Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Euripides - Alcestis

Bron: www.koxkollum.nl

Vertaald door: prof. Kamerbeek? Typografisch verwerkt door Renée van Beek en Angela Romeijn

Betoog:

Alcestis werd voor de eerste keer opgevoerd in 438. De gemiddelde toeschouwer wist dat Alcestis haar leven had gegeven voor haar man. Het verhaal gaat als volgt. Apollo’s zoon Asclepius, vader van de geneeskunde, had doden tot leven gewekt. Oppergod Zeus nam hem dit kwalijk, omdat deze niet wilde dat de angst voor de dood bij de mensen zou verdwijnen. Hij strafte Asclepius door hem met een bliksem te doden. Apollo nam wraak voor zijn zoon en doodde de Cyclopen, de makers van de bliksems van Zeus. Voor straf dwong Zeus Apollo om een jaar lang te werken als herder in dienst van een mens, Admetus, koning in Pherae in het Noord-Griekse Thessalië. In ruil voor de goede behandeling die hij daar kreeg hielp Apollo Admetus aan zijn vrouw, prinses Alcestis van Iolcus. Ook kreeg hij van de Schikgodinnen gedaan dat Admetus niet op het bestemde uur hoefde te sterven als hij een vervanger wist te vinden, zijn vrouw Alcestis offerde zich op. Het verhaal begint als Alcestis stervende is.

Personages

Apollo
De Dood
Koor van grijsaards uit Pherae
Dienares van Alcestis
Alcestis, koningin van Pherae
Euemelus, zoontje van Admetus
Dochtertje van Admetus (treedt niet sprekend op)
Heracles
Pheres, vader van Admetus
Dienaar
Dienaren van Admetus en van Pheres

Scene

Het stuk speelt voor Admetus' paleis in Pherae.

01. Proloog, regel 1; 1-76

Apollo
Huis van Admetus, waarin ik mij schik aan tafel, geduldig als een dagloner, ik die een god ben. Want Zeus heeft door mijn zoon te dooden daaraan schuld, Asclepius: Zeus dreef de bliksems in zijn borst. Vertorend om zijn lot doodde ik de smeden van Zeus' vuur: ik doodde de Cyclopen, daarom dwong mijn vader mij tot arbeid voor een sterveling, als boete. Gekomen in dit land, weidde ik voor mijn gastheer de runderen en hield zijn huis tot nu in stand. Want ik, die zelf ook vroom ben, vond gelijke vroomheid in Pheres' zoon, dien ik beschermde tegen sterven.

De Moiren overtroefde ik: zij stonden toe: Admetus mocht voor 't oogenblik de Hades mijden, als hij een and're doode in zijn plaats liet gaan. En al zijn vrienden ging hij lang, hij vroeg hen en zijn vader en zijn oude moeder, die hem baarde, en hij vond niemand, die voor hem wel sterven wilde en nooit het licht meer zien, vond niemand dan zijn vrouw. Nu steunen in 't paleis zijn armen haar, nu zij daar worstelt met den dood: want dezen dag, staat vast, moet zij den dood ingaan en 't leven achterlaten. En ik, om niet besmet te worden in 't paleis, verlaat het dak van deze woning, die ik lief kreeg. Reeds zie ik hoe de Dood nabij gekomen is, hij, priester der gestorvenen, naar Hades' huis zal hij haar voeren: juist op tijd is hij gekomen, loerende op den dag, waarop zij sterven moest.

De Dood
Ha! Wat doet gij bij dit huis? Waarom toeft ge hier, Phoebus? Doet ge weer onrecht, beknot en bekort ge de eer van d' onderaardschen, onrechtmatig als steeds? Was 't U niet genoeg Admetus' lot te storen, met kunsten de Moiren bedriegend, vol arglist? Ook nu houdt gij weer de wacht, met den boog in Uw hand, gewapend, paraat, bij haar, die beloofde te redden haar man door zelf dan te sterven, zij Pelias' kind.

Apollo
Wees rustig: aan mijn zijde is 't recht en goede redenen.

De Dood
Wat draagt ge dan een boog, als 't recht ook aan Uw kant is?

Apollo
Ik ben gewoon die altijd met me mee te voeren.

De Dood
Ja - én om tegen 't recht dit huis van dienst te zijn.

Apollo
Door ong'luk van een vriend word ik toch ook geraakt.

De Dood
Zult ge me werk'lijk deze tweede doode ontrooven?

Apollo
Maar de eerste nam ik ook niet met geweld U af.

De Dood
Waarom is hij dan op de aarde en niet eronder?

Apollo
Hij gaf zijn vrouw in ruil, ge zijt voor haar gekomen.

De Dood
En 'k zál haar voeren, ondergronds, naar de Onderwereld.

Apollo
Neem haar en ga: 'k weet niet of 'k U kan overreden.

De Dood
Om hem, dien 'k moest, te dooden? Dat is mij opgedragen.

Apollo
Niet dat, maar om wie blijven wil ter dood te brengen.

De Dood
Ik zie Uw redeneering en 'k zie wat ge begeert.

Apollo
Kan niet Alcestis tot zij oud is blijven leven?

De Dood
Dat gaat niet aan: ook ik ben op mijn eer gesteld.

Apollo
Ge krijgt toch, hoe dan ook, slechts één ziel in bezit.

De Dood
Voor jonge dooden krijg ik meer van voor een oude.

Apollo
Maar vindt zij grijs haar graf, dan zal dat rijker zijn.

De Dood
O Phoebus, rijkdom is, zoo gij 't wilt, wel bevoorrecht!

Apollo
Wat zegt ge? Listigheid schuilt ook nog in Uw hart?

De Dood
Dan hadden 't goed, aan wie lang leven was gegeven.

Apollo
't Komt dus niet in U op, mij deze gunst te schenken?

De Dood
In geen geval: ge kent mijn wikken én mijn wegen.

Apollo
Gij, vijand voor den mensch, gehaat onder de goden!

De Dood
Wat U niet toekomt, zult gij ook nimmer bezitten.

Apollo
Toch zult ge zwichten, ook al zijt ge nog zoo wreed. Voor dat doel komt een man hier, naar Admetus' huis, hem stuurde Eurustheus uit om het paardenspan uit Thracië, het barre, door de vorst gekwelde. Hij wordt onthaald als gast in 't paleis van Admetus en door zijn kracht zal hij diens vrouw aan U ontnemen. U zal van mij geen dank geworden noch van hem, gij doet toch wat ik vroeg - en wordt door mij gehaat.

De Dood
Al praatte gij nog meer, niets meer zoudt ge bereiken. Die vrouw gaat onder naar de schuilhoeken van Hades. Ik kom nu op haar af en raak haar met mijn zwaard, want aan de onderaardsche goden is gewijd van wie dit machtig zwaard een enk'le haarlok offert.

02. Eerste koorlied, regel 2; 77-135

koor recitatief
Van waar, en wat wil deze rust om het huis? Waarom heerscht er stilte in Admetus' paleis? En niemand nabij , verwant of bevriend, die zeggen kan of ik den dood der vorstin betreuren moet, of dat zij 't leven nog heeft en het licht nog aanschouwt, zij, Pelias' kind, Alcestis, die mij en iedereen scheen de edelste vrouw voor haar man zich betoond te hebben.

zang - strofe
Hoort iemand zuchten of het slaan van handen in een doodenhuis, of weeklacht, dat het is gebeurd? Geene der dienaressen komt, geen van haar gaat ter poorte staan. Dat gij, in 't golven van het lot, o Paean, komen mocht!

eerste koorlid
Was zij wezenlijk dood, dan zwegen ze niet.

tweede koorlid
Zij is alreeds dood.

eerste koorlid
Zij is nog niet heen, nog niet weg uit het huis.

tweede koorlid
Hoe zoo? Ik zeg niets. Wat is joúw zekerheid?

eerste koorlid
Hoe zou ooit Admetus begraven zóó stil de vrouw, die hem zorgzaam en goed was?

antistrofe
Ter weerszij van de poort zie 'k niet 't wijwater, naar gewoonte is voor reiniging bij 't doodenhuis; geen afgesneden haarlok hangt ter poorte, zooals vallen moet voor dooden-eer; noch slaat de hand van jonge vrouwen rouw.

eerste koorlid
En toch is dit de beschikte dag.

tweede koorlid
Wat zeg je daarmee?

eerste koorlid
De dag dat zij gaan moet onder den grond.

tweede koorlid
Je slaat me in de ziel, je treft me in 't hart!

eerste koorlid
Bij der goeden vernieting en hun dood moet rouwen alwie van jongs af aan deugdzaam bekend staat.

strofe
Hoe ver men ook zijn schepen zou zenden, werwaarts ook, hetzij naar Lycië zeilend, of naar het dor verblijf dat Ammon toebehoort - haar ziel is onbevrijdbaar van ongeluk: het lot, niet te verbidden, nadert - Ik heb geen altaar om te offeren den goden.

antistrofe
Eén zou het zijn, als hij nog zijn ogen had vol licht, de zoon van Phoebus kon haar doen gaan uit duisternis en weg van Hades' poort. De doden deed hij opstaan vóórdat hij zelf door Zeus' vuurbliksem werd doorboord. Maar nu - dat zij blijft leven, wat hoop wordt mij geboden? Want alles is reeds door de koning gedaan, op aller goden altaren werd reeds 't bloed van de offers vers gebracht - er is tegen rampen geen middel.

