Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Homerische Hymnen

Bron: theoi.com

Hesiod, Homeric Hymns, Epic Cycle, Homerica. Translated by Evelyn-White, H G. Loeb Classical Library Volume 57. Cambridge, MA, Harvard University Press; London, William Heinemann Ltd. 1914. Vertaald naar het Nederlands door Maarten Hendriksz 2013.

Hymne 1 t/m 3

1. Aan Dionysus

1; 1-9
…lacune… want sommige mensen zeggen, op Dracanum. En sommigen, op het winderige Icaria. En sommigen, op Naxos, O hemelgeborene, ingenaaide . En anderen dat Semele jou bij de hevig kolkende Alpheus aan Zeus de donderaar baarde. En weer anderen, heer, zeggen dat je in Thebe werd geboren. Maar dit zijn allemaal leugens. De Vader van de mensen en goden heeft je ver van de mensheid gebaard en in het geheim voor de witgewapende Hera. Er is een zekere Nysa, een uiterst hoge berg die rijkelijk is begroeid met bossen, ver weg in Phoenicië, vlakbij de stromen van Aegyptus. ...lacune…
1; 10-16
(Zeus die spreekt) …. ‘en de mensen zullen vele offers in haar tempels neerleggen. En daar deze zaken uit drieën bestaan, zo zullen stervelingen elke drie jaar op je festivals altijd perfecte hecatomben aan je offeren.’ De zoon van Cronus had gesproken en geknikt met zijn donkere voorhoofd. En de goddelijke lokken vielen voorover op zijn onsterfelijke hoofd, en hij liet de grote Olympus denderen. Zo sprak de wijze Zeus en bevestigde dit met een knik.
1; 17-20
Wees goedgezind, O ingenaaide, inspirator van uitzinnige vrouwen! Wij zangers zingen over jou als we beginnen en als we een eind aan een lied maken, en niemand die een heilig lied in gedachten neemt zal jou vergeten. En dus, vaarwel, Dionysus, ingenaaide, met je moeder die de mensen Thyone noemen.

2. Aan Demeter

2; 1-3
Ik ga zingen van de mooigelokte Demeter, ontzagwekkende godin – van haar en haar dochter met de slanke enkels die verrukt van Adonis was, aan hem gegeven door alziende Zeus de luidruchtige Donderaar.
2; 4-18
Gescheiden van Demeter, vrouwe van het gouden zwaard en heerlijke fruit, speelde ze met de rondborstige dochters van Oceanus en verzamelde bloemen in een lieflijke weide, rozen en krokussen en prachtige viooltjes, irissen en hyacinthen en de narcis, die de Aarde liet groeien op bevel van Zeus om de Gastheer van Velen te plezieren, en een valstrik te laten zijn voor het bloemenliefhebbende meisje – een prachtige, stralende bloem. Het was iets vreselijks om te zien voor zowel de onsterfelijke goden als de sterfelijke mensen. Uit haar wortels groeiden honderd bloemen en rook heerlijk zoet, zodat heel de weidse hemel erboven en de aarde en zoute zeewater zwollen van plezier. En het meisje was verbaasd en reikte met beide handen naar het liefelijke ding. Maar de uitgestrekte aarde gaapte daar in de vlakte van Nysa open, en de heer, Gastheer van Velen, met zijn onsterfelijke paarden sprong naar buiten – de zoon van Cronus, hij die vele namen heeft.
2; 19-32
Hij trok haar onwillig op zijn gouden wagen en nam haar huilend mee. Toen riep zij met schelle stem, haar vader aan, de zoon van Cronus, die hooggeboren en voornaam is. Maar niemand, noch van de onsterfelijke goden of de sterfelijke mensen, hoorde haar stem, noch de olijfbomen die rijke vruchten droegen. Alleen de zachtmoedige Hecate, met stralend haar, de dochter van Perses, hoorde het meisje in haar grot, en heer Helius, Hyperion’s stralende zoon, toen ze naar haar vader riep, de zoon van Cronus. Maar hij zat afzijdig, apart van de goden, in zijn tempel waar velen bidden, en ontving zoete offers van sterfelijke mensen. Dus hij, die zoon van Cronus, met de vele namen, die de Koning van Velen en Gastheer van Velen is, voerde haar met toestemming van Zeus weg op zijn onsterfelijke wagen – het kind van zijn eigen broer en geheel onvrijwillig.
2; 33-39
En zolang zij, de godin, de aarde en sterrenhemel en de stromende zee waarin vissen schuilen, en de stralen van de zon kon zien, en nog steeds haar lieve moeder hoopte te zien en de stammen van de eeuwige goden, zolang kalmeerde die hoop haar grootse hart vanwege al haar problemen …lacune… en de hoogten van de bergen en de diepten van de zee weerklonken van haar onsterfelijke stem. En haar koninklijke moeder hoorde haar.
2; 40-58
Bittere pijn trok door haar hart, en ze trok met haar lieve handen de sluier van haar goddelijke haar. Ze smeet de donkere mantel van haar schouders af en snelde, als een verschrikte vogel, over het stevige land en de meegevende zee, op zoek naar haar kind. Maar niemand wilde haar de waarheid vertellen, noch god of sterfelijke mens. En geen van de voorspellende vogels kwam met nieuws naar haar toe. Negen dagen lang zwierf koninklijke Demeter over de aarde met brandende toortsen in haar handen, zo bedroefd dat ze nimmer ambrozijn at of de zoete nectar dronk, nog haar lichaam besprenkelde met water. Maar toen de tiende dageraad was aangebroken, ontmoette zij Hecate, met toortsen in haar handen, die met haar sprak en het nieuws vertelde: ‘Koninklijke Demeter, bezorgster van seizoenen en rijke gaven, welke god uit de hemel of welke sterfelijke mens heeft jouw Persephone weggerukt en je lieve hart met verdriet doorboort? Want ik hoorde haar stem, maar zag met mijn ogen niet wie het was. Maar ik zal je kort en naar waarheid alles vertellen wat ik weet.’
2; 59-73
Dit zei Hecate dus. En de dochter van de mooigelokte Rhea antwoordde haar niet, maar snelde vlug met haar mee, met vlammende toortsen in haar handen. Zo kwamen zij bij Helius, die wachter is van zowel goden als mensen, en stonden voor zijn paarden. En de stralende godin vroegen hem: Helius, heb tenminste respect voor mij, godin die ik ben, als je hart of geest ooit heeft genoten vanwege een van mijn woorden of daden. Door de vruchteloze lucht hoorde ik de schrille kreet van mijn dochter die ik eens droeg, zoete telg van mijn lichaam en prachtig van gedaante, alsof ze met geweld werd gegrepen. Maar met men ogen zag ik niets. Maar jij – die met je stralen vanuit de bovenlucht naar beneden kijkt over heel de aarde en de zee – vertel me eerlijk over mijn lieve kind, als je haar ergens gezien hebt, welke god of sterfelijke mens tegen haar zin en die van mij geweld heeft gebruikt, en daarna maakte dat hij weg kwam.
2; 74-89
Zo sprak ze. En de zoon van Hyperion antwoordde haar: ‘Koningin Demeter, dochter van de mooiharige Rhea, ik zal je de waarheid vertellen. Want ik heb veel eerbied voor je en heb medelijden vanwege jouw verdriet om je dochter met de mooie enkels. Geen van de andere onsterfelijke goden treft de schuld, maar alleen wolkenverzamelaar Zeus die haar aan Hades schonk, zijn broer bij dezelfde vader, om zijn rondborstige vrouw te worden. Hades roofde haar en nam haar in zijn wagen luid schreeuwend mee naar benenden naar zijn rijk van nevel en duisternis. Maar, godin, staak je luide klaagzang en blijf niet ijdel onverbiddelijk kwaad. Aedoneus , de Koning van Velen, is geen ongeschikte echtgenoot onder de onsterfelijke goden voor jouw kind, hij is je eigen broer en geboren uit dezelfde stam. Ook, als eer, heeft hij een derde deel dat hij kreeg toen er aan het begin een verdeling werd gemaakt, werd benoemd als heer over degenen die daar wonen.’ Zo sprak hij, en klakte tegen de paarden. En op dit geluid trokken zij snel het voertuig, als wijdvleugelige vogels.
2; 90-112
Maar een nog verschrikkelijker verdriet en wilde woede troffen het hart van Demeter, en ze was zo boos op de donkerwolkige zoon van Cronus dat ze de verzamelde goden en de hoge Olympus vermeed, en naar de steden en rijke velden van de mensen ging, en zich lange tijd niet verzorgde. En geen van de mannen of rondborstige vrouwen herkende haar wanneer zij haar zagen, totdat ze bij het huis van de wijze Celeus kwam die heerste over het geurige Eleusis. Met een boos hart zat ze aan de kant van de weg, in de buurt van de Meisjesbron, waar de vrouwen van die plaats gewend waren om water te halen, op een schaduwrijke plek waarboven een olijvenstruik groeide. Ze zag er uit als een oude vrouw die de vruchtbare leeftijd en de geschenken van de kransliefhebbende Aphrodite ver achter zich had gelaten, net als de verzorgsters van koningskinderen die zich met rechtvaardigheid bezighouden, of als de huishoudsters in hun galmende zalen. Daar zagen de dochters van Celeus, zoon van Eleusis, haar, toen zij daar aankwamen om water te putten, om dat in bronzen kannen naar het huis van hun vader te brengen. Ze waren met z’n vieren en leken godinnen in de bloei van hun jeugd. Callidice, Cleisidice, de mooie Demo en Callithoe die de oudste van hen was. Zij kenden haar niet – want de goden worden niet eenvoudig herkend door stervelingen – maar spraken vlak bij haar staand de gevleugelde woorden:
2; 113-117
‘Oude moeder, vanwaar bent u en uit welk volk bent u lang gelden geboren? Waarom ben je uit de stad vertrokken en waarom blijf je niet in de buurt van de huizen? Want in de schaduwrijke zalen zijn vrouwen met dezelfde leeftijd als u, en andere jongeren. En zij zullen je welkome heten door woord en gedrag.’
2; 118-144
Dat zeiden zij. En zij, die koningin onder de godinnen antwoordde en zei: ‘Gegroet, lieve kinderen, wiens meisjes jullie ook zijn. Ik zal jullie mijn verhaal vertellen. Want het is niet ongepast dat ik jullie vertel wat je vraagt. Doso is mijn naam, die mijn statige moeder mij gaf. En ik ben over de weidse zee uit Kreta gekomen – onvrijwillig. Want piraten voerden mij tegen mijn wil daar met geweld vandaan. Vervolgens voeren zij met hun snelle vaartuigen naar Thoricus, en daar landden wij met een grote groep vrouwen, en ook mannen, op de kust, en begonnen zij maaltijden te bereiden bij de kabels van de achtersteven van het schip. Maar ik had geen trek in lekker eten, en vluchtte stiekem over het land in het donker aan de kapiteins, zodat zij mij niet onverkocht over zee konden vervoeren, om daar een prijs voor me maken. En dus wandelde ik en kwam hier aan, en ik weet niet welke land dit is en welke mensen erin wonen. Maar laat al degenen die op de Olympus wonen jullie echtgenoten schenken en vele kinderen gunnen als wens van de ouders, dus heb medelijden met mij, meisjes, en laat het duidelijk zijn zodat ik leer, lieve kinderen, naar welk huis of welke man en vrouw ik kan gaan, om vrolijk voor hen te werken met taken die bij een vrouw van mijn leeftijd horen. Ik kan goed een baby verzorgen, die in mijn armen houden, of het huishouden doen, of het bed van mijn meester opschudden in een nis van een mooigebouwde kamen, of vrouwen hun werk leren.’
2; 145-168
Dat zei de godin. Onmiddellijk antwoordde het ongetrouwde meisje Callidice, die het mooiste lichaam van Celeus’ dochters had, en zei tegen haar: ‘Moeder, wat de goden ons sturen, moeten wij stervelingen noodgedwongen dragen, hoewel we lijden, want zij zijn veel sterker dan wij. Maar nu zal ik je duidelijk inlichten, de namen vertellen van de mannen die hier veel macht en eer bezitten en leiders van het volk zijn, die onze met torens omringde stad beschermen met hun wijsheid en rechtvaardige beslissingen. Daar zijn de wijze Triptolemus en Dioclus en Polyxeinus en onberispelijke Eumolpus en Dolichus en onze dappere vader. Zij hebben allemaal vrouwen die hun huis beheren, en niemand van hen, zodra ze je zien, zal je onteren en je van het huis wegjagen, maar zullen je verwelkomen. Want je bent inderdaad goddelijk. Maar als je wilt, wacht hier. En wij zullen naar vaders huis gaan en Metaneira, onze rondborstige moeder, deze kwestie volledig vertellen, zodat ze u kan aanbieden om liever naar haar huis te komen dan naar dat van de anderen. Ze heeft één zoon, pasgeboren, die wordt verzorgd in ons mooigebouwde huis, een kind van vele gebeden en zeer welkom. Als je hem kunt grootbrengen tot hij volwassen is, zullen de jeugdige vrouwen je onmiddellijk benijden, dit geschenk zou onze moeder zeker bereid zijn te geven voor zijn opvoeding.
2; 169-183
Zo spraken ze. En de godin boog instemmend haar hoofd. En zij vulden hun glimmende kruiken met water en droegen die met vreugde weg. Ze kwamen snel bij het grote huis van hun vader en vertelden direct aan hun moeder wat zij gezien en gehoord hadden. Toen droeg zij hen op om vliegensvlug naar de vreemdelinge te gaan en haar uit te nodigen om een goedbetaalde betrekking aan te nemen. Als hinden of vaarzen in het voorjaar, wanneer die verzadigd zijn van het gras, genoten in een weide, zo holden zij, de plooien van hun mooie kleding ophoudend, naar beneden over het pad, en hun haren wapperden als krokussen over hun schouders. En zij vonden de godin aan de rand van de weg waar zij haar hadden achtergelaten, en leidden haar naar het huis van hun vader. Zij liep achter hen aan, diepbedroefd, met een gesluierd hoofd en een donkere mantel die boven de slanke voeten van de godin zwaaide.
2; 184-211
Ze kwamen al snel bij het huis van de hemelgekoesterde Celeus en gingen via de hal naar de plek waar de koningin meestal zat bij een zuil onder het goedsluitende dak, haar zoon vasthoudend, een lieve telg, aan haar boezem. En de meisjes renden naar haar toe. Maar de godin liep naar de drempel, en haar hoofd reikte tot aan het dak en zij vulde de deuropening met een hemelse straling. Eerbied, ontzag en een bleke angst grepen Metaneira aan, en ze stond op van haar bank voor Demeter, en vroeg haar om te gaan zitten. Maar Demeter, verzorgster van de seizoenen en bezorgster van perfecte geschenken, wilde niet gaan zitten op de heldere bank, maar bleef stil met haar lieflijke ogen terneergeslagen staan totdat Iambe zorgvuldig twee zetels voor hen neerzette waarover zij een zilverkleurige vacht wierp. Toen ging ze zitten hield ze met haar handen de sluier voor haar gezicht. Lange tijd zat ze vanwege haar verdriet zonder te spreken op de kruk, en groette niemand met een woord of teken, maar rustte, nooit lachend, en proefde geen eten of drinken, omdat ze wegkwijnde van verlangen naar haar rondborstige dochter, totdat de zorgzame Iambe – die haar stemmingen later ook plezier aandeed – de heilige vrouwe met veel grappen en scherts liet glimlachen en lachen en haar hart verblijde. Toen vulde Metaneira een beker met zoete wijn en gaf die aan haar. Maar zij weigerde die, en zei dat het voor haar niet geoorloofd was om rode wijn te drinken, maar verzocht hen om water en meel te mengen met zachte mint en haar dat te drinken te geven. En Metaneira mengde wat ze vroeg en gaf het aan de godin zoals ze gevraagd had. En zo nam de grote koningin Demeter het sacrament in ontvangst …lacune…
2; 212-223
En van hen allen begon de mooi geriemde Metaneira als eerste te spreken: ‘Wees gegroet, Vrouwe! Want ik denk dat je niet laag maar hoog geboren bent. Echte waardigheid en gratie schitteren in uw ogen zoals in de ogen van koningen die rechtspreken. Maar wij stervelingen dragen noodgedwongen wat de goden ons sturen, hoewel we bedroefd zijn, omdat zij een juk op onze rug gelegd hebben. Maar nu, sinds je hier bent gekomen, zul je krijgen wat ik je kan geven. Verzorg dit kind dat de goden me geschonken hebben op mijn oude leeftijd en waar ik niet meer op gehoopt had, een zoon waar veel voor gebeden is. Als je hem grootbrengt tot aan de volwassenheid, alle vrouwen die jou zien zullen je onmiddellijk benijden, en ik zal je een grote beloning geven voor zijn opvoeding.’
2; 224-230
De mooiharige Demeter antwoordde haar: ‘Ook u, vrouwe, wees gegroet, en mogen de goden u geluk brengen! Graag zal ik de jongen aan mijn borst leggen, zoals je me vroeg, en hem verzorgen. Nooit, dat beloof ik, zal ten gevolge van achteloosheid door deze verzorgster hem iets naars door hekserij of een andere belager overkomen. Want ik weet een middel dat sterker is dan dat, en ik ken een uitstekende bescherming tegen kwalijke hekserij.’
2; 231-249
