Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Euripides - Andromache

Bron: www.koxkollum.nl

in Nederlandse rhythmische verzen overgebracht door Dr. P. Brommer, rector van het Gymnasium te Velsen. Leiden, E.J. Bril, 1951

Betoog

Andromache was de vrouw van de Trojaanse prins Hector, de militaire leider van Troje. Toen Hector door de Griek Achilles was gedood en Troje gevallen, werd hun zoontje Astyanax van de muur te pletter gegooid. Andromache zelf werd door de Grieken bij de verdeling van de buit als slavin toegewezen aan Neoptolemus, de zoon van de inmiddels zelf gesneuvelde Achilles. Hij nam haar mee neer Phthia bij Thessalië waar zij een zoon kregen. Om politieke redenen trouwde Neoptolemus met Hermione, de dochter van de Spartaanse koning Menelaüs en Helena, om wie de Trojaanse oorlog was ontbrand. Hermione, die oorspronkelijk door haar vader aan Agamemnon’s zoon Orestes was toegezegd, bleef kinderloos.

Aan het begin van het stuk is Neoptolemus op reis naar het orakel van Delphi. Van zijn afwezigheid maakt de jaloerse Hermione gebruik om met de steun van haar vader te proberen om Andromache en haar zoontje uit de weg te ruimen. Andromache heeft alleen van Neoptolemus’ grootvader, de oude Peleus, die met de zeenimf Thetis was getrouwd en bij haar Achilles had verwekt, hulp te verwachten, omdat zij hem van nageslacht heeft verzekerd. Zij heeft haar toevlucht genomen in het heiligdom van Thetis. De zeenimf zelf is weer op de bodem van de zee.

Personages

Andromache, weduwe van Hector, slavin van Neoptolemus
Vrouwelijke bediende, van Andromache
Koor, van vrouwen uit Phthia
Hermione, dochter van Menelaüs en Helena; vrouw van Neoptolemus
Menelaüs, koning van Sparta, broer van Agamemnon
Kind, van Andromache en Neoptolemus
Peleus, oude vorst van Phthia, grootvader van Neoptolemus
Min, van Hermione
Orestes, zoon van Agamemnon
Bode
Thetis, zeenimf, eens met Peleus getrouwd

01. Proloog regel 1 t/m 116

Andromache
O Thebestad, gij smuk van ´t Aziatisch land vanwaar ik, van den gouden pronk der bruidsschat eens verzeld, naar Priamos´ verheven haardsteê kwam, als wet´ge gâ geschonken aan mijn Hector, ik, Andromache, benijd door ied´re vrouw voorheen. En thans is wel geen andre vrouw rampzaliger dan ik, en geen zal nog geboren worden, ach, ik die mijn gade Hector door Achilles´ hand zag vallen, en het kind dat ik hem schonk van ´t steile bolwerk af zag werpen, Astyanax, toen Hellas´ krijgers Troje´s vlakte namen en ik zelf, gesproten uit een huis dat vrij den nek eens hief, naar Hellas als slavin werd meegevoerd, nadat men mij als uitgelezen eregaad´ uit Troje´s buit een eilander Neoptolemos schonk. Vandaar dat ik de graaz´ge beemden hier bewoon in Phthia, rond Pharsalos´ stad, waar Thetis, ver van mensen, hun omgang mijdend, zij gebiederes der zee, met Peleus woonde. Het Thessalisch volk noemt dit de Thetisstad om d´ echt met de godin. Bestierder van dit huis werd fier´ Achilles´ zoon, doch Peleus laat hij heerser in ´t Pharsalisch land, en neemt den scepter niet, zolang de grijsaard leeft. Ik schonk dit vorstenhuis een manlijk nageslacht, in d´ echt verbonden met Achilles´ telg, mijn heer. En alhoewel ´k altoos in rampspoed leef, dreef toch de hoop mij immer dat, indien dit kind behouden bleef, ik steun en toeverlaat zou vinden voor d´ ellend´. Maar nu mijn meester huwt met die Laconische, Hermione, en ´t bed der slavernij verstoot, word ik door haar met ´t uiterste van leed getart. Zij zegt toch dat ik haar door enig heimlijk kruid tot kinderloosheid doem, en haat wek bij haar gâ, en dat ik zelf hier tronen wil inplaats van haar, na haar te hebben uitgedrongen met geweld. Ik heb mijn huw´lijk niet aanvaard uit vrijen wil. Dat eerst! En nu is het voor mij voorbij. Ja, Zeus d´ almacht´ge weet dat ik tot d´ echt gedwongen werd. Maar ´k overtuig haar niet, zij wil beslist mijn dood en Menelaos wil dien met zijn dochter mee. Nu is hij in ´t paleis, want juist dáarvoor kwam hij uit Sparta hier, en voor het ergst beducht, ben ik gevloden naar dit heiligdom van Thetis, naast ´t paleis en zit als smekeling´, of zij mij redden mocht. Want Peleus zelf en al wat uit hem sproot, vereert dit bouwsel, zinnebeeld van ´t huwelijk dier godin. Mijn zoontje, ´t enig´ wat ik heb, heb ´k heimelijk naar ander oord gezonden, uit angst dat ook hij sterv´. Zijn eigen vader, die zijn zoon beschermen moest, is niet in ´t land, geen steun kan hij ons biên, daar hij naar Delphi is gegaan om daar voor Loxias te boeten voor zijn waanzin, hij die Phoibos vroeg, toen hij eertijds in Pytho kwam, dat deez´ de boet´ voor zijnen vader zou betalen: wellicht dat de god het kwaad vergaf en hem zijn gunst dan schonk.

Dienares
Gebiedster, ik toch schuw het niet U met dien naam te noemen, daar gij ook in Uw paleis dien droegt, toen nog in Trojes vlakte onze woning was. Aan U en aan Uw gade was ik welgezind bij zijn leven: zo breng ik ook thans U nieuw bericht, beangst wel of soms een der meesters ´t merken mocht, maar toch uit deernis met U; Menelaos toch beraamt iets, met zijn dochter, waarvoor g´ U hoeden moet.

Andromache
Mijn lieve mededienstmaagd - dienstmaagd is toch ook zij die voorheen vorstin was, thans in ´t ongeluk - wat voert men uit? Wat lagen smeden zij nu weer uit zucht om mij te doden, deerniswaard´ge vrouw?

Dienares
Zij zijn van plan uw kind, o diep rampzalige te doden, dat g´ in veiligheid naar elders bracht.

Andromache
Wee mij: heeft zij vernomen, waar mijn kind verwijlt? Uit welke bron? Rampzalige, het is gedaan!

Dienares
Ik weet het niet. Van hén werd ik slechts dit gewaar, dat Menelaos, om hem te halen, ´t huis verliet.

Andromache
´t Is dus met mij gedaan. Mijn kind, zij zullen jou, die beide gieren, doden in hun klauwen. En hij die je vader heet, houdt zich in Delphi ver.

Dienares
´k Vertrouw dat gij niet zo rampzalig wezen zoudt, als hij aanwezig was. Nu mist gij elken vriend.

Andromache
Kwam ook geen enkle tijding omtrent Peleus´ komst?

Dienares
Hij is te oud om U te helpen, al was hij hier.

Andromache
En toch zond ik om hulp tot hem, zelfs meer dan eens.

Dienares
Doch wie der boden, denkt gij, dat om U wat geeft?

Andromache
Waarom niet? Gij wilt wellicht bode voor mij zijn?

Dienares
Wat reden zeg ik dat ik zo lang uit huis vertoef?

Andromache
Gij vindt wel menig´ uitvlucht. Zijt ge niet een vrouw?

Dienares
Er is gevaar. Hermione houdt scherp de wacht.

Andromache
Ge ziet het, gij verzaakt uw vrienden in d´ ellend´.

Dienares
Volstrekt niet. Doe aan mij toch niet zo hard verwijt. Ik ga reeds. Immers, ook al overkomt mij iets, het leven van zulk een slavin heeft geen belang.

Andromache
Zo ga dan. - Ik zal al mijn tranen en mijn wee, de klaagzang, die mijn daaglijks deel is, aan de lucht ten toon gaan spreiden. Want het is een lafenis voor vrouwen voor d´ ellende die haar nauw benart die op de lippen steeds te hebben, onverpoosd. En ´t is niet één ding dat mij stof tot klagen geeft, maar veel: de val der vaderstad en Hectors dood, mijn eigen harde lot, dat mij werd opgelegd, toen ruw voor mij de dag der slavernij verrees. Men moet geen sterveling gelukkig noemen ooit, vóór hij zijn laatste dag voleindigd heeft en vóór men weet in welken staat hij afdaald´ in den dood.

Zang
Voor het steil´ Ilion brachr eêr een vloek dan een huwelijk Paris, toen hij naar het bruidsvertrek / Helena voerde ten echt. Want om der wille van haar nam, o Troje, met talloze schepen Hellas onstuimige heir / u met de lans en het vuur, en sleurde rondom de stad mijn rampzaligen echtgenoot Hector achter de wagenbak / Thetis´, der zeegodin, zoon. Zelf werd ik uit mijn vertrekken gevoerd naar het ruisende zeestrand om dra te torsen het juk, / ´t schuwbare, van slavernij. Stromen van tranen begoten mijn wangen en daalden in ´t stof neer dàn, toen ik stad en paleis / achterliet èn echtgenoot. Wee toch mij, driewerf rampzaalge, waarom moest ik ´t zonlicht aanschouwen, dienstbaar Hermione zijn? / Om al haar grievend geterg vlood ik naar ´t beeld der godin en omvang het met smekende handen, wijl ik in tranen versmelt / als een rijkwellende bron.

