Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Euripides - Cycloop

Bron: www.koxkollum.nl

Vertaald door Dr. J.G. Schlimmer en Dr. Z.C. de Boer. / Derde druk herzien door Dr. C.G.Th.W. Koch, conrector van het Gymnasium te Tiel. Haarlem. De Erven F. Bohn. 1920

Betoog

Op het grote Atheense toneelfestival werd van elke mededingende schrijver na drie min of meer tragische toneelstukken een saterspel opgevoerd, waarvan Euripides Cycloop het enige volledig bewaard gebleven voorbeeld is. Het koor van zo’n spel werd gevormd door Saters, half dierlijke wezens met stompe neus, borstelig haar, spitse oren en een staart, die bezeten waren van seks, eten, drank en muziek.

De hoofdpersonen van Cycloop zijn bekend uit Homerus. Zij spreken alsof zij zelf de Odyssee hebben gelezen. In de tiende zang daarvan wordt Odysseus’ avontuur bij de cycloop Polyphemus beschreven. Euripides houdt zich in grote lijnen aan Homerus’ verhaal, met enkele voor het toneel noodzakelijke afwijkingen. Odysseus komt bijvoorbeeld als bode buiten de grot van de Cycloop verslag uitbrengen over de gebeurtenissen binnen.

Personages

Cycloop
Odysseus
Silenus, vader van de Satyrs
Koor, van jonge Satyrs

01. Proloog; regel 1;1-40

Voor het hol van de Cycloop, aan de voet van de Etna op Sicilië, waar Silenus, een kale dikke alcoholicus, opkomt op met een mestvork in zijn hand

Silenus
O, Bromios, door U lijd ik duizenderlei nood, nu, en toen nog in jeugd mijn lichaam krachtig stond: Het eerst, toen gij in waanzin, volgens Hera´s wil, uw voedster-nymphen in de bergen latend, vloodt - daarna, toen ´k in den speerstrijd met het aardgebroed, U rechts ten voet bijstaande, was Uw wapenknaap en, treffend daar Enkelados midschilds ter lans, hem sloeg. - Welaan, dit wetend, zeg ik dan een droom? Wel neen, bij Zeus, want ´k heb zijn huid aan U getoond. En nu verduur ik nog een grooter kwaad dan dat: Toen Hera de Tyrrheensche roovers-bende op U afzond, opdat gij zoudt verkocht zijn verre-weg, ben ik, ´t vernemend, met mijn kind´ren scheep gegaan, op zoek naar U. En op den stijlen spiegel zelf besturend het doortimmerd, twee-zijds-riemig schip - mijn kind´ren zaten aan de riemen, ´t blauw der zee met bruisingen bewittend - zochten we U, o heer! Maar toen wij stevenden tot onder Marea, heeft daar een wind, afzonnig, blazend aan de kiel, ons uitgeworpen tegen dezen Aetna-berg, alwaar ´t één-oogig spruitsel van den god der zee, Cyclopen wonen, mannen vretend in de grot. Door één hunner gevangen, zijn wij in zijn huis ten slaaf. Zij noemen hem, dien wij nu dienstbaar zijn, Polyphemos. Na ´t juichen in den Bacchus-dans, zijn wij thans herders van den godd´loozen Cycloop. Mijn kind´ren nu, op ´t uiterste der hellingen, weiden de jonge schapen, zelf jong-opgegroeid. Maar ik, de troggen vullend, vegende den stal, hier blijvend, orden dit zoo voor den doembaren Cycloop, als dienaar bij zijn veel-gevloekte maal. En nu houdt mij dit opgelegde nog in dwang, te keeren zijne woning met deez´ ijz´ren hark, opdat ik mijn af-zijnden meester, den Cycloop, met zijne schapen in gereinigd hol ontvang. Maar - reeds zie ik mijn kind´ren, weidende hierheen de kudden. - Tot het naderend koor: - Wat is dit? Toch niet het dans-geklep, Alsof gij tot Uw eigen en tot Bacchus´ lust, gelederd in de schare, tot Althaia´s huis voortschrijdt, op stem-geluid van lieren wiegelend?

02. Eerste Koorlied; regel 2;41-81

De Saters komen op terwijl ze naar de schapen roepen, die zij opdrijven.

Koor - strofe
Wáár, van edelen vader-stam, Ook van edele moeders geteeld, wáárheen keer je mij nu langs de rots? Is niet hier een àf-windsche lucht en het gras-rijke kruiden-maal? ´t Sprankelend water uit stroomen ook, ligt het in troggen niet bij de grotten, waar U ´t geblaat der lammeren is?

Tussenzang
Hei daar! Graas je mij dit niet, graas je niet dàt? Zelfs niet de dauwige heuvels? Hola! Ik smijt jou eens vlug met een steen. Leid hen, o leid hen, o hoorn-dragend ram, wegwachter jij, bij de schapige kudden van den vetweider Cycloop!

antistrofe
Nu verlicht de gespannen uiers, neem het jong aan de voedende borst, dat werd gelaten in lammeren-stal. Hoor, hoe naar jou het dag-slaap´rig geblaat van het kleuterig kroost verlangt! Zal je, verlatend de grazige wei, nu gaan naar de wijd-omvangende grotten in het steenige Aetna-hol?

nazang
Dáár is geen Bromios, dáár vind ik geen thyrsos-dragenden Bacchischen dans, noch het gedreun van het paukenvel, noch den jong-gouden drup van den wijn bij een water-plengende bron, noch van Nysae, met de Nymphen. ´t Juichende, juichende lied zing ik tot Aphrodite, die ik Jagende navlieg met wit-voet´ge Bacchanten. O mijn vriend, geliefde Bakcheios, waar weidt gij nu, schuddend Uw blond-lokkig haar? Ik nu, eens Uw toegewijde, ben gesteld bij een één-oogig kijkend Cycloop, zwervend als slaaf, in dit nietswaardig vel van een bok, ver van Uw vriendschap!

