Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Homerus - Ilias

Bron:

Homeros, Ilias, tekstgetrouwe weergave door Frans van Oldenburgh Ermke, Kempische Boekhandel - Retie 1959 (wordt niet meer gedrukt).

1. Ruzie tussen Achilles en Agamemnon

Chryses wordt beledigd

I; 1
Vertel, Muze, vertel van de wrok van Achilles. Daar kwam voor de Grieken grote ellende uit voort. Naar Hades heen voeren talloze helden. Honden en gieren vraten hun lijken. Het was Zeus, die het wilde. Begin met de twist tussen Agamemnon, de koning, en de zoon van Peleus, Achilles de machtige.
I; 2
Wie van de goden stichtte tussen hen die verhitte twist? Apollo was het, de zoon van Leto en Zeus. Woedend was hij op Agamemnon, de koning, en teisterde het scheepsvolk met de zwarte dood. De koning beledigde Chryses, een priester van Apollo. Deze kwam bij de schepen der Grieken, wilde zijn dochter vrijkopen, voerde een hoge losprijs mee en hield in zijn hand de gouden staf van Apollo, versierd met de haarband van die feilloos treffende boogschutter. Die staf hield hij omhoog en hij smeekte de Grieken en vooral de twee zonen van Atreus, Agamemnon en Menelaus, de aanvoerders van het leger.
I; 3
‘Atreus’ zonen en gij helden der Grieken, geven de goden van de Olympus u om de stad van koning Priamus te verwoesten en een behouden thuiskomst daarna! Geeft mij echter mijn kind terug tegen de losprijs, die ik u bied! Doet het uit eerbied voor Apollo, Zeus’ zoon, doet het uit ontzag voor zijn pijlen die nooit missen. ‘
I; 4
Daarmee waren allen het eens. De priester moest men eerbiedigen. Die rijke losprijs viel niet te versmaden. Agamemnon alleen wilde daar niet van horen. Ruw scheepte hij hem af met hatelijke woorden ‘Oude met uw grijze kop, wees gewaarschuwd! Dat ik u niet meer bij de schepen zie! En waag het niet terug te komen! Staf en krans van uw god zullen u niet beschermen! Uw dochter krijgt ge niet! Die zal eerder van ouderdom sterven, in mijn slot te Argolis, ver van haar land. Daar zal zij weven voor mij op het weefgetouw en mijn bed delen. En gij, weg van hier, vlug, als ge het leven wilt houden!’
I; 5
Bevend gehoorzaamde de oude man. Zonder een woord trok hij af langs het strand van de ruisende zee. Toen was hij alleen. Niemand zag hem. En hij bad. Tot zijn heer, tot Apollo smeekte hij, tot de zoon van Leto, befaamd om haar heerlijke haardos:
I; 6
‘Hoor mij, o god met uw zilveren boog, die Chryse beschermt en het heilige Cilla behoedt, Tenedos’ opperheer, verdelger der veldmuizen! Wijdde ik u geen mooie tempel? Bracht ik u geen brandoffers van het beste van stieren en geiten? Verhoor mij dan deze wens: Geef de Grieken voor mijn tranen pijlen weerom!’
I; 7
Negen dagen lang regenden de pijlen van de god neer op het schepenkamp. De tiende dag gaf Achilles de troepen bevel zich te verzamelen. Hera, de godin met de blank armen, fluisterde hem dit in, bezorgd als zij was om de Grieken. Toen allen bijeen waren, stond de vinnige Achilles op in hun midden: ‘Zoon van Atreus, het loopt ten einde, dit wordt een terugtocht naar ik meen, àls wij tenminste het leven houden, nu bij de oorlog ook nog de zwarte dood komt! Maar kunnen wij geen waarzegger, priester of zelfs droomuitlegger raadplegen? Ook de dromen immers komen van Zeus. Laat hij ons zeggen, waarom Apollo zo vertoornd op ons is. Braken we een gelofte? Schoten we in eerbetoon te kort? Dan zou een welgevallig offer van schapen of geiten hem kunnen verzoenen, zodat we gered worden van de zwarte dood.’

Calchas profeteert

I; 8
Achilles ging zitten en Calchas, de zoon van Thestor, stond op. In heel het kamp was er geen waarzegger als hij. Verleden, heden en toekomst lagen voor hem open, als hij de vlucht van de vogels raadpleegde. Zijn zienersgaven, die hij dankte aan Apollo, hadden de vloot van de Grieken naar Troje geloodst. Als trouw kameraad van hen allen nam hij het woord.
I; 9
‘Gij vraagt mij, Achilles, die de goden beminnen,’ zo sprak hij, ‘wat de reden is van de wrok van Apollo, mijn heer. En ik zal het u zeggen. Doch eerst vraag ik u om mij met uw woord en daad te beschermen, want maar al te goed weet ik, dat ik mij iemand tot vijand ga maken, wiens gezag over ons onbetwistbaar is, wiens woord wet is bij alle Grieken. De gemene man is verloren als hij de koning beledigt. Mag hij voor het ogenblik zijn woede beheersen, zijn wrok blijft smeulen tot de dag, dat hij in oplaaiende toorn zijn rekening met hem vereffent. Beden dus, of gij mijn veiligheid kunt waarborgen.’
I; 10
‘Heb geen vrees,’ zei de rappe Achilles, ‘maar vertel ons alles, wat de hemel u leerde, want bij Zeus’ zoon, Apollo, dezelfde god, in wiens naam gij voorspelt en waarzegt, zweer ik u, Calchas, dat zolang ik leef en bij zinnen ben, geen van de Grieken uit het schepenkamp hier u zal deren, zelfs niet als de man, die gij meent, Agamemnon is, die bevel voert over ons allen.’
I; 11
Dit stelde Calchas gerust, zodat hij het woord nam. ‘Het gaat niet, ‘ zei hij, ‘om een gebroken belofte of een nalatigheid in onze eerbetuigingen. Boos is de god, omdat Agamemnon zijn priester beledigde door zijn losprijs te weigeren en hem zijn kind niet te geven. Daarom trof ons Apollo en zal hij ons blijven treffen. Niet eerder verlost hij ons van de pest, dan wanneer wij het meisje met de heldere ogen teruggeven aan haar vader, zonder losprijs, maar met rijke offers voor Chryse. Is dat gedaan, misschien is hij dan ons meedogend.’
I; 12
Calchas ging zitten, maar woedend sprong Agamemnon op. Zijn hart ziedde van duistere toorn; zijn ogen schoten vonken. Dreigend viel hij eerst tegen Calchas uit.
I; 13
‘Ongeluksprofeet,’ riep hij, ‘nooit hebt ge iets goeds voorspeld in mijn voordeel! Ge zwelgt in het verkondigen van komende rampen. Iets goeds hebt ge nooit voorzegd of gedaan! En nu werpt ge u op tot de ziener van het leger, maakt de mannen wijs, dat Apollo hen uitroeit, omdat ik het losgeld voor het meisje Chryseïs weigerde, hoe vorstelijk dat ook was! En is dat zo’n wonder? Meer houd ik van haar dan mijn vrouw Clytaemnestra. Schoner is zij en wel zo behendig. Toch ben ik bereid haar te laten gaan, als dat beter is. Mijn wens is het welzijn en de veiligheid van mijn mannen, niet hun ondergang. Maar geef mij danonmiddellijk een tegengeschenk, want moet ik als enige met lege handen achterblijven? Is dat passend?! Ge ziet het allen, dat ik mijn prijs verbeur!’

De twist tussen Achilles en Agamemnon

I; 14
Overeind sprong de vlugge Achilles. ‘En waar,’ vroeg hij, ‘wilt ge, dat onze dapperen voor uwe hoogheid een nieuwe prijs halen om uw onvergetelijke hebzucht te bevredigen? Hebben we een stapelplaats van buit, die niet verdeeld is? Wat wij namen uit de steden, die we veroverden, is verdeeld. En mogen wij van de mannen vragen om dat weer heen te brengen? Neen, geef haar terug nu, zoals de god het beveelt; en als Zeus het ons vergunt om Troje’s muren te rammen zullen we u drie-, ja, viervoudig vergoeden.’
I; 15
Koning Agamemnon gaf hem onmiddellijk ten antwoord: ‘Hoe groot ook uw dapperheid, Achilles, uw sluwheid misleidt mij niet. Met slimme woorden zult ge me niet vleien noch vangen. In de hoop uw eigen prijs te behouden, zegt ge me het meisje te laten gaan! Denkt ge dan, dat ik haar weerloos zal prijs geven en met lege handen hier achterblijf? Neen! Maar als het leger mij een eergeschenk geeft, dat naar mijn zin is en mijn verlies goed maakt , dan zal ik er verder niets meer van zeggen. Zo niet, dan haal ik me er zelf een, dat van u of van Ajax, of ik neem me de prijs van Odysseus . Wat ervan komt, als gevolg van uw woede, is me van latere zorg! Laat ons nu echter een stevig schip van het strand trekken in de kalme zee, het bemannen met uitgezochte en snelle roeiers, het offervee aan boord nemen, en dan het meisje zelf, Chryseïs met haar wangen als rozen. En laat één van de krijgsraad als gezagvoerder meegaan – Ajax, Idomeneus, de voortreffelijke Odysseus of gijzelf, mijn heer, de geduchtste, die we zouden kunnen kiezen – om het offer te brengen en weer de gunst van Apollo te winnen.’
I; 16
De vlugge Achilles keek hem aan met een donkere blik. ‘Onbeschaamd sluwe plannenmaker!’ riep hij uit. ‘Altijd moet ge op uw voordeel uit zijn! Hoe kunt ge verwachten, dat ook maar één van uw mannen getrouw uw bevelen opvolgt, hetzij bij veldslag of bij strooptocht? Geen eigen twist met Troje’s landknechten bracht mij hier! MIJ deden zij niets, dat ik hen bestrijden zou! Van mij stalen ze rund noch paard; van Phthia’s vette grond hebben ze de oogst nooit verwoest. Tussen hun land en het mijne immers liggen de ongewisse zee en veel dreigend donkere bergketens. Ten gevalle van u – dat ge het weet – namen wij deel aan de veldtocht. Omwille van u, ja, gewetenloze, trokken wij er op uit om van de Trojanen voldoening te eisen voor Menelaus, en uzelf. Maar dát schijnt ge vergeten! En nu moet gij het juist zijn, die mij dreigt mijn prijs te gaan stelen, waar ik zo hard voor moest vechten en waarmee de troepen mij eerden! Kreeg ik ooit zoveel als u, als de Grieken een welvarende stad van de Trojanen plunderden? Op mij drukken de hitte en de last van de strijd, maar van de buit neemt gij het meest, als ik, moe van het vechten, het slagveld verlaat en met weinig tevreden terugkeer naar mijn schepen. Maar nu is het naar Phthia, dat ik terug ga. Wat kan ik anders doen? Moet ik soms hier blijven en me laten beledigen, terwijl ik voor u schatten verzamel?!’
I; 17
‘Ga, als ge gaan wilt! Ga maar gerust!’ antwoordde de legeraanvoerder Agamemnon. ‘Voor mij hoeft ge niet te blijven! Mij blijven anderen die nog ontzag voor me hebben; bovenal blijft mij Zeus met zijn goddelijke raad! Van alle groten haat ik trouwens het meest, die enkel maar leeft van twist, van vechten en geweld. Goed ge zijt sterk, maar dat gaf een god u! Trek nu maar af met uw schepen en strijders; dan kunt ge thuis de held spelen! Ik heb u hier niet nodig en uw woede laat mij koud. Doch let op mijn woorden. Zoals Apollo mijn Chryseïs ontneemt, die ik op mijn eigen schip met mijn mannen wegzend, zo zal ik gaan naar uw tent, Achilles, en mij laten halen uw prijs, het meisje Briseïs met haar teder blozende wangen, opdat ge zult weten, wie van ons de sterkste is, en opdat ook de anderen zullen weten, wat ervan komt, als men hun leider beledigt en tart.’
I; 18
Woedend was Achilles. In zijn ruige borst ziedde en kookte het van een innerlijke tweestrijd. Zou hij zijn vlijmscherp zwaard trekken, zich een weg banen door de menigte en Agamemnon neerslaan? Of zou hij zich beheersen en zijn woede verkroppen? In het heetst van die tweestrijd, het lange zwaard reeds half uit de schede – het verstand draalde, maar de hartstocht hitste hem op - werd hij bezocht door de godin Athena, neergedaald uit de hemel op aandrang van Hera met de blanke armen, die beiden al evenzeer in haar hart droeg, bezorgd om de één als om de ander. Achter hem stond zij en greep hem bij zijn lang blond haar. Niemand merkte haar aanwezigheid behalve Achilles, die zich verbaast omdraaide, haar onmiddellijk herkende aan de felle schittering in aan ogen. Maar zonder schroom vroeg hij haar: ‘En wat komt gij hier doen, dochter van Zeus, die het geduchte schild voert? Wilt ge getuige zijn van mijns heren Agamemnon’s onbeschaamdheid? Ik zeg het u ronduit en zonder omwegen, dat hij zijn verwaande buitensporigheid met zijn leven zal boeten.’
I; 19
‘Uit de hemel daalde ik,’ antwoordde Athena met fonkelende blik, ’in de hoop u tot rede te brengen. Hera, de godin met de blanke armen, zond mij hierheen, u beiden beminnend en om u beiden bezorgd. Staak uw twist, steek uw zwaard in de schede; geef hem woorden voor woorden; lucht vrij uw hart; want wees ervan verzekerd, dat de dag zal komen, dat ge drievoudig ontvangt, wat deze smaad u kost. Beheers u dus, zoals wij het u zeggen.’
I; 20
En de vinnige Achilles antwoordde: ‘Als twee godinnen als gij een bevel geeft, moet de mens, zelfs in zijn grootste toorn, nog gehoorzamen. En het is beter zo. Wie luistert naar de goden, vindt bij hen ook gehoor.’
I; 21
Nog omklemde zijn hand het zilveren gevest van zijn zwaard, maar hij schoof het terug in de schede, gehoorzaam aan Athena, die daarop verdween, terug naar de hoge Olympus en de andere goden.
I; 22
Kalm was Achilles nog niet. Opnieuw tartte hij Agamemnon met bittere woorden. ‘Dronken dwaas,’ riep hij, ‘hondengezicht met de moed van een hinde! Nooit hebt ge de moed om de wapens te nemen en met de mannen ten strijde te trekken of met de andere leiders op sluiptocht te gaan, als de dood zo bang als ge zijt! Beter bekomt het u in het kamp te blijven en de buit te stelen van wie u dwars zit! Uitbuiter van een volk, dat zwak, àl te zwak is! Anders zoudt ge uw laatste woorden nu al berouwd hebben! Maar let op, wat ik nu ga zeggen, want een plechtige eed zweer ik. Zie deze staf. Eens in de heuvels van zijn stam afgesneden, kan hij geen takken en twijgen meer schieten. Door het hakmes beroofd van bast en van bladeren verloor hij zijn groeikracht. Toch dragen de mannen, die in Zeus’ naam onze wetten bewaren, de rechters van ons volk, deze staf in hun handen. En daarbij zweer ik – geen beter teken is er -, dat de dag zal komen, dat de Grieken als één man mij deerlijk zullen missen; dan zult ge in uw wanhoop niet bij machte zijn hen te helpen, als bij honderden zij vallen onder de handen van Hector, de mannendoder; dan zal uw wroeging u het hart verscheuren, omdat ge de beste der uwen veracht hebt.
I; 23
En met die woorden wierp hij de met goud beslagen staf op de grond en ging zitten, terwijl hij Agamemnon van zijn kant vol woede liet razen. Nu echter sprong Nestor op, redenaar van Pylos met heldere stem, naar wie het goed was te luisteren, als van zijn lippen zoeter dan honing de woorden vloeiden, hoofs en gepast. Reeds had hij in het heilige Pylos twee geslachten ter wereld zien komen, opgroeien en sterven; nu heerste hij over het derde. Vol goedwillige zorg nam hij het woord en zei: ‘Wee, wat een ramp gaat de Grieken nu treffen! Maar wat blijdschap voor Priamus en voor Priamus’ zonen, hoorden zij van die tweespalt tussen u, de leiders der Grieken in beleid en in strijd! Hoe zou heel Troje juichen! Luistert naar mij, uw meerdere in jaren. En wat meer is, mijn lange leven heb ik verkeerd met mannen, die zelfs nòg beter waren dan gij. Zij versmaadden mijn raad niet. Beteren zag ik nooit dan Pirithoüs en Dryas, herder des volks, Caeneus, Exadius, Polyphemus, die als een god was, en de zoon van Aegeus, Theseus, als held vermaard. Het waren de sterkste mannen, ooit door de aarde verwekt, die ook de allersterksten bevochten, de Centauren der bergen, door hen verslagen, geslacht en uitgeroeid. Dit waren de mannen, voor wie ik mijn woning in Pylos verliet om mèt hen te strijden. Op hun eigen verzoek reisde ik ver om hen te ontmoeten. In de strijd, die zij voeren, vocht ik zelfstandig en naar best vermogen. En het waren mannen, met wie niemand ter wereld zich thans op het slagveld zou kunnen meten. Toch waren zij gewillig om naar mijn woorden en mijn raad te luisteren. En zo moet gij beiden doen. Ge zult er niet minder op worden. Vergeet, Agamemnon, uw recht als eerste, ontneem hem dat meisje niet, laat hem wat de Grieken hem schonken. Gij, Achilles laat varen uw twist met de koning. Zijn gezag komt van Zeus en dwingt ons tot eerbied. Met een godin tot moeder moogt ge wellicht van u beiden de sterkste zijn, maar Agamemnon is uw meerdere, omdat hij over meerderen bevel voert. Doch laat varen uw eis, Agamemnon, zwicht voor Achilles, onze toeverlaat in het heetst van de strijd!’
I; 24
‘Eerbiedwaardig als ge zijt, valt er niets af te dingen op wat ge zegt,’ antwoordde Agamemnon, de vorst. ‘Maar deze man hier wil de overhand nemen, de baas spelen over ons allen, koning zijn, bevelen geven, doch één zal er zijn, die zich daar niet bij neerlegt! Bij de genade der eeuwige goden werpt hij met kracht en behendig zijn speer, maar daarmee gaven ze hem nog het recht niet mij met scheldwoorden te treffen!’
I; 25
Daarop viel de edele Achilles hem in de rede. ‘een dwaas’ zei hij, ‘een sukkel mag men mij noemen, als ik van plan zou zijn om maar alles goed te vinden, wàt ge ook zegt! De anderen kunt ge bevelen, niet mij! Met mijn geduld houdt ook mijn gehoorzaamheid op. En nu nog wat anders! En let goed op! Geen hand zal ik opheffen om dat meisje tegen u noch wie ook te beschermen, want ge hebt nu eenmaal besloten om te nemen, wat ge me schonk. Maar van wat ik verder nog bezit nabij mijn rank en zwart schip, daarvan zult ge niets nemen! Waag het eens en dan zal eenieder hier zien hoe donker uw bloed druipt langs mijn speer.’

Agamemnon laat Briseïs ophalen uit de tent van Achilles

I; 26
Na die felle strijd met vinnige woorden stonden beiden op en ontbonden de bijeenkomst der Grieken in het kamp bij de schepen. Achilles begaf zich met Patroclus en zijn vrienden naar zijn goed onderhouden schepen en tenten. Agamemnon intussen liet snel een schip van het strand in de zee trekken, dat hij met twintig roeiers bemande. Het offervee bracht men aan boord en toen Chryses’ dochter met een lieflijke blos op de wangen. Gezagvoerder was Odysseus, de schrandere. En toen eenieder aan boord was zetten zij koers langs de wijde wegen der zee.
I; 27
Dan liet Agamemnon zijn manschappen zich reinigen. Het zilte water van de zee spoelde al golvend het vuil weg. Daarop offerden zij rijkelijk stieren en geiten langs het strand van het onvruchtbare water. En heerlijke geuren stegen met de kronkelende rook opwaarts ten hemel.
I; 28
Terwijl zijn mannen aldus in het kamp bedrijvig hun plicht deden, was Agamemnon bedacht op zijn twist met Achilles en op het volbrengen van dat, waar hij hem in de vergadering mee gedreigd had! Hij riep Talthybius en Eurybates, beiden herauten van hem en trouw als schildknapen zijn, en hij zei hun: ‘Ga naar de tent van Achilles, de zoon van Peleus, maakt u meester van het meisje Briseïs, breng haar hier. Weigert hij haar op te geven, dan kom ik zelf met meer mannen haar halen. En dan ziet het er nog slechter voor hem uit.’
I; 29
Daarmee zond hij hen weg. Aarzelend, tegen hun zin, maar met dit strengste vermaan in hun oren, gingen ze heen, het strand van de onvruchtbare zee langs. Zij bereikten kamp en schepen van de Myrmidonen, vonden Achilles, waar hij zat bij zijn eigen zwarte schip en zijn tent. Mistroostig zag hij hen komen. Verlegen en beschaamd en zonder een woord bleven ze voor hem staan. Ze zeiden niet wat zij wilden. Maar hij wist het ook zonder woorden. Zijn stem was het, die de stilte verbrak. ‘Herauten,’ zei hij, ‘gegroet, gij boden van Zeus en mensen. Komt naderbij. Twist heb ik met Agamemnon, niet met u. Hij zond u om het meisje Briseïs te halen. Mijn edele Patroclus, wilt ge het meisje naar buiten brengen en het uitleveren aan deze mannen hier? Op hen zal ik rekenen als mijn getuigen voor de gelukkige goden, voor de mensen, voor de onbeschaamde vlegel van een koning zelf, als ooit weer het uur komt, dat de Grieken mij nodig hebben om hem uit rampen te redden. Van zinnen en krankzinnig is die man. Hij heeft wel nooit voorzien en vooruitzien geleerd, want dan moest hij zich afvragen, hoe hij zijn leger kan redden, als de strijd om de schepen begint.’
I; 30
Patroclus deed, terwijl zijn vriend nog sprak, wat deze hem gevraagd had. Hij bracht het meisje, dat bloosde, naar buiten bij de mannen. Langs een lange rij van schepen ging zij – een vrouw, die ongelukkig was, tussen twee mannen, die schoorvoetend hun plicht deden-. En Achilles weende, alleen.

Achilles doet beklag bij zijn moeder

I; 31
Eenzaam zat hij aan het strand van de grijze zee en keek uit over het woest ledige water. Toen strekte hij de armen uit en bad tot zijn moeder uit de grond van zijn hart. ‘Moeder, daar gij, een godin, mij baarde, al is het slechts voor een leven, waarvan de dagen geteld zijn, moest Zeus toch, die de donder zendt vanaf de Olympus, niet willen, dat men mijn eer te na komt. Maar neen, zelfs dat niet, doch laat mij grievend verguizen door Agamemnon, de koning, door de zoon van Atreus, die mijn eregave roofde en thans in bezit houdt.’
I; 32
Zo klaagde Achilles en weende en bad; en zijn edele moeder hoorde hem, waar zij toefde in de afgrond van de zee met haar oude vader. Snel als een nevel rees zij uit het grijze water op, ging bij haar zoon zitten, die nog steeds schreide, en streelde hem met haar hand. ‘Waarom die tranen, mijn kind?’ vroeg ze . ‘Wat is er, dat u grieft? Het verdriet wil een uitweg. Het wil gedeeld zijn. Spreek dus; dan dragen wij het samen.’
I; 33
Zwaar zuchtend antwoordde Achilles, die anders zo vlug was: ‘Weten wilt ge mijn wee? Maar ge weet het! Waarom dus het hele verhaal weer vertelt? Maar goed dan: we gingen naar Thebe, de heilige stad van Eëtion, die wij plunderden. Met al het buitgemaakte trokken wij af. En naar gewoonte van het leger verdeelden we het eerlijk, waarbij wij Chryses’ dochter, een meisje met lief zachte wangen, voor Agamemnon bestemden als bijzondere gave. Daar kwam nu haar vader, priester van Apollo, naar de schepen der Grieken, die daar stonden in hun pantser van koper, om voor een kostelijk losgeld zijn dochter vrij te kopen. En de krans van Apollo hield hij op een gouden staf in de hand. Heel het leger der Grieken sprak hij al smekende toe, maar met name hun leiders, de beide zonen van Atreus. Allen uitten hun bijval uit eerbied voor de priester en de begeerte naar het losgeld. Doch dit was niet naar de zin van de grote Agamemnon. Hij scheepte de priester af met woedende woorden en een waarschuwing die hem moest heugen. Wrokkend ging de oude weer huistoe. Apollo echter was voor zijn bede niet doof, want hij was zijn priester genegen, zodat hij, de boogschuttergod, zijn kwaadaardige pijlen afschoot op het leger. De Grieken vielen in groten getale. Snel trof de dood hen. Overal in ons kamp gierden zijn pijlen. Toen stond er een ziener op uit ons midden, die de wil van de god ons verklaarde. En ik, onmiddellijk, drong met klem aan op verzoening met de god. Woedend werd Agamemnon; hij dreigde me met giftige woorden. En thans heeft hij zijn bedreiging wáárgemaakt. Onder het toezicht der Grieken vaart het meisje Chryseïs heen op een schip met offers voor de god, terwijl boden van de koning mijn tent verlieten met een ander meisje, Briseïs, dat het leger mij schonk. Als gij dus macht hebt, bescherm uw zoon. Stijg op naar de Olympus en als ge er ooit door woord of daad het hart van Zeus hebt vertederd, herinner hem daaraan, als ge tot hem bidt. In mijn vaders huis vernam ik van u vaak het trotse verhaal, hoe gij alleen onder alle goden Zeus, die de hemelen verduistert, redde van een smadelijk lot, toen enkele anderen, die de Olympus bewonen – Hera, Poseidon en Pallas Athena -, van plan waren om hem met ketenen te boeien. Gij, godin, bent toen gekomen om hem hiervoor te redden. Vlug riep u naar de hoge Olympus het monster met de honderd armen, door de goden Briareus, door de mensen Aegaeon geheten, een machtiger reus nog dan zijn vader. Naast Zeus zette hij zich neer, zo geweldig van uitzicht, dat de zalige goden afdeinsden van schrik en de ketenen geen kluisters werden van een god. Vertel hem dáárvan, bij hem gezeten, zijn knieën omklemd. Als ge kunt, overreed hem de Trojanen te helpen, de Grieken terug te dringen naar hun schepen, met de zee in de rug hen af te slachten. Dan zullen ze weten, wat hun koning waard is; dan zal hunkoning weten, wat een dwaas hij was om de edelste van allen te grieven.’
I; 34
De wangen nat van tranen riep Thetis: ‘Mijn zoon, o mijn zoon! Heb ik daarvoor mijn ongelukkig kind gekoesterd en grootgebracht? Ze mochten u tenminste onbezorgd en ongemoeid bij de schepen hebben gelaten, waar het lot u zo’n kortstondig leven en zo weinig tijd slechts beschoor. Waarlijk, een zware dag was het, toen ik u baarde. Toch ga ik op naar de heer van het onweer, naar Zeus, waar hij troont op de besneeuwde Olympus. En ik zal hem zeggen, wat gij mij zei. Ik vermurw hem wellicht. Blijft gij intussen bij uw fiere schepen, onverzoend met de Grieken, van hun strijd afzijdig. Want ge moet weten, dat Zeus gisteren met alle goden naar de stroom van Oceanus vertrok voor een feestmaal bij de edele Ethiopiërs. Over twaalf dagen is hij echter terug op de Olympus en wees dan verzekerd, dat ik zal gaan naar het bronzen Paleis, mij aan zijn voeten zal werpen. En dan zal hij mij horen en verhoren. Wees dáár van overtuigd.’

Odysseus brengt Chryseïs naar haar vader

I; 35
Zij ging en hij bleef, met zijn verdriet weer alleen om het lieve meisje, dat men hem had ontroofd. Odysseus intussen bereikte samen met zijn mannen Chryse met de heilige graven. Toen zij hun schip in de diep uitgegraven haven hadden geloodst hadden, streken zij het zeil, borgen het in het ruim, lieten de mast neer in de goed passende gaffel, wierpen het anker, knoopten de trossen en sprongen aan land. Het vee voor de boogschuttergod werd ontscheept en ook Chryses’ dochter verliet toen het schip. De schrandere Odysseus geleidde het meisje naar het altaar, gaf haar terug aan haar vader. ‘Chryses,’ zo zei hij, ‘Agamemnon, de koning des volks, beval mij u terug te schenken uw dochter en naar de eis offers te brengen aan Apollo uit naam van de Grieken, die hopen aldus de boogschuttergod te verzoenen, die hun leger zo’n zware slag toebracht.’ Zo gaf hij de dochter terug aan de vader, die haar met blijdschap omhelsde.
I; 36
Zonder verwijl werden de offers ter ere van de god om het schoon gebouwd altaar geschikt. Daarop wasten de mannen hun handen, namen de gerstekorrels, terwijl Chryses de armen ophief en bad namens allen: ‘Hoor mij, o god met de zilveren boog, beschermer van Chryse en van het heilige Cilla, Tenedos’ Opperheer! Mijn laatste bede hebt gij verhoord en zwaar trof ge het leger der Grieken. Verhoor nu ook deze wens, verlos de Grieken van hun verschrikkelijke gesel.’ Aldus de oude man. En Apollo hoorde zijn bede.
I; 37
Nu baden allen en strooiden de gerstekorrels ten offer, waarna zij de koppen van de offerdieren achteruit rukten, hun keelden en vilden. Toen sneden zij de schenkels aan stukken. Op twee lagen spek legden ze het rauw vlees, dat door de oude priester op het brandhout geplaatst en verbrand werd. In de vlammen sprankelde hij bloedrode wijn .Om hem heen de jongeren met de vijftand in de hand.
I; 38
Toen de schenkels verbrand waren, de ingewanden genuttigd, werd de rest in stukken verdeeld, aan spitten gestoken, zorgvuldig geroosterd en toen van het spit genomen, waarna het maal werd bereid, waarvan een ieder zijn deel kreeg, dat door allen met smaak werd veroberd. Daarna, verzadigd, sloeg men aan het drinken uit de boordevolle bekers, waaruit men eerst enkele druppels plengde ter ere van de god. En rond ging de wijn, door de jongsten geschonken.
I; 39
Heel die verdere dag maakten de jong Grieken muziek, prezen de boogschuttergod in een welluidend lied, dat het hart van de god stal, toen hij het hoorde.
I; 40
De zon gezonken en het duister gekomen legden zij zich ter ruste bij de trossen van het schip. Doch zodra de dageraad kwam gluren door haar rozige vingers, zeilden zij heen naar het grote kamp van de Grieken, op een gunstige wind, die de god hun zond. Hun mast opgericht, het witte zeil bijgezet dat bolde op de bries, de kiel klievend de donkere golven, zo voeren zij voort en keerden terug naar het Griekse kamp, waar zij hun zwart schip veilig aan land sleepten en op lange schoorpalen stutten.

Thetis vraagt hulp aan Zeus voor Achilles

I; 41
Intussen zat nog steeds de vinnig vlugge Achilles, Peleus’ koninklijke zoon, al mokkend bij zijn snelle schepen. Niet alleen hield hij zich ver van de strijd, maar ook de bijeenkomsten van de krijgsraad meed hij, waar helden zich vermaardheid verwerven. Doch verre van krijgsraad en strijd werd hij verteerd van verlangen naar het woeden en het rumoer van de krijg.
I; 42
Elf dagen vergingen, en toen van de twaalfde de dageraad aanbrak, keerden de eeuwige goden terug naar de Olympus met Zeus als hun leider. Dan uit de afgrond der zee, verrees Thetis, het pleit van haar zoon indachtig. In de ochtend verrees zij, bekloom de wijdkoepelende hemel en bereikte de Olympus. Daar vond zij Zeus, wiens stem in het rollen van de donder alom wordt gehoord, ver van de anderen gezeten op de hoogste top van het gebergte der goden. Bij hem zonk zij neer op de grond, sloeg haar linker arm om zijn knieën, lichtte met de rechter zijn kin op en smeekte:
I; 43
‘Zeus vader, als ik ooit door woord of door daad u onder de goden van dienst was, bewijs mij een dienst dan en een gunst aan mijn zoon. Hij is reeds verkoren om vroegtijdig te sterven en nochtans griefde hem Agamemnon de koning. Zijn prijsgift stal hij om haar voor zichzelf te behouden. Gij, die als rechter troont op de Olympus, wreek mijn zoon en geef de overmacht aan de Trojanen tot de Grieken, hem erend, hem ook weer in eer herstellen.’
I; 44
Hij, die de wolken ten onweer verzamelt, liet haar woord onbeantwoord. Zwijgend zat Zeus, terwijl Thetis nog steeds zijn knieën omklemd hield. En eindelijk, nòg eens smeekte zij hem:
I; 45
‘Beloof mij in trouwe, buig uw hoofd en zeg ja; weiger anders ronduit, want wat hebt gij te vrezen? Dan zal ik weten, dat ik onder alle goden het meest ben veracht!’
I; 46
De heer van de donder was verward en ontstemd. Nors riep hij uit: ‘Wat een treurige zaken! Wilt ge me weer in onmin brengen met Hera? Moet zij me weer treiteren, waar ik ga of sta? Nu al vit ze op me, waar alle goden bij zijn, dat ik teveel gunst aan de Trojanen bewijs in hun oorlog. Doch ga nu, voordat ze ons ziet. Wat ge vraagt, daarvoor zal ik zorgen. Ik knik ja met mijn hoofd, opdat ge gerust zijt. Geen zekerder teken is er onder de goden. Wat ik beloof met een hoofdknik, dat staat vast, onbedrieglijk, zonder herroepen.
I; 47
Dit zei Zeus, fronste zijn donkere wenkbrauwen, en zijn heerlijk geurende lokken vielen omlaag toen hij knikte. Op zijn grondvesten beefde de hoge Olympus.

Hera maakt ruzie met Zeus

I; 48
Het was beklonken en zij scheidden. Omlaag dook Thetis van de sneeuwig witte Olympus in de zilte diepten der zee; in zijn paleis trad god Zeus. Van hun zetels rezen alle goden, erend hun vader. Wie zou wagen al zittend hem te zien naderen? Allen stonden dus om hem te begroeten. Zeus nam plaats op zijn troon. Maar Hera, die alles gezien had, las het op zijn gelaat, dat Thetis met haar als zilver zo blanke voeten, dat die dochter van de oude zeegod samen met hem iets van plan was. En scherp viel zij tegen Zeus uit. ‘sluwe misleider,’zo vroeg ze. ‘met welke godheid konkelt ge nu weer? Dat is echt iets voor u om, zodra ik mijn rug maar gekeerd heb, in het geheim zo van alles te bedisselen. Mij vertrouwt ge uit uzelf niets toe.’
I; 49
‘Hera,’ antwoordde de vader van goden en mensen, ‘verlang noch verwacht al mijn plannen te kennen. Zwaar om te dragen zou die kennis u zijn, ook al bent u mijn vrouw. Wat het u goed is te horen, zal vóór u god noch mens vernemen. Doch verkies ik iets te beramen zonder de goden, tracht daar niet achter te komen met slinkse streken.’
I; 50
Hera antwoordde, haar ogen vochtig glanzend en groot: ‘Cronus geduchte zoon, wat wilt ge daar beweren?! Het is waarlijk mijn gewoonte niet om u met vragen te kwellen. Altijd liet ik u met rust, had ge besluiten te nemen. Doch thans vrees ik met grote vreze – en ik weet het wel zeker-, dat ge u hebt laten bepraten door Thetis met haar voeten zo blank als zilver, de dochter van de oude god van de zee. Vanmorgen zat ze bij u en omknelde uw knieën. Dus denk ik, dat ge haar uw woord gaf om Achilles te helpen en de Grieken te laten afslachten bij hun schepen op het strand.’
I; 51
Maar hij, die de wolken bedwingt, gaf ten antwoord: ‘Vrouwe, krankzinnige door uw argwaan, moet ge altijd maar speuren en piekeren en gissen? Geen geheim heb ik, of gij komt het op het spoor! Maar alles wat ge doet, vervreemdt mij nog meer van u, schaadt uzelf nog het meest! Als dan alles zo is als ge zegt, wees er dan van verzekerd, dat het geschiedt naar mijn wil. Ga dus zitten en zwijg! Zwijg, zeg ik u, gehoorzaam, of alle goden van de Olympus zullen niet sterk genoeg zijn om mij te weerhouden u de kracht te doen voelen van mijn onoverwinnelijke handen!’

Hephaistus sticht vrede tussen Zeus en Hera

I; 52
Vrees beving toen Hera met haar grote, vochtig glanzende ogen, en zij beefde. Zich bedwingend ging zij zitten. Doch gekrenkt voelden zich ook de andere goden. En de stilte, die er heerste in het paleis, was een stilte vol wrevel, totdat eindelijk Hephaistus, die kunstige smeder van mechanische wonderen, het voor zijn moeder opnam en uitriep: ‘Dit is onduldbaar! Waar moet het met ons heen, als gij beiden om een twist onder de mensen zelf in twist en tweedracht geraakt?! Hoe kunnen wij feestend aanzitten aan volle tafels met de lucht dreigend van onweer? Ik geef mijn moeder de raad, die wel weet, wat voor allen het beste is, zich met onze goede vader Zeus te verzoenen, want anders valt hij allicht weer tegen haar uit en is ons maal voorgoed bedorven. Als het hem lust kan de Olympiër, die de bliksem slingert naar zijn wil, ons met evenveel gemak van onze zetels slingeren, want hij is van allen de sterkste god. Kom, moeder, wees vriendelijk tegen hem en verzoenend, en jegens ons allen zal ook hij verzoenend en vriendelijk zijn.
I; 53
Mank aan beide benen als hij was, sprong Hephaistus op en strompelde vlug met een beker met twee oren naar zijn moeder toe. ‘Moeder.’ Zei hij en gaf haar de beker, ‘verdrink hierin uw wrok, want niet graag zou ik zien, dat zij, die ik liefheb, een pak slaag kreeg, waar ik bij ben. Het zou me diep bedroeven, maar wat kan ik eraan doen? De Olympiër is een kwade god om mee te twistten. Dat weet ik uit eigen ervaring, toen ik het nog eens voor u opnam en hij me bij mijn voeten greep en wegslingerde uit de hemel. De hele dag vloog ik zo door de lucht en met de zon zonk ik half dood op Lemnos, waar de Sintiërs mij vonden en voor mij zorgden.’
I; 54
Hera, godin met glanzend blanke armen, moest daarom glimlachen; en glimlachend ook nam zij van hem de beker aan. Daarop speelde hij voor schenker voor de rest der goden, van link naar rechts gaande met de zoete nectar, die hij schepte uit het mengvat, zwoegend en bedrijvig, hoewel hij mankte aan beide benen. Allen bulderden van het lachen, toen zij hem zo zagen proesten en hijgen en hinken door de zalen.
I; 55
Heel die dag werd er gefeest tot de avond toe. Geen kwam iets te kort; allen aten met smaak. En ook was er muziek, Apollo bespeelde zijn heerlijke lier. Om beurten zongen de Muzen, welluidend, vervoerend. Doch toen de heldere lamp van de zon was gedoofd gingen allen naar huis en naar bed, iedereen naar zijn eigen woning, gebouwd door Hephaistus, hinkend en mank, maar een werker van wonderen van kunst en behendigheid. Ook Zeus, die de bliksem en de donder beheert, trok zich terug om te slapen, samen met Hera, zijn vrouw.

2. Testen van de troepen

Zeus stuurt een droom naar Agamemnon

II; 1
Ongestoord sliepen alle andere goden en ook de strijders de hele nacht, maar Zeus kon de zoete rust niet vinden. Hoe kon hij Achilles wreken, de Grieken bij hun schepen verslaan? Het beste was, vond hij, aan Agamemnon een bedrieglijke droom te zenden. Dus ontbood hij er een en gelastte hem: ‘Ga kwade droom, naar de schepen van de Grieken, naar de zoon van Atreus, naar Agamemnon’s tent en zeg tegen hem letterlijk, wat ik thans zeggen ga. Zeg hem dat hij zijn Grieken, die met hun lange haren, onmiddellijk oproept tot de strijd. Zijn kans om Troje, die stad met haar brede straten en machtige uitvalspoorten, te nemen, die kans is er nu, aangezien wij, de onsterfelijken, die op de Olympus wonen, het daarover niet langer oneens zijn. Hera heeft ons allen overgehaald tot haar inzicht, en het lot van Troje is bezegeld.’
II; 2
De Droom luisterde, ging waarheen hij gezonden was, bereikte de schepen van de Grieken en zocht Agamemnon’s tent op, waar hij hem in diepe slaap aantrof. Terwijl hij de gedaante aannam van Nestor, zoon van Neleus, de door de koning zo hoog geschatte raadgever, boog de Droom van de Olympus zich over het bed van Agamemnon en sprak hem aan met al de titels zijner waardigheid. ‘Slaapt ge?’ Zei toen de Droom. ‘Het past een leider, voor zijn volk verantwoordelijk, het voegt een man, die zoveel heeft, waar zijn geest zich mee bezig moet houden, niet om de hele nacht te slapen. Luister naar me en let goed op. Weet wel, dat ik van Zeus kom, die, hoever hij ook hier vandaan is, om u veel zorg draagt en veel medelijden met u koestert. De god wenst, dat ge uw Grieken, die met hun lange haren, onmiddellijk onder de wapens roept. Uw kans om Troje, waar de straten breed, waarvan de uitvalspoorten machtig zijn, in te nemen, ja, die kans is voor u gekomen. De onsterfelijken toch, die de Olympus bewonen, zijn het op dit stuk niet langer oneens. Hera heeft zolang gepleit, dat zij de instemming van allen won, en het noodlot van Troje is bezegeld door Zeus. Bedenk en onthoud dit en laat de herinnering eraan niet ontglippen als ge uit uw slaap ontwaakt.’
II; 3
Daarop ging de Droom; de koning bleef achter met een valse waan. Dwaas die hij was dacht hij die eigen dag nog de stad van koning Priamus te zullen nemen. Hoe weinig wist hij, wat Zeus van zins was, wat de god voor beide partijen gereed hield aan smarten en doodsnood in de bitterste strijd, die komen ging?
II; 4
Toen hij ontwaakte, hoorde hij die van Zeus gekomen stem nog klinken in zijn oor. Hij stond op van zijn legerstede; en trok een tunica aan van zachte stof, nieuw nog en goed passend. Daaroverheen sloeg hij zijn lange, rijk geplooide mantel. Stevige sandalen snoerde hij aan zijn sierlijke kleine voeten, bond een zwaard om, het gevest met zilver beslagen, nam in de hand zijn staf en scepter, onvergankelijk erfdeel zijner vaderen, en ging daarmee naar de schepen, naar zijn leger van met koperen kolders uitgeruste mannen.

Agamemnon bespreekt zijn droom in de raad

II; 5
Toen de goddelijke dageraad de hoge Olympus bereikte om aan Zeus en de andere goden de komst te melden van een nieuwe dag, beval Agamemnon zijn herauten om met hun helder luide stemmen de langharige Grieken bijeen te roepen. Doch eerst riep hij zijn eigen raad bijeen bij het schip van Nestor, de leider van Pylos. En toen zij bijeen waren, deelde hij de leden van zijn raad een listig plan mee.
II; 6
‘Vrienden’ begon hij, ‘in mijn slaap bezocht mij een hemelse droom, die tot mij kwam door de plechtige stilte van de nacht en die in de houding en naar gestalte en gelaat het meest nog geleek op mijn heer Nestor hier. Hij stond bij me, sprak me aan bij mijn titels, welke mij toekomen. ‘Slaapt ge?’ Zei hij. ‘Het past een leider, verantwoordelijk voor zijn volk niet om, waar hij aan zoveel moet denken, de hele nacht te slapen. Luister met aandacht naar me en weet wél, dat ik kom namens Zeus, die hoewel ver hier vandaan, bezorgd is omwille van u en vol medelijden. Het is zijn wens, dat ge uw strijders met hun lange haar onder de wapenen roept, onmiddellijk, zonder verwijl. Uw kans om de stad der Trojanen – breed zijn haar straten, machtig haar uitvalspoorten – te veroveren is gekomen. De onsterfelijken immers, die de Olympus bewonen, zijn op dit stuk niet langer verdeeld. Hera’s overreding heeft hen allen tot haar standpunt bekeerd, en door Zeus is het lot van die van Troje bezegeld. Herinnert u, wat ik u gezegd heb.’ Daarna vervaagde de droom en vloog heen, en ik ontwaakte. Thans dus moeten wij stappen doen tot het gereed maken van onze troepen. Eerst echter ga ik, zoals mijn goed recht is, hen op de proef stellen door hen toe te spreken en op te wekken om scheep te gaan, om met hun stevig gebouwde vaartuigen huistoe te varen. Gij dan moet, vanwaar ge staat in hun midden, hen aansporen tot blijven.
II; 7
Agamemnon ging zitten en Nestor, de leider van het zandige Pylos, stond op om het woord te nemen en zijn mening te geven als ’s konings raadgever. ‘Vrienden,’ zo zei hij, ‘aanvoerders en raadgevers der Grieken, had een ander ons van een dergelijke droom verteld, wij zouden die droom bedrieglijk hebben genoemd en allesbehalve geneigd zijn geweest om er naar te handelen. Doch nu onze legeraanvoerder zelf die droom had, stel ik voor, dat wij terstond al het nodige doen om onze manschappen uit te rusten voor de strijd.’

Agamemnon spreekt het leger toe

II; 8
Nauwelijks had Nestor aldus gesproken, of hij maakte aanstalten om de vergadering op te heffen. De andere stafdragende leiders volgden zijn wenk en verlieten hun zetels, die, stam na stam, van hun schepen aan het brede strand in gesloten gelederen opstuwden ter verzamelplaats. Ze waren als luid gonzende bijenzwermen, die, vlucht na vlucht, uit een rotsspleet komen en zich naar rechts en naar links in groepen verspreiden om in trossen neer te strijken op de bloemen en bloesems der lente. Het gerucht, die bode van Zeus, verspreidde zich onder hen als vuur, dat hen voortdreef, totdat zij allen tezamen waren. En thans werd de verzamelplaats het toneel van veel onrust en drukte. Terwijl ze hun plaatsen innamen, dreunde en kreunde de aarde onder hen; boven al dat gerucht echter werd het schallend roepen van negen herauten gehoord, die hun uiterste best deden om hun luidruchtigheid te temperen, zodat zij zouden luisteren naar wat hun leiders hen te zeggen hadden. Toen ze dan na veel drukte en rumoer een plaats op de banken hadden gevonden en allen tot aandacht en stilte waren gebracht, stond koning Agamemnon op, in de hand zijn staf, door Hephaistus zelf gesmeed en bewerkt. Die gaf hem aan Zeus, Cronos’ goddelijke zoon, die hem op zijn beurt weer schonk aan Hermes, de bode, die Argus versloeg. De edele Hermes schonk hem aan Peleus, als wagenmenner vermaard, en Peleus gaf hem aan Atreus, de herder des volks. Toen Atreus stierf, liet hij hem aan Thyestes, rijk aan kudden; en hij op zijn beurt vermaakte hem aan Agamemnon als teken van zijn waardigheid en van zijn gezag over vele eilanden en alle landen der Grieken. Dit was de staf, waarop Agamemnon thans steunde, terwijl hij zijn troepen toesprak.
II; 9
‘Ik moet u,’ zo zei hij, ‘mijn dappere vrienden en strijders, verkonden, dat Zeus, Cronos’ grote zoon, mij een verpletterende slag toebracht. De wrede god, die mij eens plechtig verzekerde, dat ik eerst huiswaarts zou zeilen, als ik de torens van Ilium, de stad der Trojanen, had doen wankelen en vallen, is van gedachten veranderd en heet mij nu af te trekken naar Argolis met schaamte en schande en met achterlating van mijn halve leger. Het schijnt, dat de onoverwinnelijke Zeus, die de hoge burchten van zo menige stad deed wankelen en vallen en die nog veel meer steden vernielen zal, aldus in zijn almacht besloten heeft. Doch wat een schande voor ons, en wat moeten onze nakomelingen er wel van denken, dat een zo grote en voortreffelijke legermacht als de onze doelloos gebruikt werd voor een onbesliste strijd tegen een zwakkere tegenstander, die noch verslagen werd nog overwonnen? Zwakker, ja want kwam het tussen ons en die van Troje tot een wapenstilstand en hielden dan beide partijen een telling, waarbij de vijand enkel de geboren Trojanen meerekende, en wij verdeelden daarop onze Grieken in groepen van tien met één Trojaan om voor ons als schenker voor elke groep op te treden, dan zou menig tiental het zonder schenker moeten stellen. Zó is naar ik geloof, het overwicht, dat wij bezitten boven de Trojanen, die zelf in de stad verblijf houden. Helaas echter hebben ze talrijke en goed uitgeruste bondgenoten uit vele andere steden, die mij dwarsbomen en al mijn pogingen verijdelen om de sterke vestingstad Ilium klein te krijgen. Negen jaren, aan lotgevallen zwaar, zijn verlopen. Het hout van onze schepen rot weg; het want is vergaan. Onze vrouwen en kinderen zitten thuis op ons te wachten. Intussen echter blijft de taak, welke wij ons stelden door hier te komen onvervuld. Dat elk van u dus luistere naar mijn raad. Naar de schepen, zeg ik, en terug naar ons land! Nooit zal Troje met zijn brede straten en machtige uitvalspoorten ons in handen vallen.
II; 10
Agamemnon’s taal was naar het hart aller vergaderde mannen, uitgezonderd de leden van ’s konings raad; en heel de vergadering kwam in beroering gelijk de golven van de Icarische Zee, als er uit een laaghangende en dreigend donkere hemel een zuidooster neerstrijkt, die hoog als de bergen de wateren opstuwt, of als het hoge koren van een laag gelegen akker, waarvan de onstuimige westenwind de aren doet buigen. Onder het slaken van een luid bulderende kreet renden zij naar de schepen. Het stof dat hun haastige voeten deden opstuiven, hing als een wolk in de lucht. Ze riepen elkaar toe om de schepen te bemachtigen en die de welkome zee in te slepen. Reeds diepten zij vaargeulen uit, begonnen zelfs vanonder de kiel stutten weg te slaan. En in hun verwarde haast om weg te komen maakten ze een rumoer, dat hoog opsteeg ten hemel.

Athena laat Odysseus ingrijpen

II; 11
Een woord van Hera tot Athena was het, dat de Grieken voor de ramp van die ondoordachte aftocht redde. ‘Altijd wakkere dochter van de Aegis voerende Zeus,’ zo sprak zij tot haar, ‘dit is me nu toch wel een droevige en armzalige geschiedenis! Moeten we die lui er maar zonder meer vandoor en naar huis laten gaan, zonder over de brede zee Helena mee te voeren? Moet zij, voor wie zoveel landgenoten van haar sneuvelden op Trojaanse bodem, ver van hun vaderland, in de macht van Priamus en van de Trojanen blijven, zodat die zich daarop ten eeuwigen dage zouden kunnen beroemen?! Ga en daal af temidden der met koperen kolders uitgeruste Grieken; gebruik al uw welsprekendheid om hen te weerhouden. Laat hen hun buikige schepen niet in zee trekken.
II; 12
Athena, godin met heldere ogen, was geenszins van dit plan afkerig. Ze streek neer van de toppen van de Olympus, had snel de schepen van de Grieken bereikt, waar zij Odysseus vond, standvastig in zijn goddelijke wijsheid. Hij was zijn goed, zwart schip geen pas zelfs genaderd. Athena, haar ogen flonkerend, ging op hem toe en zei: ‘Edele zoon van Laërtes, o schrandere Odysseus, gaat gij dus heen, tuimelend al halsoverkop aan boord van uw galeien in uw haast om huistoe te varen? En laat gij Helena voor Priamus, zodat hij en zijn mannen wat hebben om op te snoeven tot in de lengte van dagen: - de Griekse Helena, omwille van wie zoveel van haar landgenoten sneuvelden op Trojaanse bodem, ver van hun vaderland? Kom, blijf hier niet dralen, doch meng u onder de troepen. Gebruik al uw welsprekendheid om hen op hun vlucht te weerhouden. Spreek met hen als van man tot man. Laat hen hun buikige schepen niet slepen van het strand in de zee.’
II; 13
Odysseus herkende de stem van de godin en liep heen op een draf, terwijl hij zich van zijn mantel ontdeed, die hij achterliet in de handen van Eurybates, zijn schildknaap en heraut, van Ithaca geboortig. Rechtstreeks ging hij naar Agamemnon, de koning, leende van hem de onvergankelijke scepter van het Huis der Atriden en begaf zich daarmee temidden der schepen en de met koperen kolders weluitgeruste troepen. Trof hij iemand van edele afkomst of van hoge rang, dan liep hij op hem toe en deed hoffelijke pogingen om hem van zijn vlucht te weerhouden. ‘Ik zou,’ zo zei hij, ‘er niet aan denken, Heer, u met dreigementen aan te komen, zoals ik het een gemeen soldaat zou doen. Doch ik smeek u wees standvastig en laat ook hen. Over wie gij bevel voert, hetzelfde doen. Ge weet niet, wat koning Agamemnon eigenlijk in het schild voert. Dit is slechts zijn manier om zijn manschappen op de proef te stellen; spoedig zullen ze de zwaarte van zijn hand voelen. Hoorden wij allen niet, wat hij zei in de raad? Ik vrees, dat hij vertoornd zal zijn op het leger en dat hij zijn mannen hier zwaar voor zal straffen. Koningen zijn als goden; ze hebben hun trots, beschermd en begunstigd als ze zijn door Zeus, de opperste raadgever.
II; 14
Met het gros van de troepen sprong hij heel anders om. Trof hij er een paar, die een brutale mond hadden, dan sloeg hij hen met zijn staf en nam hen streng onderhanden. ‘Jij daar,’ zei hij, ‘blijf, waar je bent en wacht de bevelen van je meerderen af, die betere mannen zijn dan jij, lafaard en zwakkeling dat je bent, al even weinig in tel op het slagveld als in de raad. We kunnen hier niet allemaal koningen zijn; en een regering door het plebs is een ramp. Dat er slechts één gezagvoerder, leider en koning zij, over ons gesteld door Zeus, Cronos’ zoon – ondoorgrondelijk zijn zijn wegen. –‘
II; 15
Aldus de orde herstellend bracht Odysseus de mannen tot bezinning. En thans troepten ze allen terug van de tenten en schepen naar de verzamelplaats met een tumult als van een bulderende zee, wanneer de branding slaat op het lang gerekt strand en uit de diepte de golven brullen.

Odysseus roept Thersites tot de orde

II; 16
Allen gingen weer zitten, en op de banken was het stil opnieuw op één man na, die zijn mond bleef roeren, Thersites, de bemoeial, was het, die, als hij de gelegenheid schoon zag om zijn edele meesters uit te tarten, aan geen gemene grappen gebrek had, leeghoofdig en laag-bij-de-gronds inderdaad, maar toch naar de smaak van de goedlachse soldaat. Van allen die naar Ilium kwamen, was hij de allerlelijkste – mank aan één been, het andere krom, met afgezakte schouders en een kippenborst, daarboven een hoofd als een ei met recht overeind een paar stekelige haren erop-. Niemand had meer een hekel aan die vent dan Achilles en Odysseus, die bij voorkeur het mikpunt waren van zijn zouteloze geestigheden. Doch thans was het tegen de edele Agamemnon, dat hij zijn schrille stem verhief in een stroom van gemene woorden, gebruikmakend van dit ogenblik nu de geërgerde strijders rood zagen van verontwaardiging op hun koning.
II; 17
‘Heer!’ Schreeuwde hij hem toe, luid en toch geniepig. ‘Wat zit u nog dwars? Wat wilt ge nog meer? Vol brons zijn uw tenten. En omdat wij u altijd de eerste keus laten, als er een stad is geplunderd hebt ge ook aan mooie vrouwen geen gebrek. Komt ge dan misschien goud tekort, de losprijs, die de één of andere Trojaanse heer wellicht uit de stad meebrengt om een zoon van hem vrij te kopen, die geboeid door mij of een ander van de mannen is weggevoerd? Of een meisje te meer om u te vermaken, ofschoon het u als bevelhebber toch wel nauwelijks past door dergelijke praktijken het leger in moeilijkheden te brengen? Wat jullie betreft, kameraden – vrouwen zijn jullie, want mannen kan ik jullie niet noemen-, laat ons huistoe varen zonder meer. En dan kan die knaap hier achterblijven om zich te vermeien in zijn buit en tot het inzicht komen, hoe weinig hij zonder zijn mannen vermag. Daar heeft hij me weer Achilles beledigd, die heel wat meer mans is dan hij. Maar hij?! Hij ging er vandoor met zijn eergeschenk, hield het meisje voor zichzelf. Doch er is meer toe nodig om Achilles buiten zichzelf te brengen. Hij wacht rustig af; anders, mijn heer, was die schanddaad uw laatste!”
II; 18
Nauwelijks was Thersites aan het einde van zijn uitval tegen Agamemnon de opperbevelhebber, of naast zich zag hij Odysseus met bars gezicht en dreigend ogen. En Odysseus spaarde de kerel niet. ‘Thersites,’ Begon hij, ‘misschien is dat welsprekendheid en een oefening in het spreken, maar ons hangt het de keel uit. Jij dazende dwaas, hoe waag je het op te staan tegen je leiders? Het is niet aan jou – naar mijn mening de grootste sukkel van ons allen, die Atreus’ zonen naar Ilium volgden – om de namen onzer helden in de mond te nemen en hen te belasteren, alleen omdat je zo heel graag naar huis terug wilt! Niemand hier weet met nauwkeurigheid te zeggen, hoe die geschiedenis zal aflopen: - misschien keren we zegevierend huiswaarts, mogelijkerwijze ook niet. Doch jij doet niets anders dan daar maar te zitten en te schelden op koning Agamemnon, onze opperbevelhebber, onbeschaamd vittend op zijn vrijgevigheid, welke onze dappere leiders hem betonen. Maar let op mijn woorden – heus, ik gebruik geen loze dreigementen! -: Als ik jou er nog één keer op betrap, dat jij je zo als een gek aanstelt, moge dan mijn hoofd van mijn schouders gescheiden worden en Telemachus niet langer mijn zoon worden genoemd, als ik jou niet te grazen neem, je de kleren van het lijf ruk, mantel, tunica, àl wat je naaktheid bedekt en je dan een ongenadig pak slaag geef en je uit de vergadering zet om te gaan grienen bij de schepen.
II; 19
Na die woorden raakte Odysseus hem met zijn staf op rug en schouders, zodat Thersites ineenkromp en in tranen uitbarstte. Een bloedige striem, opengehaald door de gouden knopen van de staf, zwol rood op ’s mans rug. Heel ontdaan ging hij zitten, en radeloos van de pijn keek hij om zich heen. Zijn hand streek een traan weg. De anderen, ofschoon gemelijk van ontevredenheid, lachten hem van harte uit. ‘goed gedaan!’ riep er één, terwijl hij om zich heen keek om zich van de instemming van zijn buren te verzekeren. En wat hij zei, dachten allen. ‘Die Odysseus heeft ons al vaak goede raad gegeven en ons aangevuurd met geestdriftige woorden. Nooit echter bewees hij ons een betere dienst dan thans, nu hij die blaaskaak de mond heeft gesnoerd. Ik geloof wel niet, dat die Thersites nog gauw hier durft te komen om onze leiders te tarten.’

Odysseus spreekt het leger toe

II; 20
Zo oordeelde de menigte. Maar nu sprak Odysseus weer, de stedenverwoester, de staf nog in de hand, naast hem Athena, de godin met de fonkelende ogen. Ze had zich als bode vermomd en gebood aldus de menigte te zwijgen, opdat allen, zowel die vooraan zaten als zij, die achteraan stonden, het welgekozen woord en de weloverwogen raad zouden horen. Odysseus begon, bedachtzaam en recht naar het hart van de menigte.
II; 21
‘Atreus’ zoon, thans bereiden de Grieken u smaad en hoon, zoals nog geen van de stervelingen ooit ontving; en zij volbrengen niet de beloften, welke zij deden, toen zij u volgden van Argolis, land rijk aan weiden en grazende paarden: eerst terug te keren naar huis, als gij de sterkten van Ilium zoudt hebben geslecht. Als kleine kinderen toch en als van hun mannen beroofde vrouwen, zo jammeren ze en dreinen om toch eindelijk naar huis te mogen. Weliswaar heeft een ieder, die lijdt, met heimwee te kampen. Is hij een maand van zijn vrouw gescheiden en komt dan de winter met stormen en hooggaande zee, dan maakt zich geërgerde drift van hem meester, woedend ongeduld, omdat hem de thuisreis belet wordt. En wij zijn nu al negen volle jaren hier. Hoe dan zouden wij het de troepen kwalijk nemen, dat zij bij de schepen mokken en mopperen? Maar toch zou het wel een schande zijn, als wij, na zo lang te zijn gebleven, met lege handen huiswaarts keerden! Geduld, vrienden! Houdt het nog wat langer uit, opdat wij zien mogen, of wat Calchas voorspelde, waar is of niet. U herinnert het zich allen, want u zag het met uw eigen ogen, hoewel sindsdien de geesten des doods uw gelederen dunden. In Aulis was het – en het is me, als gebeurde het gisteren -, toen onze schepen zich daar verzamelden om rampen te brengen over Priamus en over die van Troje. Bij de bron onder de schone plataan brachten wij daar op gewijde altaren volkomen en plechtige offers; en zie, toen gebeurde er een teken. Een draak met vuurrode schubben, een geducht ondier, dat uit zijn schuilplaats door Zeus zelf moest zijn opgejaagd, schoot vanonder het altaar tevoorschijn en de boom in. Op de hoogste tak was een nestje met acht mussenjongen – en de moeder als negende – angstig wegschuilend tussen de bladeren. Alle acht, ondanks hun bang piepen, werden door het ondier verslonden – en toen ook de moeder, die klagend om haar geliefd broedsel heen fladderde -. Bij één vleugel greep hij haar. Doch toen hij de musjes en hun moeder had verslonden, maakte de god, die hem zond, hem tot teken, door Zeus’ macht veranderd in steen. En wij stonden erbij, over dit wonder verbaasd en verbijsterd. Wat mocht het binnensluipen van dit naar ondier tijdens onze offerdienst wel beduiden? Daarop verklaarde Calchas terstond het wonderteken met deze woorden: ‘Waarom zwijgt ge, gij Grieken met wapperende haardos? Zeus de heerser wrocht voor ons dit machtig wonder: laat komend, laat vervuld, doch tot eeuwige roem van ons allen! Zoals dit ondier de musjes en hun moeder verslond – ze waren met hun achten, en negen met hun moeder samen-, even zovele jaren moeten wij strijden, doch in het tiende jaar zullen wij de brede bolwerken der stad nemen.’ Aldus profeteerde hij, en thans volstrekt zich zijn woord. Luistert dus en blijft, totdat wij Priamus’ burcht hebben genomen.
II; 22
Zo sprak hij. Toen riepen luid de strijdende Grieken, en van de holle schepen klonk dof donderend de weergalm van hun schallend gejubel. Allen prezen de rade van Odysseus, die was als van een god.

Nestor en Agamemnon spreken ook tot het leger

II; 23
Uit hun midden stond Nestor op, de vermaarde Gerenische ruiter. ‘Ach,’ sprak hij, ‘als domme jongens, die niets van het oorlogshandwerk verstaan, gedraagt ge u hier in de raad! Wat werd er van onze verdragen en heiligste eden? Moeten raad en beleid der mannen tot rook dan vergaan, ja, alles wat wij onder het plengen van wijn onder plechtige handslag beloofden? Met woorden slechts streden wij, zonder nut of doel. En hoelang wij hier ook bijeen blijven, raad vinden wij niet, noch enige uitkomst, Blijf rotsvast bij uw besluit, Agamemnon; ga als leider der Grieken vóór in de strijd. Laat die paar lafaards, die als enigen besluiten om naar huis te keren, voordat ze nog weten, of Zeus’ woord waarheid is of waan, over aan hun zeker verderf. Ik immers ben overtuigd, dat de god ons een gunstige uitslag beloofde, destijds, toen de Grieken hun snelle schepen bestegen om aan het volk van Troje ondergang en dood te gaan brengen, en er rechts van ons een bliksemstraal flitste! Dat niemand dus tracht om huiswaarts te gaan, voordat hij hier met één der Trojanen gerust heeft en zijn loon ontving voor de angst en al wat hij verder omwille van Helena verduurde. Eenieder, die naar huis wil, waag het tot aan het schip te geraken, en de dood zal hem treffen! En Thans, Agamemnon, mijn vorst, zorg, dat uw plannen goed zijn en dergelijke en dat ge ook de raad van anderen aanneemt. Hier geef ik de mijne, waarvoor ge zeker niet doof zult blijken: verdeel uw manschappen, ieder naar eigen stad en stam; ze zullen elkander aldus bijstaan in de strijd. En volgen ook de mannen de schikking, dan kunt ge zien, wie laf is onder de aanvoerders en wie van het gewone krijgsvolk, want in afzonderlijke groepen zullen zij strijden. Ook ziet ge dan, of het de goden zijn, die staan tussen u en Troje’s val, of de lafheid der mannen en hun onervarenheid in de strijd.
II; 24
Daarop antwoordde hem de machtige vorst Agamemnon: ‘In de raad, grijsaard, zegeviert ge inderdaad over Griekenlands zonen. Bij Zeus, Apollo en Pallas Athena, waren er maar tien zoals gij om mij van raad te dienen! Dan zou het spoedig gedaan zijn met Priamus’ burcht! Dan waren reeds lang zijn sterkten geslecht, zijn muren tot puin gebeukt en gemokerd! Doch Zeus zond mij onheil, dat mij in een doelloos getwist en geruzie verwikkelt. Omwille van het meisje immers raakten Achilles en ik in een heftige tweestrijd: een twist met woorden, waarmee ik echter begon.Verzoenen we ons ooit weer temidden van de raad, dan zullen de rampen niet dralen – geen oogwenk, geen ademtocht – om neer te dalen over de Trojanen!... doch nu aan de maaltijd om ons te sterken voor de aanval! Dan make eenieder schild en speer gereed, glanzend sterk en scherp. Laat het de paarden niet aan haver ontbreken. Rust ook de strijdwagens ten strijde voor een felle kamp, die een volle dag duurt, zonder rust en respijt, totdat de nacht de verwoede krijgers zal scheiden. Nat van het zweet zullen veler schildriemen zijn; moe de handen zich krampen om speer en lans; zweten zullen ook de paarden, die trekken de glanzend gepolijste strijdwagens. Doch mochten er lafaards achterblijven bij de diepgaande schepen, dan zal niets hen nog kunnen redden. Zij vallen aan honden en haviken ten prooi.’
II; 25
Luid begroetten de Grieken die woorden van vorst Agamemnon. En hun bulderend gejuich was als het donderend dreunen van de branding tegen een steile kust. – De storm smijt de golven tegen de rotsen, altijd door, hoe de wind ook waait. –
II; 26
Terstond werd de vergadering ontbonden. De strijders verspreidden zich tussen de schepen, staken vuur aan in hun tenten en namen hun maaltijd. En ieder, terwijl hij aan zijn lieveling onder de goden offerde, bad, dat hij de komende strijd zou mogen overleven.

Offer aan Zeus

II; 27
Agamemnon de koning offerde aan Zeus een vijfjarige, vetgemeste os en noodde de leiders der Grieken tot deelname aan de offerdienst: - op de eerste plaats Nestor, dan koning Idomeneus, de zoon van Tydeus; en als zesde Odysseus, wijs als Zeus zelf. Ongeroepen, vrijwillig verscheen ’s konings broeder Menelaus, om zijn schallende strijdkreet vermaard. Al te goed wist hij, hoe bekommerd zijn broer was.
II; 28
Ze schaarden zich om het offerdier, namen de gerstekorrels in de hand en luisterden naar Agamemnon’s bede:
II; 29
‘Roemrijkste, machtige Zeus, god van de dreigende lucht, van de hoge hemel heer, geef, dat de zon niet zal ondergaan en het duister niet vallen, voordat ik Priamus’ paleis heb verwoest, zodat er niets rest dan zwartgeblakerde puinen; voordat zijn uitvalspoorten in vlammen zijn opgegaan; voordat ik met de punt van mijn zwaard de tunica van Hector’s borst heb gereten. Geve, o Zeus, dat velen zijner vrienden met hem vallen en bijten in het stof.’
II; 30
Zo bad Agamemnon, maar Zeus was niet bereid hem te schenken, wat hij vroeg. Zijn offer nam hij aan, maar in ruil daarvoor schonk hij hem slechts dubbele lasten en droefheid.
II; 31
Toen zij hun gebeden verricht, de gerstekorrels uitgestrooid hadden, rukten zij de kop van het offerdier naar achteren, reten zijn keel open, slachtten het, sneden stukken uit de schenkels en wikkelden het rauwe vlees in repen spek tot een driedubbele laag. Dat verbrandden ze op vuren van dorre takken, staken de ingewanden aan spitten, roosterden die boven het vuur, en nadat de schenkels waren verbrand en ze de ingewanden hadden genuttigd, sneden zij de rest in kleine stukken, staken die aan het spit, roosterden die ook terdege, en trokken toen alles eraf.
II; 32
Dit gedaan hebbende en het maal bereid vielen ze aan met geduchte eetlust – ieder kreeg zijn deel –: en toen hun honger gestild, hun dorst gelest was, nam de Gerenische ruiter Nestor het woord en zei: ‘Mijne Heer Agamemnon, der mannen vorst, laat ons die bijeenkomst niet langer nog rekken en niet langer meer uitstellen het werk, dat een god ons beval. Laat de herauten der in koper geharnaste Grieken rondgaan langs de schepen en de troepen oproepen. Dan kunnen wij leiders heel het leger nagaan en de manschappen met strijdlust bezielen.’