02. Eerste Koorlied regel 2; 117-146

Koor - strofe
Vrouw die zo lang hier gezeten zijt op Thetis´ heiligen bodem zonder af te laten, dochter van Phthia kom ik toch tot u, uit ver Azië gesproten, of ik soms bij machte waar´ een kruid te plukken voor d´ onlosbre moeit´ welke Hermione tot dezen vinnigen strijd met u aandreef, u die zo rampzalig in een dubbelen echt zijt verwikkeld om Achilles´ fieren zoon.

antistrofe
Ken toch uw lot, overweeg wel het huidige leed door u belopen. Tegen meesters strijdt gij, gij, maagd uit Ilion, tegen die sproten uit ´t hoog Lacedaemon. O, verlaat deez´ woning van offerand der zeegodin. Wat nut ´t u zo in schichtigen angst deerniswekkend in wee te versmelten door den dwang der heren? Z´ overmogen u groot´lijks. Waarvoor zwoegt gij in uw onmacht?

strofe
Kom toch, verlaat deze pralende hal der godin Nereide, weet toch dat g´ in ´t vreemd eland slaaf zijt in andermans stad, waar nergens gij in het vriendelijk gezicht der uwen blikt, rampzalige betreurenswaard´ge vrouwe.

antistrofe
Als deerniswaardigste kwaamt gij, o Ilische vrouw, naar deez´ oorden. Uit vrees voor onze meesters zwijgen w´ in gehoorzaamheid, maar toch ben ik innig met uw leed begaan: laat niet de dochter van Zeus´ kind m´ op gunstbetoon betrappen.

03. Eerste akte regel 3; 147-273

Hermione
De tooi van gouden weelde die ik op het hoofd draag en de dos van ´t rijk bestikt gewaad om ´t lijf heb ik niet meegebracht uit Peleus´ huis of van Achilles als de keur van wat hun rijkdom biedt, maar uit het ver Laconisch Sparta bracht ik ´t meemet nog veel bruidsgeschenken, die mijn vader mij met gulheid schonk; vandaar dat ik hier vrijuit spreek. U allen geef ik dus dit wederwoord. Gij eerst, slavin zijt gij, een met de lans verworven vrouw; en gij wilt hier het huis vermeesteren en mij, mij hier verdringen? Door uw toverij ben ik reeds uit de gunst en is mijn schoot onvruchtbaar. Want de vrouwen uit het Aziatisch land zijn knap in zulk bedrijf. Maar uit is ´t met uw heksenkunst: het huis van Nereus´ dochter baat u niemendal, geen altaar en geen tempel: sterven zult gij toch. En als soms sterveling of god u redden wil, moet gij, verzakend uw tot nu zo fiere trots, u needrig buigen, en mij vallen voor den voet, mijn huis met bezem keren en, uit gouden kan met slavenhand rondsprenklend Acheloös´ vocht, verstaan, waar g´ u bevindt. Want Hector is niet hier noch Priamos, om goud vermaard, maar Griekse stad. Tot zulk een graad van domheid komt g´, ellendige, dat gij den zoon des vaders die uw ga versloeg in d´ armen koestert en bij dezen kindren baart. Maar van een derglijk slag is heel ´t uitheems gebroed: bloedschande pleegt een vader met zijn dochter, met de moeder d´ eigen zoon, en broer met zuster, moord woedt tussen vrienden, en geen wet die dat verhoedt. Voer zulke reed´ niet bij ons in, want ´t is niet schoon dat van een tweetal vrouwen één man de menner is; één echtelijke liefdesband moet man en vrouw verbinden, als men edel samenwonen wil.

Koor
Afgunstig en jaloers is ´t vrouwelijk geslacht en op haar mededingsters in de liefde ´t meest.

Andromache
Helaas. Een kwaad is voor den mens de jonkheid, en vooral wanneer de jonkheid op onoorbaar goed zich richt. Ik ben beducht dat deez´ mijn slavenstaat verbiedt vrijuit te spreken, schoon ik recht van spreken heb, en dat, zo ´k zegevier, ik schade nog beloop´. Want die van trotsen geest bezield zijn, horen met verbittering weerlegging uit der mindren mond. Maar zou ´k mij zelf verloochnen? Verre dat verwijt. Zeg op, jong meisje, op welken deugdelijken grond verdring ik u, denkt g´, uit uw wettig huwelijk? als zou uw Sparta voor mijn Troje onderdoen en mijn lot ´t uw´ te bovengaan? Ben ik soms vrij? Maar wellicht dat ik m´ op weeldrigheid verstout van ´t jonge lijf, op rijkdom of op vriendental, dat ´k van uw huis bezit wil nemen in uw plaats. Soms, om in uw plaats kinderen te baren, die, slaaf als zij zijn, voor mij, rampzaalge, ballast zijn? Of meent gij dat maar één zal dulden dat mijn zoons den troon van Phthia erven, al zijt gij kinderloos? ´t Is waar, de Grieken minnen mij om Hector´s daân, zelf ben ´k van duistre afkomst, niet Trojes heerseres! Niet door mijn tovermiddlen haat uw echtgenoot, maar daar g´ in d´ omgang met hem niet meegaande zijt. Want daarvan gaat verlokking uit. Niet schoonheid, vrouw, maar onze deugden bekoren onzen echtgenoot. Zijt gij geprikkeld? Aanstonds is slechts Sparta groot, het achterlijke Scyros hebt gij niet in tel, en gij zijt rijk, wat hem behoort is niets, en groot is Menelaos, niet Achilles: dàt verfoeit uw gaad´ in u. Een vrouw toch moet, hoe slecht haar man ook zij, hem minnen, níet hem steken naar de kroon. Gesteld gij hadt in ´t land der Thraciërs, in sneeuw bedolven, een vorst gehuwd, daar waar één man om beurt aan vele vrouwen zijn gedeelde gunst verleent, hadt gij ze dan gedood? Een onverzade lust hadt gij daarmee bij alle vrouw teweeggebracht. Wel schandelijk. Wij zijn toch onderhevig aan die ziekt´ meer dan de man. Verwonnen wij haar wèl! O liefste Hector, ik placht toch om uwentwil uw liefde te begrijpen, ook waar zij misdeed. Ja, dikwijls reikt´ ik aan uw bastaarden de borst, om u maar te besparen alle bitterheid. Door zo te doen verbond ik door mijn deugd mijn gaad aan mij. Gij daarentegen duldt uit angst niet dat uw man een spatje aankleeft zelfs van hemeldauw. Zoek niet uw moeder nog voorbij te streven, vrouw, in mannengekheid. ´t Voegt toch kindren, zijn zij wijs, het kwade voorbeeld hunner moeders te ontgaan.

Koor
Gebiedster, geef, zoveel ´t u maar gemak´lijk vall´, gehoor; ´t behaag u in te stemmen met haar woord.

Hermione
Wat trotse taal voert gij en daagt mij uit, als waart gij juist de wijze vrouw, en was mijn woord onwijs?

Andromache
Wel nièt het woord, waarbij gij thans zijt blijven staan.

Hermione
Die geest van u moog´ nimmer in mij wonen, vrouw.

Andromache
Gij zijt nog jong en wat gij spreekt is schandelijk.

Hermione
Gij spreekt niet slechts, maar doet mij kwaad uit alle macht.

Andromache
Kunt gij alweer niet zwijgen van uw liefdeleed?

Hermione
Nu? Geldt dat niet voor vrouwen overal het eerst?

Andromache
Als zij het schoon beleven; anders ver van schoon.

Hermione
Wij leven in den staat niet naar barbarenwet.

Andromache
Ook ginds brengt ´t kwade schande, evengoed als hier.

Hermione
Ja sluw zijt gij, zeer sluw. Maar sterven zult gij toch.

Andromache
Ziet gij hoe ´t beeld van Thetis op u nederziet?

Hermione
Ja, ´t haat uw vaderland vanweeg´ Achilles´ moord.

Andromache
Uw moèder, Helena, richtt´ hem te grond´, niet ik.

Hermione
Wat? Rijt gij soms nog verder open al mijn zeer?

Andromache
O neen, ik zwijg en druk den mond besloten toe.

Hermione
Spreek op dat éne, waarvoor ik m´ hierheen begaf.

Andromache
Ik zeg slechts dit, dat gij niet wel bij zinnen zijt.

Hermione
Zult gij dit heilig oord verlaten der godin?

Andromache
Indien ik niet zal sterven; anders doe ik ´t nooit.

Hermione
´t Besluit staat vast, en ´k wacht niet tot mijn gade komt.

Andromache
Maar ik ook lever mij voordien gewis niet uit.

Hermione
Vuur keer ik tegen u, uw lot gaat mij niet aan.

Andromache
Steekt gij dit huis in vlam: de goden weten ´t wel.

Hermione
Noch ook de felle pijn der wonden op uw lijf.

Andromache
Slacht mij, ontheilig ´t altaar: de godin vergeldt!

Hermione
Gebroedsel uit den vreemd´, driest schepsel, ziet gij dus den dood in ´t aangezicht? Ik zal wel zorgen dat gij dra vrijwillig uit het heiligdom hier wijkt: daar heb ik wel een lokaas voor. ´k Houd evenwel verborgen, wèlk: de feiten lichten u wel in. Zit daar maar rustig; want al hield gesmolten lood u rondom strak omvat, ik zal u op doen staan, voordat Achilles´ zoon, op wien gij bouwt, hier komt.

Andromache
Ik bouw op hem. Maar ´t is verschrikkelijk dat wel een god den mens de middelen geschonken heeft voor boze slangen, doch dat geen nog ´t middel vond voor dat wat adders zelfs en vuur te boven gaat, de kwade vrouw; want zulk een kwaad zijn wij den mens.

