Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Homerus - Odyssee

Bron: benbijnsdorp.nl

Vertaald uit het Grieks door Ben Bijnsdorp.

Toelichting

De uit 24 boeken bestaande Odyssee (genoemd naar de naam van Odysseus, een Griekse koning van het eiland Ithaca) is een raamvertelling, waarin de tien jaar durende thuisreis van de held wordt verteld. Het kader vormt de terugkeer van de held van het eiland van de nimf Calypso, zijn verblijf in het paleis der Phaeaken, waar hij zijn lotgevallen vertelt en de eigenlijke thuiskomst in zijn koninkrijk Ithaca, waar hij afrekent met de vele 'vrijers' van zijn vrouw Penelope.

01. Wat de goden besloten

Aanroeping van de Muze

I; 1-10
Vertel mij, Muze, over die man, die slimmerd, die heel veel rondzwierf, nadat hij de imposante stad Troje verwoest had; van veel mensen zag hij de steden en hij leerde hun zeden en gewoonten kennen, maar veel ook moest hij afzien op zee, terwijl hij het vege lijf probeerde te redden en de thuiskomst van zijn mannen. Maar toch kon hij zijn mannen niet redden, hoe hij het ook probeerde; want door hun eigen roekeloosheid gingen ze te gronde, de dwazen, die runderen opaten van de Zonnegod; maar die ontnam hen de dag van de thuiskomst. Vertel ook aan ons vanaf ergens daarvan, godin, dochter van Zeus.

Odysseus bij Calypso

I; 11-21
Toen waren alle anderen die de meedogenloze dood waren ontkomen, thuis, ontsnapt aan de gevaren van de oorlog en die op zee, maar hem alleen, hoezeer hij ook miste zijn thuis en zijn vrouw, hield de machtige Calypso, stralende onder de godinnen, vast in een gewelfde grot, ernaar hunkerend dat hij haar man zou zijn. Maar toen nu het jaar aanbrak in de cyclus der seizoenen, waarin de goden beschikt hadden dat hij naar huis zou terugkeren, naar Ithaca – toen was hij zelfs daar niet van beproevingen vrij, ook al was hij weer bij zijn dierbaren – maar de goden, zij waren allen begaan met zijn lot behalve Poseidon: die was onophoudelijk vertoornd op de weergaloze Odysseus, voordat die zijn land kon bereiken.

Godenvergadering zonder Poseidon

I; 22-95
Deze nu was vertrokken naar de ver wonende Ethiopiers, (de Ethiopiers, die in tweeen verdeeld zijn, verwijderd van de mensen, één groep in het Westen, de andere in het Oosten) om een offer in ontvangst te nemen van stieren en rammen. Daar dus deed hij zich te goed, aanzittend aan de maaltijd; maar de anderen waren bijeen in het paleis van de Olympier Zeus. Temidden van hen nu begon de vader van mensen en goden te spreken; want hij moest denken aan de aantrekkelijke Aegisthus, die, naar bekend, gedood werd door de wijdvermaarde Orestes. Hem indachtig sprak hij deze woorden onder de onsterfelijken: “Ach, ellende, zoals nu weer de stervelingen de goden verwijten maken! want door ons zeggen zij dat er rampen gebeuren; maar ook al van zichzelf, door hun eigen onbeheerste daden, lijden zij meer dan nodig is; zoals ook nu weer Aegisthus, tegen zijn lot, de wettige echtgenote van Agamemnon minde en hemzelf doodde bij zijn thuiskomst, hoewel hij het steile verderf kende; tevoren immers waarschuwden we hem door het zenden van Hermes, de scherpziende doder van Argus, hem niet te vermoorden en zijn vrouw niet te vrijen: ‘Want van de kant van Orestes zal er wraak komen om Atreus’ zoon, wanneer hij volwassen zal zijn geworden en verlangd naar zijn vaderland’. Zo waarschuwde hem Hermes, maar niet kon hij Aegisthus overtuigen, hoewel hij het beste met hem voorhad; en nu betaalde hij zijn verdiende loon. Hem nu antwoordde daarop de godin Athena met de felle blik: “Ach, vader van ons, zoon van Cronus, hoogste der heersers, maar al te zeer ligt hij in een verderf dat hem toekomt; moge zo ook omkomen al wie verder nog dat soort daden bedrijft! Maar mij wordt het hart verscheurd om de schrandere Odysseus, de ongelukkige, die toch al te lang, ver van zijn dierbaren, te lijden heeft op een omklotst eiland, waar de navel is van de zee. Het is een bomenrijk eiland, een godin bewoont er een paleis, de dochter van de kwaadaardige Atlas, die de diepten van heel de zee kent, en zelf de grote zuilen stut die de aarde en de hemel gescheiden houden. Die dochter van hem houdt de ongelukkige vast, ondanks zijn klagen. En altijd probeert ze hem met suikerzoete en vleiende woorden te betoveren, in de hoop dat hij Ithaca vergeet; maar Odysseus verlangt veeleer te sterven, hunkerend om al was het maar de rook te zien opkringelen vanaf zijn land. Draait dan ook bij u, Olympier, het hart niet om? Was dan Odysseus niet welgevallig bij de schepen der Grieken door het brengen van offers in het weidse Troje? Waarom toch bent u zozeer op hem gebeten, Zeus?” Haar sprak de wolkenverzamelaar Zeus ten antwoord: “Mijn kind toch, wat een uitspraak ontsnapte de omheining van je tanden! Hoe zou ik toch de godgelijke Odysseus kunnen vergeten, die de stervelingen overtreft in inzicht en bij uitstek offers brengt aan de onsterfelijke goden, die de wijde hemel bewonen. Maar de aardsteun Poseidon is steeds onophoudelijk vertoornd om de Cycloop wiens oog hij verblindde, de godgelijke Polyphemus, wiens kracht het grootst is onder alle cyclopen; de nimf Thoosa baarde hem, de dochter van Phorcys die heerst over de onafploegbare zee, na in een gewelfde grot gevreeen te hebben met Poseidon. Sindsdien doodt de aardschudder Poseidon Odysseus wel niet, maar laat hem wel ronddolen ver van zijn vaderland. Maar kom, laten wij allen hier ons beraden over zijn terugkeer, opdat hij die meemaakt. En Poseidon moet zijn toorn laten varen; want volstrekt niet zal hij in staat zijn tegen ons allen als eenling op te boksen, tegen de zin van ons, goden!” Hem antwoordde vervolgens de godin, Athena met fonkelende ogen: “Vader van ons, zoon van Cronus, hoogste der heersers, als dit dan nu de wens is van de gelukzalige goden, dat de schrandere Odysseus terugkeert naar zijn huis, laten wij dan Hermes, de gids en de doder van Argus, zenden naar het eiland Ogygia, om zo snel mogelijk het vaste besluit aan de nimf met de mooie vlecht over te brengen: de thuiskomst van de onversaagde Odysseus, dat hij naar huis mag gaan. Ik echter zal naar Ithaca gaan, om zijn zoon moed in te spreken en aan te sporen de langharige Achaïers ter vergadering te roepen en de wacht aan te zeggen aan al die pretendenten die voortdurend zijn kudde kleinvee slachten en zijn kromhoornige runderen met hun slepende gang. Naar Sparta zal ik hem sturen en het zandige Pylos om navraag te doen naar de thuiskomst van zijn vader, in de hoop dat hij iets hoort en hij zich een goede reputatie verwerft onder de mensen”.