Het leger wordt opgeroepen

II; 33
Vorst Agamemnon aanvaardde die raad en gaf onmiddellijk zijn bevelen aan zijn herauten met hun luid schallende stem om de Grieken met hun lange haren op te roepen voor de strijd. Zij riepen hun bevelen, snel door de manschappen opgevolgd. De koninklijke leiders van ’s vorsten raad haastten zich tussen de rijen, opdat de gelederen zich sloten, en met hen ging Pallas Athena met haar fonkelende ogen, in haar prachtige mantel gehuld, de onvergankelijke en eeuwige Aegis, waarvan een honderd gouden kwasten afhangen, sierlijk gevlochten uit zuiver goudfiligraan, elk wel honderd stuks vee waard. In die heerlijkheid glanzend snelde zij langs de gelederen en dreef de manschappen aan, hen bezielend met strijdlust en taaie volharding. Spoedig was veel liever hun de gedachte aan de strijd dan aan het verlangen om weer scheep te gaan naar hun land.
II; 34
Terwijl zij zich opstelden, flonkerde en flitste het brons van hun stralende harnassen, opbliksemend ten hemel, zichtbaar van verre als de vlammen van een bosbrand op een hoge bergtop.
II; 35
Troep na troep trad aan als de talloze zwermen trekvogels, als de ganzen, de kraanvogels of de zwanen met hun langgerekte halzen. Die komen bijeen bij de Aziatische steppe, bij de wateren van de Cayster, waar zij rondvliegen met veel geklapwiek en onder luid krijsend geschreeuw, terwijl zij neerstrijken in vlucht na vlucht, zodat sidderen de luchten. Zo ook stroomden troep na troep de manschappen van de schepen en uit de tenten de vlakte langs de Scamander op; en dof dreunde de aarde onder de zware tred der optrekkende mannen en onder het hoefgetrappel der paarden, terwijl zij hun plaatsen innamen op de met bloemen bespikkelde weiden bij de stroom, talloos als de bladeren en bloesems in de lentetijd.
II; 36
Aldus stelden Griekenland’s langharige krijgers zich op, over de vlakte verspreid, naar de Trojanen gekeerd met strijdlust in het hart, even talrijk en rusteloos als de talloze vliegen, die in het voorjaar rondom de koeienstallen vliegen, waar emmers vol staan met melk.
II; 37
En thans brachten de aanvoerders met het gemak der ervaring hun manschappen in slagorde, zoals de herders van geiten hun verspreide kudden bijeendrijven; en temidden van vorst Agamemnon, gezicht en ogen als van Zeus, de heer van de donder, breed en gespierd als de god van de oorlog, kloek van borst als Poseidon. Zoals een stier in een kudde opvalt temidden der grazende koeien, zo liet Zeus Atreus’ zoon op die dag uitblinken temidden der schare en uitsteken boven de andere vorsten.

Herkomst van de Griekse troepen

II; 38
Vertel me nu, Muzen, die woont op de Olympus – want gij zijt godinnen en weet al wat er gebeurt, terwijl wij mensen niets weten, dat ons niet verteld werd – vertel mij dus, wie de aanvoerders en leiders der Grieken waren. Wat betreft het gros van de manschappen, uit Ilium gekomen, hun namen zou ik niet kunnen noemen noch zelfs maar hun aantal, ook al had ik tien tongen, tien monden, een stem, die geen moeheid kent, een hart van brons, tenzij gij Muzen van de Olympus, dochters van Zeus, het mij voorzegt en ingeeft.
II; 39
Noemen wil ik de gezagvoerder der vloot en ook hun schepen van de eerste tot de laatste.
II; 40
Eerst dan de Boeotiërs onder bevel van Peneleus en Leitus, Archesilaus, Prothoënor en Clonius. Van Hyrië kwamen zij en het rotsachtige Aulis, van Schoinos, en Scolus, van Eteonus – hoog zijn daar de heuvels –‘, van Thespia en Graia en de wijde vlakten van Mycalessus. Zij kwamen van Harma, van Eieson en van Erythrea. Ook Eleon en Hyle hadden hun manschappen gezonden, en Peteon, Ocalea en de sterkte van Medeon; Copae en Eutresis eveneens, en Thisbe, rijk aan duiven. Van Corenea kwamen ze, van het naburige Haliartus, van Plataea, Glisas en de sterke stad Neder-Thebe; van de heilige Onchestus, waar het woud aan Poseidon gewijd is, van Arne met druiven omrankt, van Midea en het heilige Nisa, en van Anthedon, de verre grensstad. In vijftig schepen zij allen, met in elk een honderdtwintig Boeotische jeugd.
II; 41
De mannen van Aspledon en Het Minayaese Orchomenus werden door Ascalaphus en Ialmenus geleid, zonen van Ares, door Astyoche ontvangen in het paleis van Actor, Azeus’ zoon, waar de kuise maagd heimelijk zich naar een bovenvertrek begaf en met de machtige oorlogsgod sliep. Hen bracht een eskader van dertig diepgaande schepen.
II; 42
Schedius en Epistrophus, zonen van de grootmoedige Iphitus, Naubolus’ zoon voerde bevel over de mannen van Phocis, die woonden in Cyparissus en het rotsachtige Pytho, in het heilige Crisa, in Daulis en in Panopeus, rondom Anemoreia en Hyampolis, bij de liefelijke wateren van de Cephisus, en van Lilaea, waar de Cephisus ontspringt. Onder bevel van beiden voeren veertig zwarte schepen die Phocische troepen aan; links van de Boeotiërs schaarden zij zich ten strijde.
II; 43
Als leider van de Locriërs kwam de vlugge zoon van Oileus, Ajax, kleiner en minder kloek dan de Telamonische Ajax. Hij was kort van stuk en droeg een wambuis van linnen; maar onder de Grieken was er niemand zo behendig met de speer als hij. Zijn troepen kwamen van Cynus, Opus en Calliarus, van Bessa, Scarphe en het schone Augeae, van Tarphe en Tronion en de oevers van de Boagrius. Onder zijn bevel voeren veertig schepen, met die Locriërs bemand, die aan gene zijde van het heilige land Euboea wonen.
II; 44
Over die van Euboea, de felle Abanten, de bewoners van Eiretria en het druivenland Histiaea, van de havenplaats Cerinthus en de hooggelegen burcht Dius, van Styra en Carystus, over hen allen voerde Elephenor bevel, afstammeling van de oorlogsgod, zoon van Chalcodon en leider der dappere Abanten, rappe kerels met lang krullend haar, gewapend met speren van espenhout, begerig daarmee de borstharnassen hunner vijanden open te rijten. Veertig zwarte schepen voeren onder Elephenor’s bevel.
II; 45
Vervolgens zij die Athene bewoonden, die grootse burcht in het gebied van de grootmoedige Erichthonius, zoon van de vruchtbare aarde, grootgebracht door Zeus’ dochter Athena en door haar in Athene gesteld en in haar eigen, rijke tempel bevestigd, waar jaarlijks op gestelde tijd Athene’s jeugd hem stieren en rammen offert. Hen leidde Menestheus, Peteos’ zoon. Onder de levenden had hij zijns gelijke niet in het aanvoeren van ruiters, strijdwagens en schilddragende krijgers, Nestor uitgezonderd, die ouder was. Met hem voeren vijftig schepen.
II; 46
Van Salamis had Ajax twaalf schepen doen landen, die hij legerde bij de Atheners.
II; 47
De bewoners van Argos en het om zijn hoge muren vermaarde Tiryns, van Hermione en Asine, gelegen aan een brede bocht van de zee, van Troezen, Eionae en het wingerd omrankte Epidaurus, van Aegina en Mases, zij allen werden aangevoerd door Diomedes, om zijn schallende strijdkreet vermaard en door Sthenelus, van de vermaarde Capaneus de zoon. Als derde bevelhebber was er nog Euryalus, Mecisteus’ zoon, kleinzoon van de vorst Talaüs, de goden gelijk. Opperbevelhebber was de strijdlustige Diomedes, en onder zijn bevel waren tachtig schepen uitgevaren
II; 48
De troepen, die kwamen van het sterke Mycene, van het welvarende Corinthe en het goed bevestigde Cleonae; zij die woonden in Orneiae en het lieflijke Araethyria, in Sicyon, waar eertijds Andrestus heerste, in Hyperesia en in het steil oprijzende Gonoëssa, in Pellene en rondom Aegium langs heel de kust en in de brede vlakten van Helice – zij allen in hun honderd schepen werden aangevoerd door Atreus’ zoon, vorst Agamemnon. Zijn troepen waren bij verre de beste en de talrijkste. Een trots en fier man was hij, zoals hij stond temidden van zijn troepen, geharnast in het glanzende brons, de grootste aanvoerder van allen vanwege zijn afkomst en omdat hij de grootste legerafdeling leidde.
II; 49
De mannen van het heuvelland van Laconië, rijk aan hellingen en dalen, van Pharis en Sparta en Messa, rijk aan duiven, van Bryseiae ook en het mooie Augeiae, van Amyclae en de versterkte haven van Helus, de dorpelingen van Oetylus en Laäs – die allen stonden onder bevel van ’s koning broeder Menelaus, die van de luid schallende strijdkreet, met zestig schepen, en vormden een eigen legerafdeling. Menelaus schreed langs hun gelederen vol vertrouwen op zijn eigen moed, en zette hun aan tot de strijd; niemand immers was zo vol verlangen om zich te wreken voor het leed en de last, die Helena hem aandeed.
II; 50
Daarop kwamen de mannen van Pylos en het lieflijke Atrene, van Thyron, waar de Alpheus een doorwaadbare plek heeft, van het welgebouwde Aepy, van Cyparisseis, Amphigeneia, Pteleus, en Helos en van Dorion, waar de Muzen eertijds Thamyris de Thraciër troffen toen hij van Oechalia kwam en het huis van de Oechaliër Eurytus. Thamyris had snoevend verklaard, dat hij een zangwedstrijd met de Muzen zelf zou weten te winnen. Dit had hen vertoornd, de dochters van Zeus, drager van de Aegis. Met blindheid sloegen zij hem; zij ontroofden hem de goddelijke gave van het lied en het harpspel. De Gerenische ruiter Nestor voerde die manschappen aan. Zijn eskader telde negentig diepgaande schepen.
II; 51
Voorts de Arcadiërs van het land, waar de hoge Cyllene zich ten hemel verheft en waar Aepytus begraven ligt, waar mannen worden geoefend in de strijd van man tegen man, van Pheneus, van Orchomenus, het land rijk aan schapen, van Rhipa en Stratia en door het winden omwaaide Enispe, van Tegea en de behaaglijke stad Mantinea, van Stymphalus en Parrhasia: - zij allen geleid door Vorst Agapenor, Ancaeüs’ zoon, in zestig schepen, elk met een toemaat van geoefende Arcadische krijgers. Koning Agamemnon zelf had Agapenor die goedgebouwde schepen geschonken om daarmee de zee, zo donker als wijnmoer, over te steken, want van de scheepsbouw verstonden de Arcadiërs niets.
II; 52
De mannen van Boeprasion en niet het milde, welvarende land van Elis, dat zich daar uitstrekt van Hermine tot de uiterste grensstad Myrinos, van de Olenische rots tot Aleision, die stonden onder bevel van vier aanvoerders, elk met onder zich een eskader van tien snelle schepen, met Epeïsche troepen bemand. Twee afdelingen werden geleid door Cteatus’ zoon Amphimachus en door Thalpius, de zoon van Eurytus, beiden van Actor’s geslacht; een derde door de kloeke Diores Amarynceus’ zoon; en de vierde door Vorst Polyxenus, de zoon van koning Agasthenes, de zoon van Augias.
II; 53
Zij van Dulichion en de heilige Echineïsche eilanden, gelegen tegenover Elis, werden door Meges aangevoerd, de krijgshaftige zoon van Phyleus, een strijdwagenmenner bij Zeus’ genade en die eertijds in een twist zijn vader verliet en naar Dulichion trok. Zijn eskader werd gevormd door veertig zwarte schepen.
II; 54
Dan Odysseus, die de fiere Cephallenen leidde, de bewoners van Ithaca en de hoge Neriton, waar de winden de wouden doorruisen, en die van Crocyleia en het rotsachtige Aegilips, van het beboste Zacynthos en Same en van het vasteland, dat tegenover de eilanden ligt. Odysseus voerde hen aan, in wijs beleid aan Zeus zelf gelijk. Twaalf schepen, de boeg rood geschilderd, volgens zijn bevel.
II; 55
Thoas, de zoon van Andraemon, voerde de Aetoliërs aan, die kwamen van Pleuron en Olenus, van Pylene en de havenstad Chalcis, van het steile Calydon. De zonen van de voortreffelijke Oeneus immers waren niet langer in leven, en zo ook de rood gelokte Meleager, op wie de leiding der Aetoliërs over gegaan was. Thoas leidde veertig zwarte schepen.
II; 56
De befaamde speerwerper Idomeneus leidde die van Kreta, ook de mannen van Cnossus, van het door hoge wallen omsloten Gortys, van Lyctus, Miletus, het van krijtrotsen blanke Lycastus, van Phaestus en Rhytion, stuk voor stuk heerlijke steden, en allen, die Kreta’s honderd steden bewoonden. Die allen leidde dus Idomeneus, die vermaarde strijder met de speer, en Meriones, dapper als de krijgsgod zelf. Onder hun bevel voeren tachtig zwarte schepen.
II; 57
Tlepolemus, Heracles’ slanke en knappe zoon, had van Rhodos negen schepen met kloeke Rhodiërs aangevoerd, wier stammen drie verschillende delen van het eiland bewoonden: Lindos, Ialysos en het temidden der krijtrotsen gelegen Cameiros. Dit waren de strijdkrachten van de vermaarde speervechter Tlepolemus, zoon van de machtige Heracles, hem door Astyoche geschonken, die hij meebracht uit Ephyre aan de rivier Selleïs, toen hij menige burcht, verdedigd door manhaftige krijgers, daar plunderde. Tlepolemus, in het paleis tot man opgegroeid, doodde de eigen oom van zijn vader, Licymnius, afstammend van de oorlogsgod, doch toen al een oud man. In korte tijd bouwde hij wat schepen, bracht een groot gevolg bijeen en vluchtte de zee over, bedreigd als hij werd door de andere zonen en kleinzonen van de grote Heracles. Aldus bereikte hij, een vluchteling, na veel zwarigheden en gevaren Rhodos, waar zijn mannen zich in drie verschillende streken vestigden, naar de stammen waartoe zij behoorden. En daar genoten zij de glimlachende gunst van Cronus’ zoon Zeus, de vorst van goden en mensen, die hun schatkisten vulde met onafzienbare rijkdommen.
II; 58
Voorts was er Nireus met drie zeewaardige schepen uit Symne. Hij was de zoon van Aglaia en Vorst Charopus, de knapste Griek van allen, die naar Ilium trokken, Peleus’ volmaakte zoon uitgezonderd. En toch was hij een zwakkeling die slechts weinig krijgers volgden.
II; 59
De mannen van Nisyrus, Crapathos en Casos, van Cos, Eurypylus’ stad, en van de Calydnische eilanden werden door Pheidippus en Antiphus geleid, beiden zonen van vorst Thessalus, die zelf Heracles’ zoon was. Hen volgden een eskader van dertig diepgaande schepen.
II; 60
Thans de mannen, die het Pelasgische Argos bewoonden, die woonden in Alos en Alope, in Trachis, Phthia en in het land der liefelijke vrouwen, in Hellas. Myrmidonen heetten ze, ook wel Hellenen en Achaëers. Zij waren gekomen met hun vijftig schepen onder Achilles’ bevel. Maar strijdgewoel nog angst kon hen thans deren. Niemand hunner schaarde zich in het gelid, want de snelle Achilles lag bij zijn schepen te treuren over het lieve meisje, de tedere Briseïs, die hij uit Lyrnessus buit maakte na hevige strijd, nadat hij de stad had geplunderd en de muren van Thebe bestormd en hij de kloeke speerwerpers Mynes en Epistrophus, de zonen van vorst Evenus, Selepus’ zoon, overmand had. Om dat meisje lag hij verdrietig bij zijn schepen te verkwijnen maar niet voor lang.
II; 61
De mannen, die woonden in Phylace en het bloemrijke Pyrasos, het heiligdom van Demeter, in Iton, waar de schapen vandaan komen, in de havenstad Antron en in het door weiden omgeven Pteleus, werden geleid door de krijgshaftige Protesilaus, toen die nog leefde. Thans echter rustte hij diep in de schoot der donkere aarde. Hij was de eerste de Grieken, die aan land sprong, maar het was toen, dat hij ten offer viel aan een vijand uit Troje; en zijn vrouw bleef achter in Phylace, met van smart holle wangen, in haar slechts half voltooid huis. Zijn mannen betreurden hun leider, die echter niet zonder opvolger bleef. Thans voerde Podarces het bevel, een afstammeling van de oorlogsgod en een zoon van Iphiclus, Phylacus’ zoon, eigenaar van rijke kudden schapen. Podarces nu was een broer van de grootmoedige Protesilaus, jonger dan hij, die niet enkel ouder maar ook flinker was. Hun troepen ontbeerden dus geen leider, hoewel zij de heldhaftige doden bleven betreuren. Onder zijn bevel voeren veertig zwarte schepen.
II; 62
De mannen die in Pherae woonden bij het meer van Boibeïs, in Boibe en Glaphyrai en het liefelijke Iaoleos, voeren in elf schepen onder bevel van Eumelus, de zoon van Admetus en van de koninklijke Alcestis, de mooiste van Pelias’ dochters.
II; 63
Die van Methone kwamen, van Thaumacië, Meliboea en het steile en woeste Olizon, stonden met hun zeven schepen onder bevel van de grote boogschutter Philoctetes. Vijftig roeiers, bekwaam in de strijd met de boog, bemanden elk dier schepen. Doch Philoctetes lag in doodsnood op het liefelijke eiland Lemnos, waar het leger der Grieken hem achterliet, lijdend aan de giftige beet van een waterserpent. Daar lag hij dus in pijnen. Maar eerlang zouden de Grieken bij hun schepen hun vorst Philoctetes weer gedenken. Intussen bleven zijn mannen, ofschoon zij hun leider misten, niet zonder leiding. Over hen voerde bevel Medon, Oileus’ natuurlijke zoon, die Rhene schonk aan die kloeke verwoester van steden.
II; 64
De beide zonen van Asclepius, de kundige meesters in de heelkunst, Podalirius en Machaon, leidden de mannen van Tricce, van Ithome, waar de heuvels opstijgen in trappen, en van Oechalia, de stad van vorst Eurytos. Zij voeren in vijftig zwarte schepen.
II; 65
Zij die kwamen van Ormenium en de bron Hypereia, van Asterium en van Titanos’ witte hoogten, volgden Eurypylus, de edele zoon van Evaemon, leider van veertig donkere schepen.
II; 66
Die woonden in Argissa, in Gyrtone, Orthe, Helone en Oloösson’s blanke stede, werden aangevoerd door de onverschrokken Polypoetes, zoon van Zeus’ zoon Pirithoüs. De wijdvermaarde Hippodamia schonk hem het leven op de dag, dat Pirithoüs wraak nam op de ruige en wilde Centauren en hen van Pelion verjoeg naar de streek der Aethices. Polypoetes was niet alleen als bewindvoerder, maar deelde zijn gezag met Leonteus, afstammeling van de oorlogsgod en zoon van de fiere Coronus, Caeneus’ zoon. Zij voeren in veertig zwarte schepen.
II; 67
Guneus voer van Cyphus in tweeëntwintig schepen. Hij voerde de Enianen aan en de moedige Peraebiërs, die woonden rondom het kille Dodona en bij de verrukkelijke stroom Titaresius hun akkers bebouwden. Die stroom mondde uit in de Peneus maar zonder zijn helder water met de zilveren golven van de Peneus te vermengen. Als olie dreef het erboven op, want het maakte deel uit van de geduchte wateren van de Styx, de rivier der eden.
II; 68
De magneten, die woonden bij de Peneus en bij de hoge Pelion, waar de wilde bossen ruisen, werden aangevoerd door Prothoüs, die felle en snelle strijder, Tenthredon’s zoon. Veertig zwarte schepen voerden hen aan.
II; 69
Dit waren dan de leiders en aanvoerders der Grieken. En thans, Muze, vertel mij, wie van al de mannen en paarden, die met Atreus’ zonen de zee overstaken, veruit de beste was!

De beste strijders benoemd en het leger rukt op

II; 70
Veruit de beste der paarden waren die van Admetus, gemend door Eumelus, zijn zoon. Als vogels zo vlug waren zij, eender naar jaren en tint, en langs hun ruggen kon men een strak koord spannen. Twee merries waren het en gefokt en geoefend in Pherae (1) door Apollo, de god met de zilveren boog, om schrik te verspreiden op de slagvelden.
II; 71
Van de mannen was veruit de beste Telamon’s zoon Ajax (1), maar enkel zolang Achilles nog wrokte, want de onvergetelijke zoon van Peleus was van allen de allerbeste en mende tevens de allerschoonste paarden. Doch nu lag hij daar bij zijn diepgaande, zeewaardige schepen, wrokkend om de twist met de leider van allen, Agamemnon, Atreus’ zoon. En intussen brachten zijn mannen hun tijd door op het strand met boogschieten en het hanteren van speer en werpschijf. In ijdel nietsdoen stonden de paarden bij de strijdwagens, deden zich te goed aan klaver en eppe, zoveel als zij vonden in de zilte weiden. En de wagens der aanvoerders, in dekken gehuld, stonden in de tenten der menners; de mannen zelf, die hun strijdlustige leider misten, lanterfantten doelloos door het kamp en namen geen deel aan de strijd.
II; 72
Maar de overigen trokken op, zodat het scheen, als werd heel de aarde door brand verteerd. Die kreunde onder hen, zoals zij doet onder de woede van Zeus, de vader van de donder boven in het Arimische bergland, alwaar Typhon rust, naar de mare gaat.

Het leger der Trojanen

II; 73
Intussen was de snelle Iris met de vaart der wind door Zeus naar de Trojanen gezonden om aan hen de onheilspellende tijding te brengen. Zij waren vergaderd voor de poort van Priamus’ paleis, jong en oud samen. De snelle Iris trad op hen toe en sprak met een stem, gelijkend op die van Polites, Priamus’ zoon, die voor de Trojanen op de uitkijk stond op de grafheuvel van de oude Aesyetes, gereed om huiswaarts te snellen bij het eerste teken van een dreigende uitval der Grieken. Iris, thans ook uiterlijk op hem gelijkend, sprak dus, zich tot Priamus wendend:
II; 74
‘Heer,’ zei zij, ‘zoals ik zie, houdt gij ook nu nog evenveel van eindeloos geredekavel als gij daar in vredestijd op gesteld was. hoewel de strijd op leven en dood voor de deur staat. Ik heb waarachtig in mijn leven al heel wat veldslagen beleefd, maar nooit zag ik een zó indrukwekkende legermacht. Zij stuiven over de vlakte om de muren van de stad te bestormen als de blaren van het woud of het zand van de zee. Aan u vooral, Hector, raad ik om alles te doen, zoals ik het u zeg. In zijn grote stad heeft Priamus veel bondgenoten, maar vreemdelingen als zij zijn, spreken ze verschillende talen; laat dus hun eigen aanvoerders van de troepen, waarover zij bevelen, de aanwijzingen geven, nodig voor de strijd, hun eigen landgenoten opstellen in slagorde en aanvoeren in de slag.’
II; 75
Hector herkende de stem als die der godin, hief de vergadering op, en allen snelden te wapen. Geopend werden alle poorten en met groot gerucht snelde al het krijgsvolk, te voet en met hun strijdwagens naar buiten.
II; 76
Buiten de stad en op enige afstand van de vlakte verheft zich een hoogte, steil met laagland rondom. Mensen noemen die de Bramenberg, maar hem kennen de onsterfelijke goden als de grafheuvel van de dansend lichte Myrine. Hier was het, dat de Trojanen en hun bondgenoten zich thans in slagorde schaarden.
II; 77
Priamus’ zoon, Hector, de grote, met wuivende helmbos, voerde over hen het bevel. Met hem trokken op de meeste en veruit de beste manschappen, allen voortreffelijk in het werpen van speer en lans.
II; 78
De Dardaniërs werden aangevoerd door Anchises’ bewonderenswaardige zoon Aeneas, door Aphrodite ontvangen, toen op de helling van de Ida zich met een mens de godin paarde. Aeneas voerde niet alleen het bewind, maar werd bijgestaan door twee zonen van Antenor, Archelochus en Acamas, beiden bedreven in alle kunsten en kundigheden van de krijg.
II; 79
De mannen, die in Zelia woonden, bij de uitlopers van de Ida – mannen in goeden doen, die dronken van de donkere wateren van de Aesepus, Trojanen van herkomst –, werden aangevoerd door Lycaon’s vermaarde zoon Pandarus, die zijn vaardigheid in het boogschieten dankte aan Apollo zelf.
II; 80
Die van Adrastia kwamen en uit de streek van Apaisos, van Pityeia en van de steile hellingen van de Tereia, werden aangevoerd door Adrastus en Amphius in linnen wapenrok, beiden zonen van Merops van Percote, die een bijzonder begaafde ziener van toekomstige dingen was en zijn uiterste best had gedaan om zijn zoons te ontraden hun leven te wagen in de wisselvalligheden van de oorlog. Doch zij hadden niet naar hem willen luisteren; de zwarte dood lokte hen naar hun noodlot.
II; 81
Zij die kwamen van Percote en Practios, van Sestos, Abydos en het heilige Arisbe, werden aangevoerd door Hyrtacos’ zoon Asius, de edele held, die door zijn grote, rossig glanzende paarden uit Arisbe en van de oevers van de Selleïs naar Troje gevoerd was.
II; 82
Hippothoüs voerde bevel over de stammen der Pelasgen, in het vechten met speer en lans bekwaam, die de vele velden van Larissa bebouwden. Met zijn broeder Pylaeus leidde Hippothoüs die mannen, beide zonen van de Pelasger Lethus, Teutamus’ zoon.
II; 83
Acamas en de edele Peiros leidden de Thraciërs, wier akkers worden omspoeld door de snelstromende Hellespontos. En Euphemus voerde de krijgshaftige Ciconiërs aan. Hij was de zoon van vorst Troezenus, Ceas’ zoon.
II; 84
Pyraechmes leidde de Peaoniërs, bekwaam in het strijden met de kromboog. Van verre kwamen ze, van Amydon en de oevers van de brede stroom Axios, de liefelijkste aller rivieren die het aardrijk bevloeien.
II; 85
Pylaemenes met ruig behaarde borst voerde de Paphlagoniërs aan, komende uit de streken der Eneti, waar de wilde muildieren vandaan komen. In Cytorus woonden zij, rondom Sesamon, in bekoorlijke hoeven aan de boorden van de Partthenius, in Cromma en in Aegialus en op de Erythinische hoogten.
II; 86
Odius en Epistophus leiden de Alizonen uit het verre Alybe, waar het zilver vandaan komt
II; 87
Aanvoerders der Mysiërs waren Chromis en Ennomus, de laatste een vogelwaarzegger. Maar al zijn kennis omtrent de waarheid, door de vlucht der vogels aan de kundige ziener geopenbaard, spaarde hem niet voor ’s doods zwarte hand. De snelle Achilles was hem te vlug af. In een schermutseling viel hij met andere Trojanen en hun verbondenen in de bedding der rivier.
II; 88
Phorcys en Vorst Ascanius, in schoonheid gelijk een god gelijk, leidden de strijdlustige Phrygiërs uit het verre Ascania. De Maeoniërs werden door Mesthles en Antiphus aangevoerd, de zonen van Talaemenes en van Gygaea de waternimf, die het meer van Gygaea haar naam schonk. Die beiden voerden de Maeoniërs aan, geboren aan de voet van de Tmolus.
II; 89
Nastes leidde de Cariërs, die een ruwe taal spraken en woonden in Milete en op de beboste berg der Phtiren, langs de oevers van de grillig zich kronkelende Maeander en op de steil hoge Mycale. Amphimachus en Nastes hadden die mannen uit hun land weggevoerd, beiden Nomion’s edele zonen. Maar wat een dwaas die Amphimachus toch was! Als een meisje met goud overladen trok hij ten strijde. De snelle Achilles viel hij in handen en stierf in de rivierbedding. En met vooruitziende blik eigende die held zich het goud toe.
II; 90
Ten slotte leidden Sarpedon en de onovertroffen Glaucus de Lyciërs van het verre Lycië en van de oevers van de aan draaikolken rijke Xanthus.

3. Een kort bestand

De legers trekken op

III; 1
Allen dan geschaard in slagorde, elke afdeling onder haar eigen aanvoerder, trokken de legers op, de Trojanen luid krijsend als vogels. Ze vervulden de lucht met hun kreten, zoals kraanvogel doen, die de komende winter niet afachten noch de plotseling neervallende regens, maar zich opmaken en vluchten naar Oceanus’ stromen met hees gekrijs om dood en vernieling aan de Pygmeeën te brengen, neerstrijkend uit de dageraadroze luchten voor hun boosaardige slachting. De Grieken echter trokken op in stilte, in hun binnenste van krijgslust blakend en vastbesloten om elkaar bij te staan in de strijd.
III; 2
Snel naderen over de vlakte hadden zijn onder hun fier trotse tred het stof doen opwolken, dicht als de mist, welke de zuidenwind wikkelt om de toppen van de bergen, zodat men niet verder dan een steenworp kan zien en de herder mokt van verdriet, terwijl de dief zich verheugt, want zo’n mist is hem welkomer dan de nacht nog.

Paris verzoekt om een tweegevecht

III; 3
Toen de legers in het voorwaartsstormen al bijna handgemeen raakten, kwam Paris, die was als een god, uit de Trojaanse gelederen naar voren en bood aan om de strijd door een tweegevecht te beslissen. Hij, ook Alexandros geheten, had een pantervel omgeslagen en was gewapend met kromboog en zwaard. Een paar speren met bronzen pijl zwaaiend daagde hij wie ook der Grieken uit tot een strijd van man tegen man om de twist te beslechten.
III; 4
Toen de door veel strijd ervaren Menelaus hem daar naar voren zag stappen, was hij zo blij als een hongerige leeuw, die als buit een hert met breed gewei vindt of een wilde geit, die hij gretig verslindt ondanks de kloeke jagers en hun vlugge honden, die alles doen om hem weg te jagen. Zo ook verheugde zich Menelaus, toen zijn ogen op Vorst Paris vielen, want hij meende zijn kans gekomen om die man het onrecht betaald te zetten, dat hij hem had aangedaan. Onmiddellijk sprong hij van zijn strijdwagen, gewapend en al.
III; 5
Maar toen Paris zag, dat het Menelaus was, die zijn uitdaging aannam, zonk hem het hart in de schoenen, en weg sloop hij tot achter de Trojaanse gelederen, voor zijn leven beducht, als een man die in een dicht bebost dal al wandelend plotseling een slang ziet en terug deinst en met bleek gezicht en knikkende knieën de weg gaat, die hij ging. Zo deinsde ook de vorstelijke Paris terug en verschool zich achter de weerbare Trojanen in zijn angst voor Atreus’ weerbare zoon, Menelaus.

Hector maakt Paris uit voor lafaard

III; 6
Hector had zijn broer gadegeslagen en viel onmiddellijk fel tegen hem uit. ‘Paris, schoon knaapje,’ riep hij hem toe, jij vrouwengek en verleider, waarom zag jij ooit het levenslicht? Waarom kwam je niet om vóór je trouwdag? Ja, zó zou ik het gewenst hebben! Dat zou heel wat beter zijn geweest dan voor ons anderen een schande te zijn en een smaad, zoals thans. Hoe moeten de Grieken met hun lange haren niet lachen om ons, die tot voorvechter een vorst kiezen om zijn knap uiterlijk, vergetend dat hij geen karakter en geen moed heeft? Als ik je goed bekijk, zoals je thans bent, dan vraag ik me af, hoe je volgelingen hebt kunnen werven, met hen als bemanning in zeewaardige schepen het ruime sop durven kiezen, hoe je het waagde, je onder vreemdelingen mengend, een schone vrouw weg te voeren uit een ver land en verwant aan weerbare mannen om je vader, je stad en geheel je volk tot vloek te zijn, tot lachende hoon voor onze vijanden en tot diepe beschaming voor jezelf! En nu ben je te laf om het op te nemen tegen de held, de krijgshaftige Menelaus! Anders zou je al gauw zien, aan wie je zijn jonge vrouw ontroofde! Je lier zal je niet kunnen helpen, noch de gaven van Aphrodite, die mooie krullen van je, je fijn gezicht, als hij je in het stof heeft doen bijten. Maar de Trojanen zijn te weekhartig. Anders zou je voor het kwaad, dat je aanrichtte, allang gestenigd zijn tot de dood!’
III; 7
‘Hector, uw grievende verwijten zijn verdiend,’ was het antwoord van de edele Paris. ‘Geen woord zei u teveel. Hoe spreekt daar uw ontembare geest uit! Uw onvermoeide geestkracht doet mij aan de bijl in de handen van een scheepstimmerman denken, die slag na slag een boomstam doorklieft en er de macht en het vermogen aan schenkt om er de rondhouten voor een schip uit te vormen. Maar er is iets dat ge me niet moet verwijten: de gaven namelijk, die Aphrodite mij schonk. De kostbare gaven, waarmee de goden de mens ongevraagd overstelpen, zijn niet te verwachten, ook al zou hij ze zelf niet gekozen hebben, als de keus hem vrij stond. Doch staat gij erop, dat ik de tweestrijd aanvaard, laat dan de beide legers zich legeren, opdat ik tussen de beide kampen de geduchte Menelaus ontmoete in de strijd om Helena en haar schatten. Wie wint en de sterkere blijkt, neme de schone en al haar bezit mee naar zijn eigen huis, terwijl de anderen zich tot vrede verbinden, wij blijvende in ons vruchtbaar land, terwijl de vijand huiswaarts vaart naar Argolis, rijk aan weiden, waar paarden grazen, en naar Achaea, rijk aan schone vrouwen.’

Hector en Menelaus spreken een bestand af

III; 8
Dit was naar Hector’s hart gesproken. Tussen beide legers trad hij, nam zijn speer in het midden vast en drong de Trojanen terug. Dien namen plaats op de grond, maar de Grieken hielden hun boogschutters nog altijd gereed, die mikten op Hector als doelwit voor hun pijlen en stenen, zodat Vorst Agamemnon tussenbeide moest komen. ‘Genoeg, Grieken!’ Riep hij. ‘Laat Hector met rust; hij gaat spreken!’
III; 9
De troepen zagen af van hun voorgenomen aanval en onmiddellijk werd het luisterstil. Toen sprak Hector, staande tussen beide legers. ‘Trojanen,’ zo zei hij, én gij, Griekse strijders, hoort van mij, wat Paris, die de strijd begon, ons thans voorstelt. Hij dan slaat voor, dat alle manschappen hun wapens neerleggen, terwijl hij en de krijgshaftige Menelaus in een tweegevecht strijden voor het front der beide legers om Helena en haar schatten. Wie wint en de sterkste blijkt, neme de schone en al haar bezit mee naar zijn eigen huis, terwijl wij anderen ons tot vrede verbinden.’
III; 10
In volledige stilte hoorde men naar Hector’s woord. Eindelijk sprak Menelaus, vermaard om zijn schallende strijdkreet. ‘Luister thans naar mij,’ zei hij. ‘Ik ben de eersten en de zwaarst getroffene, en ik denk, dat de Grieken en Trojanen nu in vrede kunnen scheiden, want al genoeg hebben ze gedragen en doorstaan om die vete tussen mij en Paris, die de twist begon. Eén van ons moet sterven – reeds heeft het Noodlot hem getekend met het teken des doods – en dan zult gij anderen spoedig weer verzoend zijn. Brengt dus een tweetal schapen, een witte ram en een zwarte ooi, voor de Aarde en voor de Zon; wij brengen een derde voor Zeus. En dat men koning Priamus roepe, zodat hij zelf het verbond bezwere, want zijn zoons zijn al te lichtzinnig en wispelturig, en wij wensen een plechtig verbond niet geschonden te zien door verraad. Onstandvastig is de jeugd, maar een oudere ziet niet de toekomst alleen, maar ook wat geweest is, en hij doet wat voor beide partijen het best is.
III; 11
Menelaus’ woord vond bijval bij de Grieken en Trojanen als een respijt in ’s krijgs bitter bedrijf. De wagenstrijders weken terug onder het voetvolk, stapten af van hun wagens en legden hun wapens neer, dicht bijeen, want veel ruimte was er niet. Hector zond twee boodschapper in allerijl naar de stad om de schapen te halen en Priamus te verwittigen; en vorst Agamemnon stuurde Talthybius naar de diepgaande schepen om een lam te halen. Talthybius haastte zich aan de wens van zijns meesters te voldoen.

Iris en Helena

III; 12
Iris intussen bracht verslag uit aan Helena, om de schoonheid van haar blanke armen vermaard. De godin had de gedaante aangenomen van Helena’s schoonzuster Laodice, de knapste van Priamus’ dochters, gehuwd met de edele Helicaon, de zoon van Antenor. Ze trof Helena aan, waar zij thuis op haar kamer aan het weefgetouw zat, bezig met een groot weefsel, dubbelbreed, uitbeeldende enkele van de vele gevechten tussen Trojaanse paardentemmers en de in brons geharnaste Grieken in de oorlog, die omwille van haar was ontbrand. Iris op haar vlugge voeten trad op haar toe en zei; ‘Lieve zuster, kom toch eens kijken hoe vreemd zich de Trojaanse en Griekse krijgers gedragen. Een ogenblik geleden nog stonden ze op het punt een verschrikkelijk slag te leveren, daarginds in de vlakte en het zag er naar uit, alsof het om dood en leven zou gaan. Thans echter is de strijd bijgelegd en zitten ze er rustig bij, leunend op hun schilden, hun speren in de grond geplant, terwijl Paris en de geduchte Menelaus een tweegevecht gaan leveren met hun lange lansen; en wie wint, voert u mee als zijn vrouw.’
III; 13
Dit bericht van de godin vervulde het hart van Helena met een zoet heimwee naar haar voormalige echtgenoot, haar ouders, de stad, die zij verliet. Om haar hoofd sloeg zij een sjaal van wit linnen, en terwijl de tranen over haar wangen rolden, verliet zij met twee harer dienstvrouwen haar slaapvertrek, Pittheus’ dochter Aethra en vrouwe Clymene, wier ogen groot en goedig waren. Spoedig waren zij in de buurt van de Scaeïsche Poort.

Helena en Priamus kijken naar de Grieken vanaf de muur

III; 14
Daar zat Priamus met de oudsten der raad in vergadering bijeen, met Panthous en Thymoites, Lampus, Clytius, Hicetaon, ’n afstammeling van de oorlogsgod, en zijn beide schrandere raadgevers Ucalegon en Antenor. De ouderdom had een eind gemaakt aan hun krijgersloopbaan, maar die oude Trojanen waren voortreffelijke sprekers, zoals zij daar zaten op het bolwerk, als krekels in een boom in het bos, lustig aan ’t sjirpen. Toen zij Helena nu de poort zagen naderen, dempten zij hun stemmen. ‘Wie ter wereld,’ zo zeiden zij, ‘kan de Grieken en Trojanen kwalijk nemen, dat zij zo lang omwille van haar nood, druk en zwarigheid van de oorlog lijden? Inderdaad is zij het levende evenbeeld der onsterfelijke godinnen. Maar toch was het met al haar schoonheid beter, dat zij zich weer inscheepte voor de thuisvaart in plaats van hier te blijven als het noodlot voor ons en voor onze kinderen later’.
III; 15
Zo waren hun woorden, doch Priamus riep haar bij zich. ‘Schoon kind,’ zei hij, ‘kom hier en ga tegenover mij zitten; van hier kunt ge uw voormalige echtgenoot en uw verwanten en vrienden zien. Neen, ik acht u niet schuldig, maar wel de goden, die deze verschrikkelijke oorlog met de Grieken over ons brachten met zijn nasleep van tranen en wee. Maar zeg me: wie is die reus van een man, wat voor Griek is dat, zo groot, zo voornaam? Temidden der aanvoerders is hij weliswaar niet de grootste, doch nimmer zag ik nog zo’n voornaam, edel en knap man: het ideaal van een koning.’
III; 16
‘O liefste vader, goed en eerbiedwaardig,’ antwoordde hem de schone Helena, ‘ik wilde wel, dat ik de ellendige dood verkozen had boven mijn komst hierheen met uw zoon, boven mijn vlucht uit mijn bruidsvertrek, verlatende mijn verwanten, mijn lief dochtertje en geliefde vrienden. Maar het liep anders helaas tot mijn eindeloos verdriet. Doch ik moet u antwoorden op uw vraag. De man, die u mij aanwees, is de vorstelijke Agamemnon, Atreus’ zoon, een goede koning en een goed strijder met lans bovendien. Eens was hij mijn zwager – schaamteloze die ik ben – tenzij alles een droom is.’
III; 17
Na die woorden keek de oude man met jaloerse bewondering naar vorst Agamemnon. ‘O, gelukkige zoon van Atreus,’ riep hij uit, ‘gelukskind, door de goden gezegend. Dus gij zijt de man, die gediend wordt door al die duizenden Grieken daar! Eens ging ik naar Phrygië, land van wijnbergen en fier dravende paarden, en daar zag ik, hoe talrijk de Phrygiërs zijn, toen ik de legers ontwaarde van Otreus en vorst Mygdon, die legerden aan de oevers van de Sangarius. Ik was hun bondgenoot en ik had bij hen mijn kamp opgeslagen, toen zij overvallen werden door Amazonen, die vechten als kerels. Maar zelfs zij waren zo talrijk niet als die Grieken met hun fonkelende ogen.’
III; 18
De oude man merkte nu ook Odysseus op en zei: ‘Lief kind, zeg me nu, wie die man is. Hij is een kop kleiner dan vorst Agamemnon, maar breder in borst en schouders. Zijn wapentuig liet hij liggen op de grond, maar daar loopt hij langs de gelederen heen als een ram, een wollige ram, die een grote kudde van witte schapen in toom houdt.’
III; 19
Helena antwoordde: ‘Dat is Laërtes’ zoon Odysseus, scherp van geest. Ithaca, waar hij opgroeide, is een rotsachtig onvruchtbaar land, maar hij is een meester in het oefenen van listen en het maken van schrandere plannen.’
III; 20
De wijze Antenor voegde aan haar woorden nog toe: ‘Vrouwe,’ zei hij, ‘Ik kan onderschrijven, wat ge zegt, want Odysseus was hier met Menelaus om met betrekking tot u te onderhandelen. Ik was hun gastheer, ontving hen in mijn eigen huis, en niet alleen weet ik, hoe hun uiterlijk maar ook hoe hun inborst is. In de beraadslagingen met de Trojanen, toen allen stonden, stak Menelaus met zijn brede schouders boven allen uit, maar toen iedereen gezeten was, was het Odysseus die van hen beiden de meeste indruk maakte. Toen het hun beurt was om in het openbaar hun mening te geven, sprak Menelaus gemakkelijk, in enkele zinnen, doch helder en duidelijk als een man van weinig woorden, die bij de zaak blijft, hoewel van beiden de jongste. Doch toen de schrandere Odysseus het woord nam, stond hij daar met het hoofd naar de grond gericht, zwijgend, vastberaden, al turend vanonder zijn wenkbrauwen; en zijn staf hield hij stil, zo onhandig, als had hij die voor het eerst in de hand. Je zou hem voor een norse sukkel of voor een sukkelige wrokker hebben gehouden. Toen echter zijn diepe stem luid schallend zich liet horen, toen de woorden stroomden over zijn lippen als een winterse sneeuwstorm, was er onder de levenden niemand, die met Odysseus kon wedijveren. Wie naar hem keek en wie naar hem luisterde, liet zich niet langer door de schijn bedriegen.’
III; 21
De derde, die de oude koning opmerkte, was Ajax. En hij vroeg: ‘Wie is die andere, onder de rest opvallende Grieken? Langer is hij, wel een kop groter dan de rest, en ook breder van borst!’
III; 22
En Helena, bevallig in haar lang slepend gewaad, antwoordde hem: ‘De reus Ajax is dat, een bolwerk van kracht voor de Grieken. En daar aan de andere zijde, in het midden van de Kretenzers staande als een god, omringd door de leiders van Kreta, is Idomeneus. Mijn heer Menelaus ontving hem vaak in ons huis, als hij van Kreta overkwam. En nu heb ik gewezen op alle Grieken, die ik van hieruit kan herkennen, maar twee leiders zie ik maar niet: Castor, vermaard om de wijze waarop hij met wilde paarden omspringt, en Polydeuces, de eerste der vuistvechters, mijn bloedeigen broer, uit dezelfde moeder geboren. Misschien hebben ze zich niet bij het leger gevoegd noch het liefelijke Laconia verlaten, of als ze samen met de Grieken scheep gingen en kwamen met de anderen, zijn zij huiverig om deel te nemen aan de strijd wegens de schande, aan mijn naam verbonden, en de woorden van smaad, welke men van hun wellicht zou kunnen toevoegen.’
III; 23
Weinig wist zij, dit zeggend, dat de vruchtbare aarde hen reeds opgenomen had in haar schoot, ginds in Laconia, het geliefde land.

Het bestand wordt gesloten, offer aan de goden

III; 24
Herauten intussen voerden door de stad de heilige verdragoffers: twee schapen, een wijnzak van geitenvel, van milde wijn vol, de vrucht van het land. De heraut Idaeus, die een glanzend mengvat en bekers van goud droeg, ging op de oude koning toe, zette hem aan tot de daad met de opwekkende woorden: ‘Verhef u, Heer, en sta op!’ zei hij. ‘De leiders van de Trojaanse en Griekse legers roepen u naar de vlakte tot het sluiten van een verbond. Paris en de strijdbare Menelaus willen in een tweegevecht strijden, hanterend hun lange lansen, met Helena als inzet. Wie wint, wint ook de vrouwe, doch de anderen sluiten een verbond des vredes, wij blijvend in het vruchtbare Trojaanse land, terwijl de vijand huiswaarts vaart naar Argolis, waar grazen de paarden, en naar het om zijn mooie vrouwen vermaarde Achaea.’
III; 25
Op het vernemen dier woorden huiverde de oude vorst, doch hij beval aan zijn mannen de paarden voor zijn wagen te spannen: een bevel dat stipt werd uitgevoerd. Priamus nam plaats en trok de teugels aan; Antenor besteeg eveneens die schitterende wagen; en snel reden zij door de Scaeïsche Poort naar buiten in het open veld.
III; 26
Toen zij de verzamelde legers hadden bereikt, stegen zij af van de wagen op de vruchtbare aarde en schreden naar het midden van de ruimte tussen beide legers. Vorst Agamemnon en de schrandere Odysseus stonden onmiddellijk op; en statige herauten dreven de offerdieren bijeen, mengden wijn in het wijnvat en goten water over de handen der vorsten. Daarop trok Agamemnon het mes, dat hij altijd bij zich droeg naast de grote schede van zijn zwaard en sneed wat van de wol af van de koppen der schapen. De herauten verdeelden die onder de leiders van de Trojanen en de Grieken. Daarop hief vorst Agamemnon de handen ten hemel en hoorbaar voor allen bad hij: ‘Zeus Vader, gij die heerst vanaf de Ida, allerheerlijkst en groot, en gij Zon, die met oog en oor niets mist van wat er op de wereld geschiedt; gij Rivieren en gij Aarde; gij Machten der Onderwereld, die de zielen der doden laat boeten voor geschonden eden; ik roep u allen op tot getuige onzer eden en onzer standvastigheid in het houden en handhaven ervan. Als Paris Menelaus doodt, dat hij dan Helena houde en wij zullen scheep gaan naar huis. Doch doodt de roodharige Menelaus Paris, dat dan de Trojanen Helena uitleveren met al haar bezittingen en de Grieken naar behoren schadeloos stellen, op een wijze, welke onze en hunne kindskinderen zich zullen herinneren. En als, mocht Paris sterven, Priamus en zijn zonen weigeren om ons te betalen, dan zal ik hier blijven en vechten om de schadeloosstelling tot de oorlog beëindigd is.’
III; 27
Met het meedogenloze brons sneed Agamemnon thans de keel van de lammeren open en liet hen snakkend naar lucht neervallen op de grond, waar het levensbloed wegebde en zij de dood vonden, want het mes had zijn werk gedaan. Daarop werden de bekers uit het mengvat gevuld en de wijn geplengd op de grond onder het storten van de aloude gebeden tot de goden. Ook de toekijkende Trojanen en Grieken baden – en het was éénzelfde gebed: ‘Allerheerlijkste en allergrootste Zeus, en gij andere onsterfelijke goden; dat de hersenen van wie van beide partijen het verbond verbreekt, uitstorten op de grond zoals die wijn hier, en niet enkel de hunne doch ook die van hun kinderen; en mogen vreemden hun vrouwen bezitten.’ Aldus hun gebed, maar Zeus had geen plan om nog hoop op vrede te vervullen.
III; 28
Nu nam de Dardanische Priamus het woord. ‘Trojanen en gij strijders der Grieken,’ zo sprak hij, ‘luister naar mij. Terug ga ik naar het hoge en winderige Troje, want ik kan het niet aanzien, hoe mijn eigen zoon strijdt met de geduchte vorst Menelaus. Denken kan ik slechts, dat Zeus en de andere onsterfelijke goden reeds weten, wie van de twee zijn noodlot tegemoet gaat.’
III; 29
Dit zeggende besteeg de eerbiedwaardige koning de wagen, waarin hij de schapen geladen had, en greep de teugels. Antenor nam naast hem plaats in het heerlijke voertuig; en beiden vertrokken naar Troje.

De loting en de tweekamp

III; 30
Hector, Priamus’ zoon, en de onvolprezen Odysseus maten het strijdperk af en wierpen in een helm van koper de loten, die zouden beslissen, wie van de twee strijdenden het eerst de lange speer zou werpen. De toekijkende legers baden – en het was éénzelfde gebed: ‘Zeus Vader, gij die heerst vanaf de Ida, allerheerlijkst en groot, laat de man, die aan beide volkeren zoveel leed bracht, sterven en heengaan naar Hades’ Huis; en laat er vrede heersen tussen ons.’
III; 31
Zo hun gebeden; en thans schudde de machtige Hector de helm zonder te kijken. Eén der loten – dat van Paris – vloog eruit.
III; 32
De manschappen zetten zich neder in geordende rijen, elk bij zijn paard en zijn wapens. En vorst Paris, echtgenoot van Helena, befaamd om haar weelderig schoon haar, trok zijn wondermooie wapenuitrusting aan. Om zijn benen bond hij glanzende beenbeschermers, die sloten om de enkels met zilveren gespen. Vervolgens het borstharnas. Dat was van zijn broeder Lycaon, dat hem nog steeds paste. Hij hing zich om zijn schouder een bronzen zwaard, het gevest met zilver beslagen, en toen een groot dik schild. Op zijn stoere kop zette hij een welgevormde helm met een helmbos van paardenhaar, die dreigend wuifde. Tenslotte nam hij een machtige speer, die wel woog in zijn hand.
III; 33
Insgelijks maakte de strijdlustige Menelaus zich voor het gevecht gereed, en toen traden ze uit de gelederen naar voren. Zo geducht zagen ze eruit, dat de toeschouwers van schrik vervuld werden. Beide mannen stelden zich niet ver van elkander op binnen het afgepaste strijdperk en zwaaiden woedend hun wapens. Paris was de eerste, die zijn speer, die een lange streep schaduw over de grond tekende, naar zijn tegenstander wierp, die ze opving met zijn schild. De punt brak niet af, maar werd door het taaie schild omgebogen. Daarop balanceerde Atreus’ zoon Menelaus zijn speer met een gebed tot Zeus op de lippen: ‘Schenk mij weerwraak en voldoening grote Zeus, op Paris, de man, die mij groot onrecht deed; maak van mijn handen gebruik om hem terneer te dwingen, zodat nog de kinderen van onze kinderen mogen huiveren bij de gedachten een gastheer, die hen vol hartelijkheid ontving, te honen met smaad.’
III; 34
Toen hief hij hoger zijn speer en wierp hem met al zijn macht. Het zware werptuig trof het ronde schild van Priamus’ zoon, drong er in door, vond zijn weg in het heerlijk versierde borstharnas en reet van terzijde zijn tunica open. Paris echter wist behendig de dreiging des doods te ontwijken. Daarop trok Menelaus zijn met zilver beslagen zwaard, zwaaide het hoog in de lucht, mikte met zorg en liet het neerkomen op de helmkap van zijn vijand. Het zwaard echter brak in drie en toen in vier stukken en ontviel aan zijn hand. Menelaus gromde van ergernis, keek naar de hemel en riep: ‘Zeus Vader, is er een god zo ijverzuchtig als gij?1 Ik dacht Paris zijn schanddaad betaald te zetten, en nu versplintert mijn zwaard in mijn hand, terwijl mijn speer reeds teloor ging en de kerel ongedeerd bleef!’
III; 35
En hij wierp zich op Paris, greep hem bij zijn helmbos van paardenhaar, sleepte hem mee temidden van de gelederen der Grieken. Paris voelde zich als stikken onder de druk van zijn schoon bewerkte helmriem om zijn niet sterke keel; en Menelaus zou hem tot eeuwige buit hebben meegesleept om zich eeuwige roem te verwerven, als niet Zeus’ dochter Aphrodite hem te slim af geweest was. Ze zag wat er gebeuren ging en brak de keelriem voor Paris, hoewel die band van sterk ossenleer gemaakt was. En Menelaus hield de lege helm in zijn hand. Met een zwaai wierp hij die in de Griekse gelederen, waar zijn eigen mannen hem opvingen. Zelf echter wierp hij zich opnieuw op de vijand, die hij met zijn brons beslagen speer hoopte af te maken. Doch opnieuw greep Aphrodite in. Ze hulde Paris in een dichte nevel en voerde hem weg. En dat viel de godin niet zwaar. In een oogwenk had zij hem overgebracht naar zijn eigen, naar welriekende balsems geurende slaapkamer. Daarop ging zij Helena waarschuwen.

Helena en Aphrodite

III; 36
Zij vond haar op de hooggelegen sterkte, door Trojaanse vrouwen omringd. Aphrodite trok haar aan de welriekende mantel en sprak haar toe in de gedaante van een oude vrouw, op wie Helena zeer gesteld was en die voor haar, toen zij nog in Sparta woonde, de mooiste wol placht te spinnen. ‘Kom,’ zei de godin, de vrouw nadoende, Paris wil, dat u met hem naar huis gaat. Daar ligt hij op zijn kamer, op het mooi bewerkte rustbed, stralend in al zijn schoonheid en in de heerlijke pracht van zijn kleren. Ge zoudt nooit geloven, dat hij juist van een tweegevecht thuis kwam. Ge zoudt menen, dat hij naar een danspartij wilde of er juist vandaan kwam om te rusten.’
III; 37
Verward keek Helena de godin aan. Toen zij de schoonheid van haar hals en de liefelijke rondingen van haar borsten opmerkte en zag, hoe klaar en helder haar ogen fonkelden, werd ze door een gevoel van ontzag overweldigd. Ze verheelde haar ontsteltenis niet. ‘O wreedste der vrouwen,’ zo sprak zij, ‘waarom wilt ge me misleiden? Nu Menelaus Paris heeft verslagen en zijn zeer schuldige vrouw met zich mee naar huis wil nemen, koestert gij, vrees ik, heimelijke plannen om mij weg te voeren naar een nog verdere stad in Phrygië of Maeonië voor de één of ander uwer verdere gunstelingen, die daar misschien wonen mag. Daarom bent u hier gekomen om me terug te lokken naar Paris. Neen, neen, ga zelf maar bij hem zitten, houd hem maar gezelschap; vergeet dat ge een godin zijt; verzaak de Olympus voor een aards bestaan met die man; verwen hem maar goed; wellicht wordt ge nog een zijn vrouw of anders zijn slavin. Ik weiger nog langer zijn bed te delen en mezelf te schande te maken voor alle vrouwen van Troje. Reeds heb ik, rampzalige, genoeg te dragen!’
III; 38
Woedend viel toen Aphrodite tegen haar uit. ‘Koppig wijf!’ riep ze, ‘Terg me niet, want dan laat ik je in mijn toorn aan je lot over, en dan verandert mijn liefde voor je in een al even vurige haat: dan zweep ik de Trojanen en Grieken op tot een zo bittere vijandschap, dat het ook voor jou slecht zal aflopen!’

Helena en Paris

III; 39
Die woorden boezemden Helena geduchte schrik in. Zwijgend, in haar lange witte mantel gehuld, liet zij zich wegvoeren door de godin. Geen van de Trojaanse vrouwen die haar zag, zoals zij daar ging naar Paris’ heerlijke woning. Daar hervatten de beide dienstvrouwen terstond hun werk, terwijl Helena, die vorstelijke vrouwe, zich naar haar hooggelegen slaapvertrek begaf. Met haar liefelijke glimlach bracht de godin haar toen een zetel en zette die tegenover Paris neer. Daarop nam Helena plaats, zij de dochter van Zeus, die de Aegis draagt, en berispte haar man, maar zonder hem met een blik te verwaardigen. ‘Zo, zo,’ zei ze, ‘al weer terug uit de strijd! En ik hoopte nog wel, dat je vallen zoudt onder de hand van de stoere krijgsman, die ik een mijn echtgenoot mocht noemen! Je ging er altijd zo prat op een betere strijder met de lans te zijn, Menelaus’ meerdere in behendigheid en kracht! Waarom dan daag je hem niet nog eens uit? Of moet ik je liever waarschuwen, je twee keer te bedenken alvorens de roodharige Menelaus uit te dagen tot een nieuw tweegevecht? Neen, wees voorzichtig, anders bloedt je dood met een speer door je hart!’
III; 40
Haar antwoordde Paris en: ‘Vrouw,’ zo zei hij, ‘wil mij met scherpe verwijten niet krenken. Met de hulp van Athena wist Menelaus mij te slaan. Doch ook ik heb goden, die mij bijstaan, en een volgend maal is het mijn beurt! Kom, laten wij liever samen gaan slapen in de vergetelheid der liefde. Nooit heb ik u zozeer begeerd, zelfs niet toen ik u wegvoerde uit het welgelegen Sparta met mijn diepgaande schepen en toen ik u op het eiland Cranae een eerste nacht mocht bezitten. Neen, nooit was mijn hart zo vol liefdeslust voor u als thans!’
III; 41
Dit zeggende liep hij op het bed toe en zij volgde hem; en samen legden ze zich ter ruste op het fraai opengewerkte houten bed.

De Grieken zijn woedend

III; 42
Menelaus intussen speurde en spiedde de gelederen af, als een wild dier, dat zijn prooi zoekt, overal uitkijkend naar Prins Paris. Maar niemand van de Trojanen, niemand ook van hun bondgenoten wisten hem te vinden. En ze zouden hem heus niet hebben verborgen of zijn afwezigheid verzwegen, want hij was niet geliefder dan de dood.
III; 43
Tenslotte nam vorst Agamemnon het woord: ‘Trojanen,’ zo zei hij, ‘Dardaniërs en bondgenoten, luistert naar mij. De grote Menelaus heeft gewonnen; daaraan is geen twijfel. Stuur ons thans de Griekse Helena en haar schatten, en stel mij schadeloos op een wijze, welke latere geslachten zal heugen.’
III; 44
Na die woorden van Atreus’ zoon juichte alle Grieken.

4. Een eed wordt geschonden

Ruzie tussen Zeus en Hera

IV; 1
De goden intussen waren vergaderd in de zaal met haar vloer van goud in Zeus’ heerlijke paleis. Hebe ging als schenkster rond met de nectar; en zij dronken elkaar toe, al klinkend met de gouden bekers, de ogen gericht op de stad der Trojanen.
IV; 2
Om Hera te plagen begon Zeus met verborgen spot en zei: ‘Twee van de godinnen zijn op Menelaus hand, Hera. Die men in Argolis vereert, en Athena, met wie men dweept in Alalcomenae. Doch ik zie, dat zij werkloos hier zitten en zich er tevreden mee stellen, enkel maar toe te kijken. Aphrodite echter, die bekoort door haar vrolijke lach, houdt zich echter altijd dicht in Paris’ buurt en bewaart hem voor rampen. Nog geen ogenblik geleden ontvoerde ze hem, toen hij al dacht, dat op het slagveld zijn eind gekomen was. Toch bleef aan Atreus’ zoon Menelaus de overwinning; en wij moeten nu zien, hoe het verder afloopt. Moeten wij die nare strijd opnieuw oprakelen met alle ellende vandien, of maken wij de Trojanen en Grieken tot vrienden? Als gij daar uw stem aan geeft, wil dit dan zeggen, zodat Priamus’ stad stand houdt en Menelaus de Griekse Helena terug neemt.’
IV; 3
Deze woorden wekten een afwijzend gemompel bij Athena en Hera, die bij elkaar zaten om narigheid voor de Trojanen te beramen. Athena echter zweeg, hoe boos ze ook op haar vader, Zeus, was. Geen antwoord gaf ze, al ziedde zij van woede. Doch Hera kon haar toorn niet bedwingen en brak in een stortvloed van woorden uit. ‘Geducht zoon van Cronos,’ begon zij, ‘Wat ge voorstelt is monsterachtig! Hoe kan het bij u opkomen, dat al mijn inspanningen doelloos zou zijn, al mijn moeite, al het zweet en alle vermoeidheid, terwijl mijn paarden draafden om de stammen te vergaderen, die Priamus en zijn zonen het leven zuur moesten maken? Doe wat ge wilt, maar verbeeldt u niet, dat wij anderen het goedkeuren.’
IV; 4
Zeus, die de wolken verzamelt, voelde zich bitter gekrenkt, en hij antwoordde en zei: ‘Vrouwe, welke smaad kunnen Priamus en zijn zonen u hebben aangedaan, dat ge zo fel erop uit zijt de welgelegen stad Troje met de grond gelijk te maken? Zal uw kwaadaardigheid niet eerder zijn bevredigd dan wanneer de poorten en wallen stormenderhand genomen en Priamus en zijn zonen en heel het volk rauw verslonden zijn? Doe wat u goed dunkt. Ik wil niet, dat dit meningsverschil tussen ons beiden tot een ernstige zich verwijdt. Doch één voorwaarde stel ik. Als het mij eens gebeurt om de ondergang ener stad te wensen en mijn keuze valt op een woonplaats uwer vrienden, doe dan geen poging om mijn toorn af te leiden, doch laat mij dan mijn gang gaan, omdat ik thans vrijwillig toestem in uw grillen, hoezeer het mij ook tegen de borst stuit. Van alle steden immers, waar mensen wonnen onder de zon onder de nachtelijke sterrenhemel, was het heilige Ilium mij het liefst met Priamus en het volk van die in het speerwerpen bekwame koning. Nooit bleef op hun feesten mijn altaar onversierd, maar wijn en vet vlees offerden zij als het rechtmatige aandeel der goden.’
IV; 5
‘De drie steden, waar ik het meeste houd,’ antwoordde de koningin met haar grote ogen, ‘zijn Argos, Sparta en Mycene, bekend om de breedheid van haar straten. Plunder die, als zij een doorn in uw oog mochten worden, en ik zal er geen woord aan verspillen, noch pleiten of smeken. Zelfs als ik tegen uw plannen ben of mij met uw raadsbesluiten bemoei, zal mij dit niets geven, want daartoe zij gij al te sterk en te machtig. En toch moest ik in wat ik onderneem niet worden gedwarsboomd, evenmin als dit met uw ondernemingen het geval is. Ook ik ben immers goddelijk en van gelijke afstamming als u. Van alle kinderen van de in listen geslepen Cronos ben ik de eerste wel, naar geboorte en rang en ook als uw vrouw. Uw echtgenote ben ik en gij koning aller goden. Laten wij ons dus schikken naar elkanders wens, en de rest der onsterfelijke goden zullen het eens zijn met ons. Thans vraag ik u enkel om Athena af te vaardigen naar het slagveld en de Trojanen te bewegen, hun verbond te verbreken door de trotse Grieken te krenken.’
IV; 6
De vader der goden draalde niet en verklaarde aan Athena zijn wens. ‘Vlug naar het strijdperk der Grieken en Trojanen,’ zo zei hij. ‘Bezoek beide legers en leg het er op aan, dat de Trojanen hun verbondseed breken, krenkend de Grieken en hun trots.’

Athena verbreekt het bestand

IV; 7
Athena had wel nauwelijks die aansporing nodig, want reeds snelde zij omlaag van de toppen van de Olympus, als een staartster, die Cronus’ zoon, Zeus, zendt als een waarschuwing voor zeevaarders of een machtig landleger, trekkend een vurig spoor en vonken sproeiend. Zó flitste Athena naar de aarde en sprong in het midden der krijgers, zodat Trojanen en Grieken ontstelden op het zien. Ieder keek de ander aan, verbaasd en vragende: ‘Betekent dit andermaal de oorlog met al zijn verschrikking? Of maakt Zeus, onze scheidsrechter in de strijd, vrede tussen ons?’
IV; 8
Terwijl de Grieken en Trojanen elkaar vroegen, wat er zou gaan gebeuren vermomde Athena zich als een man en glipte door de Trojaanse gelederen in de gedaante van een kloeke speerwerper, als Antenor’s zoon Laodocus. Ze trachtte de fiere Pandarus, Lycaon’s zoon te vinden, waar die zich ook ophield. En ze zocht niet tevergeefs. Vorst Pandarus stond bij de indrukwekkende schaar schilddragers, waarover hij het bevel voerde sinds hij hen hierheen bracht van de oevers van de Aesepus. Zij ging nu naar hem toe en ontvouwde hem haar plan. ‘Pandarus, mijn heer,’ zo sprak zij, ‘neem een raad van mij aan. Als ge Menelaus wilt treffen met één van uw snelle pijlen, zult ge uzelf met roem overladen en iedere Trojaan tot uw schuldenaar maken met als eerste prins Paris. Hij zal u belonen met schone geschenken, als hij Atreus’ zoon, Menelaus, door een pijl gedood, op de brandstapel zag liggen, door de doodsvlammen beschenen. Welaan dan, schiet neer de roemzuchtige Menelaus; bid tot de god van de boogschutters, Apollo, de beschermer uwer stad; en beloof hem een offer van jonge lammeren, als ge terug zult zijn in uw heilig Zelia.’
IV; 9
De woorden van Athena overreedden de dwaas, en terstond greep hij zijn gladgeschuurde boog – van de horens van een steenbok was die gemaakt; hijzelf had het dier neergelegd op de jacht; lang lag hij in hinderlaag en toen het zich vertoonde vanuit een spleet in de rotsen, trof hij het in de borst; het gewei; zestien handpalmen breed, was door een bekwame handwerker gevoegd tot een boog, gepolijst en van gouden knoppen voorzien. – Pandarus spande die boog, die hij liet steunen op de grond en toen neerlegde, terwijl zijn trouwe manschappen hem dekten met hun schilden tegen de aanvallen der strijdbare Grieken, totdat hij Menelaus met zijn pijl zou hebben geraakt. Daarop nam hij het deksel van zijn koker, nam er een gevederde, maar nooit eerder gebruikte pijl uit – een snelle bode van de donkere dood – en legde die op zijn boog. Hij bad tot Apollo, de boogschutterschot en beschermer van zijn eigen stad, en beloofde hem een offer van een keur van eerstgeboren lammeren, mocht hij ooit keren naar zijn stad Zelia. En nu nam hij het ingekeepte eind van de pijl en trok het, waar het rustte op de van runderdarmen gevlochten pees, zover naar achteren, tot de met metaal beslagen pijlspits op de boog lag en de koorde met het pijleind tegen zijn borst. Rond gebogen het wapen, liet hij de pees los, die zong zoals een snaar zingt, en de scherpe pijl sprong weg als in driftig verlangen ijlings naar de gelederen van de vijand te vliegen.

Menelaus gewond

IV; 10
Maar neen, Menelaus, de eeuwige goden vergaten u niet, als eerste Athena, Zeus’ strijdbare dochter, die vooraan stond en de pijl weerde van zijn doel, zoals een moeder een vlieg verjaagt van haar vredig slapend kind. Met haar eigen hand leidde ze de pijl, waar de gouden gesp zijn gordel sloot en het harnas dicht hield. Door de stevige gordelriem drong de pijl heen, door het fraai bewerkte pantser en het koperdraad bestikte voorschoot, dat Menelaus droeg als laatste beschutting tegen werpspies en pijl. Ook daar ging de pijlspits doorheen en boorde een ondiepe wonde in het vlees van de dappere. En onmiddellijk stroomde tevoorschijn het donkere bloed. Als het purper was het, waarmee een Carische of Maeonische vrouw het ivoren hoofdstel van een paard verft, een sierstuk dat iedere ruiter begeert voor zijn rijdier, doch dat bewaard blijft in de schatkamer, totdat de dag een koning het koopt om zijn strijdros te sieren, van paard en ruiter de trots. Zó, Menelaus, verfde bloed uw goedgevormde dijen en benen rood, uitvloeiende tot over uw welgeschapen enkels.
IV; 11
Vorst Agamemnon huiverde, toen hij het donkere bloed uit de wonde zag stromen. Ja, zelfs de in de strijd ervaren Menelaus was ontsteld. Toen hij echter zag, dat de omwikkeling en de weerhaken van de pijlspits niet ingedrongen waren, kreeg hij zijn zelfbeheersing terug. Doch vorst Agamemnon steunde van kommer en greep hem bij de hand, terwijl al zijn mannen insgelijks van hun ontsteltenis blijk gaven. ‘Mijn geliefde broeder!’ Riep Agamemnon uit. ‘Was het uw dood dus, waartoe ik zwoer, toen ik dat verbond sloot en u erop uit zond om alleen voor ons tegen de Trojanen te strijden, die u thans beschoten en hun plechtig verbond met de voeten traden? Maar een verbond, door ons eigenhandig bezegeld en gewijd en geheiligd door het plengen van wijn en het bloed van lammeren, is niet zo licht teniet gedaan. De vader van de Olympus mag de straf dan al uitstellen, maar uiteindelijk neemt hij zijn wraak en dan boeten de overtreders zwaar; zij boeten met hun leven en met dat van hun vrouwen en kinderen. De dag zal komen – ik weet het, diep in mijn hart –, dat het heilige Ilium vernietigd wordt, met Priamus en zijn speerwerpers. Cronus’ zoon, Zeus, zal over hen zijn donkere Aegis zwaaien in zijn toorn over hun godslasterlijke meineed. Dit alle zal onherroepelijk geschieden. Maar toch, zoudt gij sterven, Menelaus, hoe bitter zou ik u dan beschreien! En hoe schandelijk en vol schaamte zal mijn terugkeer zijn naar het regendervende Argos! De Grieken immers zouden dan met smart naar de terugkeer verlangen, en wij zouden gedwongen zijn om de Griekse Helena hier te laten tot grote vreugde en leedvermaak van Priamus en zijn mannen, terwijl de aarde uw beenderen zou verteren, waar ge ligt in Trojaanse grond zonder uw doel bereikt te hebben. Reeds hoor ik zo’n Trojaanse snoever zeggen, al stampende met de voet op de grafheuvel van de grote Menelaus: ‘Moge iedere twist, door Agamemnon met ons gezocht, zo eindigen: een doelloze uitvaart, een terugreis met lege schepen, en Menelaus, de beste van allen, hier dood in zijn graf?’ Zo zullen zij spreken – en ik zal bidden, dat de aarde mij mag verzwelgen!’
IV; 12
Doch de roodharige Menelaus vermocht hem te troosten. ‘Moed!’ zei hij. ‘Zeg toch niets, waardoor de mannen versagen. De pijl heeft het leven niet geraakt. Maar het metaal van zijn gordelriem, van pantser en kolder stuitte zijn noodlottige vaart.’
IV; 13
‘O, dat gij gelijk mocht hebben, mijn Menelaus! Riep vorst Agamemnon uit. ‘Doch laat een heelmeester de wond onderzoeken en behandelen met pijnstillende balsems!’
IV; 14
Daarop wendde hij zich tot Talthybius, zijn edele schilknaap. ‘Talthybius,’ zei hij, ‘ga zo vlug, als ge lopen kunt, Machaon zoeken – ge kent hem – en vraag aan die zoon van de grote Asclepius om mijn heer Menelaus te onderzoeken, getroffen door een pijl van een Trojaan, wiens behendigheid hem roem, maar ons smart bracht.’
IV; 15
Aan zijn opdracht gehoorzaam ging Agamemnon’s schildknaap op weg en spoedde zich door de gelederen der Grieken om de heer Machaon te zoeken. Hij vond hem temidden van zijn mannen, krachtige schilddragers, die hij vanuit Tricce, om zijn paarden vermaard, hierheen had gevoerd. De schildknaap liep op hem toe en zei, wat men hem opdroeg: ‘Vlug, mijn heer Machaon! Vorst Agamemnon laat u roepen bij onze grote aanvoerder, Menelaus. De een of andere boogschutter uit Troje of Lycië, die goed weet te mikken, trof hem met een pijl tot zijn roem en ons nadeel.’
IV; 16
Getroffen door het nieuws van de bode ging Machaon dadelijk mee en zij baanden zich een weg door de gesloten gelederen van het grote leger der Grieken. Toen zij de plaats bereikten. Waar de roodharige Menelaus gewond lag, omringd door alle andere leiders, schreed de bewonderens-waardige Machaon in het midden van de ring, ging naar de gewonde en trok met één ruk de pijl uit de gordelriem, hoewel de puntige weerhaken afbraken, toen de pijlspits naar buiten kwam. Toen hij de plaats vond, waar de scherpe punt in het vlees gedrongen was, zoog hij het bloed uit de wonde en smeerder er behendig een pijnstillende balsem op uit de voorraad, waarvan de welgezinde Chiron eens zijn vader voorzien had.

