Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Euripides - Electra

Bron:Bibliothecaclassica.nl

Vertaald door drs J.H. van Hal, 2014

Betoog

Als de Grieken na tien jaar strijd terugkeren van hun overwinning op de Trojanen wordt de legerleider, Agamemnon, bij thuiskomst gedood. Zijn vrouw, Clytaemnestra, was gedurende zijn afwezigheid verleid door diens erfvijand en neef Aegisthus. Met hulp van hem vermoord Clytaemnestra haar man Agamemnon in bad met een bijl.
Agamemnon’s zoontje Orestes was door Clytaemnestra, of door zijn oudere zus Electra, met behulp van een slaaf buiten bereik van Aegisthus ondergebracht bij zijn oom Strophius, koning van Phocis, een landstreek in Midden-Griekenland, waar ook de orakelplaats Delphi ligt. Met Strophius’ zoon Pylades keert Orestes zeven jaar na de moord op zijn vader incognito naar Mycene terug.
Electra, als mogelijke moeder van een toekomstige wreker door Clytaemnestra en Aegisthus kort gehouden of, zoals in dit stuk, uitgehuwelijkt aan een ongevaarlijke boer, heeft al die jaren wrokkend gewacht op de terugkeer van haar broer als wreker. Rechtsvervolging door de overheid bestond niet. De bestraffing van een moordenaar was de plicht van de mannelijke leden van de familie, in dit geval van Orestes, die ten tijde van de moord op zijn vader niet veel ouder dan tien jaar was.

Personages

Boer, uit Mycene
Electra, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra
Orestes, zoon van Agamemnon en Clytaemnestra
Pylades, neef en vriend van Orestes
Koor, van meisjes uit Argos
Grijsaard, verzorger van de jonge Orestes
Bode
Clytaemnestra, vorstin van Mycene
Dioscuren, vergoddelijkte broers van Clytaemnestra

01. Proloog; regel 1;1-111

Scene:

Hoog in de bergen in het gebied van de stad Argos staat het huis van een boer. De ochtend breekt aan en de boer komt naar buiten.

Boer
Oude vlakte van het land, Inachus’ stromen, waarvandaan de heer Agamemnon met duizend schepen ten oorlog is getrokken en naar het Trojaanse land is gevaren. Nadat hij de heerser in het Trojaanse land. Priamus had gedood en Dardanus’ heerlijke stad had ingenomen, kwam hij hier in Argos en hij had op hoge schepen zeer veel wapenbuit, behaald op de barbaren, geplaatst. En daarginds heeft hij wel succes behaald, maar thuis sterft hij door een list van zijn vrouw Clytaemnestra. en door de hand van Thyestes’ zoon Aegisthus. Hij had de oude machtsscepter van Tantalus achtergelaten en is gestorven en Aegisthus is koning van het land terwijl hij diens echtgenote, Tyndareus’ dochter heeft. Wie hij in het huis had achtergelaten, toen hij naar Troje voer, de jongen Orestes en de vrouwelijke telg Electra, van hen werd de jongen heimelijk door de opvoeder van de vader meegenomen, Orestes, omdat hij zou sterven door Aegisthus’ hand en hij gaf hem aan Strophius mee naar het land der Phocensen om op te voeden. Zij echter, Electra, bleef in haar vaders huis en toen haar de bloeiende tijd van de jeugd had, vroegen de eersten van het Griekse land als vrijers om haar hand. Bang, dat zij een kind zou baren aan iemand van de aanzienlijken tot wreker van Agamemnon, hield Aegisthus haar in huis en huwde hij haar niet uit aan een bruidegom. Toen ook dat vol angst was, dat zij aan een edele man in het geheim kinderen zou baren, heeft haar moeder, toen hij besloten had Electra te doden, hoe wreed zij ook was, haar toch uit handen van Aegisthus gered. Want ze had wel voor de dood van haar man een excuus, maar ze was bang, dat men de moord op haar kinderen haar zou verwijten. Daarom bedacht Aegisthus het volgende. Agamemnons zoon, die op de vlucht uit het land gegaan was, Aegisthus, heeft geld uitgeloofd aan wie hem zal doden, maar aan mij dan geeft hij Electra om als echtgenote te hebben. Ik stam wel van Myceense vaderen –mij valt daarin niets te verwijten-. Want ik ben schitterend wat betreft mijn afkomst toch, maar aan geld dan ben ik behoeftig, waardoor edele afkomst teloor gaat- opdat zij een geringe angst krijgt door haar aan een onbetekenend man te geven. Want als een man met aanzien haar had gekregen, zou hij de moord op Agamemnon uit haar slaap gewekt hebben en dan zou straf Aegisthus getroffen hebben. Haar heeft deze man nooit –Aphrodite is mijn getuige- geschonden in bed. Want zij is namelijk nog maagd. Ik deins er immers voor terug, als ik de kinderen van gelukzalige mensen gekregen heb, die te schofferen; ik ben ze niet waardig. Maar ik zucht om wie in woorden met mij verwant is, de ongelukkige Orestes, als hij ooit naar Argos gekomen het ongelukkig huwelijk van zijn zus zal zien. Maar alwie zegt dat ik een dwaas ben, als ik een jong meisje in huis heb gekregen en haar niet aanraak, dan meet hij met een slecht richtsnoer van de geest het bezonnene en moet hij weten dat hij ook zelf zo is.

Electra komt op met een waterkruik op haar hoofd

Electra
O zwarte nacht, van gouden sterren de voedster, waarin ik deze kruik op mijn hoofd hier staand draag en water uit de rivier ga halen. Niet dan omdat ik in zo’n grote behoefte ben gekomen, maar om de euveldaad van Aegisthus aan de goden te tonen - en waarin ik jammerklachten de hemel in zend voor mijn vader. Want de zeer verderfelijke dochter van Tyndareus, mijn moeder, heeft mij uit huis gegooid, een dienst bewijzend aan haar man; na andere kinderen bij Aegisthus gebaard te hebben beschouwt ze Orestes en mij als bijzaak van het huis.

Boer
Waarom dan, ongelukkige, doe je dit voor mij je moeite getroostend, vroeger goed levend en waarom houd je niet op, terwijl ik dat zeg?

Electra
Ik beschouw jou als vriend gelijk aan de goden. Want in mijn ellende ben je niet te ver gegaan. Voor stervelingen is het een groot geluk tegen onheil een arts te vinden, zoals ik in jou krijg. Ik moet dan, ook al is het mij niet bevolen, naar vermogen, jou van van werk onlasten, opdat je het makkelijker draagt, en samen met jou je inspannningen dragen. Je hebt genoeg aan je werk buiten. Voor de dingen in huis moeten wij. goed zorgen. Als een boer thuis komt van buiten, is het prettig het binnen goed aan te treffen.

Boer
Als het jou goed toeschijnt, moet je gaan. Want niet ver zijn de bronnen van het huis. Ik zal met de dageraad de runderen op het land brengen en het land inzaaien. Want geen luiaard zalwel, ook al heeft hij de mond vol van goden, levenshave verzamelen zonder inspanning.

Eletra en de boer verlaten het toneel, Orestes en Pylades komen op.

Orestes
Pylades, jou immers beschouw ik dan als eerste van de mensen als betrouwbaar en als mijn vriend en gastheer. Als enige van je vrienden bewonderde Orestes hier, in de positie waarin ik ben, vreselijk behandeld door Aegisthus, die mijn vader heeft gedood en zij, mijn zeer verderfelijke moeder. Ik ben gekomen van de mysteriën van de god in het Argivisch land, zonder dat iemand er vanaf weet, om de moord op mijn vader te verhalen op zijn moordenaars. In deze nacht ben ik gekomen bij het graf van mijn vader en ik heb tranen gegeven en haar geofferd en op het brandaltaar het bloed van een geslacht schaap laten vloeien, zonder dat de heersers, die dit land bestieren, het merkten. En ik zet mijn voet niet binnen de muren, maar ik combineer het streven naar twee zaken en ben daarom gekomen naar de grenzen van dit land, om hiervandaan naar een ander land te gaan, als iemand me ziet en herkent en tegelijk ben ik op zoek naar mijn zus. Ze zeggen immers, dat zij in een huis in de echt verbonden woont en geen maagd meer is: ik hoop, dat ik haar ontmoet en als handlangster van een moord krijg en de situatie binnen de muren via haar leer kennen. Laten we nu dan -want Eos verheft haar witte oog- van dit pad ons spoor verwijderen. Want een boer of dienstmeid zal aan ons beiden verschijnen, welke we ook maar zullen ondervragen, of mijn zus hier woont. Electra keert terug van de bron. Welaan –want ik zie hier een dienstmeid met een waterlast op het geschoren hoofd- laten we gaan zitten en de dienster ondervragen om te zien of wij een woord vernemen van dat, waarom wij, Pylades, in dit land gekomen zijn.

02. Lied van Electra en koor; regel 2;112-212

Electra - strofe
Versnel – het is tijd- de vaart van je voet. O, ga, ga in tranen. Wee mij, mij. Ik ben Agamemnons dochter en ik ben op de wereld gezet door Clytaemnestra, de gehate dochter van Tyndareus en ze noemen me de ongelukkige Electra, de burgers. Ach, ach wegens rampzalig lijden en een huiveringwekkend leven. Vader, u ligt in Hades’ huis geslacht door uw echtgenote en door Aegisthus. O, Agamemnon.

tussenzang
Ga, doe dezelfde jammerklacht ontwaken, verhef het genot van vele tranen.

antistrofe
Versnel – het is tijd- de vaart van je voet. O, ga, ga in tranen. Wee mij, mij. In welke stad en in welk huis, ongelukkige broer, dool jij rond, nadat je je deerniswekkende zus in de vaderlijke vertrekken hebt achtergelaten bij de meest smartelijke gebeurtenissen? Moge jij voor mij, ongelukkige, komen als verlosser van mijn lijden, Zeus, Zeus, en als mijn vaders bondgenoot tegen het meest gehate bloed na uw zwervende voet te hebben doen landen in Argos.

