag dat Ajax naar voren kwam, sprong van zijn strijdwagen en ging hem lopend tegemoet. In beide legers wedijverden hoop en vrees met elkaar. Uiteindelijk stak Ajax zijn speer in het midden van Memnon’s schild en, heel zijn gewicht en al zijn kracht gebruikend, stak deze erdoorheen in de zij van Memnon. De metgezellen van Memnon, toen zij zagen wat er gebeurde, snelden hem te hulp en probeerden Ajax weg te duwen. Maar deze tussenkomst aan de kant van de barbaren dwong Achilles te handelen. Hij ging het strijdperk in en dreef zijn speer door de keel van Memnon, waar het schild hem geen bescherming gaf.

Doden worden begraven

4; 7
De onverwachte dood van Memnon, de vijandelijke geestdrift brekend, versterkte die van ons. Nu keerden de Ethiopiërs zich om en sloegen op de vlucht. Nu zetten onze mannen de achtervolging in, dood en verderf zaaiend. Polydamas probeerde de strijd nieuw leven in te blazen, maar werd snel omsingeld en viel, in de lies getroffen door Ajax. En Glaucus, de zoon van Antenor, werd gedood. Hij was met Diomedes aan het vechten toen Agamemnon hem neersloeg met een speer. Men kon overal op de vlakte wanordelijk vluchtende Ethiopiërs en Trojanen zien, zonder aanvoerders, in groepen en rennend, elkaar hinderend, vallend waar ruiterloze paarden hen vertrapte. Onze mannen, met hernieuwde geestkracht, vielen aan en slachtten de vijand af, degenen verjagend die verstrikte waren geraakt en aan hun speren stekend. Het veld vlakbij de muren stroomde van het bloed. Wapens en lijken in overvloed overal waar de vijand ging. Het was in deze slag dat Priamus de volgende zoons verloor: Aretus en Echemmon werden gedood door Odysseus. Dryops, Bias en Chorithan werden gedood door Idomeneus. Ilioneus en Philenor door Ajax, de zoon van Oileus. Thyestes en Telestas door Diomedes. Antiphus, Agavus, Agathon en Glaucus door de andere Ajax. En Asteropaeus door Achilles. Er kwam geen eind aan het doden totdat onze mannen totaal verzadigd waren, en volledig uitgeput.

4; 8
Toen we in het kamp teruggekeerd waren, stuurden de Trojanen gezanten om toestemming te vragen om hun doden te begraven. Dus werden de doden verzameld, elk die van zichzelf, en gecremeerd en begraven volgens oude gewoonte. Memnon werd echter apart van de anderen gecremeerd. Zijn overblijfselen werden in een urn gedaan en aan familieleden gegeven om terug te brengen naar zijn geboorteland. Toen we naar behoren het lichaam van Antilochus hadden gewassen, gaven we het aan Nestor voor een nette begrafenis en smeekten hem om de tegenslagen van de oorlog manmoedig te dragen. En, uiteindelijk bracht ieder van ons de nacht door met het eren van de doden met veel wijn en begrafenisfeesten, en loofden de beide Ajaxen en Achilles in hoge mate.

De Trojanen, nadat zij hun begrafenissen hadden afgerond, beëindigden hun verdriet over de ramp die Memnon was overkomen. Maar nu greep de wanhoop hen aan, ze vreesden de uiteindelijke afloop van de oorlog. De dood van Sarpedon en, kort daarna, de afslachting van Hector, hadden het kleine beetje hoop weggevaagd. En nu was er van het fortuin, dat als laatste strohalm Memnon had geschonken, niet meer over. En zo, met zoveel tegenslagen die tegen hen samenzwoeren, was hun verwachting om te overleven volkomen verdwenen.

Nog wat schermutselingen

4; 9
Na een paar dagen namen de Grieken de wapens weer op, gingen naar de vlakte, en daagden de Trojanen uit om naar buiten te komen en te vechten, als zij durfden. Alexander en zijn broers, in antwoord op deze uitdagingen, stelden hun legers op en leidden die naar buiten. Maar voordat de gelederen elkaar konden treffen met een speerworp, verbraken de barbaren hun formatie en sloegen op de vlucht. We renden op hen af, van alle kanten, en slachtten grote aantallen af, of wierpen ze halsoverkop in de rivier. Zij konden op geen enkele wijze ontsnappen. En twee zonen van Priamus, Lycaon en Troilus, werden gevangen genomen, waarvan de kelen, nadat zij naar het midden van de strijd waren teruggebracht, in opdracht van Achilles, werden doorgesneden, die boos op Priamus was omdat deze niet had toegezien op de zaken die zij besproken hadden. De Trojanen hieven kreten van verdriet aan en, luid rouwend, huilden om het feit dat Troilus zo’n zware dood had getroffen, want zij herinnerden zich hoe jong hij was, die, aan het begin van zijn volwassenheid, de gunsteling van het volk was, niet alleen vanwege zijn bescheidenheid en eerlijkheid, maar vooral om zijn knappe verschijning.

Dood van Achilles

4; 10
Een paar dagen later begon het religieuze festival van de Thymbraeaanse Apollo. Er werd een wapenstilstand afgesproken en de vijandelijkheden gestaakt. Toen, terwijl beide legers bezig waren met offeren, vond Priamus de tijd om Idaeus naar Achilles te sturen met instructies betreffende Polyxena. Toen Achilles echter deze instructies doorlas, alleen in het bos met Idaeus, werd het bericht over deze ontmoeting naar de schepen gebracht. Onze mannen waren boos, vermoedden ontrouw bij Achilles, omdat het gerucht dat hij een verrader was geleidelijk meer voet aan de grond kreeg en intussen voor waar was aangenomen door het hele leger. Daarom, om de emoties van de soldaten gerust te stellen, gingen Ajax, Diomedes en Odysseus naar het bos en stonden aan de voorkant van de tempel, wachtend totdat Achilles deze zou verlaten. Zij wilden hem eveneens vertellen wat er gebeurd was bij de schepen en hoopten hem ervan te weerhouden om geheime afspraken te maken met de Trojanen.

4; 11
Ondertussen benaderden Alexander en Deïphobus, die een complot hadden gesmeed, Achilles, alsof zij de instemming van Priamus kwamen bevestigen. Om geen argwaan te wekken stopte Alexander (hij had een dolk bij zich) vlakbij het altaar en keek onze aanvoerder niet aan. Achilles had geen wapen bij zich, in de veronderstelling dat er geen gevaar dreigde in de tempel van Apollo. Toen ging Deïphobus, toen de tijd hem rijp leek, naar Achilles en, met vleiende felicitaties over de voorwaarden die hij had geregeld, omarmde hem en, over hem heen hangend, weigerde hem los te laten totdat Alexander, met getrokken zwaard, voorwaarts snelde en het slachtoffer met twee rake slagen in de zij trof. Toen zij zagen dat hij stervend was, vertrokken zij haastig en keerden terug naar de stad, verheugd omdat boven alle verwachtingen uit hun zeer belangrijke missie was volvoerd.

Odysseus, die hen had zien vertrekken, zei: ‘Er is iets mis. Waarom zijn die mannen zo opgewonden? Waarom zijn zij bang en hebben zo’n haast?’ Daarop ging hij en de anderen het bos in en, in het rond kijkend, ontdekten Achilles languit op de grond liggend, bijna dood en veel bloed verliezend. Toen zei Ajax: ‘We weten zeker dat niemand jou in een eerlijk gevecht kon verslaan maar, dat is wel duidelijk, je bent nu door je eigen onverstandige roekeloosheid aan het eind van je leven gekomen.’ En Achilles, zijn laatste adem uitblazend, zei: ‘Deïphobus en Alexander hebben me overmeesterd. Zij kwamen over de kwestie met Polyxena – bedrieglijk, verraderlijk.’ Terwijl hij daar lag te sterven, omarmden onze aanvoerders hem en kusten hem vaarwel. Hun verdriet was groot. En toen hij dood was, nam Ajax het lichaam op zijn schouders en droeg het uit het bos.

4; 12
De Trojanen, die zagen wat er gebeurde, stormden allemaal hun poorten uit. Hun normale gewoonte volgend, wilden zij, zonder twijfel, het lichaam verminken en stonden te popelen om het weg te rukken en de stad binnen te brengen. Maar de Grieken waren ook waakzaam en, de wapens grijpend, trokken hen tegemoet. Weldra, nadat zij hun legers op de been hadden gebracht, botsten beiden op elkaar in de strijd. Ajax, het lichaam aan degenen gevend die bij hem waren, ging in de aanval en doodde Asius (de zoon van Dymas en de broer van Hecabe) die hij als eerste ontmoette. Daarna doodde hij een groot aantal anderen, zoals hij die aantrof, een voor een die binnen het bereik van zijn speer kwamen. Onder hen waren Nastes en Amphimachus, de heersers van Carië. En nu werkten onze aanvoerders, Ajax, de zoon van Oileus, en Sthenelus, samen en doodden en joegen een groot aantal op de vlucht. Uiteindelijk veroorzaakte deze algehele vernietiging dat de Trojanen zich naar hun poorten haastten. Ze lieten alle hoop op verzet varen en vluchtten verspreid in grote wanorde, met de gedachte dat alleen de muren hen konden beschermen. Achter hen drongen de Grieken aan, dode op dode stapelend.

4; 13
Toen de poorten werden gesloten en het doden was geëindigd, namen de Grieken Achilles mee terug naar de schepen. Al onze aanvoerders huilden om het verlies van hun held. Veel van de soldaten geloofden echter dat Achilles vaak had geprobeerd om hen te verraden, waren niet in het minst bedroefd en weigerden om te rouwen zoals ze wel zouden moeten doen. Desalniettemin, hij was hun grootste militaire kracht geweest en nu, door zijn dood, was alles verloren. Ze moesten toegeven, voor een man zo voortreffelijk in de strijd, dat hij een oneervolle dood had ontmoet, of op zijn minst een duistere. Daarom haastten zij zich om veel hout uit de bossen op de Ida te halen en een brandstapel te bouwen op de plek waar die van Patroclus had gestaan. Toen, nadat zij het lichaam op zijn plek hadden gelegd, staken zij die aan, en voerden zo de riten van de begrafenis uit. Ajax handelde met bijzondere toewijding, drie dagen lang continue de wacht houdend totdat alle overblijfselen waren verzameld. Hij was meer dan iemand anders bedroefd over de dood van Achilles, zo verdrietig dat hij het bijna niet kon uithouden. Hij had meer dan alle anderen van Achilles gehouden en hem uiterst trouw gediend, want Achilles was niet alleen zijn familie en dierbaarste vriend maar ook, dat er vooral toe deed, de meest moedige man die er was.

Aankomst van Eurypylus en Neoptolemus

4; 14
De Trojanen, aan hun kant, liepen over van vreugde en dank, want de vijand die zij het meest hadden gevreesd was dood. Zij overlaadden Alexander met lof voor zijn bedrog. Hij had, zeker, op slinkse wijze gedaan wat hem in de strijd nooit gelukt zou zijn. Ondertussen was er een boodschapper gearriveerd om Priamus te vertellen dat Eurypylus, de zoon van Telephus, aangekomen was uit Mysië. (De koning had hem gelokt met vele prachtige geschenken, en had uiteindelijk zijn steun gekregen door Cassandra als vrouw te beloven. Onder de vele andere prachtige dingen die hij hem had gestuurd was een staf, van goud, waarover in de verre omtrek gesproken werd.) Eurypylus, de illustere krijger, was gekomen met zijn legers uit Mysië en Ceteius. De Trojanen verwelkomden hen vreugdevol, want door hen kregen zij weer hoop.