Agamemnon spoort zijn troepen aan

IV; 17
Terwijl ze aldus met Menelaus bezig waren, trokken de Trojaanse gelederen op om tot de aanval over te gaan. Dus grepen de Grieken opnieuw naar de wapens en richtten hun gedachten op de strijd.
IV; 18
Thans toonde Agamemnon, wat hij waard was. Geen loomheid, geen bange vrees, geen aarzeling om tot de strijd over te gaan, doch slechts driftige vechtlust en een vurig verlangen naar overwinning en roem. Hij besloot om er niet met zijn paarden en zijn van fraai inlegwerk voorziene gevechtswagens op uit te gaan. Dus werden de paarden, snuivend en trappelend, weggeleid door zijn schildknaap. Maar Agamemnon was bedachtzaam, zodat hij de man – Ptolemy’ zoon, Eurymedon, een kleinzoon van Peiraeus – op het hart drukte om het tweespan in zijn nabijheid gereed te houden, mocht hij moe worden op zijn lange tocht langs de gelederen. Daarop deed hij te voet de ronde langs zijn legers.
IV; 19
Een groep van zijn Grieken ziende, die van paarden hielden en nu druk in de weer waren om zich voor te bereiden op de strijd, bleef hij staan en moedigde hen aan. ‘Grieken,’ zei hij. ‘dat is de ware strijdlust, die u bezielt; en blijf die koesteren! Meinedigen zullen van Zeus Vader op geen hulp kunnen rekenen. De mannen, die terugkwamen op hun woord en het verbond braken, zullen hun zachte vlees moeten offeren aan de verslindende gieren, terwijl wij hun kinderen en de vrouwen, die zij liefhebben, wegvoeren op onze schepen, als wij de stad zullen hebben geplunderd.’
IV; 20
Doch trof hij er, die terugdeinsden voor het verschrikkelijke handwerk van de krijg, dan konden zij rekenen op een scherp verwijt en woedende woorden. ‘Schutters van naam, maar in waarheid oude wijven,’ riep hij uit, ‘bazig alleen met de boog! Schuilt er geen schaamte in jullie, o Grieken?! Waarom staan jullie daar, verbijsterd als hinden, die rennen over de vlakten om dan vermoeid stil te houden bij gebrek aan moed en kordaatheid? Zo zien jullie eruit, als in een nachtmerrie gevangen in plaats van de wapens te grijpen. Wachten jullie soms, tot die van Troje onze goede schepen op het grijze strand bedreigen, en hopen jullie, dat dan Zeus zijn hand uit zal strekken om jullie te beschermen?!’
IV; 21
Aldus deed Agamemnon de ronde door het leger en sterkte de zedelijke kracht zijner troepen. En zo kwam hij ook bij die van Kreta, die zich onder de bekwame Idomeneus tot de strijd gereed maakten. Vooraan Idomeneus zelf, dapper en sterk als een everzwijn. Meriones leidde de achterhoede. Toen Agamemnon de mannen zag, was hij verheugd en spaarde zij lof niet. ‘Idomeneus,’zo zei hij, ‘van al mijn Grieken, op paarden verzot, is er geen, op wie ik meer staat maak dan op u, op het slagveld niet enkel, maar ook daarbuiten. Ook bij het feestmaal toon ik dit, als fonkelende wijn in het mengvat gemengd wordt voor de beste onzer mannen. Vol is uw beker als die van de anderen leeg staat, opdat ge naar hartelust drinken kunt, zoals ikzelf. Trek nu ten strijde als de man, voor wie ik u aanzie.’ Idomeneus, de leider der Kretenzen gaf ten antwoord: ‘Zoon van Atreus, op mij kunt gij vertrouwen en op de plechtige verzekering, welke ik u gaf, toen deze oorlog begon. Roep de rest van de Grieken op tot de strijd, zodat wij onmiddellijk kunnen beginnen, nu dat die van Troje hun woord hebben gebroken. Niets hebben zij te wachten dan rampen en dood, omdat zij schonden hen eed en hun verbond.
IV; 22
Zeer in zijn schik met dit antwoord ging Vorst Agamemnon verder en baan de zich een weg door de menigte tot bij de beide heren Ajax. Die twee wapenden zich en achter hen pakten zich de dichte gelederen voetvolk samen als de wolk die de geitenhoeder ziet vanuit zijn uitkijkpost, een wolk die opdoemt vanuit zee, van storm en onweer zwanger. Over de zee steekt hij op, door een wervelwind gevolgd, donker driegend in de verte, zwart als pek. De herder der geiten huivert en drijft vol angst zijn kudde een grot in. Zo maakten die dapperen zich gereed voor de strijd onder leiding van Ajax en Ajax, in gesloten gelederen, donker als een wolk, speren en schilden dreigend opgestoken. Vorst Agamemnon verheugde zich, toen hij hen zag, en bewees hen veel eer als leiders van zijn met brons gepantserde Grieken. ‘Voor u,’ zo zei hij, ‘heb ik geen bevelen, en geen aansporingen al helemaal niet. De wijze, waarop gij uw mannen aanvoert, is aanmoediging genoeg, opdat zij al vechtende tot het uiterste gaan. Bij Zeus Vader, bij Athena en bij Apollo, dit is de geest, die ik wel wenste, dat allen bezielen mocht! Koning Priamus’ stad zou, door ons Grieken genomen en geplunderd, spoedig met de grond gelijk gemaakt zijn!’
IV; 23
Na die woorden ging hij verder en kwam bij Nestor, de redenaar van Pylos met zijn heldere stem, die hij bezig vond met zijn mannen op te stellen onder hun leiders, hen aanmoedigend tot de strijd. Hun aanvoerders waren de stoere Pelagon, Alastor, Chromion, vorst Haemon en de grote veldheer Bias. Nestor stelde zijn wagenmenners met hun paarden en wagens in het voorste gelid, en daarachter aan een dichte groep goed geoefend voetvolk om als achterhoede te dienen. Daartussenin plaatste hij zijn minder betrouwbare manschappen, zodat zelfs wankelmoedigen genoopt zouden zijn om te vechten. Hij sprak zijn wagenmenners toe en bond hun op het hart om hun paarden in te houden en niet in het strijdgewoel verward te raken. ‘Meent nu niet,’ zo zei hij, ‘dat een vertoon van dapperheid en behendigheid een wagenmenner het recht geeft om de gelederen te verbreken en er op eigen gelegenheid vandoor te gaan om de Trojanen te bevechten. Doch laat ook niemand achterblijven en de kracht van het geheel verbreken. Als iemand in zijn eigen wagen binnen het bereik van een strijdwagen van de vijand komt, is het zijn tijd om een speerworp te wagen. Dit is de juiste wijze om te strijden; zo zijn de tucht en de geest, die onze voorvaderen steden deed bestormen en nemen.
IV; 24
Aldus gebruikte de oude man de ervaring, welke hij had opgedaan in vele en lang verleden veldslagen, om zijn troepen tot de strijd te bezielen. Vorst Agamemnon voelde zich warm worden vanbinnen, toen hij hem zo bezig zag, en met luider stem sprak hij hem toe. ‘Eerbiedwaardige grijsaard,’ zo zei hij, ‘hoe verheugd zou ik zijn, was uw lichaamskracht gelijk de kracht van uw geest, doch de grijze ouderdom, waaraan niemand ontkomt, weegt zwaar op u. Mocht ge toch die last op een ander afwentelen en u scharen in de gelederen der jeugd!’
IV; 25
Doch de Gerenische ruiter Nestor antwoordde hem. ‘Atreus’ zoon,’ zo zei hij, ‘ook ik zou graag de man zijn, die ik was, toen ik de grote Ereuthalion doodde, maar de onsterfelijken schenken ons niet tegelijk al hun gunsten. Toen was ik een jongeling; thans drukt de ouderdom mij terneer. Niettemin zal ik bij mijn wagenmenners zijn en hen aanvoeren. Van mij ontvangen zij hun bevelen en hun plannen voor de strijd – dat is het voorrecht van een oudere –, zelfs als het hanteren van werpspies en speer aan jongeren dan ik moet worden overgelaten. Aan hen is de kracht, die hen tot dit werk bekwaam maakt.’
IV; 26
Tevreden met wat hij zag van Nestor en zijn mannen vervolgde Agamemnon zijn rondgang. De volgende die hij opzocht, was de zoon van Peteos, de temmer van paarden Menestheus. Hij en zijn uit Athene aangevoerde troepen stonden werkeloos daar, en dicht bij hen de schrandere Odysseus met zijn Cephallenen, die ook niets om handen schenen te hebben. De oproep ten strijde had hen nog niet bereikt, want de Trojaanse en Griekse fronten waren pas toen in beweging gekomen. Zij stonden dus en wachtten, totdat andere troepen op zouden rukken om de strijd met die van Troje te beginnen. Dit ziende viel vorst Agamemnon in scherp verwijt tegen hen uit. ‘Gij daar, heer,’ zo zei hij, ‘zoon van Peteos, die heerser, door Zeus zelf gezegend, en gij Odysseus, meester in het maken van plannen tot uw eigen voordeel, waarom houdt gij beiden zo achteraf en laat de anderen de spits afbijten? ’t Is aan u om vooraan te gaan en de eerste stoot op te vangen. Geef ik een feestmaal voor mijn opper-bevelhebbers, dan kunt ge u wel haasten om de eersten te zijn! Dan zijt ge gretig genoeg om uw deel te nemen van het gebraden vlees en de wijn! Thans echter schijnt ge tevreden met toe te kijken, terwijl tien Griekse legerkorpsen toesnellen op de vijand , en steekt geen hand uit!’
IV; 27
Toornig keek de schrandere Odysseus hem aan. “Atreus’ zoon,’ zei hij, ‘hoe kunt ge zo’n woord in de mond nemen? Durft gij beweren, dat wij in het strijdgewoel ooit achteraan bleven? Zodra wij Grieken slaags raken met de voorste gelederen van die paardentemmers uit Troje, zult ge, als u dit lust, Telemachus’ vader met de voorhoede zien strijden. Maar voor het zover is, zijn uw woorden geraaskal!’
IV; 28
Vorst Agamemnon, Odysseus’ ergernis ziende, glimlachte en zei verontschuldigend: Laërtes’ koninklijke zoon, o schrandere Odysseus, een scherpe berisping, blaam noch vermaan moet ge in mijn woorden zoeken; ik zal u zelfs niet meer aansporen. Ik weet immers wel, dat u mij in uw hart goedgezind bent. We zijn het eens met elkaar. Spreken wij er thans niet meer over. Mocht ik zo even teveel gezegd hebben, dan maken we dat later wel goed. Dat de goden mijn woorden uitwissen zodat die op de winden verwaaien.’
IV; 29
En daarop vervolgde hij zijn ronde, totdat hij kwam bij de grootmoedige Diomedes, de zoon van Tydeus, die in zijn stevig getimmerde strijdwagen stond, waar de paarden reeds waren voorgespannen. Capaneus’ zoon Sthenelus, stond in zijn nabijheid. Vorst Agamemnon keek naar Diomedes en riep hem tot de orde.
IV; 30
‘Wat moet dat betekenen?’ vroeg hij, ‘De zoon van Tydeus, mijdende de strijd, afwachtend hoe het afloopt? Tydeus wachtte nooit af, maar waagde zich als eerste naar voren, al zijn vrienden vooruit, van strijdlust blakend. Dat zegt iedereen, die hem zag. Ikzelf heb hem niet gekend, nooit gezien ook, maar hoewel hij eens naar Mycene kwam, niet als vijand, maar met vriendschappelijke bedoelingen; met Vorst Polynices was hij op zoek naar versterkingen; toen immers was het, dat zij een veldtocht beraamden tegen Thebe, waarvan zij de heilige muren belegerden. Met aandrang smeekten zij de onzen om bijstand en steun, en wij beloofden al wat zij ons vroegen. Zeus echter deed ons veranderen van gedachten door ons ongunstige voortekenen te tonen; en zij verlieten Mycene. Toen zij een eindweegs gegaan waren en de diepgelegen weiden en met riet begroeide oevers van de Asopus hadden bereikt, zonden de Griekse bevelhebbers Tydeus vooruit om te onderhandelen. Naar Thebe ging hij en vond daar in het paleis van vorst Eteocles vele Thebanen bijeen. Welnu, zelfs de dappere Tydeus moest zich temidden van zoveel vreemden geen welkome bezoeker hebben gevoeld. In plaats van te versagen echter daagde hij hen uit tot menig vriendschappelijke wedkamp en won die alle, dank zij Athena’s edelmoedige hulp. Dit ergerde de ridderlijke ruiters van Thebe; en toen Tydeus weer heen ging, legden zij zich in een hinderlaag langs de weg, die hij gaan moest; veertig man onder twee bevelhebbers, Haemon’s zoon, Maeon, een man van aanzien en hoge geboorte, en een kordate kerel, gehard in de strijd, genaamd Polyphontes van Autophonex de zoon. Doch Tydeus nam het tegen hen op, bereidde hun een verschrikkelijk doodslot op één na, die hij terug zond naar huis. Door de goden gewaarschuwd liet hij Maeon vrij. Zo, heer, was de Aetolische Tydeus. Gij zijt zijn zoon, doch ge zijt geen strijder als hij, maar met woorden misschien wel zijn meerdere.’
IV; 31
De getrouwe Diomedes beantwoordde die uitval niet, maar aanvaardde het verwijt van de vorst, die hij zo hoog vereerde. De zoon van de doorluchte Capaneus kon zich echter niet inhouden. ‘Mij heer,’ zo zei hij, ‘ge kent de feiten, waarom ze dan verdraaid? Ik bezweer en houd vol, dat we tot veel meer in staat zijn dan onze vaderen. Wij inderdaad slaagden erin om het door zeven poorten gesloten Thebe te nemen. Met een zwakkere legermacht bestormden wij versterkingen, beter gevestigd dan waar ook ter wereld, want wij stelden ons vertrouwen in Zeus en in de voortekenen, welke de god ons getoond had, terwijl zij hun ondergang tegemoet gingen door hun eigenwaan. Noem dus onze voorvaderen nooit in één adem met ons!’
IV; 32
Diomedes echter wierp hem een bitterzoete blik toe. ‘Zwijg stil, kerel,’ en spreek niet voor je beurt. Geenszins neem ik het Vorst Agamemnon kwalijk, die onze opperbevelhebber is, dat hij zijn goed uitgeruste troepen aanspoort tot de strijd. Verslaan de Grieken de Trojanen en nemen ze het heilige Ilium in, dan is de eer aan hem, maar worden ze verslagen, dan treft hem de smaad. Kom aan, het is onze tijd om ons klaar te maken voor de strijd, die op handen is.’
IV; 33
En hij sprong van zijn gevechtswagen met wapen en al. Het bronzen wapentuig rinkelde dreigend, zodat die kloeke held zelfs de stoutmoedigsten nog schrik aangejaagd zou hebben.

De strijd barst los

IV; 34
Thans stormden de Grieken in gesloten gelederen voorwaarts, meedogenloos, onweerhoudbaar, gelijk aan de grote golven, die beuken een weergalmend strand, de één heenslaand over de ander, gedreven door de wind uit het westen – ver de zee in heffen zich hun schuimwitte koppen en komen dan nader en slaan stuk op de kuste met een donderend gerucht of zetten zich schrap met gekromde ruggen om een klip te bestormen, zodat het schuim ervan vliegt –. Elk van de leiders riep zijn afdeling bevelen toe, maar zwijgend trokken de mannen voort, zonder een woord aan hun leiders gehoorzaam, als een leger van stommen. De zon speelde in het metaal van hun bont versierde uitrusting.
IV; 35
Maar dan de Trojanen! Als de schapen waren ze, die op het erf van een rijke hoevenaar staan met duizenden bij elkaar en wachten om hun witte melk te geven, onophoudelijk blatend, want zij horen hun lammeren. Zo ook steeg uit de gelederen van de Trojanen allerwegen het geluid van stemmen op. Van alle kanten steeg het rumoer op uit de machtige legerschaar in verschillende talen, want ze hadden geen gemeenschappelijke taal en hun strijdkreten verschilden.
IV; 36
Oorlogsgod Ares vuurde die van Troje aan. Athena met haar bliksemende ogen ging de Grieken voor. Niet ver waren ook de goden van schrik en ontzetting, en met hen de demon der tweedracht, de zuster van de grote oorlogsgod, die hem helpt met zijn werk. De twist, eenmaal begonnen, is onweerhoudbaar en groeit, klein eerst, steeds groter, tot haar hoofd in de hemelen reikt, hoewel haar voeten nog de aarde betreden. Thans stormt zij voort met de Trojanen en Grieken en vervulde hen met wederkerige haat, begerig het doodsgereutel van de stervenden te horen.
IV; 37
Ten leste was er de schok van de elkaar ontmoetende legers, van speren op schilden, van schilden tegen lansen, van schild tegen schild, van het verwoed handgemeen der gepantserde mannen. Een donderend gerucht steeg op. Het krijsen der stervenden vermengde zich met het triomfgeschreeuw van wie hen doodden; en de aarde werd met bloed overstroomd. Des winters ontmoeten elkaar zo twee bergstromen, uit hooggelegen bronnen ontspringend, in éénzelfde diep uitgesleten dal, en ver weg op de heuvels hoort een herder hun diep donderend gedreun. Zo was het geroep en het rumoeren van de elkaar ontmoetende legers.
IV; 38
Antilochus was de eerste die een tegenstander doodde. Echepolus, de zoon van Thalysius, die in de voorste gelederen van de Trojanen in volle wapenrusting streed. De Griek wierp het eerst zijn speer en trof zijn tegenstander daar waar diens helm met een wuivende paardenstaart gesierd was. De punt van zijn speer drong door de helm in zijn voorhoofd, door het been heen. Duister duizelde het hem voor de ogen en temidden van het strijdgewoel viel hij zoals een toren valt. Nauwelijks gevallen greep de edele Elephenor, Chalcodon’s zoon, hem bij de voeten, want de aanvoerder der woeste Abanten wilde hem slepen tot buiten bereik van de vechtenden en hem daar van zijn rusting beroven. Hij bracht het echter niet ver, want de kloeke Agenor zag hem bezig met het lijk, en zijn met brons beslagen speerpunt trof hem in de zij, onbeschermd door het schild, toen Elephenor zich over zijn buit boog. Dood zonk deze ineen, en om zijn levenloos lichaam ontbrandde een felle strijd tussen Trojanen en Grieken. Als wolven sprongen ze op elkaar toe en grepen elkaar aan in een verwoed handgemeen.
IV; 39
Toen was het, dat Ajax, de zoon van Telamon, Simoisius, Anthemion’s zoon, neersloeg. De kloeke jongeling ontleende zijn naam aan de rivier Simois, aan de oever waarvan hij geboren werd, toen zijn moeder van de Ida terug keerde, waarheen haar vader en moeder haar mee hadden genomen om de daar grazende schapen te zien. Te kort was zijn leven om zijn ouders de liefelijke zorg te vergoeden, waarmee zij hem hadden omringd, want het liep ten einde, toen de grote speer van Ajax hem trof. Nauwelijks was hij toegesprongen, of de punt drong hem in de linkerborst tot diep in zijn schouder. En hij viel neer in het stof, geveld als een ranke peppel (populier) met lommerrijke kruin, die opschoot in het welig weiland bij de stroom en door een wagenmaker geveld wordt met zijn glanzende bijl. – Later maakt de ambachtsman van het buigzame hout velgen voor de wielen van een fraaie wagen; doch vooreerst nog ligt de slanke peppel langs de stroom om te drogen –. Zo lag daar Simoisius, de aan de rivieroever geborene, de zoon van Anthemion, thans door Ajax gedood.
IV; 40
Nu echter wierp Antiphus, één van Priamus’ zonen, schitterend als de zon in zijn koperen borstharnas, vanuit het gewoel der strijders een scherpgepunte werpspies naar Ajax (1) zelf. Hij miste zijn doel, maar trof Leucus, één van de vrienden van Odysseus, in de liesstreek, toen deze de gevelde Simoisius weg wilde slepen. Het lijk ontglipte aan Leucus’ handen, en hij zelf stortte er levenloos op neer. Hoe vertoornd was Odysseus, toen hij zijn vriend daar dood zag! In zijn fonkelend bronzen wapenrusting baande hij zich een weg door de voorste gelederen, waar hij zich in postuur zette en spiedend rondkeek tot schrik van de Trojanen, waarna hij zijn speer wierp. Zijn vijanden deinsden angstig terug. Maar niet vergeefs wierp Odysseus zijn speer. Democoön trof hij, een bastaardzoon van Priamus, die zijn stoeterij in Abydos verliet om zich bij de Trojanen te voegen. Hij wilde zijn vader helpen in de strijd, doch vond thans de dood, hem toegebracht door Odysseus’ speer, die hem trof in de slaap, door en door. Zo had Odysseus zijn vriend gewroken. Maar de nacht draalde neer voor de ogen van zijn slachtoffer; luid rinkelend raakte zijn harnas de grond. De doorluchtige Hector en alle Trojanen die in de voorste gelederen streden, weken achteruit, terwijl de Grieken een triomfgeschreeuw aanhieven, de lijken wegsleepten en nog verder opdrongen.
IV; 41
Dit vervulde Apollo, die van Pergamos op de strijd neerkeek, met verontwaardiging. En luid riep hij de Trojanen toe: ‘Vooruit, Trojanen in jullie strijdwagens! Geef de Grieken geen ogenblik de overhand! Ze zijn niet van steen of van ijzer gemaakt! Niet weerloos zijn ze voor zwaard en speer! En bovendien strijdt de zoon van Thetis, wier weelderig haar zo mooi krult, Achilles de held, niet meer met de anderen, maar mokt bij zijn schepen.’ Zo spoorde de geduchte god hen aan vanaf de burcht, terwijl de Grieken werden aangevuurd.
IV; 42
En nu werd Amarynceus’ zoon Diores door het noodlot getroffen. Hij werd door een scherpe steen aan het rechter been boven de enkel geraakt. Hij, die de steen wierp, was de Trachische veldheer Peiros, de zoon van Imbrasos, die van Aenus kwam. De twee spieren en het been braken, en Diores viel op zijn rug in het stof. Hij strekte de handen uit naar zijn vrienden en snakte naar adem. Doch Peiros, die hem geraakt had, liep op hem toe en dreef hem de lans door de navel, zodat de ingewanden naar buiten kwamen. Het werd hem zwart voor zijn ogen.
IV; 43
Terwijl Peiros opzij sprong, viel de Aetoliër Thoas aan en stak hem de lans tot diep in de linkerborst, waar de long werd geraakt. Thoas trok het zware wapen uit de wond en stak hem zijn zwaard in de buik. Hij nam Peiros’ leven, maar zijn wapenrusting niet, want manschappen van Peiros – Thraciërs die het haar in een wrong op het hoofd droegen – omringden de aanvaller, hun lange speren gereed in de hand. En hoe flink, stoer en kordaat Thoas ook was, hij moest het veld ruimen.
IV; 44
Zo lagen die twee, Peiros en Diores, naast elkaar uitgestrekt in het stof, beiden aanvoerders, van de Thraciërs de één, de ander van de Epeeërs met hun bronzen kolders. Doch zij waren de enige doden niet. Dit was geen schermutseling om de tijd te verdrijven. Zou iemand, die nog niet aan de strijd had deelgenomen, beschermd door Athena tegen de hagel van speren, ongedeerd door de gelederen hebben kunnen gaan, aan de hand geleid door de godin, dan zou hij die strijd geen kinderspel hebben gevonden. Die dag immers beten vele Trojanen en Grieken in het stof, uitgestrekt op de grond, vriend naast vijand.

5. Heldendaden van Diomedes

Athena spoort Diomedes aan en kalmeert Ares

V; 1
Pallas Athena bezielde thans Tydeus’ zoon Diomedes met stoutmoedigheid en vastberadenheid, opdat hij al zijn makkers in de strijd overtreffen mocht in roem. Zij deed zijn schild en zijn helm gloeien als van een geweldig vuur, met een gestadige gloed als de herfstelijke hondster, wanneer die oprijst na een bad in de Oceaan om alle andere sterren te doen verbleken in zijn licht. Zo was de gloed, die zij deed afstralen van zijn hoofd en schouders, toen zij hem de strijd in dreef, waar die het hevigst was.
V; 2
Er was een Trojaan, Dares van naam, een rijk burger van goede faam en priester van Hephaistus. Hij had twee zonen, Phegeus en Idaeus, beiden geoefend in alle vormen van gevecht en strijd. Die beiden maakten zich vrij van de anderen en trokken op tegen Diomedes in hun gevechtswagen, terwijl hij hun te voet tegemoet ging. Binnen gevechtsbereik gekomen begon Phegeus de strijd met zijn lans, die een lange schaduw wierp op de grond. Maar de punt ervan vloog over Diomedes’ linkerschouder en raakte hem niet. Thans was het de beurt aan Diomedes om zijn lans te werpen en niet tevergeefs verliet zijn wapen zijn hand. Het trof Phegeus midden in de borst en deed hem uit het welgemaakte voertuig tuimelen, dat toen ook Idaeus verliet met een sprong achteruit, want hij waagde het niet om te strijden om het lijk van zijn broeder. En ook hem zou het zwarte doodslot getroffen hebben, als Hephaistus hem niet had geholpen, die hem hulde in diepdonkere nacht om zijn priester een al te groot leed te besparen. De voortreffelijke Diomedes leidde de paarden weg en droeg zijn mannen op, dat zij ze terug zouden voeren naar de diepgaande schepen.
V; 3
Toen de Trojanen zagen, wat er gebeurd was met Dares’ zonen – de één gedood naast zijn wagen en de ander op de vlucht gejaagd –, waren ze ondanks al hun moed uit het veld geslagen. Bovendien was het toen, dat Athena met fonkelende ogen tussenbeide kwam en een kalmerende hand op de arm van de vurige oorlogsgod legde, terwijl zij riep: “Ares, is het, o moordzieke slachter van mensen en plunderaar van steden, voor ons thans de tijd niet om het de Trojanen en de Grieken zelf uit te laten vechten en te zien aan wie Zeus Vader de overwinning wil gunnen? Laten wij beiden het slagveld verlaten, voordat wij de vader der goden vertoornen.’ Na die woorden leidde Athena de onstuimige oorlogsgod weg uit de strijd en noodde hem tot zitten op de heuvelachtige over van de Scamander.

De Trojanen teruggeworpen

V; 4
Zo was het, dat de Grieken de Trojaanse gelederen terugwierpen en iedere aanvoerder zijn deel nam in het doden. Vorst Agamemnon doodde als eerste de grote Odius, hoofd der Alizonen. Odius was de eerste geweest, die er, vandoor ging. En toen hij zijn strijdwagen keerde, dreef Agamemnon hem zijn speer in de rug , zodat hij uit de wagen tuimelde en met rinkelend harnas ter aarde stortte. Daarop doodde Idomeneus Phaestus, zoon van Borus(1), de Maeoniër, zelf uit de vruchtbare Tarne afkomstig. Toen Phaestus in zijn wagen klom, trof de bedreven speervechter zijn rechterschouder met een lange werpspies. Phaestus viel met een slag uit zijn wagen en de nare nacht verduisterde zijn ogen. De knechten van Vost Idomeneus maakten zich meester van zijn wapens.
V; 5
Daarop doodde Atreus’ zoon, Menelaus, met zijn scherp gepunte speer Strophius’ zoon, Scamandrios, een jager want Artemis zelf had hem geleerd hoe het wild in de bossen op de bergen te doden. Maar de jachtgodin hielp hem thans niet en ook de kunst niet, die zij hem leerde, om te schieten en te raken van verre. Immers, toen Scamandrios voor hem uitvluchtte, trof de voortreffelijke speervechter Menelaus, Atreus’ zoon, hem in de rug met zijn lans, welke met de punt tot in zijn borst doordrong. Hij viel met zijn gezicht in het stof, rinkelend in zijn rusting.
V; 6
Toen doodde Meriones Phereclos, zoon van Tecton, die op zijn beurt de zoon was van Harmon, een timmerman, die merkwaardige dingen te maken wist. Pallas Athena had geen groter gunsteling. Hij was het, die voor Paris die ranke schepen gebouwd had, waarmee al de ellende begon en die een vloek bleken voor heel het volk der Trojanen – en voor zichzelf ook, want hij verstond de toekomst voorspellende godsspraken niet. Meriones zette hem na, haalde hem in en trof hem in de rechterbil, en de speerpunt drong door de blaas onder het bot. Kreunend zakte hij door zijn knieën en de zwarte dood omhulde hem.
V; 7
Daarop doodde Meges Pedaeus, de zoon van Antenor maar een bastaard, hoewel door vrouwe Theano omwille van haar echtgenoot als een eigen kind grootgebracht. Meges, de geduchte lansvechter, haalde die man in en draaf hem zijn scherpe lans door de nek. De punt drong door zijn kaken naar buiten en sneed de tong bij de wortel af. Hij viel neer in het stof en beet met zijn tanden op het kille brons van de lanspunt.
V; 8
Intussen doodde Eurypylus, de zoon van Evaemon, de edele Hypsenor, van de fiere Dolopion de zoon, die als priester de stroomgod Scamander diende en hoog in ere stond bij het volk der Trojanen. Terwijl hij voor hem op de vlucht sloeg, zette Eurypylus, Evaemon’s fiere zoon, hem na en trof Hypsenor’s schouder met zijn zwaard. Diens sterke arm werd afgesneden en viel bloedend op de grond. Het duistere noodlot sloeg toe en de schaduw des doods verduisterde Hypsenor’s ogen.

Diomedes gewond

V; 9
Dit waren de daden der Grieken, die streden in de voorste gelederen. Doch wat Diomedes aangaat, zou men niet kunnen zeggen, waar hij streed, met Grieken of Trojanen. Hij stormde de vlakte over als een bergbeek in de winter, die in haar geweld alle dijken doet breken. Tegen haar plotselinge geweld is niets bestand, de dijken niet, die het woedende water moeten keren, noch de stenen muren om de wijngaarden heen, noch de stevige hekken en heiningen om de weelderig hoog staande korenvelden. De stroom, door zware regens gevoed, gaat zijn gang, en wijd en zijd zien de boeren de ruïne van hun deugdelijk werk. Aldus geraakte de slagorde der Trojanen in wanorde voor de zoon van Tydeus; ondanks hun getalsterkte waren ze niet in staat hem weerstand te bieden.
V; 10
Toen de edele Pandarus, de zoon van Lycaon, Diomedes zo over de vlakte zag rennen, hele legerafdelingen voor zich uit drijvend, liet hij geen tijd verloren gaan, maar spande zijn boog, mikte en trof hem in het voorwaarts stormen ter hoogte van zijn rechterschouder, waar die beschermd werd door een plaat van zijn borstharnas. Maar de scherpe pijlpunt ging glad door het metaal heen en bloed stroomde over de bronzen kolder. Pandarus hief een luid triomfgeschreeuw aan, want hij voelde zich overwinnaar van Tydeus’ edele zoon, Diomedes. ‘Trojanen,’ zo riep hij, ‘vooruit, stormt op de vijand los en laat uw paarden draven! Hun voortreffelijkste strijder is zwaar gewond. En niet lang nog zal hij het leven houden, als boogschuttergod Apollo mij niet vergeefs vanuit Lycië hierheen bracht!’
V; 11
Pandarus had goed praten, maar Diomedes was door zijn nijdig bijtende pijn niet verslagen. Hij keerde terug, doch het was geen vlucht. Bij zijn paarden en zijn strijdwagen gekomen bleef hij staan en riep Capaneus’ zoon Sthenelus toe: ‘Vlug mijn vriend, en trek die pijl uit mijn schouder!’
V; 12
Sthenelus sprong uit de wagen, liep naar hem toe en trok met één ruk de pijl uit de schouder van zijn vriend. Het bloed stroomde en drong door de dicht aaneen sluitende ringen van zijn maliënkolder. En Diomedes, de held, bad tot Athena en zei: ‘O luister naar mij, altijd waakzame dochter van Zeus, die de Aegis draagt, als gij ons ooit in het verleden goed waart gezind en mijn vader of mij in het heetst van de strijd bijstond, wees mij dan ook nu welgezind, Athena. Laat mij Pandarus doden. Breng me tot binnen een speerworp afstand van de man, die op mij schoot met zijn pijl, zonder dat ik hem eerst treffen kon, en die nu aan iedereen vertelt, dat ik zo goed als dood ben.’

Athena helpt Diomedes

V; 13
Het gebed van Diomedes bereikte Pallas Athena en zij bezielde hem met nieuwe moed. Ze kwam, schreed op hem toe en sprak; ‘Thans, Diomedes, kunt ge zonder vrees de Trojanen bevechten. Ik vervulde uw hart met de stoutmoedigheid van uw vader Tydeus, de grote, schilddragende wagenstrijder. Ook heb ik van uw ogen de mist weggenomen en u in staat gesteld om goden van mensen te onderscheiden. En ik zeg u thans, voor het geval dat er een god komt om u op de proef te stellen, dat ge niet tegen de onsterfelijken strijden moet, met slechts één uitzondering. Mengt zich Zeus’ dochter, Aphrodite, in de strijd, grijp dan uw scherp brons en breng haar een wond toe.’
V; 14
Daarop verdween Athena, godin met fonkelende ogen, en de zoon van Tydeus ging om andermaal zijn plaats in de voorste gelederen in te nemen. Zelfs zonder Athena had hij al besloten om andermaal de vijand aan te vallen. En nu was hij driemaal zo onversaagd als hij tevoren was, als een leeuw, die door een herder, belast met de zorg voor de wollige schapen, welke grazen op een afgelegen veld, gewond werd, maar niet gedood, toen hij over de omheining sprong. Die herder heeft die leeuw enkel tot nog grotere woede geprikkeld; en thans kan hij hem niet meer weren; maar schuilt weg in de stal, de schapen in hun doodsnood verlatend. Weerloos dringen ze opeen. En de leeuw, woedend, springt over de haag met zijn buit en wint zo de vrijheid. Met eenzelfde woede viel Diomedes nu op de Trojanen aan.
V; 15
Hij begon met Astynous te doden en een aanvoerder, genaamd Hypeiron. De één trof hij met de bronsbeslagen punt van zijn speer in de borst en de ander met zijn zwaard op het sleutelbeen bij de schouder. Het zwaard ging door schouder en rug heen. Hij liet hen liggen, waar zij vielen en zette Abas en Polyidus na, zonen van Eurydamas, een oude man, die dromen zag. Maar toen zijn zoons ten strijde trokken had hij geen voorspellende droom, die hij hun waarschuwend kon uitleggen. En beide doodde de sterke Diomedes. Daarop ging hij Xanthus en Thoön achterna, beide zoons van Phaenops, een paar piepjonge knapen, wier vader, nu een oude man, en ziekelijk bovendien, geen andere zoon had om zijn rijkdom aan te vermaken. Zij waren de volgende slachtoffers van de woede van Diomedes. Beiden trof hij dodelijk, zodat hun vader achterbleef, oud, ziekelijk en met een gebroken hart. Nooit zou hij hen, levend en wel, van de oorlog zien thuiskeren. En hun neven erfden zijn rijkdom.
V; 16
Daarop doodde Diomedes twee zonen van Priamus, Echemmon en Chromius, in dezelfde gevechtswagen strijdend. Als een leeuw die het vee bespringt, dat graast onder bomen en tussen struiken, en een os of kalf de nek breekt, zo sleurde Diomedes hen van de wagen, ondanks hun vertwijfeld verweer, van hun wapenrusting beroofde hij hun en gaf hun paarden aan zijn knechten om ze naar de schepen te brengen.

Aeneas gaat op Diomedes af

V; 17
Aeneas, die zag, hoe Diomedes tekeer ging onder de Trojaanse gelederen, baande zich een weg door het strijdgewoel en de regen van pijlen op zoek naar vorst Pandarus. Toen hij de edele en kloeke zoon van Lycaon vond, ging hij onmiddellijk op hem af. ‘Pandarus,’ zo zei hij, ‘wat doet ge met uw boog en uw gevleugelde pijlen? Wordt ge niet veronderstelt een boogschutter te zijn, en nog wel de beste van heel Lycië, beter dan wie ook in Troje? Kom, bid tot Zeus, en schiet een pijl af op die kerel daar. Ik weet niet wie hij is, maar hij gaat daar zijn gang maar en heeft al veel te veel kwaad aangericht door onze beste mannen te doden. Toch moet ge op uw hoede zijn. Wellicht is hij één van de onsterfelijke goden, op ons vertoornt wegens enigerlei laksheid in de altaardienst.’
V; 18
De edele zoon van Lycaon gaf hem ten antwoord: ‘Als u het me vraagt; die man is Diomedes, hem gelijkend op een haar; ik herken hem aan zijn schild en aan het vizier van zijn helm. Ook zijn paarden komen me geenszins vreemd voor. En toch zou ik niet kunnen zweren, dat hij geen god is. Doch als hij de man is, voor wie ik hem houd, dan zie ik de hand der goden in die woedende aanval van hem. Ongetwijfeld moet enigerlei god hem bijstaan, in een nevel gehuld, toen die pijl van mij hem niet dodelijk trof. Die god heeft mijn pijl in zijn dodelijke vlucht doen afzwenken. Ja, want ik heb reeds op hem gemikt, trof hem in de rechterschouder, dwars door de beschermende plaat van zijn borstharnas. Reeds was ik er zeker van, hem naar Hades te hebben gezonden. Toch doodde ik hem niet. Dus is het misschien toch een vertoornde godheid. En wel heb ik strijdwagens en paarden, maar helaas niet hier. Thuis staan ze doelloos, die wagens, door dekkleden beschermd. Ze zijn nieuw van de wagen-maker en bij elk staat een tweespan, zich tegoed doend aan blanke gerst en haver. Voordat ik erop uittrok ten strijde, heeft mijn vader, de ervaren speervechter, daarginds in ons paleis, telkens en telkens weer mij op het hart gedrukt, dat ik als wagenmenner mijn mannen in de oorlog zou aanvoeren; maar ik wilde niet luisteren naar goede raad. Had ik het maar gedaan! Mijn hart was bij mijn paarden, die steeds genoeg voer hadden, doch in de vreemde wellicht tekort zouden komen, waar zoveel krijgsvolk bijeen stroomde. Dus liet ik de paarden en wagens thuis en kwam te voet in Ilium aan, vertrouwend op mijn bekwaamheid als boogschutter. Maar veel heeft mij dat niet geholpen. Wel heb ik twee grote Grieken getroffen met mijn pijl, zodat vloeide hun bloed. Dit staat vast; doch het prikkelde slechts hun woede, zodat hun strijdlust noch feller werd. Het was waarachtig een noodlottige keus, die ik deed – die dag, dat ik mijn boog van de haak nam, waar hij hing aan de wand van mijn vaders paleis, en erop uit trok met mijn mannen naar Troje, die aangename en welgelegen stad, omwille van de edele Hector. Doch kom ik ooit weer thuis en zie ik mijn land weer en mijn vrouw en mijn huis, hoog van dak, dan mag eenieder mij het hoofd van de romp slaan, zonder meer op staande voet, als ik die boog van mij niet in stukken breek en in het hoog oplaaiende vuur werp.’
V; 19
‘Kom, spreek toch niet zo,’ zei de Trojaanse aanvoerder Aeneas. ‘Toch is het maar al te waar, dat er niets te beginnen valt om die kerel te temmen, totdat gij en ik een strijdwagen beklommen hebben en hem met andere wapens bestrijden. Kom dan, bestijg mijn wagen en ge zult zien, wat paarden van Tros waard zijn, hoe ze volgen en uitwijken en vluchten als het moet. Ook ons zullen ze redden tot binnen Ilium’s veilige muren, mocht Zeus opnieuw die Diomedes, Tydeus’ zoon, begunstigen. Welaan dan, grijp de zweep en de glanzend glimmende teugels. En het is zover, dan zal ik van de wagen springen en de strijd aanbinden. Of ook gij kunt dat doen, en dan zorg ik voor de paarden.’
V; 20
Lycaon’s edele zoon antwoordde hem toen: ‘Neen, Aeneas, neemt zelf nu de teugels, want u kennen de paarden en vlugger lopen ze, door u gemend, mocht Diomedes ons opnieuw op de vlucht drijven. Horen ze uw stem niet, dan worden ze misschien schichtig en steigeren van angst en aarzelen om ons weg te voeren uit de strijd, span daarom zelf de paarden voor de wagen. Hij zal de scherpte van mijn speer voelen, als we hem ontmoeten.’

Strijd tussen Diomedes en Aeneas

V; 21
Zo spraken ze, bestegen de schitterende wagen en menden toen vol strijdlust de paarden naar de zoon van Tydeus. Sthenelus echter, Capaneus’ zoon, zag die twee aankomen. Vlug voegde hij Tydeus’ zoon deze woorden toe: ‘Diomedes, zoon van Tydeus, die ik lief heb met geheel mijn hart, kijk toch die twee helden eens, die onverschrokken naar de strijd met u onderweg zijn, en stevige kerels zijn het! De één beroemt er zich op bekwaam schutter te zijn. Dat is Pandarus daar, zoon van Lycaon. Maar Aeneas draagt groter roem nog, want hij beweert te zijn geboren uit Zeus’ dochter Aphrodite, die eens sliep bij zijn vader. Vooruit in de wagen, en gevlucht! Ga niet langer te keer onder de voorhoede, als uw leven u lief is!’
V; 22
Met duistere blikken antwoordde hem Diomedes, de held: ‘Spreek mij niet van vluchten! Gehoorzamen zou ik u nauwelijks. Nooit was ik gewoon, terug te deinzen in de strijd of laf me op een afstand te houden! Nog voel ik me sterk genoeg! Neen, de wagen bestijg ik niet. Zoals u me hier ziet, treed ik hem tegemoet. Athena laat mij niet versagen. Nooit zullen die twee uit onze handen in hun renwagen ontvluchten, al mag er ook één vandoor gaan. Eén ding zeg ik nog, en onthoudt het: Zou de in veel listen ervaren Athena mij toestaan beiden te doden, houd dan onze flinke paarden hier, hun leidsels aan de wagenrand geknoopt. Doch maak u dan van Aeneas’ paarden meester – en vergeet het toch niet! – en leidt ze weg van de Trojanen naar de Grieken met hun glanzende wapenrusting. Die paarden toch stammen van het ras, dat de machtige Zeus aan Tros gaf als schadevergoeding van Ganymedes, diens zoon – beter paarden vond men ter wereld niet –. Later maakte Vorst Anchises zich meester van dit ras door temidden van die hengsten merries te smokkelen, die dan jongden in zijn stallen. Laomedon wist er niets van. En van zes paarden, waartoe de veulens opgroeiden, hield hij er vier voor zichzelf en zelf gaf hij hun haver; twee echter schonk hij aan Aeneas voor oorlogsgebruik. Zouden we ze vangen, dan zouden we ons met roem overladen.’
V; 23
Terwijl zij daar zo stonden te praten, kwamen de andere twee in volle vaart aanrijden in hun wagen, getrokken door de twee volbloeden; en Pandarus, de edele zoon van Lycaon, riep hun toe: ‘Die koppige Diomedes overleefde mijn schot dus! Net iets voor de zoon van de hooghartige Tydeus om zich niet door een pijl van de wijs te laten brengen! Maar goed, ik zal het dit keer bij hem eens met een speer proberen en zien, wat dat uithaalt!’
V; 24
Met die woorden stelde hij zich in postuur, mikte en wierp zijn speer, die een lange schaduw wierp op de grond, en raakte het schild van de zoon van Tydeus. De bronzen punt drong door het schild heen en bleef steken in het borstharnas van Diomedes. Lycaon’s edele zoon aan ’t juichen. ‘Raak!’ Riep hij. ‘Recht in de buik! Nu zal je het niet lang meer kunnen houden! En wat een roem zal ik je te danken hebben!’
V; 25
‘Niet raak, maar mis!’ Antwoordde de machtige Diomedes onverstoorbaar. ‘Je hebt me zelfs niet geschampt! En wat meer is, ik heb zo het gevoel, dat voordat jullie klaar zijn, één zal vallen in het stof en met zijn bloed de stoere god van de oorlog zal lessen!’
V; 26
En hij wierp, en zijn speer, door Athena geleid, trof Pandarus aan de neus, naast zijn oog, en drong door zijn witte tanden. Het onbarmhartige staal sneed zijn tong af bij de wortel; en de punt van de speer kwam onder aan zijn kin uit. Zijn gepolijste harnas rinkelde onder zijn val en schichtig werden zijn paarden, hoe edel hun ras ook. En zo was Pandarus’ einde.
V; 27
Aeneas sprong van de wagen met schild en speer, want hij vreesde, dat de Atheners hem het lijk zouden betwisten. Schrijlings zette hij zich er op, een leeuw gelijk in het besef van zijn kracht; zijn speer hield hij voor zich uit en dekte zich met het gewelfde schild, bereid om iedereen neer te slaan, die het mocht wagen hem te naderen. En hij gilde daarbij als een bezetene. Toen nam Tydeus’ zoon een steen op, zo zwaar, dat twee gewone mannen van thans die nauwelijks zouden hebben kunnen tillen, maar Diomedes kon er alleen mee overweg, zonder enige moeite. Daarmee nu trof hij Aeneas aan de heup en raakte het heupgewricht, dat brak, en ook scheurden twee pezen. De huid werd opengehaald door de scherpe kant van de machtige steen. Maar de held zette zich schrap nog, hoewel hij door de knieën zakte. Met de rechterhand steunde hij op de grond; en omduisterd werd zijn blik.

Aphrodite redt Aeneas

V; 28
Daar zou hij gestorven zijn, Aeneas, de aanvoerder van krijgsvolk, als niet zijn moeder, Zeus’ dochter Aphrodite, vlug erbij was geweest. Eens baarde ze hem als zoon van de herder Anchises. Met haar verrukkelijke blanke armen omhelsde ze haar zoon en breidde over hem haar stralende mantel uit, zodat geen van de strijders te paard hem de speer in de borst stiet en hem het leven ontnam. Heimelijk bracht ze haar zoon weg uit het strijdgewoel.
V; 29
Sthenelus echter vergat niet, wat hij had beloofd aan Diomedes, om zijn strijdkreet vermaard, maar bracht zijn paarden tot staan voor zijn wagen, buiten het gewoel van de strijd, en bond ze toen aan de wagenrand vast. Daarop haastte hij zich naar de glanzend geroskamde paarden van Aeneas, dreef die weg temidden der Trojanen en naar de Grieken met hun glanzende rusting van koper. Daar gaf hij de dieren aan zijn kameraad Deïphobus, die hij van al zijn vrienden het hoogst in ere hield, omdat deze hem van harte trouw was. Die zou de paarden wegvoeren naar de schepen. Sthenelus echter besteeg zijn renwagen, greep de glanzende teugels en mende zijn paarden vol strijdlust op de zoon van Tydeus af.

Diomedes verwondt Aphrodite

V; 30
En wat nu Diomedes betreft, die zette onbarmhartig de Cyprische Aphrodite na. Hij hield de meedogenloze speer gereed en hij wist wel, hoe zwak ze was, géénszins één van die godinnen, die beslissend ingrijpen in het gevecht van de mannen, geen Athena of Enyo, die plunderaarster van steden.
V; 31
Toen hij haar ingehaald had, dwars door het strijdgewoel heen, haalde de verheven zoon van Tydeus uit met zijn lans. De godin deinsde achteruit, maar de lanspunt trof de palm van haar hand. En het bloed kwam tevoorschijn, zoals dat alleen door de goddelijke aderen stroomt. Geen echt bloed is het, maar ‘ichor’ wordt het genoemd, want de onsterfelijken eten geen brood. En ook drinken ze de fonkelende wijn niet. Zonder bloed zijn zij dus en worden onsterfelijken genoemd. Niettemin klaagde zij luid en de zoon ontviel aan haar armen. Maar Apollo greep hem en hulde hem in een donkerblauwe wolk om hem te redden voor de moordende lansen der wagenmennende Grieken.
V; 32
Diomedes, toch al beroemd om zijn strijdkreet, verhief nu schallend zijn machtige stem: ‘dochter van Zeus,’ zo schreeuwde hij Aphrodite toe, ‘weg van dit strijdperk en bemoei u niet met de oorlog. Is het u niet genoeg voor zwakke vrouwen strikken te spannen? Blijft ge u moeien in de strijd, dan zult ge leren om in de toekomst alleen al voor het woord oorlog te beven!’
V; 33
Zo sprak hij en Aphrodite, overweldigd door dit optreden en buiten zichzelf van pijn, trok zich terug uit de strijd. Haar liefelijk blanke huid was rood van het bloed en de wond deed haar veel pijn. Maar Iris, met haar voeten als de wervelwind zo snel, trok zich haar lot aan en voerde haar weg uit het gewoel. Links van het slagveld vond Aphrodite de onstuimige Ares zitten, de krijgsgod, met speer en snelle paarden uitrustend op een wolk. Knielend smeekte zij haar broeder, dat hij haar zijn paarden met het gouden tuig zou lenen. ‘Breng mij in veiligheid, mijn lieve broer,’ zo zei ze. ‘Laat mij uw paarden mogen hebben om mij te dragen naar de Olympus, waar de onsterfelijken wonen. Hevige pijn lijd ik door een wonde, mij door een sterfelijke toegebracht, door de zoon van Tydeus, die nu zo door het dolle heen is, dat hij met Zeus zelf nog vechten zou.’

Aphrodite’s genezing

V; 34
Ares, de oorlogsgod, leende haar de paarden met de gouden leidsels, en Aphrodite besteeg de strijdwagen met wanhoop in het hart. Iris stapte naast haar in, nam de leidsels en liet de zweep knallen om de paarden aan te zetten. Het willige span vloog er vandoor en als spoedig hadden zij de steile hellingen van de Olympus bereikt, waar de goden hun woningen hebben. Daar bracht Iris – haar voeten zo snel als de wervelwind – de paarden tot staan, spande ze uit en wierp de dieren letterlijk voeder voor, zoals alleen in de stallen der goden gegeten wordt. Die liefelijke Aphrodite intussen ging naar Dione, haar moeder, en zonk voor haar neer op de knieën. Dione nam haar dochter in de armen en sprak haar vol liefde toe, terwijl ze haar tedere streelde. ‘Lief kind,’ zei ze, ‘wie van de onsterfelijken heeft u zo deerlijk gewond, zonder reden of zin, als waart ge gebrandmerkt?’
V; 35
En Aphrodite, die toch altijd het lachen zo bemint, antwoordde: ‘Die verwaande kerel van een Diomedes, de zoon van Tydeus, verwondde me, omdat ik mijn eigen teergeliefde zoon Aeneas, mijn oogappel, wegdroeg uit het vervaarlijke gewoel van de strijd. Niet langer tussen de Grieken en Trojanen woedt de slag, maar reeds strijden de Grieken met onsterfelijke goden!‘
V; 36
En haar antwoordde de bevallige godin Dione: ‘Mijn kind, verdraag het geduldig en beheers je, hoezeer je ook lijdt! Velen van ons die de Olympus bewonen, leden al onder mensenhand smarten, terwijl wij trachtten elkaar te schaden. Ares duldde het, toen Otus en de kordate Ephialtes, beiden zoons van Aloëus, hem boeiden met sterke ketenen. Dertien maanden bracht hij door, benard binnen muren van brons. Ongetwijfeld zou hij versmacht zijn, die onverzadigbare krijgsheld, als niet zijn stiefmoeder, de bekoorlijke Eriboea, het aan Hera verteld had, die heimelijk Ares bevrijdde, toen zijn krachten bezweken. Hera duldde het, toen eens de kloeke zoon van Amphitryon haar met de drietand in haar rechterborst trof. Toen leed zij ook felle pijnen. De geweldige Hades zelf duldde het, getroffen te worden door een pijl, door dezelfde hand afgeschoten, vlak bij de poorten der hel. En Amphitrion’s zoon, de machtige Heracles, liet hem over aan zijn lot. Al krimpend van de pijn en met de dood in het hart beklom de schrikwekkende Hades de hoge berg naar het huis van Zeus Vader. De pijl immers was hem diep in de schouder gedrongen en ontnam alle moed hem. De heler van wonden, Paeëon, legde een pijnstillend kruid op de wond, zodat deze genas, want geen stervenslot was de onsterfelijke beschoren. Maar bedenk, hoe vol euvele moed die man was, die zo maar zijn boog spande, mikte op een bewoner van de Olympus en een god zich koos tot doelwit! Maar op jou heeft de goddelijke Athena die man afgestuurd: Diomedes, die dwaas, die niet bedacht, hoe kort het leven is van hen, die tegen onsterfelijken strijden en dat geen kinderen ooit aan zijn knieën al spelend hem stamelend ‘mijn vadertje’ noemen, als hij terugkeert uit de strijd en het gruwelijke tumult van de oorlog. Laat hem dus maar oppassen, die dwaze Diomedes, dat niet een ander, sterker dan jij, het tegen hem opneemt, dat niet Aegialia, Adrastus’ schrandere dochter, eens al weeklagend de huisgenoten wekt, omdat zij de echtgenoot mist, de beste der Grieken, Diomedes, bedwinger van paarden!’
V; 37
Zo sprak zij en streek met beide handen over de gewonde hand van haar dochter; en zie, de hand genas en de pijnen verdwenen. Maar de godinnen keken toe en misten niets van wat er gebeurde. Zij namen nu de kans waar om Zeus Vader te plagen, vooral Athena en Hera. De eerste om haar fonkelende ogen vermaard, begon met het geplaag met te zeggen: ‘Vader Zeus, ge moet me niet euvel duiden, wat ik ga zeggen, maar ongetwijfeld wilde die Cyperse, die Aphrodite een vrouw van de Grieken verleiden om zich af te geven met de Trojanen, op wie ze zozeer gesteld is. Haar vleiend heeft zij misschien haar hand opengehaald aan één van de spangen en spelden, waarmee de Griekinnen zich opsieren.’
V; 38
Glimlachend luisterde de vader van mensen en goden. Toen riep hij de stralend blanke Aphrodite bij zich en zei haar: ‘Mijn dochtertje, niet jouw werk is het vreselijke handwerk van de oorlog. Zorg jij voortaan maar voor de tedere dingen van liefde en echt. Voor de wredere zaken van de krijg zullen Athena en Ares wel zorgen.’

Diomedes’ strijd met Apollo

V; 39
Terwijl in de kring der goden aldus werd gesproken, over en weer, wierp Diomedes, om zijn luide strijdkreet vermaard, zich andermaal op Aeneas. Ofschoon hij wel wist, dat Apollo’s hand zelf zijn tegenstander beschermde, deinsde hij toch niet terug voor die machtige god, want Aeneas’ dood begeerde hij en diens wapens, en driemaal stormde hij op hem af, driemaal ook sloeg Apollo zijn stralend schild weg. Toen hij echter voor de vierde keer aanviel, zo sterk als een demon, riep de boogschuttergod hem dreigend toe: ‘Pas op, jij zoon van Tydeus, en verdwijn uit mijn ogen! Waag het niet, je de gelijke der goden te wanen! Nimmer immers zijn van hetzelfde geslacht onsterfelijke goden en mensen, die de aarde bewandelen!’
V; 40
Aldus de god, en huiverend sloop Diomedes heen, want hij vreesde de toorn van de god van de boogschutters, Apollo. Aeneas echter werd door de god weggevoerd uit het tumult, naar Pergamos’ heilige heuvel, waar voor de onsterfelijken een tempel gesticht staat. Daar, in het ruime heiligdom, verzorgen hem Leto en Artemis zelf, de godin van de boog, schonken hem genezing en gunst, zodat hij nog schitterender werd dan hij ooit was geweest. En de god van de zilveren boog maakte een drogbeeld, dat volkomen op Aeneas geleek en ook, geheel zoals hij, was uitgerust. Om die bedrieglijke schim stormden Trojanen en Grieken op elkaar af en beukten op elkaars schilden en helmen. Doch toen ijlde Apollo toe op de razende oorlogsgod Ares.

Apollo hitst Ares op

V; 41
‘Kunt ge niet, Ares,’ zo riep hij hem toe, ‘die zoon van Tydeus van het slagveld verjagen? In staat is hij om het zelfs nog tegen Zeus op te nemen! Hij begon met Aphrodite in het nauw te drijven, die hij aan de pols verwondde; en daarna wierp hij zich op mij.’
V; 42
Met die woorden trok Apollo zich terug en zette zich op de heuvel van Pergamos. Maar Ares de vernieler spoorde de Trojanen tot nog fellere strijd aan, vermomd als Acamas, de kloeke aanvoerder der Thraciërs. Hij begon met de zonen van koning Priamus onderhanden te nemen en zei: ‘O, gij zonen des konings, gesproten uit een zoon van Zeus zelf, hoe lang nog laat gij uw volk door die Grieken doden? Wacht ge soms, totdat er voor de poorten van de stad zelf wordt gevochten? Terneer ligt Aeneas, de zoon van de trotse Anchises, in aanzien gelijk aan onze grote Hector! Vooruit, en laat ons onze moedige vriend ontzetten!’

Sarpedon spoort Hector aan

V; 43
Zo riep hij en moedigde iedereen aan. Ook Sarpedon bemoeide er zich mee en verweet de kloeke Hector met scherpe woorden: ‘Hector, waar is nu je moed, waardoor je eertijds je onderscheidde? Toen wilde je, zonder leger zelfs en zonder verbondenen, Troje beschermen, alleen met je broeders en aangetrouwde verwanten! Niemand van hen zie ik nu, maar ze schuilen weg als honden, wanneer er een leeuw in de buurt is. En wij bondgenoten moeten het maar uitvechten! Ook ik immers ben als bondgenoot van verre gekomen. Ver toch ligt Lycië, door de bruisende Xanthos besproeid. Daar liet ik een vrouw, die mij lief is, en een zoon, die een kind nog is, achter; en schatten ook, waarnaar menige arme nabuur begeert. Niettemin zet ik thans toch maar die Lyciërs van me aan om fiks deel te nemen aan de strijd, hoewel ik hier niets te winnen of te verliezen heb en ofschoon de Grieken me niets ontroofden of ontvoerden. En jij staat daar maar; zelfs de mannen spoor je niet aan om te volharden in de strijd en de vrouwen te beschermen. Pas maar op, dat jij met de anderen niet wordt gevangen als vissen in de mazen van een sleepnet, de vijand tot gemakkelijke buit. En spoedig dan neemt hij uw dichtbevolkte stad in! Dit alles moet ge dag en nacht bedenken, en hoe noodzakelijk het is om de vorsten te smeken van de veelgeprezen bondgenoten van Troje, dat ze standhouden in de strijd; doch laat dreigingen achterwege!’
V; 44
Aldus Sarpedon. Zijn woorden kwetsten Hector, gewond als hij was, maar haastig sprong hij van zijn strijdwagen en snelde met gevelde lans door het hele leger, allerwegen zijn strijders ophitsend en aanwakkerend tot de strijd. De Trojanen stelden zich te weer, gaven de Grieken kamp, moedig en onvermoeid. Maar de Grieken hielden stand, aaneengesloten, onbevreesd. Zoals de storm het stof doet opwaaien van de dorsvloeren, als de blondharige Demeter de korrels afzondert van het opdwarrelende kaf in de werveling der woeste winden, aldus werden de Grieken wit van het stof, dat de paarden op deden stuiven in het tumult van de strijd, welke zich ontspon onder de koperkleurige hemel. Manmoedig hielden de Grieken stand. Maar de verwoede god van de oorlog, die over heel het slagveld tekeer ging, liet een duistere sluier als een nevel neerdalen over de strijders om de Trojanen te helpen. Hij deed dit op verzoek van Apollo, die hem gezegd had om die van Troje aan te moedigen, toen hij Pallas Athena, die de zijde der Grieken koos, zich zag terug trekken.

Agamemnon spoort zijn troepen aan

V; 45
Apollo zelf liet Aeneas vertrekken uit de luisterrijke tempel, waarheen hij de wijk had genomen en schonk die geboren leider van mannen nieuwe kracht. Hij begaf zich weer temidden der zijnen en allen verheugden zich, toen zij zagen dat hij levend was en gezond, vol van strijdlust en kracht. Doch zij stelden hem geen vragen, want te zeer hielden hen bezig Apollo van de zilveren boog en Ares, doder van mannen, samen met de ontembaar woedende Eris.
V; 46
De Grieken van hun kant werden aangespoord tot de strijd door de beide Ajaxen, samen met Odysseus en Diomedes. Doch weinig aanmoediging hadden zij nodig, onbevreesd als zij waren voor het geweld der Trojanen en hun woest geschreeuw. Kloek hielden zij stand, als de wolken, welke Zeus bij windstilte doet staan boven hoog oprijzende bergen, onbeweeglijk zolang de woedende Boreas en de andere bulderende winden nog sluimeren, die spoedig de donkere wolken met fluitend geblaas verjagen en uit elkaar doen stuiven. Zo ook wachtten de Grieken rustig en onbevreesd de vijand af, terwijl Agamemnon langs de troepen ging om hen aan te moedigen.
V; 47
‘Betoont u mannen, mijn vrienden,’ zo zei hij, ‘en bewijst uw dappere inborst. Verliest elkaar ook in het heetste gewoel van de strijd niet uit het oog. Waar mannen immers zich hoog in ere houden in het oog van elkaar, worden er meer gered dan gedood! De vluchtende echter wacht redding noch roem!’
V; 48
Zo zei hij en slingerde zijn speer en raakte in de voorste gelederen van de vijand Aeneas’ vriend, Deicoon, door de Trojanen zo hoog geëerd, als was hij één van Priamus’ zonen. Moedig en kloek streed hij in de voorste gelederen. Vorst Agamemnon trof hem aan het schild, dat echter te zwak was om het geweld van de vliegende speer te weerstaan. Door de gordel drong het wapen in de buik. Dreunend was zijn val en noodlottig rinkelde zijn wapenrusting.

Aeneas en Menelaus

V; 49
Nu doodde Aeneas twee van de dapperste Grieken, Diocles’ zonen, Crethon en Orsilochus. Hun vader woonde in het welvarende Pherae, waar hij rijk was aan haven en goed. Hij stamde af van de god van de stroom Alpheus, welke breed uitvloeit in de streek van Pylos. De eersteling van die god was Orsilochus, een groot herder der volkeren. Van hem was de verheven Diocles een zoon, die op zijn beurt de tweelingzonen Crethon en Orsilochus verwekte, die opgroeiden als strijders, bekwaam in het hanteren van ieder wapen. Beiden waren ze in de kracht van hun jeugd de mannen van Argolis gevolgd op donkere schepen naar het om zijn stoeterijen vermaarde Troje. Daar wilden zij de zonen van Atreus, Agamemnon en Menelaus wreken. Doch wat hun wachtte, was het noodlot des doods. Als twee leeuwen, samen opgegroeid in de bergen, eerst door hun moeder gevoed, in het struikgewas veilig verscholen, doch spoedig al roven zij runderen en vetgemeste schapen en plunderen het erf van de hoevenaars, totdat zijzelf vallen door het dodelijke brons der weerbarstige mannen. Zo ook vielen die twee, in de kracht van hun leven, onder Aeneas’ machtige handen, geveld als dennen, rank en hoog.
V; 50
Om de gevallenen weeklaagde de strijdbare held Menelaus. Toen wierp hij zich naar voren in zijn glanzend bronzen harnas en zwaaide zijn speer. Hij werd door de oorlogsgod bezield, die niet beter wenste dan hem onder Aeneas’ hand te zien vallen. Antilochus zag hem, de zoon van de edele Nestor, en onmiddellijk baande hij zich een weg door de voorhoede in zijn angst om de leider der mannen, die niet vallen mocht, want dat zou een ramp zijn voor allen. Menelaus en Aeneas stonden al dreigend tegenover elkaar, hun speren gereed voor het handwerk des doods, toen Antilochus zijn leider had ingehaald en naast hem zijn plaats koos.
V; 51
Dit was Aeneas teveel, hoe groot voordien ook zijn moed was. En dus konden Menelaus en Antilochus hun doden tot binnen de gelederen van de Grieken slepen. Ze gaven de twee rampzaligen, door het doodslot getroffen, terug aan hun vrienden, keerden zich af en wierpen zich weer in de strijd. Onder hun hand sneuvelde nu Pylaemenes het eerst, die op Ares zelf leek en de schilddragende Paphlagonen aanvoerde. Menelaus stak hem neer met zijn lans, waar hij stond. Het brons trof zijn sleutelbeen. Antilochus raakte zijn wagenmenner en schildknaap, Atymnius’ dappere zoon Mydon, met een steen aan de elleboog, zodat hij de ivoorwitte teugels liet schieten, die sleepten in het stof, waarin hij ook zelf terecht kwam. Antilochus stootte hem het zwaard in de slaap. Uit de strijdwagen was hij getuimeld, het hoofd omlaag tot aan de schouders in het zand, totdat de trappelende paarden hem omwierpen, welke Antilochus voortzweepte naar het leger der Grieken.

Hector gesteund door Ares

V; 52
Hector zag hen en stormde door de gelederen met krijgsgeschreeuw op hen af, gevolgd door talrijke, oorlogszuchtige Trojanen. Maar voor allen uit schreed de krijgsgod zelf, samen met de godin Enyo, die paniek verspreidt onder de scharen. Zwaaiend de reusachtige lans ging Ares Hector voor en liep dan weer achter hem. Toen hij hem zag, beving Diomedes, vermaard om zijn strijdkreet, een angstig beven. Hulpeloos was hij als man, die lang door een vlakte is getrokken en dan bij een brede rivier komt, welke uitstroomt in zee. Hij ziet het bruisende schuim en keert in allerijl terug op zijn schreden. Zo ook week de zoon van Tydeus terug en sprak zijn krijgsvolk toe: ‘Ach, mijn vrienden geen wonder is het, dat we ons altijd zo over de goddelijke Hector en zijn heldendaden met zijn lange lans verbaasden, want een god beschermt hem en houdt hem in leven! Ook nu is Ares weer bij hem en gelijkt sprekend een sterveling! Wijkt nu, maar houdt de vijand in het oog; niet tegen de goden strijden wij!’
V; 53
Zo riep hij met die luide stem, waarom hij vermaard was. Onmiddellijk daarop, onder het aanstormen der Trojanen doodde Hector twee man, die één strijdwagen menden, Anchialus en Menesthes. De grote Telamoniër Ajax was met deernis vervuld, toen hij die ervaren strijders zag vallen. Dichtbij kwam hij, de glanzende lans hoog geheven, en trof daarmee Amphius, de zoon van Selagus, die woonde in Peisos, rijk aan have en goed; maar het noodlot had hem daar weggevoerd om als bondgenoot voor Priamus en diens zonen te strijden, Ajax de Telamoniër dreef hem de lans door de gordel tot in de buik, en hij viel onder het kletterende geraas van zijn wapens en rusting. Maar toen de voortreffelijke Ajax zich haastte om hem snel die wapens te roven, vielen de speren der Trojanen in een bliksemend gewemel als hagel neer. Veel ervan bleven met de scherpe punt steken in zijn schild. Niettemin zette hij een voet op het lijk en ontrukte hem vlug zijn lans. De andere schitterende wapens kon hij hem echter niet van de schouders rukken, want de hagelbui van speren werd dichter, en temidden van een regen van pijlen drongen de Trojanen steeds meer op, zodat hij, hoe moedig ook, wel moest wijken.