Athena op bezoek bij Telemachus

I; 96-143
Na deze woorden bond zij zich onder haar voeten de mooie sandalen, onvergankelijke, van goud, die haar droegen zowel over zee als over het onmetelijke land, met de adem van de wind; en zij nam haar sterke lans met scherpe bronzen punt, de zware, grote, stevige, waarmee zij bedwingt de rijen der mannen der strijders, op wie de dochter van de geweldige vertoornd is. Snel daalde ze af van de toppen van de Olympus en bleef staan in het land Ithaca bij de inrit van Odysseus, bij de drempel van de hofpoort; met haar hand hield zij de bronsgepunte lans, in de gedaante van een vreemde, Mentes, de vorst van de Taphiers. Zij trof daar de manhaftige vrijers aan. Die vermaakten zich in het voorhof met een schijvenspel, gezeten op huiden van runderen, die zij eigenmachtig geslacht hadden; en dienaren en snelle bedienden waren deels bezig voor hen wijn in de mengvaten met water te mengen, anderen namen de tafels af met veelgatige sponzen en zetten ze neer, weer anderen sneden vlees in veel stukken. Haar nu zag verreweg het eerste de godgelijkende Telemachus, hij zat namelijk tussen de vrijers, neerslachtig te moede, voor zijn geestesoog ziende zijn edele vader, als hij toch eens, opgedoken die vrijers uiteen zou slaan door heel zijn paleis heen, en zelf zijn koninklijke waardigheid zou opnemen en heersen in zijn huis. Dat overpeinzend, tussen de vrijers zittend, viel zijn blik op Athena. En regelrecht liep hij naar de inrit want hij werd verontwaardigd, dat een gast zo lang bij de ingang moest staan; hij kwam op haar toe, pakte haar rechterhand en nam haar bronsgepunte lans aan, en hij nam het woord en sprak tot haar de treffende woorden: "Heil u, vreemdeling, bij ons zul je gastvrij onthaal vinden; maar later, als je gegeten hebt van de maaltijd, zul je vertellen wat je verlangt". Na deze woorden ging hij haar voor, en zij volgde hem, Pallas Athena. Toen zij nu binnen de hoge mannenzaal waren, bracht hij de lans weg en zette hem tegen een grote zuil in een gladgepolijste speerstandaard, waar ook andere, namelijk vele van de onversaagde Odysseus, stonden, maar haar leidde hij naar een armstoel en liet haar zitten, linnen onder haar uitgespreid, mooi, kunstig versierd; en onderaan was een bankje voor haar voeten. Voor zichzelf schoof hij een fraaie leunstoel aan, uit de buurt van de anderen, de vrijers, opdat bij zijn gast niet, geprikkeld door hun herrie, de eetlust zou vergaan, daar hij verzeild was geraakt tussen onfatsoen, en om hem te vragen naar zijn verdwenen vader. Een dienares bracht waswater aan en goot het uit in een schenkkan, een mooie, van goud, boven een zilveren bekken, om zich de handen te wassen; en ze zette een gladgeschaafde tafel neer. Voedsel bracht een waardige huishoudster aan en zette het voor hem neer, eten in overvloed erbij plaatsend, met plezier om de voorraad; en een voorsnijder nam houten borden op met allerlei vlees en zette ze erbij, en hij zette gouden bekers voor hen neer, en een schenker kwam telkens naar hen toe en schonk wijn in.

Het gedrag van de vrijers

I; 144-168
En binnen kwamen de manhaftige vrijers. Zij nu gingen naast elkaar zitten op armstoelen en leunstoelen, ook bij hen goten dienaren water over hun handen, en slavinnen zetten voedsel in schalen voor hen neer, en jongelingen vulden mengvaten tot de rand toe met wijn. En zij staken hun handen uit naar de voor hen liggende spijzen. Maar toen zij zich verzadigd hadden aan drank en eten, de vrijers, verlangden zij naar andere zaken: zang en dans, die het feestmaal begeleiden. Dus gaf een dienaar een prachtige citer in handen van Phemius, die onder dwang placht te reciteren voor de vrijers. Die nu sloeg de snaren aan en zette een mooi gezang in. Maar Telemachus boog zich over naar Athena met de felle blik, om de anderen niets te laten horen en zei tegen haar: "Beste gast, neem me niet kwalijk wat ik je ga zeggen; zij amuseren zich hiermee, citerspel en zang, makkelijk genoeg, want straffeloos eten zij de bezittingen van een ander op, van een man, wiens bleke botten wel al liggen te rotten in de regen op het land, of de golven rollen ze voort in de zee. Als zij die toch eens naar Ithaca teruggekeerd zouden zien allen zouden dan wel vuriger verlangen snel ter been te zijn dan rijk aan goud en kleding. Maar nu is hij zo dan een droeve dood gestorven, en voor ons rest geen troost, zelfs niet als iemand van de mensen op aarde zegt dat hij zal komen; nee, zijn dag van behouden terugkeer ging verloren.

Telemachus in gesprek met Mentes

I; 169-251
Maar kom, zeg me nu dit eens naar waarheid: Wie bent u en van welke vader? Waar ligt uw land en wonen uw ouders? En op wat voor schip bent u hier gekomen? Waarom brachten de scheepslieden u naar Ithaca? Wie zeiden zij te zijn? Want niet toch denk ik dat u te voet hier bent gekomen. Zeg me ook dit naar waarheid, want dat wil ik weten, of u hier voor het eerst komt of misschien ook bij mijn vader te gast was, want veel mannen kwamen naar ons huis, anderen, terwijl ook hij velen bezocht." En tot hem sprak dan de godin, Athena met de fonkelende ogen: "Dat zal ik je dan naar alle waarheid zeggen. Mentes, zoon van de schrandere Anchialus, mag ik me noemen en ik heers over de roeiriemminnende Taphiers. Maar nu ben ik dus met mijn schip en mijn mannen hier geland varend over de wijnkleurige zee naar mensen met vreemde talen, naar Temesa om brons op te halen, en mee voer ik fonkelend ijzer. Nu ligt mijn schip hier aan land, ver buiten de stad in de haven Rheitron, aan de voet van de bosrijke Neïon. En elkaars gastvrienden van vaderszijde beroemen wij ons erop te zijn van oudsher: ga maar vragen aan je grootvader, de edele Laertes, van wie men zegt dat hij niet meer naar de stad komt, maar ver weg op het land de kwelling van de ouderdom draagt met een oude dienares, die hem zijn voedsel en drank voor zet, als vermoeidheid zich meester maakt van zijn ledematen, wanneer hij zich voortsleept tegen de glooiing van de wijngaard. Maar nu dan ben ik gekomen omdat men zei dat hij weer in het land is, jouw vader; maar kennelijk hinderen hem de goden op zijn tocht. Want niet is, waar ook ter wereld, de stralende Odysseus gestorven, maar hij wordt vast, nog levend, vastgehouden op de wijde zee op een omspoeld eiland, en vast hebben boze mannen hem in hun macht, wilden, die hem, tegen zijn wil vasthouden. Maar nu zal ik je een voorspelling doen, zoals de onsterfelijken me dat ingeven en ik ook meen dat het uit zal komen, ook al ben ik geen waarzegger noch ken ik de vogeltekens goed. Niet lang meer zal hij ver van zijn vaderland zijn, zelfs niet als ijzeren boeien hem geketend houden; Hij zal wel bedenken hoe hij terug kan keren, want listenrijk is hij. Maar kom, zeg jij me dit nu ook naar waarheid, zoals ik het vraag, of je, zo groot al, werkelijk een zoon bent van Odysseus; Want sprekend lijk je qua gezicht en je mooie ogen, op hem, immers we gingen vaak met elkaar om, voordat hij de zee op voer naar Troje, waarheen ook de andere voortreffelijkste Grieken trokken op hun holle schepen; sindsdien zag ik niet Odysseus en hij ook niet mij". Tot haar sprak ten antwoord de verstandige Telemachus: "Dit zal ik u dan, mijn gast, precies vertellen. Moeder zegt dat ik van hem ben, maar ik, ik heb daar geen weet van, nog niemand is immers uit zichzelf achter zijn afkomst gekomen. Was ik toch maar de zoon van een gelukkig iemand, van een man die heel oud werd in het bezit van wat hij verwierf. Nu echter werd hij de ongelukkigste van de stervelingen, hij, van wie ik de zoon heet, dat vraagt u me immers". Maar tot hem sprak dan weer de godin Athena met de felle ogen, "Zeker niet maakten de goden je geslacht roemloos in de toekomst, nu Penelope jou als zo'n zoon voortbracht. Maar kom, vertel me dit eens en zeg het naar waarheid: Wat is dit voor een maaltijd, en wat voor een horde? Wat moet je hiermee? Is dit een feestmaal of bruiloft? Het ziet er niet uit als een botje-bij-botje; zo onfatsoenlijk en brutaal lijken ze mij toe overal hier in huis te schransen. Een normaal mens dat hier toevallig aan zou komen, zou wel verontwaardigd worden bij het zien van zoveel wangedrag". Tot haar sprak dan de verstandige Telemachus ten antwoord: "Gastvriend, het was beschoren dat dit huis eens rijk en imposant was, - hiernaar vraagt u immers en wilt daar meer over weten - zolang die man nog in het land was; maar nu beschikten de goden, met kwaad in de zin, kennelijk anders, daar zij hem spoorloos lieten verdwijnen, meer dan wie ook immers ik zou wel niet zo'n smart voelen zelfs als hij gestorven was, maar dan tussen zijn mannen gesneuveld in het land van Troje, of in de armen van zijn dierbaren, nadat hij de oorlog doorstaan had. Dan zouden voor hem de gezamenlijke Grieken een graf opgericht hebben, en zou hij voor zijn zoon grote roem verworven hebben voor de toekomst. Maar nu sleepten de Harpijen hem roemloos mee; en weg is hij, spoorloos, mij laat hij smarten na en gejammer. En niet alleen om hem klaag en zucht ik, want nu bezorgden de goden mij ook nog andere ellende: alle voornamen, immers, die macht hebben op de eilanden, op Dulichion en Same en het bosrijke Zacynthos, en allen die iets te betekenen hebben op het rotsachtige Ithaca, die willen allemaal met mijn moeder trouwen, en ruïneren mijn bezit. Zij echter wijst enerzijds zo'n verwerpelijk huwelijk niet af, maar kan er toch ook geen einde aan maken. En zij vreten feestend alles op, al wat ik heb om te leven. Binnenkort zullen ze ook mijzelf nog verslinden."