04. Tweede koorlied regel 4; 274-308

Koor Koor - strofe
Waarlijk, begin van de grote ellende was, toen naar ´t dal van ´t gebergte / Ida, hij / telg van Maja en van Zeus de drie godinnen overbracht op d´ hoge kar / schoongejukt zwaar belast met de gruwzame twist om den prijs, / wie de schoonst´, naar d´ hoeve der herders, en naar den jongeling die in d´ afgelegen stal verbleef, aan de verlaten haardsteê.

antistrofe
Toen zij in ´t lommerrijk dal waren aanbeland, wiesen zij ´t stralend lijf / in de bron, / stromend van de bergflank, en genaakten Priamos´ zoon. Met keur van woorden, steeds / gunstiger, overtroefden z´ elkaar, maar de Cyprische won / listig met schoonluidende woorden, tot bittere vernietiging der macht´ge stad, d´ ellendig´, en de burcht van Troje.

strofe
Och dat de vrouw die hem baarde het donkere lot des doods hem over ´t hoofd geworpen had, voor hij de kale rots van de Ida betrad; toen bij de laurier Kassandra uitriep: doodt den knaap, die voor Priamos´ stad eens tot ramp zal zijn. Tot wien ging zij toen niet, en wien der oudsten bad d´ edele maagd / niet, het kind te doden?

antistrofe
Noch zou op d´ Ilische vrouwen het slavenjuk drukken, maar gij zoudt, o vrouw, bestegen hebben vorstelijken troon; en aan Hellas hadd´ hij al het smart´lijk wee bespaard, toen zij in bloed´gen krijg zonder uitkomst omzwierven tot ´t tiende jaar! De legersteden zouden niet verlaten zijn en niet van kind´/ren beroofd de ouden.

05. Tweede akte regel 5; 309-463

Menelaus
Ik kom hier met uw kind, dat gij in ander huis in veiligheid, verborgen voor mijn dochter, bracht. Gij snoefdet toch dat U zou redden ´t godenbeeld en zijn verbergers hèm. Maar vrouw, uw listigheid doet onder, zoals blijkt, voor die van Menelaus hier. En als gij niet dit heiligdom terstond verlaat, wordt deze knaap in plaats van uw persoon geslacht. Bedenk dus wel, of gij uw eigen dood verkiest dan wel hèm laat te gronde gaan voor ùwe fout, die gij ten aanzien van mijn kind en mij bedreeft.

Andromache
O roem, o roem, die tallozen van ´t menselijk geslacht, die niets eerst waren, tot te hoge praal hebt opgevoerd. Want hen voor wie de roem op waarheid is gegrond prijs ik gelukkig. Maar zij die op valsen roem de borst opheffen, acht ik slechts een pop van ´t lot. Gìj zoudt, als veldheer over ´t uitgelezen heir der Grieken Trooj´ verwonnen hebben, zulk een prul? die op de aanklacht van uw dochter, nog bijna een kind, zò briest op wraak, en met een ongeluk´ge vrouw, slavin nog bovendien, den strijd aanbindt? Ik acht noch u meer Troje waardig, noch ook Troje u: van buiten zijn zij die slechts schijnen wijs te zijn wel schitterend, van binnen het gemeen gelijk, behalve soms in rijkdom; die biedt grote kracht. Menelaus, kom, voltooien wij dit rechtsbetoog: uw dochter heeft mij dan gedood en ´k ging te grond! Maar daarmee laadt z´ op zich de vloek van doodslag, en ook gìj zult bij de mensen u voor dezen moord te verantwoorden hebben; gij langdet toch de hand. En indien ìk den dood dan niet ontkom, zult gij mijn jongen doden? Maar hoe zal de vader, als zijn kind gedood is, dit zo licht verdragen? Wis, ons Trojeland zag hem niet zo onmannelijk. Maar hij zal komen tot dat wat niet anders kan, iets wat Achilles en ook Peleus waardig is: hij zal uw dochter van zich stoten. Wat zult gij, als gij haar aan een ander geeft, dien zeggen? Soms dat, deugdzaam, zij een kwaden man ontvlood? Hoe vals! Wie zal haar huwen? Of wilt gij haar ongehuwd in huis als weduw´ tot haar grijsheid houden? Ziet gij niet ellend´ge man, hoe ´t kwaad onstuimig tot u stormt? Hoeveel verbintenissen zoudt gij willen dat uw dochter vond, eer g´ ondergaat wat ik u zeg? Gij moet niet bij zo luttel kwaad een groter kwaad nog stichten, en al zijn de vrouwen blind verderf, u niet een vrouw gelijk gedragen, gij als man. Want, is het waar dat ik uw kind begoochel, en haar schoot onvruchtbaar maak, zoals zij zelf beweert, dan zal ik zonder tegenstreven, zonder hulp van altaar ook, vrijwillig zelf gerechte straf van uwe schoonzoon op mij laden, die ik toch niet minder schaad, doordat ik hem van kroost beroof. Ziedaar dus mijn karakter. Van ùw inborst vrees ik één ding bovenal: van wege vrouwentwist hebt gij ook ´t ongelukkig Trooj´ te grond gericht.

Koorleider
Gij spreekt te veel, als vrouw tot mannen en uw geest verschoot zijn pijlen, uw bezonnenheid ten spijt.

Menelaus
Dat zou gerìng zijn, en mijn koningschap, o vrouw, niet waardig, zoals gij zegt, en ook niet Griekenland? Weet wel, datgeen´ waaraan elkeen behoèfte heeft, dàt is voor hem gewichtiger dan Trojes val. Zo stel ook ik, want dat acht ik van hoog belang, mij helper voor mijn dochter, zo van haar echt beroofd. Wat toch een vrouw ook lijdt, het zinkt hierbij in ´t niet. Als zij haar man verliest, verliest z´ haar levensdoel, want over al het mijn´ voegt hem de heerschappij, en aan de mijnen en mijzelf weer over ´t zijn´. Niets toch van vrienden die in waarheid vrienden zijn is eigen, neen, zij achten al hun goed gemeen. Zou ´k wachten op d´ afwezige, en niet zelf mijn zaak ten beste regelen, armzalig waar ´k, niet wijs. Sta op dus uit dit heiligdom van de godin. Indien gìj sterft, ontkomt uw jongen aan den dood; maar wilt gìj niet den dood ingaan, zo dood ik hèm: want ´t is beslist dat één van beiden ´t leven laat.

Andromache
Wee mij, gij stelt mij voor een bittre keus en laat m´ een netelige kans: zowel als ik die neem ben ´k ongelukkig, maar ook als ´k hem niet aanvaard. O gij die grote dingen doet voor kleine schuld, o luister, waarom doodt gij mij? Waarvoor! Wat stad verried ik? Welken uwer kindren doodde ik? Stak ik uw huis in brand? Gedwongen met geweld, huwd´ ik mijn meester. Dood dus hem, niet mij, want hij draagt hieraan schuld. Waarom vergrijpt gij u aan het gevolg en laat de oorzaak ongemoeid? Wee mij om mijn ellend´. Rampzalig vaderland, wat schriklijks onderga ´k. Waartoe moest ik dit kind ter wereld brengen en last op last opstapelen? Doch hoe klaag ik dáárover en denk niet veeleer aan ´t kwaad dat nu voorhanden is, en ween daarom? Ik die ´t moest aanzien hoe mijn Hector werd geslacht en aan de kar gesleurd, hoe Trooj´ in vuur verging, erbarmelijk; hoe ´k zelf in ´t schip ging als slavin, bij ´t haar woest meegesleurd, en hoe ´k hier aangeland, in Phthia met den moordenaar van Hector huwd´. Wat zoets biedt mij het leven nog? Waarop blik ik? Op mijn voorhanden lot of op ´t verleden heil? Deez´ éne jongen rest mij, mijn ganse levensschat. En dien gaan zíj nu doden aan wie dit behaagt. Maar om dit droevig leven zal dat nooit geschiên. Hij toch belooft nog veel, zo hij gered zal zijn. En mij zou men verguizen, als ´k niet voor hem stierf. Zie hier, ik geef het altaar prijs en bied mij aan te kelen, d´ hals te wurgen, te binden en te slaan. Mijn kind, je moeder daalt, opdat jij maar niet sterft, naar Hades af. Indien j´ aan ´t dreigend lot ontkomt, denk aan je moeder, hoe koen ik den dood bestond, en zeg dan aan je vader onder tranen, terwijl j´ hem innig kust en om zijn hals je handjes slaat, wat ik verrichtte. Kindren toch zijn heel de ziel voor alle mensen. Wie dat niet kent en dus mij laakt, mist pijn, is wel gelukkig, maar tot ongeluk.

Koorleider
Ik hoor dit aan met deernis; want het ongeluk wekt deernis bij elkeen, ook als hij verre staat. Als midd´laar moest g´ optreden, Menelaus voor uw dochter en voor haar, opdat z´ haar leed beeind´.

Menelaus
Grijpt aan die vrouw, knechts, omknelt haar handen vast; zij zal geen vriendelijk vertoog vernemen thans. Om u te dwingen ´t heilig outer der godin te laten, hield ik u den dood van ´t knaapje voor, en noopt´ u in mijn hand te komen, dat ´k u slacht! Weet dan dat het, wat u betreft, er zo mee staat; en wat die jongen hier aangaat, mijn kind zal zelf bepalen of z´ hem doden wil of ´t niet zal doen. Maar ga ´t paleis nu in, opdat ge leert, slavin toch als gij zijt, niet trots te tarten vrijen mens.

Andromache
Wee mij, met list omgingt gij mij. Ik ben misleid.

Menelaus
Roep dat aan allen luid. Ik loochen het geenszins.