Sarpedon en Tlepolemus

V; 54
Zo ging het toe in het heetst van de strijd. Intussen was de slanke en innemende zoon van Heracles, Tlepolemus, slaags geraakt met de op een god gelijkende Sarpedon. Het lot wilde het zo, dat zij elkaar hier troffen, zoon en kleinzoon van Zeus Vader, die de wolken verzamelt. Met woorden begon hun strijd en Tlepolemos sprak het eerst: ‘Leider van het volk der Lyciërs, zeg, Sarpedon, wat bracht jou ertoe om hier, in de strijd onervaren, van angst te vergaan? Wie jou een zoon noemt van Zeus, die vergist zich wel deerlijk! Je bent nog veraf van de heldenmoed, die een man past uit het geslacht der Olympiërs! De geweldige Heracles was, naar zij zeggen, een heel andere! Ja, dat verzekert eenieder, die hem kende: de man met het hart van een leeuw, die voor niemand uit de weg ging en die voorheen hier naartoe kwam om de paarden van Laomedon te vorderen! Hij kwam met slechts zes schepen en weinig volk, maar Troje liet hij verwoest en met ontvolkte straten achter! Jij bent laf van hart en je leger slinkt weg; nooit zul jij de Trojanen, dunkt mij, van dienst zijn, ook al kom je daarvoor helemaal van Lycië en al zou je inderdaad moedig zijn en sterk, maar door mij verslagen zul je je haasten door Hades’ poort!’
V; 55
De leider der Lyciërs, Sarpedon, gaf daarop zijn antwoord: ‘Ja,’ sprak hij, ‘ja, Tlepolemos, wel heeft die Heracles Troje verwoest, maar door die misdadige verdwazing van Laomedon, de hooghartige verwaande, die hem voor zijn dienst met felle woorden bedreigde en hem de paarden weigerde, waarvoor hij naar Ilium was gekomen. Jou echter en niet mij wordt het donkere doodslot ten deel, en door mijn hand. Geveld door mijn lans schenk jij mij roem en ik aan jouw ziel een vrijgeleide naar Hades!’
V; 56
Zo sprak Sarpedon en reeds bedreigde Tlepolemos hem met zijn essenhouten speer; beide lansen vlogen tegelijk uit hun hand. Sarpedon trof zijn tegenstander in de hals, zodat de verschrikkelijke lanspunt in de nek naar buiten stak; onmiddellijk omving de doodsdonkere nacht zijn brekende ogen. Maar ook Tlepolemos had met zijn speer de vijand getroffen, in de linker dij, vlakbij het bot. Maar nog redde Zeus Vader de zoon voor het doodslot. Zijn edele vrienden voerden Sarpedon onmiddellijk weg uit het gewoel van de strijd, maar de lans, die hem getroffen had, sleepte achter hem aan, en hinderde hem in het lopen, en niemand merkte het op, niemand dacht eraan om hem de lans uit het been te trekken, want al te zeer moesten ze zich haasten om aan de woede van de strijd te ontkomen.
V; 57
Op hun beurt droegen de Grieken in hun glanzend harnas van brons Tlepolemos weg uit de strijd. De verheven Odysseus had gezien, hoe hij viel. Maar in plaats van te versagen werd zijn moed nog opgezweept en hij bedacht, of hij eerst de zoon van Zeus, die daar dondert vanaf de Olympus, achterna zou zetten of ginds nog meer Lyciërs naar de onderwereld te zenden; in plaats daarvan wekte Athena hem op om zich onder de menigte der Lyciërs te werpen. Daar doodde hij Coeranus, Alastor, ook Chromius, Halius samen met Alcandrus en Prytanis, Noëmon ook; en nog meer Lyciërs zouden onder zijn hand gevallen zijn, als Hector met wuivende helmbosversiering het niet had bemerkt. Vlug begaf hij zich door het tumult in de voorste gelederen, gewapend met in de zon glinsterend brons, als een schrik voor de vijand. Maar de zoon van Zeus Vader, Sarpedon, begroette de naderende vriend en sprak al klagend de woorden: ‘zoon van Priamus, laat mij niet liggen tot een buit van de Grieken, maar bescherm me! Laat dan wegvloeien mijn leven, ginds in uw stad, nadat het mij nu eenmaal ontzegd is weer te keren naar huis, naar het geliefde land mijner vaderen, blij begroet door mijn jonge zoon en de vrouw die mij liefheeft!’

Hector en Ares drijven de Grieken terug

V; 58
Geen antwoord gaf Hector, maar stormde voorbij, voortgejaagd door de wilde begeerte de Grieken te verjagen, zoveel mogelijk er dodend. Zijn vrienden legden echter de heerlijke held Sarpedon onder de breed pralende eik, toegewijd aan de weerlichtende Zeus. Toen trok Pelagon hem de essenhouten lans uit de dij. Hij was kloek en zijn trouwe gezel. Voor Sarpedon’s ogen daalde een mist neer. Spoedig echter kwam hij weer bij onder het koele gesuizel van de noordenwind.
V; 59
Voor de macht van de oorlogsgod Ares en voor de brons gepantserde Hector deinsden de Grieken af naar het schepenkamp; wel trachtten ze nog de vijand te treffen, maar geleidelijk weken zij toch op het gerucht, dat Ares, de god van de oorlog, met die van Troje was.
V; 60
Wie waren de eersten, wie de laatsten, aan wie Hector, de zoon van Priamus, en de met brons gewapende Ares de wapenen ontroofden? Teuthras, de heerlijke held, de moedige Orestes, dan Oenomaus, voorts Trechus, de krijger uit Aetolië, de zoon van Oenops, en Oresbius met zijn van edelstenen flonkerende gordel, die woonde in Hyle, ver weg aan de oevers van het meer van Cephissus, waar hij in een vruchtbare streek rijke landgoederen beheerde, grenzend aan die van andere Boeotiërs.

Hera en Athena smeden een plan

V; 61
Toen Hera – blank als leliën zijn haar armen – gewaar werd, hoe zij in het gewoel van de strijd al die Grieken versloegen, sprak zij onmiddellijk tot Athena, door haar gevoelens overmand, de gedenkwaardige woorden: ‘Wee mij, o dochter van Zeus vader, nooit overwonnen! Waarlijk, ijdel waren die woorden, waarmee wij eens Menelaus beloofden, dat hij zou terugkeren, nadat hij het sterk bevestigde Troje zou hebben vernietigd! IJdel voorwaar, als wij die Ares daar zijn gang laten gaan, zonder dat ook wij op tegenweer bedacht zijn!’
V; 62
Zo sprak zij, en de godin Athena volgde haar gewillig. Hera nu ging en legde de vurige paarden het gouden tuig aan. Toen zette Hebe aan haar wagen de gaaf ronde wielen van brons, elk met acht van schoon drijfwerk voorziene spaken. Van onvergankelijk goud zijn hun velgen, beschermd door banden van brons, prachtig om te zien. Zilveren naven houden die wielen op hun plaats, aan weerszijden van de as. De wagenbank van goud ruste op kruislings gespannen banden van zilver en afgerond zijn de zijkanten. De disselboom is van zilver, waaraan Hebe nu het prachtige gouden juk bevestigde en de fijne buikriemen van goud, Hera, in haar ongeduldig verlangen om zich naar het strijdgewoel te begeven, spande zelf de paarden in.
V; 63
Pallas Athena van haar kant, de dochter van Zeus, liet haar zachte, bont bestikte kleed op de drempel van haar vaders woning vallen. Dit kleed had zij zelf met vlijtige handen vervaardigd. Daarop hulde zij zich in het pantser van de god, die de wolken verzamelt, en gordde ook de wapens van haar vader aan, gesmeed voor de tranen brengende krijg. Voorts wierp zij zich om de schouders de rijk met kwasten versierde, geduchte Aegis, die bestikt is op iedere punt met dreigende schrik, afgunst, strijd, felle tegenweer en grimmige achtervolging, versierd ook met het gorgonisch hoofd, het schrikwekkende monster, angstaanjagend, afschuwelijk, zijnde het teken van Zeus Vader. Tenslotte zette zij zich de helm op, uit vier platen gesmeed en met dubbele helmkam, alles van louter goud, met drijfwerk, dat veldslagen verbeeldt veler helden. Toen beklom zij de vlammende wagen en greep de lans, zwaar, groot en stevig, waarmee zij de scharen der helden in toom houdt, naar wier haar toom uitgaat als dochter van een machtige vader. Hera legde de zweep over de paarden in haar haast, en al donderend vloog vanzelf de hemelpoort open, door de Uren bewaakt, aan wie de hemel toevertrouwd is en ook de Olympus, met als taak om nu eens de alles verhullende wolken te openen en dan weer te sluiten. Daar doorheen nu mengde zij haar gemakkelijk opgezweepte paarden. En toen troffen zij Zeus, ver van de andere goden op de top van de reusachtige Olympus gezeten. Hera – als leliën zo blank zijn haar armen – liet de paarden stilstaan, wilde Zeus’ mening weten en sprak de oppergod toe: ‘Vader Zeus,’ zei ze, ‘zijt ge niet vertoornd op Ares om de eigenmachtigheid, waarmee hij een zo groot en heerlijk volk als dat der Grieken ten verderve voert, misdadig, zonder oorzaak of reden? Mij zit het hoog! Maar rustig verheugen zich Apollo met de zilveren boog en die Cyperse dochter van u over het werk, dat zij aanrichten door die woesteling van een Ares, die geen recht en geen rede kent, op te hitsen! Zeus Vader, zult ge het mij kwalijk nemen, als ik die Ares een smadelijke nederlaag toebreng en het veld laat ruimen?’
V; 64
Zeus Vader antwoordde haar. ‘Ga je gang maar,’ zo zei hij, ‘geef hem er maar van langs en drijf hem in de armen van Athena, die aan zulke buit wel gewend is en er toch altijd. ’t Meest van al, op uit is om hem het vuur aan de schenen te leggen!’
V; 65
Aldus sprak hij en Hera volgde zijn raad. Ze legde de zweep over de paarden, die gewillig tussen de aarde en de met sterren bezaaide hemel draafden. Zover als een man de nevelige verten met de ogen meet, hoog boven de duistere zee op zijn uitkijkpost, zover verhieven zich al springend de hinnikende paarden der beide godinnen. Maar toen zij Troje hadden bereikt en de samenvloeiing van Simois en Scamander, bracht Hera met haar als lelies zo blanke armen haar tweespan tot staan, spande de paarden uit en hulde ze in een mist. En de stroomgod Simois liet ambrosia ontspruiten voor de grazende paarden .

Athena en Hera helpen Diomedes

V; 66
De godinnen nu schreden voort, dribbelend als duiven en vol verlangen om de mannen van Argolis te helpen. Toen zij ter plaatse kwamen, waar de kloeksten stonden rondom Tydeus’ zoon, de machtige temmer van paarden, allen zich gereed houdende, vol begeerte als leeuwen die hun tanden in rauw vlees zetten, als everzwijnen zo sterk, hielden de godinnen halt en riep Hera, met haar lelieblanke armen hun toe, in de gedaante van Stentor, die man met een stem als een klok: ‘Schande over u, Grieken, mooi om te zien weliswaar maar oude wijven inderdaad! Nooit, zolang de grote Achilles nog deelnam aan de strijd, waagden het de Trojanen om naar buiten te komen uit de beschermende poort van Dardanus, bang als ze waren voor Achilles’ machtige lans! Nu is ver van de stad bij uw eigen schepen uw slagveld!’
V; 67
Dat riep ze en verhoogde de moed en wekte kracht bij eenieder. Nu haastte zich de godin Athena naar Tydeus’ zoon, Diomedes, waar hij stond bij zijn tweespan en koelde de wond, hem door Pandarus’ pijl toegebracht. De brede schouderriem van zijn schild, klam van het zweet, hinderde hem en zijn hand was als verlamd. Nu had hij de riem losgemaakt en wiste het donkere bloed weg. De godin legde haar hand op het juk van zijn paard en zei: ‘Weinig toch gelijkt op zijn vader de zoon van de moedige Tydeus! Tydeus was weliswaar klein van gestalte, maar wat een strijder was hij! Zelfs vocht hij, toen ik het hem verbood en niet wenste, dat hij op de voorgrond zou treden. Ver van de andere Grieken kwam hij naar Thebe om daar met een menigte Cadmeeërs te onderhandelen. Ik zei hem toen om rustig aan te zitten aan het maal in het paleis; maar wat deed hij? Alle helden van Thebe daagde hij uit en elk overwon hij, al was het een spel maar, wat kon ik anders dan hem helpen? Ook jou help ik graag nu in de strijd tegen die van Troje, maar je schijnt moe of ontmoedigd en zo heel anders dus dan je vader, die vurige zoon van Oeneus!’
V; 68
Haar antwoordde de held Diomedes: ‘O, ja ik herken u, godin en Zeus’ dochter, en daarom zeg ik u frank en zonder omwegen de waarheid. Niet moe ben ik, niet ontmoedigd, maar ik denk aan uw raad om nooit tegen de onsterfelijke goden als sterveling te strijden, Aphrodite uitgezonderd. Mengde die zich in de strijd, dan mocht ik haar naar uw woord treffen met het wondende brons. Op uw eigen woord dus wijk ik nu terug en beval ook de andere Grieken zich dier om mij heen te verzamelen, want daarginds zie ik Ares in het heetst van de strijd.’
V; 69
De stralende Athena antwoordde hem daarop: ‘O zoon van Tydeus, Diomedes, die ik liefheb in mijn hart, vrees voortaan noch Ares noch wie ook der anderen, want nu hebt ge mij als machtigste hulp van allen! Voorwaarts, men de paarden, stuur ze op Ares af! Val hem aan van dichtbij en spaar hem niet, de wildeman, woesteling en spelbreker, die nu eens de ene en dan weer de andere partij kiest! Onlangs nog beloofde hij mijzelf en Hera met plechtige en pralende woorden, dat hij het volk van Troje bestrijden en de Grieken helpen zou, maar thans houdt hij het met die van Troje en vergeet de Grieken!’

Athena en Diomedes gaan op Ares af

V; 70
Zo sprak zij en rukte Sthenelus uit de wagen, die zij zelf beklom naast de edele zoon van Tydeus, bezeten van strijdlust, en de eiken wagenas kreunde onder de last van een geduchte godin en een zwaargewapende strijder. Onmiddellijk nu greep Pallas Athena teugel en zweep en mende de paarden regelrecht op Ares af. Deze beroofde juist de reusachtige Periphas van zijn wapens, de edele zoon van Ochesius en wel de beste der Aetoliërs. Met bloed bespat was Ares bezig om hem van zijn wapenrusting te ontdoen. Maar Athena had, om zich voor hem onzichtbaar te maken, de onzichtbaar makende helm van Hades op het hoofd gezet.
V; 71
Toen nu de moordzuchtige Ares de edele zoon van Tydeus gewaar werd, liet hij Periphas, de reus, liggen waar hij hem geveld had, en snelde op Diomedes toe. De elkaar tegemoet rennenden bevonden zich spoedig oog in oog met elkaar en Ares strekte zich in zijn bloeddorst met zijn bronzen lans over juk en leidsels heen. Maar Pallas Athena greep die lans, stiet ze weg van de wagen, zodat zij zonder haar doel te raken voorbij vloog. Nu pakte Diomedes met zijn speer uit en Pallas Athena – hoe fonkelden haar ogen – zorgde ervoor dat het wapen in Ares’ buik onder de met brons beslagen gordel terecht kwam. Daar trof hem de godin, zodat de rozige huid scheurde. Toen trok zij de speer terug. En de als brons onvermurwbare Ares brulde, als schreeuwden negenduizend of tienduizend mannen van een strijdlust, door Ares zelf gewekt. De Grieken en die van Troje beefden van schrik, toen zij de oorlogsgod zo te keer hoorden gaan.

Ares gewond

V; 72
Zoals uit de samengebalde wolken een donkere nevel zich vormt, als na drukkende zwoelte de wind bruisend opstijgt, aldus kwam Diomedes de god Ares voor, toen hij, in wolken gehuld, omhoog voer naar de wijde hemelen. Spoedig bereikte hij de hoge Olympus, de zetel der goden. Bedroefd van harte nam hij plaats naast Zeus, liet hem zien, hoe het goddelijke bloed hem droppelde uit zijn wonde en sprak al jammerend en klagend: ‘Pakt u de toorn niet, Zeus Vader, op het zien van een dergelijke gewelddaad? Steeds toch hebben wij goden de bitterste kwaal te doorstaan, de één door de schuld van de ander, de ander omwille der mensen! Uw schuld is het, want ge hebt, de wereld tot vloek, haar die dolle dochter van u geschonken, die slechts op het stichten van onheil uit is! Al de andere goden, zoveel er de Olympus bewonen, volgen u onderdanig en wij schikken ons, eenieder al even gehoorzaam. Maar wat haar aangaat, houdt u haar door woord noch daad in toom, doch laat haar begaan, omdat zij uw eigen kind is, hoewel ze voor galg en rad opgroeit. Nu heeft ze weer die zoon van Tydeus, die Diomedes opgehitst, zodat die brutale vent zich zelfs aan de onsterfelijke goden vergrijpt. Eerst viel hij Aphrodite aan en bracht haar een wond aan de pols toe; daarop stormde hij als een gek al razende op mij af! Maar ik was hem te vlug af, anders lag ik daar te krimpen van pijn temidden van die afgrijselijke hoop lijken of was voor mijn leven verminkt, door zijn bronzen wapen getroffen.’
V; 73
Zeus, die de wolken verzamelt, antwoordde hem en duister betrok zijn gelaat: ‘Waag het niet, onbestendige windvaan, om hier nog langer tegen mij te jammeren en te klagen! Van alle goden van de Olympus kan ik jou nog het minst uitstaan, want altijd maak je maar ruzie, verzot als je bent op tweedracht en twist! Als je moeder ben je, als Hera, wier koppigheid en razende onredelijkheid ik slechts met moeite met woorden bedwing! Ook aan haar raad, zo dunkt me, dankt ge de moeilijkheden, waarin ge thans weer verkeert! Maar ik kan niet langer meer aanzien dat ge zo lijdt, want ge zijt van mijn geslacht en mij baarde uw moeder u. Had een andere god gij tot vader en had ik jou brutale rekel niet tot zoon, dan lag je nu allang dieper dan Uranus’ kinderen.’
V; 74
Zo Zeus vader. Hij gelaste Paeon om hem te genezen, en deze deed verzachtende kruiden op de wonden, zodat hij genas, want hem was geen sterfelijk lot beschoren. Even snel als het witte sap van vijgen dik wordt onder het roeren, hoe licht vloeibaar het eerst ook was, zo snel ook genas de wonde van die felle en woeste oorlogsgod. Daarop wies hem Hebe en hulde hem in fijne klederen, waarna hij plaats nam naast Zeus Vader, in trots weer geheel de oude.
V; 75
Hera van Argos en ook de Alalcomenische Athena keerden terug naar het paleis van de oppermachtige Zeus. Nadat zij Ares hadden gestuit in zijn mannendodend bedrijf.

6. Hector en Andromache

De Grieken vallen aan

VI; 1
Zo waren de Trojanen en Grieken dus aan zichzelf overgeleverd om alleen de gruwelijke strijd uit te vechten, met wisselende kansen, op de vlakte tussen de Simois en de Scamander, met menige aanval en tegenaanval met door de lucht zoevende brons gepunte speren.
VI; 2
Ajax, Telamon’s zoon, de kampioen van de Grieken, was de eerste, die een Trojaanse strijdgroep uiteen joeg en zijn vrienden nieuwe hoop gaf, toen hij de beste der Thracische strijders versloeg, Acamas namelijk, de slanke en schitterende zoon van Eusorus. Ajax wierp naar hem met zijn speer en trof de man op de rand van zijn gevederde helm. De bronzen speerpunt drong hem door het voorhoofdsbeen en nacht verdonkerde zijn ogen.
VI; 3
Daarop doodde Diomedes, om zijn luide strijdkreet vermaard, Axylus, de zoon van Teuthranus, die van de liefelijk gelegen stad Arisbe kwam. Hij was een welvarende man, die in zijn huis langs de weg een genoeglijk leven leidde en geliefd was om het welkom, dat hij aan alle reizigers schonk. Maar niemand zijner vrienden deed zich thans op om de aanstormende vijand de voet dwars te zetten en hem te redden van het verschrikkelijke lot, dat hem wachtte. Diomedes doodde hem en zijn schildknaap Calestius, die hem diende als wagenmenner, en beiden gingen naar Hades.
VI; 4
Euryalus doodde Dresus en Opheltius en zat toen Aesepus en Pedasus na, die de waternimf Abarbarea schonk aan de onvolprezen Bucolion. Deze was de zoon van de hooghartige Laomedon, zijn eersteling, uit een heimelijke liefde geboren. Hij liet zijn kudden grazen, toen hij de nimf tegen kwam en zich overgaf aan haar verliefde omhelzing. Tweelingen baarde ze hem. Deze waren het, die thans vielen onder de hand van Euryalus, Mecisteus’ zoon, die hen velde in de bloei van hun jeugdige kracht en hun wapenrusting buit maakte.
VI: 5
Astyalus viel onder de hand van de standvastige Polypoetes; Pidytes van Percote werden door de bronzen speer van Odysseus getroffen; en de edele Aretaon viel ten offer aan Teucer. Nestor’s zoon, Antilochus, doodde Ablerus met fonkelende lans, en Agamemnon, leider der mannen, versloeg Elatus, die woonde aan de oevers van de liefelijke Satnioeis, in de stad op de heuvel, Pedasus. De edele Leitus doodde Phylacus, die er vandoor wilde gaan; en Eurypylus maakte korte metten met Melanthius.

Adrastus smeekt Menelaus

VI; 6
Ondertussen had Menelaus, om zijn luide strijdkreet vermaard, Adrastus levend gevangen. ’s Mans paard, al rennende over de vlakte, schichtig op hol geslagen, waren met strijdwagen en al in wat kreupelhout terecht gekomen, zodat de disselboom van de wagen was afgeknapt, waarna de dieren bevrijd op de stad toe renden, samen met andere als dol geworden paarden. Hun meester was uit de wagen getuimeld, naast het wiel, waar hij neerkwam met het gezicht in het stof. Zijn speer wierp een lange schaduw. Adrastus sloeg zijn armen om de knieën van Menelaus en smeekte: ‘Atreus zoon, mijn heer, neem mij levend gevangen, en ge zult een rijk losgeld ontvangen. Mijn vader is rijk en heeft zijn huis vol schatten aan brons, goud en smeedijzer. Hij zal u een vorstelijke prijs betalen, als hij hoort, dat ik levend naar de Griekse schepen gevoerd werd.’
VI; 7
Aldus trachtte hij Menelaus mild voor zich te stemmen. En deze stond werkelijk op het punt om zijn schildknaap te gelasten zijn gevangene weg te voeren naar de schepen der Grieken, toen Agamemnon aan kwam lopen om zijn broer onder handen te nemen. Maar m’n beste Menelaus,’ zei hij, ‘waarom zo schuchter om mannen het leven te benemen? Behandelden die van Troje je ook zo voorkomend, toen ze hun intrek namen in je huis? Neen, geen één van hen moeten we in leven laten, zelfs de kinderen niet in de schoot van hun moeder! Heel dat volk moet uitgeroeid worden, zodat niemand meer hunner gedenkt of een traan om hen laat!’
VI; 8
De juistheid van die woorden deed Menelaus van gedachten veranderen. Hij duwde Adrastus van zich weg met de hand en koning Agamemnon stak hem de speer in zijn zijde. De man zonk ineen, en Agamemnon zette zijn voet op zijn borst en trok de essenhouten speer uit de wond.
VI; 9
Toen riep Nestor met luide stem de Grieken toe: ‘Vrienden, medestrijders, nu niet geplunderd! Niet dralend achternagebleven om naar de schepen de rijkste buit weg te slepen! Laat ons hen doden! Daarna kunt ge vrijelijk en zonder overhaasting de lijken op het slagveld beroven!’

Helenus spreekt Aeneas en Hector toe

VI; 10
Die woorden schonken iedereen nieuwe moed; en het zag ernaar uit, alsof de Trojanen verslagen, ontmoedigd, door de zegevierende Grieken teruggeworpen gingen worden tot in hun eigen stad. Maar het was toen, dat Helenus, Priamus’ zoon, de beste vogelwichelaar van heel Troje, op Aeneas en Hector toeging om een beroep op hen te doen, zeggende: ‘Gij beiden hebt de leiding van allen. Wij droegen u dit opperbevel op, omdat ge ons in de raad noch op het slagveld ooit in de steek liet. Bewijst nu, dat ons besluit gerechtvaardigd was. Houdt stand, bezoekt allerwegen het slagveld, stuit de troepen, voordat zij de poorten bereiken en in hun doodsangst troost zoeken bij hun vrouwen, tot vreugde en vermaak van de vijand. Als ge iedere strijdgroep weer hebt aangemoedigd, zullen we ons schrap zetten waar zij staan en de Grieken bevechten, hoe uitgeput we ook zijn, want een andere keus hebben we niet. Maar gij, Hector, ga naar de stad en spreek met onze moeder. Zeg haar om de oudsten der vrouwen te verzamelen bij de tempel van Athena met haar fonkelende blik en de deuren van het heiligdom te ontsluiten. Laat haar in haar paleis de mooiste mantel uitzoeken, die, waar zij het meest prijs op stelt, en die dan neerlegt aan Athena’s voeten. En laat haar beloven om haar in haar tempel te offeren twaalf vlekkeloze runderen, als zij de stad slechts barmhartig wil zijn én de Trojaanse vrouwen en kinderen, en als zij de woest geweldige speervechter Diomedes weg houdt van het heilige Ilium, die thans schrik verspreidt, waar hij gaat. Hij immers schijnt mij thans onze meest geduchte vijand toe. Nooit joeg ons zelfs Achilles zoveel schrik aan, die toch onder alle strijders de eerste was en de naam heeft de zoon van een godin te zijn. Als een krankzinnige gaat die Diomedes te keer en geen man kan hem tegenhouden.’

De Trojanen vatten weer moed

VI; 11
Onmiddellijk volgde Hector de raad van zijn broer op, sprong in volle wapenrusting van zijn wagen en ging, een paar scherpe speren rondzwaaiend in zijn hand, allerwegen rond temidden van zijn mannen, hen aansporend om stand te houden en niet in moed te versagen. Hierop maakten rechtsomkeer de Trojanen en stelden zich tegen de Grieken teweer, die thans terugweken en geen vijand meer doodden. De Trojanen waren waarlijk zo vol moed weer, dat de Grieken meenden, dat enigerlei god uit de sterrenklare hemel neergedaald was om hen te helpen. En daar stond Hector zijn troepen op te hitsen, roepende luid: ‘Dappere Trojanen, roemrijke bondgenoten, zijt mannen, mijn vrienden en strijdt met de moed die u reeds altijd onderscheidde, terwijl ik ga naar Troje en onze oudsten en onze vrouwen zeg om de goden gunstig te stemmen met beloften van rijke offers.’
VI; 12
Na die woorden schreed Hector met wuivende helmbos stadwaarts, en de donkere leren rand van zijn gewelfd schild sloeg boven en onder tegen zijn enkels en tegen zijn nek.

De ontmoeting tussen Glaucus en Diomedes

VI; 13
Thans kwam Glaucus, zoon van Hippolochus, en Tydeus’ zoon, Diomedes, op elkaar toe in de open ruimte tussen de beide legers om het uit te vechten in een tweekamp. Binnen elkanders bereik gekomen daagde Diomedes, om zijn luide strijdkreet vermaard, de ander uit. ‘Maar wie hebben we daar?!’ Vroeg hij. ‘Zeg me uw naam, m’n beste heer, als ge inderdaad een man zijt. Tot dit ogenblik zag ik immers u niet eerder op het veld van eer. Toch hebt gij door u te wagen binnen de reikwijdte van mijn langschaduwige speer heel wat meer moed getoond dan wie ook uwer vrienden, want de vaders der mannen, die mij ontmoetten in mijn oorlogszuchtige woede, zullen wel spoedig tranen vergieten. Maar zijt ge één der onsterfelijken, nedergedaald uit de hemel, weet dan, dat ik niet tegen goden strijd. Zelfs de machtige Lycurgus immers, de zoon van Dryas, overleefde zijn twist met de goden niet lang. Hij joeg de voedsters van de oerwoedige god Dionysus voor zich uit over de heilige heuvelen van Nysa, en het heilige gerei viel hun uit de handen toen de moordlustige Lycurgus hen te velde met nijdige slagen van zijn bullepees. Dionysus vluchtte en nam de wijk onder de golven van de zilte zee, waar Thetis hem borg aan haar boezem, waar hij al bevende snikte van angst voor de wrede wandaad van die man. Doch de onsterfelijken, hoe los en licht ook van leven, wraakten wat hij deed, en Zeus sloeg hem met blindheid. En daarna leefde hij niet lang meer, die alle onsterfelijken tegen zich had. Dus moet ge niet op mij rekenen, als het aankomt op een strijd tegen onsterfelijken. Zijt ge echter één van de sterfelijken, die het land bebouwen om te leven, kom dan maar op en uw lot zal des te sneller zijn bezegeld.’
VI; 14
‘Mijn dappere heer, gij zoon van Tydeus,’ antwoordde Hippolochus’ edele zoon, wat deert u mijn afkomst? De geslachten in hun komen en gaan zijn als de bladeren der bomen, De wind waait, en verspreid op de grond dwarrelen de bladeren van nauwelijks één jaar. Maar komt de lente, dan botten de bomen weer uit en nieuwe bladeren groenen in plaats van dorre. Zo bloeit het ene geslacht en nadert een andere zijn einde. Doch wenst ge van mijn familie te horen, dan wil ik u verhalen , wat de meesten reeds weten. In een hoek van Argolis, waar grazen de paarden, is er een plaats Ephyra geheten. Hier leefde een man, Sisyphus van naam, listiger man was er nergens. Zijn vader was Aeolus. Die Sisyphus zelf had een zoon. Die werd Glaucus genoemd. En op zijn beurt was deze Glaucus de vader van de onvergetelijke Bellerophon. Bellerophon’s noodlot was het, een onderdaan te zijn van koning Proetus, die veel machtiger was dan hijzelf, twist met hem zocht en hem verbande uit het land der Grieken. Koningin Stheneboea, de vrouw van Proetus, was verliefd geraakt op de knappe jongen, die alles had, wat een man bekoorlijk kan maken, en hem smeekte om haar in het geheim ter wille te zijn. Bellerophon was een man, edel en waardig van inborst, en dus weigerde hij, wat die vrouw hem vroeg. Daarop ging Stheneboea naar koning Proetus met een leugen op de lippen. ‘Proetus,’ zo zei ze, ‘die Bellerophon heeft getracht mij te schenden. Dood hem of sterf zelf.’ Op die lasterpraat ontstak de koning in woede. Bijna had hij hem gedood, maar dat durfde hij toch niet. Dus verbande hij hem naar Lycië en gaf hem een dichtgevouwen schrijftafeltje mee, waarin hij dodelijke, onheilspellende tekenen gegrift had, om te overhandigen aan Lycië’s koning (Iobates), de schoonvader van Proetus, die hem dan wel zou doden. De goden, volmaakt in hun listen, schonken Bellerophon een voorspoedige reis; en toen hij Lycië bereikte en de breed stromende Xanthus, werd hij door de koning (Iobates) van dit grote rijk als een eregast ontvangen. Zijn gastheer onthaalde hem negen dagen lang en liet voor hem iedere dag een os slachten. Maar toen de tiende dag aanbrak, ondervroeg hij hem en wenste het aanbevelingsschrijven te zien, dat hij meegebracht had van zijn schoonzoon Proetus.
VI; 15
‘Toen hij diens noodlottige boodschap had ontcijferd, gelastte de koning (Iobates) Bellerophon om de monsterlijke Chimaera te doden, een schepsel, waarmee de goden de mensheid bezochten. De kop van een leeuw had dat monster, de staart van een slang, het lichaam van een geit en de adem van een vlammen spuwende oven. Bellerophon evenwel liet zich leiden door de goden en bracht het nare beest om. Zijn volgende opdracht was de strijd met de beruchte Solymiërs. Nooit, zo zei hij later, had hij een verschrikkelijker gevecht geleverd. En als derde taak doodde hij de Amazonen, die strijden als mannen. Doch de koning had weer wat nieuws uitgedacht en legde hem een sluwe hinderlaag, toen hij van dit laatste avontuur terug kwam. Hij zocht de beste krijgers van heel Lycië uit en stelde die verdekt op langs de weg. Geen hunner keerde terug, want de onvergetelijke Bellerophon doodde hen allen. Eindelijk besefte de koning dat hij een waarachtig zoon van de goden was. Hij overreedde hem, dat hij in Lycië blijven zou, bood hem zijn dochter tot vrouw aan, gaf hem de helft van zijn koninkrijk, en de Lyciërs zelf schonken hem een heerlijk landgoed voor eigen gebruik met wijngaarden in overvloed en rijke korenvelden.
VI; 16
‘Drie kinderen schonk de prinses die kordate Bellerophon: Isander, Hippolochus en Laodamia, die met Zeus Vader het bed deelde en de moeder werd van Prins Sarpedon, de held met de maliënkolder van brons. Doch wekte Bellerophon de toorn aller goden en zwierf, verteerd door smart, over de Aleïsche vlakte, mijdend alle verkeer met de mensen. Ares, die vraatzuchtige god van de krijg, had zijn zoon Isander gedood in de strijd met de vermaarde Solymi; en in haar toorn had Artemis met de Gouden Leidsels Laodamia getroffen. Slechts Hippolochus bleef over, wiens zoon ik ben. Hij zond mij naar Troje en vaak genoeg zei hij mij steeds de eerste te zijn, door geen overtroffen, want onze voorvaderen waren in Ephyre en Lycië de eersten; nooit mocht ik hun naam te schande maken. Zo is dan mijn afkomst en dit het bloed, waar ik uit stamde.’
VI; 17
Het verhaal van Glaucus verheugde het hart van de om zijn krijgsgeschreeuw geduchte Diomedes. Hij dreef zijn speer in de grond en sprak de Lycische prins hartelijk toe: ‘Waarlijk,’ zo zei hij, ‘uw familie en de mijne zijn door aloude banden verbonden. Oeneus, mijn edele grootvader, ontving eens als gast de onovertroffen Bellerophon in zijn paleis, waar hij hem twintig dagen herbergde, waarna zij elkaar de schitterendste gaven schonken, zoals gastheer en gast die plegen te wisselen. Oeneus gaf zijn vriend een gordel, met purper gekleurd, schitterend voor het oog; en Bellerophon schonk Oeneus een gouden beker met dubbel handvat, die ik thuis liet, toen ik ten strijde trok. Wat mijn vader Tydeus betreft, heb ik geen herinnering meer aan hem, omdat ik nog maar een zuigeling was, toen hij met de Grieken naar Thebe trok, wat slecht afliep. Maar ik heb al genoeg gezegd om u te tonen, dat ge in mij thans een goede vriend hebt in het hart van Argolis, en ik zal u tot vriend in Lycië hebben, mocht ik dat land ooit bezoeken. Laat ons dus elkaars speren mijden, zelfs in het heetst van de strijd: er zijn immers genoeg Trojanen en bondgenoten van Troje voor mij om te doden, mocht ik het geluk hebben hen in te halen, en genoeg Grieken voor u om te overwinnen, als ge kunt. En laat ons onze rustingen ruilen, zodat iedereen weet, dat de vriendschap van onze grootvaders ook vrienden van ons maakte.’
VI; 18
Zonder nog een woord sprongen ze van hun strijdwagens, schudden elkaar de hand en beloofden elkaar plechtig vriendschap en trouw. Doch Zeus Cronus’ zoon scheen Glaucus van zijn zinnen beroofd te hebben, want hij ruilde met Diomedes een gouden rusting voor een bronzen, een waarde van honderd ossen tegen de prijs van negen.

Hector gaat naar zijn moeder in de stad

VI; 19
Intussen had Hector bij de Scaeïsche poort de heilige eik bereikt, waar hij onmiddellijk werd omringd door Trojaanse vrouwen en dochters, die hem met vragen bestormden naar hun zoons en broers, naar hun mannen en vrienden. De één na de ander zond hij heen met de raad tot de goden te bidden, want velen wachtte een bittere rouw. Toen schreed hij naar Priamus’ paleis. Dat heerlijke huis had aan de voorkant zuilen van marmer en daarachter rijden zich vijftig vertrekken van gepolijste steen, waar Priamus’ zonen sliepen met hun vrouwen. Zijn dochters hadden afgezonderde kamers aan de andere kant van het binnenplein, waar voor hen twaalf aangrenzende slaapvertrekken waren gebouwd, van gepolijste steen en met stevig dak. Daar sliepen de schoonzoons van Priamus met hun geliefde vrouwen.
VI; 20
In het paleis ontmoette Hector zijn edele moeder, die daar binnen ging met Laodice, de schoonste van haar dochters. ‘Hector!’ riep zij uit en legde haar hand in de zijne. ‘Waarom kom je hier, mijn kind, in het heetst van de woedende strijd? Is het dan toch waar, dat die onuitsprekelijke Grieken ons terugdrijven en de muren van de stad gaan bestormen? En de geest dreef je hier om te komen en in gebed en smeking je handen op te heffen tot Zeus op de Acropolis? Maar wacht wat, terwijl ik je wat rijpe, zoete wijn haal voor een plengoffer aan Zeus Vader en de andere onsterfelijken, waarna je zelf kunt drinken, als je lust hebt. Een grote troost is de wijn voor de moeden; en hoe moe en uitgeput moet jij niet zijn na zo hard voor je dierbaren te hebben gevochten.’
VI; 21
‘Mijn edele moeder,’ antwoordde de grote Hector met glanzende helm, ‘haal mij geen wijn, of wilt gij mij zwak in de knieën maken, zwak en week? Ook zou ik het niet mogen wagen om Zeus Vader fonkelende wijn te plengen met bezoedelde handen. Geen man kan bidden tot Cronus’ zoon, Zeus, de Heer van de donder, als hij bespat en besmeurd is met bloed en vuil. Gij zijt het die bidden moet. Roep de oudsten der vrouwen bijeen en ga met offers naar de tempel van de strijdbare Athena. Neem een mantel, de schoonste en grootste, en leg die aan de voeten van de goddelijke Athena. Beloof haar een offer van twaalf jonge runderen, vlekkeloos en rein nog, als zij de stad barmhartig wil zijn en Troje’s vrouwen en kinderen, en als zij die woedend krijgszuchtige speerwerper, de zoon van Tydeus, die schrik verspreidt, waar hij gaat, weg houdt van het heilige Ilium. Ga dus naar het heiligdom van de strijdbare Athena, terwijl ik ga naar Paris om hem naar buiten en ten strijde te roepen, hoezeer ik ook aan hem twijfel. Waarlijk wenste ik wel, dat de aarde zich openen mocht om hem te verzwelgen. De goden lieten hem enkel maar rijpen tot een man om een doorn te worden in het vlees der Trojanen en van mijn koninklijke vader en diens zoons. Zag ik hem onderweg naar de poorten van Hades, dan zou dat waarachtig een pak van mijn hart zijn.

De Trojaanse vrouwen smeken Athena

VI; 22
De moeder van Hector ging het paleis binnen en gaf aan haar dienstmaagden haar bevelen, die toen rondgingen in de stad om de oudsten der vrouwen te verzamelen, terwijl zij zich begaf en afdaalde naar de welriekende voorraadkamer, waar zij haar rijkgeborduurde gewaden bewaarde. Die waren het werk van vrouwen uit Sidon, die prins Paris zelf over de zee vanuit Sidon gehaald had, toen hij die zeereis maakte, waarvan hij de hooggeboren Helena thuis bracht. Hecabe zocht het langste en schoonst versierde gewaad uit als geschenk voor Athena. Onderop lag het, en thans schitterde het als een ster. Daarmee ging zij op weg nu en een aantal der oudsten en voornaamsten onder de vrouwen van Troje volgden haar in allerijl.
VI; 23
Toen zij de tempel van Athena hoog op de vestingheuvel bereikten, werden voor hen de deuren geopend door Theano met de frisse wangen, Cisseus’ dochter en vrouw van de wagenmenner Antenor, aangesteld door de Trojanen als priesteres van Athena. Met een luide kreet, waarin allen deelden, hieven de vrouwen hun handen naar Athena op, en Theano met de liefelijk blozende wangen nam het gewaad, dat zij legde op de knieën van de godin. En toen bad zij tot de dochter van de alvermogende Zeus: ‘Edele Athena, machtige godin, beschermster van steden, breek de speer van Diomedes, breng hem ten val voor de Scaeïsche Poort. En dan offeren wij u hier in uw heiligdom twaalf vlekkeloze runderen. Maar heb erbarmen met de stad en de Trojanen. Zo bad Theano, maar Athena weigerde die bede.

Hector en Paris

VI; 24
Terwijl nu de vrouwen baden tot de dochter van Zeus de almachtige, ging Hector op weg naar het schitterende huis, dat Paris strekte tot woning. Paris zelf had het gebouwd met de beste ambachtslieden, die in het vruchtbare, Trojaanse land te vinden waren. Zij bouwden het voor hem met slaapvertrekken, zaal en binnenhof, dicht bij de huizen van Priamus en Hector op de vestingheuvel der stad. De koninklijke prins Hector stapte naar binnen met een speer in de hand van elf ellen lang. De bronzen punt flonkerde als een licht voor hem uit; en er was een gouden ring om de bovenkant van de schacht.
VI; 25
Hij trof Paris in zijn slaapvertrek aan, waar hij zijn mooi harnas aan ’t oppoetsen was en met welbehagen keek naar zijn kloek gebogen boog, terwijl de Griekse Helena naast hem zat en een oog hield op haar ijverig handwerkende hofjuffers. Zodra hij Paris zag, nam Hector hem geducht onder handen. ‘Man,’ zo zei hij, ‘je vergooit je door je zo te verschuilen, terwijl onze mannen voor de stad al strijdende sneuvelen tot vlak voor de muren. Jouw schuld is het, dat deze stad door het rumoer van de strijd wordt bedreigd, en jij zoudt de eerste zijn om met ieder ander ruzie te zoeken die je op het slagveld zag afdeinzen. Schiet op en vooruit, voordat heel de stad opgaat in vlammen!’
VI; 26
Paris antwoordde: ‘Je bent volkomen in je recht om mij die verwijten te maken. Maar luister: ik verschuil me heus niet. Ik heb niets op de Trojanen aan te merken, doch in mijn kamer trok ik mij terug met mijn eigen verdriet. Doch juist heeft mijn vrouw in geenszins twijfelachtige termen mij op het hart gebonden, terug te keren naar de strijd. En ik meen dat zij gelijk heeft. Het geluk van de man in de strijd wisselt snel. Dus wacht nu even, tot ik me wapen. Of ga anders vast vooruit. Ik volg wel en zal je spoedig ingehaald hebben.’
VI; 27
Die woorden lieten Hector sprakeloos. Maar Helena deed haar best nu om de vederboswuivende held in zijn toorn wat milder te stemmen. ‘Broeder,’ zei ze, ‘ik ben werkelijk niet beter dan een straatmeid, schaamteloos, kwaadaardig. O, hoe kan ik wensen, dat op de eigen dag, dat mijn moeder mij baarde, een wervelstorm mij wegvoerde in de bergen of diep in de bulderende zee, en dat ik bedolven was, voordat dit alles kon geschieden! En als dan alle goden de dingen beschikten tot dit noodlottige einde, had ik dan toch maar een betere echtgenoot getroffen, die enig gevoel had voor de verwijten en verachting van zijn medemensen. Maar het is nu eenmaal zo, dat de man, die ik kreeg, een onstandvastige wispelturige windvaan is. En hij zal zo wel blijven, al zal er een dag komen, dat hij berouwt, daarvan ben ik zeker. Maar blijf daar niet staan, mijn lieve broeder, neem plaats op die zetel. Niemand in Troje heeft groter last te dragen dan gij, en alles door mijn eigen schaamteloosheid en de slechtheid van Paris, noodlottig paar dat we zijn, door de hemelen gekweld, om eens te worden bezongen in de liederen van hen, die thans nog niet zijn geboren.’
VI; 28
‘Wel vriendelijk zijt ge, Helena, ‘zei de grote Hector met wuivende helmbos, ‘maar vraag me niet om plaats te nemen. Slechts weigeren kan ik , want reeds ben ik laat en vol onrust om terug te keren en de Trojanen te helpen, die mij deerlijk missen, als ik weg ben. Wat ge voor mij doen kunt, is die kerel wat haast te laten maken. Laat hem zorgen, dat hij opschiet. Dan haalt hij me misschien nog in, voordat ik de stad verlaat, want ik wil nog even mijn eigen woning binnengaan, mijn huisgenoten zien, mijn vrouw vooral en mijn kleine jongen. Ik weet immers niet, of ik ooit nog bij hen terug keer of dat ik gedoemd ben om nog deze dag aan de Grieken ten offer te vallen.’
VI; 29
Met deze woorden nam Hector met schitterende helm afscheid en bereikte al spoedig zijn eigen, weldoortimmerde woning. Doch hij vond zijn vrouw Andromache – blank zijn haar armen – niet thuis. Ze was met haar kind en diens min op de stadswal geklommen en stond daar nu betraand en vol droefheid.

Hector en Andromache

VI; 30
Toen Hector zijn vrouw niet thuis trof, bleef hij staan op de drempel om navraag te doen bij de dienstmaagden. ‘Zeg me meisje,’ zo zei hij, ‘wat er geschiedt is. Waarheen is mijn vrouw Andromache gegaan, haar woning verlatend? Bezoekt zij één van mijn zusters of de vrouwen mijner edele broeders? Of ging zij heen naar het heiligdom van Athena, waar de andere vrouwen van Troje de verheven godin Athena om haar bemiddeling en tussenkomst te smeken?’
VI; 31
‘Hector,’ antwoordde hem een van zijn ijverig bedrijvige maagden, ‘daar ge de waarheid zult weten, zeg ik u, dat zij niet uw zusters bezocht noch de vrouwen uwer edele broeders. Ook ging zij niet naar Athena’s tempel met de andere edelvrouwen om daar de verheven godin te bidden. Zij klom tot op de wallen van Ilium, want zij hoorde, dat onze mannen waren verslagen en dat de Grieken een grote overwinning behaalden. Dus ging zij in allerijl naar de muren, als van zinnen, en de min volgde met het kind op de arm.’
VI; 32
Toen Hector dit hoorde, verliet hij snel de woning en schreed in allerijl terug door de brede straten van zijn stad, terug naar de Scaeïsche poort, waardoor hij weer naar het slagveld wilde trekken. Toen zag hij Andromache, de rijk begiftigde, zelf hem tegemoet snellen. Van de grootmoedige Eëtion was zij de dochter, van de Cilicische koning, die leefde aan de voet van de beboste helling van de Placos, in de stad, die Thebe-onder-Placos heet.
VI; 33
Nu kwam ze haar in het brons geharnaste man tegemoet met de min die het kind droeg, hun zoontje, Hector’s lieveling, zo schoon als een ster. Hector noemde hem Scamandrios, maar de anderen ‘Astyanax’, Schutse der Stede, omdat Hector, zijn vader, het levende bolwerk van Ilium was.
VI; 34
Hector keek naar zijn zoon, glimlachte, maar zweeg. Andromache, die in tranen uitbarstte, liep op hem toe en legde haar hand in de zijne. ‘Een bezetene ben je, mijn Hector,’ zo zei ze. ‘O rampzalige, jouw moed zal eens nog je dood zijn! Je denkt niet aan je kleine jongen, niet aan je ongelukkige vrouw, die je wel spoedig tot weduwe zult maken! Op zekere dag zullen de Grieken je omsingelen en doden. En verloor ik jou, beter kon ik zelf dan dood zijn. Geen troost is mij gelaten, als het zware lot je treft, doch enkel het wreedste verdriet. Geen vader, geen moeder, heb ik nog. Mijn vader viel onder de handen van de grote Achilles, toen die onze schone stad plunderde, het Cilicische Thebe met zijn hoge poorten. Maar ofschoon Achilles Eëtion doodde, was hij te edel om hem te beroven. In zijn rijk versierde wapenuitrusting verbrandde hij zijn lijk op de brandstapel en richtte boven zijn as een grafheuvel op; en de nimfen der bergen, dochters van Zeus Vader, omringden de grafplaats met olmen. Ook had ik zeven broers thuis, die allen op één dag de weg vonden naar Hades’ sombere rijk. De grote Achilles, de snelvoetige, doodde hen allen temidden hunner sleeppotige runderen en wit wollige schapen. En mijn moeder, die in Thebe koningin was, aan de voet van het bergwoud van Placos, die bracht Achilles hier als een deel van zijn buit. Doch voor een vorstelijk losgeld bevrijdde hij haar; zij werd gedood in haar vaders huis door Artemis met haar boog.
VI; 35
‘Dus zijt gij mij, Hector, tot vader en moeder en broeder, zowel als mijn echtgenoot. Heb thans medelijden met mij en blijf hier met mij op de burcht; maak uw vrouw niet tot een weduwe, uw zoon niet tot een wees. Roep de Trojanen bijeen daar bij de vijgenboom, waar de wal het makkelijkste is te bestormen en de stad het kwetsbaarst. Driemaal reeds hebben de besten van hen, Ajax en Ajax en de befaamde Idomeneus, onder de zonen van Atreus en de geduchte Diomedes, daarop hun aanvallen gericht en een bres trachtten te slaan. Iemand, met de godsspraken bekend, moet hun ervan hebben verteld, of zijn gaan af op hun eigen oordeel.’
VI; 36
‘Dit alles, mijn liefste vrouwe,’ sprak de grote Hector met wuivende helmdos, ‘is mijn zorg ook. Doch verschool ik mij als een lafaard en weigerde ik te strijden, nooit zou ik de Trojanen en Trojaansen in slepend gewaad nog onder de ogen durven te komen. Ook zou het me tegen de borst stuiten, omdat ik mij altijd, als een goed strijder, tot gewoonte gemaakt heb in de voorste gelederen te vechten en daar roem te oogsten voor mijn vader en mijzelf. In het diepst van mijn hart weet ik, dat de dag nadert, dat het heilige Ilium zal worden verwoest met Priamus en Priamus’ volk, vermaard als strijders met de speer van goed essenhout. Toch drukt mij niet zozeer de gedachte aan wat de Trojanen zullen lijden of Hecabe zelf of koning Priamus of al mijn dappere broeders, die de vijand in het zand doen bijten, dan wel de gedachte aan u, in tranen weggevoerd als slavin door de een of andere strijder der Grieken. Ik zie u daarginds, in Argolis, zwoegend voor zo’n Griekse aan het weefgetouw of waterdragend uit de Hypereïsche bron of uit die van Messeïs, willoos slavend voor anderen. En zij zullen zeggen, als zij u in tranen zien: ‘Daar gaat de vrouw van Hector, de voorvechter van de paardenbedwingende Trojanen, toen Troje viel!’ en telkens als zij dit zeggen, zult ge temeer smart in uw hart voelen om het verlies van de ene man, die u had kunnen bevrijden. O, moge de aarde in laag op laag mijn dode lichaam bedekken voordat ik de kreten hoor die gij slaakt, wanneer zij u wegvoeren!’
VI; 37
Na die woorden strekte de roemrijke Hector de handen uit om zijn zoon op de arm te nemen. Maar het kind drukte zich met een kreet van angst tegen de borst van zijn voedster, geschrokken door het geduchte voorkomen van zijn vader, door het fonkelende brons van de helm en door de helmbos van paardenhaar, die hij nu zo dicht voor zijn ogen zag wuiven en zwaaien. Zijn vader en moeder moesten lachen. Maar de edele Hector nam vlug zijn helm af en zette dat bangmakende fonkelding op de grond. Toen kuste hij zijn zoon, liet hem springen op zijn arm en bad tot Zeus Vader en de andere goden: ‘Zeus, en ook gij andere goden, geeft dat deze zoon van mij, zoals ikzelf, één der eersten in Ilium zijn moge en een machtig vorst van Troje, zodat het volk moge zeggen, als hij keert uit de strijd: ‘hier komt een dapperder nog dan zijn vader!’ Dat hij thuis brenge de met bloed besmeurde rusting van de vijand, die hij doodde, en vreugde schenke zijn moeder.’
VI; 38
Hector reikte het kind aan zijn vrouw, die hem drukte tegen haar zacht welriekende boezem. Zij glimlachte door haartranen heen, en toen haar man dit zag, werd hij geroerd. Hij streelde haar met de hand en zei: ‘Liefste, wees zo bedrukt toch niet. Niemand zal mij afschepen naar Hades voor mijn tijd. Maar geen mens, uit een vrouw geboren, hetzij lafaard of held kan aan het noodlot ontsnappen. Ga naar huis nu en bezorg daar uw eigen werk aan spinrokken en weefgetouw en drijf ook uw dienstvrouwen daartoe aan. Oorlog is voor de mannen en deze oorlog is de taak van elke man in Troje, van mijzelf bovenal.’
VI; 39
Zo sprak hij en nam de helm met de wuivende paardenstaart op; en zijn vrouw ging naar huis toe, huilde grote tranen en keek nog vaak om. Spoedig had zij haar woning bereikt, en daar in het paleis van Hector de doder van Mannen vond zij haar dienstvrouwen en bewoog hen tot klagen.
VI; 40
Aldus rouwden zij om Hector in zijn eigen huis, ofschoon hij nog leefde, want zij dachten, dat hij het geweld der Grieken nimmer overleven zou, noch terugkeren van het slagveld.

Paris en Hector gaan weer naar de strijd

VI; 41
Ook Paris had zich gerept, had in zijn hoge huis niet stilgezeten. In een ommezien had hij zijn schitterende harnas, met brons versierd, aangeschoten en was in allerijl de stad uitgestoven, als een volbloed, die het halster verbreekt, dat hem bindt aan de voerbak, waar rijkelijk voedsel hij vindt, en dwars door de velden weg galoppeert, hinnikend van vreugde, naar zijn drenkplaats aan de rivier, waar hij zich baadt in het welige water. Hij steekt de kop in de lucht; zijn manen flakkeren als vlammen; nauwelijks raken zijn hoeven de grond; weg stuift hij, waar de merries grazen. Zo ook Priamus’ zoon, Paris, al dravend uit Pergamos’ veste, schitterend in zijn harnas als de verblindend stralende zon, en lachend waar hij ging.
VI; 42
Spoedig had hij Hector, zijn edele broer, ingehaald, waar die nog met zijn vrouw had staan praten. Maar voordat Hector nog sprak, begon prins Paris te pleiten met woorden. ‘Broerlief,’ zo zei hij, ‘ik vrees, dat ik al te langzaam was en je wachten liet in je ongeduld om terug te gaan naar de strijd. Ik was niet zo stipt als gij wenste.’
VI; 43
‘O, gij dwaas,’ antwoordde hem Hector met glinsterende helm, ‘geen man, die bij zinnen is, zal je wapenfeiten onderschatten; moed heb je genoeg. Maar al te gauw ben je geneigd om de strijd op te geven, als het je zo uitkomt. En ik vind het beschamend te horen, hoe de Trojanen je laken, terwijl jij toch alles over hen bracht. Maar laat ons nu gaan. Later zal ik je ruime genoegdoening geven voor alles wat ik overijld mocht hebben gezegd, als Zeus Vader ons ooit geeft, dat wij de Grieken uit ons land verdrijven, en al wij onze bevrijding vieren met plengoffers aan de eeuwige goden, thuis, in ons paleis.’

7. Duel van Hector en Ajax

Athena en Apollo smeden een plan

VII; 1
Heer Hector zweeg, maar ging snel met zijn broer Paris de poort uit. Beiden had de strijdlust te pakken. En voor de afwachtende Trojanen was hun terugkomst zo welkom, als het opsteken van de wind voor het scheepsvolk, in armen en benen vermoeit door het hanteren van de riemen.
VII; 2
Onmiddellijk maakte elk van beiden zijn slachtoffer. Paris velde Menesthius, die in Arne thuis was, de zoon van koning Areïthous de Knuppelaar en van de grootogige Phylomedusa. Hector trof met zijn scherpe speer Eioneus in de nek onder de bronzen rand van zijn helm en joeg hem naar Hades. Intussen raakte Hippolochus’ zoon, Glaucus, de zoon van Dexius, Iphinous, met zijn speer, welke over het mannengewemel heen vloog, in de schouder juist toen hij de zweep over zijn snelle merries wilde leggen. Hij viel uit zijn wagen en zakte ineen op de grond
VII; 3
Toen de godin Athena met haar fonkelende ogen zag, hoe zij in hun woedende aanval haar Grieken velden, snelde zij omlaag van de toppen van de Olympus naar het heilige Ilium. Maar Apollo, die wenste, dat die van Troje zouden winnen, zag haar vanaf Pergamus en haastte zich om haar voor te zijn. Bij de grote eik ontmoetten zij elkaar en Zeus’ zoon, Apollo, sprak haar aanstonds aan. ‘Dochter van de alvermogende Zeus,’ zo zei hij, ‘waarom zijt gij zo haastig afgedaald van de hoge Olympus? Met welke grote plannen snelt ge hierheen? De ondergang der Grieken beoogt ge niet, dus wilt ge zeker voor de Grieken uw best doen? Maar wil naar mij luisteren, want ik heb nog een beter plan. Laat ons voor het ogenblik de strijd doen ophouden. Op een andere dag kunnen ze dan weer opnieuw beginnen en doorgaan tot ze met Ilium kunnen doen wat zij willen. Gij, o godin, zult immers niet tevreden zijn, totdat zij die stad met de grond gelijk gemaakt hebben.’
VII; 4
‘Vorst der boogschutters, zo zij het,’ sprak Athena met fonkelende ogen. ’Dit ook beoogde ik, toen ik neerdaalde van de Olympus om het strijdgewoel te bezoeken. Maar hoe wilt gij die mannen hun strijd doen staken?’ Zeus’ zoon, Apollo gaf haar ten antwoord: ‘wij zouden bij de paardentemmer Hector de strijdlust kunnen aanwakkeren, zodat hij een van de Grieken uitdaagt tot een tweekamp op leven en dood. De in koper geharnaste Grieken zullen dan wel op hun tellen passen en één van hun beste mannen uitkiezen om het tegen de grote Hector op te nemen.’ Zo was Apollo’s plan en de fonkelogige Athena maakte geen bezwaar.

Hector daagt de Grieken uit voor een tweekamp

VII: 5
Priamus’ zoon, Helenus, kon wel raden, wat die goden van plan waren, en hij ging onmiddellijk naar zijn broer Hector en zei: ‘Wilt ge in uw wijsheid toestaan, dat uw broeder u raad geeft? Ik stel voor, dat ge de Trojanen en Grieken laat neerzetten en een held van de Grieken uitdaagt in een gevecht van man tegen man. Ge hoeft voor uw leven niet te vrezen. Uw tijd is nog niet gekomen. Dit weet ik van de onsterfelijken zelf.’
VII; 6
Hector was verheugd in zijn hart. Hij schreed tot in het open veld tussen de twee legers, greep zijn speer in het midden vast en dwong de Trojanen terug. Allen gingen zitten, en Agamemnon deed insgelijks met zijn mannen. Ook Athena en Apollo zetten zich in de gedaanten van gieren op een tak van de hoge eik, aan Zeus toegewijd. Hun hart verheugde zich over het gezicht van al die Trojaanse en Griekse strijders, op de vlakte neergezeten, rij na rij, met al die schilden, helmen en speren als de versomberde zeevlakte, waar de westenwind in golven over te spelen begint.
VII; 7
Staande tussen de beide legers sprak Hector: ‘Trojanen en Grieken, gij krijgers, verneemt thans mijn voorstel. Zeus Vader, vanaf zijn hoge troon in de hemelen, vergunde ons bestand geen bestendige duur. Klaarblijkelijk is zijn plan dat we allen zullen zwoegen en lijden, totdat gij Grieken de wallen van Troje geslecht hebt, of dat gij zelf bij uw zeebouwende schepen ons ten offer valt. Gij hebt in uw leger de moedigste mannen van heel Griekenland. Is er één van hen om tegen mij te strijden? Zo ja, dat hij uit het midden zijner vrienden naar voren treed om te strijden namens allen tegen Hector. En dit zijn mijn voorwaarden, die ik stel met Zeus Vader tot getuige. Als uw kampioen mij doodt met zijn puntige lange speer, kan hij mij van mijn wapenrusting beroven en die meevoeren naar uw zwarte schepen; maar hij moet zorgen, dat ze mijn lijk naar huis voeren, zodat de Trojanen en hun vrouwen het kunnen verbranden zoals het past. Laat Apollo mij winnen en dood ik uw man, dan zal ik hem ontdoen van zijn rusting, die ik meeneem naar het heilige Troje en hang aan de muur van Apollo’s heiligdom; doch zijn lijk zal ik laten voeren naar uw stevige schepen, zodat de Grieken hem kunnen begraven als het past en een grafheuvel boven hem oprichten aan de brede Hellespont. Dan zal er op een dag in de toekomst een zwerver zeggen, die daar voorbij zeilt in zijn welgebouwd schip over de als wijnmoer donkere zee: ‘dit is het gedenkteken van een krijger der oudheid, die in een tweekamp door de doorluchte Hector werd gedood.’ En aldus zal mijn faam leven voor immer.’

Menelaus wil de uitdaging aannemen

VII; 8
De vijand zweeg stil na die woorden van Hector. Hun eer liet niet toe om zijn uitdaging te weigeren, maar voor het aanvaarden ervan deinsden zij terug. Eindelijk na veel innerlijke strijd, stond Menelaus op en verweet met bitterheid zijn mannen, want mannen kan ik jullie niet noemen, hoe vlug jullie anders met je dreigementen ook zijn?! Geen enkele Griek die het opneemt tegen Hector? O oneer! O schande! Maar goed dan, blijf dan maar zitten, waar je zit, lafaards zonder één uitzondering; en dan zal ik mij wel wapenen en hem zelf kamp bieden. Hoe het afloopt weten de goden alleen.’
VII; 9
Meer zei hij niet, maar hulde zich in zijn schitterende rusting. En dit, o Menelaus, zou uw einde zijn geweest, want Hector, in de strijd uw meerdere, zou u hebben gedood, als de leiders der Grieken niet als één man waren opgesprongen om u te weerhouden, en als Atreus’ zoon, Agamemnon zelf, u niet bij de rechterhand had gegrepen en gekalmeerd. ‘Menelaus, verdwaasd zijt gij,’ riep hij, ‘niets noopt u tot die dwaasheid. Trek u terug, hoe beschamend het ook schijnt. Laat de eerzucht u niet een man bekampen, sterker dan gij. Niet de eerste zoudt ge zijn, die terugschrikt voor Hector. Zelfs Achilles schroomde, hem op het veld van eer te ontmoeten, en Achilles is bij verre veel sterker dan gij. Ga dus terug nu, neem weer plaats in het midden uwer mannen; en de Grieken zullen wel iemand vinden, die voor hen strijdt tegen die man daar. Hij moge dan al zonder vrees en vol strijdlust zijn, maar ik geloof, dat zelfs Hector blij zal zijn, als hij levend ontkwam aan de verschrikking waar hij nu zelf om vraagt.’

Nestor spreekt de Grieken toe

VII; 10
Voor de wijze raad van zijn broer moest Menelaus wel zwichten; en opgelucht zagen zijn mannen hoe hij zich weer van zijn harnas ontdeed. Daarop was het Nestor, die opsprong en sprak tot de Grieken. ‘Dit is,’ zo sprak hij, ‘wel in staat om heel Achaea te doen schreien, om het hart te verscheuren van de oude wagenstrijder Peleus, van die grote redenaar en aanvoerder van de Myrmidonen, die zo graag van mij hoorde, toen ik zijn gast was, de afkomst en verwantschap van elk der Grieken. Hoorde hij, dat diezelfde mannen nu allen in hun schulp kropen voor Hector, dan zou hij zijn handen opheffen naar de goden en hun smeken, dat zijn geest zijn vlees mocht verlaten en afdalen naar Hades’ duistere woning! Ach, Zeus Vader, Athena, Apollo, was ik toch zo jong maar als destijds, toen de scharen der Pyliërs met de Arcadische speervechters streden bij de wateren van de Iardanus! De sterksten onder hen, Ereuthalion, daagde ons uit. Als een god was hij, en hij droeg het schitterende harnas van koning Areïthous, de grote, die zijn landgenoten de Knuppelaar noemden, omdat hij nooit met een boog of een lange speer streed, maar met een ijzeren knots de gelederen van de vijand uiteen joeg. Lycurgus doodde hem, niet omdat hij sterker doch wel listiger was. Hij wachtte hem op in een enge bergpas, waar zijn knots van ijzer hem niet kon redden. Voordat de Knuppelaar zijn wapen kon zwaaien, had Lycurgus hem al overvallen. Hij doorboorde hem de buik met zijn speer en met groot tumult tuimelde hij neer op zijn rug op de grond. Daarop ontdeed hij hem van zijn harnas, dat krijgsgod Ares hem schonk en droeg het voortaan zelf, als hij trok ten strijde. Lycurgus schonk het op zijn beurt aan Ereuthalion, zijn schildknaap, toen hijzelf zijn laatste levensdagen sleet in zijn paleis. En aldus daagde Ereuthalion onze dappersten uit in het harnas van Areïthous. Maar niemand waagde het, die uitdaging te aanvaarden, want allen had de schrik te pakken. Doch de lust tot de daad was sterk in mij en ik was zo stoutmoedig om de tweekamp te wagen, al was ik ook van allen de jongste. En wij vochten en Athena schonk mij de overwinning. Hij was de grootste en sterkste van allen die ik ooit doodde. En hij leek wel een reus, zoals hij daar uitgestrekt lag in zijn volle lengte en breedte. Ach, was ik toch jong en sterk zoals toen! Dan zou die Hector, wiens helm blinkt in de zon, niet lang op zijn tegenstander wachten! Maar thans, helaas, zie ik de sterksten van de Grieken voor me, en geen, die het waagt, tegen Hector te strijden.’

Ajax wordt gekozen door het lot

VII; 11
Op die verwijtende woorden van de grijsaard sprongen negen man op. Het eerst Agamemnon de koning. Toen de machtige Tydeus’ zoon, Diomedes. En daarop de twee Ajaxen, vol strijdlust. Toen Idomeneus en Idomeneus’ schildknaap Meriones, in het mannen doden de krijgsgod gelijk. Ook Eurypylus, de hooggeboren zoon van Evaemon. Andraemon’s zoon Thoas, sprong eveneens overeind, en natuurlijk ook de veellistige Odysseus. Toen die allen zich vrijwillig hadden opgedaan om tegen prins Hector te strijden, rees Nestor, de Gerenische ruiter, andermaal overeind en sprak: ‘Dat het lot nu beslisse, wie uwer de eer zal hebben, want de aangewezene door het lot zal niet enkel een grote dienst bewijzen aan de legers der Grieken, doch tevens een grote beloning verwerven in zijn eigen hart, als hij levend ontkomt aan die bloedige tweestrijd.’ Elk hunner merkte zijn eigen lot en wierp het toen in de helm van Atreus’ zoon Agamemnon, terwijl de scharen de handen ophieven ten hemel en baden. ‘Zeus Vader,’ zo zeiden zij, terwijl ze opblikten naar het brede hemelgewelf, ‘laat het Ajax zijn, of Diomedes, of de koning van het gouden Mycene zelf!’
VII; 12
Terwijl ze zo baden schudde de Gerenische ruiter, Nestor, de helm en sprong het lot van Ajax eruit, zodat hun vurigste hoop werd vervuld. Een heraut ging ermee rond, van links naar rechts, zodat eenieder van de aanvoerders der Grieken het zagen en vast konden stellen, dat het inderdaad niet zijn lot was. Tenslotte kwam de man op zijn ronde bij de man, die het lot had gemerkt en in de helm geworpen, Ajax, de roemvolle zelf. De heraut trad op hem toe en drukte hem het lot in de hand. Ajax herkende het merkteken en verheugde zich. Hij wierp het lot voor zijn voeten op de grond en zei: ‘Van mij is dat lot, mijn vrienden, en ik ben verheugd in mijn hart, want ik meen de edele Hector te slaan. Slechts vraag ik u, dat gij, terwijl ik mij wapen voor de strijd, tot Cronus’ koninklijke zoon, Zeus, zult bidden. Doch doe het in stilte, zodat de Trojanen niet zullen kunnen horen, wat gij bidt. Of – kom aan – bidt hardop! Voor niemand en niets zijn wij bang immers. Niemand zal met mij kunnen doen, wat hij wil, - niemand zal mij op de vlucht jagen, door bruut geweld noch door list. Ook ik immers kan vechten, naar ik hoop, en ben niet voor niets in Salamis geboren en opgevoed.’ Dus baden zij luide tot Zeus Vader, Cronus’ zoon. Zij keken op naar de wijde hemel en zeiden: ‘Vader Zeus, gij die heerst vanaf de Ida, roemvol en grootst, schenk aan Ajax de overwinning. Doch mint gij ook Hector en zijt gij hem ook goedgezind, laat dan geen van beiden worden verslagen en de strijd onbeslist eindigen.’

Ajax en Hector spreken elkaar toe

VII; 13
Terwijl zij zo baden, kleedde Ajax zich in het schitterend brons. Toen hij dan in volle wapenrusting was gekleed, stormde hij erop los, als de woest geduchte Ares zelf, wanneer hij zich mengt in het stormachtige geweld van twee elkaar in een strijd van man tegen man ontmoetende legers, opgejaagd tegen elkaar in zielenvernietigende haat door de zoon van Cronus. Aldus doemde daar op die reusachtige Ajax, het bolwerk der Grieken, en snelde ten strijde, een glimlach op het grimmige gezicht, zwaaiende zijn speer onder het gaan, die een lange schaduw op de grond wierp. De Grieken, toen zij hem zo zagen, waren vol vreugde, en er was geen Trojaan, wiens knieën niet trilden. Zelfs Hector’s hart klopte hem in de keel. Doch thans was het voor hem te laat om zich nog te redden, want hij was immers de uitdager. En reeds was Ajax vlakbij en hief zijn schild, dat was als een toren, van brons gemaakt en met leer in zeven lagen bekleed. Tychius, meester in het bewerken van leer, die woonde in Hyle, had dit glanzende schild voor hem gemaakt uit de huiden van zeven grote stieren en een achtste laag van glinsterend brons. Dit schild als een muur voor zijn borst heffend, naderde de Telamonische Ajax de held Hector en toen bleef hij staan om hem uit te tarten. ‘Hector,’ zo zei hij, ‘thans gaat ge in een tweestrijd ervaren, over wat strijdbare helden wij Grieken beschikken, zelfs nu zij niet kunnen rekenen op Achilles met zijn hart als een leeuw, die de mannen breekt naar zijn wil. Doch nu ligt hij niets doende bij zijn gebogen schepen te mokken wegens een geschil met Agamemnon, de aanvoerder van allen. Niettemin hebben wij mannen, die het tegen u op kunnen nemen, ja, in overvloed zelfs. Aan u is het om de strijd te beginnen.’
VII; 14
Hem antwoordde Hector en als de zon glansde zijn helm: ‘Telamon’s koninklijke zoon Ajax, tracht mij geen schrik aan te jagen, als was ik een klein kind of een vrouw, zonder enige ervaring van de krijg. Mij zijn oorlog en slachting vertrouwd. Ik weet heus heel goed wel, hoe mijn taai schild te hanteren, naar rechts of naar links, naar het past. Daardoor onderscheidt zich, naar ik meen, de geoefende strijder. Ik weet ook, hoe mijn strijdwagen te mennen in het heetst van de strijd; en ik ken de knepen van het gevecht van man tegen man, als daartoe de oorlogsgod ons noopt. Maar een man als u wens ik niet listig te besluipen als een jager zijn buit en u dan heimelijk te treffen. Duidelijk zichtbaar voor u dril ik mijn lans, en dat ik u raak, geven de goden!’