03. Eerste akte, regel 3; 136-212

Koor
Doch uit 't paleis zie 'k één der dienaressen gaan en 'k zie haar weenen; welk lot zal ik van haar hooren? (tot dienares) Te treuren, als Uw meesters iets is overkomen: begrijpelijk - maar of zij nog in leven is, of reeds gestorven, dat zouden wij willen weten.

Dienares
Gij kunt haar levend en gelijk gestorven noemen.

Koorleider
Hoe kan dezelfde mensch dood zijn en 't licht nog zien?

dienares
Zij buigt zich reeds ter aarde en worstelt met den dood.

Koorleider
o Arme man, die wie U evenaart verliest!

dienares
Mijn meester weet dat niet, vóór hij het ondervindt.

Koorleider
Bestaat geen enk'le hoop meer, dat zij wordt gered?

dienares
De voorbeschikte dag dringt met geweld zich op.

Koorleider
Het onontbeerlijke werd toch voor haar gedaan?

dienares
Het tooisel ligt gereed, waarmee haar man haar toedekt.

Koorleider
Zij moge weten, dat zij roemrijk sterven zal, als verreweg de beste vrouw onder de zon.

dienares
Waarom soms niet de beste? Wie die 't tegenspreekt? Wat moet de vrouw zijn, die haar overtreffen zou? Hoe laat zij beter zien, dat zij haar man bemint meer dan zichzelf, dan door voor hem te willen sterven? Dat alles weet de gansche burgerij reeds lang. Maar wat zij in 't paleis deed, zeg 'k tot Uw verbazing. Want toen zij dan bemerkt had, dat haar noodlotsdag gekomen was, wiesch zij met water uit den stroom haar blanke huid, zij nam uit cederhouten kist kleedij en sieraden, tooide zich naar ´t betaamt en, staande voor den haard, bad zij tot Hestia: "Meesteres, daar ik nu onder de aarde daal, zal ik U voor het allerlaatst bidden en vragen te zorgen voor mijn kind'ren, wees geworden - geef mijn zoon een lieve vrouw, een eed'len man mijn dochter, maak dat zij niet, zooals hun moeder, vóór hun tijd sterven, maar geef dat zij gelukkig en in voorspoed hun leven tot het einde in 't vaderland volmaken". En alle altaren langs in Admetus' paleis ging zij, ze bad tot hen en bracht er kransen, van myrtetakken plukkend 't huiverende loof; geen tranen, geen gezucht, het naad'rend ongeluk verbleekte niet den bloei van haar lief'lijke huid. Toen stortte zij zich in haar slaapvertrek ter sponde en brak in tranen uit en zei wat hier nu volgt: "Mijn bed, waarin ik werd bevrijd: van meisje werd tot vrouw, door hem, den man om wien ik nu stervende ben, vaarwel: ik haat je niet, want je bracht mij alléén den dood: nog aarzelend jou en mijn man te geven sterf ik. Jij zult 't bezit zijn van een and're vrouw, die zediger niet is, misschien gelukkiger". Zij kuste 't en viel op het bed, dat heel en al bevochtigd werd door 't stroomen van haar oogenbron. En toen zij zich aan vele tranen had verzadigd, schreed zij, voorover, krampachtig van 't bed gewend, en vele keeren, uit de kamer gaande, keerde zij 't hoofd weer om en wierp zich één keer nog ter sponde. De kinderen, die aan 't kleed van hun moeder hingen, huilden; zij nam hen op en tilde ze op haar arm en kuste ze één voor één, bewust dat zij ging sterven. De slaven allemaal weenden in het paleis, jammerend om hun meesteres. Zij gaf de hand aan iedereen, geen was van zoo geringen rang, of zij sprak tot hem en hoorde zijn antwoord aan. Dat is het leed, dat in Admetus' huis bestaat. Voor hem was dood verderf, nu hij daaraan ontkomt wordt hij door smart bezeten, die hij nooit vergeet.

Koorleider
Wel zucht Admetus nu, bij deze vrees'lijkheid, nu hij beroofd moet worden van zoo'n eed'le vrouw?

dienares
Hij huilt en houdt zijn vrouw innig-vast in zijn armen, hij smeekt, dat zij hem niet verlaten zal, 't onmooglijke wil hij, want zij kwijnt en welkt door de kwaal en krachteloos, zijn armen tot rampzaal'ge last, wil zij , hoewel zij nauwelijks meer ademhaalt, nog één keer naar de stralen van het zonlicht zien, beseffend van nooit weer en nu voor ´t allerlaatst. Maar ik zal gaan en Uw aanwezigheid berichten, want geenszins allen zijn van harte vóór de heerschers, zoodat ze in 't ongeluk hen welgezind terzij staan. Maar gij zijt van oudsher een vriend voor mijne meesters.

04. Tweede koorlied regel 4; 213-237

koor strofe
O Zeus, welke uitweg van deze ellende is er, wat vaagt weg het ongeluk, dat onze meesters nu treft? Zal iemand komen, of moet ik mijn haren afsnijden en rouw-zwarte dracht omdoen, thans reeds? Duidelijk, vrienden, wel duidelijk is het. Bidden wij tot de goden, want hún macht is het allergrootst. Heerscher Paean, vind toch een middel voor 't leed van Admetus, wijs het ons, wijs het ons, ook vroeger reeds vond ge iets, schenk dan ook nu vrijdom van dood, maak toch dat Hades aflaat van moord.

antistrofe
Helaas, o Zoon van Pheres welk een lot: beroofd van Uwe vrouw. Tot zelfmoord is dit reden. Wat blijft hem beters over dan in den strop zijn nek? Want zij, van wie den dood gij heden zult aanschouwen, was lief niet, maar de liefste. Ziet, ziet, reeds komt zij met haar man uit huis. Klaag nu, o zucht nu, land van Pherae, om Uw edelste vrouw, die wegkwijnt aan haar ziekte, op weg naar Hades' laag gebied.

05. Tweede akte, regel 5; 238- 434

Koorleider
Nooit zal ik zeggen, dat 't huwelijk meer vreugd brengt dan leed, in 't verleden zag ik het en ook nu weer, nu 'k het lot aanschouw van mijn koning, hij die na 't verlies van zijn nobele vrouw een toekomst ontmoet, waarin 't leven een onmoog'lijkheid is.

Alcestis
Zon en licht van den dag, hemelsche werv'ling der vliegende lucht -

Admetus
De zon ziet U en mij, wij beide diep rampzalig, den goden deden wij niets, waar de dood opstaat.

Alcestis
Land; en de woning in 't huis, bed van een meisje in mijn vaderland, Iolcos.

Admetus
Sta op, o gij ramzalige, geef het niet op: smeek d' almachtige goden erbarmen te hebben.

Alcestis
Ik zie twee riemen, ik zie een boot, ik zie den veerman van den dood, Charon, aan den vaarboom zijn hand, hij roept al: "Wat draalt ge? Ge houdt me op, haast U!" Zoo roept hij mij snel naar den kant.

Admetus
Wee mij, wel bitter is de tocht, dien gij daar noemt! o Ongelukkige, welk lijden is ons deel!

Alcestis
Eén brengt me, iemand brengt me - ziet ge niet? naar der dooden omheind gebied onder blauwzwarte wenkbrauwen spiedt de dood, zijn vleugels slaan. Wat wilt ge? Laat me staan! Welken smartenweg moet ik gaan!

Admetus
Een weg, die deernis wekt bij wie U liefheeft, bij mij 't meest en onze kinderen; zij treuren mee.

Alcestis
Laat me nu, laat me vrij, leg me neer, ik kan niet staan. Hades is nabij. Nacht-zwart kruipt in mijn gezicht. Kinderen, kinderen, dood, dood is je moeder, zij is weg van je gegaan, o moge gij, mijn kinderen, steeds blíj zien naar 't licht!

Admetus
Wee mij, zij doen pijn, de woorden, die 'k hoor, zij zijn erger voor mij dan welke dood ook. Laat mij niet achter, bij de goden, bij Uw kinderen niet, die ge wezen maakt, maar sta op, houd moed, want ik kan niet meer leven, als gij dood zijt: het hangt van U af: te leven of niet, want de liefde voor U is ons heilig.

