Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Euripides - Medea

Bron: Koxkollum.nl

Vertaald door Dr. Chr. Deknatel en herzien door Dr. J.D. Meerwaldt, 1935

Betoog

Dankzij de hulp van de Colchische koningsdochter Medea heeft Iason weleer het gulden vlies veroverd en dank zij alleen haar bereidheid om alles, ook het dierbaarste, voor hem op te offeren, is hij behouden weergekeerd. Na een kortstondig verblijf in het Thessalische Iolcus vandaar uitgeweken, wonen Iason en Medea sedertdien in het gastvrije Corinthe, waar koning Creon den scepter voert.

Als deze vorst zijn dochter aan Iason aanbiedt als gemalin, besluit de ijdele held zijn "barbaarsche" (niet-Grieksche) echtgenoote voor de Corinthische prinses te verstooten; uit vrees voor een wraakoefening harerzijds gelast Creon Medea, zoo aanstonds en mèt haar kinderen het land te verlaten. Medea weet echter een dag uitstel te verkrijgen en in dien eenen dag volvoert zij het vreeselijk plan, dat langzaam in haar is gerijpt en dat na een onderhoud met den mooi-prater Iason zijn vasten vorm heeft gekregen. Voorgevend, dat zij zich schikken zal in het onvermijdelijke laat zij door haar beide zoontjes de bruid een huwelijksgeschenk aanbieden, een feestgewaad met bijbehoorend diadeem. Gewaad en diadeem zijn echter met een tovergif bestreken en als weldra de huwelijksplechtigheid plaats vindt, komen zoowel de jonge bruid als ook Creon, die haar lichaam in de armen neemt, op afschuwelijke wijze om.

Hiermede is Medea´s wraakplan ten halve volvoerd; zij zal het voltooien - zij het na een bovenmenschelijken zielestrijd - door eigenhandig haar beide kinderen te dooden. Slechts zoo, zij weet het, is Iason "recht in het hart" te treffen. Wanneer deze dan aanstonds komt toegesneld om zijn kinderen te beschermen voor de woede der Corinthiërs, is Medea´s daad volbracht en zijzelf reeds buiten het bereik van menschenhanden. Hoog op een met draken bespannen wagen, haar toegezonden door den stamvader van het Colchisch koningshuis, den Zonnegod, verdwijnt zij na enkele laatste, hoonende woorden tot Iason voor diens verbijsterde blikken in de lucht, de doode lichamen van hun beider kinderen met zich voerend. Zelf zal zij een wijkplaats vinden bij koning Aegeus in Athene; tevoren, tijdens een bezoek aan Corinthe, heeft deze haar reeds zijn bescherming toegezged.

Personages

Voedster, van Medea
Kinderverzorger
Medea, Colchische prinses
Koor, van vrouwen uit Corinthe
Creon, de koningin van Corinthe
Iason
Aegeus, koning van Athene
Bode
Kinderen, van Medea en Iason

Scene

Het stuk speelt te Corinthe, vóór het huis van Medea. De oude voedster komt naar buiten.

01. Proloog; regel 1;1-213

Voedster
Ach, ware de Argo nooit de blauwe poort der Symplegaden door naar Colchi heen gevlogen; ware in Pelions dal geen boom ooit neergevallen, om met riem en roer de hand te waap´nen van de helden, die voor Pelias streefden naar d´ algouden vacht. Dan ware ook nooit Medea, mijn gebiedster, naar Iolcus´ burchten heengevaren, toen liefde voor Iason haar van zinnen bracht; dan waren Pelias´ dochters niet door haar schuldig geworden aan heur vaders dood, en zou zij nu ook niet met haar gemaal en kind´ren in Corinthe hier vertoeven, in ´t gastvrij ballingsoord welgaarne ontvangen, en zelve in alles Iasons trouwe bijstand - want dat is in het leven ´t grootste heil, als tusschen man en vrouw geen tweespalt is. Maar nu is ´t haat, en ´t liefste dreigt gevaar. Iason verraadt haar en zijn eigen kroost; want bruigom werd hij van een koningskind, wier vader, Creon, heer is van dit land. Medea, in haar ziel en eer getroffen, roept al zijn eeden, roept zijn eerewoord weer voor den geest en goden tot getuigen, hoe ´t haar vergaat, hoe Iason ´t haar vergeldt. Elk voedsel weig´rend ligt zij neer, en kwijnt van smart, in tranen smeltend al den tijd, sinds zij zich door haar man verraden weet; zonder ooit op te zien of van den grond ´t gelaat te beuren; maar een rots gelijk of als der golven branding blijft zij doof voor vriendenraad, tenzij ze nu en dan den hals, d´ alblanken wendt en in zich zelf om haren vader jammert, om haar land en huis en zooveel liefs, dat zij verliet, om hem te volgen, die haar nu verraadt. Bittre ervaring doet haar ondervinden, hoe zoet het is, in ´t eigen land te zijn. Haar kind´ren schuwt ze en ziet ze zonder vreugde; op booze dingen zint zij, naar ik vrees. Zwaar is haar geest; zij zal geen smart verdragen; ik ken Medea, en ik vrees, ik vrees haar: zij is te duchten; wie haar wraaklust tart, die zingt zoo spoedig niet zijn zegezang. Doch zie, het spelen moede met den hoepel komen haar kind´ren thuis, maar weten, noch beseffen iets van ´t geen hun moeder lijdt; een jonge ziel kent ´s werelds zorgen niet.

De twee zoontjes van Medea, gevolgd door de dienaar, komen op.

Kinderverzorger
Zeg mij, oud huisbezit van mijn gebiedster, wat staat gij hier zoo eenzaam bij de poort al booze dingen tot uzelf te spreken? Hoe wil Medea ´t stellen buiten u?

Voedster
Ach, grijze volgeling van Iasons kroost, getrouwe dienaars treft des meesters leed als eigen leed en grijpt het diep in ´t hart. ´t Werd mij althans zoo droef te moede, dat ik hier mijn hart ging luchten en voor aarde en hemel van Medea´s lot getuig.

Kinderverzorger
Dus is haar jammerklacht nog niet verstomd?

Voedster
Dacht gij? ´t begint pas; ´t ergste moet nog komen.

Kinderverzorger
Verdwaasde, als ´k van mijn meesters dat mag zeggen, nu zij van ´t jongste leed nog niets vermoedt.

Voedster
Wat is er oude? Spreek! Misgun ´t mij niet.

Kinderverzorger
Neen niets; ´k herroep mijn woorden; er is niets.

Voedster
Neen, bij uw grijsheid; houd een lotgenoot het niet geheim; ´k zal zwijgen als het moet.

Kinderverzorger
Waar d´ oude mannen zaten aan het spel der schijven, bij den heil´gen bron Pirene, daar hoorde ik in ´t voorbijgaan iemand zeggen, maar ´k veinsde ´t niet te hooren, dat de vorst van ´t land, dat Creon deze knapen met hun moeder uit Corinthe wil verbannen. Maar of die praat berust op waarheid, weet ik niet; doch ´k wilde, dat het niet zoo was.

Voedster
Zal Iason, al verstiet hij ook hun moeder, ooit dulden, dat zijn kind´ren ´t zoo vergaat?

Kinderverzorger
Nieuwe verwantschap gaat nu boven d´oude en Creon is ons huis niet welgezind.

Voedster
Dan zie ´k geen redding meer, als wij, eer ´t een verduwd is, nieuw verdriet bij ´t oude voegen.

Kinderverzorger
Maar luister eens: ´t is beter, dat Medea het nog niet hoort; stil dus, en zwijg ervan!

Voedster
Ach, hoort gij, kind´ren, wat uw vader doet? Vervloeken - neen, dat mag ´k mijn meester niet, maar wel verraadt zijn daad gebrek aan liefde.

Kinderverzorger
Zoo zijn de menschen; ziet gij dat eerst nu, hoe elk zichzelf meer dan zijn naaste mint?

Voedster
Gaat nu naar binnen, kind´ren; dat is beter. Houdt gij ze zooveel mogelijk alleen, ver van hun moeder, tot haar stemming keert. ´k Zag haar al eens hen aanzien met een blik vol gramschap, of ze op booze dingen zon. En ´k weet: haar woede zal niet eer bedaren, voor ze iemand treft; maar als ´t gebeuren moet, dan treffe zij haar haat, heur liefde niet.

Dienaar met kinderen af. - Medea´s stem klinkt uit het huis naar buiten, zowel hier als in het volgende.

Medea
Wee mij, rampzaal´ge in waan vergaan; Dood, maak een eind aan mijn bestaan.

Voedster
Ach, kind´renlief, uw moeders smart jaagt weer haar toorn, jaagt weer heur hart. Spoedt u van hier, gaat fluks in huis, en komt uw moeder niet voor oogen; genaakt haar niet; neemt u in acht, want huiv´ren doet d´ onstuim´ge aard van haar trotschen geest. Een nieuwe wolk van smart komt op en dreigt in feller klacht dan ooit zich uit te storten. Wat daden zal zij nog begaan, zij zoo hooghartig en toomeloos, zoo diep in haar eer beleedigd.

Medea
O smaad, o duldelooze smaad, die schreit tenhemel. Ach, kind´ren, vloek, vloek over u en uw vader; zijn huis, geheel zijn ras ga te gronde.

Voedster
Ach, waarom deelt uw kroost in de schuld van hun vader? Waarom haat gij hen? Ai mij, gij kleinen, ik ben zoo bang voor uw lot. Hartstocht in een vorst is een vreeselijk iets, ter nauw zich beheerschend, almachtig in veel, verkeert hij zijn stemming niet licht. Wel hem, die in ´t leven het evenwicht houdt; want duurzame vreê tot het eind mijner dagen zou liever mij zijn dan in grootheid te leven. Houd maat: een woord als geen ander zoo goed, en een kostelijk iets, als de mensch ernaar doet. Het buitenspoorge houdt geen stand, en wee, wanneer een godheid toornt; dan is ´t nog grooter ellende.

Vijftien Corinthische vrouwen zijn de open ruimte vóór het tooneel (de orchestra) binnengetreden. Zij vormen het koor.

