Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Hesiodus - Theogonie

Bron: theoi.com

Hesiod, Homeric Hymns, Epic Cycle, Homerica. Translated by Evelyn-White, H G. Loeb Classical Library Volume 57. London: William Heinemann, 1914. Vertaald uit het Engels door Maarten Hendiksz 2014.

Vers 1 t/m 5

Vers I. Hesiodus en de Muzen

I; 1-21
Allereerst wil ik Helicon’s Muzen met liederen bezingen; zij, die de Helicon, groot en heilig gebergte, bewonen, met soepele voeten dansend rondom de purperen bron, rondom het altaar van de machtige Zeus, die de zoon is van Cronus. In de Permessus baden zij eerst hun bevallige leden of in de bron van het Paard of Olmeius’ heilige water; hoog op Helicon’s top maakten zij een begin met de reidans, dansen betoverend mooi; hun voeten gaan snel in de rondte. Dan gaan de Muzen op weg, door een lichte nevel omgeven; diep in de donkere nacht klinkt de wondere klank van hun zingen; lofzang voor Zeus, de god met de Aegis, voor Hera, gebiedster, Argos’ godin en beschermster, die voortschrijdt op gouden sandalen; lof voor Athene, uil-ogig, de dochter van Zeus met de Aegis. Lof voor Phoebos Apollo en Artemis, schietend haar pijlen; Aarde-omvatter Poseidon, de machtige schokker der aarde; Themis, eerbiedwaardige godin, Aphrodite met flonkerende ogen, Hebe goudbekranste godin, en de mooie Dione, Leto, Iapetus en Cronus, arglistige godheid; Eos, Helios, machtige god, en de heldere Selene, lof voor Gaea, voor grote Oceanus, Nacht met haar duister, lof voor heel het geslacht van de eeuwig levende goden.

I; 22-34
Zij gaven eens aan Hesiodus les in de prachtige zangkunst, toen hij zijn schaapskudde weidde bij Helicon’s heilig gebergte. Dit was het eerste wat zij, de godinnen, er tegen mij zeiden, Muzen van de Olympus, de dochters van Zeus met de Aegis: ‘Herders die leeft op het veld! Jullie, schandvlekken, niet meer dan buiken! Wij zijn bij machte om leugens te spreken, lijken op waarheid, wij zijn bij machte om waarheid te zingen als wij dat willen!’ Toen de welsprekende dochters van Zeus dit hadden verkondigd, plukten zij zelf een lauriertak af, een bloeiende, gaven mij deze tak als een schitterende staf en zij bliezen mij stem in, goddelijk geschenk om verleden en toekomst mee te bezingen. Lofzangen zeiden ze mij voor de eeuwige goden te zingen: aanvang en slot moesten steeds aan henzelf, de Muzen gewijd zijn.

I; 35-52
Nee! – Waarom cirkelt mijn lied toch steeds om bomen of rotsen? Dichter, begin met de Muzen, die Zeus, hun vader, bezingen, hoog op zijn berg, de Olympus, zijn geest met hun liederen verheugen, sprekend van al wat is, wat zal zijn en wat vroeger geweest is! Zuiver en schoon klinkt hun lied, als hun onvermoeibare stemmen lieflijke klanken hun mond uit doe vloeien. Het huis van hun vader, Zeus, die de donder doet klinken, licht op als het lied der godinnen overal helder weerklinkt; het vervult de besneeuwde Olympus, hoog, waar de woning der eeuwigen staat. Hun onsterfelijke stemmen zingen het eerst een lied van de oorsprong der eeuwige goden, eerbiedwaardig geslacht, dat uit Gaea en Uranus voortkwam, lied van hun nakomelingen, de goden, schenkers van zegen. Dan is het Zeus die zij prijzen, de vader van goden en mensen, krachtigste god aller goden, wiens oppermacht allen erkennen. Dan geldt hun loflied het mensengeslacht en de sterke Giganten: Zeus is verheugd op de berg, de Olympus, als hij hen hoort zingen, Muzen van de Olympus, de dochters van Zeus met de Aegis.

I; 53-74
Zij die Eleutherae’s heuvels regeert, Mnemosyne, heeft hen Cronus’ zoon Zeus in Piëria als kinderen geschonken; zij geven rust van de zorgen, vergetelheid na ellende. Zeus, wijze god, had gemeenschap met haar, een negental nachten, ver van de eeuwige goden besteeg hij haar heilige sponde. Toen de tijd was gekomen, de omgang bestreek de seizoenen, maanden hun kringloop voltooiden, de reeks van haar dagen vervuld werd, baarde zij negen dochters, gelijk van geest en gezindheid – liederen zijn hun vreugde, ze kennen geen leed en geen zorgen –, dicht bij de uiterste top van de berg: de besneeuwde Olympus. Daar zijn hun dansplaats, mooi gepolijst, en hun prachtige huizen; altijd verblijven bij hen de Gratiën, Himeros woont er, feestvreugde is daar alom en zij zingen hun liefelijke zangen, dansend; zij roemen de goden, hun weloverwogen regering, prijzend hun handel en wandel, al zingend bekoorlijke zangen. Zij schreden toen naar de berg, de Olympus, met jubelende klanken; goddelijk dansen zij voort in hun reien, de donkere aarde galmt van hun zang en liefelijk klinkt het getrappel van hun voeten. Zo gaan de Muzen naar Zeus, hun vader, die heerst in de hemel, hij die de walmende bliksem kan werpen, donder kan zenden, sinds hij de zege behaalde op Cronus, zijn vader. Zorgvuldig schonk hij de eeuwige goden hun taak, wees elk een domein toe.

I; 75-80
Zo klonk het lied van de Muzen, bewoonsters van de Olympus, negental dochters, dat Zeus heeft verwekt, de machtige godheid: Clio, Thalia, Melpomene, Terpsichore en Euterpe; daarna Erato, Polymnia ook en Urania naast hen; Calliope maakt het negental vol, de voornaamste van allen: zij is de goddelijke leidsvrouw van eerbiedwaardige vorsten.

Vers II. De gaven van de Muzen

II; 81-103
Is er een man die de gunsten geniet van grote Zeus’ dochters? Rust hun welwillende oog op een koning al bij zijn geboorte? Zoet is de hemelse dauw die zij dan op zijn tong zullen gieten! Stromen van vriendelijke woorden verlaten zijn mond en de mensen kijken bewonderend toe als hij rechtspreekt en vonnis gaat wijzen, recht en gerechtigheid toepast. Onfeilbare oordelen vellend maakt hij snel ook aan ernstige twist door zijn kennis een einde. Dan immers houdt men vorsten voor wijs, wanneer zij de burgers schadeloos stellen voor onrecht en leed, op het marktplein gezeten, moeiteloos; mild zijn de woorden waarmee zij partijen verzoenen. Gaat hij de menigte door, dan begroetten zij hem als een godheid, vragen met schroom om de gunst van de man die boven hen uitsteekt. Zo is het heilige geschenk, door de Muzen de mensheid gegeven. Want van de Muzen en ook van Apollo, god die van ver treft, stammen op aarde de zangers en zij die de citer bespelen, koningen echter van Zeus; toch noemt men de koning gelukkig die door de Muzen bemind wordt; zijn taal is een zoete stroom woorden. Soms kwijnt een mens die juist door een heftig verdriet is getroffen weg door de stekende pijn in zijn hart. Maar komt er een zanger, dienaar der Muzen, die roemrijke daden van vroegere mensen, zalige goden prijst, die hun berg, de Olympus, bewonen – spoedig wijkt dan de smart die hem kwelt, hij vergeet wat hem griefde; zo snel verdrijven de gaven der Muzen sombere gedachten.

Vers III. Gebed om hulp

III; 104-115
Kinderen van Zeus, ik groet u! Schenk mij uw betoverende zangen, zing van het heilige geslacht van de eeuwig levende goden, kinderen van Gaea, de aarde, en Uranus, hemel vol sterren, kinderen van Nyx, de duistere Nacht, van de zoute zee, Pontus. Zeg hoe in den beginne de goden ontstonden, de aarde, hoe de rivieren de zee met haar bruisende deining, oneindig, hoe de lichtende sterren, de peilloze hemel hierboven, (en hun nakomelingen, de goden, schenkers van zegen) hoe zij die rijkdom verdeelden, domeinen voor ieder bepaalden, hoe zij in den beginnen de steile Olympus verkregen. Zeg me dat alles, Muzen, bewoonsters van de Olympus, van het begin af, vertel wat eerst is ontstaan van dat alles!

Vers IV. De eerste goden

IV; 116-122
Chaos ontstond het eerst, als een gapende kloof, en vervolgens Gaea met weelderige borsten, een veilige zetel voor goden, allen die hoog op de top de besneeuwde Olympus bewonen; nevelige Tartarus, diep in de onafzienbare aarde, verder Eros, de mooiste van alle onsterfelijke goden, god die leden verlamt; van allen, goden en mensen, maakt hij de geest tot slaaf, hij berooft ze van alle bezinning.