03. Eerste scene; regel 3;82-355

Silenus - uit het hol komend
Zwijgt stil, o kind´ren, drijft nu naar het steenig hol de kudden, roept dan ook de wachter-dieren saam.

Koor
Vooruit! Maar, waarlijk vader, welk een spoed heb jij?

Silenus
´k Zie in de branding van een Grieksche schuit de kiel, en riem-beheerschers met een zeker opperhoofd, wijd-stappende naar deez´ spelonk. Aan hunnen hals, leeg vaatwerk dragen zij, dat wel voor eetwaar dient, en wateremmers. - O, rampzaal´ge vreemden, wie wel zouden ´t zijn? Zij weten niet van den despoot Polyphemos, wie hij is, nu zij ´t onvriend´lijk strand betreden en ´t Cyclopiaansche kakement, het mannen-vretende, benaad´ren tot hun ramp! Maar wordt gij zwijgers, zoodat wij uitvinden van welk land zij komen naar Sicilië´s Aetna-rots.

Odysseus
O vrienden, zegt ons, waar wij uit drinkbare bron dorst-lessching kunnen nemen, en of iemand wil eetbaars verkoopen aan behoeftig volk der zee? Wat nu? Naar Bromios´ stad geslingerd schijnen wij: van Satyrs zie ´k hier voor de grot een bende staan! Het eerst wel spreek ik, groetende, den oudste toe.

Silenus
Gegroet, o vreemde! Noem je-zelf en noem je land.

Odysseus
Odysseus Ithakos, der Kaphallenen vorst.

Silenus
Ik ken den man: klap-tong, van Sisyphos´ geslacht.

Odysseus
Diezelfde man ben ik. Maar jij, bespot mij niet.

Silenus
Van waar scheepvarend kom je in dit Sicilië aan?

Odysseus
Van Ilion en der Trojanen ondergang.

Silenus
Wat, wist je niet den zeeweg naar je land?

Odysseus
Wind-werv´ling sleepte met geweld mij naar dit oord.

Silenus
Ai ai! Mijn eigen noodlot heb je dan verduurd!

Odysseus
Ben jij dan ook hierheen met kracht geslingerd, vriend?

Silenus
Najagend roovers, die ons Bromios sleepten weg.

Odysseus
Wat is dit voor een land en wie bewonen het?

Silenus
Dit´s de Aetna-berg, de hoogste van Sicilië.

Odysseus
De muur, waar is hij, en het poortenstel der stad?

Silenus
Die zijn er niet. Mensch-leeg zijn hier de rotsen, vriend.

Odysseus
Wie dan bezitten ´t land? Misschien een dier-geslacht?

Silenus
Cyclopen, hol-bewoners, zonder huizen-dak.

Odysseus
Aan wien gehoorzaam? Of is ´t volk bedeeld met macht?

Silenus
´t Zijn herders. Niemand hoort naar niemand hier, in niets.

Odysseus
En van ´t gezaaide leven zij, Demeter´s graan?

Silenus
Van melk en kazen en van schapenvleesch-gevreet.

Odysseus
Zij hebben Bromios´ drank, de druppen van de druif?

Silenus
Heel niet! Daarom bewonen ze een dans-loos gebied.

Odysseus
Zijn zij den vreemde gastvrij, en rechtvaardig ook?

Silenus
Het zoetste vleesch draagt, zeggen zij, de vreemd´ling aan.

Odysseus
Wat zeg je? Mensch-moordend gevreet is hun genot?

Silenus
Hierheen kwam niemand, die ook niet werd opgeslokt.

Odysseus
Maar die Cycloop nu zelf, waar ´s hij? Soms in het huis?

Silenus
Ver van den Aetna, dieren speurend met den hond.

Odysseus
Wat valt te doen, om weg te komen uit dit land?

Silenus
´k Weet niet, Odysseus, anders liepen wij wel mee.

Odysseus
Verkoop ons koren: daaraan hebben wij gebrek.

Silenus
Dat is er niet, zooals ik zei, maar vol-op vleesch.

Odysseus
Wel, zulk een stilling is óók voor den honger zoet.

Silenus
Kaas is er ook, en stremsel, en dan melk der koe.

Odysseus
Breng uit: de koopwaar dient toch eerst aan ´t licht gebracht.

Silenus
Jij geeft daartegenover, zeg mij, hoeveel goud?

Odysseus
Geen goud, maar ´k draag den teug van Dionysos aan.

Silenus
O jij, die ´t liefste noemt! Wij misten hem zoo lang!

Odysseus
En Maroon schonk mij dien, de godenzoon.

Silenus
Dien ik gekoesterd heb op dezen bovenarm?

Odysseus
De zoon van Bacchus, zooals jij verstandig weet.

Silenus
Is hij op ´t dek der schuit, of breng je hem hier mee?

Odysseus
De zak hier houdt hem in, zooals je ziet, oud man.

Silenus
Maar deze zou niet vullen zelfs mijn kinnebak!

Odysseus
Dan, tweemaal zulk een slok, als vloeit uit dezen zak.

Silenus
Je noemt een schoone bron en aangenaam voor mij.

Odysseus
Wil je eerst een proefje van den onversneden most?

Silenus
Wel zeker, want de proef verlokt dan tot den koop.

Odysseus
En dan zet ik dien beker nog den wijnzak bij.

Silenus
Wel aan, schenk in, dat mij die teug steeds heugen mag.

Odysseus
Zie daar!

Silenus
Ha ha! Ha ha! Wat fijnen geur heeft dit!

Odysseus
Kun jij dat zien?

Silenus
Wel neen, bij Zeus, maar ´k ruik het goed.

Odysseus
Proef nu, zoodat je ´m niet alleen in woorden prijst.

Silenus - na een teug
Uh! Uh! Tot dansen roept mij Bacchus op! Ah! Ah!

Odysseus
Wel, borrelklokkert hij niet lekker door je keel?

Silenus
Tot in de toppen van mijn nagels gloeit hij door.

Odysseus
Hierbij, waarachtig, geven wij je nu nog geld.

Silenus
Laat mij den zak alleen maar, en behoud je geld.