Koor
Ik hoor de stem, ik hoor de klacht der rampzalige Colchische. Weet zij nog niet te berusten; o zeg mij:´k hoorde hier binnen haar jamm´ren: ´t leed van haar huis verschaft mij geen vreugde: zij was mij lief geworden.

Voedster
Voorbij is alles, verloren haar huis! D´ een gaat in zijn vorstelijk huwelijk op en Medea verdwijnt in haar kamer, voor alles, wat iemand haar zeggen wil doof en koud voor elke vertroosting.

Medea
O dat het vuur van den hemel mij voer door het hoofd; wat wacht ik nog van het leven: ik haat het; o kwam nu de dood mij bevrijden.

Koor
Hoort gij, o Zeus, o Aarde en Licht het klaaglied dier rampzaal´ge vrouw? Verdwaasde, zal ´t verlangen naar ongenaakb´re sponde u drijven naar het eind des levens? Neen, smeek dat niet. Stelt uw gemaal zijn eer in nieuw een verbond, Zeus zal hem richten; verteer niet u zelve van smart om uw bedgenoot.

Medea
O Themis, o Artemis, ziet wat ik lijd, die met duren eed mij bond aan dien man, dien vervloekte. O mocht ik hem zelf en zijn bruid zien vermalen in ´t puin van zijn huis, die mij durfde te krenken in recht en eer. O vader, o stad, die ik schand´lijk ontvlood, na mijn eigen broeder te hebben gedood.

Voedster
Hoort gij dat? Hoort gij haar roepen om wraak tot Themis en Zeus, in wien men gelooft als den wreker van ontrouw en meineed? Neen, denk niet, dat zij, hoe weinig ook maar haar toorn zal kunnen beheerschen.

Koor
Ach wilde zij hier voor ons aangezicht komen, en hooren den klank van ons levende woord: licht zal haar zwaarmoedige stemming, de druk op haar geest zich ontspannen. Geen blijk van liefde ontbreke mijn vrienden. Kom, ga en breng haar naar buiten tot ons, en zeg haar dit liefs van mij. Maar haast u, voordat ze hun binnen iets kwaads doet; want zwaar een smart overvalt haar.

Voedster
Ja dat zal ik doen, maar ´k vrees of ik haar wel kan overreden. Doch ter wille van u volbreng ik dien last. Men deinst nochtans terug voor haar blik; want als een leeuwin voor haar jongen beducht gramt ze iedereen af, die haar vriendelijk nadert. Wie poover zou noemen - geslacht van weleer - en schamel uw kunnen, zijn woord waar´ het mijne. Wel vondt gij uw zangen voor blijdschap uit, bij rijkelijk maal, aan feest´lijken disch, het oor tot een streeling, tot vreugde des levens; maar ´t schrijnend menschenleed heeft nooit één vinder gestild met muziek en met zang van stem-rijke snaren. - En zóó brengt onheil en dood gewelddadige huizen verderf. O, dit, met een lied te genezen der sterveren smart, hoe waar´ het een zegen! Maar overdaad is het, bij vollen disch nog luide zijn zang te verheffen. De veelheid van al wat de zinnen streelt, geeft vreugde genoeg uit zich zelve.

Voedster af

Koor
Alklaag´lijk een klank van wee-roep hoorde ik; hel luidende, pijnende smarten krijten, om echtverrader, om wan-genoot; lijdend in krenking getuigt zij bij Zeus´ hemelsch Eed-recht; zij, die weleer hem voerde naar Hellas overzijdsch, dwarsend den nacht´lijken vloed, over zilte grendelen eind´loos van de zee.

02. Eerste akte; regel 2;214-409

De deuren openen zich en Medea, gevolgd door de voedster, komt naar buiten.

Medea
Ik kom hier tot u, vrouwen van Corinthe, opdat gij niets onbillijk mij verwijt. Ik weet, hoe velen reeds door uiterlijk en blik zich eerbied weten af te dwingen, of door de wijze van zich voor te doen, maar menigeen door stil zijn weg te gaan miskenning vindt en onverschilligheid. In ´s menschen oog is geen gerechtigheid, die ´n ander, eer hem door en door te kennen, bij d´ eersten aanblik zonder reden haat. En wie zich vreemd bevindt in ´t vreemde land is alleszins toenadering geboden; trouwens misprijs ik, wie in eigen stad zich dom verwaten van zijn stad vervreemdt. Gij weet, wat onvoorzien mij overviel; het deed mijn ziel vertwijf´len; heen is al mijn vreugd, en sterven ware mij verlossing. Hij, die mij alles was, wiens vrouw ik werd, hij, mijn vertrouwen, blijkt een hart´loos mensch. Van al wat adem heeft en rede, wacht ons, vrouwen, wel de zwaarste strijd in ´t leven. Eerst moeten wij door overmaat van goed een man ons koopen en als heer en meester over ons lichaam hem aanvaarden; want bij ´t eerste kwaad komt die nog grooter pijn´ging. Het hoogste staat dan op het spel, of ´t lot ons een braven man dan wel een slechten geeft; want scheiden brengt een vrouw in opspraak en verstooten is haar immers niet vergund. In vreemde omgeving, onbekende zeden, behoeft zij zienersgave - want zij bracht daarvan geen kennis mede uit ´t ouderhuis, hoe zij de liefde van haar man zal winnen. Is ´t samenleven dank zij onzen zorgen voor hem niet slechts een torsen van het juk, welzalig beiden: maar zoo niet, dan is voor ons de dood een uitkomst. Wordt een man het leven thuis ondraag´lijk, hij gaat heen en zoekt vertroosting elders en verstrooiing, 't zij bij een vriend of in gezel´gen kring, terwijl een vrouw alleen blijft met haar ziel. Maar ons thuis zittend leven, zegt men, is gevaarloos, waar de man kampt met de lans. Een dwaling: liever ware ik driemaal voor des vijands front dan eens in barensnood. Maar laat ik hier-van zwijgen: want dit gaat u niet zoozeer als wel mij zelve aan. Gij zijt hier in uw eigen stad, thuis bij uw vader, welvaart ziet ge en vrienden om u. Maar ik, hier eenzaam in den vreemde, moet den spot verdragen van een man, die als zijn buit uit verre streken mij ontvoerde, terwijl geen moeder, broeder of verwant tot toevlucht mij kan strekken in mijn onspoed. Nu wil ik deze gunst alleen u vragen: vind ik een uitweg, die een kans mij geeft mijn eereschennis op mijn man te wreken, zoo zwijgt dan. Want vreesachtig mag een vrouw in and´re dingen zijn, ja weerloos schier, en bij het zien van wapenen versagend, maar is haar eer gekrenkt in ´t echt´lijk leven, dan dorst geen menschenkind als zij naar wraak.

Koor
´k Zal zwijgen, want uw wraak, Medea, zal gerecht zijn: uw verdriet bevreemdt mij niet. Maar zie, daar nadert Creon, onze vorst, en komt van nieuwen raadslag konde doen.

koning Creon komt op met een klein gevolg.

Creon
Gij daar, die op uw man zoo grimmig toornt, ´k zeg u, Medea, uit mijn land te gaan; vertrek en neem uw kind´ren met u meê. Draal niet; zelf kom ik toezien, dat mijn woord voltrokken worde en keer niet huiswaarts, eer ik u, de grenzen over, heb verjaagd.

Medea
Wee mij, verloren ga ik in ellende; mijn haters zetten alle zeilen bij en ongenaakbaar is de weg tot redding. Het hart vol wanhoop wil ´k u vragen, Creon; om welke reden bant gij me uit uw land?

Creon
Ik vrees u: onverholen zij ´t gezegd; ´k vrees, dat ge onheelbaar kwaad mijn kind wilt doen, en vele gronden zijn er voor die vrees: want schrander zijt ge, in heel veel slechts ervaren en om ´t verlies van ´t echtlijk bed verstoord, en ´k hoor: ge dreigt - naar ´t geen men mij bericht - hem, die zijn dochter gaf, haarzelve en die haar huwde, ik weet niet wat voor kwaad te doen. Eer het te laat is, wil ´k mij dus behoeden; en liever nu door u gehaat, dan eens een oogenblik van zwakheid lang berouwd!

Medea
Niet nu voor ´t eerst, helaas al menigmaal weervoer mij schade door mijn naam en roep. Zoo doet geen mensch verstandig, in zijn kroost een buitenmaat´ge kunde aan tekweeken. De wereld acht ze nutteloos en staat uit afgunst er vijandig tegenover. Want wie bekromp´nen nieuwe wijsheid brengt, zal hun een zonderling, geen wijsgeer lijken. En overschaduwt men, wie wonderknap zich zelven dunken, haat is dan het loon. Nu moet ik zelf ook deelen in dat lot. Immers mijn kunde - een kunde waarlijk niet zoo groot - vindt afgunst hier en afkeer daar. Nu vreest ge voor een misgreep van mijn kant. Neen Creon, vrees mij niet; zoo ben ik niet, dat ik aan vorsten mij vergrijpen zou. Want wat voor onrecht hebt ge mij gedaan? Uw dochter gaaft ge aan hem, die u behaagde. En ook al haat ´k mijn man, toch meen ik, dat ge daar meê goed gedaan hebt en verstandig. En uw geluk misgun ´k u niet, o neen! Viert bruiloft, weest gelukkig, doch laat mij, - gedoog het, Creon - blijven hier in ´t land. Het onrecht immers, mij gedaan - daar zal ´k van zwijgen, bukkend voor een hooger macht.

Creon
Deemoedig is uw taal, maar in mijn hart is angst, dat gij iets tegen mij beraamt: 'k vertrouw u thans nog minder dan te voren: het toornen van een vrouw, ook van een man, is min gevaarlijk dan het zwijgzaam zinnen. Ga dus onmidd´lijk: spaar me uw redekunst; zoo is beslist: niets kunt ge er meer aan doen; ge blijft hier niet; ge zijt mij te gevaarlijk.

Medea
Neen, ´k bidde u bij uw knieën, Creon, bij uw jong gehuwde dochter smeek ik u.

