Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Euripides - Bacchanten

Bron:

let.leidenuniv.nl

Betoog

Onderwerp van Bacchanten is de invoering van de nieuwe godsdienst van Dionysus in de Griekse stad Thebe, waar hij als zoon van Zeus en een Thebaanse prinses zou zijn geboren, en de vernietiging van de Thebaanse koning Pentheus en zijn vrouwelijke familieleden, die zich tegen de invoering verzetten

Personages

Dionysus, de god van wijn en extase
Koor, van Lydische vrouwen
Tiresias, blinde ziener
Cadmus, stichter van Thebe, grootvader van Pentheus
Pentheus, de koning van Thebe
Adjudant, van Pentheus
Eerste bode
Tweede bode
Agave, dochter van Cadmus, moeder van Pentheus

Proloog regel, 1; 1-63

Dionysus
Gekomen ben ik, zoon van Zeus, naar dit Thebaanse land, Dionysus, die eens baarde de dochter van Cadmus, Semele, verlost door bliksemvuur. Nu heb ik, een god, een menselijke gedaante aangenomen en ben hier bij Dirces stromen en Ismenos’ water gearriveerd. Ik zie het gedenkteken voor mijn door de bliksem getroffen moeder hier vlakbij: de ruines van het paleis, die nog smeulen met de gloed van Zeus’ vuur, onsterfelijk bewijs van Hera’s hybris jegens mijn moeder. Ik prijs Cadmus, die dit terrein onbetreedbaar heeft verklaard, een heiligdom voor zijn dochter. En met het druivenrijke groen van de wijnstok heb ik het omhuld.

Vertrokken ben ik uit de goudgele velden van de Lydiërs en Phrygiërs; ik reisde door de zongeblakerde hoogvlakten der Perzen, langs Baktrië’s steden, door het kille land der Meden, door welvarend Arabië en door heel Azië, dat aan de de zilte zee ligt, met fraaiommuurde steden vol met Grieken en barbaren, die daar door elkaar wonen. Deze stad hier is de eerste die ik in Griekenland aandoe, nu ik Azië aan het dansen heb gebracht en daar mijn mysteriën hebben ingesteld, zodat de stervelingen mijn goddelijke status zouden erkennen. Thebe heb ik hier als eerste stad van Griekenland mijn jubelschrei geleerd: ’s mensen huid bekleedde ik met een hertevel en in de hand ik gaf hun een thyrsos, dat klimopwapen. Want de zusters van mijn moeder (die dat het minst van al hadden moeten doen) hielden vol te beweren dat ik, Dionysus, geen zoon van Zeus was, maar dat Semele na het bed te hebben gedeeld met een sterveling het gevolg van haar misstap op Zeus had afgewenteld – een slim bedenksel van Cadmus.

Dáárom is het dat Zeus haar heeft gedood, zo verklaren zij luid: omdat zij loog over haar affaire. En dat nu is de reden waarom ik deze zelfde vrouwen hun huis heb uitgejaagd in extase. Zij verblijven nu in de bergen, buiten zinnen, en ik heb hun de uitrusting van mijn cultus opgelegd. Ja, heel het vrouwelijk geslacht der Kadmeeërs, alle vrouwen in de stad, deed ik in razernij hun huis verlaten: samen met de dochters van Cadmus, een gemengd gezelschap, zitten zij nu open en bloot op de rotsen onder de groene sparren. Want deze stad dient nu voor eens en voor goed te leren, of zij wil of niet, wat het is om niet ingewijd te zijn in mijn cultus; Voor Semele, mijn moeder, moet ik mij opwerpen door aan stervelingen te verschijnen als de god die zij Zeus heeft gebaard. Cadmus nu heeft zijn waardigheid, de koninklijke macht, aan Pentheus overgedragen, de zoon van zijn dochter, die zich verzet tegen mijn goddelijke verering: van plengoffers weert hij me en in zijn gebeden noemt hij me nooit. Daarom zal ik hem bewijzen dat ik wel degelijk een god ben – hem en alle Thebanen.

En dan, wanneer ik de zaken hier heb rechtgezet, zal ik mij naar een ander land begeven om mezelf daar te manifesteren. Maar als de stad der Thebanen in woede met wapens probeert de Bacchanten uit de bergen te verjagen, dan zal ik mij als veldheer aan het hoofd stellen van mijn maenaden. Daarom heb ik het aanschijn van een sterveling aangenomen en heb ik mijn gedaante in die van een mens veranderd. Maar kom, jullie die de Tmolos hebben verlaten, muur van Lydië, – mijn thiasos, de vrouwen die ik uit barbarenland heb meegebracht als helpsters en reisgenoten, hef op de instrumenten die thuis zijn in de stad van de Phrygiërs, jullie tympanen, uitvinding van moeder Rhea en mijzelf. Omsingel dit koninklijk paleis van Pentheus en trommel hard, zó dat Cadmus’ stad het ziet. Ik zal intussen naar de Bacchanten gaan, naar de valleien van de Cithaeron, waar zij zich ophouden, en delen in hun koren.

02. Eerste Koorlied, regel 2; 64-169

Koor
Uit Azië, vertrokken van de heilige Tmolos, snel ik voor Bromios – een aangename inspanning, de moeite vermoeit mij niet – en zing mijn Bacchantenlied. Wie is er op de weg? Wie is er op de weg? Wie is er in het paleis? Dat hij naar buiten komt en zich rein betoont met gewijde stille mond: want altijd zal ik zoals het hóórt Dionysus bezingen.

strofe
Gelukkig wie door de god gezegend, in de mysteriën der goden ingewijd, rein zijn leven leidt en zijn ziel laat deelnemen aan de thiasos, door in de bergen Bacchische riten te vervullen met heilige reinigingen, en de riten van de Grote Moeder, van Cybele, te vervullen; wie zwaaiend met de thyrsos en bekranst met klimop Dionysus dient. Voort Bacchanten, voort Bacchanten, die Bromios, god en godenzoon, Dionysus, escorteren van de Phrygische bergen naar de dansbrede straten van Griekenland;

antistrofe
Bromios, die eens in dwang van barenswee, door het vliegen van Zeus’ donder prematuur werd gebannen uit de schoot van zijn moeder, die het leven liet bij die bliksemslag. In zijn kraambed nam hem terstond op de Kronide Zeus: die verborg hem in zijn dij en sloot die met gouden spelden, om hem te verbergen voor Hera. En hij baarde, toen de Moiren vervulling brachten, een god met stierehorens en kroonde hem met slangenkransen: dáárom is het dat de Maenaden die prooi die dieren tot prooi maakt om hun lokken winden.

strofe
Semele’s voedster, Thebe, bekrans u met klimop, zwelg, ja zwelg in bessenpracht van frisgroene milax en maak u tot Bacchante met eikeof dennetakken; uw gewaden van hertevel, bontgevlekt: versier ze met witte wolharen vlechten. Maak uw narthex rondom rein van hybris. Dadelijk zal het hele land dansen, wanneer Bromios de thiasoi voert de bergen in, de bergen in, waar zijn vrouwenmeute wacht, van weefgetouw en weefspoel weg, gestoken door Dionysus.

antistrofe
Schuilplaats der Koureten, hoogheilige Kretenzische grot die Zeus voortbracht, spelonk waar de driegehelmden, de Korybanten, mij deze rekhuidring uitvonden. In hun Bacchische symfonie mengden zij die met zoetgevooisd Phrygisch fluitgeblaas en legden hem moeder Rhea in de hand – ritme voor het vreugdelied der Bacchanten; en de uitzinnige Satyrs kregen hem van de Moedergodin en verbonden hem aan de koren van de tweejaarlijkse festivals waarin Dionysus zich vermeit.

nazang
Heerlijk wanneer hij in de bergen uit de rennende thiasoi op de grond valt in zijn hertevel, zijn cultusgewaad, in zijn jacht op bokkenbloed, het genot van raw vlees, snellend naar de bergen van Phrygië en Lydië: hij is de leider, Bromios, euhoi! De aarde stroomt van melk, stroomt van wijn, stroomt van bijennektar. Als van Syrische wierook is de rook wanneer Bacchos met de vurige fakkelvlam van de narthex voortijlt en rennend en dansend de dwalenden uitdaagt, ze opjut met kreten en zijn weelderige lokken in de lucht werpt. En bij zijn vreugdekreten klinkt: “voort Bacchanten! voort Bacchanten! Trots van de Tmolos, schenker van goud, eer met uw lied Dionysus bij de diepe dreun van de trommels. Breng vreugde met uw vreugdekreet aan de god der vreugdekreten met uw Phrygische gillen en schreeuwen, wanneer de schoongevooisde fluit, de heilige, met zijn heilig lied u roept te komen naar de bergen, de bergen!” Blij dan, als een veulen dat naast de moeder graast, voert zij haar vlugge voet in huppelpas, de Bacchante.

03. Eerste akte, regel 3; 170-369

De blinde, grijze ziener Tiresias komt op, gehuld in een hertenvel, met een krans van klimop om zijn hoofd en in zijn hand een thyrsusstaf.

Tiresias
Wie is er bij de poort? Roep Cadmus uit het huis, de zoon van Agenor, die de stad Sidon verliet en deze stad Thebe stichtte. Laat iemand gaan berichten dat Tiresias hem zoekt. Hij weet zelf wel waarom ik kom – om wat ik, een oude man, heb afgesproken met hem, een nog ouder man: de thyrsos op te nemen en hertevellen om te slaan en onze hoofden te bekransen met ranken van klimop.

Cadmus komt op.

Cadmus
Mijn beste vriend – want ik hoorde en herkende je stem, de wijze stem van een wijs man, van binnen in het paleis – hier ben ik, klaar om te gaan, met mijn attributen van de god. Want als zoon van mijn dochter moeten wij hem (Dionysus, die aan de mensen als god verschenen is,) naar ons beste vermogen eren. Waar moeten we dansen, waar moeten we onze voet neerzetten en ons grijze hoofd schudden? Verklaar jíj mij dat, Tiresias, al zijn wij beíden oud: want jíj bent wijs. Want nooit zou ik moe worden, noch ’s nachts noch overdag met mijn thyrsos op de grond te slaan. Vergeten zijn wij – wat een vreugde! – dat wij oude mannen zijn.

Tiresias
Dan vergaat het jou net als mij: want ook ik voel mij jong en ben vast van plan mij aan de dans te wagen.