Odysseus
Breng nu de kazen buiten en de schapenteelt.

Silenus
Dat zal ik doen, met weinig denken aan mijn baas. Hoe´k om te drinken één benevelenden kroes, aller Cyclopen kudden graag in ruil je geven zou, ze slepen naar de zee, langs witte rotsen neer, ze gansch´lijk dronken pakkend van de heuv´len af. Hoe al wie niet drinkt, als een dwaas geboren is! Zie, hoe ´k mij opricht, spieren spannend tot den dans! Vergetelheid van leed! Zou ´k dan geen kooper zijn van dezen dronk, en in zijn stomheid den Cycloop maar laten huiletuiten uit zijn midden-oog? Silenus af in het hol

Koor
Hoor hier, Odysseus, laat ons saam beleut´ren iets.

Odysseus
Wel, breng ´t naar voren, zooals vrienden tot een vriend.

Koor
Heb jullie nu die Helena van Troje beet?

Odysseus
Ja, en geplunderd heel het huis van Priamos.

Koor
En toen je haar gepakt hadt, heb je ´t meiske toen ook deeglijk afgezoend, zeg, ieder op de beurt? Daar zij er toch van hield, van velen ´t lief te zijn. Die loopster, toen zij de veel-kleur´ge pijpenbroek om Paris´ schenen had gezien en zooals hij den gouden halsband ronddroeg, midden om zijn nek, ging er van door en liet het ventje, Menelaus, den goeierd, in den steek. - ´k Wou, dat geen vrouwensoort er ooit meer werd geboren, dan voor mij-alleen!

Silenus - terugkerend met voorraden
Ziehier voor jou nu deze schapen uit den troep, Odysseus, heer, en van de blaters dit jong broed. En hier - niet weinig kazen van gestremde melk. Pak aan en loop, zoo snel je kunt, weg van de grot, in ruil den drank mij latend van de Bacchus-druif.

Koor
Wee, wee! Daar komt mij de Cycloop! Wat doen wij nu?

Odysseus
Wij zijn verloren, oude paai, waar vlucht ik heen?

Silenus
Hier, binnen in de grot, want anders pakt hij je.

Odysseus
Daar noem je een kwaad ding, zóó te loopen in het net!

Silenus
Niet kwaad! Veel donk´re hoeken zijn er in de rots.

Odysseus
Waarachtig neen! Dat gaf in Troje groot geschreeuw, als wij nu vluchtten voor één kerel, ik die vaak een duizend-bende Phrygen staan hield op mijn schild! Maar, moeten wij nu sterven, laat ons ´t nobel doen, of, blijft ons ´t leven, dan ook redden de´ ouden roem!

De Cycloop komt op over de rotsen. Hij ziet aanvankelijk alleen het dronken dansen van het koor en Silenus.

Cycloop
Hei daar! Hou daar! Wat is me dat? Wat moet die fuif? Wat spring jelui daar? Hier is toch je Bacchus niet, geen koperen geklep of roffel van de pauk? Hoe is ´t mij met de nieuwe lammers in de grot? Wat, zijn ze aan de uiers, loopen ze wel naast de moer? Ja, ja toch? Ligt er netjes in het biezen vat een flinke voorraad lekker uitgeperste kaas? Wat zeg je? Wat? Gauw zal er een voor dit stuk hout zijn tranen gieten! Kijk mij aan! Niet naar den grond!

Koor
Zie aan, tot Vader Zeus-zelf koppen wij omhoog, en kijken al de sterren en Orioon aan!

Cycloop
En mijn ontbijt, is dat behoorlijk klaar gemaakt?

Koor
Dat is ´t, als maar je strottenhoofd gereed wil zijn.

Cycloop
De vaten zijn behoorlijk ook gevuld met melk?

Koor
Zoodat je een okshoofd uit kunt drinken, als je wilt.

Cycloop
Met koeienmelk, of van het schaap, of door elkaar?

Koor
Zooals je wilt - wanneer je mij maar niet er bij opslurpt!

Cycloop
O neen! Want als je midden in mijn buik zoo danst, Dan maak je mij kapot met dat vervloekt gespring. Dan ontdekt hij de vreemdelingen. Maar wat voor bende zie ´k me dáár nu voor mijn huis? Zijn hier zeeroovers soms, of dieven aangeland? Want ´k zie me daar die rammen uit mijn grot gehaald, de lijven vastgebonden met gevlochten riet - omver gesmeten manden kaas - en dezen paai met een van slagen opgezwollen kalen kop!

Silenus
Wee! ´k Heb de koorts, zoo ben ik in mekaar gebeukt!

Cycloop
Door wien? Wie, oude, heeft jou op den kop gemept?

Silenus
Door hem, Cycloop, daar ´k hem je goed niet stelen liet.

Cycloop
Wat, weet hij niet, dat ik, een god, van goden stam?

Silenus
Ik zei ´t hun, maar zij sleepten toch je zaken weg, en, of ik ´t al niet toeliet, aten op de kaas en sleurden rammen van hier. Zij dreigden, dat zij jou met drie-els touw vastknoopen zouden om den navel en ´t darmen-stelsel uit je snijden met geweld, den rug je degelijk te ontvellen met de zweep en dan, zóó ingepakt, je weg te brengen naar de scheeps-roeibanken, en je aan iemand af te staan tot steenen sjouwen, of den zwaren molentred.

Cycloop
Is ´t waar? En ga je dan niet seffens aan den slijp van slachtersmessen, en een reuzigen stapel hout aansteken? Zóó dat ik, hen slachtend dadelijk, mijn buik kan vullen, zóó, versch van het kolenvuur het warme vleesch opetend, zonder tafelbuur, heet uit de pan, ´t gekookte en zacht-gesmolten vet! Want ik ben zat van ´t schransen aan een leeuwenbout of hertenbil - te lang zat ´k zonder menschen-vreet!

Silenus
Het nieuwe, na het lang ontwende, o mijn despoot, is aangenaam. Want zeker kwamen hier sinds lang geen and´re vreemdelingen wand´len langs de grot.