Alcestis
Admetus, gij ziet immers hoe 't met mij gesteld is, ik zal U vóór ik dood ga zeggen wat ik wil. Ik stelde U hooger dan wie ook en ik gaf mijn ziel ervoor in ruil, dat gij het licht bleeft zien. Nu ga ik dood voor u en zonder dat het moet: ik kon wien 'k wilde der Thessaliërs als man hebben en wonen in een huis, rijk aan gezag. Maar 'k wilde niet leven, beroofd van U en met de kinderen als weezen, 'k spaarde niet mijn jeugd, hoewel mij veel geschonken was, waar 'k van genoot. Uw vader en Uw moeder waren 't, die U loslieten, terwijl hun leeftijd zoo schoon doodgaan moog'lijk maakte: een schoone dood vol roem, door 't redden van hun kind. Gij waart hun eenige, er was geen hoop meer dat zij na Uw dood nog and're kind'ren zouden krijgen. Dan hadden U en ik den verd'ren tijd geleefd, dan zuchtte gij niet, door Uw vrouw alleen gelaten, dan bracht ge Uw kind'ren niet als wezen groot. Maar dat heeft één der goden uitgemaakt, dat het zóó is. Welnu - toont gij mij, hoe ge hiervoor dankbaar zijt, want 'k vraag U wel iets, dat er geenszins tegen opweegt, omdat er niets is, dat kostbaarder is dan 't leven - maar iets rechtvaardigs, naar ge toegeeft: gij houdt van de kind'ren, als ge nadenkt, niet minder dan ik. Duld dat zij heer en meester zijn in mijn paleis en trouw voor deze kinderen geen tweede moeder, een vrouw, die slechter is dan ik en die uit nijd aan Uwe en mijne kinderen de hand zal slaan. Doe dat toch vooral niet, ik bid en smeek het U. Want een stiefmoeder komt als vijandin bij kind'ren van vóór haar tijd - niet vriendelijker dan een adder. Een zoon heeft in zijn vader 'n groot en krachtig bolwerk, maar jij, mijn dochter, hoe zal ooit je huw'lijk goed zijn? Hoe zal ze voor je zijn, je vaders tweede vrouw? Ik ben zoo bang, dat zij je een slechten naam bezorgt; terwijl je straalt van jeugd, dat zij je kans bederft. Want moeder zal je nimmer helpen voor je huw'lijk en nooit je bijstaan in je barensweeën, kind, als juist niets beters dan een moeder dienst kan doen. Want ik moet sterven en het is voor morgen niet of overmorgen, dat dit kwaad zich naar mij keert, maar nu terstond zal ik behooren tot de dooden. Vaartwel en leeft gelukkig: gij, mijn man, kunt U beroemen, dat ge had de edelste der vrouwen en gij, mijn kind'ren, dat ge uit haar geboren zijt.

Koorleider
Wees rustig, want ik aarzel niet voor hem te spreken: hij zal het doen, als hij niet zijn verstand verliest.

Admetus
Zoo is 't , zoo zal het zijn, wees niet beangst: omdat ik toen ge leefde U had, zult gij ook dood alleen mijn vrouw heeten, geen van de Thessalische meisjes zal in Uw plaats als bruid mij als haar man begroeten. Geen vrouw bestaat er, die zoo'n eed'le afkomst heeft, noch blinkt in schoonheid iemand zoo volkomen uit. 'k Heb genoeg kinderen; - dat zij mijn vreugde zijn smeek ik de goden, want in U vond ik geen vreugd'. Ik draag voor U geen rouw, die een jaar duren zal, maar zoolang als mijn leven verder voortduurt, vrouw, en ik verafschuw haar, die mij baarde, ik haat mijn vader, want hun liefde had woorden en geen daden. Maar gij gaaft voor mijn leven wat U 't liefste was en redde mij: wat kan ik anders doen dan zuchten, ik die in U een vrouw zooals gij zijt verlies? Ik zal de feesten staken, 't drinken in den kring, de kransen, de muziek, die heerschte in mijn huis. Nooit of te nimmer strijkt mijn hand meer langs de lier, noch komt het in mij op bij de Libysche luit te zingen, want gij naamt de blijdschap uit mijn leven. Door knappe handen van een kunstenaar gevormd, zoo zal Uw beeld op mijn bed worden uitgestrekt. Ik werp mij ernaar toe, 'k strengel mijn armen om haar, noem Uw naam en 'k zal, terwijl ik U ontbeer, wanen, dat ik U, liefste, in mijn armen houd, een kille vreugde, weet ik, maar de zwaarte in mijn hart zal 'k toch opheffen en in droomen zult ge mij verkwikken komen, want, al is 't slechts nacht, 't is heerlijk wie men mint te zien - dat is 't altìjd. Als ik de stem van Orpheus en zijn lied bezat, zoodat 'k Demeters dochter of haar echtgenoot door lied'ren kon betoov'ren en U kon ontvoeren uit Hades - 'k daalde af, dan kon noch Pluto's hond, noch Charon, aan de riemen, gids der zielen, mij tegenhouden vóór ´k U levend in het licht had. Maar nu, wacht daar op mij, als ik gestorven ben, en maak een huis gereed, waar gij met mij in woont. Want ik geef opdracht, mij in ´tzelfde cederhout te leggen, mijn omhulsel uit te strekken aan Uw zijde, want ik moge, ook als ik dood zal zijn, nooit ver weg zijn van U, de een'ge, die mij trouw was.

Koorleider
En ik, als vriend met vriend, zal samen met U dragen den droeven rouw om haar, want wel is zij het waard.

Alcestis
Kinderen, gij hebt zelf Uw vader hooren zeggen, dat hij geen andere zal nemen tot zijn vrouw, om Uwentwil en om mij geen smaad aan te doen.

Admetus
En ik herhaal het en zoo zal ik het ook doen.

Alcestis
Neem dáárop dan de kind'ren uit mijn handen aan.

Admetus
Ik neem hen als een lieve gave uit lieve hand.

Alcestis
Neem gij mijn moederplaats in voor de kinderen.

Admetus
Wel is dat noodig, nu zij van U zijn beroofd.

Alcestis
o Kind'ren, nu ik leven moest, daal ik in 't graf.

Admetus
Ach, wat zal ik beginnen, eenzaam zonder U?

Alcestis
De tijd verzacht Uw leed: een doode gaat in 't niet.

Admetus
Neem mij mee, bij de goden, neem mij mee omlaag!

Alcestis
Het is genoeg, dat ik, die voor U sterf, afdaal.

Admetus
o Godheid, welke vrouw ontsteelt ge mij in haar!

Alcestis
Mijn oogen worden van hun licht beroofd en zwaar.

Admetus
Ik zal omkomen, als ge mij achterlaat, vrouw.

Alcestis
Nu kunt ge van mij zeggen, dat ik niet meer ben.

Admetus
Hef Uw gezicht op, laat Uw kinderen niet achter!

Alcestis
Ik ga niet met mijn wil - mijn kinderen, vaartwel!

Admetus
Kijk naar hen, kijk naar hen!

Alcestis
Ik ben al in het niet.

Admetus
Wat doet ge? Laat ge ons los?

Alcestis
Vaarwel.

Admetus
't Leed breekt mijn hart.

Koor
Ze is heengegaan, zij is niet meer, Admetus' vrouw.

Eumelus
o Ik arme, mijn moeder ging omlaag, zij is dood en 't zonlicht uit, vader. Zij heeft ons verlaten, rampzaal'ge, verweesd ons, ziet, ziet toch haar oogen en haar armen omlaag. Hoor toch, hoor toch, o moeder, ik smeek U, ik, moeder, ben 't, ik, die U aanroept en die als een vogeljong rekt naar Uw lippen.

Admetus
Zij hoort je niet en ziet je niet, dus wel ben ik, en gij beide, geslagen door een zware ramp.

Eumelus
'k Werd jong reeds verlaten, vader, moederziel alleen, en gruw'lijke dingen moet ik ondervinden, jij zusje, klein meisje, lijdt onder hetzelfde, o vader, helaas: zonder nut en vergeefsch was Uw trouwen, met haar geen oude dag, want zij stierf daarvóór, Uw heengaan, moeder, heeft ons thuis vernietigd.

Koor
Admetus, onontkoombaar is 't de ramp te dragen: de eerste noch de laatste van de stervelingen zijt gij, die 'n eed'le vrouw verloor: kom tot het inzicht, dat wij allen, allen den dood verschuldigd zijn.

Admetus
Ik weet het en niet onverwacht stortte dit kwaad zich op mij: door het weten werd 'k allang gekweld. Maar - daar 'k de uitvaart van de doode houden zal, blijft hier en staat bij mij en heft den klaagzang aan voor d' onverzoenlijken god in de onderwereld. Alle Thessaliërs, over wie ik regeer, beveel ik in den rouw om deze vrouw te deelen door afgeschoren haar en door zwarte kleedij. Gij, die vierspannen optuigt en gij, die één veulen africht, snijdt met het mes de manen van hun nek. Geen klank van fluiten en van lieren geen geruisch zij in de stad, het volle twaalftal maanden lang. Want nooit zal 'k een doode, die 'k méér liefheb, begraven, noch een, die beter was voor mij: zij is het waard, mijn eerbetoon, daar zij voor mij stierf, zij alleen.