Andromache
Is dat de eed´le kunst die aan d´ Eurotas tiert?

Menelaus
In Troje ook: vergelden wat wordt aangedaan.

Andromache
Geldt godlijk recht niet meer, en vreest gij niet uw straf?

Menelaus
Die kome, als zij komen moet. Maar jou dood ik.

Andromache
Soms ook dit jong, onder de wieken weggerukt?

Menelaus
O neen! Dat zal mijn dochter doen, als zij dat wil.

Andromache
Wee mij. Dan moet ´k je lot bejamm´ren kind.

Menelaus
Geen koene hoop is ´t zeker meer, die hij belooft.

Andromache
Gij die bij alle volken ´t meest gehaat zijt, volk van Sparta, arglistig is uw raadslag, in leugens ver de meesters, sluwe brouwers van het kwaad, die al in ´t rond op slinkse streken zint, van elke goede trouw gespeend, op onrecht is uw voorspoed slechts gebouwd. Wat vindt men niet bij U? Tiert niet bij u de moord? Op vuigen winst belust, zegt gij niet steeds het één met uwen mond en broedt iets anders in uw geest? Vervloekt zijt ge. De dood is heel niet zwaar voor mij dien gij besloten hebt. Want toen ging ik te grond´, toen de rampzaalge stad der Trojers ònderging en mijn vermaarde ga, die dikwijls met zijn lans u laffen zeeman maakt´ in steê van held te land. Thans blijkt g´ een vreeslijk krijgsman, nu het geldt een vrouw te doden. Dood mij vrij. Want uit mijn mond zult gij geen vleiend woord vernemen, ik laat u begaan, u en uw dochter. Want, zijt gìj in Sparta groot, wij waren het in Trooj´. Al gaat het mij nu slecht, pronk daar niet op: ook u valt dit wellicht ten deel.

06. Derde koorlied regel 6; 464- 500

Koor - strofe
Nooit zal ik een dubbelen echt van mensen loven, zelfs niet kindren van verschillend bed, een twist des huizes, smart die voert tot tweedracht. Een enig bed, en ongedeeld, moog´ in mijn echt mijn echtgenoot behagen.

antistrofe
Zo ook in de steden is nimmer dubb´le heerschappij verdraaglijker dan één gezag; zij stapelt last op last en schept de tweespalt. Zo in den zang twee aarden samengaan is heel de harmonie van ´t lied verbroken.

strofe
Wanneer de snelle wind het schip voortdrijft op zee, en er twee kund´ge stuurlui elkaar bij het roer weerstaan. zal de gezamenlijke bemanning zwakker zijn dan als een mindere man met gezag zelf beslist; dat vormt de macht in de huizen en dat in de steden ook, wanneer men wil vinden ´t juiste hand´len.

antistrofe
Dat toonde de Laconische, de dochter van Menelaus, den legeraanvoerder. Want zij briest vuur om ´t andre bed, en doodt d´ ong´lukkige Troojse maagd en ook haar kind uit kwaadzinnende twist; goddeloos, wetteloos, redeloos is de moord; maar ook een machtige ommekeer zal zekerlijk nog volgen.

07. Derde akte regel 7; 501- 765

Koor - recitatief
Doch waarlijk, daar zie ik het paar, zo wreed den dood toegewezen, staan voor het huis. Rampzalige vrouw, ellendig ook gij, o kind, dat om moeders huwelijksbed onschuldig hier sterft en niets bedreef tegen de vorsten.

Andromache - zang - strofe
Ik hier word, de bebloede handen met strikken omsnoerd, gestoten naar ´t rijk van de doden.

Koor
Moeder, moeder, ook ik daal af met uwen vleugel naar Hades.

Andromache
Gruwlijk offer, o Phthias ontaarde heersershuis.

Kind
- Och vader, kom toch uw lieven ter hulpe.

Andromache
Kind, gij ligt, lieve jongen, dra met mij hier, die u zoogde, als dode bij dode in ´t donker graf.

Kind
Wee mij, wat overkomt, helaas, moeder, mij en ook u thans.

Menelaus - recitatief
Daalt af onder de aard´, gij zijt toch hierheen gezeild van vijandige stad; en, twee, zult gij ook door twee straffen sterven: u doodt ´t besluit uit mijn mond, hem zal dra mijn kind Hermione doden, want het is dwaas, van den vijand het vijandig kroost te sparen, als men door hen te doôn vreê kan hebben.

Andromache - antistofe
O liev´ echtgenoot mijn, och mocht, zoon van Priamos, toch uw speer mij ter hulpe aansnellen.

Kind
O rampzalige, ik, welk lied vind ik om ´t lot af te wenden?

Andromache
Smeek, en kruip op je knieën voor de heerser, o mijn kind.

Kind
Lieve heer, lieve heer, red van den dood mij.

Andromache
Tranen vloeien mij van de wang als een donkere waterstrook neervliet van gladharde rots, helaas.

Kind
Wee mij, wee. Wat voor uitweg vind ik uit al mijn ellende?

Menelaus - recitatief
Waartoe val jij mij voor den voet, vergeefs, te smeken een die zo hard als een rots de mijnen wil baten slechts; maar die voor jou geen troosting meer heb. Want ´t nemen van Trooj´, waarachtig, heeft mij een stuk van mijn hart gekost, waar ik uw moeder verwierf. En jij boet daarvoor en daalt in den donkeren Hades!

Koorleider
Maar daar ontwaar ik d´ eedle Peleus reeds nabij, hoe hij in haast hierheen de oude voeten richt.

Peleus
Aan u en aan die klaar staat voor den moord vraag ik: waartoe dit al? Wat deert dit huis? Waarom? En wat bezielt u tot zo roekeloze daad? Houd op, Menelaus, ijl niet verder, zonder recht. Geleid mij sneller, gij. Want hier is rust´ge gang die bij mijn leeftijd past misplaatst. Indien ik ooit de kracht der jeugd herkrijgen wilde, is het nu. Het eerst dan steven ik, als met den wind in ´t zeil, op deze af. Kom zeg mij, met wat recht zijt gij met strikken zo gesnoerd en voeren zij u met uw jongen om, als ´t schaap met zuigend lam, te grond´ te gaan in mijn afwezigheid en van uw heer.

Andromache
Gij ziet hoe dezen mij, eerwaard´ge grijsaard, met mijn kind ten dode leiden. Wat u nog gezegd? Want niet door één dringende roep ontbood ik u, maar tallooz´ afgezanten zond ik naar u heen. Gij hebt wellicht gehoord van d´ huiselijke twist, ontketend door de dochter van hem hier. Die werd mijn dood. Nu rukten zij mij zelfs van ´t altaar los van Thetis, uw´ Achilles´ moeder, welke gij zo diep vereert, na noch mij in een rechtsgeding gevonnist, noch op die afwezig zijn gewacht te hebben, maar vertrouwend op mijn weerloosheid en die van dezen jongen, die, onschuldig, zij met mij, rampzalige, wreedaardig doden gaan. Ik smeek u, grijze held, en ´k val u voor den voet - want met de handen is ´t mij niet vergund uw baard, als lieflijk pand te grijpen, - o, bescherm mij toch, bij alle goden bid ik u. Zo gij ´t niet doet, wij sterven tot uw schand´ en tot ons geluk.

Peleus
´k Gebied de band te slaken, voor ik u mijn toorn doe voelen; maakt die krampgesnoerde handen los.

Menelaus
En ik verbied het, die in waardigheid niet voor u onderdoe en meer te zeggen heb over haar.

Peleus
Hoe zo? Zult gij ons huis komen bewonen hier? Is het u niet genoeg in Sparta vorst te zijn?

Menelaus
Degeen die haar in Trooj´ gevangen nam was ik.

Peleus
Mijn kleinzoon kreeg haar van mijn zoon als eergeschenk.

Menelaus
Is niet al ´t mijne zijn en al het zijne mijn?

Peleus
Het zijn´ is wel te doen, niet doden met geweld.

Menelaus
Maar deze voert gij nimmer levend uit mijn hand.

Peleus
Met dezen scepter sla ik u het hoofd tot bloedens toe.

Menelaus
Raak mij eens aan, dan weet ge ´t; kom maar naderbij.