Toen ze dit gezegd had, zette ze het kind met haar goddelijke handen aan haar geurige boezem, en vreugde kwam in het hart van zijn moeder. Zo verzorgde de godin Demophon in het paleis, de welgeschapen zoon van de wijze Celeus die de mooiomgorde Metaneira baarde. En het kind groeide als een onsterfelijk wezen, niet gevoed door voedsel noch gezoogd aan de borst. Want overdag zalfde rijkgekroonde Demeter hem met ambrosia alsof hij het kind van een god was en zoet ademde terwijl ze hem aan haar boezem hield. Maar ’s nachts lag ze hem als een houtblok in het vuur van de haard, zonder dat zijn lieve ouders het wisten. En een groot wonder geschiedde omdat hij sneller groeide dan zijn leeftijd, want hij was in aanwezigheid van de goden verkeerde. En ze zou hem onsterfelijk en leeftijdsloos gemaakt hebben, als mooiomgorde Metaneira niet eens ’s nacht achteloosheid de wacht hield vanuit haar geurige kamer en het gebeuren zag. Ze huilde en sloeg op haar twee heupen, omdat ze vreesde voor het leven van haar zoon en radeloos was. Ze jammerde en sprak de gevleugelde woorden: ‘Demophon, mijn zoon, die vreemde vrouw begraaft je diep in het vuur en bezorgt mij een bitter verdriet.’
2; 250-274
Zo sprak ze, rouwend. En de stralende godin, lieflijk gekroonde Demeter, hoorde haar, en was boos op haar. Dus griste zij met haar goddelijke handen de lieve zoon uit het vuur die Metaneira onverhoopt had gebaard in het paleis, en smeet hem voor haar op de grond. Want ze was vreselijk kwaad in haar hart. Onmiddellijk zei ze tegen de mooiomgorde Metaneira: ‘Jullie stervelingen zijn te dom en te saai om ver vooruit te kunnen zien, goed of slecht, het overkomt jullie. Want in je dwaasheid heb je de oude geneeskunst verstoord. Want – wees getuige van de eed der goden, bij het onvermurwbare water van de Styx – ik zou je lieve zoon onsterfelijk hebben gemaakt en leeftijdloos in al zijn dagen en hem vereerd hebben met eeuwigdurende roem, maar nu kan hij op geen enkele manier ontsnappen aan de Lotsgodinnen. Toch zal er altijd een niet aflatende roem op hem rusten, want hij lag op mijn knieën en sliep in mijn armen. Maar, als de jaren voortgaan en hij in de bloei van zijn leven komt, zullen de zonen van de Eleusiërs eeuwig oorlog voeren en voortdurend strijd met elkaar leveren. Zie! Ik ben die Demeter die in de eer deelt en de grootste steun en oorzaak is van de vreugde van de onsterfelijke goden en de sterfelijke mensen. Maar laat nu het volk bij de stad onderaan de steile muur op een hoge heuvel boven Callichorus een grote tempel bouwen met daarin een altaar. En ik zal zelf de riten onderwijzen, die jullie hierna eeuwig en eerbiedig kunnen uitvoeren om zo de gunst van mijn hart weer herwinnen .’
2; 275-280
Nadat ze zo had gesproken, veranderde de godin haar gedaante en uiterlijk, en wierp de ouderdom van zich af. Schoonheid verspreidde zich om haar heen en een heerlijk aroma waaide uit haar geurige gewaad, en van het goddelijke lichaam van de godin straalde licht in de verte, terwijl gouden lokken over haar schouders vielen, zodat het stevige huis gevuld werd door een schittering en wit licht als van bliksems. En zo vertrok ze uit het paleis.
2; 281-291
Onmiddellijk kon Metaneira zich weer bewegen maar bleef lange tijd sprakeloos en vergat haar pasgeboren zoon van de grond op te rapen. Maar zijn zussen hoorden zijn gejammer en sprongen uit hun mooi opgemaakte bedden. Een van hen nam het kind in haar armen en lag hem tegen haar boezem, terwijl een ander het vuur oprakelde, en de derde rende met zachte voeten om hun moeder uit haar geurige kamer te halen. En zij stonden om het spartelende kind en wasten hem, hem liefdevol omhelzend. Maar hij voelde zich niet getroost, omdat de meisjes hen veel minder vaardig vasthielden.
2; 292-300
Heel de nacht probeerden zij de roemrijke godin te sussen, trillend van angst. Maar, zodra de dageraad begon te gloren, vertelden zij de machtige Celeus alles wat er gebeurd was zonder feilen, zoals de mooi gekroonde godin Demeter hen opgedragen had. Dus riep Celeus de grote bevolking bijeen in een vergadering en verzocht hen een mooie tempel te bouwen voor de mooigekapte Demeter en een altaar te bouwen op de hoogoprijzende heuvel. En zij luisterden naar zijn stem en gehoorzaamden hem direct en snel, en deden wat hij bevolen had. En het kind, hij groeide als een onsterfelijk wezen.
2; 301-323
Toen men klaar was met het gebouw trokken zij zich terug van hun gezwoeg, en ging iedereen naar zijn eigen huis. Maar de blondharige Demeter zat daar afgezonderd van alle gezegende goden en bleef daar, treurend van verlangen naar haar rondborstige dochter. Ze veroorzaakte een uiterst afschuwelijk en wreed jaar voor de mensheid op heel de iedereen voedende aarde. De grond liet het zaad niet ontkiemen, want de rijkgekroonde Demeter hield het tegen. Op de velden trokken de ossen tevergeefs vele voren, en veel witte gerst werd zonder resultaat op het land ingezaaid. Zo zou ze het hele ras der mensheid met een wrede hongersnood hebben vernietigd en hen die op de roemvolle Olympus woonden hebben beroofd van hun glorieuze recht op het uitbrengen van geschenken en offers, als Zeus het niet had gezien en het in zijn hart merkte. Eerst stuurde hij de goudgevleugelde Iris naar de rijkharige Demeter, lieflijk van verschijning. Zo beval hij, en zij gehoorzaamde de donkerwolkige zoon van Cronus, en stak met snelle voeten de ruimte tussen hen in over. Ze kwam bij het welriekende bolwerk van Eleusis, en vond daar de donker bemantelde Demeter in haar tempel, sprak tegen haar en zei de gevleugelde woorden: ‘Demeter, vader Zeus, wiens wijsheid eeuwigdurend is, roept je om naar de verzamelde goden te komen, kom, en laat de boodschap die ik van Zeus breng niet ongehoorzaam passeren.’
2; 324-333
Zo sprak Iris smekend. Maar Demeter reageerde niet. Toen riep de Vader alle zalige en eeuwige goden bij zich, en zij kwamen, de een na de ander, en bleven haar roepen en boden vele zeer mooie geschenken aan en elk recht dat ze maar wilde hebben onder de onsterfelijke goden. Maar niemand was in staat om haar geest en wil te overtuigen, zo boos was ze in haar hart, en wees koppig al hun smeekbeden af. Want ze had gezworen nooit meer een voet op de geurige Olympus te zetten of vruchten uit de aarde te laten ontspringen, voordat ze haar dochter met het mooie gezicht met haar eigen ogen had gezien.
2; 334-346
Toen de allesziende donderende Zeus dit hoorde, zond hij de doder van Argus met zijn staf van goud naar de Onderwereld, om Hades met zachte overreding te overtuigen, dat hij de kuise Persephone naar boven moest leiden vanuit de mistige duisternis om zich bij de goden te voegen, zodat haar moeder haar kon zien met haar eigen ogen en af zou zien van haar woede. Hermes gehoorzaamde, verliet de woning op de Olympus, en sprong onmiddellijk met grote snelheid naar de verborgen plek van de aarde. En hij trof heer Hades aan in zijn huis zittend op een bank, met zijn verlegen echtgenote naast hem, uiterst onwillig, omdat ze naar haar moeder verlangde. Maar die was ver weg, broedend op haar wrede plan vanwege de daden van de gezegende goden. En de sterke doder van Argus kwam nader en zei:
2; 347-356
‘Donkerharige Hades, heerser over de overledenen, vader Zeus vraagt me om de nobele Persephone uit de Onderwereld naar de goden te brengen, zodat haar moeder haar kan zien met haar eigen ogen en afziet van haar vreeswekkende woede tegen de goden. Want ze voert een vreselijk plan uit, om de zwakke stammen der aardgeborenen te vernietigen door het zaad niet te laten ontkiemen in de aarde, om zo een einde te maken aan de verering van de onsterfelijke goden. Want ze wordt beheerst door een vreselijke woede en wil zich niet onder de goden mengen, zit afgezonderd in haar geurige tempel, en woont in de rotsachtige bergen om Eleusis.
2; 357-369
Zo sprak hij. En Aedoneus, heerser over de doden, glimlachte verbeten en gehoorzaamde aan het bevel van Zeus de koning. Want hij drong er direct bij de verstandige Persephone op aan, toen hij zei: ‘Ga nu, Persephone, naar je donkerbemantelde moeder, ga, voel vriendelijkheid voor mij in je hart, en wees niet zo buitengewoon terneergeslagen. Ik ben geen ongepaste man voor jou onder de onsterfelijke goden, want ik ben een broer van vader Zeus. En terwijl je hier bent, zul je heersen over alles dat leeft en beweegt en de grootste rijkdommen bezitten onder de onsterfelijke goden. Zij die je bedriegen en je macht niet erkennen met offers, of de riten niet eerbiedig uitvoeren en geen rijke geschenken geven, zullen eeuwig worden gestraft.’
2; 370-383
Nadat hij dit had gezegd, was de verstandige Persephone vervuld van vreugde en sprong van blijdschap snel op. Maar hij gaf haar stiekem een zaadje van de zoete granaatappel te eten, er zo voor zorgend dat zij niet voortdurend bij de sombere, donkerbemantelde Demeter kon blijven. Toen spande Aedoneus openlijk zijn onsterfelijke paarden voor de gouden wagen. En zij beklom het ruituig, en de machtige Doder van Argus nam de teugels en zweep in zijn lieve handen en reed weg uit de zaal, met snelle welwillende paarden. Vlug legden zij hun route af, noch zee of rivieren of grasrijke wieden en bergtoppen belemmerden de vaart van de onsterfelijke paarden, maar doorkliefden de weidse lucht toen zij voortgingen. En Hermes bracht hen naar de plek waar de rijkgekroonde Demeter verbleef en stopte bij haar welriekende tempel.
2; 384-404
Toen Demeter hen zag, rende ze als een Maenade op een dichtbeboste berghelling naar hen toe, terwijl Persephone aan de andere kant, toen ze haar moeders lieve ogen zag, het rijtuig met de paarden verliet, naar beneden sprong en naar haar toe rende, haar om de nek viel, en haar omarmde. Maar terwijl Demeter nog steeds het lieve kind in haar armen hield, voelde ze plotseling een trilling in haar hart, waarna ze zeer bevreesd stopte met haar dochter te knuffelen en direct vroeg: ‘Mijn kind, vertel me, weet je zeker dat je geen voedsel hebt gegeten terwijl je beneden was? Spreek op en verzwijg niets, maar laat het ons beiden weten. Want als je dat niet hebt gedaan, kun je terugkeren uit de afkerige Onderwereld en samenleven met mij en je vader, de donkerwolkige zoon van Cronus en geëerd worden door alle onsterfelijke goden. Maar als je voedsel hebt geproefd, moet je opnieuw terugkeren naar die geheime plaats onder de aarde, om daar een derde van elk jaar te wonen. Het andere tweederde deel moet je dan met mij en de andere onsterfelijke goden doorbrengen. Maar wanneer de aarde in de lente met geurige bloemen van elk soort bloeit, dan zul jij uit het rijk van de duisternis naar boven komen om opnieuw een wonder voor de goden en sterfelijke mensen te worden. en vertel me nu hoe hij je weggevoerd heeft naar het sombere rijk der duisternis, en door welke list de Heerser van Velen je bedroog?’
2; 405-433
De mooie Persephone antwoordde aldus: ‘Moeder, ik zal je alles zonder fouten vertellen. Toen gelukbrengende Hermes kwam, snelle boodschapper van mijn vader de zoon van Cronus en de andere Zonen van de Hemel, en gebood dat ik moest terugkeren uit de onderwereld zodat jij me met eigen ogen kon zien en zou afzien van je boosheid en verschrikkelijke wraak tegen de goden, sprong ik van vreugde op. Maar hij stopte stiekem voedsel in mijn mond, een zaadje van de granaatappel, en dwong het me tegen mijn wil op te eten. Ik zal ook vertellen hoe hij mij ontvoerde volgens het grote plan van mijn vader de Zoon van Cronus en me naar de diepte van de aarde leidde, en zal het helemaal vertellen zoals je vroeg. We waren met z’n allen aan het spelen in een mooie weide, Leucippe en Phaeno en Electra en Ianthe, Melite en ook Iache met Rhodia en Callirhoe en Melobosis en Tyche en Ocyrhoë, mooi als een bloem, Chryseïs, Ianeira, Acaste en Admete en Rhodope en Pluto en charmante Calypso. Ook Styx was daar en Urania en lieflijke Galaxaure met Pallas die strijd opwekt en Artemis genietster van pijlen. We speelden en verzamelden bloemen in onze handen, zachte krokussen gemengd met irissen en hyacinthen, en rozen en lelies, prachtig om te zien, en de narcis, die de aarde als een gele krokus laat groeien. Dat plukte ik in mijn plezier. Maar de aarde spleet onder mij open, en daar was de sterke heer, de Koning van Velen, die naar voren sprong en mij wegdroeg in zijn gouden rijtuig, onwillig, onder de grond. Toen schreeuwde ik met een schrille kreet. Dit is allemaal waar, maar het doet mij pijn om het verhaal te vertellen.’
2; 434-437
Dus omhelsden zij elkaar, één van geest, weer met veel warmte en nauw verbonden zielen, hun harten waren bevrijdt van hun verdriet terwijl zij elkaar over en weer blijdschap schonken.
2; 438-440
Toen kwam de blondgelokte Hecate naar hen toe, en omarmde de dochter van heilige Demeter vele malen, en sinds die tijd is vrouwe Hecate dienaar en metgezel van Persephone.
2; 441-458
En alziende Zeus stuurde een boodschapper naar hen toe, mooigekapte Rhea, om donkerbemantelde Demeter te halen om zich met de familie der goden te verenigen. En hij beloofde haar elk recht te schenken dat zij wilde onder de onsterfelijke goden en kwam overeen dat haar dochter een derde deel van een jaar in de duisternis en somberheid moest wonen, maar voor tweederde van het jaar bij haar moeder en de andere onsterfelijke goden zou wonen. Zo beval hij. En de godin was niet ongehoorzaam aan de boodschap van Zeus. Snel rende ze naar beneden vanaf de pieken van de Olympus en kwam bij de vlakte van Rharus, ooit eens rijk en overvloedig graanland, maar nu niet vruchtbaar, want het lag er volstrekt nutteloos bij en er was geen blad zichtbaar, omdat het witte graan van Demeter met de slanke enkels niet mocht groeien. Maar later, toen de lente kwam opzetten, stond zij al snel vol met wuivende korenaren, en vulde de rijke voren op de grond met graan, terwijl anderen al tot schoven werden samengebonden. Daar landde ze als eerste uit de onvruchtbare bovenlucht, en de godinnen verheugden zich om elkaar te zien.
2; 459-469
Toen zei de blondharige Rhea tegen Demeter: ‘Kom, mijn dochter. De van verre ziende donderende Zeus roept je om weer lid te worden van de familie der goden, en hij heeft beloofd om je elk recht dat je vraagt te geven onder de onsterfelijke goden, en heeft ingestemd dat voor eenderde deel van het jaar je dochter beneden naar de duisternis en somberheid zal gaan, maar voor tweederde van het jaar bij jou en de andere onsterfelijke goden zal verblijven. Zo heeft hij verklaard dat het zal gebeuren en als teken met zijn hoofd geknikt. Maar kom, mijn kind, gehoorzaam, en wees niet te onverbiddelijk boos op de donkerwolkige Zoon van Cronus. Maar laat liever het graan sneller groeien dat de mensen leven verschaft.
2; 470-482
Zo sprak Rhea. En rijkgekroonde Demeter weigerde niet maar liet onmiddellijk het leven weer ontspruiten op de rijke gronden, zodat heel de aarde weer was bedolven onder bladeren en bloemen. Toen vertrok ze, en ging naar de koningen die rechtvaardig waren, Triptolemus en Diocles, de ruiter, en naar de dappere Eumolpus en Celeus, leider van het volk, ze leerde hen haar riten en onderwees ze al haar Mysteriën, en ook aan Triptolemus en Polyxeinus en Dioclus, - vreselijke geheimen die niemand ooit op enige wijze mag overtreden of tonen of bekendmaken, want diep ontzag voor de goden controleert de stem. Gelukkig is degene op aarde die deze Mysteriën heeft gezien. Maar hij die oningewijd is en er geen deel aan neemt, heeft nooit veel aandeel aan goede dingen wanneer hij dood is, beneden in de duisternis en somberheid.
2; 483-489
Maar toen de stralende godin hen allen had onderwezen, ging zij naar de Olympus om zich bij de andere goden te voegen. En daar woonde ze naast Zeus die van de donder houdt, ontzagwekkende en eerbiedwaardige godin. Degene onder de mensen op aarde die zij waarlijk liefheeft is rijk gezegend, en Plutus als gast naar zijn grote huis stuurde, Plutus die rijkdom aan de sterfelijke mensen geeft.
2; 490-494
En nu, koningin van het mooie land van Eleusis en zeeomspoelt Paros en rotsachtig Antron, vrouwe, schenkster van goede gaven, bezorgster van de seizoenen, koningin Demeter, wees genadig, u en uw beeldschone dochter Persephone, en gun me stof om te juichen over voor mijn lied. Nu zal ik aan je denken en ook aan een ander lied.