06. Derde koorlied regel 6; 435-475

Koor -zang strofe
Dochter van Pelias, gij moge blijde in Hades' huis een donk're woon betrekken. Dat duisterlokk'ge Hades weet' en d'oude, die den riem en 't roer hanteert als begeleider van de schimmen, dat hij ver-uit de beste vrouw over het meer van de Acheron voer met zijn gepaarde riemen.

antistrofe
Dichters bezingen Ubij hooge, zevensnaar'ge lier en in droevige lied'ren, als Sparta weer Apollo viert, ten tijde dat een maan verheven is, die door den ganschen nacht zal bijven schijnen, én in Athene's weelde en glans. Zoo'n schat van liederen werd door Uw dood geschonken aan de zangers.

strofe
Och, ware het mij gegeven en kon ik U laten verrijzen naar 't licht, wég van Hades' woning, weg over den stroom van het weenen, met de boot van de onderwereld. Want gij, O lieve, de eenige der vrouwen, hebt het bestaan tot prijs van Uw leven Uw man te koopen van Hades. Zij lícht de grond, die van hier op U valt, o vrouw. En koos Uw man ooit een ander bed: wij haatten hem, ik en Uw kind'ren.

antistrofe
Daar zijn moeder haar lichaam niet wilde voor haar zoon in de aarde verschuilen en ook niet zijn oude vader, zou hij hebben moeten sterven - geen moed om hun zoon te redden, de schaamt'loozen, beide reeds grijzend. Maar gij, in den bloei van Uw jeugd, gingt heen, voor Uw man in den dood. Ik wilde, dat mij was bestemd zoo'n vrouw en een liefde inéén, want dat valt zeldzaam ten deel in het leven - zij bleef mijn leven lang zonder leed bij mij.

07. Derde akte regel 7; 476-567

Heracles
Vreemd'lingen, woners in het Phereaansche land, tref ik misschien Admetus aan in het paleis?

Koorleider
Hij, Pheres' zoon, is ten paleize, Heracles. Maar zeg, wat drijft U naar 't land der Thessaliërs om deze stad Pherae te naad'ren en betreden?

Heracles
Ik ben aan 't werk voor den Tirunthischen Eurustheus.

Koorleider
Waarheen reist ge? Waarvoor die opgelegde tocht?

Heracles
Voor 't vierspan van den Thraciër, van Diomedes.

Koorleider
Hoe kunt ge dat? Gij kent dien vreemd'ling zeker niet?

Heracles
Ik ken hem niet: nog nooit kwam 'k in 't Bistonisch land.

Koorleider
't Bestaat niet, dat ge zonder strijd de paarden baas wordt.

Heracles
Maar evenmin, dat ik zal afzien van het werk!

Koorleider
Nadat ge hebt gedood, keert gij wéér, of blíjft - dood.

Heracles
Het is de eerste strijd allicht niet, dien ik waag.

Koorleider
Wat voordeel haalt ge uit het verslaan van hun meester?

Heracles
Ik breng de paarden voor den Tirunthischen vorst.

Koorleider
't Bit in hun kaken leggen is geen makk´lijk werk.

Heracles
Als zij maar geen vuur blazen uit hun neusgaten!

Koorleider
Maar mannen slachten zij met vliegensvlugge kaken!

Heracles
't Roofdiervoer uit de bergen, en geen paarden, meent ge.

Koorleider
Ge zult hun ruiven wel met bloedvlekken besmeurd zien.

Heracles
Van welken vader roemt de fokker zich den zoon?

Koorleider
Van Ares, en hij heerscht op 't schild in 't goudrijk Thracië.

Heracles
Ook dit werk, dat ge noemt, maakt deel uit van mijn lot, want dat is altijd streng en stuwt steeds naar de steilte. Als het dan moet, dat 'k met de zonen, die Ares verwekte, vechten zal, het was eerst met Lycaon, daarna met Cycnus, dan ga 'k nu den derden strijd aanbinden met de paarden en wie hen regeert. Maar niemand is er, die Alcemene's zoon ooit zal zien afdeinzen voor de hand, welke eens vijands is.

Koorleider
Ziet, daar komt uit 't paleis de heerscher van dit land, waarlijk Admetus zelf naar buiten en hierheen.

Admetus
Vreugde zij met U, zoon van Zeus en Perseus' bloed.

Heracles
Ook U zij vreugde, Admetus, Thessalische vorst.

Admetus
Ik zou het wenschen, maar ik weet: ge zijt welwillend.

Heracles
Uw kaalgeschoren hoofd toont rouw, wat is de reden?

Admetus
Ik sta op 't punt vandaag een doode te begraven.

Heracles
Zeus moge van Uw kind'ren onheil verre houden.

Admetus
De kind'ren, die ik schiep, zijn levend in 't paleis.

Heracles
Het was Uw vaders tijd, als híj is heengegaan.

Admetus
Ook hij leeft nog en ook mijn moeder, Heracles.

Heracles
Het is toch niet Uw vrouw, Alcestis, die omkwam?

Admetus
't Is een tweesnijdend woord, dat ik van haar kan zeggen.

Heracles
Spreekt gij nu van een doode of van een levende?

Admetus
Zij is en is niet meer, maar ik heb smart om haar.

Heracles
Nu weet ik nog niets meer: gij spreekt in raadselen.

Admetus
Kent gij het lot niet, dat zij op zich nemen moest?

Heracles
Ik weet het: voor U dood te gaan was zij bereid.

Admetus
Hoe leeft ze nog, als zij daarin heeft toegestemd?

Heracles
Ach, ween niet te vroeg om Uw vrouw - stel 't uit tot dan!

Admetus
Dood is wie sterven moet en dood is de gestorv'ne.

Heracles
Gescheiden worden zijn en niet zijn toch geacht!

Admetus
Dat is Uw oordeel, Heracles, dit is het mijne.

Heracles
Wat weent ge dan toch? Wie, die ge beminde, is dood?

Admetus
Een vrouw, het was een vrouw, die ik zooeven noemde.

Heracles
Een vreemdelinge, of iemand, die Uw bloed verwant is?

Admetus
Een vreemdelinge, ov'rigens in 't huis onmisbaar.

Heracles
Hoe heeft zij toch het leven in Uw huis verloren?

Admetus
Zij groeide als wees hier op, nadat haar vader stierf.

Heracles
Wee, 'k Wilde, Admetus, dat 'k U aantrof zonder leed!

Admetus
Wat gaat ge doen, dat gij die laatste woorden zegt?

Heracles
Ik ga den haard van and're gastvrienden opzoeken.

Admetus
Dat kán niet, heer, laat deze schande niet geschieden!

Heracles
Tot last is voor wie leed verdragen moet een gast.

Admetus
Gestorvenen zijn dood; maar ga toch naar 't paleis!

Heracles
Het is een schand'lijk gastmaal bij treurende vrienden.

Admetus
Gescheiden staan de gastverblijven, waar 'k U breng.

Heracles
Laat vrij me; en 'k zal U eind'loos dankbaar zijn!

Admetus
Het kan niet, dat gij een andermans haard opzoekt. (tot slaaf) Ga jij hem voor en open van de gastverblijven de buitenste en zeg aan wie daarmee belast zijn een keur van spijzen te bereiden: en sluit goed de deuren in den hof, want het is ongepast, dat gasten klagen hooren en gehinderd worden.

Koorleider
Wat doet ge? Nu een dergelijke ramp ons treft, Admetus, durft ge gastheer te zijn? Waarom, gij dwaas?

Admetus
Maar als ik hem, die kwam als gast, uit het paleis en uit de stad verdreef, had gij me meer geprezen? Neen, niet; omdat mijn rampspoed daar niet minder door werd, maar integendeel alleen ik minder gastvrij. En bij de ellende was een and're ellende dit, dat mijn paleis vijand der gastvrijheid genoemd werd. Zelf vind ik in hem den voortreffelijksten gastheer, wanneer ik in het dorstig land van Argos kom.

Koorleider
Hoe hield ge hem dan geheim het ongeluk van nu, terwijl hij komt als vriend, zooals ge zelf hem noemt?

Admetus
Nooit zou hij het paleis betreden willen hebben, als hij iets van mijn smarten maar vernomen had. En 'k denk, dat ik, dus doende, een dwaas voor hem zal lijken en lof schenkt hij mij niet - maar mijn huis ként dat niet: gastvrienden weren van de deur en oneer aandoen.