Athena geeft Telemachus advies

I; 252-323
En tot hem sprak, kwaad geworden, Pallas Athena: "O ellende, wat mis je Odysseus toch erg nu hij weg is, hij zou die vrijers wel eens aanpakken. Ach, dook hij nu eens op in de voorhof van zijn huis en stond hij hier eens met zijn helm en schild en zijn twee speren, zodanig, als ik hem voor het eerst zag terwijl hij in ons huis zat te drinken en zich amuseerde, vanuit Ephyre op weg van bij Ilus, de zoon van Mermerus - want ook daarheen ging Odysseus op zijn snelle schip op zoek naar dodelijk gif om, als hij het had, daarmee zijn bronsgepunte pijlen in te smeren; maar hij gaf het hem niet, want hij respecteerde de eeuwige goden, maar mijn vader gaf het hem, want hij was erg op hem gesteld - mocht Odysseus zo toch verschijnen onder de vrijers; allen zouden wel snel aan hun einde komen en een bittere bruiloft vieren! Maar, werkelijk, dat ligt besloten in de schoot der goden, of hij terug zal keren en zich wreken, of ook niet, hier in zijn paleis; maar jou spoor ik aan te bedenken, hoe je die vrijers uit je huis zult verjagen. Maar kom, luister nu en neem mijn woorden ter harte; roep morgen de dappere Grieken op ter vergadering, en geef allen je besluit te kennen, de goden zullen je getuigen zijn, geef te kennen dat de vrijers uiteen moeten gaan naar hun eigen huis, en, wat je moeder betreft, als ze wenst te trouwen, laat ze dan terugkeren naar het huis van haar zeer vermogende vader; die daar zullen het huwelijk regelen en bruidsgeschenken bepalen, zeer veel, zoveel als het past mee te geven aan een dierbare dochter. Maar jou zelf zal ik een deugdelijk advies geven, als je naar mij luistert: rust een schip, het deugdelijkste dat er is, uit met twintig roeiers, en ga erop uit om informatie in te winnen over je vader die al zo lang weg is. In de hoop dat iemand der stervelingen je iets over hem kan zeggen, of dat je een signaal krijgt van Zeus, die toch het meeste bericht brengt aan de mensen. Ga eerst naar Pylos en ondervraag de nobele Nestor, en ga vandaar naar Sparta naar de blonde Menelaus: die keerde toch als laatste van de Grieken met bronzen chiton terug. Als je nu een levensteken verneemt over je vader en hoop op zijn terugkeer, dan zul je het werkelijk nog wel een jaar uithouden, hoezeer ook gekweld, maar als je zijn dood moet vernemen en zijn verscheiden, keer dan terug naar je dierbare vaderland, richt een grafteken voor hem op en schenk daar dodengaven bij, heel veel, zoals past, en huwelijk je moeder uit aan een man. Maar wanneer je dat nu volbracht en gedaan hebt, overweeg dan grondig bij jezelf, hoe je de vrijers in je paleis zult uitroeien, hetzij met een list of openlijk geweld, want je hoeft je geen doetje te tonen, zo jong ben je toch ook niet meer. Heb je niet gehoord wat een reputatie de nobele Orestes verwierf bij alle mensen, toen hij de moordenaar van zijn vader doodde, de arglistige Aegisthus, omdat die zijn vermaarde vader ombracht? Ook jij, m'n beste, wees dapper, want ik zie dat je knap en fors bent, om een goede reputatie te krijgen, ook onder het nageslacht.Maar ik ga nu weer terug naar m'n snelle schip en m'n mannen, die wel met ongeduld op me wachten; maar neem jij mijn woorden ter harte en denk aan mijn adviezen". Tot haar sprak de verstandige Telemachus ten antwoord: "Gastvriend, werkelijk zeg je dit met vriendelijke bedoeling, als een vader tot zijn zoon, en nooit zal ik dat vergeten. Maar kom, blijf nog wat, ook al ben je gehaast, opdat je een bad neemt en naar hartelust tegoed doet en dan met een geschenk naar je schip gaat, van harte verheugd, een kostbaar, erg mooi, dat voor jou een kleinood zal zijn van mijn kant, zoals gastvrienden hun vrienden plegen te geven". Maar hem antwoordde daarop de godin, de felogige Athena: Houd me nu niet langer op, want ik moet echt gaan. Geef dat geschenk, wat je hart je aanspoort mij te geven, op mijn terugreis, dan neem ik het mee naar huis, en zorg dat je iets moois uitzoekt! Jou zal ik iets geven dat de ruil waard is". Na deze woorden verdween Athena met de heldere ogen, en als een vogel vloog ze weg door het rookgat; maar bij hem had ze moed en durf ingebracht, en zij deed hem denken aan zijn vader, meer nog dan tevoren, en toen hij zich dit realiseerde, nam verbazing bezit van hem; hij begon te vermoeden dat het hier om een god ging.