Cadmus
Zullen wij niet op een wagen de bergen in gaan?

Tiresias
Nee, dat zou getuigen van gebrek aan respect voor de god!

Cadmus
Moet ik jou dan leiden als een kind, hoewel wij beiden grijsaards zijn?

Tiresias
De god zal ons twee ginder voeren, moeiteloos.

Cadmus
Zullen wij als enigen in de stad voor Bacchos dansen?

Tiresias
Ja, want wij als enigen hebben de juiste instelling, de anderen niet.

Cadmus
Genoeg getreuzeld nu: kom, pak mijn hand.

Tiresias
Hier, pak vast, dan slaan we de handen ineen.

Cadmus
Ik minacht de goden niet – ik, een sterveling.

Tiresias
Met verstand begin je niets wanneer het om de goden gaat. De tradities van onze voorvaderen, ja de tradities die zo oud zijn als de tijd, die laten zich door geen logische redenering vloeren, hoe intelligent ook het argument dat je zou bedenken.

Cadmus
Zullen ze mij niet zeggen dat ik mijn ouderdom te schande maak met mijn plan te dansen met mijn hoofd vol klimop?

Tiresias
Nee, want de god heeft geen onderscheid bepaald tussen jong en oud waar het de plicht tot dansen betreft: door iedereen wil hij geëerd worden, gemeenschappelijk en zonder iemand uit te zonderen wil hij groot gemaakt worden.

Pentheus komt snel op, met soldaten.

Cadmus
Omdat jij het daglicht hier niet ziet, Tiresias, zal ik voor jou optreden als woordentolk: hier komt Pentheus in alle haast naar het paleis, de zoon van Echion, aan wie ik de macht over het land heb overgedragen. Hij is helemaal van streek! Welk slecht nieuws zou hij komen vertellen?

Pentheus - tegen het koor
Het geval wilde dat ik weg was uit mijn land toen mij het nieuwe kwaad in deze stad ter ore kwam: dat onze vrouwen verdwenen zijn uit hun huizenin zogenaamde ‘Bacchische extase’ en in de schaduwrijke bergen samendrommen – die nieuwbakken god Dionysus, wie dat ook mag zijn, bewijzen zij eer met koren. Volle mengvaten stellen zij op temidden van hun thiasoi en ieder sluipt weg naar een eenzaam plekje om de lust van mannen te dienen – zogenaamd om als maenade te offeren natuurlijk, maar in werkelijkheid gaat Aphrodite hun boven Bacchos. Wel, de vrouwen die ik in de kraag heb gevat, die worden met gebonden handen door dienaren in de staatsgevangenis bewaakt en de vrouwen die nog missen, die zal ik uit de bergen jagen (Ino en Agave, die mij baarde aan Echion, en de moeder van Actaeon, ik bedoel Autonoë) en ik zal hen in ijzeren strikken vastzetten en zo een eind maken aan hun misdadige Bacchische extase, en wel snel. Naar verluidt is er een of andere vreemdeling op het toneel verschenen, een magiër en bedrieger uit Lydië, met geparfumeerde blonde lokken, een wijnrood gezicht en in zijn ogen de gratie van Aphrodite. Dag en nacht verkeert hij met de vrouwen – jonge vrouwen – en houdt hun extatische mysteriën voor. Maar als ik die man hier in dit land in mijn vingers krijg, dan zal ik een eind maken aan zijn thyrsosgestamp en haar- geslinger: door zijn hals van zijn romp te snijden. Zo’n kerel – hij durft te beweren dat er een god Dionysus bestaat; durft te beweren dat hij ooit ingenaaid is geweest in Zeus’ dij – het kind dat verteerd werd door bliksemvuur samen met zijn moeder, omdat zij een affaire met Zeus had verzonnen.s dat niet verschrikkelijk en de wurgdood waardig, de hybris van die vreemdeling, wie hij ook mag zijn.

Hij ontwaart beide grijsaards

Maar zie hier: nòg een wonderlijke vertoning. Ik zie de ziener, Tiresias, in bonte hertevellen en de vader van mijn bloedeigen moeder – belachelijk! – die met een narthex de Bacchant uithangt. Het spijt mij, vader, uw beider dwaasheid te moeten aanzien – u op uw leeftijd… Gooit u als de bliksem die klimop af! Uw hand is vrij:laat los die thyrsos, vader van mijn moeder. Jíj bent het die hem daartoe heeft gebracht, Tiresias! Jij wilt zeker door deze nieuwe god in te voeren voor de mensen meer vogelwichelen en geld verdienen met offers! Als je grijze ouderdom me niet tegenhield, dan zat je tussen de Bacchanten in het gevang wegens het invoeren van verderfelijke mysteriën. Want wanneer vrouwen het genot van wijn smaken bij hun maaltijd – zulke orgiën zijn volstrekt ongezond, daar heb ik geen goed woord voor over.

Koor
Wat een goddeloosheid! Vreemdeling, heb je dan geen respect voor de goden en voor Cadmus, zaaier van het gewas der Aardgeborenen; wil je als kind van Echion je geslacht te schande maken?

Tiresias
Wanneer een wijs man voor zijn woorden een goede basis kiest, dan is het niet moeilijk om goed te spreken. Maar jij hebt wel de radde tong van een verstandig man, en toch getuigen je woorden niet van verstand. Door vermetelheid wordt een machtig man en kundig spreker, een slecht burger zonder begrip. Wat die nieuwe god, die jij belachelijk maakt, betreft: niet uit te drukken is de grootheid, die hij in Griekenland zal bezitten. Want twee machten, mijn jongen, zijn onder de mensen het belangrijkst: eerst de godin Demeter, of Aarde, noem haar hoe je wilt; zij is het die de stervelingen met droog voedsel voedt. Nummer twee kwam later, haar tegenpool, de zoon van Semele, die de natte druivendrank uitvond en haar invoerde bij de mensen, de wijn, die bij armzalige stervelingen leed wegneemt, wanneer zij vol zijn van de wijnstokstroom, en die slaap en vergetelheid van dagelijkse beslommeringen schenkt, het enige medicijn tegen ellende. Híj ook is het die geplengd wordt aan de goden, zelf een god, zodat door hem de mensen het goede gewordt. En jij vindt hem belachelijk om het verhaal dat hij ingenaaid was in de dij van Zeus? Ik zal je leren hoe dat in werkelijkheid zit! Toen Zeus hem had gered uit het bliksemvuur en mee omhoog genomen naar de Olympus, de baby-god, wilde Hera hem uit de hemel verstoten. Maar Zeus bedacht een tegenplan zoals je van een god mag verwachten: hij brak een stuk af van de aether, die de aarde omringt, gaf Hera dat als gijzelaar en onttrok zo Dionysus aan haar machinaties. Mettertijd zijn de stervelingen gaan zeggen dat hij werd ingenaaid in Zeus’ dij door een woordsverwisseling – omdat de god aan de godin, aan Hera, ooit een gijzelaar gaf –, en verzonnen een verklaring. Een ziener ook is deze god: in Bacchische extase en razernij schuilt veel zienerskracht. Want wanneer de god in al zijn grootheid het lichaam bevangt, laat hij wie in extase is de toekomst voorspellen. Van Ares heeft hij ook zijn deel gekregen: een leger onder de wapens en in slagorde kan verslagen worden door paniek vóórdat het een lans heeft aangeraakt; ook dàt is razernij veroorzaakt door Dionysus. Verder zul je hem ook vinden op de rotsen van Delphi dansend met fakkels over het dubbeltops plateau zwaaiend en schuddend met de Bacchische rank, ja, groot in heel Griekenland. Laat míj je toch overtuigen, Pentheus: wees niet zo verwaand te geloven dat kracht macht is onder mensen en denk niet, als je denkt, maar je denkbeelden zijn ziek, dat je verstandig denkt. Ontvang de god in dit land, pleng, gedraag je als Bacchant, bekrans je hoofd. Niet Dionysus is het die vrouwen zal dwingen verstandig te zijn inzake Kypris: nee, in hun natuur ligt dat besloten. Bekijk het zo: ook in Bacchische extase zal een vrouw, als zij beheerst is, niet gecorrumpeerd worden. Zie je: jou doet het deugd wanneer voor je poorten een mensenmassa staat en de stad de naam Pentheus groot maakt. Ook de god, zo zou ik denken, houdt ervan vereerd te worden. Maar kom, ik en Cadmus, die jij belachelijk maakt, willen ons met klimop bekransen en gaan dansen – een grijs koppel zijn we, maar dansen zullen we – en ik ben niet van plan mij tegen de god te keren door naar jou te luisteren: want jij lijdt aan de meest pijnlijke waanideeën, een ziekte waarvan je noch mèt noch zònder medicijnen genezing zult kunnen vinden.

Koor
Oude man, Phoebos maak je met je woorden niet te schande en je doet er recht aan Bromios te eren: hij is een grote god.

Cadmus
Tiresias’ raad is goed, mijn jongen. Blijf in onze gemeenschap, overtreed haar regels niet! Want nu ben je los van de grond en je redelijkheid is onredelijk. En al bestaat die god niet, zoals jij beweert, zeg dan tòch dat hij bestaat en lieg voor de goede zaak dat hij Semele’s zoon is: wanneer men denkt dat zij een god heeft gebaard, zal dat ons tot eer strekken, ons hele geslacht. Je hebt toch wel het vreselijke lot van Actaeon voor ogen, die door rauw-vleesetende honden, die hij zelf had grootgebracht, is verscheurd, omdat hij had opgeschept een beter jager te zijn dan Artemis – in de bergen. Zorg dat jou dat niet overkomt! Kom hier, ik bekrans je hoofd met klimop. Bewijs de god mèt ons eer.

Pentheus
Handen thuis, oude man! Ga dan maar de Bacchant uithangen, als het moet, maar veeg je eigen dwaasheid niet aan mij af. Maar de leraar van jouw onverstand, hem hier, hem zal ik doen boeten. Laat iemand zo snel mogelijk vertrekken en wanneer hij bij de plaats is waar deze man de vogels observeert, licht die dan met stokken op en keer hem overhoop, gooi de hele boel ondersteboven een hoop bijeen en geef zijn linten prijs aan de rukwinden, want daarmee bijt ik hem het hardst. De anderen moeten de stad doorzoeken en die feminiene vreemdeling opsporen, die een nieuwe ziekte aan de vrouwen heeft gebracht en die hun bed bevuilt. En als jullie hem dan te pakken hebben, boei hem dan en breng hem hier, zodat hij zijn verdiende straf in ontvangst kan nemen: dood door steniging. Berouwen zal het hem dat hij Thebe in extase zag.