08. Vierde koorlied regel 8; 568-605

Koor - strofe
O Gasten-rijk en altijd open huis van dezen mensch, de Pythische Apollo met de held're lier vond U waard te bewonen en hij nam het op zich, in Uw huis herder der schapen te worden, wijd en zijd de helling langs floot hij voor Uw weidend vee 't bruilofslied der kudde.

antistrofe
Gevlekte lynxen, door het lied bekoord, weidden met hen; daar kwam, zij gaven prijs des Othrus bosrijk dal, 't rood cohort van de leeuwen en dansen ging bij Uw citherspel, Phoebus, de bontgekleurde hinde, tenger overschreed zij der dennen hoogen zoom, blij om 't vroolijk zingen.

strofe
Daarom woont hij ter haardstee, welk' een schat aan schapen heeft bij 't Boibisch meer, 't schoon stroomende - aan zijn akkers en zijn bouwterrein wordt eerst een grens gesteld daar waar de zon in schemering haar paarden halt doet houden: in der Molossen hemelstreek én hij beheerscht den Pelion tot aan de kust, de Aegeïsche zonder havens.

antistrofe
Hij opende zelfs nu zijn huis, zijn gast ontving hij, met tranen in 't oog, omdat hij van zijn lieve vrouw, zoo juist gestorven in 't paleis, den dood beweent: zichzelf kweekt eergevoel wie van een edel ras is, wie goed zijn, zijn al-wijs - wél-aan: een sterk vertrouwen zetelt in mijn hart: dat de man, die Zeus eert, 't goéd zal maken.

09a. Vierde akte, 1e scene, regel 9a; 606-746

Admetus
Gij mannen van Pherae, welwillend hier aanwezig, dienstknechten hieven reeds haar lichaam, ruim voorzien van alles, op en droegen haar naar 't graf en 't altaar. Zegt gij aan de gestorvene, naar goed gebruik, wat gij te zeggen hebt tot wie haar laatste reis maakt.

Koorleider
Daar zie 'k Uw vader, langzaam op zijn oude voeten naad'ren en zijn gevolg, dat voor Uw vrouw de handen vol draagt met sieraden en kostbaars voor de dooden.

Pheres
Ik kom uit medelijden met je rampspoed, zoon, want je verloor, geen die het tegenspreekt, een vrouw, edel en ingetogen. Maar dat al te dragen is noodig. ook wanneer het dragen moeilijk valt. Neem deez' sieraden aan; onder de aarde zullen zij gaan, want 'k moet mijn eer bewijzen aan het lijk van haar, die voor jouw leven in den dood ging, zoon, die mij niet kinderloos maakte en niet toeliet, dat 'k van jou beroofd in rouwende' ouderdom wegteerde; en alle vrouwen gaf zij een roemrijker leven, die doende, door den durf tot deze noob'le daad. (tot de doode) Gij, die hem hebt gered en die ons op deed staan uit onzen val, vaarwel, moge in Hades' huis 't U goed gaan. Ik zeg, dat een huwelijk als dit den menschen baat, of anders is 't niet waard te trouwen.

Admetus
Noch daar 'k U noodde komt gij ter begrafenis, noch reken 'k Uw aanwezigheid tot die mij lief zijn. Die tooi van U zal haar nooit worden aangedaan.Zij wordt begraven zonder dat van U te missen. Tóen moest ge lijden met mij, toen 'k op sterven stond. Gij, die opzij gingt staan, een ander overliet te sterven: jong, een grijsaard gij, gij zult dit lijk bejamm'ren? Niet werkelijk waart gij de vader van dit lichaam, noch baarde me zij, die mijn moeder heet en zegt mij voorgebracht te hebben, - 'k werd van slavenbloed heimelijk aan de borst gelegd van Uwe vrouw. Gij toonde wie ge zijt, toen gij dat gingt bewijzen en 'k acht mezelf niet als een zoon van U geboren. Wel blinkt ge bovenal uit in lafhartigheid, gij, die zoo oud waart en de levensgrens nabij kwaamt en niet den wil had, noch den moed, om dood te gaan ter wille van Uw zoon, maar samen liet ge haar, een vreemde vrouw gaan, haar, die ik alleen en dan terecht mijn moeder en mijn vader achten kon. En toch, schoone triomf, dien gij behaald zoudt hebben, door voor Uw zoon te sterven - en in elk geval, de tijd, die U te leven restte, was toch kort. Voorzeker al 't geluk, dat een mensch kan beleven, beleefde gij: in de kracht van Uw leven heerscher; en in mij had ge een zoon, opvolger in 't paleis, zoodat ge niet, kinderloos doodgegaan, Uw huis verweesd aan anderen ter plundering zoudt laten. Ge zult waarlijk niet zeggen, dat ge mij den dood prijsgaaft, daar ik Uw ouderdom niet achtte, mij, die U diep eerde - en in ruil daarvoor vergold gij en mijn moeder mij een dèrgelijken dank. Daarom, gij kunt niet snel genoeg kind'ren verwekken om voor Uw ouden dag, Uw laatste eer te zorgen, als gij gestorven zijt, en om U op te baren. Want ik zal U met deze, mijn hand niet begraven. Want ik besta niet meer wat U aangaat. Zie 'k ooit een ander, die mij redt, in 't licht, van hem zeg 'k dan zoon en verzorger van zijn ouden dag te zijn. Zinloos blijkt 't wenschen van grijsaards om dood te gaan, zij schelden 't oud zijn en den langen levensduur, maar als de dood nabij gekomen is, wil geen sterven, dan valt de ouderdom hen niet meer zwaar.

Koorleider
Houd op, genoeg is 't dat één ramp onder ons rondwaart. o Zoon, verbitter niet het hart van Uwen vader!

Pheres
Zoon, wat vermeet je je, koopwaar uit Lydië of Phrygië waan je te treffen met jouw schelden? Dat ik Thessaliër, zoon van Thessalisch vader en vrij sinds mijn geboorte ben, dat weet je niet? Je bent ál te vermetel en zoo kom je er niet af, van den kwajongenspraat, dien je ons in het gezicht werpt. Ik maakte je mijn zoon tot heerscher in 't paleis en ik voedde je op - geenszins hoef ik voor jou te sterven. Want 't is geen wet, die 'k van de vaad'ren overkreeg, noch is 't een Grieksche, dat vaders sterven voor zonen. Je bent jezelf tot ongeluk of tot geluk geschapen: wat je van ons krijgen moest, bezit je. Vorst over velen ben je en landen uitgestrekt zal 'k je nalaten, want zoo kreeg 'k die van mijn vader. Wat heb 'k je dan misdaan? Waarvan beroof ik je? Jij sterft voor dezen man niet en ik niet voor jou. Jij bent blij 't licht te zien; je vader, denk je, niet? Waarlijk, lang is naar mijn berekening de tijd, die wij beneden zijn - en 't leven kort, maar zoet. Jij worstelde althans schaamteloos om niet te sterven en leeft, omdat je aan je lot ontkomen bent door háár te dooden: dan noem je gebrek aan moed in mij, ellendeling, jij, zwakker dan een vrouw, die voor jou, mooien, jongen man, den dood inging? Vernuftig is je vondst om nimmer dood te gaan: als je je vrouw van 't oogenblik steeds weer tot sterven voor je bepraten zult - en dan verwijt je aan de jouwen wat zij niet doen willen - zelf te laf? Spreek niet - maar oordeel of, als jij je eigen leven liefhebt, niet allen 't liefhebben: en als je last'ren zult over mij, dan hoor je veel waars van jezelf.

Koorleider
Te veel verwijten nu en eerder zijn gezegd; gij, oude man, staakt het beschimpen van Uw zoon.

Admetus
Spreek op, zooals ikzelf ook sprak; doet waarheid hooren U pijn - 't behoefde niet, als gij mij niets misdeed.

Pheres
Door dood te gaan voor jou zou 'k meer hebben misdaan.

Admetus
Blijft 't dan hetzelfde of sterft: een jong man of een oude?

Pheres
Voor één en niet voor twee levens staan wij in te boek.

Admetus
En van mij moogt ge langer dan Zeus blijven leven!

Pheres
Je ouders verwensch je, die je geen kwaad deden?

Admetus
Ik zag als Uw begeerte immers een lang leven.

Pheres
Maar breng jij dit lijk niet in plaats van jou naar 't graf?

Admetus
Als toonbeeld van hoe gij gebrek aan moed hebt, lafaard!

Pheres
Zij stierf toch heusch door mij niet: dat kan je niet zeggen.

Admetus
O - kome 't eens zoover, dat gij mij noodig hebt!

Pheres
Ding maar naar veler hand, opdat er nog meer sterven.

Admetus
Dat is toch smaad voor U, daar gij niet sterven wilde.

Pheres
Lief zijn de stralen van de godheid Zon mij, lief.

Admetus
Laf is Uw inborst en onwaardig onder mannen.

Pheres
Ge mist de vreugde 't lijk van een oude man te torschen.

Admetus
Uw dood echter is roemloos, als ge zijt gestorven.

Pheres
Het raakt mij niet, als 'k dood ben, kwaad van mij te hooren.

