Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Hesiodus - Werken en Dagen

Bron: theoi.com

Hesiod, Homeric Hymns, Epic Cycle, Homerica. Translated by Evelyn-White, H G. Loeb Classical Library Volume 57. London: William Heinemann, 1914. Vertaald naar het Nederlands door Maarten Hendriksz. 2014

I. Gebed tot de Muzen

I; 1-13
U, Piëria’s Muzen, u die roem verleent met al uw zangen, kom en loof uw vader Zeus! Door hem zijn stervelingen evenzeer beroemd als roemloos, Zeus geeft mensen naam of niet, want zonder moeite geeft hij macht en zonder moeite vernedert hij de machtigen en zonder moeite verlaagt hij wie zich groot acht en verhoogt de kleinen; wat krom is maakt hij zonder moeite recht, hij doet de trotse mens verdorren, Zeus, die van omhoog de donder zendt en troost in zijn verheven woning. Verhoor mij, zie mij aan, maakt u de vonnissen die onze rechters vellen zuiver door uw recht! Van mijn kant wil ik Perses louter de waarheid zeggen.

II. Twee soorten strijd

II. 14-33
Er is op aarde, zie ik nu, niet één soort Eris, er zijn er twee; de ene zal wie inzicht heeft alleen maar prijzen, maar de tweede soort verdient verwerping; zeer verschillend is hun aard. De ene doet de strijd gedijen, boze oorlog, vervloekt is zij! Die Eris stelt geen mens op prijs, maar onder dwang en door het wilsbesluit der goden vereert de mens die Eris, al benauwt zij hem. De tweede Eris is de oudste en geboren uit donkere Nacht; de zoon van Cronus, hoog gezeten en in de Ether wonend, plaatste deze Eris bij Aarde’s wortels; zij is beter voor de mens! Zij zet ook wie onhandig is tot werken aan, als hij de rijkdom van een ander ziet – die vlijtig zijn akker ploegt, beplant en goed zijn huid beheert –, maar zelf geen werk doet; ook benijdt een buur zijn buur die welvaart nastreeft. Deze Eris is van waarde voor mensen pottenbakkers, timmerlieden – alom is men afgunstig op zijn mededingers; jaloers zijn op elkaar zelfs bedelaars en zangers!

III. Oproep aan Perses

III; 34-53
Neem alles wat ik zeggen wil ter harte, Perse, en laat de Eris die het kwaad bemint ook jou niet af doen zien van de arbeid; lig niet op de loer bij twisten op de markt, besteed daaraan geen aandacht! Met twist en rechtsgedingen op de markt moet hij zich niet bemoeien in wiens huis geen voedselvoorraad in overvloed ligt opgetast, te rechter tijd geoogst, vrucht die aarde geeft: Demeter’s graan. Verwerf dat eerst in overvloed! Doe dan pas twist en strijd ontstaan om andermans bezit te krijgen. Geen tweede keer zul jij zo kunnen handelen! Nee, laat ons nu een uitspraak vragen in de twist, naar Zeus’ rechtvaardig oordeel, dat het beste is. Want toen wij eens de erfenis verdelen moesten, heb jij een groter deel geroofd en meegenomen, geëerd heb je de vorsten, eters van geschenken, de vorsten die gewoonlijk vonnis wijzen hier. De dwazen! Want zij weten niet hoezeer de helft meer is dan het geheel en evenmin hoe heerlijk een maal, bereid met asfodil en malve, smaakt.

IV. De oorzaak van het zwoegen van de mens

IV; 54-67
Want wat voor het leven nodig is houden de goden verborgen voor de mensen; anders zou je slechts één enkele dag, en zonder zwoegen, hoeven werken om, zonder werk, genoeg te hebben voor een jaar! Meteen kon je je stuurriem in de rook opbergen, het werk van taaie os en ezel was voorbij. Maar in zijn toorn heeft Zeus wat nodig was verborgen, daar de gewiekste god Prometheus hem misleid had; daarom bracht Zeus de mensen kommer en verdriet en hij verborg het vuur. Dat heeft de sterke zoon van Iapetus ten bate van de mensen gestolen; hij nam het Zeus, de welberaden god, weer af, verborg het in een narthexstengel, ongemerkt voor Zeus, die in de bliksemschichten vreugde schept.

V. De Schepping van Pandorra

V; 68-105
Vertoornd zei Zeus, de god die de wolken opdrijft, hem: ‘Jij zoon van Iapetus, in denkkracht aller meester, je bent nu blij dat je dat vuur gestolen hebt en mij te slim af bent geweest, maar voor jouzelf wordt dit een ramp – én voor de mensen van de toekomst. Ik geef als boete voor dat vuur een vloek die maakt dat vreugde hen vervult als zij hun vloek omarmen!’ zo sprak de vader van de goden en de mensen en lacht luid. Hij droeg de zeer beroemde god Hephaistos op meteen wat aarde te vermengen met water en het mengsel mensenspraak en kracht te geven; uiterlijk moest het gelijken op de eeuwige godinnen en van hem ontvangen het verleidelijke, mooie lichaam van een meisje. Athena moest haar bezigheden leren: weven van kunstig weefsel, en de gouden Aphrodite moet gratie op haar hoofd uitstorten, pijnlijke begeerte en de kwelling die het lijf verteert; een hondse, gluiperige aard moest Hermes, Geleider, Argusdoder, in dit wezen leggen.’ Zo sprak hij en zij waren heerser Zeus gehoorzaam, de zoon van Cronus. De vermaarde Krombeen kneedde meteen uit aarde iets wat op een meisje leek en eerbied afdwong, naar de wil van Cronus’ zoon. Athena met het glanzende oog schonk haar een gordel en kleedde haar; de goddelijke Gratiën en de verheven Peitho hingen gouden snoeren rondom haar lichaam en de schoongelokte Horen bekransten haar met lentebloemen op haar hoofd. Pallas Athena maakte heel die fraaie opschik aan haar tot een geheel; Geleider, Argusdoder, schiep in haar borst naar het besluit van Zeus die dreunt een gluiperige aard vol vleierij en leugens. Maar ook gaf hij, heraut der goden, aan de vrouw een heldere, menselijke stem en noemde haar Pandorra; alle goden immers, die hun woning op de Olympus hebben, hadden haar geschonken: geschenk voor het brood etende mensdom – en een ramp.

VI. Epimetheus en het vat van Pandorra

VI; 106-115
Maar toen hij deze list, een dreiging onontkoombaar, gereed had, stuurde vader Zeus als snelle bode de Argusdoder, wijd vermaard, naar Epimetheus om hem het goddelijke geschenk te gaan bezorgen. Maar Epimetheus had er niet meer aan gedacht dat hij eens door Prometheus was gewaarschuwd nooit een gift van Zeus, Olympus’ heerser, aan te nemen, maar die terug te sturen: het werd voor de mens misschien een vloek! – En Epimetheus accepteerde. Toen hij de vloek eenmaal bezat, begreep hij.