Creon
´t Is woorden spillen; ge overreedt mij nooit.

Medea
Gij drijft mij heen en acht mijn woorden niet?

Creon
Zijt gij mij liever dan mijn eigen huis?

Medea
Land mijner vaad´ren; o hoe min ik u!

Creon
Ook mij is ´t lief, maar liever nog mijn kind´ren.

Medea
Ach hoeveel onheil bracht al niet de liefde!

Creon
Ja, naar gelang het toeval iemand treft.

Medea
O Zeus, vergeet niet d´ oorzaak van mijn lijden.

Creon
Verdwaasde, ga, bevrijd mij van dien last.

Medea
Mij drukt een last, dien ´k ben gedoemd te dragen.

Creon
Van hier! of met geweld sleurt men u weg.

Medea
Neen, neen, ik bid u, Creon, o, dat niet.

Creon
Het schijnt: gij wilt u tegen mij verzetten.

Medea
Ik zal wel gaan: daar smeek ik u niet om.

Creon
Ga dan, of waarvoor anders dat verzet.

Medea
Laat mij nog eenen dag, dees´ dag nog blijven, dat ik bedenke, waar ik heen zal vluchten, en steun vind voor mijn kind´ren, nu hun vader zich niet bekommert om hun lot; o Creon, ontferm u over hen; ook gij zijt vader; zoo spreke dan uw goede hart voor hen. Niet om mij zelf beangstigt mij die vlucht; o neen, ik schrei om hun verlatenheid.

Creon
Een dwingeland ben ´k niet in ´t minste; neen, vaak tot mijn eigen nadeel goedertieren. Ook nu bega ´k een misslag; ja, ik zie het, en willig toch uw bede in; doch weet: als morgen Phoebus´ toorts u en uw kind´ren binnen de grenzen van mijn land aanschouwt, breng ´k u ter dood: mijn onherroep´lijk woord.

Creon af met gevolg

Koor
Rampzaal´ge vrouw, ontroerend door wanhoop en smart! Waar heengegaan? Waar vindt ge een huis, een gastvrij oord, een land, dat u voor leed behoedt? Hoe heeft een god u, Medea, gestort in een eind´looze zee van ellende.

Medea
Het gaat mij slecht, zeer slecht; wie zal het looch´nen? Maar dat het daarmede eindigt, denk dat niet. Strijd staat de jonggehuwden nog te wachten, en al hun nabestaanden bitt´re nood. Zou ´k mij verneed´ren, dacht gij, voor dien man, zoo niet mijn vleien sluw was en berekend? ´k Had hem noch toegesproken, noch zijn hand gevat. Nu bracht zijn domheid hem zoo ver, dat hij de kans, mijn plannen te verijd´len, door mij te bannen uit zijn land, verspeelde, en dezen eenen dag mij schonk, waarop ik van mijn haters drie ten offer breng, den vader met zijn dochter en haar man. Nu staan mij naar den dood veel wegen open, maar ´k weet niet, welken weg ik kiezen zal; zal ´k in den bruiloftsnacht hun huis doen branden, of stil´kens binnensluipen naar hun bed en ´t scherpe zwaard hun steken door de zijde ... Daar is dit eene tegen: vindt men mij, bij ´t binnentreden, komt mijn opzet uit, onder hun hoonlach zal ´k dan moeten sterven. Het best is hen rechtstreeks - waarin ik ´t meest bedreven ben - te dooden door vergif. Welnu: ze zijn gedood; maar dan: waarheen gevlucht? Wie stelt een vrijplaats, wie een veilig thuis mij open in den vreemde en bergt mijn lijf? Niet een: dus wacht ik nog een luttel tijds, en doemt voor mij een veil´ge veste op, dan sluw en stil de daad aan hen volbracht. Maar stelt het nuttig toeval mij te leur, ik neem het zwaard, al kost het mij het leven - en dood hen; van versagen weet ik niet. Neen, ´k zweer bij Hecate, mijn meesteres, wier bijstand op mijn smeeken mij gewordt, die bij het altaar zetelt in mijn huis, geen hunner pijnigt ongestraft mijn hart. En bitter smart´lijk zal hun bruiloft zijn, bitter hun echt als wraak voor mijn verbanning. Welaan, Medea, spaar uw gaven niet, geef hun ten volle van uw kunst en list. Op ten gevare! ´t gaat thans om uw eer. Beseft ge uw lot? Duldt gij, uit edel bloed, uit Helius gesproten, zulk een lot? Gij kent den weg, en bovendien - wij vrouwen, voor ´t eed´le mogen wij onvatbaar zijn, in ´t booze zijn we vindingrijk als geen.

03. Eerste koorlied; regel 3;410-445

Koor - strofe
(strophe 1) Nu stuwen de stroomen hun golven terug naar den bron, nu neemt de natuur ook een anderen keer, de mannen verbreken hun woord, het geloof aan de goden bindt hen niet meer. Nu zal ook de faam mijn roep en mijn naam ten betere keeren, en 't vrouwengeslacht, nu hooger geacht, niet langer kleineeren.

antistrofe
Nu zullen de zangen verstommen, wier eeuwig refrein de vrouw onoprechtheid en ontrouw verwijt, en ware de gave van lierzang ook mij door Phoebus´ genade bereid, ´k zou om ´t geslacht der mannen mijn klacht met recht laten hooren, want zooveel leeds werd vrouwen reeds sinds eeuwen beschoren.

strofe
Gij dan, Medea, uit het huis uws vaders zijt ge gevlucht in de drift van het hart, de dubb´le rotsen braveerend der zee om hier te wonen, hier in den vreemde; maar beroofd van uw huw´lijkssponde, helaas, en als balling wordt gij nu eerloos verdreven.

antistrofe
Zoo is verdwenen al ´t geloof aan eeden; eerbied bestaat er in Hellas niet meer, maar vervloog in ´t luchtruim. Gij arme, geen ouderhuis zal thans u een toevlucht bieden in drukkenden nood: een and´re veroverde zegevierend uw echt´lijke sponde.

04. Tweede akte; regel 4;446-626

Iason komt op

Iason
Niet nu voor ´t eerst, maar ´k zag al menigmaal, hoe reed´loos felle toorn de menschen maakt. Het stond u vrij, hier in het land te blijven, door u te schikken naar des heerschers wil. Nu wordt gij om uw domme taal verbannen; o niet ten mijnen aanzien: word nooit moede te zeggen, welk een snoodaard Iason is. Maar uw te keer gaan tegen ´t vorst´lijk huis - ge moogt wel van genade spreken, nu ge slechts met ballingschap het boeten moet. Wat mij betreft: ´k was immer uwe voorspraak: ´k deed, wat ik kon, om ´s konings toorn te stillen, en liever had ´k gezien, dat gij hier bleeft. Gij echter laat niet van uw dwaasheid af, den koning te vervloeken en de zijnen; ´t eind is dan ook, dat men u ´t land uit jaagt. Maar ook desondanks ben ik hier gekomen, want oude vrienden laat ´k niet in den steek: uit zorg voor u, Medea, dat ge niet ontbloot van midd´len met uw kind´ren straks den vreemde ingaat of iets, wat ook, ontbeert: er kan in ballingschap zooveel gebeuren. Want ook al haat ge mij, toch kan ik nooit booze gedachten hebben jegens u.

Medea
Ellendeling - ik vind geen ander woord, dat meer mijn afschuw uitspreekt voor uw lafheid. Komt gij, zoo doodelijk gehaat als ge u gemaakt hebt, komt ge toch nog voor mijn oogen? Dat ´s geen bewijs van onverschrokkenheid, geen moed, voor ´t aangezicht zich te vertoonen van haar, die gij verriedt, neen, ´t ergste, waar een mensch toe kan vervallen: schaamteloosheid. Maar toch: ge deedt er wel aan hier te komen. Nu kan ik u de waarheid zeggen, wat mijn hart verlichten en u pijn´gen zal. En om met ´t allereerste te beginnen: ik redde u van den dood - dat weten alle Grieken, die saam met u op de Argo voeren - toen gij ´t vuursnuivend stierenspan besturen en zaaien moest op ´t doodbereidend veld. De draak, die om de algouden vacht in tal van kronkels heengewrongen slaap´loos waakte, door dien te dooden hief ´k een licht op tot uw redding. Toen verliet ´k mijn huis, mijn vader, en kwam met u in Pelias´ land, in Iolcus, mijn hart meer volgend dan ´t gezond verstand. En Pelias liet ik sterven - d´ ergsten dood - door zijner kind´ren hand en bande uw vrees. Dat alles, slechtaard, dankt ge mij, aan mij, die gij verraadt, om nieuw genot te smaken, gij, vader van mijn kind´ren; waren u geen kinderen geboren, te vergeven ware ´t geweest, dat ge op die vrouw verlieft ... Gij zwoert mij trouw; waar is uw eed gebleven? Maar mogelijk gelooft ge, dat de goôn van toen niet meer bestaan en in dees´ tijd een nieuwe zedewet de menschen bindt. Want zijt ge u van uw ontrouw niet bewust? Zijt ge vergeten, hoe ge vaak mijn hand, mijn knieën smeekend hieldt omvat? Ai mij, ´t was valsch gevlei en spelen met mijn hart! Maar kom, ik wil nu rustig met u spreken, als waart gij mij een vriend; ofschoon - wat kan ik hopen, dat van u mij goeds gewordt? Maar toch: geef antwoord, dubbel blijkt uw schande: waar moet ik heen? Soms naar het huis mijns vaders, het huis en ´t land, dat ik om u verried? Naar Pelias´ dochters? de armen! Hart´lijk zullen ze mij ontvangen, die haar vader doodde! ´t Is immers zoo: wien ´k dierbaar wezen moest, ben ik gehaat, en die ´k niet krenken mocht, zijn mij vijandig, daar ik u verkoos. Maar ruim vergolden hebt ge ´t en vergoed: in Hellas is geen vrouw zoo ongelukkig! Ja, ´k heb in u een eed´len trouwen man; ai mij, verstooten moet ´k als balling vluchten, beroofd van vrienden, eenzaam met mijn kroost; een fraai verwijt den jongen bruidegom, als ik, die u gered heb, met uw kind´ren al beed´lend zwerven moet. O Zeus, wel gaaft gij den mensch van ´t onecht goud den zeek´ren toets, maar waarom niet een trek gegroefd in ´t lichaam waaraan men boozen onderscheiden kon?