Strofe - tegen een slavin
Pak deze kruik van mijn hoofd en zet hem neer opdat ik mijn vader jammerklachten in de nacht luid toeroep, en een kreet, Hades’ lied, ja van Hades jammerklachten, vader, voor u uit tot onder in de aarde, waarmee ik altijd van dag tot dag in de weer ben, terwijl ik met mijn nagels mijn hals openrijt en mijn hand op mijn geschoren hoofd voor uw dood leg.

tussenzang
Ach, ach, krab je hoofd. Zoals een zwaan luid zingend bij de stromen van een rivier om zijn diep beminde vader roept, die gestorven is in de listige strik van stroppen, zo beween ik jou, de ongelukkige, vader,

antistrofe
Na het allerlaatste badwater op mijn huid gesprenkeld te hebben in een zeer deerniswekkende doodsslaap. Wee mij, wee mij wegens de scherpe snede van een bijl en uw bittere besluit uit Troje te vertrekken. Niet heeft uw vrouw u met zegeband ontvangen en niet daarbij met een krans, maar met een aan twee zijden snijdend zwaard van Aegisthus richtte zij een afschuwelijke verminking aan en kreeg zij een listige echtgenoot.

Een koor van jonge vrouwen komt op

Koor - strofe
O Agamemnons dochter, ik ben gekomen, Electra, naar uw landelijke hof. Er is iemand gekomen, er is een melkdrinkend man gekomen, een Mycener, die in de bergen gaat. Hij bericht, dat nu het drie dagen durend offerfeest door de Argivers aangekondigd wordt en dat alle meisjes van plan zijn naar Hera te gaan.

Electra
Niet om luister, vriendinnen en niet om gouden halsbanden maakt mijn hart een uitgelaten vlucht in mijn ongeluk en niet zal ik reidansen samen met de Argivische meisjes opstellen en mijn voet in snelle beweging stampen. Met tranen breng ik de nacht door en tranen gaan mij in mijn ellende van dag tot dag ter harte. Kijk eens naar mijn vuile haar en naar deze gescheurde vodden van mijn peplos, of die Agamemnons koninklijke dochter zullen passen en Troje, dat aan mijn vader denkt na zijn inname in het verleden.

Koor - strofe
Groot is de godin. Kom ga, ant.a en leen van mij een mantel rijk aan draden om aan te trekken, en daarbij gouden glans. Denk jij met je tranen, als jij de goden niet eert, je meester van je vijanden te maken? Echt niet met zuchten, maar met gebeden de goden erend zul je geluk hebben, kind.

Electra
Geen god luistert naar de kreet van de ongelukkige en niet naar de oude moordpartij op de vader. Wee mij wegens de gedode en wegens hem, die levend zwerft, die, dunkt me, in een ander land is, die ongelukkig zwerft naar een dagloners haard, uit die beroemde vader voortgekomen. Zelf woon ik in een daglonershuis, van binnen wegkwijnend, uit vaders woning verbannen, ergens op de steilten van de bergen. Mijn moeder woont in een bloedig bed met een ander getrouwd.

03. Eerste akte; regel 3;213-431

Koor
Aan veel ellende voor de Grieken is jouw moeders zus Helena schuldig en voor jouw huis.

Electra
Ach, vrouwen, ik ben klaar met mijn weeklachten. Een paar vreemden hebben hier een leger bij het altaar en komen nu overeind uit hun hinderlaag richting het huis. Laten wij te voet (rennen en) in vlucht, jij over straat en ik het huis in, aan die schurken ontsnappen.

Orestes
Blijf, ongelukkige. Vlucht niet voor mijn hand.

Electra
Phoebos Apollo, ik smeek u op de knieën, dat ik niet sterf.

Orestes
Ik wens anderen eerder te doden, die mij gehater zijn dan jij.

Electra
Ga weg, raak niet aan wat jij niet mag aanraken.

Orestes
Er is niets wat ik wel met meer recht aan zal raken.

Electra
En waarom lig jij dan met zwaard en al bij mijn huis?

Orestes
Blijf en luister en spoedig zal jij niet anders spreken.

Electra
Ik sta. Ik ben volledig de jouwe, want je bent sterker.

Orestes
Ik ben met een boodschap van jouw broer voor jou gekomen.

Electra
Beste, leeft hij of is hij dood?

Orestes
Hij leeft. Ik wil je namelijk eerst het goede berichten.

Electra
Ik wens je geluk, loon voor zeer aangename woorden.

Orestes
Ik geef dat aan ons beiden om samen te hebben.

Electra
Waar ter wereld heeft de ongelukkige zijn ongelukkige ballingschap?

Orestes
Terwijl hij niet in één stad verblijft, vindt hij zijn einde.

Electra
Hij heeft toch niet gebrek aan zijn dagelijkse benodigdheden?

Orestes
Hij heeft die dingen wel, maar zwak zonder meer is een balling.

Electra
Met wat voor tijding dan kwam je van hem?

Orestes
Als je leeft en in wat voor omstandigheden jij ook in leven bent.

Electra
Ten eerste, zie je dan niet hoe uitgeteerd mijn lichaam is?

Orestes
Ja, door verdriet weggekwijnd, zodat ik jammer.

Electra
en mijn hoofd en haar met een mes geschoren.

Orestes
Je broer en de dood van je vader steken je wellicht.

Electra
Ach, welke haarlok is inderdaad mij dierbaarder dan die van hen?

Orestes
Ach, ach. Wat denk jij, dat je voor je broer bent?

Electra
Hij is er niet en desondanks is hij geliefd aan ons.

Orestes
Maar waarom woon jij hier, ver van de stad?

Electra
Ik ben getrouwd, vreemde, een doodshuwelijk.

Orestes
Ik bejammer je broer. Met wie van de Myceners?

Electra
Niet aan wie mijn vader ooit hoopte mij uit te huwelijken.

Orestes
Zeg het, opdat ik het hoor en het je broer vertel.

Electra
In dit huis van hem woon ik afgelegen.

Orestes
Een dagloner of een koeherder, gezien het huis.

Electra
Een arm man, die voortrefffelijk is en respectvol naar mij toe.

Orestes
In wat voor zin past dat respect bij uw man?

Electra
Nog nooit heeft hij het gewaagd mijn bed aan te raken.

Orestes
Uit goddelijke kuisheid of omdat hij je afkeurde?

Electra
Hij wilde niet mijn ouders schofferen.

Orestes
En hoe heeft hij niet met vreugde zo’n huwelijk aanvaard?

Electra
Hem die mij gaf vond hij niet daartoe gemachtigd, vreemde.

Orestes
Ik begrijp het. Bang, dat hij ooit door Orestes gestraft wordt.

Electra
Juist uit angst daarvoor. Maar bovendien is hij ook bezonnen.

Orestes
Ach. Een edel man heb jij genoemd; hij verdient een goede behandeling.

Electra
Ja, als dan ooit hij, die nu afwezig is, thuis zal komen.

Orestes
Heeft uw moeder, die u gebaard heeft, dat verdragen?

Electra
Vrouwen, vreemde, houden van mannen, niet van kinderen.

Orestes
Waarom heeft Aegisthus je zo geschoffeerd?

Electra
Hij wilde dat ik een onbeduidend kind kreeg. Dus gaf hij me aan zo een.

Orestes
Opdat je zeker geen wrekende kinderen zou baren?

Electra
Dat was zijn plan. Moge hij mij daarvoor boeten.

Orestes
Weet je moeders man, dat je een maagd bent?

Electra
Nee. Dat verzwijgen wij voor hem.

Orestes
Horen zij hier dan als vriendinnen deze woorden?

Electra
Ja, zodat ze mijn en jouw woorden goed verzwijgen.

Orestes
Wat dan moet Orestes met het oog hierop doen, als hij naar Argos komt?

Electra
Dat vraag je? Een schandelijk iets heb je gezegd. Want is het nu niet hét moment?

Orestes
Hoe kan hij dan na zijn komst zijn vaders moordenaars doden?

Electra
Door dat te durven wat tegen vader door zijn moordenaars gedurfd is.

Orestes
Zul je wel ook met hem je moeder durven doden?

Electra
Ja, met dezelfde bijl als waarmee vader vermoord is.

Orestes
Moet ik hem dat zeggen en is jouw besluit zeker?

Electra
Moge ik sterven na mijn moeders bloed te hebben vergoten.

Orestes
Ach. Was Orestes maar hier in de buurt en hoorde hij dit maar.

Electra
Maar, vreemde, ik zal hem wel niet herkennen, als ik hem zie.

Orestes
Ja, geen wonder, jong werd jij van hem als jongen gescheiden.

Electra
Slechts één van mijn vrienden zou hem kunnen herkennen.

Orestes
Van wie men zegt, dat die hem aan de dood ontstolen heeft?

Electra
Ja, vaders oude leraar van weleer.

Orestes
Maar heeft jouw dode vader een graf?

Electra
Zo zou je het kunnen zeggen: hij is uit huis gegooid.

Orestes
Vreselijk. Wat voor iets zei je hier! Hij herstelt zich. Want ook het vernemen van vreemd leed bijt mensen. Maar zeg het, opdat ik het weet en je broer een vreugdeloos verhaal vertel, maar wel een die hij moet horen. Medelijden bestaat nergens in onwetendheid, maar wel bij wijze mannen; overigens, het blijft ook niet zonder straf, dat een al te wijze mening in wijzen zit.

Koor
Ook ik heb hetzelfde verlangen naar het leven als hij. Omdat ik immers ver van de stad ben, weet ik de ellende in de stad niet, maar nu wil ook ik die vernemen.

Electra
Ik zal wel, als het moet –en ik moet het tegen vrienden zeggen- mijn zware lot en dat van mijn vader vertellen. Omdat je dat onderwerp ter sprake brengt, smeek ik je, vreemde, bericht Orestes mijn en zijn rampspoed, eerst met wat voor kleren ik gekleed ben en onder hoeveel vuil ik belast ben en onder wat voor dak ik woon vanuit een koninklijke woning terwijl ik zelf met moeite met weversnaald gewaden maak, of anders zal ik een naakt lichaam hebben en zonder kleren zijn, en terwijl ik zelf water uit de rivier haal zonder deel te nemen aan de heilige feesten en reidansen. Ik schaam mij voor vrouwen dat ik maagd ben, Ik schaam me voor Kastoor, met wie ze me, voordat hij naar de goden was gegaan, verloofden als familielid. Mijn moeder zit te midden van Phrygische buit op een troon en bij haar zetel staan uit Klein-Azië slavinnen, die mijn vader bij zijn plunderingen heeft buit gemaakt, terwijl ze hun mantels van de Ida met gouden spelden hebben vastgespeld. Vaders bloed rot zwart nog in huis en de man die hem gedood heeft bestijgt dezelfde wagen als mijn vader en rijdt daarmee weg En hij heeft de scepter, waarmee hij de Grieken beveelt, in zijn met bloed bevlekte handen genomen en gaat daar prat op. Maar Agamemnons tombe is ongeëerd en heeft nog geen plengoffer en geen mirtetak gekregen en het brandaltaar is zonder sieraden. Dronken van wijn springt die echtgenoot van mijn moeder, die beroemde, zoals ze zeggen, op zijn graf en met stenen stenigt hij het stenen grafmonument van vader, en de volgende uitspraak durft hij tegen ons te doen: “ Waar is de jongen Orestes? Is hij bij je tombe en beschermt hij die goed?” - in zijn afwezigheid wordt hij zo bespot. Maar, vreemde, ik smeek je, bericht dit. Want velen dragen dat op en hun tolk ben ik, mijn handen, mijn tong en mijn ellendige geest en mijn geschoren hoofd en de man, die hem gebaard heeft. Want het is schandelijk, als vader Phrygië heeft verwoest, maar hij in zijn eentje één man niet zal kunnen doden, jong als hij is en van een voortreffelijke vader.