Confrontatie tussen Telemachus en de vrijers

I; 324-424
En meteen ging de godgelijkende man af op de vrijers. Voor hen zong een wijdvermaarde zanger, en zij zaten zwijgend te luisteren. Hij bezong de terugkeer van de Grieken, die treurige, zoals Pallas Athena die hen vanuit Troje had toebedeeld. Maar vanaf boven hoorde het heerlijke gezang de dochter van Icarius, de zeer verstandige Penelope; en zij daalde de hoge trap af vanuit haar vertrek, niet alleen, want twee dienaressen vergezelden haar. Toen, nu, de voortreffelijke vrouw de vrijers bereikte, bleef zij dan staan naast de deurpost van de stevig gebouwde zaal, en voor haar wangen hield zij een glanzende sluier en aan weerskanten stelde zich een zorgzame dienares bij haar op. En onder tranen sprak zij daarop tot de goddelijke zanger: "Phemius, jij kent toch veel anders dat de mensen betovert, daden van mensen en goden, zoals zangers die plegen te verheerlijken; zing daar wat van voor hen, gezeten in hun midden, en laten zij in stilte wijn drinken; maar hou op met dat lied, dat smartelijke, dat mij altijd het hart in de borst kwelt, immers mij trof het meest een leed dat niet slijt. Want een zodanig man mis ik, met steeds de herinnering, mijn man, wiens roem wijdverbreid is overal in Griekenland". Maar haar antwoordde dan de verstandige Telemachus: "Moedertjelief, waarom keur je toch af dat deze gedienstige zanger voor verstrooiing zorgt zoals zijn geest het hem ingeeft? Niet toch zijn de zangers de schuldigen, maar Zeus, dunkt me, zit hier achter, die schenkt aan elk van de graanetende mensen, wat hij wil. Maar hem treft geen blaam dat hij het ongeluk van de Grieken bezingt, want lied juichen de mensen het meest toe dat de luisteraars als het meest actuele in de oren klinkt. Maar bij u moet het hart en gemoed erin berusten het te horen: niet Odysseus alleen immers verloor de dag van de terugkeer in het Trojaanse, maar ook vele andere helden kwamen om. Nee, ga naar uw kamer en houd u aan uw eigen werk, het weefgetouw en het spinrokken, en draag uw dienaressen op hun werk te doen; maar het woord moet de mannen aangaan, allen, maar mij het meest, want ik heb het hier in huis voor het zeggen". Zij nu was al weer weg naar haar kamer, verbluft, Want de vermaning van haar zoon had ze ter harte genomen. En in haar bovenvertrek gekomen met haar dienaressen weende zij klagend om haar man Odysseus, totdat de uilogige Athena een aangename slaap op haar oogleden legde. Maar de vrijers rumoerden in het schaduwrijke paleis want allen greep het verlangen aan zich bij haar in bed te leggen. Maar onder hen begon de verstandige Telemachus te spreken: "Overmoedige, arrogante jagers op mijn moeder, laten we nu met plezier eten, weg met geschreeuw, want dat is toch prettig: te luisteren naar zo'n zanger als deze hier is, de goden gelijkend in stemgeluid. Maar laten we in de ochtend allen ter vergadering gaan en ons neerzetten, opdat ik jullie onomwonden mijn mening duidelijk maak, mijn huis te verlaten: richt maar eens andere maaltijden aan, jullie eigen bezittingen etend, afwisselend bij de een en de ander. Maar als jullie dit beter en voortreffelijker dunkt: van één man voor niets het bezit er maar door te jagen, bras dan maar voort; maar ik ga de eeuwige goden te hulp roepen, om te zien of Zeus wellicht vergelding schenkt; Ongewroken zullen jullie dan wel omkomen hier in huis". Zo sprak hij, en zij zetten de tanden in hun lippen, en verwonderden zich over Telemachus, dat hij zo onverschrokken sprak. En tot hem sprak dan Antinous, de zoon van Eupeites: "Telemachus, waarachtig, de goden zelf leren je zeker een hoge toon aan te slaan en onverschrokken te spreken; hopelijk zal Cronos' zoon jou niet vorst maken op het eiland Ithaca, wat toch door je afkomst jouw erfgoed is". Maar hem gaf de verstandige Telemachus weer ten antwoord: "Antinous, je zult wel verontwaardigd zijn om wat ik ga zeggen, maar dat zal ik toch willen verwerven, als Zeus het me gunt. Denk je soms dat dit het slechtste is bij de mensen? Nou, vorst zijn is zo kwaad nog niet; al gauw is zijn huis een en al pracht en zelf staat hij hoger in ere. Maar, waarachtig, vorsten zijn ook vele anderen onder de Grieken op Ithaca met de zee rondom, jonge en oude, van hen zal wel iemand dit krijgen, wanneer de stralende Odysseus gestorven is; maar ik zal in ieder geval de baas zijn over ons huis en de slaven, die de stralende Odysseus voor mij buitgemaakt heeft". Van zijn kant sprak Eurymachus, Polybus' zoon hem ten antwoord: Telemachus, werkelijk, dat ligt toch in de schoot der goden verborgen, wie er op Ithaca, omspoeld door de zee, koning over de Grieken zal zijn, maar moge jij zelf je bezittingen houden en baas zijn in eigen huis. Het is niet te hopen dat er iemand zal komen die jou, tegen je wil, met geweld je bezit zal ontroven, zolang Ithaca nog bewoond wordt. Maar ik wil jou, beste jongen, vragen over die gast, vanwaar kwam die man, en uit welk land beweert hij afkomstig te zijn, waar ligt zijn herkomst en vaderland? Bracht hij een boodschap over je vader, dat die op komst is, of kwam hij hier voor een persoonlijke aangelegenheid? Wat was hij opeens vlug weg, zonder nog een nadere kennismaking af te wachten; in zijn uiterlijk leek hij toch echt niet van lage komaf". en tot hem dan antwoordde de verstandige Telemachus: “Eurymachus, vast en zeker ging de thuiskomst van mijn vader verloren; noch geloof ik nog langer een boodschap, vanwaar die ook komt, noch trek ik me een voorspelling aan, zoals mijn moeder ontfutselt aan een waarzegger die ze ontbiedt naar het paleis. Nee, die man is een gastvriend van mijn vader uit Taphos, Mentes, zoon van de schrandere Anchialus, beweert hij te zijn, hij heerst over de roeiriemminnende Taphiers". Zo sprak Telemachus, hoewel hij wist dat het een onsterfelijke godin was.
I; 425-444
En zij keerden weer terug naar de dans en de lieflijke zang en amuseerden zich, en zij wachtten de komst af van de avond. En tijdens hun vermaak brak de donkere avond aan; toen dan gingen zij slapen, ieder in een eigen vertrek. Maar Telemachus ging daar naar bed, waar zijn slaapkamer, hoog, gebouwd was op een rondom beschutte plaats in de prachtige hof, daar ging hij heen, terwijl hij veel in zijn geest overwoog. En ter begeleiding droeg voor hem flakkerende flambouwen de zorgzame Euryclia, dochter van Ops, de zoon van Pisenor, die Laertes ooit had gekocht uit zijn vermogen toen zij nog jong was, en hij gaf een prijs van twintig runderen, en hij eerde haar als een zorgzame echtgenote in zijn paleis, maar nooit vrijde hij met haar, want hij vermeed de toorn van zijn vrouw; zij dus droeg voor hem brandende fakkels, en het meest van alle dienaressen was zij gesteld op hem en zij voedde hem toen hij nog klein was. Hij opende de deuren van zijn stevig gemaakte kamer en ging zitten op bed, en hij trok zijn zachte chiton uit en gaf die in handen van de verstandige oude vrouw. Zij nu vouwde hem op, na hem gladgestreken te hebben, de chiton, en hing hem op aan een houten pen naast het bed met de gaten en ging toen weg uit zijn kamer, de deur trok ze dicht aan een haak van zilver, en zij trok de grendel ervoor met een riempje. Daar lag hij heel de nacht, bedekt door een wollen deken en overdacht in zijn geest de tocht die Athena hem had aangeduid.