4; 15
Ondertussen deden de Grieken de botten van Achilles in de urn van Patroclus en begroeven die in Sigeüm . Toen huurde Ajax enkele Sigeanen in om een tombe voor Achilles te bouwen. Hij was boos op de Grieken, want hij vond dat hun verdriet op geen enkele manier in verhouding stond met het verlies van zo’n grote held. Toen de tombe bijna klaar was, arriveerde Pyrrhus. Hij werd Neoptolemus genoemd en was de zoon van Achilles en Deïdamia, de dochter van koning Lycomedes. Nadat hem was verteld hoe zijn vader gestorven was, vulde hij de Myrmidonen met zijn troepen aan, hen hergroeperend, en sprak hun nieuwe moed in. Zij waren de dappersten en het beroemdst in de oorlog. Phoenix achterlatend met dit werk, ging hij naar de schepen en daar, in de hut van zijn vader, trof hij Hippodamia aan die de bezittingen bewaakte.

Weldra was zijn aankomst bekend, en werden alle aanvoerders bijeen geroepen. Toen ze hem smeekten om zich te beheersen, zei hij, kalm antwoordend, dat hij goed genoeg wist dat mannen dapper moesten ondergaan wat de goden wilden dat er zou gebeuren. Aan ieders leven komt een eind, en alleen de zwakken wensten oud te worden, terwijl de sterken dat mijden en verachten. Bovendien werd zijn verdriet verzacht door het feit dat Achilles niet was gedood in een tweegevecht of in het vuur van de strijd. Achilles kon nooit verslagen worden – dat was ondenkbaar – door enig persoon, levend of dood, uitgezonderd Heracles. Hoewel het moment om Achilles vroeg, onder wiens handen het passend zou zijn dat Troje viel, bevestigde hij niettemin, dat zij, met zijn hulp, deze taak zouden afmaken die zijn vader onvoltooid had achtergelaten.

4; 16
Toen hij uitgesproken was, besloten zij om de volgende dag te vechten. Alle aanvoerders, toen de tijd hen rijp leek, gingen, zoals gewoonlijk, bij Agamemnon dineren. Onder hen waren Ajax en Neoptolemus, en Diomedes, Odysseus en Menelaüs. Zij namen plaatsen van gelijke rang in aan het diner. Terwijl zij zaten te eten, loofden zij de moed van Achilles en vertelden Neoptolemus over de talloze moedige daden van zijn vader. Hun woorden deden hem genoegen en brachten hem ertoe te zeggen dat hij ernaar zou streven, met man en macht, om een waardige zoon te zijn. Toen het diner voorbij was, gingen zij weg om de nacht in hun hutten door te brengen. Bij het aanbreken van de volgende dag, terwijl het kamp verliet, ontmoette Neoptolemus Diomedes en Odysseus. Na de begroeting vroeg hij of er iets mis was. Zij antwoordden dat we de aanval een paar dagen moesten uitstellen, totdat zijn soldaten waren hersteld van hun lange zeereis. Hun benen waren nog steeds wankel, hun voeten nog onzeker.

Dood van Eurypylus

4; 17
En zo, in overeenstemming met dit advies, werd onze aanval een paar dagen uitgesteld. Toen trokken onze aanvoerders en koningen, nadat onze mannen zich hadden bewapend en in het gelid waren gezet, ten strijde. Neoptolemus voerde het midden aan. Bij hem waren de Myrmidonen en ook Ajax (die Neoptolemus, zoals paste bij hun nauwe relatie, eerde in plaats van zijn vader). De Trojanen waren zeer overstuur, want zij zagen, terwijl hun eigen bondgenoten dagelijks overliepen, dat een nieuw contingent, geleid door een illustere aanvoerder, de Grieken te hulp was gekomen. Toch namen zij de wapens op, zoals Eurypylus hen aanspoorde om te doen. Hij, nadat hij de steun van de prinsen had gekregen, vormde een gecombineerd leger dat bestond uit zijn eigen mannen en die van de Trojanen en, hen de poorten uit aanvoerend, zette ze in voor de strijd. Hijzelf leidde het midden. (Aeneas bleef in de stad achter en, voor de eerste keer, weigerde te vechten. Hij was een toegewijd aanbidder van Apollo en verafschuwde de misdaad die Alexander had gepleegd tegen deze god.)

Toen het teken voor de strijd was gegeven, botsten de twee kampen op elkaar en vochten uit alle macht. Grote aantallen werden gedood. Eurypylus, zijn kansen op Peneleus beproevend, dreef hem terug en doorstak hem met zijn speer. Daarna viel hij nog woester Nireus aan, en sloeg hem neer. En tenslotte, nadat hij onze mannen in de frontlinie op de vlucht had gejaagd, streed hij middenin ons leger. Maar Neoptolemus, toen hij dit zag, ging naar hem toe en sloeg Eurypylus uit zijn strijdwagen. Daarop beklom hijzelf de wagen en, met het zwaard in de hand, schakelde Eurypylus snel uit. Vervolgens sleepten onze mannen, zoals Neoptolemus beval, het lichaam uit de strijd naar de schepen. Toen de barbaren dit zagen – zij hadden al hun hoop op Eurypylus gesteld – verlieten zij de strijd en vluchtten naar de muren, zonder aanvoerder, zonder een bepaalde opdracht. En terwijl zij vluchtten, werden velen van hen gedood.

Helenus loopt over

4; 18
Zo werd de vijand op de vlucht gejaagd, en de Grieken keerden terug naar de schepen. Toen, de Raad was daartoe bereid, cremeerden we Eurypylus en stuurden zijn botten, in een urn, terug naar zijn vader, want we herinnerden zijn vaders vriendelijkheid en vriendschap. Er waren ook aparte begrafenissen voor Nireus en Peneleus. Elk werd door zijn eigen mensen gecremeerd. De volgende dag meldde Chryses de Grieken dat Priamus’ zoon Helenus uit Troje gevlucht was vanwege de misdaad van Alexander en nu in de buurt van de tempel was. Daarop stuurden we Diomedes en Odysseus om hem op te halen. Nadat zij hem beloofd hadden hem de rest van zijn leven ergens in afzondering te laten doorbrengen, gaf hij zich aan hen over. Toen hij naar de schepen was gebracht, hield hij een lange redevoering tijdens een bijeenkomst van de Raad, waarin hij de reden van zijn vertrek bij zijn ouders en zijn volk vertelde. Hij vreesde niet de dood maar de goden, wiens heiligdommen Alexander had ontheiligd, een misdaad die noch hij of Aeneas konden verdragen.

En Aeneas, onze woede vrezend, bleef achter met Antenor en de oude Anchises, zijn vader. Door een orakel van Anchises, zei Helenus, was hij in kennis gesteld van de ophanden zijnde val van Troje, en had besloten om als smekeling naar ons toe te komen. We waren zeer nieuwsgierig om de inhoud van dit orakel te horen. Daarop nam Chryses, die naar ons knikte om te zwijgen, Helenus apart en kwam alles te weten, wat hij daarna aan ons rapporteerde. Zo kwamen we het precieze tijdstip te weten over de val van Troje en hoe Aeneas en Antenor ons zouden helpen. En we merkten dat dit orakel volledig in overeenstemming wat met hetgeen we ons herinnerden dat Calchas ons verteld had dat er zou gaan gebeuren.

Dood van Alexander

4; 19
Op de volgende dag trokken de beide legers eropuit om te vechten en werden velen aan Trojaanse kant gedood, hun bondgenoten leden de grootste verliezen. Maar terwijl onze mannen steeds feller aanvielen en uit alle macht hun best deden om een eind te maken aan de oorlog, vielen onze aanvoerders, op een bepaald teken, die van de vijand aan en centreerden de slag om hen heen. Philoctetes trok op tegen Alexander en daagde hem tot een gevecht uit, als hij durfde, een duel met de boog. Alexander stemde in, en dus markeerden Odysseus en Deïphobus een plek voor de wedstrijd. Alexander schoot als eerste maar miste. Daarop raakte Philoctetes Alexander in de linkerhand, en raakte toen – hij huilde van de pijn – zijn rechteroog, en – toen hij probeerde te vluchten – doorboorde daarna zijn beide voeten, en maakte hem uiteindelijk af. Philoctetes’ pijlen waren eens van Heracles geweest, en het bloed van de dodelijke Hydra kleurde hun punten.

4; 20
De barbaren, die zagen dat hun aanvoerder dood was, snelden naar voren om het lichaam weg te grissen. Philoctetes doodde velen van hen, maar zij bleven aandringen, en sleepten uiteindelijk het lichaam de stad in. Ajax, de zoon van Telamon, achtervolgde hen tot aan de poort van de stad, en richtte daar een enorme slachting aan. Velen waren niet in staat om naar binnen te gaan. De menigte was uitzinnig, iedereen was aan het duwen, en probeerde als eerste om binnen te komen. Degenen die binnen gekomen waren gingen naar de muren en wierpen rotsen van diverse afmetingen naar beneden die overal van de grond opgeraapt waren, op het schild van Ajax, in de hoop hem te verdrijven. Maar onze illustere aanvoerder, elke keer zijn schild schuddend als het te zwaar werd, zwichtte niet in het minst. En Philoctetes, van een afstand schietend, doodde velen van hen op de muur en verdreef de anderen.

Op andere gedeelten van de vlakte behaalden de rest van onze soldaten evenveel successen. Die dag zou de muren van Troje vernietigd zien worden, de stad geplunderd, als de snelle komst van de nacht ons niet tegengehouden had. Zo keerden we terug naar de schepen, verheugd, onze strijdlust enorm aangewakkerd door de daden die Philoctetes had verricht. Aan hem schonken we onze hoogste lof en diepste dankbaarheid.Bij zonsopgang, ging Philoctetes, in gezelschap van de rest van onze aanvoerders, terug naar de vlakte. En de Trojanen, zelfs met behulp van hun muren, konden zich nauwelijks beschermen, zo groot was hun angst.

Rouw van Neoptolemus en Oenone

4; 21
Ondertussen begon Neoptolemus, nu de moord op zijn vader was gewroken, te rouwen rond de heuvel van Achilles. Samen met Phoenix en het hele leger van de Myrmidonen, sneed hij zijn haar af en lag dat op het graf. Zo bleven zij daar de hele nacht. Gelijktijdig, kwam de zoon van Antimachus (die we hierboven genoemd hebben) naar Helenus als vertegenwoordiger van Priamus. Maar hij weigerde om te doen waar zij om smeekten, dat wil zeggen, terugkeren naar zijn volk. En dus vertrokken zij. Halverwege de terugweg naar de stad, werden zij aangetroffen door Diomedes en de andere Ajax, en werden gevangengenomen en naar de schepen gebracht. Toen ze verteld hadden wie zij waren en de reden van hun komst vertelden, herinnerden wij ons hoe hun vader tegen onze gezanten had gesproken en samengezworen , en gaven aan de soldaten opdracht om ze te grijpen en naar de vlakte te brengen waar de Trojanen hen konden zien waarna ze tot de dood gestenigd werden. In Troje, aan de andere kant, droegen de familieleden van Alexander, die op zijn begrafenis toezagen, zijn lichaam naar Oenone. Ze zeggen dat Oenone – zij was met hem getrouwd voordat hij Helena schaakte – zo geschokt was door de aanblik van zijn lichaam dat het vermogen om te spreken kwijtraakte, haar geestkracht verloor en, geleidelijk totaal overweldigd door verdriet, dood neerviel. En zo bevatte een enkel graf zowel hem als haar.