Koor
Geweldig is de drift en kwaad te stillen, als liefde ontaardt in wederkeer´gen haat.

Iason
Nu dien ´k in redekunst geen leek te zijn, maar als een handig stuurman van een schip met alle zeilen bij, de felle vlagen t´ ontloopen, vrouwe, van uw bitt´re taal. Te uitbundig hemelt ge uw verdiensten op; maar ik houd Aphrodite voor mijn levenshoedster, Aphrodite alleen, geen ander, god noch mensch. Om dat te weten zijt ge scherp genoeg van geest, maar vreest kleineering als ge erkent, dat ´t Eros was, die met zijn wisse pijlen u dwong, mijn lijf en leven te beschermen. Maar nadruk leggen wil ik daarop niet, want, hoe dan ook, uw hulp was niet te laken. Ik dank u ´t leven, maar daartegenover staat ´t zooveel grooter voordeel aan uw kant: een voorrecht is ´t, niet meer te moeten leven te midden van barbaren, maar in Hellas: hier leert ge erkenning voor uw groote gaven, en kwaamt ge in eere; woondet gij nog ginds, aan ´t eind der wereld: niemand sprak van u. Mij waar´ de grootste rijkdom onverschillig, ook, of ik schooner zelfs dan Orpheus zong, als ´k door de wereld niet gehuldigd werd. Ontschuldig, dat ik uitweid over ´t geen ik deed, gij zelve lokt het trouwens uit. En wat ge mij verwijt omtrent mijn huw´lijk, hoor, hoe verstandig ik daarmede deed, hoe fijn-gevoelig, hoeveel liefde juist voor u en voor mijn kind´ren daaruit blijkt. Blijf kalm: Toen ´k uit Iolcus herwaarts kwam, met tal van zorgen radeloos beladen, wat schoon een uitkomst bood mij toen ´t geluk, als balling met een koningskind te huwen; niet u, gelijk ge u pijnlijk inbeeldt, moede, of uit verliefdheid op een and´re vrouw, ook niet naar rijker kinderzegen strevend, neen, ´k ben tevreden met degeen, die ´k won, maar welstand was ´t, wat ik vóór alles zocht, en ons te hoeden voor gebrek (´k weet immers, hoe men zijn arme vrienden mijdt en schuwt); en ´k was er op bedacht, mijn kind´ren groot te brengen naar mijn stand; als hun nu broeders geboren worden, zie ik mijn geslacht te zaam en tot mijn groot geluk vereênd. U zouden kinderen tot niets dan last zijn, mij stellen nieuw geboor´nen juist in staat uw kind´ren voort te helpen. Is dat slecht bedacht? Gij zoudt mijn overleg erkennen, als ge u niet zelve kweldet om dien echt. Maar zoover zijt gij, vrouwen, al gekomen, dat ge echtelijke trouw als ´t hoogste goed beschouwt. En bij de minste krenking zijt gij onverzoenlijk en voor ´t schoonste, ja voor ´t beste niet gevoelig. ´t Ware beter, hing ´t voortbestaan van ´t menschelijk geslacht maar niet van vrouwen af. Dan bleef der wereld wel veel en menigvuldig kwaad bespaard.

Koor
Gij weet uw woorden, Iason, wel te sieren, maar toch, oprecht, zij ´t tot uw spijt gesproken: uw ontrouw lijkt mij geen gerechte daad.

Medea
Ik blijk in veel van velen te verschillen. Mijns dunkens treft een doodelijke schuld, wie eigen onrecht schoonen glimp verleent. Géén laagheid schroomt wie op de kunde roemt, haar te verbloemen; maar die kunde faalt, ook hiér; tracht u niet mooier voor te doen door schoone reed´nen: één woord trekt u neer: gij hadt, was uw bedoeling goed geweest, mij moeten kennen in uw huw´lijksplan; nu deedt gij alles stil en in ´t geheim.

Iason
Natuurlijk hadt ge ´t voorstel toegejuicht, had ik u van dat huwelijk gesproken ... gij die ook nu nog van de bitterheid uws harten niet het minste mij bespaart.

Medea
Omdat ge veinst; neen, ´t avontuur met mij, de ongrieksche, werd bedenk´lijk voor uw toekomst.

Iason
Geloof mij; waarlijk niet om haar persoon sloot ik dat huw´lijk met die koningsdochter, maar ´t was, ´k herhaal het nogmaals, slechts om u te redden en ons beider kind´ren steun te geven in het leven, door hun bloed- verwant te maken met een koningshuis.

Medea
Zoo waar geen smart mij na geluk moog´ treffen, verwensch ik rijkdom, die mijn ziel zou pijn´gen.

Iason
´t Is wel zoo wijs, uw wensch aldus te wijz´gen, dat gij het goede niet voor krenkend houdt, uw welzijn nooit beschouwen moogt als onheil.

Medea
Nu kunt ge, in veil´ge haven, vrij mij tergen; maar ik moet hulpeloos in ballingschap.

Iason
Uw eigen keuze: wijt het and´ren niet.

Medea
Wat deed ik dan? Was ik trouwlustig, ik Ontrouw? -

Iason
- Gij hebt in goddelooze taal den vorst vervloekt. -

Medea
- Dat deed ik hem en zoo vervloek ik u, vervloek ik heel uw huis!

Iason
Genoeg; ik ga daar verder niet op in. Maar wilt ge voor uw kind´ren, voor u zelf een´ge ondersteuning op uw vlucht: spreek dan! Geld zal ik gaarne en onbekrompen geven en ´k geef u gaarne een aanbeveling meê, dat ge op den steun kunt reek´nen mijner vrienden. En dat te weig´ren zou een dwaasheid zijn: verstaat ge uw voordeel, staak uw boosheid dan.

Medea
Nooit zal ´k de gunst afbeed´len van uw vrienden of iets van u aanvaarden: houd uw geld. Geen gift uit ´s haters hand brengt iemand zegen.

Iason
Welnu: ik roep de goden tot getuigen, hoe ´k u en de uwen helpen wil in alles; maar ´t goede stelt ge niet op prijs en wijst den steun van vrienden eigenzinnig af: zoo is dan des te grooter eens uw spijt.

Medea
Ga; het verlangen naar uw jonge vrouw wordt u te machtig: veel te lang verwijlt gij hier; ga, vier uw bruiloft; God weet, moog´lijk viert ge die zoo, dat ´t u geen bruiloft lijkt.

Iason verlaat het toneel

05. Tweede koorlied; regel 5;627-662

Koor
Daar ging al meen´ge naam en roem verloren in ´t wilde stormen der begeer´ge zinnen, maar zalig, wie in luwer zoelte minnen: mild leert hun Cypris vreugde en zoet bekoren. Neen, ´k bid godin u, nimmer een dier schichten in zinnelust gedrenkt op mij te richten. Mijn innigst wezen moge wijsheid leiden, den mensch de schoonste gave zijner goden, en nimmer zij mijn vrede mij ontvloden door vrees en twijfel, die het liefste scheiden. Ontzie, godin, de banden, die ons hechten in ´t saambestaan; ontzie der vrouwen rechten. Land mijner vaad´ren, huis en hof, o dat men nimmer mij berooft van u en doemt tot een bestaan, met zorgenlast en smart belaân. O dat de dood, de dood mij treff´, zij ´t heden al, eer ´k dat beleef. Want geen gemis zoo´n zielepijn doet lijden als verbannen zijn. Wij zien ´t voor oogen, zien het zelf: ´t komt niet alleenlijk als gerucht. Is wel door u een enkel woord van troost hier in de stad gehoord? Wie niemand ooit zijn hart ontsluit, geen liefde kent of vriendentrouw, moog´ eenzaam heengaan; hij verdient geen troost of steun van maag of vriend.

06. Derde akte; regel 6;663-823

Aegeus van Athene komt op in reiskleding

Aegeus
Heil u, Medea; de allerschoonste wensch om vrienden bij het weerzien te begroeten.

Medea
Pandions zoon, heil zij ook u, o Aegeus. Vanwaar gekomen, zijt gij hier in ´t land?

Aegeus
Ik kom van Phoebus´ oude orakelplaats.

Medea
Wat bracht u naar dat heilig hart der aarde?

Aegeus
De vrage, hoe mij kroost geworden kan.

Medea
Ach, bleeft gij dan tot nog toe kinderloos?

Aegeus
Helaas; een godheid heeft ons dit beschikt.

Medea
U en uw gade, of zijt ge ´t huw´lijk vreemd?

Aegeus
Neen, niet misdeeld van de echtelijke sponde.

Medea
En Phoebus´ antwoord, spreek, hoe luidde dat?

Aegeus
Voor menschelijk begrip niet te begrijpen.

Medea
Is ´t mij geoorloofd, godes woord te kennen?

Aegeus
Dat moogt ge, een schrand´re geest is juist van noode.

Medea
Mag ik het hooren, zeg dan, hoe het luidde.

Aegeus
Het snoer des buidels niet te slaken, eer ...

Medea
Eer wat te doen of waar te zijn gekomen?

Aegeus
Eer ´k mijner vaad´ren huis en haard bereik.

Medea
Maar, waarom komt gij naar dit land gevaren?

Aegeus
Een zeek´re Pittheus is in Troezen koning.

Medea
Een zoon van Pelops, zegt men, vroom en goed.

Aegeus
Hem wil ik spreken over Phoebus´ antwoord.

Medea
Een schrander man en vaardig in het duiden.

Aegeus
En mij het liefst van al mijn krijgsgezellen.

Medea
Het ga u wel en zie uw wensch vervuld.

Aegeus
Hoe is uw blik zoo droef, zoo bleek uw aanschijn?

Medea
Ach Aegeus, Iason doet mij bitter leed.

Aegeus
Wat meent ge; waarom zijt ge zoo mismoedig?