Admetus
Bah - wat zit de ouderdom toch vol van schaamt'loosheid!

Pheres
Zíj was niet schaamteloos: in haar vond ge een dwáás.

Admetus
Ga weg en laat mij deze doode nu begraven.

Pheres
Ik ga reeds, maar gij zult als moord'naar haar begraven, ééns zult ge aan Uw zwagers boete moeten doen, of wel behoort Akastos niet meer tot de mannen, als hij zijn zusters bloed niet op U wreken zal.

Admetus
Ga zelf uw lijdensweg, en zij, die met U huist, gij met een zoon én kinderloos, zooals ge 't waard zijt, zoo slijt ge Uw ouden dag: nooit komt ge met mij in hetzelfde huis: en als 'k Uw vaderlijken haard door herauten afzweren mocht - ik zwoer hem af. (tot dienaren) Maar wij - de ramp van 't oogenblik blijft op ons drukken - laten wij gaan, om 't lijk ter brandstapel te brengen.

Koorleider
Wee, wee! Rampzaal'ge door Uw moed! o Edele en beste, veruit, vaarwel: dat Hermes, de aardsche, U goed ontvange en ook Hades: en zoo ook daar de goeden voorgaan, moge gij als Uw deel een plaats hebben naar Hades' bruid!

09b. Vierde akte, 2e scene, regel 9b; 747-860

Dienaar
Veel gasten ken ik reeds en uit veelsoort'ge landen, die kwamen naar Admetus' paleis heengereisd, aan wie 'k den maaltijd bood, maar minderwaardiger dan deze, dien ik aan den haard ontving, was geen. Die eerst, hoewel hij zag, dat rouw mjn meester drukte, de poort inging en zich verstoutte door te loopen. En toen nam hij niet met bescheidenheid het maal, voor hem als gast bereid, ons ongeluk kennende, maar als wij iets niet brachten, spoorde hij áán tot brengen. En met den klimophouten beker in zijn hand dronk hij het onvermengde sap der donk're vrucht, totdat de vlam, die van den wijn, hem rondom aanstak: hij legde zich om 't hoofd kransen en myrtetakken en tierde joelend: een tweevoudig lied was hoorbaar: want híj zong, zonder acht te slaan op 't leed in 't huis Admetus', en wij slaven klaagden ons verdriet om onze meesteres: wij lieten niet den gast de tranen in ons oog zien, naar Admetus' opdracht. En nu, terwijl ik bezig ben in het paleis een gast onthalen, 'n sluwen dief, een roover, wat ook, ging zij uit het paleis en 'k ging niet in den stoet, mijn meesteres, die mij en alle slaven was tot moeder: want voor talloos kwaad beschermde ze ons, de driften van haar man verzachtend. Haat ik nu soms niet terecht dien man, bezoekenis in 't leed?

Heracles
Hé jij, wat sta je daar plechtig en zwart te kijken? Het past niet, dat een dienaar knorrig voor zijn gasten is, maar dat hij hen welgemoed, vriend'lijk ontvangt. Jij echter ziet een man, een vriend des huizes hier en met een norsch gezicht en sombere wenkbrauwen ontvang je hem, druk bezig met verdriet van and'ren. Kom dichterbij, opdat jij ook wat wijzer wordt. Je kent den aard niet van de sterfelijken dingen? Ik denk van niet: hoe zou je? Maar luister naar mij! Tot doodgaan zijn verschuldigd alle stervelingen en er bestaat geen mensch, die zeker weet of hij den dag van morgen nog in leven door zal brengen. Want duister is de weg, waarop het lot ons voorgaat, ondenkbaar en hij wordt veroverd door geen middel. Nu je dit hoorde en dit van mij hebt geleerd, wees vroolijk, drink, bedenk: den dag van heden is van jou, de andere zijn eigendom van 't lot. En eert haar, die van alle goden 't hoogst genot den menschen schenkt: Venus, godin en vol genade. En laat de rest met rust en volg mijn woorden op, als 't je tenminste lijkt, dat ik juist heb gesproken. Ik denk van wel. En zet je de al te groote smart nu niet van je af en drinkt, de zorgen overboord, met mij, bedekt met kransen? En 'k weet zeker, dat van 't anker, dat nu knorrigheid en norschheid heet, de golfslag van den beker je in eén ruk zal losslaan. Van ons, die aardsche wezens zijn, moet de aandacht aardsch zijn, immers voor de plechtstatigen en wenkbrauwfronsers, voor allen van hen is, tenminste naar mijn oordeel, 't leven in werk'lijkheid geen leven, maar een ramp.

Dienaar
Dat weten wij wel, maar wat wij nu ondervinden past niet bij feestelijkheid en niet bij gelach.

Heracles
Het is een vréémde vrouw, die stierf, rouw niet te zeer: de meesters van het huis zijn immers nog in leven?

Dienaar
Wat, leven? Kent ge niet de ramp in het paleis?

Heracles
Als wie je meester is mij niets heeft voorgelogen!

Dienaar
De meester is te zeer, wel al te zeer gastvrij.

Heracles
Mocht ik mij niet te goed doen om een vréémde doode?

Dienaar
Wel was zij inderdaad zeer vréémd aan dit gezin!

Heracles
Een ramp van nu en hier verzweeg hij toch niet voor me?

Dienaar
Ga gij in vreugde: ons raakt de ramp van onze meesters.

Heracles
Woorden als die zijn geen begin van leed, dat vér is.

Dienaar
't Zou dan geen ergenis zijn, om U te zien feesten.

Heracles
Maar heeft mijn gastheer dan me iets vrees'lijks aangedaan?

Dienaar
Voor een ontvangst in 't huis kwam Uw komst ongelegen. Want rouw is onder ons: ge ziet toch ook de dracht van zwarte kleeren en kort haar.

Heracles
Wie is er dood? 't Is toch geen kind, dat heenging, of zijn oude vader?

Dienaar
Het is Admetus' vrouw, die doodgegaan is, vreemd'ling.

Heracles
Wat zeg je? En waarachtig, dan ontháál je me?

Dienaar
Hij schroomde U van den drempel van 't paleis te stooten.

Heracles
Rampzaal'ge, welk een trouwe vrouw hebt gij verloren!

Dienaar
Het is ons áller ondergang, niet slechts van haar.

Heracles
Maar 'k merkte 't ook, ik zag zijn oogen vochtig, 't kort haar en zijn gezicht, maar hij bepraatte mij en zei, een vreemdelinge naar haar graf te dragen. In weerwil van mijzelf ging 'k binnen door de poort en dronk in 't paleis van dezen gastvrijen man, die zóó er aan toe is. En dan vier 'k feest, het hoofd met kransen overdekt? Maar 't zwijgen van jou ook, terwijl een ramp als deze het paleis vervult. Waar brengt hij haar in 't graf? Waar moet 'k heen, hem te vinden?

Dienaar
Volgend den rechten weg, die naar Larissa voert, zult ge uit de voorstad op een gladden grafsteen neerzien.

Heracles
Mijn hart, dat veel doorstaan heeft en o hand van mij, toon nu welk een zoon de Tiryntische Alcmene als stammend van Alectryon baarde aan Zeus. Want 'k moet de vrouw, zij, die zoo juist gestorven is, redden en hier voorgoed t'rugbrengen in 't paleis, Alcestis, en Admetus dankbaar dienstig zijn. Ik ga en zal den Dood, den donk'ren vorst der dooden, opwachten en ik denk hem daar te zullen vinden: dicht bij het graf, drinkende van de offerande. En als ik, uit een hinderlaag toeschietend, hem te pakken heb, mijn armen als een ring óm hem, dan is er niemand, die hem mij ontrukken zal, al zwoegt zijn flank, vóórdat hij de vrouw aan mij afstaat. En als ik die vangst mis en hij niet komen zal voor 't bloedig offer, dan ga ik naar 't zonloos huis van wie beneden zijn, van Korè en den Heerscher, en 'k eisch haar op: ik zal haar zeker omhoog brengen - Alcestis, om mijn vriend haar in d' armen te leggen, hij, die mij in zijn huis ontving en niet afwees, hoewel hij was getroffen door een zware ramp; als edel man hield hij het stil, uit schroom voor mij. Wie der Thessaliërs is gastvrijer dan deze, wie, die in Hellas woont? Niet zal hij kunnen zeggen een laag mensch goed gedaan te hebben, zelf zoo edel.

09c. Vierde akte, 3e scene, regel 9c; 861-961

Admetus
Wee, wee! o Vrees'lijke komst, o vrees´lijk gezicht van 't leege paleis! Wee mij, wee mij! Waar ga 'k? Waar sta 'k? Wat zeg 'k? Wat niet? Mocht nu komen de dood! Voor een zwaar-drukkend lot bracht mijn moeder mij voort. De dooden benijd ik, 'k verlang daarheen, ik begéér 't te wonen, daar in dat huis, want het zien van de zon is geen vreugde voor mij en ook niet de reis van mijn voeten door ´t land: van zoo'n gezellin beroofde de Dood mij en gaf haar aan Hades over.