De tweekamp

VII; 15
Met die woorden hief hij zijn speer – op de grond wierp die een lange schaduw – en mikte en smeet. Het geduchte, zevenhuidige schild van Ajax raakte hij op de achtste laag. De onverzadigbare speerpunt drong door zes lagen heen, maar bleef steken in de zevende. En daarop haalde de koninklijke Ajax uit met zijn lang schaduwige lans. Het zware wapen trof het ronde schild van Priamus’ zoon drong er doorheen, baande zich een weg door het schoon versierde borstharnas, en verder nog door de tunica in Hector’s zijde die echter slechts werd geschampt, want tijdig wist Hector te zwenken. En toen, nu elk zijn lange speer weer losgerukt had, wierpen ze zich op elkander als verscheurende leeuwen of als everzwijnen, wier kracht niet gering is. Hector trof Ajax in het midden van zijn schild. Maar de bronzen speerpunt kwam er ook nu niet doorheen. Daarop sprong Ajax toe, raakte het schild van Hector, waar de speer recht doorheen schoot met kracht te over om hem in de hals te treffen, zodat het donkere bloed tevoorschijn sprong. Doch nu zelfs gaf Hector met zijn stralende helm de strijd nog niet op. Hij week een weinig terug en nam met zijn sterke hand een grote, kantige steen op, die daar op de grond lag, wierp die met geweld naar Ajax’ geduchte, zevenhuidige schild, raakte het brons, dat zong als een bel, maar toen raapte Ajax op zijn beurt een steen op, groter nog, die hij zwaaide en met zoveel geweld naar Hector wierp, dat de grote kei zijn schild deed scheuren en Hector zelf op de grond viel. Hector, door zijn schild gehinderd, lag uitgestrekt op de grond. Doch Apollo had hem spoedig weer op de been. En nu zouden ze, oog in oog, op elkaar hebben geslagen met hun zwaarden, blindelings op moord bedacht, als niet de herauten, die afgezanten van goden en mensen – Talthybius namens de Grieken en namens de Trojanen Idaeus -, zo verstandig waren om tussenbeide te komen. Hun staven hieven zij op tussen de beide krijgers, en Idaeus, een heraut met grote ervaring, sprak als zegsman van beiden: ‘Kom, mijn zonen, staakt nu uw strijd. Zeus, die de wolken verzamelt, heeft u beiden lief, en beiden zijt ge uitstekende speervechters; dat weten wij nu allen. Ook is het bijna donker nu – een reden te meer om de tweestrijd te staken.’
VII; 16
Hem antwoordde de Telamonische Ajax: ‘Idaeus, het was Hector, die vroeg om die tweestrijd. Zeg aan hem, dat hij de tweekamp staakt. Als hij de eerste stap doet, zal ik volgen.’ Daarop gaf de grote Hector met de glinsterende helm hem ten antwoord: ‘Ajax,’ zo zei hij, ‘gij zijt groot, sterk en behendig, en van de Trojanen de beste lansstrijder, die er is. Dit u toegevende stel ik voor, dat wij vandaag de strijd staken, want wij kunnen elkaar altijd nog ontmoeten en dan doorgaan met strijden totdat de over ons heersende machten tussen ons beslissen. Bovendien valt de duisternis in. Dus laat ons die wenk volgen. De Grieken zouden heel verheugd zijn, u terug te zien bij de schepen, vooral uw vrienden en zij, die onder uw bevel staan. En ik kan rekenen op een hartelijk welkom van de Trojanen in het heilige Ilium en van de Trojaansen in hun lang slepend gewaad, die samen zullen stromen om de goden te danken om mijnentwil. Doch laat ons eerst geschenken wisselen, zodat onder de Trojanen en Grieken geleidelijk kan gezegd worden, dat wij vochten als leeuwen, doch scheidden als verzoende vrienden.’ Na die woorden schonk hij Ajax zijn met zilver beslagen zwaard, schede, draagband en al. En Ajax gaf Hector zijn schitterende purperen gordel.

De Grieken beraadslagen

VII; 17
Zo dus scheidden zij. En Ajax ging terug naar de gelederen der Grieken, Hector naar die van Troje. Blij waren zijn mannen, toen zij hen gezond en wel terug zagen, ongedeerd door de onoverwinnelijke handen van de strijdlustige Ajax. Zij geleidden hem terug naar de stad als één, die zij dood reeds waanden. Ginds intussen voerden Griekenland’s strijders Ajax terug naar Agamemnon, de koning, over zijn overwinning verheugd.
VII; 18
Toen zij de koninklijke tenten bereikten, offerde Agamemnon, leider van veel volk, uit aller naam aan Cronus’ almachtige zoon een vijfjarige stier. Die slachtten ze en beenden hem uit, en verdeelden zijn vlees in kleine stukjes, die aan het spit werden geregen, toen geroosterd en weer afgetrokken. Dit gedaan zijnde en het maal bereid, tastten zij toe met veel smaak en eetlust. Ieder kreeg zijn deel, maar Atreus’ edele zoon, Agamemnon de koning, eerde Ajax door hem op het hele ribstuk van het offerdier te onthalen.
VII; 19
Als nu hun honger gestild en hun dorst gelest was, opende Nestor, de grijsaard, het gesprek, want hij had hun een voorstel te doen. Al vaak in het verleden was zijn wijsheid gebleken, als die van de trouwe raadsman, die hij hun was. En als zodanig was het ook, dat hij thans opstond en hun toesprak. ‘Atreus’ zoon, mijn heer,’ zo zei hij, ‘en ook gij overige leiders der langgelokte Grieken, wij leden zware verliezen. De wrede god van de krijg heeft de oever van de Scamander donker gekleurd met het bloed onzer doden, wier zielen neergedaald zijn naar Hades. Dus stel ik voor, dat gij bij het krieken van de dag een bestand afkondigt. En laat ons dan samen aan het werk gaan om hierheen de lijken onzer doden te brengen op wagens, bespannen met ossen en muildieren, en hen dan te verbranden, niet ver van de schepen, zodat de vrienden der gesneuvelden de beenderen naar huis kunnen brengen naar hun vrouwen en kinderen, als wij weerkeren naar Griekenland. Laat ons voorts boven de brandstapel, als de doodsvlammen gedoofd zijn, een grafheuvel bouwen met wat wij hier vinden op de vlakte. En om die heuvel heen, als haar middelpunt, een sterkte, met hoge muren snel gebouwd, ter bescherming van onszelf en van onze schepen, en daarin krachtig bevestigde poorten, als uitvalswegen voor onze strijdwagens. En ringsom, even buiten de wallen, graven wij grachten dan, als een schutse tegen vijandelijke wagenmenners en voetvolk voor het geval, dat de Trojanen heenbreken door onze gelederen en ons benarren.’ Aldus Nestor’s plan, waar eenieder het mee eens was.

Ook de Trojanen houden krijgsraad

VII; 20
Intussen hielden ook de Trojanen krijgsraad voor de poorten van Priamus’ paleis in Ilium’s burcht. Doch daar ging het zo eensgezind en stoorloos niet toe. Het was de bekwame Antenor, die bitterheid in de beraadslagingen mengde. ‘Trojanen, Dardaniërs, verbondenen,’ zo zei hij, ‘luistert naar wat ik mij genoopt voel om u voor te stellen. Laat ons schoon schip maken en de Griekse Helena terug geven aan de Grieken, samen met al haar bezit. Door te blijven strijden, zoals wij deden, hebben wij ons tot meinedigen gemaakt. Daar kan naar mijn mening nooit iets goeds uit voortkomen. Geen andere keus hebben we dan te doen als ik zeg.’
VII; 21
Na die woorden ging Antenor weer zitten, maar nu sprong Paris, de man van Helena, overeind en viel hem aan met woedende woorden. ‘Antenor,’ zo zei hij, ‘die woorden van jou zijn voor mij een aanfluiting. Wist je heus niets beters te zeggen? Maar als je werkelijk meent, wat je zei en ernstig dit voorstelt, dan moeten de goden zelf wel je brein gestoorde hebben, en dan wordt het tijd, dat ik de dappere Trojanen ronduit mijn mening zeg. Zonder meer verklaar ik, dat ik mijn vrouw nooit zal opgeven, al ben ik bereid om wat ik uit Griekenland meenam terug te schenken, en nog wat meer bovendien.’
VII; 22
Na dit te hebben gezegd ging Paris weer zitten. En nu nam koning Priamus zelf het woord. ‘Trojanen, Dardaniërs, bondgenoten,’ zo zei hij, ‘als de goden zo wijs en ook nu vol welwillendheid op bemiddeling uit, luistert naar mijn raad! Laten wij voor het ogenblik als gebruikelijk ons avondmaal nemen in de stad, niet vergetend natuurlijk om wachtposten uit te zetten en ook man voor man op onze hoede te blijven. Breekt de dag aan, laat dan Idaeus heengaan naar de holle schepen der Grieken en aan de helden Agamemnon en Menelaus het aanbod meedelen, door Paris gedaan, die de twist begon. En meer nog is er, dat Idaeus kan doen. Vragen immers kan hij de zonen van Atreus, of zij bereid zijn de vijandelijkheden te staken, totdat wij onze doden hebben verbrand. Later kunnen wij de strijd dan hervatten en ermee doorgaan, totdat de machten boven ons tussen ons beslissen.’

Het voorstel van de Trojanen

VII; 23
‘Konings raad werd met instemming ontvangen en men handelde overeenkomstig. De manschappen namen groepsgewijs hun maaltijd; en toen de dag aanbrak, ging Idaeus naar de holle schepen, waar hij de Griekse leiders aantrof, beraadslagend bij het schip van Agamemnon. Hij trad in de kring, en met zijn heldere welluidende stem van heraut bracht hij zijn boodschap over. ‘Mijne here, zoon van Atreus, ‘zo sprak hij, ‘en gij andere leiders der Grieken, Priamus en zijn medeheersers in Troje droegen mij op aan uw goedkeuring een aanbod voor te dragen van Paris, die deze vete tussen ons begon. Al de bezittingen, welke hij in zijn holle schepen meevoerde naar Troje – en gave de vergadering der goden, dat hij voordien omkwam -, wil hij teruggeven, met het nodige van zichzelf erbij. Doch hij zegt dat hij Menelaus’ vrouw niet wil opgeven, hoewel de heren van Troje hem daartoe trachtten te overreden. Voorts gaf men mij last te vragen om de vijandelijkheden te staken, terwijl wij onze doden verbranden. Daarna kunnen wij de strijd voortzetten, totdat de machten van boven tussen ons hebben beslist.’
VII; 24
In volmaakte stilte ontvingen de leiders der Grieken dit voorstel, totdat eindelijk Diomedes, om zijn luide strijdkreet vermaard, opsprong en zei: ‘Laat thans niemand eraan denken om wat ook van Paris te aanvaarden, ook al was het Helena zelf. Zelfs de grootste dwaas kan zien dat het lot der Trojanen bezegeld is.’ Als één man juichten de leiders der Grieken Diomedes de paardentemmer toe. En vorst Agamemnon zelf nu nam het woord en sprak tot de bode der Trojanen: ‘Idaeus, gij hebt het zelf gehoord, hoe wij Grieken erover denken. Hun antwoord hebt gij en ik stem ermee in. Wat het verbranden der doden betreft, dat is wat anders. Daartegen wil ik me niet verzetten. Als mannen gesneuveld en dood zijn, kan men hun de zegen de snel verterende doodsvlammen niet ontzeggen. Dat de wapenen zolang dus rusten en dat de dondergod Zeus en Hera’s heer van dit bestand getuige zij!’

Een korte wapenstilstand

VII; 25
Al sprekende hief hij zijn staf op, opdat alle goden dit teken zouden zien. Daarop ging Idaeus heen en terug naar het heilige Ilium, waar de Trojanen en Dardaniërs bijeen waren, in beraadslaging vergaderd en wachtend op de terugkeer van hun bode. Toen Idaeus hen bereikt had, trad hij in hun midden en meldde, wat van zijn zending de vrucht was. Daarop bereidden zij zich voor op hun dubbele taak: het binnenbrengen der doden, het halen van hout voor de brandstapel. En ginds deden de Grieken hetzelfde.
VII; 26
Nauwelijks had de zon vanuit de diepte der zee haar troon weer bestegen en overstroomde met haar licht de wijde vlakte, toen met eenzelfde doel Grieken en Trojanen elkaar weer op het slagveld ontmoetten. En zelfs in het licht van de zon was het zwaar voor beide partijen om hun doden te herkennen, voordat zij de lijken van het gestolde bloed hadden gereinigd. De tranen stroomden, toen zij hen laadden op de wagens. Koning Priamus had aan zijn mannen verboden om in luid geweeklaag lucht te geven aan hun verdriet. Dus stapelden zij, zwijgend treurend, de lijken op de brandstapel; en toen de doodsvlammen hen verteerd hadden, keerden zij naar het heilige Ilium terug. Hetzelfde deden de Grieken. Ook was het hart zwaar, toen zij hun doden op de brandstapel tilden; en ook zij keerden terug naar hun holle schepen, toen de doodsvlammen doofden.
VII; 27
Voordat de nieuwe dag aanbrak, toen de nacht nauwelijks nog week voor de schemering, kwam een groep Grieken bijeen rondom de nog smeulende brandstapel. Daarover wierpen zij een grafheuvel op met wat aan bouwstoffen de vlakte hen bood. En daaromheen kwam een muur, sterk en hoog tot schutse der schepen en van zichzelf, en daarin uitvalspoorten voor de strijdwagens. Aan de buitenkant van de wals en daarmee evenwijdig groeven zij een diepe gracht en plantten aan de buitenzijde staken.

De Grieken bouwen een wal om het kamp

VII; 28
De goden zagen de langgelokte Grieken aldus bezig, vergaderd rondom Zeus Vader en vervuld van verbazing over het grootse werk, dat die kopergekolderde krijgers daar beneden ondernamen. Poseidon, die de aarde doet schudden, luchtte als eerste zijn hart. ‘Zeus Vader,’ zo zei hij, ‘is er dan niemand meer op de wereld, die aan de goden der mensen meldt, wat hij in zijn schild voert? Hebt ge gezien, hoe die langharige Grieken om hun schepen een wal opwierpen en daar omheen een gracht groeven, en dat zonder eerst de passende offers te brengen? De mensen zullen spreken over die muur, zover het licht van de dageraad reikt: en de muur die ik met Phoebos Apollo met zoveel inspanning voor koning Laomedon bouwde, zal in vergetelheid zinken.’
VII; 29
Zeus, die de wolken bedwingt, was gekrenkt door dit woord. ‘goddelijke aardschudder,’ zo sprak hij, ‘onzinnig zijn die zorgen van u. Laat goden, minder machtig en kordaat als gij, zich over dit geval verontrusten, wees gerust, dat zover het licht van de dageraad reikt, het uw naam is, die men in ere zal houden. Wat belet u bovendien om, als die langharige Grieken weer huiswaarts gezeild zijn, die muur te doen vallen, de puinen ervan in de zee te verspreiden en de langgerekte kust weer met zand te overdekken? Dan zult ge weten, dat dit grote, Griekse werk is verdwenen en vergeten.´
VII; 30
Terwijl de goden nog spraken, zakte de zon in de zee en beëindigden de Grieken hun werk. Ossen werden geslacht en ze namen in hun tenten hun avondmaal. Een aantal schepen van Lemnos hadden wijn aangevoerd. Van Euneus kwamen ze, de zoon van Hypsipyle en van de grote bedwinger van mannen, Iason, die een duizend okshoofden als een bijzonder eregeschenk voor Atreus’ zonen, Agamemnon en Menelaus, had meegegeven. En die wijn werd geruild door de langgelokte Grieken. De één gaf er brons voor, of staal, anderen weer huiden of levende runderen, weer anderen slaven. Zo werd het een waar feestmaal, dat heel de nacht duurde. En ginds deden de Trojanen niet voor hen onder. Doch die hele nacht door bleef Zeus’ donder rommelen, want de vader der goden was vertoornd en zon op wraak. En zijn donder zwol aan. Toen werden de gezichten van de feestgenoten bleek en de wijn spatte op de grond uit de bekers. Niemand durfde nog te drinken, alvorens een plengoffer aan Cronus’ alvermogende zoon te hebben gebracht. Doch eindelijk gaven allen zich over aan de zoete gave van de slaap.

8. Trojanen voor de wal

Zeus dreigt de andere goden

VIII; 1
Toen de dageraad zijn lichtgele mantel uitspreidde over de aarde, riep Zeus, die het donderen een lust is, de goden bijeen voor een beraadslaging op de hoogste van de hoge toppen der Olympus. Hijzelf nam het woord, en allen luisterden aandachtig. ‘gij goden en godinnen, luistert,’ zo zei hij. ‘Ik ga u thans zeggen, wat ik besloot. Die zaak moet gedaan zijn, en spoedig; dat is mijn wil en mijn vaste besluit. Wat ik daarom thans voorschreef, daaraan moet eenieder zich houden. Ontdek of ik een god, of een godin, die op eigen gelegenheid of de Trojanen of Grieken gaat helpen, dan zal die met schande overladen met zweepslagen terug naar de Olympus gejaagd worden. Of grijpen zal ik hem en in de duistere Tartarus werpen, waar onder de wereld de diepte aller afgronden zich openspert, waar de ijzeren poorten zijn en de Koperen Drempel, zover onder Hades als de aarde onder de hemel is. Maar wellicht wilt gij goden mij op de proef stellen en zien, wat ik waard ben? Knoop dan aan de hemel een gouden koord vast, en dan maar trekken met z’n allen. Maar wat ge ook doet en hoe ge ook zwoegt, Zeus de Verheven Raadsheer zult ge nooit van de hemel neertrekken tot de grond. Maar nam ik van mijn kant dat koord vast en deed mij de moeite dan zou ik jullie op kunnen trekken, allemaal, met aarde en zee erbij. Dan zou ik het koord vastknopen aan een top van de Olympus en daar bengelen dan allen en alles in de lucht. Zozeer overtreft mijn kracht die van goden en mensen.’ Zo sprak Zeus en zij allen zwegen. Hij had met een stem als de donder gesproken en hen geslagen met stomheid. Doch eindelijk nam Athena, godin met de fonkelende ogen, het woord. ‘Vader van ons, Cronus’ zoon, Opperheer,’ zo zei ze, ‘wij allen weten het maar al te goed, dat ge onoverwinnelijk zijt. Maar niettemin doet ons het hart pijn wegens die speervechters van Argos, waant aan zichzelf overgelaten is hun ondergang zeker en het akelige doodslot voor hen onvermijdelijk. Nochtans zullen we naar uw woord afzien van zelf te strijden en het erbij laten de Grieken te helpen met onze raad, zodat zij niet allen ten offer vallen aan uw torn.’ Zeus, die de wolken verzamelt, glimlacht haar toe, toen hij antwoordde: ‘Wees onbevreesd, mijn lief kind van Triton. Was ik dan in ernst? Kan ik dan tegen jou zo onvriendelijk zijn?’
VIII; 2
Daarop spande Zeus Vader zijn twee snelle paarden voor zijn wagen. hun hoeven zijn van koper en hun manen stromend goud. In goud kleedde hij zichzelf, nam de gouden zweep, besteeg zijn wagen en liet de zweep knallen. Tussen de aarde en de hemel vol sterren rende het gewillige tweespan en bracht hem naar Gargaros, een bergtop van de Ida, waar zoveel bronnen ontspringen, waar de wilde dieren thuis zijn en waar hij een tempel heeft met een wierookgeurig altaar. Daar bracht de Vader van goden en mensen zijn paarden tot staan, maakte hen los van het juk en hulde hen in een dichte nevel. Toen ging hij daar zitten in al zijn glorie, uitkijkend over de stad der Trojanen en de schepen der Grieken.

De strijd vangt weer aan

VIII; 3
Intussen namen de langgelokte Grieken in hun tenten staande hun ontbijt en wapenden zich toen dadelijk, wat ginds insgelijks ook de krijgers van Troje deden, ofschoon minder talrijk, maar des te meer er op uit om slaags te raken met de vijand, door bittere noodzaak genoopt voor hun vrouwen en kinderen te strijden. Opengeworpen werden al Troje’s poorten en met een machtig tumult stroomde hun leger, zowel voetvolk als wagens, de stad uit naar buiten. Tegen elkaar stormden die legers en opeen in een daverend gerucht van schild tegen schild en brons op brons. Het gekerm van de stervenden klonk samen met de kreten van hun overwinnaars, en de aarde stroomde donker van het bloed.
VIII; 4
De hele morgen door, terwijl het gezegende zonlicht al sterker en sterker werd, golfde de strijd met wisselende kansen en doden van weerskanten. Maar toen de zon op haar hoogst was, hief Zeus zijn gouden weegschaal, legde in iedere schaal het doodslot, aan de ene voor de Trojanen, aan de andere voor de Grieken. Zo hield hij de weegschaal juist in het midden geheven, en de balans sloeg neer naar de kant van de Grieken, voorspellend voor hen een noodlottige dag. En toen zond Zeus zijn donder vanaf de Ida en liet de bliksem flitsen temidden der Grieken. En schrik beving hen. Man voor man werd doodsbleek.

De Grieken moeten wijken

VIII; 5
Toen hadden Idomeneus noch Agamemnon het hart nog om stand te houden. Ook de beide Ajaxen niet, hoezeer zij ook Ares’ handlangers zelf waren. De Gerenische ruiter, Nestor, Griekenlands schutse, was de enige, die draalde; en dat niet uit eigen vrije wil, maar omdat zijn derde paard gewond was, want de held Paris had het met een pijl, bovenop de kop, getroffen, waar de manen beginnen te groeien, en wat een heel gevaarlijke, ja, doodsgevaarlijke plek is. Het steigerde in zijn doodstrijd, want de speerpunt was in de hersenen gedrongen. En zich kronkelend in stervenskrampen om de dodelijke pijl kwijt te raken bracht het ook de andere paarden aan het steigeren. Toen Nestor er op af ging met zijn zwaard om de riemen van het in doodsnood kolderende paard door te snijden, drongen Hector’s paarden door het tumult heen, door Hector gemend. En de grijsaard zou onder hun hoeven het leven hebben gelaten of onder Hector’s hand zelf, als niet de in de strijd ervaren Diomedes, wie niets ontging, het gevaar gezien en met zijn schallende stem Odysseus’ hulp ingeroepen had, ‘Odysseus,’ zo riep hij, ‘mijn edele en in alle zo schrandere heer, waar zijt ge nu met uw schild? Houdt ge u schuil achter de anderen als een lafaard? Pas op, als ge wegloopt, zult ge nog iemands speer in uw rug voelen! In naam van de goden blijf hier en help mij om die wildeman van de grijsaard te verjagen!’
VIII; 6
Maar de veelervarene, edele Odysseus hoorde hem niet en snelde voort naar de holle schepen der Grieken. Overgelaten aan zichzelf stelde Diomedes zich niettemin gereed voor de aanval, vlak voor Nestor’s wagen, die hij gerust stelde al zeggende: ‘Die jonge krijgers zijn u, mijn heer, op uw jaren te machtig. Uw wagenmenner kan u niet helpen en uw paarden zijn te langzaam. Kom en spring in mijn wagen, en dan zult ge zien, wat paarden van Tros vermogen, hoe snel in het rennen, achtervolgend of vluchtend, dat is om het even. Nog onlangs veroverde ik die op Aeneas, volbloeden, strijdlustig. Dat onze schildknapen naar uw paarden omzien, terwijl u en ik dit tweespan voortjagen naar de Trojanen om Hector te leren, dat ook ik een speer heb, die gretig mij brandt in de hand!’

Nestor en Diomedes gaan op Hector af

VIII; 7
De Gerenische ruiter, Nestor, liet zich dit geen tweede keer zeggen. Dus namen hun dappere schildknapen, Sthenelus en Eurymedon de Milde, de zorg van Nestor’s paarden op zich, terwijl hij en Diomedes in diens strijdwagen sprongen. Nestor nam de gladde teugels in de hand en liet al knallend met de zweep de twee volbloeden draven. Spoedig waren ze binnen Hector’s bereik en terwijl die kwamen aanstormen, wiep Diomedes zijn speer. Hij miste hem, maar trof in de plaats Hector’s schildknaap en wagenmenner, Eniopeus, zoon van de fiere Thebaeus. Hij trof hem in de borst terwijl zijn hand nog de leidsels omklemde. De man tuimelde met het hoofd omlaag uit de wagen; zijn paarden steigerden; maar hij stierf waar hij viel.
VIII; 8
De dood van zijn wagenmenner verscheurde het hart van Hector de held, maar hoezeer hem ook het lot van zijn strijdmakker deerde, toch moest hij hem laten liggen, waar hij lag, want wreken moest hij zich op die overmoedige wagenstrijder, Diomedes. Zijn snelle paarden bleven niet lang zonder menner, want al spoedig vond hij Iphitus’ zoon, Archeptolemus, die onverschrokkene, bereid om op zijn wagen te springen achter het tweespan, en onmiddellijk gaf hij hem de leidsels in de hand.

Zeus grijpt in

VIII; 9
Een onherstelbare ramp dreigde thans de Trojanen, en zij zouden tot binnen het heilige Ilium zijn gedreven als lammeren in een schaapskooi, als de Vader van goden en mensen niet op zijn hoede geweest was en snel had ingegrepen. Met een verschrikkelijke donderslag liet hij een verblindende bliksem neerflitsen vlak voor de paarden van Diomedes. De ontzettende stank van zwavel vervulde de lucht. De paarden werden schichtig en deden de wagen haast kantelen. De gladde leidsels vielen Nestor uit de handen. En in zijn schrik wendde hij zich tot Diomedes en zei: ‘Mijn heer Tydeus’ zoon, laat uw paarden wenden en vlucht! Ziet ge dan niet, dat ge van Zeus geen hulp kan verwachten?! Op het ogenblik laat Cronus’ zoon die Hector daar allen voor zich uitdrijven. Doch alleen voor vandaag maar. Een andere dag is het onze beurt, als hij vriendelijk gezind is. Hoe stoutmoedig enige man ook zijn moge, niets vermag hij tegen de wil van Zeus Vader, die eindeloos machtiger is dan wij mensen zijn.’
VIII; 10
‘Dit alles, held Nestor, is terecht gesproken,’ zei Diomedes, om zijn luide strijdkreet vermaard. ‘En toch doet het me pijn aan het hart te bedenken, hoe die Hector zijn zin maar krijgt en tegen de Trojanen zal zeggen: ‘Tydeus’ zoon sloeg voor me op de vlucht. Hij draalde niet, voordat hij de schepen bereikt had.’ Zo spreekt hij zeker en doet hij dit, dat dan maar de aarde mij verzwelge!’ ‘Wat een dwaasheid, mijn edele heer, en dit uit de mond van de kordate zoon van Tydeus!’ antwoordde hem Nestor de Gerenische ruiter. ‘Dat Hector u maar een lafaard en een melkmuil schelde, zoveel het hem lust, maar de Trojanen en Dardaniërs zal hij niet overtuigen, nog minder de vrouwen van de fiere speervechters, wier liefhebbende gaden gij deed bijten in het zand.’

Hector moedigt zijn Trojanen aan

VIII; 11
Zonder nog een woord deed hij de paarden zwenken en zweepte hen aan tot de vlucht dwars door het tumult. Hector en de Trojanen riepen honend hen na en onthaalden hun op een hagel van pijlen. En de grote Hector met zijn glinsterende helm slaakte een kreet van triomf, omdat Diomedes voor hem vluchtte. ‘Zoon van Tydeus,’ zo riep hij, ‘de Griekse paardenvrienden plachten u te eren met de beste plaats aan hun tafel, met het lekkerste gebraad en met een nimmer leeg staande Vandaag zullen ze wel anders over u denken. Niet beter dan een vrouw ben je. Ga er maar vandoor, jij ellendige sukkel! Geen lafheid van mijn kant zal u onze wallen doen beklimmen noch onze vrouwen doen wegvoeren op die schepen van u. Eerder zal ik je in allerijl zenden naar Hades!’
VIII; 12
Toen Tydeus’ zoon dit hoorde, was hij wel van zins om zijn paarden te doen keren en Hector in een gevecht van man tegen man tot rede te brengen. Drie keer stond hij op het punt dit te doen en driemaal liet de machtige raadsheer Zeus vanaf de Ida zijn donder brallen als een teken voor die van Troje, dat aan hem dank zij hem de overwinning was. En Hector bleef maar luid roepen tot zijn mannen: ‘Trojanen en Lyciërs en gij Dardaniërs, die uw genot vindt om samen te strijden! Weest mannen, mijn vrienden! Laat uw moed zich door de daden rechtvaardigen! Ik weet zeker, dat Zeus op mijn hand is. Hij heeft mij een roemvolle overwinning verzekerd en rampen aan die van Argos! Wat een ezels waren ze om die schamele muurtjes te bouwen, die in een oogwenk zullen bezwijken! En dan die gracht, waar onze paarden overheen zullen springen met één aanloop en één sprong! En zodra wij de schepen bereikt zullen hebben, dan worden wij brandstichters, dan zullen die schepen opgaan in vlammen en dan zullen de Grieken, die een schuilplaats zoeken bij hun kielen, worden uitgerookt als ratten en sterven in vlammen!’
VIII; 13
Daarop keerde Hector terug tot zijn paarden, noemde elk bij naam en sprak hen hun toe: Xanthus, en gij Podargus, Aethon en mijn edele Lampus, wilt mij nu belonen voor de buitenkansjes, die Andromache, de dochter van een groot koning, jullie bood. Lekkere hapjes gaf zij jullie – haver in honing gedrenkt –; en zij liet u naar hartelust wijn uit het mengvat drinken nog voor zij eraan dacht om mij te bedienen, die toch haar liefhebbende echtgenoot ben. Zet hun nu na in galop en laat ons Nestor’s schild veroveren, zo schoon van goud gemaakt, dat ze er zelfs in de hemel over praten. Nemen wij dat schild met zijn handgrepen van goud; of laten wij die Diomedes het ingelegde borstharnas van de schouders wringen, dat Hephaistus zelf voor hem maakte. Konden wij de hand leggen op die beide trofeeën, dan mogen wij hopen, dat de Grieken er vannacht nog met hun snelle schepen vandoor gaan!’

Hera ergert zich

VIII; 14
Godin Hera nam aanstoot aan Hector’s snoevende woorden. Met een ruk draaide ze zich ongeduldig om op haar troon, zodat de Olympus er van schudde, en wendde zich tot de grote god Poseidon, tot wie ze zei: ‘Goddelijke aardschudder, het doet mij pijn aan het hart, dat ge geen erbarmen voelt voor de Grieken in hun ondergang. Toch brengen zij u te Helice en Aegea welbehaaglijke offers in overvloed. Kunt ge het niet over uzelf verkrijgen om hun de zege te wensen? Bedenk toch, als wij, die aan hun kant staan, besluiten om de alziende Zeus van enigerlei bemiddeling te weerhouden, wat een droevig figuur hij dan slaan zou, helemaal alleen daar op de berg Ida!’
VIII; 15
Haar antwoordde de heer van de schuddende aarde en vol verontwaardiging zei hij: ‘Hera, godin, dit zijn waarlijk onberaden woorden! Zelfs van uw scherpe en onbeheerste tong vallen ze me tegen als de taal van een razende! Verre zij het van mij om mij te scharen bij de anderen in een twist met Cronus’ zoon, Zeus, die zoveel sterker is dan wij allen!’

Agamemnon smeekt Zeus

VIII; 16
Terwijl zij zo spraken, was de ruimte tussen de schepen en de burchtgracht gevuld met een menigte van strijdwagens en strijders, daar opeen gedreven als schapen in een schaapskooi door die gelijke van de onstuimige oorlogsgod, Priamus’ zoon, Hector, aan wie Zeus thans de overhand schonk. En hij zou inderdaad de ranke, zeebouwende schepen in brand hebben gestoken, als Hera, de godin, Agamemnon de koning niet de gedachte had ingegeven om zich te vermannen en de Grieken tot verzet aan te moedigen, voordat het te laat was. Hij ging de tenten en schepen langs, gehuld in een purperen mantel, die hij dichthield met zijn kloeke vuist, en besteeg Odysseus’ groot en zwart schip, dat in het midden van de schepenrij lag, zodat een sterfelijke stem door allen kon worden gehoord, van de tenten van de Telamonische Ajax tot die van Achilles, die beiden zelfvertrouwen genoeg hadden gehad in hun moedige harten om hun snelle schepen aan de uiteinden van de rij aan het strand te doen trekken. ‘O schande, gij Grieken,’ liet vorst Agamemnon zijn stem schallen over heel het leger. ‘Als wijven zijt ge, hoe krijgshaftig ook uitgedost! Wat is er geworden van onze snoeverij, dat wij de sterkste legermacht van heel het aardrijk vormden? Wat werd er van jullie snoevende verzekeringen, ginds in Lemnos, toe jullie je zat vraten aan rundvlees en wijn slurpten met volle teugen uit bekers, tot aan de rand toe gevuld?! Jullie zeiden, dat jullie in een gevecht tegen honderd, neen tweehonderd Trojanen alleen konden opnemen. En vandaag bleken we met ons allen nog niet opgewassen tegen die ene Hector! En hij zal niet dralen om onze schepen in vlammen te doen opgaan. O Zeus vader, werd een groot koning ooit zo misleid en bedrogen, zo berooid van zijn glorie door u en de andere goden?! Toch kan ik naar waarheid zeggen, dat ik op mijn rampzalige tocht hierheen op mijn slagschip nooit verzuimde te offeren in welke ook van uw schone tempels Op elk van die altaren verbrandde ik het vet en de schenkels van stieren in mijn gretig verlangen om de wallen van Troje te doen vallen. O Zeus Vader, verhoor mij tenminste die bede: laat ons wegkomen met ons leven, laat die Trojanen ons niet overweldigen in uw naam!’
VIII; 17
Zo dit gebed van Agamemnon, en de Vader van de goden en mensen werd door zijn tranen bewogen. Hij was hem mild, beloofde zijn leger te redden en zond een arend uit – van alle voorspellende vogels de beste –, die in zijn klauwen een ree droeg, van een snelle hinde het kalfje, dat hij vallen liet voor het schitterende altaar van Zeus, waar de Grieken aan de Vader der Godsspraken plachten te offeren. En toen zij dit teken van Zeus hadden begrepen, vielen zij de Trojanen met nieuwe moed aan en vol van opnieuw ontwaakte strijdlust.

De achtervolging van Diomedes

VIII; 18
En niemand van de vele Trojaanse wapenstrijders kon er zich nog op beroemen, dat hij Diomedes over de burchtgracht gejaagd had en hem op de vlucht had doen slaan alvorens hun kordaat kamp te geven. En wel degelijk was het Diomedes, die het eerst weer een Trojaan deed sneuvelen. Zijn slachtoffer, Phradmon’s zoon, Agelaüs, had juist zijn paarden doen zwenken om er vandoor te gaan, toen Diomedes hem met een speer tussen zijn schouders in de rug trof, zodat de speerpunt hem dwars door de borst drong. Hij tuimelde van zijn wagen en kwam neer op de grond onder het daverende gerinkel van zijn bronzen harnas.
VIII; 19
Diomedes werd gevolgd door Atreus’ zonen, Agamemnon en Menelaus; deze twee weer door de twee Ajaxen, stoutmoedig en onverschrokken; en deze twee op hun beurt door Idomeneus en diens schildknaap Meriones, een evenknie van de mannendodende oorlogsgod; en deze door Eurypylus, de edele zoon van Evaemon. De negende, die tot de uitval overging, was Teucer, die zijn gewone plaats innam achter het schild van Telamon’s zoon, Ajax. Ajax placht dan langzaam dat schild van hem rond te draaien, terwijl Teucer er achter op de loer stond, zoekend de man, die hem een mikpunt bood, waarop hij dan onvervaard schoot. Als die man dan dood was neergevallen, zocht Teucer, als een kind, dat zich verschuilt achter moeders rokken, weer dekking achter het glanzende schild van prins Ajax.

Teucer gebruikt zijn boog

VIII; 20
Wie was de eerste van de Trojanen, die ten slachtoffer viel aan de onvolprezen Teucer? Het was Orsilochus; toen Ormenus en Ophelestes; daarop Daetor en Chromius en de op een god gelijkende Lycophontes; en voorts Amopaon, Polyaemon’s zoon, en daarna Melanippus. Die allen bracht Teucer vlak na elkaar ten val, en hun lijken overdekten de vruchtbare aarde. Vorst Agamemnon was verheugd in zijn hart, toen hij zag, hoe Teucer met zijn boog tekeer ging onder de gelederen der Trojanen. Hij ging op hem toe en zei: ‘Teucer, zoon van Telamon, held van mijn hart, blijf schieten, zoals gij nu doet, en gij zult de Grieken nog redden en roem brengen aan uw vader, Telamon, die u opnam onder zijn dak en u grootbracht, als zijn zoon, hoewel slechts een bastaard. Beloon nu met roem hem, al is hij ook verre; en dan zal ik u zeggen, wat mijn plan is. Als Zeus Vader en Athena mij ooit de schone stad Troje laten plunderen, dan zal ik u na mij de eerste keus gunnen, hetzij een drievoet van goud of een paar heerlijke volbloeden of een pracht van een vrouw om uw bed mee te delen.’
VIII; 21
De bewonderenswaardige Teucer antwoordde: ‘Mijn edele heer, Atreus’ zoon, waarom een willig paard nog de sporen gegeven? Zonder rust deed ik al wat ik vermocht. Van het ogenblik, dat we hen terugdreven naar de stad, heb ik op kansen gezocht met mijn boog en mijn mannetjes neergelegd met een welgemikt schot. Maar die dolle hond daar, die kan ik maar niet raken.
VIII; 22
En dit zeggende, mikte hij op Hector, die hij vurig verlangde met zijn pijl naar Hades te helpen. Hij miste hem, doch de pijl kwam terecht in de borst van een ander van Priamus’ zonen, de voorbeeldige Gorgythion, wiens moeder, de schone Castianira, in gestalte een godin gelijk, van Aesyme was gekomen om met de koning te huwen. Door zijn helm bezwaard viel het hoofd van Gorgythion opzij als een papaverbol in de tuin, zwaar van het zaad en de regens der lente.
VIII; 23
Opnieuw in zijn gretig verlangen hem te krijgen, mikte Teucer op Hector, doch miste hem ook dit keer, want Apollo weerde zijn pijl af, maar die trof Archeptolemus in de borst, Hector’s stoutmoedige wagenmenner, die in volle vaart aan kwam gereden. Hij tuimelde van zijn wagen, zodat zijn paarden schichtig werden, en stierf, waar hij viel.
VIII; 24
De dood van zijn wagenmenner verscheurde Hector’s hart, doch hoeveel hij ook leed om de vriend, toch liet hij hem liggen en riep zijn broer Cebriones, die toevallig in de buurt was, om de leidsels van zijn paarden te nemen. Cebriones hoorde en gehoorzaamde. Hector zelf sprong af van zijn wagen onder het slaken van een verschrikkelijke kreet, greep een machtig grote steen en ging toen op Teucer af, vastbesloten hem te doden. Teucer had juist een pijl uit zijn koker genomen en op zijn boog gelegd. Toen hij de koord aantrok en op hem mikte, trof Hector met de glanzende helm hem met de steen aan de schouder op de zwakste plaats, waar de sleutelbeenderen overgaan in hals en borst. De boogkoord sprong; zijn vingers en pols waren als verdoofd; hij zonk op zijn knieën; en de boog viel hem uit de hand. Maar Ajax had gezien, hoe zijn broer viel. Hij liep op hem toe, ging over hem heen staan en dekte hem met zijn schild. Daarop namen twee van hun getrouwen, Mecisteus, Echius’ zoon, en de edele Alastor hem op van de grond en droegen hem weg, deerniswekkend kreunend, naar de holle schepen.

De Trojanen rukken op naar de wal

VIII; 25
Zeus vader schonk nieuwe moed aan de Trojanen en zij dreven de Grieken terug, helemaal tot aan hen eigen, diepe schansgracht. Hector, onweerstaanbaar en opgetogen in zijn strijdlust, was ook nu weer de eerste. Zoals een hond, die een leeuw of een everzwijn achterna zit, nu eens naar een schoft dan naar een poot happend en niet te misleiden hoe zijn prooi zich ook keert of wendt, zo ook zat hij de langharige Grieken op hun hielen, steeds de achtersten dodend, waar zij vluchtten voor hem uit. Door het staketsel renden zij over de schansgracht, zware verliezen lijdende onder de handen der Trojanen; en eerst toen zij de schepen hadden bereikt, hielden zij in. Stand hielden zij daar en smeekten elkaar om hulp; en iedereen hief de handen ten hemel en smeekte en bad tot alle goden. Maar daar had je Hector, mennend zijn paarden dan hierheen en dan daarheen en speurend naar hen met woedende blikken, met de ogen van Gorgo of van de mannendodende Ares.

Hera en Athena gaan naar de strijd

VIII; 26
De godin met de blanke armen, Hera, had medelijden met hen, toe zij zag in wat voor nood zij verkeerden. En zij verheelde haar zorg niet voor de fonkelogige Athena. ‘dochter van Zeus Vader,’ zo zei zij tot haar, ‘kunnen gij en ik blijven toekijken zonder iets maar te doen, terwijl de Grieken daar omkomen? Want dat is hun lot in hun uiterste ellende: neergemaaid te worden door een enkele man. Zie wat Hector reeds onder hen aanrichtte! En thans is er geen houden meer aan.’
VIII; 27
‘Niets zou mij meer behagen,’ sprak Athena, godin met haar heldere ogen, ‘dan een einde te maken aan ’s mans dolheid en hem op zijn eigen grond dood te zien, door de Grieken geveld. Maar mijn vader Zeus is in een kwaadaardig humeur, zo boos als hij maar zijn kan, en hij mengt zich allerhinderlijkst in al mijn plannen en voornemens. Vergeten is hij, hoe vaak ik zijn zoon Heracles de helpende hand bood, toen de taken, welke Eurystheus hem opdroeg, hem al te zwaar vielen. Heracles hoefde maar eenmaal ten hemel te klagen, of Zeus zond mij herwaarts om hem uit zijn moeilijkheden te helpen. Als mijn voorspellend hart mij dit alles had doen weten, toen Eurystheus hem naar Hades’ huis zond, naar hem, die de poorten bewaakt, om Cerberus de hellehond te halen, dan zou hij over de maalstroom van de Styx nooit meer de weg terug hebben genomen. Maar nu haat die Zeus me en laat Thetis haar zin hebben, omdat zij zijn knieën kuste en zijn kin streelde en hem smeekte om Achilles de stedenplunderaar te helpen. Doch de dag zal komen, dat hij mij weer zijn lief dochtertje noemt en zijn sterrenoogje. Wilt gij intussen onze paarden in gereedheid brengen, terwijl ik het paleis van Zeus Vader binnenga en mij wapen voor de strijd? Ik wil wel eens zien, hoe het die zoon van Priamus, die glanshelm, die Hector zal bevallen, als wij beiden ons vertonen temidden zijner troepen! Nu is het de beurt aan de Trojanen om te sneuvelen bij de schepen der Grieken, als een festijn voor de roofvogels en de wilde honden!’
VIII; 28
De godin met de blanke armen was het maar al te graag eens met die woorden. Aldus ging Hera, de koningin van de Olympus en dochter van de veelvermogende Cronus, de paarden inspannen, terwijl op de drempel van haar godvaders paleis de godin Athena haar zacht, rijk bestikt kleed liet vallen, dat ze met haar eigen handen gemaakt had, daarvoor in de plaats een tunica aantrok en zich uitrustte voor het droeve werk des krijgs met de wapenen van Zeus, de bedwinger der wolken. Daarop besteeg zij de vlammend gouden strijdwagen, de machtige en lange speer in de hand, waarmee zij de gelederen der edele strijders uiteen jaagt, als de toorn haar de baas is. En zodra dit kind van een zo machtige vader in de strijdwagen gestapt was, liet Hera de zweep knallen en draafden de paarden.
VIII; 29
De poorten des hemels vlogen uit zichzelf met donderend gerucht voor hen open. De Uren bewaakten die, zoals ook de wijde hemel en de Olympus zelf, en hun taak is het om ’t zwaar wolkendek te openen of te sluiten. Door die poorten nu menden de godinnen hun gehoorzame rossen.

Zeus stopt de twee godinnen

VIII; 30
Toen Zeus vader hen vanaf de Ida zag, was hij woedend en zond onmiddellijk Iris met haar gouden vleugels naar hen toe met een boodschap van hem. ‘vlug, vooruit Iris!’ zo zei hij. ‘en zo snel als je kunt! Laat hen terugkomen, maar houd hen weg onder mijn ogen. Verschrikkelijk ware het, moesten zij strijden met Zeus. Zeg hun namens mij, die mij met geen loze dreigementen ophoudt, dat ik de paarden, die zij mennen, zal breidelen, hen beiden zal werpen uit hun strijdwagen, die wagen zelf aan diggelen zal slaan. Tien volle jaren zullen vergaan, zonder dat zij genezen zullen worden van de wonden, die ik hun sla met mijn bliksem. Dat zal een les zijn voor dat juffertje met haar fonkelogen, wat het betekent om tegen haar vader te vechten! Wat Hera betreft, door haar ben ik zo geërgerd niet. ’t Is nu eenmaal haar aard om tegen de keer in te gaan.’
VIII; 31
Iris met voeten zo snel als de wervelwind haastte zich omlaag van de steilten van de Ida en toen bergopwaarts naar de ruige hoogten van de Olympus, waar zij vlak bij de poort de twee godinnen aantrof, aanhield en hun Zeus’ boodschap mededeelde. ‘Waarheen gaat gij?’ zo zei ze, ‘Wat is het doel van uw dwaas ondervangen?! Cronus’ zoon toch verbiedt u om de Grieken te helpen. Luister, waarmee hij u dreigt. En zijn dreigementen zijn niet ijdel. Hij zal de paarden breidelen, die gij daar ment, u beiden uit de wagen werpen, uw wagen zelf aan diggelen slaan. Tien volle jaren zullen er voorbij gaan, zonder dat de wonden genezen, die hij u slaat met zijn bliksem. Dat, o jonkvrouw met de fonkelende ogen, zal u leren, wat het wil zeggen met uw vader te vechten! Het is niet zozeer Hera, die toch al altijd tegen de keer in gaat, op wie hij vertoornd is, als gij wel met uw schandelijk onbeschaamde manieren. En dit geldt, als gij het werkelijk waagt om die grote speer van u uitdagend te zwaaien in het gezicht van Zeus zelf!’
VIII; 32
Na die woorden ging Iris weer heen op haar windsnelle voeten. En Hera wende zich verontrust tot godin Athena. ‘dochter van Zeus, die de Aegis voert,’ sprak zij, ‘ik ben van gedachten veranderd. Wij beiden zullen niet ten strijde trekken tegen Zeus omwille van de mensen. Laat het lot beslissen wie er sterft, wie er leeft. Zeus moet maar bij zichzelf uitmaken, of Troje verwoest wordt of wel Argos vergaat. Dat is nu eenmaal zijn taak, en zo zei het.’
VIII; 33
Dit zeggende deed zij haar rossen zwenken en reed terug. De Uren spanden toen de paarden met hun lange, wapperende manen uit, bonden hen aan de voerbak vol met hemelse haver en zetten de wagen recht overeind tegen de gladgepolijste muur naast de poort, terwijl de beide godinnen verdrietig de andere goden opzochten en gingen zitten op hun zetels van goud. Zeus spreekt Hera en Athena aan
VIII; 34
Intussen had Zeus Vader de Ida verlaten en mende in zijn rapwielige wagen zijn snelle rossen terug naar de Olympus. Toen hij het huis van de goden bereikte, deden ook voor hem de Uren hun plicht, maar het was de verheven schudder der aarde, die zijn paarden uitspande, zijn wagen met de wagenhoes bedekte en op zijn plaats zette. Daarop ging de allesziende Zeus op zijn gouden troon zitten en onder zijn voeten schudde de grote Olympus.
VIII; 35
Athena en Hera, bijeen gezeten en een eind van Zeus af, zeiden niets tegen hem en vroegen hem ook niets. Hij echter wist wel, wat er omging in hun gedachten, en hij sprak: ‘Athena en Hera, waarom zo neerslachtig? Toch zeker niet vermoeid en uitgeput door de strijd, waarin gij zoveel van die door u gehate Trojanen doodde? Wat mij betreft, kunnen alle goden van de Olympus me niet van de wijs brengen, zo groot is de kracht mijner onoverwinnelijke handen. Maar jullie twee sidderen al over heel het lichaam, voordat ge zelfs nog het slagveld en zijn verschrikkingen gezien hebt.Laat me jullie vertellen, wat er gebeurd zou zijn, als ge niet van gedachten waart veranderd. Mijn bliksem zou u getroffen hebben, en waart ge op de Olympus terug gekeerd, dan zou het niet in uw strijdwagen zijn!’
VIII; 36
Die hatelijke uitval ontlokte slechts een binnensmonds gemompel aan Athena en Hera, waar zij eenzaam bijeen zaten, nog altijd zinnend op ellende en narigheid voor die van Troje. Athena hield echter haar mond, hoe nijdig ze ook was op Zeus, haar vader. Geen antwoord gaf zij, hoewel ze kookte van woede. Hera echter kon zich niet lang inhouden en viel toornig uit: ‘Geduchte zoon van Cronus, dit is onverdraaglijk, onduldbaar! Wij weten evengoed als alle anderen, dat uw macht niet gering is en niet te onderschatten. Maar hoe kunnen wij anders dan medelijden voelen met de Grieken, zoals die thans overgelaten zijn aan hun zekere en ellendige doodslot? Maar als gij dat nu eenmaal zo wilt, zullen wij afzien van de strijd en er ons enkel mee vergenoegen de Grieken wat goede raad te geven, zodat zij tenminste niet allen aan uw toorn ten offer vallen.’
VIII; 37
Daarop antwoordde haar Zeus, die de wolken bedwingt: ‘Hera, mijn koningin met uw grote ogen, gij zult bij het aanbreken van een nieuwe dag de gelegenheid hebben om de alvermogende zoon van Cronus onder de speervechtende Grieken een nog grotere slachting te zien aanrichten. Want ik zeg u: de machtige Hector zal zijn vijanden geen rust gunnen, totdat de schrander vlugge Achilles bij zijn schepen weer tot daden ontwaakt, als zij strijden in de schaduw zelf der scheepsboegen, in een wanhopige schermutseling, om het lijk van Patroclus. Dit is een hemels besluit. Wat u aangaat, laat uw ergernis mij koud. Van mijn part kunt ge gaan tot in het diepst van de bodemloze afgrond en daar Iapetus en Cronus gezelschap gaan houden, die nooit de stralen van Hyperion de zon genieten, noch van enig briesje van een verfrissende wind, diep weggedoken als zij liggen in de diepten van de Tartarus. Gij kunt zo diep afdalen, en dan nog zal uw woede mij niet deren. Zelfs aan uw schaamteloosheid zijn grenzen, mevrouw.’
VIII; 38
De godin met haar blanke armen gaf hierop geen antwoord meer. En thans zonk de stralende lamp van de zon neer in de zee en hulde het aardrijk in een zwarte mantel van duisternis. De Trojanen hadden wel gewild, dat de dag maar bleef duren, maar voor de Grieken kwam de nacht als een verlichting van hun lijden, daalde de schemering als een dralend antwoord op hun smeekbeden.

Hector overlegt met zijn mannen

VIII; 39
De verhevene Hector trok zijn Trojanen terug van de schepen om te beraadslagen op een open plek nabij de snelstromende rivier, waar de grond met lijken overdekt was. en daar stegen de Trojaanse strijders uit hun wagens om te vernemen, wat ’s konings zoon hun te zeggen had. Hector hield in zijn hand een speer van elf ellen lang; de bronzen speerpunt lichtte voor hem uit als een lamp; en er was een ring rondom de bovenkant van de schacht. Terwijl hij zijn troepen toesprak, was het op die speer, dat hij steunde. ‘Trojanen, Dardaniërs, bondgenoten,’ zo sprak hij, ‘luister nu naar mijn woord. Gehoopt had ik de schepen en al de Grieken samen te vernietigen, alvorens naar het winden omspeelde en verheven heilige Ilium terug te gaan. Maar het licht van de zon zonk al snel weg in de zee. Dit was het en niets anders, dat de Grieken en hun aan het strand getrokken schepen nog redde. Nu kunnen we slechts doen, waartoe de nacht zelf ons noodt, en het avondmaal bereiden. Span uw paarden met hun lange manen uit en zet hun het lekkere voer voor. Ga snel dan stadwaarts om wat koeien en vette mestschapen te halen, en voorziet uzelf van rijp zoete wijn en brood uit uw huizen. Brengt ook hout in overvloed bijeen, zodat wij de hele nacht de nachthemel licht maken, want anders gaan de langharige Grieken er misschien wel vandoor in het holst van de nacht en kiezen zij zee in hun holle schepen. Voorzeker mogen we hun niet de kans geven om zo maar op eigen gelegenheid huiswaarts te varen. Ze moeten een herinnering mee naar huis nemen, die zij nooit meer vergeten – een pijl in de rug of een scherpe speer, als ze aan boord willen springen –, want, dat zal hun leren om zich de rampzaligheden van de oorlog te herinneren, als zij nog eens de paardentemmende Trojanen zouden willen overvallen. Laat in Troje zelf onze geheiligde herauten de knapen en grijsaards oproepen om op de wallen rondom de stad, welke ons door de goden gebouwd zijn, te waken, terwijl onze vrouwen in elk huis een groot vuur brandende houden. Bovendien moet er door wachtposten, die elkaar geregeld aflossen, de ronde gedaan worden, opdat de vijanden niet de stad binnensluipt, nu de troepen daar weg zijn, dit, mijn dapperen van Troje, zijn thans mijn bevelen; mogen zij stipt en prompt worden uitgevoerd! Tot op heden hebben wij ons niet te beklagen, zou ik zo denken. Daagt morgen een nieuwe dag, dan zal ik de troepen van mijn verdere plannen doen weten. Ik hoop, en bid tot Zeus Vader en tot alle andere goden, dat ik bij machte moge zijn om die hellehonden te verdrijven, die de Schrikgodinnen hierheen lieten varen in hun holle, zwarte schepen. ’t Is nacht nu; laten ook wij wachtposten uitzetten en op onze hoede zijn. Doch zodra een nieuwe dag daagt zullen we ons weer wapenen en hen verwoed aanvallen bij die schepen van hen. En ik wil wel eens zien, of die geduchte Diomedes, de zoon van Tydeus, mij terug kan drijven van die schepen naar de muur van mijn stad, of dat ik hem zal kunnen doden met mijn dodelijk scherp brons en zijn met bloed bevlekte meevoeren als krijgsbuit. Morgen in alle vroegte zal hij weten, of hij uit het hout gesneden is, dat van hem een partij maakt voor mijn speer. Doch waarschijnlijker is het, dat, voordat de zon morgen nog boven de kim uit is, hij bloedend op het slagveld zal liggen, een dode bevelhebber temidden van zijn dode manschappen. Wel wenste ik, dat ik zo zeker was van mijn onsterfelijkheid en tijdloze jeugd, zoals die het deel zijn van Athena of Apollo, als dat ik er zeker van ben, dat die dag, welke morgen aanbreekt, voor die Grieken rampzalig zal blijken.’

Een nachtelijke pauze

VIII; 40
De Trojanen juichten Hector’s woorden al jubelend toe. Daarop spanden zij hun paarden uit, die nat waren van het zweet, en bonden die vast bij hun wagens. Voorts gingen zij stadwaarts, haalden ossen en vette mestschapen, namen brood en lekkere wijnen mee uit hun huizen, en sprokkelden ook hout in overvloed. En al spoedig steeg de geur van geroosterd vlees met de wind opwaarts ten hemel. Heel de nacht zaten zij op aan de rand van het slagveld, beraamden grote dingen in hun gedachten en hielden hun vele kampvuren brandende.
VIII; 41
Nachten zijn er, dat de lucht hoog boven de aarde windstil is en de sterren van de hemel zich scharen rondom de heldere maan, dat iedere bergtop en iedere oever en elk ravijn duidelijk zichtbaar zijn, dat de eindeloze diepten van de hemel tot aan het firmament zelf zich opensperren, dat elke ster te zien is en de herder zich verheugt in zijn hart. Zo talrijk en zo helder ook waren de kampvuren van die van Troje, flonkeren voor Ilium halverwege de schepen en de breed stromende Scamander. Er vlamden meer dan duizend vuren in de vlakte en rondom elk vuur zaten vijftig man in het licht van zijn gloed, terwijl de paarden naast hun wagens stonden, witte gerst kauwend en lekkere haver, en wachtten op de dageraad, tot die zijn gouden troon zou bestijgen.

9. Afvaardiging naar Achilles

De Grieken zijn verbijsterd

IX; 1
Terwijl zo de mannen van Troje de wacht hielden, huiverden de Grieken, ten prooi aan een panische angst, tweelingzuster van de laffe vlucht. Al hun leiders leden aan de martelingen van de wanhoop. Hun harten werden door stormen bewogen, zoals de vissen verheugende zee, als Boreas en Zephyrus, die waaien van Thracië, erop neervallen in gure vlagen, en als dan de zwarte, lang aanrollende golven hun koppen opsteken en de kust met zeewier bedekken.
IX; 2
Agamemnon, die van smart verscheurd rondzwierf, droeg zijn herauten met hun heldere stem op om iedere man bij name op te roepen, doch fluisterend slechts, en ook hijzelf deed mee om zijn deel van de manschappen ter vergadering te noden. En zij vergaderden zonder vreugde. Toen Agamemnon opstond om hen toe te spreken, kreunde hij diep en de tranen rolden hem langs de wangen, als water uit een bron over de rand van een afgrond stort. ‘Mijn vrienden,’ zo zei hij, ‘leiders en raadgevers der Grieken, Zeus, Cronus’ machtige zoon, bracht mij een verpletterende slag toe. Die wrede god, die eerst mij beloofde, dat ik de wallen van Ilium slechten zou, is maar weer eens van mening veranderd en noopt mij nu met schande overladen en met verlies van de helft van mijn leger naar Argos terug te keren, tot mijn allerbitterste teleurstelling. Onmiskenbaar is het, dat de onoverwinnelijke Zeus, die de hoge sterkten van zo menige stad in puin deed vallen, aldus in zijn almacht besloot. Laat dus iedereen mijn bevelen opvolgen. Aan boord van de schepen gegaan, zo zeg ik, en terug naar huis! Troje met zijn brede straten zal ons nooit ten offer vallen.’

Diomedes vermaant Agamemnon

IX; 3
Die tirade van Agamemnon de koning werd door het Griekse leger met een doodse stilte ontvangen. Geruime tijd zaten ze daar, zwijgend, terneergeslagen, totdat dan eindelijk Diomedes met zijn luide stem overeind sprong. ‘Atreus’ zoon, mijn heer,’ zo begon hij, ‘het is u op de eerste, allereerste plaats, u en uw vervloekte domheid, waar ik mij hier in de raad, zoals het mijn recht is, tegen verzet. Ik mag waar onder gelijken beraadslaagd wordt, vrijelijk mijn mening zeggen. Gij weet dat en moogt er geen aanstoot aan nemen. Zelf hebt ge nog onlangs de vrijmoedigheid gehad mij ten aanhoren van heel het leger beledigende verwijten te doen. Ik zou een melkmuil zijn en een lafaard. Niemand van de Grieken, jong of oud, die het niet hoorde. Maar heeft Zeus Vader in zijn wijsheid ook aan u een zekere gaven niet onthouden? Hij schonk aan u de staf van de heerser en het recht op eerbied en eerbetoon, dat erbij past, doch moed schonk hij u niet. En wat is macht zonder moed? Heer, denkt ge nu heus, dat de Grieken zo laf en ontaard zijn, als uw woorden te verstaan geven? Als gij er vandoor wilt, maar bij alle goden, ga dan! De weg is vrij; uw schepen waarmee u van Mycene naar hier kwam, liggen klaar. Maar de rest van de langharige Grieken blijven hier, totdat wij Troje hebben gebrandschat. Maar neen, dat ook zij maar gaan, zoals u, en wegsluipen naar huis op hun schepen; en wij beiden, ik en Sthenelus, zullen vechten, totdat wij in Ilium ons doel hebben bereikt. Het is op bevel van de hemel dat wij hier zijn!’

Nestor doet een voorstel

IX; 4
De Grieken waren allen verheugd met die Diomedes van hen, die dappere temmer van paarden. Luid juichend schonken zij hem hun bijval. En thans stond de Gerenische ruiter, Nestor, op om te spreken. ‘zoon van Tydeus,’ zo zei hij, ‘gij zijt een groot man op het slagveld en ook in de raad staat ge uw man onder uw leeftijdgenoten. Er is niemand van ons hier, die iets af zou willen dingen op uw rede of er iets tegen wil inbrengen. Maar al was het goed, wat u zei, u zei niet genoeg. Is nu eenmaal zo, dat, hoe verstandig u ook sprak tot de leiders der Grieken en hoezeer u ook gelijk had, u toch nog tamelijk jong bent. U zou best mijn jongste zoon kunnen zijn. En dus blijft aan mij de taak, als zoveel ouder dan u zijnde, om te verklaren waarheen het rad uwer rede gerold zou zijn, had ge het onuitgesprokene gesproken. En ook ik reken op de welwillendheid van de raad, zelfs op de erkenning van mijn recht om te spreken door Agamemnon de koning zelf. Want, waarlijk, die man is een vijand van zijn land, van zijn volk, van zijn haardstede, wien de bittere smaak van de burgertwist zoet is. Maar genoeg nu voor het heden. Laat ons doen, waartoe de nacht ons noodt en ons avondmaal bereiden. Langs de schansgracht buiten de muur moeten afwisselend posten op wacht staan. Dit is een plicht welke ik aan de jongeren onder ons overlaat. En daarna moge gij, Atreus’ zoon, als onze opperste leider, het goede voorbeeld geven en voor de oudsten een banket doen bereiden. Dit voegt u en het kan u niet deren. Dag in dag uit brengen Griekse schepen wijn vanuit Thracië. Uw tenten zijn er vol van; en aan u als koning van dit machtige volk is de plicht ons gastvrijheid te schenken. Als gij ons allen genood hebt onder uw tentendak, moet gij luisteren naar de man, die u het best kan raden. En de goden weten, dat wij Grieken de allerbeste en allerschranderste nodig hebben, die we maar kunnen vinden. Kijk maar eens naar de vijandelijke kampvuren zo dicht bij de schepen. Wel niemand kan er van dat gezicht genieten. Deze nacht zal onze onderneming redden of verderven.

Wachtposten worden uitgezet

IX; 5
Nestor’s raad werd goed ontvangen en stipt opgevolgd. Gewapende wachtposten werden uitgezet onder bevel van de edele Thrasymedes, de zoon van Nestor, van Ascalaphus en Ialmenus, kinderen van de oorlogsgod, van Meriones, Aphareus en Deipyrus en van de edele Lycomedes, de zoon van Creon. Er waren dus zeven wachtcommandanten met elk een honderd jonge mannen, die achter hen aan schreden, de lange speer in de hand. Ze betrokken hun wachtposten halverwege de gracht en de muur, en daar ontstak elke wachtcommando een kampvuur en allen bereidden hun avondmaal.
IX; 6
Intussen ging Atreus’ zoon met alle edele leiders naar zijn tent en liet daar een lekker maal voor hen bereiden. Ze deden zich tegoed aan al het smakelijks, dat hun voorgezet werd, en toen allen hun honger gestild en hun dorst gelest hadden, stond de grijze, Gerenische ruiter, Nestor, weer op en verklaarde zijn plannen. Hij had hun belangen op het oog en niet de eerste maal was het, dat zijn wijsheid ieders hart won. ‘edele vorst, Agamemnon, Atreus zoon, leider van mannen,’ zo zei hij, ‘met u begint mijn rede en eindigt zij ook. Gij zijt koning van een machtig en groot volk, voor welks wijze bestuur Zeus vader u de staf van het gezag in de hand gaf en u de wetten schonk en de macht om die te doen gehoorzamen. Dus betaamt het u, boven alle anderen raad te geven en naar raad ook te luisteren; en niet alleen dat, maar ook past het u om de plannen uit te voeren welke anderen u aanraden in uw eigen belang. In elk geval zult gij de eer oogsten van al het goed, dat er uit voortkomt. En thans zal ik u zeggen, wat mij het beste lijkt om te doen, in het vaste vertrouwen, dat er wel niemand betere raad nog zal weten. Lang geleden kwam ik tot een besluit, dat ik thans niet wens te veranderen. Het was, mijn vorst, toen gij Achilles vertoornde door hem het meisje Briseïs te ontschaken uit zijn tent. Wij allen waren er tegen, en vooral ik deed toen mijn uiterste best om u ervan af te houden. Maar uw ontembaar humeur nam in u de overhand en gij beledigde een man van het allerbeste allooi, door de goden zelf gewaardeerd en geacht, door zijn ereprijs te nemen tot uw eigen gewin. En dit is mijn plan nu: laten wij zelfs zo laat op de dag nog de nodige stappen doen om hem te verzoenen met bevredigende geschenken en nederige verontschuldigingen.’

Agamemnon erkent schuld

IX; 7
‘Mijn eerbiedwaardige heer,’ antwoordde Agamemnon, leider van mannen, ‘volkomen juist stelt ge mijn blinde verdwazing voor. Nee ikzelf zal het niet ontkennen, dat ik verblind was. De man, die zozeer Zeus’ hart won als Achilles, zodat omwille van hem de Vader der goden zelfs de Grieken wil verpletteren, is alleen een heel leger waard. Aangezien ik me echter mee liet slepen door een jammerlijke bevlieging en die dwaasheid beging, ben ik bereid om terug te keren op mijn weg en hem een rijke schadeloosstelling te bieden. Ten aanhore van u allen wil ik de schitterende geschenken opsommen, welke ik hem aanbied: - zeven drievoeten, door geen vuur nog geschonden; tien talenten goud; twintig ketels van gloeiend rood koper; en twaalf sterke renpaarden, die in een wedstrijd hun prijs zeker zijn. Met niets meer dan de prijzen die ik won met die rossen, zou een man niet slecht af zijn en geen goud zou hij te kort komen. Bovendien wil ik hem zeven vrouwen schenken, in het fijnere handwerk bekwaam, die ik koos als mijn buit, omwille van hun schoonheid, toen hij de stad Lesbos veroverde. Die zal hij van mij krijgen, en tevens nog de vrouw, die ik hem roofde, de dochter van Briseus. Tevens zal ik hem onder ede bevestigen, dat ik nooit het bed met haar deelde noch met haar sliep, zoals een man doet met een vrouw. Al die gaven zullen hem onmiddellijk ter hand worden gesteld. Later kan hij delen met ons, als de goden ons vergunnen om Priamus’ grote stad te plunderen; dan kan hij zijn schip vol laden met goud en brons, zoveel als zijn hart begeert, en twintig Trojaanse vrouwen voor zichzelf uitzoeken, in schoonheid aan de Griekse Helena gelijk. En keren wij terug naar het Argos der Grieken, van alle landen het rijkste, dan kan hij mijn schoonzoon worden, en behandelen zal ik hem als Orestes, mijn eigen geliefde zoon, die daar in weelde is grootgebracht. Thuis in mijn paleis heb ik drie dochters, Chrysothemis, Laodice en Iphianassa. Tussen hen zal hij kiezen, wie het best hem bevalt, en haar meevoeren naar het huis van Peleus zonder eerst de gebruikelijke giften te schenken. Integendeel zal ik hem een bruidsgift geven, groter dan enige vader aan zijn dochter als bruidsschat meegaf. Doch zelfs daar zal ik het nog niet bij laten, want zeven prachtige steden schenk ik hem: Cardamyle, Enope en het weidenrijke Hyre, het heilige Pherae en Antheia met zijn grazige dalen, het schone Aepeia en het van wijn overvloeiende Pedassus. Dicht bij de zee liggen die steden, grenzend aan de geestgrond van Pylos. Mannen wonen er, die veel schapen en runderen bezitten en die hem zullen huldigen met een overvloed aan gaven als was hij van de goden; en zij zullen hem ook, als hun heerser, rijke schatting betalen. Dit alles is het zijne, als hij onze twist wil vergeten en toegeeft en zwicht, want Hades alleen is zonder vergeving niet te overreden, waarom hij dan ook van alle goden bij de mensen het meest is gehaat. Dat zijn wil buige voor mij, die een machtiger vorst ben en ouder dan hij.’
IX; 8
Hem antwoordde Nestor, de Gerenische ruiter: ‘Atreus’ zoon, roemvolle, o machtige vorst Agamemnon, geenszins zijn de gaven te versmaden, welke gij vorst Achilles biedt. Laten wij dus dadelijk afgezanten uitkiezen, opdat zij in allerijl gaan naar de tent van Achilles, de zoon van Peleus. Maar, neen, laten zij gaan, wier namen ik zelf zal noemen. Vooreerst Phoenix, die Zeus in zijn hart sluit; dat hij ga als eerste; voorts de grote Ajax en met hem de edele en schrandere Odysseus. Dat de herauten Odius en Eurybates meegaan. Doch dat men eerst water brenge tot zuivering der handen, en dat er stille zij, zodat wij kunnen bidden tot Zeus, dat hij ons genadig zij.’
IX; 9
Zijn woorden vonden bij iedereen instemming. De herauten kwamen en goten water over hun handen, terwijl de schildknapen de mengvaten vulden tot aan de rand. En aan allen reikten zij een beker. Nadat zij de goden wijn hadden geplengd en zelf hun bekomst hadden gedronken, verliet het gezelschap de tent van Agamemnon, Atreus’ zoon. De Gerenische ruiter Nestor nam hen om beurten terzijde en raadde hen dringend, vooral de schrandere Odysseus, dat zij toch al het mogelijke doen zouden om Peleus’ roemvolle zoon gunstig voor hen te stemmen.