Odysseus
Cycloop, hoor op hun beurt nu ook de vreemden aan. Behoeftig kwamen wij, ten etenswaar-aankoop, zoo juist naar Uwe rotsen, stappend van ons schip. De rammen heeft die man ons voor een zak met wijn verkocht - en ik gaf drank toen ik ´t gekochte nam, vrijwillig den vrijwill´ge en hier was geen geweld. maar hij legt niets verstandigs in hetgeen hij zegt, daar hij ten verkoop, wat van U is, heim´lijk nam.

Silenus
Ik? Wel, dood vallen mag ik!

Odysseus
Ja, wanneer ik lieg.

Silenus
Wel, bij Poseidoon, die je heeft geteeld, Cycloop, en bij den grooten Tritoon, en bij Nereus, en Kalypso, en bij alle Nereus-dochters, bij het heilig zeeschuim en het heele vischgeslacht, bezweer ik, o jij mooierd, o Cycloopje-lief, O meestertje, dat ik dien vreemden niet verkocht je zaken, of - wel sterven aan een kwaden dood mag, hier, mijn kroost, waarvan ik ´t allermeeste houd!

Koor
Zwijg zelf! Ik heb gezien, hoe jij den vreemdeling den boel verkocht hebt. Als ik leugens spreek, dan mag mijn vader sterven. Doe dien man geen kwaad!

Cycloop
Je liegt. Ik nu vertrouw den dezen eerder nog, Dan Rhadamanthos, en ik zal hier rechtspraak doen. ´k Verhoor hèm eerst. Van waar gevaren, vreemdeling? Uit welk land? Welke stad nu heeft jou opgevoed?

Odysseus
Van Ithaka is mijn geslacht. Van ilion her, hebbend die burcht verwoest - door wind-geblaas op zee gestooten naar Uw land - zóó komen wij, Cycloop.

Cycloop
Soms, die gerend hebt achter de allerslechtste sloor, die Helena, naar d´ Ilische Skamander-stad?

Odysseus
Diezelfden. En geweld´ge moeiten droegen wij.

Cycloop
Een smadelijke veldtocht, dat je om ééne vrouw bent uitgevaren naar het land der Phrygiërs.

Odysseus
´t Werk van een god. Beschuldig gij de menschen niet. Maar wij nu, o gij van den zeegod stammend kind, wij smeeken U en spreken ´t ook vrijmoedig uit, waag niet, den tot deez´ grot gekomen vreemdeling te dooden tot een heillos voedsel voor Uw kaak! Wij, die, heer, voor Uw vader steeds den troon der zee beschermden aan de bochten van ´t Helleensche land. Want heilig blijft Tainaros´ haven - ongedeerd Malea´s hooge bergspelonken - en in Sonia der goddelijke Athena zilver-rijke rots - de toevluchtsoorden van ´t wind-vrij Gerastios: aan ramp en smaad der Phrygen lieten wij die nooit. Daaraan hebt ge óók uw deel, want Grieksche zee-boezems bewoont ge onder des Aetna´s vuur-bedropen rots. ´t Is wet den menschen, als ge u tot mijn woorden keert, den smeek´ling op te nemen uit de ramp der zee, hem te beschenken en van kleêren te voorzien, maar niet, hem rijgend aan het rund-doorborend spit, den buik zich dan te vullen en den kinnebak. Genoeg heeft Priamos´ grond nu Hellas reeds ontvolkt, van vele dooden drinkend speer-vliegenden moord, de vrouwen manloos - moeders, grijze vaders tot een zoonloos ras gemaakt. Als gij ´t geen overblijft verbranden gaat en tot zoet voedsel nemen wilt, waar blijft men dan? - Maar luister gij naar mij, Cycloop, houd in de lust van uwen kinnebak, verkies den eerbied boven godd´loosheid. Voor velen toch is kwalijk voordeel tot hun schade wel verkeerd!

Silenus
Ik wil jou eens aanpraten, dat je van het vleesch Van hem niets overlaat: als je ook zijn tong opeet, dan word je een glad en leuterkundig heer, Cycloop!

Cycloop
´t Bezit, o manneke, is den wijze de één´ge god, De rest is mooipraat en woord-kunstenmakerij. Die zeegebergten, die mijn vader heeft gevest, het ga ze goed. Wat scherm je daarmeê in je woord? Voor ´t bliksemvuur van Zeus ben ik niet bang, mijn vrind. Noch weet ´k, waarin die Zeus is grooter god, dan ik. De rest gaat mij niet aan. En hoe ´t mij niet aangaat, dat mag jij hooren. Giet hij van boven uit een bui, dan heb ´k in deze grot gedekte tentingen - aan een gebakken kalf of ´t vleesch van een wild dier er schransend, wel begietend mijn gestrekten buik, als ´k uitdrink een amphoor vol melk. En dezen grond bestamp ik, daav´rend tegen ´t donderen van Zeus. En als de Thracische Boréas sneeuw uitstrooit, dan, gooiend om mijn lijf een wilde-beestenvel, en vuur aanstekend, heb ik maling aan de sneeuw. En de aarde, naar bedwang, al wil ze of wil ze niet, de kruiden barend, zet mijn runderen in ´t vet. Die offer ´k niet, dan aan mij-zelf, den goden niet, maar dezen grootsten der daimonen, hier, mijn buik, daar voor het zuipen en het vreten heel den dag, dit is de Zeus voor mannen met een wijs verstand. En hij geeft nimmer leed. Zij, die uw wetten-moois instelden tot verfraaiing van het menschenlot, ik laat ze brallen, maar ik rust niet, van mijn ziel te goed te doen, wanneer ik jou naar binnen werk. Neem dan dit gastgeschenk, zoodat ik blaamloos blijf: het vuur en deze pot der vaad´ren, dat je vleesch, nu onverteerbaar, lekker mij gezoden wordt. Maar stap naar binnen, tot de godheid van mijn huis, om, staande rond het altaar, gastheer mij te zijn.