De soldaten gaan in vberschillende richtingen af

Tiresias
Ongelukkige, je weet niet wat je zegt! Je was al buiten jezelf, maar nu ben je echt waanzinnig. Laten wij in ieder geval gaan, Cadmus, en smeken voor hem daar, wild als hij is, en voor de stad, dat de god geen rare dingen doet. Kom, volg mij met je klimopstaf. Jij probeert míjn lichaam overeind te houden, ik het jouwe. Twee vallende oude mannen zijn een schandalig gezicht, maar het zij zo, want aan Bachus, zoon van Zeus, dient men zich slaafs te onderwerpen. Ik hoop maar, Cadmus, dat Pentheus geen leed over jouw huis brengt. Dat zeg ik niet als ziener, maar op grond van de feiten – want hij is dwaas en zegt dwaze dingen.

Tiresias en Cadmus af

04. Tweede koorlied, 4; regel 370-433

Koor - strofe
Reinheid, koningin der goden, Reinheid, die over de aarde uw gouden vleugel voert: hebt u gehoord wat Pentheus zei, gehoord zijn onreine hybris jegens Bromios, de zoon van Semele, in schoonbekranste feesten de meester van de goden? Tot wie dìt behoort: in thiasoi te dansen, te lachen bij de fluit en zorgen te vergeten wanneer druivenvreugde komt bij de maaltijd van de goden en bij de klimopversierde oogstfeesten het mengvat mannen hult in slaap.

antistrofe
Van een breidelloze mond, en onoverwogen recalcitrantie komt ongeluk; Wie leeft in harmonie en zich weloverwogen gedraagt treft geen storm en houdt zijn huis bijeen: want al zijn zij ver weg, de bewoners van de aether, de Uraniden, zien toch wat mensen doen. Slimheid is nog geen wijsheid en gedachten die een sterveling niet passen betekenen een kort leven – daarom: wie zou er nu door het grote na te jagen dat wat hij heeft verliezen? Zo’n man is niet goed bij zijn verstand en slecht beraden, als je het mij vraagt.

strofe
Naar Cyprus wil ik gaan, het eiland van Aphrodite, waar de verleiders van de mensengeest, de Eroten, wonen en Paphos, dat de honderdmondige stromen van de barbarenrivier vruchtbaar maken, regenloos; of naar de plaats van de lieflijke Pieria, waar de Muzen tronen, gewijde helling van de Olympus – dáárheen leid mij, Bromios, ja Bromios, de god die de Bacchanten voorgaat in hun extase. Daar wonen de Gratiën, daar woont Begeerte, daar horen Bacchanten hun orgiën te vieren.

antistrofe
De god, de zoon van Zeus, vermeit zich in feesten en houdt van de brengster van voorspoed, van Vrede, de godin die jongens tot wasdom laat komen. Gemeengoed, voor rijk en arm, is zijn geschenk, de heerlijke wijn, die leed wegneemt. Maar hij haat wie het versmaadt zijn dagen en nachten aangenaam door te brengen n steeds een prettig leven te leiden en wijselijk zijn geest en gemoed verre te houden van radikale mensen. Wat de massa, de gewone man, goed vindt en praktiseert: dàt wil ik accepteren.

05. Tweede akte, regel 5; 434-518

Dienaar
Pentheus, hier zijn wij met de buit van de jacht, waarop u ons had uitgestuurd: onze moeite was niet vergeefs. Ons beest hier bleek tam. Het vluchtte niet weg maar reikte ons zonder tegenstribbelen de hand. Hij werd niet bleek, zijn gezicht bleef wijnrood, nee, hij lachte en nodigde ons uit hem te boeien en voor te leiden: hij wachtte en maakte mijn taak gemakkelijk. En ik – ik kreeg onzag en zei: ‘Vreemdeling, het is niet uit vrije wil dat ik je arresteer, maar op bevel van Pentheus, die mij heeft uitgestuurd.’ Wat uw gevangenen betreft, de Bacchanten die u had opgepakt en geboeid had opgesloten in de staatsgevangenis: die zijn er vandoor. Zij huppelen vrij door de bergen en roepen Bromios aan als god. Geheel vanzelf lieten de boeien los van hun voeten en de grendels vielen van de deuren zonder menselijke tussenkomst. Veel wonderen heeft deze man hier meegebracht naar onze stad Thebe – maar dat is verder uw zorg.

Pentheus
Laat zijn handen los. Hij zit in mijn net en is niet zo snel, dat hij me kan ontkomen. Nou nou, vreemdeling, je lichaam is niet mis – als het om de vrouwtjes gaat tenminste, maar daar kwàm je toch ook voor? Je lokken zijn lang – en niet van het worstelen – en vallen wel tot op je kin – je wulpse kin. Wit is je gezicht: dat verraadt inspanning – niet in de zon, nee, in de schaduw, waar je met je schoonheid op Aphrodite jaagt. Maar vertel me nu eerst maar eens wie je bent.

Dionysus
Met alle plezier, dat laat zich eenvoudig zeggen. Je kent vast wel van horen zeggen de bloemrijke Tmolos?

Pentheus
Jazeker; die ligt rond de stad Sardis.

Dionysus
Daar kom ik vandaan en Lydië is mijn vaderland.

Pentheus
En vanwaar breng je deze mysteriën naar Griekenland?

Dionysus
Dionysus zelf gaf mij opdracht te gaan, de zoon van Zeus.

Pentheus
Er is daar een Zeus, die nieuwe goden verwekt?

Dionysus
Nee, het is die Zeus die híer een affaire had met Semele.

Pentheus
Was het ’s nachts of van aangezicht tot aangezicht dat hij je in zijn macht bracht?

Dionysus
Van aangezicht tot aangezicht deed hij dat en hij gaf me initiatieriten.

Pentheus
En die initiatieriten, wat is daarvan in jouw ogen de essentie?

Dionysus
Dat mag ik niet zeggen: als sterveling en niet-Bacchant mag men dat niet weten.

Pentheus
Wat is het voordeel dat zij brengen aan wie in extase is?

Dionysus
Het past niet dat u dat hoort, maar het loont de moeite het te weten.

Pentheus
Een fraai raadsel – om ervoor te zorgen dat ik het wìl horen.

Dionysus
Voor wie goddeloosheid praktiseert zijn ze gevaarlijk, de mysteriën van de god.

Pentheus
De god – je hebt hem immers duidelijk gezien, zeg je – hoe zag hij eruit?

Dionysus
Hoe hij maar wilde: daar had ik geen invloed op.

Pentheus
Dat is alweer een fraaie afleidingsmanoeuvre: je praat fraai maar zegt niets.

Dionysus
Wie tot een onwetende wijze woorden spreekt, loopt het risico dom te lijken.

Pentheus
Is dit de eerste plaats waar je de god komt brengen?

Dionysus
Elke barbaar danst deze riten al.

Pentheus
Natuurlijk, barbaren zijn ook veel minder verstandig dan Grieken.

Dionysus
Op dit punt toch zijn zij in ieder geval verstandig, al zijn hun gebruiken anders.

Pentheus
Deze riten, voer je die ’s nachts uit of overdag?

Dionysus
’s Nachts, voor het merendeel: want duisternis bergt gewijdheid.

Pentheus
Maar voor vrouwen list en corruptie…

Dionysus
Schande komt ook overdag wel aan het licht.

Pentheus
Straf verdien je, voor die lage sofismen.

Dionysus
En jij voor je onbegrip en je gebrek aan respect voor de god.

Pentheus
Een vermetel man, die Bacchant, een lenig spreker!

Dionysus
Kom, zeg dan welke straf ik krijg. Wat voor vreselijks kun je me aandoen?

Pentheus
Eerst zal ik je delicate lokken afsnijden.

Dionysus
Mijn haar is gewijd: voor de god laat ik dat groeien.

Pentheus
En verder: geef die thyrsos af.

Dionysus
Pak hem zelf maar af: hij is van Dionysus.

Pentheus
In de gevangenis zullen we jouw persoontje bewaken.

Dionysus
De god zelf zal mij bevrijden wanneer dat míj belieft.

Pentheus
Ja hoor, zeker wanneer je hem aanroept tussen je Bacchanten.

Dionysus
Ook nu ziet hij wat mij wordt aangedaan: hij is vlakbij.

Pentheus
En waar mag hij dan wel wezen? Míjn ogen zien hem niet.

Dionysus
Bij mij; alleen jij als godslasteraar ziet hem niet.

Pentheus
Grijp hem! Hij beledigt mij en Thebe, deze vent.

Dionysus
Ik zeg jullie: sla mij niet in de boeien! Ik handel verstandig, jullie niet.

Pentheus
Maar ik zeg: in de boeien – en ik heb meer gezag dan jij.

Dionysus
Jij weet niet hoe je leeft, niet wat je doet, niet wie je bent!

Pentheus
Pentheus ben ik, zoon van Agave, en mijn vader is Echion.

Dionysus
Rijp voor ongeluk ben je, met zo’n naam.

Pentheus
Weg! Sluit hem op bij de paardenruiven, zodat hij diepe duisternis ziet. Ga daar maar dansen! En deze vrouwen, die jij hebt meegebracht, jouw zusters in het kwaad, die zal ik verkopen of ik zal hun hand met dit kabaal en tromgeroffel doen ophouden en hen houden als slavinnen aan het weefgetouw.

Dionysus
Ik ga al: ik zal mij toch zeker niet laten aandoen, wat ik mij niet hoef te laten aandoen. Maar bedenk: voor de prijs van deze hybris zul je aangeslagen worden door Dionysus – die volgens jou niet bestaat. Want door ons onrecht te doen, sla je hèm in de boeien.