VI; 116-133
Want vroeger was het leven van de mens op aarde gevrijwaard van ellende, ver van zwaar gezwoeg en pijn van ziekten, die de mens het doodslot brengen. Maar toen de vrouw het grote deksel van het vat afnam, liet zij alles uit het vat ontsnappen, waarmee zij aan de mensen kommer en verdriet bracht. Alleen bleef binnen in het vat de Hoop nog achter in die ontoegankelijke woning, want dat vloog er niet uit: nog juist op tijd liet zij het deksel al weer vallen naar het raadsbesluit van Zeus, die de wolken opdrijft en de Aegis zwaait. De andere rampen zwerven bij de mensen rond, ontelbaar veel, want vol van onheil is de aarde en vol de zee. Zo komen ziekten over mensen, soms overdag, soms ’s nachts, geheel op eigen kracht; geluidloos brengen zij de stervelingen onheil, want stem is hun onthouden door de wijze Zeus. Zo blijkt weer: nooit ontsnapt men aan de wil van Zeus.

VII. Het gouden geslacht

VII; 134-156
Ik zal je, als je wilt, van stap tot stap een tweede verhaal vertellen, goed en kundig – let dus op: het mensdom heeft dezelfde oorspong als de goden. Van goud was het geslacht van de sterfelijke mensen, dat het eerst gemaakt werd door de goden, die hun woning op de Olympus hebben; het bestond op aarde toen Cronus nog als koning in de hemel heerste. Als goden leefden zij, het hart van zorgen vrij, gevrijwaard van gezwoeg, gevrijwaard van ellende. De zwakke ouderdom was hun nog onbekend, zij bleven even sterk in armen en benen, hun leven was een feest, door onheil nooit bedreigd. Zij stierven als wie door slaap zijn overmand en hadden alles wat men wenst; dus oogsten gaf de aarde, die het graan schenkt, uit zichzelf, goedgeefs en overvloedig; zij genoten van hun voedsel in vrede, ongestoord, genietend van hun grote welvaart. Maar sinds de aarde dat geslacht geborgen heeft, zijn zij de demonen naar het besluit van grote Zeus. Als wakers van de mensen, zegenrijk op aarde, bewaken zij elk rechtsgeding, zien elke wandaad. Gehuld in nevel gaan zij op aarde rond; ook rijkdom schenken is hun koninklijke taak.

VIII. Het zilveren geslacht

VIII; 157-177
Het volgende geslacht was minder van gehalte: gemaakt van zilver door de goden, die hun woning op de Olympus hebben, want in bouw noch denken kon het de gouden generatie evenaren. Wel honderd jaren lang werd in zijn moeders zorg een kind in speelsheid opgevoed, onmondig klein, en het bleef thuis. Maar als ze, eenmaal opgegroeid, de volle maat van de volwassenheid bereikten, duurde hun leven kort, was smart op smart hun deel. Hun eigen domheid! Want zij waren niet in staat elkaar te sparen in hun dwaze willekeur. Ook had het zilveren geslacht niet de gewoonte de eeuwigen te eren en hun offeranden te brengen op het heilige altaar van de goden, zoals de mensen past, eenieder naar zijn aard. In drift liet Zeus, de zoon van Cronus, hen verdwijnen, daar zij geen eer bewezen aan de goden, die op de Olympus wonen. Sinds de aarde ook die generatie heeft geborgen, heten zij bij stervelingen onderaardse zaligen; dat eerbewijs bezitten zij, al staan zij lager.

IX. Het bronzen geslacht

IX; 178-192
Van brons was het geslacht van sterfelijke mensen dat vader Zeus als derde schiep. Het leek in niets op het geslacht van zilver, kwam uit essenbomen en was gevaarlijk en gevreesd. Het treurige werk van Ares was hun lief en krenkend onrecht doen. Zij aten ook geen brood, hun geest was ijzerhard, ja, ongenaakbaar sterk, en fel hun brute kracht; hun stoere armen waren vast vanuit hun schouders aan het stevige lijf gegroeid. Zij hadden bronzen wapens, van brons ook was hun huis, bewerken deden zij met brons, want donker ijzer was nog niet beschikbaar. Ook zij verdwenen, door elkanders hand gedood, in ijselijke Hades’ schimmelige huis, en naamloos. Donkere Dood deed hen, met al hun kracht, vergaan; het stralende zonlicht moesten zij verlaten.

X. Het vierde mensengeslacht

X; 193-214
Maar sinds de aarde dat geslacht geborgen heeft, bracht Zeus op deze bodem, die zovelen voedt, een vierde mensengeneratie aan het licht, rechtvaardiger en beter: goddelijk geslacht van helden, die men ook wel ‘halve goden’ noemt, dat ons voorafging op de grenzeloze aarde. Afschuwelijke oorlog en gruwelijke strijd brachten sommigen van hen ter dood onder de muren van Thebe, zevenpoortig, in het land van Cadmus, waar zij elkaar het vee van Oedipus betwistten. Anderen brachten de oorlog ook in schepen over de grote afgrond van de zee naar Troje toe om Helena te halen, vrouw met prachtig haar, en daar omhulde hen hun levenseind, de dood. Maar Zeus, de zoon van Cronus, schonk aan enkelen een woonplaats en bezit op afstand van de mensen: hij deed hen wonen aan de grenzen van de aarde. Van zorgen vrij bewonen zij de Eilanden van de Gezegenden, nabij Oceanus met diepe kolken, rijke helden, want de aarde, die graan geeft aan de mensen, doet driemaal in het jaar een oogst zo zoet als honing overvloedig voor hen rijpen.

XI. Het vijfde geslacht

XI; 215-248
Ach, leefde ik maar niet temidden van de mensen van dit geslacht, het vijfde! Was ik maar voordien gestorven of in latere tijd geboren, want nu leeft het ijzeren geslacht: noch overdag zal het van tobben en verdriet gevrijwaard zijn, noch in de nacht van kwellende beslommeringen, zo drukkend zijn de zorgen die de goden geven, al zal voor dit geslacht nog goed met kwaad vermengd zijn. Maar Zeus zal deze generatie stervelingen verdelgen, wanneer zij op hun geboorte-uur al grijs zijn aan de slapen. Eensgezindheid zal ontbreken tussen vaders en hun kinderen en bij een gastheer zal een gast niet welkom zijn als eens, noch vriend bij vriend, een broer niet bij zijn broer. Zodra hun ouders oud en zwak zijn, zullen zij hen niet meer respecteren, maar in grove woorden hen met verwijten treffen, onverbeterlijk, de goddelijke wraak niet duchtend. Dank aan ouders voor al hun zorg blijft, als zij oud zijn, onbetaald; hun recht is kracht, men zal elkanders stad verwoesten. Wie eden houdt, het recht betracht, het goede doet zal geen waardering krijgen; juist de bruut, de man die kwaad doet, zal in tel zijn en het rechtsgeding wordt met de vuist beslecht. Er zal geen Schroom meer zijn; de minste zal de meerdere doen struikelen, hem vals beschuldigen, het staven met een meineed! De Afgunst zal het arme mensdom vergezellen, verwelkomt het kwaad, spreekt laster, heeft een blik vol haat. In die tijd zullen weggaan van de wijde aarde naar de Olympus, woonplaats van de eeuwigen, hun schoonheid in een glanzend wit gewaad gehuld, het Oordeel en de Schroom, de mensheid achterlatend. Verdriet zal overblijven voor het sterfelijke mensdom en anders niet. Het onheil is dan onafwendbaar.