Peleus
Zijt gij soms man, gij lafaard van het lafste soort? Wie heeft u ooit in ´t heir der mannen meegeteld? Gij die uw vrouw verloor aan dien Trojaansen gast doordat g´ uw huis en haard ontsloten, onbewaakt, verliet, alsof g´ een wijze vrouw in huis had, juist de allerslechtste. Trouwens, zelfs al wilde het een maagd uit Sparta, kàn zij niet bezonnen zijn, zij die met jongemannen ´t huis verlaat, om saam, met blote dijen en hoog opgeschort gewaad, met hen in worstelperk en renbaan om te hangen, niet verdraaglijk. En dan moet g´ u nog verbazen dat gij uwe vrouwen niet tot eerbaarheid opvoedt! Vraag dit maar eens aan Helena, zij die van huis uw dierbre haardstee snood verliet om in den vreemd´ haar lusten bot te vieren met een jongen man. En dan, om harentwege hebt gij zulk een drom van Grieken op de been gebracht naar Trooj´. Hadt haar veel liever uitgespuwd, geen krijg verwekt, toen gij haar slecht bevondt, en haar gelaten ginds, ja zelfs nog prijs betaald, dat zij niet wederkeerd´. Maar neen, daar richtte zich uwe geest volstrekt niet heen; veel schone levens deedt gij koel te gronde gaan, gij maaktet vrouwen kinderloos in d´ ouderdom, aan grijze vaders ontruktet gij het edel kroost. Van dezen ben ook ik, rampzaal´g´ er een, en u beschouw ik als den moordenaar, verdelgingsgeest, van mijn Achilles. Gij alleen kwaamt zonder wond van Troje. En uw prachtig wapentuig, bewaard in keur´ge hoezen, bracht gij ongeschonden weer. Ik waarschuwde nadrukkelijk mijn kleinzoon, niet met u verwantschapsband te knopen, en in huis geen telg van boze moeder in te halen, want zij dragen moeders trekken. O let wel, gij die een meisje mint, of zij van eedle moeder is. Voeg daar nog bij den overmoed waarmee g´ uw broer bejegende, toen gij hem dwongt zijn kind te doôn, zo bang waart gij dat gij die slechte niet herkreegt. Toen Trooj´ genomen was - want daar ook wil ik heen - hebt gij uw vrouw, die gij in handen hadt, gespaard. Want toen g´ haar lichaam zaagt, ontviel het zwaard uw hand, en gij naamt aan haar kus, en streelde ´t hondsvot dat u eens verried, gij slachtoffer van Kypris, laf. Gekomen naar de woning van mijn kinderen tracht gij thans dit t´ ontwrichten in hun afwezigheid; een ongelukk´ge vrouw doodt gij, met kind te saam, eerloos. Maar eens zal dit u en uw dochter beî ´t vergelden, al is hij nog zo bastaard. Dikwijls toch overtreft een schrale zaaigrond een zeer vette aard´ en vele bastaards winnen het van ´t echte kroost. Neem mee die dochter van u. Want ´t is roemrijker een eed´len schoonzoon of wel vriend t´ erlangen, hij zij arm, dan rijken, maar ontaarden. U acht ik niets.

Koorleider
Van klein begin groeit vaak voor mensen grote twist door teugelloze tong. Daarvoor dus hoeden zich de wijzen dat z´ hun vrienden schelden met krakeel.

Menelaus
Hoe kan men zeggen dat in grijsaards wijsheid huist, en zelfs in hen die door verstand eens sierden ´t Griekendom? Wanneer gij, Peleus, die van roemruchten vader stamt, met ons vermaagschapt, dingen zegt die schandelijk voor u zijn, smaad voor ons, en dat voor vreemde vrouw, die gij behoorde uit te drijven, verder dan de Nijl, en hoger op dan Phasis, ja met onze hulp, een vrouw die stamt van ´t vasteland waar menig held van Grieksen bloede neerviel door de worp der speer en die ook schuldig is aan ´t bloed van uwen zoon. Want Paris, die uw zoon Achilles doodde, was een broer van Hektor, en zij hier was Hektors ga. En met zo een te saam betreedt gij ´t zelfde huis, verwaardigt u met haar te leven aan één dis, en staat haar toe ons kroost te baren tot een vloek voor ´t huis. Maar mij, die in mijn zorg voor u en mij, o grijsaard, haar wil doden, rukt gij haar uit d´ hand. En toch, zeg op, - want uit te weiden over dit is niet misplaatst - indien mijn dochter kindren derft, en deze hier brengt zonen voort, zult gij hen dan tot vorsten stellen over ´t land, en zullen zij, uitheems geslacht, het Griekse volk regeren? Ben niet ik juist wijs, die ´t kwade haat? Hebt gij verstand? Beschouw ook dit. Zoudt gij, als gij uw kind aan een der burgers hadt gegeven, en z´ ervoer dan dit, maar rustig blijven zitten? Mij dunkt van niet. En voor d´ uitheemse spreekt gij zulk een taal tot een verwant? Waarachtig als een vrouw van mannen onrecht lijdt, is zij in kracht den man gelijk; en evenzo de man die in zijn huis een dwaze huisvrouw heeft. Want heeft hij in zijn handen zeker meerder kracht, in ouders en in vrienden ligt haàr tegenwicht. Is het dus niet rechtvaardig als ´k de mijnen help? O grijsaard, grijs zijt gij; en door mijn veldheerschap te noemen baat gij mij wel meer dan als gij zweegt. Mijn Helena leed, niet uit vrijen wil, doch naar der goden raad, tot ´t grootste heil van Griekenland. Want voordien waren zij onvaardig in den strijd en in de waap´nen; toèn wies hun de moed. Het doen toch leert den sterveling ´t gebruik van alle ding. Als ik bij d´ aanblik van mijn vrouw mij inhield haar te doden, deed ik daar veeleer verstandig aan. Ik wilde dat g´ ook Phokos niet verslagen hadt. Dit voer ik aan, u welgezind en niet uit toorn. Gij laat u gaan in drift, úw praatzucht is dan ook wel groter, míj brengt meer gewin voorzichtigheid.

Koorleider
Laat af toch nu van ijdle woorden - want dat is het allerbest - opdat gij niet gelijk´lijk faalt.

Peleus
Wee mij, wat valse mening heerst bij ´t Griekendom. Wanneer een leger ´t zegeteken opricht na den slag, acht men dit niet het werk van die ´t bedreven, neen, de veldheer oogst alleen der volken lof hiervoor, hij die als eenling met all´ andren saam de speer zwaait, krijgt all´ eer, hoewel hij niets meer doet dan één. Zij die doorlucht in d´ ambten zeetlen in den staat dunken zich boven ´t volk te staan, maar zijn niets waard. ´t Zijn andren die in kunde ver hun meerdren zijn, mits durf voorhanden is en tevens vaste wil. Zo zit ook gij met uwen broer met hoge borst pronkend op Troje en uw veldheerschap aldaar, maar gij verheft u op der andren moeit´ en werk. Ik zal u leren eens den Trojer Paris niet als erger vijand te beschouwen dan deez´ Peleus hier, als gij niet op uw snelst u wegpakt uit dit oord, met uwe kinderloze dochter, die mijn telg door ´t huis zal sleuren, bij de haren meegerukt, indien z´, onvruchtbaar als zij is, het niet verdraagt dat andren baren, waar zij zelf geen kindren heeft. Indien het lot haar ongenadig kinderen ontzegt, doemt zij ook ons om kinderloos te zijn? Scheert u weg van haar hier, knechten, dat ik ondervind´ of een verhindren zal dat ik haar boeien slaak. Hef gij u op. Want beven ook mijn handen, ik maak de gewrongen banden der gevlochten riemen los. Ellendeling, verminktet gij aldus haar hand? Of dacht g´ een stier of leeuw te snoeren in deez´ strik? Of waart gij bang dat zij het zwaard zou nemen en zich zou verweren! Kom, mijn kind, in d´ armen hier en maak met mij de boeien van uw moeder los. Ik kweek u, nog in Phthia, tot een vijand voor deez´ liên. Want hadden zij de roem niet van hun lans, gewis, de Spartiaat stond op de laagste plaats.

Koorleider
Een ongebreideld slag zijn grijsaards al te gaar en onberekenbaar door felle drift meteen.

Menelaus
Gij laat u al te lijdelijk tot schelden gaan. Ik wil, nu ik tegen mijn zin naar Phthia kwam, noch smadelijks ervaren, noch ook smaadlijks doen. Nu ga ik - want ik heb geen overvloed van tijd - naar huis terug. Niet ver van Sparta ligt een stad die voordien ons vriendschaplijk was en welke nu vijand´ge dingen doet. Op haar wil ik, aan ´t hoofd van ´t leger losrukken, tot zij zich onderwerpt. Zodra ik dan de zaken daar geregeld heb, kom ik weer hier. Van aangezicht tot aangezicht zal ik mijn schoonzoon openlijk beleren of mij laten leren. En indien hij deze straft en zich voortaan behoorlijk toont, ervaart hij ook van ons behoorlijks. Als hij toornt, zal hij ook toorn van ons terug ontvangen: daad kweekt wederdaad. Uw woorden reken ik niet zwaar. Een schaduw toch zijt gij gelijk; gij hebt slechts uw geduchte stem, onmachtig tot iets anders dan tot praat alleen.

Peleus
Kom hier onder mijn arm mijn kind en leid mij voort en gij, rampzalige; door wilde storm werd gij verrast, doch komt thans in beschutte haven aan.

Andromache
Eerwaard´ge vorst, de goôn vergelden het u wel, voor ´t redden van mijn kind en mij rampzalige. Maar zorg dat dezen niet, verscholen aan den kant van ´t eenzaam voetpad ons nog sleuren met geweld, omdat zij zien dat gij een grijsaard zijt en ik een vrouw en deze knaap nog slechts een kind. O zie toch toe dat wij niet, nu ontkomen, straks hun prooi weer zijn.

Peleus
Zult gij wel laten zulk een laffe vrouwenpraat? Gaat heen, wie zal u deren? Tot zijn schade zou een aan u raken. Gode zij dank bevelen wij in Phthia ´n heir van volk te paard en ook te voet. En zelf sta ´k overeind, geen grijsaard, als gij meent. Integendeel, wat zulk een man alleen betreft, zal ik hem overwinnen, oud dan mag ik zijn. Want vele jong´ren staat een grijsaard, indien hij van moed bezield is. Wat dient lafaards ´t vaardig lijf?

08. Vierde koorlied regel 8; 766-801

Koor - strofe
Of níet geboren waar´ ik, of zij ik de telg van eed´len stam, deelachtig aan rijklijk bezit. Als hem immers ramp overkomt, heeft de rijke ruimschoots verweer, en voor hen die alom befaamd zijn om eed´le afkomst is roem en eer weggelegd. Niet rooft ook de tijd de gedachtnis van de goeden: edele deugd overstraalt, zijn zij al gestorven.

antistrofe
´t Is beter zege zonder verwijt te behalen dan het recht te schenden met haatlijke macht. Aanstonds toch geeft dit aan den sterv´ling wel vreugde, maar met den tijd wordt het wrang en stelt aan verguizenden smaad de huizen bloot. Dat prijs ik veeleer en dat leven verkies ik voor mij, om noch in huis, noch ook in de stad het geweld zonder recht te oef´nen.

nazang
O grijze Aiakos-zoon, vast geloof ik dat met Lapithen en met Kentauren gij eens streedt met roemruchtige lans / ook dat gij op ´t Argosschip ´t ongastvrij water van de Symplegaden hebt doorkliefd, tot die vermaarde verrichting ter zee, toen eertijds de Zeustelg de Ilische stede, beroemd in het rond, met het moordend net omving, gij die beî d´ hogen roem geniet van gekomen te zijn naar Europa.