06. Derde koorlied, regel 6; 519-575

Koor - strofe
Dochter van Acheloös, machtige maagd Dirce – want u was het die eens in uw stromen Zeus’ baby ontving, toen in zijn dij uit het onsterfelijk vuur Zeus, de vader, hem redde en riep: ‘Kom, Dithyrambos, kom hier in mijn mannenschoot; ik openbaar je, Bachus, bij die naam zal Thebe je noemen.’ Maar u, gezegende Dirce, u verjaagt mij nu ik kransdragende thiasoi bij u houdt. Wat hebt u tegen mij? Waarom ontloopt u mij? Pas op, er komt een tijd dat u de druivenrijke vreugde van Dionysus’ wijn, wanneer u Bromios zult achten!

antistrofe
Hij toont zijn chthonische afkomst, Pentheus: dat hij afstamt van de slang die Echion verwekte, de aardgeborene; een woest monster is hij, geen sterfelijk man, maar een moorddadige gigant, een vijand van de goden, die mij, volgelinge van Bromios, dadelijk in de boeien zal slaan. Mijn broeder houdt hij al vast binnen in zijn paleis, mijn thiasosgenoot, verborgen in zijn duistere kerkers. Ziet u dit, zoon van Zeus, Dionysus, hoe uw voorspreeksters vechten tegen dwang? Kom, zwaaiend met het gulden gelaat, heer, de thyrsos, vanaf de Olympus en doe deze moorddadige man ophouden met zijn hybris.

nazang
Waar op de Nysa, beestenvoedster, leidt jij dan met de thyrsos de thiasoi, Dionysus – of ben je op de Korykische toppen? Misschien ben je wel in de dichtbeboste valeien van de Olympus, waar eens Orpheus met zijn lier de bomen bijeenbracht met zijn muziek, de wilde dieren bijeenbracht. Gezegend gij, Pieria: Euios vereert u met zijn aanwezigheid; komen zal hij met zijn koren van Bacchanten; door de snelle stroom van de Axios zal hij zijn zwierende maenaden voeren en naar Lydias, de welvaartschenker, vader van menselijk geluk, die naar verluidt het land met mooie paarden met zijn prachtige water verrijkt.

07. Derde akte regel, 7; 576-861

Dionysus
Io! Horen jullie mijn stem; horen jullie haar? Io Bacchanten! Io Bacchanten!

Koor
Wie is daar? Wie is dat? Waar kwam die kreet vandaan die mij riep, de kreet van Euios?

Dionysus
Io io! Ik herhaal mijn roep, zoon van Semele, zoon van Zeus!

Koor
Io io! Meester! Meester! Kom nu in onze thiasos, Bromios, o Bromios!

Dionysus
Schud de aarde van dit land, meesteres Aardbeving!

Koor
Ah, ah, zo dadelijk zal Pentheus’ paleis kapot geschud worden en vallen. Dionysus is in het paleis. Betoon hem eer! — Dat doen wij. Zien jullie de stenen op de zuilen, hoe ze daar uiteenwijken? Het is Bromios die daar schreeuwt binnen in het paleis.

Dionysus
De stralende bliksemtoorts erin! Verbrand, verbrand het huis van Pentheus!

Koor
Ah, ah, het vuur – zie je het niet, is het niet helder? – rond het graf van Semele, de gloed achtergelaten door de bliksemslag van Zeus’ onweer? Op de grond met je bevende lichaam, op de grond, maenaden: onze meester brengt het onderste boven en attackeert dit paleis, de zoon van Zeus!

Dionysus
Vrouwen uit barbarenland, zijn jullie zo van angst bevangen, dat jullie op de grond liggen? Jullie hebben dus gevoeld hoe Bachus Pentheus’ paleis uiteenschudde. Kom, til op je lichaam en wees gerust, ban de vrees uit je vlees.

Koor
O grootste licht van ons vreugdevolle Bacchanaal, wat doet het mij plezier om jou te zien in mijn eenzame verlatenheid.

Dionysus
Zijn jullie dan moedeloos geworden, toen ik naar binnen werd gebracht? Dachten jullie dat ik in een duistere kerker zou vallen?

Koor
Natuurlijk! Wie zou mijn beschermer zijn, als jou wat overkwam? Maar hoe heb jij jouw vrijheid herwonnen na je botsing met die godslasteraar?

Dionysus
Ik heb mijzelf bevrijd, eenvoudigweg en zonder moeite.

Koor
Had hij jouw handen dan niet geboeid?

Dionysus
Precies daarmee heb ik hem vernederd: terwijl hij dacht dat hij me boeide raakte hij me aan noch pakte me vast, maar voedde zich met illusie. Hij vond een stier bij de ruiven, waar hij me bracht om vast te binden, en het was om de knieën en hoeven van die stier dat hij zijn stroppen wierp. Hij snoof van woede, het zweet gutste van zijn lijf en hij beet op zijn lippen – en ik bleef in de buurt en zat rustig van dichtbij te kijken. Terwijl hij zo bezig was kwam Bachus en deed het paleis schudden en stak het moedergraf in brand. Pentheus zag dat, dacht dat het paleis in brand stond en rende van hot naar her. Hij gaf de slaven opdracht water te halen uit de Acheloös en iedere slaaf was in de weer – vergeefse moeite. Toen hij dat tenslotte had opgegeven, beving hem het denkbeeld dat ik ontsnapt was: en hij stormde met getrokken zwaard het paleis in. Toen veroorzaakte Bromios (dat denk ik tenminste: ik zeg het zoals het me voorkwam) een geestverschijning in de binnenhof. En hij stoof daarop af in vliegende vaart en prikte in stralende lucht, denkend dat hij míj afmaakte. Daar bovenop heeft Bachus dan nog deze andere kwellingen voor hem gestapeld: hij heeft het paleis tot op de grond vernietigd. Het ligt helemaal in puin: een bijzonder bittere ervaring is mijn gevangenneming voor hem geworden. Van uitputting heeft hij zijn zwaard laten vallen en is in zwijm gevallen. Dat krijg je er van als je als mens de brutaliteit hebt de strijd op te nemen met een god. Ik ben rustig het huis uit gelopen en naar jullie toegegaan, zonder op Pentheus acht te slaan. Maar mij dunkt – ik hoor namelijk voetstappen in het paleis – dat hij zovoor het huis zal verschijnen. Ik ben benieuwd wat hij na dit alles gaat zeggen: ik kan hem gemakkelijk aan, hoe hoog hij ook van de toren zal blazen – want als wijs man oefent men lakonieke beheersing.

Pentheus
Vreselijke dingen zijn mij overkomen. Hij is mij ontsnapt, de vreemdeling die zojuist nog gevangen zat in mijn boeien. Aiai!Hier is dat sujet! Wat is dat nu? Hoe kan het dat jij voor het huis verschijnt bij mijn paleis, naar buiten gekomen?

Dionysus
Stop je voet en plaats een kalme voet onder je woede.

Pentheus
Jij! Hoe kan het dat je aan de boeien bent ontsnapt en buiten bent gekomen?

Dionysus
Ik zei toch – luisterde je soms niet? – dat iemand me zou bevrijden!

Pentheus
Wie? Met je woorden draag je steeds weer verrassingen aan.

Dionysus
Hij die de wijnstok met vele druiventrossen doet groeien voor de mensen.

Pentheus
Dat is een fraai verwijt, dat je Dionysus daar maakt! Ik geef opdracht iedere poort te sluiten, rondom.

Dionysus
En dan? Komen goden dan niet ook over muren heen?

Pentheus
Jij wijsneus! Ja, wijs ben je, maar niet waar je wijs moet zijn.

Dionysus
Waar ik wijs moet zijn, daar vooral: zo is mijn aard – de mijne wel. Er nadert een bode Luister nu eerst naar die man daar en hoor wat hij te zeggen heeft: hij is uit de bergen gekomen om je een boodschap te brengen. Wat ons betreft, wij zullen blijven en je niet ontvluchten.

Bode
Pentheus, heerser van dit land, van Thebe, ik kom van de Kithaeron, waar nooit de helderwitte sneeuw ophoudt te vallen.

Pentheus
Maar wat is je boodschap dan, als het zo ernstig is?

Bode
De koninklijke Bacchanten heb ik geobserveerd, die uit dit land als door een horzel gestoken hun blanke voet hebben afgevuurd, en ik kom zeggen – om u en de stad een dienst te bewijzen, heer – dat wat zij doen ongehoord is en meer dan wonderbaarlijk. Maar ik zou graag horen, of ik u vrijuit kan vertellen wat daar gebeurt of dat ik mijn verhaal moet reven: want ik ben beducht voor uw snelle oordeel, heer, en uw woede en al te koninklijk humeur.

Pentheus
Spreek: ik zal je in geen geval kwaad doen. Want wie in zijn recht staat mag niet boos te worden. Hoe ongehoorder de dingen die jij over de Bacchanten te melden hebt, des te meer zal ik de man die de vrouwen met die kunsten infecteerde, hem hier, aan straf onderwerpen.