Koor
Schrijd voort, schrijd voort: ga naar binnen in 't paleis.

Admetus
Ai mij!

Koor
Wat gij hebt geleden is 't weeklagen waard.

Admetus
Leed, leed!

Koor
Door smart ging ge heen, ik weet het goed.

Admetus
Helaas, helaas!

Koor
Doch haar in den grond helpt ge niets.

Admetus
Wee mij, wee!

Koor
Het is smart'lijk, nooit weer het gezicht van de vrouw, die ge mint, recht vóór U te zien.

Admetus
Ge roept in me op wat mijn hart heeft gewond: want wat is een man tot grooter verdriet dan 't gemis van een trouwe vrouw? Had ik nooit maar haar gehuwd of met haar hier gewoond! Ik benijd een mensch, ongetrouwd, kinderloos: één leven is 't zijne en de pijn daarvan is een matige last, maar om kinderen ziek en een bruidsbed stuk gemaakt door den dood en geplunderd te zien is ondragelijk - waar toch kinderloos, ongetrouwd men kan blijven leven!

Koor
't Noodlot, 't noodlot, onaantastbaar, is daar.

Admetus
Ai mij!

Koor
Ge vindt nergens een einde voor Uw smart.

Admetus
Leed, leed!

Koor
Om te dragen is 't zwaar en toch -

Admetus
Helaas, helaas!

Koor
Houd het uit: niet als éérste verloor -

Admetus
Wee mij, wee!

Koor
- gij een vrouw, op zijn tijd komt een ramp iedereen kwellen, die sterfelijk is.

Admetus
o Lange rouw en smart om beminden onder de grond! Waaróm belette ge, dat ik mij wierp in de holle groeve van 't graf om met haar, die de edelste was, te liggen, dood? Twee zielen, niet één, kreeg dan Hades in bezit, de trouwsten, bijeen, nadat zij tezamen het ondergrondsch meer overstaken.

Koor - strofe
Er was een man in mijn geslacht, aan wien een zoon, waard het beklag, ontviel in huis, zijn eenige, en toch droeg hij dien slag beheerscht, hoewel hij kinderloos werd, grijs was reeds zijn haar en ver was reeds zijn levensreis.

Admetus
o Gezicht van mijn huis, hoe nader ik het? Hoe zal ik er wonen, nu mijn lot omsloeg? Wee mij! Want groot is 't verschil: ééns schreed ik er binnen bij fakkels van den Pelium en huw'lijksgezang, ik voerde de hand van mijn lieve vrouw, de stoet, luidruchtig, volgde ons, prees gelukkig mij en mijn vrouw, nu dood, hoe wij van beide kanten een paar waren, edel van afkomst, van 't beste bloed. Nu - rouwklacht, de vijand van 't huwelijksgezang, geen witte kleeren, maar zwarte dracht stuwen mij op naar mijn rustplaats, ons bed - verlaten.

Koor - antistrofe
In Uw geluk trof van den dood het leed U zwaar, niet kennend nood, maar toch, gered hebt gij leven en ziel, Uw vrouw is heen, haar liefde is hier: wat nieuws is dat? De dood ontrukte reeds zoo vaak een man zijn echtgenoot.

Admetus
Vrienden, 't lot van mijn vrouw acht ik gelukkiger dan dat van mij, hoewel de schijn een and're is: want op haar zal geen enkel leed meer vat hebben, van veel ellende kwam zij tot roemrijke rust. Maar ik, ik moest niet leven, 'k liet mijn lot voorbijgaan, 'k zal leiden een bestaan van smart, ik zie 't eerst nu: want hoe zal ik 't betreden van 't paleis verdragen? Sprekend tot wie en door wie 't welkom toegeroepen, kan 'k er een goede thuiskomst vinden? Waar mij wenden? Want de verlatenheid daarbinnen jaagt mij weg, als ik zie, hoe het bed dat van mijn vrouw was, leeg is, de stoel, waarop zij zat, leeg; overal in huis de vloer een woestenij, de kind'ren om mijn knieën gevallen, huilend om moeder: en gindschen klagen om welke een meesteres zij uit 't paleis verloren. Zoover wat binnenshuis is. Maar daarbuiten drijven bruiloften van Thessaliërs mij voort en 't drukke bijeengroepen der vrouwen, want ondraag'lijk zal 't me zijn meisjes te zien, mijn vrouw gelijk in leeftijd. En wie mijn vijand is, zal terecht van mij zeggen: "Zie hem in schande leven, die den dood niet aandorst, maar die met wie hij trouwde in ruil gaf en uit lafheid Hades ontvlucht is! Denkt hij soms een man te zijn? Hij haat zijn ouders, maar zelf wilde hij niet sterven". En zulke faam zal ik, bij al mijn leed, bezitten. Wat, vrienden, baat het mij dan om nog voort te leven, kwalijk van naam en door een kwalijk lot getroffen?

10. Vijfde koorlied, regel 10; 962-1005

Koor - strofe
Ik ging de dichtkunst door en kwam in hoog're sfeer, 'k nam deel aan zeer veel denken, maar sterker dan Anangkè vond 'k niets, voor haar geen heul op Thracië's tafels, waar de Orphische gezangen gegrift staan, noch in alles wat Phoebus dokters schonk, aan heulskruid afsneed voor het kommervolle menschdom.

antistrofe
Van die godheid alleen staan altaren noch beeld open, zij hoort geen offers. Almacht'ge, gij bezoeke mij niet zwaarder dan ooit. Want al wat Zeus gelast, met U volvóert hij al dat en het Chalybisch ijzer beheerscht gij met geweld, Uw ongenaakb´'re wil ontziet niets - niets en niemand.

strofe tot Admetus
Ook U greep de godin en boeide U met haar onontkoomb're handen, maar draag het, want gij zult door weenen nooit van ginds omhoog brengen wie dood zijn. Ook godenzonen sterven, hun licht dooft in den dood. Bemind, toen ze onder ons was, zal ze ook dood bemind zijn. De edelste van allen bond ge aan Uw bed als vrouw.

antistrofe
Laat niet worden beschouwd als aardhoop voor gestorven stervelingen 't graf van Uw vrouw, gode gelijk zij de eer voor haar, heiligdom den passanten. En menigeen, het zijpad inslaande, zegt er dit: "Zij stierf eens voor haar man, nu is ze een zaal'ge godheid: vaarwel, mild zij Uw macht ons". Zoo spreekt de roem tot haar.

11. Vijfde akte, regel 11; 1006-1163

Koorleider
Maar daar komt, naar mij toeschijnt, de zoon van Alcmene, Admetus, naar Uw huis en haardvuur toegeschreden.

Heracles
Tot een bevriend man moet men frank en vrij-uit spreken, Admetus, wat men aan te merken heeft niet stil in 't hart bewaren: ik wenschte mij als een vriend beschouwd, door aan Uw zijde U bij te staan in 't leed. Gij echter zei niets, dat het lijk van Uwe vrouw lag opgebaard, maar gij ontvingt me in 't paleis, alsof ge 't druk had door leed, waar ge buiten stond. En ik bekranste 't hoofd en plengde aan de goden hier in dit huis van U, dat ongelukkig was. En 'k keur het af, ik keur het af, wat gij me aandeed, al wil ik in Uw leed U bovendien geen pijn doen. Waarom 'k terugkeerde op mijn schreden en wéér hier kwam? Luister: neem deze vrouw voor mij onder Uw hoede, totdat ik met de Thracische paarden terug ben nadat 'k den heerscher der Bistonen heb gedood. Gebeurt mij 't niet gewilde - want graag keerde ik weer - dan schenk ik deze aan U voor diensten in 't paleis. Met groote moeite raakte zij mij in de handen, want 'k kwam toevallig waar een wedstrijd, voor eenieder open, plaatsvond, voor den athleet de moeite waard. Vandaar breng ik haar mee, als prijs der overwinning verkreeg ik haar: want wie de lichte nummers wonnen behaalden paarden, maar wie wonnen in wat grooter is, in het boksen en het worst'len: runderkudden. En dáárop volgde een vrouw en nu 'k toch zoo trof, was 't schand'lijk zoo'n beroemde prijs te laten varen. Maar zooals 'k zei, gij moet zorgdragen voor de vrouw, - want ze is geen buit van diefstal, maar moeizaam verworven, met wie ik kom - wellicht zult ge eens mij daarom prijzen.