02. Raad op Ithaca

Telemachus in de vergadering

2; 1-81
Toen nu de vroeggeboren, rozevingerige Dageraad aanbrak, stond de zoon van Odysseus op van zijn bed en kleedde zich aan, om zijn schouder hing hij zijn scherpe zwaard; aan zijn glanzende voeten bond hij zijn mooie sandalen, en op weg ging hij uit zijn kamer, een god gelijkend om te zien. Snel gaf hij de herauten met hun heldere stem opdracht de langharige Grieken op te roepen ter vergadering. Zij nu riepen het rond en al snel verzamelde men zich. Toen zij bijeenkwamen en voltallig waren, ging hij op weg, - in zijn hand hield hij een bronzen lans, - niet alleen, hem vergezelden zijn twee snelle honden. En Athena goot over hem goddelijke aantrekkelijkheid uit; alle mannen keken naar hem met ontzag zoals hij daar aan kwam; en hij zette zich neer in de zetel van zijn vader, de oudsten schikten in. En onder hen nam vervolgens de edele Aegyptius het woord, die gebogen was door zijn ouderdom en zeer wijs. Zijn zoon nu ging samen met de godgelijke Odysseus op de holle schepen naar Troje, beroemd om zijn paarden, de lansvechter Antiphus; maar de woeste Cycloop bereidde in zijn gewelfde grot hem als laatste voor zijn maaltijd. Nog drie andere zoons had Aegyptius, één bevond zich onder de vrijers, Eurynomus, de twee anderen beheerden het vaderlijke landgoed. Toch kon hij die ene niet vergeten, jammerend en treurend. Met 'n traan in zijn ogen om hem nam hij het woord in hun midden: "Luister naar mij, Ithacezen, wat ik ga zeggen, nooit vond er een vergadering van ons plaats noch een bijeenkomst sedert de stralende Odysseus vertrok op de holle schepen. Maar wie heeft deze vergadering belegd? Waarom had iemand der jongeren, volwassenen of ouderen daaraan zo'n behoefte? Vernam hij soms enig nieuws van het leger, dat het eraan komt, waarover hij ons nader wil inlichten, als hij het al eerder vernam? Of wil hij iets anders van algemeen belang meedelen of bespreken? Voortreffelijk schijnt hij me toe, gezegend. Moge Zeus hem de voorspoed brengen, die hij in gedachten vervult wenst". Zo sprak hij, en de zoon van Odysseus verheugde zich over die uitspraak, en niet lang meer bleef hij nog zitten, want hij wilde zich graag uitspreken, en hij ging midden in de bijeenkomst staan en de heraut Pisenor, een man van ervaring, stelde hem de scepter ter hand. Eerst richtte hij zich tot de grijsaard en sprak tot hem: "Man van aanzien, niet ver weg is die man, direct zul je dat zelf weten, ík riep het volk bijeen, want hevig word ik gekweld. Nee, geen tijding over de komst van het leger vernam ik, die ik jullie zou kunnen berichten, het eerder zelf vernomen hebbend, en ook niets anders van algemeen belang heb ik te melden of te bespreken, alleen mijn eigen nood, namelijk dat een ramp over mijn huis kwam, tweeerlei: eerstens verloor ik mijn respectabele vader, die ooit over jullie hier koning was en als een vader zo vriendelijk; maar nu ook nog een grotere ramp die al gauw mijn hele huis zal vernietigen, volkomen ruïneren, en mijn onderhoud geheel zal verslinden. Vrijers dringen zich tegen haar wens op aan mijn moeder, de zoons van diegenen die hier de aanzienlijksten zijn; die ervoor terugschrikken naar het huis van haar vader te gaan, Icarius, zodat hijzelf zijn dochter kan uithuwelijken en schenken aan wie hij dat wil en aan wie bij haar in de smaak valt. Maar zij komen iedere dag naar ons huis en slachten dan runderen en schapen en vette geiten, feestmalen richten zij aan en slempen fonkelende wijn, spilziek: het raakt al grotendeels op. Er is namelijk niemand zoals Odysseus - om deze vloek van ons huis af te weren. Wij zijn nu niet in staat tot verdediging, zelfs ook later zullen we te zwak blijken en onervaren in afweer. Maar zeker zou ik van me afslaan als ik voldoende vermocht, want niet zijn die daden nog dragelijk en het is niet mooi meer zoals mijn huis verwordt tot een puinhoop. Ook uzelf moet zich ergeren en u schamen voor anderen, mensen die hier in de buurt om ons heen wonen; vrees minstens de toorn van de goden, dat die, verbijsterd over die wandaden, de straf op u verhalen. Ik smeek u bij de Olympier Zeus en ook Themis, die de vergaderingen der mannen ontbindt en belegt: houdt op, vrienden, en laat me alleen in mijn smartelijk verdriet verkommeren, tenzij misschien mijn respectabele vader Odysseus de goedgescheenweerde Achaïers kwaadgezind onrecht aandeed, waarvoor dan ook jullie kwaadgezind mij voor straf slecht behandelen, door hen op te stoken. Voor mij zou het dan beter zijn dat jullie mijn bezittingen opmaakten en mijn vee. Want als jullie dat zouden eten, dan zou er wel gauw een vereffening zijn: wij zouden dan zo lang overal in de stad aandringen op voldoening in geld, totdat alles voldaan was. Maar nu vervult ge mijn hart met ongeneeslijke smarten". Zo sprak hij in woede en tegen de grond smeet hij de scepter, uitbarstend in tranen; en medelijden greep heel het volk aan.

Antinous beschuldigt Penelope

2; 82-128
Toen bleven allen stil en niemand durfde Telemachus met harde woorden te antwoorden. Alleen Antinous gaf hem het volgende antwoord: "Onverdraaglijke Telemachus, even dimmen hè, wat is dit voor laster, waarmee je ons te schande maakt; je wilt ons zeker bekladden. Jou leggen de pretendenten der Grieken niets in de weg, nee, dat doet jouw moeder, die koppig haar gang gaat volgens een eigen agenda; want er zijn nu al drie jaar voorbij, en al gauw zullen het er vier zijn, sinds zij maling heeft aan de gevoelens der Grieken. Allen houdt ze aan het lijntje en ieder afzonderlijk spiegelt zij wat voor, met hoopgevende verzinsels, maar in feite wil ze een heel andere kant op. Zo broedde ze in haar brein dit dwarse plannetje uit: ze zette een groot weefsel op in haar huis, en zij maar weven! Iets subtiels en buiten proporties, en ons hield zij voor: "Mannen, pretendenten naar mij, nu de edele Odysseus gestorven blijkt, bedwing uw verlangen naar een huwelijk met mij totdat ik dit kledingstuk voltooid heb en ik niet tevergeefs mijn schering heb opgezet, een lijkwade voor de gevierde Laertes, voor als hem het meedogenloze lot van de smartelijke dood achterhaalt, opdat niemand hier van de Grieksen aanstoot aan mij neemt, als hij die zoveel verworven heeft, zonder doodskleed terneerligt". Dat waren haar woorden en ons fiere hart liet zich overhalen. Vanaf toen weefde ze steeds overdag aan een groot weefsel, maar 's nachts haalde ze het ook weer uit, bij het licht van fakkels. Zo misleidde ze de Grieken met bedrieglijke praat; maar toen het vierde jaar was gekomen en de lente weer aanbrak, toen dan vertelde het een van de vrouwen die goed op de hoogte was, en inderdaad betrapten wij haar bij het uithalen van het prachtige weefsel. Zo kwam het dat ze het onder dwang moest afmaken tegen haar zin. Maar jou geven wij pretendenten ten antwoord, knoop jij dat goed in je oren, en laten alle Grieken het weten: zend je moeder terug naar haar huis en spoor haar aan om te trouwen met hem die haar vader uitkiest en die zij ook zelf wenst. Maar wee als ze nog lang de zonen der Grieken frustreert, haar zinnen zettend op dat waarin Athena haar bij uitstek begiftigt: in staat te zijn tot prachtige werkstukken en edele gedachten en listen, zoals wij nog niet vernamen, ook niet van vroegere, van Griekse vrouwen met schone vlechten die vroeger leefden, een Tyro en een Alcmene en Mycene met haar mooie diadeem, geen enkele van hen was zo listig als Penelope; maar zij gebruikte haar gave op ongepaste manier. Zo zal men zó lang jouw voedsel en bezit blijven opmaken, zolang als zij die instelling heeft, die de goden nu aan haar toestaan: veel faam zal ze zelf zich verwerven, maar voor jou slechts verlies van veel rijkdom. En wij zullen niet eerder teruggaan naar ons landgoed of elders voordat zij een huwelijk sluit met wie van de Grieken zij wil".

