Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Hesiodus - Het Schild van Heracles

Bron: theoi.com

Hesiod, Homeric Hymns, Epic Cycle, Homerica. Translated by Evelyn-White, H G. Loeb Classical Library Volume 57. London: William Heinemann, 1914. Vertaald naar het Nederlands door Maarten Hendriksz 2016.

Alcmene

1-26
Of zoals zij, die huis en land verliet en naar Thebe kwam, de oorlogszuchtige Amphitryon volgend, Alcmene, de dochter van Electryon, bijeenbrengster van het volk. Zij overtrof de stam der vrouwen in schoonheid en lengte, en in wijsheid wedijverde niemand met haar van diegene der sterfelijke vrouwen die baarden na de vereniging met sterfelijke mannen. Haar gezicht en donkere ogen straalden een charme uit zoals die van de gouden Aphrodite. En ze vereerde haar man in haar hart zoals niemand van de vrouwen dat ooit voor haar had gedaan. Zeker, hij had haar vader gedood toen hij boos was over een paar ossen. Dus verliet hij zijn eigen land en kwam naar Thebe en smeekte de schilddragende mannen van Cadmus. Daar woonde hij met zijn bescheiden vrouw zonder de geneugten van de liefde, noch zou hij naar de dochter van Electryon, met de mooie enkels, gaan totdat hij de dood van zijn vrouw’s groothartige broers had gewroken en met laaiende vlammen de dorpen totaal in de as had gelegd van de helden, de Taphiërs en Teleboën. Want dit werd hem opgedragen, en de goden waren er getuige van. Hij vreesde hun woede, en haastte zich om de grote taak die Zeus hem had opgedragen uit te voeren. Met hem mee gingen de paardrijdende Boeotiërs, ademend boven hun schilden, en de Locriërs die man tegen man vechten, en de dappere Phociërs die verlangden naar oorlog en strijd. En de nobele zoon van Alcaeus leidde hen, zich verheugend over zijn leger. Geboorte van Heracles en Iphicles

27-56
Maar de vader van mensen en goden vormde in zijn hart een ander plan, om iemand te verwekken die opkwam voor de verdediging van de goden en de mensen die brood aten. Dus stond hij op en dacht ’s nachts op de Olympus na over de list die hij diep in zijn hart verborgen hield, en verlangde naar de liefde van die mooigeklede vrouw. Hij ging snel naar Typhaonium, waarop de wijze Zeus verder ging en de hoogste piek van de Phicium betrad. Daar ging hij zitten en beraamde prachtige dingen in zijn hoofd. Zo deelde Zeus het bed en de liefde van de dochter van Electryon met de mooie enkels én vervulde zijn wens in één nacht. Dezelfde nacht kwam Amphitryon, bijeenbrenger van het volk, de glorieuze held, naar zijn huis toen hij klaar was met zijn grote taak. Hij haastte zich niet naar zijn dienaren en herders in het veld, maar ging eerst naar zijn vrouw. Zo’n verlangen hield de herder van mensen in zijn greep. En als een man die vreugdevol is ontsnapt aan ellende, of aan een pijnlijke ziekte of wrede slavernij, zo gedroeg Amphitryon zich, toen hij al zijn zware taken had afgelegd, en opgewekt en blij bij zijn huis aankwam. En de hele nacht lag hij bij zijn kuise vrouw, genietend van de gaven van de gouden Aphrodite. En zij, die onderworpen was aan een god en aan een in schoonheid uitblinkende man, bracht tweelingzoons voort in Thebe met de zeven poorten. Hoewel ze broers waren, waren zij dat niet van geest. Want de een was de zwak en de ander een veel betere man, de één reusachtig en sterk, de machtige Heracles. Hem baarde ze uit de omhelzing met de heer van de donkere wolken, zoon van Cronus, en de ander, Iphicles, van Amphitryon de sperenzwaaier. Verschillende nakomelingen, de een uit de vereniging met een sterfelijk mens, maar die ander uit de vereniging met Zeus, leider van alle goden.