XII. De havik en de nachtegaal

XII; 249-262
Nu wil ik aan de vorsten een verhaal vertellen, hoewel zij zelf ook inzicht hebben. Zo sprak eens de havik tot de nachtegaal met bonte hals, haar hoog tot in de wolken voerend, vastgeklemd in scherpe klauwen – droevig huilt de nachtegaal, omdat de kromme klauwen rondom in haar dringen –, met strenge woorden: ‘Dwaas! Nog dreigend krijsen ook? Een die veel sterker is heeft jou nu in zijn macht! Je gaat waar ik je breng, al ben je ook een zanger; ik eet je op of laat je vrij, naar mijn believen! Wie zich met de sterkeren wil meten is een dwaas, want winnen kan hij nooit en zijn vernedering wordt nog vermeerderd met zijn pijn.’ Aldus de havik, de vogel met de snelle vlucht en brede wiekslag.

XIII. Recht en onrecht, beloning en straf

XIII; 263-304
Jij, Perses, luister nu dus naar Gerechtigheid, vergroot het onrecht niet, want onrecht baart slechts rampspoed aan machteloze stervelingen. Zelfs een man van aanzien kan die last niet zonder moeite dragen: bij tegenslag bezwijkt hij aan zijn eigen onrecht. Een omweg is dan beter – naar wat recht is! Tenslotte blijkt het recht toch sterker dan het onrecht; een dwaas is hij die pas door ondervinding wijs wordt. De godheid Eed begeeft zich op dezelfde weg als kromme rechtsuitspraken; wanneer de godin Gerechtigheid wordt meegesleurd, weerklinkt rumoer op elke plek waar mannen die geschenken eten haar brengen en met kromme rechtsspraak vonnis wijzen. Zij huilt om deze stad en om de geest der burgers, gehuld in nevel, onheil brengend aan de mensen, die haar verbannen en het recht niet recht verdeelden. Maar wie aan eigen volk en vreemdelingen recht doen naar juiste maat en nooit de rechte weg verlaten, bij hen gedijt de stad, de welvaart bloeit er op, alom heerst vrede, die aan jongens leven gunt. Want Zeus, die ver ziet, deelt hun nooit oorlog toe, en nimmer vergezelt de honger mensen van gerechtigheid en recht, ook zwarte rampspoed niet; bij feesten eten zij de vruchten van hun arbeid. De grond schenkt hun veel voedsel, op de bergen geeft de eik zijn eikels, bijen zoemen in zijn stam; de schapen gaan onder hun wollen vacht gebogen, de zuigelingen lijken sprekend op hun vaders; hun bloei en voorspoed duren voort, zij hoeven niet op zee te varen met gevaar voor eigen leven: de aarde, die het graan schenkt, geeft voldoende opbrengst. Maar wie op onrecht en op grof geweld gesteld zijn treft Zeus, die ver ziet, de zoon van Cronus, met zijn straf. Een hele stad heeft vaak van één slechte man te lijden, die zich misdraagt en dwaze dingen denkt en doet. De zoon van Cronus overvalt hen uit de hemel met grote rampspoed, ziekte en honger tegelijk; de mensen kwijnen weg, hun vrouwen zijn onvruchtbaar, hun have slinkt naar de bedoeling van de god van de Olympus, Zeus. Een andere keer doet hij het leger of de muren van die stad teloorgaan of eist als tol hun vloot op zee, de zoon van Cronus.

XIV. Zeus en het onrecht op aarde

XIV; 305-335
Ook u moet, vorsten, zien hoe de gerechtigheid hier wordt betracht! Want dicht bij u, ja in ons midden, zien zij, onsterfelijke goden, alle mensen die elkaar met kromme rechtsuitspraken willen krenken en niet bevreesd zijn voor de goddelijke wraak. Want Zeus heeft op de aarde, die zovelen voedt, driemaal ontelbaar veel onsterfelijke bewakers, die letten op de stervelingen. Zij bewaken nauwlettend ieder rechtsgeding, zien elke wandaad; gehuld in een nevel gaan zij op de aarde rond. Godin Gerechtigheid is ongehuwd, een vrouw uit Zeus geboren, hoogverheven, geëerbiedigd door alle goden die op de Olympus wonen. Als iemand haar ten val brengt en door onrecht krenkt, zoekt zij meteen haar toevlucht bij haar vader, Zeus, en klaagt de geest van onrecht aan en vraagt hem om het hele volk te straffen voor het dwaze gedrag van vorsten die op onheil zinnen en het recht in rechtsgedingen met hun vonnissen verkrachten. Vermijd de straf, u, vorsten, eters van geschenken, wijs eerlijk vonnis, wend u af van kromme rechtspraak! Zichzelf berokkent kwaad wie anderen kwaad berokkent; een kwade opzet is het kwaadst voor de bedenker! Het oog van Zeus, dat alles opmerkt, alles ziet, aanschouwt hier, als hij wil – ook dat ontgaat hem iet! –, welk soort gerechtigheid in deze stad betracht wordt. In deze tijd wil ik te midden van de mensen niet meer rechtvaardig zijn en evenmin mijn zoon. Rechtvaardig zijn brengt ongeluk; wie onrecht doet krijgt voorrang bij de rechter! Maar ik denk tot dat de welberaden Zeus het niet zover laat komen.

XV. Het onderscheid tussen mens en dier

XV; 336-349
Jij, Perses, neem wat ik je gezegd heb ter harte en luister naar het Recht, vergeet geweld voorgoed! Want deze levenswet heeft Zeus, de zoon van Cronus, voor mensen ingesteld: de wilde dieren, vissen, roofvogels breed van vlucht – zij vreten elkaar op, omdat bij hen het Recht niet woont. Maar aan de mensen gaf hij het Recht, dat hun het grootste voordeel biedt, want wie gewoon is vanuit inzicht recht te spreken, aan hem geeft Zeus, de god die ver ziet, rijke zegen. Maar wie bij zijn getuigenis opzettelijk meinedig liegt in ongeneeslijke verblinding, terwijl hij de godin Gerechtigheid ten val brengt – diens kroost blijft na hem onbekend; de man die steeds zijn eden houdt, diens kroost zal na hem eer verkrijgen.