De reactie van Telemachus. Een voorteken

2; 129-156
Hem nu sprak de beleefde Telemachus ten antwoord: "Antinous, onmogelijk is het om haar die mij baarde en grootbracht tegen haar wens uit huis te verdrijven, nu mijn vader ver weg is, levend of dood. En een ramp is het dat ik veel genoegdoening moet geven aan Icarius, als ik zelf uit eigen beweging mijn moeder terugstuur. Want van de kant van haar vader moet ik het bezuren en een godheid zal dat nog verergeren, wanneer mijn moeder de haat van de wraakgodin oproept, wanneer ze het huis gaat verlaten. Ook van de kant van de mensen zal ik te schande staan: nee, zo'n advies komt nooit over mijn lippen. Maar als jullie nog een greintje respect kunnen opbrengen, verlaat dan mijn huis en houdt jullie maaltijden elders jullie eigen vermogen verterend, afwisselend bij de een en de ander. Maar als jullie dit beter en voortreffelijker dunkt: van één man voor niets het bezit er maar door te jagen, bras dan maar voort; maar ik ga de eeuwige goden te hulp roepen, om te zien of Zeus wellicht vergelding schenkt; Ongewroken zullen jullie dan wel omkomen in mijn huis". Zo sprak Telemachus, en voor hem zond Zeus een tweetal adelaars hoog van de top van een berg neer in een vlucht. En een tijdje vlogen zij voort op de adem van de wind, dicht bij elkaar, balancerend op hun vleugels, maar toen zij het midden van de luidruchtige bijeenkomst bereikten, draaiden zij rond en klapwiekten met hun machtige vleugels, en keken zij neer op de hoofden van allen met verderf in hun ogen, en zij reten zich met hun klauwen de wangen en nekken rondom open en vlogen naar rechts tussen de huizen door van hun stad. En toen ze hen met eigen ogen zagen, verstomden ze wegens de vogels, en ze vroegen zich af wat er stond te gebeuren.
2; 157-176
Onder hen nam het woord Halitherses, de edele grijsaard, Mastor’s zoon, die boven zijn tijdgenoten uitstak in kennis van tekens van vogels en die passend te duiden; hij nam, hen welgezind, het woord in de vergadering en sprak: "Hoort, Ithacezen, van mij wat ik te zeggen heb: en ik zeg dit met name me richtend tot de vrijers: want een groot leed golft op hen af: niet lang immers zal nog Odysseus ver van zijn dierbaren blijven; hij is wel al in de buurt en beraamt dood en verderf voor allen hier aanwezig; een ramp zal hij betekenen voor ook veel anderen van ons, die het van ver zichtbaar Ithaca bewonen. Maar laten wij veeleer overleg plegen om het tegen te houden. En zíj moeten ophouden, want dat is in ieder geval het beste voor hen. Ik duid waarlijk niet zonder ervaring, maar met kennis van zaken, want ook, dunkt me, is hem alles overkomen, zoals ik het hem voorzegde, toen de Grieken scheep gingen naar Troje, en de listige Odysseus met hen meeging. Ik zei hem namelijk dat hij, na veel ellende geleden te hebben en na verlies van al zijn mannen, niet herkend door eenieder, pas in het twintigste jaar thuis zou komen: dat alles gaat nu in vervulling".
2; 177-207
Eurymachus, zoon van Polybus, sprak daarop ten antwoord: "Kom, ouwe, ga maar naar huis en bewaar je voorspelkunst voor je kinderen, opdat die in de toekomst geen kwaad overkomt; Veel beter dan jou ga ik die tekens nu duiden: het wemelt van de vogels in de stralende zon, maar niet allemaal hebben ze betekenis. Nee, Odysseus kwam om in Verweggistan, zoals ook jij met hem had mogen creperen. Dan zou jij niet zoveel godsspraken uitkramen, en Telemachus, die toch al zo boos doet, nog opjuinen, in de hoop dat hij jouw huis een geschenk zal geven. Maar ik zal je ronduit zeggen zoals het ook zal gaan, als jij als een man met ervaring een jongetje bepraat en aanzet tot boosaardige prietpraat, dan zal het vooreerst voor zichzelf onprettiger worden, en zal hij hierom helemaal niets meer uit kunnen voeren, en jou, ouwe, zullen wij pakken zodat het je lang nog zal herinneren: je zal op de blaren moeten zitten. Persoonlijk raad ik Telemachus openlijk nog eens aan zijn moeder ertoe te pressen naar het huis van haar vader terug te gaan. Zij zullen haar huwelijk arrangeren en een bruidschat gereed maken heel veel, zoals het past mee te geven aan een dierbare dochter. Want niet denk ik dat de zonen der Grieken hun gehate vrijage zullen staken, want wij zijn echt bang voor niemand, en zeker niet voor Telemachus, al heeft hij nog zoveel praatjes, ook orakels kunnen ons niets schelen, zoals jij, ouwe, die loos en leeg rondstrooit en waardoor jij je nog meer gehaat maakt. Vermogens worden straffeloos verbrast en genoegdoening, ho maar, zolang mevrouw de Achaïers voor de gek houdt over haar huwelijk en wij maar dag in dag uit in afwachting ons uitsloven om haar deugdzaamheid, zonder ons tot andere vrouwen te wenden, die een ieder van ons net zo goed past te huwen".