Vredesbesprekingen

4; 22
Alle Trojaanse edelen, daar zij zagen dat de vijand steeds woester en feller rond hun muren tekeer ging en wisten dat hun eigen middelen uitgeput waren, voelden dat verder verzet hopeloos was. Daarop begonnen zij samen te zweren tegen de prinsen en Priamus. Nadat zij Aeneas en de zoons van Antenor hadden geroepen, maakten zij plannen om Helena aan Menelaüs terug te geven, samen met de zaken die waren meegenomen. Maar Deïphobus, die van de plannen hoorde, nam Helena en trouwde zelf met haar. Toen Priamus de Raad betrad, wierp Aeneas hem vele beledigingen voor de voeten. Uiteindelijk zwichtte de koning voor de wens van de edelen en gaf opdracht aan Antenor om naar de Grieken te gaan om een eind aan de oorlog te maken. Nadat Antenor vanaf de muur tekens had gegeven dat de Trojanen wilden onderhandelen, gaven we hem toestemming.

Zo kwam hij naar de schepen, en wij verwelkomden hem graag. Nestor, in het bijzonder, vertelde hoe loyaal en vriendelijk hij voor de Grieken was geweest. Zijn advies en de hulp van zijn zoons hadden Menelaüs gered van het Trojaanse verraad. In ruil voor wat hij had gedaan, beloofden we hem rijkelijk te belonen wanneer Troje vernietigd was, en spoorden hem aan om met ons samen te werken – hij wist dat wij vrienden waren – tegen degenen waarvan hij wist dat ze verraderlijk waren. Toen, met een lange toespraak, vertelde Antenor hoe de goden de Trojaanse koningen altijd straften voor hun ondoordachte daden. Laomedon, zei hij, had tegen Heracles gelogen – een beroemd verhaal – en dus was zijn koninkrijk vernietigd. Daarna, vanwege de invloed van Hesione, kwam Priamus, die nog jong was en geen aandeel had in hetgeen er gebeurd was, aan de macht. Vervolgens, steeds slechter en dwazer wordend, had hij het tot een gewoonte gemaakt om iedereen aan te vallen. Hij had gedood en lichamelijk letsel toegebracht, zijn eigen bezittingen sparend en die van andere zoekend. Dit voorbeeld werd overgenomen, als de ergste van alle plagen, door zijn zoons, die zich aan niets onthielden dat heilig of profaan was. Antenor zei dat hijzelf een heel ander persoon dan Priamus was, ondanks het feit dat ze beiden familie van de Grieken waren vanwege dezelfde afstammingslijn. Hesione, de dochter van Danaüs, was de moeder van Electra, en Electra was de moeder van Dardanus. Dardanus was getrouwd met Olizone, de dochter van Phineus. Hun kind was Erichthonius, die de vader van Tros was. En Tros was de vader van Ilus, Ganymedes en Cleomestra. Cleomestra was de moeder van Assaracus, en Assaracus verwekte Capys, de vader van Anchises. Ilus verwekte Tithonius en Laomedon, en Laomedon was de vader van Hicetaon, Lampus, Thymoetes, Bucolion en uiteindelijk Priamus. En hijzelf, hij was de zoon van Cleomestra en Aesyetes. Maar Priamus had zich voor elke familieband genegeerd en met onbeschaamdheid en haat jegens zijn eigen familieleden gehandeld.

Toen hij uiteindelijk uitgesproken was, vroeg hij ons om vertegenwoordigers te kiezen met het doel om met hem over vrede te spreken. Want dit was de reden waarom de Trojaanse raadsleden hem eropuit gestuurd hadden. Daarop kozen we Agamemnon, Idomeneus, Odysseus en Diomedes. Daarop kwamen zij bijeen, in het geheim, en besloten, onder andere, dat Aeneas, afhankelijk of hij trouw bleef, in de buit mocht delen, en dat zijn huis op enigerlei wijze geschaad zou worden. En wat Antenor betreft, de helft van Priamus’ rijkdom zou aan hem gegeven worden. En een van zijn zoons, die hij mocht kiezen, zou over Troje regeren. Toen zij vonden dat hun plannen volledig waren, werd Antenor naar Troje teruggestuurd om verslag uit te brengen dat wezenlijk afweek van hetgeen zij werkelijk hadden besloten. Hij moest zeggen dat de Grieken een offer aan het voorbereiden waren, een geschenk, voor Athena, en dat, mits zij Helena zouden teruggeven en wat goud zouden krijgen, ze maar al te blij waren om de oorlog te beëindigen en terug te keren naar hun mensen. Zo ging Antenor naar Troje, vergezeld door Talthybius wiens aanwezigheid zou kunnen helpen om een beeld van vertrouwen te scheppen.

Boek 5

De pleitrede van Antenor

5; 1
Toen het bekend werd dat Antenor en Talthybius in Troje waren aangekomen, snelden alle Trojanen en hun bondgenoten naar hen toe om ze te spreken, verlangend om te vernemen wat er gebeurd was bij de Grieken. Maar Antenor stelde zijn verslag uit tot de volgende dag, en dus verspreidden zij zich en gingen naar huis. Toen, bij een banket, in aanwezigheid van Talthybius, adviseerde Antenor zijn zoons om in het leven niets zo belangrijk te vinden als hun jarenlange vriendschap met de Grieken en riep in hun gedachten, met duidelijke bewondering, de eer, goede trouw, en bedrogloosheid van de individuele Grieken.

Na de maaltijd, ging het gezelschap uiteen. Maar bij het aanbreken van de dag gingen Antenor en Talthybius naar de bijeenkomst van de Raad. (de ouderen waren daar al, verlangend om het eind van hun verschrikkelijke ellende te vernemen.) Aeneas was de volgende die aankwam, en toen Priamus en de rest van de prinsen. Uiteindelijk sprak Antenor, nadat hij opdracht had gekregen om te vertellen wat hij van de Grieken te horen had gekregen, als volgt:

5; 2
‘Het is een trieste zaak, Trojaanse prinsen en Trojaanse bondgenoten, het is een trieste zaak voor ons om in oorlog te zijn met de Grieken, maar het is nog triester en pijnlijker dat vanwege een vrouw we vijanden van de dierbaarste vrienden hebben gemaakt, degenen die, als afstammelingen van Pelops, zelfs door huwelijksbanden aan ons verbonden zijn.’ ‘Als ik kort in mag gaan op de kwaden die wij in het verleden hebben doorstaan, wanneer heeft deze stad dan ooit rust gekend, nu het eenmaal verloren is gegaan in dit moeras van verdriet? Wanneer zijn wij ooit vrij van tranen geweest? Wanneer hebben onze bondgenoten ooit hun tegenslagen zien afnemen? Wanneer zijn onze vrienden, ouders, familieleden en zoons niet gestorven in de strijd? En, de rest van ons verdriet samenvattend met een persoonlijke kleur, welk lijden heb ik niet moeten doorstaan in het geval van Glaucus, mijn zoon? Zijn dood, echter, was niet zo pijnlijk voor mij als het feit dat Alexander heeft gepleegd met zijn ontvoering van Helena.’

‘Maar genoeg over het verleden. Laten we, tenminste, met de nodige voorzichtigheid en wijsheid naar de toekomst kijken. De Grieken zijn betrouwbaar en eerlijk. Ze zijn vriendelijk en doen vroom hun plicht. Priamus kan dit getuigen, want, in het heetst van de strijd, plukte hij de vruchten van hun medelijden. De Grieken hebben gewacht met ons de oorlog te verklaren totdat we met hun gezanten – zelfs hun gezanten! – met verraad en bedrog hadden behandeld. Ik ben van mening dat Priamus en zijn zoons in deze zaak schuldig zijn, en ook Antimachus, die kort geleden heeft betaald voor zijn schuld met het verlies van zijn zoons. Maar de echte schuld voor alles wat er gebeurd is berust bij Helena, die vrouw die de Grieken niet echt terug willen hebben. Waarom zouden we deze vrouw houden waardoor, geen land, geen volk, ooit vriendelijk of zelfs niet vijandig tegenover ons is geweest? Zullen we de Grieken niet liever smeken om haar terug te nemen? En zullen wij geen volledige compensatie aanbieden voor de manier waarop we hen behandeld hebben? Zullen we ons op z’n minst niet binnenkort met die mannen verzoenen?’

‘Wat mijzelf betreft, ik vertrek, ik ga weg. Ik weiger om nog langer aan deze misdaad deel te nemen. Er was ooit een tijd dat het plezierig was om in deze stad te leven. Tot nu toe hadden we bondgenoten en vrienden. Onze families waren veilig, ons land ongedeerd. Maar nu hebben zijn we geheel of gedeeltelijk al deze dingen kwijtgeraakt. Wie kan het ontkennen? Ik kan het niet langer verdragen te blijven bij diegenen wiens daden voorbestemd zijn om de val van hun land te veroorzaken.’ ‘Tot nu, het is waar, hebben we een manier gevonden om onze doden te begraven. De vijand verleende ons deze gunst. Maar nu zijn de altaren en heiligdommen van de goden misdadig besmeurd met menselijk bloed. En zo, niet in staat om onze geliefde begrafenissen te houden, zullen we nog erger lijden dan degenen die gestorven zijn.’ ‘Voorkom tenminste dat dit gaat gebeuren. Ons vaderland moet verlost worden met goud en ander losgeld. Er zijn velen in onze stad rijk. Iedereen moet geven wat hij kan. We moeten de Grieken, in ruil voor ons leven, datgene aanbieden wat zij snel genoeg zullen bezitten als zij ons gedood hebben. Laten we ook de ornamenten van onze tempels geven, als we onze stad op geen andere wijze kunnen redden.’ ‘En wat Priamus betreft, laat alleen hij al zijn rijkdommen houden, laat alleen hem overwegen dat rijkdom belangrijker is dan zijn volk, laat hem, broedende vrek, zelfs de zaken houden die hij met Helena meegenomen heeft en zien hoe hij met de zorgen van zijn land omgaat. Nu hebben onze misdaden ons ingehaald, en zijn we verslagen.’

5; 3
Hij huilde toen hij dit en andere zaken besprak, en iedereen rouwde. Hun handen naar de hemel strekkend, toonden zij hun instemming, biddend, alleen en samen, dat Priamus, in het licht van hun vele tegenslagen, een eind aan hun ellende moest maken. En uiteindelijk, met een stem, schreeuwden zij dat hun geboorteland moest worden verlost. Toen sprak Priamus, zijn haren uitrukkend en verschrikkelijk huilend, hen toe. Nu, zei hij, werd hij niet alleen gehaat door de goden maar door zijn eigen volk zelfs als een publieke vijand beschouwd. Vroeger had hij vrienden, familieleden, en medeburgers om hem te troosten in zijn ellende, maar nu was er niemand meer te vinden. Hij had onderhandelingen tussen Alexander en Hector willen beginnen toen zij nog leefden en niet tot nu willen wachten. Niemand, was echter in staat om het verleden over te doen. Zij moesten nu plannen maken en hun hoop in de toekomst stellen. Hij bood alles aan wat hij bezat voor de verlossing van Troje, en gaf Antenor opdracht hierop toe te zien. Maar nu, omdat zij hem zo haatten, zou hij hen verlaten. Wat ze ook zouden beslissen om te doen, hij vond het goed.