XVI. Gestage arbeid de enige weg naar voorspoed

XVI; 350-386
Jou zal ik, Perses, grote dwaas, uit eigen inzicht voorzien van raad die je profijt brengt; luister dus! Het ene, ongeluk, kan men in stapels kiezen en moeiteloos; de weg is vlak, het ligt dichtbij. Maar op de weg naar het succes hebben de goden het zweet gelegd; het pad erheen is lang en steil, in het begin oneffen. Komt men echter boven, dan blijkt het pas, hoe moeilijk eerst ook, goed begaanbaar. Het best gaat hij te werk die alles overweegt en zelf doorziet wat later, op het eiland, van nut is. Succesvol is ook wie naar goede raad wil luisteren. Maar hij die zelf geen inzicht heeft noch goede raad van anderen ter harte neemt, is zonder waarde. Pas daarvoor op, houd mijn raad in gedachten, Perses, doorluchtige man, en werk! Dan zal de hongergod een afschuw van je hebben, maar Demeter heet je welkom, mooi gekranste godheid, eerbiedwaardig; zij zal je schuren vullen met voldoende voedsel. Ik zeg je: honger is de vaste metgezel van wie niet werkt, de goden en de mensen straffen de man die zonder werken leeft, de man die lijkt op darren zonder angel: werkeloos eten zij wat bijen zwoegend hebben ingezameld op. Maar jij moet in je werk naar maat en orde streven, dan zijn je schuren in de oogsttijd vol met voedsel. Door werken wordt men rijk aan vee, wordt men vermogend, wie werkt verkrijgt veel eerder goddelijke gunst, wie werkeloos is maakt zich te schande, werkers niet. Wie werkt merkt gauw de afgunst van wie niet werkt en jouw rijkdom ziet; de rijkdom geeft je eer en voorspoed. Jouw levenslot betekent: werken – anders niet, wanneer je niet steeds let op andermans bezit, je rusteloze geest op arbeid richt en zo naar mijn adviezen zorgt voor voorraad en bezit. Beschroomdheid brengt een arme man niet één stap verder; beschroomdheid, die de mensen voor- en nadeel brengt; beschroomdheid brengt je armoede, zelfvertrouwen rijkdom!

XVII. Regels voor de omgang met goden en mensen

XVII; 387-456
Bezit is gods geschenk; verkrijg het niet door roof. Want ook als iemand grote rijkdom binnenhaalt door bruut geweld of met brutale tong en woorden bezit verwerft – zoals zo vaak gebeurt wanneer het winstbejag de mensen op een dwaalspoor brengt, de schaamte wordt verdreven door de schaamteloosheid – dan wordt die man opzijgeschoven door de goden, zijn huis raakt in verval, zijn rijkdom duurt maar kort. Dezelfde straf komt neer op hem die smekeling of vreemdeling verkeerd behandelt en op hem die heimelijk de echtgenote van zijn broer verleidt en schandelijk zijn huwelijksbed bestijgt, op hem die in zijn dwaasheid wezen onrecht doet, op wie zijn moeder of zijn vader, hoogbejaard, die al op ouderdoms vervloekte drempel staan, met barse woorden krenkt of afsnauwt. Zeus zal zelf zijn woede op hem koelen, geeft hem vroeg of laat een barse boete als vergelding voor dit onrecht. Houd jij je rusteloze geest van onrecht af, brengt naar vermogen offers aan de eeuwigen naar heilig, zuiver ritueel; brand op het altaar een keur van schenkelstukken. Zoek ook anderszins de godengunst met wat je plengt en brandt als reukwerk, bij het slapengaan en als het daglicht aanbreekt, dan zullen zij je hartelijk hun gunst bewijzen en koop jij grond van anderen, anderen niet van jou! Vraag vrienden voor een maaltijd, maar een vijand niet, en vraag vooral degene die dicht bij je woont. Want als dichtbij een tegenslag je treft, dan helpt een buurman ongekleed, familie kleedt zich aan. Een slechte buur brengt ongeluk, geluk een goede. Degene die een goede buurman krijgt, krijgt aanzien; geen rund raakt weg, tenzij je slechte buren hebt. Geef buren wat je hebt geleend precies terug en met dezelfde maat; geef, als je kunt, iets meer, dan zul je later in gebrek meer hulp verkrijgen. Maak niet oneerlijk winst, zo’n winst betekent rampspoed. Wees vriend met vrienden, help wie tot je komt; geef wel aan hem die zelf geeft, niet wie zelf niet geeft. Aan gever geeft men, aan niet-gever niet. Een gift brengt baat, maar roven schaadt, het brengt de dood. Want als een man vrijwillig geeft, al is het iets groots, verheugt hij zich in geven, het verblijdt zijn geest; maar als men iemand iets ontneemt, al is het iets kleins, hem onbeschaamd berooft, doet het zijn hart bevriezen. Want als je kleine beetjes legt bij kleine beetjes en dat geregeld doet, wordt het algauw iets groots. Wie zijn bezit vergroot, ontkomt aan felle honger; men hoeft geen zorg te hebben om wat eenmaal binnen is, dus houd het binnenshuis, want buiten dreigt er schade. Het is plezierig putten uit je eigen voorraad, maar denk eraan: te missen wat ontbreekt doet pijn! Je vat is vol? Of wordt de bodem ervan zichtbaar? Neem dan naar hartelust! Wees in het midden zuinig, te laat komt zuinigheid wanneer de bodem nadert. Het afgesproken loon moet voor je eigen mensen verzekerd zijn; maak zelfs als het je broer betreft gebruik van een getuige, doe het met een lach. Bedenk dat mensen vaak zichzelf te gronde richten door te veel argwaan – én door al te groot vertrouwen. Zorg dat je vrouw je niet misleidt, wanneer zij mooi haar billen spant, je paait en vleit met wat ze zegt, terwijl ze speurt naar resten in je voorraadschuur. De man die op een vrouw vertrouwt, vertrouwt bedriegers. Ik wens je toe: een zoon als enig kind, die straks zijn vaders huis beheert, dan neemt je rijkdom toe, en dat je oud mag sterven en je zoon je opvolgt. Maar Zeus kan zonder moeite meer familieleden enorme overvloed bezorgen, want meer mensen verrichten ook meer werk, dan wordt de winst ook groter.

XVIII. Het boerenwerk moet op het goede moment worden gedaan

XVIII; 457-485
Als jij je zinnen hebt gezet op grote rijkdom, doe dan als volgt en voeg al werkend werk bij werk. Bij het opgaan der Plejaden, kinderen van Atlas, begint je oogst, het zaaien bij hun ondergang. Let op: zij blijven veertig dagen, veertig nachten onzichtbaar; in de jaarrondgang verschijnen zij de eerste keer wanneer het ijzer wordt gescherpt. Ik geef je nu een vaste regel voor het bouwland, die geldig is voor hen die bij het zoute water of ver verwijderd van het golven van de zee in diepe dalen wonen en op vette grond: ga naakt wanneer je zaait of ploegt, ga naakt wanneer je maait, indien je alle werken van Demeter wilt afdoen op de juiste tijd; dan zal de vrucht van elk gewas ook op de juiste tijd gedijen. Want anders moet je later bedelend de huizen van andere mensen langs, maar zonder resultaat, zoals je deze keer naar mij bent toegekomen. Maar ik zal niets meer geven, niets meer aan je lenen! Ga werken, dwaze Perses, en verricht het werk dat door de goden voor de mensen is bepaald want anders moet je vol verdriet met vrouw en kind je voedsel zelf verzamelen, al bedelend je buren langs, die jou geen aandacht zullen schenken. Misschien dat men je twee keer, drie keer zelfs iets geeft, maar als je dan nog lastig blijft, bereik je niets, gepraat baat je niet, je woordenstroom haalt niets meer uit. Daarom spoor ik je aan te zorgen dat je schuld wordt afgelost, zodat je nooit meer honger lijdt.