09. Vierde akte 9; 802-1008

Voedster
Geliefde vrouwen, hoe kondigt zich op dezen dag verbeurtend ramp op ramp ons aan. Mijn meesteres, Hermione bedoel ´k, vereenzaamd hier in huis door ´t heengaan van haar vader, inziend bovendien, wat daad zij wel bedreef, doordat z´ Andromache besloot te doden met haar kind, begeert den dood en siddert voor haar man, dat hij hierna tot loon voor wat zij deed haar eerloos zijn paleis uitzendt, of doden zal, haar die ging doden wie ´t niet voegt. Met moeit´ weerhouden haar de knechten om den strik om d´ eigen nek te binden, en rukken zij het zwaard uit hare rechterhand - zo bitter is haar smart. Want zij heeft ingezien dat, wat zij vroeger deed onschoon door haar bedreven werd. Ik tob mij af, geliefden, mijn meesteres voor wurging te behoên. Gaat gij dit huis dus binnen en verlos haar mee van zulk een dood. De komst van nieuwe vrienden toch beurt vaak meer op dan het gewoon verkeer vermag.

Koor
Wij horen waarlijk reeds in huis het angstgeschreeuw der dienaren om dat wat gij ons melden kwaamt. ´k Geloof dat d´ ongeluk´ge zelf ons zal doen zien wat smart zij lijdt om haar geduchte daad. Zij treedt naar buiten, vliedend voor de dienaars, levensmoe.

Hermione
Ik ruk mij de haren uit ´t hoofd en rijt mij het lijf met nagels op.

Voedster
O kind, wat doet gij daar? Verminkt gij ´t eigen lijf?

Hermione
Ach, ach, ach, ach. Weg! heerlijke doek van mijn lokken; weg! met het weefsel van ´t fijn gewaad.

Voedster
Mijn kind, bedek uw borst, vat samen dat gewaad.

Hermione
Waartoe moet ik de borst hullen in ´t kleed? Te duidelijk, alom / zichtbaar kwaad, onbedekt, deden wij aan onz´ echtgenoot.

Voedster
Het smart U, dat g´ uw medevrouw vermoorden woudt?

Hermione
Innig bejammer ik / d´ euv´le durf die ik driest betoonde, o vloekbare vrouw, gevloekt bij het mannelijk geslacht.

Voedster
Uw echtgenoot vergeeft u dezen misslag wis.

Hermione
Waarom ruktet gij uit mijn hand / het zwaard! Geef het op, geef het op, beste vriend, dat ik recht in de borst het brons stoot. O, gun mij toch / den strik.

Voedster
Hoe zou ik u, ontzinde, laten gaan ter dood?

Hermione
Wee om mijn lot. Waar vind ik vuur tot branden? Waar kan ik mij op rotsen opheffen langs de zee of in ´t woud van een berg, opdat ik sterv´ en bij de doôn / ginds vertoev´?

Voedster
Waarom toch pijnigt gij u zo? Want vroeg of laat komt voor elke sterv´ling het van god gezonden kwaad.

Hermione
Gij verliet, gij verliet, vader, mij, verstoken van zeewaard´ge riemen, aan de kust alleen, eenzaam. Te grond´, te grond´ / richt gij mij, nooit zal ik meer in ´t huis waar ik den echt verkreeg verwijlen. Aan welk der godenbeelden werp ik mij smekend? Of val ik als slavin een slavin te voet? Weg uit het Phthiisch land, och waar´ ik als een vogel, zwartgewiekt, of schip van dennenhout, d´ hulk die het eerst door de zwartige klippen moedig streefde in haar vaart.

Voedster
O kind, noch keurd´ ik toen uw buitensporigheid goed, toen gij tegen die Trojaanse vrouw misdreeft, noch nu weer d´ al te grote vrees, die gij thans voedt. Uw echtgenoot verstoot niet zo maar dezen band, gezwicht voor ´t ijdel woord van een uitheemse vrouw. Want niet zijt gij een gaad´, in Troje buitgemaakt, maar dochter van een edel vorst, die hij, met veel geschenken, kreeg, en uit een stad, niet mátig rijk. Uw vader zal u niet, gelijk gij ducht, mijn kind, verzaken en u laten stoten uit dit huis. Doch ga naar binnen en vertoon u niet aldus hier voor de poort, opdat gij niet te schande wordt als men u zó voor het paleis aantreft, mijn kind.

Koor
Doch daar komt, ongewoon van uitzicht, uit den vreemd´, een gast met haast´geschreden op ons toegetreên.

Orestes
Gastvrije vrouwen, is dit hier wel het paleis en ´t vorstelijk verblijf van fier´ Achilles´ zoon?

Koor
Gij treft het juist´. Maar wie zijt gij die dit verneemt?

Orestes
Van Agamemnon en van Klytaemnestra telg. Orestes is mijn naam. Naar Zeus´ orakel tijg ik, in Dodona. En nu ik in Phthia ben, lijkt het mij goed naar een die van mijn maagschap is te vorsen, of zij leeft en hier gelukkig is, Hermione uit Sparta. Want, bewoont zij ook ver afgelegen oorden, toch is zij ons lief.

Hermione
Gij die, als veil´ge haven voor den schepeling, aan mij verschijnt, o zoon van Agamemnon, u smeek ik, heb deernis toch met mij, wier lot g´ aanschouwt, in kwaden doen geraakt. Als heil´ge banden om den priesterstaf, klem ik om uwe kniên mijn arm.

Orestes
Laat af. Wat wil dit? Ben ik gans verbijsterd, of zie ik hier heus de koningin van ´t land, Menelaus´ kind?

Hermione
De een´ge dochter, die aan vader Helena, de Tyndaride, schonk in huis; herken mij toch.

Orestes
O Phoibos, redder, geef verlossing uit d´ ellend´. Wat is er? Lijdt gij dus van goôn of mensen kwaad?

Hermione
Deels van mij zelf, deels van den man die huwde, deels van een der goden. Ik ben verloren gans en al.

Orestes
Wat kan er, zo er nog geen kindren zijn verwekt, voor ramp zijn voor een vrouw, die dan betreft haar echt?

Hermione
Daar schuilt het kwaad dan ook. Uw gissing is terecht.

Orestes
Welk ander bed verkiest uw gade boven ´t uw´?

Hermione
De krijgsgevangen vrouw van Hector, die mint hij.

Orestes
Een kwaad is ´t inderdaad, een dubbel huwelijk.

Hermione
Zo staat de zaak. En ik voor mij, ik zocht verweer.

Orestes
Gij brouwdet toch geen moord op haar, vrouw als gij zijt?

Hermione
Ja, moord op haar en op ´t onecht geboren kind.

Orestes
Gij dooddet hen dus? Of onttrok een toeval hen?

Hermione
De grijze Peleus, die mijn minderen vereert.

Orestes
Had iemand anders deel met u aan dezen moord?

Hermione
Mijn vader. Juist daarvoor kwam hij van Sparta hier.

Orestes
Werd hij verwonnen door eens grijsaards hand?

Hermione
Ja, schand´! En hij ging heen en liet mij eenzaam hier.

Orestes
´k Begrijp: om het gebeurde vreest g´ uw echtgenoot.

Hermione
Gewis. Met reden doodt hij mij. Wat voer ik aan? Ik smeek u - Zeus, beschermer van ons beider huis, roep ik getuige - zend mij uit dit land zover gij kunt, of naar het vaderlijk verblijf. Want zelfs het huis hier schijnt een stem te hebben en mij uit te drijven; en het Phthiisch land haat mij. En mocht mijn ga tevoren komen van het heiligdom van Phoibos, dan doodt hij mij om deez´ zaak, òf ik zal dienstbaar aan die bijvrouw zijn, ik, meesteres voorheen. Hoe kondt gij, zal men zeggen, dit begaan? ´t Bezoek van boze vrouwen werd mijn ondergang, zij prikkelden mijn trots met ´t zeggen van dit woord: zal jij verdragen, dat die krijgsgevangen vrouw, ellendige slavin, het huwlijk met je deelt? Waarachtig, in mijn huis, zolang ik ´t leven heb, zou zo geen andre vrouw mijn echt afweiden, neen! Op ´t horen van dit lokkende Sirenenwoord, dit wereldwijs gebabbel, kwaadaardig en doortrapt, werd ik van dwaasheid opgeblazen. Want waartoe moest ik mijn man bewaken, ik die bezat wat ik behoefde, rijkdom, een huis waarin ik meesteres was en waarin ik echte kinderen gebaard kon hebben, zìj onechte slaven aan de mijn! Maar nooit, neen nooit, - tot tweemaal toe herhaal ik het - moet iemand die verstandig is, zo hij een vrouw bezit, het lijdlijk aanzien dat zijn vrouw bezoek ontvangt van vrouwen. Want dìe leren haar het kwaad! De een toch richt uit winstbejag een echt te grond´, de ander, zelve zondig, wil met haar schuldig zijn, die weer uit louter ontucht. Daaruit komt d´ ellend´ in ´t huis der mannen voort. Daarom dus hoedt de poort van ´t huis met grendels en met bouten, opperbest. Want wat het buitenshuis bezoek van vrouwen werkt, is nooit iets goeds, maar steeds de oorzaak van veel kwaad.