Bode
De grazende kudden van jonge stieren bewogen zich juist richting de top van de berg – op het moment dat de zon zijn stralen uitzendt en de grond verwarmt –, toen ik drie thiasoi, drie vrouwenkoren zag. Eén werd geleid door Autonoë, een tweede door uw moeder Agave, het derde koor door Ino. Zij waren allen in slaap, hun lichaam was ontspannen; sommigen lagen op hun rug op dennenaalden, anderen hadden hun hoofd neergelegd op eikebladeren, in het wilde weg – maar fatsoenlijk: zij waren niet, zoals u denkt, dronken van wijn en dwaalden niet bij fluitmuziek door het woud op jacht naar Kypris. Uw moeder kwam overeind te midden van de Bacchanten en slaakte een jubelkreet om hen te wekken, toen zij het geloei hoorde van gehoornde runderen. En zij wreven de diepe slaap uit hun ogen en sprongen op – een wonder van discipline om te zien: jonge vrouwen, oude vrouwen en meisjes, nog ongetrouwd. En allereerst maakten zij hun haar los, zodat het op de schouders hing en zij schikten hun hertevellen, voor zover van die kledingsstukken de knopen los waren, en die gespikkelde huiden omgordden zij met slangen, die hun kin likten. Sommigen hielden in hun armen een reekalf of wilde wolvewelpen en gaven witte melk – de vrouwen die, omdat zij pas gebaard hadden, nog gezwollen borsten hadden en die hun babies thuis hadden achtergelaten. Zij bekransten zich met klimop en eikebladeren en bloeiende milax. Eén nam er haar thyrsos en sloeg op een rots: daaruit ontsprong een dauwige stroom water. Een ander liet haar narthex neerkomen op de grond en daar deed de god een bron van wijn opwellen. 'Wie dorstte naar de witte drank woelde met zijn vingertoppen in de aarde en kreeg melk in stromen. En uit de klimopthyrsoi dropen zoete stromen honing, zodat u, was u aanwezig geweest, de god die u nu beschimpt met gebeden zou hebben vereerd vanwege dat schouwspel. En wij verzamelden ons, de koe- en schaapherders, om sterke verhalen uit te wisselen. (hoe zij ontzaglijke en wonderbaarlijke dingen deden) En een zwerver uit de stad, een gelikt spreker, zei tot de groep: ‘Bewoners van de gewijde bergplateaus, kom laat ons de moeder van Pentheus, Agave, van het Bacchanaal verjagen en zo een wit voetje halen bij de heerser.’ Dat was goed gezegd, vonden wij, en wij gingen tussen de bladeren van de struiken in hinderlaag liggen en hielden onszelf verborgen. Toen het vastgestelde uur aanbrak, bewogen de vrouwen hun thyrsos tot een Bacchanaal en riepen als uit één keel Iakchos aan, de zoon van Zeus, Bromios. De hele berg deed mee met hun Bacchanaal en de wilde beesten, ja alles bewoog in draf. Het kwam zo uit dat Agave vlak langs mij rende: ik sprong te voorschijn om haar te grijpen en verliet de schuilplaats waar ik me had verborgen. En zij riep uit: ‘Mijn dravende honden, wij worden bejaagd door deze mannen hier. Kom, volg mij volg mij met de thyrsos als wapen in je handen.’ Wij nu sloegen toen op de vlucht en konden zo voorkomen dat wij door de Bacchanten werden verscheurd; en die stortten zich toen op de grazende koeien – met blote handen! De één had u kunnen zien met een stevige jonge stier loeiend in haar gespreide armen; anderen trokken vaarzen volledig in stukken. U had de lendenen en gespleten hoeven moeten zien vliegen, van links naar rechts! Ze hingen in de sparren te druppen, besmeurd met bloed. Stieren, eerst gevaarlijk en agressief met hun horens, gingen nu struikelend door de knieën onder dwang van ontelbare meisjeshanden; en in een oogwenk was hun vleeskleed uiteengerukt, sneller dan u met uw koninklijke ogen kunt knipperen, en stoven zij als vogels weg in vliegende galop over de lager gelegen velden langs de Asopos, die het rijke graan van de Thebanen produceren. Hysiai en Erythrai, de dorpen die aan de voet van de Cithaeron liggen – als waren zij vijanden, zo stortten zij zich daarop en ze plunderden ze helemaal van onder tot boven. Tot kinderen aan toe roofden zij uit de huizen! En al wat zij op hun schouders laadden, werd niet door touwen vastgehouden, maar toch viel het niet op de donkere aarde, zelfs al was het brons of ijzer. In hun haar droegen zij vuur, maar zij brandden zich niet. De bewoners nu grepen woedend naar de wapens toen de Bacchanten hen overvielen– waarbij zich een ongelofelijk schouwspel voordeed, heer: de speren van de dorpelingen deden geen bloed te voorschijn komen, terwijl de Bacchanten door hun thyrsoi te werpen wèl verwondingen veroorzaakten en hen op de vlucht dreven. Vrouwen die mannen verjagen: daar moet wel een god achter zitten! Toen keerden de Bacchanten terug naar waar zij vertrokken waren, naar diezelfde bronnen die de god voor hen had doen ontspringen. Zij wasten zich het bloed af en de sporen op hun wangen wasten slangen met hun tong van de huid. Deze god, mijn heer, wie hij ook mag zijn, moet u in deze stad ontvangen, want hij hij is een grote god! En afgezien van al het andere: men beweert ook – dat heb ík tenminste gehoord – dat hij de schenker is van de wijn, die mensen verlost van ellende. Is er geen wijn, dan is er ook geen Kypris of enig ander genoegen meer voor de mensen.

Koor
Ik aarzel vrijuit te spreken tot de heerser, maar ik geef toch mijn mening maar: Dionysus doet voor geen enkele andere god onder.

Pentheus
Tot vlakbij is nu opgerukt het vuur van dit brutale Bacchantengeweld, Grieken onwaardig. Maar er is geen reden tot paniek: vooruit, ga naar de Elektrische Poort; geef opdracht aan alle schilddragers en berijders van snelvoetige paarden om bijeen te komen – en al wie schilden zwaait of pijlen schiet: wij zullen optrekken tegen de Bacchanten. Want dàt zou wel het toppunt zijn, dat wij ons door vrouwen laten aandoen wat ons overkomt!

Dionysus
Je zult geen concessies doen door naar mij te luisteren, Pentheus. Al is mij kwaad door jou geschied, toch geef ik je de raad: neem niet de wapens op tegen de god, maar bewaar je kalmte: Bromios zal het niet accepteren als jij de Bacchanten uit de bergen drijft, zijn cultusdomein.

Pentheus
Waag het niet mij de les te lezen, als je je zojuist herwonnen vrijheid wilt behouden: anders zal ik je straf terugdraaien.

Dionysus
Ik zou liever aan hem offeren dan boos te worden en tegen de doornen te schoppen: jij bent een sterveling, hij is een god!

Pentheus
Offeren? Ja, dat zal ik: vrouwenbloed – hun verdiende loon! In stromen zal ik het doen vloeien in de valeien van de Cithaeron.

Dionysus
Jullie zullen allemaal op de vlucht worden gejaagd. Als je schilden wijken voor de thyrsoi van de Bacchanten heb je er nog een schande bíj.

Pentheus
Er valt geen land met hem te bezeilen, deze vreemdeling met wie ik in de knoop ben geraakt: of ik hem nu straf of niet, hij houdt maar niet zijn mond.

Dionysus
Vriend, nog steeds kun je deze zaak tot een goed einde brengen.

Pentheus
Door wat te doen? Slaaf te worden van mijn eigen slaven?

Dionysus
Ik zal de vrouwen hierheen brengen, zonder wapengeweld.

Pentheus
O wee, daar beraamt hij alweer een nieuwe list tegen mij!

Dionysus
Hoezo list? Ik wil je juist redden met mijn kunsten.

Pentheus
Een gemeenschappelijk verbond is het, om altijd Bacchant te kunnen zijn!

Dionysus
Een verbond, precies, dàt is het: met de god.

Pentheus
Breng mijn wapens naar buiten – en jij, houd je mond!

Dionysus
Ah! Zou je ze niet in de bergen bijeen willen zien zitten?

Pentheus
Nou en of, daar zou ik zelfs een hele berg goud voor over hebben.

Dionysus
Hoe komt het dat dit verlangen je zo opeens heeft bevangen?

Pentheus
Het zou me natuurlijk wel pijn doen ze in opperste staat van dronkenschap te zien.

Dionysus
En toch wil je graag zien wat je pijn doet?

Pentheus
Reken maar – in het geheim natuurlijk: ik zal onder de sparren gaan zitten.

Dionysus
Maar ze zullen je op het spoor komen, al ga je stiekem.

Pentheus
Dan maar openlijk: het is maar goed dat je dat zei.

Dionysus
Zullen wij je dan brengen? Ben je bereid de reis te ondernemen?

Pentheus
Breng mij zo snel mogelijk: ieder uitstel reken ik je aan.

Dionysus
Trek dan nu een linnen peplos aan.

Pentheus
Wat is dat nu? Moet ik, een man, dan nog als vrouw eindigen?

Dionysus
Anders zullen ze je doden, als je je daar als man laat zien.

Pentheus
Alweer een goed advies: een slimme man ben je, dat blijkt maar weer.

Dionysus
Dionysus is het die mij al deze kunsten heeft geleerd.

Pentheus
Hoe kan ik jouw goede raad nu in daden omzetten?

Dionysus
Ik zal (mee) naar binnen gaan en je aankleden.

Pentheus
Waarmee? Met vrouwenkleding? Maar dat is beschamend!

Dionysus
Wil je dan niet meer dolgraag de maenaden zien?

Pentheus
Waarmee wil je me dan aankleden?

Dionysus
Lang haar zal ik over je hoofd uitspreiden.

Pentheus
En het tweede onderdeel van mijn uitdossing, wat?

Dionysus
Een peplos tot op je voeten; en op je hoofd komt een omslagdoek.

Pentheus
Is dat alles, of is er nog meer waarmee je me wilt uitdossen?

Dionysus
Ja, een thyrsos in je hand en een gespikkeld hertevel.

Pentheus
Ik kan het niet, vrouwenkleding aantrekken!

Dionysus
Maar er zal bloed vloeien als je het op een gevecht met de Bacchanten laat aankomen!

Pentheus
Je hebt gelijk: ik moet eerst gaan spioneren.

Dionysus
Dat is zeker wijzer dan met kwaad op kwaad te jagen.

Pentheus
Maar hoe kom ik door de stad zonder dat de Kadmeeërs het merken?

Dionysus
We nemen sluipwegen: ik zal je leiden.

Pentheus
Alles beter dan dat de Bacchanten me belachelijk maken. Ik zal het huis ingaan en mij op mijn beslissing beraden.

Dionysus
Je ziet maar: hoe dan ook, mijn voorstel staat.

Pentheus
Ik ga dan maar: of ik kom met wapens, 845 of ik volg die raad van jou raad op.

Dionysus
Vrouwen, de man trapt in mijn val: hij zal naar de Bacchanten gaan en daar de doodstraf krijgen. Dionysus, het is nu aan jou – want jij bent niet ver weg. Wij zullen hem doen boeten! Laat hem eerst zijn hoofd verliezen en breng hem in lichtzinnige razernij. Want als hij goed bij zinnen is, is er geen kans dat hij bereid zal zijn vrouwenkleding aan te trekken, maar als hij buiten zinnen is wel. Ik wil hem tot voorwerp van spot voor de Thebanen maken door hem als vrouw door de stad te leiden, precies dat waarvoor hij daarnet zo beducht was. Maar ik ga nu om met de tooi, dezelfde waarmee hij naar de Hades zal vertrekken, door zijn moeders handen vermoord, Pentheus uit te dossen. Leren zal hij dat de zoon van Zeus, Dionysus, geboren om tot god verheven te worden, zeer te duchten is, maar voor mensen heel mild.