Medea
Hij doet mij onrecht zonder een´ge reden.

Aegeus
Wat heeft hij dan gedaan? Verklaar u nader.

Medea
Mijn plaats in huis geeft hij een and´re vrouwe.

Aegeus
Hoe? Is hij tot zoo´n schandedaad in staat?

Medea
Geloof mij; hij versmaadt mij, eens zijn liefde.

Aegeus
Uit hartstocht of uit afkeer tegen u?

Medea
Verblind door hartstocht, trouw en eer vergeten.

Aegeus
Ah, dat hij zulk een laagheid kan begaan.

Medea
Naar vorst´lijke verwantschap trekt zijn hart.

Aegeus
En wie verleende die? Ga door tot ´t einde.

Medea
Creon, de vorst en heer hier in Corinthe.

Aegeus
Dat dit u griefde, kan ik u vergeven.

Medea
En om aan wanhoop mij ten prooi te geven, word ik verdreven, moet het land verlaten.

Aegeus
Voor wien? Dan ware dubbel uw ellende.

Medea
´t Is Creon, die mij uit Corinthe bant.

Aegeus
En Iason duldt het? Dat is onvergeeflijk.

Medea
Hij zegt van niet, maar wenscht het wel in stilte. Maar ´k smeek u, Aegeus, bij uw eer als man, ik smeek u op mijn knieën: hoor mijn bede; heb deernis, deernis met d´ onzaal´ge vrouw, laat mij niet eenzaam dwalen; zie ´t niet aan, maar geef me een toevlucht in uw land, uw huis. Zoo worde uw bede om kind´ren door de goôn verhoord, dat gij in vrede sterven kunt. Gij weet niet, welk een onverwacht geluk gij vindt; immers dien vloek van kinderloosheid zal ´k van u nemen door mijn tooverkracht.

Aegeus
Om vele reed´nen ben ik tot dien dienst bereid: vooreerst ter wille van de goden, dan om de kind´ren, die gij mij belooft. Daar heb ik alles, weet dat wel, voor over, en ´k zal u helpen, onder dit beding: dat ´k niet persoonlijk u het land uitbreng, wijl ik het gastrecht niet wil overtreden. Maar als gij zelf mocht komen naar mijn huis, dan kunt ge u veilig op mijn hulp verlaten.

Medea
Zoo zij het, maar nog grooter zou mijn dank zijn, indien ge uw woord mij daarvoor wilt verpanden.

Aegeus
Vertrouwt ge niet, of hindert u iets anders?

Medea
Ja, ik vertrouw u wel, maar Creons huis en ´t huis van Pelias is mij vijandig: wilt ge u bij eede binden, dan zal ´k veilig voor elken aanslag zijn van hen; bezweert gij uw beloften niet - licht geeft ge dan op ´t dreigen van hen toe, om hen te vriend te houden. Ik ben maar een zwakke vrouw, zij macht´ge vorsten, groot door macht en rijkdom.

Aegeus
Voorzichtig zijt ge, te voorzichtig schier: maar ´k zal u, naar ge wenscht, ter wille zijn.´t Verleent mij zelf ook veiligheid; want daarop kan ´k tegen uw belagers mij beroepen en ´t sterkt ook uw vertrouwen. Zeg den eed.

Aegeus
Zweer bij den aardboôm, zweer bij Helius, mijns vaders vader, zweer bij alle goden, mij nimmer uit uw land te drijven, of, als mijn belagers mij ontvoeren willen, mij bij uw leven goedschiks prijs te geven.

Aegeus
Ik zweer bij de aarde, ´t heilig licht der zon, bij alle goôn mijn woord gestand te doen.

Medea
En als ge ´t breekt, wat leed zal u dan treffen?

Aegeus
Wat heiligschenners hier op aarde treft.

Medea
Ik ben u dankbaar, Aegeus, ga in vrede. Dra ziet gij mij in uwe stad terug, is eens mijn plan geslaagd en ´t al volbracht.

Koor
Dat Maja´s Zoon een veil´ge reis naar huis u verleene, en zie uw wensch, uws harten verlangen vervuld. Een edel man, o Aegeus, bewijst gij te zijn.

Aegeus verlaat het tooneel.

Medea
O Zeus, gerechte Wraak en blakend Licht, nu zal ik zegevieren over mijn belagers, nu zijn we op den goeden weg, en hebben zij te duchten voor mijn wraak, nu Aegeus, waar ´k geen uitkomst kon ontwaren, als veil´ge haven opduikt voor mijn plannen; ginds op de reede meer ik dra mijn schip, naar Pallas´ stad en veste heengetogen. Nu zal ´k u zeggen, wat mijn plannen zijn, maar geen genieting zal het u bereiden. Naar Iason stuur ´k een mijner dienaars heen, en laat hem vragen, eens nog hier te komen. En komt hij, vriend´lijk spreek ik hem dan toe, alsof ik alles goed vind, alles prijs, maar vraag hem voor mijn kinderen de gunst, te mogen blijven - niet om hier in ´t land hen bij mijn vijanden te laten, maar om ´s konings dochter listig om te brengen. Ik stuur ze met geschenken in de hand, een fijne wade en gouddoorvlochten krans, en heeft maar eens die tooi heur huid beroerd, dood brengt het haar en wie haar mocht genaken; met zúlke giffen drenk ik mijn geschenk. Maar dan - nu moet het hooge woord er uit - het doet het hart mij breken, maar het moet, het zal geschieden: ´k breng mijn kind´ren om, en niemand, niemand, die ze mij ontneemt. En heb ik eenmaal Iasons huis vernietigd, dan vlucht ik, vlucht ik dit vervloekte land, waar ik het bloed moet storten mijner kind´ren. Den spot, den hoonlach aan te hooren van mijn haters, is onduldbaar; neen dat nooit. Voort nu! Wat baat het mij te leven; ´k heb geen vaderland, geen huis, geen toevlucht meer. Dwaas die ik was, toen ik mijns vaders huis ontvluchtte, toen ´k geloof sloeg aan het woord van een Helleen; maar met der goden hulp zal hij nu boeten; want zijn kind´ren ziet hij nimmer levend weer; zijn jonge gade zal er niet één hem baren; want zij is, de ellend´ge tot ellend´gen dood bestemd. Van mij zegg´ niemand: zij was maar een vrouw, zwak, willoos, onderdanig, neen veeleer: trouw was ze in liefde en heftig in haar haat. Dat zij mijn roem en eere van mijn leven.

Koor
Daar gij, wat in u omgaat, ons verraadt, wil ik u smeeken, om u zelve en ook uit naam der menschelijkheid: o doe dat niet.

Medea
Het kan niet anders; maar ´t is te vergeven, dat gij zoo spreekt, die niet als ik moet lijden.

Koor
Hoe kunt ge komen tot zoo´n booze daad?

Medea
Ik zal er Iasons hart het felst meê pijn´gen.

Koor
Maar ook u zelve in diepsten jammer storten.

Medea
Voort! overbodig nutteloos gepraat! Welaan - naar Iason gij en breng hem hier. Ik stel in u mijn hoop en mijn vertrouwen. Maar niemand moogt ge iets zeggen van mijn plannen; daar zijt ge vrouw voor; daaruit blijk´ uw wil.

De voedster, tot wie deze laatste woorden zijn gericht, verlaat het tooneel.

07. Derde koorlied; regel 7;824-865

Koor - strofe
O Erechthiden, tot geluk verkoren en edel ras, van zaalge goôn geboren; o volk, dat in een land van vrede en vroomheid u laaft aan wijsheid en daar gaat in schoonheid van immer pure en diep azuren lucht; o land, waar eens, naar sage luidt, op aarde Harmonia, de blonde, als blijde vrucht van hemelvreugd haar negen Muzen baarde.

antistrofe
Waar Aphrodite zich Cephisus´ klare waat´ren over heur leden heen laat neder klaat´ren, en zoele aromen ademt op haar zuchten en mengelt met der geuren zoete vluchten van rozen, die zij om heur haren windt; waar zij, der Wijsheid zetel rond te omstuwen, Eroten zendt - want ´s levens zegen vindt alleen, wie Liefde aan Wijsheid huwen.

strofe
Hoe zal men u, Medea, daar aan de oevers van de heil´ge stroomen, wie zal met vriendelijk gebaar, met liefde u ooit verwellekomen, wier bijzijn ieder schuwt, vol gruw voor wie haar kind´ren moordde. Neen, luister; ´k smeek u knielend bij wat heilig is: Medea, dood uw kind´ren niet.

antistrofe
Waar vindt ge moed tot zulk een daad? Zal niet uw hand, uw hart versagen, als gij dien gruwel plegen gaat? Kunt gij hun oog, hun blik verdragen, zien zij hun moeder aan, en gaan ze bidden om het leven? U dan te smetten met hun rein, onschuldig bloed, dat kunt gij, neen dat zult ge niet.

08. Vierde akte; regel 8;866-975

Iason komt op, gevolgd door de voedster.

Iason
Ik kom ontboden, want al zijt ge op mij verstoord, Medea, ´k wil u dit niet weig´ren. Wat ´s uw verlangen, spreek, ik hoor u aan.