XIX. Personeel en gereedschap

XIX; 486-535
Het eerste wat je nodig hebt: een huis, een vrouw, een ploegos. Maar die vrouw dient een slavin te zijn, en ongetrouwd, die achter os en ploeg kan lopen. Zorg ook dat ieder werktuig in je hoeve heel is, dan hoef je nooit een ander iets te leen te vragen en bij een weigering onthand te zijn: zo gaat de juiste tijd voorbij en je gewas verdort. Stel niet steeds uit tot morgen of tot overmorgen; een man die werk laat liggen krijgt geen schuren vol, wie uitstelt ook niet: werk gelukt door zorg en aandacht! Wie arbeid uitstelt worstelt met een reeks van rampen. Wanneer de felle zon niet meer zo hevig brandt dat het zweet je uitbreekt en als Zeus, grootmogende god, de late zomerregen brengt, wanneer ons lichaam veel soepeler beweegt – want dan is ook de tijd dat Sirius bij daglicht korte tijd verschijnt boven het hoofd der voor de dood bestemde mensheid, maar zich wat langer blijft vertonen in de nacht –, kap hout (maar met een ijzeren bijl!) in dát seizoen, dan blijft het houtwormvrij. Wanneer de boom zijn bladeren ter aarde laat vallen, geen loten meer doet groeien, vergeet niet dán je hout te kappen, het is de tijd! Kap vijzels drie voet hoog en stampers drie el lang, een as van zeven voet, dat is de juiste maat; een stuk van acht voet geeft je een goede hamerkop. Kap driespanwielen, goed voor karren van tien palmen. Genoeg gebogen takken! Neem dus kromhout mee naar huis, altijd als je het aantreft bij het zoeken op berg of bouwland. Maar neem altijd eikenhout, het sterkst wanneer je ploegt met ossen en de knecht van de godin Athene het met pennen vastzet, verzonken in de zool, en naar de dissel toe brengt. Zorg voor een tweetal ploegen in je huis, de ene uit één stuk hout, de andere uit meer gedeelten; dat werkt veel beter, want wanneer de ene breekt, neem je de andere om de ossen voor te spannen. Laurier- of iepenhout geeft dissels, vrij van wormen, de eik een zool; de steeneik levert passend kromhout. Twee ossen moet je hebben, negen jaren oud: ze zijn volwassen en hun kracht is onverzwakt; die zijn het beste voor het werk, ze zullen niet al trekkend ruziemaken en de ploeg vernielen, zodat de werkzaamheden onaf blijven liggen. Een sterke man, veertig jaar, moet deze ossen mennen; geef hem een vierkwartsbrood, verdeeld in achten. Zo iemand trekt, zorgvuldig werkend, rechte voren en kijkt niet steeds naar vrienden rond, maar richt zich op zijn werk. Als er gezaaid moet worden zonder dat er zaad verspild wordt, is een jonge man niet beter! Een jonge man zoekt altijd, rusteloos, zijn vrienden.

XX. Ploegen, zaaien en oogsten

XX; 536-589
Let op wanneer de kreet van de kraanvogels weerklinkt, die ieder jaar opnieuw vanuit de wolken krijsen; dat is het sein om te gaan zaaien en voorspelt de wintertijd met regen, steekt het hart van hem die zelf geen os heeft. Geef in dit seizoen de ossen met kromme horens, die op stal staan, stevig voer. Gemakkelijk vraagt iemand: ‘Leen me kar en ossen!’ Gemakkelijk klinkt: ‘Nee! De ossen zijn aan het werk!’ Hij die zich rijk waant, denkt een kar te kunnen maken. De Dwaas! Hij weet niet dat een kar wel honderd planken vereist; laat hij dat eerst maar eens zijn huis in halen! Zodra de zaaitijd aanbreekt voor de stervelingen, ga dan aan het werk, de slaven samen met hun heer, en ploeg het bouwland, nat of droog, wanneer het tijd is. Ga vroeg aan het werk, dan sta je grond straks vol met halmen. Ploeg braakland in de lente én de zomer om, want dat brengt winst, en zaai wanneer de bodem zacht is. Want braakland houdt een misoogst ver, vermurwt zelfs Hades. Bid ook tot Zeus, de god der aarde, en Demeter, eerwaardige godin, dat het gewas mag rijpen, Demeter’s heilige graan, en bid als je met ploegen begint en, in je hand het uiteinde van de ploegstaart, je stok laat dalen op de rug van beide ossen, als zij het juk, met riem en pen gesnoerd, gaan trekken. Een slaaf moet met zijn schop vlak achter jou het zaad bedekken, dan maakt hij het voor de vogels lastig. Het best voor mensen: orde. Het slechtste: ordeloosheid. Ga zo te werk, dan zullen, zwaar van overvloed, de aren naar de aarde buigen, als Zeus zelf, de god van de Olympus, goede wasdom geeft. Maak dan je vaten maar vast vrij van spinnenwebben! Het zal je deugd doen, denk ik, als je eigen voorraad in eigen huis gebruiken kunt. In goede welstand zul je de heldere lente halen en je blik niet op een ander hoeven richten om zijn hulp; die ander zal nog eerder jouw hulp nodig hebben! Maar als je tot de winterzonnewende talmt met ploeg- en zaaiwerk in de goddelijke bodem, dan zul je later zittend oogsten, in je hand een schamel buideltje; je maakt er schoofjes van door kop bij staart te leggen, zelf met stof bedekt en moedeloos. Je hele oogst past in een mand; zo’n kleine opbrengst vindt niet veel bewonderaars. Wat Zeus, de Aegis-god, beoogt, is telkens anders; alleen met pijn verkrijgen mensen daarin inzicht. Voor wie te laat gaat ploegen, komt het soms nog goed: als voor de eerste keer de koekoek koekoek roept in het eikenloof en op de eindeloze aarde de mens verblijdt. Ik hoop dat Zeus dán regen geeft, de derde dag erna, en in gestage stromen, niet meer, niet minder dan een ossenhoef, want dan kan late ploeger vroege ploeger evenaren. Onthoudt dit alles, wees goed voorbereid wanneer de heldere lente of de late regen komt.