Odysseus
Wee, wee! Uit de Trojaansche ellende sloop ik heen En die der zee - nu val ik in den moedwil van een godd´loos man en in zijn havenlooze hart! O Pallas, o gebiedster, o Zeus´ kind, godin, nu, nu help mij! Want grooter moeiten toch voor Ilion ben ´k afgekomen, waar ik ´t dichtst stond bij ´t gevaar. En gij, die in der sterren glans uw zetels hebt, beschermer Zeus, zie dit! Want als gij ´t niet aanschouwt, vergeefs dan heet gij Zeus, daar gij als god niets zijt.

De Cycloop drijft Odysseus en de zijnen in de grot. Silenus volgt hen.

04. Tweede koorlied; regel 4;356-374

 

Koor - strofe
Van den wijden strot, o Cycloop, spalk nu de lippen, dat u welzalig zij ´t gekookte, gebradene, warm van de kolen, tot bijten, knagen, knauwen het vleesch van den vreemdeling, als gij daar ligt op dicht-harige vacht.

tussenzang
Verzuim mij dit niet! Red voor U-zelf in uw haven dit schip! Mijn vervloeking op dit huis, vloek ook over de offers, die altaarloos ge als gave bezit, Cycloop van den Aetna, die in ´t gesmul aan vreemd´lingenvleesch u verheugt!

anti strofe
Hartloos slechtaard, die den vergeefs komenden smeek´ling offert in ´t huis hier nu, slachtend, bijtend, zwelgend in ´t vleesch, met uw smerig gebit ´t gekookte happend, dat warm van de kolen u komt!

05. Tweede scene; regel 5;375-482

Odysseus - komt gehaast en geschrokken de grot uit
O Zeus, wat spreek ik, ´t erge ziende in deze grot, ´t ondenk´bre, dat op mythen, niet op mensch-werk lijkt!

Koor
Wat is ´t, Odysseus? Die godslasterlijke Cycloop Heeft toch niet aan je lieve vrienden zich gemest?

Odysseus
Ja, twee ontdekkend en hen wegend op de hand, die best-gevoede dikten hadden in hun vleesch.

Koor
En hoe, rampzaal´ge, hebben zij dit ondergaan?

Odysseus
Nadat wij binnen traden onder dit versteende dak, Ontstak hij eerst een vuur, van een steil-hoogen eik Neerwerpend in den gapend-wijden haard den stam: ´t was een gewicht aan hout, als wel drie wagens vult. Daarna van ´t loof van sparren, op den grond gestrooid, bereidde hij een rustbed bij de vlam van ´t vuur. Een mengvat vulde hij, dat tien amphoren hield, Ingietend witte melk, toen ´t vee gemolken was. Slingers van klimop wond hij om een beker van drie vamen, en welks diepte mij vier vamen scheen. Een koop´ren ketel hing hij daarop over ´t vuur. En scherpe spitten hebbend ingebrand in ´t vuur, geslepen met de sikkel uit den doornen-struik, zet hij ´t Aethneisch bekken klaar voor ´t bijten van de bijl. Toen alles nu gereed stond voor den godgehaten slachter van den Hades, pakte hij twee man van mijne vrienden, die hij in bepaalden rhythmus vermoordde: in ´t holle van een koop´ren vat den één, den ander door, hem grijpend bij den voetenpees, hem aan den scherpen kant van rots´gen steen te slaan, zijn hers´nen morsend. Daarop reet hij hem uiteen met vratig slachtmes, braadde toen het vleesch op ´t vuur. De resten zette hij in ketels aan den kook. Ik nu, rampzaal´ge, tranen gietend langs mijn wang, Trad nader tot hem en bediende den Cycloop. Maar de and´ren hielden zich als bange vogels in de schuilhoeken der grot, hun huid was zonder bloed. Toen van ´t geschrans aan mijne vrienden hij was vol, viel hij naar achter, zwaar uitluchtend uit zijn strot. Mij schoot iets godd´lijks in. Een beker vullend van den Maroon, bracht ik hem dien om te drinken aan, dit zeggend: "Zoon gij van den zeegod, o Cycloop, zie aan, hoe Hellas u het goddelijke vocht der druiven zendt, de Bacchische verkwikking, heer!" Hij, opgestopt zijnd van zijn schandelijk gevreet, nam ´t aan en slurpte ophalend een verlengden slok en hief zijn handen op: "O, liefste vreemdeling, die mij een schoonen dronk na schoonen maaltijd brengt!" Toen ik gewaar werd, hoezeer hem de slok beviel, gaf ´k hem een tweeden kroes en ´k was mij wel bewust, dat hem de wijn een kwaad doen en dra straffen zou. en hij kwam tot gezang, maar ik, inschenkend staâg eén na den ander, warmde met den drank zijn buik. nu zingt hij, bij de klachten mijner manschap, luid, onmuzisch, en het hol weêrgalmt. Uitkomend ik, in stilte, red mij-zelf en U, indien ge wilt. Maar zeg mij eerst, of ´t noodig is of niet, dat wij den ongelikte ontvluchten en de Bacchus-vaart aanvaarden naar der bronnen-nymphen zoete woon. Uw vader toch, daar binnen, heeft dit goedgekeurd, maar krachteloos en overweldigd door den drank, en aan zijn kroes geplakt, als op den lijmstok soms een vogel fladdert. Gij nu, want gij zijt nog jong, redt U tezaâm met mij en neemt Uw ouden vriend, Dionysos weder aan en keert tot geen Cycloop!

Koor
O liefste vriend, mocht ik ´t beleven dezen dag, dat wij ontvluchten ´t heilloos hoofd van den Cycloop!

Odysseus
Zoo hoor nu, welke straf ik uitgedacht heb voor ´t al-werkend beest en welk ontkomen aan uw leed.

Koor
Spreek, opdat wij het zoet geluid van Azië´s lier niet hooren, vóór dat de Cycloop is omgebracht.

Odysseus
Hij wil naar zijne broêrs-cyclopen tot een feest gaan kruipen, diep verheugd van dezen Bacchus-drank.