Koor
Gij liet u te veel gaan tot uwen bloedverwant. Vergeeflijk is dit thans voor u; maar toch is ´t goed dat vrouwen orde brengen in dat vrouwlijk kwaad.

Orestes
Een wijs man was hij die de mensen onderwees ook naar het woord te horen van de weerpartij. Want ik, verwittigd van de tweespalt in dit huis en van uw twist met Hektors vroeg´re vrouw, bleef spieden, met de wachten uitgezet, of gij ter plaats´ zoudt blijven, dan wel in uw angst vanweeg´ de krijgsgevangen vrouw dit huis ontvlieden woudt. En zonder nu uw boodschap af te wachten, kwam ik om, zo gij naar rede luisteren woudt, zoals g´ ook doet, u uit dit huis te voeren. Want gij waart de mijn´ eertijds, en woont thans met een andren man, door slapheid van uw vader, die vóór d´ inval in ´t Trojaans gebied u aan mij gaf, maar naderhand u aan uw huid´gen man beloofd´, zo Troje viel. En toen Achilles´ telg naar hier was weergekeerd, vergaf ik ´t aan uw vader, maar ik smeekte hèm den echt met u te laten, vertelde hem mijn lot, de vloek die op mij rustte, zodat ik alleen in d´ eigen kring kon huwen, nimmer uit den vreemd´, zoals ik daar als balling buitenshuis vertoefd´. Hij echter sloeg een hogen toon aan, om de moord op d´ eigen moeder en verweet mij ´t bloedig pleit. En ik, vernederd door de huiselijk´ ellend´, was bitter, bitterlijk gegriefd, maar droeg de smaad en ging, van ´t huwelijk beroofd, onwillig heen. Nu evenwel uw leven omgeslagen is en gij, in leed geraakt, niet weet waarheen g´ u wend´, nu voer ´k u meed´ en stel u in uws vaders hand.

Koor
Verwantschap is toch een geweldig iets. In nood is er niets beter dan een vriend uit ´t eigen huis.

Hermione
Bij ´t huwelijk van mij zal vader wel genoeg beslommeringen krijgen, en ´t oordeel voegt mij niet. Maar voer mij toch zo snel gij kunt hier uit dit huis, dat niet mijn echtgenoot ons door zijn komst verrast, of Peleus, op ´t vernemen dat ik ´t huis verlaat zijns zoons, ons najaagt met zijn span en achterhaalt.

Orestes
Stel u gerust omtrent den grijsaard; en Achilles´ zoon, vrees dien volstrekt niet: te krenkend heeft hij mij gehoond. Want reeds is voor hem klaar de welgevlochten greep des doods, door deze hand, met onverwrikbren strik, waarvan ik van te voren niet gewaag, maar die de rots van Delphi weten zal na volbrachte daad. De moedermoordenaar, zal, zo de eed, die in het Delphisch land mijn lijftrawanten zwoeren, kracht behoudt, hem leren niet te huwen met mijn gaad´. En bitter zal hem ´t vragen om verzoening voor den moord zijns vaders bij den heerser Phoibos zijn; ´t berouw zal hem niet baten, hij betaalt zijn straf. Door toedoen van dien god en d´ aanklacht uit mijn mond zal hij ellendig sterven en leren wat het is mijn vijandschap te lijden. Want een god verkeert het lot van vuige mannen en beknot hun trots.

10. Vijfde koorlied 10; 1009-1046

Koor - strofe
O Phoibos, gij die d´ heuvel van Ilion, hoog met muren vestigd´, en gij gebieder der zee, die ´t vlak der waatren met uw donkere paarden berijdt: waartoe leendet gij eerloos d´ hand, die zo vaardiglijk wrochtte, aan den verdelgenden krijgsgod en geeft gij jammerlijk, jammerlijk prijs uw eigen Troje,

antistrofe
bespannend bij des Simoeis´ boorden de vele wagens, schoon van paarden, en stokend den bloed´gen kamp van mannen zonder lauwer? Verzwonden zijn, heengegaan, Troje´s koon´ngen, Ilios´ vorstlijke zonen, en op de outers van ´t heilige Troje vlamt niet meer / offervuur geurend voor de goden.

strofe
D´ Atried´ is heengegaan door de hand van zijn gaad´; zij zelf betaalde d´ euvele moord met den dood en viel door haar kindren: de god, de god / keerde zich tot haar door zijn orakelend gebod, toen Agamemnons telg haar, vanuit Argos getogen naar zijn hoogheilig gebied, / doodd´ als moedermoordenaar. O God, O Phoibos, hoe kan / ik ´t verstaan?

antistrofe
Ook Hellas´ dochtren slaakten alom in den land´ op ´t plein der stad haar klacht´ om den dood van haar zoons. Velen ook verlieten haar huis voor an/dren genoot. Niet slechts aan u overkwam rampspoedig verdriet, noch aan uw vrienden: geheel Hellas duldt leed, duldt leed, want de bliksem die Trooj´ / nedersloeg kwam neer op ons en droppeld´ op / ´t vruchtbaar land / bloed des doods.

11. Vijfde akte 11; 1047-1288

Peleus
Vrouwen van Phthialand, geeft mij op mijn verzoek bescheid. Een vaag verspreid gerucht bereikte mij dat Menelaus´ dochter dit huis verlaten heeft en heengetrokken is. Ik kom in haast hier om te horen of dit waar is. Want hem die te huis blijft gaat het lot van vrienden in den vreemd´ ter hart.

Koorleider
´t Gerucht is juist, vorst Peleus. ´t Waar voor mij niet schoon verborgen t´ houden in wat leed ik mij bevind; de koningin is heen, voortvluchtig uit dit huis.

Peleus
Wat voor een vrees beving haar? Zeg het mij geheel.

Koorleider
Zij sidderde voor haren man, dat hij haar verstiet.

Peleus
Toch niet beducht dat hij haar dood beramen zou?

Koorleider
Ja, juist. En ook uit angst voor de gevangen vrouw.

Peleus
Verliet zij ´t huis met haren vader? Of met wien?

Koorleider
De zoon van Agamemnon voert haar uit het land.

Peleus
Door welke hoop geleid? Wil hij haar huwen soms?

Koorleider
Hij broedt óók op het doodslot van Achilles´ zoon.

Peleus
Tersluiks, of zal hij ´t doen in openlijken strijd?

Koorleider
In ´t heiligdom van Loxias met Delphiërs saam.

Peleus
Wee mij, dat is zeer dreigend. Laat iemand ten snelst naar d´ heilige haard van Pytho gaan om dat, wat hier zich openbaarde, aan de vrienden daar te melden, voor dat voor zijn vijanden Achilles´ zoon bezwijkt.

Bode
Wee mij, wee. Van wat voor ongeluk kom ik als rampspoedbood´ voor u, eerwaard´ge en voor de vrienden van mijn heer.

Peleus
Helaas. Mijn ziel verwacht in voorgevoel iets ergs.

Bode
Verneem het dan: de zoon van uw zoon is niet meer, o Peleus. Dat bezorgde hem de slag van ´t zwaard van Delphiërs mèt den Mykeensen vreemdeling.

Koorleider
Ach, wat toch zult gij doen, eerwaard´ge? Val toch niet. Richt u weer op.

Peleus
Weg is mijn leven. ´k Ben niet meer. Mijn stem begeeft mij. Krachtloos zinkt mijn knie ter aard´.

Bode
Kom, hoor, zo gij het lot der uwen wreken wilt, al het gebeurd´; richt uw gestalte overeind.

Peleus
O Lot, hoe wreed omvangt gij mij, rampzalige, reeds op den uitgangsdrempel van den ouderdom. Hoe kwam de zoon mijns een´gen zoons, zijn een´ge ook, om? Spreek op: hoewel niet aan te horen, hoor ik ´t aan.