XXI. De winter

XXI; 590-668
Ga aan de zitplaats bij de smid voorbij en mijd die warme plek, waar mensen in de winter praten – wanneer de felle kou een man van werken afhoudt, maar wie niet te traag is zijn bezit sterk kan vergroten –, dan zal de hulpeloosheid van de kwade winter je niet verrassen samen met de bittere armoede; je zult geen dikke voet met dunne hand betasten. Wie zelf niet werkt, maar zinloos hopen blijft, vervloekt zichzelf als alles wat hij heeft teloorgaat, want hopen brengt een arme man niet één stap verder, een man die in de praathoek zit terwijl hij arm is. Beveel je slaven dus, als het nog volop zomert: ‘Het blijft niet altijd zomer, bouw dus nu je hutten!’ de maand Lenaeon brengt ons later kwade dagen: het zijn rundervillers! Mijd die, mét de wrede rijp die op de grond ligt als de noordenwind gaat waaien. Vanuit het Thracische paardenland maakt hij de zee onrustig met zijn adem, grond en bossen loeien; talrijke eiken, dicht van loof, en dikke dennen, hij legt ze op de aarde, voedster van de mensen, op bergen en in dalen, ja, hij stort zich op hen; het hele woud met al zijn bomen brult het uit. De dieren huiveren, de staart tussen de poten; zelfs als hun huid met wol bedekt is waait hij met zijn kille adem dwars door hun beharing heen. Ook door de huid van rundvee dringt hij, ongehinderd, zelfs geiten met hun lange haar kwelt hij. Slechts schapen doordringt de noordenwind nooit met zijn kracht; hen dekt een volle vacht. Maar oude mensen leert hij hollen! Ook door de tere huid van het meisje dringt hij niet, dat binnenshuis blijft bij haar moeder en nog niet de gouden Aphrodite en haar werken kent. Als zij haar jonge lichaam zorgzaam heeft gebaad en zich met vette olie heeft gezalfd, legt zij zich veilig in haar huis neer – in dezelfde winter waarin het botloos beest knaagt aan zijn eigen arm, dat in zijn vuurloos huis, verfoeid domein, verblijft. Hem wijst de zon geen jachtgebied om heen te gaan; hij gaat naar volk en stad der glanzend zwarte mensen, pas later schijnt zijn licht voor alle Griekse stammen. In dat seizoen gaan bosbewoners op de vlucht, gehoornd en ongehoornd, afschuwelijk klappertandend, door struikgewas en dal, want één zorg drijft ze voort: beschutting zoeken en een dichtbegroeide schuilplaats of holte vinden in de rotsen. Dat seizoen ziet dieren zich bewegen als de driebeen-mens, wiens rug gekromd, wiens blik gericht is naar de grond; net zo ontvlucht het dier de fonkelende witte sneeuw. Bescherm je lichaam dan, raad ik, met sterke kleding: een zachte mantel en een chiton tot je voeten. Weef in een ruime schering dikke inslagdraden, doe zo’n kleed aan, dan blijft je haar goed op zijn plaats en komt niet overeind staan over heel je lichaam. Je trekt sandalen aan, gemaakt van runderleer; ze moeten passen en een vilten voering hebben. Naai, als de winterkoude komt, met runderpezen de vellen van je bokjes van een eerste dracht aaneen, om op je rug als regendek te dienen. Draag op je hoofd een vilten hoed, met grote zorg vervaardigd, om geen natte oren op te lopen. De ochtenden zijn koud wanneer de noordenwind waait; op zulk een ochtend daalt vanuit de sterrenhemel een nevel op de tarweakkers van de rijken. Hij put zijn vocht uit de altijd stromende rivieren, verheft zich bij een windvlaag hoog boven de aarde en brengt een regenbui bij het vallen van de avond, een andere keer een straffe wind, als Boreas uit Thracië de dichte wolkenmassa’s voortjaagt. Maak vóór hij aankomt je taken af en ga naar huis, zodat je nooit omhuld wordt door zo’n donkere wolk, die van omhoog je kleren en jouzelf doorweekt. Pas daarvoor op, want deze maand is het allerzwaarst van heel de winter, zwaar voor het vee, zwaar voor de mensen. Geef dan je os een half rantsoen, een man iets meer; de vriendelijk uren helpen je erdoor! Blijf daarop letten, tot het jaar zijn loop volbrengt en deel al naar gelang de duur van dag en nacht het voedsel toe, totdat de Aarde, aller moeder, opnieuw een oogst van allerhande vruchten geeft.

XXII. Voorjaar, zomer en herfst

XXII; 669-732
Zijn zestig winterdagen tot hun eind gebracht door Zeus, vanaf de zonnewende, dan verrijst het sterrenbeeld de Wachter uit het heilige water van Oceanus voor het eerst in volle glans bij schemeravond; daarna zien de mensen hoe de zwaluw, dochter van Pandion, ’s ochtends klagend klimt naar het licht, wanneer de lente juist begint. Snoei vóór die dag de wingerdranken, dat is beter. Maar als de huisjesdrager van de grond omhoogklimt, de ranken langs, om de Plejaden te ontkomen, steek dan geen spa meer in de grond rondom de stammen. Maar wet de sikkels, por de slaven uit hun bed. Van zitten op een schaduwplek, van slapen tot de ochtend kan geen sprake zijn wanner eenmaal de oogsttijd aanbreekt en de zon de huid verschrompelt. Geef dán je beste krachten, sta vroeg op en haal de graanoogst binnen om genoeg in huis te hebben. De ochtend levert van je werk het derde deel, de ochtend doet ons vorderen op weg, in werk, de ochtend die met zijn verschijnen vele mensen op pad stuurt en het juk oplegt aan vele ossen. Wanneer de distel bloeit, de tsjirpende cicade vanuit de bomen met zijn vleugels schrille klanken aanhoudend horen laat, wanneer de hitte afmat – in die tijd zijn de geiten het vetst, de wijn het best, de vrouwen het wellustigst, maar de mannen het zwakst, want Sirius verdroogt hun kracht in hoofd en knieën, hun lijf verschrompelt door de hitte. Dan hoop ik een schaduwplek dicht bij een rots te vinden, wijn uit Byblos, brood van gerstemeel, met melk gekneed, en melk van geiten zonder jong; vlees van een koe die in het bos geweid is en nog niet gekalfd heeft, en vlees van eerstgeboren bokjes; drinken wil ik de fonkelende wijn, gezeten in de schaduw, verzadigd met spijzen, en met mijn gezicht recht naar de frisse bries van Zephyrus gekeerd. Dan wil ik uit een stromende en frisse bron, die onvertroebeld is, een drietal maten vol met water mengen met een vierde maat wijn! Je slaven draag je op Demeter’s heilige graan in het rond te dorsen als Orion’s kracht verschijnt; gebruik een vlakke dorsvloer, waar de wind vrij spel heeft. Meet het met zorg in vaten af en ligt eenmaal je hele voorraad in je huis in goede orde, huur dan, raad ik je aan, een knecht, zonder gezin, en zoek een meid – maar zonder kind (met kalf is lastig). Houd ook een hond met scherpe tanden; wees royaal met voeren, dan zal niet op zeker ogenblik de slaper overdag je eigendommen stelen. Haal voer en strooisel binnen, dat je dag aan dag in overvloed aan os en muildier geven kunt. Laat dan je slaven pas van rust genieten en hun knieën strekken, maak pas dan je ossen los. Wanneer Orion en het gesternte Sirius het midden van de hemel raken en als Eos, met rozenvingers prijkend, Wachters licht aanschouwt, pluk dan de druiven, Perses. Neem ze mee naar huis en leg ze in de zon, tien dagen en tien nachten; daarna vijf dagen in de schaduw; schep de zesde de gave van de vreugderijke Dionysus in vaten over uit de kuip. Als de Plejaden, Hyaden en Orion’s kracht weer ondergaan, wees dan bedacht op zaaien op de juiste tijd; ik wens je dat het zaad onder de grond gedijt!