Ajax en Odysseus gaan naar Achilles

IX; 10
Over het strand, langs de ruisende zee, gingen tezamen Ajax en Odysseus en baden vele gebeden tot de machtige zeegod, die de aarde omspant, dat hun taak niet hun krachten te boven mocht gaan en zij het fier trotse hart van Achilles zouden mogen vermurwen. Toe zij dan kwamen aan de tenten en de schepen der Myrmidonen, troffen zij daar de vorst aan, die de al musicerend de tijd verdreef. Van roemruchte mannen en hun daden zong hij en begeleidde zijn lied op een welluidende lier, kostelijk bewerkt, de zingende snaren tussen zilver gespannen. Toen hij de stad Eëtion veroverde had hij dit heerlijke speeltuig buit gemaakt. Alleen Patroclus was bij hem, tegenover hem gezeten, de ogen op hem gericht en wachtende op het eind van zijn lied. De beide gezanten kwamen nader, voorop de edele en schrandere Odysseus. En voor de zanger bleven zij staan. Verrast sprong Achilles op uit zijn zetel, de lier in de hand; en ook Patroclus kwam overeind, toen hij de beide mannen zag. Achilles groette en sprak: ‘Welkom aan twee goede vrienden! Het werd werkelijk tijd, dat er iemand kwam. En hoe boos ik ook ben, er zijn geen twee Grieken, die ik liever heb dan u!’
IX; 11
Dit zeggende ging hij hun voor naar zijn tent en liet hen neerzitten in zetels, met purper bekleed. Toen wendde hij zich haastig tot Patroclus, die naast hem stond, en zei: ‘Maak het grootste mengvat gereed, Patroclus, mijn heer, doe minder water bij de wijn, en geef hun elk hier een beker. Onder mijn dak ontving ik nooit betere vrienden.’

Achilles’ weigering

IX; 12
Patroclus deed, wat zijn strijdmakker hem zei. In het licht van het vuur zette hij een lange tafel neer en daarop de ruggen van een schaap en een mestgeit en een varkensbout met veel spek eraan. Automedon hield die stukken vlees voor Achilles vast, die ze met zorg in stukken sneed en de stukken aan het spit stak. Patroclus intussen wakkerde het vuur aan. Toen het bijna was uitgebrand, de vlammen gedoofd waren, verspreidde hij de sintels en legde er de stukken vlees aan het spit bovenop, rustende op gaffels, nadat hij het vlees met zout, de gave der goden, had ingesmeerd. Toen hij het had geroosterd en op schotels gelegd haalde Patroclus brood, dat hij in schoon gevlochten manden op de tafel plaatste, waarna Achilles het vlees in gelijke delen verdeelde. Daarop nam hij plaats in een zetel bij het wanddoek van de tent, tegenover vorst Odysseus, en verzocht aan zijn vriend Patroclus, de koninklijke zoon van Menoetius, om aan de goden te offeren. Patroclus wierp de aan de goden gewijde vleesbrokken in het vuur, waarna zij zich allen bedienden van de lekkere dingen, waarmee de tafel overladen was. Nadat hun dorst gelest en hun honger gestild was, gaf Phoenix een teken. Odysseus echter zag het, was hem voor, vulde zijn beker met wijn, dronk Achilles toe en sprak: ‘Heil zij u, Achilles! Met al die lekkere gerechten, hier in uw tent – maar wij aten ook reeds bij vorst Agamemnon – behoeven we ons niet te beklagen. Heerlijk is, wat uw tafel ons biedt. Doch niet daarvoor kwamen wij hier. Ons vervult met bangheid en schrik een verschrikkelijk ongeluk, dat ons, o vorst, in de naaste toekomst bedreigt. Van uw deelname aan de strijd hangt het af, of wij onze kloeke schepen nog redden of zullen verliezen. Die schaamteloze Trojanen en hun bondgenoten hebben dicht bij de schepen en de muur hun kamp opgeslagen. ’t Is helder van het licht van hun kampvuren. En zij hebben de overtuiging, dat niets hun nog kan beletten om onze zwarte schepen met geweld te bestormen. Met rechts neerschietende bliksemschichten schonk Cronus’ zoon, Zeus, hun de nodige moed. Hector heeft gewoed als een wildeman, zegevierend, alvermogend. Op Zeus vader betrouwt hij en vreest in zijn strijdlust goden noch mensen. Slechts die éne bede vervult zijn hart, dat spoedig de heilige dageraad kome, want hij verlangt er met smart naar om onze schepen van hun schoon boegbeeld te beroven, Dan de schepen zelf in brand te steken, ons uit te roken en neer te sabelen in de schaduw der scheepskielen. En waarlijk ben ik meer dan bevreesd, dat de goden hem duldend zullen laten doen, wat hij dreigende wenste dat ons lot ondergang en dood zal zijn, ver van Argos, waar de paarden grazen. Dus vooruit en kom mee, als ge op het laatste ogenblik nog de uitgeputte troepen wilt redden voor de woede van die van Troje. Weigert gij, dan zult ge het later betreuren, want de gedane schade zal niet meer te herstellen zijn. Rep u voordat het zover is en red de Grieken van de ondergang.’
IX; 13
‘O, mijn goede vriend, vermaande uw vader Peleus u niet, toen hij u uitzond vanuit Phthia om u te scharen onder vorst Agamemnon, zeggende aldus: ‘mijn zoon, Athena en Hera zullen u sterk maken, als dit hun wens en verlangen is. Aan u is het om uw trotse geest te bedwingen, want beter dan trots is een hart, dat gewillig is en welgezind. Twisten zijn rampen, die leiden tot verderf en dood. Wees niet twistziek, en des te meer zullen de Grieken of zij oud zijn of jong, u met eer overladen. Dit was, wat uw oude vader u voorschreef. En ge hebt het vergeten! Maar zelfs nu is het nog niet te laat om u te bekeren tot mildheid. Laat die felle vijandigheid varen. Agamemnon is bereid u ruimschoots schadeloos te stelen, zodra ge zult zwichten. Ik zal u de gaven opsommen, die voor u klaar liggen in zijn tent: zeven drievoeten, door geen vuur nog geschonden; tien talenten goud; twintig ketels van gloeiend rood koper; en twaalf sterke renpaarden, waarmee ge rijke prijzen kunt winnen. Hij zei, dat u met die paarden alleen al en de prijzen, welke zij u brengen, men niets te kort komt noch ooit goud zal ontberen. Bovendien wil hij u zeven vrouwen schenken, in het fijnere handwerk bekwaam, die hij om hun uitschijnende schoonheid uitkoos als deel van zijn buit, toen gijzelf de stad Lesbos veroverde en innam. Die zult ge van hem krijgen, en bovendien nog de vrouw, die hij u ontstal, de dochter van Briseus, Daarenboven geeft hij u zijn woord van eer, dat hij nimmer het bed met haar deelde noch met haar sliep, zoals een man met een vrouw doet. Al deze gaven zullen terstond uw deel zijn. En later, als de goden ons toestaan om Priamus’ grote stad te plunderen, zult gij samen met ons deelnemen en twintig Trojaanse vrouwen uitkiezen, in schoonheid aan de Griekse Helena gelijk. Keren wij dan terug naar het Argos der Grieken, het rijkste aller landen, dan kunt gij zijn schoonzoon worden, en behandelen zal hij u als Orestes, zijn geliefde zoon, die daar in weelde en overvloed is grootgebracht. Hij heeft in zijn paleis drie dochters, Chrysothemis, Laodice en Iphianassa. Wie u het best bevalt, zult ge kiezen en haar meevoeren naar het huis van Peleus zonder hem de gebruikelijke gaven schuldig te zijn. Integendeel zal hij u nog een bruidsgift schenken, groter dan ooit menig dochter als bruidsschat meebracht. Doch zelfs daar blijft het nog niet bij; maar hij zal u zeven mooie steden schenken: Cardamyle, Enope en het weidenrijke Hyre, het heilige Pherae en Antheia met zijn grazige dalen, het schone Aepeia en het van wijn overvloedige Pedassus. Dichtbij de zee liggen die steden en aan de grens van de geestgronden van Pylos hun inwoners zijn rijk aan runderen en schapen. Rijke eergeschenken zullen zij aan u geven als aan één van de goden, uw gezag erkennen en u schatting betalen. Dit alles zal hij voor u doen, als ge zwicht. Maar is uw haat tegen de zoon van Atreus zo groot, dat ge al het andere vergeet, heb dan tenminste enig medelijden met de rest van de Grieken, die uitgeput en verslagen treuren in hun kamp. Als een god zullen zij u eren. Ja, waarlijk ge zult uzelf met roem overladen in aller ogen, want thans is de tijd voor u gekomen om af te rekenen met Hector. Hij waant zich de partij van geen van de Grieken, hierheen gekomen op hun schepen, en misschien dat hij zich zelfs verbeeldt het op te kunnen nemen tegen u!’
IX; 14
De snelle Achilles antwoordde hierop en zei: ‘koninklijke zoon van Laërtes, o schrandere Odysseus, om u de moeite te besparen van nog langer hier te zitten en te trachten mij te verlokken met listige woorden, wil ik u al maar dadelijk zeggen, hoe ik erover denk en wat ik zal doen. Als de poorten der hel zelf haat ik die man, die dit denkt en dat doet! Hier is dus mijn besluit: neem als waar van mij aan, dat die mijnheer Agamemnon noch wie ook van de Grieken mij zullen kunnen overhalen, want wel duidelijk is het, dat er geen dank is voor de man, die dag in dag uit strijdt en kampt met de vijand. Of hij thuis blijft of er al strijdend op uittrekt, zijn loon is hetzelfde. Lafaards en helden worden gelijkelijk geëerd; en de dood kiest niet tussen hem die niets deed, en een ander, die vocht als de beste. Al wat ik duldde en leed door altijd door mijn leven op het slagveld te wagen, bracht mij niet meer op dan de rest. Als een vogel was ik, die aan zijn nestjongen alles brengt, wat hij vindt – en hijzelf krijgt niets –. Menige slapeloze nacht bracht ik door en ik doorworstelde menige bloedige dag, al strijdend tegen mannen, die, als ik, om het behoud van hun vrouwen strijden. Vanuit de zee heb ik twaalf steden veroverd en elf te land in Troje’s bloeiende landouwen. Van elk bracht ik kostelijke buit mee, die ik onverdeeld schonk aan Agamemnon, die vorst van ons, die luierde bij zijn schepen. Iets schonk hij terug, maar het leeuwendeel hield hij. Wat hij schonk aan de vorsten en koningen al naargelang hun rang, is hun veilig bezit, maar juist ik moest het zijn, die hij bestal. En is hij ooit zonder vrouw?
IX; 15
Neen, hij heeft er een naar zijn eigen keus; dat hij dan met haar slaapt en tevreden is! En ja, waarom eigenlijk die strijd tussen Grieken en Trojanen? Waarom heeft die Agamemnon al die legers verzameld en hierheen gebracht? Om niemand anders immers dan omwille van die schoongelokte Helena? Doch zijn dan de zonen van Atreus de enigen, die van hun vrouwen houden? Ieder eerlijk en weldenkend man immers houdt van zijn vrouw en zorgt voor haar, zoals ik van dat meisje hield, al was het ook mijn speer, die haar won? Maar nu hij haar uit mijn armen roofde en mij bedroog, moet hij me niet meer met sluwigheden aankomen! Ik heb hem leren kennen. Geen tweede keer slaagt hij! Neen, Odysseus, mijn vriend, dat hij maar bouwt op u en de andere vorsten, als hij zijn schepen voor de vlammen wil redden. Zonder mij heeft hij al wonderen gewrocht. Zoals ik zie, bouwde hij een muur, groef hij een gracht, sloeg hij palen tot een omheining in de grond – mooi hoog, mooi breed, mooi stevig. Maar zelfs dat hielp hem niet om de oorlogszuchtige Hector op een afstand te houden! Waarlijk, in de dagen, dat ik mij nog met de Grieken in de strijd wierp, zou die Hector het nooit gewaagd hebben om uit de schaduw en de beschutting van zijn stadsmuren tevoorschijn te komen. Nooit kwam hij verder dan de Scaeïsche poort en de heilige eik, die daar groeit. Daar troffen wij elkaar eens alleen, en hij mocht blij zijn, dat hij er met zijn leven van af kwam! Maar het kan verkeren, en nu verkies ik niet langer met held Hector te strijden. Morgen dus zal ik offeren aan Zeus, mijn schepen laden en zee kiezen. Als het u lust om te kijken, zal het eerste wat u morgen ziet, mijn vloot zijn, die de Hellespont klieft, waar in het water de visjes dartelen. En daarbinnen, in die schepen, zullen mijn mannen roeien, dat het een lust is! Binnen drie dagen, als de grote zeegod mij een voorspoedige reis gunt, zal ik onder mijn voeten weer de vette klei van Phthia voelen: Een rijk en welvarend bezit liet ik daar achter, toen ik het ongeluk had, hierheen te komen; ik zal het nog vermeerderen met wat ik meebreng van hier aan goud en gloeiend koper, aan ranke vrouwen en grauw ijzer, mij bij loting toegewezen. Ja, alles neem ik mee, behalve het eergeschenk, dat mij één en dezelfde man schonk en het schaamteloos ontroofde, die Atreus’ zoon, die Agamemnon’die grote koning!
IX; 16
‘Zeg hem maar alles, wat ik u gezegd heb, en zeg het zo, dat eenieder het kan horen, dan weten de anderen waar zij aan toe zijn, als het hem weer eens invalt om te ver te gaan jegens een vorst van de Grieken. Dat intrigeren kan hij immers niet laten! En toch zou hij het niet wagen om mij onder de ogen te komen, hoe onbeschamend vlegelachtig hij ook is. Neen, en nog eens neen! Ik zal hem nooit meer helpen met raad in de vergadering noch met de daad op het slagveld. Hij heeft jegens mij zijn woord gebroken, mij bedrogen en bestolen. Nooit meer zal ik mij door zijn woord laten winnen. Wat hem betreft, zal ik hem rustig zijn verderf tegemoet zien gaan. Zeus in zijn wijsheid heeft zijn brein al verbijsterd. En wat die geschenken van hem aangaat: die lust ik al evenmin als de vent zelf. Al bood hij me tien of twintig keer zoveel, als hij bezit of wat hij van elders zou kunnen halen – al die inkomsten en heel de opbrengst van Orchomenus of van het Thebe der Egyptenaren, waar de huizen boordevol liggen met schatten en waar uit elk van haar honderd poorten tweehonderd strijders en op los stormen met hun strijdwagens en paarden –; al waren zijn giften zo talrijk als de zandkorrels op het zeestrand of de stofjes in de zon; – dan nog zou die Agamemnon mij niet voor zich kunnen winnen. Eerst zal hij moeten boeten voor de vernedering, die hij zo smadelijk mij aandeed.
IX; 17
‘Maar om verder te gaan: - wat moet ik met een dochter van Agamemnon als vrouw? Zij moge zo mooi zijn als de stralende Aphrodite en zo behendig en bekwaam als Athena met haar fonkelende ogen, toch zou ik haar niet huwen. Dat hij maar een andere Griek kiest, zo’n soort vorst al hijzelf is! Als de goden mij toestaan om veilig mijn vaderland te bereiken, zal Peleus geen vreemde hulp nodig hebben om voor mij een vrouw te vinden. Er zijn Griekse meisjes genoeg in Hellas en Phthia, dochters van edelen, bevelhebbers van burchten. Ik hoef maar te kiezen en dan heb ik een vrouw. Thuis had ik vaak al de wens om een vrouw van mijn eigen stand te huwen en rustig te genieten van de rijkdommen, die mijn oude vader Peleus voor mij won. Het leven immers, zo meen ik, is niet te vergelijken, zo kostbaar is het, met al de schatten welke het heilige Ilium oudtijds zou hebben bezeten in de vredige dagen voor de komst van de Grieken, noch met al de rijkdommen, die liggen opgestapeld in het rotsachtige Phthia aan gene zijde van de marmeren drempel van Apollo’s heiligdom. Runderen en malse schapen zijn voor het grijpen; en drievoeten en volbloeden kan men kopen, als het moet. Maar ’s mensen leven kan men stelen noch terugkopen, zodra de laatste adem zijn lippen ontvlood. Mijn godinmoeder, Thetis met haar voeten als zilver, zegt, dat het lot voor mij slechts twee wegen openliet op zijn gang naar het graf. Blijf ik hier en neem ik mijn aandeel in Troje’s beleg, dan is er voor mij geen uitkomst meer, al sterf ik ook met een roem die nooit sterft. Doch keer ik weer naar mijn vaderland, dan zal mijn goede naam zijn verspeeld, al zal ik heel lang nog leven en een vroege dood mij bespaard blijven. Een ding wil ik u nog zeggen: ook u en de anderen raad ik om huiswaarts te varen, want de steilten van Ilium zult gij nooit bestijgen ter bereiking van uw doel. Zeus, die alles ziet, heeft vol liefde zijn hand over de stad uitgestrekt en naar dat volk gaat zijn hart uit. Gaat dus heen en brengt openlijk in de raad van de leiders der Grieken verslag uit, zoals uw rechts is als oudsten. Zij moeten iets beters bedenken om de schepen te redden en al de in de nabijheid gelegerde legers, want uw onderhandelingen met mij stuiten af op mijn haat en mijn weigering. Doch Phoenix kan hier blijven en slapen in mijn tent om morgen samen met mij zich in te schepen voor de thuisvaart. Als hij wil tenminste; dwingen wil ik hem niet.’

Phoenix smeekt Achilles

IX; 18
Dit waren de woorden van Achilles. En zij stonden verslagen over de harde beslistheid van zijn weigering. Een lang zwijgen volgde, totdat de oude wagenmenner Phoenix als eerste de stilte brak. Zo bekommerd was hij om de schepen der Grieken, dat hij in tranen uitbrak en sprak: ‘Achilles, edele heer, als ge er werkelijk over denkt om huiswaarts te varen en zo door uw woede bezeten bent, dat ge weigert om de fiere schepen van de vlammen te redden, wat moet er dan worden van mij zonder u, o mijn kind? Hoe toch zou ik hier kunnen blijven, zonder u, alleen? Heeft niet de oude wagenmaker Peleus u aan mijn zorgen toevertrouwd, toen hij u vanuit Phthia heen zond om u te voegen bij Agamemnon en diens scharen? Een jongen nog was je, zonder ervaring omtrent de wisselvalligheden van de strijd noch omtrent de beraadslagingen der mannen noch omtrent alles, waardoor een man zich een naam maakt. Daarom zond hij me met u mee, om u dit alles te leren, om van u een spreker en een strijder te maken. En ik zou het niet over mijn hart kunnen krijgen u te laten gaan, o mijn kind, en zelf achter te blijven, zelfs niet als Zeus zelf mij van mijn jaren ontkleedde en mij weer maakte tot die stoere jonge kerel, die ik was, toen ik voor het eerst het aan liefelijke vrouwen rijke Hellas verliet. Ik liep weg wegens een onenigheid met mijn vader, Ormenus’ zoon, Amyntor. En dit was de reden; hij wierf om de gunst van de schone lustvrouwe en verwaarloosde zijn eigen wettige vrouw, mijn moeder, die mij steeds weer smeekte om die vrouw tegen haar vader op te zetten door haar te winnen, hem voor te zijn in het verweven van haar gunsten en een nacht in haar armen door te brengen. Ik zwichtte en deed, wat zij vroeg. Mijn vader begreep onmiddellijk, wat er gebeurd was en bezwoer de wraakgodinnen met plechtige eden, dat zij hem zouden bijstaan, dat hij nooit een zoon van mij zou zien spelen op zijn knieën. En de tijd bewees, dat zijn vloekbeden door Zeus van de onderwereld en de verhevene Persephone werden gehoord en verhoord. Zo woedend was ik, dat ik dadelijk op mijn vader los wilde stormen met mijn zwaard. Doch één van de onsterfelijken weerhield mij. Hij schonk mij verstandiger gedachten: aan de mening der mensen, aan de schande welke mij zou wachten, aan de naam vadermoordenaar, welke mijn landgenoten mij geven zouden. Toch kon ik het niet langer verdragen om rond te hangen in mijn vaders huis, die jegens mij woede bleef koesteren in zijn hart. Natuurlijk trachtten mijn vrienden en verwanten mij thuis te houden. Mestschapen en sleepvoetige runderen werden geslacht, zodat er geen eind aan scheen te komen; menig heerlijk vet varken werd er boven het vuur gehouden om zijn borstels afgeschroeid te krijgen; en menig kruik van rijpe wijn van de oude man werd aangesproken. Negen nachten aan één stuk sloegen zij hun kamp bij me op, stonden om beurten op post en hielden twee vuren brandend, één onder de arcaden van het binnenplein, het andere in de voorhof voor de deur van de slaapverblijven. Maar de tiende nacht, welke donker als pek was, brak ik de stevige deuren van mijn slaapkamer open en ontvluchtte. Zonder moeite klom ik de muur van het erf over zonder dat één van de wachters noch één van de dienstmaagden het merkten. Toen vluchtte ik verder, dwars door Hellas en zijn uitgestrekte velden en zo naar het vruchtbare Phthia, waar de schapen grazen. Daar bood ik mijn diensten aan Peleus de koning aan. Hij trok zich mij aan en hield van mij, als een vader van zijn enige zoon, de geliefde erfgenaam van zijn goed. Hij maakte mij tot een rijk man door mij een volkrijke streek te schenken, die ik besturen moest, en ik vestigde mij in het grensgebied van Phthia als koning der Dolopiërs. Sindsdien, o roemrijke Achilles, ging al mijn liefhebbende toewijding naar u uit om u te maken, wat ge zijt. Weet ge nog, dat hij u weigerde om met een ander dan mij uw maaltijd te nemen? Op mijn knieën moest ik u nemen, het vlees voor u snijden, u laten drinken uit mijn beker. En hoe vaak hebt ge die wijn niet gemorst op mijn kleed, omdat uw klein mondje te gulzig was voor uw keel? Veel zorgen had ik om u; veel moeite deed ik om u; want gij waart zo’n zoon, als de goden mij ontzegd hadden. O, roemrijke Achilles, tot mijn zoon maakte ik u, opdat ge mij, als uw vader, eens redden zoudt van verderf en schande.’
IX; 19
‘Maar beheers nu uw toorn, o Achilles. Waarom zo halsstarrig? Zelfs de goden, in deugd, kracht en eer uw meerderen nog, laten zich mild stemmen. Zelfs zij laten zich overreden door offers en smeekbeden, door plengoffers en de lekkere geur van gebraad, en vergeven wie zondigde en misdeed. Bedenk toch, dat de smeekbeden de dochters van de alvermogende Zeus zijn! Hinkend, de ogen neergeslagen, volgen zij de zonde. Maar die is vlug en alle smeekbeden ver voor en brengt allerwegen schade en verderf aan de mensen. Maar zij komen na en maken alles weer goed. Gezegend zij de man, die de smeekbeden niet van zich af wijst, als zij hem naderen, en wat hij vraagt, wordt hem geschonken. Maar wie die dochters van Zeus ruw weg zendt, die zal het beleven, dat zij naar het huis van hun vader, naar Zeus, gaan, aan wie zij dan vragen, dat de zonde die man inhaalt en dat zijn val zijn straf zij. Daarom. O Achilles, wil eerbied hebben voor die dochters van de grote Zeus. Die eerbied doet ook anderen, even edel als gij, het hoofd buigen. Bood Agamemnon u geen geschenken met beloften van meer? Doch bleef hij halsstarrig in zijn felle woede, dan zou ik nimmer raden het wrokken te staken en de Grieken te helpen, hoe groot ook hun nood is. Maar nu biedt hij u niet enkel overvloedige schatten, maar belooft u in de toekomst veel meer nog, terwijl hij als afgezanten om zijn zaak te bepleiten de besten van heel het leger koos, die onder de Grieken uw goede vrienden zijn. Hun pleitredenen, hun komen hierheen, neen, dat moet ge niet zo maar zonder meer van de hand wijzen, hoewel niemand u de wrok kan verwijten, die ge koestert. Wij hoorden ook van de helden als u in lang vervlogen tijden, die koesterden woede en haat, maar toch door geschenken te vermurwen bleken en te overreden door woorden. Vele jaren teruggaand in mijn gedachten herinner ik zelf zo’n geval. Wij zijn allen vrienden hier en ik zal het u vertellen. De Cureten bevochten de strijdbare Aetoliërs bij de stad Calydon. Van weerskanten werden er zware verliezen geleden. De Aetoliërs verdedigden het lieflijke Calydon en de Cureten wilden die stad nemen en plunderen. De twist was begonnen, toen Artemis, op gouden troon gezeten, in toorn ontstak en een monster losliet op Calydon, omdat koning Oeneus verzuimd had om op de heilige heuvel van zijn land haar oogstoffers te brengen. Alle andere goden ontvingen rijke gaven, maar alleen zij niet. Misschien had hij haar vergeten of was hij achteloos geweest, maar in ieder geval bleek zijn vergissing noodlottig. De godin van de boog immers zond hem in haar woede een gedrocht van de goden, een woest en wild everzwijn met bruine borstels en blikkerende tanden, er op uit om de landgoederen van de koning te vernielen. Spoedig was de grond bezaaid met ontwortelde ooftbomen, neergestort met bladeren, bloesems en al. Maar eindelijk wist ’s konings zoon, Meleager, hem te doden. Daarvoor had hij uit vele steden jagers en honden bijeen moeten brengen, want het ondier was te sterk om slechts met enkelen te worden gejaagd, en nog bracht het menigeen jammerlijk om. Maar zelfs toen het monster gedood was, liet Artemis om het kadaver een felle twist ontstaan tussen de Cureten en de fiere Aetoliërs, wie de kop zou krijgen, wie de ruige vacht. In de oorlog, die daaruit ontstond, zag het er voor de Cureten slecht uit, zolang de geduchte Meleager zijn man stond. Rust nog duur vonden ze en ondanks hun groot aantal vermochten zij de stad niet te nemen. Doch menig verstandig man wordt op zijn tijd door hartstocht overmand, en zo ook Meleager. Vertoornd op zijn moeder, Althaea, bleef hij rondhangen in zijn huis bij zijn vrouw, de mooie Cleopatra, Marpessa’s dochter, wier enkels zo slank zijn. Marpessa zelf is de dochter van Evenus. Idas, de vader van Cleopatra, was in zijn tijd de sterkste man ter wereld. Ja, hij had Phoebos Apollo, de god van de boog zelf, met zijn eigen boog gedreigd omwille van Marpessa, die om haar fijne enkels vermaarde vrouwe. En later gaven Cleopatra’s ouders thuis haar de bijnaam van IJsvogeltje ter herinnering aan haar moeder, die als zo’n ijsvogel geleefd had, en om de klagende kreten, die zij had geslaakt, toen de boogschuttergod Apollo haar wegvoerde.’
IX; 20
‘Die Meleager dus kroop in bed, sliep met Cleopatra en koesterde zijn zielteisterende wrok. Zijn moeders vervloekingen waren het, die hem verbitterden. Hij had haar broeder gedood en zij had in haar smart de goden gebeden, dat zij haar zoon zouden doden, waarbij zij op haar knieën viel, de keurs van haar kleed nat maakte met haar tranen, de vruchtbare aarde met vuisten sloeg en Hades aanriep en de verheven Persephone. En de Wraakgodin, die in het duister zwerft en onverzoenlijke gedachten koestert, hoorde haar in de onderwereld. ‘En intussen beukten de Cureten de poorten en muren der stad. Men hoorde het donderend gedreun van hun rammen. Toen deden de oudsten der Aetoliërs moeite om Meleager te bewegen naar buiten te komen en deel te nemen aan de strijd, zodat hij de stad nog zou redden. Zij zonden een gezantschap naar hem toe, bestaande uit de voornaamste priesters des land en beloofden hem rijke geschenken. Zij zeiden hem, dat hij zich een landgoed zou kiezen van vijftig morgen groot, half wijngaard en half bouwland, gelegen in Calydon’s vruchtbaarste vlakte. De oude wagenstrijder Oeneus voegde zijn beden ook bij de hunne. Hij stond op de drempel van Meleager’s hoog bedvertrek en rukte aan de stevige houten deuren, zijn zoon biddend en smekend. Ook zijn zusters en moeder pleitten, maar verbitterden hem nog meer, en zijn strijdmakkers, de liefste en trouwste vrienden, die hij had. Maar hij weerstond al hun smeekbeden tot het allerlaatste ogenblik, toen de Cureten de wallen beklommen, brand stichtten in de grote stad en zijn eigen kamer door hun projectielen getroffen werd. Toen smeekte Meleager’s vrouw hem onder tranen de nood en het leed indachtig te zijn van het volk, als hun stad genomen zou worden, de mannen gedood, de huizen in vlammen, de kinderen geroofd en de vrouwen geschaakt. Haar droef verhaal raakte zijn hart, en hij verliet zijn kamer en tooide zich in zijn glanzende rusting. Aldus redde hij de Aetoliërs van de ondergang, omdat zijn geweten hem daartoe noopte. En geen van de schitterende geschenken, die hem beloofd waren, ontving hij. Hij redde hen, doch kreeg er niets voor terug. Denk niet, zoals hij, mijn vriend, en laat uw geest u niet drijven tot het volgen van zijn voorbeeld. Als de schepen al branden, zal het moeilijker dan ooit zijn om ze te redden. Kom veeleer, nu de geschenken nog voor het hebben zijn, en de Grieken u zullen behandelen als een god. Als gij mee komt en uw leven waagt op het slagveld zonder de verlokking van zo schone giften, zal hun dunk van u geringer zijn, zelfs al zoudt ge de nederlaag in een overwinning doen keren.’

Achilles blijft weigeren

IX; 21
Zo sprak Phoenix, en thans sprak Achilles, wiens voeten snel zijn, opnieuw. ‘Mijn heer Phoenix,’ aldus zei hij, ‘mijn lieve, oude vriend; ik heb de goede dunk van de Grieken niet nodig. Met Zeus’ goedkeuring ben ik tevreden, die mij bij mijn gebogen schepen laat zolang de adem leeft in mijn lichaam en ik het gebruik van mijn ledematen heb. Wat meer is, ik wil dat ge weet, dat ik mijn bezwaren heb tegen uw vleien omwille van Agamemnon, want dat doet ge door uw pogingen mijn hart te bewegen door gevoelige woorden. Pas er wel voor om die man uw meegevoel te schenken, want dan kon mijn liefde voor u wel eens veranderen in haat. Wat u past is verzet tegen die man, die zich verzet tegen mij. Mijn besluit is genomen en deze mannen hier zullen het hem zeggen: liever schonk ik mijn halve koninkrijk weg dan te zwichten. Maar wilt ge hier blijven, u wacht een zacht bed, en komt dan de dageraad, dan zullen wij beslissen, of wij huiswaarts varen of niet.’
IX; 22
Toen hij uitgesproken was, beduidde Achilles met een lichte wenk van zijn wenkbrauwen om een bed te bereiden voor Phoenix; dan zouden de anderen wel zo gauw mogelijk vertrekken. Het was Ajax, Telamon’s koninklijke zoon, die het eerste de wenk begreep, zich tot Laërtes’ zoon wendde en zei: ‘Odysseus, mijn heer, zo schrander van geest, laat ons gaan. Het schijnt mij immers toe, dat voor dit keer tenminste onze zending mislukt is. Hoe slecht ook het nieuws, wij moeten het onmiddellijk aan de Grieken gaan melden, die ongetwijfeld wakker bleven om op ons te wachten. Ik kan echter niet nalaten om op te merken, hoe hardnekkig die Achilles is in zijn haat en wrok. Hoe wreed onbarmhartig is hij om geen enkel ogenblik te denken aan de vriendschap zijner makkers, die hem maakten tot de afgod van ons leger! Ik noem het onmenselijk. Is het niet, zelfs in geval van moord gebruikelijk om bloedgeld te nemen voor een broeder of een zoon wellicht? De moordenaar behoeft zelfs het land niet te ruimen, als hij de naaste verwant dat zoengeld betaalt, wiens trots en gekwelde gevoelens dan door die schadeloosstelling bevredigd werden. Maar gij, Achilles, - en de goden weten waarom – hebt uzelf opgezweept tot die onstilbare woede om een meisje zonder meer. En hier bieden wij nu zeven van de jongsten en schoonsten, en nog zo van alles bovendien. Wees toch een beetje toeschietelijk. En denk ook aan uw plicht als gastheer. Wij zijn onder uw dak; wij zijn van heel het Griekse leger de besten; en wij wensen niets liever dan uw beste en liefste vrienden te blijven onder alle Grieken hier.’
IX; 23
En Achilles, vlug ter been als geen ander, antwoordde: ‘Vorst Ajax, koninklijke zoon van Telamon, wat ge zegt is niet zonder zin. Doch mijn bloed kookt, als ik denk aan wat er is geschied en aan de gemene manier, waarop die zoon van Atreus met mij omsprong in ieders aanwezigheid, als was ik een verworpene, verachtelijk, niet in tel. Ga nu en deel mijn besluit mee. Ik wil niet meer van strijd en oorlog horen, totdat de edele Hector, zoon van de wijze Priamus, tenten en schepen der Myrmidonen bereikt zal hebben, links en rechts de Grieken vellend, en de schepen in vlammen doet opgaan. Hoe verwoed ook zijn aanval, toch hoop ik dan Hector hier vlak bij mijn eigen tent en met mijn eigen, zwart schip tot staan en tot rede te brengen.’

Het gezantschap keert terug

IX; 24
Toen Achilles dit gezegd had, namen zijn bezoekers een dubbele beker en plengden de goden, waarna zij langs de schepenrij aan het strand gingen met Odysseus als eerste. Patroclus zei tegen zijn mannen en de maagden, die hem dienden, om vlug voor Phoenix een gerieflijke legerstede te bereiden. Toen de vrouwen zijn bevelen hadden gehoorzaamd en schapenvellen en een laken van het fijnste linnen op het bed hadden gespreid, ging de oude man liggen en wachtte op het gezegende licht van de dageraad. Achilles zelf sliep in een hoek van zijn stevige tent, met een vrouw, die hij uit Lesbos had meegebracht, de dochter van Phorbas, Diomede, een schoonheid met lieflijk blozende wangen. In de tegenovergestelde hoek sliep Patroclus met een andere gezellin, de bekoorlijke Iphis, hem geschonken door de edele Achilles toen hij de burcht van Scyrus, Enyeus’ stad nam.
IX; 25
De afgezanten bereikten de tent van Agamemnon en alle Griekse vorsten sprongen overeind, drongen hun als één man wijn in goed gevulde bekers op en overstelpten hen met vragen. En vorst Agamemnon was nog het ijverigst van allen. ‘Verhevene Odysseus,’ zo riep hij, ‘bloem van de Griekse moed en ridderlijkheid, vertel me onmiddellijk, of hij de schepen van de vuurgloed zal redden! Of is die trots van hem niet te stillen?’ De voortreffelijke Odysseus zei en sprak: ‘Vermaarde zoon van Atreus, Agamemnon, gij leider van mannen, geen oogwenk is die man van plan om in het minst maar te zwichten. Ja, waarlijk, hij is wrokkiger en meer gemelijk dan ooit. Hij wil van u en uw giften niets horen. Hij zegt dat gijzelf met uw vrienden maar te rade moet gaan, hoe de schepen en de legers te redden. Hij van zijn kant dreigt zijn eigen gebogen schepen van het strand de zee in te trekken, zodra de nieuwe dag aanbreekt. En hij zei, dat het ook ons geraden was om hetzelfde te doen en huiswaarts te varen. ‘Nooit zult ge uw doel bereiken,’ zo zei hij, ‘in Troje’s steile en brede straten. Zeus, die alles ziet, strekt een liefdevolle hand beschermend uit over die stad, en haar bewoners hebben zijn hart en zijn liefde.’ Dit zei hij. Van hen, die mij als gezanten vergezelden, zijn Ajax en de twee herauten, beiden betrouwbaar, hier om te getuigen, dat ik de waarheid spreek. Maar de oude Phoenix slaapt ginds in de tent van Achilles, die er bij hem op aandrong, dat hij blijven zou, zodat hij met hem scheep zou kunnen gaan in de ochtend, mocht hij dit wensen, al zei hij dan ook, dat hij hem niet dwingen zou.’
IX; 26
Niemand sprak, toen Odysseus zweeg. Zijn boodschap, zo zonder omhaal van woorden gesproken, wekte ontsteltenis in de harten in de harten der Griekse helden. Een somber stilzwijgen volgde, dat eerst verbroken werd, toen Diomedes, om zijn luide strijdkreet vermaard, het eindelijk waagde te spreken. ‘Atreus’ zoon, Agamemnon, leider der mannen,’ zo sprak hij, ‘het is diep te betreuren, dat ge uzelf verwaardigd hebt om een smekeling te worden in Achilles’ ogen en hem zo’n vorstelijk aanbod te doen. Hij is zondermeer al trots en hooghartig genoeg; en nu hebt ge hem nog een hogere dunk van zichzelf gegeven. Ja we moeten hem nu verder maar met rust laten, hem laten begaan, of hij blijft of uitvaart. Hij zal opnieuw deelnemen aan de strijd, als zijn geweten spreekt en de geest over hem vaardig wordt. En thans hoop ik, dat gij allen mijn raad zult volgen. Laten wij, na ons te hebben gesterkt met brood en wijn, welke ons onze kracht en moed terugschenken, gaan slapen. Maar zodra de nieuwe dag aanbreekt, mijn vorst Agamemnon, moet ge het leger in slagorde scharen, voetvolk en strijdwagens in een boog voor de schepen, en hun aanmoedigen door uw woord en door uw voorbeeld in de strijd, van allen de eerste.’ Alle helden betuigden hun instemming met deze raad van Diomedes met zijn luide stem. Zij brachten hun plengoffers, trokken zich toen terug in hun tenten, waar zij zich ter ruste legden om de zoete gave van de slaap te genieten.

10. Nachtelijke overval

Agamemnon en Menelaus hebben zorgen

X; 1
De leiders der verenigde Grieken brachten de rest van de nacht bij de schepen in de zachte armen van de slaap door. Maar Agamemnon, Atreus’ zoon, de leider der leiders, worstelde met teveel zorgen om de slaap te kunnen vatten. Diep uit zijn borst steeg zucht na zucht op, en zijn hart werd van angsten doorpriemd, zoals de hemel van bliksems wordt doorschoten, als Hera’s heer en meester een hagelstorm uitbroeit of felle slagregens of een sneeuwstorm, die de akkers in een witte mantel hult, of op het punt staat om de rampen van de oorlog los te laten over enig ongelukzalig land. Als Atreus’ zoon uitkeek over de Trojaanse vlakten werd hij getroffen door het zien van ontelbare kampvuren, die daar voor Ilium brandden, door het geluid der hoogpijpende fluiten en de stemmen der strijders. En keek hij naar de schepen en zijn eigen leger, dan rukte hij zich de haren uit het hoofd als een aanklacht tegen Zeus in zijn hemel en dan dreigde zijn fiere hart te breken. Eindelijk wist hij niets beters te doen, dan rechtstreeks naar Neleus’ zoon, Nestor, te gaan in de hoop, dat zij samen wellicht een zeker plan mochten bedenken, dat hun onderneming kon redden van de ondergang. Hij bond een paar stevige sandalen onder zijn sierlijke voeten, wierp over zijn schouders de glimmend zachte huid van een grote, bruinrode leeuw, welke hem tot de enkels reikte, en nam toen zijn speer in de hand.
X; 2
Menelaus vond het al even moeilijk als zijn broer om ook maar één ogenblik de rust van de slaap te vinden. Ook hij werd bestormd door angstige zorgen om de Grieken, die omwille van hem ten strijde waren getrokken en naar Troje gekomen over de wilde waterwoestijn. Hij wierp de gevlekte huid van een luipaard om zijn schouders, nam zijn bronzen helm en zette die op het hoofd, nam een speer in zijn grote hand en ging er op uit om zijn broeder te wekken, de heer aller Grieken, hoog in achting bij het volk. Hij vond hem bij de achtersteven van zijn schip, bezig met zijn schouders met het harnas te dekken. Agamemnon was verheugd hem te zien. Menelaus echter sprak het eerste en zei: ‘Mijn geliefde broeder, waarom rust ge u aldus ten strijde uit? Wilt ge een verspieder uitzenden temidden der Trojanen? Ik vrees met grote vreze, dat ge niemand voor die taak zult vinden. Dat moet immers al een heel moedige kerel zijn, die zich alleen naar buiten waagt in de nacht vol geheimen om het kamp van de vijand te gaan verspieden.’
X; 3
‘Menelaus, mijn heer,’ zei vorst Agamemnon, ‘wat u en ik moeten doen, is onze hersenen afpijnigen om een middel te vinden, dat de Grieken verlichting schenkt en de schepen redt, nu Zeus zich tegen ons keert. Het is wel duidelijk dat hij meer behagen schept in Hector’s offers dan in die van ons. Dat één enkele man in de loop van één dag zoveel schade aanbrengt aan ons leger, als die Hector deed, heb ik nimmer nog beleefd. Geen god zijnde deed hij nochtans dingen, welke bij de Grieken in eeuwige herinnering zullen blijven tot hun onheil. Doch wat ik thans van u wensen zou, is, dat ge de schepen langs gaat om Ajax en Idomeneus te roepen; dan ga ik naar de edele Nestor en wek hem en roep hem hier. Hij kan immers naar de voorposten gaan, die op leven en dood van belang zijn, en de wachters tot de grootste waakzaamheid aansporen. Zij zullen beter naar hem luisteren dan naar wie ook, want zijn eigen zoon en Idomeneus’ schildknaap Meriones, voeren daar bevel. Wij immers hebben hun de leiding van heel het wachtcommando gegeven.’
X; 4
Menelaus, om zijn luide strijdkreet vermaard, antwoordde: ‘Uitstekend, maar wat moet ik zelf nu doen? Wat is het, dat ge wenst van mij? Zal ik daarginds bij hen blijven en wachten, totdat ge u bij ons voegt? Of keer ik bij u terug, als ik hun gezegd heb, wat zij te doen hebben?’ ‘Blijf bij hen, ‘sprak de leider der mannen, Agamemnon, ‘of u en ik verliezen elkander wellicht onderweg uit het oog. Van zoveel paden is het kamp doorsneden. Roep luidt als ge uw man aanspreekt; vernoem ook zijn afkomst en zijn vaders naam. Gun eenieder zijn titels en waardigheden en wees niet hooghartig. Ook wij moeten ons deel hebben aan het gemeenschappelijke werk. Vanaf onze geboorte zond Zeus ons daarover onheil genoeg over.’

De andere krijgsheren worden gewekt

X; 5
Daarmee stuurde hij zijn broer weg en ging er zelf op uit om Nestor, de raadsman der mannen, te zoeken, die hij aantrof bij zijn tent en zijn eigen zwarte schip, al rustende op een zacht bed. Naast hem lagen zijn sierlijk bewerkte wapenen, een schild, twee lansen en een glanzende helm; ook de schitterende gordel, waarmee hij zich sierde, als hij zijn mannen aanvoerde ten strijde, want hoe groot ook zijn ouderdom, toch was geen gevaar hem te groot. Nestor kwam overeind op zijn elleboog, lichtte het hoofd op en riep met uitdagende stem: ‘Wie zwerft daar alleen in het kamp rond, dicht bij de schepen, in het holst van de nacht, terwijl iedereen slaapt? Zoek je een verdwaalde muilezel of één van je vrienden? Spreek , kom niet nader, voordat ge me antwoord hebt gegeven! Wat voert u hier?’ Agamemnon antwoordde op de uitdaging: ‘Nestor, zoon van Neleus, glorie der Grieken, ge zult toch zeker niet Atreus’ zoon, Agamemnon, wel terug kennen, de man, die door Zeus uitverkoren is ter vervolging, hem beproevend met zorgen, zolang de adem leeft in zijn lichaam en hij zijn ledematen bewegen kan? Ik ben op pad, naar ge ziet, omdat ik me al te zeer bezorgd maak over het verloop van de oorlog en de hachelijke toestand der Grieken om ook maar één ogenblik de slaap te kunnen vatten. Mijn bezorgdheid voor mijn volk is zo groot, dat ik volkomen buiten mezelf ben. Ik ben als een gekwelde. Mijn hart klopt en hamert, als wilde het zich bevrijden uit de kerker van mijn borst, en mijn knieën dreigen mij hun dienst te weigeren. Naar ik zie, kunt ge al evenmin slapen. Wilt ge iets goeds doen, kom dan met me mee, ga de wachtposten af en zie toe, dat de slaap hen niet overweldigt en ze hun plicht vergeten. De vijand zit ons dicht op de hielen en van zijn plannen weten we niets. Wie weet, of zij misschien geen nachtelijke overval zullen wagen?
X; 6
Daarop antwoordde hem de Gerenische ruiter, Nestor: ‘Atreus’ zoon, vorst Agamemnon, ik ben er volkomen zeker van, dat Zeus, de raadsheer des hemels, niet al die hoge verwachtingen, welke Hector zou kunnen koesteren, in vervulling zal doen gaan. Integendeel zal hij zich zorgen genoeg moeten maken, als Achilles de tijd gekomen acht om zijn toorn te vergeten. Het spreekt vanzelf, dat ik met u meega. Doch laat ons ook de anderen wekken: de dappere Diomedes en de schrandere Odysseus, de vlugge Ajax en de kloeke Meges, Phyleus’ zoon. Ook zou het raadzaam zijn, als iemand die twee anderen ging wekken, Ajax, Telamon’s zoon, en vorst Idomeneus, wier schepen het verst hier vandaan zijn. Maar wat Menelaus betreft, die moet ik wel laken, hoezeer hij mij lief is en ik hem eerbiedig en hoezeer ook mijn woord uw toorn zal wekken, want hoe kan hij slapen op een ogenblik als dit en aan u alle werk overlaten? Dit is de tijd, dat hij zich moet beraden met al de leiders, hen smekend hun uiterste best te doen, nu de toestand zo hopeloos is.’
X; 7
Antwoordde hem Agamemnon, de leider der mannen: ‘O oudste mijner vrienden, vaak genoeg zou ik wensen, dat u hem eens flink onderhanden nam, want vaak is hij tot nietsdoen nalatig geneigd, laat hij de dingen op hun beloop, niet uit lakse luiheid of gebrek aan schrander inzicht, maar omdat hij al te zeer op mij en mijn voorbeeld vertrouwt. Vannacht echter was hij nog voor mij op de been en verscheen aan mijn zijde. Reeds zond ik hem op weg om de beide mannen die u noemde, op te roepen. Laten wij dus ook gaan. Wij zullen hen vinden bij de poort, waar de wachters staan en waar ik hen ontbood.’ ‘Ach, aangezien hij zo goed zijn best doet,’ sprak de Gerenische ruiter, Nestor, ‘heb ik niets gezegd, zal ook niemand iets tegen hem inbrengen of zich onttrekken aan zijn gezag.’ Al sprekend sloeg hij zijn mantel om en bond een paar stevige sandalen onder zijn sierlijke voeten. In purper hulde hij zich, in een overmantel van dichte, kroezige wol, ruim en wijd. Ten slotte greep hij een sterke speer met een scherpe bronzen spits en begaf zich op weg langs de schepen der kopergekolderde Grieken.
X; 8
De eerste, die de Gerenische ruiter, Nestor, wekte, was de schrandere Odysseus – wiens gedachten zijn als die van Zeus zelf –. Nestor’s kreet werd door hem onmiddellijk beantwoord. Odysseus kwam zijn tent uit en ondervroeg zijn bezoekers: ‘Waarom zwerft ge hier rond in het holst van de nacht te midden der tenten en schepen, alleen, onbeschermd? Wat brengt u hier? Staan de zaken er dan zo slecht voor?’ De Gerenische wagenstrijder, Nestor, gaf hem ten antwoord: ‘O, vorstelijke zoon van Laërtes, Odysseus, schranderst van allen, wees op ons niet vertoornd. Inderdaad is het met de Grieken heel hachelijk gesteld. Doch kom met ons mee en laat ons ook enkele anderen wekken, met wie wij dan samen kunnen beraadslagen, of wij zullen vechten of vluchten.’
X; 9
Na die woorden ging Odysseus zijn tent weer binnen, hing zich zijn rijk bewerkt schild om en volgde hen. Eerst gingen zij naar Diomedes, Tydeus’ zoon, en vonden hem in de open lucht liggen buiten zijn tent met zijn wapens naast zich. Om hem heen sliepen zijn mannen, het hoofd op hun schild. Hun speren staken met de nauw toelopende schacht in de grond, de bronzen spitsen flitsend tot in de verre omtrek, als de bliksem van Zeus vader. De vorst sliep op een ossenhuid en met glanzend dierenvel als deken. De Gerenische wagenstrijder Nestor wekte hem met zijn voet en riep hem tartend toe, zodat hij klaar wakker werd: ‘Ontwaak, Tydeus’ zoon! Wat zoudt ge heel de nacht in alle gemoedsrust slapen, terwijl de Trojanen op nauwelijks een steenworp afstand van onze schepen waken bij hun talrijke kampvuren.’ Diomedes was wakker in een oogwenk en sprong overeind, niet zo’n klein beetje gebelgd. ‘u bent, heer, een krasse maar onmeedogende grijsaard, en rust kent ge niet. Zijn er geen jongeren in het kamp om rond te gaan en de leiders der Grieken te wekken? Maar gij, oude man, zijt onvermoeibaar!’ Antwoordde hem Nestor, de Gerenische ruiter: ‘Wat ge daar zegt, mijn vriend, is waar. Ik heb mijn flinke zonen en mannen in overvloed om rond te gaan en de helden te wekken. Doch het is met ons hachelijk gesteld. Het is thans op het kantje af, als balancerend op het scherp van een vlijmscherp mes, of iedere strijder der Grieken het gruwelijke doodslot wacht of dat er nog redding mogelijk is. Maar als ge zoveel medelijden hebt met mij, oude man, ga dan, als zoveel jonger dan ik, zelf Meges en Ajax de hardloper wekken.’ Daarop wierp Diomedes het glanzende vel van een grote leeuw om de schouders, dat hem tot de voeten reikte, greep zijn speer en begaf zich op weg. Hij wekte de beide mannen, waar zij sliepen in hun tenten, en bracht hen mee.
X; 10
Toen gingen zij de wachtposten langs, doch vonden niemand van de officieren slapende. Zij zaten daar, gewapend en al op hun hoede, als honden, die vol onrust waken over de schapen op het erf zonder aan slapen te denken, omdat zij een wild dier hoorden aansluipen door de bossen langs de heuvelhelling, achtervolg door luid schreeuwende mannen en blaffende jachthonden. Aldus hielden de wachtposten de wacht in die onheilspellende nacht, zonder dat zij de slaap lieten wegen op hun oogleden, maar voortdurend tuurden zij naar de vlakte, of geen der Trojanen zich roerde. Nestor, die oude vechtjas, was tevreden over die waakzame wakers en schonk hun een woord van waardering en aanmoediging. ‘Ja, jongens,’ zei hij, ‘zo moet het gaan! Houdt vol en dat niemand in slaap valt tot spot en vreugd van de vijand!’

Nachtelijk overleg

X; 11
Toen trok hij snel de burggracht over, door de Griekse leiders gevolgd, die ter beraadslaging bijeen waren geroepen, en door Meriones en Nestor’s edele zoon, die zij uitgenodigd hadden om deel te nemen aan de vergadering. Aan de overzijde van de schutgracht gingen zij zitten op een open plek, niet met lijken bezaaid. Daar immers had de heldhaftige Hector zijn slachting onder de Grieken gestaakt en was teruggekeerd, toen de avond het slagveld in duisternis hulde. Het was daar dus, dat zij plaats namen en zich beraadden, totdat Nestor om stilte verzocht en het woord nam. ‘Mijn vrienden,’ zo sprak hij, ‘zou er nu iemand onder ons zijn, die zoveel zelfvertrouwen en moed bezit om te gaan naar het kamp van de vijand? Misschien neemt hij een achterblijver gevangen of hoort een gesprek af, dat hun plannen onthult, of zij hier blijven, dicht bij de schepen, of terug gaan naar de stad om hun overwinning te vieren. Kwam hij dat te weten en bracht hij bericht ervan heelhuids terug, dan zou er ter wereld niemand zijn, die niet van zijn heldendaad horen zou. Rijkelijk beloond ook zal hij worden. De leiders der Grieken zullen elk hem een ooi met haar lammetje geven, van alle eergeschenken het schoonste, en bij alle feesten en plechtige maaltijden zal hij aanzitten.’
X; 12
Toen Nestor dit gezegd had, zwegen zij allen, totdat Diomedes opsprong en sprak: ‘Dit avontuur, o Nestor, is net iets voor mij. Het kamp van de trotse Trojanen is dichtbij en ik zal het gaan bezoeken. Maar ik wenste wel, dat een ander mij vergezelde. Dan zou ik mij veiliger voelen en meer geneigd ook om het gevaar te trotseren. Twee man tezamen grijpen de gelegenheid, die één man zou missen, omdat hij aarzelt, al heeft hij zijn kans ook voor het grijpen. Deerlijk dwaalt hij, die alleen op eigen kracht vertrouwt.’ Op die woorden meldden velen zich om de dappere Diomedes te vergezellen. Het waren de beide Ajaxen, die handlangers van de oorlogsgod zelf, en Meriones ook, samen met de edele zoon van Nestor; de befaamde speervechter, Atreus’ zoon, Menelaus bleef niet achter, evenmin als de veelervaren Odysseus, want avonturen waren zijn lust en zijn leven.
X; 13
Agamemnon, der mannen leider, nam nu het woord. ‘Tydeus’ zoon, Diomedes,’ zo zei hij, ‘mijn trouwe vriend, kies nu als metgezel, wie gij wilt, de beste van hen, die vrijwillig zich melden; er zijn er genoeg. Laat geen aanzien des persoons u ertoe brengen om de betere voorbij te gaan en de slechtere te nemen. Laat u niet beïnvloeden door afkomst of stand; kies desnoods een mindere als hij de betere is.’ Hij zij dit omdat hij bezorgd was om zijn broeder, de blondlokkige Menelaus. Doch Diomedes, befaamd om zijn strijdreet had zijn keus reeds gedaan. ‘Als het werkelijk uw wens is, dat ik zelf mijn metgezel kies,’ zo zei hij, ‘hoe zou ik dan de voortreffelijke Odysseus vergeten, die gunsteling van Pallas Athena, die dappere, altijd tot elk avontuur bereid? Samen zouden wij door het vuur kunnen gaan en nog veilig thuis komen. En van allen, die ik ken, is hij de schranderste nog.’ ‘Diomedes, mijn heer,’ sprak de moedige en voortreffelijke Odysseus, ‘Ge hoeft mij niet te prijzen, zodat het iedereen kan horen, evenmin als mij te laken, want hier kennen allen mij; maar laten wij liever gaan, want de nacht is reeds ver gevorderd, het leger der sterren reeds voortgeschreden op zijn baan; van de nacht is reeds twee derde voorbij, en ons rest nog slechts de derde nachtwake.’

Diomedes en Odysseus gaan spioneren

X; 14
Zonder een woord nog hingen ze zich de geduchte wapens om. De in de strijd ervaren Thrasymedes gaf Tydeus’ zoon een tweesnijdend zwaard, want Diomedes had zijn eigen zwaard bij het schip achtergelaten, alsook een schild, zette hem de lederen helm op het hoofd, die zonder kam of helmbos was en ook wel stormkap geheten wordt en die de kloeke strijder in het heetst van het gevecht bescherming biedt. Meriones gaf Odysseus een boog, een pijlenkoker en een zwaard, en hij zette hem een leren helm op het hoofd, vanbinnen van een netwerk van sterke riemen voorzien en met vilt gevoerd, vanbuiten versiert aan de rand met twee rijen blinkend witte tanden van een everzwijn. Die helm stamde oorspronkelijk uit Eleon, waar Autolycus hem stal van Ormenus’ zoon, Amyntor, in wiens huis hij binnendrong. Autolycus gaf hem aan Amphidamas van Cythera, dat hij hem mee zou nemen naar Scandia; en Amphidamas gaf hem aan Molus als dank voor genoten gastvrijheid; en Molus schonk hem aan zijn zoon om te dragen in de strijd. En thans beschermde die er het hoofd van Odysseus mee.
X; 15
Uitgerust met die geduchte wapens gingen die twee er toen op uit, al de Griekse helden ter vergaderplaats achterlatend. En Pallas Athena zond hun als gunstig voorteken een reiger, die opvloog, rechts van de weg, die zij namen. De nacht was te donker, dan dat zij de vogel konden zien, doch zij hoorden zijn kreet; en Odysseus, verheugd over dit voorteken, bad tot Athena en zei: ‘Luister naar mij, o dochter van Zeus, die de Aegis draagt! Ja, gij staat mij bij op al mijn avonturen, bij al mijn ondernemingen! Waar ik ga of sta, gij ziet me! Toon mij, Athena, deze nacht uw bijzondere gunst en geef, dat wij terugkeren naar de schepen na het volbrengen van een zo grote daad, dat het de Trojanen tot hun spijt nog lang zal heugen. Diomedes op zijn beurt bad tot de godin en zei: ‘Zeus’ dochter, van Trito de vrouwe, wil ook mij verhoren. Sta mij bij, zoals ge mijn edele vader bijgestaan hebt, toen hij Thebe binnen ging als gezant van de Grieken, terwijl hij zijn legers langs de oevers van de Asopus achterliet. Die van Thebe bracht hij een vriendschapsgeschenk, doch op de terugweg wachtte hem een verschrikkelijke en zware taak waarbij gij hem hielp. Help mij nu ook en waak over mij met eenzelfde zorg, en ik zal u een éénjarig kalfje offeren, een koe, breed van schoften, die nimmer nog het juk droeg. Zij zal u geofferd worden, de hoorns met goudblad omwikkeld.’Zo baden zij, en Pallas Athena hoorde hun gebed. Daarop trokken zij als twee leeuwen door de duistere nacht, het slagveld over, zich een weg zoekend temidden der lijken en bebloede wapenen.

De Trojanen sturen Dolon op pad

X; 16
Ook aan de Trojaanse helden werd niet veel slaap gegund. Daar zorgde Hector wel voor, die de leiders bijeen riep. En toen zij dan vergaderd waren, ontvouwde hij hun zijn plan. ‘Er is werk aan de winkel,’ zo zei hij. ‘wie wil er zich vrijwillig voor opdoen? Een rijke beloning wacht hem, die het klaar speelt. Behalve de roem, die hij wint voor zichzelf, zal ik hem de beste strijdwagen met een paar volbloeden uit het kamp van de Grieken geven, als hij het waagt hun schepen te verkennen en zich ervan vergewist, of zij als gewoonlijk worden bewaakt, of dat de Grieken, overweldigd door de nederlaag, die wij hun toebrachten, reeds beraadslagen om te vluchten en te uitgeput zijn om nog waakzame wachtposten uit te zetten.’ Die uitdaging wekte aanvankelijk geen weerwoord. Doch er was onder de Trojanen een man, een zekere Dolon, de zoon van Eumedes, die geheiligde heraut. Rijk was hij aan goud en brons, van voorkomen niet aantrekkelijk, doch snel in het lopen. Onder zes kinderen was hij de enige zoon. Hij nu was het, die naar voren trad en het woord nam. ‘Dit avontuur, Hector,’ zo zei hij, ‘lijkt me wel, en ik wil voor u de toestand bij de schepen gaan verkennen. Maar wilt ge eerst met deze staf in de hand zweren, dat ge mij de paarden en de heerlijk versierde wagen van Achilles zult geven? Ik beloof u van mijn kant, geen slechte verspieder te zullen zijn, die uw verwachtingen beschaamt. Mijn plan toch is om regelrecht door het kamp op Agamemnon’s schip af te gaan, waar de leiders der Grieken wel bijeen zullen zijn om te beraadslagen over vluchten of standhouden. Tot antwoord nam Hector de staf in zijn handen en legde de eed af, zoals Dolon dit wenste. ‘Laat Zeus vader zelf,’ zo zei hij, ‘Hera’s heer en beheerser der wolken, horen mijn eed, dat geen andere Trojaan die paarden zal mennen en dat dit tweespan tot het eind uwer dagen u tot trots en tot glorie zal zijn.’
X; 17
IJdel was die eed, maar voldoende om Dolon op weg te doen gaan met over zijn schouders zijn boog, daaroverheen het vel van een grijze wolf, een muts van marterbont op het hoofd, in de hand een scherpe lans. In de richting van de schepen stapte hij, maar niet om bij Hector terug te keren met nieuws van de Grieken. Spoedig had hij het kamp met zijn gewoel van manschappen en paarden achter zich gelaten, en driftig draafde hij voort.

Diomedes en Odysseus vangen Dolon

X; 18
Vorst Odysseus zag hem aankomen en zei tot zijn metgezel: ‘Diomedes, hier komt er eentje van de vijand, een verspieder misschien of een lijkenrover. Zullen we hem eerst door laten lopen – een klein eindje maar – en hem dan bespringen en grijpen? Doch is hij ons te vlug af, bedreig hem dan met uw speer, zodat hij noch onze schepen noch zijn eigen stad kan bereiken.’
X; 19
Daartoe besloten zij, verlieten het pad en doken weg temidden der lijken. Geen kwaad vermoedend draafde Dolon hun voorbij. Toen hij hen zover achter zich had gelaten als muildieren ploegen op één dag, die beter dan ossen de ploegschaar trekken door de kluiterige grond, zetten die twee hem achterna. Dolon bleef staan, toen hij het gerucht van hun voeten hoorde, want hij dacht, dat het vrienden waren, die hem terug wilden roepen naar het kamp der Trojanen, omdat Hector zich bedacht had. Maar toen ze nog op geen speerworp afstand van hem waren, zag hij dat het vijanden waren en zette het als een haas op een lopen. Zij hen na als de bliksem. Tydeus’ zoon en stedenplunderaar Odysseus joegen die man na met de onverzoenlijkheid van een paar jachthonden met scherpe tanden, die een ree of een haas op het spoor zijn, die voor hen uitsnelt door het bos, al kermende onder het rennen. Zo ging de jacht voort en zo sneden Odysseus en Diomedes hem af van zijn eigen troepen, totdat de vluchteling bijna de wachtposten van het leger de Grieken bereikt had. Toen gaf Athena aan Tydeus’ zoon, Diomedes, de kracht tot een laatste, woedende aanloop, opdat niemand der bronsgekolderde Grieken er zich op zou kunnen beroemen Dolon getroffen te hebben, voordat Diomedes hem had bereikt. Zijn speer zwaaiend riep de geduchte Diomedes hem toe: ‘Blijf staan, of ik rijg je aan mijn speer, en geloof maar niet, dat je dan nog lang zult leven!’
X; 20
Al sprekende wierp hij zijn speer, maar miste zijn man opzettelijk. De spits van het glad glanzende wapen vloog over zijn rechter schouder en boorde zich toen in de grond. Vol angst bleef Dolon staan, wit van schrik, stotterend en bang klappertandend. Hijgend haalden zijn twee achtervolgers hem in en grepen hem bij de armen, waarop hij in tranen uitbarstte en zei: ‘Neem me levend gevangen en ik beloof u een goede losprijs. Ik heb thuis brons en goud en smeedijzer in overvloed, waaruit mijn vader u graag schatten zal betalen, als hij verneemt, dat ik levend naar de schepen der Grieken gebracht ben.’

Ondervraging van Dolon

X; 21
Maar de schrandere Odysseus zei: ‘Man beheers je toch! Wie denkt er nu aan dood en verderf! Antwoord liever op mijn vragen en doe het naar waarheid! Hoe kwam je ertoe om je kamp te verlaten en alleen naar de schepen te gaan in het holst van de nacht, terwijl iedereen slaapt? Of zond Hector je als verspieder naar de holle schepen? Of waagde je je op eigen gelegenheid hier buiten? Dolon’s knieën knikten, toen hij antwoordde: ‘Hector heeft me tegen beter weten in lekker gemaakt door de heerlijke belofte van Achilles’ prachtige paarden en sierlijk versierde strijdwagen. Hij wilde, dat ik me wagen zou door de duistere nacht tot voorbij de vijandelijke voorposten om te zien, of de schepen naar gewoonte bewaakt zijn of dat men na de nederlaag, door ons toegebracht, de mogelijkheid van een vlucht overweegt, te uitgeput om zich nog om veiligheid en wachtcommando’s te bekommeren.
X; 22
De schrandere Odysseus glimlachte de man toe en zei: ‘De vingers jeukten je dus om de hand te leggen op de paarden van de krijgshaftige Achilles? Ongetwijfeld een schitterende buit! Maar ze zijn moeilijk te mennen en moeilijk nog in toom te houden, tenminste voor een gewoon sterveling of wie ook behalve voor Achilles, wiens moeder een godin is. Doch antwoord mij nu op mijn vragen en die het naar waarheid. Waar liet ge Hector achter, de leider van alle Trojanen, toen je zo even hierheen kwam? Waar ligt zijn uitrusting? Waar grazen zijn paarden? Hoe en waar zijn de Trojaanse wachtposten opgesteld en waar slaapt de rest van jullie leger? En wat zijn hun verdere plannen? Zijn ze van plan om zo dicht bij de schepen gelegerd te blijven of gaan zij zich terug trekken in de stad na de Grieken die nederlaag toegebracht te hebben?’
X; 23
‘Ik zal al die vragen van u naar waarheid beantwoorden,’ zei Dolon, Eumedes’ zoon. ‘Op de eerste plaats dan beraadslaagt Hector met zijn raadslieden bij de grafheuvel van koning Ilus, ver achter het woelige kamp. En wat u voorts vroeg over onze wachters, mijn heer, kan ik u zeggen, dat wij geen eigenlijke wachtposten uitgezet hebben ter bewaking van het kamp noch om de bewegingen van de vijand te verspieden. Iedere groep heeft zijn kampvuur met elk een wachter. Ze roepen elkaar toe om wakker en op hun hoede te blijven. De roemruchte verbondenen echter slapen, want hebben geen vrouwen of kinderen in de buurt. Het waken laten ze aan de Trojanen over.’
X; 24
Maar de schrandere Odysseus wilde meer nog weten. ‘Hoe bedoel je dat?’ vroeg hij. ‘Slapen de verbondenen in hetzelfde deel van het kamp als de Trojaanse wagenstrijders of gescheiden van hen? Draai er niet omheen, maar zeg het, want ik wil het weten.’
X; 25
‘Opnieuw zal ik u alles vertellen,’ zei Dolon, Eumedes’ zoon. ‘De Cariërs en de Peaoniërs met hun krombogen liggen daarginds bij de zee, zo ook de Lelegiërs, de Cauconen en de roemruchte Pelasgen, doch de Lyciërs, de heldhaftige Mysiërs, de paardentemmende Phrygiërs en de Maeonische wagenstrijders kregen hun kampplaats toegewezen aan de kant van Thymbra. Maar waarom wilt ge al die kleinigheden weten? Als uw plan is om onze stellingen te overrompelen, weet dan, dat daar, helemaal terzijde, de Thraciërs gelegerd zijn, nieuwe troepen, van de rest afgezonderd. Met hen is Rhesus, hun koning, de zoon van Eioneus. Die man heeft de mooiste en sterkste paarden, die ik ooit nog zag. Witter dan sneeuw zijn ze en sneller dan de wind. Zijn strijdwagen is prachtig versierd met goud en zilver; en ook bracht hij wapens mee, helemaal van goud en heerlijk om te zien. Stervelingen moesten die niet dragen, want enkel voor goden zijn zij geschikt. Dus wat wilt ge? Mij meenemen naar de schepen of mij boeien en hier laten, terwijl ge er op uit gaat om te zien, of ik al dan niet de waarheid sprak?’
X; 26
Doch de geduchte Diomedes keek hem aan, nors en grimmig, en zei: ‘Dolon, hoe gunstig ook uw nieuws, deed ge toch niet beter u niet te verbeelden, dat ge nog weg kunt komen, nu ge eenmaal in onze handen viel. Laten wij u vannacht vrij, dan zou niets u beletten om andermaal terug te keren naar de schepen der Grieken om de verspieder te spelen of ons in het open veld als tegenstander tegemoet te treden. Maar sla ik mijn handen aan u en beneem u het leven, dan zult ge nooit meer de Grieken tot last zijn.’

Dood van Dolon

X; 27
Dolon wilde juist met zijn grote hand de kin van de ander strelen om hen om genade te smeken, toen Diomedes met zijn zwaard op hem aanviel en hem ongenadig in de nek trof. Hij sneed de pezen door en Dolon’s hoofd rolde, terwijl hij nog kermde, aan zijn voeten in het stof. Zij stalen de muts van martervel van zijn hoofd, ontroofden hem ook zijn wolfshuid, zijn soepele boog en lange lans. Daarop hield de schrandere Odysseus die trofeeën in de hoogte, zodat Athena, de godin van de krijgsbuit, die zien zou, en hij bad tot haar: ‘dat uw hart verheugd zij, o godinnen, want gij immers waart de eerste van alle onsterfelijken op de hoge Olympus, tot wie wij smeekten om hulp. Wees ons andermaal tot hulp en steun, nu wij er op uit gaan om de slapende Thraciërs en hun paarden te overvallen.’ Na aldus te hebben gebeden hief hij nog eenmaal hoog zijn buit en borg die toen onder een struik, waarop hij van riet en twijgen een duidelijk herkenningsteken vlocht, zodat zij de buitgemaakte schat gemakkelijk zouden kunnen terugvinden in het donker, als zij weerkeerden van hun strooptocht.