Cycnus en Ares

57-76
En hij wilde Cycnus doden, de dappere zoon van Ares. Want hij vond hem in de nabijheid van de verschietende Apollo, hem en zijn vader, nooit verzadigd van oorlog. Hun harnassen straalden als de vlammen van een laaiend vuur terwijl die twee in hun rijtuig stonden. Hun snelle paarden stampten en vertrapten de grond met hun hoeven, terwijl het stof om hen heen zweefde als rook, opgeworpen door de wagenwielen en de paardenhoeven, terwijl het stevig gemaakte rijtuig en haar wielspaken om hen heen ratelde terwijl de paarden die voorttrokken. En de blaamvrije Cycnus was blij, want hij keek er naar uit om de oorlogszuchtige zoon van Zeus en diens wagenmenner te doden met zijn zwaard, en het prachtige harnas van hem af te nemen. Maar Phoebos Apollo wilde niet naar zijn gesnoef luisteren, want hij had zichzelf tegen de machtige Heracles opgehitst. En heel het bos en altaar van de Pagaseaanse Apollo vlamde vanwege de dreigende god en zijn wapens, terwijl zijn ogen als vuur flitsten. Welk sterfelijk mens zou het aangedurfd hebben om hem van man tot man te treffen behalve Heracles en de roemrijke Iolaüs? Want hun kracht was groot en onoverwinnelijk waren de wapens die uit hun schouders en ledematen leken te groeien.

Heracles en Iolaüs

77-101
Toen sprak Heracles tegen zijn wagenmenner de sterke Iolaüs: ‘O held Iolaüs, meest geliefde van alle mannen, Amphitryon zondigde waarlijk diep tegen de gezegende goden die op de Olympus wonen toen hij naar het mooigekroonde Thebe kwam en Tiryns verliet, die goedgebouwde citadel, omdat hij Electryon doodde omwille van zijn eigen breedkoppige ossen. Daarna ging hij naar Creon en de Eniochen met de lange mantels, die hem vriendelijk ontvingen en hem passende geschenken gaven, zoals het hoort bij smekelingen, en hem eeuwig vereerden in hun harten. En hij leefde vreugdevol met zijn vrouw, de dochter van Electryon met de mooie enkels. En thans, terwijl de jaren voorbijgleden, zijn wij geboren, in lichaam en geest niet gelijk, ook niet vanwege onze vaders. Van hem nam Zeus het verstand weg, zodat hij zijn huis en ouders verliet en vertrok om eer te betuigen aan de goddeloze Eurystheus – ongelukkige man! Daarna betreurde hij inderdaad de last die hij moest dragen zeer vanwege zijn eigen onzinnige dwaasheid. Maar hij kan het niet terugdraaien. Het lot droeg mij zware taken op. Maar, kom, vriend, neem snel de met bloed besmeurde teugels van de snelle paarden, laat moed in je hart opborrelen, en spoor het snelle rijtuig en de sterke snelvoetige paarden direct aan. Heb geen steelse angst voor het geluid van de mensendodende Ares die nu woedend schreeuwt boven het heilige bos van Phoebos Apollo, de heer die van verre schiet. Zeker, hij is sterk, maar hij zal genoeg oorlog krijgen.’

102-114
En de onberispelijke Iolaüs antwoordde hem: ‘Goede vriend, de Vader der Goden en de stierachtige Aardschudder vereren jouw hoofd terecht, dat Thebe’s omringende muren en stad bewaakt, - de man die ze aan jouw handen uitleveren is groot en sterk maar jij zult een grote zege behalen. Maar kom, trek je oorlogstuig aan opdat we met grote snelheid de wagen van Ares en die van ons samen kunnen brengen om te vechten. Want hij is niet bang voor de onverschrokken zoon van Zeus, noch voor de zoon van Iphicles, maar ik denk dat hij zal vluchten voor de twee zoons van de onberispelijke Alcides die bij hem in de buurt zijn en staan te popelen om hun oorlogskreet te slaken, want daar houden zij meer van dan van een feest.’