XXIII. Aanwijzingen voor de handelsvaart

XXIII; 733-819
Misschien krijgt het verlangen naar de ruwe zeevaart je in zijn greep? Bedenk dan dat, als de Plejaden, Orion’s stoere kracht ontvluchtend, zinken in de nevelige zee, in dat seizoen de vlagen van alle soorten winden op de zee tekeergaan! Laat dan geen schip de wijngekleurde zee bevaren, maar blijf je grond bewerken, denkend aan mijn raad, en trek je schip aan land. Leg stenen op een rij aan beide kanten: schutse tegen felle winden, die vochtig waaien. Trek de kielplug uit je schip, dan doet een regenbui van Zeus het hout niet rotten. Leg al het tuig in goede orde in je huis en vouw de vleugels van het zeedoorklievende schip zorgvuldig; hang de sterke stuurriem in de rook. Wacht rustig tot het goede vaarseizoen begint. Trek dan je snelle schip in zee, een lading van het juiste soort aan boord, zodat je winst naar huis brengt. Zo heeft mijn vader, die toch ook de jouwe was, jij, Perses, grote dwaas! de handelsvaart beoefend; hij ging er vaak op uit wanneer gebrek hem dwong. Eens voer hij hierheen, vanuit het Aeolische Cyme, het wijde water over op zijn donker schip. Het was niet voor de welvaart dat hij vluchtte, niet voor rijkdom of overvloed! Nee, voor de smadelijke armoede die Zeus de mensen geeft. Hij koos een nieuwe woonplaats dicht bij de Helicon, in Ascra, jammerdorp, ellendig ’s winters, kwellend ’s zomers, nooit verkwikkend. Houd, Perses, steeds bij wat je doet de juiste tijd voor ogen, maar vooral als het om scheepvaart gaat. Een klein schip moet je prijzen, in een groot schip laden, dan zal de vracht wel groter zijn, maar groter ook valt winst op winst je toe, wanneer althans de winden hun hachelijk vlagen niet op jouw schip richten. Je wilt je rusteloze geest op handel richten om schulden te ontkomen en de droeve honger? Ik toon je alle wetten van het bruisende zeenat, al ben ik niet geschoold in schepen en scheepvaart: nog nooit heb ik gevaren op de wijde zee, behalve toen ik naar Euboea ging uit Aulis, de plaats waar eens de Grieken in een lange winter veel krijgsvolk samenbrachten uit het heilige Hellas, dat mee zou gaan naar Troje, stad van mooie vrouwen. Dat was de plaats vanwaar ik overstak naar Chalcis om aan de strijd ter ere van Amphidamas, de dappere koning, mee te doen, want tal van prijzen hadden de zonen van die held daar uitgeloofd. Daar heb ik, zeg ik je, gewonnen met mijn voordracht; als prijs behaalde ik een drievoet met twee oren, die ik de Muzen op de Helicon gewijd heb, waar ik voor het eerst door hen tot klare zang gebracht werd. Zo weinig weet ik maar van schepen met veel pennen, maar toch zal ik de wil van Zeus, de Aegis-god, bespreken, want de Muzen hebben mij geleerd een lied van onbeperkte lengte voor te dragen. Niet meer dan vijftig dagen na de zonnewende, wanneer de zomer zich voltrekt, seizoen dat afmat, is scheepvaart voor de stervelingen aan te raden. Geen schip verspeel je dan, geen mannen brengt de zee ter dood, behalve als met voorbedachten rade Poseidon, aardeschokkende god, of Zeus, de vorst der eeuwigen, een schip te gronde willen richten, want zij bepalen ons succes en ongeluk. In die tijd zijn de winden vast, de zee is veilig; trek dan, vertrouwend op de wind, je snelle schip gerust in zee en breng de hele vracht aan boord. Maar haast je om zo snel je kunt naar huis te keren en wacht niet tot de nieuwe wijn of tot de regen van het laat seizoen noch tot de intocht van de winter en de gevreesde vlagen van de zuidenwind, die golven opzweept en met rijke najaarsregen van Zeus gepaard gaat en de zee gevaarlijk maakt.er zijn ook mensen die al varen in de lente: zodra men de blaadjes in de top van vijgenbomen ontdekt ter grootte van het spoor van ravenpoten, dan is de zee bevaarbaar: dat heet lentevaart, door mij niet aanbevolen, mij bevalt ze niet; het gevaar is groot, men moet er snel van profiteren. Toch wagen mensen in hun domheid zich eraan, want rijk te zijn is alles voor het arme mensdom. Afschuwelijk de dood te vinden in de golven. Ik raad je alles wat ik zeg goed te onthouden! Laad ook niet alles wat je hebt in holle schepen, maar laat het meeste thuis en breng de rest aan boord. Afschuwelijk op zee met averij te kampen, zoals het afschuwelijk is door al te zware lading een wagenas te breken en de vracht te verliezen. Let op de juiste midden. Maat is steeds het beste.