Vers V. Nakomelingen van Chaos, Nacht, Gaea en Uranus

V; 123-138
Chaos bracht Erebus voort, ook donkere nacht stamt van Chaos. Nacht was de oorsprong van Dag en de moeder van Heldere hemel; baarde aan Erebus beiden, de vrucht van hun liefdesgemeenschap. Gaea bracht Uranus voort, die zo groot als zijzelf was, als eerste, Uranus, hemel vol sterren, die haar geheel moest omvatten, zo aan de zalige goden een veilige zetel moest bieden; baarde ook hoge bergen, bekoorlijk domein van godinnen, Nimfen, die wonen in hoge gebergten, doorsneden door dalen; baarde eindeloos water, dat bruist van zwellende golven: Pontus – kinderen gebaard zonder liefdesgemeenschap. Vervolgens deelde zij Uranus’ bed en zij baarde: Oceanus, kolkrijk, daarna Coeus en Crius en Iapetus, Hyperion; dan nog zes zusters: Mnemosyne, Themis, Theia en Rhea. Phoebe, met goud bekranste godin, de lieftallige Tethys. Na hen werd Cronus, arglistige god, als jongste geboren, Gaea’s geduchtste kind, dat zijn krachtige vader zou haten.

Vers 6 t/m 10

Vers VI. Cyclopen en Honderdarmigen

VI; 139-153
Gaea bracht ook de Cyclopen, vermetele wezens, ter wereld: Brontes, Steropes ook, dan nog Arges, onstuimig van zinnen; zij gaven donder aan Zeus en vervaardigden bliksem die dood brengt. Alles aan hen geleek op wat andere goden bezaten; één ding week af: in hun hoofd stond één enkel oog, in het midden. Rondoog – Cycloop – was hun naam dus, omdat, precies in het midden, niet meer dan één enkel rond gevormd oog in hun voorhoofd te zien was. Al hun doen getuigde van kracht, energie en inzicht. Gaea en Uranus schonken nog andere wezens het leven, drie vreeswekkende zoons, ontzaglijk, ja nauwelijks te noemen: Cottus, Briareus en Gyes, stoutmoedige kinderen. Zij hadden honderd armen, die snel aan hun schouders bewogen, onvoorstelbaar! Bij ieder van hen was een vijftigtal hoofden aan de schouders gegroeid, aan hun onoverwinnelijke lichaam. Groot van verschijning, bezaten zij ook ontzaglijke krachten.

Vers VII. De ontmanning van Uranus

VII; 154-181
Allen die werden geboren uit Gaea en Uranus riepen vrees op, ze waren meteen al gehaat bij hun eigen verwekker: telkens opnieuw, wanneer Gaea een kind aan Uranus baarde, sloot hij de weg naar het licht ervoor af en hij dwong ze te blijven die in Gaea, de Aarde, hun bergplaats. Hij was er trots op, Uranus. Zij, ontzaglijke Gaea, kreunde daarbinnen, weeën benauwden haar… maar zij bedacht iets sluws en verderfelijks: haastig schiep zij een nieuw element, het grauwkleurige ijzer, maakte een grote sikkel en hield die haar kinderen voor ogen. Bitter gestemd trachtte zij haar kinderen moed in te spreken: ‘Kinderen van mij en een dwaas, jullie vader, ik vraag jullie dringend, doe wat ik zeg, dan straffen wij hem voor zijn gruwelijke wandaad, ja, jullie vader! Want hij is met wrede vergrijpen begonnen!’ Hevige vrees greep haar kinderen aan, niet één van hen allen durfde te spreken; slechts Cronus greep moed, arglistige godheid. Dadelijk nam hij het woord en sprak tot zijn zorgzame moeder: ‘Moeder, ik zeg je hulp toe, ik wil deze daad wel voltrekken, ik bekommer me niet om die vader (vervloekte benaming!), ja, onze vader! Want hij is met wrede vergrijpen begonnen!’ Deze belofte vervulde ontzaglijke Gaea met vreugde; heimelijk borg zij hem weg in een hinderlaag, gaf hem de sikkel, scherpgetand werktuig, en zei hem hoe hij deze aanslag moest plegen. Machtige Uranus kwam, bracht de nacht met zich mee en hij strekte, hunkerend naar liefde, zich uit over Gaea, omgaf haar volkomen. Cronus, zijn zoon, hief zijn linkerhand op uit de hinderlaag, greep toen het scherpgetande werktuig, de stevige sikkel, vast met zijn rechter. Toen hij zijn vaders geslacht met gretigheid af had gesneden, wierp hij het achter zich, zo dat het wegvloog en ver van hem neerkwam.

Vers VIII. Uranus en zijn nakomelingen

VIII; 182-210
Wat uit zijn hand door de lucht vloog bleef niet zonder grote gevolgen: rondom spatten de druppels bloed. Die alle nam Gaea op in haar schoot en zij bracht in de rondgang der jaren ter wereld: eerst de Erinyen, krachtig van aard, de sterke Giganten – schitterend blonken hun wapens rondom, in hun hand lange lansen; nimfen ook, die men Meliaden noemt op de grensloze aarde. Toen hij het lid met het staal van de sikkel had gesneden, wierp hij het dadelijk weg van het land in het bruisende water. Lang dreef het voort op het water, terwijl er een helder wit schuimen rondom verscheen uit het lid van de machtige god – en daarbinnen groeide een meisje! Eerst kwam zij dicht in de buurt van een eiland, heilig Cythera, Op Cyprus daarna, omstroomd door het water. Hier kwam de mooie godin uit de zee, eerbiedwaardig. Er schoot daar overal gras op van onder haar voetjes vandaan… Aphrodite (schuimgeboren godin, Cythera met prachtige kransen) noemen haar goden en mensen, omdat zij in afros, in zeeschuim, groot was geworden; Ook Cythera: zij kwam langs Cythera; Cyprogenus, want op Cyprus, door zee omspoeld, kwam ze ter wereld; ook liefdeslach, want uit zijn geslacht tevoorschijn gekomen. Eros hield haar gezelschap, de mooie Himeros volgde, dadelijk na haar geboorte, toen zij zich begaf naar de goden. Van het begin af heeft zij deze eer als de hare verkregen, dit is het voorrecht dat haar is vergund onder goden en mensen: meisjesgefluister en meisjesgelach, het bedrog dat zij plegen, maar tegelijk zoete vreugde van liefde en tederheid beide. Uranus, machtige god, gaf zijn kinderen een naam: de Titanen; bittere verwijten maakte hij het kroost, dat hijzelf toch verwekt had; schandelijk hadden ze, zei hij, in dwaasheid zich tegen hem richtend, wandaden aan hem begaan – maar de straf voor hun misdaad zou komen!

Vers IX. De nakomelingen van Nacht

IX; 211-225
Nacht baarde donkere doem, baarde Doodslot, grimmige godheid, Thanatos, Dood en Hypnos, Slaap, en de schare der Dromen. Na dezen baarde zij Blaam en Leed, dat pijnen teweegbrengt, zonder dat donkere Nacht geslapen had met een van de goden. Verder de Hesperiden: voorbij Oceanus’ stromen hoeden zij de prachtige appels van goud, het fruit en de bomen, Moiren baarde zij, Ceres, die misdaad meedogenloos straffen, (Clotho, Lachesis, Atropus, drietal dat bij de geboorte vaststelt wat sterfelijke mensen aan voorspoed en tegenspoed krijgen.) Zij schenken aandacht aan ieder vergrijp van goden en mensen, nooit wordt de vreselijke woede gestild van deze godinnen, voordat een ieder die faalt zijn verdiende straf heeft gekregen. Moeder werd zij, verderfelijke Nacht, ook van Nemesis, ramp voor sterfelijke mensen; zij bracht ook Bedrog en Liefde ter wereld, Ouderdom, gruwelijk kwaad, daarna de onstuimige Eris.

IX; 226-232
Eris, vreeswekkende godheid, bracht het pijnlijke Zwoegen ter wereld, Honger, Vergeten en reeksen van Smarten, tranen verwekkend; Veldslag, Strijd, wrede Moorden en Doodslag in vele gedaanten; allerlei Twisten en Leugens en Praatjes, felle Geschillen; voorts Wetteloosheid en Onheil, die altijd elkaar vergezellen; Eed der vervloeking, die ongeluk brengt aan de mensen op aarde, overal waar men met opzet zichzelf bezondigt aan meineed.

Vers X. De nakomelingen van Pontus en Gaea

X; 233-239
Nereus, die feilloze waarheid voorspelt, werd uit Pontus geboren; hij was de oudste zoon en men geeft hem de erenaam Grijsaard, want hij is altijd betrouwbaar, welwillend, nimmer vergeet hij enig heilig gebruik; gerechtigheid zoekt hij en mildheid. Pontus verwekte bij Gaea de machtige Thaumas en Phorcys, godheid onstuimig van aard; dan Ceto met prachtige wangen; jongste was Eurybia, godin met een inborst van ijzer.