08. Vierde koorlied, regel 8; 862-911

Koor - strofe
Zal ik nog ooit met witte voet hele nachten dansen in Bacchische vervoering, mijn hals in de dauwrijke aether gooien als een hinde die opgelaten speelt in een groene weide, wanneer zij ontkomen is aan de angstwekkende jacht, buiten het bereik van de drijvers, voorbij de fijngewoven strikken. Met een kreet vuurt de jager zijn honden aan tot grotere snelheid; en uit alle macht, met windsnelle sprongen snelt het dier door de vlakte langs de rivier, blij om de afwezigheid van mensen en het lover van het schaduwrijke woud.

refrein
Wat is wijsheid? Is er onder mensen een mooier godsgeschenk dan de hand boven het hoofd van vijanden te houden als overwinnaar? Nee! Wat mooi is, is dierbaar – altijd.

antistrofe
Zij doet zich gelden – langzaam, maar je kunt ervan opaan: de goddelijke macht. Zij brengt in het gareel stervelingen die de de cultus van het onbegrip aanhangen en de goden niet vereren, vanuit hun waanbegrip. De goden verbergen ingenieus de lange voet des tijds en bejagen de man zonder eerbied. Nooit mag men denken beter dan de wetten te weten of te handelen. Het is toch een kleine moeite te geloven dat machtig is dit: al wat ooit als goddelijk gold en wat op een lange traditie stoelt en altijd natuurlijk zo was.

refrein
Wat is wijsheid? Is er onder mensen een mooier godsgeschenk dan de hand boven het hoofd van vijanden te houden als overwinnaar? Nee! Wat mooi is, is dierbaar – altijd.

nazang
Gelukkig wie op zee aan storm ontkomt en de haven bereikt Gelukkig ook wie moeilijkheden te boven komt. Op allerlei manieren overtreft de ene mens de andere in voorspoed en in macht. Bovendien: zo talrijk als de mensen zijn, zo talrijk zijn ook hun verwachtingen. Sommige daarvan eindigen in voorspoed, van andere komt niets. Wie van dag tot dag onder goddelijke genade leeft, noem ik dan ook eindeloos gelukkig.

09. Vierde akte regel, 9; 912-976

Dionysus
Hé jij! Jij die graag wilt zien wat je niet mag zien en streeft waarnaar je niet mag streven, Pentheus, kom naar buiten, voor het huis; laat me je bekijken in de uitdossing van een vrouw, een maenadische Bacchante, een bespieder van je moeder en haar thiasos. Je ziet er precies zo uit als één van de dochters van Cadmus!

Pentheus
En het lijkt nu ook wel alsof ik twee zonnen zie, geloof het of niet, en ook Thebe twee keer en de muur met zeven poorten. In de gedaante van een stier lijk jij me voort te leiden: mij dunkt dat er horens op je hoofd groeien. Was je dan eerder ook al een beest? Nu ben je in ieder geval verstierd.

Dionysus
De god is onze metgezel. Hiervoor was hij je niet welgezind, maar nu is hij onze bondgenoot: nu zie je wat je zien moet.

Pentheus
Zeg, hoe zie ik eruit? Sta ik hier niet net zo als Ino of als Agave, mijn eigen moeder?

Dionysus
Het is precies alsof ik ze zelf zie, wanneer ik naar je kijk. Maar kijk, hier is een vlecht van zijn plaats geschoven; hij zit niet meer zoals ik hem onder je hoofddoek had geschikt.

Pentheus
Dat ligt aan mij, ik heb binnen in vervoering met mijn hoofd geschud en zo de vlecht verschoven.

Dionysus
Kom, het is mijn taak je uiterlijk te verzorgen: ik zal hem weer rechtschikken. Hoofd omhoog!

Pentheus
Hier, maak jij het maar in orde: als ik jou niet had…

Dionysus
Je gordel zit te los en de plooien van je peplos zijn niet in orde: ze hangen helemaal op de grond.

Pentheus
Ja, ik zie het nu ook: bij mijn rechtervoet. Maar aan de andere kant hangt de peplos zoals het hoort, op de achillespees.

Dionysus
Je zult me wel helemaal als je beste vriend gaan beschouwen, wanneer je ondanks je verwachting zult constateren dat de Bacchanten zich beheerst gedragen.

Pentheus
Moet ik de thyrsos in mijn rechterhand of in de andere nemen, om meer op een Bacchante te

Dionysus
In je rechter, en tegelijk met je rechtervoet moet je hem heffen. Je nieuwe instelling is te prijzen.

Pentheus
Kan ik nu straks de hellingen van de Cithaeron met Bacchanten en al op mijn schouders dragen?

Dionysus
Dat kun je, als je maar wilt. Daarstraks was je instelling niet gezond, maar nu is zij zoals zij zijn moet.

Pentheus
Nemen we hefbomen mee of zal ik de toppen met mijn handen optillen door mijn schouder of arm eronder te zetten?

Dionysus
Wil je dat wel laten! Je zult de heiligdommen van de nimfen kapot maken en de plaats waar Pan zijn fluitconcerten houdt!

Pentheus
Je hebt gelijk, niet met geweld is het dat de vrouwen bedwongen moeten worden: ik zal mij tussen de sparren verbergen.

Dionysus
Ja, verberg jij je maar zoals je je denkt te moeten verbergen om de maenaden slinks te kunnen bespieden.

Pentheus
Toch denk ik dat ik ze ga vinden als vogels in het struikgewas, in de zoete netten van de liefde verstrikt.

Dionysus
Is dat niet precies wat je met je expeditie wilt verhoeden? Misschien betrap je ze wel – als ze jou niet eerst betrappen.

Pentheus
Leid me dwars door de stad van de Thebanen; want ik ben de enige van hen die dit durft.

Dionysus
Ja, jij alleen spant je in voor de stad, als enige. Daarom ook wachten jou de beproevingen die daarbij passen. Kom, volg mij: ik ga mee als gids en zal over je veiligheid waken – maar je terugbrengen zal iemand anders.

Pentheus
Precies: mijn moeder.

Dionysus
Duidelijk zichtbaar voor iedereen.

Pentheus
Dat is precies waarvoor ik ga.

Dionysus
Je zult gedragen worden …

Pentheus
Wat een luxe!

Dionysus
In de armen van je moeder.

Pentheus
Sterker nog: ik moet me zelfs laten verwennen?

Dionysus
Verwennen op míjn manier, ja.

Pentheus
Krijg ik eindelijk wat ik verdien!

Dionysus
Huiveringwekkend ben je en huiveringwekkend leed ga je tegemoet: daarom zul je een roep verwerven die torent tot in de hemel. Strek uit je handen, Agave en je zusters, dochters van Cadmus. Ik breng deze jongeman naar een grote beproeving. De overwinnaar, dat staat vast ben ik, en Bromios; de rest leert zich vanzelf.

10. Vijfde koorlied, regel 10; 977-1023

Koor - strofe
Kom, snelle honden van Waan, kom naar de bergen waar de dochters van Cadmus hun thiasos houden; als horzels jaag hen op tegen de man in vrouwendracht de waanzinnige bespieder der maenaden. Zijn moeder zal hem als eerste zien uitkijkend vanaf een hoge rots of een bergpiek en zal roepen tot de maenaden: ‘Wie is die man, die bergloper, die als spion van de dochters van Cadmus gekomen is naar de bergen, ja gekomen naar de bergen, Bacchanten. Wie is het die hem heeft gebaard? Want een mensenvrouwenzoon, dat is hij niet – nee, het kind van een leeuwin is hij of van één van de Libische Gorgonen.

refrein
Gerechtigheid manifesteer u, manifesteer u en dood hem met uw zwaard; snijd de strot door van de zondaar tegen goden, tegen traditie, tegen orde, de zoon van Echion, de Aardgeborene.

antistrofe
De man die met onterechte mening en asociale woede uw orgiën, Bachus, bejegent en uw moeder, in zinsverbijstering en waanzinnige aanmatiging, denkend dat hij wat onoverwinnelijk is, met geweld kan bedwingen. Tot verstandig gedrag jegens de goden komt men door een plotselinge dood Wie zich gedraagt als een sterveling betaamt, leeft zonder ellende. .......... dag en nacht respectvol en godvrezend te zijn, wat buiten recht en orde gaat uit te bannen, de goden te eren.

refrein
Gerechtigheid manifesteer u, manifesteer u en dood hem met uw zwaard; snijd de strot door van de zondaar tegen goden, tegen traditie, tegen orde, de zoon van Echion, de Aardgeborene. Verschijn: in de gedaante van een stier of een veelkoppige slang of een vuurspuwende leeuw. Kom, Bachus, werp met een glimlach de jager van de Bacchanten de doodsstrop om de hals, laat hem vallen onder de kudde der maenaden.

11a. Vijfde akte 1e scene, 11a; 1024-1164

Tweede bode
O huis dat ooit als gelukkig gold in Griekenland, van de oude man uit Sidon, die het gewas der Aardgeborenen uit de slangetanden zaaide: hoe beween ik u – ik ben maar een slaaf, maar toch! (want een goede slaaf draagt het lot van zijn meester.)

Koor
Wat is er? Heb je slecht nieuws van de Bacchanten?

Bode
Pentheus is dood, de zoon van Echion.

Koor
Heer Bromios, als een groot god hebt u zich gemanifesteerd!

Bode
Wat bedoel je? Waarom zeg je dat? Je wilt toch niet zeggen dat mijn meesters’ ongeluk je plezier doet?

Koor
Ik jubel in een vreemde taal, een barbarenlied – want niet meer sidder ik van angst voor boeien.

Bode
Dacht je dan dat Thebe zo’n gebrek heeft aan mannen dat het nu geen macht meer heeft over je?

Koor
Dionysus, Dionysus, niet Thebe, heeft macht over mij!

Bode
Dat mag zo zijn, maar blij zijn om een ongeluk als het gebeurd is, dat is toch niet fraai, vrouwen.

Koor
Kom, vertel! Zeg me hoe hij is gestorven, de boze man die boze dingen deed.