Koor
´k Begrijp: Hem pakkend, als hij eenzaam is in ´t bosch, wil je ´m afmaken of neêrstooten van de rots!

Odysseus
Niets van dat al: tot listen is mijn plan gekeerd.

Koor
Hoe dan? Wij hoorden lang reeds, dat je ´n slimmerd bent.

Odysseus
Kijk, van dit feest houd ik hem af, wanneer ´k hem zeg, niet den Cyclopen mee te geven van den drank, daar, hebbend hem alleen, hij zoet zijn leven slijt. Als hij dan, overwonnen door den Bacchus, slaapt, dan ligt hier, voor het huis, een dennenstam ter hand, dien ik, met dezen sabel puntig toegespitst, zal leggen in het vuur. En als ´k hem zwart gebrand dan zie, zal ik hem werpen midden in ´t gezicht van den Cycloop, en blusschen ´t oog uit met het vuur. Zooals een schepen-samenstellend man nu wel met dubb´le strengen zijnen boor te draaien zet, zóó zal ´k den paal doen cirk´len in ´t licht-dragend oog van den Cycloop, en schroeien de pupil hem dicht.

Koor
Joe, joe! ´k Verkneukel mij en van dat vindsel word ik dol!

Odysseus
En daarop zal ik U, mijn vrienden, en den ouden paai inschepend in de holte van het zwarte schip, met dubbel-riemenslag heentrekken van dit land.

Koor
Kan ´t zijn dus dat ook ik, door ´t plengen aan den god, zijn oog hem zal ontnemen door ´t verblindend hout? Want waarlijk, aan dien doodslag wil ik ook mijn deel.

Odysseus
Dat moet je, want de paal is groot, en tilbaar niet.

Koor
Hoe tilde ik van wel honderd wagens het gewicht, als ´k tot den kwaden ondergang van den Cycloop zijn oog uitroeien kon gelijk een wespen-nest!

Odysseus
En nu, wees stil. Mijn aanslag is je thans bekend. En als ´k beveel, heb in de werkmeesters dan ook vertrouwen. Niet toch achterlatend die hierin zijn, mijne vrienden, red ik slechts mij-zelf alleen. Toch kon ik vluchten, want ik kwam reeds uit het hol. Maar ´t is niet recht, verlatende mijn vriendenschaar, met wie ik hierheen kwam, alleen op vlucht te slaan.

06. Intermezzo; regel 6;483-518

Halve koor A - recitatief
Heia! wie ´t eerst, wie zal het eerst, pakkend den paal, grijpend den stam aan, stooten ´t gezicht hem in van den Cycloop, 't lichtdragend oog hem tot splinters verslaan? Binnen klinkt dronkemansgezang Stil nu, wees stil! Want, onder den wijn, wn musiceerend onwelkom geloei, scheef-schor uitlallend, tot komend gehuil, stevent hij aan uit de donkere grot. Heia, wij voeden hem op tot een fuif, dien ongelikte! Ganschelijk blind zal hij spoedig daar staan! De Cycloop komt op met beker, vergezeld door Silenus. Zang - strofe Wel-gelukkig, wie den god viert op den lieven berg der druiven, naar het drinkgelag uitvliegend, en een lieven vriend omarmend, of op ´t bed de bloem bezittend van een teedere vriendinne, Met welriekendheid zijn haar zalft, vraagt: "Wie opent mij de deur?"

Cycloop - antistrofe
Papapai! vervuld van wijn, verheugt mij zoo de jeugd van 't feestmaal. Hoe het scheepsruim mij gestouwd is van het dek tot aan de kiel! Mij verlokt het welkom grazen tot geschrans in luwe lente met mijn broeders, de Cyclopen. Breng mij, vreemde, breng den zak mij, hier naar buiten, uit het huis! Odysseus gaat de grot binnen.

Halve koor B - antistrofe
Stralend uit haar oogen ziende, blank verschijnend uit de grotten, zal er ééne lief u hebben, en van-ouds beschijnt uw huid weêr dan een lampje. O, hoe in bedauwde grot een soepel nymphje om uw hoofd een krans van vele schoone kleuren winden zal!

07. Derde scene; regel 7;519-607

Odysseus
komt uit de grot met de wijnzak en wordt gevolgd door Silenus. Cycloop, hoor nu naar mij, daar ik vertrouwde ben van dezen Bacchus, dien ik u te drinken gaf.

Cycloop
Wat ´s dat voor Bacchus, dien gij als een god vereert?

Odysseus
De grootste, tot verkwikking van het menschenlot.

Cycloop
Dat ´s juist, want aangenaam risp ik hem uit mijn keel.

Odysseus
Zóó is die god en geen der menschen doet hij leed.

Cycloop
Wat heeft die god pleizier, te wonen in een zak?

Odysseus
Opdat, wáár wij hem zetten, hij ons licht zal zijn.

Cycloop
Een god moet niet zijn lichaam stoppen in een zak.

Odysseus
Wat zou ´t, als hij verkwikt? Is haat´lijk u zijn huid?

Cycloop
Ik haat de huid, maar dezen drank - daar houd ik van.

Odysseus
Blijf hier nu, leg u neêr en drink hem uit, Cycloop!

Cycloop
Moet ik mijn broeders niet meêgeven van den drank?

Odysseus
Als gij hem zelf behoudt, dan wordt gij meer geëerd.

Cycloop
Maar geef ´k hem aan mijn broers, dan ben ik van meer nut.

Odysseus
Het feest mint vechtpartij en schandelijk gescheld.

Cycloop
´k Ben wel bewijnd, toch komt er niemand aan mijn lijf.

Odysseus
Daarom juist, daar ge dronken zijt, blijf gij tehuis.

Cycloop
Een stommeling, wie zonder drank van fuiven houdt.

Odysseus
Maar wie, bewijnd, in huis blijft, die is wijs.

Cycloop
Wat doen we nu, Sileen? Denk jij, we blijven thuis?

Silenus
Ja, want wat zouden and´ren meêdrinken, Cycloop?