X; 240-264
Talrijk waren de kinderen, godinnen, uit Nereus geboren in de onvruchtbare zee en uit Doris, die wondermooi haar heeft, kind van Oceanus, stroom zonder einde en zonder beginpunt: Ploto (afvaart), Eucrante (veilige aankomst) en Sao (redster), Amphitrite (altijd omstroomde), Eudore (royaal gevende) en Thetis, Galene (stilte der zee) en Glauce (glanzen), Cymothoe (rollende golf) en lieflijke Thalia (overvloed), Speio (grottenbewoonster), Pasithea (algoddelijk), Erato (meestgeliefde), Eunice (mooie overwinning) met de rozige armen, heerlijke Melite (honingvrouw), Eulimene (goed van/voor havens) en Agave (trotse), Doto (schenkster), Proto (voorste), Pherusa (dragende), Dynamene (machtige), Nesaea (bij het eiland horend) en Actaea (vrouw van de kaap), Protomedea (zij die als eerste zorg draagt), Doris (geefster), Panope (alles ziende), en de schone godin Galatea (van het zeevlak), liefelijke Hippothoe (paarddraf), Hipponoe (paardenverstand) met de rozige armen. Cymodoce (golvenontvangster) die watergeweld op mistige zeeën, adem van hevige winden, samen met Cymatolege (golvenbedaarster) moeiteloos intoomt met Amphitrite, prachtig van enkels; Cymo (golfslag) en Eione (kustgodin), mooi bekranste Halimede (watergeleidster), Glauconome (de glanzende zee besturend) die vriendelijk lacht, en Pontoporea (over de zee gaande), Leagore (vriendelijke spreekster) en Euagore (edele spreekster), Laomeda (over het volk heersend), Poulunoe (veeloverdenkend) en Autonoe (zelfoverdenkend), Lysianassa (reddende vrouwe), zorgzame Euarne (rijk aan schapen) zo vlekkeloos lieflijk van schoonheid, heerlijke Psamathe (zand, strand), Menippe (krachtig te paard) met goddelijk mooie gestalte, Neso (eilandbewoonster), Eupompe (goed geleide), Themisto (zij die recht en gewoonten beschermt), Pronoe (vooruitbedenkster), Nemertes (waarheidsgetrouw) die aardt naar haar goddelijke vader. Deze godinnen zijn kinderen van onberispelijke Nereus, vijftigtal onberispelijke dochters, net als hun vader.

X; 265-269
Thaumas nam zich als vrouw Oceanus’ dochter, Electra: zij, de godin van de stralen, bracht pijlsnelle Iris ter wereld, Ocypete en Aello, Harpijen met prachtige haren; snel als de adem der winden en snel als de vogels hierboven zweven ze hoog op hun vleugels, ja stormen ze voort in hun duikvlucht.

X; 270-294
Ceto baarde aan Phorcys de Graien met prachtige wangen, grijs vanaf hun geboorte en daarom heten ze Graien; dat is hun naam bij de goden en onder de mensen op de aarde: Pemphredo in een mooi kleed, Enyo met lichtgele mantel. Ook de Gorgonen, die wonen voorbij Oceanus’ stromen ver, bij de nacht en de Hesperiden, liefelijk zingend: Stheno, Euryale, Medusa, wier ongeluk groot was: zelf was zij sterfelijk, haar zusters van ouderdom vrij en onsterfelijk. Echter: zij alleen sliep met de donkerharige godheid, in een weelderig weiland, met bloemen bekleed in de lente. Later sloeg Perseus Medusa het hoofd van de romp af een daarop sprong Chrysaor te voorschijn en Pegasus, paard van de wateren. Dat was zijn naam, want hij was bij Oceanus’ bronnen geboren; maar Chrysaor kreeg zijn naam door het gouden zwaard dat hij voerde. Pegasus vloog van de aarde, de moeder van het kleinvee, naar boven, kwam in de kring van de goden en woont nu bij Zeus in zijn woning, waar hij lichtflits en donder ter hand stelt aan Zeus, god van wijsheid. Chrysaor echter verwekte Geryones, driekoppig monster, door Oceanus’ dochter, Callirhoë, zwanger te maken. Heracles’ kracht bracht de dood aan Geryones op Erythia, zeeomspoeld eiland, waar hij sleepvoetige runderen hoedde. Dat was de dag dat de held de breedkoppige runderen meenam naar het heilige Tiryns, Oceanus’ wegen bevarend; Eerst had hij Orthus gedood en Eurytion, herder der kudde, in hun nevelige weide, voorbij Oceanus’ stromen.

X; 295-336
Ceto bracht nog een monster ter wereld, onoverwinnelijk, noch op sterfelijke mensen gelijkend noch op de goden, in haar gewelfde spelonk: gewelddadige, goddelijke Echidna, half jonge vrouw met fonkelende ogen en prachtige wangen, half een vervaarlijk monster: een slang, angstaanjagend van lengte, kronkelend, dorstend naar bloed in de diepten van de goddelijke aarde. Diep in een rotsgewelf lag daar de grot van Ceto verborgen, ver van de eeuwige goden en ver van de sterfelijke mensen; daar was een prachtige woning haar toebedeeld, gave der goden. Onder de grond, bij het volk van de Arima, woonde Echidna, gruwelijk wezen, onsterfelijk, van ouderdom vrij, alle dagen. Haar heeft Typhon, zegt men, in liefdesgemeenschap bezeten: bruut, meedogenloos schond hij het meisje met heldere ogen. Zwanger geworden baarde zij drie gewelddadige kinderen: eerst bracht Echidna Orthus, Geryones’ waakhond, ter wereld; daarna een onoverwinnelijk dier, onzegbaar gevaarlijk: Cerberus, hond van Hades, met bronszware blaf en vraatzuchtig; vijftigkoppig was hij, meedogenloos en gewelddadig; Hydra van Lerna, vol moordlust, bracht zij als derde ter wereld. Hera, godin met de glanzende armen, beschermde dat monster, want tegen Heracles, krachtige held, was haar wrok niet te stillen. Zeus’ zoon zou Hydra doden met zijn genadeloos wapen, hij, Amphitryon’s kind, Iolaüs, de held, aan zijn zijde: Heracles! – dankzij de raad van Athena, de goddelijke leidsvrouw. Hydra baarde Chimaera, die vuur blaast dat niet is te blussen, groot en vreeswekkend wezen, dat snelheid aan lichaamskracht paarde. Drie koppen had ze: één van een leeuw met fonkelende ogen, één van een geit en de kop van een machtige slang was de derde. (Leeuw aan de voorkant; vanachter een slang, een geit in het midden; fel en vreeswekkend laaide de vlam van het vuur dat ze uitblies. Pegasus doodde Chimaera met edele Bellerophon; zij bracht, door Orthus verkracht, de gruwelijke Sphinx ter wereld – onheil voor de Thebanen! –, daarna ook de leeuw van Nemea. Hera, geërgerde gade van Zeus, bracht hem groot en zij liet hem, ramp voor de mensen, het heuvelige land van Nemea bewonen. Daar was zijn leger, daar ging hij rond en doodde de mensen; hij bleef in Apaesus baas en in Tretos, dicht bij Nemea, tot hij door Heracles’ kracht, die niet te weerstaan was, moest buigen. Ceto baarde als jongste een slang, een afgrijselijk monster; Phorcys had haar bevrucht. In de duistere aarde bewaakte hij appels van goud in het verre gebied van de grenzen der aarde. Dit zijn de nakomelingen, de kinderen van Ceto en Phorcys.

Vers 11 t/m 15

Vers XI. De zonen en dochters van Oceanus en Tethys

XI; 337-370
Tethys schonk aan Oceanus kinderen, kolkrijke stromen: Nijl, Alpheus, Eridanus’ stroom met zijn peilloze kolken, Strymon, Meander, de Istrus, rivier met prachtige wateren; Phasis, Rhesus, ook Acheloüs, zilverig kolkend, Nessus, Rhodius, Heptaporus; de rivier Haliacmon; voorts Simoïs met zijn goddelijke stroom, Granicus, Asopus; Hermus, Peneus, Caicusrivier met zijn liefelijk water; Sangarius met zijn machtige stroom, de Parthenius, Ladon; Evenus en Aldescus, Scamander met goddelijk water. Tethys baarde ook dochters, de goden gewijd, die op aarde jongens tot mannen maken, met hulp van Apollo, de heerser, hulp ook van de rivieren, een taak door Zeus hun gegeven: Peitho, verder Admete, Ianthe, dan ook Electra, Doris, Prymno, Urania, op de goden gelijkend, Hippo, Clymene, naast haar en Callirhoe en Rhodia; Zeuxo, Clytia, Pasithoe en verder Idyia, Plexaure en Galaxaure en Dione, zeer lieflijk, Melobosis en Thoe, bovendien Polydora, de schone, Cerceis, zeer lieflijk van leden, Pluto, koeogig, Perseis, Ianeira, vervolgens Acaste en Xanthe, ook nog Petraea, de lieflijke nimf, Menestho, Europa, Metis, Eurynome, in saffraangeel geklede Telesto, Chryseïs, Asia, Calypso, die hartstochten opwekt, Tyche, haar zuster Eudore, Ocyrhoë, dan nog Amphiro. Verder nog Styx, van heel deze reeks de allervoornaamste. Dit zijn de kinderen die Tethys Oceanus baarde, hun dochters, maar slechts de oudsten van hen; zij hebben nog andere dochters. Drieduizend Oceaniden met tengere enkels bestaan er; alom verspreid zien zij toe op de aarde, de diepten der wateren, overal ziet men de zorg van Oceanus’ prachtige dochters. Evenzovele rivieren met bruisende stromen bestaan er, zoons van Oceanus ook, uit de machtige Tethys geboren. Zwaar zou het een sterveling vallen de namen van allen te noemen; die zijn bekend bij de mensen die aan hun wateren wonen.