Bode
Toen we de stad Thebe uit waren, kwamen we bij de rivier de Asopos, om tenslotte de berg Cithaeron te bereiken, Pentheus en ik (want ik volgde mijn meester) en de vreemdeling die ons naar het schouwspel zou leiden. Eerst kozen we positie in een grazige valei, terwijl we ervoor zorgden dat onze voeten en tong geen geluid maakten, zodat wij zouden zien zonder gezien te worden. Er was daar een dal, omringd door hellingen, waar water door stroomde, beschaduwd door sparren. Daar waren ze, de maenaden: ze zaten op de grond en waren hard bezig met aangename dingen. Sommigen van hen repareerden een kapotte thyrsos en bekroonden hem met een nieuwe klimopdos; anderen gedroegen zich als veulens, bevrijd van het bonte juk, en zongen in beurtzang een Bacchantenlied. Maar Pentheus, de ongelukkige, zag die vrouwenbende niet en zei: ‘Vreemdeling, vanaf de plaats waar we nu staan, kan ik met mijn ogen die zogenaamde maenaden niet bereiken. Maar als ik in een hoge spar klim en op een tak ga zitten, dan kan ik het schandelijke gedrag van de maenaden goed zien.’ Een moment daarna zag ik eindelijk met eigen ogen wat een mirakels man die vreemdeling is: hij greep de hemelhoge top van een spar en trok die omlaag, en lager, en nog lager – helemaal tot op de zwarte grond. De boom boog krom als een boog of een perfect wiel, dat om een met de passer getrokken model wordt gericht: zó trok de vreemdeling die bergstam met zijn beide handen omlaag en boog hem tot op de grond – dat was geen mensenwerk. Hij zei Pentheus op de sparretakken te gaan zitten en liet de boom toen door zijn handen omhoog komen, zodat hij zich rechtte zonder te schudden – want hij wilde niet dat de boom Pentheus af zou gooien. Toen de boom weer recht was stak hij recht tot in de aether en mijn meester zat boven in de top, beter zichtbaar voor de maenaden dan hij hèn zag: want hij was nog niet zichtbaar, daarboven in die boom, of de vreemdeling was niet meer te zien en uit de lucht klonk er een stem – Dionysus natuurlijk – die riep: ‘Vrouwen, ik breng jullie de man die jullie en mij en mijn mysteriën belachelijk maakt. Kom, straf hem dan! En tegelijk met deze woorden schoot een lichtflits van heilig vuur tussen hemel en aarde. De hemel werd stil en geen blad verroerde zich in het bosrijke dal; geen dier was er te horen. De maenaden hadden zijn woorden echter niet goed opgevangen, dus gingen zij rechtop staan en keken om zich heen. En de god herhaalde zijn roep. Nu verstonden zij het bevel van Bachus duidelijk, de dochters van Cadmus; zij stoven weg en met krachtige passen renden zij welhaast duifsnel op ons af: zijn moeder Agave, haar zusters en alle Bacchanten. Zij sprongen door het dal met zijn woeste stroom, tussen de rotsen door, bezeten als zij waren van de adem van de god. Toen zij mijn meester hoog in de spar zagen zitten, beklom een groep een torenhoge rots en wierp met krachtige zwaai stenen naar hem toe en bekogelde hem met dennetakken. Anderen gooiden hun thyrsos door de lucht naar Pentheus, een vreselijk spervuur – zonder succes, want de ongelukkige man zat te hoog voor hun aanval; maar hij was wel ten einde raad. Tenslotte braken zij bliksemsnel eiketakken af en probeerden met deze onijzeren hefbomen de wortels uit de grond te wrikken Toen ook dit niet lukte ondanks hun inspanningen zei Agave: ‘Ga om de stam heen staan en pak hem vast, maenaden, want we moeten het dier daarboven zien te vangen: hij mag het geheim van het dansen voor de god niet verraden.’ Ontelbare handen grepen de stam beet en trokken hem uit de aarde. Hij nu viel uit de top naar beneden en sloeg tegen de grond. Hij schreeuwde het uit van angst, Pentheus, want het drong tot hem door dat hij in groot gevaar was. Zijn moeder was de eerste die als priesteres met het bloedig offer begon en zich op hem stortte. En Pentheus rukte de doek van zijn haar, opdat zij hem zou herkennen en niet zou doden, de arme Agave. Hij raakte haar wang aan en zei: ‘Ik ben het toch moeder, je eigen zoon, Pentheus, die jij ter wereld bracht in het huis van Echion; heb medelijden met mij, moeder, dood mij niet: ik heb misschien fouten gemaakt, maar ben toch je eigen kind!’ Maar haar stond het schuim op de lippen, haar ogen rolden wild en haar geestvermogens waren gestoord: zij was helemaal in Bachus’ macht en hij kon haar niet overtuigen. Ze greep de linkerarm van de ongelukkige bij de elleboog, zette zich schrap tegen zijn ribben en rukte de arm bij de schouder af – niet dat zij zo sterk maar de god gaf haar handen kracht. En Ino volbracht aan de andere kant hetzelfde wapenfeit en scheurde daar het vlees los; toen stortten Autonoë en de hele meute Bacchanten zich op hem – het was een en al gegil: hij kreunde met alle adem die nog in hem was, en zíj juichten. De een liep weg met een arm, de ander met een voet waar de laars nog aan zat; het vlees werd van de ribben gescheurd. Allen speelden met het vlees van Pentheus als met een bal en hun handen zaten onder het bloed. Nu ligt het lichaam in stukken verspreid, aan de voet van de harde rotsen en ook in het dichtbegroeide bos, niet makkelijk terug te vinden. Zijn moeder kreeg nu net zijn arme hoofd te pakken en heeft het bovenop haar thyrsos gestoken; zij denkt dat het de kop van een bergleeuw is, waarmee zij over de Cithaeron waart. Haar zusters zijn nog steeds aan het dansen met de maenaden, maar zij loopt vol trots al met de vreselijke jachtbuit door de stad en roept steeds Bachus aan; ze prijst hem als haar jachtgenoot, haar helper bij de jacht, haar succesbrenger – terwijl hij haar als trofee juist tranen brengt. Wel, ìk ben er nu vandoor, weg van dit ongeluk; ik wil er niet bij zijn als Agave bij het paleis aankomt. Zijn grenzen te kennen en respect te hebben voor de goden is het beste wat een mens kan doen. Het komt mij voor alsof het voor de mensen het verstandigste is om zich daaraan ook te houden.

Koor
Kom laat ons dansen voor Bachus, laat ons uitschreeuwen het lot van Pentheus, het slangekind. de man die vrouwenkleren kreeg en een narthex, een mooie thyrsos, het werktuig van de dood; een stier leidde hem naar zijn ongeluk. Thebaanse Bacchanten, jullie roemvolle overwinningslied leidde tot verdriet en tranen. Een fraaie strijd: druipend van het bloed de hand te slaan aan je kind.

11b. Vijfde akte 2e scene, 11b; 1165-1392

Koor
Maar daar zie ik Pentheus’ moeder Agave; ze komt aanrennen met rollende ogen. Ontvang haar in de feeststoet van de euhoi-god!

Agave - strofe
Bacchanten uit Azië

Koor
Waarom roept u mij?

Agave
Wij brengen uit de bergen een vers afgesneden loot mee naar huis, een pracht van een jachtbuit.

Koor
Ik zie hem en neem u op in ons feest.

Agave
Ik heb hem gevangen zonder net, de jonge welp van een wilde leeuw: kijk maar!

Koor
Waar in de wildernis?

Agave
De Cithaeron…

Koor
De Cithaeron?

Agave
doodde hem.

Koor
En wie heeft hem getroffen?

Agave
Mij als eerste was dat gegund: gelukkige Agave noemen mij de thiasoi.

Koor
En wie nog meer?

Agave
Cadmus’…

Koor
Cadmus’ wat?

Agave
zijn kinderen: na mij, na mij beroerden zij dit beest: ja, een mooie buit! Deel nu in mijn feestroes!

Koor - antistrofe
Wat, delen? Arme ziel!

Agave
De stier is nog jong; onder de helm van fijn haar groeit het eerste dons.

Koor
Ja het is onmiskenbaar een woest beest, zo met dat haar.

Agave
Bachus de jager heeft kundig, heel kundig, de maenaden tegen dit dier opgehitst.

Koor
Ja, onze heer is een jager.

Agave
Ben ik niet te prijzen?

Koor
Jij bent te prijzen.

Agave
Zo dadelijk zullen ook de Kadmeeërs …

Koor
– en je zoon natuurlijk, Pentheus …

Agave
Hij zal zijn moeder prijzen, die deze buit, het leeuwenjong, gevangen heeft.

Koor
Een abnormale vangst.

Agave
En abnormaal gevangen. Ko. Ben je trots?

Agave
Ik ben dolgelukkig: groots, ja groots heb ik op deze jacht gepresteerd.

Koor
Laat hem dan nu maar aan de burgers zien, ongelukkige, de buit die je komt brengen als bewijs van je overwinning.

Agave
Bewoners van de vestingstad Thebe, kom kijken naar mijn vangst, het dier dat wij, dochters van Cadmus, gevangen hebben – niet met Thessalische werpsperen, en ook niet met een net, maar met deze blanke handen. Wie eerst bij de speermaker is langsgeweest, hoeft dus voortaan niet meer over zijn vangst op te scheppen: nergens goed voor! Wíj hebben met de blote hand dit beest gevangen en zijn lichaam uit elkaar gescheurd. Waar is mijn oude vader? Laat hij bij mij komen. En Pentheus, mijn zoon, waar is hij? Hij moet een stevige ladder pakken en die hoog tegen de muur van het paleis zetten, om deze kop aan de triglyphen te spijkeren, de leeuwekop, de jachtbuit die ik hier heb.

Cadmus
Deze kant op, dienaren met jullie ongelukkige last, deze kant op met Pentheus; hier voor het huis. Eindelijk zijn we er. Ik ben doodmoe, want ik heb eindeloos moeten zoeken naar het lichaam. Het was in stukken gescheurd toen ik het vond in een bos in de ravijnen van de Cithaeron, waar het moeilijk zoeken was: de stukken lagen overal. Ik hoorde van iemand wat voor vreselijks mijn dochters hadden gedaan toen ik net weer binnen de stadmuren was met de oude Tiresias, terug van het Bacchanaal. Toen ben ik weer terug de bergen in gegaan en heb er mijn kleinkind opgehaald, het slachtoffer van de maenaden. Ik zag haar die Aktaion baarde aan Aristaios, Autonoë, en ook Ino bij het kreupelhout, nog in de greep van de waanzin, de ongelukkigen. Van Agave vertelde iemand mij dat ze ook nog in trance, maar wel al op weg naar hier was – en dat blijkt te kloppen, want daar zie ik haar – een prettig gezicht is het niet.

Agave
Vader, je kunt apetrots zijn: je hebt zonder meer de beste dochters van iedereen. Dat geldt voor allemaal, maar speciaal voor mij, want ik heb de weefspoel bij het weefgetouw gelaten voor grotere dingen: ik ben gaan jagen met mijn blote handen. In mijn armen heb ik – kijk, hier: dit – de beloning voor mijn dapperheid: om aan je paleis op te hangen als trofee. Hier vader, pak aan! Wees trots op mijn jaagkunst en nodig je vrienden uit voor een diner. Je boft maar, ja je boft maar met een dochter die zulke dingen kan.