Koor
Kijk, ik zie hem hier, ik bedoel je echtgenoot, hij is klaar met zijn werk en hij is op weg naar huis. Boer Hé, wat voor vreemden zie ik hier bij de poortdeuren? Waarom zijn zij naar deze landelijke poort gekomen? Soms omdat ze mij nodig hebben? Voor een vrouw toch is het schandelijk bij jonge mannen te staan.

Electra
Liefste, niet moet je argwaan opvatten jegens mij. Het ware verhaal zul je weten. Deze vreemden zijn van Orestes als gezanten van een tijding naar mij gekomen. Welaan, vreemden, vergeeft zijn woorden. Boer Wat zeggen ze? Leeft de man en ziet hij het licht?

Electra
In woord, ja, leeft hij en en ze spreken voor mij geloofwaardig.

Boer
Denkt hij soms ook misschien aan je vader en jouw ellende?

Electra
Dat is te hopen. Zwak is een balling.

Boer
Wat voor bericht van Orestes zijn ze komen vertellen?

Electra
Hij heeft hen als verspieders van mijn ellende gestuurd.

Boer
Dus zien ze dat deels en deels dunkt me vertel jij het.

Electra
Zij weten het, niets hiervan ontberen zij.

Boer
Moesten dan niet deze deurvleugels allang open staan? Gaat naar binnen. Want in ruil voor goede woorden zullen jullie zulke eergeschenken krijgen, als mijn huis bergt. Tilt hun spullen op, dienaren, en brengt ’t in mijn huis. En spreekt absoluut niet tegen: van een bevriend man komen jullie als vrienden. Want ook al ben ik arm, toch niet zal ik een laag karakter laten zien.

Orestes
Bij de goden, is dit de man, die de schijn van een huwelijk met jou ophoudt om Orestes niet te onteren?

Electra
Hij heet de echtgenoot van mij, ongelukkige.

Orestes
Ach. Echt niets is duidelijk met betrekking tot mannelijkheid. Want de karakters der mensen kennen verwarring. Want reeds heb ik gezien, dat een man van een edele vader niets was en dat goed waren de kinderen van lage mensen, en honger heb ik gezien in de gedachte van een rijk man, en een grootse mening in een arm lichaam. Hoe dan zal iemand het doorgronden en een juist oordeel vellen? Met rijkdom? Hij zal dan een slechte rechter gebruiken. Of met mensen zonder bezit? Maar rijkdom heeft ziekte, want zij leert door gebrek een man slecht te zijn. Maar moet ik me tot wapens wenden? Wie zal wel met zijn blik op lansen getuige zijn van wie een dapper man is? Het is het best dat zomaar opgegeven te laten. Die man, noch groot onder de Argivers, noch daarentegen door de reputatie van het huis tot eer verheven, maar die zich in de massa bevindt, is de beste bevonden. Niet moeten jullie verwaten zijn, jullie die vol van lege meningen ronddolen, maar jullie moeten edele mensen op grond van hun gezelschap en hun karakter beoordelen. Want dat soort mensen besturen én hun steden én hun huizen goed. De vleesklompen leeg van verstand zijn standbeelden van de agora. Want tegen een lans houdt een krachtige arm niet meer stand dan een zwakke. Dat zit in de aard en in dapperheid. Wel, laten wij –want de zoon van Agamemnon, die wel en niet aanwezig is, juist om wie wij gekomen zijn verdient dat- in het huis intrekken. Slaven, ga het huis in. Ach, moge ik eerder een welwillende arme dan een rijke gastvriend hebben. Ik ben dus wel tevreden met de ontvangst in het huis van deze man, maar ik zou het liever hebben, als uw broer in voorspoed mij zijn huis in voorspoed zou binnen brengen. Mischien zal hij wel komen. Want Loxias’ orakel is onwrikbaar, maar de zienerskunst van stervelingen zeg ik adieu.

Orestes, Pylades en gevolg gaan de hut in.

Koor
Nu meer dan voorheen, Electra, worden wij in ons hart van vreugde warm. Want misschien zal het lot wel met moeite voortgaand gunstig tot stilstand komen.

Electra
Ongelukkige, je kent het gebrek van je huis. Waarom heb jij dan deze gasten boven jouw stand ontvangen?

Boer
Wel, als ze precies zo edel zijn, zoals ze schijnen, zullen ze dan niet evenzeer met weinig als met veel tevreden zijn?

Electra
Omdat je nu nu een fout begaan hebt –want je hebt weinig- ga dan naar de dierbare oude opvoeder van mijn vader, die bij de rivier de Tanaos, die de grenzen van het Argivische en Spartaanse land snijdt, uit de stad gegooid bij de kudden verblijft. Beveel hem te komen, daar zij in mijn huis gekomen zijn en om een maaltijd voor de vreemde in het huis te brengen. Hij zal heus blij zijn en tot de goden bidden, als hij hoort, dat het kind, dat hij ooit redde, leeft. Want wij zullen wel niets krijgen uit het vaderlijk huis van mijn moeder. Want we zullen wel een bittere boodschap brengen, als de ellendige hoort, dat Orestes nog leeft.

Boer
Maar, als het jou goed toeschijnt, zal ik de boodschap brengen aan de oude man. Ga zo snel mogelijk het huis in en maak het binnen gereed. Werkelijk, als een vrouw wil, kan ze veel spijzen voor een maal vinden. Er is dan nog zo veel in huis, dat het hen voor één dag van eten kan verzadigen. Wanneer ik in zulke overpeinzingen terecht kom, zie ik van geld, dat het grote macht heeft, om aan vrienden te geven en als ze ziek zijn geworden hen door uitgaven te redden. Het eten voor een dag kost weinig. Ieder man, als hij verzadigd is, rijk en arm, bevat hetzelfde.

04. Eerste koorlied; regel 4;432-486

Koor - strofe
Heerlijke schepen, jullie die ooit naar Troje zijn gegaan str. met ontelbare roeispanen reidansen begeleidend samen met de Nereïden waar de fluitminnende dolfijn sprong rond de voorstevens met donkere snebben tuimelend, vervoerend Thetis’ zoon Achilleus licht springend met zijn voeten samen met Agamemnon naar de oevers van de Simoeis in Troje.

antistrofe
Toen de Nereïden de oevers van Euboia verlaten hadden, ant. brachten zij de schilddragende inspanningen van het aambeeld van Hephaistos, een gouden wapenrusting, omhoog in de Pelion en onder door de wouddalen van de heilige Ossa, *…. … *, waar als een vader de wagenstrijder voor Hellas als een licht voedde Thetis’ telg van de zee die snel ter been was, voor de Atreïden.

strofe
Ik hoorde van iemand in de haven str. van Nauplion, die uit Troje was gekomen, dat op het rond van jouw beroemde schild, Thetis zoon, de volgende emblemen, schrikbeelden voor de Frygiërs, waren: dat op de rondlopende zetel van de rand Perseus als keelafsnijder boven de zee met gevleugelde sandalen de gedaante van de Gorgo vast- hield, samen met Zeus’ bode Hermes, Maia’s landelijke zoon.

antistrofe
In het midden van het schild schitterde stralend ant. de cirkel van de zon op de gevleugelde paarden en de hemelse koren van sterren, de Pleiaden, Hyaden, voor Hectors ogen vlucht wekkend. Op de uit goud gedreven helm zijn Sphinxen met in hun klauwen bezongen buit. Op de welving rond de zijden haastte met zijn klauwen zich een een vuurademende leeuw in ren kijkend naar het paard van Pegasus.

nazang
Op het zwaard sprongen vierbenige paarden en donker stof steeg op rond de rug. De heer van zo krijgshaftige mannen werd, Tyndareus’ dochter, door uw bedgenoot, o kwaad denkende vrouw gedood. Daarom zullen ooit de hemelingen u naar de dood sturen. Werkelijk, nog ooit zal ik onder uw hals bloedig bloed, vergoten door ijzer, zien.

05. Tweede akte; regel 5;487-698

Grijsaard
Waar, waar is mijn jonge, machtige meesteres, het kind van Agamemnon, die ik ooit heb opgevoed? Hoe steil is de toegang tot dit huis voor deze gegroefde grijsaard, die te voet nadert. Toch moet ik naar mijn vrienden mijn dubbel gevouwen ruggegraat en gekromde knie voortslepen. Dochter –ik zie je nu pas bij het huis- Ik heb dit jonge dier weggehaald bij mijn veekudde en kom jou dit brengen en kransen en kaas van de kaasschaaf afgepakt en deze oude geurrijke schat van Dionysus een beetje, maar zoet om een bokaal hiervan bij een zwakkere drank te gooien. Iemand moet dit het huis in brengen voor de vreemden Ik wil met deze lap van mijn peplos mijn ogen, die ik met tranen heb bevochtigd, afdrogen.

Electra
Waarom, oude, heb je je ogen hier doornat? Toch niet sinds lang heeft mijn ongeluk herinneringen bij jou opgewekt of zucht je om de rampzalige ballingschap van Orestes en om mijn vader, die je ooit in je beide handen had en zonder voordeel voor jou en je vrienden hebt opgevoed?