115-121
Zo sprak hij. En de machtige Heracles was blij en lachte, want de woorden van de ander bevielen hem zeer, en hij antwoordde met gevleugelde woorden: ‘O held Iolaüs, hemelkind, nu is de ruwe strijd ophanden. Maar, zoals jij bij andere gelegenheden al je moed hebt getoond, leidt nu ook het grote zwartmanige paard Arion op zijn weg, en help mij waar je dat kunt.’

De wapens van Heracles

122-138
Zo sprak hij, en bond glanzende bronzen scheenbeschermers om zijn benen, het prachtige geschenk van Hephaistus. Vervolgens bevestigde hij een prachtige gouden borstplaat voor zijn borst, merkwaardig gemaakt, die Pallas Athena, de dochter van Zeus, hem had gegeven toen hij aan de eerste opdracht van zijn smartelijke Werken begon. Over zijn schouders deed de felle strijder het staal dat mannen van de ondergang redt, en op zijn rug hing hij een holle pijlenkoker. Daarin zaten vele koelbloedige pijlen, brengers van de dood die spreken onmogelijk maakt. Aan de punt bevatten zij de dood, en druppelende tranen. Hun schachten waren glad en erg lang. En hun uiteinden waren bekleed met veren van een bruine adelaar. En hij nam zijn sterke speer, met een punt van stralend brons, en op zijn dappere hoofd zette hij een mooigevormde helm van adamant, kunstig gemaakt, die precies om zijn slapen paste, en die het hoofd van de goddelijke Heracles beschermde.

Het schild van Heracles

139-153
In zijn handen nam hij het schild, dat geheel schitterde. Niemand had het ooit met een slag gebroken of gedeukt. En het was een wonder om te zien. Want de hele cirkel glinsterde met glazuur, wit ivoor en zilverhoudend gouderts, en het glansde met stralend goud. En er waren zone’s van cyanus op aangebracht. In het midden was Angst verwerkt met adamant, onuitsprekelijk, achterom kijkend met ogen die gloeiden van vuur. Zijn mond vol met een witte rij tanden, angstwekkend en ontmoedigend, en om zijn grimmige voorhoofd zweefde verschrikkelijke Strijd die de mannenmenigte in slagorde opstelt. Zij is meedogenloos, want zij neemt geest en zintuigen weg van de arme stakkers die oorlog voeren tegen de zoon van Zeus. Hun zielen worden doorgegeven aan de onderwereld en dalen af in het huis van Hades. Maar hun botten, wanneer de huid er omheen verrot is, brokkelen af op de donkere aarde onder de uitdrogende Helius.

Goden van verschrikking

154-159
Achtervolging en Vlucht werden op het schild aangebracht, en Tumult, en Paniek, en Slachting. Ook Twist en Oproer zwierven er haastend rond, en het dodelijke Noodlot hield daar een nieuwe gewonde vast, en een andere niet gewonde. En één, die dood was, sleepte ze bij de voeten door het tumult. Ze had om haar schouders een kledingstuk dat rood zag van het bloed van mensen, en ze keek met een woeste blik rond en knarste met haar tanden.

160-167
En er waren koppen van onuitsprekelijk vreselijke slangen, twaalf in totaal. En zij waren bedoeld om de stammen der mensen angst aan te jagen die de wapens op durfden te nemen tegen de zoon van Zeus. Want zij sloegen met hun kaken op elkaar wanneer Amphitryon’s zoon aan het vechten was. En dit wonderlijke werkstuk straalde helder. En het leek alsof er vlekken op de afschuwelijke slangen zaten, ruggen waren donkerblauw en hun kaken waren zwart.

168-177
Er waren op het schild ook drommen beren en leeuwen die elkaar begluurden, woedend en strijdlustig. Beide gelederen gingen op elkaar af, en geen van hen bibberde maar zetten hun nekharen overeind. Want onder hen waren al een grote leeuw en twee beren, aan beide kanten, van het leven berooft, en hun donkere bloed droop op de grond. Ze lagen met uitgestrekte lichamen dood tussen de grimmige leeuwen. En aan beide zijden ontstonden er steeds meer strijdlust omdat zij boos waren, die felle beren en die helderogige leeuwen.