3a. Aan Apollo van Delos

3a; 1-18
Ik zal niet achteloos of onverschillig zijn over Apollo die van ver schiet. Wanneer hij door het huis van Zeus gaat, sidderen de goden voor hem en springen op van hun zetels wanneer hij dichterbij komt, en zijn lichte boog spant. Maar Leto alleen blijft staan aan de zijde van Zeus die van de donder houdt. Dan ontspant ze zijn boog, sluit zijn pijlenkoker, en neemt met haar handen het schietgerei van zijn sterke schouders en hangt dat aan een gouden pen tegen een kolom in het huis van zijn vader. Daarna leidt ze hem naar een stoel en laat hem zitten. En de Vader geeft hem nectar in een gouden beker en verwelkomt zijn geliefde zoon, terwijl de andere goden hem daar rustig laten zitten, en koninklijke Leto zich verheugt omdat zij een machtige zoon en boogschutter gebaard heeft. Verheug je, gezegende Leto, want je hebt roemvolle kinderen gebaard, de heer Apollo en Artemis die van pijlen genieten. Zij in Ortygia, en hij in het rotsachtige Delos, terwijl jij op de Cynthus zwaar leunde tegen een palmboom bij de rivier Inopus.
3a; 19-29
Hoe, dan, zal ik van u zingen, die op alle mogelijke manieren het onderwerp van een lied waardig is? Want overal, O Phoebos, is een scala van liederen aan u opgedragen, zowel op het vasteland dat vaarzen grootbrengt als op de eilanden. Alle bergtoppen en hoge kapen van voorname heuvels en rivieren die naar zee stromen en stranden die naar zee hellen en de zeehavens, scheppen behagen in u. Zal ik zingen hoe Leto u als eerste baarde tot vreugde van de mensheid, terwijl zij steunde tegen de berg Cynthus op dat rotsachtige eiland, in zeeomspoeld Delos – terwijl aan beide zijden de golven landwaarts rolden door de fluitende winden – vanwaar jij opstond om te heersen over alle sterfelijke mensen?
3a; 30-50
Onder degenen die op Kreta woonden, en in de stad Athene, en op de eilanden van Aegina en Euboea, beroemd om haar schepen, in Aegea en Eiresiae en Peparethus vlak bij de zee, in het Thracische Athos en op Pelion’s oprijzende hoogte en Thracische Samos en in de beschaduwde heuvels van de Ida, in Scyros en Phocaea en op de hoge heuvel van Autocane en het mooi gelegen Imbros en het smeulende Lemnos en op rijk Lesbos, huis van Macareus, de zoon van Aeolus, en op Chios, stralendste van alle eilanden die in de zee liggen, en grillig Mimas en op de hoogten van Corycius en glanzend Clarus en de heldere heuvel van Aesagea en het natte Samos en de steile hoogte van Mycale, in Miletus en Cos, de stad van de Meropianen, en steil Cnidus en winderig Carpathos, in Naxos en Paros en rotsachtig Rheneia – want daar zwierf Leto overal terwijl zij in barensnood verkeerde van de god die van ver schiet, om te zien of een land bereid was om haar zoon op te nemen. maar zij beefden allen van angst en vreesden, en niemand, zelfs niet de rijksten van hen, durfden Phoebos op te nemen, totdat koninklijke Leto voet aan de grond zette op Delos en zij met gevleugelde woorden vroeg:
3a; 51-61
‘Delos, ben jij bereid om mijn zoon Phoebos Apollo een thuis te bieden en een mooie tempel voor hem te bouwen -, want niemand anders wil op je wonen, zoals je merkt. En ik denk dat je nooit rijk aan ossen en schapen zult zijn, of een wijnoogst zult voortbrengen en dat je ook niet uitbundig planten produceert. Maar als je eenmaal de tempel van de verschietende Apollo bezit, zullen alle mensen je een offer van honderd stieren brengen en zich hier verzamelen, en je zult onophoudelijk genieten van rijke offers, en diegenen die op je wonen zul je voeden via de handen van vreemdelingen. Want voorwaar je eigen bodem is niet rijk.’
3a; 62-82
Zo sprak Leto. En Delos verheugde zich en antwoordde: ‘Leto, meest roemvolle dochter van de grote Coeus, met alle plezier zal ik jouw kind, de van verre schietende heer, ontvangen. Want het is waar dat onder de mensen slecht over mij gesproken wordt, en ik hierdoor veel roem zal vergaren. Maar dit gezegd hebbende ben ik bang, ik zal het niet voor je verborgen houden, Leto. Ze zeggen dat Apollo een zeer hooghartige man zal worden en de baas zal spelen over de goden en mensen van heel de vruchtbare aarde. Daarom vrees ik met hart en ziel dat zodra hij het levenslicht heeft aanschouwd, dit eiland zal minachten – heus, want ik heb alleen maar een harde, rotsachtige bodem – en mij ondersteboven zal keren en met zijn voet wegduwen in de diepten van de zee. Dan zal de grote oceaan voor eeuwig over mijn hoofd stromen, en hij zal naar een ander land gaan dat hem aanstaat, om daar een tempel te bouwen bij dichtbegroeide bosjes. Dan zullen de veelvoetige schepselen der zee hun holen in mij maken en kunnen zwarte zeehonden ongestoord op mij huizen, omdat er geen mensen zijn. Maar als je een dure eed wil en durft te zweren, godin, dat hij eerst een roemvolle tempel op mij zal bouwen die orakels uitspreekt voor de mensen, mag hij daarna voor de mensheid een tempel bij dichtbegroeide bosjes bouwen waar hij maar wil. Want hij zal zeker wijd en zijd beroemd worden.’
3a; 83-88
Zo sprak Delos. En Leto zwoer de zwaarste eed der goden: ‘Luister nu, Aarde en weidse Hemel hierboven, en het druppelende water van de Styx (dit is de sterkste en meest ontzagwekkende eed van de gezegende goden), voorwaar zal Phoebos hier zijn geurige altaar en heiligdom hebben, en jij zult door hem boven alle anderen vereerd worden.’
3a; 89-101
Toen Leto gezworen en haar eed beëindigd had, was Delos zeer verheugd over de geboorte van de verschietende heer. Maar Leto werd negen dagen en negen nachten gepijnigd door meer dan verschrikkelijke weeën. En bij haar waren de belangrijkste godinnen, Dione en Rhea en Ichnaea en Themis en luid kreunende Amphitrite en de andere onsterfelijke godinnen uitgezonderd Hera, die in de zaal van wolkenverzamelende Zeus zat. Alleen Eileithyia, godin van de moeilijke bevallingen, had niet van Leto’s problemen gehoord, want zij zat op de top van de Olympus onder de gouden wolken bij de bekokstovende witarmige Hera, die haar uit afgunst dichtbij zich hield, omdat Leto met de mooie vlechten binnenkort zou bevallen van een gezonde en sterke zoon.
3a; 102-114
Maar de godinnen stuurden Iris van het stevig verankerde eiland om Eileithyia te gaan halen, haar een mooie grote ketting belovend die met gouden draden geregen was, negen el lang. En zij droegen Iris op haar weg te roepen bij de witarmige Hera, zodat ze achteraf er niet met praatjes onderuit zou kunnen komen. Toen snelle Iris, lichtvoetig als de wind, dit alles gehoord had, begon ze te rennen. En snel de afstand overbruggend kwam ze bij het huis van de goden, de steile Olympus, en riep onmiddellijk Eileithyia uit de zaal naar de deur en sprak gevleugelde woorden, haar alles vertellend wat de godinnen die op de Olympus wonen haar hadden opgedragen. Zo beroerde ze het hart van Eileithyia in haar lieve borst, en gingen zij op weg, zoals verlegen wilde duiven tijdens hun vlucht.
3a; 115-122
En zodra de godin van de bevalling Eileithyia voet aan de grond had gezet op Delos, werd Leto door persweeën overvallen, en verlangde ernaar om te bevallen. Dus sloeg ze haar armen om een palmboom en knielde op de zachte weide terwijl de aarde onder haar van plezier lachte. Toen schoot het kind tevoorschijn in het licht, en alle godinnen wasten jou schoon met zoet water, en hulden je in een wit gewaad van fijne structuur, nieuw geweven, en deden een gouden band om je heen.
3a; 123-132
Leto gaf Apollo, drager van het gouden zwaard, niet de borst. Maar Themis gaf je met haar goddelijke handen nectar en ambrosia zoals het hoort. En Leto was blij omdat ze een sterke zoon en boogschutter had gebaard. Maar zodra je het goddelijke en hemelse voedsel had geproefd, O Phoebos, was je niet meer te houden door gouden koorden of beperkt worden met banden, en werden al hun einden losgemaakt. Onmiddellijk sprak Phoebos Apollo zich uit tussen de onsterfelijke godinnen: ‘De lier en de gekromde boog zullen altijd dierbaar voor mij zijn, en ik zal de onfeilbare wil van Zeus aan de mensheid verkondigen.’
3a; 133-139
Dat zei Apollo, de langharige god die van verre schiet en begon over de weidse aarde te lopen. En alle godinnen waren verbaasd over hem. En Delos werd van vreugde met goud overladen, het kind van Zeus en Leto aanschouwend, want de god verkoos haar boven alle andere eilanden en koos ervoor om daar zijn huis te bouwen. En in haar hart hield ze nog meer van hem, en bloeide zoals een bergtop met bosbloemen.
3a; 140-164
En jij, O heer Apollo, god van de zilveren boog, van verre schietende, liep nu over de rotsachtige Cynthus, en zwierf over het eiland en onder de mensen die er op leefden. Je bezit veel tempels bij dichtbegroeide bosjes, en alle pieken en hoge bergen en rivieren die naar zee stromen zijn je lief, Phoebos, maar in Delos verblijf je toch het liefst. Want daar komen de langgemantelde Ioniërs met hun kinderen en verlegen vrouwen bijeen om jou te eren. Indachtig, verheugen zij u met hun spelen en dansen en liederen, zo vaak als zij hun bijeenkomsten houden. Een mens zou denken dat zij onsterfelijk en leeftijdloos waren als hij naar de Ioniërs toe zou gaan om ze te ontmoeten. Want dan zou hij de gratie van hen allen zien, en zich verheugen wanneer hij in de harten van de mannen en de goedgeriemde vrouwen zou kijken met hun snelle schepen en grote rijkdom. En daarnaast is nog een ander groot wonder – en die faam zal nooit verloren gaan – de meisjes van Delos, dienstmaagden van de Ver Schietende. Want als zij Apollo als eerste hebben geprezen, en ook Leto en Artemis die van pijlen houdt, zingen zee een verhaal over het ras van de mannen en vrouwen uit de oude tijd, en bekoren de stammen der mensen. Zij kunnen ook de talen van alle mensen imiteren en hun klepperende spraak. Iedereen zou denken dat hijzelf zong, zo dicht bij de waarheid is hun zoete lied.
3a; 165-178
En nu Apollo Artemis goedgezind is, vaarwel aan jullie maagden. Herinner mij later wanneer iemand van de mensen op aarde, een vreemdeling die veel gezien en geleden heeft, hier komt en je vraagt: ‘Wie denk je, meisjes, is de beste zanger die hier komt, en die je de meeste vreugde schenkt?’ Dan zal iedereen met één stem antwoorden: ‘Dat is een blinde man, die woont in het rotsachtige Chios. Zijn liederen zijn altijd buitengewoon.’ En wat mij betreft, ik zal je roem uitdragen over de aarde naar de goed gesitueerden dat is waar. En ik zal nooit aflaten om de Verschietende Apollo te loven, god van de zilveren boog, die de rijkharige Leto baarde.