Admetus
Niet daar 'k U te min achtte of voor mijn vijand hield, verborg ik het rampzalig lot van mijne vrouw. Maar leed op leed zou het voor mij dan zijn geweest, als ge gegaan waart naar 't huis van een and're gastvriend: mijn eigen leed beweenen was voor mij genoeg. Maar deze vrouw, als 't moog'lijk is, ik bid U, heer, vraag aan een ander der Thessaliërs, die niet leed zooals ik, te zorgen voor haar, velen der Pheraeërs zijn Uw gastvriend, haal mijn smart niet op. Want 'k zou, als ik haar zie in het paleis, niet zonder tranen kunnen blijven: doe mij, ziek, niet nog een ziekte aan, want genoeg drukt 't ongeluk op mij. En waar zou in 't paleis een jonge vrouw verblijven? Want jong is zij, naar blijkt uit kleed en sieraden. Zal zij soms in 't verblijf der mannen zich neerzetten? Hoe blijft zij ongerept dan, onder jonge menschen verkeerend? Heracles, het valt niet licht de jeugd te wéren: 't is voor U, dat 'k vooruit zorgen heb. Of onderhoud 'k haar - laat haar in der doode kamer? Hoe kan ik deze dan toelaten op háár bed? Een dubbel verwijt vrees ik van mijn landgenooten, dat men beweert, dat ik mijn weldoenster verraad en dat 'k me in 't bed werp van een and're jonge vrouw; en ´k moet de doode - zij is mijn ontzag waardig - waar mogelijk ontzien. Gij, vrouw, wie ge ook zijt, weet, dat ge én de lengte van Alcestis hebt en dat gij ook in Uw gestalte haar nabijkomt. Wee mij! Breng, bij de goden, uit mijn oog die vrouw, opdat ge mij, vernietigd, niet verder vernietigt! Want als 'k haar zie, denk ik mijn eigen vrouw te zien. Den grond van mijn hart raakt zij, van mijn oogen zijn de bronnen losgesprongen - ik, rampzalige, hoe proef ik nu eerst, dat wel bítter is dit leed!

Koorleider
Ik zou geen goeds te zeggen weten van het lot - gij, zijnde wie ge zijt, moet wat de god geeft dragen.

Heracles
Als ik maar deze macht had, dat ik Uwe vrouw naar 't licht kon brengen uit haar ondergrondse verblijf en ik U langs dien weg een dienst bewijzen kon!

Admetus
'k Weet goed, dat gij dit wilt. Maar hoe zou 't moeten gaan? Het kán niet, dat de dooden naar het licht weerkeeren.

Heracles
Ga nu niet al te ver - draag 't op gepaste wijze!

Admetus
Aansporen is gemakk'lijker dan leed verduren.

Heracles
Wat wint ge erbij, ook al wilt ge altijd blijven zuchten?

Admetus
Ik wéét het zelf, maar 't is een hartstocht die mij leidt.

Heracles
Zeker, dat men een doode liefhad léidt tot tranen.

Admetus
Vernietigd heeft zij mij, en meer nog dan ik zeg.

Heracles
Een eed'le vrouw verloor ge: wie zal 't tegenspreken?

Admetus
Zoodat ik nimmermeer van 't leven kan genieten.

Heracles
De tijd zal temperen; nu is Uw leed nog jong.

Admetus
Tijd mag het heeten, als 't de tijd van mijn dood is.

Heracles
Een vrouw brengt rust U en een nieuw, hartstocht'lijk huw'lijk.

Admetus
Zwijg, gij - wat zegt ge daar? 'k Zou toch niet denken, dat -

Heracles
Wat nog? Ge trouwt dus niet? Maar houdt Uw bed verlaten?

Admetus
Geen vrouw bestaat er, die bij dezen liggen zal.

Heracles
Ge meent toch niet de doode hoe dan ook te baten?

Admetus
Haar, waar zij ook verblijft, heb ik in eer te houden.

Heracles
Ik prijs 't, ik prijs 't, maar gij maakt U aan dwaasheid schuldig.

Admetus
Weet wel, dat gij mij nooit weer bruidegom zult noemen.

Heracles
Ik prijs 't, dat ge in de liefde voor Uw vrouw trouw blijft.

Admetus
Sterven mag ik, zoo 'k haar, al is zij dood, verraad!

Heracles
Ontvang haar nu dan in Uw edelmoedig huis.

Admetus
Neen! smeek ik U, zoowaar als Zeus Uw vader is!

Heracles
Voorzeker zult ge iets missen, als gij dit niet doet.

Admetus
En doe ik het, dan wordt mij 't hart door pijn verscheurd.

Heracles
Geef toe - 't kón, dat mijn dienst snel uitviel in Uw voordeel!

Admetus
O - Dat gij haar in dien wedstrijd maar nooit had behaald!

Heracles
Maar met mijn overwinning mede wint ook gij!

Admetus
Gij zegt het goed bedoeld; toch moet de vrouw wéggaan.

Heracles
Zij zal weggaan als't moet, maar zié eerst of het moet.

Admetus
Het moet, tenzij ge op mij in toorn zult uitvaren.

Heracles
't Is omdat ík iets weet, dat 'k dit verlangen heb.

Admetus
Win dan, maar wat gij me aandoet is geenszins weldadig.

Heracles
Maar ééns is er een tijd, dat ge mij prijst: vertrouw slechts.

Admetus (tot dienaren)
Brengt haar weg, als 'k haar dan in 't paleis moet opnemen.

Heracles
Ik zou haar liever niet aan slaven overlaten.

Admetus
Leid haar dan, als ge wilt, zelf binnen 't paleis.

Heracles
Integendeel, ik zal haar U in handen stellen.

Admetus
'k Wil haar niet aanraken, - 't paleis kan zij ingaan.

Heracles
Slechts in de rechterhand van U stel ik vertrouwen.

Admetus
Heer, gij dwingt met geweld mij te doen wat 'k niet wil.

Heracles
Wees sterk, steek uit Uw hand en raak de vreemdelinge.

Admetus
Hier geef 'k mijn hand, alsof 'k de Gorgo 't hoofd afhouw.

Heracles
Gij hebt haar?

Admetus
Ja.

Heracles
Behoed haar dan en gij zult ééns verkond'gen, dat Zeus' zoon een edel gastvriend is. Vestig Uw blik op haar, of ze op Uw vrouw iets schijnt te lijken: maak U los van 't leed en wees gelukkkig.

Admetus
Goden, waar vind ik woorden? Onverhoopt, dit wonder: - Zie ik mijn eigen vrouw, zie ik haar wezenlijk, of brengt 't snijdend plezier van een god me in verwarring?

Heracles
Zoo is het niet; die gij hier ziet, zij is Uw vrouw.

Admetus
Zie toe, of 't geen verschijning van de schimmen is.

Heracles
Ge maakte in mij geen schimmenleider tot Uw gastvriend!

Admetus
Maar zie ik dan wie ik begroef: mijn eigen vrouw?

Heracles
Wees overtuigd! Dat gij 't geluk wantrouwt, geen wonder.

Admetus
'k Kan nu aanraken, spreken, haar, levend, mijn vrouw?

Heracles
Spreek tot haar, want alles, wat ge wilde, bezit ge.

Admetus
o Liefste oogen en gestalte van mijn vrouw, ik heb U onverhoopt, nooit dacht 'k U weer te zien.

Heracles
Gij hebt haar; moge er geen afgunst der goden komen.

Admetus
o Gij, edele zoon van den allergrootsten, Zeus, moogt ge gelukkig zijn en dat hij U behoede, wiens kind ge zijt, want gíj herstelde ons gezin. Hoe bracht ge van beneden haar weer in dit licht?

Heracles
Doordat 'k den strijd aanbond met den vorst van de geesten.

Admetus
Waar, zegt ge, bond ge dat gevecht aan met den Dood?

Heracles
Juist naast het graf viel hij mijn hinderlaag in handen.

Admetus
Waarom toch is 't, dat deze vrouw hier spraak'loos staat?

Heracles
't Is U nog niet geoorloofd wat zij zegt te hooren, aleer zij voor de goden, die beneden heerschen, zich heeft gelouterd en de derde dag daar is. Maar breng haar naar binnen en, rechtvaardig als ge zijt, blijf steeds, Admetus, dankbaar jegens Uw gastvrienden. En nu, vaarwel: ik ga den last, mij opgelegd door Sthenelos' zoon, die mijn heerscher is, volvoeren.

Admetus
Blijf bij ons en wees één van ons aan onzen haard.

Heracles
Later zal dat zoo zijn, maar nu moet ik mij haasten.

Admetus
Wees dan gelukkig en volbreng den weg terug! Den burgers en mijn gansch viervoudig rijk beveel ik reisdansen aan te gaan bij dit heerlijke gebeuren, d' altaren te doen dampen van offers en bidden, want 'k ben nu voor een ander, beter bestaan bestemd dan vroeger: mijn geluk is niet te loochenen!

Koorleider
Vele zijn de vormen van 't goddelijk bestel, veel wordt onverhoopt door de goden voltooid en wat men verwachtte voltrok zich nooit, maar god vond een weg: voor 't niét te verwachte wél - en zo liep deze geschiedenis af.

© 2017 Maarten Hendriksz