Strijd der Lapithen

178-190
En er was de strijd van de speerwerpende Lapithen verzameld ronde de prinsen Caeneus en Dryas en Pirithoüs, met Hopleus, Exadius, Phalerus, en Prolochus, Mopsus de zoon van Ampycus uit Titaresius, een telg van Ares, en Theseus, de zoon van Aegeus, op de onsterfelijke goden gelijkend. Zij waren van zilver, en hadden een pantser van goud om hun lichamen. En de Centauren aan de andere kant waren verenigd onder Petraeus en Asbolus de waarzegger, Arctus, en Ureus, en zwartharige Mimas, en de twee zoons van zilver, en zij hadden pijnbomen van goud in hun handen, en zij denderden op elkaar alsof ze levend waren en bestookten elkaar met speren en pijnbomen.

De goden

191-200
En op het schild stonden de snelvoetige paarden van de grimmige Ares in goud afgebeeld, en de dodelijke buitveroveraar Ares zelf. Hij hield een speer in zijn handen en spoorde de voetsoldaten aan. Hij zag rood van het bloed alsof hij levende mensen aan het afslachten was, terwijl hij in zijn rijtuig stond. Naast hem stonden Angst en Vlucht, die stonden te popelen om tussen de vechtende mannen te duiken. Daar was ook de dochter van Zeus, Athena die de buit voortjaagt . Het leek alsof zij op het punt stond een gevecht aan te gaan, met een speer in haar hand, een gouden helm, en de Aegis om haar schouders. En zij ging op de verschrikkelijke strijd af.

201-206
Daar was het hele gezelschap van de onsterfelijke goden. En temidden van hen speelden de zoon van Zeus en Leto lieflijk op een gouden lier. Daar was ook de woonplaats van de goden, zuivere Olympus, hun verzamelplek, en grenzeloze rijkdommen waren rond om hen heen verzameld, de Muzen van Piëria begonnen juist een lied te zingen met hun heldere stemmen.

207-215
En op het schild was een haven afgebeeld met een veilig onderkomen tegen de onweerstaanbare zee, in een cirkel van zuiver gewrocht, en de golven leken te bewegen. In het midden waren vele dolfijnen die, vissend, alle kanten opschoten, en zij leken echt te zwemmen. Twee dolfijnen van zilver spoten water op en verslonden de sprakeloze vissen. Onder hen bibberde de bronzen vissen van angst. Op de kust zat een visser die toekeek. In zijn handen hield hij een vangnet, en het leek alsof hij op het punt stond om dat in het water te werpen.

Perseus

216-236
Daar was ook de zoon van de mooiharige Danaë, de ruiter Perseus. Zijn voeten raakten het schild niet maar waren er toch niet ver van verwijderd. Wonderbaarlijk om te zien, omdat hij nergens werd ondersteund. Want zo had de beroemde Kreupele hem met zijn handen in goud afgebeeld. Aan zijn voeten had hij gevleugelde sandalen, en zijn zwarte zwaardblad hing over zijn schouders aan een riem van brons. Hij vloog zo snel als men kon bedenken. Het hoofd van een verschrikkelijk monster, de Gorgo, bedekte zijn brede rug, en zat, wonderlijk om te zien, in een zilveren zak. En aan de zak hingen kwasten van goud. Op het hoofd van de held zat de Helm der Duisternis van Hades die de afschuwelijke somberheid van de nacht uitstraalde. Perseus zelf, de zoon van Danaë, ging op volle snelheid, als iemand die zich haast en huivert van afschuw. Achter hem snelden de Gorgonen voort, ongenaakbaar en zwijgend, die hem probeerden te grijpen. Wanneer zij op het bleke adamant trapten, begon het schild een luid en helder geluid te maken. Twee slangen hingen aan hun gordels met hun koppen naar voren en flitsende tongen, en hun tanden knarsten van woede, en hun ogen keken woedend. En boven de vreselijke hoofden van de Gorgonen beefde grote Angst.