Onderhandelingen

5; 4
Toen de koning vertrokken was, beslisten zij dat Antenor naar de Grieken moest terugkeren om te horen wat zij precies wilden. En dat Aeneas, zoals hij graag wilde, met hem mee moest gaan. Daarna ging de Raad uiteen. Rond middernacht kwam Helena in het geheim naar Antenor. Ze vermoedde dat zij op het punt stonden om haar terug te geven aan Menelaüs en was bang dat zij gestraft zou worden omdat zij haar huis verlaten had. Vervolgens, smeekte zij om haar te noemen, wanneer hij met de Grieken sprak, en namens haar te smeken. Nu Alexander dood was, haatte ze heel Troje, zoals zij wisten, en wilde terugkeren naar haar volk. Bij zonsopgang kwamen Antenor en Aeneas bij de schepen en vertelden ons alles over het besluit van de stad. Toen trokken zij zich terug met degenen met wie ze eerder hadden gesproken, om hun volgende actie te bespreken. Het was tijdens deze bespreking over Troje en hun volk dat zij de beslissing van Helena bespraken en vergeving voor haar vroegen. En uiteindelijk werden zij het eens hoe zij het beste hun stad konden verraden.

Toen ze klaar waren, keerden zij terug naar Troje, in het gezelschap van Odysseus en Diomedes. Ajax wilde ook gaan, maar Aeneas overreedde hem om te blijven, met als argument, zonder twijfel, dat de Trojanen niet minder bang voor hem waren dan dat zij bang waren geweest voor Achilles en hem daarom misschien door verraad zouden grijpen. De hoop van alle Trojanen groeide toen zij onze leiders zagen komen. Zij dachten dat dit betekende dat de oorlog en het conflict tot een eind zou komen. De Raad werd snel bijeen geroepen en daar, in aanwezigheid van onze mannen, besloten zij, als eerste, om Antimachus uit heel Phrygië te verbannen, want hij, zonder twijfel, was de oorzaak van al hun verschrikkelijke problemen. Toen begonnen zij over de vredesvoorwaarden te discussiëren.

5; 5
Tijdens hun besprekingen, ontstond er plotseling veel kabaal en geschreeuw in Pergamum, waar het paleis van Priamus was gelegen. Degenen in de Raad, plotseling in verwarring, renden naar buiten en, denkend dat de prinsen, zoals gewoonlijk, een verraderlijke daad hadden gepleegd, haastten zich naar de tempel van Athena. Kort daarop hoorden zij, van degenen die uit de citadel kwamen, dat de zoons van Alexander, zijn kinderen bij Helena, waren omgekomen, verpletterd door het dak van hun huis dat was ingestort. De namen van deze jongens waren Bunomus , Corythus en Idaeus. De besprekingen van de Raad werden dus uitgesteld, en onze aanvoerders gingen met Antenor mee, om daar te eten en de nacht door te brengen. Bovendien hoorden zij van Antenor over een orakel dat de Trojanen voorspelde dat Troje in puin zou vallen, als het Palladium buiten de muren van de stad gebracht zou worden. (Het Palladium was een oud standbeeld in de tempel van Athena. Het was van hout, en nadat het uit de hemel was gevallen had het zijn plaats ingenomen toen Ilus de tempel bouwde, terwijl die behalve het dak geheel klaar was.) Antenor kwam overeen om onze mannen, zoals ze met klem verzochten, om onze mannen op alle mogelijke manieren te helpen. Hij zou alles doen wat zij wilden. Toch waarschuwde hij hen dat, tijdens de bijeenkomst van de Trojaanse Raad, hij zich moedig en openlijk tegen de eisen van de Grieken zou verzetten. Opdat hij, zonder enige twijfel, de barbaren geen reden zou geven om hem te verdenken. Hun plannen werden afgerond, en Antenor vertrok, samen met de Trojaanse edelen, naar Priamus. En onze aanvoerders keerden terug naar de schepen.

5; 6
De zoons van Alexander werden met het nodige ceremonieel begraven. Drie dagen later kwam Idaeus en riep onze aanvoerders bijeen (die we boven genoemd hebben). Panthus en de andere Trojanen die bekend stonden om hun wijsheid hielden lange redevoeringen waarin zij verklaarden dat hun eerdere adviezen verkeerd en onverstandig waren geweest. Zij waren gedwongen, zeiden zij, om te adviseren in overeenstemming met de wil van de prinsen, door wie ze werden gehaat en niet meetelden. Zij hadden de wapens niet vrijwillig tegen de Grieken opgenomen, want degenen die andermans opdrachten moesten opvolgen behoorden daar naar te luisteren en te trachten die zo goed mogelijk te gehoorzamen. Daarom moesten de Grieken hen vergiffenis schenken en bereid zijn om ter overleggen met diegenen die altijd voor vrede waren geweest. Bovendien, de Trojanen hadden al genoeg geleden vanwege hun onverstandige daden. Na een lange discussie over van alles en nog wat, ontstond uiteindelijk de vraag welke schadevergoeding er betaald moest worden. Diomedes vroeg om vijfduizend talenten aan goud, en dezelfde hoeveelheid aan zilver, naast honderdduizend maateenheden aan tarwe, voor een periode van tien jaar.

Toen waren alle Trojanen stil, uitgezonderd Antenor. Hij zei dat de Grieken niet als Grieken handelden maar als barbaren. Wat zij vroegen was onmogelijk, het was duidelijk dat zij de oorlog wilden voortzetten onder het voorwendsel van vrede. Bovendien, Troje had niet zoveel goud en zilver als de Grieken eisten, zelfs niet voordat ze waren overgegaan tot het inhuren van huurlingen. Als de Grieken vasthielden aan deze gewetenloze eisen, moesten de Trojanen hun poorten sluiten en de tempels van hun goden in de brand steken, en zichzelf en hun land in totale verwoesting werpen. Diomedes antwoordde: ‘We zijn niet uit Argos gekomen om speciale voorwaarden aan Troje te schenken, maar om tot de dood te strijden. Daarom, als jullie zo verlangend zijn naar de oorlog, de Grieken staan klaar, of als jullie, zoals je zegt, je stad in de as willen leggen, dan zullen wij dat niet verhinderen. De Grieken, wanneer zij onrechtvaardig worden behandeld, nemen wraak. Dat is hun manier.’ Toen vroeg Panthus aan de Grieken om een dag uitstel om over het voorstel na te denken. Dus gingen onze mannen met Antenor mee naar zijn huis, en daar vandaan naar de tempel van Athena.

Voortekens

5; 7
Intussen werd het nieuws over een opmerkelijk voorteken bekend. Het gebeurde tijdens het brengen van offers. Zoals gebruikelijk waren de offers op het altaar gelegd. Maar het vuur, nadat dit was aangestoken, was niet op de gebruikelijke manier gaan branden en had het offer onaangeroerd gelaten. Dit nieuws schokte de mensen, en zij haastten zich naar de tempel van Apollo om zichzelf ervan te overtuigen of dit waar was of niet. Toen zij delen van de ingewanden op het altaar hadden gelegd en aangestoken, werd alles plotseling in de war gegooid. De ingewanden vielen op de grond. Toen, terwijl iedereen met stomheid was geslagen, dook een adelaar, snel en krijsend, naar beneden en greep een stuk van de ingewanden en, scherp draaiend, voerde de weg naar de schepen en liet het daar vallen. De Trojanen zagen dit voorteken als een hevige en zeer duidelijke voorspelling over hun noodlot. Diomedes en Odysseus, deden echter alsof ze niet wisten wat er gebeurd was en wandelden rond op het plein, als toeristen, zich vergapend aan de prachtige gebouwen van Troje. Wij bij de schepen, dachten ook na over de betekenis van deze voorspelling. En Calchas vertelde ons om vol moed te blijven, want we zouden op korte termijn heersers van Troje worden.

5; 8
Toen Hecabe over het voorteken hoorde, ging ze naar de goden om die gunstig te stemmen, vooral Athena en Apollo, met vele geschenken en rijke offers. Maar net als eerder, weigerde het vuur de aangeboden offers te verbranden en stierf snel uit. Toen werd Cassandra door goddelijke inspiratie bevangen en gaf opdracht om de offers naar het graf van Hector te brengen. Ze zei dat de goden boos waren en de offers weigerden vanwege de misdaad die ze onlangs hadden begaan tegen de leer van Apollo. Dus, haar opdrachten volgend, slachtten zij de stieren en nam die mee naar de brandstapel van Hector, waar, toen het vuur brandde, de offers volledig werden verbrandt. Met het invallen van de duisternis, keerden zij terug naar hun huizen. Tijdens die nacht ging Antenor in het geheim naar de tempel van Athena en, de priesteres Theano met geweld bedreigend en haar belovend dat zij rijkelijk zou worden beloond, smeekte haar om het Palladium aan hem te geven. Dit deed ze. En zo, trouw aan onze mannen, nam hij dit met zich mee en bracht het naar ons. En zij, nadat zij dit verpakt hadden en niemand konden vertellen wat het was, zonden dit weg met trouwe vrienden in een wagen naar de hut van Odysseus.

Bij het aanbreken van de dag, kwam de Trojaanse Raad bijeen. Toen onze afgezanten waren aangekomen, smeekte Antenor, alsof hij de wraak van de Grieken vreesde, om vergeving voor het feit dat hij eerder zo vrijmoedig had gesproken namens zijn vaderland. Odysseus antwoordde dat hij niet zozeer boos was omdat de onderhandelingen waren uitgesteld, maar wel omdat de gunstige tijd om uit te zeilen snel voorbijging. Na een lange discussie, werden zij het uiteindelijk eens over een totaal van tweeduizend talenten aan goud en tweeduizend aan zilver. Daarna keerden onze gezanten terug naar de schepen om verslag uit te brengen aan onze mannen. Toen onze aanvoerders bijeen waren, vertelden zij hen alles wat er gezegd was en gebeurd, en hoe Antenor het Palladium had gestolen. Daarop, omdat al onze aanvoerders het prima vonden, werd het nieuws aan de rest van de soldaten verteld.