Medea
Iason, ik bid u, alles wat ik zeide mij te vergeven; ´k was mijzelf niet meester; denk, wat ik al uit liefde voor u deed. Ik kwam tot beter inzicht en verweet mij zelve: waarom ben ik zoo verblind en haat ik, wie het goed met mij bedoelt? Waarom de heerschers van dit land verbitterd, en mijn gemaal, die zóóveel doet voor mij, door een vorstin te huwen en zijn kind´ren broers te verwekken? Is ´t niet beter, uit mijn hart den toorn te bannen, dankbaar voor der goden gunst? Vergeet ik, dat wij hier als balling wonen, ver van ´t oude thuis, en hoe op niemands hulp ik reek´nen kan? Dit overwegend zag ´k mijn dwaasheid in, en hoe onreed´lijk ´t was mij te vertoornen. En nu erken ik, hoe lofwaardig gij en fijngevoelig door dien echt ons steunt, terwijl ´k mij dwaas niet met uw plannen moeide en zoo onhart´lijk toonde voor uw bruid, inplaats van ´t feest, uw bruiloft, bij te wonen. Zoo zijn wij, vrouwen, ´k wil niet zeggen: slecht, maar - hoe dan ook - gij, Iason, moet geen kwaad met kwaad vergelden, neen, laat onbeantwoord wat ´k al voor dwaasheid zeide; ´t zij vergeten. Ik wil u openhartig schuld belijden: en voortaan zult ge meer tevreden zijn ... Medea roept naar binnen; weldra verschijnt dan de oude dienaar met de beide kinderen. Komt, kind´ren; kind´ren, hoort eens, komt naar buiten. Vader is hier, komt, zegt hem goeden dag, en mij te zaam; gij moogt hier niet ontbreken, nu moeder weer verzoend is met haar vrienden. Nu is het vrede en vrede ook in mijn hart. Geeft vriend´lijk hem de hand. Wee mij, die smart, wanneer ik denk aan wat gebeuren zal. O kind´ren, zult g´ in ´t leven nog wel vaak om iemands hals zoo lief uw armen slaan? Hoe licht ontroerd en angstig is mijn hart. Pas met uw vader weer in vreê vereenigd vervoert uw teed´re aanblik mij tot tranen.

Koor
Ook mij ontwellen tranen van ontroering; o schrijde uw leed niet verder dan het ging!

Iason
Dank, hart´lijk dank voor uwe woorden, vrouw; vergeven zij het voor´ge en vergeten. Geen wonder immers, dat een vrouwenhart toornt, als een ander in haar plaats zich dringt. Gelukkig is uw hartstocht nu bedaard, en ziet ge ´t voordeel in van mijn gedraging. Gij, kind´ren, geeft uw vader vele zorgen; maar, dank den goden, zijn ze nu beloond: Hier in Corinthe, zult gij, hoop ik eens saâm met uw broeders onder d´ eersten zijn. Groeit maar goed op, dan zorgt uw vader wel met gods genade voor het oov´rige. ´k Hoop u nog eens in kracht en vollen wasdom over mijn haters te zien zegevieren. Medea, schreit ge? Uw oogen staan vol tranen? Wat wendt ge ´t bleek gelaat zoo van mij af en hoort ge niet met vreugd´ mijn woorden aan?

Medea
´t Is niets, ik dacht slechts aan die kinderen.

Iason
Houd moed; ik zal ´t voor hen ten beste schikken.

Medea
´k Zal mij bedwingen; o, ´k geloof u wel, maar zwak zijn vrouwen en geneigd tot schreien.

Iason
Maar zeg toch, waarom weent gij nu om hen?

Medea
Ik ben hun moeder: toen ge zooveel schoons in ´t leven hun voorspelde, dacht ´k met deernis, of dat wel alles zoo gebeuren zou. Iason, waarvoor ik u verzocht te komen, hebt gij gehoord, maar ´t was het een´ge niet. Nu Creon mij ´t verblijf hier heeft ontzegd en ´t raadzaam is voor mij, dat zie ik wel, u en Corinthe´s vorsten uit den weg te gaan - zóó ducht men mij als vijandin - zal ik als balling dan dit land verlaten; maar gij, vraag gij aan Creon voor mijn kind´ren niet mee te moeten gaan in ballingschap, dat zij door u hier worden groot gebracht.

Iason
Ik weet niet of ´k hem daartoe kan bewegen. Maar hoe dan ook, een poging dient gedaan.

Medea
Vraag anders haar, ja vraag uw vrouw, of zij mijn voorspraak bij haar vader wezen wil.

Iason
Dat ´s wèl gezien; zij overreedt hem wel.

Medea
Zij zou geen vrouw zijn, als haar dat niet lukt. Ik wil ook zelve daar aan mede helpen, en zal haar ten geschenke zenden iets zoo schoon, als men tot heden nimmer zag. Een fijne wade en gouden diadeem. Mijn kind´ren brengen ´t haar - een uwer ga en brenge onverwijld het sieraad hier. En duizendvoudig zal ´t geluk dier vrouw zijn, een edel man als u tot bedgenoot te ontvangen en den tooi om ´t hoofd te dragen, dien Helios eens schonk aan zijn geslacht. Een slavin brengt gewaad en diadeem; Medea reikt ze over aan de kinderen. Vat in uw handen, kind´ren, ´t bruidsgeschenk en brengt het aan de blijde koningsdochter; het zijn geen laakb´re gaven, die ze ontvangt.

Iason
Waarom, verdwaasde, u van dien schat beroofd? Denkt gij, dat ´s konings huis uw goud behoeft, of uw gewaden? Houd ze, geef ze niet. Want als ´k mijn bruid niet onverschillig ben, stelt zij mijn wensch toch boven alle goud.

Medea
Gij dwaalt: voor gaven zwichten goden zelfs; en goud is machtiger dan duizend tongen. Haar zonne rijst; god is aan hare zijde; jong is zij en vorstin; meer dan mijn goud, mijn leven zou ´k haar geven, zoo ´k daarmeê mijn kroost voor ballingschap bewaren kon. Kom kind´ren, gaat nu saam naar ´t rijke huis, naar vaders jonge vrouw, mijn meesteres, en bidt haar knielend, niet te moeten vluchten, terwijl ge ´t sieraad geeft, want zorgt vooral, dat ze eigenhandig uwe gave ontvangt. Gaat nu: en als men u verhoort, kom dan bij moeder met die blijde tijding weer.

De kinderen, met Iason en den ouden dienaar, verlaten het tooneel.

09. Vierde koorlied; regel 9;976-1001

Koor - strofe
Nu is mijn hoop, mijn laatste hoop geweken, nu zij daar beiden ten verderve gaan; dra neemt de bruid, voor ´t blindend schoon bezweken, dra neemt zij ´t heilloos gouden sieraad aan, en zet op ´t blonde haar het helsch bedacht geschenk met blij gebaar.

antistrofe
Haar zal de glans en gouden gloed verleiden de wade, wond´re tooverpronk, te omhangen en ten doode zich te wijden in tooi, die haar als bruidstooi tegenblonk. In zulk een valstrik vindt zij haar verderf, door valschen schijn verblind.

strofe
En gij, rampzaal´ge, o, deerniswaard´ge bruigom eener koningsmaagd, gij voert, u van geen kwaad bewust, uw eigen kind´ren ten verderve, en mede uw gade naar een schrikb´ren dood; wee, dat ge daartoe komen moest.

antistrofe
Ook u beklaag ik, o zwaar beproefde, droeve moeder van een kroost, dat gij het leven nemen wilt, als wraak omdat ge u ziet verraden en trouweloos verlaten door een gade, wiens liefde een ander nu bezit.

10. Vijfde akte; regel 10;1002-1250

De oude dienaar en de beide kinderen komen terug.

Kinderverzorger
Uw kind´ren, meesteres, zijn begenadigd; zij mogen blijven, en de hooge bruid heeft uw geschenk in dankbaarheid aanvaard; zoo dat het voortaan vrede is voor uw kroost. Maar waarom doet dit nieuw u zoo ontstellen?

Medea
Wee mij!

Kinderverzorger
Uw klagen is een wanklank bij deez´ tijding.

Medea
Wee, wee mij!

Kinderverzorger
Heb ik u misschien onwetend gesmart en valsch gewaand u te verheugen?

Medea
Vermeld, wat moést gemeld: u treft geen blaam.

Kinderverzorger
Waarom die somb´re blik, die tranen dan?

Medea
Het kan niet anders: godenmacht en ik, ik, die het booze zoek, ben schuld er aan.

Kinderverzorger
Vat moed: uw heengaan is niet voor altijd.

Medea
Helaas, eerst zal ik and´ren heen doen gaan.

Kinderverzorger
Gij zijt niet d´ een´ge, die zijn kinderen zag gaan - de mensch moet leed geduldig dragen.

Medea
Dat zal ik: ga nu gij naar binnen, vriend; wijd aan de kleinen uw getrouwe zorgen. De dienaar gaat heen; de kinderen blijven achter bij Medea.O kind´ren, kind´ren, u wacht een tehuis, waar gij nu voortaan eenzaam wonen zult, voor immer van uw moeder weggerukt; en ik moet vluchten naar een ander land, eer ik mijn zorgen zie beloond in uw geluk, en eer mijn handen bruid en bed voor blijde stonde tooien, eer zij hoog de fakkels heffen voor uw bruiloft. Ah! Hoe bitter boet ik voor mijn eigenwaan. Dat ik met liefde u groot bracht, ´t was vergeefs, vergeefs mijn arbeid, onder pijn verduurd van weeën, toen ik u ter wereld bracht. Eens stelde ik juist op u mijn dierste hoop, dat gij mijn ouden dag vertroosten zoudt, en als ik stierf - bij menschen àl benijd - uw hand mijn oogen zachtkens toe zou drukken ... Verstoord zijn nu die zoete droomen, want van u beroofd zal ´t leven mij niets zijn dan bitt´re weedom. Nimmer ziet ge uw moeder met uwen lieven blik weer aan, als ´t leven u ver, zoo ver van mij verwijderd heeft. Ach kind´ren, waarom ziet gij mij zoo aan en lacht gij mij uw laatsten lach nog toe? Wee mij, wat zal ik doen; mijn moed is heen, als ik het stralend oog zie mijner kind´ren. Ik kan niet, kan niet; weg al die gedachten, weg al mijn plannen: ´k neem mijn kind´ren meê. Waarom den vader treffen in zijn kroost, om twee maal zooveel kwaad mij zelf te doen? Dat kan en zal niet: weg dat booze plan! - Maar wat bezielt mij? Wil ´k mij laten hoonen, mijn haters sparen, afzien van mijn wraak? Ik moet het durven; o dat ik mij zelf vergat, zoo laf tot zwakheid mij verlaagde. Naar binnen kind´ren! - Ieder wete zelf, of niets verbiedt mijn offer bij te wonen; anders van hier! geen macht weerhoudt mijn hand! Ah! neen Medea, neen, o doe dat niet, rampzaal´ge, laat hen leven; spaar uw kind´ren; ginds met u levend zullen ze uw geluk zijn ... Bij alle wraakgodinnen in den Hades, ´t zal niet gebeuren, dat ik hier mijn kroost aan de overmoed van al mijn haters prijs geef. Het is hun noodlot, ´t nadert onafwendbaar. Reeds drukt de band haar lokken, reeds verbrandt zij in haar wade; ´k zie het voor mijn geest. O, nu ´k een weg van smart betreden moet, nu ´k hen nog smart´lijker een weg laat gaan, wil ´k hen voor ´t laatst omhelzen. - Kind´renlief, geeft moeder voor de laatste maal uw hand. O lieve handen; hoofden mij zoo dier, kind´ren in houding en gelaat zoo edel, moog´ heil uw deel zijn - maar niet hier; het hiér ontnam u vader! O die lieve omhelzing, die zoete kinderaâm, die zachte huid ... Nu weg, weg nu! Ik kan niet langer u zoo aanzien; ik bezwijk; mij breekt het hart. ´k Besef het, hoe misdadig ik zal zijn, maar rede zwijgt, als ´t hart in opstand komt,oorzaak den menschen van het grootste leed.