De Moiren

236-269
En achter hen waren vechtende mannen in oorlogszuchtige harnassen, sommigen verdedigden hun eigen stad en ouders tegen de vernietiging, en anderen die popelden om haar te verslaan, velen lagen er dood, maar het grootste deel probeerde het nog steeds en vocht door. De vrouwen op de mooigebouwde torens van brons huilden schril en tranen liepen over hun wangen alsof het echt levende wezens waren, het werk van de beroemde Hephaistus. En de mannen die vader en op leeftijd waren stonden allen tezamen buiten de stad, hun handen opheffend naar de gezegende goden, vrezend voor hun eigen zonen. Maar deze waren druk bezig in de strijd. Achter hen worstelden de schemerige Moiren, knarsend met hun witte tanden, omlaag komend, bloederig, en ongenaakbaar, om hen die waren gesneuveld, want zij wilden graag het donkere bloed drinken. Zodra zij een man grepen die omver was geworpen of net gewond was geraakt, één van hen greep hem met haar grote klauwen beet, dan ging zijn ziel naar Hades in de kille Tartarus. Wanneer zij hun zielen aan het menselijk bloed tegoed hadden gedaan, wierpen zij diegene achter zich, en spoedden zich terug naar het tumult van de strijd. Clotho en Lachesis zweefden boven hen en, Atropus die minder groot was, een godin met een klein lichaam, maar superieur aan de anderen omdat zij de oudste was. En zij voerden een felle strijd om de arme stakker, boosaardig naar elkaar starend met woedende ogen en vechtend zowel met hun handen als hun klauwen. Bij hen in de buurt stond de Duisternis van de Dood, treurig en angstwekkend, bleek, verschrompeld, mager van de honger, met gezwollen benen. Lange nagels kwamen uit haar vingertoppen, druppelend uit haar neus, en van haar wangen droop bloed op de grond. Ze stond afschuwelijk te loeren, en er lag veel stof doordrenkt met tranen op haar schouders.

Menselijke bezigheden

270-284
Vervolgens was er een stad van mannen met mooie torens. Zeven poorten van goud, passend bij de lateien, bewaakten die. De mensen vierden vrolijke feest en dansten. Sommigen brachten een bruid naar haar echtgenoot op een mooiwielige wagen, terwijl het bruidslied hoog opklonk, en in de verte straalde de gloed van laaiende toortsen die door dienstmeisjes werden vastgehouden. En deze meisjes gingen voorop, zich verheugend in het feest, en achter hen aan kwamen uitgelaten koren, de jeugdigen zongen zachtjes op de muziek van schel klinkende fluiten, terwijl de echo om hen heen huiverde, en de meisjes de lieflijke dans aanvoerden op het geluid van de lieren. Aan de andere kant was een menigte van zwelgende jongemannen, spelend op fluiten. Sommigen vermaakten zich met dans en zingen, en anderen liepen naar voren met een fluitspeler en lachten. De hele stad was gevuld met vreugde, dans en festiviteiten.

285-304
Weer anderen klommen op de rug van een paard en galoppeerden voor de stad. En er waren boeren die de goede grond ploegden, gekleed in tunieken die waren opgebonden. Er was ook een weids korenland en sommigen oogstten met scherpe sikkels de stengels die doorbogen onder het gewicht van de korenaren, alsof zij het graan van Demeter aan het oogsten waren. Weer anderen bonden de schoven bijeen met touwen en spreidden die uit over de dorsvloer. Sommigen hielden snoeimessen vast en verzamelden de wijnoogst, terwijl anderen die van de snoeiers aannamen en in manden deden. En de witte en zwarte trossen van de lange rijen druiven waren zwaar van de zilveren bladeren en ranken. Weer anderen verzamelden die in manden. Daarnaast was er een rij druiven in goud, het prachtige werk van de vaardige Hephaistus. Het had rillende blaadjes en stokken van zilver en was beladen met druiven die zwart geworden waren. Er waren die de druiven plattrapten en anderen die de drank aftapten. Daarnaast waren ook mannen aan het boksen en worstelen, en jagers die op snelle hazen joegen met een leiband van scherptandige honden voor hen uit, die popelden om hazen te vangen, en de hazen popelden om te ontsnappen.