Vers XII. Nakomelingen van andere Titanen

XII; 371-410
Theia baarde machtige Helios, heldere Selene, baarde ook Eos, die licht brengt aan alle bewoners der aarde, aan de onsterfelijken ook, die de wijde hemel bewonen, toen Hyperion in liefdesgemeenschap haar had bedwongen. Eurybia, verheven godin, bracht een drietal ter wereld, na zich met Crius verenigd te hebben: grote Astraeus, Pallas, en Perses als derde, uitmuntend in kennis en inzicht. Eos bracht voor Astraeus onstuimige winden ter wereld, toen zij – godin met een god – zich met hem had verenigd in liefde: heldere Zephyrus, Notus en Boreas, waaiend in vlagen. Na hen baarde de Eos (Vroeggeborene) Hesperus (Morgenster); verder helder fonkelende sterren, waarmee zich de hemel bekranst heeft. Styx, Oceanus’ dochter, in liefde met Pallas verenigd, bracht in haar woning Zelos (Roem), Nike (Overwinning) met prachtige enkels, Cratos (Kracht) en Bia (Geweld) ter wereld, een tweetal uitmuntende kinderen. Nooit zullen zij zonder Zeus ergens wonen, nooit ergens gaan zitten, nooit zullen deze twee goden op weg gaan zonder zijn leiding. Altijd zijn zij bij Zeus met zijn dreigende donder gezeten. Zo had eeuwige Styx het bedacht, Oceanus’ dochter, toen de Olympische Zeus, de god van de bliksem, de goden riep en ontbood naar de hoge Olympus, waar hij verklaarde: ‘Wie van de goden aan mijn kant wil strijden met de Titanen, wordt van geen enkel voorrecht beroofd en eenieder, beloof ik, blijft in bezit van de eer die hij altijd bezat bij de goden. Wie door Cronus van eer werd beroofd of zijn voorrechten verloor, geef ik eer en voorrecht terug, naar wat wet en gebruik is.’ Toen was de eeuwige Styx met haar kinderen bij zich als eerste naar de Olympus gegaan, naar de wijze raad van haar vader. Zeus heeft haar daarom geëerd, gaf haar weergaloze geschenken: ‘Styx wordt zelf,’ sprak Zeus, ‘de godin van de eden der goden; ook zijn haar kinderen iedere dag mijn vaste gezelschap!’ Al zijn beloften vervulde hij, ook voor de andere goden, naar het hun toekwam. Hijzelf blijft hun vorst en machtige heerser. Phoebe kwam naar zijn liefelijke bed om te slapen met Coeus; zwanger geworden – godin met een god in liefde verenigd – baarde zij Leto, donker gekleed: zij is altijd genadig, milde godin voor de mensen en mild voor de eeuwige goden, van het begin af genadig, zachtmoedigste van de Olympus. Ook bracht zij Asteria, de gezegende, voort, die door Perses eens naar zijn machtige huis is gevoerd om zijn gade te heten. Zwanger geworden baarde zij Hecate, prachtige gaven kreeg deze dochter als voorrecht van Cronus’ zoon, Zeus: de bevoegdheid met hem op aarde en zee, onvruchtbare vlakte, te heersen, eer ook te krijgen van hem in de hemel, die wemelt van sterren.

Vers XIII. Lof van Hecate

XIII; 411-452
Zij wordt het meest geëerbiedigd door alle onsterfelijke goden! Want wanneer nu bij de mensen op aarde iemand de goden vraagt om hun gunst en hen eert naar gebruik met plechtige offers, roept hij Hecate aan – en groot is de eer die zijn deel wordt, zonder bezwaar, wanneer zij zijn gebed genadig aanvaard heeft. Ja, zij geeft hem ook rijkdom, ook al ligt dat in haar vermogen. Haar immers werd het vergund om te delen in elk privilege, iedere eer die de kinderen van Gaea en Uranus toeviel. Nooit heeft Zeus, Cronus’ zoon, haar gekrenkt, haar nooit iets ontnomen want zij verkreeg in de tijd der Titanen, goden van vroeger; altijd nog heeft ze wat eens, bij de eerste verdeling, haar toeviel. Wel is zij enig kind, maar haar aanzien is daarom niet minder, noch enig voorrecht of eer op aarde, op zee, in de hemel; ja, zij ontvangt nog veel meer, want Zeus is het zelf die haar eer geeft. Ruimschoots geeft zij aan wie zij maar wil haar hulp en haar bijstand: houdt men gerecht, dan heeft zij bij eerwaarde vorsten haar zetel; is men vergaderd – wie zij maar wil blinkt uit boven allen; wapent men zich voor de strijd in de mannenverdelgende oorlog, dan geeft deze godin aan wie zij maar wil haar bescherming, geeft in haar gunst aan hem ook de zege, gunt hem zijn glorie. Zij heeft de macht om wie zij maar wil van de ruiters te helpen, zij heeft de macht, wanneer mannen gaan strijden en dingen naar prijzen, telkens aan wie zij maar wil haar hulp en haar bijstand te geven. Wint hij met kracht, dan draagt hij de prachtige kampprijs vol vreugde moeiteloos mee naar zijn huis; in zijn glorie delen zijn ouders! Ook wie, de grijze, grimmige vlakte zwoegend bewerkend, Hecate bidden om hulp en de donkere Schokker der aarde, schenkt de geëerde godin zonder moeite aanzienlijke vangsten; maar neemt ook vangsten af, als zij wil, al waren ze zichtbaar. Zij heeft de macht om samen met Hermes vee te vermeerderen: kudden van runderen, torpen overal dwalende geiten, driften wollige schapen – al naar het haar invalt maakt zij ze vruchtbaar en groot als ze klein zijn, maar grote maakt ze ook kleiner. Daarom kreeg zij, al is zij ook enig kind van haar moeder, voorrang en eer in het midden van alle eeuwige goden. Voedster maakte haar Cronus’ zoon Zeus van kinderen die na haar het stralende licht van de ver om zich heen ziende Eos aanschouwden. Zo werd zij dus hun voedster en dit waren haar privileges.

Vers XIV. Cronus, Rhea en hun zes kinderen. Zeus verdrijft Cronus

XIV; 453-506
Rhea, door Cronus bedwongen, bracht stralende kinderen ter wereld: Hestia, Hera met gouden sandalen, verder Demeter, krachtige Hades, onder de grond in zijn woning verblijvend, onbarmhartig van geest, en de donkere Schokker der Aarde; dan ook Zeus, wijze godheid, de vader van goden en mensen; hij is de god wiens donder de wijde aarde doet beven. Cronus verzwolg deze kinderen de een na de ander, zodra er één uit zijn moeders heilige schoot bij haar knieën terechtkwam. Dit was zijn oogmerk: niet één van de trotse hemelbewoners mocht bij de goden in zijn plaats het koninklijke ambt gaan bekleden. Hij had van Gaea vernomen, van Uranus, hemel vol sterren: ’Dit is je lot: door je eigen zoon overweldigd te worden, ondanks je kracht, daar de machtige Zeus het zo heeft besloten.’ Daarom hield Cronus de wacht en hij stond niet blind op de uitkijk! Al zijn kinderen verzwolg hij, tot grote ontzetting van Rhea. Maar toen zij Zeus zou baren, de vader van goden en mensen, vond zij het tijd om de hulp van haar eigen ouders te vragen, Gaea en Uranus, hemel vol sterren. Smekend vroeg zij: ‘Maak toch met mij een plan, dat ik straks van mijn kind kan bevallen zonder dat Cronus het merkt! Dan kan ik de geest van mijn vader en van mijn kinderen, verzwolgen door listige Cronus, verzoenen!’ Beiden leenden hun dochter het oor en verhoorden haar bede, alles deelden ze Rhea mee wat straks moest geschieden, al wat aan Cronus, de vorst, en zijn moedige zoon was beschoren. Ook bevalen ze haar in Lyctus haar toevlucht te zoeken, stad op het vruchtbare Kreta, wanneer ze haar jongste zou baren, machtige Zeus. De ontzaglijke Gaea beloofde haar dochter hem op Kreta te voeden en liefdevol voor hem te zorgen. Daar bracht Rhea hem heen, door de donkere nacht, die snel invalt. Aangekomen in Lyctus verborg ze het kind in haar armen diep in een hoge grot, in de krochten der heilige aarde, op het gebergte Aegaeon, dat dicht overdekt is met bossen; maar aan Uranus’ zoon, de koning der vroegere goden, gaf ze een grote steen, door haarzelf in doeken gewikkeld. Hij nam de steen van haar aan en liet hem in zijn buik verdwijnen, huiveringwekkende god! – hij had niet begrepen dat voortaan ongedeerd, veilig, zijn zoon, door de steenklomp vervangen, bleef leven! Hij zou spoedig zijn vader met krachtige handen bedwingen, al zijn eer hem ontnemen en heersen temidden der goden. Snel groeide daarna die heerser; zijn kracht werd groter en groter, luisterrijk was hij en mooi. Toen een jaar zijn rondgang volbracht had, spuwde, door weloverwogen raad van Gaea bedrogen, Cronus, arglistige, machtige god, zijn kinderen uit, want het slim overleg en de kracht van zijn zoon had de god doen bezwijken. Eerst gaf hij brakend een steen op, het laatste wat hij had verzwolgen; Zeus bevestigde die in onafzienbare aarde, diep in Parnassus’ valleien, in Pytho’s heilige woonplaats; daar moest hij staan als een teken, een wonder voor het sterfelijke mensdom. Nu bevrijdde hij ook zijn ooms uit hun dodelijke ketens, Uranus’ zoons, door hun vader geboeid in zijn dwaze verblinding. Dankbaar de weldaad van Zeus en de gunst, hun bewezen, gedenkend, gaven ze hem als geschenk: de donder, brandende bliksem, lichtflits, een drietal, hiervoor in ontzaglijke Gaea verborgen. Daarop vertrouwend voert Zeus het bewind over mensen en goden.