Grijsaard
Zonder voordeel. Toch dus heb ik dit echter niet verdragen. Want ik ben naar zijn graf gegaan, dat een bijzaak van de weg is. Ik trof het verlaten aan, wierp me erop en huilde, Ik maakte de zak open, die ik voor de vreemden meenam en bracht een plengoffer en legde om de tombe mirretakken. Ik zag op het brandaltaar zelf een schaap, zwart van haar, als offerdier en bloed nog maar net vergoten en afgeknipte krullen van blond haar. En ik verwonderde me, kind, wie toch van de mensen naar de tombe durfde te gaan. Want dat durft geen Argiver. Maar misschien wellicht is jouw broer stiekem gekomen en verbaasde hij zich na zijn komst over de rampzalige tombe van zijn vader. Houd het haar bij het jouwe en kijk of de kleur van het afgeknipte haar hetzelfde zal zijn. Want het is gewoon, dat van wie hetzelfde bloed van de vader heeft de meeste lichaamskenmerken hetzelfde zijn.

Electra
Jij spreekt niet zoals bij een wijze man past, oude, als jij denkt, dat mijn broer, die onverschrokken is, in dit land uit angst voor Aegisthus heimelijk is gekomen. Verder, hoe zullen die haarlokken overeenkomen, de een door het worstelperk van een edel man verzorgd, de ander van een vrouw, door te kammen? Maar dat kan niet. Je kunt lokken vinden gelijk aan velen en toch niet van hetzelfde bloed, oude.

Grijsaard
Jij moet in het spoor van de laars stappen en kijken of die overeenkomt met jouw voet, kind.

Electra
Maar hoe kan in een rotsachtige aardbodem een voetafdruk komen? Stel dat dit het geval is, dan kan van twee, broer en zus, de voet niet gelijk zijn, van een man en een vrouw, maar de mannelijke overheerst.

Grijsaard
Is er niet, als het land uw broer gekomen, een kenmerk waaraan je het weefsel van uw weversnaald kunt herkennen, waarin ik ooit hem heb ontvreemd om niet te sterven?

Electra
Weet je niet dat ik nog jong was, toen Orestes uit het land verbannen werd? En als ik ook peploi weefde, hoe kan hij nu, terwijl hij toen een kind was, die kleren hebben, tenzij die met zijn lichaam meegroeiden? Maar hetzij heeft een vreemde zijn graf bejammerd en zich geschoren hetzij ontgaan aan de wachten van dit land.

Grijsaard
Waar zijn de vreemden? Ik wil ze van man tot man vragen over uw broer.

Electra
Hier komen ze uit huis met snelle voet.

Grijsaard
Maar inderdaad, van goede afkomst, maar dat zit in wat vals is: want velen van goede afkomst zijn slecht. Maar toch. Ik heet de vreemden van harte welkom.

Orestes
Goede dag, oude. –van welke vriend toch is dit oude lijk van een man?

Electra
Hij heeft onze vader opgevoed, vreemde.

Orestes
Wat zeg je? Is dit de man die jouw broer heeft weggesmokkeld?

Electra
Dit is zijn redder. Als hij tenminste nog leeft.

Orestes
Ach. Waarom kijkt hij me aan, precis zoals hij het schitterend kenmerk van zilver bekijkt. Of vergelijkt hij mij met iemand?

Electra
Misschien is hij blij, dat hij jou als leeftijdgenoot van Orestes ziet.

Orestes
Ja, van een geliefd man. Waarom draait hij zijn voet rond?

Electra
Ook zelf zie ik dit met verbazing, vreemde.

Grijsaard
Meesteres, bid, dochter Electra, tot de goden.

Electra
Wat over wat er niet is of wat over wat er wel is?

Grijsaard
Een geliefde schat te krijgen, die de god toont.

Electra
Kijk. Ik roep de goden. Of wat dan bedoel je, oude?

Grijsaard
Kijk nu, kind, naar deze liefste.

Electra
Ik kijk allang; ik vrees, dat je niet meer bij je verstand bent.

Grijsaard
Ben ik niet bij mijn verstand, als ik je broer zie?

Electra
Wat bedoelde je, oude, met je onverwachte uitspraak?

Grijsaard
Dat ik hier Orestes, de zoon van Agamemnon, zie.

Electra
Wat voor kenmerk heb je gezien, dat ik zal geloven?

Grijsaard
Een litteken langs de wenkbrouw, welke hij ooit opgelopen heeft in je vaders huis, toen hij met jou een hinde achtervolgde en viel.

Electra
Hoe zeg je? Ik zie hier wel een teken van een val.

Grijsaard
Aarzel je dan nog je liefste om de hals te vallen?

Electra
Maar nee, niet meer, oud, want ik ik geloof van binnen jouw bewijzen. –O jij die eindelijk verschenen bent, ik heb je onverhoopt.

Orestes
Ook ik heb je in mijn armen, eindelijk.

Electra
Ik had het nooit gedacht.

Orestes
Nee, ook ik niet.

Electra
Ben jij het echt?

Orestes
Jouw enige medestrijder.

Electra
Als ik de vangst zal binnenhalen, die ik najaag. Maar ik heb geloof. Of moet ik niet meer in de goden geloven, als het onrecht heerst boven het recht?

Koor - zang
Je bent gekomen, gekomen, o, eindelijk, dag. Je straalde, je toonde duidelijk, aan de stad als fakkel hem die in lange ballingschap weg van zijn vaderlijk huis rampzalig zwervend rondging. Een god, weer een god brengt onze overwinning, liefje. Houd je handen omhoog, hef je woorden aan, smeek de goden, dat met goed lot voor jou, met goed lot je broer de stad betreedt.

Orestes
Wel. Met genot ontvang ik deze dierbare omarming en eindelijk zal ik haar omarmen. tegen de oude man. Vertel me, want je bent op het juiste moment gekomen- zeg, met welke daad ik de moordenaar van mijn vader kan straffen, en mijn moeder, die deel heeft aan een goddeloos huwelijk. Is er voor mij in Argos enige welgezindheid van vrienden? Of zijn we in alles failliet, precies zoals ons fortuin? Wie moet ik ontmoeten? ’s Nachts of overdag? Welke weg moeten we inslaan naar onze vijanden?

Grijsaard
Kind, jij hebt geen enkele vriend in jouw ongeluk Want geloof me, dit blijkt een winst, gemeenschappelijk deel krijgen aan het goede en het slechte. Maar jij –want jij bent van top tot teen honderd procent voor zover het je vrienden betreft verloren en geen hoop heb je overgelaten- luister naar mij en weet ‘t, in eigen hand heb je alles en in die van het lot, het krijgen van je vaders huis en jouw stad.

Orestes
Door wat te doen kan ik dat bereiken?

Grijsaard
Door Thyestes’ kind te doden en jouw moeder.

Orestes
Voor deze krans ben ik gekomen, maar hoe moet ik die krijgen?

Grijsaard
Ga echter niet de muren binnen, ook als je dat wilt.

Orestes
Is ze voorzien van wachten en rechterhanden van lansdragers?

Grijsaard
Je hebt het door. Ze is immers bang voor jou en ze slaapt niet vast.

Orestes
Goed. Jij moet dan, oude, het vervolg adviseren.

Grijsaard
Inderdaad, luister naar mij, Zojuist is bij mij iets opgekomen.

Orestes
Ik hoop dat jij iets goeds zult zeggen en ik iets goeds zal vernemen.

Grijsaard
Ik zag Aegisthus, toen hij hierheen kwam.

Orestes
Ik keur goed wat je zegt. Waar?

Grijsaard
Dicht bij deze akkers bij de stoeterijen.

Orestes
Wat doet hij? Want ik zie onverwacht een kans.

Grijsaard
Aan de nymfen gaf hij een feest, zoals het mij toescheen.

Orestes
Als dank voor het opvoeden van kinderen of voor een toekomstige geboorte?

Grijsaard
Ik weet maar één ding. Hij maakt zich gereed een koe te slachten.

Orestes
Met hoeveel mannen? Of alleen met slaven?

Grijsaard
Er was geen Argiver bij, maar wel een groepje eigen slaven.

Orestes
Misschien is er niemand, die mij bij het zien zal herkennen, oude?

Grijsaard
Er zijn werkelijk slaven, die jou nooit hebben gezien.

Orestes
Zullen ze ons wel goed gezind zijn, als wij de macht hebben?

Grijsaard
Ja, want dat is eigen aan slaven en voordelig voor jou. Or. Hoe dan kan ik ooit in zijn buurt komen?

Grijsaard
Ga naar hem toe, vanwaar hij jou bij het offer zal zien.

Orestes
Naar het schijnt, heeft hij zijn akkers juist aan de weg?

Grijsaard
Ja, als hij jou van daar gezien heeft, zal hij je uitnodigen als deelgenoot van een maal.

Orestes
Ja, als een bittere disgenoot, als de god het wil.

Grijsaard
Bedenk het vervolg zelf verder afhankelijk van de ontwikkelingen.

Orestes
Jij hebt goed gesproken. Maar mijn moeder, waar is zij?

Grijsaard
In Argos. Maar ze zal wel bij haar man komen voor het feestmaal.

Orestes
Waarom is mijn moeder niet gelijk met haar man vertrokken?

Grijsaard
Bang voor afkeuring van lui uit het volk bleef ze achter.

Orestes
Ik begrijp het. Ze begrijpt dat ze verdacht is in de ogen van de stad.

Grijsaard
Zo iets, ja. Een goddeloze vrouw wordt gehaat.

Orestes
Hoe zal ik dan haar en hem op dezelfde plek doden?

Electra
Zal ik de moord op moeder voor mijn rekening nemen?

Orestes
Goed, het lot zal dat goed regelen.

Electra
Hij hier moet ons, die met ons tweeën zijn, helpen.

Grijsaard
Dat zal gebeuren. Maar hoe vind je een wijze je moeder te doden?

Electra
Oude, ga en zeg het volgende tegen Clytaemnestra. Zeg dat ik een kraamvrouw ben door de geboorte van een jongetje.

Grijsaard
Ben je allang bevallen of zojuist?

Electra
Tien dagen, waarbinnen een kraamvrouw rein is.

Grijsaard
En waarom dan bezorgt dat je moeder een gewelddadige dood?

Electra
Zij zal komen luisteren naar mijn lijden op het kraambed.

Grijsaard
Waarom? Waarom denk je dat zij zich om jou bekommert, kind?

Electra
Ja. Zij zal huilen om de lage stand van mijn kinderen.

Grijsaard
Misschien. Breng je verhaal terug naar het doel.

Electra
Geloof me, na haar komst sterft ze natuurlijk.

Grijsaard
Goed, zij zal naar de poorten van uw huis komen.