3b. Aan de Pythische Apollo

3b; 179-181
O Heer, Lycië is van jou en lieflijk Maeonië en Milete, lieflijke stad bij de zee, maar over het zeeomspoelde Delos regeer je in hoogsteigen persoon.
3b; 182-206
Leto’s roemvolle zoon gaat naar het rotsachtige Pytho, spelend op zijn holle lier, in goddelijk geurende kleding gekleed. En door de aanraking van zijn gouden snaren zingt zijn lier zoet. Vandaar, snel als de gedachte, snelt hij van de aarde naar de Olympus, naar het huis van Zeus, om zich onder de verzamelde goden te mengen. Onmiddellijk denken de onsterfelijke goden alleen nog maar aan de lier en zingen, samen met de Muzen, stemmen die elkaar lieflijk aanvullen, over de oneindig plezierige gaven van de goden en het lijden van de mensen, alles dat zij moeten doorstaan ten gevolge van de onsterfelijke goden, en hoe zij onwetend en hulpeloos leven en geen genezing voor de dood kunnen vinden of een medicijn tegen ouder worden. Ondertussen dansen de Gratiën met hun vele vlechten en de vrolijke Seizoenen met Harmonia en Hebe en Aphrodite, dochter van Zeus, elkaar bij de polsen vasthoudend. En onder hen zingt er één, niet middelmatig of zwak, maar verheven om naar op te zien met een benijdenswaardige gezichtsuitdrukking, Artemis die van pijlen houdt, zus van Apollo. Tussen hen in beweegt Ares en de scherp van oog zijnde Doder van Argus, terwijl Apollo op zijn lier speelt als een ware kunstenaar en er lichtstralen om hem heen schijnen, en een glans van zijn voeten en fijngeweven vest. En zij, zelfs goudharige Leto en wijze Zeus, verheugen zich in hun harten wanneer zij hun lieve zoon zien spelen onder de onsterfelijke goden.
3b; 207-228
Hoe zal ik je bezingen – hoewel je in alle opzichten een waardig thema voor een lied bent? Zal ik over je zingen als vrijer op het gebied van de liefde, hoe je achter de dochter van Azan aanging samen met de op een god lijkende Ischys de zoon van de vele paardenbezittende Elatus, of met Phorbas die voortkwam uit Triops, of met Ereuthes, of met Leucippus en de vrouw van Leucippus …lacune… jij te voet, hij met zijn rijtuig, hoewel hij niet verloor van Triops. Of zal ik zingen over hoe je in het begin over de aarde zwierf op zoek naar een orakelplaats voor de mensen, O verschietende Apollo? Je ging vanaf de Olympus eerst naar Pieria en kwam voorbij het zanderige Lectus en Aenus en door het land van de Peraebiërs. Weldra kwam je in Iolcus en zette voet aan de grond op Cenaeüm in Euboea, beroemd om zijn schepen. Je stond op de Vlakte van Lelantine, maar het schiep geen vreugde in je hart om daar een tempel bij beschaduwde bosjes op te richten. Daarvandaan stak je over naar Euripus, verschietende Apollo, en besteeg de groene, steile heuvels, ging naar Mycalessus en het groenbegroeide Teumessos, en kwam zo bij de met hout beklede verblijfplaats van Thebe. Want er leefde nog geen mens in het heilige Thebe, noch liepen er al sporen of wegen over de graanrijke vlakte van Thebe.
3b; 229-238
En je ging maar door, O verschietende Apollo, en kwam bij Onchestus, Poseidon’s heldere bos. Daar kreeg je keurige strijdwagen door de ingevallen koude nieuwe bezieling, en de ervaren bestuurder sprong van zijn wagen en ging te voet verder. De paarden trokken een poosje een leeg rijtuig, bevrijd van hun menner. Toen zij met het rijtuig in het dichtbegroeide bos vastliepen, verzorgden mensen de paarden, maar kantelden het rijtuig en lieten het daar achter. En dit was de eerste rite. En de menners baden tot de heer van het heiligdom. Maar het rijtuig verviel aan de wil van de god.
3b; 239-243
Verder trok je, O verschietende Apollo, en bereikte vervolgens Cephissus’ mooie rivier die zijn zoete water laat voortstromen uit Lilaea, en nadat je die overgestoken was, O zwoeger van verre, passeerde je Ocalea met haar vele torens en bereikte het grasrijke Haliartus.
3b; 244-253
Daarna ging je naar Telphusa . En daar leek een plezierige plek geschikt voor het oprichten van een tempel en beschaduwde bosjes. Je kwam vlakbij en zei tegen haar: ‘Telphusa, hier ben ik van plan een glorieuze tempel op te richten, een orakel voor de mensheid, en van heinde en verre zullen zij offers van honderd stieren brengen, zowel degenen die op de rijke Peloponnesus wonen als die uit Europa en allen van de door de golven omspoelde eilanden, om het orakel te bezoeken. En ik zal hen allen een foutloos adviseren, antwoordend in mijn rijke tempel.’
3b; 254-276
Dat zei Apollo, en begon met de funderingen aan te leggen, breed en heel lang. Maar toen Telphusa dit zag, werd ze boos en sprak: ‘Heer Phoebos, zwoeger van verre, ik zal je een waar advies geven, daar je van plan bent om hier een tempel als orakel te bouwen voor de mensen die altijd perfecte offers van honderd stieren aan je brengen. Maar nu zal ik niet langer zwijgen, en neem mijn woorden goed ter harte. Het getrappel van de snelle paarden en het geluid van de muildieren die in mijn heilige bronnen wateren zullen jou altijd ergeren, en de mensen zullen zich bij je prachtige heiligdom vergapen aan de mooigemaakte strijdwagens en stampende, snelvoetige paarden en de vele schatten die zich daarin bevinden. Maar als je naar mij wilt luisteren – want jij, heer, bent sterker en machtiger dan ik, en je kracht is erg groot – bouw dan in Crisa op een open vlakte onderaan de Parnassus. Daar zullen geen stralende wagens komen, en daar zal het geluid van snelvoetige paarden niet weerklinken vlak bij je mooigemaakte altaar. Maar de roemrijke stammen der mensen zullen jou menig geschenk brengen als Iepaeon (Gezegende Genezer), en je zult met genoegen de rijke offers in ontvangst nemen van de mensen die er in de buurt wonen.’ Zo zei Telphusa, dat alleen zij, en niet de Van verre Schietende, daar bekendheid zou genieten. En ze overtuigde de Verschietende.
3b; 277-293
Verder trok je, verschietende Apollo, totdat je bij de stad van de aanmatigende Phlegyers kwam die op een mooie open plek vlakbij het Cephissische Meer wonen, die zich niet om Zeus bekommerden. Van daar ging je snel naar een bergkam, en kwam bij Crisa onderaan de besneeuwde Parnassus, een uitloper die naar het westen uitliep. Er hangt een klif boven, en eronder is een holle, ruige open plek. Daar besloot de heer Phoebos Apollo zijn mooie tempel te maken, en aldus zei hij: ‘Op deze plek ben ik van plan om een roemvolle tempel te bouwen en een orakel voor de mensheid te zijn, en hier zullen zij eeuwig perfecte offers van honderd stieren brengen, zowel zij die op de rijke Peloponnesus wonen als degenen uit Europa en van de zeeomspoelde eilanden, om me vragen te stellen. En ik zal hen allemaal onfeilbaar advies geven, terwijl ik hen beantwoord in mijn tempel.’
3b; 294-299
Nadat hij dit gezegd had, legde Phoebos Apollo de funderingen aan, breed en erg lang. En hierop maakten de zoons van Erginus, Trophonius en Agamedes, geliefd door de onsterfelijke goden, een grondslag van steen. En de talloze stammen der mensen bouwden een complete tempel van mooi bewerkte stenen, om bezongen te worden in de eeuwigheid.
3b; 300-310
Maar vlakbij was een lieflijk stromende bron, en daar doodde de heer, de zoon van Zeus, met zijn boog, de reusachtige vrouwtjesslang, een groot monster dat veel onheil veroorzaakte onder de mensen op aarde, voor de mensen zelf en hun slankpotige schapen, want ze was een zeer bloedige plaag. Zij was het die eens de felle, wrede Typhon van de goudgetroonde Hera ontving, en grootbracht om een plaag voor de mensheid te worden. Hera baarde hem eens omdat zij boos was op vader Zeus, toen deze de roemvolle Athena uit zijn hoofd baarde. Daarop werd koninklijke Hera boos en sprak tot de verzamelde goden:
3b; 311-330
‘Hoor mij aan, goden en godinnen, hoe wolkenverzamelende Zeus mij moedwillig te schande begint te maken, nadat hij mij tot zijn ware vrouw maakte. Zie nu, zonder mij heeft hij het leven geschonken aan helderogige Athene, meestvooraanstaande onder alle gezegende goden. Maar mijn zoon Hephaistus die ik baarde was een zwakkeling onder de gezegende goden en slecht ter been, een schande voor mij in de hemel, die ik met mijn eigen handen greep en wegwierp zodat hij in de zee viel. Maar zilver geschoeide Thetis, de dochter van Nereus, met haar zusters ontfermden zich over hem. Ik wou dat ze een andere dienst aan de gezegende goden geleverd had! O goddeloze en kunstnijvere! Wat zal je nu weer bedenken? Hoe durfde je zelf te bevallen van de helderogige Athena? Zou ik jou geen kind geschonken hebben – ik, die onder de onsterfelijke goden in de weidse hemel tenminste je vrouw genoemd wordt. Kijk uit op dat ik hierna niet iets slecht iets voor jou verzin. Ja, ik zal nu een zoon baren die de voornaamste onder de onsterfelijke goden zal worden - en dat zonder schande te brengen over het heilige huwelijk tussen jou en mij. Ik zal niet naar jouw bed komen, maar ik zal samenliggen met de gezegende goden die ver van je verwijderd zijn.’
3b; 331-339
Nadat ze dit gezegd had, verliet ze de goden, zeer kwaad. Direct daarna bad de grootogige koninklijke Hera, sloeg op de grond met haar open hand, en zei: ‘Hoor mij aan, ik bid, Aarde en Hemel daarboven, en jullie Titanengoden die beneden in de aarde in de Tartarus wonen, uit wie zowel de goden als de mensen voorgekomen zijn! Luisteren jullie nu naar mij, allemaal, en gun mij dat ik los van Zeus een kind zal baren, die in kracht niet voor hem onderdoet – nee, laat hem net zoveel sterker zijn dan Zeus als de alziende Zeus sterker was dan Cronus.’
3b; 340-361
Zo riep ze en sloeg op de aarde met haar sterke hand. Toen bewoog de levenbrengende aarde. En Hera zag het en was verheugd, want ze dacht dat haar gebed vervuld was. Daarna kwam ze een jaar lang niet naar het bed van de wijze Zeus, ging niet net als voorheen in haar gebeeldhouwde stoel zitten om met hem te overleggen, maar bleef in haar tempels waar velen voor haar baden, zich verheugend in hun offers, die grootogige koninklijke Hera. Maar toen de maanden en dagen waren vervuld en de seizoenen naar behoren op de aarde voortbewogen, baarde ze iets dat geen god of sterfelijk mens was, maar beviel van de felle, wrede Typhon, om een plaag voor de mensheid te worden. Onmiddellijk nam de grootogige koninklijke Hera hem op en bracht het ene slechte ding naar het andere, en gaf hem aan de vrouwtjesdraak, die hem ontving. En deze Typhon veroorzaakte veel ellende onder de beroemde stammen der mensen. Wie de vrouwtjesdraak ook maar ontmoette, werd door het noodlot weggevaagd, totdat heer Apollo, die van verre de dood bracht, een stevige pijl op haar afschoot. Toen lag ze daar, gekweld door bittere pijnen, naar adem happend en over de plek rollend. Een verschrikkelijk onuitsprekelijk geluid zwol omhoog toen ze voortdurend heen en weer kronkelde tussen de bomen, en zo verliet het leven haar, met bloedige ademtochten.
3b; 362-369
Toen snoefde Phoebos Apollo boven haar: ‘Rot nu hier op de grond die de mensheid voedt! Jij zult tenminste niet meer leven om een vloek voor de mensheid te zijn die de vruchten eten van de allen voedende aarde, en die ginds volmaakte offers van honderd stieren zal voortbrengen. Noch Typhon of de beruchte Chimaera kunnen jou kunnen helpen tegen de wrede dood, maar hier zullen de Aarde en stralende Hyperion je laten rotten.’
3b; 370-374
Dat zei Phoebos, boven haar jubelend, en duisternis kwam over haar ogen. En de heilige kracht van Helius lieten haar daar wegrotten. Hierdoor wordt de plek nu Pytho genoemd, en Apollo wordt door de mensen Pythische genoemd, omdat op die plek de kracht van doordringende Helius het monster lieten wegrotten.
3b; 375-381
Toen zag Apollo dat de zoetstromende bron hem had bedrogen, en ging kwaad op weg naar Telphusa. Weldra kwam hij bij haar aan, en zei, dichtbij haar staand: ‘Telphusa, achteraf bezien, wilde jij deze mooie plek voor jezelf houden, en misleidde mijn geest, en je helder stromende water hier uit blijven storten. Hier zal ik ook beroemd zijn en niet alleen jij?
3b; 382-387
Zo sprak de heer, verzwoegende Apollo, en duwde een rots onder een regen van stenen over haar heen, haar stroom verbergend. En hij maakte voor zichzelf een altaar in het bladerrijke bos vlakbij haar helder stromende water. Op die plek baden alle mensen voor die grote god onder de naam Telphusische, omdat hij de stroom van de heilige Telphusa vernederde.
3b; 388-439
Toen overdacht Apollo in zijn hart welke mensen hij naar deze plak moest brengen om zijn priesters te worden en hem te dienen in het rotsachtige Pytho. En terwijl hij dit overwoog, werd hij zich bewust van een snel schip op de wijnachtige zee met vele knappen mannen, Kretenzers uit Cnossus, de stad van Minos, die zijn offers uitvoerden en zijn bevelen uitvaardigden, die Phoebos Apollo, drager van het gouden zwaard, ook als antwoord geeft vanonder zijn laurierboom in de dalen van de Parnassus. Deze mannen zeilden met hun zwarte schip voor handel en winst naar het zandige Pylos en de mensen van Pylos. Maar Phoebos Apollo ging naar hen toe. Vanuit de open zee sprong hij op hun snelle schip, in de gedaante van een dolfijn, en lag daar, een groot en ontzagwekkend monster, en niemand begreep het of had in de gaten dat hij het was, maar probeerden de dolfijn overboord te smijten. Maar hij bleef het schip heen en weer schudden en liet zo het hout kraken. Dus zaten zij stil in angst, gooiden de zeilen niet los van het zwarte, holle schip, of haalden het zeil van hun donker geboegde schip naar beneden, maar lieten die staan zoals zij hen hadden vastgezet met touwen van runderhuid, zo dat zij voort bleven zeilen. En van achter blies een ruisende zuidenwind het schip vooruit. Zij passeerden eerst Malea, en langs de kust van Laconië kwamen zij bij Taenarum, door de zee gelauwerde stad en land van Helius die mensen pleziert, waar de dikwollige schapen van heer Helius constant grazen en een blij het land bevolken. Daar wilden zij hun schip aanmeren, en landden om met hun eigen ogen het grote wonder te aanschouwen of het monster op het dek van het holle schip zou blijven, of terug zou springen in de zoute zee waar de vissen samenscholen. Maar het goedgebouwde schip gehoorzaamde niet aan de helmstok, en ging voort op zijn koers langs de Peloponnesus. En de heer, verzwoegende Apollo, stuurde het eenvoudig met de adem van de wind. Zo volgde het schip haar koers en kwam bij Arene en lieflijk Argyphia en Thyron, de doorwaadbare plaats van de Alpheus, en mooi gelegen Aepy en zanderig Pylos en de mensen van Pylos. Ging voorbij Cruni en Chalcis en passeerde Dymre en mooi Elis, waar de Epeeërs heersen. En op het moment dat ze naar Pherae koersten, juichend op de wind van Zeus, verscheen daar onder de wolken de steile berg van Ithaca, en Dulichium en Same en bebost Zacynthos. Maar nadat zij heel de kust van de Peloponnesus waren afgevaren, toen, richting Crisa, begon heel de zichtbare uitgestrekte zee te deinen waardoor het zicht op het rijke eiland van Pelops werd afgesneden. Ze werden overvallen door een sterke westenwind die in opdracht van Zeus fel uit de hemel blies, zodat het schip met grote snelheid over het zoute water van de zee vloog. Zo begonnen zij opnieuw aan een reis terug naar de dageraad en de zon. En heer Apollo, zoon van Zeus, gidste hen totdat zij het van verre zichtbare Crisa bereikten, land van de wijngaarden, en in de haven kwamen. Daar liep het over zee zwalkende schip vast op het zand.
3b; 440-451
Toen, als een ster tijdens het middaguur, sprong de heer, verzwoegende Apollo, van het schip. Brede vuurflitsen sprongen van hem af en hun helderheid straalde tot in de hemel. Hij ging zijn heiligdom binnen tussen onbetaalbare drievoeten, en ontstak daar een vlam die helder oplaaide, die de pracht van zijn pijlen bescheen, zodat hun stralen heel Crisa vulden, en de vrouwen en mooiomgorde dochters van de Crisaeanen een kreet slaakten op die uitbarsting van Phoebos, want hij liet grote vrees over hen neerdalen. Vanuit zijn heiligdom sprong hij weer tevoorschijn, snel als een gedachte, om weer naar het schip te rennen in de gedaante van een man, stevig en robuust, in de bloei van zijn jeugd, terwijl zijn brede schouders waren bedekt met zijn haar. En hij sprak tot de Kretenzers, met gevleugelde woorden:
3b; 452-461
‘Vreemdelingen, wie zijn jullie? Waar komen jullie vandaan over de paden van de zee? Zijn jullie hier voor handel, of zwerven jullie als piraten die hun eigen leven op het spel zetten over zee en brengen ellende over de mensen in het land waar zij wonen? Waarom zijn jullie bang en bewegen niet, of gaan niet aan land, of sjorren jullie het tuig van je zwarte schip niet vast? Want dat is de gewoonte van mensen die leven op brood, wanneer zij aan land komen met hun donkere schepen van de zee, met moeite gebracht, direct verlangend naar lekker voedsel waar hun harten van gaan kloppen.’
3b; 462-473
Zo sprekend, liet hij moed in hun harten ontwaken, en de leider van de Kretenzers antwoordde en zei: ‘Vreemdeling - hoewel je in vorm of uiterlijk niet op een sterfelijke man lijkt, maar op één van de onsterfelijke goden – Vrede en geluk aan jou, en mogen de goden je alle goeds schenken. Vertel me nu naar waarheid zodat ik het zeker weet: welk land is dit, en welke mensen leven hier? Want wij weten niet waar we zijn. We zeilden over de grote zee naar Pylos vanuit Kreta (want daar komen we vandaan), maar nu zijn wij onvrijwillig hier aangekomen – via een andere route en andere wegen – en graag zouden wij terugkeren. Maar een van de onsterfelijke goden bracht ons hier tegen onze wil.’
3b; 474-501
Verzwoegende Apollo antwoordde hierop en zei: ‘Vreemdelingen die eens woonden in het beboste Cnossus maar die niet meer zullen terugkeren naar hun geliefde stad en hun mooie huis en lieve vrouw. Hier zullen jullie mijn rijke tempel dienen die door vele mensen wordt vereerd. Ik ben de zoon van Zeus, Apollo is mijn naam. Maar jullie bracht ik hier over de brede zee, zonder kwaad in de zin, nee, hier zullen jullie mijn rijke tempel dienen die groots wordt vereerd door de mensheid, en jullie zullen de plannen van de onsterfelijke goden kennen, en door hun wil zullen jullie in alle eeuwigheid worden geëerd. Maar kom nu, schiet op en doe wat ik zeg. Maak eerst de zeilen los en laat die zakken, en trek dan het snelle schip aan land. Haal jullie goederen en het gerei van het mooie schip, en maak een altaar op het strand. Ontsteek een vuur en breng een offer van wit meel. Ga daarna naast elkaar om het altaar staan en bid, en ik zal net als de eerste keer op de benevelde zee in de gedaante van een dolfijn op het schip springen, aanbidt me als Apollo Delphinus. Het altaar zal ook Delphinus worden genoemd en hier voor altijd staan. Gebruik daarna jullie avondmaal naast je donkere schip en breng een plengoffer aan de gezegende goden die op de Olympus wonen. Maar wanneer jullie zijn voldaan van het lekkere eten, kom dan naar met toe terwijl jullie de hymne zingen Ie Paean (Heil, Genezer!), tot je bij de plek komt waar je mijn rijke tempel zult dienen.’
3b; 502-523
Dat zei Apollo. Zij luisterden bereidwillig en gehoorzaamden hem. Zij maakten eerst de zeilen los, lieten die neer en streken de mast. Toen, bij het strand aan zee, trokken zij het schip uit het water op het droge land en zetten er stutten onder. Ze bouwden ook een altaar op het strand, en nadat zij een vuur hadden ontstoken, brachten zij een offer van wit meel, en baden ronde het altaar staand zoals Apollo hen had opgedragen. Toen nuttigden zijn hun maal bij het snelle, zwarte schip, en brachten een plengoffer uit voor de gezegende goden die op de Olympus wonen. En nadat zij door het eten en drinken waren voldaan, begonnen zij met de heer Apollo, de zoon van Zeus, die hen leidde, met een lier in zijn handen, en prachtig speelde terwijl hij stevig voortstapte. Zo volgden de Kretenzers hem naar Pytho, voortschrijdend terwijl ze ‘Ie Paean’ scandeerden op de wijze van de Kretenzische Paean zangers en diegenen die door de Muzen waren begiftigd met een zoetgevooisde stem. Met onvermoeibare voeten bereikten zij de bergkam op de Parnassus en de lieflijke plek waar zij vereerd door vele mensen zouden wonen. Daar bracht Apollo hen heen en toonde hen zijn meest heilig heiligdom en rijke tempel.
3b; 524-530
Maar hun harten werden geroerd in hun lieve borsten, en de leider van de Kretenzers vroeg hem: ‘Heer, daar je ons hier ver van onze geliefden en ons vaderland hebt gebracht, - want dat leek je het beste in je hart, - vertel ons dan nu hoe we moeten leven. Dat willen we van je weten. Dit land lijkt niet geschikt als wijngaard of grasland waarvan we goed kunnen leven en ook de mensen kunnen dienen.’
3b; 531-544
Toen lachte Apollo, de zoon van Zeus, naar hen en zei: ‘Jullie zijn domme mensen en arme werkezels, altijd op zoek naar zorgen en zware arbeid! Ik zal het eenvoudig vertellen en knoop het goed in je oren. Hoewel jullie allemaal voortdurend met een mes in je handen schapen moet slachten, zullen jullie altijd een overvloedige voorraad hebben, die al die roemvolle stammen der mensen hier voor mij zullen brengen. Maar bewaak mijn tempel en ontvang de stammen der mensen die op deze plek bijeenkomen, en toon in het bijzonder mijn wil aan de stervelingen, en blijf rechtvaardig in jullie harten. Maar als iemand ongehoorzaam is en geen aandacht aan mijn waarschuwing schenkt, of vanwege een verkeerd woord of verkeerde daad verontwaardiging ontstaat die gebruikelijk is onder de sterfelijke mensen, dan zullen andere mensen met een strenge hand jullie meesters worden en jullie voor eeuwig slaven zijn. Dus onthoud wat ik verteld heb en knoop het in je oren.’
3b; 545-546
Maar voor nu, vaarwel, zoon van Zeus en Leto. Ik zal je herinneren en je met een lied bezingen.

Hymne 4

4. Aan Hermes – geboorte en uitvinding van de lier

4; 1-27
Muze, zing over Hermes, de zoon van Zeus en Maia, heer van Cyllene en Arcadië rijk aan vee, de gelukbrengende boodschapper van de onsterfelijken die Maia baarde, de nimf met de vele vlechten, toen ze in liefde verenigd was met Zeus, - een verlegen godin, want ze vermeed het gezelschap van de gezegende goden, en leefde in een diepe, schaduwrijke grot. Daar was de zoon van Cronus gewend om met de rijkharige nimf samen te liggen, ongezien voor de onsterfelijke goden en sterfelijke mensen, in het holst van de nacht terwijl zoete slaap blankarmige Hera stevig in haar greep hield. En toen het doel van de grote Zeus in de hemel was bereikt, bracht ze een opvallend iets voort dat van pas kwam. Want zij beviel van een zoon, de listenrijke, vriendelijk sluwe, dief, een veedrijver, bezorger van dromen, waker in de nacht, een dief bij de poorten, iemand die snel wonderlijke daden aan de onsterfelijke goden zou tonen. Tijdens de dageraad geboren, speelde hij ’s middags al op de lier, en ’s avonds stal hij het vee van Verschietende Apollo op de vierde dag van de maand. Want op die dag had koninklijke Maia hem gebaard. Nadat hij uit de hemelse moederschoot tevoorschijn was gekomen, lag hij niet lang in zijn heilige wieg te wachten, maar sprong hij op en ging op zoek naar de ossen van Apollo. Maar toen hij over de drempel van de hooggewelfde grot stapte, vond hij een schildpad en genoot daar eindeloos van. Want het was Hermes die als eerste door de schilpad een zanger werd. Hij kwam het beest op zijn pad tegen op het binnenplein achter de poort, waar het zich aan het voeden was met het rijke gras voor de woning, al waggelend voortgaand.
4; 28-38
Toen hij het zag, lachte de gelukbrengende zoon van Zeus en zei: ‘Zo snel al een voorteken van geluk voor mij! Ik zal het niet onderschatten. Wees gegroet, kameraad van het feest, lieflijk van vorm, welklinkend tijdens de dans! Ik ontmoet je met plezier! Waar heb jij dat rijke feestmaal vandaan als schild, die versierde schelp – een schildpad die leeft in de bergen? Maar ik zal je oppakken en mee naar binnen nemen. Je zult me helpen en ik zal je geen schade toebrengen, maar je moet me eerst winst bezorgen. Het is beter om thuis te zijn, gevaar schuilt in vele hoeken. Levend, zul je een spreuk tegen hekserij zijn, maar als je sterft, maak je het mooiste lied.’
4; 39-61
Zo sprak hij, en nam de schildpad met beide handen op en ging terug naar het huis met zijn charmante speelgoed. Daar sneed hij diens ledematen af en lepelde het merg uit de bergschildpad met een lepel van grijs ijzer. Zoals een snelle gedachte door het hoofd van een man schiet wanneer dringende zorgen hem achtervolgen, of een heldere glans over de ogen flitst, zo bedacht roemvolle Hermes het en voerde het onmiddellijk uit. Hij sneed rietstengels op maat en maakte die vast, de uiteinden over de rug en door het schild van de schildpad, en spande er toen vaardig ossenhuid overheen. Hij maakte er ook twee hoorns aan vast en monteerde daar een dwarsstuk op, en spande zeven snaren van schapendarmen. Nadat hij dit gedaan had stemde hij iedere snaar met een sleutel, terwijl hij het mooie ding vasthield. Door de aanraking van zijn hand klonk het prachtig. En, terwijl hij hem bespeelde, zong de god willekeurige flarden, zoals jonge muzikanten schimpliederen zingen op festivals. Hij zong over Zeus, de zoon van Cronus en mooigeschoeide Maia, de gesprekken die zij hadden gevoerd voordat zij verliefd werden, en het gehele roemrijke verhaal over zijn verwekking. Hij bezong ook de dienstmaagden van de nimf, en hun stralende woning, en de drievoeten die in het huis stonden, en de grote hoeveelheid ketels.
4; 62-67
Maar terwijl hij over dit alles zong, dacht hij aan andere dingen. Hij nam de holle lier die hij in zijn wieg neerlegde, en verliet de zoet ruikende zaal om naar een stille plek te gaan, bedrieglijke streken in zijn hoofd bedenkend – daden die schurkachtige lieden ’s nachts in het donker plegen, want hij had trek in vlees.

4. Aan Hermes – diefstal van Apollo’s koeien

4; 68-86
De zon met zijn wagenspan zakte omlaag naar de Oceaan toen de zich voortspoedende Hermes bij de schaduwrijke bergen van Pieria kwam, waar het goddelijke vee van de gezegende goden verbleven en de plezierige, ongemaaide weiden begraasden. Van hen zonderde de zoon van Maia, de scherpogige doder van Argus toen vijftig luid loeiende koeien af, en dreef hen verspreid over een zanderige plek, hun hoefafdrukken omkerend. Hij bedacht deze sluwe list en keerde de afdrukken van hun hoeven om, de voorpoten achter en de achterkant voor, terwijl hij zelf achteruit liep . Hij maakte aan de kust sandalen van vlechtwerk, wonderlijke dingen, nog nooit gezien, onvoorstelbaar. Want hij gebruikte zowel tamariskentakken en mirtetwijgen, bond die bijeen met een armvol van hun verse, jonge twijgen, en bevestigde die stevig met bladeren en al onder zijn voeten als lichte sandalen. De roemvolle Doder van Argus had het kreupelhout al geplukt in Pieria toen hij zijn reis voorbereidde, als onderdeel van zijn list voor die lange snelle reis.
4; 87-93
Maar een oude man die zijn bloeiende wijngaard uitliep zag hem toen hij zich over de vlakte haastte naar het grasrijke Onchestus. Dus ging de zoon van Maia naar hem toe en zei: ‘Oude man, met gebogen schouders je wijnstokken verzorgend, je zult zeker veel wijn hebben wanneer deze rijp zijn. Als je me gehoorzaamt en absoluut datgene wat je hebt gezien vergeet, en niet hebt gehoord wat je hebt gehoord, en blijft zwijgen dan gebeurt je niets.’
4; 94-114
Nadat hij dit gezegd had, haastte hij zich om het vee bij elkaar te drijven. Hermes dreef hen door veel beschaduwde bergen en galmende kloven en bloemrijke vlaktes. De goddelijke nacht, zijn duistere bondgenoot, was grotendeels voorbij, en de dageraad begon te gloren die de mensen aan het werk zette, terwijl heldere Selene (de maan), dochter van de heer Pallas, Megamedes’ zoon, net haar wachtpost had beklommen, toen de sterke zoon van Zeus het breedhoofdige vee van Phoebos Apollo naar de rivier Alpheus dreef. En in plaats van de heerlijke weide kwamen zij nu onvermoeid bij de hooggedakte stallen en voertroggen. Toen, nadat hij het luidloeiende vee goed had gevoed met voer en ze in de koeienstal had gedreven, begon hij goed verpakt en lotus kauwend naar de kunst van het vuurmaken te zoeken. Hij nam een dikke lauriertak en sneed die met een mes …lacune… en hield die stevig in zijn hand. En de hete rook steeg omhoog. Want het was Hermes die als eerste brandstokken en vuur uitvond. Vervolgens nam hij vele droge taken en stapelde die op in een verzonken kuil. En de vlammen begonnen te gloeien, en tot ver in de omtrek was een fel brandend vuur te zien.
4; 115-137
En terwijl de kracht van Hephaistus het vuur liet branden, trok hij twee loeiende, gehoornde koeien dicht naar het vuur, want er huisde grote kracht in hem. Hij wierp hen beide hijgend op hun rug op de grond, en rolde ze op hun zij, hun koppen achteroverbuigend, en sneed hun vitale pezen door. Daarna ging hij verder met zijn taak. Eerst sneed hij het rijke, vette vlees, en stak dat aan houten spiesen, en braadde gelijktijdig het vlees, eervol rugstuk en de pens vol met donker bloed. Hij lag ze daar op de grond, en spreidde de huiden over een ruige rots, die daar vele eeuwen later nog steeds zijn, een lange, lange periode na al deze gebeurtenissen. Vervolgens sleepte vrolijkgestemde Hermes het heerlijke vlees dat hij had voorbereid naar een gladde, platte steen, en liet het lot dat in twaalf porties verdelen, zodat elke portie eervol was. Toen verlangde roemrijk Hermes naar het offervlees, want de zoete geur matte hem af, hoewel hij een god was. Desondanks stond zijn trotse hart niet toe dat hij van het vlees at, hoewel hij er erg naar verlangde. Maar hij borg het vet en al het vlees weg in de hooggedakte stal, borg ze hoog weg als teken van zijn jeugdige diefstal. En nadat hij droge takken had verzameld vernietigde hij alle hoeven en koppen met vuur.
4; 138-154
Nadat de god dit werk naar behoren had uitgevoerd, gooide hij zijn sandalen in de kolkenrijke Alpheus, en doofde de sintels, de zwarte as met zand bedekkend, en bracht de nacht door terwijl Selene’s zachte schijnsel naar beneden scheen. Bij dageraad ging de god direct naar de heldere toppen van Cyllene terug, en niemand van de gezegende goden of sterfelijke mensen zagen hem op zijn lange reis, noch blafte er een hond. En gelukbrengende Hermes, de zoon van Zeus, stak als de herfstwind schuin het voorportaal over, als een mist. Hij ging recht door de grot en kwam bij het rijke binnenvertrek, zachtjes lopend, en was niet te horen toen hij over de vloer liep. Toen ging de roemvolle Hermes snel naar zijn wieg, zijn doeken over zijn schouders werpend alsof hij een zwakke baby was, en lag spelend met die bedekking over zijn knieën. Maar in zijn linkerhand hield hij zijn mooie lier dicht tegen zich aan.