Vers XV. Iapetus en zijn zonen

XV; 507-520
Iapetus nam als vrouw een meisje met prachtige enkels: Clymene deelde het bed met hem, Oceanus’ dochter. Zij schonk het leven aan Atlas, god met een krachtige inborst; baarde hem ook de brute Menoetius, baarde Prometheus, slim en beweeglijk van geest, maar ook Epimetheus, de domme. Hij bleek vanaf het begin al een ramp voor het brood etend mensdom: hij nam als eerste de vrouw aan die Zeus gevormd had, een meisje. Verziende Zeus zond de brute Menoetius weg naar de afgrond, trof hem ten dode met walmende bliksem; zo immers moest hij boeten voor dwaas gedrag, voor zijn buitensporige grofheid. Atlas torst het hemelgewelf, hardvochtig gedwongen, rechtopstaand, op zijn hoofd en zijn onvermoeibare handen, dicht bij het Hesperidengezang, bij de grenzen der aarde. Dat is de taak die aan hem door de wijze god is gegeven.

Vers 16 t/m 20

Vers XVI. Zeus en Prometheus

XVI; 521-534
Zeus was het ook die de slimme Prometheus boeide met ketens, pijnlijke boeien, dwars door een zuil onontkoombaar bevestigd. Ook stuurde hij naar hem toe een arend met machtige vleugels, om zijn goddelijke lever te eten; elke nacht echter groeide evenveel aan als de vogel die dag had gegeten. Heracles, weerbarstige zoon van Alcmene met prachtige enkels, doodde de arend, verloste de god van die wrede bezoeking, redde de zoon van Iapetus uit zijn vreselijke lijden. Dat was de wil van Olympische Zeus, die heerst in den hoge; dan zou de roem zich verbreiden van Heracles, burger van Thebe, meer nog dan vroeger, alom op de velen voedende aarde. Zo eerde Zeus zijn uitnemende zoon, want dat was zijn streven; ondanks zijn toorn zag hij af van de wrok die hij steeds had gekoesterd tegen Prometheus, die het plan van de machtige Zeus had gedwarsboomd.

XVI; 535-569
Goden en sterfelijke mensen beslechten hun twist in Mecone; daar hieuw, de mensen behulpzaam, Prometheus een groot rund in stukken. Alles stalde hij uit, met de opzet Zeus te misleiden, want voor de een legde hij stukken vlees en vette organen, wikkelde die in de pens van het rund, met huid als bedekking; maar voor de anderen legde hij sluw het bleke gebeente, keurig gerangschikt, neer, met het glimmende vet als bedekking; waarop de vader van goden en mensen zich zo tot hem richtte: ‘Zoon van Iapetus, befaamd onder alle gebieders, vriend, die verdeling door jou van de stukken lijkt me niet eerlijk!’ Zo sprak hij, verwijtend, Zeus, de god met onfeilbare plannen. Hem gaf de sluwe Prometheus van zijn kant het volgende antwoord, stilletjes lachend, zijn listige toeleg steeds in gedachten: ‘Zeus, u beroemdste en grootste der eeuwige goden, kies van de porties hier voor u er een die bij u in de smaak valt!’ Zo sprak hij, listig, maar Zeus, de god met onfeilbare plannen, zag en doorgrondde de list – en bedacht bij zichzelf voor de mensen onheil en kwaad, dat hij hun zou bezorgen, onafwendbaar. Toen hij met beide handen het glimmende vet had genomen, vulde de woede zijn hart, de gal kwam in hen naar boven toen hij het bleke gebeente, dat sluw was verborgen, ontdekte. Dit is de reden dat mensen nog altijd op aarde het bleke gebeente als offer op rokende altaren brengen. Hevig geërgerd sprak Zeus, de god die de wolken verzamelt: ‘Zoon van Iapetus, onder allen een meester in denkkracht, blijkbaar ben je, mijn vriend, nog altijd bedreven in sluwheid!’ Zo sprak Zeus in zijn woede, de god met onfeilbare plannen. Daarom gaf hij sindsdien, zijn woede nog altijd indachtig, nooit meer de onvermoeibare kracht van het vuur aan de bomen, vuur, instrument voor de sterfelijke mens, die woont op de aarde. Maar de zoon van Iapetus wist Zeus te misleiden: hij stal het onvermoeibare vuur, uit de verte al zichtbaar, nam het mee in een holle narthexstengel – het griefde Zeus, die de donder omlaag zendt, deed gal in zijn binnenste rijzen: het vuur, uit de verte al zichtbaar, zag hij nu in handen van mensen!

Vers XVII. De vrouw als straf

XVII; 570-601
Dadelijk schiep hij als wraak voor die diefstal iets kwaads voor de mensen. Krombeen, de hoogvermaarde Hephaistos, kneedde uit aarde naar Zeus’ wil iets dat leek op een meisje, bewonderenswaardig. Schoonheid gaf haar Athena, godin met de heldere ogen: zij kleedde haar in een blinkend gewaad en plooide een hoofddoek, prachtig versierd, om haar hoofd, een wonder voor wie het aanschouwde. (Pallas Athena vlocht kransen van bloemen, geplukt in het weiland, fris in de bloei, een lust om te zien, door het haar van het meisje. Ook bevestigde zij om haar hoofd nog een hoofdband, een gouden; Krombeen, de hoogvermaarde Hephaistos, had die vervaardigd, eigenhandig gevormd om zijn vader een dienst te bewijzen, rijk en prachtig bewerkt, een wonder voor wie hem aanschouwde. Dieren, vreeswekkend en talrijk, gevoed door het land of het water, beeldde hij daarop af, en glans van schoonheid omgaf ze – wonderlijk mooi, als konden ze zo hun stem laten horen. Toen hij dit prachtige kwaad als tegenwicht tegen het goede klaar had, bracht hij haar mee naar de andere goden en mensen, schitterend getooid door Athena, het kind van een machtige vader. Grote verbazing beving de goden en sterfelijke mensen toen ze de valstrik zagen, voor mensen niet te ontlopen. Want uit haar is afkomstig het hele geslacht van de vrouwen, (heel hun verderfelijke geslacht en alle soorten van vrouwen) vreselijke ramp voor de mensheid als zij met mannen verkeren; geen goed gezelschap in treurige armoede, wel als men rijk is! Zoals wanneer in nesten, die goed overdekt zijn, de bijen voedsel aan darren bezorgen, die samenspannen in het kwade – bijen zwoegen de hele dag tot zonsondergang verder, werken dag in dag uit en verzamelen blankwitte nectar; darren zijn altijd binnen in goed overdekte behuizing, laden hun magen vol met wat anderen zwoegend vergaarden – zo heeft Zeus, die de donder zendt, als kwaad voor de mensen vrouwen geschapen; zij spannen in kwaad dat onheil brengt samen.

XVII; 602-616
Zeus schiep een tweede kwaad als tegenwicht tegen het goede: hij die het huwelijk mijdt en het kwade gedrag van de vrouwen, niet wil trouwen en zo verderfelijk ouderdom in gaat zonder een zoon om hem te verzorgen, kent wel de welstand, maar als hij sterft wordt zijn have verdeeld onder verre verwanten. Elke man die het lot van het huwelijk treft en gaat trouwen, wie een verstandige vrouw; betrouwbaar en zorgzaam, ten deel valt, die zal van jongs af het goed en het kwaad in evenwicht krijgen. Maar wie het ongeluk heeft een kwaadaardig schepsel te trouwen wordt in zijn binnenste levenslang gekweld door zorgen; hart en ziel kwijnen weg. Dit onheil is niet te genezen. Zeus is dus niet te misleiden, zijn plannen kan niemand doorkruisen, want ook de zoon van Iapetus, Beschermer, Prometheus, kon aan zijn straffende toorn niet ontsnappen; machteloos blijft hij, ondanks zijn scherpe verstand, door zware boeien geketend.

Vers XVIII. De Titanenstrijd

XVIII; 617-642
Eens, in zijn woede op Briareus en op Cottus en Gyes, ketende Uranus deze drie zoons met krachtige boeien. Hij was jaloers op hun zeldzame kracht, hun gestalte en aanblik; diep in de onafzienbare aarde liet hij hen wonen. Daar, in hun bittere smart woonachtig onder de aarde, zaten zij, machteloos, ver, ja nabij de grenzen der aarde, lange tijd zwaar gekweld neer, in hun hart overmand door dit lijden. Deze drie werden door Zeus en de andere onsterfelijke goden, kinderen van Cronus en Rhea, godin met prachtige haren, nu uit de aarde gebracht naar het licht, op aandrang van Gaea. Zij had zelf hun uitvoerig voorzegd hoe met hulp van dit drietal zege en prachtige roem door de goden kon worden verworven. Lange tijd immers bestreden elkaar in slopende slagen hier de Titanen en daar de nakomelingen van Cronus, opgesteld tegen elkaar, in felle gevechten zich metend: hoog op het Othrysgebergte de schare trotse Titanen, op de Olympus de eeuwige goden, schenkers van zegen, kinderen door Rhea gebaard, nadat Cronus met haar had geslapen. Beide partijen leverden toen verbitterd gevechten, streden onafgebroken door, wel tien volle jaren. Geen van de twee beslechtte of maakte een eind aan de twisten; heel deze oorlog zag men de weegschaal in evenwicht blijven. Maar toen Zeus aan hen alles had voorgezet, zoals gepast was, nectar en ambrozijn, de drank en het voedsel der goden, groeide in ieders borst de onstuimige lust om te strijden, toen ambrozijn, zoet van smaak, en nectar waren genuttigd.