Electra
Is het dan geen kleinigheid de weg naar Hades in te slaan?

Grijsaard
Het is mijn wens te sterven na dat ooit gezien te hebben.

Electra
Op de eerste plaats moet je hem hier de weg wijzen, oude.

Grijsaard
naar de plek, waar Aegisthus nu aan de goden offert?

Electra
Vertel vervolgens mijn moeder bij jullie ontmoeting mijn relaas.

Grijsaard
Ja, zo dat het uit jouw mond verteld schijnt.

Electra
Nu jouw werk: als eerste heb jij het lot van de moord getrokken.

Orestes
Ik zal wel gaan, als iemand mij de weg wijst.

Grijsaard
Goed, ik zal dat wel doen, niet tegen mijn zin.

Orestes
Zeus van mijn vaders, wordt ook die van de zege op de vijanden.

Electra
Heb medelij met ons, want we hebben deerniswekkend leed gehad.

Grijsaard
Heb zeker medelij met uw afstammelingen.

Electra
En Hera, die over de altaren van Mycene heerst.

Orestes
geef ons de zege, als wij rechtvaardige dingen vragen.

Grijsaard
Geef in ieder geval aan hen de genoegdoening de vader te wreken.

Orestes
Jij, vader, die door een goddeloze daad onder in de aard woont.

Electra
En vrouwe Aarde, naar wie ik mijn handen uitstrek.

Grijsaard
Help, help deze liefste kinderen.

Orestes
Neem nu iedere dode als medestrijder en kom.

Electra
Juist wie samen met jou Phrygiërs gedood hebben in de strijd.

Grijsaard
en allen, die goddeloze boosdoeners verafschuwen.

Electra
Heb je geluisterd, jij die door mijn moeder vreselijk behandeld bent?

Grijsaard
Dit alles, ik weet het, hoort jullie vader. Het is tijd te gaan.

Electra
En ik verkondig jou daarom openlijk, dat Aigistos sterft. Dat als jij in een worsteling een dodelijk val zult vallen, ook ik dood ben en dat je niet moet zeggen dat ik leef. Want ik zal mijn lever treffen met een tweesnijdend zwaard. Ik zal het huis in gaan en het zwaard gereed maken. Weet dat als een gunstig bericht van jou zal komen, heel het huis zal juichen. Maar wanneer je sterft, zal het tegendeel hiervan het geval zijn. Dat zeg ik jou.

Orestes
Ik weet alles.

Electra
Daarom moet je je een man betonen. Jullie, vrouwen, moeten mij duidelijk als sein een kreet van deze strijd geven. Ik zal de wacht houden met een lans in de hand gereed. Want nooit zal ik aan mijn vijanden bij een nederlaag het als genoegdoening geven mijn lichaam te mishandelen.

06. Tweede koorlied; regel 6;699-746

Koor - strofe
Van onder een bevende moeder vandaan werd een lam uit de Argivische bergen ooit – zo blijft het gerucht in oude legendes- door Pan op harmonische rietstengels zoetklinkende muziek blazend, de beheerder der akkers, met gouden vacht met mooie lokken voortgedreven en een heraut ging op rotsige treden staan en schreeuwde. Naar de agora, agora, Myceners, moeten jullie gaan om van de gelukzalige alleenheersers te zien voortekens, schrikbeelden, reidansen versierden de huizen der Atriden.

antistrofe
Brandaltaren uit goud gedreven werden uitgezet, en er straalde in de stad der Argivers vuur op het altaar. Riet liet een zeer mooi geluid horen, dienares der Muzen. Liefelijke liederen zwollen aan, en woorden ter begeleiding van het gouden schaap van Thyestes. Want in een geheim bed had hij de dierbare echtgente van Atreus overreed en hij bracht het voorteken naar buiten naar zijn huis. Hij ging naar de vergadering en schreeuwde dat hij het gehoornde schaap met gouden vacht thuis had.

strofe
Toen, ja toen veranderde Zeus van de sterren de stralende wegen en de straal van de zon en het witte aangezicht van de dageraad en zij reden naar het westelijk luchtruim met hete vlam door de god ontstoken, en vochtige wolken trokken naar het noorden en de droge zetel van Zeus Ammon ging verloren zonder water van Zeus’ mooiste regenbuien beroofd.

antistrofe
Men zegt, maar het heeft maar weinig geloof bij mij, dat de zon met gouden gelaat zijn hete zetel gedraaid heeft dat hij het veranderd heeft om menselijk ongeluk om de mensen te straffen. Verhalen, die mensen angst aanjagen, zijn een winst voor de dienst aan de goden, maar jij denkt niet aan hen en doodt je echtgenoot, jij moeder van heerlijke kinderen.

07. Derde akte; regel 7;747-987

Koor
Ach, ach. Vriendinnen, hebben jullie geschreeuw gehoord? Of bekroop mij een ongegronde mening? –zoals de donder van Zeus in de onderwereld? Kijk, hier verheffen zich winden niet zonder betekenis. Meesteres, Electra, verlaat dit huis.

Electra
Vriendinnen, wat is er? Hoe staan we ervoor in onze strijd?

Koor
Ik weet maar één ding. Ik hoor een doodskreet.

Electra
Ook ik ben gekomen, wel van ver, maar toch.

Koor
Ja, want ’t geschreeuw gaat een lange weg, maar onmiskenbaar.

Electra
Argivisch is het gesteun. Soms van mijn vrienden?

Koor
Ik weet het niet. Heel de melodie van de schreeuw is verward.

Electra
Schreeuw je mij deze dood toe. Wat dralen we?

Koor
Wacht, opdat je duidelijk je lot verneemt.

Electra
Dat kan niet. Wij worden overwonnen. Want waar zijn de boden?

Koor
Ze zullen komen. Het is echt niet iets kleins een koning te doden.

Bode
Myceense meisjes met mooie overwinning, dat Orestes wint, bercht ik aan zijn vrienden en dat Agamemnons moordenaar op de grond ligt, Aegisthus, maar we moeten tot de goden bidden.

Electra
Wie ben jij? Waarom zal ik deze tijding van jou geloven?

Bode
Weet je niet dat je mij als dienaar van je broer ziet?

Electra
Beste, geloof me, uit angst herkende ik je gezicht met moeite. Maar nu herken ik je dan. Wat zeg je? Is mijn vaders gehate moordenaar dood?

Bode
Dood. Tweemaal zeg ik jou dat, wat je inderdaad wilt.

Electra
Goden, Recht, dat alles ziet, eindelijk ben je gekomen. Hoe en met wat voor soort dood doodt hij Thyestes’ kind? Ik wil het vernemen.

Bode
Toen wij van dit huis vertrokken waren, sloegen wij een weg in met dubbelspoor en gingen wij naar de plek waar de beroemde heer der Myceners was. Toevallig stond hij in een geïrrigeerde tuin, terwijl hij een krans sneed van tere mirre voor zijn hoofd. Hij zag hem en schreeuwde: “Welkom, vreemden. Wie zijn jullie? Waar komen jullie vandaan? Van wat voor land zijn jullie?” Orestes zei: “Thesssaliërs. Wij gaan naar de Alpheos om aan Zeus de Olympiër te offeren.” Bij het horen van dat zei Aegisthus het volgende: Nu moeten jullie aan dezelfde haard als ik deel nemen aan een feestmaal. Ik breng juist een runderoffer aan de Nimfen. Als jullie in de ochtend uit bed opstaan, zullen jullie dezelfde bestemming bereiken. Maar laten wij het huis in gaan-“ en tegelijk zei hij dat en na ons bij de hand genomen te hebben bracht hij ons naar binnen- “En niet moeten jullie weigeren. (toen wij in het huis waren, zei hij dit:) Iemand moet voor de vreemden zo snel mogelijk badwater halen opdat zij rond het altaar dicht bij het wijwater gaan staan.” Maar Orestes zei: “Zojuist zijn we gereinigd met rein waswater uit de stromen van de rivier. Als vreemden met burgers moeten offeren, Aegisthus, dan zijn we bereid en weigeren we niet, heer. Dat woord heben ze voor allen hoorbaar gesproken. Toen de dienaren de lansen die de heer bewaakten weggezet hadden, lieten allen hun handen werken. Sommigen brachten een offerdier en anderen namen mandjes en weer anderen maakten vuur en zetten rond de brandalteren bekkens rechtop. Heel het huis donderde. Je moeders bedgenoot nam bloemen en bestrooide de altaren en sprak zulke woorden: “In de rotsen wonende nimfen, ik bid, dat ik en mijn vrouw in mijn huis, de Tyndaride, dikwijls runderen offer het makend zoals nu, maar terwijl mijn vijanden het slecht maken - hij sprak van Orestes en jou. Maar mijn heer bad het tegenovergestelde, zonder woorden te spreken het huis van zijn vader te krijgen. Aegisthus nam uit een mandje een recht offermes, sneed van het kalf haar en legde het op het reinigende vuur met zijn rechterhand. En hij slachtte het kalf, toen de dienaren het op hun schouders hadden genomen en hij zei tegen jouw broer het volgende. De Thessaliërs pochen, dat voor hen dit behoort tot het goede, namelijk als iemand een stier goed slacht en paarden temt. Pak het zwaard, vreemde, en laat zien dat het gerucht betreffende de Thessaliërs waar is. Hij greep met zijn handen het goed gesmede Dorische mes en wierp van zijn schouder zijn schitterrende kleed Hij nam Pylades als dienaar bij zijn werk, en stiet de dienaren weg. Hij greep een poot van het kalf, strekte zijn hand uit en ontblootte het witte vlees. Hij vilde sneller de huid dan een jockey twee keer rond gaat en hij sneed de holle flanken open. Aegisthus nam de offers in zijn handen en keek ernaar. En het leverlelletje ontbrak aan de ingewanden en de sluitader en de blaas dicht bij de gal toonden aan hem die keek slechte beschikkingen. En hij was ontstemd en mijn meester vroeg: “Waarom ben je ontstemd?” –“Vreemde, ik ben bang voor een list van buitenaf. Het meest gehaat van de mensen is Agamemnons zoon en hij is de vijand van mijn huis.” Hij zei: “Van een balling zeker vrees jij een list, jij heerser van de stad? Om samen een feestmal op te eten, moet iemand mij een mes uit Phthia in plaats van dat Dorische brengen en dan zal ik de borstkas afbreken. Hij pakte het en sloeg. Aegisthus nam de ingwanden, haalde ze uit elkaar en keek. Toen hij naar beneden boog, ging je broer op de topppen van zijn tenen staan en hij sloeg toe in de wervels en hij brak zijn ruggewrichten. Heel zijn lichaam spartelde op en neer en hij schreeuwde in stervensnood door moord. Onmiddellijk bij het zien hiervan sprongen de dienaren naar hun lans om met velen tegen twee te vechten. Moedig zwaaiden ze hun wapens en gingen tegenover hen staan, Orestes en Pylades. Hij zei: “Niet als vijand ben ik naar deze stad gekomen en niet naar mijn dienaren maar ik heb de moordenaar van mijn vader op mijn beurt gestraft, ik de onversaagde Orestes. Welaan, doodt me niet, dienaren van weleer van mijn vader.´ Toen zij die woorden hadden gehoord, hielden zij hun speren in. Hij werd herkend door een oude grijsaard behorend tot de familie. Onmiddellijk bekransten zij het hoofd van jouw broer, blij en juichend. Hij komt naar je toe met het hoofd niet van de Gorgo maar van Aegisthus, die jij haat, om het te tonen. Bloed is nu als bittere rente van bloed voor de dode gekomen.