305-313
Naast hen waren ruiters die snel draafden, en hard streden en zwoegden voor een prijs. De wagenmenners stonden op hun mooigemaakte wagens, spoorden hun snelle paarden aan met losse teugels. De groep wagen vlogen luid ratelend voort en de assen van de wielen piepten luid. Zo waren zij verwikkeld in een eindeloos gezwoeg, de zege aan het eind behaalden zij nooit, en de wedstrijd werd nooit gewonnen. En midden op het parcours was voor hen een grote gouden drievoet neergezet, het prachtige werk van de vaardige Hephaistus.

314-317
Langs de rand vloeide de Oceaan, die wel echt leek te stromen, en al het kunstige werk op het schild omringde. Daarboven vlogen zwanen die luid riepen, en vele anderen zwommen in het water, en in de buurt van hen zwommen scholen vis.

318-326
Het was een prachtig ding om te zien dat schild, zelfs voor Zeus de donderaar, die Hephaistus in zijn opdracht maakte en het met zijn handen in elkaar zette. Dit schild hanteerde de dappere zoon van Zeus meesterlijk, en sprong als de bliksem van zijn vader Zeus, die de Aegis voert, op zijn wagenspan, lenig bewegend. En zijn wagenmenner, de sterke Iolaüs, op de wagen staande, stuurde de gebogen wagen.

De aanmoediging van Athena

327-337
Toen kwam de grijsogige godin Athena naar hen toe en sprak gevleugelde woorden, hen aanmoedigend; ‘Wees gegroet, nakomelingen van de wijd en zijd beroemde Lynceus! Zeus, die over de gezegende goden heerst, schenkt je nu de kracht om Cycnus te doden en hem van zijn prachtige wapenrusting te ontdoen. Maar ik zal je daarnaast nog iets anders vertellen, machtigste van de mensen. Wanneer je Cycnus van zijn zoeten leven hebt beroofd, laat hem en ook zijn wapenrusting dan daar liggen, en let dan goed op de mensenslachtende Ares wanneer deze aanvalt, en wanneer je hem onbeschermd achter zijn prachtig gemaakte schild zult zien, verwond hem dan met je scherpe speer. Trek je dan terug, want er is geen bevel gegeven dat je zijn paarden of prachtige wapenrusting mag nemen.’

Strijd van Heracles en Cycnus

338-348
Zo sprak de helderogige godin en sprong snel in de wagen met Overwinning en Roem in haar handen. Toen gaf de hemelgekoesterde Iolaüs een verschrikkelijke schreeuw naar de paarden, en op zijn schreeuw trokken zij de wagen snel voorwaarts, het stof van de vlakte omhoogwerpend. Want de helderogige godin liet hen moed vatten door met haar Aegis te schudden. En rondom hen kreunde de aarde. En zij, paardentemmende Cycnus en Ares, onverzadigbaar in oorlog, gingen op elkaar af als een vuur of een wervelwind. Toen hinnikten hun paarden schril, van aangezicht tot aangezicht, en de echo trilde rond om hen heen.