Cycloop
De grond is lekker mollig hier van bloeiend gras.

Silenus
En in de zonnewarmte drinken doet je goed. Geloof me nu en leg je rug neêr op den grond. Hij neemt de zak weg.

Cycloop
Almachtig, wat zet jij den zak nu achter mij?

Silenus
Dat geen langsganger er van neemt.

Cycloop
Je wilt een slok van mij stelen, schelm! Zet hier in ´t midden neêr den zak. Wel, vreemde, zeg je naam, hoe ik je noemen moet.

Odysseus
"Niemand". Voor welk geschenk mag ik u dankbaar zijn?

Cycloop
Dat ik jou ´t laatst van al je vrinden vreten zal.

Silenus
Een schoon geschenk geef jij den vreemde daar, Cycloop! Hij drinkt.

Cycloop
Hei, hei, wat doe jij? Drink je gniepig van mijn wijn?

Silenus
Ik? Nee! Hij kuste mij, omda´k een mooierd ben.

Cycloop
´t Wordt grienen, als jij mint den wijn, die jou niet mint.

Silenus
Niet waar, bij Zeus! Hij lispelt, want ik ben zoo mooi!

Cycloop
Schenk in, en meer dan éénen beker geef je mij!

Silenus
En hoe gemengd? - Welaan, laat ons dit eens bezien. Hij drinkt weer.

Cycloop
Je sterft! Geef daad´lijk!

Silenus
Ja, bij Zeus! Maar niet, voorda´k je een krans zie nemen, schenk ik jou een droppel in.

Cycloop
Schenker van niks, jij!

Silenus
Nee, bij Zeus, maar zoet´s de wijn. Je moet je neus eerst vegen, vóór je drinken gaat.

Cycloop
Kijk, schoon zijn al mijn lippen en mijn snorrebaard.

Silenus
Zet nu den arm mooi rhythmisch en drink grondig uit, zooals je mij ziet drinken - hij drinkt opnieuw én zooals je ´t niet meer ziet.

Cycloop
Ho, ho! Wat doe je?

Silenus
Heerlijk heb ik opgeslurpt.

Cycloop
Pak aan den zak, o vreemde, word mijn schenker zelf.

Odysseus
Gij zult de druif eerst leeren kennen uit mijn hand.

Cycloop
Komaan, schenk in.

Odysseus
Ik ben al doende, wees maar stil.

Cycloop
Daar zeg je een kwaad ding voor wie veel gedronken heeft.

Odysseus
Zie hier. Vat aan. Drink uit. En mors geen drup hiervan, want het is wet, dat drinkers met den drank vergaan.

Cycloop - drinkend
Papai! Verstandig is het stamhout van de druif.

Odysseus
En als ge er veel van ophaalt na een machtig maal, uw buik dorst-vrij besproeiend, valt ge in zoeten slaap. En mocht ge iets morsen - dan maakt Bacchus-zelf u droog.

Cycloop
Joe, joe! Hoe zwaar val ´k op mijn zij! ´t Geschenk ontkracht mijn lijf! De hemel komt mij waarlijk voor verward met de aard - zij draaien samen rond. Daar zie ik dan den troon van Zeus en heel der goden schaduwrijke huis! Zou ´k niet bemind zijn? De Chariten lokken mij genoeg, maar - hij pakt Silenus met deez´ Ganymedes ben ´k tevree, de schoonste der Chariten!

Silenus
Ben ´k Zeus´ schenker nu?

Cycloop
Ja, ja, bij Zeus!

Silenus
O kind´ren, nu ben ik gepierd!

De Cycloop gaat wankelend het hol binnen en sleept Silenus mee.

Odysseus
Welaan, O, Bacchus´ zonen, wel-geboren ras, de man is binnen, uitgeleverd aan den slaap. Straks zal hij uit zijn smeer´gen strot uitsmijten ´t vleesch. Stoot nu den paal naar binnen, met de punt in ´t vuur. Niets anders valt er meer te doen, dan dat wij ´t oog van den Cycloop uitschroeien. Maar gij, wees een man.

Koor
Den moed betoonen zullen wij van steen of staal. Ga nu in ´t huis, vóór onze vader ondergaat iets gruwelijks, daar alles voor is U besteld.

Odysseus
Hephaistos, Aetna-heer, van den nabijen boef neem gij nu daadlijk brandend weg het schitter-oog! En gij, o, van de Zwarte Nacht de kweek´ling, Slaap, kom gij geweld´loos over ´t god-gehate beest, opdat niet, wie van Troje´s schoone daden kwam hierheen gevaren, deez´ Odysseus, vindt den dood door hem, die om geen god geeft of goed mensch. Wanneer één deugd een god verheugnis geeft, dan is dit voor de goden wel de kleinste deugd!

08. Derde koorlied; regel 8;608- 623

Koor
Nu gaat stevig de gespalkte Nijptang pakken in den nek van den vreemdelingenvreter: snel in ´t vuur toch zal vergaan zijn lichtend oog. Want de paal, in ´t vuur geblakerd, de geweld´ge mast der spar ligt onder de asch. Nu welaan, o gij Mároon, aan ´t werk, neem het oog van den dronken Cycloop in zijn euvelen roes! Maar den klimopkrans-minnenden, hem, den beminden Bacchus zal ´k mijn lied toezingen, als ik ´t woedend beest ontkom. Zou mij dit nog beschoren zijn?

09. Vierde scene; regel 9;624-655

Odysseus
Zwijgt stil! Bij alle goden, dieren, weest verheugd, dichtklappend van Uw mond den klep! Geen adem duld ´k, noch oogen-knippen, noch het keelgeschraap van één, opdat geen onraad mij gewekt wordt, vóór het oog van den Cycloop is uitgestreden door het vuur.

Koor
Wij zullen zwijgen, lucht vastklemmend met den kaak.

Odysseus
Welaan nu, vat den mast met uwe handen aan, naar binnen stappend: hij ´s nu prachtig doorgegloeid.