XVIII; 643-663
Nu sprak de vader van goden en mensen zo in hun midden: ‘Gaea en Uranus’ prachtige kinderen, let op mijn woorden! Wat mijn hart in mijn borst me gebiedt wil ik jullie vertellen. Veel te lang nu duurt de strijd die wij voeren tegen elkaar, vechtend, dag in en dag uit, om de zege, de eindoverwinning: zij, de Titanen, en wij, Cronus’ kinderen, daar tegenover. Toon nu van uw kant uw kracht, uw onoverwinnelijke handen aan de Titanen, weer u in felle, verbeten gevechten! Denk aan mijn goede gezindheid, bedenk door wat voor weldaad u uit vreselijke ketens terug naar het licht bent gekomen, dankzij mijn wijs beleid bevrijd uit het nevelige duister.’ Zo sprak Zeus. Onberispelijke Cottus antwoordde dadelijk: ‘raadselachtige god, ons is niet onbekend wat u meedeelt! U overtreft iedereen onbetwist in inzicht en denken; u hebt steeds alle goden beschermd tegen ijselijk onheil, dankzij uw heldere inzicht zijn wij uit het nevelige duister hierheen teruggekeerd, vrij van onbarmhartige boeien, door uw grote, verrassende gunst, zoon van Cronus, gebieder! Daarom zijn wij nu bereid met vuur en met al onze krachten uw heerschappij te verdedigen, goden, fel in gevechten strijdend met de Titanen in onverzoenlijke slagen!’

XVIII; 664-686
Cottus oogstte lof bij de goden, schenkers van zegen, toen ze zijn woorden vernamen; hun hart verlangde naar oorlog, meer nog dan eerst: zij deden een hevig treffen ontbranden, allen tezamen die dag, de godinnen zo goed als de goden, hier de Titanen en daar de nakomelingen van Cronus; verder de drie die Zeus uit de afgrond der aarde aan het licht bracht, angstaanjagend en sterk, overweldigend waren hun krachten. Zij hadden honderd armen, die snel aan hun schouders bewogen, elk van de drie. Bij ieder van hen was een vijftigtal hoofden vast aan de schouders gegroeid van hun onoverwinnelijke lichaam. Samen bestreden ze nu de Titanen in felle gevechten, steile gevaarten van rotsen als wapens klaar in hun handen. Opgesteld daartegenover de krachtige drommen Titanen, vurig. Zo toonden ze beiden wat kracht en handen vermogen. Bruisend weergalmde vreeswekkend rondom het oneindige zeevlak, luidkeels dreunde de aarde, het ruime hemelrond kermde, sidderend. Heftig bewoog de Olympus van onder tot boven door het geweld van de goden; het zware stampen van voeten drong door tot de nevelige Tartarus en schel klonken kreten uit het ontzaglijke gewoel van de strijd en de krachtige worpen. Zo bestookten de strijders elkaar met hun moordende wapens, tot in de hemel vol sterren weerklonk hun geschreeuw en de goden vuurden elkaar aan en trokken krijsend ten strijde.

XVIII; 687-710
Zeus kon natuurlijk zijn strijdlust niet langer bedwingen, al spoedig werd hij vanbinnen vervuld van drang om te strijden, hij toonde al zijn kracht; tegelijk uit de hemel en van de Olympus schreed hij voort en smeet zijn wapens, onafgebroken; suizend verlieten de dodende bliksems, donder en lichtflits Zeus’ oppermachtige hand; als een stortvloed, een goddelijke vuurzee rolden zij voort; de aarde, die leven geeft, daverde hevig, brandend; het machtige bos loeide luid tot ver in de omtrek. Ziedend laaiden de aarde, Oceanus’ bruisende stromen, kookte de eindeloze zee en de hete vuurgloed omringde fel de Titanen op aarde; de vlammen, ontzaglijk, reikten tot de goddelijke ether. Zelfs ogen van krachtige strijders raakten verblind door de flikkerende glans van bliksem en lichtflits. Hitte, verschroeiend fel, drong door in de afgrond der aarde; alles wat ogen daar zagen, het geluid dat oren er hoorden – het leek alsof aarden en hemel daarboven steeds meer elkaar naderde. Zo’n geweldige dreun zou er hebben geklonken als uit den hoge de hemel omlaag was gestort op de aarde! Zo’n zwaar dreunen weerklonk toen de goden elkaar bestreden. Stormwinden schokten de aarde, een dwarrelende stofwolk verhief zich, luid klonken donder en vurige lichtflits, walmende bliksem, wapens van de grote Zeus. Ze veroorzaakten schreeuwen en luide kreten tussen beide partijen; ontzaglijk rumoer liet zich horen uit die vreselijke strijd. Wat krachten vermochten werd zichtbaar.

XVIII; 711-731
Voordat de weegschaal doorsloeg, werd onafgebroken gestreden, botsten beide partijen, in felle gevechten zich metend. Cottus, Briareus en Gyes, die blaakten van strijdlust, leverden bovenal grimmig strijd in de voorhoedelinies. Driehonderd rotsblokken slingerden zij met hun machtige handen, snel na elkaar; ze bedolven met donkere schaduw van rotsen alle Titanen en onder de aarde, onafzienbaar, bonden ze hen met ketenen vast, onverbreekbaar en pijnlijk – zo hebben zij de Titanen, hun bruutheid ten spijt, overwonnen! – even ver onder de aarde als boven de aarde de hemel; zo ver is immers de nevelige Tartarus af van de aarde. Viel een aambeeld van brons uit de hemel, dan zou het de tiende dag erna landen; zijn val duurde negen dagen en nachten. (Zo ver weg is de nevelige Tartarus af van de aarde.) Viel een aambeeld van brons van de aarde, dan zou het de tiende dag in de Tartarus landen, na negen dagen en nachten! Rondom de Tartarus staat een omheining van brons, daaromheen is nacht in een drietal lagen gespreid om de hals; pas daarboven liggen de wortels der eindeloze zee, de wortels der aarde. Hier, in dit nevelige duister verborgen, zijn de Titanen ondergebracht naar het inzicht van Zeus, die de wolken verzamelt, schimmelig oord aan de uiterste grens der ontzaglijke aarde.

Vers XIX. De Tartarus en zijn bewoners

XIX; 732-773
Uitbreken kunnen ze niet, door de bronzen poorten die Poseidon kundig en vast heeft geplaatst in de muur die naar twee kanten rondloopt. (Daar zijn de dappere Briareus, daar Gyes en Cottus blijvend als trouwe bewakers van Zeus met de Aegis gevestigd; daar zijn van alles en allen de bronnen, uiterste grenzen. Grens van de donkere aarde, van Tartarus, nevelige ruimte, bron van de eindeloze zee en grens van de hemel vol sterren; gruwelijk, beschimmeld domein, dat zelfs de eeuwige goden doet huiveren. Diep is de kloof; iemand zou, was hij eenmaal binnengekomen, nog in geen jaar, in geen volle twaalf maanden de bodem bereiken; heen en weer zou hij zwalken door stormvlaag na gruwelijke stormvlaag! Zelfs voor de eeuwige goden is dit een vreeswekkende ruimte, (dit wonderbaarlijke verblijf; de godin van de duistere Nacht heeft hier haar vreeswekkende huis, omgeven door donkere wolken.( voor deze poort torst Atlas het grote gewelf van de hemel, rechtopstaand, met zijn hoofd en zijn onvermoeibare schouders, ongeschokt, waar de Nacht en de Dag elkaar ontmoeten en op de drempel van brons elkaar geregeld begroeten. Eén gaat naar binnen om zich te verbergen, één treedt naar buiten, nooit houdt het huis tegelijk die beiden daarbinnen gevangen, altijd gaat een van de twee het huis uit; eenmaal erbuiten gaat zij rond op de aarde; de ander echter blijft binnen, wachtend tot ook weer voor haar het moment om te gaan is gekomen. Dag brengt het ver om zich heen ziende licht voor de mensen op aarde, Nacht, de godin van verderf, houdt Slaap, die de broeder van Dood is, vast in haar armen, gehuld in duistere, mistige wolken. Daar zijn woonachtig de kinderen van Nacht, de godin van het duister, Slaap en Dood, een vreeswekkend paar. Op dezen richt nimmer Helios, schitterende zon, zijn blik met heldere stralen, niet als hij opklimt ten hemel en niet als hij daalt van de hemel. Een van die beiden gaat rustig en vriendelijk, mensen genegen, rond op de aarde en rond op de machtige ruggen der golven; ijzerhard is de ziel van de ander, zonder erbarmen is in zijn borst ook zijn bronzen hart. Wie hij grijpt van de mensen houdt hij ook vast en gehaat is hij zelfs bij de eeuwige goden. Daar staat het luid weergalmende huis van de god van de aarde, (Hades, krachtige god, en Persephone, huiveringwekkend). Voor dit verblijf een angstwekkende hond als wrede bewaker; hij kent één boosaardige kunst: wie van buiten erin komst kwispelt hij toe met zijn staart, hem met beide oren begroetend; wil echter iemand naar buiten – hij ligt op de loer, houdt hem tegen, vreet meedogenloos op wie hij buiten de poort weet te grijpen.