De kinderen, die zich ook daareven reeds naar het huis hadden begeven, maar toen weer terug waren geroepen, zijn na de laatste tot hen gerichte woorden van hun moeder naar binnen gegaan. Medea blijft alleen met het steeds aanwezige Koor.

Koor
Al meer dan eens verdiepte ik mij in al peinzende gedachten en zocht ik naar verborgenheên, waar vrouwen niet naar mogen trachten. Maar zoo drijft ons ook Denk-godin en prikkelt onzen drang tot weten, wel niet bij elk - een enk´le slechts geeft willig toe, een onder velen. Ik dacht: wie nimmer kind´ren won, geen oudersmart kent bij ervaring, heeft meer, dan wie zich kroost gewon, kans op geluk in ´t zijn op aarde. Geen kinderlooze plaagt de vraag, of kroost een zoet bezit hem zijn zal, dan wel een zorg, die immer knaagt; van al die kwelling zal hij vrij zijn. Maar wie in huis een lieve schaar van kind´ren heeft, zie ´k al zijn dagen gekweld door kommer, eerst om goed en schoon tot wasdom hen te brengen, en te verzeek´ren hun bestaan. Maar of ten slotte moeite en zorgen eens wordt beloond of ijdel blijkt, blijft diep in toekomst-nacht verborgen. En wat den mensch het felste treft, zoo pijnlijk als geen and´re wonde: tot vollen wasdom groeiden ze op, zie, hun bestaan is al gevonden, kloek zijn ze en braaf - maar dan beschikt een booze god naar zijn behagen, en uit uw armen weg ontvoert de dood uw kind´ren onder de aarde. Waartoe, zoo vroeg ik, ja waartoe voegt ´s hemels wil bij al ons lijden dien fellen smart, die ´t harte vlijmt, van kind´ren zoo te moeten scheiden?

Medea ontwaakt als het ware uit een verdooving; - weldra verschijnt een bode.

Medea
Reikhalzend zie ´k naar een´ge tijding uit, en wacht in spanning, hoe het ginds zal gaan ... Maar heb ik goed gezien? Komt daar niet een van Iasons dienaars? Ja; zijn driftig hijgen verraadt den brenger van een booze tijding.

Bode
O pleegster van een daad, onzegbaar wreed, vlucht; vlucht, Medea, hoe gij vluchten kunt, op ´t eerste schip, of voertuig dat gij vindt.

Medea
Wat reden heb ik op de vlucht te gaan?

Bode
Dood is des konings dochter, dood haar vader, vorst Creon, door uw toovergif vermoord.

Medea
Een schoone tijding; dankbaar zal ik u voor zulk een weldaad tot mijn vrienden reek´nen.

Bode
Wat! Zijt ge onzinnig, zijn uw zinnen krank, dat ge met vreugde hoort, hoe ´s vorsten haard bezoedeld werd, en baart u dit geen vrees?

Medea
Vriend, wilde ik spreken, tegen uw verwijt had ´k veel te zeggen; doch wind u niet op en zeg mij, hoe zij stierven: ´t zou mijn vreugd verdubb´len, zoo hun dood ellendig was.

Bode
Zoodra uw beide kind´ren met hun vader tezaam bij ´t huis der bruid gekomen waren, verblijdden we ons, wij dienaars, die oprecht uw leed betreurden, en de mare ging, dat gij met Iason weder waart verzoend. En dan kust de een den kleinen ´t blonde hoofd, een ander hun de hand; zelf ging ´k vol vreugde saam met de kind´ren naar de vrouwenwoon. En zij, die daar in uwe plaats gebood, zag Iason aan met liefdevollen blik, tot zij uw kind´ren saâm zag binnen treden. Dan slaat zij zich de handen voor haar oogen, en wendt de blanke wang vol afkeer af bij hunnen aanblik. Uw gemaal beproefde den toorn der jonge vrouw, dus sprekend, te bedaren: 'Keer uw hoofd niet af van vrienden; zie ze weer aan en wil naar rede luist´ren. Geef vriendschap, wien uw man zijn vriendschap gaf; aanvaard hun gave en vraag uw vader, hun om mijnentwil genade te verleenen'. Zoodra zij ´t sieraad zag, bedaarde zij, en al wat Iason vraagde, vond zij goed. Uw kind´ren gingen met hun vader heenen konden nog niet ver zijn van het huis,of zij drapeert zich met den kleur´gen tooi en op het haar den gouden hoofdband zettend, schikt zij de lokken voor den spiegel op, al lachend ziende naar heur zielloos beeld. Dan van haar zetel opgestaan doorschrijdt zij ´t huis, bevallig op den blanken voet, stralend van vreugde lang en menigmaal het fiere hoofd bewond´rend voor den spiegel. Maar ´n vreeslijk schouwspel was daarna te zien. Plots voer een rilling door haar leden; bleek en wank´lend doet ze een schrede achterwaarts, en ware neergestort, indien zij niet nog juist was neergezegen op een zetel. Een oude dienares, vermoedend wel, dat een der goôn, ´t zij Pan of wie dan ook haar trof, bezweert hun toorn met luid gegil. Maar nauw´lijks ziet zij ´t witte schuim haar op de lippen komen, hoe zij de oogen draait en ´t bloed wijkt van de huid, of haar gebed verstomt en luide krijtend roept ze om hulp. En daad´lijk stormde d´ een naar ´t huis haars vaders, een ander naar heur echtgenoot om hem het onheil zijner jonge bruid te melden, en luid klonk ´t heele huis van haast´ge schreden. Zij lag daar spraak´loos met gesloten oogen, als zij opeens ontwaakt met luiden gil. Dubbel was ´t lijden, dat haar overviel! Want van den gouden band, die ´t hoofd omving, stroomde al-verterend een betooverd vuur, terwijl de wade, uwer kind´ren gift, het blanke vleesch verscheurde dier rampzaal´ge. Een tóórts van vlammen vliegt zij op en tracht, al zwaaiend met de haren en het hoofd, hetr sieraad af te schudden. Maar onwrikbaar klemt haar het goud en ´t zwaaien met de haren doet dubbel fel van ´t vuur de vlammen laaien. Maar eindelijk bezwijkt ze, en stort ter aarde, schier onherkenbaar zelfs voor haren vader. Haar oogen waren niet meer te onderscheiden; langs ´t edel voorhoofd droop het bloed, dat vuil, door ´t vuur geblakerd, d´ open wond ontvlood. Als hars, die van den pijnboom drupt, zoo gleed het vleesch, geknaagd door tooverkaken, af van het gebeente, een vrees´lijk schouwspel. Ons ontbrak de moed het lichaam aan te raken; zoo was haar lot voor ons een les geweest. Maar als op eens haar vader binnenstormt, knielt d´ arme man, voor geen gevaar beducht, bij ´t doode lichaam neer, kust en omarmt haar onder luid gejammer en roept uit: 'Rampzalig kind, wie van de goôn bracht u zoo eerloos om, wie nam u weg van mij, een wand´lend graf? - mijn kind, ´k wil met u sterven'. En als hij, ´t weenen en het jamm´ren moe, het oude lichaam weder op wil richten, blijft hij, als klimoprank aan een laurier, klem-vast aan ´t rag der wade. ´t Oog één gruwel, die worst´ling daar: hij trachtend op te staan, zij neer hem trekkend. En zoo vaak hij met geweld zich losreet, scheurde de oude zich ´t vleesch van de beend´ren. Dan, in ´t einde zwichtend, rampzaal´g en afgetsreên, geeft hij den geest. Nu liggen daar hun lijken naast elkaar, dochter en grijze vader; o, een lot, dat roert tot tranen. - Over u zal ´k zwijgen. Vind zelf den weg, om uwe straf te ontgaan! Maar meer dan ooit ervaar ik thans, hoe ons bestaan onweez´lijk als een schaduw is, en dat, wie wijs zich dunken in bereek´ning, vernuft verspillen tot hun eigen schaâ. Want waar geluk vindt niemand hier op aarde; Lots toeval mag den een al rijker dan den ander maken: waar geluk is ´t neit.

Koor
Veel leed wordt Iason dezen dag beschikt, tot zijn vergelding door een hooger macht. Ach dochter Creon´s, welk een deernis wekt uw lot, ach arme, die naar ´t doodenland als straf voor Iason´s bruiloft heen moet gaan.

Medea
Nu wordt de daad onmiddellijk volbracht; aleer ik vlucht, zal ik mijn kind´ren dooden. Deed ik het niet, tot gruwelijker dood moest ik hen in de macht van and´ren laten. Zij zijn verloren; maar daarom zal ik, die hun het leven gaf, ´t óók hun benemen. Welaan, het hart gepantserd, niet gedraald. Grijp vast het zwaard, rampzaal´ge moederhand, grijp het en breng uw lijdensweg ten eind. En niet versagen, niet meer denken, hoe uw hart vol moederliefde was. Vergeet voor korte stonde, dat ze uw kind´ren zijn. Beween hen straks; al doodt ge hen, zij zijn u lief; ai - geen rampzaal´ger vrouw dan ik.