4. Aan Hermes – Hermes en Maia

4; 155-161
Maar de god was niet ongezien zijn moeder gepasseerd. Zij zei tegen hem: ‘Wat is dit, jij schurk! Waar kom jij zo laat ’s nachts vandaan, jij die schaamteloosheid als kleding draagt? Ik weet zeker dat de zoon van Leto jou binnenkort met onverbreekbare boeien om je lichaam het huis uit zal slepen, of je zult al rovend een schurkenleven leiden op de berghellingen. Ga nu naar, snel, je vader die denkt dat je een grote zorg gaat worden voor de sterfelijke mensen en de onsterfelijke goden.’
4; 162-181
Hermes antwoordde haar toen met sluwe woorden: ‘Moeder, waarom probeer je me te laten schrikken als een zwak kind wiens geest nog geheel onschuldig is, een angstig kind dat zijn moeders uitbranders vreest? Nee, maar ik zal bezien welk plan het beste is, om mezelf en jou voortdurend te kunnen voeden. We zullen niet tevreden zijn met hier te blijven, zoals je zegt, alleen zonder de goden en niet gevoed door offers en gebeden. Het is beter om altijd in het gezelschap van de onsterfelijke goden te verkeren, rijk, luxueus, en genietend van verhalen over het graan, dan om eeuwig in een sombere grot te zitten. En, wat de eer betreft, ook ik zal riten instellen net als Apollo. En als mijn vader die niet aan mij wil schenken, zal ik proberen – en daartoe ben ik in staat – om een prins der dieven te worden. En als de meest roemvolle zoon me uitprobeert, denk ik dat een ander en groter verlies hem zal overkomen. Want dan zal ik naar Pytho gaan en inbreken in zijn huis, en daar zal ik alle prachtige drievoeten en ketels stelen, en goud, en veel schitterend ijzer, en veel kleding. En je zult het meemaken als je wilt.’

4. Aan Hermes – zoektocht van Apollo

4; 182-200
Deze woorden zeiden zij tegen elkaar, de zoon van Zeus die de aegis vasthoudt, en Vrouwe Maia. Nu steeg de vroeggeboren Eos op uit de diepe oceaan, licht aan de mensen brengend, toen Apollo, nadat hij was vertrokken, in Onchestus aankwam, bij het mooie bos en heilige plaats van de luidbrullende Houder van de Aarde. Daar trof hij een oude man die naast het pad bij het tuinhek zijn paard liet grazen, en de roemvolle zoon van Leto sprak tegen hem: ‘Oude man, schoffelaar van het grasrijke Onchestus, ik ben vanuit Pieria hier gekomen op zoek naar mijn vee, allemaal koeien, met gebogen hoorns, uit mijn kudde. De zwarte stier graasde alleen ver verwijderd van de rest, maar felogige honden volgden de koeien, vier van hen, één van geest, als mensen. Deze waren achtergelaten, de honden en de stier – wat een groot wonder is. Maar de koeien dwaalden weg uit het sappige weiland, weg van de weide net toen de zon onderging. Nu vertel me, lang geleden geboren oude man: heb jij misschien iemand gezien die achter deze koeien liep?’
4; 201-211
De oude man antwoordde hem en zei: ‘Mijn zoon, het is moeilijk om alles te vertellen dat de ogen hebben gezien. Want vele reizigers trekken hier voorbij, sommigen gebogen door veel kwaad, en sommigen vrolijk. Het is echter moeilijk om iedereen te kennen. Echter, ik was de hele dag aan het graven in mijn wijngaard totdat de zon onderging, en ik dacht, goede heer, maar ik weet het niet zeker, dat ik een kind zag, wie het ook was, dat het langgehoornde vee volgde – een kind dat een staf vasthield en van links naar rechts liep. Hij dreef hen achterwaarts voort, met hun koppen naar hem toe,’
4; 212-226
Dat zei de oude man. Nadat Apollo dit verhaal had gehoord, ging hij nog sneller voort, en op dat moment, toen hij een langvleugelige vogel zag, wist hij ineens dat dit voorteken betekende dat de dief het kind van Zeus de zoon van Cronus was. Dus ging heer Apollo, zoon van Zeus, snel naar het mooi gebouwde Pylos op zoek naar zijn waggelende koeien, en omhulde zijn brede schouders met een donkere wolk. Maar toen de Verschietende de sporen waarnam, riep hij: ‘Oh, oh! Dit is een waar wonder dat mijn ogen zien! Dit zijn inderdaad de sporen van rechtgehoornde koeien, maar ze zijn achterwaarts gedraaid naar de bloemrijke weide. Maar die andere zijn niet de sporen van een man of vrouw of van grijze wolven of beren of leeuwen, noch denk ik dat het sporen zijn van de ruigbehaarde Centauren – wie het ook mag zijn die zulke monsterlijke voetafdrukken maakt. De sporen aan deze kant van de weg zijn wonderlijk, maar nog wonderlijker zijn die aan de andere kant.’

4. Aan Hermes – Apollo en Hermes

4; 227-234
Toen hij dit had gezegd, heer Apollo, haastte deze zoon van Zeus zich voort en kwam bij de bosrijke berg Cyllene en de diepbeschaduwde grot in de rotsen waar de goddelijke nimf het kind van Zeus, die de zoon van Cronus is, had gebaard. Een zoete geur dreef over de prachtige heuvel, en vele dunpotige schapen graasden op het gras. Toen stapte verschietende Apollo snel naar beneden over de stenen drempel in de donkere grot.
4; 235-251
Toen de zoon van Zeus en Maia Apollo zag die woedend was over zijn vee, nestelde hij zich in zijn geurige doeken. En zoals houtas de vurige sintels van boomstronken bedekt, zo omhelsde Hermes zichzelf toen hij de Verschietende zag. Hij rolde zich ineen tot een kleine bal, zoals een pasgeboren kind dat wil slapen, maar in werkelijkheid was hij klaarwakker, en hield hij de lier onder zijn arm verborgen. Maar de zoon van Leto was het zich bewust en liet niet na om de prachtige bergnimf en haar lieve zoon te onderzoeken, hoewel een klein kind dat nog in doeken was gewikkeld. Hij keek in elke hoek van die grote woning en, een stralende sleutel pakkend, opende drie kasten die vol stonden met nectar en heerlijke ambrosia. En er was ook veel goud en zilver in opgeslagen, en veel kleding van de nimf, sommigen paars en anderen zilverwit, zoals die worden bewaard in de heilige huizen van de gezegende goden.
4; 252-259
Toen, nadat de zoon van Leto alle kieren en gaten van het grote huis had doorzocht, sprak hij tot de roemvolle Hermes: ‘Kind, liggend in de wieg, haast je en vertel mij over mijn vee, of wij twee zullen snel ruzie krijgen. Dan zal ik je grijpen en in de stoffige Tartarus en afschuwelijke hopeloze duisternis werpen, en noch je vader of moeder zullen je kunnen bevrijden en je weer naar het licht kunnen brengen, maar zal je dwalen onder de aarde en de leider worden van het kleine volk.’
4; 260-277
Daarop antwoordde Hermes hem met listige woorden: ‘Zoon van Leto, wat zijn dat voor hardvochtige woorden die je hebt gesproken? En kom je hier zoeken vanwege het vee van het veld? Ik heb ze niet gezien, ik heb nog nooit van ze gehoord, niemand heeft iets over hen verteld. Ik kan je geen nieuws over hen geven, of de beloning voor nieuws in ontvangst nemen. Zie ik eruit als een veedrijver, een stalknecht? Dit is geen werk voor mij, ik zorg liever voor andere zaken. Ik geef om slaap, en melk uit mijn moeders borst, en doeken om mijn schouders, en warme baden. Laat niemand iets horen over dit conflict. Want het zou inderdaad een groot wonder onder de onsterfelijke goden zijn, dat een pasgeboren kind het voorportaal van het huis zou passeren met vee uit het veld. Wat je zegt is buitengewoon overdreven. Ik werd gisteren geboren, en mijn voeten zijn zacht en de grond eronder is ruig. Niettemin, als je het zo wilt hebben, zal ik een zware eed zweren bij het hoofd van mijn vader en beloven dat ik onschuldig ben, noch iemand anders hebt gezien die jou vee heeft gestolen – wat voor koeien ook. Want ik ken hen allen van horen zeggen.’
4; 278-292
Dat zei Hermes dus, met snelle blikken uit zijn ogen. En hij trok vragend zijn wenkbrauwen op en keek alle kanten uit, fluitend en luisterend naar Apollo’s verhaal alsof het hem niet aanging. Maar verzwoegende Apollo lachte zachtjes en zei tegen hem: ‘O schurk, bedrieger, slimme van geest, je spreekt zo onschuldig dat ik zeker weet dat jij hebt ingebroken in vele mooigebouwde huizen en meer dan één arme drommel hebt beroofd, door het hele huis zijn spullen verzamelend zonder geluid te maken. Jij zult een plaag worden voor menig eenzame herder bij de open plekken op de berghellingen, wanneer je in de buurt van kudden en dikwollige schapen komt, en naar hun vlees verlangt. Maar kom nu, als je niet je laatste slaap wilt slapen, kom uit je wieg, je kameraad van de duistere nacht. Hierna zal dit zeker je naam worden onder de onsterfelijke goden, om voortdurend de prins der dieven genoemd worden.’
4; 293-303
Dat zei Phoebos Apollo, nam het kind op en droeg hem. Maar op dat moment had de sterke Doder van Argus zijn plan getrokken, en, terwijl Apollo hem in zijn handen hield, stuurde hij een voorteken, een luidklinkende boer, een wrede boodschapper, en niesde direct daarna. Toen Apollo dit hoorde, liet hij roemrijke Hermes uit zijn handen op de grond vallen. Toen ging hij voor hem op de grond zitten, hoewel hij popelde om zijn weg te vervolgen, en zei spottend tegen Hermes: ‘Vrees niet, klein in doeken gewikkeld kind, zoon van Zeus en Maia, ik zal de sterke runderen vinden door deze voortekens, en jij zult de weg wijzen.’
4; 304-312
Nadat Apollo dit had gezegd, sprong de Cylleniaanse Hermes vlug op, en begon snel te lopen. Met beide handen duwde hij de doeken tot boven zijn oren waarin hij was gewikkeld en zei: ‘Waar breng je mij naar toe, Verzwoegende, snelste van alle goden? Is het vanwege je vee dat je zo boos op me bent en tegen mij uitvalt? O jee, zouden al die koeien zijn omgekomen. Maar ik ben het niet die je koeien heeft gestolen, noch heb ik het een ander zien doen – wat voor soort koeien het ook zijn, en daarover heb ik alleen maar een verhaal gehoord. Nee, eis je recht op en breng het voor Zeus, de zoon van Cronus.’

4. Aan Hermes – de uitspraak van Zeus

4; 313-326
Zo bleven Hermes de herder en Leto’s roemrijke zoon hardnekkig twisten over hun geschil. Apollo, zei terecht …lacune… niet eerlijk getracht roemvolle Hermes te grijpen vanwege de koeien. Maar hij, de Cylleniaanse, probeerde de God van de Zilveren Boog te misleiden met trucs en sluwe woorden. Maar toen hij, na vele listen uitgeprobeerd te hebben, ontdekte dat de ander evenzovele tegenargumenten had, begon hij over het zand te lopen, hijzelf voorop, terwijl de zoon van Zeus en Leto achter hem aan kwam. Al snel kwamen ze, deze heerlijke kinderen van Zeus, bij de top van de heerlijk geurende Olympus, bij hun vader, de zoon van Cronus. En daar werd de weegschaal der gerechtigheid voor hen neergezet. Er was een bijeenkomst op de besneeuwde Olympus, en kwamen de onsterfelijken die niet lijden na het uur van de goudgetroonde Dageraad bijeen.
4; 327-332
Toen stonden Hermes en Apollo van de Zilveren Boog bij de knieën van Zeus. En Zeus die dondert vanuit de hoogte sprak tot zijn roemvolle zoon en vroeg hem: ‘Phoebos, waarom kom je hier terwijl je die grote buit voor je uitjaagt, een pasgeboren kind dat het uiterlijk van een heraut heeft? Dit is een gewichtige zaak die je aan de raad der goden voorlegt.”
4; 333-364
Toen antwoordde de heer, verzwoegende Apollo, hem: ‘O, mijn vader, je zult weldra geen onbeduidend verhaal vernemen hoewel je mij verwijt dat ik alleen maar gek ben op buit. Hier is een kind, een inbrekende dief, die ik vond na een lange reis door de heuvels van Cyllene. Van mijn kant heb ik nog nooit zo’n vrijpostig iemand gezien onder de goden of mensen die zo onverhoeds lieden over heel de wereld verrast. Hij stal mijn koeien uit hun weide en dreef hen in de avond langs de kust van de luidbrullende zee, recht op Pylos af. Er waren valse sporen, en ze waren prachtig, waar men zich aan kan vergapen, het werk van een slimme geest. Want van de koeien, waren in het donkere stof hun hoefafdrukken die naar de bloemrijke weide leidden nog duidelijk te zien. Maar hijzelf – verbijsterend schepsel – stak de zanderige bodem over buiten hun pad, niet op zijn voeten doch ook niet op zijn handen. Maar, bedekt met iets sjokte hij voort – een mirakel! – alsof iemand die loopt op slanke eikenbomen. En hij volgde het vee volgde over de zandgrond, alle sporen waren duidelijk te zien in het stof. Maar nadat hij de lange route over het zand had afgelegd, waren de sporen van de koeien en die van hemzelf niet meer te zien op de harde bodem. Maar een sterfelijke man had hem opgemerkt terwijl hij de breedhoofdige koeien voor zich uitdreef richting Pylos. En nadat hij ze stilletjes had opgesloten, en met vele slinkse omwegen naar huis was gegaan, ging hij in zijn wieg liggen in de duisternis van een sombere grot, stil als de donkere nacht, zodat zelfs een scherpkijkende adelaar hem niet opgemerkt zou hebben. Hij wreef veel met zijn handen in zijn ogen terwijl hij zijn leugens voorbereidde, en ronduit zei: ‘Ik heb ze niet gezien, ik heb er niets over gehoord, niemand heeft mij iets verteld. Ik kan je niets over hen vertellen, noch de beloning innen door iets te vertellen.’
4; 365-386
Nadat hij zo gesproken had, ging Phoebos Apollo zitten. Maar Hermes van zijn kant antwoordde en zei, wijzend op de zoon van Cronus, de heer van alle goden: ‘Zeus, mijn vader, uiteraard zal ik de waarheid tegen je zeggen, want ik ben eerlijk en kan niet liegen. Hij kwam vandaag naar ons huis op zoek naar zijn sloffende koeien, toen de zon net opging. Hij bracht geen getuige met zich mee of één van de gezegende goden die de diefstal had gezien, maar met grof geweld beval hij mij te bekennen, dreigend mij in de grote Tartarus te werpen. Want hij is in de bloei van een roemvolle jeugd, terwijl ik gisteren pas geboren ben – zoals hij ook weet – noch ben ik een veedief, of een stevige kerel. Geloof mijn verhaal (want je zegt dat je mijn eigen vader bent), dat ik zijn koeien niet naar mijn huis gedreven heb – bij mijn leven – of over de drempel, zo spreek ik naar waarheid. Ik heb eerbied voor de grote Helius en de andere goden, en jou heb ik lief en hem vrees ik. Je weet zelf dat ik niet schuldig ben, en daar wil ik een eed op zweren, nee! bij de rijkversierde voorportalen van de goden. En op een zekere dag zal ik hem straffen, zo sterk als hij is, voor deze genadeloze ondervraging. Maar help nu de jongere.’
4; 387-396
Zo sprak de Cylleniaan, de doder van Argus, terwijl hij zijdelingse blikken om zich heen wierp terwijl hij zijn doeken op zijn arm hield, en die niet wegwierp. Maar Zeus lacht luidkeels toen hij zijn complotten smedende zoon zo vaardig en listig zijn schuld over de veediefstal zag ontkennen. En hij gaf hen opdracht om eensgezind op zoek te gaan naar het vee, waarbij Hermes de weg moest wijzen en, zonder schelmenstreken, de plaats te tonen waar hij het sterke vee had verborgen. Toen boog de zoon van Cronus zijn hoofd. En de welgeschapen Hermes gehoorzaamde hem, want de wil van Zeus die de Aegis voert zegevierde gemakkelijk over hem.