Vers XX. Styx en de eed van de goden

XX; 774-819
Daar woont een grote godin, voor de eeuwigen huiveringwekkend: Styx, Oceanus’ kind, de stroom met een eeuwige kringloop, oudste van allen. Haar prachtige huis ligt ver van de goden, rotsen, ontzaglijk, dienen als dak; door zilveren zuilen, overal rondom staande, gestut, rijst het bouwwerk ten hemel. Zelden bezoekt haar snelvoetige Iris, dochter van Thaumas, over de machtige ruggen der golven tijdingen brengend. Dreigt er een twist of een geschil te ontstaan bij de eeuwige goden? Wordt een Olympusbewoner verdacht van bedrog, van een leugen? Zeus stuurt Iris hierheen om de machtige eed van de goden, het roemruchte water, van ver in een gouden beker te halen, ijskoud water dat stroomt van de gladde rots naar beneden; hoog zich verheffend en diep in de onafzienbare aarde stroomt Styx’ water door donkere nacht de gewijde rivier uit. Styx is Oceanus’ zijtak, ontvangt van zijn water een tiende, want met de andere negen, met zilveren kolken zich slingerend rondom de aarde en ruggen der golven, mondt die in zee uit, déze alleen stroomt de rots af en wordt tot een ramp voor de goden. Hij die van dit water plengt en het waagt meineed te zweren, een van hen die de besneeuwde berg, de Olympus, bewonen, blijft, van zijn adem beroofd, een vol jaar machteloos liggen; nooit meer mag hij meedoen wanneer ambrozijn wordt genuttigd of nectar, zonder te ademen ligt hij terneer en zonder te spreken, waar hem een bed is gespreid; een bedwelmende slaap overmant hem. Maar als hij deze bezoeking een vol jaar heeft verdragen, volgt op de eerste een tweede, een nog veel ergere kwelling: negen jaar blijft hij ver van de eeuwig levende goden, nooit neemt hij deel aan de godenbijeenkomst, nooit aan hun maaltijd, negen jaar lang, tot het eind; in het tiende pas maakt hij weer deel uit van het beraad van de goden, die wonen op de Olympus. Zo is de eed, door de goden bepaald, bij het eeuwige water, oeroude stroom van de Styx, die door ruige gebieden zijn weg gaat. Daar zijn van alles en allen de bronnen, uiterste grenzen, grens van de donkere aarde, van Tartarus, nevelige ruimte, bron van de eindeloze zee en grens van de hemel vol sterren, gruwelijk, beschimmeld domein, dat zelfs de eeuwige goden doet huiveren. Daar zijn, voorzien van een drempel van brons, de glanzende poorten, stevig, onwrikbaar gegrond op hun diep verankerde wortels, zo van nature ontstaan. Verderop, van de goden verwijderd, wonen, voorbij de donkere, gapende kloof, de Titanen. Echter de roemrijke helpers van Zeus, die de donder laat dreunen, zijn op het sterke fundament van Oceanus’ wateren woonachtig, Cottus en Gyes; maar Briareus, onverschrokken en dapper, werd tot zijn schoonzoon gemaakt door de donderende schokker der aarde: Cymopolea, zijn dochter, gaf hij aan die godheid ten huwelijk.

Vers 21 t/m 25

Vers XXI. Zeus verslaat het monster Typhon

XXI; 820-868
Nadat Zeus de Titanen verjaagd had, weg uit de hemel, bracht de ontzaglijke Gaea als jongste Typhon ter wereld; Tartarus had haar bemind door de gouden Aphrodite. Onoverwinnelijke handen, verbijsterend sterk, had Typhon, onvermoeibare voeten bezat deze god; aan zijn schouders groeiden een honderdtal koppen, de koppen van vreselijke slangen, likkend met gretige, donkere tong. In elk tweetal ogen flikkerde vuur in schrikwekkende koppen onder de wenkbrauw, (vuur laaide op in iedere kop uit de blik van de slangen.) Stemmen lieten zich horen uit al deze vreselijke koppen, allerlei klanken stootten ze uit, ongelofelijk! Nu eens werd hun taal door de goden verstaan, maar op andere momenten klonken ze als een loeiende stier, in zijn trots onweerstaanbaar; soms klonk de stem uit hun bek van een leeuw, meedogenloos ondier, soms het gejank – een verbijsterende klank! – van een nest jonge honden;dan weer gesis, een geluid dat weerklonk in de machtige bergen. Die dag zou zeker iets vreselijks, iets onherstelbaars gebeurd zijn: hij had de macht over goden en sterfelijken zeker gegrepen, als hij niet snel was ontdekt door de vader van de mensen en goden! Zwaar en dreunend donderde hij, zodat alom de aarde vreselijk gedaver liet horen, de wijde hemel daarboven, eindeloze zee, Oceanus’ stroom en de diepten der aarde. Onder zijn goddelijke voeten bewoog de grote Olympus, kreunen klonk op uit de aarde toen hij zich verhief, de gebieder. Hitte sloeg neer op de purperen zee uit tweeërlei oorsprong: donder en flitsen van bliksem – en vuur dat ontsteeg aan het monster, zengende winden, onstuimig van kracht, en de vlammende bliksem. Ziedend laaiden de aarde alom, de zee en de hemel, hoge golven verhieven zich razend rondom de kapen door het geweld van die goden; een beving ontstond, niet te stuiten. Siddering trof zelfs Hades, de koning der doden beneden, siddering zelfs de Titanen rond Cronus in Tartarus’ diepten, om het onstuitbare rumoer van de strijd en het vreselijke vechten. Zeus verzamelde al zijn kracht en hij pakte zijn wapens, daverende donder, vurige lichtflits, walmende bliksem, sprong de Olympus af en sloeg toe; zo stak hij de brand in alle schrikwekkende koppen rondom van het vreselijke monster. Eenmaal geheel overmand, door bliksem na bliksem gegeseld, viel het, verlamd, op de grond; een kreunen steeg op uit de aarde. Vuur flitste op uit de machtige god, die door bliksems geveld was, fel had de vlam hem geraakt in de dalen der rotsige bergen; branden woedden verspreid over heel de ontzaglijke aarde, aangesticht door de schrikwekkende gloed. Zoals tin smolt de aarde, tin, dat door kundige mannen in kuilen met luchtaanvoergaten sterk wordt verhit; zoals ijzer zelfs smelt, het sterkste van alles, eenmaal getemd door het gloeiende vuur in de dalen der bergen, diep in de goddelijke grond, als Hephaistos zijn arbeid ter hand neemt; zo smolt het aardoppervlak door het brandende vuur van de bliksems. Woedend wierp hij Typhon omlaag in de Tartarusdiepte.

Vers XXII. De Stormwinden

XXII; 869-880
Winden, waaiend met vochtige kracht, stammen af van Typhon, alle – behalve de heldere Zephyrus, Boreas, Notus: die zijn van goddelijk geslacht en brengen profijt aan de mensen. Iedere andere wind jaagt doelloos over het zeenat; dat zijn de winden die eensklaps, zich werpend op het mistige water – zware ramp voor de mensen – tekeergaan met heftige vlagen. Allerlei kanten waaien ze op, ze verbrijzelen schepen, doden de zeelui, het onheil is niet meer te keren voor hem die, waar ook varend op zee, met zo’n heftige wind krijgt te maken. Ook op het land, met bloemen beplant, zonder grenzen, verdoen zij het liefelijke gewas en het land van de mensen, uit aarde geboren; overal jagen ze stof op en brengen ze pijn en verwarring.