Vrede

5; 9
In het licht van deze ontwikkelingen hebben we unaniem besloten om onze dankbaarheid aan Athena te betuigen door haar een prachtig offer te brengen. Helenus werd opgeroepen om te vertellen hoe het verder moest. Gebruikmakend van zijn voorspellende gaven (hem was niets verteld), was hij in staat om een gedetailleerd verslag te geven van wat er tot nog toe was gebeurd. En hij zei ook dat Troje gedoemd was om te vallen nu het Palladium, de beschermheilige van Troje, was weggenomen. We moesten, zei hij, een houten paard aan Athena offeren. Dit geschenk zou fataal voor Troje blijken te zijn. Het paard moest zo groot zijn waardoor de Trojanen gedwongen zouden zijn om hun muren af te breken. Antenor drong aan en adviseerde hen om dit te doen. Terwijl Helenus sprak, bracht de gedachte aan zijn vader Priamus, en aan zijn broers die nog leefden hem er toe om in tranen uit te barsten. Zijn verdriet was zo hevig dat hij alle controle over zichzelf kwijtraakten en ineen zakte. Toen hij weer bij zijn positieven kwam en in staat was om op te staan, nam Neoptolemus hem onder zijn hoede. Hij liet hem bewaken uit angst dat hij misschien op de een of andere manier de vijand zou informeren wat er gebeurd was. Maar Helenus, toen hij zag dat hij bewaakt werd, vertelde Neoptolemus dat er niets was om zich zorgen over te maken, want hij zou bewijzen trouw te zijn en, na de val van Troje, samen met Neoptolemus vele jaren in vrede in Griekenland wonen. En zo, het advies van Helenus opvolgend, verzamelden we een grote hoeveelheid hout voor de bouw van het paard. Epeius en Ajax, de zoon van Oileus, werden met dit werk belast.

5; 10
Ondertussen werden de volgende tien aanvoerders aangewezen om naar Troje te gaan en de voorwaarden van de vrede te bekrachtigen: Diomedes, Odysseus, Idomeneus, Ajax, de zoon van Telamon, Nestor, Meriones, Thoas, Philoctetes, Neoptolemus en Eumelus. De Trojanen, die onze mannen op het openbare plein zagen, verheugden zich, in de veronderstelling dat hun kwellingen nu zouden eindigen. Individueel en in groepen, wanneer zij hen ontmoetten, groetten zij hen warm en omarmden hen als geliefden. Priamus smeekte onze aanvoerders namens Helenus en prees hem aan met vele gebeden. Helenus, zei hij, was zijn dierbaarste zoon, dierbaarder omdat hij wijzer was dan al de anderen. Toen het etenstijd werd, hielden de Trojanen een openbaar banket ter ere van de Grieken en om de vrede te vieren die zij gingen sluiten. Antenor was gastheer en voldeed vriendelijk aan alle behoeften van onze mannen.

Bij het ochtendgloren kwamen de oudsten bijeen in de tempel van Athena, en Antenor kondigde officieel aan dat tien gezanten door de Grieken waren gestuurd om de voorwaarden van de vrede te bekrachtigen. Daarop werden de gezanten de Vergadering binnen geleidt, en de ouderen schudden handen. Er werd besloten om de vrede de volgende dag te ratificeren. Heilige eden moesten gezworen worden, voor dit doel moesten altaren worden opgericht in het midden van de vlakte waar iedereen ze kon zien. Toen de voorbereidingen getroffen waren, waren Diomedes en Odysseus de eersten die zwoeren. De hoogste Zeus, moeder Aarde, Zon, Maan en Oceaan aanroepend als hun getuigen, beloofden zij zich te houden aan de afspraken die zij hadden gemaakt met Antenor. Vervolgens liepen ze midden tussen de gedeelten van het geofferde vlees door. (Twee offers waren gebracht, de ene helft in oostelijke richting neergelegd en de andere helft in de richting van onze schepen.) Diomedes en Odysseus werden gevolgd door Antenor, die dezelfde eed aflegde. Na de voorwaarden van de vrede op deze wijze geratificeerd te hebben, gingen beide kanten terug naar hun volk.

De barbaren zwaaiden de hoogste lof toe aan Antenor, hem vererend als een god waar hij maar verscheen. Zij geloofden dat hij alleen verantwoordelijk was voor het verdrag en de vrede met de Grieken. Nu werd overal, zoals beide partijen wilden, de oorlog beëindigd. Grieken voelden zich vrij om naar Troje te gaan. Trojanen kwamen naar de schepen. En de Trojaanse bondgenoten – die nog in leven waren – gingen naar huis, profiterend van het verdrag en zich dankbaar voelend over de vrede, niet wachtend totdat zij uitbetaald zouden worden voor hun ontberingen en problemen, uit angst, zonder twijfel, dat de barbaren op de een of andere manier de overeenkomst zou schenden.

Het houten paard

5; 11
Gedurende deze tijd, bij de schepen, had Epeius, het advies van Helenus volgend, de leiding over de bouw van het houten paard. Het rees immens op. Er werden wielen onder zijn voeten gezet om het gemakkelijk te kunnen voorttrekken. Het was het grootste offer ooit dat aan Athena werd gebracht. Iedereen was het daar over eens. In Troje, zorgden Antenor en Aeneas ervoor dat het exacte bedrag in goud en zilver, in overeenstemming met het vredesverdrag, naar de tempel van Athena werd gebracht. En wij, nadat we vernomen hadden dat de bondgenoten van de Trojanen waren vertrokken, hielden ons zorgvuldig aan de voorwaarden om de vrede te bewaren. Er werd niet meer gedood en niemand raakte gewond, opdat de barbaren niet zouden vermoeden dat wij de afspraken zouden verbreken.

Toen het houten paard gebouwd was, compleet met alle details, trokken we het tot aan de muren. De Trojanen was verteld om het religieus te ontvangen als een heilig offer aan Athena. Ze stroomden uit hun poorten en verwelkomden het paard vrolijk. Een offer werd gebracht, en zij trokken het dichter naar hun stad. Toen zij echter zagen dat het te groot was om de poort te passeren, besloten zij, hun enthousiasme verblindde hen om bezwaar te maken, om hun muren neer te halen, de muren die eeuwenlang onbeschadigd hadden gestaan, en die, zoals wordt verteld, het meesterwerk was van Poseidon en Apollo. Toen het sloopwerk bijna gereed was, veroorzaakten de Grieken opzettelijk een vertraging. We zeiden dat de Trojanen het beloofde goud en het zilver moesten betalen voordat zij het paard Troje binnen konden trekken. Dus was er een pauze waarin, de muren half gesloopt, Odysseus alle Trojaanse timmerlieden inhuurde om te helpen bij het repareren van de schepen. Toen onze vloot zo op orde was gebracht, samen met de zeilen, gaven we de Trojanen opdracht om hun sloopwerk voort te zetten. Zodra een deel van de muren was neergehaald, haastte een vrolijke menigte van grappen makende mannen en vrouwen zich om het paard de stad in te slepen.

Vernietiging van Troje

5; 12
Ondertussen zeilden wij, nadat we alles in de schepen gestuwd hadden en onze hutten in brand gestoken, weg naar Sigeüm en wachtten daar de nacht. Zodra de Trojanen, die versleten waren en in een gelukkige roes voortbewogen omdat zij zich veilig en gelukkig voelden vanwege de vrede, in slaap waren gevallen, keerden wij terug naar de stad, met doodse stilte zeilend, het baken volgend dat Sinon had opgesteld op een verborgen positie. Weldra bereikten we de muren en verdeelden de stad onder ons. Op een bepaald teken, slachtten we iedereen af die we tegenkwamen – in huizen, op straat, op heilige en vrome plekken. Sommige Trojanen werden wakker, maar deze werden gedood voordat zij naar hun wapens konden grijpen of een manier konden verzinnen om te ontsnappen. Er kwam daar, kortom, geen eind aan het doden en het afslachten. Ouders en kinderen werden gedood, terwijl geliefden toekeken en jammerden, en de laatstgenoemden werden gedood – een zielig gezicht.

Op dezelfde wijze werden de gebouwen van de stad in brand gestoken en vernietigd. De enige woningen die werden gespaard waren die van Aeneas en Antenor, waar wachters waren neergezet. Priamus, die zag wat er gebeurde, vluchtte naar het altaar van Zeus dat voor het paleis stond. En vele leden van de koninklijke familie vluchtten naar andere heiligdommen van de goden. Cassandra ging bijvoorbeeld naar de tempel van Athena. Allen die in de handen van de vijand vielen stierven wreed, zonder iemand om hen te wreken. Bij het ochtendgloren kwam ons leger bij het huis waar Helena woonde met Deïphobus. Hij (zoals al eerder omschreven) had haar als vrouw genomen toen Alexander was gestorven. Nu martelde Menelaüs hem dood, hem wreed aan stukken hakkend, oren, armen en neus afsnijdend en ga zo maar verder. Neoptolemus, zonder respect voor de ouderdom van het huis van de koning, slachtte Priamus af, die met beide handen het altaar omklemt hield. En Ajax, de zoon van Oileus, sleepte Cassandra als zijn gevangene uit de tempel van Athena.

5; 13
Zo vernietigden wij Troje en de Trojanen. Maar er waren nog steeds mensen die bescherming zochten bij de altaren van de goden. We besloten unaniem om hen weg te slepen en te doden, zo groot was onze dorst naar wraak en wil om de macht van de Trojanen te breken. Bijgevolg werden zij, die aan de slachting van de vorige avond waren ontsnapt, afgeslacht. En, zoals gebruikelijk in een oorlog, plunderden wij de tempels en half afgebrande huizen, en joegen vele dagen lang op de vijanden die misschien waren ontsnapt. Plekken werden aangewezen waar voorwerpen van goud of zilver en kostbare kleding naar toe werd gebracht.

Toen we verzadigd waren van het Trojaanse bloed, en de stad tot de grond was afgebrand, verdeelden wij de buit, als betaling voor onze strijd, beginnend met de gevangengenomen vrouwen en kinderen. Allereerst werd Helena vrijwillig aan Menelaüs gegeven. Toen werd Polyxena, op verzoek van Odysseus, aan Neoptolemus gegeven, om aan Achilles te offeren. Agamemnon kreeg Cassandra (Hij werd zo ontroerd door haar schoonheid, dat hij in weerwil van zichzelf, openlijk verklaarde dat hij van haar hield). En Aethra en Clymene werden aan Demophoon en Acamas gegeven. De andere vrouwen werden aangewezen door het lot, en zo viel Andromache toe aan Neoptolemus (wier zoons, ter ere van haar grootsheid, we toestonden om haar te vergezellen) En Odysseus kreeg Hecabe. Na haar tot slaaf van koninklijke geboorte te hebben gemaakt, wezen wij de buit en gevangenen aan de rest van onze mannen toen, naarmate zij dit verdienden.

De razernij van Ajax

5; 14
Er ontstond een verhitte discussie tegen de tijd dat er besloten moest worden welke aanvoerder het Palladium zou krijgen. Ajax, de zoon van Telamon, eiste het op als betaling voor de buit die hij met zijn moed en ijver voor ons allen bijeen had gebracht. Er was bijna niemand die bereid was om een man van zo’n grootsheid te beledigen, want we herinnerden levendig zijn daden ter verdediging en tijdens de aanval. Alleen Diomedes en Odysseus stonden hem in de weg. Zij baseerden hun claim op het Palladium op het feit dat zij het weggevoerd hadden. Maar Ajax zwoer dat Antenor, die had gehoopt daarmee hun vriendschap te winnen, zelf het Palladium had weggevoerd. En dit, zei hij, koste hem geen moeite en deed geen beroep op hun moed. Daarop zwichtte Diomedes bescheiden voor Ajax. Maar niet Odysseus, die met al zijn vermogen redeneerde, dat hij het Palladium moest krijgen.