349-367
De machtige Heracles sprak als eerste en zei tegen de ander: ‘Cycnus, beste man! Waarom, vraag ik, stuur jij je paarden op ons af, mannen die door zwoegen en pijn zijn beproefd? Nee, stuur je paarden opzij, ruim het veld, en ga uit de weg! Ik ben onderweg naar Trachis, naar koning Ceyx, die in Trachis de eerste is qua macht en eer, wat jezelf ook uitstekend weet, want jij hebt zijn donkerogige dochter Themistinoe als vrouw. Dwaas! Want Ares zal je aan het eind niet redden van de dood, als wij elkaar treffen in de strijd. Een andere keer hiervoor heeft hij mijn speer mogen proeven, toen hij het zanderige Pylos verdedigde en tegenover mij stond, hevig verlangend naar de strijd. Driemaal werd hij door mijn speer getroffen en smakte op de aarde, terwijl zijn schild doorboord was. Maar de vierde keer raakte ik zijn dij, aanvallend met al mijn kracht, en stak diep in zijn vlees. En hij viel voorover in het stof op de grond door de heftige kracht van mijn speerstoot, en hij zou toen werkelijk te schande gemaakt zijn onder de onsterfelijke goden, als hij door mijn handen zijn bloedige buit had achtergelaten.’

368-385
Zo zei hij. Maar de dappere speerman Cycnus dacht er niet aan om hem te gehoorzamen en spoorde de paarden aan die zijn wagen trokken. Op dat moment sprongen ze beiden van hun mooigemaakte wagens op de grond, de zoon van Zeus en de zoon van de Oorlogsgod. De wagenmenners menden hun paarden met hun schitterende manen iets uit de buurt, en de aarde weerklonk luid van hun hoeven toen zij wegreden. Zoals wanneer rotsen van een hoge piek op een hoge berg afbreken, en op een ander vallen, en vele torenhoge eiken en pijnbomen en langwortelige populieren door hen afbreken wanneer zij snel naar beneden denderen totdat zij de vlakte hebben bereikt. Zo vielen zij met een grote kreet op elkaar aan. Heel de stad van de Myrmidonen, en het beroemde Iolcus, en Arne, en Helice, en grasrijk Anthea weerklonk luid door de stemmen van die twee. Met een vreselijk geschreeuw troffen zij elkaar. En de wijze Zeus donderde luid en druppels bloed vielen naar beneden, en gaf zo het teken voor de strijd aan zijn onverschrokken zoon.

386-401
Zoals een everzwijn met grote slagtanden, die bang is voor de man die hij voor zich ziet op de hellingen van een berg, besluit om met de jager te vechten en met witte tanden, zijwaarts draaiend, terwijl schuim uit zijn bek in het rond vliegt als hij met zijn tanden knarst, en zijn ogen als vuur lijken te gloeien, de haren in zijn nek recht overeind zet, zo sprong de zoon van Zeus net als hij uit de wagen. En wanneer de zoemende donkervleugelige sprinkhaan, neergestreken op een groene scheut, over de zomer van de mensen begint te zingen, zijn voedsel en drinken is de sierlijke dauw, en de hele dag vanaf zonsopgang zijn stem in de dodelijke hitte laat klinken, wanneer Helius het vlees schroeit (dan groeien de weerhaken aan de gierst die men in de zomer zaait), en wanneer de onrijpe druiven die Dionysus aan de mensheid schonk – vreugde en verdriet tegelijk – beginnen te kleuren, in dat seizoen vochten zij en steeg het rumoer omhoog.

402-412
Zoals twee leeuwen aan beide zijden van een gedood hert op elkaar afspringen, en er een angstwekkend grommen en ook een geluid van botsende tanden klinkt – zoals gieren met gekromde klauwen en haakvormige snavels vechten en luid schreeuwen op een hoge rots in de bergen over een berggeit of een vet wild hert dat een man met een pijl van zijn boog heeft geschoten, en hijzelf ergens anders heen is gezworven, omdat hij de plaats niet kent. Maar zij merken dit snel en voeren er heftig strijd over. Net zoals zij renden die twee met een schreeuw op elkaar af.

413-423
Toen trof Cycnus, popelend om de zoon van de almachtige Zeus te doden, zijn schild met een bronzen speer, maar beschadigde het brons niet. En het geschenk van de god redde zijn vijand. Maar de zoon van Amphitryon, machtige Heracles, trof Cycnus met zijn lange speer gewelddadig in zijn nek onder de kin, waar deze niet beschermd werd door helm of schild. En de dodelijke speer sneed dwars door de twee zenuwen. Want de held stootte met al zijn kracht naar zijn vijand. En Cycnus viel als een eik of zoals een hoge pijnboom die is geraakt door een bijtende bliksem van Zeus. Zo viel hij, en zijn wapens die met brons waren versierd vielen op hem neer.