Telemachus vraagt om een schip

2; 208-223
En hem ten antwoord sprak weer de beleefde Telemachus: "Eurymachus en alle andere trotse vrijers, dat verzoek doe ik jullie niet meer en ik heb het er ook niet meer over, want dat weten tenslotte de goden en alle Grieken nu wel. Maar iets anders: geef mij een snel schip met aan boord twintig man, die mij heen en terug kunnen voeren. Want ik ga naar Sparta en het zandige Pylos om informatie over mijn vader die al zo lang weg is; misschien dat mij 'n sterveling iets kan vertellen, of anders ik van Zeus kant een stem opvang, die de mensen het meest duidelijk bericht brengt; en als ik een levensteken verneem van mijn vader en zijn terugkeer, heus, dan zal ik het nog wel een jaar uithouden, ook al heb ik het moeilijk; maar als ik verneem van zijn dood en dat hij niet meer in leven is, dan kom ik weer terug naar mijn vaderland en richt ik een grafteken voor hem op en breng er grafgeschenken heen, heel veel, zoals het past, en uithuwelijken zal ik mijn moeder".
2; 224-240
Na deze woorden ging hij weer zitten, maar in de vergadering stond Mentor op, een vriend van de geliefde Odysseus, en hem vertrouwde hij bij zijn vertrek heel zijn huis toe, hij de adviezen van zijn vader opvolgen en alles goed beheren; die nu nam, hen goedgezind, het woord in de vergadering en sprak: "Aanhoor Ithacezen, wat ik u te zeggen heb: laat maar een scepterdragende koning niet meer edelmoedig en vriendelijk zijn maar altijd grimmig en een tiran; kijk maar hoe niemand nog de nobele Odysseus indachtig is van het volk, waarvoor hij koning was en als een vader zo vriendelijk. Niettemin misgun ik het de trotse vrijers niet dat zij amok maken met hun misdragingen, want zij riskeren hun leven door zo gewelddadig het vermogen van Odysseus erdoor te jagen, in wiens terugkeer zij niet meer geloven. Nee, nu erger ik mij aan de rest van het volk, zoals dat hier zwijgend neerzit en er geen woorden aan vuil maakt om dat handenvol vrijers tot inkeer te brengen, terwijl jullie met zoveel bent".
2; 241-259
Tot hem nu sprak Evenor’s zoon Liocritus ten antwoord: "Hatelijke Mentor, waanzinnige, wat zijn dat voor woorden om op te hitsen ons een halt toe te roepen. Het is een hele klus tegen kerels te vechten om een maaltijd, zeker als het er meer zijn. Zelfs als Odysseus van Ithaca zelf zou komen opdagen tijdens de maaltijd van ons fiere vrijers in zijn huis, en ons nog zo graag het huis uit zou drijven, dan nog zou zijn vrouw, hoe erg ze hem ook mist, aan zijn komst weinig vreugde beleven, nee, ter plekke zou hij smadelijk sterven, als hij tegen een overmacht zou strijden. Dit is onbehoorlijke taal van jou. Maar komaan, laat het volk weer ieder naar zijn plicht gaan, en voor hem zullen Mentor en Halitherses de reis voorbereiden, als vrienden van zijn vader van oudsher. Maar ik denk zo dat hij nog heel lang hier in Ithaca informatie in zal winnen, en die reis zal hij wel nooit maken". Zo sprak hij nu en sloot de vergadering, die snel uiteenging: de mensen verspreidden zich, ieder naar zijn huis, maar de vrijers trokken weer het paleis van de nobele Odysseus in.

Athena belooft Telemachus hulp

2; 260-298
Telemachus liep ver weg naar het strand van de zee, waste zich de handen in de grauwgrijze zee en bad tot Athena: "Sla acht op mij, gij die gisteren als een godheid naar ons huis kwam en mij adviseerde per schip de nevelige zee op te gaan om informatie in te gaan winnen over mijn vader, die al zo lang weg is; en intussen dwarsbomen de Grieken mij in alles, maar het meest wel de vrijers met hun walgelijk brallerig gedrag. Zo was zijn gebed, en uit de nabijheid benaderde hem Athena, in de gedaante van Mentor qua uiterlijk en stemgeluid, en met stemverheffing sprak zij de treffende woorden tot hem: "Telemachus, niet zul je ooit laf of een leeghoofd zijn, waar toch de nobele kracht van je vader jou meegegeven is; zoals hij woord en daad wist te volbrengen zal jouw tocht niet vergeefs zijn of nutteloos. Maar als jouw herkomst niet bij hem ligt en Penelope, dan verwacht ik niet dat jij zult volbrengen wat je verlangt. Want, werkelijk, slechts weinig zonen halen het niveau van hun vader, de meesten doen voor hem onder, en maar enkelen overtreffen hem. Maar omdat je noch laf noch een leeghoofd zult zijn, en vast niet de schranderheid van Odysseus aan jou is voorbijgegaan, valt het te verwachten dat jij deze onderneming tot een goed einde brengt. Zet daarom de plannen en toeleg van de vrijers uit je hoofd, die dwazen, leeghoofden toch en verkrachters van recht; zij hebben geen besef van hun dood en het sombere lot dat hen wacht: op één dag allemaal vallen! Maar voor jou zal de tocht, waar je zo naar verlangt, niet ver weg zijn. Een dusdanige vriend van je vader zal ik me betonen, dat ik je een snelvarend schip zal bezorgen en zelf met je meega. Ga jij nu echter naar huis en meng je onder de vrijers, Maak proviand klaar en pak alles goed in in vaten, en wijn in kruiken, en meel, voedzaam voor mannen, in stevige zakken. En ik zal onder het volk snel mannen verzamelen, vrijwilligers. Veel schepen liggen hier op Ithaca, door zee omgeven, nieuwe en oude, de beste daarvan zal ik voor je uitzoeken, en als we dat snel opgetuigd hebben zullen we het de ruime zee in trekken". Aldus Athena, dochter van Zeus. En niet lang meer bleef Telemachus dralen, want hij herkende de stem van de godheid.

Telemachus en Antinous

2; 299-308
Telemachus ging nu naar huis, somber gestemd, en natuurlijk trof hij de overmoedige vrijers in zijn paleis, bezig geiten te slachten vetgemeste zwijnen te zengen in de voorhof. En Antinous schoot in de lach en kwam recht op Telemachus af en hij pakte zijn hand vast en zei letterlijk: "Praatjesmakende Telemachus, heethoofd, nou niet meer van die boosaardige daden en taal meer uitbroeden, nee, kom nou gezellig eten en drinken, net als voorheen. De rest zullen de Grieken wel allemaal voor je regelen, een schip en uitstekende roeiers, zodat je al vlug het heilige Pylos bereikt, voor nieuws over je edele vader".
2; 309-321
Maar de verstandige Telemachus gaf hem ten antwoord: "Antinous, het is voor mij onmogelijk om tussen vlegels als jullie rustig te eten en onbekommerd vrolijk te zijn. Is het niet voldoende dat jullie voorheen, toen ik nog een jochie was, mijn grote, respectabel vermogen verbrasten, stelletje klaplopers! Maar nu ik groot ben en ook van anderen advies krijg, en mijn moed in mijn borst toeneemt, nu wil ik wel eens proberen op jullie wat ellende af te sturen, hetzij door naar Pylos te gaan, hetzij bij het volk hier. Ik zal gaan op het schip van een ander - en die reis waarover ik het heb zal zeker niet tevergeefs zijn - want van jou heb ik schip noch roeiers te verwachten: dat leek jullie kennelijk maar beter".
2; 322-336
Dat zei hij en rukte meteen zijn hand los uit de greep van Antinous; maar de vrijers bleven in huis in de weer met het eten. Wel staken zij de draak met hem en smaalden met woorden. Maar als volgt sprak menigeen van de pas gearriveerde bruten: "Nou, die Telemachus zint echt wel op moord op ons. Hetzij door helpers uit het zandige Pylos hierheen te brengen, hetzij vanuit Sparta, want hij staat nu wel te popelen, Misschien wil hij ook wel naar Ephyra gaan, dat vruchtbare land, om vandaar giftig spul binnen te loodsen en in een mengvat te strooien en zo ons allen om zeep te helpen!" Maar een ander van de jonge tafelschuimers zei dan weer: "Ach, wie weet, komt hij zelf nog om op dat holle schip, ver van zijn dierbaren verdwaald, net als Odysseus; Dat zou ons nog heel wat extra moeite bezorgen: al zijn bezittingen verdelen en het huis afstaan aan zijn moeder en aan wie zij dan huwt".