4. Aan Hermes – verzoening met Apollo

4; 397-408
Vervolgens spoedden de twee roemvolle kinderen van Zeus zich naar het zanderige Pylos, bereikten de doorwaadbare plaats van de Alpheus, en kwamen bij de velden en de hooggedakte stal waar de dieren die nacht veilig waren gestald. En terwijl Hermes de grot in de rotsen inliep en het sterke vee naar buiten begon te drijven, keek de zoon van Leto opzij, en zag de koeienhuiden op de steile rots. Direct vroeg hij daarop de roemvolle Hermes: ‘Hoe kreeg je dat voor elkaar, jij sluwe schurk, om twee koeien te villen, pasgeboren en nog een baby zijnde? Wat mij betreft, ik ben bang voor de kracht die jij nog zult ontwikkelen. Er is geen noodzaak voor jou om te blijven groeien, Cylleniaan, zoon van Maia!’
4; 409-413
Terwijl hij dit zei, greep Apollo met zijn handen sterke wilgentenen om Hermes vast te binden met sterke boeien. Maar de boeien konden hem niet vasthouden, en de wilgentenen uit de grienden vielen neer op de grond bij hun voeten en begonnen daar onmiddellijk te groeien. En de een wikkelde zich om de ander, en snel groeiend bedekten zij heel de wildzwervende kudde door de wil van diefachtige Hermes, waardoor Apollo stomverbaasd stond te kijken.
4; 414-432
Toen keek de sterke doder van Argus stiekem met vuurspuwende ogen naar de grond … verlangend om te verbergen … (lacune) … als hij zou willen kon hij eenvoudig de roemvolle zoon van Leto vermurwen, zo streng als de Verschietende ook was. Hij nam de lier in zijn linkerhand en beroerde stuk voor stuk elke snaar, waardoor er een prachtig geluid ontstond. En Phoebos Apollo lachte van plezier, want het zoete kloppen van die prachtige muziek raakte zijn hart, en er ontwaakte een zacht verlangen in zijn ziel toen hij luisterde. Toen vatte de zoon van Maia, zoet tokkelend op zijn lier, moed op en ging links van Apollo staan. En al snel, terwijl hij vurig op zijn lier speelde, hief hij een gezang aan, en het geluid van zijn stem klonk heerlijk. Hij zong het verhaal van de onsterfelijke goden en over de donkere aarde, hoe zij als eersten ontstonden, en hoe ieder zijn deel kreeg. Als eerste van de goden eerde hij Mnemosyne, moeder van de Muzen, in zijn lied, want de zoon van Maia was een aanhanger van haar. En vervolgens bezong de zoon van Zeus de rest van de onsterfelijken op volgorde van hun leeftijd, en verteld hoe elk was geboren, alles noemend terwijl hij de lier bespeelde die hij in zijn hand hield.
4; 433-462
Maar Apollo werd bevangen door een verlangen dat niet meer wegging, opende zijn mond en sprak gevleugelde woorden tot Hermes: ‘Doder van koeien, bedrieger, druk baasje, kameraad op het feest, dit lied van jou is vijftig koeien waard, en ik denk dat we onze ruzie nu maar vreedzaam moeten schikken. Maar kom op, vertel me nu, vindingrijke zoon van Maia, is dit geweldige instrument al bij je sinds je geboorte, of heeft de een of andere god of sterfelijk mens dit aan je gegeven – een voornaam geschenk – en jou geleerd om zo hemels te zingen? Want dit nieuwe geluid dat ik hoor is wonderlijk, waarvan ik denk dat geen mens of god die op de Olympus woont het ooit gehoord hebben behalve jij, o diefachtige zoon van Maia. Wat voor kunst is dit? Wat voor lied over wanhopige zorgen? Welke wijze van zingen? Want voorwaar zijn hier drie dingen in één waaruit men kan kiezen, - vrolijkheid, liefde en zoete slaap. En hoewel ik een volgeling van de Olympische Muzen ben die dans en het heldere pad van het lied houden – de meertonige zang en verrukkelijke sensatie van fluiten – toch heb ik nooit iets gegeven om de prestaties van jonge mensen tijdens hun feesten, zoals ik dat nu wel doe voor dit. Ik ben enorm verbaasd, o zoon van Zeus, over jouw prachtige spel. Maar nu, omdat je, hoewel een klein beetje, zo’n prachtige vaardigheid bezit, ga zitten, lieve jongen, en eerbiedig de woorden van je ouders. Want je zult nu beroemd worden onder de onsterfelijke goden, jij en ook je moeder. Ik verklaar nu duidelijk, bij deze staf van kornoeljehout dat ik je een beroemd leider zal maken onder de onsterfelijke goden, en gelukkig, en je prachtige geschenken zal geven en je nooit of te nimmer zal bedriegen.’
4; 463-495
Toen antwoordde Hermes hem listig: ‘Je vraagt me voorzichtig, o Verzwoegende, hoewel ik niet jaloers ben, om jou mijn kunst te leren. Ik zal het je zo vertellen. Want ik probeer vriendelijk in zowel woord als daad tegen je te zijn. Jij die alle zaken kent, sinds je vooraan zit bij de onsterfelijke goden, o zoon van Zeus, die knap en sterk is. En de wijze Zeus houdt bovenal van jou, en heeft je prachtige gaven geschonken. En ze zeggen dat door de uitlatingen van Zeus jij de eer die aan goden is verschuldigd hebt verkregen, o Verzwoegende, en de orakels van Zeus, zelfs al zijn riten. Van al deze zaken heb ik zelf al gemerkt dat je grote rijkdom hebt vergaard. Welnu, je bent vrij om te leren wat je wilt. Maar omdat je zo sterk verlangt, zoals nu blijkt, om op de lier te spelen, te zingen, en jezelf zo vrolijk te stemmen, neem deze dan aan als een geschenk, en schenk jij, mijn vriend, dan roem aan mij. Zing prachtig met deze heldergestemde vriend in je handen, want jij bent vaardig in goede, prachtig rijmende liederen. Gebruik hem nu vol vertrouwen bij de rijke feesten en prachtige dansen en roemvolle braspartijen, een vreugde voor dag en nacht. Want wie het hem listig en met wijsheid en humor vraagt, leert door zijn geluid alle manieren die de geest in verrukking brengen, met zachte vertrouwdheid bespelend, want het verafschuwt moeizaam geploeter. Maar degene die hem onwetend met geweld bespeelt, leert hij alleen ijdelheid en dwaasheid. Maar jij bent in staat om alles te leren wat je wilt. Dus, ik geef je deze lier, roemvolle zoon van Zeus, terwijl ik van mijn kant met dit breedkoppige vee in de weiden en paardenvoedende vlakten zal grazen. Zo zullen de koeien gedekt worden door de stieren en voortdurend mannetjes en vrouwtjes kalveren. En het is nu ook niet meer nodig, handelaar die je bent, om nog zo razend te zijn.’
4; 496-502
Nadat Hermes dit had gezegd, gaf hij de lier, en Apollo nam hem aan, en drukte onmiddellijk zijn glimmende zweep in de hand van Hermes, en noemde hem de herder van kuddes. De zoon van Maia nam die met vreugde aan, terwijl de zoon van Leto, verzwoegende heer Apollo, de lier in zijn linkerhand nam en zachtjes iedere snaar beroerde. Deze klonk eerbiedwekkend bij de aanraking van de god, terwijl deze lieflijk bij haar noten zong.
4; 503-512
Later dreven die twee, de roemvolle zonen van Zeus, de koeien terug naar de heilige weide, en spoedden zich daarna terug naar de besneeuwde Olympus, genietend van de lier. Toen was Zeus verheugd en maakten hen tot vrienden. En Hermes hield voortdurend van de zoon van Leto, zelfs nu, nadat hij de lier als vredesteken aan de Verschietende had gegeven, die hem vaardig bespeelde, terwijl hij hem in zijn linkerarm hield. Maar Hermes zelf vond een andere kunstzinnige vaardigheid uit en maakte voor zichzelf een fluit die ver in de omtrek te horen was.
4; 513-520
Toen zei de zoon van Leto tegen Hermes: ‘Zoon van Maia, sluwe gids, ik ben bang dat je zowel mijn lier als mijn gekromde boog zult stelen. Want je hebt toestemming van Zeus, om handel te drijven met de mensen op de vruchtbare aarde. Als jij nu de grote eed van de goden zweert, hetzij door te knikken met je hoofd, of bij het krachtige water van de Styx, mag je van mij alles doen wat je hart je behaagt en zult zo mijn hart gerust stellen.’
4; 521-549
Toen knikte Maia’s zoon met zijn hoofd en beloofde dat hij nooit meer iets zou stelen van datgene wat de Verschietende bezat, en nooit in de buurt van zijn grote huis zou komen. En Apollo, zoon van Leto, zwoer om collega en vriend van Hermes te zijn, zwerend dat hij nooit een van de andere goden zou liefhebben, nog god of mens die voortkwam uit Zeus, dan alleen Hermes, en de vader zond een adelaar als bevestiging. En Apollo zwoer ook: ‘Voorwaar, ik zal je tot een voorteken van de onsterfelijken maken en allen die daarbij horen, vertrouwd en geëerd door mij. Bovendien zal ik je een prachtige staf van rijkdom en welvaart geven, die van goud is, met drie takken, die je zult beschermen, elke taak vervullend, of het nu goede woorden of daden zijn, die ik beweer die te kennen vanwege de uitlatingen van Zeus. Maar wat betreft het voorspellen, nobele, hemelgeboren kind, vraag ik je, is het je niet geoorloofd om je dat te leren, nog door een van de andere onsterfelijke goden. Slechts de geest van Zeus weet dat. Ik heb beloofd en een zware eed gezworen die, voor zover ik weet, geen van de andere eeuwige goden zou doen behalve de wijze Zeus. En vertel me niet, mijn broer, drager van de gouden staf, over de decreten van alziende Zeus. Wat de mensen betreft, zal ik de een benadelen en een ander bevoordelen, wat zeer verwarrend is voor de stammen van de niet te benijden mensen. Wie ook maar naar mij zal toekomen geleid door de oproep en de vlucht van vogels van bepaalde voortekens, die man zal voordeel behalen door mijn stem, en ik zal hem niet bedriegen. Maar wie vertrouwt op nutteloos kwetterende vogels en zich tracht te beroepen op mijn profetische kunst handelt in strijd met mijn wil, om de meer dan eeuwige goden te begrijpen, verklaar ik dat hij op een vergeefse reis zal gaan, maar zijn geschenken zal ik toch aannemen.’
4; 550-567
‘Maar ik zal je nog iets anders vertellen, zoon van de roemvolle Maia en Zeus die de aegis draagt, gelukbrengend genie van de goden. Er zijn bepaalde heiligen, zusters – drie maagden gezegend met vleugels. Hun hoofden zijn bezaaid met wit meel, en zij wonen onder een bergkam van de Parnassus. Los van mij zijn dit leraressen voor de waarzeggerij, de kunst die ik als jongen beoefende terwijl ik achter de kuddes aanliep, hoewel mijn vader er geen aandacht aan besteedde. Vanuit hun huis vliegen ze nu eens hierheen, dan weer daarheen, zich voedend met honing en ervoor zorgend dat alles geschiedt. En wanneer zij geïnspireerd raken door het eten van gele honing, zijn zij bereid om de waarheid te spreken. Maar als zij beroofd worden van het heerlijke voedsel van de goden, dan spreken ze leugens, wanneer zij naar binnen en weer naar buiten zwermen. Deze woorden vertel ik je. Onderzoek ze goed en verlicht je hart. En als je dit ook enige sterveling moet leren, zal hij jouw antwoord vaak horen – als hij geluk heeft. Neem deze, zoon van Maia, en zorg voor de breeduit zwervende, gehoornde koeien en paarden en geduldige ezels.’
4; 568-573
Zo sprak hij. En vanuit de hemel bevestigde vader Zeus zelf zijn woorden, en beval dat zijn roemvolle zoon Hermes heer over alle voorspellende vogels zou worden en de grimmig ogende leeuwen, over de zwijnen met glimmende slagtanden, en de honden en al het vee dat de grote aarde voedt, en over alle schapen. Ook dat alleen hij de aangewezen boodschapper voor Hades zou zijn, die, hoewel hij geen geschenken aanneemt, hem een behoorlijke prijs zal betalen.
4; 574-578
Zo betoonde heer Apollo door al deze vriendschapblijken zijn genegenheid voor de zoon van Maia. En de zoon van Cronus schonk hem eveneens gratie. Hij ging met alle sterfelijken en onsterfelijken om. Hij behaalde een beetje winst, maar gedurende heel de donkere nacht bedroog hij de stammen der sterfelijke mensen.
4; 579-580
En dus, vaarwel, zoon van Zeus en Maia. Maar ik zal aan je denken en ook aan een ander lied.

Hymne 5 t/m 33

5. Aan Aphrodite

5; 1-6
Muze, vertel me de daden van de Cyprische gouden Aphrodite, die zoete passie bij de goden oproept en de stammen der sterfelijke mensen onderwerpt en de vogels die vliegen in de lucht en de vele wezens die het droge land bevolken, en die in de zee. Zij allen houden van de daden van de rijkgekroonde Cythera.
5; 7-32
Toch zijn er drie harten die niet voor haar buigen of die zij kan verstrikken. Ten eerste de dochter van Zeus die de aegis voert, helderogige Athena. Want ze beleeft geen plezier aan de daden van gouden Aphrodite, maar schept vreugde in oorlogen en het werk van Ares, in twisten en gevechten en het uitvinden van beroemde kunsten. Zij leerde de aardse ambachtslieden als eerste strijdwagens te maken en wagens die kunstig werden vervaardigd met brons, en zij onderwees ook de liefhebbende meisjes in het huis en verschafte hen kennis over de mooie kunsten. Noch ving de graag lachende Aphrodite ooit Artemis in de liefde, de jageres met pijlen van goud. Want ze houdt van het boogschieten en het doden van wilde dieren in de bergen, ook van de lier en van dansen en luidklinkende jachtkreten, en beschaduwde bossen en de steden van rechtopstaande mensen. Ook hield de waarlijke maagd Hestia niet van het werk van Aphrodite. Zij was het eerstgeboren kind van de sluwe Cronus en ook de jongste vanwege de wil van Zeus die de aegis voert, - een koninklijke maagd die zowel Poseidon en Apollo tot hun vrouw probeerden te maken. Maar ze was zeer onwillig, nee, weigerde koppig. En door het hoofd aan te raken van vader Zeus die de aegis voert, zij, de mooie godin, zwoer een grote eed die naar waarheid is voldaan, dat ze heel haar leven een maagd zou blijven. Dus verleende Zeus Vader haar hoge eer in plaats van een huwelijk, en kreeg een plek in het midden van het huis en waar zij het rijkste aandeel heeft. In alle tempels van de goden krijgt ze een deel van de eer, en voor alle sterfelijke mensen is zij het hoofd van alle godinnen.
5; 33-44
Bij deze drie kon Aphrodite hun harten niet verstrikken of laten buigen. Maar van alle anderen onder de gezegende goden of sterfelijke mensen kon niemand aan Aphrodite ontsnappen. Zelfs het hart van Zeus, die van de donder houdt, is door haar op een dwaalspoor gebracht. Hoewel hij de grootste van allen is en veel majesteit bezit, zij verleidde zijn wijze hart wanneer zij maar wilde, en koppelde hem met sterfelijke vrouwen, en hield dit verborgen voor Hera, zijn zuster en vrouw, veruit de mooiste onder de onsterfelijke goden – de meest roemvolle die sluwe Cronus met haar moeder Rhea verwekten. En Zeus, wiens wijsheid eeuwig is, maakte haar tot zijn kuise en zorgzame vrouw.
5; 45-52
Maar bij Aphrodite zelf liet Zeus een zoet verlangen ontstaan om verliefd te worden op een sterfelijke man, zodat uiteindelijk, zodat zelfs zij weldra niet onschuldig zou zijn aan verliefdheid op een mens. Vrezend dat de lachliefhebbende Aphrodite op een dag lief glimlachend en spottend tegen de goden zou verkondigen dat ze alle mannelijke goden met sterfelijke vrouwen had verenigd die sterfelijke zonen baarden voor de onsterfelijke goden, en de godinnen aan sterfelijke mannen had gekoppeld.

5. Aan Aphrodite – ontmoeting met Anchises

5; 53-74
En dus liet hij in haar hart een zoet verlangen ontstaan naar Anchises die op dat moment vee hoedde in de steile heuvels van de Ida met de vele bronnen, en er uitzag als een onsterfelijke god. Dus, toen lachliefhebbende Aphrodite hem zag, hield ze van hem, en ontstond er een verschrikkelijk verlangen in haar hart. Ze ging naar Cyprus, Paphos, waar haar heiligdom en altaar staan, en ging naar haar zoetgeurende tempel. Daar ging ze naar binnen en sloot de glinsterende deuren, terwijl de Gratiën haar baadden met hemelse oliën waarmee de lichamen van de hemelse goden worden ingesmeerd – goddelijk zoete olie, die zij bij zich had, vervuld van geuren. En lachliefhebbende Aphrodite trok haar mooiste kleding aan, en nadat ze zich had versierd met gouden sieraden, verliet ze zoetruikend Cyprus en ging vlug naar Troje, snel reizend hoog tussen de wolken. Zo kwam ze bij de Ida van de vele bronnen, de moeder van de wilde dieren en ging rechtstreeks naar de hoeve in de bergen. Achter haar aan kwamen grijze wolven, naar haar kwispelend, en grimogige leeuwen, en beren, en snelle luipaarden, hongerend naar herten. En ze verheugde zich in haar hart toen zij hen zag, en liet hun harten verlangen, zodat zij allen paarden, twee bij twee, in de beschaduwde diepe valleien.
5; 75-90
Maar zijzelf kwam bij de mooigebouwde woonoorden, en vond hem geheel alleen achtergelaten in de hoeve – de held Anchises die zo knap was als de goden. Alle anderen volgden de kudden over de grazige weiden, en hij, alleen achtergelaten in de hoeve, zwierf daar rond en speelde aangrijpend op de lier. En Aphrodite, de dochter van Zeus stond voor hem, als een pure maagd in verhevenheid en houding, opdat hij niet bang zou worden wanneer hij met zijn ogen naar haar keek. Toen Anchises haar zag, bekeek hij haar van top tot teen en verwonderde zich over haar verhevenheid en houding en stralende kleding. Want ze was gekleed in een mantel die helder straalde als vuur, een prachtig gewaad van goud, versierd met allerlei borduurwerk, dat schitterde als de maan boven haar tedere borsten, een wonder om te zien. Ze droeg ook prachtig vervaardigde broches en schitterende oorbellen in de vorm van bloemen. En om haar zachte nek hing een prachtig halssnoer.
5; 91-105
En Anchises was op slag verliefd, en zei tegen haar: ‘Wees gegroet, wie van de gezegende goden u ook bent die naar mijn huis is gekomen, hetzij Artemis, of Leto, of de gouden Aphrodite, of hooggeboren Themis, of helderogige Athena. Of, misschien, ben je een van de Gratiën die van ginds hierheen is gekomen, die verblijven in het gezelschap van de goden en onsterfelijk genoemd worden, of anders één van diegenen die deze lieflijke bergen bewonen en de bronnen der rivieren en grazige weiden. Ik zal een altaar voor je oprichten op een hoge piek die van verre wordt gezien, en zal in elk seizoen rijke offers aan je brengen. Wees mij vriendelijk gezind en gun me dat ik een zeer vooraanstaande man onder de Trojanen zal worden, en geef me in de toekomst sterke nakomelingen. En voor mijzelf, laat me lang en gelukkig leven, laat me het licht van de zon zien, en wanneer ik oud ben geworden, een welvarende man onder het volk zijn.’
5; 106-142
Daarop antwoordde Aphrodite, de dochter van Zeus, hem: ‘Anchises, meest roemvolle van alle mensen die op aarde zijn geboren, weet dat ik geen godin ben. Waarom vergelijk je mij met de onsterfelijken? Nee, ik ben slechts een sterveling, een vrouw was de moeder die me heeft gebaard. De beroemde Otreus is mijn vader, waar je misschien van gehoord hebt, hij heerst over heel Phrygië dat rijk is aan vestingen. Maar ik ken jouw taal net zo goed als die van mij, want een Trojaanse verzorgster voedde mij thuis op. Zij nam mij van mijn lieve moeder en bracht me groot toen ik een klein kind was. Daarom komt het, dus, dat ik ook jouw taal spreek. Maar nu heeft de doder van Argus met de gouden staf mij gevangen genomen tijdens de dans voor de jageres Artemis, zij met de gouden pijlen. Want er waren velen van ons, Nimfen en huwbare meisjes, samen spelend. En een groot gezelschap omringde ons. De doder van Argus met de gouden staf voerde mij van hen weg. Hij droeg me over vele velden van sterfelijke mensen en over onbebouwd en niet bezet land, waar veel wilde beesten leven in de beschaduwde diepe valleien, totdat ik dacht dat ik de levenbrengende aarde nooit meer met mijn voeten zou betreden. En hij zei dat ik de wettelijke echtgenoten van Anchises genoemd moest worden, en jou flinke kinderen moest baren. Maar nadat hij mij dit had verteld en geadviseerd, ging hij, de sterke doder van Argus, terug naar de familie van de onsterfelijke goden, terwijl ik nu bij jou ben aangekomen, door onbuigzame noodzaak hiertoe gedwongen. Maar ik smeek je bij Zeus en je edele ouders – want gewoon volk krijgt geen zoon zoals jij – neem me, onbevlekt en onervaren in de liefde, en toon me aan je vader en zorgzame moeder en aan je broers die van hetzelfde bloed zijn. Ik zal geen slechte dochter voor hen zijn, maar een goede. Bovendien, zend een snelle boodschapper naar de Phrygiërs met de snelle paarden, om het aan mijn vader en bezorgde moeder te vertellen. En zij zullen je veel goud en geweven stoffen sturen, vele schitterende geschenken. Neem die als bruidschat. Doe dit, en bereidt vervolgens de zoete bruiloft voor die eervol is in de ogen van de mensen en de onsterfelijke goden.