Menelaüs en Agamemnon gaven de voorkeur aan Odysseus, want zij herinnerden zich hoe Helena was gered, nog maar kort geleden, door zijn steun. Toen Troje werd ingenomen, was Ajax de eerste geweest die voorstelde dat zij zou worden gedood vanwege de problemen en een zo lang lijden had veroorzaakt. Vele goede mannen hadden ingestemd. Maar Menelaüs, nog steeds verliefd op zijn vrouw, was rond gegaan, en had voor haar leven gepleit, en haar uiteindelijk, op voorspraak van Odysseus, ongedeerd teruggekregen. En zo beslisten we tussen Ajax en Odysseus, oordelen naar hun verdiensten in dit speciale geval. Het maakte geen verschil wie de dapperste was. Ja, Ajax had vele dappere daden uitgevoerd, en graan uit Thracië meegebracht, maar deze zaken waren hier niet relevant. Dus, ondanks het feit dat we werden omring door vijanden en nog steeds bedreigd werden met oorlog, ging het Palladium naar Odysseus.

5; 15
Door deze beslissing ontstond er onder onze mannen twee kampen. Zij die, de dappere daden van Ajax herinnerend, vonden dat er geen betere was dan hij, en degenen die de voorkeur aan Odysseus gaven. Ajax was zo boos dat hij zijn zelfbeheersing verloor en openlijk zwoer degenen te doden die hem hadden tegengewerkt bij zijn claim. Daarop vergrootten Odysseus, Agamemnon en Menelaüs hun wachtposten en hielden nauwlettend de wacht over hun eigen veiligheid. Met het vallen van de avond, toen we vertrokken, vervloekten en beschimpten we de twee koningen, hen de schuld gevend omdat de begeerte naar een vrouw het hele leger in gevaar bracht. Bij het ochtendgloren vonden we Ajax, in de open lucht. Bij nader onderzoek, ontdekten we dat hij was gedood met een zwaard. Er ontstond een enorm tumult onder onze aanvoerders en mannen, en al snel broeide er een opstand. We dachten dat net als Palamedes, onze wijste raadgever in oorlog en vrede, verraderlijk vermoord, nu Ajax, onze meest vooraanstaande aanvoerder, aan een soortgelijk einde was gekomen.

Agamemnon en Menelaüs bleven in hun hutten, bewaakt door vertrouwde gezellen, en vermeden al het mogelijke geweld. Ondertussen haalde Neoptolemus hout en cremeerde het lichaam van Ajax. Toen verzamelde hij de overblijfselen in een gouden urn en begroef hem in Rhoeteum. Hij richtte ook een monument ter ere van Ajax op, dat snel werd gebouwd. Als Ajax gestorven was voordat Troje was ingenomen, zou dit de zaak van de vijand zeker sterk hebben bevoordeeld. Wie weet hoe de oorlog dan zou zijn geëindigd? Odysseus, die wist dat hij door het leger werd gehaat, vreesde persoonlijk geweld, en vluchtte naar Ismarus. Hij liet het Palladium achter voor Diomedes.

Ruzie in de gelederen

5; 16
Na het vertrek van Odysseus, riep Hecabe, die de voorkeur gaf aan de dood in plaats van slavernij, vele vloeken en slechte voortekenen af over ons, en wij, enorm door haar opgehitst, stenigden haar dood. Haar graf dat werd opgericht in Abydos, werd Cynossema (Het graf van de teef) genoemd vanwege haar gekke en schaamteloze geblaf. Tegelijkertijd voorspelde Cassandra, geïnspireerd door de goden, dat Agamemnon zou sterven, verraderlijk vermoord door leden van zijn huishouden. Verder, zei ze, wachtte de rest van de Grieken rampen en dood, terwijl ze probeerden terug te keren naar hun vaderland. Antenor smeekte ons, namens zijn volk, om de wraak te vergeten en aan ons zelf te denken, want de tijd om uit te zeilen was voorbij. Nadat hij onze aanvoerders had uitgenodigd voor een diner, overlaadde hij hen met prachtige geschenken.

Onze aanvoerders drongen er bij Aeneas op aan om met hen mee te zeilen naar Griekenland en beloofden hem een koninkrijk net zo krachtig als dat waar zij zelf over regeerden. Helenus werd beloond met de zoons van Hector, die Neoptolemus hem gaf, en al het goud en zilver dat onze aanvoerders vonden dat zij hem moesten geven. Toen werd een vergadering van de Raad gehouden, en we besloten om een openbare begrafenis te houden, die minstens drie dagen zou duren, ter ere van Ajax. Toen de derde dag tot een eind kwam, sneden alle koningen hun haren af, en legden dat op het graf. Vanaf dat moment, begonnen we Agamemnon en Menelaüs te beschimpen, zeggend dat zij niet de zoons van Atreus waren maar die van Plisthenes, en daarom onwaardig. Zij, in de hoop dat als we vertrokken hun haat wel zou verdwijnen, smeekten ons om hen ongedeerd te laten vertrekken. Dit stonden we toe. En zo, net als verschoppelingen of ballingen, zetten zij als eersten zeil. We gaven de zoons van Ajax aan Teucer. Dit waren Aeantides en Eurysaces, wier moeder respectievelijk Glauce en Tecmessa waren.

5; 17
De winter naderde snel en dreigde ons vertrek te verhinderen. Daarom trokken we onze schepen naar zee en voorzagen die van roeiriemen en andere uitrusting. Toen vertrokken we, elke met de buit die hij had vergaard voor al die jaren van vechten. Na ons vertrek probeerde Aeneas, die werd achtergelaten in Troje, Antenor uit het koninkrijk te verdrijven. De stad verlatend, benaderde hij al diegenen die inwoners van Dardanië waren en het schiereiland in de buurt, en smeekte hen om hem te helpen. Hij had echter geen succes. En toen hij naar Troje probeerde terug te keren, weigerde Antenor, die had gehoord wat er gebeurd was, hem de toegang. En zo was Aeneas gedwongen om uit te varen. Al zijn erfgoed nemend, vertrok hij uit Troje en kwam uiteindelijk in de Adriatische Zee aan, nadat hij vele barbaarse volken was tegengekomen. Hier stichtte hij, samen met degene die met hem mee waren gekomen, een stad die zij Corcyra melaena noemden (Zwart Corcyra). Toen het bekend werd in Troje dat Antenor de controle over het koninkrijk had verkregen, ondersteunden alle overlevenden van de oorlog, zij die ontsnapt waren aan de slachting van die verschrikkelijke nacht, zijn bewind. In zeer korte tijd waren zijn volgelingen aangegroeid tot enorme aantallen. Iedereen hield van hem en vertrouwde op zijn wijsheid. Zijn dierbaarste vriend was Oenideus, de koning van de Cebreniërs.

Nawoord van de schrijver

5; 17
Ik, Dictys van Kreta, de metgezel van Idomeneus, heb dit verslag geschreven in de taal die ik het best versta, het Phoenicische alfabet gebruikend dat ons door Cadmus en Danaüs is nagelaten. Niemand mag zich verbazen over de vele talen die er op dit ene eiland van mij gesproken worden, want dat gaat voor heel Griekenland op. Alles wat ik heb opgeschreven over de oorlog tussen de Grieken en de barbaren, waar ik een actieve rol in heb gespeeld, is gebaseerd op waarnemingen uit de eerste hand. Wat ik heb verteld over Antenor en zijn koninkrijk werd verteld op basis van onderzoek door anderen. Nu is het tijd om over de terugkeer van onze mannen te vertellen.

Boek 6

Terugkeer uit Troje

DJvTO;6; 1
Toen de Grieken de schepen hadden volgeladen met de buit die zij hadden vergaard, en zelf ook aan boord gingen, haalden zij het anker op en vertrokken. Gezegend met een gunstige wind die vol in het zeil blies, bereikten zij binnen een paar dagen de Egeïsche Zee. Maar toen, zoals het lot dit wilde, stak er een furieuze storm op, een zee vol problemen voor onze mannen, die onze vloot uiteen sloeg. Vernietigende bliksems, die de zeelui angst aanjoegen en er voor zorgden dat zij alle controle verloren, vernietigde de complete vloot van de Locriërs, aangevoerd door Ajax. Ajax en enkele anderen die, aan de vernietiging ontsnapt, zich drijvend wisten te houden door zich aan planken en andere wrakhout vast te klampen, werden tegen de klippen van Euboea verpletterd. De nacht hield hen verborgen. Nauplius, die hun benarde situatie kende en ernaar verlangde om de dood van zijn zoon Palamedes te wreken, had een toorts ontstoken, om hen daarheen te lokken, alsof het een haven was.

DJvTO;6; 2
Toen Oeax, die de zoon van Nauplius en de broer van Palamedes was, hoorde dat de Grieken naar huis terugkeerden, ging hij naar Argos en vertelde, leugenachtig, aan Clytaemnestra en Aegialia dat Agamemnon en Diomedes vrouwen mee naar huis brachten aan wie zij de voorkeur boven hun eigen echtgenotes gaven. En hij voegde er zaken aan toe die hun vrouwelijke harten, van nature eenvoudig overgehaald, zo mogelijk nog bozer op hun echtgenoten maakten. Dus wapenden zij zich tegen de aankomsten van hun echtgenoten. Aldus voorkwam Aegialia, met de hulp van de burgers, dat Diomedes de stad in kon komen. En Clytaemnestra, die Aegisthus had met wie zij in zonde leefde, liet Agamemnon in een hinderlaag lopen en doodde hem. Kort daarop trouwde het overspelige koppel, en Clytaemnestra baarde een dochter, Erigone.

Ondertussen redde Talthybius Orestes, de zoon van Agamemnon, uit handen van Aegisthus, en gaf hem aan Idomeneus. Idomeneus was een inwoner van Corinthe, waar Diomedes en Teucer ook naar toe kwamen toen zij uit hun woningen werden gedreven. Teucer werd verboden om in Salamis aan land te gaan door Telamon, zijn vader, omdat, zonder enige twijfel, hij de smadelijke dood van zijn broer Ajax niet voorkomen had. Intussen verwelkomden de Atheners Menestheus samen met Aethra, de dochter van Pittheus, en haar dochter Clymene. Demophon en Acamas bleven echter buiten de stad. De meesten van hen die aan de dood ontsnapt door de gevaren op zee of complotten thuis kwamen naar Corinthe en maakten daar plannen om hun koninkrijken te heroveren. Zij moesten, dachten zij, hun krachten combineren en hun koninkrijken één voor één aanvallen. Deze actie werd echter verboden door Nestor, die zei dat zij eerst moesten proberen te onderhandelen en niet de Grieken uiteen drijven door burgeroorlogen.

Kort hierna, hoorde Diomedes dat zijn grootvader, Oeneus, van alle kanten werd aangevallen door diegenen die de controle over Aetolië hadden verkregen tijdens zijn afwezigheid. Daarom ging hij naar dat gebied en doodde de schuldige boosdoeners. Degenen die zijn zaak aanhingen heetten hem eenvoudig hartelijk welkom, want heel Aetolië was bag voor hem. Toen het nieuws over het succes van Diomedes zich verspreidde, herstelden alle Grieken hun koningen in hun oude glorie, de mening toegedaan dat niemand degenen kon weerstaan die hadden gevochten in de Oorlog om Troje. En zo keerden wij Kretenzers en onze koning Idomeneus terug naar onze geboortegrond en werden vreugdevol ontvangen door ons volk.