Medea snelt naar binnen.

11. Vijfde koorlied; regel 11;1251-1292

Koor-strofe
Aarde, waak! O, al-omstralend Licht, Gij, Zon-god, houd uw oog gericht op haar, om te verhoeden, dat ze in haar waanzin ´t eigen kroost doet bloeden. Een loot aan Uwen gouden stam ontsproot zij: maar delgt en doodt zij nú ´t geen ontbloeide aan godenbloed? Neen, God, daar stralend aan den hemel, bedwing en stil haar toorn; bewaar uw huis voor moord en spaar ´t voor vloekgericht en wrake.

antistrofe
Vergeefs voor ´t moederschap de strijd gestreên, vergeefs gezwoegd; ´t is alles heen. Kwaamt gij om zulke daden de donk´re poorten door der Symplegaden? Kan iets uw hart van woede zoo doen blaken, dat gij uit wrake vergelding zoekt in eigen bloed? Wie daaraan zijne hand bezoedelt, valt Hades´ zware straf ten deel: den dader zelf, en heel zijn huis één lied van jammer.

Uit het huis klinken de angstkreten der kinderen.

Kinderen
Wee mij, waar vlucht ik; waar ontkom ik moeder´s hand? - Ik weet niet, liefste broeder; ´t is met ons gedaan!

Koor
Wee! Hoort van haar kinderen gij dien kreet? Wee u, vrouw, wee u! O - wreed spel van het lot! Zal ´k gaan in het huis? Ja, redden zoo wil ´k haar kroost uit den dood.

Kinderen
Ja, komt ons helpen, bid ik u; o kom te hulp! - Zij zal ons dooden, dooden met haar zwaard!

De kreten zijn verstomd; het koor begrijpt, dat iedere poging tot hulp te laat is, en blijft ontzet staan.

Koor
Wee u, zijt ge dan, o vrouw, zoo van staal of steen, dat gij eigenhandig ter dood brengt hen, dien ´t leven gij gaaft? Slechts ééns, naar ik weet, sloeg een vrouw weleer de hand even wreed aan ´t eigen kroost. Zoo deed in waanzin Ino, toen Zeus´ gade fel haar tot krankzinnig zwerven uit haar woning dreef. Ontzind zocht zij toen na ´t vloekbare werk den dood in de zee, zich werpend van hoogen oever neer, en met haar kind´ren beide vond zij zoo haar eind. Kan ooit één daad zoo wreed, zoo gruwbaar zijn? Wee, hoeveel leed, o vrouwenliefde en min! hebt den sterveling gij gebracht.

12. Slotakte; regel 11;1293-1419

Iason komt aangesneld; hij verkeert in hevige gemoedsbeweging.

Iason
Zegt mij, gij vrouwen, die hier staat ter poorte, is zij - Medea - na haar gruweldaad, is zij nog hier of reeds ter vlucht gegaan? Zij mag zich diep wel bergen in den grond, of zich op vleug´len heffen in de lucht, als zij dien koningsmoord niet boeten wil. Maar minder vrees ´k voor haar dan voor mijn kind´ren. Zij moge vallen voor haar gruweldaad, maar ´t leven mijner kind´ren kom ik redden, dat ´s konings nabestaanden zich op hen niet wreken voor hun moeders euveldaad.

Koor
Rampzaal´ge, uw leed zijt ge u nog niet bewust. Waart gij dit wel, gij hadt niet zóó gesproken.

Iason
Wat is er? Wil ze ook mij misschien vermoorden?

Koor
Dood zijn uw kind´ren - door hun moeders hand.

Iason
Wat zegt gij daar? Gij moordt mij met uw woord.

Koor
Wees overtuigd: uw kind´ren zijn niet meer.

Iason
En dat deed zij! hier in ´t huis? of buiten?

Koor
Ontsluit de poort en zie het bloedig schouwspel.

Iason
Doet open, dienaars, doet mij daad´lijk open, ontsluit de poort, laat mij dien dubb´len jammer, mijn kind´ren zien, en voor dien moord haar straffen!

Boven het dak van het huis verschijnt een door gevleugelde draken getrokken wagen, waarop Medea; naast haar liggen de doode lichamen der kinderen.

Medea
Wat rukt en rammelt ge aan de deur? Zoekt gij de dooden, zoekt gij mij ook, die het deed? Staak dan uw moeite. Wilt gij iets van mij, spreek dan; maar nimmer raakt uw hand mij aan. Geen vijand deert mij: Zon-god, vaders vader, gaf daarvoor dezen wagen mij ten schuts.

Iason
O gruw´lijk wezen, met der goden vloek belaân, den vloek van ´t menschdom, en van mij; die waagdet in uw eigen kind´ren ´t zwaard te steken en mij zelf in hen ter dood bracht. En na zoo goddeloos een wanbedrijf ziet gij het zonlicht, ziet ge d´ aarde nog? Vloek over u! - Nu zie ´k mijn dwaasheid in, toen ´k uit het onbeschaafde land u meênam naar Helleensche woning, u ellend´ge, verraadster van uw vader en uw land. O, dat ik blind was voor uw god-gehaatheid! Uw broeder hadt ge bij den haard gedood, om d´ Argo, ´t edel vaartuig te bestijgen. Dat was ´t begin; toen vondt ge in mij uw man, werdt moeder, en vermoordt nu onze kind´ren - om ´t echt´lijk bed, uw sponde, en anders niet. Geen vrouw in Hellas, die zoo´n gruwel ooit bestond; en toch gaf ´k u de voorkeur, u, wier liefde haat, wier omgang mijn verderf werd, u, een leeuwin, geen vrouw; - geen Scylla is zoo wreed, zoo monsterachtig wreed als gij. Doch waartoe deez´ verwijten: ´t duizendvoud zou u niet krenken in uw starren geest. Ik vloek u; ga, bevlekt met kinderbloed. Mij blijft mijn smart, mijn treuren om mijn leven. Heen zijn mijn droomen van een nieuw geluk; heen zijn mijn kind´ren, die ik groot bracht; nooit, nooit zie ´k ze weer, nooit hoor ik meer hun stem.

Medea
Een láng verweer zou ik u tegen-voeren, wist Zeus, wist hij, der goden vader, niet, hoe gij met ondank al mijn liefde loondet. Uw vrouw verstooten, dacht ge een leven van genot te smaken en u heim´lijk te vermaken over mij - ´t zou niet gebeuren, en Creon zou niet straf´loos, noch zijn dochter mij uit hun land verjagen. Noem dan vrij naar welbehagen mij leeuwin of Scylla: zie, ´k trof u récht in ´t hart - mij is ´t genoeg.

Iason
´t Pijnigt u even zeer; dus wreekt zich ´t booze.

Medea
Welkom is smart, als maar uw spot verstomt.

Iason
Kind´ren, hoe boos een moeder was uw deel.

Medea
Aan vader krank, mijn kind´ren, kwaamt gij om!

Iason
Maar niet mijn hand was ´t, die hen sterven deed.

Medea
Neen, maar uw schending en uw trouweloosheid.

Iason
Zoo bracht g´ om echt-verand´ring hen ter dood?

Medea
Dunkt u die krenking voor een vrouw gering?

Iason
Wel, als zij wijs is - gij kent enkel kwaad!

Medea
Zij zijn niet meer; dat zal aan ´t hart u knagen.

Iason
Zij zijn ´t, die met hun bitt´re wraak u dreigen.

Medea
De goden weten, wie het kwaad begon.

Iason
Zij weten, hoe afschuwelijk gij zijt.

Medea
Wel, haat mij; maar uw taal is mij een hinder.

Iason
En d´ uwe mij; zoo valt het scheiden licht.

Medea
Welnu: dat zij zoo: ik verlang niets liever.

Iason
Laat mij de dooden, dat ik hen begrave.

Medea
Neen, eigenhandig breng ik hen ten grave; naar Acrae draag ik hen in Hera´s tempel, opdat geen vijands hand hun tombe schendt, en in hun rust hen stoort. Een heilig feest en offers zal ´k in ´t land van Sisyphus hun wijden voor dees goddeloozen dood. Zelf ga ik naar Erechtheus´ land, om bij Pandions zoon, vorst Aegeus, woon te vinden.

Iason
Het heilige Recht vergeld´ u den moord in wroeging en bloed!

Medea
Wat god of daemon hoort u nog aan, die eeden breekt en vrienden bedriegt?

Iason
Wee u, besmet met het bloed van uw kind´ren.

Medea
Ga heen naar uw huis en begraaf uw gade.

Iason
Ik ga - van mijn beide zonen beroofd.

Medea
Zijt ge eenmaal oud, dan zult gij eerst klagen!

Iason
O kind´ren, mij lief! -

Medea
- Dat waren ze mij.

Iason
Toch dooddet gij hen! -

Medea
- Uit haat tegen u!

Iason
Wee mij; o mocht voor ´t laatst ik een kus hun geven, hen eens nog omhelzen.

Medea
Nu hebt gij een woord van liefde voor hen, na hen eens te hebben verstooten.

Iason
Sta toe, nog ééns hun zachte huid te beroeren, ik bid u -

Medea
- Vergeefs, ´t zal niet!

De wagen met Medea verheft zich in de lucht.

Iason
Zeus, hoort gij, hoe ´k word verjaagd door haar, wat lijden mij doet die wreede leeuwin, die moordenares van haar eigen bloed? Maar, wat ik kan, wat gij niet belet: mijn smart zal ik klagen en ´s hemels vloek roep ik af over u, die mijn kind´ren doodt, enm ´t recht mij ontzegt, eens voor het laatst hen te streelen, dan grafwaarts te dragen. Ach - had ik nooit hen verwekt om te zien, hoe door u zij moesten verderven.

Iason verwijdert zich met langzame schreden.

Koor
Zoo wisselt staag het levensbeeld, vaak onverhoopt, naar God beveelt. Vaak onvervuld blijft, wat men wacht, en wordt beschikt, wat niemand dacht. Dat is ook hier gebleken.

© 2017 Maarten Hendriksz