Woedende Ares

424-442
Maar de dappere zoon van Zeus liet hem liggen, en wachtte op de aanval van de mannenmoordende Ares. Hij keek fel, zoals een leeuw die bij een lichaam komt en gretig de huid met zijn klauwen openscheurt en het zoete leven met grote snelheid wegvloeit. Zijn donkere hart is vervuld van woede en zijn ogen kijken fel, terwijl hij de aarde openrijt met zijn poten en met zijn staart flanken en schouders geselt zodat niemand hem aan durft te kijken of de strijd durft aan te gaan. Net zo stond de zoon van Amphitryon, onverzadigd van de strijd, oog in oog met Ares, de moed in zijn hart koesterend. En Ares naderde hem met verdriet in het hart. De twee sprongen met een kreet op elkaar af. Zoals wanneer een rots uit een grote rots schiet en met grote sprongen naar beneden wervelt, met veel geraas gretig vaart makend, en tegen een hoge rots botst die haar daar vasthoudt waar zij op elkaar botsten. Met niet minder geschreeuw stormde de dodelijke Ares, die wagengedragene, schreeuwend op Heracles af. En deze trad de aanval snel tegemoet.

443-449
Maar Athena, de dochter van de Aegisvoerende Zeus kwam om Ares te treffen, de donkere Aegis dragend, keek hem met een donkere frons aan en sprak gevleugelde woorden tegen hem: ‘Ares, beheers je felle woede en weergaloze handen. Want er is geen opdracht gegeven dat jij Heracles mag doden, de moedige zoon van Zeus, en hem zijn rijke wapenrusting mag afnemen. Kom, dan, stop met vechten en weersta mij niet.’

450-466
Dat zei ze, maar bracht de moedige geest van Ares niet op andere gedachten. Hij uitte een grote schreeuw en zwaaide met zijn speren als een vuur, terwijl hij op de sterke Heracles afsprong, verlangend hem te doden, en wierp een bronzen speer tegen het grote schild, want hij was verschrikkelijk boos om zijn dode zoon. Maar de helderogige Athena reikte uit de wagen en boog de kracht van de speer af. Toen nam een bitter verdriet Ares in beslag, trok zijn scherpe zwaard, en sprong op de dappere Heracles af. Maar toen hij in diens buurt kwam, de zoon van Amphitryon, onverzadigd van de felle strijd, verwondde deze slim zijn dij waar die zichtbaar was onder het rijkversierde schild, sneed met de speerpunt diep in zijn vlees en wierp hem plat op de grond. Paniek en Vrees reden zijn mooiwielige wagen snel dicht bij hem in de buurt en tilden hem van de aarde in zijn mooi versierde wagen, zweepten de paarden aan en gingen naar de hoge Olympus.

467-471
Maar de zoon van Alcmene en roemrijke Iolaüs namen het mooie harnas van de schouders van Cycnus en vertrokken, en hun snelle paarden droegen hen direct naar de stad Trachis. En helderogige Athena ging vandaar naar de grote Olympus en het huis van haar vader.

De rouw van Ceyx

472-479
En wat Cycnus betreft, Ceyx begroef hem en de talloze mensen die vlakbij de stad van de roemrijke koning woonden, in Athene en de stad van de Myrmidonen, en beroemd Iolcus, en Arne, en Helice. En veel mensen kwamen bijeen om eer te betuigen aan Ceyx, de vriend van de gezegende goden. Maar de Anaurus, gezwollen door een regenstorm, wiste het graf en gedenkteken van Cycnus. Want deze opdracht had Apollo, de zoon van Leto, hem gegeven, omdat hij toezicht hield op geweld en grafrovers die enige macht naar Pytho zouden brengen.

© 2017 Maarten Hendriksz