Vers XXIII. Zeus wordt heerser over alle goden

XXIII; 881-929
Zo dus brachten de goden de zware strijd tot een einde, fel zich om eer en om voorrechten metend met de Titanen. Daarna vroegen zij Zeus, de Olympiër, god die van ver ziet, - dit op aandrang van Gaea – te heersen over de goden, koning te zijn; waarna hij alle voorrechten passend verdeelde. Zeus, nu koning der goden, koos Metis het eerst als zijn gade, het meest met inzicht begaafd van de goden en sterfelijke mensen. Toen zij echter Athena, met heldere ogen zou baren, heeft hij zijn vrouw met een weloverwogen plan misleid en bedrogen en haar met vleiende woorden in het diepst van zijn buik verborgen, alles op aandrang van Gaea en Uranus, hemel vol sterren. Zo hadden zij hem geraden: het koningschap mocht niemand anders, een van de eeuwige goden, in plaats van Zeus zich verwerven. Metis zou, was bepaald, scherpzinnige kinderen baren: eerst een dochter met heldere ogen, Tritogenia, even strijdlustig en wijs als haar vader, even verstandig. Dan zou zij van een zoon, vermetel van inborst, bevallen, die was bestemd om koning te zijn over goden en mensen. Zeus heeft haar echter op tijd in het diepst van zijn buik verborgen, opdat hij raad zou ontvangen van haar in het goede en kwade. Glanzende Themis verkoos hij daarna, de moeder der Horen: Eunomia en Dike en, bloeiend in welstand, Irene – zegenend hoeden die drie het gewas van de arbeid der mensen; moeder der Moiren ook, door Zeus met eer onderscheiden: drietal, Clotho, Lachesis, Atropus; deze drie geven tegenspoed, voorspoed, het goed en het kwaad aan de sterfelijke mensen, Eurynome baarde Zeus de drie Gratiën, prachtig van wangen – zij was Oceanus’ dochter, in schoonheid begeerlijk en lieflijk: Euphrosyne, Thalia, de lieftallige; verder Aglaia. Liefdesverlangen droop uit de blik van deze godinnen, macht die de leden verlamt; vol glans is de blik in hun ogen. Ook kwam Zeus naar het bed van Demeter, voedster van velen; zij bracht Persephone voort met de glanzende armen, die Hades schaakte, weg van haar moeder – wat Zeus, god van wijsheid, hem toestond. Daarna kreeg hij Mnemosyne lief, met haar prachtige lokken; zij werd de moeder der Muzen, die gouden hoofdbanden dragen, negental dat zich in feesten verblijdt, in vreugde van zangen. Leto werd van Apollo en Artemis, trefzekere schutter, beiden betoverend mooi, de mooisten van Uranus’ kinderen, moeder door liefdesgemeenschap met Zeus, de god met de Aegis. Het allerlaatst koos hij Hera als vrouw met haar bloeiende schoonheid; zij baarde Hebe en Ares en Eileithyia, nadat zij liefdesgemeenschap genoot bij de koning van goden en mensen. Zeus baarde zelf, uit zijn hoofd, Athena met heldere ogen, strijdgewoel wekkend, die legers geleidt, onvermoeibaar, vreeswekkend; grote godin, wie rumoer en gevecht en slagvelden lief zijn. Hera baarde Hephaistos, maar zonder liefdesgemeenschap – zij had een twist met haar man en koelde langs die weg haar woede –, godheid, in ambachten veruit het best van Uranus’ kinderen.

Vers XXIV. Kinderen van Poseidon en Amphitrite, van Ares en Aphrodite

XXIV; 930-937
Uit Amphitrite kwam voort en de donderende schokker der aarde: machtige Triton, groot van postuur; hij woont in het water, diep in de zee, bij zijn moeder en machtige vader, gebieder; heeft er, vreeswekkende god, zijn gouden paleis. Maar aan Ares, schildendoorboorder, schonk Cythera Phobos en Deimos – beiden geducht, doen ze samen met Ares, die steden verbrijzelt, drommen van strijdenden vluchten in ijzingwekkende oorlog; verder Harmonia: haar nam als vrouw de stoutmoedige Cadmus.

Vers XXV. Meer verbintenissen van Zeus en andere goden

XXV; 938-962
Maia, de dochter van Atlas, klom op naar Zeus’ heilige sponde; schonk hem daarna god Hermes, beroemde heraut van de goden. Semele, dochter van Cadmus, met Zeus in liefde verenigd, schonk hem een schitterende zoon: Dionysus, die rijk is aan vreugden – sterfelijke vrouw een onsterfelijke god, maar nu beiden goden. Ook bracht Alcmene Heracles voort, sterke held, want zij was in liefdes gemeenschap bevrucht door Zeus, die de wolken verzamelt. Krombeen, de alom vermaarde Hephaistos, koos zich Aglaia – jongste der Gratiën werd zij genoemd – als bloeiende gade. God met de haardos van goud, Dionysus, koos Ariadne – Minos’ blondharige kind heette zij – als bloeiende gade; haar maakte Cronus’ zoon Zeus van ouderdom vrij en onsterfelijk. Hebe werd door de zoon van Alcmene met prachtige enkels, Heracles, weerbare held, die zijn zware werken volbracht had – zij was de dochter van Zeus en van Hera met gouden sandalen – op de besneeuwde Olympus als achtbare gade gekozen. Zalig is hij die zijn machtige werk bij de goden volbracht heeft, zodat hij eeuwig daar woont, van ouderdom vrij en van rampen! Helios, nimmer vermoeid, en Oceanus’ dochter Perseïs kregen een zoon en een dochter: Aeëtes, de koning, en Circe. Daarna huwde de zoon van Helios, mensen beschijnend, het kind van Oceanus, stroom zonder eind en zonder beginpunt, naar het beleid van de goden: Idyia met prachtige wangen. Zij schonk Aeëtes Medea, de vrouw met prachtige enkels, toen hij haar had overmand door de gouden godin Aphrodite.

Vers 26 t/m 28

Vers XXVI. Afsluiting en inleiding tot het volgende deel

XXVI; 963-968
Nu neem ik afscheid van u, bewoners van de Olympus, eilanden en vastelanden en het zoutrijke zeevlak daarbinnen! Zing nu over godinnen uw liederen, Olympische Muzen, u met uw liefelijke stem, u dochters van Zeus met de Aegis, over godinnen, onsterfelijk, die sliepen met sterfelijke mannen; zij werden allen moeder van goden gelijkende kinderen.

Vers XXVII. Verbintenissen van godinnen met sterfelijke mannen

XXVII; 969- 1018
Mooiste godin der godinnen, Demeter, bracht Plutus ter wereld. Zij had met Iasion, koning, in heerlijke liefdesgemeenschap; braakland, driemaal geploegd, was hun bed op het vruchtbare Kreta. Plutus gaat zegenrijk op het land, de ruggen der golven, overal. Iedereen die hem ontmoet, in wiens hand hij mag vallen, maakt hij vermogend en rijk, hij schenkt hem aanzienlijke weelde. Voorts schonk Harmonia, kind van de gouden godin Aphrodite, Cadmus als kinderen Ino en Semele, mooie Agave, Autonoë, die de vrouw werd van prachtig gelokte Aristaeüs, en Polydorus in Thebe, de stad met de prachtige muren. Verder had Callirhoë, Oceanus’ dochter, gemeenschap, door Aphrodite, de gouden godin, met dappere Chrysaor; daarop baarde zij Geryones, de sterkste van allen, maar op het wateromspoelde Erythia vond hij de dood door Heracles’ kracht, toen de held zijn sleepvoetige runderen eiste. Eos bracht Memnon, gewapend met brons, voor Tithonus ter wereld, Ethiopiërs koning, en Emathion, de gebieder. Cephalus schonk zij als vrucht echter Phaëthon, krachtig en moedig, schitterende, glansrijke zoon, een man die aan goden gelijk was. In de bevallige bloei van zijn liefelijke jeugd, toen hij kind was, speels als een kind nog, kwam Aphrodite, vriendelijk lachend, roofde hem mee en stelde hem aan in haar heilige tempels – stralende god nu! – als tempelbewaker die zelf ook vereerd wordt. Koning Aeëtes, een vorst in de hoede van Zeus, had een dochter: haar voerde Aeson’s zoon, naar besluit van de eeuwige goden, weg uit Aeëtes’ huis, na voltooiing van moeizame werken, alle hem opgelegd door een hoogmoedige, machtige koning, Pelias, bruut, gewelddadig, een toonbeeld van opperste dwaasheid. Aeson’s zoon doorstond deze proef; toen kwam hij in Iolcus, met, aan boord van zijn schip, het meisje met de fonkelende ogen; na zijn thuiskomst maakte hij haar tot zijn bloeiende gade. Zij, in liefde bedwongen door Iason, herder van het krijgsvolk, baarde Medus als zoon. Hem bracht Chiron groot in de bergen, Philyra’s zoon – en het plan van de machtige Zeus werd voleindigd. Een van de dochters van Nereus, de grijsaard die woont in zijn zeehuis, Psamathe, hoogverheven godin, schonk aan Phocus het leven, door Aphrodite, de gouden godin, en Aeacus’ liefde. Thetis, met zilveren voeten gesierd, bedwongen door Peleus, baarde Achilles, die linies doorbrak en de moed van een leeuw had. Uit Cythera, prachtig omkranst, werd Aeneas geboren; voordien had zij met Anchises in heerlijke liefde gemeenschap, hoog op de Ida, de winderige berg, door kloven doorsneden. Circe, Helios’ kind (hij weer het kind van Hyperion), bracht door haar liefdesband met de onverschrokken Odysseus Agrius voort en Latinus, een krachtige man, onberispelijk; (bracht ook Telegonus voort door de gouden godin Aphrodite.) Ver in het heilige eilandrijk regeerden die beiden: alle Etrusken, bij ieder beroemd, waren hun onderworpen. Nausithous en Nousinous bracht Calypso ter wereld, zij, de verheven godin, met Odysseus in liefde verenigd.

Vers XXVIII Slot. Het begin van de Catalogus

XXVIII; 1019- 1022
Dit zijn de godinnen, onsterfelijk, die sliepen met sterfelijke mannen, zij werden allen moeder van goden gelijkende kinderen. (Zing nu over de vrouwen uw liederen, Olympische Muzen, u met uw liefelijke stem, u dochters van Zeus met de Aegis!

© 2017 Maarten Hendriksz