Koor - zang strofe
Vriendin, plaats uw spoor in een reidans, zoals wanneer een hinde in de hemel licht springt met vreugde. Een groter zegekrans wint, zonder de weg naar de stromen van de Alpheus voltooid te hebben, uw broer. Maar zing een zegelied bij mijn reidans.

Electra
O straal, schijnsel van de zon met vierpaardenspan, aarde en nacht, welke ik voorheen zag, maar nu zijn mij ogen en hun openingen vrij, nu hun vaders moordenaar Aegisthus gevallen is. Welaan, laat ik dan zulke haarversierselen, zoals ik dan heb en mijn huis bergt, naar buiten halen, vriendinnen, en laat ik het hoofd van mijn zegevierende broer bekransen. Electra verlaat het toneel

Koor - zang antistrofe
Jij moet nu de tooi op je hoofd tillen. Onze reidans zal geliefd aan de Muzen gaan. Nu zullen onze vroegere beminde koningen het land besturen, terecht, omdat ze deze onrechtvaardigen gedood hebben. Welaan, geschreeuw in harmonie met onze vreugde moet klinken.

Orestes en Pylades komen op. Knechten dragen Aegisthus’ lijk. Electra komt op met sieraden.

Electra
Orestes, jij die een mooie overwinning behaald hebt, uit een vader geboren, die in de strijd aan de voet van Ilion gewonnen heeft, ontvang een krans voor de krullen van je haar. Want jij bent naar huis gekomen, niet na een nutteloze wedloop over zes plethra, maar na de vijand Aegisthus gedood te hebben, die jouw en mijn vader gedood heeft. Jij, schildknaap, Pylades, kind van een zeer eerbiedwaardige man, ontvang uit mijn hand een krans. Want ook jij hebt een zelfde aandeel als hij in de strijd. Moge jij mij altijd voorspoedig blijken.

Orestes
Op de eerste plaats moet jij, Electra, de goden zien als veroorzakers van dit lot en daarna ook mij prijzen, die de goden en het lot dien. Ik ben gekomen, nadat ik niet met woorden, maar met daden Aegisthus gedood heb. Maar om dit toe te voegen opdat je ‘t duidelijk weet, breng ik jou de dode zelf, die jij, als je het wilt, als prooi aan de beesten moet voorzetten, of die jij als buit aan de vogels, kinderen van de lucht, na een paal vastgezet te hebben, daarop moet spiezen. Want nu is hij van jou. Een slaaf, voorheen een heerser genoemd.

Electra
Ik schroom ervoor, maar toch wil ik het zeggen.

Orestes
Wat voor iets? Zeg ‘t. Want jij hebt geen reden tot angst.

Electra
Doden te schofferen, ik ben bang dat iemand mij met afgunst treft.

Orestes
Er is echt niemand, die het jou kan verwijten.

Electra
Onze stad is wraakzuchtig en vol verwijten.

Orestes
Zeg ‘t, als jij iets wilt, zus. Met onverzoenlijke wetten hebben we hem getroffen.

Electra
Wel. Met welk begin van de ellende moet ik eerst tot jou beginnen? Welk einde? Welk woord zal ik in het midden plaatsen? Goed, in de ochtenden hield ik nooit op tot vervelens toe te herhalen, wat ik onder jouw ogen wilde zeggen, gesteld dat ik vrij van de angsten van voorheen zou worden. Dat zijn we dus nu. Ik zal jou alsnog die kwade woorden zeggen, die ik jou bij leven wilde zeggen. Je hebt me kapot gemaakt en ook hem hier heb jij van zijn geliefde vader beroofd, zonder dat je onrecht had geleden, en het is een schande, dat je met mijn moeder getrouwd bent en een man hebt gedood, die veldheer van de Grieken was, maar jij bent niet naar de Phrygiërs gegaan. Zo’n dwaasheid heb jij bereikt, dat jij hoopte, dat je met mijn moeder getrouwd bent zonder dat ze voor jou slecht zou zijn en dat jij mijn vaders bed onrecht deed. Men moet dit weten: als iemand iemands echtgenote met een heimelijk bed verleidt en haar daarna als vrouw moet aannemen, dan is hij ongelukkig, als hij denkt, dat zij bij die ander niet bezonnenheid kent, maar bij hem wel. Zeer grote pijn bezorgde je woonplaats je, zonder het te beseffen. Want jij wist zeker wel dat je een goddeloos huwelijk had en mijn moeder, dat ze met jou als goddeloze man getrouwd was. Jullie zijn beiden slecht en daarom kreeg zij jouw lot en jij haar ellende. Onder alle Argivers hoorde je het volgende: “Die man van die vrouw – niet van die man die vrouw. En toch is dit schandelijk, dat een vrouw aan de leiding staat van een huis, niet de man. Al die kinderen verafschuw ik, die in de stad niet naar hun vader heten, maar naar hun moeder. Wanneer een man een opvallend huwelijk heeft gesloten en een dat te groot is, van die man spreekt men niet, maar wel van die vrouwen. Maar wat jou vooral misleidde zonder het te weten, jij meende door jouw geld een machtig persoon te zijn. Maar dat is niets, tenzij om er korte tijd mee om te gaan. De natuur is immers zeker, geld niet. Want zij blijft er wel altijd bij en neemt ellende weg, maar als het geluk ten onrechte en met dommen verkeert vliegt het weg uit huis na een korte bloeitijd. Maar wat vrouwen betreft –want het is niet goed voor een meisje te spreken, verzwijg ik. In begrijpelijke taal zal ik er bedekt over spreken. Jij was onbeschoft, omdat je namelijk een koninklijk huis en schoonheid had. Ik wens een man te hebben zonder meisjesgezicht, maar met de aard van een man. Want hun kinderen hangen zich op aan Ares. Mooie schijn dan is alleen sieraad in reidansen. Scheer je weg. Je weet niets van dat waarvoor jij betrapt eindelijk gestraft bent. Zo moet echt geen schurk dan, als hij zijn eerste stap goed gerend heeft, denken het Recht te overwinnen voordat hij dichtbij de finishlijn komt en zijn levenseinde rondt.

Koor
Hij heeft verschrikkelijke dingen gedaan en het jou terugbetaald en hem hier, want Recht heeft grote kracht.

Electra
Wel. Brengt zijn lichaam naar binnen, slaven en geeft het aan de duisternis, opdat, wanneer mijn moeder komt, zij niet, voordat zij afgemaakt wordt, het lijk ziet.

Orestes
Wacht, laten we ons op een ander onderwerp storten.

Electra
Wat nu? Ik zie toch niet uit Mycene mensen te hulp snellen?

Orestes
Nee, maar wel moeder, die mij gebaard heeft.

Electra
Dan begeeft ze zich mooi midden in het net. Kijk, zij onderscheidt zich met wagen en kleding.

Orestes
Wat moeten we dan met moeder doen? Haar soms doden?

Electra
Toch niet heeft medelij je gepakt, nu je je moeders gestalte ziet?

Orestes
Ach. Want hoe zal ik haar doden, die me heeft gevoed en gebaard?

Electra
Precies zoals zij jouw en mijn vader heeft gedood.

Orestes
Phoibos, jij hebt een bijzonder dom orakel gegeven.

Electra
Waar Apollo dom is, wie is dan nog wijs?

Orestes
jij, die ’t orakel gaf mijn moeder te doden, die ik niet mag doden.

Electra
Maar hoe dan lijd jij schade, als jij je vader wreekt?

Orestes
Als moederkiller zal ik nu aangeklaagd worden. Toen was ik rein.

Electra
En toch zul je, als je vader helpt, niet goddeloos zijn.

Orestes
Maar ik om moeder? Door wie zal ik voor moord gestraft worden?

Electra
Door wie, als je de wraak om vader nalaat?

Orestes
Heeft een wrekende macht in de gedaante van een god het gezegd?

Electra
Plaats nemend op de heilige drievoet? Ik denk het echt niet.

Orestes
Ik kan niet geloven dat dit een goed orakel is.

Electra
Gedraag je nu niet wankelmoedig en word niet laf?

Orestes
Maar moet ik dan soms dezelfde list als zij hier toepassen?

Electra
Waarmee je ook haar man hebt gedood, toen je Aegisthus doodde.

Orestes
Ik ga naar binnen. Ik begin met een verschrikkelijke taak. en ik zal verschrikkelijke daden begaan –als een god dit goed toeschijnt, zij het zo; bitter en zoet is mijn heldendaad. Orestes verlaat het toneel

08. Vierde akte; regel 8;988-1146

Clytaemnestra verschijnt in een koets, met Trojaanse slavinnen. Electra kijkt toe.

Koor
U, koningin van het Argivische land, kind van Tyndareus en zus van twee edele zoons van Zeus, die de schitterende hemel tussen de sterren bewonen, in het bruisen van de zee in het bezit van redderseer van de kant van mensen, gegroet, ik heb respect voor u evenzeer als voor de gelukzaligen om uw rijkdom en grote voorspoed. Het is het juiste moment te zorgen voor uw geluk. Gegroet, koningin.