Orestes

DJvTO;6; 3
Toen Orestes volwassen was geworden, smeekte hij Idomeneus om hem zoveel mogelijk mannen te geven als hij kon en hem van Kreta naar Athene te laten zeilen. Zijn verzoek werd ingewilligd, en nadat hij een aantal mannen bijeen had gebracht waarvan hij dat dat deze voldoende waren, ging hij naar Athene en deed een beroep op de Atheners tegen Aegisthus. Toen, nadat hij naar het orakel was gegaan, kreeg hij als antwoord dat hij voorbestemd was om zijn moeder en Aegisthus te doden, en zo het koninkrijk van zijn vader zou herwinnen. Gewapend met deze voorspelling, ging hij en zijn groep naar Strophius, de Phociër. Strophius bood gewillig zijn hulp aan, want hij haatte Aegisthus hartgrondig. (Aegisthus was eerst getrouwd met de dochter van Strophius, maar had haar verstoten en was met Clytaemnestra getrouwd. En hij had Agamemnon, de grote koning, verraderlijk gedood.) Zo ging Orestes, nadat hij een groot leger op de been had gebracht, naar Mycene. Clytaemnestra werd onmiddellijk gedood, samen met vele anderen die zich durfden te verzetten. Aegisthus was afwezig. Maar toen het nieuws van zijn aankomst werd verspreid, werd hij in een hinderlaag gelokt en gedood. In geheel Argos werden de mensen gedwongen om partij te kiezen en uit te vinden waar hun beste kansen lagen. In diezelfde periode landde Menelaüs op Kreta en vernam hoe Agamemnon was gestorven en wat er in Argos gebeurd was.

DJvTO;6; 4
Toen de Kretenzers de aankomst van Helena vernamen, kwamen uit alle hoeken van het eiland de mensen bijeen, verlangend om degene te zien waarvoor bijna alle mannen van de wereld naar de oorlog waren gegaan. Menelaüs vertelde zijn avonturen. Hij had vernomen dat Teucer, die van huis verbannen was, op Cyprus een stad had gesticht die hij Salamis noemde. Hij vertelde ook over de vele wonderen van Egypte. De slangen hadden daar, zei hij, zijn stuurman, Canopus, gedood, voor wie hij een prachtig graf had gebouwd. Toen de tijd hem rijp leek, zeilde Menelaüs naar Mycene. Daar beraamde hij vele plannen tegen Orestes, maar de mensen weerhielden hem ervan om deze plannen uit te voeren. Orestes, zo was unaniem besloten, moest naar Athene gaan om terecht te staan voor het hof van Areopagus. Daar bepleitte Orestes zijn zaak, en de Areopagus sprak hem vrij. Deze rechtbank was naar verluidt de meest strenge van heel Griekenland. Deze vrijspraak bedroefde de halfzus van Orestes, Erigone, die de dochter van Aegisthus was, zozeer dat zij zichzelf ophing. Na het vonnis en nadat Orestes met alle middelen was gezuiverd, volgens de oude riten die golden voor vadermoordenaars, zond Menestheus hem naar huis in Mycene. En daarop maakte het volk hem koning. Later kwam Orestes en daarna Menelaüs naar Kreta op uitnodiging van Idomeneus. Orestes beschuldigde zijn oom met bittere verwijten dat hij tegen hem samengespannen had toen zijn positie al werd bedreigd door openbare twist. Uiteindelijk werden zij met elkaar verenigd op voorspraak van Idomeneus en vertrok hij naar Lacedaemon. Toen beloofde Menelaüs, zoals hij had toegezegd om te doen, Hermione als vrouw aan Orestes.

De terugkeer van Odysseus

DJvTO;6; 5
In diezelfde periode landde Odysseus, met twee schepen die hij had gehuurd van de Phoeniciërs, op Kreta. Hij was heel zijn vloot en bemanning samen met al zijn buit kwijtgeraakt en was ternauwernood aan de dood ontsnapt door zijn verstand te gebruiken. Deze ramp was te wijten aan de macht van Telamon, die zonder twijfel Odysseus haatte omdat hij de dood van Ajax had veroorzaakt. Toen Idomeneus aan Odysseus vroeg welk verschrikkelijk ongeluk hem had getroffen, vertelde hij het verhaal van zijn omzwervingen vanaf het begin. Eerst waren zij geland bij Ismarus, waar zij hadden gevochten, en veel buit hadden behaald. Daarna zeilden zij naar het land van de Lotuseters, waar zij een wreed noodlot troffen. Toen waren ze naar het eiland Sicilië gegaan, waar de broers Cyclops en Laestrygon hen met elke vernedering behandeld hadden en waar Polyphemus en Antiphates, die de zoons van de eerstgenoemden waren, veel van zijn mannen hadden gedood.

Uiteindelijk had Polyphemus – hij was de koning – medelijden met hen gekregen een ingestemd met een wapenstilstand. Maar toen hadden zij geprobeerd om Polyphemus’ dochter Arene te ontvoeren, die hopeloos verliefd was geworden op hun kameraad Alphenor. Polyphemus had echter hun plannen ontdekt. Dus, met geweld van het meisje beroofd, waren zij verjaagd – via het eiland van Aeolus, naar het eiland van Circe, en toen naar het eiland van Calypso. Het was welbekend hoe deze koninginnen, door bepaalde charmes te gebruiken, hun gasten verleidden om hen lief te hebben. Desondanks ontsnapte Odysseus. Toen waren zij naar een plek gegaan waar, nadat zij de vereiste rituelen hadden uitgevoerd, zij de toekomst van de schaduwen der doden vernamen. Toen passeerden zij de rotsen van de Sirenen, die hij slim had omzeild. En uiteindelijk, was hij het grootste deel van zijn schepen en mannen kwijtgeraakt aan Scylla en Charybdis, die wilde, wervelende draaikolk die alle naar binnen zuigt wat binnen zijn bereik komt. Daarop waren hij en de overlevenden in handen gevallen van Phoenicische piraten, en deze hadden hem gelukkig gered. Daarop gaf onze koning Idomeneus wat Odysseus wenste en gaf hem twee schepen en veel buit en stuurde hem naar Alcinoüs, de koning van de Phaeaken.

DJvTO;6; 6
Daar hadden zij al over zijn roem gehoord en vermaakten hem vele dagen. Ook vertelden zij hem dat Penelope het hof werd gemaakt door dertig knappe vrijers die uit verschillende gebieden kwamen – van Zacynthos, de Echinaden, Leucas en Ithaca. Daarop probeerde hij Alcinoüs over te halen om met hem mee te zeilen, om deze belediging van zijn huwelijk te wreken. Toen ze op Ithaca waren aangekomen, hield Odysseus zich een tijdje verborgen, totdat ze Telemachus op de hoogte konden brengen wat ze van plan waren. Vervolgens trokken ze op naar het paleis en doodden de vrijers, die beneveld waren door de wijn en het vele eten. Toen de bevolking hoorde dat Odysseus was teruggekeerd, heetten zij hem van harte welkom en schaarden zich achter hem. En van hen hoorde hij alles wat er thuis gebeurd was. Odysseus beloonde de getrouwen met geschenken, de ontrouwen met straffen. En wat Penelope aangaat, haar deugdzame reputatie is beroemd. Kort daarop, in antwoord op de hoop en gebeden van Odysseus, trouwde Nausicaä, de dochter van Alcinoüs, met Telemachus. Dit was ook de tijd dat onze aanvoerder Idomeneus op Kreta stierf. En, volgens het recht van troonopvolging, het koninkrijk naliet aan Meriones. Laërtes, drie jaar nadat zijn zoon was teruggekeerd, maakte een eind aan zijn leven. Nausicaä en Telemachus kregen een zoon, die Odysseus de naam Ptoliporthus gaf (Bedwinger van Steden).

De terugkeer van Neoptolemus

DJvTO;6; 7
Terwijl deze dingen op Ithaca gebeurden, verbleef Neoptolemus onder de Molossiërs waar hij zijn schepen repareerde, die door de storm waren vernietigd. Daar vernam hij dat Acastus Peleus uit zijn koninkrijk in Thessalië had verdreven. Daarom, omdat hij dit onrecht dat zijn grootvader was aangedaan wilde wreken, stuurde hij Chrysippus en Aratus om de situatie te verkennen. Zij waren zeer betrouwbare mannen, en niemand in Thessalië kende hen. Zij hoorden van Assandrus, een aanhanger van Peleus, alles over wat er gebeurd was en hoe Acastus Peleus verraderlijk had aangevallen. Deze Assandrus was aan de tirannie van Acastus ontsnapt en had de kant van Peleus gekozen, met wie hij zo intiem was geworden dat hij in staat was om, naast andere zaken, over het huwelijk te vertellen van Peleus met Thetis, de dochter van Chiron. Op dat moment waren vele koningen van overal vandaan uitgenodigd bij de bruiloft, die plaatsvond in het huis van Chiron. Tijdens het banket hadden zij de bruid geprezen en op haar getoast alsof ze een godin was, zeggend dat zij een Nereïde was en dat Chiron Nereus was. Op dezelfde wijze hadden zij ieder van hen die danste of zong Apollo of Dionysus genoemd, en aan de vele vrouwen de namen van de Muzen gegeven. Bijgevolg staat dit banket, sindsdien, bekend als ‘het banket van de goden.’

DJvTO;6; 8
Toen Chrysippus en Aratus hadden gehoord wat zij wilden weten, keerden zij terug naar Neoptolemus en gaven hem een uitgebreid verslag. Daarop bracht Neoptolemus zijn vloot in gereedheid, hoewel de zee ruw was en er redenen genoeg waren om te blijven waar hij was, en voer uit. Omdat hij veel problemen had ondervonden op zee vanwege een woeste storm en naar de kust van de Sepiaden was gedreven (zo genoemd vanwege hun gevaarlijk rotsen), verloor hij bijna al zijn schepen. Hijzelf en degenen die met hem meevoeren ontsnapten er ternauwernood aan. Daar vond hij zijn grootvader, Peleus, die zich verschool in een donkere, afgelegen grot. De oude man, terwijl hij de verraderlijke samenzweringen van Acastus ontweek, had daar een uitkijkpost waar hij iedereen in de gaten hield die daar langs kwam, in de hoop dat zijn kleinzoon zou komen. Toen Peleus aan Neoptolemus had verteld wat hem allemaal was overkomen, begon de laatste een plan uit te werken hoe hij het beste kon aanvallen toen hij toevallig vernam dat de zoons van Acastus, Menalippus en Plisthenes, er aankwamen om in de buurt van Peleus’ grot te gaan jagen. Daarop vermomde hij zich in de kleding van dat gebied, en, zich voordoend als iemand van Iolcus, stelde zich voor aan de zoons van Acastus en vroegen hun instemming om deel te mogen nemen aan hun jacht. Dit werd goedgekeurd, en kort daarna trof hij Menalippus en Plisthenes – zij waren dicht bijeen maar toch op enige afstand van elkaar – en doodde hen. Daarop greep en doodde hij hun trouwe slaaf, Cinyras, die op zoek was gegaan naar zijn meesters. Maar niet voordat hij had gehoord dat Acastus er ook aankwam.