Overval op Rhesus

X; 28
Daarop gingen die twee verder en zochten zich een weg door de lijken en de bloederige wapens. Spoedig kwamen zij zo bij het kamp van de Thraciërs, die sliepen, vermoeid van de strijd. En hun heerlijke wapens lagen ordelijk in drie rijen gerangschikt op de grond naast hen. Bij iedere man stond een span paarden. In hun midden sliep Rhesus, naast hem zijn snelle paarden, aan de disselboom van zijn strijdwagen gebonden. Odysseus zag hem het eerst en wees hem aan Diomedes. ‘Dat is onze man, Diomedes,’ zo zei hij, ‘en daar zijn die paarden van hem, waarover Dolon ons sprak, voor hij stierf. Wees nu sterk als nog nooit. Aarzel niet; handel vlug en maak de paarden los. Of dood gij de mannen en dan zal ik wel voor de paarden zorgen.’
X; 29
En nu trok Diomedes, vervuld van de felle geest van Athena met haat fonkelende ogen, er op los met zijn zwaard en doodde de mannen links en rechts van hem. Afgrijselijke kreten stegen op uit de kelen der stervenden; en de aarde werd rood van hun bloed. Tydeus’ zoon ging onder die mannen van Thracië rond als een leeuw, die geiten of schapen zonder herder bespeurde en zich werpt op de kudde, door bloeddorst bezield. Diomedes doodde er twaalf en terwijl hij op hen afging met zijn zwaard en zijn wrede taak volbracht, greep de schrandere Odysseus het slachtoffer van achteren bij de voeten en sleepte het weg om vrij baan te laten voor de paarden met wapperende manen, die misschien bang waren voor hun nieuwe meesters en schichtig konden worden, als ze trapten op de lijken. De Dertiende man, waar Diomedes op af ging, was koning Rhesus zelf, die diep lag te hijgen, toen het zoete leven hem werd ontnomen. Hij was ten prooi aan een nachtmerrie, de hele nacht al, en die had nu door de list van Athena de gedaante aangenomen van Tydeus’ zoon, Diomedes.
X; 30
Intussen maakte de alles durvende Odysseus de trappelende paarden los van de wagen, bond ze met riemen bijeen en joeg hen met een paar tikken van zijn boog de enge ruimte in, want geen ogenblik dacht hij eraan om gebruik te maken van de glanzende zweep, die in de rijk versierde strijdwagen lag. Toen hij met de paarden het veld had geruimd, floot hij om Diomedes een teken te geven. Maar die haastte zich niet, maar zon op nieuwe avonturen. Zou hij de strijdwagen, waarin de gouden wapenrusting lag, bij de disselboom naar buiten trekken of het voertuig in zijn armen wegdragen? Of zou hij nog verdere slachtingen onder de Thraciërs aanrichten? De edele Diomedes was zich daarover nog aan het bedenken, toen Athena naast hem opdook met een waarschuwend woord op de lippen. ‘De zoon van de moedige Tydeus,‘ zo zei zij, ‘zou er goed aan doen om aan terugkeer te denken naar de holle schepen, wil hij er niet in volle vlucht en in paniek heen gejaagd worden. Er zijn nog andere goden, en die zullen wellicht de Trojanen opwekken tot tegenweer.’ Op het horen van die woorden sprong hij, die onmiddellijk de stem van de godin herkend had, op één van de paarden, en samen met Odysseus, die de rossen weer met een tik met zijn boog gaf, stormden zij terug naar de schepen van de Grieken.
X; 30a
Maar Apollo met zijn zilveren boog had intussen ook niet geslapen. Toen hij zag, hoe Athena zich uitsloofde voor Tydeus’ zoon, werd hij woedend op haar en daalde neer temidden van het talrijke leger der Trojanen, waar hij één van hun leiders wekte, de Thraciër Hippocoön, verwant aan Rhesus, de koning. Plotseling ontwaakt sprong de man op en toen hij de lege plaats zag waar de paarden hadden gestaan, en de plassen bloed, waarin zijn landgenoten lagen te sterven, slaakte hij een verschrikkelijke kreet en riep zijn vriend en verwant bij zijn naam. Dit bracht de Trojanen op de been, die aangerend kwamen onder angstwekkend geschreeuw en gejoel. En daar keken zij verbijsterd naar de verschrikkelijke rampen, welke de beide mannen hadden aangericht alvorens de wijk te nemen naar hun holle schepen.

Terugkeer naar het scheepskamp

X; 31
Toen Odysseus en Diomedes de plek bereikten, waar zij de verspieder van Hector gedood hadden, hield vorst Odysseus de steigerende paarden in en Diomedes steeg af en reikte de buitgemaakte, bloederige wapens aan Odysseus. Toen sprong hij weer te paard en in volle vaart ging het verder op de holle schepen toe.
X; 32
Nestor hoorde het eerst de hoefslag der snel naderende paarden. ‘Mijn vrienden,’ zo zei hij, ‘aanvoerders en leiders der Grieken, vergis ik mij of heb ik het goed?! Maar zweren kan ik, dat ik paarden hoor naderen. Als dat eens Odysseus en de kloeke Diomedes waren, die hier aan komen rennen op een paar heerlijke rossen van het kamp der Trojanen?! Maar eerder toch vrees ik, dat die van Troje onze helden met dood en rampen bedreigen!’
X; 33
Nauwelijks had hij dit gezegd, of reeds kwam het tweetal aanstuiven. Ze sprongen van hun paarden, moesten vele handen drukken en werden met luid gejuich door hun vrienden ontvangen. Doch het gretigst van allen om hun wedervaren te horen was nog de Gerenische ruiter, de oude Nestor. ‘Zeg me,’ zo zei hij, ‘o roemrijke Odysseus, bloem van Griekenlands helden, hoe komt ge aan die heerlijke paarden? Drong ge door tot in het kamp der Trojanen en haalde ze daar, of ontmoette u onderweg de een of andere god, die ze u gaf? Ze glanzen als het licht van de zon zelf. Ik tref die van Troje geregeld, want ben er de man niet naar om achter te blijven bij de schepen, hoezeer ook vergrijsd in de strijd, doch paarden als die zag ik nooit. Kom, zeg het me maar eerlijk: je trof een god, die ze je schonk! Zeus vader die de wolken verzamelt, is zeer op u beiden gesteld, al evenzeer als zijn dochter, Athena met haar fonkelende ogen.’
X; 34
Antwoordde hem de schrandere Odysseus: ‘Nestor, zoon van Neleus, de goden vermogen meer dan de mensen en wenste één hunner ons een gift te schenken, dan zou hij wel met een nog schoner tweespan voor de dag kunnen komen. Maar om te antwoorden op uw vraag, mijn heer: die paarden zijn pas onlangs hierheen gekomen en het zijn Thracische. De voortreffelijke Diomedes hier doodde hun meester en eigenaar en bovendien nog twaalf van zijn beste mannen. Alles bijeen doodden wij veertien vijanden, want wij betrapten ook nog een verspieder dichtbij de schepen, die erop uit was gestuurd door Hector en de rest van die onbeschaamde Trojanen.’
X; 36
Met die woorden joeg hij met zijn paarden al lachend de gracht over en al even opgewekt volgde hem de andere Grieken. Toen zij de geriefelijke tent van Tydeus’ zoon bereikt hadden, bonden zij het tweespan met welgemaakte riemen aan de voerbakken, waar Diomedes’ eigen paarden van de als honing zo geurige tarwe genoten. Odysseus borg Dolon’s bebloede uitrusting in het achterste ruim van zijn schip in afwachting van de tijd, dat hij Athena, de godin, de beloofde offers zou kunnen brengen. Daarop liepen ze een eind de zee in om het zweet te wassen van hun schenen, nek en dijen. Verfrist gingen ze zich toen helemaal wassen in gladgepolijste badkuipen. Fris gebaad wreven ze zich in met olijfolie, zetten zich aan tafel voor het maal, schepten uit een vol mengvat de rijpe wijn en brachten daarmee de godin Athena een plengoffer.

11. Heldendaden van Agamemnon

De legers maken zich gereed voor de slag

XI; 1
Toen de Dageraad was opgestaan uit haar bed, waar zij rust naast Tithonus, de god, om het heerlijke licht van de dag te brengen aan goden en mensen, zond Zeus Vader de demon van de strijd en de tweedracht naar de schepen der Grieken. En staan ging zij, met de krijgsvlag ontplooid, op het brede dek van Odysseus’ schip, dat in het midden van het schepenfront lag, zodat haar roep geleidelijk gehoord zou worden door de aan beide uiteinden gelegen tenten van Ajax, zoon van Telamon, en van Achilles, die voldoende op eigen moed vertrouwden om de onbeschermde flanken der Griekse stellingen te betrekken. Daar zo staande slaakte de godin haar luide en verschrikkelijke strijdkreet en bezielde aldus ieder Grieks hart met het vaste besluit om te strijden tot het uiterste. En veel beter docht hun de strijd dan de thuisvaart in hun holle schepen.
XI; 2
Atreus’ zoon gaf met een luide stem zijn troepen bevel zich voor de strijd gereed te maken. Hijzelf begon met zich uit te rusten in schitterend brons, bond om zijn benen scheenplaten, die sloten met zilveren gespen, trok het borstkuras aan, hem eens in vriendschap door Cinryas geschonken, toen deze op het verre Cyprus van de veldtocht der Grieken vernam en hij hun leider wilde bedenken. Van horizontale repen was dat kuras aaneengezet, tien van donkerblauw email, twaalf van goud en twintig van tin. Het paarlmoerige email, waaruit ook draken gemaakt waren, die, tweemaal drie in getal, de kraag vormden, gaf een schijnsel als van de regenboog, waarmee Zeus Vader de wolken omspant als een voorteken voor de mensen beneden. Daarop hing Agamemnon zich het zwaard om, het gevest met gouden knoppen bezet, van zilver de schede, maar de draagband van goud. Voorts nam hij zijn schitterend schild, alsmede een kunstwerk – tien ringen van brons en twintig knopen van tin rond het hart van het schild, dat van donker email was en een afschrikwekkende Gorgonenkop voorstelde met links en rechts de demonen van Afgrijzen en Angst. Met een zilveren draagband was het uitgerust en die was versierd met een blauwe draak met drie koppen, die uit één hals groeiden. Op het hoofd zette Agamemnon zijn helm met vier helmplaten, dubbele kam en uitdagend wuivende paardenstaart; en ten slotte greep hij een paar sterke en scherpe speren met bronzen spits. Het brons, waarin hij gekleed ging, flitste tot hoog in de hemelen, en Athena en Hera begroetten met donderslagen die als de bliksem schitterende koning van het gouden Mycene.
XI; 3
De wagenstrijders lieten allen de zorg voor hun strijdwagens aan hun menners over met de opdracht die in goede orde aan de burggracht op te stellen, terwijl zijzelf onder dreunend geweld, geharnast en al, voorwaarts stormden om zich voor de menners in gelid langs de weergracht op te stellen. Niet ver achter hun stonden de wagens. Zeus vader echter wekte door het zenden van een bloedige dauw nog meer opwinding onder de strijdlustige gelederen, want de vader der goden was vastbesloten om menig dappere ziel naar Hades te zenden.
XI; 4
Van hun kant kwamen de Trojanen nu ook in het geweer, op de hoogten rondom de vlakte, waar zij zich schaarden om de grote Hector, de onovertroffen Polydamas, Aeneas, die de Trojanen vereerden als een god, en Antenor’s drie zonen, Polybus, de edele Agenor en de jonge Acamas, die was als een god. Hector viel onder allen op door zijn groot schild. Als een noodlottige ster, nu eens duidelijk zichtbaar dan weer achter de wolken verborgen, was die Hector met zijn ronde, stralende schild om beurten in al de schittering zijner wapens te zien door voor- en achterhoede, als de bliksem, die Zeus vader uit de hemelen laat flitsen.

Hevige strijd op de vlakte

XI; 5
En thans stormden de Trojanen en de Grieken op elkaar af, als maaiers, die aan weerskanten van een rijke akker met hun zeisen de tarwe of gerst neerhalen in zwaden, die vallen de één op de ander. Ze waren in getal even sterk en geen dacht aan wijken of vluchten. Als wolven renden zij op elkaar af, en de demon van de tweedracht verheugde zich, toen zij hen zag, want het breken van harten is haar een lust. Zij alleen immers van alle goden was getuige van die strijd, want de anderen waren ver van het slagveld, rust nemende in hun liefelijke woningen, in de Olympische dalengebouwd. Allen waren ze boos op Zeus vader, die de donkere wolken verzamelt, omdat hij de Trojanen de overwinning wilde gunnen. Maar Zeus trok er zich niets van aan. Hij was weggeglipt uit hun midden en ging alleen zitten kijken, trots op zijn macht, naar de stad der Trojanen en de Griekse schepen, naar het flitsende brons, naar hen, die doodden, en naar hen, die gedood werden.
XI; 6
Die hele morgen, terwijl het gezegende licht van de dag won aan sterkte, volgde tegenaanval op aanval, raak en doeltreffend, stortten aan beide kanten de mannen neer in hun bloed. Maar tegen de tijd, dat een veller van bomen in het woud moeheid voelt en meent voor het ogenblik genoeg te hebben gedaan, zodat hij zwicht voor de verlokkende gedachte aan zijn maal, dat hij dan bereiden gaat, riepen de Grieken elkaar bemoedigend toe, spanden al hun krachten in en verbraken de gelederen van de vijand. En voor allen uit stormde Vorst Agamemnon en doodde een leider der Trojanen, een zekere Biënor. En na hem zijn vriend en menner, Oileus. Oileus was uit zijn strijdwagen gesprongen om zich tegen Agamemnon te verweren, maar deze trof hem aan het voorhoofd met zijn scherpe speer. De helm van de man was stevig en van brons, maar bood geen weerstand tegen de krachtige stoot van de speer, die zowel door het metaal als door het voorhoofdsbeen doordrong, zodat zijn hersenen tegen de binnenkant van de helm spatten. Zo was het einde van Oileus en van zijn poging tot verweer.

Agamemnon maakt slachtoffers

XI; 7
Agamemnon, de leider der mannen, ontkleedde zijn slachtoffers van hun wapenrustingen en liet hen toen bloot achter in de blakerende zon om af te gaan op Isus en Antiphus, zonen van Priamus, ’n bastaard de één en de ander een wettige zoon, die in één strijdwagen kwamen aanrijden. Isus de bastaard, mende met de edele Antiphus naast zich als strijder. Die twee waren eens door Achilles gevangen genomen, toen zij hun kudden hoedden op de flanken van de Ida. Geboeid had hij hen met soepele wilgentwijgen, maar daarna had hij hen tegen een losgeld vrijgelaten. En thans hadden zij te maken Vorst Agamemnon zelf, Atreus’ zoon. Isus trof hij met een speer in de borst; Antiphus bracht hij met zijn zwaar een slag vlakbij het oor toe, dat hij uit zijn strijdwagen tuimelde. Daarop ontdeed hij hun in een oogwenk van hun schitterende rustingen. En toen herkende hij hen, want voordien had hij hen bij zijn eigen snelle schepen gezien, toen Achilles, die snelle loper, hen van de Ida daarheen had gebracht. Niemand van de Trojanen had hen thans kunnen redden, want die Agamemnon was als een leeuw, die het leger van een snelle hinde besluipt en de ongespeende hertenjongen grijpt met zijn tanden; en zelfs al is de hinde dichtbij, dan nog kan ze hen niet helpen, zo bang is zijzelf, dat zij vlucht in het struikgewas, en het zweet breekt haar uit in haar haast om zich voor het geduchte ondier te redden. Zo ook de Trojanen, thans op de vlucht geslagen voor de Grieken.
XI; 8
Daarop viel Agamemnon Pisander aan en de kloeke Hippolochus, beiden zonen van Antimachus, een schrandere vorst, die, door het goud van Paris verblind, zich het sterkst had verzet om Helena aan de blonde Menelaus terug te geven. Maar nu vielen zijn twee zonen Menelaus’ broeder, de grote Agamemnon, in handen. In één strijdwagen reden ze en beiden hadden getracht om hun tweespan te bedwingen, dat ontoombaar was; de gladde leidsels waren uit hun handen gegleden, zodat de paarden wild steigerden. Als een leeuw sprong Atreus’ zoon op hen af, nog voordat ze uit de wagen waren, smeekten zij de vorst van de Grieken, om genade. ‘Heer Agamemnon, neem ons levend gevangen en ge zult een rijkelijk losgeld ontvangen. Onze vader, Antimachus, is rijk en heeft zijn huis vol schatten aan brons, goud en smeedijzer. Hij zal een vorstelijk loon uitbetalen, als hij hoort dat ge ons levend meenam naar de schepen.
XI; 9
Zo smeekten ze hem onder tranen. Innemend waren hun woorden, maar heel anders was het antwoord. ‘Als gij beiden,’ zo zei Agamemnon, ‘zonen zijt van Antimachus, die de onbeschaamdheid had om in de raad der Trojanen de onmiddellijke dood van Menelaus te bepleiten, daarheen met Odysseus als afgezanten gekomen, en hem niet levend naar Achaea wilde laten terug gaan, dan zult gij voor die schanddaad uws vaders thans boeten.’ En hij trof Pisander met zijn speer in de borst, wierp hem uit de wagen op de grond, waar hij neerviel op zijn rug. Hippolochus sprong af en werd in een gevecht van man tegen man gedood. Agamemnon hakte hem de armen van het lijf en het hoofd van de romp, dat rondtolde onder de voeten der menigte.
XI; 10
Agamemnon liet die twee liggen, waar zij lagen, en wierp zich opnieuw in het heetst van de strijd, bijgestaan door de rest van de kopergekolderde Grieken, het voetvolk viel het voetvolk aan, dat werd neergesabeld op de vlucht; en de wagenstrijders met hun bronzen wapens richtten een slachting aan onder de wagenstrijders, terwijl van de grond onder hen een wolk van stof opwervelde, gewekt door de als de donder dreunende hoefslag van hun paarden. En achter hen aan vorst Agamemnon, die de Grieken aanmoedigde en vijanden doodde, waar hij ging. Zoals het maagdelijke woud, als een vernielende brand her- en derwaarts wordt gedreven door de woedende wind en zich werpt op de bomen, die neerstorten als vlammende toortsen, aldus werden de opgejaagde Trojanen neergemaaid door de verwoed aanvallende Agamemnon, Atreus’ zoon. Menig span paarden schudde de manen en sloeg op hol, dwars door de gelederen der strijders, met achter zich aan, de hol ratelende strijdwagens, want de menners lagen languit op de grond, aantrekkelijker voor de gieren dan voor hun vrouwen.

Zeus’ boodschap aan Hector

XI; 11
Door Zeus’ hand werd Hector echter verre gehouden van de vliegende pijlen, het opdwarrelende stof en het moordende strijdgewoel, en Atreus’ zoon kon dus vrijelijk zijn gang gaan. Zodanig vuurde hij zijn mannen aan door zijn woord en voorbeeld, dat tegen het middaguur de vluchtende Trojanen in hun hijgend verlangen om hun stad te bereiken, al Ilus’ grafheuvel voorbij waren, ook de vijgenboom achter zich hadden gelaten en dwars over de vlakte achterna gezet werden door Atreus’ zoon onder angstaanjagend krijgsgeschreeuw, zijn onoverwinnelijke handen rood van het bloed zijner steeds talrijker vallende vijanden. Doch toen zij de Scaeïsche poort en de heilige eik hadden bereikt, hielden zij stand om hun vrienden op te wachten, die minder snel dan zij, nog aan kwamen rennen over de vlakte. Die werden nagezet door Agamemnon, als een kudde vee, waar een leeuw achteraan zit, steeds de achterste dodend, want voor de achterblijver is het donkere verderf zeker. Aldus ging vorst Agamemnon te keer en menig wagenstrijder werd door hem uit zijn wagen geworpen met het gezicht of de rug in het stof, want onverzadigbaar doodde zijn speer.
XI; 12
Reeds hadden zij bijna de beschermende stad en haar geduchte muren bereikt, toen de vader van mensen en goden met een bliksemflits in de hand neerdaalde uit de hemelen en zitten ging op de hoogte Ida, waar een menigte van bronnen ontspringt; en hij zond zijn vlugge Iris – van goud zijn haar vleugels – met een boodschap naar omlaag. ‘Ga Iris,’ zo zei hij, ‘zo vlug als ge kunt. En zeg dit namens mij aan Hector, de held: zolang hij vorst Agamemnon in de voorste gelederen ziet strijden, een slachting aanrichtend onder de Trojanen, moet hij het veld ruimen, maar niettemin zijn mannen bevelen zich te verweren. Maar zodra de koning getroffen is door een speer of pijl en dekking zoekt in zijn strijdwagen, zal ik Hector de kracht geven om te doden op zijn beurt, totdat hij de stevig getimmerde schepen bereikt heeft en het gezegende duister tussenbeide komt.’
XI; 13
De vlugge Iris met haar voeten zo rap als de wervelwind, aarzelde niet, maar repte zich van de toppen van de Ida naar het heilige Ilium, waar zij Hector vond, de zoon van de wijze Priamus, die daar stond temidden der paarden en houten wagens. Ze ging op hem toe en groette hem, noemde hem bij zijn naam en vorstelijke titels. ‘Zeus vader,’ zo zei zij, ‘heeft mij tot u gezonden om zijn woord aan u over te brengen. Zolang ge vorst Agamemnon in de voorste gelederen ziet strijden, een slachting aanrichtend onder de Trojanen, moet ge zelf niet vechten, maar wel uw mannen tot tegenverweer aanmoedigen. Maar zodra de koning getroffen is door speer of pijl en dekking zoekt in zijn strijdwagen, zal Zeus vader u de kracht geven om te doden op uw beurt, totdat ge de stevig getimmerde schepen bereikt hebt en het gezegende duister tussenbeide komt.’
XI; 14
Na aldus haar boodschap overgebracht te hebben verdween Iris weer op vlugge voeten. Onmiddellijk sprong Hector gewapend en al van zijn strijdwagen en ging rond onder zijn mannen, een paar scherpe speren in de hand, terwijl hij hun aanmaande stand te houden en niet in strijdlust te verflauwen. Het gevolg was dat de Trojanen rechtsomkeert maakten en op hun beurt de Grieken aanvielen. Dezen echter versterkten hun gelederen. En andermaal stonden de legers in slagorde tegenover elkaar. Opnieuw was het Agamemnon die de aanval leidde.

Agamemnon raakt gewond

XI; 15
Muzen, die verblijf houdt op de hoge Olympus, vertelt mij nu, wie de eerste was om het tegen Vorst Agamemnon op te nemen. Was het een Trojaan of een van hun vermaarde bondgenoten? De slanke en knappe Iphidamas was het, de zoon van Antenor. Grootgebracht was hij in het vruchtbare Thracië, waar de schapen grazen. Cisseus, vader van zijn moeder en van Theano met haar liefelijke roze wangen, had hem van kindsbeen af opgevoed in zijn eigen paleis, en toen Iphidamas in de bloei van zijn jeugd was, had hij alles gedaan om hem thuis te houden, ja hem zelfs de hand van zijn dochter geboden. Iphidamas huwde haar inderdaad, maar nauwelijks was zijn bruid zijn vrouw geworden, of het nieuws van de Griekse veldtocht lokte hem weg uit haar armen. Heen zeilde hij met een eskader van twaalf gebogen schepen, liet de slanke en ranke vaartuigen in de haven van Percote, waarna hij te voet naar het heilige Ilium trok. Dit nu was de man, die zich tegen vorst Agamemnon te weer stelde.
XI; 16
Elkaar dicht genoeg genaderd begon Atreus’ zoon het gevecht, maar faalde, want zijn speer trof zijn doel niet. Op zijn beurt haalde Iphidamas uit en raakte Agamemnon in de gordel onder het borstharnas. Maar al greep hij nu de speer vast en drukte die door, toch vermocht hij de schitterende gordel niet te doorboren; op het zilver stuitend boog de punt van zijn speer krom, al was die van lood. Toen klemde de heerlijke Agamemnon zelf de speer vast en rukte die driftig uit de ander zijn hand, waarop hij hem met zijn zwaard in de nek trof, zodat hij ter aarde stortte. En al vallend viel Iphidamas in die slaap, waaruit geen sterveling nog ontwaakt. De ongelukkige! Hij streed voor zijn land, ver van de vrouw, die hij pas onlangs gehuwd had, betalend om haar te verwerven honderd stuks vee met de belofte van nog duizend meer, schapen en geiten van zijn talrijke kudden, en nauwelijks had hij de vreugde van de bruidsnacht gesmaakt! Thans plunderde Atreus’ zoon, Agamemnon, zijn lijk en ging er vandoor met zijn schitterende rusting naar de gelederen der Grieken.
XI; 17
Toen de voortreffelijke Coön, de oudste zoon van Antenor, zag wat er gebeurd was, werden zijn ogen dof van verdriet over zijn broer, die daar sneuvelde, en van opzij en ongezien viel hij de edele Agamemnon aan en trof hem met zijn speer, onder de elleboog, midden in de voorarm; en de schitterende speerpunt drong dwars door het vlees heen. Een huivering van pijn doorsidderde de machtige Agamemnon, doch hij was er verre vandaan de strijd op te geven. Hij stormde op Coön af met suizende speer. En juist toen Coön het lijk van zijn broer bij de voet haastig wegsleepte en zijn getrouwen opriep om hem te helpen, trof die speer hem onder zijn versterkte schild, zodat hij viel. Daarop sloeg Agamemnon hem met zijn zwaard het hoofd af, waar hij lag op Iphidamas’ lijk. Aldus werd door de hand van de vorstelijke zoon van Atreus het noodlot vervuld aan deze zonen van Antenor, en heen gingen hun zielen naar Hades’ donker huis.
XI; 18
Zolang als uit zijn wonde het warme bloed nog vloeide, bleef Agamemnon doorgaan met los te slaan op de vijand met speer, zwaard en kantige stenen. Doch toen het bloed stolde en de wond begon te drogen, voelde hij een stekende pijn, scherp als de verscheurende weeën ener barende vrouw, zoals de Eileithyia die zenden, de dochters van Hera, die geboorteweeën verwekken. Atreus’ zoon, overweldigd door die pijn, sprong in zijn strijdwagen, beval zijn wagenmenner naar de holle schepen te rijden en riep in zijn bittere wanhoop de Grieken toe: ‘Vrienden, aanvoerders en raadslieden van het volk van Argos, het is thans aan u onze zeevarende schepen voor de rampen van de krijg te bewaren, want Zeus in zijn wijsheid gunt mij de verdere dag niet om tegen de Trojanen te strijden.’ Aldus Agamemnon, en zijn menner legde de zweep over de paarden met hun in de wind wapperende manen. En het tweespan stoof voort in de richting de schepen, hun borst wit van het schuim, hun buik grauw en grijs van het stof: zo sleepten die rossen de koning weg uit de strijd.

Hector neemt de aanval over

XI; 19
Toen Hector zag, hoe Agamemnon zich terug trok uit de strijd, riep hij met luide stem de Trojanen en Lyciërs toe: ‘Wees mannen, mijn vrienden, en houdt in gedachten de heldenmoed, die u altijd bezielde! De beste strijder van de vijand is weg nu, en Vader Zeus, Zoon van Cronus, heeft mij een grote overwinning geschonken. Men uw krachtige rossen regelrecht af op die machtige Grieken en oogst een grotere zegen nog!’ Aldus wekte hij hen op en schonk aan eenieder nieuwe moed. Zoals een jager zijn grommende honden tegen een wild zwijn of een leeuw opjaagt, zo spoorde Priamus’ zoon, Hector, de fiere Trojanen aan tot de strijd tegen de Grieken. Zelf stelde hij zich in de voorste gelederen, zijn hart met de wens naar grote daden vervult, en wierp zich in de strijd als een windvlaag, die vanuit de hoge hemelen neerstriemt op de blauwe wateren van de zee.
XI; 20
En wie waren de eersten, wie waren de laatsten, die vielen onder de hand van Hector, nu Zeus Vader hem roem verleende? Asaeus het eerst, en Autonous en Opites, verder Clytius’ zoon Dolops. En Opheltius en Agelaüs, Aesymnus, Orus en de trouwe Hipponoüs. Dit waren de Griekse leiders die hij sneuvelen deed. Daarop viel hij het gewone krijgsvolk aan, een westerstorm gelijk, die de witte wolken uiteen jaagt, door de zuidenwind verzameld. Dan rollen hoog de golven aan en stuift hoog het schuim op, gedragen op de vleugels van de woedende storm. Zo en zo talrijk vielen de vijanden onder de stormloop van Hector.

Odysseus en Diomedes vertragen de opmars van de Trojanen

XI; 21
Onherstelbare rampen bedreigden thans de Grieken, die in hun vlucht al spoedig de schepen zouden hebben bereikt om daar te sneuvelen, als niet Odysseus de zoon van Tydeus, Diomedes, had toegeroepen: ‘Tydeus’ zoon, wat mankeert ons toch? Omwille der goden, mijn goede vriend, kom hier en stel u naast mij op. Denk aan de schande, als die Hector erin slaagt om met die opvallende helm op zijn hoofd onze schepen te veroveren!’ ‘Ja, ik zal komen en stand houden,’ antwoordde de machtige Diomedes, ‘maar onze vrienden zullen daar niet lang vreugde aan beleven. Zeus Vader, die de wolken verzamelt, heeft besloten, dat hij eerder de Trojanen de overwinning gunt.’
XI; 22
Toen wierp hij zijn speer naar Thrymbraeus, trof hem links in de borst en deed hem uit zijn strijdwagen tuimelen, terwijl Odysseus van zijn kant korte metten maakte met Molion, de edele schildknaap van die vorst. Terwijl zij die twee lieten liggen waar zij vielen – en voor hen was de strijd ten einde – wierp het strijderspaar zich in het strijdgewoel en gingen daar te keer als een tweetal wilde zwijnen, die woedend zich keren tegen de achtervolgende honden, die hen voordien opjoegen. Zo gingen ze op de Trojanen af, zaaiden dood en verderf onder hun aanvallers en gaven aldus aan de Grieken de tijd om te herademen op hun vlucht voor de heldhaftige Hector.
XI; 23
Een strijdwagen en twee leiders vielen al dadelijk hun toe. Het waren de zonen van Merops van Percote, die in zijn tijd allen door zijn voorspellende gaven overtrof. Hij had zijn zonen verboden om deel te nemen aan de oorlog en hun leven te laten in de strijd. Doch die beiden, door doods zwarte hand misleid, waren hem ongehoorzaam geworden. En thans ontnam hun de befaamde speervechter Diomedes, Tydeus’ zoon, het leven en beroofde hun van hun schitterende wapenrusting, terwijl Odysseus op zijn beurt Hippodamus en Hepeirochus velde en plunderde.
XI; 24
Cronus’ zoon, die vanaf de hoge Ida toekeek, hield de weegschaal van de krijg en een tijdlang ging de strijd gelijk op. Tydeus’ zoon trof Paeon’s edele zoon, Agastrophus, aan de heup met de werpspies. Deze kon aan hem niet ontkomen, omdat zijn strijdwagen ver weg was, want hij had de noodlottige vergissing gemaakt die in de hoede van zijn schildknaap te laten, terwijl hijzelf te voet in de voorste gelederen stormde. En dit kostte hem het leven. Maar thans keek Hector om zich heen, zag onmiddellijk waar het gevaar dreigde en ging onder luid krijgsgeschreeuw op Diomedes en Odysseus af, en de Trojanen achter hem aan! Zelfs Diomedes om zijn luide strijdkreet vermaard, ontstelde, toen hij hem komen zag. Terstond wendde hij zich tot Odysseus, die in zijn nabijheid stond, en zei: ‘Dat ziet er voor ons beiden lelijk uit. Hier komt die geduchte Hector. Maar laten we stand houden en hem op de vlucht drijven.’

Hector wordt geraakt en moet wijken

XI; 25
Dit zeggende zwaaide hij zijn speer, die een lange schaduw op de grond wierp, en liet ze door de lucht suizen. Hij mikte op Hector’s en miste niet, doch trof zijn helmkam. Brons trof brons, maar drong niet tot vlees door. De helm, drievoudig gepantserd, door Phoebos Apollo aan Hector geschonken, weerde de speerpunt. Onmiddellijk trok Hector zich terug uit de voorste gelederen, dekking zoekend temidden zijner mannen, waar hij neerviel op zijn knieën, met een grote hand de grond steunend, terwijl de wereld voor zijn ogen nachtzwart werd. Tydeus’ zoon intussen liep zijn speer na, dwars door het tumult van de strijd, tot aan de plek, waar hij zijn wapen zag neerkomen. Dit gaf Hector de tijd om tot zichzelf te komen. En toen hij weer de oude was, sprong hij in zijn strijdwagen en ontvluchtte het sombere doodslot. Maar de grote Diomedes, die hem achterna liep en zijn grote speer zwaaide, kon zich niet weerhouden hem toe te roepen: ‘Schurftige hond, weer ontsnap ja aan de dood, maar dit keer op het kantje af. Phoebos Apollo heeft jou maar weer eens gered. Zonder hem te bidden waag je je niet binnen het bereik onzer speren. Maar we komen elkaar nog wel eens tegen en dan maak ik jou af, als ik ook een god vind, die naar me wil luisteren. Nu ga ik de rest van jullie onderhanden nemen.’

Ook Diomedes wordt getroffen

XI; 26
Daarop ging Diomedes verder met het lijk te beroven van Agastrophus, de speervechter, die hij geveld had. Maar thans spande Paris, de echtgenoot van Helena met rijke haartooi, zijn boog en mikte op Tydeus’ zoon, de grote aanvoerder; achter de zuil stond hij, welke was opgericht op de grafheuvel van Dardanus’ zoon Ilus, hun sinds lang overleden leider; daar zocht hij dekking. Terwijl Diomedes druk doende was met het glimmend koperen borstharnas van de dode Agastrophus los te snoeren, hem het schild van de schouder te gespen en hem de zware helm van het hoofd te nemen, trok Paris de koorde van zijn boog aan en schoot. De pijl miste zijn doel niet, maar trof Diomedes in de wreef van zijn rechtervoet, ging er dwars doorheen en bleef steken in de grond. Lachend van strijdlust sprong Paris uit zijn schuilhoek naar voren en genoot van het ongeluk, dat Diomedes getroffen had. ‘Geraakt heb ik je!’ riep hij. ‘Niet voor niets schoot ik op je. Maar beter had ik je in de buik kunnen treffen; dan was je nu morsdood geweest. Dan zouden de Trojanen, die nu sidderen voor je als blatende geiten voor een leeuw, weer wat op adem kunnen komen.’
XI; 27
Maar onverstoorbaar antwoordde hem de grote Diomedes: ‘Schutterige schutter met je grote mond en je mooie krullen, meidengek, als je mij in een gevecht van man tegen man ontmoette, zou je met je armzalige pijl en boog niet veel kunnen uitrichten. Je overschat jezelf, m’n jongen. Je hebt alleen de zool van mijn voet geschramd. En het deert me zo min, als had een vrouw of een kwajongen met getroffen. Een schot van een lafaard en een melkmuil. Maar mijn wapens bijten beter door. Wie er door geraakt wordt is er geweest, diens vrouw rijt zich van verdriet met haar nagels de wangen open en vaderloos zijn z’n kinderen; rood wordt de aarde van zijn bloed, waar hij wegrot, aantrekkelijk voor de gieren en minder voor de meisjes.’
XI; 28
Zo sprak Diomedes en de vermaarde speervechter Odysseus kwam om hem dekking te bieden en trok hem de scherpe pijl uit de voet. De zere pijn schoot hem dwars door het vlees en bedrukt strompelde hij in zijn strijdwagen en gelastte zijn menner hem spoorslags naar de holle schepen te rijden.

Odysseus staat er alleen voor

XI; 29
Daar stond nu de befaamde Odysseus alleen, want alle anderen had de schrik bevangen, en hij ging te rade bij zijn eigen, ontembare gemoed. Met bittere weemoed in het hart zei hij bij zichzelf: ‘Welk lot wacht mij nu? Schamen moest ik mij, zwichtte ik voor de overmacht; maar ellendiger zou het nog zijn, werd ik hier eenzaam overrompeld, nu Zeus Vader aller Grieken alle Grieken op de vlucht joeg. Maar waarom dit zelfberaad? Weet ik dan niet, dat slechts lafaards hun post verlaten, maar dat de man, die als leider geroepen is, stand houdt of sterft?!’
XI; 30
Terwijl Odysseus zo bij zichzelf te rade ging, kwamen de gelederen van de schilddragende Trojanen opzetten en omringden hem. Maar zij omsingelden hun eigen verderf. Zo trachten de sterke, jonge jagers een everzwijn te lokken, het insluitend met hun woest blaffende honden; maar het komt uit zijn diepe hol te voorschijn en dreigt met zijn witte scherpe tanden, terwijl van alle kanten de drijvers op komen zetten. Een luid geknars van tanden stijgt op. En de jagers wachten, hoe verschrikkelijk de aanblik van het wilde dier ook is. Aldus omsingelden ook de Trojanen Odysseus, door de godin bemint. Maar deze sprong toe op de edele Deïopites en bracht hem bovenop de schouder een wonde toe met zijn scherpe speer. Daarop doodde hij Thoön en Ennomus, en daarop Chersidamas, die van zijn strijdwagen af was gesprongen. Hij trof hem in de buik onder zijn schild, en Chersidamas viel in het stof en zijn vingers klauwden in de aarde. Hij liet hen liggen, waar zij vielen en met zijn speer trof Odysseus Hippasus’ zoon, Charops, een broer van de rijke Socus, welke dappere held hem thans ter hulp snelde en Odysseus uitdaagde. ‘Roemrijke Odysseus,’ zo zei hij, ‘aartsintrigant, aartsavonturier ook, vandaag zult ge u er niet op beroemen twee zonen van Hippasus gedood en van hun wapens beroofd te hebben, want eerder dood ik uzelf met mijn lans.’ Met die woorden haalde hij uit en trof het ronde schild van Odysseus. Zijn zware lans ging erdoor en schramde Odysseus’ zijde, maar Pallas Athena stond niet toe, dat het brons hem tot in de buik drong. Odysseus, die voelde niet dodelijk te zijn getroffen, week terug en zei tegen Socus: ‘Ongelukkige, nu is uw donkere doodslot bezegeld. Ge moogt me dan al belet hebben om de Trojanen nog langer te bevechten, maar gij zult de dood vinden, hier en nu. Door mijn speer overwonnen zult gij mijn roem nog verhogen door naar Hades te gaan.’
XI; 31
Socus wilder er in allerijl vandoor, maar nauwelijks had die hij zich omgedraaid, of Odysseus trof hem met zijn speer, die hem tussen de schouders en dwars door de borst drong. Hij viel met een somber dreigend rinkelen van zijn wapens en de grote Odysseus triomfeerde over hem en zei: ‘Ach, Socus, zoon van Hippasus, gij kloeke wagenstrijder, zo was toch de dood u nog te slim af en haalde u in voor de vlucht. Uw ogen, o rampzalige, zullen niet dichtgedrukt worden door vader of moeder, maar de aasgieren zullen u omringen met klepperende vlerken en uw lijk aan stukken rukken. Mij zullen mijn edele vrienden begraven, als ik sterven mocht.’
XI; 32
Dit zeggende trok hij de zware speer van de kloeke Socus uit zijn eigen wond en gebogen schild. Toen hij de punt eruit had, kwam het bloed naar buiten, en Odysseus voelde zich jammerlijk benard. En toen de dappere Trojanen zijn bloed zagen, riepen zij elkander dwars door het strijdgewoel toe en vielen als één man aan. Odysseus week en riep tot zijn vrienden om hulp. Driemaal riep hij luidkeels en de dappere Menelaus die het hoorde, wende zich snel tot Ajax, die in zijn nabijheid was, en zei: ‘Ajax, mijn heer, vorstelijke zoon van Telamon, ik hoor de onbevreesde Odysseus roepen om hulp. Mij dunkt, dat de Trojanen hem in het heetst van de strijd hebben afgesneden en hem nu door hun overmacht bedreigen. Laten wij hem redden, u en ik, want ik vrees, dat het slecht met hem afloop, als we hem alleen laten met de vijand. En wat een verlies voor de Grieken, als zo’n strijder viel!’

Odysseus krijgt hulp

XI; 33
Na die woorden ging hij voor en de op een god gelijkende Ajax volgde. Spoedig vonden zij vorst Odysseus, van alle kanten door de Trojanen bedreigd. Het was als wanneer in de heuvelen een hert met breed dreigend gewei door bruine jakhalzen wordt aangevallen. Het hert, gewond door een pijl van de boog van een jager, kan nog ontkomen, zolang het bloed warm is, en zijn snelle poten zich reppen. Maar is door de wond van die pijl zijn kracht weggevloeid, dan halen de jakhalzen van het gebergte hem in en beginnen reeds met hun op aas beluste kaken hem aan stukken te rijten in het schemerlicht van het bos, als er plotseling een hongerige leeuw verschijnt. De jakhalzen stuiven uiteen en nu is het aan die leeuw om zijn geduchte kaken te gebruiken. Zo, terwijl de paardentemmende Trojanen opdrongen rondom de schrandere Odysseus en die dappere met zijn lange speer de dood op een afstand hield, kwam de dappere Ajax met zijn schild als een toren voor hem staan ter bescherming. De Trojanen stoven in alle richtingen uiteen. En Menelaus, door de oorlogsgod geliefd, nam Odysseus bij de arm en hielp hem door het tumult naar zijn eigen strijdwagen, waarmee zijn schildknaap was komen aanrijden.
XI; 34
Ajax wierp zich op de Trojanen en doodde Doryclus, een bastaardzoon van Vorst Priamus; en daarop verwondde hij Pandocus en Lysander, en Pyrasus en Pylartes. Zoals een rivier, door de winterregens gezwollen, van de bergen zich stort naar de vlakte, dode eiken en dennen meesleept en het slib en de modder bij massa’s in de zee voert, zo stormde de vermaarde Ajax de vlakte over en doodde de vijand, man en paard.

Machaon in de problemen

XI; 35
Hector wist van dit alles niets. Helemaal aan de linkerflank, aan de oevers van de Scamander, was hij in de strijd verwikkeld, die daar was ontbrand rondom de grote Nestor en de felle Idomeneus. En Hector had het druk genoeg met wonderen van moed en krijgskunst verrichten, kerend en zwenkend in zijn krijgswagen en met zijn werpspies de jeugd der Grieken neermaaiend. Doch zelfs dit zou de dappere Grieken niet voor hem hebben doen wijken, als Paris, Helena’s echtegenoot, niet korte metten had willen maken met Machaon de grote aanvoerder, die het verwoedst zich verweerde, door hem met een driepuntige pijl in de rechterschouder te treffen. De Grieken, die dapper hadden gevochten, werden door zorg om hun leider bevangen. Zij vreesden, dat hij bij het keren der krijgskansen gevangen zou worden genomen. En Idomeneus riep terstond de edele Nestor toe: ‘Vlug, Nestor, mijn heer, bloem van het Griekse heldendom! In uw strijdwagen gestapt en Machaon gered en dan in allerijl naar de schepen! Een geneesheer, die een wonde geneest, is een heel leger waard!’ De Gerenische ruiter, Nestor, draalde geenszins. Onmiddellijk stapt hij in zijn strijdwagen en Machaon, van de onovertroffen geneesheer Asclepius de zoon, naast hem. Nestor liet de zweep knallen en het gewillige tweespan stoof terug naar de schepen. Ze wensten niets liever.

Hector gaat op Ajax af

XI; 36
Cebriones, die Hector als menner diende, zag, dat elders de Trojanen op de vlucht sloegen, en bracht dit onder de aandacht van de held, tot wie hij zei: ‘Hier zijn we met de Grieken aan het vechten, terwijl elders onze troepen er holderdebolder vandoor gaan, zo voetvolk als wagenstrijders. Ajax, de zoon van Telamon, jaagt hen voor hem uit. Ik herken hem aan het brede schild op zijn schouders. Laten we erheen rijden en ons bij hen voegen, daar waar wagenstrijders en voetvolk nog tegenweer bieden, waar het hard tegen hard gaat en het strijdrumoer bruist als de zee, die geen stilte kent.’ Daarop legde Cebriones de zweep over zijn paarden, wier manen als wimpels stroomden in de wind; en nauwelijks hadden zij de zweep gevoeld, of zij gingen er met de strijdwagen vandoor, daarheen, waar Trojanen en Grieken in felle strijd waren gewikkeld. En de rossen vertrappelden schilden en lijken, zodat het bloed hoog opspatte onder hun hoeven, vanonder de velgen, tot voorbij de wagenas. Hector was begerig om zich in het heetst van de strijd te werpen en een doorbraak te forceren. Doch al wekte zijn komst schrik en verwarring onder de Grieken en al spaarde hij zijn werpspies niet, Telamon’s zoon, Ajax, viel hij niet aan, maar zocht elders slachtoffers voor zijn speer, zwaard en puntige keien.
XI; 37
Ten slotte was het Zeus Vader zelf op zijn hoge troon, die Ajax de wijk deed nemen. Ajax bleef verbijsterd staan, keek om zich heen naar zijn makkers, schoof met een zwaai zijn uit zeven huiden aaneen gehecht schild op zijn rug, keerde zich om en week, stap voor stap, met fel loerende blikken achterom speurende zoals wilde beesten doen, die zich in het nauw voelen gedreven. Zoals de vurige rossige leeuw door de honden en knechts van de veeboer van het erf verdreven wordt, want heel de nacht hebben ze gewaakt om het gemeste vee voor zijn schroklust te redden – hongerig stormt hij het erf binnen, doch baat hem niets, want een regen van pijlen en brandende stukken hout, door sterke handen geworpen, doet hem, ondanks al zijn veterende honger, terugdeinzen en tegen de morgen teleurgesteld afdruipen – zo ook Ajax, en al even teleurgesteld week hij voor de Trojanen, wel zeer tegen wil en dank en zich het gevaar voor de schepen der Grieken pijnlijk bewust. Maar zelfs in zijn afdeinzen was hij koppig als een ezel nog, die de jongens de baas is en zich op de weelderige akker tegoed doet, terwijl ze stok na stok op hem stukslaan, wat hem deert in het minst, maar uiteindelijk weten ze hem toch te verdrijven, doch niet nadat hij die akker maar hartelust afgegraasd heeft. Aldus zaten die trotse Trojanen en hun vermaarde bondgenoten hem op de hielen, mikkend speer na speer in het hart van zijn schild. Maar telkens weer vlamde in Ajax wrokkend de strijdlust op, keerde hij om en hield de Trojanen op een afstand, waarop hij andermaal zich wendde en verder terug week. Aldus wist hij de stormloop van de Trojanen op de schepen te stuiten en hield keer op keer stand tussen de Grieken en hun vijanden, die hij helemaal alleen vol verschrikkelijke woede te lijf ging, hun scherpe speren, met kracht geslingerd, afwerend met zijn sterk schild, of ontwijkend, zodat zij, hun doel voorbij, in de grond bleven steken.

Ajax krijgt hulp

XI; 38
Toen Eurypylus, Evaemon’s edele zoon, Ajax ten prooi zag aan die hagelbui van pijlen, liep hij op hem toe om hem te helpen, wierp zijn glanzende speer en trof de Trojaanse aanvoerder, Phausius’ zoon, Apisaon, in de lever onder het middenrif, zodat hij terstond ter aarde stortte. Daarop snelde hij op zijn slachtoffer toe en begon hem te beroven van zijn schitterende rusting. Maar vorst Paris zag hem bezig, spande zijn boog en trof hem met een pijl in zijn rechterdij. Eurypylus, in het gaan gehinderd door de gebroken pijlschacht, redde zichzelf voor het zekere doodslot door dekking te zoeken temidden van zijn kameraden. Luid riep hij de Grieken toe: ‘Vrienden, aanvoerders en raadslieden van de Grieken, keert terug op uw schreden, houdt stand en biedt weerstand om Ajax van de ondergang te redden. Pijlen bedreigen hem van alle kanten. Dus schaart nu allen u rondom de grote Ajax, Telamon’s zoon!’ De gewonde Eurypylus had zijn plicht wel gedaan, en zij kwamen terug en omringden hem, naderbij sluipend onder dekking van hun schilden, hun speren gereed in de hand. Zo kon Ajax hen naderen, en met de zijnen herenigd stelde hij zich andermaal te weer tegen de vijand.

Achilles stuurt Patroclus naar Nestor voor informatie

XI; 39
Aldus woedde de strijd voort als een onblusbare brand, terwijl de merries, gefokt door Neleus, nat bezweet van het rennen, Nestor met zijn strijdwagen voerden uit de strijd, met naast hem de leider van mannen, Machaon. En het geviel, dat de grote Achilles, om zijn snelheid vermaard, die de strijd zijn keer had zien nemen en de jammerlijke vlucht vanaf de hoge steven van zijn schip waarnam, hem zag en herkende. Onmiddellijk riep hij zijn vriend Patroclus toe en liet zijn stem schallen vanaf het hoge schip. Patroclus hoorde hem en kwam zijn tent uit, in geduchtheid de god van de oorlog gelijk. En dit was het begin van zijn noodlottig naderende einde. ‘Waarom die kreet, Achilles?’ zo vroeg hij. En de grote en snelle Achilles gaf hem ten antwoord: ‘mijn lieve vriend, eindelijk zie ik de Grieken zover, dat zij al smekend mijn knieën zullen omvatten, want het is wanhopig met hun gesteld. Doch wat ik thans van u zou verlangen, Patroclus, mijn heer, is dat gij er op uit gaat om aan Nestor te vragen, wie de gewonde is, die hij daar redt van het slagveld. Zo van achteren gezien lijkt hij wel sprekend Machaon te zijn, de zoon van Asclepius, maar de paarden draafden zo snel aan mij voorbij, dat ik zijn gezicht niet kon zien.’ Terstond deed Patroclus wat zijn vriend van hem verlangde en liep snel langs de tenten en de schepen der Grieken.
XI; 40
Toen Nestor en Machaon de tent van Nestor bereikten, kwamen zij van de strijdwagen omlaag en betraden de vruchtbare aarde, terwijl Eurymedon, de schildknaap van de oude vorst Nestor, de paarden uitspande. Daarop stonden zij in de bries, die aanwaait van zee, om wat af te koelen, waarna zij de tent binnen gingen en plaats namen in gemakkelijke zetels. Vrouwe Hecamede, de schone met haar mooie lokken, die Nestor uit Tenedos ontvoerde, toen Achilles die stad plunderde, bereidde hun een versterkende drank. Ze was een dochter van de edelaardige Arsinoüs, een geschenk van de Grieken aan de beste hunner raadslieden. Een tafel, rein gepolijst, de poten ingelegd met emailwerk zette ze voor hen neer en daarop in een koperen schaal wat uien om onder het drinken te eten, wat gele honing en gerst voor de goden, en daarnaast een heerlijke beker met gouden knoppen bezet. Vier oren had die, elk versierd met een paar duifjes van goud, de kopjes gebogen naar de grond. Gevuld was die beker zwaar genoeg voor iedere sterveling om te tillen, maar Nestor, hoe oud ook, had er geen moeite mee. In die beker nu mengde hun schone schenkster een drank: Pramneïsche wijn, waarin geitenkaas, geraspt met koperen rasp, en verder blank gerstemeel. Daarop noodde zij hen tot drinken; en beiden stilden hun verschroeiende dorst en waren in een vriendschappelijk gesprek gewikkeld, toen Patroclus plots als een god in de tentopening verscheen. Nestor, die oude held, keek op, kwam overeind uit zijn heerlijke zetel, nam hem bij de hand, trok hem naar binnen en noodde hem tot zitten. Patroclus echter weigerde met de woorden: ‘Mijn edele heer, geen tijd heb ik om plaats te nemen en uw overreding is doelloos. Ik mag het niet, want uittarten zou ik de edele meester, die mij zond en vol ongeduld is om te weten, wie u hier gewond hebt binnen gebracht. Met eigen ogen zie ik nu, dat het de edele Machaon is; dus ga ik onmiddellijk weer terug om het Achilles te melden. Gij weet immers, mijn heer, ook zelf wel, wat een moeilijk heerschap dat is, toornend zelfs zonder reden.’

Nestor verhaalt van het verleden

XI; 41
Hem antwoordde Nestor: ‘Waarom maakt die Achilles zich zo druk over een enkele gewonde, terwijl hij zich niets aantrekt over de ramp, welke heel het leger treft? De allerbeste onzer helden liggen bij de schepen door pijlen of speren gewond. Getroffen is de machtige Diomedes, Tydeus’ zoon; gewond is Odysseus, de grote speervechter, evenals Agamemnon; Eurypylus heeft een pijl in de dij, zoals ook deze hier, die ik van het slagveld hierheen bracht. Maar Achilles, hoe dapper ook, draagt geen zorg voor de Grieken. Wacht hij erop, totdat onze trotse schepen, al onze inspanningen ten spijt, opgaan in vlammen en ons leger volledig verslagen is? Ikzelf kan zijn plaats niet innemen, want mijn vroegere kracht en vlugheid zijn heen. O, was ik toch zo jong en sterk nog, als toen wij en het volk van Elis wegens het roven van vee twist kregen en ik Itymoneus, de dappere zoon van Hypeirochus, doodde, die woonde in Elis. Ik plunderde zijn kudden uit wrokkige wraak en toen hij als eerste toesprong om zijn vee te beschermen, deed ik hem met mijn werpspies dood ter aarde tuimelen. De boeren, die hij om zich heen had verzameld, stoven vol schrik uiteen. En wat een buit brachten wij binnen! – vijftig runderen en al even veel schapen en varkens, bovendien honderdvijftig kastanjebruine merries en de nodige veulens. Gedurende de nacht dreven we die naar Pylos, Neleus’ stad, en Neleus was verheugd in zijn hart, dat ik als beginnend strijder met zo’n grote buit aankwam. Toen de dag aanbrak, riepen onze herauten allen op, die in Elis nog schulden hadden te vorderen. En de leiders van Pylos kwamen bijeen en verdeelden de buit, wat bijzonder goed uitkwam, want de Epeïers stonden zwaar in het krijt bij wat er van het volk der Pyliërs nog restte sinds de machtige Heracles ons land was binnengedrongen en onze grootste helden had gedood. Twaalf zonen had de voortreffelijke Neleus en allen kwamen om, ik alleen uitgezonderd. Het gevolg was, dat de Epeïsche krijgers zich ergerlijk hooghartig gedroegen en ons krenkten, waar zij konden. Doch nu ontving de oude koning Neleus uit onze buit een grote kudde runderen en schapen. Driehonderd stuks koos hij, samen met de herders, als een vergoeding voor wat ook hij van het land van Elis te vorderen had. Daarheen immers had hij vier renpaarden gezonden met een snelle wagen, die deel zouden nemen aan de wedstrijden om als prijs een drievoet te winnen. Maar koning Augeas behield hen en stuurde hun menner terug, die te voet thuis kwam met een lang gezicht en een beledigend schrijven van de koning. Neleus vond die boodschap al even krenkend als de daad. Dus thans nam hij uit de buit een rijkelijke vergoeding, maar de rest liet hij onder de anderen verdelen, zodat niemand tekort kwam.
XI; 42
‘Wij waren juist klaar gekomen met die verdeling en brachten allerwegen in de stad offers aan onze goden, toen op de derde dag heel het leger van Elis, te paard en te voet ons in allerijl aanviel, onder hen de beide zoons van Molione, heel jong nog en zonder ervaring van de krijg. Er ligt daar, ver weg aan de grenzen van het aan geestgronden rijke Pylos, een burcht, Tryoëssa geheten, hoog op een steile heuvel, die uitziet over de Alpheus. Het leger van de vijand wilde die sterkte vernielen en begon met haar te belegeren, de omliggende vlakte bezettend. Doch in de nacht kwam Pallas Athena in allerijl van de hoge Olympus om ons te waarschuwen, dat wij ons zouden wapenen. Dit was niet aan dovemansoren gezegd, en heel de legermacht, welke zij in Pylos opriep, blaakte van strijdlust. Neleus wilde echter niet, dat ik meedeed. Hij achtte mij te jong voor de ernst van de strijd en dus verborg hij mijn paarden voor me, maar toen trok ik er te voet op uit, en Pallas Athena stond mij zo krachtig bij, dat ik zelfs onze eigen wagenstrijders nog in moed overtrof.
XI; 43
In de buurt van Arene stort zich een rivier, de Minyeïos, in zee, waar de ruiterij van Pylos tot de morgen bijeen bleef, wachtend op het voetvolk, dat in dichte gelederen optrok. Vandaar vertrokken we snel en in goede orde naar de heilige rivier de Alpheus, die wij tegen de middag bereikten, waar wij offerden aan Zeus vader en ook een stier slachtten voor de stroomgod, een tweede stier voor Poseidon en een vaars voor Athena met haar fonkelende ogen. Daarna gebruikten wij om beurten het avondmaal en legerden ons voor de nacht langs de oever van de stroom, ieder krijger met zijn wapenen binnen zijn bereik. Intussen belegerden de Epeeërs de burcht, vol zelfvertrouwen en vastbesloten om haar wallen te slechten en geenszins vermoedend de bloedige strijd, die hun wachtte. Nauwelijks was de heerlijke zon boven de horizon verschenen, of wij begonnen de strijd na een bede tot Zeus Vader en Pallas Athena; en toen de beide legers met elkaar slaags raakten, was ik de eerste om mijn man te doden, waarop ik mij meester maakte van zijn voortreffelijke paarden. Hij was een speervechter namens Mulius, schoonzoon van Augeas, gehuwd met diens oudste dochter, de blonde Agamede, die alle toverkruiden kende, welke er ter wereld groeiden. Toen hij op mij afkwam, trof ik hem met mijn brons beslagen speer zodat hij languit in het stof tuimelde. Ik sprong in zijn strijdwagen, reed naar de voorste gelederen en de trotse Epeeërs verbraken hun slagorde en stoven in alle richtingen uiteen, toen zij de aanvoerder van hun wagenstrijders, de beste strijder van allen, ter aarde zagen storten. Maar ik achter hen aan als een stormvlaag. Vijftig strijdwagens maakte ik buit, menner en strijder dodend met mijn speer, die dan in het stof beten. En ook die twee Molionen, Actor’s zonen, zou ik gedood hebben, als niet god Poseidon, die de aarde schudt, hen had gehuld in een dichte nevel en weggevoerd van het slagveld. Maar Zeus Vader schonk ons een heerlijke overwinning. Dwars over de vlakte joegen wij de vijand na, doodden man na man, maakten hun schitterende wapens buit, reden met onze strijdwagens over de tarwevelden van Boeprasion en bereikten zo de Olenische rots en de streek om de Heuvel van Alisios. Daar gelastte Pallas Athena eindelijk ons leger om terug te keren en daar ook doodde ik mijn laatste man en liet hem liggen op het veld. Luid prijzend Zeus vader onder de goden en luid prijzend ook onder de mensen Nestor, keerden onze wagenstrijders terug van Boeprasion naar Pylos. En waarlijk zo was ik onder de tijdgenoten, een man onder mannen.

Nestor spreekt Patroclus aan over Achilles

XI; 44
Maar zie nu Achilles, moedig ongetwijfeld, maar wie alleen dan hijzelf vindt baat bij die moed? En toch – en let wel op mijn woorden – ook hij zal tranen schreien, als het leger is vernietigd, door verdriet en wroeging bewogen. Herinnert ge u, mijn vriend, wat uw vader Menoetius tot u zei, toen hij u uit Phthia liet vertrekken om u bij Agamemnon te voegen? Ik en vorst Odysseus waren bij u thuis en hoorden het alles mee aan. Wij wierven troepen in het vruchtbare, Griekse land, toen wij het heerlijke huis van Peleus bereikten, waar wij vorst Menoetius aantroffen, uzelf en Achilles. De oude wagenstrijder Peleus was op zijn erf bezig met het brengen van een offer aan Zeus vader. Hij verbrandde het vet van de schenkels van een mestos en plengde uit een gouden beker de fonkelende wijn, terwijl gij beiden het vlees bereidde. Het was toen, dat ik en Odysseus in de poortopening verschenen. Achilles sprong verrast op, nam ons bij de hand en bracht ons binnen. Zetels schoof hij ons toe en met alle gastvrijheid onthaalde hij ons toen op een lekker maal. Toen wij onze honger gestild en onze dorst gelest hadden, vertelde ik, waarvoor wij kwamen, en bood u beiden aan om mee ten strijde te trekken. Beiden waart ge al even gretig en uw vaders waren niet karig met goede raad. Doch terwijl de oude Peleus zijn zoon Achilles op het hart drukte om altijd boven allen uit te blinken, raadde uw vader Menoetius, Actor’s zoon, u met deze woorden, die ik mij steeds nog herinner: ‘Mijn zoon, edeler van geboorte is Achilles en sterker ook, al zijt gij de oudste. Het is aan u, hem te raden, hem een goed voorbeeld te geven en de nodige leiding. Tot zijn eigen bestwil zal hij u volgen.’ Dit was vaders raad, die ge thans hebt vergeten. Doch zelfs thans is het niet te laat om een verstandig woord tot Achilles te spreken. Misschien dat hij naar u luistert. De raad van een vriend is aan overtuigingskracht rijk. Wellicht dat uw woord hem tot de daad wekt. Maar wordt hij weerhouden door enig voorspellend woord, dat zijn goddelijke moeder hem wegens Zeus Vader influisterde, dat hij dan tenminste u toestaat om met de Myrmidonen ten strijde te trekken en zo misschien nog aan de Grieken redding te brengen. Dat hij u zijn heerlijke wapenrusting geve om in te vechten, zodat de Trojanen u voor hem houden en de strijd staken. Dan zouden onze vermoeide legers tijd krijgen om zich te herstellen. En zelfs het kortste respijt kan allesbeslissend blijken in de strijd. De Trojanen zelf zijn de uitputting nabij en gij kunt wellicht, nieuw in de strijd en uitgerust, hen terug jagen van de schepen en tenten naar hun eigen stad.
XI; 45
Die woorden van Nestor ontroerden Patroclus diep en in allerijl liep hij terug langs de schepen naar Achilles’ tent. Spoedig had hij de schepen bereikt van vorst Odysseus, waar de gebruikelijke vergaderplaats der Griekse leiders was, waar ook gewoonlijk rechtspraak werd gehouden en waar de altaren voor de goden stonden. En daar kwam hem Evaemon’s edele zoon, Eurypylus, tegemoet, al hinkend van het slagveld gevlucht, gewond als hij was door die pijl. Van hoofd en schouders droop hem het zweet en het bloed uit zijn smartelijke wonde, maar zijn geest was helder als altijd. Op het zien van hem werd de edele Patroclus door medelijden bewogen en weeklagend riep hij hem toe: ‘Ach, gij rampzalige aanvoerders en raadslieden der Grieken, ver van uw gelieven en van het land uwer vaderen, moet gij dan zo die snelle honden van Troje met uw blanke vlees verzadigen? Doch zeg mij, o dappere Eurypylus, is er dan geen hoop meer om die verschrikkelijke Hector te stuiten, of zullen heden de Grieken allen door zijn speer worden geveld en op het slagveld sneuvelen?’
XI; 46
Hem antwoordde de gewonde Eurypylus: ‘Patroclus, edele heer, er is thans voor de Grieken geen redding meer dan in hun holle schepen en in de vlucht. Al onze vroegere helden liggen reeds in de ruimen, door Trojaanse speren of pijlen gewond, en voortdurend wordt de vijand sterker nog. Mij tenminste kunt ge nog redden en veilig brengen naar mijn zwart schip. Snijd de pijl weg uit mijn dij, was het bloed weg met warm water en zalf met heilzame balsem de wonde. Men zegt, dat ge enkele voortreffelijke middelen kent, welke de grote Achilles u leerde, die op zijn beurt leerde van Chiron, de beste der Centauren. Ik kan mij niet wenden tot onze heelmeesters Podalirius en Machaon, want de een ligt gewond in het schepenkamp en heeft zelf een heelmeester nodig, de ander is nog op het slagveld in een felle kamp met de Trojanen gewikkeld.’ Menoetius’ dappere zoon riep luid ‘onduldbaar is dit, mijn edele heer Eurypylus! Wat kunnen wij doen? Onderweg ben ik naar Achilles met een boodschap van Nestor, maar zou ik u nu in de steek laten?’ daarop sloeg hij de arm om de grote aanvoerder der Grieken en geleidde hem naar zijn tent. Eurypylus’ schildknaap hen ziende, spreidde dierenhuiden op de grond, waarop Patroclus de gewonde neervlijde, de pijlpunt wegsneed uit de wonde en met warm water het donkere bloed wegwies. Tussen zijn handen wreef hij de wortel van een bitter kruid fijn en smeerde met dit poeder de pijnlijke plek in. De wonde droogde en het bloed werd gestelpt.

12. Gevecht om de muur

De wal om het kamp bedreigd

XII; 1
Terwijl in diens tent Patroclus Eurypylus’ wonden verzorgde, woedde de strijd tussen de Grieken en de Trojanen voort, waaraan allen thans deelnamen. De schutgracht der Grieken en de dikke muur daarachter schenen niet lang meer te houden. Toen zij ter bescherming van hun schepen die muur bouwden en die gracht groeven, hadden de Grieken verzuimd om de gebruikelijke offers aan de goden te brengen, opdat die hun kamp en hun schepen mochten beschermen. Zonder hemelse bijstand was die muur dus gebouwd; hoe zou hij het lang kunnen houden? Zolang Hector nog leefde en Achilles mokte en de stad van Priamus overeind stond, bezweek ook die grote muur van de Grieken niet. Later echter, toen de beste der Trojanen en ook velen der Grieken gedood waren, hoewel anderen gespaard bleven, toen Priamus’ stad werd geplunderd na tien jaar belegerd te zijn, en toen de schepen der Grieken naar huis voeren, besloten Poseidon en Apollo om de muur te vernielen onder het geweld van al het water van de rivieren, die van de Ida naar zee stromen. De Rhesos, de Heptaporos, Caresos en Rhodios, de Granicos en de Aesepus, de liefelijke Scamander en de Simois, langs wier oevers menig schild en helm en menig held uit die epische tijden waren gevallen in het stof: - al die stromen verzamelden Phoebos Apollo binnen één monding. En negen dagen lang beukten hun wateren de wal, terwijl Zeus Vader het onafgebroken liet regenen om het eind te bespoedigen. Poseidon, die de aarde schudt, leidde met zijn drietand in de hand die stormloop van water, welke alle hout en steen, waaruit de Grieken eens met zoveel zorg hun muur hadden opgebouwd, afvoerde naar zee. Het strand van de snelstromende Hellepont werd weer vlak als eerst. Poseidon bedekte de resten met wit zand en bracht de rivieren terug in hun bedding, en ze werden weer zo helder doorschijnend als steeds.
XII; 2
Doch dit alles moesten Apollo en Poseidon nog doen. Thans stond de muur er nog ongedeerd, als het toneel van een geweldige strijd, de houten poorten en torens weergalmend en dreunend onder het werptuig, door de vijand geworpen. De Grieken immers, voor Zeus’ toorn beducht, waren ingesloten en verscholen zich bij hun schepen voor de woede van Hector, die als een stormwind te keer ging. Als een everzwijn was hij of een leeuw, als hij onder de jagers zijn slag slaat, hen van alle kanten uitdagend door zijn geweldige kracht. De jagers sluiten hem in, omringen hem als een muur, bedelven hem onder een regen van pijlen, maar niet aan vluchten of wijken denkt zijn ontembaar hart; wat hem doodt, zal zijn moed zijn; keer op keer wendt en keert hij en zoekt zijn doelwit onder de hem omringende jagers, die wijken, als hij uitvalt.

De raad van Polydamas

XII; 3
Aldus ging Hector onder zijn mannen te keer en wilde hen bewegen met hun strijdwagens de gracht over te steken. Doch op het beslissende ogenblik waren het zijn eigen paarden die draalden. De gracht was hun te breed; aan de rand bleven ze staan en hinnikten hoog en bang. De berm was inderdaad vervaarlijk steil en met spitse palen bezet, weinig geschikt om met paarden en strijdwagen te nemen. Het voetvolk echter was vol begeerte het waagstuk aan te gaan. Daarom trad Polydamas op die durfal van een Hector toe en zei: ‘n Dwaasheid zou het zijn, waagden we het de gracht met onze strijdwagens over te steken. Die palen daarboven maken het zo goed als onmogelijk; en vlak daarachter die muur van de Grieken, waar onze wagenstrijders geen ruimte genoeg hebben om af te stijgen voor de strijd. Zo eng en nauw is het daar, dat het zeker verschrikkelijke ongelukken en rampen geeft. Is Zeus Vader werkelijk aan onze kant en van zins om de Grieken geheel te vernietigen, dan heb ik niets gezegd en zie ik het maar al te graag hier en nu gebeuren, waar zij ver zijn van Argos en voorgoed aan de vergetelheid prijsgeven! Doch als zij zich tegen ons keren, ons door een tegenaanval terug drijven van de schepen en wij in ordeloze verwarring in de gracht tuimelen? Dan zou er geen van ons ontsnappen om het nieuws terug te brengen naar Troje. Een beter plan heb ik, waarnaar ge zult handelen naar ik hoop. Dat onze menners onze paarden bij de gracht vasthouden, terwijl wij te voet als één man, gewapend en al, Hector volgen. De Grieken zullen niets tegen ons vermogen, als werkelijk hun duistere lot reeds bezegeld is.’
XII; 4
Die raad van Polydamas kwam Hector voortreffelijk en verstandig voor. Onmiddellijk sprong hij met wapens en al van zijn strijdwagen, en alle andere Trojanen zagen zijn voorbeeld en volgden het na. Van hun strijdwagen springend gelastten zij hun menners om de paarden ordelijk op te stellen langs de gracht. Zijzelf verdeelden zich in vijf groepen, elk achter zijn eigen aanvoerder. De dappersten en talrijksten voegden zich bij Hector en de onverschrokken Polydamas, het vurigst er op uit om de muur te doorbreken en de strijd bij de holle schepen te beginnen. Cebriones, de menner van zijn wagen, had Hector door een mindere vervangen en hem zelf tot derde aanvoerder aangesteld. De tweede groep werd geleid door Paris, Alcathoüs en Agenor, en de derde door twee van Priamus’ zonen, Helenus en de een god gelijkende Deïphobus, met als derde aanvoerder de edele Asius, Hyrtacus’ zoon, die met zijn stevige, glanzende paarden van Arisbe en de oevers van de Selleïs was gekomen. Aeneas, Anchises’ kordate en edele zoon, voerde de vierde groep aan, samen met twee van Antenor’s zonen, Archelochus en Acamas, in iedere vorm van strijd ervaren. Sarpedon voerde bevel over de roemrijke verbondenen, met als onderaanvoerders Glaucus en de krijgshaftige Asteropaeus, die hij zonder meer als de beste en moedigste der verbondenen beschouwde, na zichzelf, want hij was van allen de allerbeste. Aldus trokken zij op, schild naast schild, onverschrokken en vol vertrouwen, dat niets hun nog beletten kon de Grieken naar hun holle schepen en op de vlucht te drijven.