Bode
Zodra wij dan betraden Phoibos´ roemrijk oord, verlustigden wij d´ ogen aan den aanblik, wel drie stralend´ ommegangen van het zonlicht lang. Dat wekte blijkbaar argwaan. ´t Volk van d´ heilige stad stak ´t hoofd bijeen en schoolde groepsgewijs tesaam. De zoon van Agamemnon, bij zijn doortocht door de stad, sprak voor elks oor het kwaadgezinde woord: Ziet gij dien man, die de gewelven van den god, schatkameren der mensen, vol van goud, doorschrijdt, reeds voor de tweede maal hier, met hetzelfde doel als eertijds, tot verdelging van Apollo´s erf? Metéén ging bruisend door de stad een woeste golf van kwaad; de overheid stroomt samen in het raadsgebouw, ook de beheerders zelf van d´ have van den god, verordenen een wacht in het omzuilde huis. Wij echter kwamen, in ´t minst nog niet hierop bedacht met schapen, grootgebracht in ´t lommerrijke woud op den Parnas, en stonden voor het brandaltaar, verzeld van priester en van zaakbehartigers. Eén zeide toen: o jonkman, wat wilt gij dat wij tot Phoibos bidden? Wat is de reden van uw komst? Hij zeide: Phoibos willen wij voor ´t kwaad, hem eens bedreven, boete doen. Want eertijds eiste ik dat zelf hij voor het bloed mijns vaders boeten zou. Toen bleek, wat kracht Orestes´ woord daar had gehad, dat ingeblazen had dat mijn heer loog, want dat hij kwam voor schandelijke daad. Hij gaat den wel-gevesten tempel in, om vóór ´t orakel tot Apol te bidden; juist stond hij aan ´t brandaltaar, daar stelt zich in zijn weg, met lauwertak omkranst, de bend´, het zwaard ontbloot, en Klytaemnestra´s telg was een van hen, de sluwe smeder van dit kwaad. Hìj stelde zich voor ´t aangezicht en bad den god, en zìj, gewapend met het scherpgewette zwaard, steken Achilles´ zoon, hem, onbeschermd, tersluiks. Hij wijkt dan achterwaarts, want niet was dodelijk de wond; hij trekt zijn zwaard en na het wapentuig, gehangen aan een zuil, te hebben afgerukt, vloog hij het altaar op, verschrik´lijk krijgsman om te zien. Tot Delphi´s zonen schreeuwt hij vragend uit: Waarom toch doodt gij mij, als ik deez´ vromen gang hier ga? Om welke schuld moet ik te gronde gaan? Doch niemand van die tallozen sprak van dichtbij hem toe; zij wierpen hem met stenen uit de hand. Benard door dezen dichten hagel allerzijds keert hij de rusting naar den vijand en pareert den slag door ´t schild nu hier dan daar te strekken met de hand. Maar hij bereikte niets. Doch allerhande tuig kwam tegelijk hun voor de hand, het dubbel spit, uit ´t vlees getrokken, pijlen, sprieten, offermes. Geduchte wapendans hadt gij gezien uws zoons, zich hoedend voor de schichten. Daar zij in hun kring hem dicht omsloten hielden en verpozing niet gegeven werd, ontruimd´ hij ´t altaar, dat het vee ontvangt, en met den Troojsen sprong springt hij in ´t midden van den troep. Als duiven op ´t gezicht eens haviks, keerden zij den laffen rug ter vlucht. Struiklend d´ een over d´ ander vielen velen neer door eigen wonden, zich wringend door de nauwe ruimt´, en in het plechtig huis weergalmd´ onplechtig, door de rots weerkaatst, geschreeuw. Als opgeklaard stond hij een wijle, stralend in het flonkrend wapentuig, tot midden uit het heiligste een schrikbre stem en angstaanjagend klonk, die ´t laffe heir aandreef en tot verweer deed keren. Uw Achilles´ zoon valt door het scherpgewette zwaard, getroffen in de zij door Delphisch man, waarvan hijzelf er veel verslagen had. Wie was er, toen hij op den grond gezegen lag, die niet met zwaard of steen hem trof en beukte? Door gruwelijke wonden is zijn lijf, schoon van gestalte eens, geheel te grond´ gegaan. Zijn lijk, gelegen dicht aan ´t outer, wierpen zij verachtelijk buiten ´t wierookgeurig heiligdom. En wij, wij grepen met gezwinde hand het lichaam op en brengen ´t u, opdat gij hem met jammerklacht beweent, o grijz´, en hem in d´ aarde eervol bergt. Dat deed de Heer, die andren zijn orakels geeft, hij d´ opperste beschikker voor den mens van ´t recht, aan uw Achilles´ zoon, toen hij daar boete deed, gedachtig, als was hij de snoodst ontaarde mens, aan oude vijandschap. Hoe achten wij hem wijs?

Koor
Zowaar daar genaakt mijn vorst reeds het huis, gedràgen uit ´t verre Delphische land. Rampzalig die leed, rampzalig ook gij, bedaagde; g´ ontvangt toch den welp uws zoons in huis terug, doch niet zó als gij wilt, want zelf trof u door de rampen uws zoons hetzelfde droevige noodlot.

Peleus
Wee mij, wat ramp zie ik hier voor mijn ogen en welk een ellende ontvang ik in handen, wee mij, helaas, wee, wee. Stad van Thessalië, heen is mijn leven, ach, weg is ´t geslacht en mijn kinderen zijn niet meer, ledig mijn woning. Ik ongelukkige, wee om mijn rampen; waar vind ik verkwikking, wie rest m´ als vriend nog? O lieve mond, lieve knieën en handen, och, had toch het noodlot u weggerukt eertijds aan den Simoeis in Troje.

Koor
Hij waar´ geëerd, o grijsaard, evenals door hen hier, na zijn dood, maar uw lot waar´ gelukkiger.

Peleus
Huwelijk, huwelijk, dat deze woonstee, en ook onze stad mee vernietigde, redd´loos. Helaas, helaas, o kind, och hadd´ d´ afschuwlijke eer van dat huwlijksbed, dat als verderf over kindren en huis mij kwam, toch over u, kind, nooit door Hermione´t doodsnet geworpen, maar ging het te voor´ door bliksemvuur onder; och hadd´ ook nimmer een sterveling ´t edele bloed van uw vader, om moordende schietkunst, aan god Phoibos aangerekend.

Koor
Eilacy, eilacy, mijn doden heer zal ik de klacht naar der gestorv´nen zeed´ instemmen.

Peleus
Eilacy, eilacy, mijn tranen verbeurten uwe klacht; wee mij rampzalig´ in mijn grijsheid.

Koor
Een god beschikte, een god volvoerde deze ramp.

Peleus
O zoonlief, gij liet mij eenzaam in mijn woning, wee mij, ach, ach, gij doodt mij, kinderlozen oud´.

Koor
Gij hadt, o grijsaard, moeten sterven vóór uw kind.

Peleus
Waàrom ruk ik niet het haar mij uit het hoofd en beuk mijn hoofd met ongenaad´ge slag van vuisten? O stad, o stad, Phoibos beroofde mij / van mijn beide kindren.

Koor
O gij die veel leed ervoer, rampzalig´ oude held, welk leven zult gij voortaan hebben?

Peleus
Van kindren beroofd en eenzaam, zal ik zonder eind´ tot aan mijn dood ellende putten.

Koor
Vergeefs prees god en mens u zalig om uw echt.

Peleus
Gevloden, verzwonden is al wat mij sierde, wee mij, ach, ach, en verr´ is hooggestemde pronk.

Koor
Alleen zult gij verkeren in een eenzaam huis.

Peleus
Niet meer heb ik nog een stad, tegen den grond mijn heersersstaf. En gij, o Nereus´ dochter in ´t diepst van uw grot, vernietigd ziet / gij ter aard´ mij zinken.

Koor
Helaas, helaas. Wat beweegt zich daar? Wat voor godlijks ontwaar ik? Docht´ren, schouwt aandachtig, ziet toé toch; daar schrijdt wel een god, door blanke luchten op wieken gevoerd, om ´t Phthiische land, door paarden begraasd, te betreden.

Thetis
O Peleus, om onz´ vroeg´re echtverbintenis verliet ik, Thetis, Nereus´ woning en kom hier. En allereerst dan spoor ´k u aan niet al te zeer verdriet te hebben over ´t onderhavig leed. Ook ik toch, die behoorde zonder tranen kind te baren, verloor den zoon die ´k bij u voortbracht, snel ter voet, Achilles, van heel Hellas d´ eerste held. Waarvoor ik hier kom, zal ´k u melden; gij, hoor toe. Begraaf den telg van mijn Achilles, die den dood vond, heengetrokken naar het Pythisch brandaltaar, een smaad voor ´t Delphisch volk, en laat zijn graf den gruwbren dood verkonden door Orestes´ hand. De krijgsgevangen vrouw, ´k bedoel Andromache, moet g´ in ´t Molottisch land, o grijsaard, vestigen, in wett´gen echt verenigd met haar Helenos: en ook dit kind, die van den stam van Aiakos de enig overlevend´ is. Want uit hem moet koning na koning van ´t Molottisch land voortkomen in geluk´ge reeks. Want het geslacht van mij en u mag niet vernietigd worden, held, noch ook ´t geslacht van Troje, want ook dit gaat nog den goôn ter hart´, al viel het ook door Pallas´ wil. U zal ik, opdat gij de gunst genieten moogt van onzen echt, van menselijk´ ellend´ bevrijd, onsterflijk, onverganklijk, maken tot een god, ik zelf godin, van goddelijken vader ´t kind. Dan zult gij eeuwig met mij saam in Nereus´ huis als god te samen wonen met den ouden god. Wanneer gij daarvandaan uw voet richt uit de zee naar ´t droge land, zult gij dien liefsten zoon van u en mij, Achilles, wonen zien op ´t eiland met de blanke kust in ´t midden der gastvrije zee. Doch reis naar Delphi heen, de stad door god gebouwd, bezorg dit lijk en berg het in de aard´; kom dan naar d´ holle uithoek van het oude klippenrif van Sepia. Zet u daar neer en wacht tot ik uit zee met Nereus´ schaar´ van vijftig dochtren kom om u te halen. Want wat u beschoren is moet gij gelaten dragen. Zo is Zeus´ besluit. Laat af van ´t treuren over de gestorvenen: want over alle mensen is dit vast beschikt als vonnis van de goden: sterven is hun lot.

Peleus
Eerwaard´ge vrouwe, eed´le deelster van mijn spond´, gij telg van Nereus, welkom. Wat gij dus bedrijft, doet gij, u zelve waardig en uw kinderen. Ik staak mijn treuren, godlijke, op uw bevel, en spoed mij naar de kloven van den Pelion, als deez´ begraven is, want daar ontving ik u. Moet men niet trouwen uit een luisterrijk geslacht, en ook aan eed´len huwen, als men goed beraadt, en immer schuwen een oneerzaam echtverbond, zelfs als het rijke bruiloftsgift meebrengt in huis? Want nooit gewordt dan van de goden kwaad uw deel.

Koor
Veelvuldig is het godlijk bestier, veel onverhoopt brengen de goden tot stand. Zelfs dat wat verwacht werd wordt niet vervuld en ´t nimmer gedachte verwerklijkt een god. Zo was van dit treurspel de afloop.

© 2017 Maarten Hendriksz