5. Aan Aphrodite – Anchises verwekt Aeneas

5; 143-154
Nadat ze dit gezegd had, liet de godin een zoet verlangen in zijn hart ontwaken. En Anchises was tot over zijn oren verliefd, opende zijn mond en zei: ‘Als je een stervelinge bent en een vrouw de moeder was die je baarde, en de befaamde Otreus je vader is zoals je zegt, en als je hier gekomen bent door de wil van Hermes de onsterfelijke gids, en genoemd wordt als mijn wettige vrouw, dan zal geen god of sterveling mij beteugelen totdat ik nu hier met jou in liefde verenigd heb samengelegen. Nee, zelfs niet als de verschietende Apollo zelf een van zijn verschrikkelijke pijlen van zijn zilveren boog zou schieten. Welwillend zou ik afdalen naar het huis van Hades, O vrouwe, mooi als de godinnen, als ik eenmaal met jou naar bed ben geweest.’
5; 155-167
Zo sprekend, pakte hij haar bij de hand. En lachliefhebbende Aphrodite, met afgewend gezicht en de mooie ogen neergeslagen, sloop naar het mooiopgemaakte bed dat voor de held al met zachte bekleding bedekt was. Daarop lagen de huiden van beren en luidbrullende leeuwen die hij zelf had gedood in de hoge bergen. En toen ze in het heerlijk opgemaakte bed lagen, deed Anchises eerst haar stralende sieraden van spelden en broches en oorbellen en halsketting af, maakte haar gordel los en ontdeed haar van haar stralende kleding en lag die op een zilverbeslagen stoel. Toen, door de wil van de goden en het lot, lag hij met haar, een sterfelijke man met een onsterfelijke godin, niet goed wetend wat hij deed.
5; 168-179
Maar tegen de tijd dat de herders hun koeien en taaie schapen van de bloemrijke weiden naar de stal terug dreven, goot Aphrodite zachte slaap uit over Anchises, en deed zelf haar rijke kleding aan. Nadat de stralende godin zich helemaal had aangekleed, stond ze naast het bed, en haar hoofd reikte tot aan de mooibehakte daksparren. Van haar wangen straalde een onaardse schoonheid zoals die behoort bij de rijkgekroonde Cythera. Toen maakte ze hem wakker en zei: ‘Sta op, zoon van Dardanus! – waarom slaap je zo diep? En aanschouw met je ogen of ik er hetzelfde uitzie als toen je me voor het eerst zag.’
5; 180-190
Zo sprak ze. En hij was in een tel wakker en gehoorzaamde haar. Maar toen hij nek en lieflijke ogen van Aphrodite zag, werd hij bang en keek een andere kant op, zijn knappe gezicht in een mantel verbergend. Toen sprak hij gevleugelde woorden en vroeg haar: ‘Zodra ik je met mijn eigen ogen zag, godin, wist ik dat je goddelijk was. Maar je vertelde mij niet de waarheid. Maar bij Zeus die de aegis voert bid ik je, laat me geen leeg leven leiden onder de mensen, en heb medelijden met mij. Want degene die met een onsterfelijke godin samenligt is later nog maar een halve man.’
5; 191-201
Toen antwoordde Aphrodite, de dochter van Zeus, hem: ‘Anchises, meest glorieuze van alle mensen, put moed en vrees niet. Je hoeft van mij, of de andere goden, geen kwaad te vrezen, want jij bent dierbaar aan de goden. En je zult een lieve zoon hebben die over de Trojanen zal regeren, en zijn kinderen na hem, die voortdurend geboren zullen worden. Hij zal Aeneas heten, want ik voelde mij enorm verdrietig toen ik in het bed van een sterfelijke man ging liggen. Maar nu zijn degenen van jouw ras altijd het dierbaarst voor de goden van alle stervelingen qua schoonheid en gestalte.’

5. Aan Aphrodite – Zeus en Ganymedes

5; 202-217
‘De zeer wijze Zeus ontvoerde de blondharige Ganymedes vanwege zijn schoonheid, om onder de Onsterfelijken te verkeren en drank in te schenken voor de goden in het huis van Zeus – een wonder om te zien – geëerd door alle onsterfelijken als hij de rode nectar uit de schaal schept. Maar een verdriet dat niet kon worden verzacht vulde het hart van Tros. Want die wist niet waarheen de door de hemel gezonden wervelwind zijn lieve zoon heen had gebracht, zodat hij altijd om hem rouwde, onafgebroken, totdat Zeus medelijden met hem kreeg en hem hoogstappende paarden gaf die de onsterfelijken gebruiken, als compensatie voor zijn zoon. Die gaf hij als geschenk. En op bevel van Zeus, vertelde de Boodschapper, de Doder van Argus, hem alles, hoe zijn zoon bij de onsterfelijken woonden en niet ouder zou worden, net als de goden. Toen Tros dit bericht van Zeus had vernomen, treurde hij niet langer maar verheugde zijn hart zich en reed vrolijk met zijn stormvoetige paarden.’

5. Aan Aphrodite – Eos en Tithonus

5; 218-238
‘Zo ontvoerde goudgetroonde Eos ook Tithonus die van jouw ras was en een onsterfelijke god leek. En zij ging naar de donkerwolkige Zoon van Cronus om te vragen hem onsterfelijk te maken en hem eeuwig te laten leven. En Zeus knikte met zijn hoofd op haar vraag en vervulde haar wens. Maar koninklijke Eos had haar vraag te eenvoudig gesteld. Ze had in haar hart niet om de eeuwige jeugd gevraagd om hem te verlossen van het ouder worden. Dus terwijl hij genoot van de zoete bloem van het leven woonde hij verrukt samen met goudgetroonde Eos, de vroeggeborene, bij het water van de Oceaan, aan het einde van de aarde. Maar toen de eerste grijze haren op zijn knappe hoofd en kin verschenen, bleef koningin Eos weg uit zijn bed, hoewel ze hem in haar huis koesterde en verzorgde met voedsel en ambrosia en hem rijke kleding gaf. Maar toen de weerzinwekkende ouderdom hem volledig in zijn greep had, en hij zijn ledematen niet meer kon bewegen, bedacht ze in haar hart wat het beste voor hem was: ze lag hem in een kamer en deed de stralende deuren dicht. Daar murmelt hij eindeloos, en verloor al zijn kracht, die hij ooit in zijn soepele lichaam had bezeten.’

5. Aan Aphrodite – waarschuwing aan Anchises

5; 239-246
‘Ik wilde je geen ondode maken onder de onsterfelijke goden om voortdurend in die staat te moeten leven. Maar als je kon blijven leven in aanzicht en gedaante zoals je er nu uitziet, en mijn echtgenoot zou zijn, zou verdriet mijn zorgvuldige hart niet omarmen. Maar, helaas, zal de ouderdom ook jou binnenkort inpalmen – meedogenloze leeftijd die op zekere dag naast ieder mens staat, dodelijk, vermoeiend, zelfs door de goden gevreesd.’
5; 247-291
En door jou zal ik me vanaf nu voortdurend schamen onder de onsterfelijke goden. Want tot nu vreesden zij mijn gespot en listen waarmee ik, vroeger of later, alle onsterfelijken liet paren met sterfelijke vrouwen, hen onderwerpend aan mijn wil. Maar mijn woorden hebben nu geen kracht meer onder de goden, want mijn waanzin was groot, mijn ellendige en verschrikkelijke waanzin, waardoor ik uit mijn dak ging en nu een kind in mijn buik draag, na gemeenschap met een sterfelijke man. Wat dit kind betreft, zodra hij het licht van de zon ziet, zullen de rondborstige Bergnimfen die deze grote en heilig berg bewonen hem grootbrengen. Zij hebben geen status onder stervelingen of goden. Zij leven inderdaad lang, eten hemels voedsel en bewegen zich voor in de prachtige dans tussen de goden, en de Silenianen en de scherpogende Doder van Argus paren met hen in de diepten van aangename grotten. Bij hun geboorte ontspruiten samen met hen hooggetopte eiken uit de vruchtbare aarde, mooie, bloeiende bomen, hoog torenend op de hoge bergen (en men noemt dat heilige plaatsen van de onsterfelijken, en stervelingen hakken hen nooit met een bijl om). Maar wanneer uiteindelijk het dooslot nabij is, verdorren eerst de lieflijke bomen op de plek waar zij staan, en de barst om hen heen verdroogt, dan vallen de takken naar beneden, en tenslotte verlaten het leven van de Nimf en die van de boom samen het licht van de zon. Deze Nimfen zullen mijn zoon bij zich houden en hem grootbrengen, en zodra hij is opgegroeid tot een jongen, zullen de godinnen hem hier naar je toe brengen en je kind tonen. Maar, ik zal je alles vertellen wat ik van plan ben, over vijf jaar zal ik hier weer terugkeren en je mijn zoon brengen. Zodra je hem gezien hebt – een kind dat een genot is om te zien – zul jij je verheugen om hem te aanschouwen, want hij zal er goddelijk uitzien. Breng hem dan direct naar het winderige Ilium. En als een sterveling je ooit vraagt wie jouw lieve zoon heeft gebaard, onthoud dan om te vertellen wat ik je nu opdraag. Vertel dat hij een nakomeling is van een van de bloemachtige Nimfen die hier op de beboste hellingen wonen. Maar als je de waarheid vertelt en pocht dat je met de rijkgekroonde Aphrodite hebt samengelegen, zal Zeus je in zijn woede treffen met een rokende bliksem. Nu heb ik je alles verteld. Let dus op, noem mijn naam niet, en denk aan de woede van de goden.’ Nadat de godin dit gezegd had, steeg ze op naar de winderige hemel.
5; 292-293
Wees gegroet, godin, koningin van het mooigebouwde Cyprus! Met jou ben ik begonnen. Nu zal ik me richten op een ander lied.

6. Aan Aphrodite

6; 1-18
Ik zal zingen over de statige Aphrodite, goudgekroond en mooi, die de heerschappij heeft over de ommuurde steden van zeeomspoeld Cyprus. Daar blies de vochtige adem van de westenwind haar als zacht schuim over de golven van de luid bulderende zee, waar de Uren met gouden hoofdbanden haar vrolijk verwelkomden. Zij kleedden haar aan met hemelse kleding. Op haar hoofd plaatsten zij een mooie, kunstig gemaakte gouden kroon, en in haar doorstoken oren hingen zij sieraden van omber en kostbaar goud, en zij tooiden haar met een gouden halssnoer om haar nek boven haar sneeuwwitte borsten. Juwelen die de Uren met gouden hoofdbanden zelf droegen wanneer zij naar het huis van hun vader gingen om lieflijk te dansen met de goden. Nadat zij haar volledig hadden uitgedost, brachten zij haar naar de goden, die haar verwelkomden toen zij haar zagen, handen schuddend. Ieder van hen bad dat hij degene mocht zijn die haar mee naar huis mocht nemen om tot wettige vrouw te maken, zo enorm verbaasd waren zij over de schoonheid van de violetgekroonde Cythera.
6; 19-22
Wees gegroet, lieflijk innemende, schuchter ogende godin! Gun dat ik deze wedstrijd mag winnen, en draag mijn lied aan u op. Ik zal aan je denken en ook aan een ander lied.

7. Aan Dionysus

7; 1-14
Ik zal vertellen over Dionysus, de zoon van roemvolle Semele, hoe hij verscheen op een landtong aan de oever van de onvruchtbare zee, lijkend op een jongeman aan het begin van diens mannelijkheid. Zijn volle, zwarte haar golfde om hem heen, en om zijn sterke schouders droeg hij een purperen mantel. Op dat moment kwamen er piraten over de glinsterende Tyrrheense Zee met een welgebouwd schip aan – een ellendig noodlot voerde hen aan. Toen ze hem zagen wenkten zij naar elkaar en sprongen snel van boord, namen hem onmiddellijk gevangen, en brachten hem juichend aan boord. Want zij dachten dat hij de zoon van een door de hemel gekoesterde koning was. Zij probeerden hem vast te binden met ruwe banden, maar deze banden konden hen niet houden, en de wilgentenen vielen van zijn handen en voeten af. En hij zat daar met een glimlach in zijn donkere ogen.
7; 15-24
Toen begreep de stuurman het allemaal en riep meteen naar zijn vrienden en zei: ‘Gekken! Welke god is dit die jullie hebben meegenomen en proberen vast te binden, sterk als hij is? Zelfs dit steviggebouwde schip kan hem niet dragen. Dit is zeker de zoon van Zeus of Apollo die de zilveren boog draagt, of Poseidon, want hij ziet er niet uit als een sterfelijke man maar meer op de goden die op de Olympus wonen. Komaan, laten we hem direct vrijlaten op het donkere strand. Raak hem niet aan met je handen, zodat hij niet boos wordt en gevaarlijke winden en zware buien op ons afstuurt.’
7; 25-31
Dat zei hij. Maar de kapitein berispte hem met spottende woorden: ‘Gek, let op de wind en help mee om de zeilen te hijsen op dit schip. Zet alle zeilen uit. En wat deze man betreft zullen wij mannen op hem letten. Ik denk dat hij op weg is naar Egypte of Cyprus of naar de Hyperboreanen of misschien nog verder. Uiteindelijk zal hij spreken en over zijn vrienden vertellen en over al zijn rijkdommen en zijn broers, maar nu heeft de Voorzienigheid hem ons in de schoot geworpen.’
7; 32-57
Nadat hij dit gezegd had, hees hij de zeilen in de mast van het schip, en de wind vulde de zeilen die de bemanning aan beide zijden strak trokken. Maar al snel gebeurden er vreemde dingen om hen heen. Als eerste stroomde er zoete, geurige wijn over heel het schip en rees er een hemelse geur op, waar alle zeelieden met verbazing naar staarden toen ze het zagen. En plotseling groeide er een wijnstok met vele zijtakken vanuit de top van de mast langs het zeil naar beneden, en een donkere klimop woekerde om de mast, met bloeiende bloemen, waaraan rijpe bessen groeiden. En alle roeipennen werden bedekt met bloemkransen. Toen de piraten die allemaal zagen, bevalen zij de roerganger om het schip naar land te brengen. Maar de god veranderde op het schip in een verschrikkelijke leeuw, daar op de boeg, en brulde luid. Midscheeps vertoonde hij ook zijn wonderen en creëerde daar een ruige beer die verwoestend rechtop stond, terwijl de leeuw fel priemende ogen op de voorplecht stond te kijken. Dus vluchtten de zeelieden naar het achterschip en dromden verbijsterd om de rechtschapen stuurman, totdat de leeuw plotseling op de kapitein afsprong en hem overmeesterde. Toen de zeelieden dit zagen sprong de een na de ander overboord in de heldere zee, ontsnappend aan een ellendig lot, en werden in dolfijnen veranderd. Maar Dionysus had medelijden met de stuurman, hield hem tegen, en maakte hem blij door te zeggen: ‘Houdt moed, goede ziel. Je hebt genade in mijn hart gevonden. Ik ben luid roepende Dionysus die Cadmus’ dochter Semele baarde na haar vereniging met Zeus.’
7; 58-59
Wees gegroet, kind van Semele met het mooie gezicht! Hij die je vergeet kan op geen enkele manier mooie liederen oproepen.

8. Aan Ares

8; 1-18
Ares, uitblinkend in kracht, strijdwagenmenner, goudgehelmde, dappere van hart, schilddrager, redder van steden, geharnast in brons, sterk van arm, onvermoeibaar, machtig met de speer, O verdediger van Olympus, vader van de oorlogszuchtige Overwinning, bondgenoot van Themis, strenge heerser van de opstandigen, leider van rechtschapen mensen, gescepterde koning van mannelijkheid, die met jouw vurige hemelbol rondwaart tussen de planeten op hun zevenvoudige koers door de ether waarin je vurige paarden jou steeds dragen boven het derde firmament van de hemel. Hoor mij aan, helper van mensen, schenker van onverschrokken jeugd! Werp een vriendelijke straal van boven op mijn leven, en kracht in de strijd, zodat ik misschien in staat ben om van de bittere lafheid in mijn hoofd weg te rijden en de bedrieglijke impulsen in mijn ziel kan vernietigen. Bedwing ook de scherpe woede in mijn hart die mij uitdaagt om de paden van bloedstollende strijd te gaan. Schenk me liever, O Gezegende, de moed om aan de onschadelijke wetten van de vrede te voldoen. Conflicten vermijdend en haat en de gewelddadige vrienden van de dood.

9. Aan Artemis

9; 1-9
Muze, zing over Artemis, zus van de Verschietende, de maagd die van pijlen houdt, die samen met Apollo werd grootgebracht. Ze drenkt haar paarden in Melas diep in het riet, en rijdt snel met haar gouden wagen door Smyrna naar het met wijnranken bedekte Clarus waar Apollo, god van de zilveren boog, zit te wachten op de verschietende godin die van pijlen houdt. En ere zij u, Artemis, in mijn lied en eveneens aan alle godinnen. Ik zing als eerste over jou en met jou begin ik. En nu ik met jou begonnen ben, zal ik nu een ander lied zingen.