DJvTO;6; 9
Daarop trok Neoptolemus Phrygische kleding aan, om zo op Mestor te gelijken, de zoon van Priamus, die hij als gevangene had meegenomen. Toen, in deze vermomming gekleed, ontmoette hij Acastus, zei dat hij Mestor was en dat Neoptolemus, vermoeid van het zeilen, daar in de grot lag te slapen. Daar Acastus er zeer naar verlangde om deze meest gehate vijand in de val te lokken, ging hij direct op weg naar de grot. Maar daar was Thetis die hem verbood om binnen te komen. (Zij, nadat ze had gehoord wat er aan de hand was, was gekomen om bij Peleus te zijn.) Ze schold Acastus vierkant uit vanwege zijn misdaden tegen het huis van Achilles en tegen de wetten van de goden. Maar daarna gebruikte ze haar invloed om hem te redden voor de wraak van Neoptolemus, want zij drong er bij haar kleinzoon op aan om af te zien van verdere wraak en dood. Acastus, dankbaar voor zijn onverwachte ontsnapping, stond daar toen ter plekke bereidwillig de controle over zijn koninkrijk aan Neoptolemus af. Daarop ging Neoptolemus, nadat hij de macht over het koninkrijk had verkregen, naar de stad met zijn grootvader, Peleus, en zijn grootmoeder, Thetis, en de mannen die de reis hadden overleefd. Alle burgers en de mensen uit de omtrek die onder zijn macht vielen verwelkomden hem vreugdevol en met toewijding die, zoals hij al kort daarop kon bewijzen, niet misplaatst was.

De overblijfselen van Memnon

DJvTO;6; 10
Neoptolemus vertelde me alles wat ik over hem geschreven heb, toen ik zijn huwelijk met Hermione bijwoonde, de dochter van Menelaüs. Van hem hoorde ik ook alles over de begrafenis van de overblijfselen van Memnon. De beenderen van Memnon kwamen in handen van zijn mannen die op Paphos waren gebleven. Zij hadden Pallas gedood, onder wiens leiderschap zij naar Troje waren gevaren, en hadden de buit voor zichzelf gehouden. Toen kwam zijn zus Himera, of Hemera zoals sommigen haar noemen naar haar moeder, naar Paphos, op zoek naar het lichaam van haar broer. Toen ze de overblijfselen vond en hoorde wat er met de buit was gebeurd, eiste ze beiden terug. Daarop, onder invloed van de Phoeniciërs, die in meerderheid uit de soldaten van Memnon bestond, werd ze voor de keus gesteld. Ze kon of de buit krijgen of de beenderen, maar niet beiden. Daarop, toegevend aan haar zusterlijke genegenheid, koos ze voor het laatste. Ze nam de urn en, uitvarend, bracht die naar Phoenicië. Toen ze bij de streek van het land dat Phalliotis werd genoemd aankwam, begroef ze de urn. Daarna verdween ze plotseling uit het zicht. Er werden drie verklaringen voor haar verdwijning gegeven. Ofwel was ze samen met haar moeder, Himera, verdwenen bij zonsondergang, of ze had zelfmoord gepleegd, overweldigd van verdriet over haar broer, of de inwoners van Phalliotis hadden haar gedood, verlangend om te stelen wat zij bezat. Neoptolemus was mijn bron voor wat ik heb verteld over Memnon en zijn zuster.

Sprinkhanenplaag op Kreta

DJvTO;6; 11
Het jaar nadat ik op Kreta teruggekeerd was, ging ik als afgezant naar het orakel van Apollo, samen met twee anderen, om verlichting te zoeken voor een plaag. Zonder aanwijsbare reden en geheel onverwachts, had een grote horde sprinkhanen ons land overvallen en vernietigde al onze gewassen op de velden. De reactie van het orakel, in antwoord op onze vele gebeden en smekingen, was dat levende schepsels moesten sterven, goddelijk gedood, voordat onze oogst kon groeien en in bloei zou staan. De bevolking van Delphi verbood ons op dat moment om uit te zeilen. Het seizoen, zeiden zij, was ongunstig en gevaarlijk. Desondanks weigerden Lycophron en Ixaeus – zij waren de twee die met mij meegekomen waren – dit bevel op te volgen. Dus vertrokken zij. Toen zij echter halverwege Kreta waren, werden zij door een bliksemschicht gedood. Toen, precies zoals de god had voorspeld, met dezelfde bliksemschicht, verdwenen de sprinkhanen, verzwolgen door de zee, en begonnen de gewassen van ons eiland te groeien.

Dood van Neoptolemus

DJvTO;6; 12
In diezelfde periode ging Neoptolemus, nadat zijn huwelijk met Hermione was voltrokken, naar Delphi. Hij wilde Apollo bedanken voor het feit dat Alexander, die zijn vader had gedood, voor zijn misdaad betaald had. Andromache werd thuis achtergelaten, samen met Laodamas, haar enige overlevende zoon bij Hector . Nu werd Hermione, na het vertrek van haar man, gekweld door de gedachten over haar gevangen genomen rivale, en riep haar vader, Menelaüs. Toen, bitter klagend over haar slechte behandeling – hoe Neoptolemus de voorkeur gaf aan een gevangengenomen vrouw boven haar – drong ze er bij Menelaüs op aan om de zoon van Hector te doden. Andromache, die van dit plan hoorde, redde haar zoon en ontsnapte met behulp van de bevolking, dat medelijden hadden met haar lot. Bovendien, overlaadden zij Menelaüs met beschuldigingen, en kon er nauwelijks voorkomen worden dat zij hem doodden.

DJvTO;6; 13
Ondertussen arriveerde Orestes en hoorde wat er gebeurde. Daarop drong hij er bij Menelaüs op aan om het plan uit te voeren, want hij was zelf van plan om Neoptolemus te vermoorden wanneer deze terugkeerde. Hij haatte Neoptolemus omdat deze met Hermione getrouwd was. Zij was aan hem beloofd. Daarom stuurde hij als, eerste daad, vertrouwde verkenners naar Delphi om uit te zoeken wanneer Neoptolemus terug zou keren. Menelaüs, op de hoogte gesteld van de plannen van Orestes, keerde terug naar Sparta, want hij wilde geen deel hebben aan een dergelijke misdaad. Toen rapporteerden de verkenners die naar Delphi waren gestuurd dat zij Neoptolemus daar niet konden vinden. En dus werd Orestes gedwongen om naar de man op zoek te gaan. Toen hij terugkeerde – maar niet op dezelfde dag dat hij was vertrokken – dacht iedereen dat hij zijn doel bereikt had. Binnen korte tijd ging het verhaal in het rond dat Neoptolemus dood was en dat Orestes hem verraderlijk had gedood.

Toen keerde Orestes terug naar Mycene, Hermione met zich meenemend. Zij was aan hem beloofd. Ondertussen gingen Peleus en Thetis, die gehoord hadden over de dood van hun kleinzoon, op zoektocht om voor zichzelf erachter te komen hoe hij precies gestorven was. Zij ontdekten dat hij in Delphi begraven was (waar ze zijn begrafenisriten volgens gebruik uitvoerden), maar dat hij was gestorven in een plaats waar Orestes nooit was gezien. Dit weigerden de mensen echter te geloven, zo sterk was hun vermoeden over het verraad van Orestes. Bovendien stuurde Thetis, die zag dat Hermione en Orestes getrouwd waren, Andromache naar de Molossiërs. Andromache was zwanger van Neoptolemus, en Thetis vreesde dat Orestes en Hermione zouden proberen de baby te doden.

Dood van Odysseus

DJvTO;6; 14
In diezelfde periode werd Odysseus gekweld door veelvuldige nachtmerries en voortekens. Daarom riep hij iedereen in zijn gebied op die bedreven waren in het interpreteren van dromen, en vertelde hen alles, maar vooral over deze droom die hij vaak had gedroomd: Een gedaante, half menselijk en half goddelijk, prachtig om te zien, verscheen plotseling op dezelfde plek. Als hij zijn armen hartstochtelijk uitstak en probeerde het te omarmen, kreeg hij een berisping, van een menselijke stem. Een dergelijke vereniging was slecht, een vereniging tussen degenen met hetzelfde vlees en bloed, waarvan er één bestemd was om te sterven door de handen van de ander. En terwijl hij nadacht en zich afvroeg wat dit kon betekenen, verscheen een pijl, geworpen op bevel van de verschijning, uit de zee en, tussen hen inslaand, zorgde ervoor dat zij gescheiden werden. Iedereen die daar aanwezig was verklaarde dat dit visioen fataal voor hem was. En zij smeekten hem bovendien om op te passen voor de verraderlijke daden van zijn zoon. Bijgevolg werd Telemachus, vanwege de verdenkingen van zijn vader, naar het eiland Cephallenia gestuurd, om daar het land te bewerken en vertrouwde wachters hem in de gaten konden houden. Bovendien probeerde Odysseus, door zich terug te trekken in een geheim en verafgelegen gebied, te voorkomen dat zijn droom zou uitkomen.

DJvTO;6; 15
Ondertussen kwam Telegonus, die Circe aan Odysseus had gebaard en op het eiland Aeaea was opgegroeid, waar hij volwassen was geworden, naar Ithaca om zijn vader te zoeken. Hij droeg een speer, waarvan de punt uit het bot van zeevogel was gemaakt, de tortelduif, die het symbool van Aeaea was, waar hij was geboren. Toen hij hoorde waar Odysseus leefde, ging hij naar die plek. Maar de bewakers verboden hem de toegang. Aanhoudend maar telkens weer geweigerd, begon hij te schreeuwen dat het een schande was, een misdaad, om te voorkomen dat een zoon zijn vader kon omarmen. Maar de bewakers, niet wetend dat Odysseus een tweede zoon had verwekt en geloofden dat dit Telemachus was die was gekomen om de koning te vermoorden, verzetten zich steeds heftiger. En zo besloot Telegonus, die steeds bozer en bozer werd vanwege dit heftige verzet, hier een eind aan te maken door een groot aantal van de bewakers te doden of te verwonden. Odysseus, die hoorde wat er aan de hand was, dacht dat dit een jongeman was die Telemachus had gestuurd om hem kwaad te doen. Daarom ging hij naar de strijd en wierp zijn speer, die hij altijd bij zich droeg als bescherming. Telegonus pareerde echter de speer, en, richtend om een dodelijke wond toe te brengen, wierp deze zijn opmerkelijk wapen, en trof zijn vader. Odysseus, toen hij viel, was dankbaar voor dit lot. Het was voor iedereen het beste, dacht hij. Door te sterven door de handen van een vreemdeling voorkwam hij dat Telemachus, van wie hij zielsveel hield, schuldig zou worden aan vadermoord. Nog steeds ademend, vroeg hij de jongeman wie hij was en waar hij vandaan kwam en hoe hij het waagde om Odysseus te doden, de zoon van Laërtes, een man beroemd om zijn deugden in oorlog en vrede.

En toen besefte Telegonus dat dit zijn vader was die hij had gedood. Hij huilde verschrikkelijk en trok met beide handen de haren uit zijn hoofd, verschrikkelijk gekweld omdat hij de dood van zijn vader had veroorzaakt. Toen, nadat Odysseus er om had gevraagd, vertelde hij zijn naam en de naam van zijn moeder en de naam van het eiland waar hij was geboren. En hij toonde hem de punt van zijn speer. En zo wist Odysseus dat zijn telkens weerkerende droom juist was geïnterpreteerd. Hij was dodelijk getroffen door iemand die hij nooit had vermoed. En zo, binnen drie dagen, stierf hij, een man op gevorderde leeftijd, wiens krachten, nog steeds intact waren.

© 2017 Maarten Hendriksz