XXIV. Het huwelijk. Andere voorschriften

XXIV; 820-897
Breng op de juiste tijd een vrouw mee naar je huis, wanneer je bijna dertig bent of juist iets ouder, want dat geldt als de goede leeftijd om te trouwen, een bruid moet vier jaar vrouw zijn en in het vijfde trouwen. Trouw haar als maagd om haar gepast gedrag te leren. Trouw liefst een vrouw dicht uit de buurt, zodat je alles van alle kanten diepgaand onderzoeken kunt, want anders brengt dat trouwen buren leedvermaak. Een man kan zich niets beters dan een vrouw verwerven, althans een goede, maar niets ergers dan een slechte, een schrokop, die haar man, hoe sterk ook, op doet branden, ook zonder fakkel hem te vroeg tot grijsaard maakt. Heb eerbied voor het wrekende oog der zaligen. Ga met een vriend niet om als met een broer; doe je dat toch, laat dan van jou niets kwalijks uitgaan; spreek ook geen leugens tegen hem en vlei hem niet. Maar als hij jou in woord of daad als eerste krenkt, laat hem dan dubbel boeten en vergeet het niet. Als hij je desondanks opnieuw tot vriend wil maken en een vergoeding wil betalen, neem die aan! Als dwaas geldt hij die telkens andere vrienden heeft; laat ook geen wrok op jouw gezicht te lezen zijn. Zorg dat men je niet noemt ‘de man met vele gasten’ en evenmin ‘de man die nimmer gasten heeft’, niet ‘vriend der minsten’ noch ‘beschimper van adel’. Ga nooit zo ver een man te honen om zijn armoede, die marteling – maar gave van de eeuwigen. Een tong die spaarzaam is beschouwt men onder mensen als grootste schat; haar sieraad is gematigdheid. Wie lastert wordt al spoedig zelf nog meer belasterd. Wees niet ontstemd wanneer het maal veel gasten kent, gemeenschapsmalen zijn het vrolijkst – en goedkoopst. Pleng nooit des ochtends fonkelende wijn aan Zeus met ongewassen handen, noch aan andere goden, verhoren doen ze niet, ze walgen van zo’n bede. Niet rechtop wateren, niet naar de zon gekeerd, en evenmin al lopend op of naast de weg; en van zonsondergang tot –opgang zij daarbij je schaamte niet ontbloot: de nacht behoort de goden. Gehurkt doet het de vrome man die inzicht heeft, of in een goed omheinde hof tegen de muur. Ontbloot niet in je huis dicht bij de haard je schaamte als je met zaad bezoedeld bent, maar laat dat na. Verwek geen kind wanneer je thuiskomt van een droevige begrafenis, maar na een feestmaal voor de goden. Bezoedel nooit de monding van rivieren die naar zee toe stromen, noch hun bronnen, met je water of je ontlasting; laat dat, want het is niet goed. Steek nooit te voet het altijd stromend, prachtige water van de rivieren over zonder een gebed, je ogen op de mooie stroom gericht, je handen gewassen in de lieflijk glinsterende rivier. Wie zonder reiniging, met ongewassen handen, rivieren oversteekt, wordt door de wraak der goden gestraft met smart op smart, die zij hem later geven. Snijd bij een offermaal het dorre deel niet aan van het groene van de vijftak af met glanzend ijzer. Zet nooit de schenkkan op het wijnmengvat als men nog drinkt, want onheil is dan onafwendbaar. Laat nooit een huis onafgebouwd, want anders komt de kraai er zitten met zijn ongeluksgekras. Schep water niet uit onbesprengde vaten op voor maal of bad; ook daarop rust de straf der goden. Leg nooit een kleine jongen, slechts twaalf dagen oud, op wat men niet beroeren mag, dat is onjuist, want het ontneemt een man zijn mannelijke kracht; ook niet twaalf maanden oud, want daarvoor geldt hetzelfde. Was nooit als man je lijf in water van een vrouw, ook daarvoor treft je voor een tijd een bittere straf. Laat niet, als je bij toeval aan komt lopen bij het branden van een offer, je een grievend woord van hoon ontvallen, want ook dat bestraft de god. Doe zo en mijd het kwaad gerucht bij stervelingen. Het kwaad gerucht is licht om op te tillen, zeker, dat gaat makkelijk, maar pijnlijk om te dragen en moeilijk af te schudden, en niet één gerucht dat zoveel mensen over ons verspreiden, gaat geheel verloren. Ook Gerucht is een godin!

XXV. Gunstige en ongunstige dagen

XXV; 898-980
De dagen zijn van Zeus, dus neem ze goed in acht en naar behoren. Deel je slaven mee dat voor het toezicht op het werk, verdeling van het voedsel de dertigste de beste dag is van de maand, als hij tenminste deugdelijk berekend wordt. Nu zeg ik je de dagen van de wijze Zeus. Ten eerste zijn de eerste en de vierde heilig en ook de zevende, want op die dag bracht Leto Apollo, godheid met het gouden zwaard, ter wereld. Zo ook de achtste en de negende: die twee zijn evenwel bij het wassen van de maan bij uitstek geschikt voor ieder werk, door sterfelijken verricht. De elfde en de twaalfde dag zijn beide welgeschikt voor het schapen scheren en het binnenhalen van blijde oogst; toch heeft de twaalfde ruim de voorkeur. Want weet dat op die dag de spin haar webben spint, hoog in de lucht, voorbij de middag, in de tijd waarin het wijze dier zijn voedselvoorraad oogst. Op die dag moet een vrouw haar weefwerk gaan beginnen. Vermijd de dertiende vanaf het maandbegin voor zaaiwerk; wel is hij voor nieuwe aanplant gunstig. De zesde dag die in het midden van de maand valt, is voor de aanplant zeer ongunstig; wel geschikt voor de geboorte van een jongen; niet voor meisjes als het de geboorte of een huwelijk betreft. Maar ook de zesde dag vanaf het maandbegin is niet geschikt voor de geboorte van een meisje, wel is hij weer gepast om een bok of ram te lubben, een milde dag ook om een schaapskooi af te perken, uitstekend ook voor de geboorte van een man. Zo iemand houdt van spotternijen en van leugens, van vleitaal en van heimelijke fluisterwoorden. Castreer het everzwijn, het rund dat luidkeels loeit de achtste dag; de taaie ezel op de twaalfde. De grote twintigste, vooral het middaguur, ziet de geboorte van een man, begaafd met wijsheid; hij zal beveiligd zijn door inzicht en verstand. Uitstekend is voor de geboorte van een jongen de tiende dag; de vierde echter in het midden voor meisjes; ook is dat de dag om al het kleinvee, de ossen, waggelend van gang, met kromme horens, de hond met scherpe tanden en de taaie ezels te laten wennen aan de hand en tam te maken. Let nu goed op en laat niet op de vierde dag vanaf begin of eind je hart door smart verteren, want ik verzeker je dat deze dag volmaakt is. Breng op de vierde van de maand je bruid je huis in, maar raadpleeg eerst de vogels die daarvoor gepast zijn. Mijd vijfden, want ze zijn bezwaarlijk en ongunstig, want op de vijfde dag hielpen de Wraakgodinnen bij de geboorte van de Eed, zegt men, een god gebaard door Eris, ramp voor wie een meineed plegen. Spreid op de zevende van het midden van de maand met scherpe blik in het rond Demeter’s heilige graan de vlakke dorsvloer over; laat de man die houthakt dan balken kappen voor een huis en tal van planken als scheepshout, die geschikt voor kiel en spanten zijn. Begin de vierde met de bouw van slanke schepen. De negende van het midden is des avonds gunstig, de eerste negende voor de mensen vrij van onheil; voor planting en geboorte is hij zeer geschikt, voor man en vrouw; hij levert altijd wel iets goeds op. Slechts weinig mensen weten dat driemaal-negen de beste dag is van de maand om een nieuw vat te openen; om aan een juk te laten wennen e os; de ezel en het paard met snelle voet; om uit te varen in een schip met vele banken, de wijngekleurde zee op. Weinig mensen zijn het die van die dag de juiste naam weten te noemen. Open de vierde dag een vat; die van het midden is meer dan alle andere heilig; weinig mensen beseffen dat de eenentwintigste het best is bij dageraad; de avond echter is ongunstig. Al deze dagen zijn de mens, op aarde wonend, tot groot profijt. De andere zijn wisselvallig, maar niet ongunstig, want zij brengen niets: de een prijst deze dag en de ander weer een andere dag, deskundig zijn maar weinigen; door deze dagen wordt men stiefmoederlijk of moederlijk bedeeld. Gezegend en gelukkig achten wij de man die met deze kennis handelt en onschuldig is volgens het oordeel van de goden, vogeltekens nar waarde schat en elke overtreding mijdt.

© 2017 Maarten Hendriksz