10. Aan Aphrodite

10; 1-6
Over Cythera, geboren in Cyprus, wil ik zingen. Zij geeft vriendelijke gaven aan mensen. Ze heeft altijd een lach op haar lieflijke gezicht, en liefelijk is de helderheid die er over speelt. Wees gegroet, godin, koningin van het mooigebouwde Salamis en zeeomspoelt Cyprus. Schenk mij een vrolijk lied. En nu zal ik je herinneren en ook aan een ander lied.

11. Aan Athena

11; 1-5
Over Pallas Athena, beschermvrouw van de stad, begin ik te zingen. Ze is vreeswekkend, en net als Ares houdt ze van oorlogsdaden, het onderwerpen van steden en de oorlogskreet. Zij is het die de mensen spaart wanneer deze naar de oorlog trekken en terugkomen. Wees gegroet, godin, schenk ons geluk en voorspoed!

12. Aan Hera

12; 1-6
Ik zing van de goudgetroonde Hera die door Rhea werd gebaard. Koningin van de onsterfelijken is zij, allen overtreffend in schoonheid. Ze is de zus en vrouw van luiddonderende Zeus, - de roemvolle waar alle gezegenden op de hoge Olympus eerbied voor hebben en buigen net als Zeus die van de donder houdt.

13. Aan Demeter

13; 1-3
Ik begin met zingen over de mooigekapte Demeter, vreeswekkende godin, over haar en haar dochter de mooie Persephone. Wees gegroet, godin! Bewaak deze stad en leidt mijn lied.

14. Aan de moeder van de goden

14; 1-6
Ik bid u, heldergestemde Muze, dochter van de machtige Zeus, zing over de moeder van alle goden en mensen. Zij houdt van het geluid van ratels en trommen, van het geluid van fluiten en het gehuil van wolven en helderogige leeuwen, van weerklinkende heuvels en beboste bergdalen. Wees dus gegroet in mijn lied en evenals alle andere godinnen.

15. Aan Heracles met het leeuwenhart

15; 1-9
Ik zal zingen over Heracles, de zoon van Zeus, en de machtigste mens op aarde. Alcmene baarde hem in Thebe, de stad van de lieflijke dans, nadat de donkerwolkige Zoon van Cronus met haar geslapen had. Eens zwierf hij over onmetelijke stukken land en zee op bevel van koning Eurystheus, verrichtte vele daden van geweld en had veel te verduren. Maar nu woont hij gelukkig in het roemvolle huis op de besneeuwde Olympus, en heeft Hebe met de mooi enkels als vrouw. Wees gegroet, zoon van Zeus! Schenk me succes en welvaart.

16. Aan Asclepius

16; 1-9
Ik begin te zingen over Asclepius, zoon van Apollo en genezer van ziekten. In de vlakte van Dotium baarde de mooie Coronis, dochter van koning Phlegyas, hem, een grote vreugde voor de mensheid, een verzachter van wrede pijnen. U wordt geprijsd, heer. In mijn lied bid ik tot u!

17. Aan de Dioscuren

17; 1-6
Zing, heldergestemde Muze, over Castor en Polydeuces, de Tyndariden, die voortkwamen uit de Olympische Zeus. Aan de voet van de hoge Taygetus baarde statige Leda hen, nadat de donkerwolkige Zoon van Cronus haar zijn wil had opgelegd. Wees gegroet, kinderen van Tyndareus, ruiters op snelle paarden!

18. Aan Hermes

18; 1-12
Ik zing van de Cyllenische Hermes, de Doder van Argus, heer van Cyllene en Arcadië die rijk is aan vee, gelukbrengende boodschapper van de onsterfelijke goden. Hij werd geboren uit Maia, de dochter van Atlas, nadat ze de liefde had bedreven met Zeus – een verlegen godin. Ze vermeed altijd de drukte der gezegende goden en leefde in de schimmige grot, en daar was de Zoon van Cronus gewend om met de nimf met de vele vlechten in het holst van de nacht samen te liggen, terwijl de witarmige Hera diep in slaap lag. En geen enkele onsterfelijke god of sterfelijk mens wist hiervan af. Wees dus gegroet, zoon van Zeus en Maia. Met u ben ik begonnen. Nu zal ik een ander lied zingen! Wees gegroet, Hermes, schenker van gratie, gids, en bezorger van goede dingen!

19. Aan Pan

19; 1-26
Muze, vertel me over Pan, de dierbare zoon van Hermes, met zijn geitenvoeten en twee hoorns – liefhebber van vrolijk lawaai. Hij zwerft door de open plekken in de bossen met dansende nimfen die aan de rand van steile kliffen liggen, Pan aanroepend, de herdersgod, langharig en onverzorgd. De besneeuwde bergkammen en bergtoppen behoren tot zijn domein, her en der zwervend gaat hij door het dichte struikgewas, nu eens gelokt door zacht kabbelende stromen, dan weer aangetrokken door hoogoprijzende klippen die hij tot de hoogste piek beklimt en uitkijkt over de kudden. Vaak zwerft hij door de glinsterende hoge bergen, of over de glooiende heuvels terwijl hij langs de dodende wilde dieren snelt, deze scherpogige god. Alleen ’s avonds, als hij terugkeert van de jacht, zingt hij zijn lied, zoet en laag spelend op zijn fluiten van riet. Zelfs zij kan hem niet overtreffen in zijn melodie – die vogel die in het met bloemen beladen voorjaar met haar zoetgevooisde stem temidden van de bladeren zingt. Op dat uur zijn de heldergestemde nimfen bij hem en bewegen met snelle voeten, zingend bij een bron van donker water, terwijl Echo jammert bij een bergtop, en de god nu eens aan deze kant en dan weer aan de andere kant van dat koor, en soms in hun midden, behendig met zijn snelle voeten tussen hen door beweegt. Op zijn rug draagt hij een gevlekte Lynxhuid, en hij verheugt zich met zijn hoogtonige liederen in een zachte weide waar krokussen en zoetruikende hyacinthen willekeurig bloeien in het gras.
19; 27-47
Ze zingen over de gezegende goden op de hoge Olympus en geven er de voorkeur aan om eerder over de gelukbrengende Hermes te vertellen dan over de rest, dat hij de snelle boodschapper is van alle goden, en hoe hij naar Arcadië kwam, het land van de vele bronnen en moeder van de kuddes, daar waar zijn goddelijke heiligdom is in Cyllene. Want daar, hoewel een god, is hij gewoon om de krulwollige schapen te hoeden in dienst van een sterfelijke man. Want daar werd hij verliefd en rees er een smeltend verlangen in hem op om te trouwen met de mooigekapte dochter van Dryops, die daarheen werd gebracht om een gelukkig huwelijk te sluiten. En in het huis baarde ze Hermes een lieve zoon die direct vanaf zijn geboorte al prachtig was om te zien, met geitenvoeten en twee hoorns – een luidruchtig, lief lachend kind. Maar toen zijn verzorgster het zonderlinge gezicht en volle baard zag, vluchtte zij angstig weg en liet het kind alleen achter. Toen nam gelukbrengende Hermes hem op in zijn armen, en de god was zeer verheugd. En hij ging snel naar de verblijfplaatsen van de onsterfelijke goden, zijn zoon warm ingepakt in vellen van berghazen dragend, zette hem neer naast Zeus en toonde hem aan de rest van de goden. Vervolgens waren alle goden verheugd en in het bijzonder Dionysus. En zij noemden de jongen Pan omdat hij hun harten verblijdde.
19; 48-49
En dus, wees gegroet, heer! Ik ding naar je gunsten met een lied. Ik je herinneren en ook een ander lied.

20. Aan Hephaistus

20; 1-8
Zing, heldergestemde Muzen, over Hephaistus die beroemd is vanwege zijn uitvindingen. Samen met helderogige Athena leerde hij de mensheid vele roemvolle gaven, - mensen die daarvoor gewend waren om in berggrotten te wonen als wilde beesten. Maar nu zij ambachten hadden geleerd van de beroemde Hephaistus, leefden zij het hele jaar door eenvoudig een vreedzaam in hun eigen huizen. Wees genadig, Hephaistus, en schenk mij voorspoed en welvaart!21.

Aan Apollo

21; 1-6
Phoebos, zelfs over u zingt de zwaan met heldere stem terwijl hij met zijn vleugels slaat, als hij neerstrijkt op de oevers van de wervelende rivier de Peneus. En de zoetgevooisde zangers zingen over u, hun hoogtonige lier vasthoudend, altijd als eerste en laatste zingend. Dus wees gegroet, heer! Ik ding naar uw gunst met mijn lied.

22. Aan Poseidon

22; 1-7
Ik begin te zingen over Poseidon, de grote god, schudder van de aarde en vruchteloze zee, god van de diepte die ook heer is van Helicon en het weidse Aegae. De goden wezen u een dubbele taak aan, O Aardschudder, als temmer van paarden en redder van schepen! Wees gegroet, hoeder der aarde, donkerharige heer! O gezegende, wees vriendelijk gestemd en help degenen die in schepen reizen!

23. Aan de zoon van Cronus, Allerhoogste

23; 1-4
Ik zal zingen over Zeus, voornaamste en grootste onder de goden, alziende, heer van allen, die wijze woorden fluistert tegen Themis die zittend naar hem toeleunt. Wees genadig, alziende zoon van Cronus, meest voortreffelijke en grootste!

24. Aan Hestia

24; 1-4
Hestia, u die het heilige huis van heer Apollo verzorgt, de Verschietende in welgeschapen Pytho, met zachte olie druipend van uw haren, kom nu in dit huis, kom, eensgezinde van gedachten met Zeus de alleswetende – kom nader, en schenk gratie aan mijn lied.

25. Aan de Muzen en Apollo

25; 1-6
Ik zal beginnen met de Muzen en Apollo en Zeus. Want door de Muzen en Apollo zijn er zangers op aarde die spelen op de lier. Maar koningen komen van Zeus. Gelukkig is hij die door de Muzen geliefd wordt, zoete taal komt van zijn lippen. Wees gegroet, kinderen van Zeus. Schenk eer aan mijn lied! Ik zal aan je denken en ook aan een ander lied.

26. Aan Dionysus

26; 1-13
Ik begin te zingen over de met klimop gekroonde Dionysus, de luid roepende god, prachtige zoon van Zeus en roemvolle Semele. De mooigekapte Nimfen ontvingen hem aan hun boezem van zijn vader en heer en verpleegden hem zorgvuldig in de dalen van Nysa waar zij hem grootbrachten, en hij door de wil van zijn vader opgroeide in een zoetruikende grot, en tot de onsterfelijken werd gerekend. Maar nadat de godinnen hem hadden grootgebracht, een veelbezongen god, begon hij voortdurend te zwerven door de heuvels, dik omkranst met klimop en laurier. En de nimfen volgden hem in zijn spoor als hun leider. En het grenzeloze bos was vervuld van hun kreten. Wees dus gegroet, Dionysus, god van overvloedige trossen! Gun dat wij ons mogen verheugen in dit terugkerende seizoen, en vanaf nu nog vele seizoenen meer in de komende jaren.

27. Aan Artemis

27; 1-19
Ik zing van Artemis, wier pijlen van goud zijn, die juicht met de honden, de zuivere maagd, doder van herten, die geniet van het boogschieten, zuster van Apollo met het gouden zwaard. Ze trekt over de beschaduwde heuvels en winderige pieken met haar gouden boog, genietend van de jacht, en schiet smartelijke pijlen af. Vanaf de toppen van de hoge trillende bergen en in de wirwar van hout weerklinken de vreselijke protesten van de beesten, ook tijdens aardbevingen en in de zee waar de vissen wonen. Maar de godin probeert met een stoutmoedig hart op alle mogelijke manieren het ras van de wilde dieren te vernietigen. Maar wanneer ze voldaan is en haar hart juicht, schudt deze jageres die plezier in haar pijlen heeft haar boog en gaat naar het grote huis van haar lieve broer Apollo, in het rijke land van Delphi, om daar deel te nemen aan de lieflijke dans van de Muzen en Gratiën. Daar hangt ze haar gekromde boog en pijlen op, en leidt voorop de dans, elegant gekleed, terwijl zij allen hun hemelse stemmen uiten, zingend over Leto met de mooie enkels die superieure kinderen in zowel denken als doen baarde onder de goden. Wees gegroet, kinderen van Zeus en mooigekapte Leto! Ik zal aan jullie denken en ook aan een ander lied.

28. Aan Athena

28; 1-16
Ik begin te zingen over Pallas Athena, de roemvolle godin, helderogige, inventief, onbuigzaam van wil, zuivere maagd, hoedster van steden, moedig, Tritogenia, vanuit zijn ontzagwekkende hoofd baarde de wijze Zeus haar zelf geheel gekleed in een wapenrusting van schitterend goud, en alle goden keken met ontzag naar haar. Maar Athena sprong snel uit het onsterfelijke hoofd en stond voor Zeus die de aegis voert, een scherpe speer schuddend. De hoge Olympus begon verschrikkelijk te bewegen door de macht van de helderogige godin, en de aarde eromheen kreunde luid, en de zee bewoog en liep hoog op met donkere golven, terwijl schuim plotseling opspatte. De heldere zoon van Hyperion stopte lange tijd met zijn snelvoetige paarden, totdat het meisje Pallas Athena de hemelse wapenrusting uitdeed. En wijze Zeus was blij. Wees dus gegroet, dochter van Zeus die de aegis voert! Ik zal aan je denken en ook aan een ander lied.

29. Aan Hestia

29; 1-13
Hestia, in de hoge woningen van allen, zowel de onsterfelijke goden als de mensen die de aarde bewandelen, heb jij de hoogste eer en verblijfplaats vergaard. Roemvol is jouw aandeel en jouw recht. Want zonder jou nuttigen de stervelingen geen maaltijd, - waarbij men zowel bij aanvang als aan het einde plechtig en naar behoren een plengoffer van zoete wijn brengt. En jij, doder van Argus, zoon van Zeus en Maia, boodschapper van de goden, drager van de gouden staf, brenger van het goede, wees goedgestemd en help ons, jij en Hestia, de eerbiedwaardige en dierbare. Kom samen als vrienden in dit roemvolle huis wonen. Want jullie twee, de nobele daden van de mensen goed kennend, zijn hen tot steun in wijsheid en kracht. Wees gegroet, dochter van Cronus, en ook jij, Hermes, drager van de gouden staf! Ik zal jullie herinneren en ook een ander lied.

30. Aan de Aarde, moeder van allen

30; 1-18
Ik ga zingen van de goedgegrondveste Aarde, moeder van allen, oudste van alle wezens. Zij voedt alle wezens die er op de aarde zijn, allen die voortgaan op het goede land, allen die leven in de zee, en allen die vliegen, zij worden allen gevoed uit haar boezem. Via u, O koningin, worden mensen gezegend met kinderen en in hun oogsten, en u schenkt zin aan het leven van sterfelijke mensen en kan dat ook weer wegnemen. Gelukkig is de mens die jou vereert! Hij bezit alles in overvloed, zijn vruchtbare land is overladen met graan, zijn weiden bedekt met vee, en zijn huis is gevuld met mooie dingen. Zulke mensen heersen ordelijk in hun steden met mooie vrouwen. Grote rijkdommen en welvaart volgen hen. Hun zonen juichen van altijd toestromende verrukking, en hun dochters spelen in bloemrijke groepen en springen vrolijk over de zachte bloemen in het veld. Zo gaat het met degenen die u vereren O heilige godin, gulle geest. Wees gegroet, Moeder der goden, vrouw van de sterrenhemel. Schenk mij vrijwillig voeding voor dit lied dat mijn hart verblijdt. En ik zal je herinneren en ook een ander lied.

31. Aan Helius

31; 1-18
En nu, O Muze Calliope, dochter van Zeus, begin met zingen over de stralende Helius die de zachtogige Euryphaessa , de verschijnende, baarde aan de zoon van Aarde en de Sterrenhemel. Want Hyperion trouwde Euryphaessa, zijn eigen zus, die hem mooie kinderen baarde, rozearmige Eos en mooigekapte Selene en onvermoeibare Helius die als de onsterfelijke goden is. Zoals hij in zijn rijtuig rijdt, schijnt hij op de mensen en onsterfelijke goden, en kijkt doordringend met zijn ogen vanonder zijn gouden helm. Helder verblindend licht straalt van hem af, en zijn heldere lokken omlijsten gracieus het van verre zichtbare gezicht. Rijke, fijngeweven kleding gloeit om zijn lijf en wappert in de wind, en hengsten trekken hem voort. Dan, nadat hij zijn gouden wagenspan heeft gestald, rust hij daar even in het hoogste punt in de hemel, totdat hij hen weer wonderlijk door de hemel naar beneden drijft naar de oceaan. Wees gegroet, heer! Schenk mij de stof die het hart verheugt. En omdat ik met u ben begonnen, zal ik het ras van de sterfelijke en halfgoddelijke mensen eren wiens daden de Muzen aan de mensheid hebben getoond.

32. Aan Selene

32; 1-18
Vervolgens, zoetgestemde Muzen, dochters van Zeus, vaardig in het zingen, vertel over de in de verte vliegende Maan. Vanuit de hemel straalt vanaf haar onsterfelijke hoofd een straling die de aarde omarmt. En groot is haar schoonheid die in het stralende licht zichtbaar is. De lucht, daarvoor onverlicht, gloeit met het licht van haar gouden kroon, en haar stralen schijnen helder, wanneer heldere Selene haar lieflijke lichaam gaat baden in het water van de Oceaan, en zij haar van verre glanzende, stralende span aanzet, de langmanige paarden op volle snelheid rijdend, ’s nachts in het midden van de maand. Dan wordt haar grote bol vol en schijnen haar helderder terwijl ze toeneemt. Zo is zij een zeker teken en signaal voor de sterfelijke mensen. Eens was de zoon van Cronus verliefd op haar, en zij werd zwanger en baarde een dochter Pandia, buitengewoon lieflijk onder de onsterfelijke goden. Wees gegroet, witarmige godin, heldere Selene, goedaardig, blondharige koningin! Maar nu zal ik u verlaten en zingen van de halfgoddelijke mensen, wier daden de zangers, de dienaars van de Muzen, met prachtige liederen eren.

33. Aan de Dioscuren

33; 1-17
Helderogige Muzen, vertel over de Tyndariden, de zoons van Zeus, roemvolle kinderen van Leda met de mooie enkels, Castor de temmer van paarden, en onberispelijke Polydeuces. Nadat Leda had samengelegen met de donkerwolkige zoon van Cronus, baarde ze hem aan de voet van de grote berg Taygetus, - kinderen die mensen op aarde te hulp snellen wanneer zijn in snelvarende schepen over door meedogenloze stormen geteisterde zeeën varen. Dan roepen de zeelieden de zoons van de grote Zeus aan met offers van witte lammeren, op het voorschip. Maar de sterke wind en de golven van de zee doen het schip zinken, totdat plotseling deze twee vliegend door de lucht komen aanzetten op taankleurige vleugels. Onmiddellijk bedaren zij de stormwinden en kalmeren de golven aan het oppervlak van de witte zee. Ze zijn mooie tekens en bevrijders van gezwoeg. En als de zeelui hen zien dan zijn ze blij en krijgen rust van hun pijn en gezwoeg. Wees gegroet, Tyndariden, ruiters op snelle paarden! En ik zal jullie herinneren en ook een ander lied.

© 2017 Maarten Hendriksz