Clytaemnestra
Kom van de wagen, Trojaanse dames en pak mijn hand, opdat ik mijn voet buiten deze wagen zet. Met Phrygische wapenbuit immers zijn de huizen der goden getooid, maar ik heb hen hier, weggenomen voorwerpen uit Trojaans land, in ruil voor mijn dochter, die ik heb verloren, als klein eergeschenk, maar wel mooi voor mijn huis.

Electra
Moet ik dan niet, moeder, - want als slavin uit het vaderlijk huis gegooid bewoon ik een onfortuinlijk huis- uw gelukzalige hand pakken?

Clytaemnestra
Zij hier zijn mijn slavinnen, jij moet geen moeite voor mij doen.

Electra
Wat? Jij hebt mij als krijgsgevangene uit jouw huis verwijderd Wij zijn uit een veroverd huis genomen, zoals zij hier, verweesd van vader achtergebleven.

Clytaemnestra
Waarlijk, zulke besluiten nam jouw vader over geliefden, jegens wie hij dat allerminst moest. Maar ik zal het zeggen, en toch, als een slechte mening een vrouw bevangt, zit er een scherpte in haar tong. Naar mijn oordeel, niet juist. Maar als je de kwestie kent, als je terecht kunt haten, is het rechtvaardig te haten. Zo niet, waarom moet je het dan doen? Mij heeft Tundareoos aan je vader gegeven niet zodat ik zou sterven, maar ook niet mijn kinderen. Hij kwam mijn dochter onder het mom van een huwelijk met Achilleus uit huis halen naar het achterstevens vasthoudende Aulis, waar hij Iphigenia boven een brandstapel hield en haar witte wang openreet. En als hij, terwijl hij zo de inname van de stad verhoedde of zijn huis zou helpen en de andere kinderen redde, één voor velen had gedood, dan was dat vergeeflijk. Maar nu, omdat Helena razend was en hij, die haar had, niet zijn echtgenote als verraadster wist te straffen, heeft hij daarom mijn dochter gedood. Daarom welnu zou ik ondanks het onrecht aan mij niet woest zijn en mijn echtgenoot niet gedood hebben. Maar hij kwam met een razend, door de god bezeten meisje en heeft dat in zijn bed gelaten en wij beiden verbleven als gehuwde vrouwen in hetzelfde huis. Een dwaas dus, vrouwen, noem ik hem, niet anders. Want wanneer een echtgenoot, dit is het gegeven, de fout ingaat door het bed in huis opzij te stoten, wil een vrouw de man navolgen en nog een geliefde winnen. En dan vervolgens licht in ons een reden ter berisping op. En die mannen, die hieraan schuld hebben treft geen blaam. Als Menelaus uit zijn huis geroofd was in het geniep, had ik dan Orestes moeten doden om de echtgenoot van mijn zus te redden? Hoe zou jouw vader dat verdragen hebben? Had de moordenaar van mijn kind dan niet moeten sterven, maar had ik wel moeten lijden van zijn kant? Ik heb hem gedood en ben die weg ingeslagen, juist welke mogelijk was, naar zijn vijanden. Want wie van jouw vaders vrienden zou met mij hem vermoord hebben? Zeg ‘t eens, als je wilt, en antwoord vrijmoedig, hoe jouw vader niet terecht dood is.

Koor
Billijk gezegd. Die straf is schandelijk, want een vrouw moet zich in alles naar haar man schikken, als ze tenminste verstandig is en wie dit niet goed toeschijnt, die komt ook niet in mijn woordenschat voor.

Electra
Herinner u, moeder, de laatste woorden, die u heeft gezegd: u geeft mij vrijheid van spreken tegen u.

Clytaemnestra
Ook nu zeg ik dat en ik ontken het niet, kind.

Electra
Moeder, stel: je luistert, zul je mij dan slecht behandelen?

Clytaemnestra
Zo is het niet, maar ik zal jouw hartje een dienst bewijzen.

Electra
Dan zal ik wel spreken. Dit is het begin van mijn inleiding. Ach moeder, had je maar een betere inborst, want uw uiterlijk oogst lof, die Helena en u verdienen, maar jullie zijn twee aartszusters, beiden lichtzinnig en niet Kastoor waardig. Want de een is geschaakt en ging vrijwillig ten onder, en jij hebt de beste man van Griekenland gedood, terwijl je als excuus voorhoudt, dat je om je kind je man gedood hebt. Ze kennen jou immers niet zo goed als ik. Want al voordat de slachting van je dochter voltrokken was, terwijl je man nog maar net van huis was, kapte jij je blonde haarkrullen in de spiegel. Schrap iedere vrouw, die in afwezigheid van haar man zich opdoft om buitenshuis mooi te zijn, omdat ze niet deugt. Want zij moet echt niet buiten de deur een opgemaakt gelaat tonen, tenzij ze iets slechts zoekt. Als enige van alle Griekse vrouwen weet ik, dat jij als de zaak der Trojanen succesvol verliep, blij was, en zo niet, dat jij een sombere blik kreeg en dat je niet wilde dat Agamemnon uit Troje kwam. En toch was het mogelijk voor jou, zoals goed is, bezonnen te zijn; je had geen echtgenoot die slechter dan Aegisthus was, die door Griekenland tot zijn legeraanvoerder gekozen was. Terwijl jouw zuster Helena zulke dingen gedaan heeft, kon jij grote roem krijgen. Want slecht gedrag biedt een voorbeeld en aanblik aan wie goed is. En als, zoals je zegt, mijn vader zijn dochter gedood heeft, wat voor onrecht hebben ik en mijn broer u dan gedaan? Waarom hebt u niet na de moord op vader het vaderlijk huis aan ons toegekend, maar nam u andermans recht mee als bruidsschat in een huwelijksbed en kocht u zo tegen loon uw huwelijk? En noch is uw man in ballingschap, maar wel uw zoon noch is hij dood, maar wel ik, want ik leef wel, maar toch heeft hij me eens zoveel gedood als mijn zus. Want als moord recht zal spreken en moord zal vergelden, dan zal u gedood worden door mij en door uw kind Orestes uit wraak om vader. Want als dat optreden van u rechtvaardig was, dan ook dit. Alwie rijkdom en voortreffelijkheid gezien heeft en toch met een slechte vrouw trouwt, is dwaas, want een klein bezonnen bed in huis is beter dan een groot.

Koor
Het geluk van vrouwen hangt af van hun huwelijk Ik zie wel, dat de dingen der mensen soms goed, soms slecht uitpakken.

Clytaemnestra
Kind, het zit je in je bloed je vader altijd te beminnen, maar ook dit doet opgeld. Een deel hoort bij de mannen en een deel daarentegen bemint de moeder meer dan de vader. Ik zal het je vergeven, want ik ben toch niet al te blij, kind, met wat door mij gedaan is. Maar ben jij een kraamvrouw, net bevallen van kinderen, zo ongewassen en met zulke slechte kleren aan? Hoe ongelukkig ben ik door mijn plannen. Want meer dan moest heb ik mijn man in woede getroffen.

Electra
Te laat zucht jij, aangezien je het niet kunt herstellen. Vader is dus dood, maar waarom ontferm je je niet om jouw kind, die buiten het land zwerft?

Clytaemnestra
Ik ben bang. Naar mijn belang, niet het zijne kijk ik. Door de moord op zijn vader immers is hij, zo zegt men, boos.

Electra
Waarom dan doe je niets aan de woede van je man op ons?

Clytaemnestra
Zo is zijn aard en jij bent koppig.

Electra
Ja, ik heb verdriet, maar ik zal ophouden boos te zijn.

Clytaemnestra
Goed, hij zal je niet meer tot last zijn.

Electra
Hij vindt zich heel wat, want hij woont in mijn huis.

Clytaemnestra
Zie je wel? Weer doe je een nieuwe ruzie oplaaien.

Electra
Ik zwijg, want ik ben nu eenmaal bang voor hem.

Clytaemnestra
Houd op met deze woorden. Maar waarom riep je mij, kind?

Electra
Je hebt, neem ik aan, gehoord dat ik bevallen ben. Breng daarom voor mij een offer –want ik kan dat niet- op de tiende maandag, zoals gewoon is. Ik heb immers geen ervaring; tot nu had ik geen kind.

Clytaemnestra
Dit is het werk van een ander, van haar, die jou verlost heeft.

Electra
Ik was zelf verloskundige en baarde alleen een kind.

Clytaemnestra
Is je huis zo gebouwd, dat geen vrienden in de buurt zijn?

Electra
Niemand wil armen als vrienden krijgen.

Clytaemnestra
Maar ik ga om op de vervullingbrengende tiende dag van het kind aan de goden te offeren. Wanneer ik je dit plezier gedaan zal hebben, zal ik naar de akker gaan, waar mijn man offert aan de Nimfen. Kom dienaren, breng deze wagen naar een ruif en zet die ervoor. Wanneer jullie denken, dat ik opgehouden ben met het offer voor de goden, komt dan, want ik moet ook mijn man een dienst bewijzen.

Electra
Ga het arme huis in en doe me een plezier: pas op dat het huis dat vol rook is niet jouw jurk beroet. Want jij zult zulke offers brengen als moet aan de goden. Er is al begonnen met een mandje en een gewet offermes, juist die, welk een stier heeft gedood, in de buurt waarvan jij zult vallen, getroffen. Jij zult trouwen ook in Hades’ huis juist bij wie je sliep in het licht. Zo’n grote gunst zal ik jou verlenen en jij zal aan mij een boete betalen voor mijn vader.

09. Derde koorlied; regel 9;1147-1164

Koor - strofe
Vergelding voor ellende. Zich kerend str. tegen het huis blazen de winden. Toen in het bad viel mijn, mijn leider en het huis en de stenen kroonlijsten van het huis weergalmden, terwijl hij dit zei: “Hardvochtige. Waarom, vrouw, zul jij me doden, nu ik mijn geliefde vaderland bereikt heb in de tiende zaaitijd?

antistrofe
De tijd brengt ongemerkt ter vergelding deze ellendige straf ant. voor een overspelig bed van haar, die haar man, die sinds lang thuis is gekomen en de Kuklopische muren, die tot aan de hemel reiken, heeft bereikt, heeft gedood eigen handig met een scherp gewet wapen, met een bijl in de handen. Rampzalige echtgenoot wegens de waanzin, die ooit de ongelukkige vrouw beving. - zoals een bergleeuwin verblijvend in sappig kreupelhout, heeft zij dit voltooid.

10. Vijfde akte; regel 10;1165-1359

Clytaemnestra - van binnenuit
Kinderen, bij de goden, doodt je moeder niet.