Cadmus
Wat een ellende, mateloos, niet om aan te zien, de moord die jullie hebben begaan met jullie ellendige handen. Een mooi offer is het dat je voor de goden hebt gevangen en dat je ons hier in Thebe als maaltijd aanbiedt. O wat een ongeluk – in de eerste plaats voor jou, maar ook voor mij. Want de god, heer Bromios heeft terecht, maar wel erg radicaal, ons leven verwoest, terwijl hij nog wel familie van ons is.

Agave
Wat is de ouderdom toch een last voor de mensen en wat kijkt ze somber. Ach was mijn kind maar net zo’n goede jager als zijn moeder, wanneer hij met zijn vrienden uit de stad op wilde beesten jaagt. Maar helaas, hij kan alleen met goden vechten. Vader, zeg jij er dan toch iets van! En gaat iemand hem nog roepen, zodat hij kan zien hoe gelukkig ik ben?

Cadmus
Wat vreselijk; als jullie straks beseffen wat jullie hebben gedaan, dan zullen jullie een vreselijke pijn voelen. Maar als jullie blijven in de toestand waarin jullie nu verkeren, dan blijven jullie in je ongeluk nog denken dat jullie gelukkig zijn.

Agave
Wat is er dan toch mis met mijn gedrag?

Cadmus
Kijk eerst maar eens omhoog naar de hemel.

Agave
Goed dan – maar wat moet ik daar dan zien?

Cadmus
Ziet die er nog steeds hetzelfde uit, of is hij veranderd?

Agave
Nee, hij is opeens helderder dan daarnet en lichter.

Cadmus
En voel je die extase nog?

Agave
Wat bedoel je dáármee? Nu je het zegt, ik voel weer enig besef. Er begint iets in me te veranderen.

Cadmus
Wel, versta je me dan nu en kun je ook al een duidelijk antwoord geven?

Agave
Ja, maar ik ben wel helemaal vergeten waar we het daarnet over hadden.

Cadmus
In welke familie ben je door je huwelijk terechtgekomen?

Agave
Aan een Zaailing heb je me gegeven, zeggen ze, aan Echion.

Cadmus
En hoe heet dan het kind dat in je echtgenoots huis geboren werd?

Agave
Pentheus natuurlijk, het kind van ons twee.

Cadmus
En wiens hoofd heb jij nu in je armen?

Agave
Dat van een leeuw; dat zeiden mijn jachtgenotes ook.

Cadmus
Kijk nu eens goed: je ziet het zo.

Agave
O God, wat zie ik? Wat heb ik hier in mijn handen?

Cadmus
Kijk goed en laat het nog beter tot je doordringen.

Agave
Ik zie een heel groot verdriet, wat ontzettend.

Cadmus
Denk je nu nog steeds dat hij op een leeuw lijkt?

Agave
Nee! Ik heb het hoofd van Pentheus vast, verschrikkelijk!

Cadmus
Daar heb ìk aldoor al verdriet om en jij zag ’t maar niet.

Agave
Wie heeft hem gedood? Hoe komt hij in mijn handen?

Cadmus
Bittere waarheid, wat kom je laat.

Agave
Vertel ’t, mijn hart bonst van angst als ik eraan denk wat je gaat zeggen.

Cadmus
Jíj hebt hem gedood, samen met je zusters.

Agave
Waar is hij dan omgekomen? In huis soms? Zeg me, waar?

Cadmus
Op dezelfde plaats waar eens de honden Aktaion hebben verscheurd.

Agave
Waarom is hij naar de Cithaeron gegaan, mijn verdoemde kind?

Cadmus
Hij ging om de god en jullie ritueel te bespotten.

Agave
Maar hoe zijn wij daar dan beland?

Cadmus
Jullie waren in extase; ja, heel de stad was in Bachus’ greep.

Agave
Dionysus is onze ondergang, nú begrijp ik het.

Cadmus
Maar hij was dan ook beledigd: jullie geloofden niet dat hij een god was.

Agave
En het lichaam van mijn lief kind, waar is het, vader?

Cadmus
Ik heb het moeizaam bijeengezocht; hier is het.

Agave
Liggen alle ledematen aan elkaar zoals het hoort? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Agave
Was Pentheus even dwaas als ik?

Cadmus
Ja, hij respecteerde de god net zo min als jullie. Daarom bracht die een onheil over allemaal, over jullie en over Pentheus; en daardoor stortte hij de hele familie in het ongeluk, mij ook. Zelf heb ik immers geen zoon en nu is het kind uit jouw buik, ongelukkige, op een schandelijke en afschuwelijke manier gestorven. Hier ligt hij, de man door wie het huis juist weer opbloeide. Jij, mijn kind, betekende als zoon van mijn dochter de voortzetting van het geslacht, en de stad had ontzag voor je. Niemand waagde het deze oude man te beledigen, als hij jou zag staan; want hij zou zijn verdiende loon hebben gekregen. Nu zal ik eerloos verbannen zijn uit mijn huis, ik, de grote Cadmus, die het geslacht der Thebanen heb gezaaid en het mooiste gewas heb gemaaid. Dierbaarste van alle mannen – want ook al leef je niet meer, toch blijf ík je tot mijn dierbaarsten rekenen, mijn kind – je hand raakt deze baard nooit meer aan, nooit meer zul je me omhelzen en zeggen: ‘vader-van-mijn-moeder, wie is het die je onrecht doet, die geen respect toont, opa?’ Wie brengt je hart van streek met kwetsende opmerkingen? Zeg het me, dan straf ik de boosdoener, vader.’ Nu ben ik ongelukkig, jij bent een hoopje ellende, je moeder is diep te beklagen, en ook de rest van de familie is een en al ellende. Mocht er nog iemand zijn die denkt slimmer te zijn dan de goden, dan moet hij ze bij het zien van de dood van deze man toch gaan respecteren.

Koor
Jouw lot doet me pijn, Cadmus. Je kleinzoon heeft zijn straf verdiend, maar voor jou is het wel pijnlijk.

Agave
Vader, nu je ziet hoezeer mijn lot veranderd is . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Dionysus
. . . . . . . . . . . . . (tegen Cadmus:) Je zult in een slang veranderen en je vrouw zal eveneneens de gedaante van een wilde slang krijgen: Harmonia, de dochter van Ares, met wie jij, een sterveling, getrouwd bent. Volgens een orakel van Zeus zul je met je vrouw een ossewagen voortdrijven, als aanvoerder van een vreemd volk. Vele steden zul je verwoesten met je onmetelijke leger. Wanneer de soldaten echter het orakel van Loxias hebben geplunderd, zal het hun op hun tocht naar huis slecht vergaan. Maar jij en Harmonia zullen gered worden door Ares en levend en wel in het land der gelukzaligen worden geëtableerd. Niet als zoon van een sterveling zeg ik, Dionysus, je dit, maar als een zoon van Zeus. Als jullie hadden ingezien dat jullie verstandig moesten zijn, toen jullie dat niet wilden, waren jullie nu Zeus’ zoons gelukkige bondgenoten geweest.

Cadmus, samen met Agave knielend
Dionysus, we hebben verkeerd gedaan: alsjeblieft …

Dionysus
Het is te laat. Toen het nodig was, erkenden jullie mij niet.

Cadmus
We zien dat nu in, maar je straf is te streng.

Dionysus
Natuurlijk: jullie hebben mij onheus bejegend – en ik ben een god.

Cadmus
Als het om woede gaat, moeten goden zich niet gedragen als mensen.

Dionysus
Al lang geleden heeft Zeus, die míjn vader is, dit goedgekeurd.

Agave
Ach, vader, er is niets meer aan te doen: we zijn gedoemd tot ballingschap.

Dionysus
Wat wachten jullie nog: het is tòch onvermijdelijk.

Dionysus af

Cadmus
Agave, we zijn in een afgrond van ellende terecht gekomen, allemaal, jij, ongelukkige, je zusters en arme ik. Op mijn oude dag moet ik nog een vreemdeling worden in een vreemd land. En het orakel gebiedt me ook nog een leger van allerhande vreemdelingen tegen Griekenland aan te voeren. Met de dochter van Ares, Harmonia, mijn vrouw, beide in de gedaante van een woeste slang, zal ik optrekken tegen de altaren en graven van de Grieken als gids van speren. En aan mijn ellende komt geen einde, integendeel, zelfs als ik de Acheron overgestoken ben, die naar de Onderwereld leidt, zal ik geen rust vinden.

Agave
Ja, vader, en ik zal ver van jou vandaan in ballingschap leven.

Cadmus
Klamp je niet aan mij vast, ongelukkig kind: jij bent een jonge zwaan, ik een grijze dar.

Agave
Waar kan ik naartoe, nu ik ben verbannen uit mijn vaderland?

Cadmus
Ik weet ’t niet, mijn kind; je vader is een slechte bondgenoot.

Agave - recitatief
Vaarwel paleis, vaarwel vaders stad; ik verlaat je in mijn ongeluk verbannen uit mijn huis.

Cadmus
Ga nu, mijn kind, naar Aristaios’ huis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Agave
Ik heb medelijden met je, vader.

Cadmus
En ik met jou, m’n kind, en ik huil om je zusters. Want het is verschrikkelijk zoals de machtige Dionysus heeft gewoed in jouw huis.

De stem van Dionysus
Maar jullie hebben me dan ook iets vreselijks aangedaan: ik werd in Thebe niet vereerd.

Agave
Vaarwel, vader. Vaarwel, arme dochter. Het zal niet gemakkelijk zijn.

Agave
Ga mee, gezellen, naar mijn zusters, die mee moeten gaan in ballingschap, Ik wil gaan naar waar de vervloekte Cithaeron mij nooit meer ziet en ik nooit meer de Cithaeron; nooit meer wil ik zijn waar ik herinnerd wordt aan de thyrsos: die is voor andere Bacchanten nu.

Koor
Het goddelijke heeft vele gedaanten en de goden laten veel gebeuren wat niet werd verwacht; wat waarschijnlijk leek, is niet gebeurd, maar voor wat onwaarschijnlijk leek, heeft de god een weg gevonden. En zo eindigt deze handeling.

© 2017 Maarten Hendriksz