Koor
In wat slagorde, meen je, moeten we eerst gaan staan, Om, dat gevaarte opnemend, uit te branden ´t licht Van den Cycloop, zoodat wij deelen in de vreugd? De Satyrs tillen de paal op.

Halve koor A
Wij staan te ver hier van den ingang opgesteld, Dan dat wij ´t vuur instooten kunnen in het oog.

Halve koor B
En wij, waarachtig, worden hier volkomen lam.

Halve koor A
Datzelfde ondervind ook ik: mijn voeten toch staan vastgezogen en ik weet niet, hoe dat komt!

Halve koor B
Staan jullie vastgezogen?

Halve koor A
En mijn oogen zijn verstopt vanwege ´t stuiven, of misschien is ´t asch.

Odysseus
Dit zijn geen medestrijders, die zijn maar tot last!

Koor
Omdat ik medelij´ heb met mijn ruggegraat en liever deze tanden niet uitspuwen wil, door ´t stompen van de paal - ben ´k dáárom nu tot last? Maar ´k weet van Orpheus een uitstekend tooverlied, waardoor de paal zelf-werkend den Cyclopen-kop inwandelt en ´t één-kijkend kind der aard´ verbrandt!

Odysseus
Van ouds-her dezen kennend als van zulk een aard, weet ik nu beter iets. De vrienden uit mijn land moet ik gebruiken. In uw handen is geen kracht. Maar nu, vuur gij hen aan, zoodat wij tot den moed der vrienden van uw toeroep hebben ons profijt. Hij wenkt zijn mannen om de grot uit te komen; zij nemen de paal op en stoten hem naar binnen.

Koor
Dat zal ik doen. "In Karië liep ik eens gevaar." Door mijn toejuiching wordt verblind nu de Cycloop.

10. Vierde koorlied; regel 10;656-662

Koor
Jo, jo! Geef machtige stooten, spoed U nu! Brand de wenkbrauw hem uit, van het mensch-etend dier, blusch hem o, brand hem o! den schaapherder van den Aetna! Boor en draai, haal uit, dat hij door de pijn U niet iets kwaads doe!

11. Vijfde scene; regel 11;663-709

Cycloop - binnen
Wee mij, wij worden hier verkoold aan ´t licht van ´t oog!

Koor
Schoon is mij dat gezang! Zing ´t nog eens, o Cycloop!

Cycloop
Wee, weer! Hoe word ik hier mishandeld, hoe vermoord! Hij verschijnt aan de ingang. Maar ongestraft niet zal je mij ontvluchten uit dit hol, jelui die niets bent! Want hier voor de poort recht staand, bespan ik met mijn armen zóó de kloof!

Koor
Waarom dat schreeuwen, o Cycloop?

Cycloop
Vernietigd ben ´k.

Koor
Je ziet er leelijk uit.

Cycloop
Rampzalig nog erbij!

Koor
Viel jij beschonken midden in het kolenvuur?

Cycloop
Niemand heeft mij genekt!

Koor
Want niemand deed je kwaad.

Cycloop
Niemand verblindt mijn oog!

Koor
Dan ben je wel niet blind!

Cycloop
Zoo blind als jij.

Koor
Maar hoé heeft men je blind gemaakt?

Cycloop
Je spot! Waar is die Niemand?

Koor
Nergens, o Cycloop!

Cycloop
Die vreemde, dat je ´t goed begrijpt, heeft me omgebracht, die vuilik, die, drank gevend, mij er onder kreeg!

Koor
Geweldig is de wijn, om mee te worst´len zwaar.

Cycloop
Bij Zeus, zijn ze gevlucht, of bleven ze in het huis?

Koor
Zij nu, in stilte houdende de zwarte rots, staan hier dicht bij.

Cycloop
Hier dichtbij? En aan welke hand?

Koor
Daar, rechts van jou!

Cycloop
Waar?

Koor
Daar, dichtbij, vlak langs de rots! Je hebt ze!

Cycloop - rondtastend
Kwaad nog bij het kwaad! Den schedel heb ´k mij stootende gebroken!

Koor
Kijk - ze zijn ontsnapt!

Cycloop
Waarheen? Zeg dan, waarheen?

Koor
Neen, hierheen zei ik niet!

Cycloop
Waar dan?

Koor
Daar loopen ze om je heen - den linker kant!

Terwijl het koor de Cycloop zo van de opening lokt, komen Odysseus en zijn mannen naar buiten.

Cycloop
Wee mij, ik word bespot! Zij hoonen me in mijn ramp!

Koor
Maar heel niet! Kijk, daar vlak voor jou, daar staat er een!

Cycloop
O, allerergste, wáár ben jij?

Odysseus
Uit uw bereik bescherm ik met mijn wacht Odysseus´ lichaam hier.

Cycloop
Hoe zeg je nu? Je naam verwiss´lend noem je iets nieuws!

Odysseus
Die mij verwekte, heeft Odysseus mij genoemd. Straf moest ge ontvangen voor uw goddelooze maal. Want kwalijk hadden wij in Troje brand gesticht, wanneer we aan u niet straften onzer vrienden dood.

Cycloop
Ai, ai! Een oud orakel wordt aan mij vervuld. Een blind oog, zei ´t mij toch, dat ik ontvangen zou van jou, afzeilende van Troje. Maar ook jij zult hiervoor straf ontvangen, heeft het aangezegd, een langen tijd omzwervend op den oceaan!

Odysseus
Ik laat u brullen. Maar neem aan wat ik u zeg: Ik ga ter kust en op de kiel van ´t zwarte schip en dan Sicilië´s zee op en - naar ´t vaderland!

Cycloop
Toch niet, als ik je met deez´ afgerukte rots, saam met je medevaarders-bend vermorseld mag! Hij werpt hem een rotsblok na. Nu ga ´k naar boven op den berg, al ben ik blind, door deze wijd-uitgang´ge rotsen stappend heen.

Koor
En wij nu, medevaarders op Odysseus´ reis, wij zullen voortaan weder Bacchus´ dienaars zijn!

© 2017 Maarten Hendriksz