Koor
Hoor je een kreet onder het dak?

Clytaemnestra
Wee mij, mij.

Koor
Ook ik jammer, nu zij door haar kinderen gedood wordt. - Heus, de god deelt recht toe, wanneer ’t treft. Hardvochtig leed hebt u gehad, maar goddeloos hebt u uw bedgenoot, verfoeilijk behandeld.

Electra en Orestes verschijnen met de lijken van Aegisthus en Clytaemnestra. Op een rollend plankier.

Maar hier zetten zij in pas vergoten moordbloed van hun moeder bevochtigd uit het huis hun voet, verschrikkelijke bewijzen van ongelukkige toegsprokenen. Geen huis is ongelukkiger en ook nooit geweest dan dat van de afstammelingen van Tantalus.

Orestes - zang strofe
O Aarde en Zeus, die alles ziet van de mensen, ziet deze moorddadige afschuwelijke daden, twee lichamen op de grond liggend door een klap door mijn hand, boete voor mijn leed.

Elkectra
Al te beweend, broer, en schuld ben ik. Ik ellendige ben tekeer gegaan tegen mijn moeder hier, die mij als meisje baarde.

Koor
Ach lot, uw lot, als moeder hebt u vervloekte kinderen voortgebracht, vervloekt ongeluk en bovenmate heb jij geleden door je kinderen. Maar jij hebt terecht geboet voor de moord op de vader.

Orestes
Phoibos, orakelend heb jij donkere rechtvaardigheden ant. verkondigd, maar duidelijk leed heb jij geïnd en een moorddadig bed heb jij verdreven uit het Griekse land. Naar welke andere stad moet ik gaan? Welke gastvriend, welke vrome zal mijn hoofd aanschouwen, nu ik moeder gedood heb?

Electra
Wee, wee mij. Waarheen, naar welke reidans welk huwelijk zal ik gaan? Welke man zal mij in een huwelijksbed ontvangen?

Koor
Opnieuw, opnieuw is jouw stemming veranderd met de wind mee. Want nu heb je vrome gedachten, toen niet zo denkend, maar je hebt verschrikkelijke dingen, lieve, je broer die dat niet wilde aangedaan.

Orestes - strofe
Zag je hoe de rampzalige haar borst van haar kleed ontdeed, hoe ze die liet zien tijdens de moord, ach hemel, terwijl ze op de grond haar vruchtbare leden plaatste? Het haar heb ik.

Koor
Ik weet het goed, je ging door pijn, want ik hoorde de jammerende klacht van je moeder, die jou baarde.

Orestes - antistrofe
Zij slaakte deze kreet, terwijl ze tegen mijn wang haar hand plaatste: “Mijn kind, ik smeek je.” en aan mijn wangen klampte zij zich vast, zodat mijn handen het wapen lieten vallen.

Koor
Ongelukkig meisje. Hoe heb je het uitgehouden door jouw eigen ogen de moord op jouw moeder, hoe ze haar adem uitblies, te aanschouwen?

Orestes - strofe
Ik wierp een mantel over mijn ogen en met mijn zwaard begon ik het offer; ik stak het in moeders hals.

Electra
En ik moedigde jou aan en greep tegelijk het zwaard vast.

Koor
Wat jij gedaan hebt is een zeer verschrikkelijke ervaring.

Orestes - antistrofe
Pak vast, bedek moeders leden met kleren en verbind de offerdieren. Moordenaars baarde jij, ja, voor jezelf.

Electra
Kijk, om u, geliefd en niet geliefd gooien we deze mantels.

Koor
Het eind van de grote rampen voor het huis. Maar wie verschijnen hier boven de nok van het huis – goddelijke machten of wie van de hemelse goden? Want niet van de mensen toch is dit een weg; waarom toch komen ze stervelingen duidelijk voor ogen?

Dioscuren
Agamemnons zoon, luister. Jou roepen de twee broers van uw moeder, de Dioskouren, Kastoor en zijn broer Poludeukes hier. Zojuist hebben wij een verschrikkelijke deining van het schip op zee tot een einde gebracht en zijn we naar Argos gekomen, toen wij de slachting van onze zus hier en jouw moeder hadden gezien, Zij heeft nu haar verdiende loon, maar jij doet geen recht. Foibos, Foibos – hij is nu eenmaal mijn heer. Ik zwijg. Hij is wel wijs, maar heeft jou geen wijs orakel gegeven. Ik moet dat prijzen en verder is het nodig te doen wat het Lot en Zeus ten aanzien van jou hebben bepaald. Aan Puladès moet je Electra mee naar huis geven als echtgenote, Jij moet Argos verlaten. Jij mag immers niet deze stad betreden, omdat jij jouw moeder hebt gedood. Verschrikkelijke, hondsogige wraakgodinnen zullen jou in waanzin zwervend voortjagen. In Athene gekomen moet je het eerbiedwaardige beeld van Pallas vereren. Want zij zal hen in verbijstering buitensluiten zodat ze jou niet met hun vreselijke slangen aanraken, doordat ze het gorgoschild met wilde blik boven jouw hoofd houdt. Er is van Ares een heuvel, waar eenmaal goden gingen zitten om te stemmen over bloedvergieten, toen de wrede Ares Halirrothios gedood had, als wraak voor het goddeloze huwelijk met diens dochter, de zoon van de heerser van de zee, de plek, waar de meest godvruchtige en zekere stem is sindsdien voor de goden. Daar moet ook jij procederen wegens moord. Als de stemmen staken, zal dat jou ervan redden door het vonnis te sterven Loxias zal namelijk de schuld op zich nemen, omdat hij het orakel van de moord op de moeder heeft gegeven. Ook voor de anderen zal dit als wet ingesteld worden, dat de aangeklaagde altijd bij stakende stemmen wint. De geduchte godinnen zullen dus, door deze pijn geslagen, bij deze heuvel een kloof in de grond binnengaan, voor de mensen een eerbiedwaardige, vrome orakelplaats. Jij moet de stad bewonen van de Akadiërs bij de stromen van de Alfeios dicht bij de tempel van Zeus. Naar jou zal de stad genoemd worden. Jou heb ik dit gezegd. Het lijk van Aegisthus zullen Argos’ burgers in de aarde begraven. Jouw moeder zal door Menelaus, nu pas in Nauplia aanwezig, sinds hij het Trojaanse land heeft ingenomen, en door Helena begraven worden. Want zij komt uit Prooteus’ huis na Egypte verlaten te hebben en niet is zij bij de Phrugiërs geweest. Maar opdat er ruzie en moord en doodslag onder de mensen zou ontstaan, zond Zeus een beeld van Helena naar Ilion. Pylades moet dan een meisje en echtgenote hebben en haar vanuit het Achaiische land naar zijn huis brengen. Hij moet jouw zogenaamde zwager meenemen naar het land der Phokensers en hem zwaar beladen met rijkdom. Jij moet de hals van de Isthmos met je voet betreden en naar de gezegende heuvel van Athene gaan. Want als je je toebedeelde lot ten gevolge van moord hebt vervuld, dan zul je gelukkig zijn, omdat je van deze inspanningen bevrijd bent

Koor - recitatief
Zonen van Zeus, mogen wij met u in gesprek komen?

Dioscuren
Dat mag, omdat jullie niet bezoedeld zijn door deze offers.

Electra
Heb ook ik deel aan het gesprek, Tyndariden?

Dioscuren
Ook jij. Ik zal deze bloedige daad op het conto van Apollo zetten.

Koor
Jullie beiden zijn toch goden en broers van deze vermoorde vrouw? Waarom hebben jullie dan niet haar doodslot voor het huis afgeweerd?

Dioscuren
Het lot dat bepaald is door noodzaak, bracht u, waarheen het moest, en Phoibos’ domme kreten van zijn tong.

Electra
Welke Apollo, wat voor orakels gaven het, dat ik moeders moordenares werd?

Dioscuren
Gemeenschappelijk zijn uw daden en gemeenschappelijk uw lot. Één daad van verblinding van uw vooorvaderen heeft u beiden verteerd.

Orestes
O zus van mij, sinds lang heb ik je aanschouwd en onmiddellijk word ik van je liefde beroofd en zal ik jou verlaten en raak ik verstoken van jou.

Dioscuren
Zij heeft een echtgenoot en huis. Niet heeft zij deerniswekkend leed gehad, behalve dat zij de stad der Argivers verlaat.

Electra
En welke zuchten zijn nog groter dan de grens van het vaderland verlaten?

Orestes
Maar ik zal het huis van vader verlaten en ik zal de moord op moeder onderwerpen aan vreemde stemmen.

Dioscuren
Wees gerust. Jij zult de vrome stad van Pallas bereiken. Wel houd vol.

Electra
Druk tegen mijn borst jouw borst, liefste broer. Wij worden van vaders huis gescheiden door moeders vervloeking om de moord op haar.

Orestes
Werp je in mjin armen, omarm mij. Ween als bij een tombe van een dode.

Dioscuren
Ach, ach, hier heb je iets verschrikkelijks gezegd ook voor de goden om te horen. Want ook in mij en de hemelingen huist medelijden voor stervelingen met veel leed.

Orestes
Ik zal je niet meer zien.

Electra
Ook ik zal niet meer voor jouw ogen komen.

Orestes
Ik spreek je nu voor het laatst toe. Gegroet, stad. Ik groet jullie hartelijk, burgeressen. O zeer trouwe zus, ga je al?

Electra
Ik bedek mijn zachte oogleden en ga.

Orestes
Pylades, ga in vrede, trouw met Electra.

Dioscuren
Zij hier zullen zich druk maken om het huwelijk, maar vlucht voor deze teven en ga naar Athene, want zij werpen een verschrikkelijk spoor op jou, met hun slangenarmen en zwarte huid. Met hun vrucht van verschrkkelijke pijnen Wij beiden gaan over de Siciliche zee in haast om voorstevens op zee van schepen te redden. Wij beiden gaan dwars door de hemelvlakte en helpen de bezoedelden niet. Voor wie het rechtvaardige en vroom en geliefd is in zijn leven, die redden wij door ze te behoeden voor lastige inspanningen. Zo moet niemand de wil hebben onrecht te plegen en niet moet hij met meinedigen opvaren. Als god spreek ik tot mensen

Koor
Vaarwel. Alwie van de mensen gelukkig kan zijn en het niet zwaar heeft door een vorm van tegenspoed, is gezegend.

© 2017 Maarten Hendriksz