Asius trekt zijn eigen plan

XII; 5
Van de Trojanen en hun vermaarde bondgenoten namen allen, Hyrtacus’ zoon, Asius, uitgezonderd, het door Polydamas voorgestelde strijdplan aan. Asius echter, die een regerende vorst was, wilde zijn strijdwagen niet in de hoede van zijn schildknaap achterlaten, maar besloot met wagen, paarden en al naar de Griekse schepen te rijden. Hij was een dwaas om dit te doen en het was hem geenszins gegeven om met strijdwagen en tweespan zegevierend naar het door winden omspeelde Ilium terug te rijden. In de speer van de heerlijke Idomeneus, zoon van Deucalion, wachtte hem het donkere doodslot. Naar de linkerflank van het schepenfront reed hij, waar de Grieken een weg hadden, die zijzelf gebruikten als zij terugkeerden van de vlakte. En daarover reed nu ook Asius met zijn tweespan en wagen en vond de poort geopend, want de Grieken wilden de achterblijvers een kans geven om van het slagveld naar de schepen te vluchten. Gevolgd door zijn mannen stormde Asius op die poort af, want die dwazen dachten, dat de Grieken hen niet langer zouden kunnen beletten recht op hun holle schepen af te stormen. Doordringend schalde Asius’ strijdkreet. Doch bij de poort traden hen twee helden tegemoet, beiden van het dappere strijdersras der Lapithen. De één was de kloeke Polypoetes, Pirithoüs’ zoon, en de ander Leonteus, in strijdlust de oorlogsgod gelijk. Die twee hadden zich voor de hoge poort opgesteld als machtige eiken in het gebergte, die onverwoestbaar wind en regen weren, sterk en diep geworteld als ze zijn. Zo wachtten die twee, op hun sterke armen vertrouwend, de aanval af van de grote Asius, zonder te wijken. De Trojanen, zich verzamelend rondom vorst Asius, Iamenus, Orestes, Asius’ zoon Adamas, Thoön en Oenomaus, hieven hun lederen schilden en renden onder een geweldig geschreeuw recht op de muur af.
XII; 6
De twee Lapithen moedigden eerst de Grieken aan om binnen de muur om het behoud van de schepen te strijden. Toen zij echter de Trojanen op de muur zagen afstormen en zij de Grieken achter hen al schreeuwend en vluchtend tekenen van paniek hoorden geven, traden zij voor de poort en vochten als een paar everzwijnen in de bergen, die te doen hebben met een luidruchtige horde jagers en honden, en links en rechts verwoed uitvallen en met gekraak het struikelgewas omwroeten met hun wrede slagtanden, totdat eindelijk een werpspies hen treft en doodt. Zo dreunde het glanzende brons op de borst van de Lapithen onder de slagen van de vijand. Als heerlijke helden verdedigden zij zich, op eigen kracht vertrouwend en op hun vrienden op de muur boven hen, die streden voor hun leven en voor hun kamp en kloeke schepen, stenen werpend vanaf hun stevig bevestigde sterkten. Ook de Trojanen wierpen uit al hun macht. En van weerskanten regende het stenen, die neerkwamen op de grond als de vlokken in een sneeuwstorm, als de wind de donkere wolken voortjaagt en de vruchtbare aarde zich in een sneeuwen mantel hult. Het dreunde op helmen en schilden.
XII; 7
Wanhoop maakte zich meester van Hyrtacus’ zoon, Asius. Hij weeklaagde, sloeg luid zich op de dijen en riep vertwijfeld: ‘Ach, Zeus Vader, ik wist niet, dat u ook al zo’n liefhebber van leugens was. nooit had ik gedacht, dat die brutale Grieken onze aanval zouden weerstaan. Onweerstaanbaar had ik ons gewaand. Maar zie nu die twee, bereid om te doden of gedood te worden, liever dan de poort vrij te laten, als wespen met slank middel of bijen, die in een holte langs een rotspad hun raten bouwen en zich niet laten verdrijven, doch het liever uitvechten met de rovers omwille van hun kroost!’

Het gevecht om de muur brandt los

XII; 8
Zeus Vader had geen oren voor die verbitterde woorden van Asius. Naar Hector ging zijn hart uit. Maar intussen bedreigde de rest van de Trojanen de andere poorten. Doch hoe geheel dit tafereel getekend? Een god slechts zou het ten volle kunnen beschrijven. Overal langs de stenen muur was als een vlammend vuur de strijd ontbrand. En de deerlijk benarde Grieken moesten om het behoud van hun schepen zelf strijden. Bedroefd waren de hun goed gezinde goden. De beide Lapithen echter gingen thans tot de aanval over, en de kloeke Polypoetes, zoon van Pirithoüs, wierp zijn speer en trof Damasus op zijn brons gepantserde helm, maar het beschermende metaal stuitte het geweld van de speerpunt niet, die er doorheen drong en door het voorhoofdsbeen, zodat de hersenen in de helm uiteenspatten. Dit was het einde van Damasus en van zijn aandeel in de strijd, daarop doodde Polypoetes Pylon en Ormenus. Intussen had Leonteus, nakomeling van Ares, zijn speer naar Antimachus’ zoon, Hippomachus, geworpen, die hij trof in de gordel. Toen trok hij het scherpe zwaard uit de schede en wierp zich in het strijdgewoel, waar hij als eerste Antiphatus bedreigde, naar hem sloeg met zijn zwaard, zodat hij ten aarde viel, met luid gedreun, plat op zijn rug. Vlug achtereen velde hij toen Menon, Iamenus, Orestes. En terwijl de Lapithen hun slachtoffers van hun schitteren harnas beroofden, stonden de jonge krijgers, aangevoerd door Polydamas en Hector, die van allen de beste en grootste strijdgroep vormden en het gretigst waren om de muur te doorbreken en de brand in de schepen te steken, nog steeds bij de gracht en aarzelden die te doorschrijden. Juist immers toe zij er overheen wilden, was hun een voorteken verschenen, een arend, die links van hen hoog over vloog met in zijn klauwen een bloedrode slang. Het ondier leefde nog, kronkelde zich, de bek gesperd, en beet toen de arend in de borst naast de nek, waarop die grote vogel van pijn zijn buit losliet, zodat de slang temidden der krijgers terecht kwam, waarna de arend wegwiekte op de wind.

Het voorteken van Zeus

XII; 9
De Trojanen waren ontsteld, toen zij daar die slang voor hun voeten zagen glinsteren, als een boodschap van Zeus, die de Aegis draagt. Onmiddellijk trad Polydamas op de onverschrokken Hector toe en zei: ‘Hector, geregeld verzet ge u tegen mijn raad, als ik die uitspreek ter vergadering. Ge vindt het niet passend, dat een mindere een eigen mening heeft in de vergadering of op het slagveld; altijd moet uw woord wet zijn. Niettemin en andermaal zal ik mijn mening zeggen. Niet aanvallen, zeg ik, niet om de schepen strijden. Wat er gebeurt als wij dit wel doen, is duidelijk als het voorteken ons niet bedriegt. Juist toen wij op het punt stonden de gracht te nemen verscheen ons een arend uit de hemel, die links voor ons uit vloog, met in zijn klauwen een bloedrode slang. De slang leefde nog en de vogel moest ze los laten, voordat hij zijn nest had bereikt en met zijn buit zijn jongen kon voeden. Zo ook wij, als wij onder inspanning van al onze krachten er in mochten slagen om de wal van die Grieken te doorbreken en de vijand voor ons wijkt, dan zullen wij de weg terug van de schepen niet dan onder rampen afleggen. De Grieken zullen vechten om hun schepen, ze zullen man na man van ons doden en we zullen hen achter moeten laten. Zo zou een ziener het zien en zeggen, die werkelijk de voortekenen begreep en het vertrouwen had van het leger.’
XII; 10
Hector, de helmbos wuivend op zijn machtige helm, wierp hem een woedende blik toe en sprak: ‘Polydamas, wat ge daar zegt, staat me tegen, want weet ge nu heus geen betere raad? Als ge meent, wat ge raadt, moeten de goden uw brein wel verbijsterd hebben. Zeus, die de donder en bliksem beheerst en neerslingert op aarde, heeft mij zekere beloften gedaan en met plechtige hoofdknik bevestigd. Zou ik die vergeten op uw woord en in plaats daarvan afgaan op het gedrag van vogels, die links vliegen of rechts vliegen, wat kan het me schelen?! Laten we ons vaste vertrouwen stellen op het besluit van de alvermogende Zeus, die zowel de goden als de mensen leidt en bestuurt. Voor het vaderland vechten: zoekt bij dit teken uw heil! Doch waarom juist gij voor de krijg teruggeschrokken? Zelfs als wij anderen allen bij de schepen worden gedood, behoeft ge nog voor uzelf niet bevreesd te zijn, want ge zijt er de man niet naar om stand te houden en het uit te vechten! Maar niettemin zal ik niet aarzelen om, als ge het waagt te wijken of anderen aan te zetten tot de vlucht, u te doorsteken met mijn lans hier en u het leven te ontnemen!’
XII; 11
En daarop gaf Hector het sein tot de aanval en onder een schril geschreeuw volgden hem zijn mannen. Van de toppen van de Ida liet Zeus, die zijn behagen in storm en noodweer schept, een rukwind neerkomen, die hoog het stof opjoeg in de richting der schepen, schrik wekkend onder de Grieken, Hector en zijn Trojanen tot voordeel. Vertrouwend op dit teken van ’s goden gunst en ook op eigen kracht stelden zij nu alles in het werk om bressen te slaan in de muur, rukten de steunberen van de torens weg, ondermijnden de fundamenten en trokken schoorbalken los, hopende dat zo de muur vanzelf omlaag zou komen. Niettemin wisten de Grieken hen buiten te houden. De bressen stopten ze met schermplaten van ossenhuiden en van omhoog lieten ze het opnieuw stenen regenen op de aanvaller.

De Lyciërs vallen aan

XII; 12
De beide Ajaxen gingen op de muur al aanmanende rond, leidden de verdediging, moedigden de Grieken aan. Bij sommigen lieten ze het bij een zacht verwijt, doch anderen die alle weerstand en verzet hadden opgegeven, kregen van hen wel wat anders te horen. Ieder kreeg van hen loon naar werken: wenk en maanwoord, welke hun het beste konden wekken tot een vernieuwende strijd. ‘Grieken, mijn vrienden,’ zo zeiden zij, ‘thans is voor ieder van u werk aan de winkel. Doch dit weet ge immers zelf heel goed. Dat niemand luistere naar het dreigen der Trojanen om dan naar de schepen te vluchten. Allen vooruit en aanvallend gestreden, of ge nu uitblinkt boven anderen of aan anderen en aan allen gelijk zijt! Moedigt elkaar aan, vertrouwend op Zeus Vader alleen, die deze aanval der Trojanen zal afwenden en hen terug jagen naar hun eigen stad.’ Aldus hielden de twee Ajaxen door hun maanwoord de Grieken in een gesloten front bijeen.
XII; 13
Zoals op een winterdag als Zeus, die wijs is, het sneeuwen laat en de mensen toont het zilver van zijn wapentuig; als hij de winden in slaap heeft gesust en het zonder ophouden sneeuwt, totdat hij de toppen der heuvelen bedekt heeft en de hoge zeeoevers wit gemaakt, en de klaverweiden en akkers der boeren, totdat zelfs strand en zandbanken van de grauwe zee zilverig zijn tot aan de vloedlijn, maar de rest is blank op het bevel van Zeus: - zo was ook het neervallen der stenen door beide partijen geworpen, totdat rondom heel de muur dreunde van het donderende geweld.
XII; 14
Maar zelfs dit zou de verheven Hector en diens Trojanen niet geholpen hebben om een bres te breken in de muur, als Zeus Vader zijn zoon Sarpedon niet bezield had tot de woede en de moed van een leeuw, die het vee overvalt. En zo viel hij nu op de Grieken aan en zwaaide zijn rond schild voor allen uit – zijn schitterend schild van gehamerd brons, versterkt door huid na huid van sterk ossenleer, rondom met gouddraad aangestikt. – Dit schild dan zwaaide hij voor zich en twee geduchte speren; en zo stormde hij voorwaarts, als een leeuw in de bergen, die sinds lang geen vlees meer zag en de onverschrokkenheid heeft om zich op het erf zelf van een hoeve te wagen en rond te woeden in de stallen. Zelfs als hij het dienstvolk wakker vindt, met felle honden en scherpe speren gereed, is hij niet van plan te wijken zonder onder de kudde zijn kansen te hebben gewaagd en bespringt de schapen of wordt zelf neergelegd door een scherpe speer, door een vlugge hand geslingerd. Zo ook voelde de aan een god gelijke Sarpedon zich aangemoedigd en gedreven om de wal te bestormen en de sterkten te doorbreken. Hij wendde zich tot Glaucus, de zoon van Hippolochus, ‘Glaucus,’ zo zei hij, ‘waarom onderscheiden de Lyciërs thuis ons op alle mogelijke wijze, geven ze ons de beste plaatsen aan de feestdis, het lekkerste deel van hun gebraad en staat aan hun tafel onze beker nooit leeg? Waarom kijken zij naar ons op als waren wij goden? En waarom beheren wij aan de oevers van de Xanthus zo rijke landgoederen met liefelijke gaarden en zo vruchtbare tarwevelden? Zou dit alles ons niet nopen om in de voorste gelederen der Grieken te strijden en ons in het heetst van de strijd te werpen? Slechts zo kunnen wij de Lycische krijgers over hun leiders, als zij het over ons hebben doen zeggen: ‘Ze leven van de rijkdommen van het land en van het vette der aarde, drinken de rijkste en rijpste der wijnen, maar zij betalen voor de roem, die zij voor ons oogsten. Krachtige krijgshelden zijn het en waar wij Lyciërs strijden, ziet men hen in de voorste gelederen.’ ‘O, mijn vriend, geenszins zou ik voor allen uit gaan noch u tot daden aan heerlijke moed aanzetten, als ik er zeker van was, dat, die oorlog gewonnen, ons de eeuwige jeugd wacht en een onsterfelijkheid zonder verouderen. Maar zo is het niet. Duizenderlei strikken spant ons de dood en niemand kan zichzelf redden noch de dood misleiden. Dus werpen wij ons in de strijd, gunnen een ander de roem of oogsten die zelf.’

Menestheus zoekt hulp

XII; 15
Glaucus bleek niet doof voor die woorden, maar beiden stormden voorwaarts en alle Lyciërs achter hen aan. Toen hij hen komen zag, beving Peteos’ zoon, Menestheus, een huivering, want het was tegen zijn stellingen, dat de aanval der Lyciërs gericht was. De muur afkijkend naar een leider, een aanvoerder, die zijn strijdgroep voor het bittere doodslot kon bewaren, viel zijn oog op de beider Ajaxen, begerig naar de strijd. Ze stonden vlak bij hem, samen met Teucer, die zijn tent juist verlaten had. Maar hoe hij ook zou roepen, zij zouden hem niet horen, want zo groot was het rumoer van de strijd, dat hij zichzelf niet verstaanbaar kon maken. De hemel zelf dreunde van het bonzend beuken der bronzen schilden en holle, koperen helmen, maar vooral door het rammen van de poorten, die thans alle stevig waren dichtgegrendeld met de Trojanen ervoor, die alles deden om de toegang te forceren. Menestheus aarzelde niet lang, maar vaardigde de heraut Thoötes met een boodschap naar de twee Ajaxen af en sprak tot hem: ‘Ga nu vlug, mijn vriend Thoötes, om Ajax te roepen of liever nog beiden. Dit is het beste, wat we kunnen doen, want hier zal het al spoedig met ons gedaan zijn. De leiders der Lyciërs stormen recht op ons af; en wij weten, wat voor woeste krijgers die lui van Lycië zijn, als het tot een gevecht van man tegen man komt. Maar als de beide Ajaxen het zo hard te verduren hebben als wij, laat dan tenminste Telamon’s zoon hier komen, en dat hij de bekwame boogschutter Teucer meebrengt.’
XII; 16
Onmiddellijk voerde de heraut zijn opdracht uit, snelde het Griekse bolwerk over, kwam bij de twee Ajaxen en sprak hun onmiddellijk aan. ‘Mijne heren en aanvoerders der Grieken,’ zo zei hij, ‘Menestheus, mijn edele meester, verzoekt u neer hem toe te komen, al is het maar voor korte tijd, om hem uit de moeilijkheden te helpen, liefst met u beiden, want het einde schijnt voor hun strijdgroep nabij. De leiders der Lyciërs stromen recht op onze stellingen af, en allen weten we, wat voor woeste krijgers die lui van Lycië zijn, als het tot een gevecht van man tegen man komt. Maar hebt ge het hier al even hard te verduren, dat dan alleen Telamon’s zoon mee komt en de bekwame boogschutter Teucer meebrengt. De machtige zoon van Telamon weigerde zijn hulp niet. Hij wendde zich tot Oileus’ zoon, de andere Ajax, en drukte hem op het hart: ‘Jij blijft hier, Ajax, samen met de kloeke Lycomedes, en jullie zorgen ervoor de vijand bezig te houden, terwijl ik daarginds heen ga en de tegenaanval leid. Spoedig zal ik weer hier terug zijn, zodra ik onze vrienden gered heb.’

Ajax schiet Menestheus te hulp

XII; 17
Met die woorden trok Telamon’s zoon erop uit, en zijn broer Teucer, zijn eigen vaders zoon, ging met hem mee, gevolgd door Pandion, die zijn kromboog droeg. Gaande naar een post waar de vijandelijke druk het grootst was, liepen ze langs de binnenzijde van de muur en bereikten de stelling waar de grootmoedige Menestheus bevel voerde. Hier troffen zij als tegenstanders de machtige voorhoede der Lyciërs aan onder bevel van hun leiders, die op het bolwerk afstormden als een nachtelijk noodweer. Dus wierpen zij zich op de vijand en het dreunend daveren van de strijd verdubbelde.
XII; 18
Ajax, Telamon’s zoon, was de eerste om zijn vijand te vellen. Een makker van Sarpedon was het, de edelmoedige Epicles. Hij trof hem met een kantige kei, die hij opraapte van binnen de muur, naast het bolwerk. Die grote steenbrok, die van de thans levenden zelfs de kloekste nog niet opgetild zou krijgen, al gebruikte hij ook allebei zijn handen, hief Ajax hoog boven zijn hoofd en wierp die toen op ’s mans viervoudig beschermende helm, waarbinnen de schedel versplinterd werd. Epicles tuimelde van de hoge toren, zoals een duiker die in zee springt, en zijn geest ontvlood zijn gebeente. Intussen nam Teucer Glaucus, Hippolochus’ zoon, voor zijn rekening. Toen deze uitviel met zijn speer, zag Teucer de kans schoon om een pijl te schieten in zijn onbedekte arm, mikken vanaf het bolwerk, en Glaucus moest het strijdperk verlaten, wat hij vlug en onopvallend deed, zodat de Grieken niet zouden kunnen zien, dat hij gewond was, en zich daarover verheugen met honende woorden. Sarpedon voelde groot verdriet over Glaucus’ heengaan, doch dit doofde zijn strijdlust niet. Hij trof Thestor’s zoon, Alcmaon, met een speer, trachtte het wapen terug te trekken, maar het slachtoffer tuimelde met speer en al van de muur, en om hem heen rinkelde zijn schitterende rusting. Sarpedon, om zich voor eenzelfde val te redden, greep de borstwering beet met zijn krachtige handen, welke losliet, zodat de bovenkant van de muur vrij kwam. Aldus maakt hij een onbeschermde bres, groot genoeg om een hele strijdploeg door te laten.
XII; 19
Maar intussen had hij nog Ajax en Teucer als geduchte tegenstanders. Een pijl van Teucer trof de schitterende riem, welke over zijn borst spande en zijn mansgroot schild droeg. En hoewel Zeus Vader hem van de algehele ondergang redde, want hij wilde niet, dat zijn zoon bij de schepen door het donkere doodslot zou worden getroffen kwam toch Ajax nu op hem afgestormd en trof zijn schild. Andermaal drong het wapen niet tot zijn vlees door, maar het deed hem wankelen en duizelen, zodat hij een weinig terugweek van de bres, die hij had geslagen. Toch ruimde hij het veld niet, want de hoop op roem vervulde nog steeds Sarpedon’s hart, maar hij wendde zich tot zijn heerlijke Lyciërs en riep: ‘Lyciërs, waarom is uw moedige vastberadenheid verminderd? Hoe sterk ik ook ben, alleen kan ik de muur niet nemen om een weg te banen naar de schepen. Komaan dus en volgt mij! En hoe meer hoe liever!’
XII; 20
Het verwijt van hun vorst ging zijn volk ter harte en links en rechts van hem vielen zij thans aan met nog groter geweld. Doch de Grieken van hun kant versterkten de weerstand achter de muur en een wanhopige strijd werd het voor beiden, Grieken en Trojanen. Noch konden de kloeke Lyciërs de Griekse muur omlaag krijgen en de weg naar de schepen vrij maken, noch waren de Griekse lansvechters in staat om de Lyciërs te verdrijven, waar zij standhielden op de muur. Door borstwering en bolwerk gescheiden waren ze als twee boeren, die aan weerskanten van een hek, dat hun land verdeelt, met de meetstok in de hand twisten over die grenslijn: en veel ruimte om te vechten hebben ze niet, en hun twist gaat slechts om een heel smalle strook. Over de borstwering heen hakten aldus Grieken en Trojanen op elkaars schilden en bronzen helmen los. Het wrede brons van lans- en speerpunt trof keer op keer, niet enkel in ruggen, die niet gedekt waren, maar vaak dwars door schild en beukelaar heen. Overal op en langs de muur waren Trojanen niet bij machte om hun vijanden op de vlucht te doen slaan. De Grieken hielden stand en de strijd was zozeer gelijk, zozeer uitgebalanceerd, als de weegschaal, waarmee een arme en zich uitslovende arbeidster de gesponnen wol afweegt om het karige loon te berekenen, dat zij voor haar kinderen verdient heeft.

Hector als eerste over de muur

XII; 21
Maar ten slotte schonk Zeus Vader aan Hector, de zoon van Priamus, overwicht en meerderheid. Hij was de eerste, die over de muur wist te komen tot in het strijdperk der Grieken zelf. Voordien liet hij zijn stem schallen. ‘Komaan, Trojaanse wagenstrijders!’ riep hij, ‘De Griekse muur geramd, en dan op naar hun schepen!’ Alle Trojanen hoorden zijn doordringende strijdkreet. Zij stroomden tezamen, stormden op de muur af en gingen die beklimmen met hun scherpe speren in de hand. En Hector zocht een steen en pakte die op. Van beneden breed en van boven spits toelopend zou die kei nog te zwaar zijn geweest voor twee van de sterksten die thans waar ook leven, ook al zouden ze hem met paard en wagen willen vervoeren. Doch Hector speelde het alleen klaar en als zonder moeite, want Zeus in zijn wijsheid roofde die steen zijn gewicht. Zo licht en gemakkelijk als een herder een schapenvacht optilt met één hand en ze wegbrengt, zonder nauwelijks het gewicht ervan te voelen, zo ook lichtte Hector die knaap van een kei op en liep er mee naar de dubbele poortdeuren in de stevig gemetselde poortboog. Twee balken grendelden die deuren kruisgewijs af. Dwars er door heen was een stevige, houten pen gedreven. Om zijn worp niet aan kracht en doelmatigheid te doen verliezen ging Hector tot vlak voor de poort. Breed uit ging hij staan, haalde uit en wierp. De steen trof de dubbele deur juist in het midden en aan weerskanten scheurden de scharnieren uit het metselwerk. Met donderend gekraak vloog de steen door de wijkende deuren naar binnen. De balken bezweken. En overal heen vlogen de splinters van de vernielde poort. Toen sprong die heerlijke Hector erdoor. Als het vallen van de nachtzo donker was de dreiging op zijn vastberaden gelaat. In zijn hand hield hij twee speren en het brons van zijn wapenrusting glinsterde vervaarlijk. Zoals hij door de poort sprong, zou slechts een god hem tegen kunnen hebben houden. En met veel blikken als inslaande bliksems keerde hij zich tot het leger achter hem en riep de Trojanen toe om de muur te nemen. Een prompt bevel en snel werd het uitgevoerd. Enigen klommen over de muur; de rest drong door de open poort naar binnen. Daarop beving de Grieken een hevige angst, zodat zij in allerijl naar de schepen vluchtten; onbeschrijfelijk was het tumult.

13. Strijd om de schepen

Poseidon gaat naar de Grieken

XIII; 1
Nadat Zeus Vader aldus Hector en zijn Trojanen tot bij de schepen gebracht had, liet hij hen daar aan hun lot over en de wisselende kansen van de nooit eindigende strijd over en wendde zijn helder schijnende blikken naar de verte, overschouwde de landen van de paarden temmende Thraciërs, van de Mysiërs, die de strijd van man tegen man beoefenden, van de hooghartige Hippemolgi, die de melk van merries drinken, en van de Abii, het meest ordelievende volk ter aarde. Op Troje wierp hij geen enkele blik meer. Hoe kon hij vermoeden, dat enigerlei godheid thans de Trojanen of Grieken te hulp zou snellen?
XIII; 2
Poseidon echter, die het aardrijk doet schudden, keek beter uit. Gezeten op de hoogste top van het woudrijke Samos van de Thraciërs zat hij vol spanning naar het verloop van de strijd te kijken. Uit zee was hij opgestegen en had die bergtop gekozen, omdat vandaar de Grieken goed zichtbaar waren. Hij had medelijden met de Grieken in hun nood en was woedend op Zeus Vader.
XIII; 3
Nu stond hij op en kwam in volle vaart de rotsachtige helling af. De hoge heuvelen en wouden zelf trilden en schudden onder de tred dier onsterfelijke voeten. Drie passen maakte hij en met de vierde bereikte hij Aegae, waar zijn befaamd paleis ligt, stralend van het goud, waaruit het is opgetrokken, diep in zee, onvergankelijk. Daar spande hij zijn beide snelle paarden met hoeven van koper en wapperende manen van goud voor zijn wagen. in goud ook kleedde hij zichzelf, greep zijn welgemaakte gouden zweep en reed weg over de golven. Vanuit hun schuilhoeken in de diepten der zee doken de dieren op, die hun meester herkenden en dartelden en spartelden, blij om zijn komst en voorbijgang. De zee zelf week verheugd opzij en maakte plaats voor zijn dravende rossen, zodat de bronzen as van zijn wagen droog bleef, terwijl zij hem voerden naar de vloot van de Grieken. Halverwege tussen Tenedos en het rotsige Imbros is een grote spelonk verscholen in de diepten der zee. Hier nu spande Poseidon zijn paarden uit en wierp hun het lekkere voer voor, waarna hij hun benen bond in boeien van goud, zodat zij zouden blijven, waar zij waren, totdat hun meester zou terugkeren. Toen begaf hij zich naar het kamp van de Grieken.

Poseidon spreekt de Grieken moed in

XIII; 4
Als een windvlaag of als een brand, die woest om zich heen grijpt, stormden de Trojanen in dichte drom achter Hector, Priamus’ zoon, aan, ontembaar in hun strijdlust en zonder zich de moeite te gunnen hun adem te verspillen aan hun gebruikelijke krijgskreet, want zo vast overtuigd waren ze nu, dat zij de schepen veroveren zouden om ze in vlammen te doen opgaan, na de helden der Grieken aan het strand te hebben gedood. Doch toen was het, dat Poseidon, die de aarde doet schudden en de wereld omspant, opsteeg uit de diepten der zee om de Grieken met nieuwe moed te bezielen. Hij nam de gedaante en nooit moe wordende stem van Calchas aan en wendde zich allereerst tot de beide Ajaxen, die het minst nog een aanmoediging behoefden. ‘Mijne heren,’ zo zei hij, ‘gij beiden kunt het leger der Grieken redden, als ge zo moedig blijft, als ge bent, en er geen ogenblik aan denkt om te vluchten. De Trojanen zijn wel met man en macht over de muur gekomen, doch hoe onweerstaanbaar ze ook schijnen, toch geloof ik niet, dat ze veel verder zullen kunnen opdringen, wat de rest van het strijdfront betreft, waar de kopergekolderde Grieken hun standhoudende weerstaan. Hier echter, waar de bres is, vrees ik voor rampen, want kijk me die woesteling van een Hector een aan, die zich verbeeldt, dat Zeus zelf zijn vader is! Als een woedend vuur stormt hij voor alle anderen uit. Mocht een god u doen inzien, dat het hier de plaats voor u is om post te vatten en de anderen om u heen te verzamelen, dan kunt ge de vijand alsnog weren van de kloekgebouwde schepen ondanks al Hector’s strijdlust en de aanmoediging, welke Zeus Vader zelve hem schenkt.
XIII; 5
Daarop raakte de schudder der Aarde, die de wereld omspant, beiden aan met zijn staf, waardoor zij vervuld werden van een grote onverschrokkenheid, zodat zij als nieuwgeborenen schenen. Toen verdween Poseidon met de vaart van een op zijn prooi toeschietende havik, die zijn hoge nest in de rotsen verliet om over de vlakte een ander vogel na te zitten. Van de beide Ajaxen was het de zoon van Oileus, vlug te voet, die het eerst in Poseidon de god herkende. Hij wendde zich tot Telamon’s zoon. ‘Ajax,’ zo zei hij, ‘het was één van de goden, die de hoge Olympus bewonen, die ons zojuist aanspoorde om voor de schepen te strijden. Hij nam de gedaante aan van Calchas, de ziener, maar het was die voorspellende en nooit vermoeide spreker niet. Hoe snel repten zich zijn voeten, toen hij van ons heen ging. Zo snel is alleen maar een god. Doch niet enkel dat: ook vanbinnen voelde ik het, want mijn hart zelf is veranderd. Dubbel zo gretig ben ik om af te gaan op de vijanden. Ja, mijn voeten en handen jeuken om hun ervan langs te geven.’ Sprak Telamon’s zoon: ‘Zo voel ik het ook. Mijn handen trillen om mijn speer te drillen; mijn geest is vervoerd; en onder mij dansen mijn voeten. Hoe graag zou ik Priamus’ zoon, Hector, alleen onderhanden nemen.’
XIII; 6
Terwijl de beide Ajaxen zo met elkaar spraken en van de oorlogsroes genoten, die de god in hun hart had gewekt, was Poseidon bezig om de Grieken in de achterhoede nieuwe moed te geven, waar zij stonden temidden van hun kloeke schepen, uitgeput niet alleen, maar tot een paniekstemming toe ontmoedigd op het zien van de Trojanen, die over de muur heen waren gekomen in zo dichte drommen. Naar hen kijkende vulden zich hun ogen met tranen, want zij waanden alle hoop op redding vervlogen. Maar nu ging Poseidon met de gemakkelijke vlugheid van een god hun rijen langs en joeg hen op. Teucer was de eerste, die hij aanmoedigend aansprak, toen Leitus, Penelaus, Thoas, Deipyrus, de Merionen en Antilochus, altijd vooraan in de strijd. Met krenkende woorden zette hij hen aan en zei: ‘Schaamt u, gij Grieken! Zijt ge dan nieuwelingen op het slagveld? Juist gij zijt het, op wie ik het meeste vertrouwde, dat gij de schepen zoudt redden. Als uitgerekend gij het opgeeft, omdat de strijd u te fel schijnt, dan is de dag van onze nederlaag daar. O schande, dat mijn ogen moeten aanschouwen, wat ik zelfs in mijn donkerste dromen nooit hoopte te zien: Trojanen strijdend in de schaduwen der schepen! Voorheen waren zij gelijk aan schroomvallige hinden, die aarzelend en bang door de bossen trippelden ten prooi aan jakhalzen, panters en wolven, willoos en zonder verzet. Zo ook voordien de Trojanen, te bang om ons in een gevecht van man tegen man te ontmoeten of ook maar in het minst weerstand te bieden. Thans vechten zij ver van hun stad, vlakbij de holle schepen, dank zij de onbekwaamheid van onze leider en de laffe slapheid onzer troepen, die liever zouden sterven in de schaduw onzer schepen dan die te verdedigen, omdat zij meer dan genoeg hebben van die aanvoerder van ons. Maar zelfs al is alles de schuld van die vorst Agamemnon van ons, die de snelle Achilles zo domweg griefde, toch is dat geen reden voor ons om de strijd op te geven. Dappere mannen kunnen, ontmoedigd, immers zo weer moedig worden als eerst. Laten wij snel onze fouten herstellen. Heus, mijne heren, het is geen prettig gezicht om u, die van het leger de leiders zijt, zo laf te zien afdeinzen. De een of andere zwakkeling zou ik het nog kunnen vergeven, als hij het bijltje erbij neerlegt. Maar met u is het anders gesteld en daarom neem ik uw houding in de hoogste mate kwalijk. Mijn vrienden, dit nietsdoen van u is wel het allerergste, wat ons kon gebeuren. Denkt dan niemand van u aan de schande, die zo’n houding over hem brengt, juist thans, nu de grote Hector een bres in de wal heeft geslagen, de poort heeft geopend, de grendelbalk gebroken en zijn strijdkreet doet schallen tot vlak bij de schepen?’
XIII; 7
Met die opwekkende woorden tartte Poseidon de Grieken zodanig, dat zelfs de oorlogsgod hem niet zou hebben versmaad, evenmin als Athena, die ruziestookster in het groot. Zo stond daar die uitgelezen schare Hector de held en de Trojanen op te wachten; een ondoordringbare haag van spieren en bolle schilden, beukelaar naast beukelaar, helm naast helm, man naast man, zo dicht bijeen, dat bij de minste beweging de helmbossen tegen elkaar knikten en de speren zich kruisten. Recht vooruit keken zij, verlangend om met de vijand slaags te raken.

Hector tussen de schepen

XIII; 8
De Trojanen kwamen in dichte drommen opzetten, met Hector vooraan, aanstormend als een rotsblok, dat een steile helling af komt rollen, losgerukt uit de rotswand door een winters gezwollen bergstroom, waardoor het gevaarte. Losgeweekt, neertuimelt over de heuvelrand. Hoog springt het op, schiet door het weergalmende woud en rolt voort tot het de begane grond bereikt, waar tegen wil en dank tot rust komt. Zo dreigde Hector een ogenblik de zee zonder moeite te zullen bereiken langs de schepen en tenten der Grieken heen, al dodende waar hij ging. Doch toen rende hij tegen die muur van verzet. En de Grieken zwaaiden hun zwaarden en aan weerskanten scherp gepunte lansen. Hector wankelde en week, terwijl hij zijn Trojanen luidkeels toeriep: ‘Trojanen en Lyciërs en vechtlustige Dardaniërs, houdt stand! Niet lang zullen de Grieken mij tegenhouden, al staan ze ook zo dicht opeen als de stenen in een muur. Mijn speer zal hen doen wijken, als waarlijk Zeus Vader, Hera’s gemaal, die de bliksem slingert met zijn hand, mij hierheen bracht.’
XIII; 9
Moed schonk dit woord aan een ieder, en Deïphobus, zijn broer, trad onverschrokken naar voren en zwaaide zijn rond schild voor zich uit. Zoals hij daar dansende voortschreed, onder dekking van dat schild, wierp Meriones naar hem zijn glinsterende speer. Die miste haar doel niet, maar trof het schild van ossenleer, doch ging er niet door heen en de punt brak af. Deïphobus had het schild een eind voor zich uit gehouden, bedacht op de vaardigheid in het strijden met de lans van de kloeke Meriones, die nu weer zich terugtrok in de drom zijner makkers, woedend omdat hij zijn speer kwijt was en geen succes had gehad. Dus liep hij vlug naar het scheepskamp om een lange speer te halen, die daar nog in zijn tent lag.

De Grieken blijven weerstand bieden

XIII; 10
Intussen vochten de anderen verder, zodat de hele lucht gonsde van het rumoer van de strijd. Telamon’s zoon, Teucer, was de eerste, die een tegenstander doodde. Het was de speervechter Imbrius, zoon van Mentor, befaamd om de vele paarden, die hij bezat. Hij woonde te Pedaeum, voordat de Grieken uitvoeren ten oorlog, en was gehuwd met Medesicaste, een natuurlijke dochter van Priamus, de koning. Maar toen de Grieken landden in schip na schip, keerde hij weer naar het heilige Ilium, verwierf zich roem onder de Trojanen en woonde bij koning Priamus, die hem behandelde als een van zijn eigen kinderen. Teucer nu trof die man onder het oor met zijn lange lans, die hij toen losrukte. Imbrius viel, zoals een es valt, die staat op een hoge heuveltop, in verre omtrek zichtbaar, tot de bijl hem velt en hij valt met zijn tere bladeren diep in het stof. Aldus viel Imbrius en zijn wapenen kletterden op de grond.
XIII; 11
Teucer snelde op hem toe, vol gretig verlangen om zijn wapenrusting te roven, maar Hector mikte naar hem met zijn glanzende speer. Teucer evenwel was op zijn hoede en ontweek de werpspies, hoewel nauwelijks. Amphimachus echter, de zoon van Cteatus, werd getroffen, toen hij zich in de strijd wierp. En de zoon van Cteatus en kleinzoon van Actor, in de borst gewond, viel en rinkelend bonsde zijn rusting. Hector snelde op hem toe om hem de nauwsluitende helm van het hoofd te rukken, toen Ajax op hem mikte met zijn lans. Hij was echter geheel in het beschuttende brons gehuld en de lans trof enkel de knop van zijn schild. Toch was de kracht van de stoot zo groot, dat Hector terug week en moest toezien, hoe de Grieken de beide doden wegdroegen. Stichius en vorst Menestheus droegen Amphimachus weg binnen het kamp van de Grieken, terwijl de twee Ajaxen, die geen gevaar telden, zich meester maakten van Imbrius’ lijk. Als een paar leeuwen, die een geit roven vanonder de neus van de grommende herdershonden, het dier opnemen van de grond en wegslepen tussen hun scherpe tanden door het struikgewas heen, zo hieven de gehelmde Ajaxen de dode Imbrius van de grond en beroofden hem van zijn wapens. En in zijn razende woede over de dood van Amphimachus sloeg de zoon van Oileus Imbrius het hoofd af en zwaaide het als een bal, dat hij wierp tussen de menigte, tot aan Hector’s voeten rolde en bleef liggen in het stof.

Poseidon spoort de Grieken opnieuw aan

XIII; 12
Bitter vertoornd was Poseidon, toen hij zijn kleinzoon Amphimachus vallen zag in die fel opvlammende strijd; en langs de tenten en schepen der Grieken trok hij andermaal om hen aan te sporen, rampen wekkend voor de Trojanen. Hij trof daar Idomeneus, de vermaarde speervechter, die juist de wonde van een van zijn mannen verzorgd had, die door een pijl in de knie was getroffen. Zijn makkers hadden hem naar het kamp gedragen; Idomeneus had de verdere verzorging aan de heelmeesters overgelaten en ging nu naar zijn eigen tent, vastbesloten om terug te keren naar het toneel van de strijd, toen de goddelijke schudder der aarde hem aanhield met de stem van Thoas, Andraemon’s zoon, die koning was van geheel Pleuron en het bergachtige Calydon en die door de Aetoliërs, die hij regeerde, op de handen werd gedragen. ‘Idomeneus,’ zo zei hij, ‘gij die de Kretenzers aanvoert, wat is er geworden van alle dreigementen, welke wij weleer tegen de Trojanen plachten te uiten?’
XIII; 13
Antwoordde hem Idomeneus: ‘Thoas, niemand van ons draagt hier, naar ik meen, ook maar enige schuld. Allen zijn wij in het bedrijf van de oorlog ervaren. Niemand is door vrees overmand of ontvluchtte vol schrik die verschrikkelijke strijd. Doch het moet wel de wil van Zeus Vader zijn, dat de Grieken ver van hun vaderland hier roemloos vergaan. Gij echter, o Thoas, waart steeds een man en standvastig, en steeds erop bedacht de mannen moed in te spreken. Moge uw welsprekendheid niet verminderen. Zet hen ook thans aan tot de strijd.’ ‘Idomeneus,’ antwoordde Poseidon, die de aarde doet schudden, ‘dat de man, die vandaag niet vecht, wat hij kan, nooit meer weerkere van Troje, maar wegrotte tot een verheugenis der honden! Kom aan, neem uw wapens en volg me. Samen moeten wij die taak op ons nemen, en met spoeden wij nog iets bereiken. Zelfs de zwakste strijders worden moedig en sterk, als zij elkaar steunen, zij aan zij. En wij zijn wel gewend om samen met de dappersten te strijden.’

Idomeneus ontmoet zijn schildknaap

XIII; 14
Na die woorden ging de god terug naar het tumult van de strijd; Idomeneus liep door naar zijn schitterende tent. Deed zijn heerlijke rusting aan, greep een paar speren en trad naar buiten als een bliksemflits, die Zeus Vader in de hand neemt, als hij het mensdom iets te boodschappen heeft, en vanaf de glanzende toppen van de Olympus doet uitschieten tot in de verste hemelen. Zo flitste het brons op de borst van de zich reppende Idomeneus. Nauwelijks was hij de tent uit, of hij trof Meriones, zijn kloeke schildknaap, die een bronzen speer kwam halen. ‘Meriones, mijn beste makker. Molus’ rappe zoon,’ riep Idomeneus uit, ‘waarom het slagveld verlaten en hier gekomen? Overweldigt en uitgeput door de pijn van een pijlwond? Of hebt ge misschien een boodschap voor mij? Ik kan u verzekeren, dat het mij geenszins lust in mijn tent te zitten, want ik vecht veel te graag!’ Hem antwoordde Meriones, die vlug van begrip was: ‘Mijn aanvoerder en heer, ik kwam hier om een speer te halen en dacht dat er een in uw tent te vinden. De mijne brak af, toen ik het schild van die onbeschaamde Deïphobus trof.’
XIII; 15
‘In mijn tent, inderdaad,’ sprak Idomeneus, de vorst der Kretenzers, ‘vindt ge een speer, ja, wel twintig, vlak bij de ingang, tegen het glanzende tentdoek geleund, ze waren van de Trojanen en zijn nu van mij, want ik maakte ze buit op hen, die ik sneuvelen deed. In de strijd immers blijf ik niet op eerbiedige afstand van de vijand, daarom heb ik ook zoveel bolle schilden, speren, helmen, en koperen kolders.’ Meriones was om geen antwoord verlegen. ‘Ook ik,’zo zei hij, ‘heb in mijn tent een overvloed van Trojaanse wapens, en in mijn holle schip trouwens ook, maar dan zou ik te ver moeten lopen. Evenmin als u meen ik in mijn plicht tekort te zijn geschoten. Op het veld van eer strijd ik vooraan, daar waar de meeste slagen vallen. Ieder ander van de kopergekolderde Grieken zou ik eerder dan u blind gewaand hebben voor wat ik waard ben in de strijd.’
XIII; 16
‘Uw moed ken ik,’ zei de Vorst der Kretenzers, ‘en zouden wij leiders ons hier bij de vloot in hinderlaag leggen, dan zou die eerst met recht blijken. Niets toch is er zo geschikt als zo’n hinderlaag om een krijger de gelegenheid te geven om te tonen wat hij waard is, en om de lafaards te schiften van de helden. Een lafaard verschiet voortdurend van kleur; hij kan maar niet stil blijven zitten, schuift heen en weer, van het ene been op het ander; zijn hart bonst hem in de borst, terwijl hij zich de dood in allerlei gedaante voorstelt; en in de stilte is het klapperen van zijn tanden te horen. Doch de dappere wordt bleek noch rood, en legt hij zich met de anderen in hinderlaag, dan is hij niet buitensporig bezorgd. Hij bidt slechts, dat hij zo vlug mogelijk met de vijand slaags zal mogen raken. In dergelijke omstandigheden zou wel niemand uw moed in twijfel trekken. En werd ge in de strijd getroffen, dan zouden pijl of speer u niet treffen in nek of rug, maar in borst of buik, terwijl ge met de rest afstormde op de vijand. Doch laten we niet langer hier staan praten als kleine jongens als een ergernis voor anderen. Loop nu gauw mijn tent binnen en zoek daar een stevige speer.’

Meriones en Idomeneus keren terug naar de strijd

XIII; 17
Onverschrokken als de god van de oorlog zelf ging Meriones vlug de tent binnen, pakte een bronzen speer en ging toen met Idomeneus mee met strijdlust in het hart. Als Ares waren die twee, zoals die er op uit trekt met Phoebos, zijn zoon, de geduchte en ontembare wekker van paniek en schrik, voor wie de meest onverschrokken krijger nog op de vlucht slaat, als zij vanuit Thracië de oorlog brengen gaan aan de Ephyriërs of de hooghartige Phegiërs, schenkend de zege aan de ene partij en aan de andere, ondanks hun smeekbeden, de bloederige nederlaag. Zo ook trokken ten strijde Meriones en Idomeneus, leiders der mannen, schitteren in het brons van hun rusting.
XIII; 18
‘Mijn heer,’vroeg Meriones, ‘waar denkt ge u in de slag te werpen, op de rechtervleugel, in het midden van het front, of aan de linkerkant? Daar geloof ik, is de verdediging wel het allerzwakst.’ Hem antwoordde de vorst der Kretenzers, ‘Idomeneus: Anderen zijn er om in het midden van het front de schepen te beschermen. Daar zijn de twee Ajaxen met Teucer, die van al de Grieken het allerbest met pijl en boog weet om te gaan en zich ook uitstekend te weren weet in een gevecht van man tegen man. Zij zullen die drommelse Hector genoeg te doen geven, hoe sterk en geducht die ook is. Niet licht zal hij hen klein krijgen, hoe verschrikkelijk hij ook tekeer gaat, niet zal hij de ontembaren de baas worden en de brand in de schepen steken, als tenminste Zeus hem niet helpt en zijn bliksem in de vloot slingert. De grote Ajax, zoon van Telamon, zal nooit zwichten voor een sterveling, die van moeder aarde het brood eet en getroffen kan worden door brons of steen. Ajax zou zelfs voor Achilles niet onderdoen, die grote doder van mannen, tenminste niet in een gevecht van man tegen man, ofschoon niemand zo vlug is in het lopen. Dus laat ons hier op de linkerflank opstellen, zodat spoedig moge blijken, of wij ons roem op de vijand verwerven of de vijand op ons.’
XIII; 19
Dapper als Ares ging Meriones voor naar het doel, dat zijn meester hem had gewezen, en samen bereikten zij het bedreigde front. Toen de Trojanen Idomeneus zagen aankomen, terwijl de strijdlust in hem oplaaide als een vlam, samen met zijn schildknaap, beiden in hun schoon bewerkte wapenrusting, riepen zij elkander opwekkende woorden toe en vielen op hen aan als één man. Bij de achtersteven der schepen kwam het tot een algemeen gevecht, en de drommen verdrongen zich zo dicht als het stof, dat dik de wegen bedekt op een dag met storm en door de vlagende wind opgejaagd wordt tot een dichte en geduchte wolk. En in dit handgemeen zocht eenieder de ander te doden met het wrede brons van speer of lans. Als een ruig woud van speren, lang, dodelijk, lag daar het woelige strijdtoneel, en verblind werd het oog door het glinsterende brons der talloze helmen, glad gepolijste borstharnassen en prachtige schilden. Zonder gevoel moest men zijn om dit te zien en niet geroerd te zijn.

Twee machtige zonen van Cronus

XIII; 20
De twee machtige zonen van Cronus, die ieder voor een andere partij kozen, brachten de dapperen bittere zorg en nood. Zeus was op een overwinning voor de Trojanen en Hector bedacht om uiteindelijk eer te geven aan de rappe Achilles. Maar geenszins was het zijn bedoeling om het leger der Grieken geheel in het gezicht van Ilium vernietigd te zien; niettemin wilde hij Thetis en haar kloeke zonen roem verlenen. Poseidon van de andere kant was heimelijk uit de grauwe zee opgestegen om zich te voegen bij de Grieken en hen aan te moedigen. Het schokte hem getuige te zijn van hun nederlaag en hij was hevig op Zeus vertoornd. Weliswaar waren beide goden van gelijke afkomst, maar Zeus was ouder en rijker aan wijsheid. En daarom zorgde Poseidon wel, dat hij de Grieken niet openlijk hielp. Hij nam de gedaante aan van een mens en bewoog zich aldus onder de troepen, iedereen aanvurend. Zo zorgden de goden ervoor, dat het touw, dat zij geknoopt hadden voor die wanhopige en vreselijke touwtrekkerij-des-doods aan weerskanten strak gespannen bleef. Het touw was onbreekbaar; niemand kon het losknopen; maar menig man werd het tot een moordende strop.

Idomeneus en Asius

XIII; 21
Idomeneus, hoewel niet meer van de jongsten, wierp zich in de strijd, terwijl hij zijn mannen aanmoedigde. Hij joeg de Trojaanse gelederen schrik aan door Othryoneus te doden, een bondgenoot van Cabesus. Daar had hij het bericht van de strijd vernomen, was eerst onlangs naar Troje getrokken, waar hij Priamus om de hand van Cassandra gevraagd had, de allermooiste van diens dochters. In plaats van te betalen voor zijn bruid had hij koning Priamus wonderen van dapperheid beloofd, waardoor hij de Grieken van het Trojaanse strand zou verdrijven. De oude koning had het aanbod aanvaard en hem de hand van zijn dochter gegeven; en op die voorwaarde was het, dat Othryoneus deelnam aan de strijd. Maar thans wierp Idomeneus een speer naar hem en trof hem, toen hij verwaand aan kwam draven. De koperen kolder beschermde hem niet; midden in de buik drong hem de speerpunt; en met een dreunende slag viel hij ter aarde. Honend riep Idomeneus hem toe: ‘Mijn gelukwensen, Othryoneus, met uw verloving met Priamus’ dochter, als gij tenminste aan uw afspraak voldoen kunt. Wij ook zouden het wellicht wel met elkaar eens kunnen worden. Help ons de stad Troje plunderen, en dan zullen wij voor u uit Argos de allerschoonste van Atreus’ dochters bestellen en u die tot bruid geven. Kom maar eens mee naar de schepen; dan kunnen we terstond het huwelijksverdrag gaan opmaken. Als het om vergeven van bruiden gaat, zijn ze zo veeleisend niet.
XIII; 22
Terwijl hij hem zo hoonde, greep Idomeneus hem bij de voet om hem weg te slepen uit het gewoel van de strijd, maar thans kwam Asius te hulp gesneld, te voet, maar met achter zich zijn strijdwagen, welke zijn menner zo dicht in zijn buurt hield, dat de adem van de paarden hem over de schouders blies. Vlug wilde Asius met Idomeneus afrekenen, maar hij was hem nog vlugger af en trof hem met een speer in de keel, vlak onder de kin, zodat de punt er aan de andere kant uitkwam. Asius viel, zoals een eik valt of een hoog rijzende den, door de houthakkers geveld in het woud met hun scherpe bijlen om er scheepsbalken van te maken. Zo lag daar Asius uitgestrekt voor zijn wagen en zijn tweespan, terwijl hij kreunde en kermde en zijn vingers klauwden in het van bloed doordrenkte stof. Zijn menner was zo geschrokken, dat hij er nog niet aan dacht om de paarden rechtsomkeer te doen maken en weg te wijken uit de kring van zijn vijanden, maar hij werd geraakt door een speer, door de koelbloedige Antilochus geworpen, welke hem trof in de buik, dwars door zijn bronzen kolder heen. Met een kreet tuimelde hij van zijn wagen, terwijl Antilochus zich meester maakte van zijn paarden en ermee vandoor ging.

Idomeneus gaat door met doden

XIII; 23
Deïphobus, vol leed over de dood van Asius, naderde nu Idomeneus en wierp naar hem zijn glinsterende lans. Idomeneus echter was op zijn hoede en zocht dekking achter zijn schild. Dat was gemaakt van ineen sluitende ringen van ossenleer en van brons bovendien, aaneengeklonken met twee kruisspanten. Daar kroop hij onder en de bronzen speer vloog over hem heen. En diep gonsde het brons, toen de speer de rand van het schild schampte. Doch niet voor niets had de kordate Deïphobus die speer geworpen, want hij trof de legeraanvoerder Hypsenor, Hippasus’ zoon, in de lever onder het middenrif, zodat hij viel en in het stof beet. Verheugd was Deïphobus over die zege, en luid riep hij uit: ‘Dus blijft Asius niet ongewroken. Zelfs op zijn tocht naar Hades, die sombere poortwachter, zal hij zich nog verblijden, omdat ik hem een reisgezel meegaf!’ die zegetoon griefde de Grieken, vooral Antilochus, die om zijn kommer zijn makker niet vergat, doch op hem toeging, over hem heen ging staan en hem beschermde met zijn schild. Daarop tilden twee van hun getrouwen hem op. Het waren Mecisteus, Echius’ zoon, en de edele Alastor. Erbarmelijk kreunend werd hij door hen naar de holle schepen gedragen.
XIII; 24
Idomeneus echter kende geen verpozen, nu de strijdlust in hem ziedde. Slechts één wens kende hij: De Trojanen de donkere dood aan te doen en de Grieken van de ondergang te redden, al moest hij er zelf voor sterven. Thans had hij het voorzien op de edele Alcathoüs, zoon van Aesyetes en gehuwd met de oudste dochter van Anchises, de beeldschone Hippodamia. Als kind in haar vaders paleis was zij de lieveling van haar ouders geweest, want zij overtrof allen van haar jaren in schoonheid, behendigheid en verstand, zodat het geen wonder was, dat de beste der mannen van heel het Trojaanse land haar tot vrouw had genomen; en die viel nu ook met Poseidon’s hulp onder de moordende hand van Idomeneus. De god immers begoochelde zijn helder stralende ogen en verlamde zijn benen, zodat hij noch achterwaarts noch terzijde kon uitwijken, doch staan bleef als een standbeeld of als een hoge, lommerrijke boom, toen de speer van Vorst Idomeneus hem trof, midden in de borst en dwars door zijn bronzen kolder, die tot nu toe zijn vlees tegen wonden had beschermd, doch nu krijsend scheurde, toen de speer er doorheen vloog. Alcathoüs viel dreunend ter aarde. De speer stak in zijn hart, dat nog kloppen bleef en al kloppende de hele speer deed trillen, totdat eindelijk de oorlogsgod met zijn zware hand het tot stilstand bracht.
XIII; 25
Zegevierend riep Idomeneus luid: ‘Deïphobus, drie doden tegen de ene, om wiens dood gij zo kraaiend juichte! Zou hiermee de rekening niet vereffend zijn? Maar waarom, o mijn moedige vriend, mij niet zelf aangevallen, opdat gij de waarde leert kennen van een afstammeling van Zeus, op doorreis in uw land? Zeus immers was het, die ons stamhuis stichtte. Minos, zijn zoon, verhief hij tot koning van Kreta; Minos’ zoon was de onvergetelijke Deucalion; en Deucalion’s zoon ben ik. Ik volgde hem op als de vorst van een machtig volk op ons groot eiland; en thans hebben mijn schepen mij hierheen gevoerd om een vloek en een ramp te zijn voor u en uw vader en allen in Troje.’

Aeneas en Idomeneus

XIII; 26
De uitdaging van Idomeneus deed Deïphobus aarzelen, of hij zou teruggaan en een van zijn makkers zou roepen om hem te helpen, of dat hij alleen het tegen de Kretenzer vorst zou opnemen. Maar toen, bedenkend, dat hij beter naar hulp kon uitzien, zocht hij Aeneas, die in de achterhoede rondhing, want die Aeneas koesterde een wrok tegen koning Priamus, omdat hij zo weinig achting bij hem oogstte, hoewel hij een moediger held was dan velen. Deïphobus trad op hem toe en deed een beroep op hem, als één van de voornaamste raadslieden van de Trojanen. ‘Aeneas,’ zo zei hij, ‘hoognodig moet ge komen om Alcathoüs te ontzetten, de man van uw zuster. Als rouw om verwanten iets voor u betekent, kom dan en help mij uw zwager wreken, die woonde in uw huis en voor u bezorgd was als voor zijn eigen kind. Idomeneus’ speer heeft hem geveld.’
XIII; 27
Aeneas’ hart werd bewogen en op wraak belust trok hij op Idomeneus los. Doch Idomeneus liet zich niet verjagen als een kleine jongen, maar wachtte hem op met het zelfvertrouwen van een everzwijn in het gebergte, als het op een eenzame plek alleen door een troep jagers verrast wordt en het aanzwellende tumult afwacht met opstaande borstels en fonkelende ogen, terwijl het de scherpe tanden wet om allen, jagers en honden, te bespringen. Zo wachtte de vermaarde speervechter, zonder te wijken. Doch wel riep hij om hulp, bedacht op de toestand vooral van Ascalaphus, Aphareus en Deipyrus, van Meriones en Antilochus. Aanmoedigend riep hij hun toe: ‘Mijn vrienden, kom en breng mij uw hulp. Ik ben alleen en heb een aanval van de snelle Aeneas te vrezen, die thans op mij afkomt. Ik ken zijn waarde in de strijd; hij weet zijn man te doden en hij is jong. Waren onze jaren gelijk, zoals ons beider strijdlust, dan zouden hij of ik spoedig de zege behalen. Als één man verzamelden zij zich rondom Vorst Idomeneus, wegduikend achter hun schuin gehouden schilden. Op zijn beurt riep echter thans ook Aeneas zijn vrienden te hulp, vooral Deïphobus en Paris en de treffelijke Agenor, zijn medeaanvoerders in het Trojaanse leger. Bovendien schaarde zich het gewone krijgsvolk achter hem, als schapen achter de belhamel trekken van de weide naar de stroom, waar zij drinken gaan. En de herder, die het ziet, verheugt zich. Zo ook verheugde zich Aeneas, toen hij het gros van zijn legertroep achter zich zag.

Strijd op leven en dood aan de linkerflank

XIII; 28
Over het lijk van Alcathoüs vlogen de lange speren in doodsnabije dreiging, en grimmig bonsde het brons, waar de speer van de vriend van de vijand trof. Twee krijgers echter, Aeneas en Idomeneus, aan de oorlogsgod gelijk, overtroffen alle anderen in hun gretige belustheid elkanders vlees open te rijten met het meedogenloze brons. Aeneas wierp het eerst zijn speer naar Idomeneus, die echter op zijn hoede was en uitweek, zodat de speerpunt in de grond terecht kwam. Daarop wierp Idomeneus zijn speer en trof Oenomaus midden in de buik, zodat het harnas scheurde en de darmen naar buiten drongen. Oenomaus viel ter aarde en zijn vingers klauwden in het stof. Idomeneus trok zijn speer, die een lange schaduw tekende op de grond, uit het lijk, doch was niet in staat om zijn slachtoffer van zijn schitterende rusting te beroven, want het regende speren en pijlen om en over hem heen. Niet langer was hij rap genoeg in het werpen en wijken, maar bleef staan waar hij stond, en trachtte aldus de dood van zich af te weren. Langzaam als hij was, werd hij het mikpunt van de glanzende lans van Deïphobus, die nog altijd woedend was om de uitdagende woorden van de Kretenzer vorst. Doch opnieuw miste hij Idomeneus, maar trof de krijgshaftige Ascalaphus, een zoon van Ares. Het zware wapen ging hem dwars door de schouder en hij viel ter aarde en zijn vingers klauwden in het stof. Doch later eerst hoorde zijn machtige vader, Ares, de oorlogsgod, wiens stem schalt als een bazuin, dat zijn zoon in de strijd was gevallen. Thans zat hij hoog op de toppen van de Olympus zonder zongouden wolken, daar gehouden op bevel van Zeus Vader, zoals ook de andere goden, die van het slagveld waren geweerd.
XIII; 29
Thans was het over het lijk van Ascalaphus, dat de felle strijd ontbrandde. Juist had Deïphobus de glanzende helm van het hoofd van zijn slachtoffer gerukt, toen Meriones, als Ares zo vlug, naar voren sprong en met zijn speer zijn arm vlakbij zijn schouder raakte. De helm met het zware schutmetaal viel rinkelend uit zijn handen; en als een gier vloog Meriones opnieuw op hem af, trok de zware speer uit zijn arm en zocht toen weer dekking temidden van zijn mannen. De broer van Deïphobus, Polites, sloeg zijn arm om het middel van de gewonde, geleidde hem uit het strijdgewoel en naar zijn snelle paarden, die op hem wachtten op een rustige plek in de achterhoede met hun menner en het fraai beschilderde voertuig. Zij brachten hem weg naar de stad. Hij kreunde en steunde zwaar, uitgeput door het bloed, dat hij verloor door de gapende wond in zijn arm.
XIII: 30
De anderen echter zetten de strijd voort, met meer luidruchtigheid nog. Aeneas viel uit en trof met zijn scherpe speer Caletor’s zoon, Aphareus, in de keel, welke naar hem toegewend was. ’s Mans hoofd zakte zijwaarts; onder het gewicht van helm, schild en harnas zonk hij ineen; en de dood overweldigde hem. Intussen wierp Antilochus zich op Thoön, toen die zijn rug naar hem toegewend had; hij stak naar hem en sneed hem de ader door, die van de rug naar de nek loopt. Thoön viel achteruit in het stof en strekte de handen uit naar zijn vrienden. Antilochus wierp zich op hem en begon hem van zijn rusting te beroven, doch met voorzichtigheid, want overal schoten de Trojanen toe om hun lansen en speren te stoten in zijn breed en glanzend schild, maar zelfs geen schram liep hij op, die zoon van Nestor immers werd door Poseidon, die de aarde schudt, zelfs nog beschermd temidden van zo’n hagelbui van speren. Hoewel Antilochus door zijn vijanden geen ogenblik met rust werd gelaten, gaf hij geen krimp, doch keerde zich dan hier en dan daar heen, gunde zijn speer geen rust en stiet nu eens naar een vijand dichtbij of wierp naar een tegenstander verderop.
XIII; 31
Juist wilde hij weer zijn speer in de menigte werpen, toen Asius’ zoon, Adamas, die hem nauwkeurig bespied had, de kans schoon zag, toesprong en hem met zijn speer midden in het schild trof. De zwartharige Poseidon echter misgunde het scherpe wapen het leven van Antilochus, zodat het geen doel trof, maar halfweg bleef steken, terwijl de andere helft afbrak als een verkoold stuk hout en op de grond viel. Adamas zocht zijn leven te redden door zich terug te trekken temidden zijner mannen, maar Meriones ging hem na en trof hem vlak onder de navel, wel de pijnlijkste plek, waar men een krijger kan treffen. Adamas viel en krampte en wrong zich om het wapen, zoals een stier wringt en spartelt, als hij in de heuvels door veehouders gevangen en, met touwen omsnoert, tegen wil en dank weggevoerd wordt. Zo ook spartelde en wrong zich Adamas, maar niet lang, want Meriones kwam en trok de speer uit zijn vlees, waarna de doodsnacht zijn ogen verduisterde.
XIII; 32
Helenus viel van dichtbij Deipyrus aan met zijn zwaard, waarmee hij hem trof aan de slaap, zodat hem de helm van het hoofd vloog. Die rolde over de grond tot aan de voeten van een Grieks krijger, die hem opraapte. De nare nacht van des doods verdonkerde Deipyrus’ blikken. Atreus’ zoon, Menelaus, om zijn luide strijdkreten vermaard, werd vertoornd, toen hij zag, wat er gebeurd was. met een dreigende kreet stormde hij op vorst Helenus af en zwaaide zijn scherpe speer. Maar Helenus spande zijn boog. Zo waren beiden dus op hetzelfde ogenblik gereed tot tweestrijd. Priamus’ zoon trof met zijn snelle pijl Menelaus in de borst maar de pijl stuitte af op diens borstharnas. Zoals bonen of erwten op een ruime dorsvloer wegspringen van de brede verschietschop, door kracht van de gierende wind en van de kloeke hand van de wanner, stoof de dodelijk dreigende pijl weg van het harnas van de verheven Menelaus en verdween in de verte. Atreus’ zoon, Menelaus, om zijn luide strijdkreet vermaard, had echter meer geluk. Hij trof Helenus aan de hand, waarin hij zijn glanzende boog hield, en de speer ging er dwars door heen. Om zijn leven beducht vluchtte Helenus weg temidden van zijn mannen. Slap hing zijn hand hem langs het lijf; en de speer; die erin stak, sleepte hij achter zich aan. De edele Agenor trok het wapen uit de wonde en verbond zijn hand met een doek van fijn gesponnen wol; een slinger was het, die Agenor’s schildknaap hem leende.
XIII; 33
Nu was het Pisander, die op de verheven Menelaus afging. Maar het was het noodlot zelf, dat hem ertoe dreef om de dood te vinden, door uw toedoen, o Menelaus. Beide mannen begonnen van dichtbij de strijd, en Atreus’ zoon miste, want zijn speer week af van zijn doel. Pisander had meer geluk, trof het schild van Menelaus, waar de speer bleef steken en de punt brak af. Toch was Pisander vol vreugde, want waande de zegepraal zeker. Thans echter trok Atreus’ zoon zijn met zilver beslagen zwaard en viel op hem aan. Vanonder zijn schild haalde Pisander op zijn beurt een mooie, bronzen strijdbijl met lange, gladde steel van olijfhout. Zo gingen ze op elkaar af. Pisander trof de ander op de helm, juist onder de helmbos van paardenhaar. Doch Menelaus raakte Pisander, toen hij op hem af stoof, op het voorhoofd, vlak boven de neus. De beenderen kraakten, en zijn ogen, vol bloed, vielen in het stof voor zijn voeten. Menelaus zette zijn voet op zijn borst, toen hij wankelde en viel, en terwijl hij hem van zijn rusting ontroofde, juichte hij zegevierend: ‘tot hiertoe en niet verder, gij onbeschaamde Trojanen, zult gij de schepen der Grieken naderen. Nooit zijt gij het twistzoeken moe, en was dat uw ergste fout maar. Doch denkt aan de schande, die gij mij aandeed, gij honden, toen jullie de wetten van gastvrijheid schonden en de wraak van Zeus Vader uittartten, die ons die voorschreef en wel spoedig jullie stad tot puin doet vergaan. Jullie roofden mijn vrouw, toen zij jullie gastvrouw was, en voerden haar welgemoed weg met de helft van mijn schatten. En nu zoudt ge niet voldaan zijn, voordat onze kloeke schepen in vlammen zijn opgegaan en wij allen verslagen. Maar hoe groot ook uw moordlust, eens komt er een eind aan. Ach, Zeus Vader, men zegt wel, dat ge wijzer zijt dan goden en mensen, maar dit alles is uw schuld! Waarom zijt ge zo toegefelijk voor die Trojaanse brallers, die zwelgen in het moorden en vernielen, nooit verzadigd van het daverend gerucht van de strijd? Men raakt van alles verzadigd, zelfs van slaap en van liefde, van klare welluidendheid en de zoete evenmaat van de dans, welke toch meer de lust van het langdurig genieten wekken dan oorlog en strijd. Doch die Trojanen zijn anders dan anderen, want onlesbaar is hun bloeddorst.’ Al sprekende beroofde de onvergelijkbare Menelaus zijn slachtoffer van diens wapenrusting en gaf die aan zijn mannen. Daarop nam hij zijn plaats in de voorste gelederen weer in.
XIII; 34
Daar werd hij aangevallen door Harpalion, van koning Pylaemenes de zoon, die met zijn vader voor de oorlog naar Troje was gekomen, doch nooit meer zou terugkeren naar zijn land. Harpalion, op hem los stormend, trof hem midden in het schild met zijn speer, doch toen het wapen bleef steken, trachtte hij zich te redden door naar zijn eigen mannen terug te sluipen, rechts en links kijkend, of geen speer of pijl hem kon raken. Doch toe hij zo terugweek, schoot Meriones een pijl met bronzen spits op hem af, die hem in de rechter bil trof, zijn blaas doorboorde en onder het bot weer naar buiten drong. Harpalion zakte onmiddellijk in elkaar, snikte zijn leven uit in de armen van zijn vrienden en lag op de aarde uitgestrekt als een worm, terwijl het donkere bloed uit hem wegstroomde en de aarde bevochtigde. De krijgshaftige Paphlagoniërs schaarden zich om hem heen, tilden hem in een strijdwagen en reden met hem weg naar het heilige Ilium, droef te moede. Schreiende volgde hen zijn vader; de dood van zijn zoon bleef door hem ongewroken.
XIII; 35
Maar het sneuvelen van Harpalion wekte Paris tot woede, want die Paphlagoniër was zijn gast geweest, en hij schoot een pijl af om zijn vriend te wreken. En daar was een Griek, en zijn naam was Euchenor, zoon van de ziener Polyidus, een man in goeden doen en van voorname huize, die woonde in Korinthe. Toen hij zich inscheepte naar Troje, wist hij maar al te goed, welk droevig lot hem daar wachtte, want zijn oude vader, de brave Polyidus, had hem vaak gezegd, dat hij in zijn bed aan een pijnlijke kwaal zou sterven, of, uitzeilend met de Grieken, voor Troje zou vallen. Dus ging hij – om de zware boete te ontgaan, welke de Grieken hem anders zouden afeisen, en om zichzelf ziekte en pijn te besparen, want daar kon hij niet tegen. – Thans trof Paris’ pijl hem onder de kaak en zo onder het oor, hem voor een langzaam sterven behoedend. Spoedig overweldigde hem het nare duister de doods.

Strijd aan het centrale front

XIII; 36
Voort ging de strijd als een onblusbare brand. Hector de held echter was zonder kennis gebleven van de slachting welke de vijand op de linker flank onder zijn landgenoten aanrichtte. Werkelijk scheen de overwinning der Grieken niet ver meer, zozeer bezielde hen Poseidon, die de aarde doet schudden en de wereld omspant, en hielp hij hen ook daadwerkelijk. Hector was nog steeds in de aanval daar, waar hij de slagorde der schilddragende Grieken gebroken had, poort en muur had bestormd en waar de schepen van Ajax en Protesilaus aan het strand van de grauwe zee waren getrokken. De schutsmuur was daar lager dan elders en daar ook was de strijd tussen de wagenstrijders en voetvolk het hevigst. Boeotiërs, Ioniërs in hun lange mantels, Locriërs, Phthiërs en Epeïers, alom vermaard, hadden alle moeite om de stormaanval van Hector op de schepen af te slaan. En Hector week niet, maar voer als een vuur tegen hen uit. De bloem van Athene vocht daar, geleid door Menestheus, samen met Pheides, Stichius en de dappere Bias, terwijl de Epeïers werden aangevoerd door Phyleus’ zoon, Meges, met Amphion en Dracius; en de Phthiërs door Medon en de kloeke Podarces. Die Medon was een bastaardzoon van koning Oileus en dus Ajax’ broer. Hij was echter verbannen wegens manslag en woonde in Phylace. Zijn slachtoffer was verwant aan zijn stiefmoeder Eriopis, de vrouw van Oileus. Podarces was een zoon van Iphiclus, Phylacus’ zoon. Die beiden vochten in volle rusting om de schepen te verdedigen, strijdende in de voorste gelederen der moedige Phthiërs en schouder aan schouder met de Boeotiërs. Ajax zelf, de rappe zoon van Oileus, was onafscheidelijk van de andere Ajax, Telamon’s zoon. Als een paar bruinrode ossen waren zij, die samen één ploeg trekken door de vette akkergrond, de een al even hard zwoegend als de ander, terwijl het zweet hun van tussen de hoorns druipt; slechts het gladde juk scheidt hen, waar zij met inspanning van al hun krachten de vore snijden in de grond tot aan de grens van de akker. Zo streden de twee Ajaxen zij aan zij.

Polydamas geeft Hector opnieuw advies

XIII; 37
Maar terwijl Telamon’s zoon door zijn dienaren geholpen werd, vaardig en behendig en geoefend in de strijd,