Telemachus en Euryclia treffen voorbereidingen

2; 337-360
Zo spraken zij, maar Telemachus daalde af naar de kelder van zijn vader, hoog en ruim, waar goud lag opgestapeld en koper, en kleding in kisten en royaal welriekende olijfolie, en daar stonden kruiken oude wijn, zoet om te drinken, op een rij tegen de wand met de onvermengde goddelijke drank, voor het geval dat Odysseus zou terugkeren naar huis na veel ellende doorstaan te hebben. Dubbele vleugeldeuren ernaartoe zaten op slot, naadloos sluitend, en daarbij hield een vrouw, de huishoudster, dag en nacht toezicht die alles controleerde met oog voor detail in haar scherpe geest, Euryclia, dochter van Ops, de zoon van Pisenor. Haar ontbood toen naar die kamer Telemachus en sprak tot haar: "Moeke, kom, schep me wat zoete wijn in de kruiken, de lekkerste die je beheert afgezien van die je op het oog hebt voor hem, ongelukkige, als hij ooit opduikt, de edele Odysseus, ontsnapt aan dood en verderf. Vul er twaalf en sluit ze allemaal goed af met een stop. Giet ook meel uit in stevig gemaakte leren zakken; het moeten twintig zakken fijngemalen gerstemeel worden. Praat er met niemand anders over maar zorg dat alles klaar staat, want vanavond kom ik het ophalen, wanneer mijn moeder naar boven gaat en van plan is te gaan slapen. Want ik ga naar Sparta en het zandige Pylos om inlichtingen in te winnen over de terugkomst van mijn vader, hopelijk hoor ik iets".
2; 361-370
Dat zei hij, maar zijn voedster Euryclia begon te jammeren, en snikkend sprak zij tot hem de treffende woorden: "Waarom toch, mijn kind, vatte je dit plan op? Hoe wil je gaan over zoveel land, onze geliefde enige zoon? Ergens ver weg kwam je vader al om de edele Odysseus in een onbekend land. Die lui hier zullen meteen als je weggaat rampen voor je beramen om je listiglijk uit de weg te ruimen, en de zaak hier zullen ze verdelen. Blijf toch hier en pas op je boel; je zit er toch niet om te springen op de onmetelijke zee rond te dolen in ontberingen".
2; 371-381
En tot haar sprak Telemachus vriendelijk ten antwoord: "Vat moed, moeke, heus, dit plan staat onder de zegen van een godheid, maar zweer me dit niet aan mijn moeder te vertellen, voordat er zo'n dag of elf, twaalf verstreken zijn, tenzij ze zelf mij mist en hoort dat ik vertrokken ben, opdat zij niet door te huilen haar mooie huid bederft". Zo dan sprak hij, en het oudje zwoer een dure eed bij de goden. Maar toen zij gezworen had en die eed had uitgesproken, schepte ze meteen voor hem wijn in de kruiken, en goot hem gerstemeel in stevig genaaide zakken. Telemachus ging het huis in en mengde zich onder de vrijers.

Telemachus vertrekt naar Pylos

2; 382-434
Toen dan bedacht de godin, de helderogige Athena, anders. In de gedaante van Telemachus ging ze overal rond door de stad, en benaderde iedereen afzonderlijk en maakte afspraken en drong erop aan om 's avonds naar het snelvarende schip toe te komen. En zij vroeg Noemon, de vermaarde zoon van Phronius, om een snel schip; en hij beloofde dat welwillend. En de zon ging onder en alle straten werden in duister gehuld. Toen dan trok ze het snelle schip de zee in, en alle tuigage bracht ze aan, dat goed uitgebalanceerde schepen aan boord plegen te hebben. Ze legde het vast aan de punt van de haven, en de onmisbare mannen kwamen bijeen, de godin gaf ieder zijn opdracht. Toen bedacht de godin, de felogige Athena, weer anders en ging op weg naar het huis van de nobele Odysseus; daar strooide ze over de vrijers een zoete slaap uit, zij trof hen onder het drinken, en de bekers glipten uit hun handen. Niet lang meer bleven zij toen zitten maar stonden op om in de stad te gaan slapen, omdat de slaap op hun oogleden drukte. Maar Telemachus riep de helderogige Athena naar buiten, het stevig gebouwde paleis uit en sprak tot hem met het uiterlijk en de stem van Mentor: "Telemachus, je krijgshaftige mannen zitten al aan de riemen en zij wachten jouw teken af, laten wij dus gaan en de tocht niet langer uitstellen". Met stemverheffing sprak zij zo, Pallas Athena, en ging hem snel voor, en hij volgde de godin in haar voetspoor. Toen zij nu bij het schip aankwamen en de zee, troffen ze op het strand de langharige mannen. Onder hen nam de krachtige Telemachus het woord: "Kom, vrienden, om het voedsel te halen; alles staat al klaar in het paleis. Maar mijn moeder weet van niets, en ook geen anderen, dienaressen, alleen één heeft ervan gehoord". Dat zei hij luid en ging hen voor, en zij liepen met hem mee. Zij nu brachten alles aan boord van het schip met goede roeibanken en ruimden het in zoals de zoon van Odysseus dat aangaf. Aan boord ging dan Telemachus, Athena ging hem voor en nam plaats op de achtersteven, en bij haar nam Telemachus plaats. De mannen gooiden de achtertrossen los en gingen ook zelf scheep en namen plaats bij de dollen. En de felogige Athena zond hen een gunstige wind, een stevige westenwind, ruisend over de wijnkleurige zee. Dus beval Telemachus zijn mannen dringend de tuigage aan te pakken; en zij gaven gehoor aan zijn opdracht. Zij zetten de pijnhouten mast overeind en plaatsten hem in het mastgat, met de stagen zetten ze hem vast, en zij hesen het witte zeil met goedgedraaide riemen van leer. De wind blies midden in het zeil, en de deinende golving bruiste luid om de steven van het snelvarende schip, dat gleed over de golven terwijl het zijn weg aflegde. En toen zij alle tuigage vastgezet hadden op het snelle, donkere schip, zetten zij mengvaten neer en vulden ze boordevol wijn, en zij plengden voor de onsterfelijke, eeuwige goden, maar van allen het meest aan de grijsogige dochter van Zeus. De hele nacht nu en tijdens de dageraad voer het voort.

03. Telemachus en Nestor

Telemachus' aankomst in Pylos

2; 1-30
De zon liet de wondermooie zee achter en ging op naar de hemel, solide als brons, om te schijnen voor de onsterfelijken en ook voor de sterfelijke mensen op de graanschenkende akkers. - Zij nu bereikten Pylos, de welgebouwde stad van Neleus, de bewoners ervan waren offers aan het brengen op het strand van de zee, gitzwarte stieren, voor de donkerharige aardschudder. Negen tribunes waren er, en op elk zaten vijfhonderd man, en die hadden steeds negen stieren voor zich. Na het eten van de ingewanden brandden zij de schenkels voor de godheid. - Zij nu voeren rechtstreeks naar binnen en streken de zeilen van het evenwichtige schip, legden het vast en gingen van boord. Telemachus ging aan land en voor hem uit liep Athena. Tot hem sprak vooreerst de godin, de felogige Athena: "Telemachus, nu heeft het geen nut meer bedeesd te zijn, ook niet een beetje. Hierom toch voer je de zee op, om navraag te doen naar je vader waar de aarde hem verbergt en welk lot hem ten deel viel. Kom, stap nu recht af op de paardenbedwingende Nestor; Laten wij zien wat voor gezindheid er schuilt in zijn hart. Maar doe hem zelf je verzoek, zó zal hij naar waarheid spreken; onwaarheid is niets voor hem, want hij is uiterst fatsoenlijk". Tot haar nu sprak beleefd Telemachus ten antwoord: "Mentor, hoe zal ik te werk gaan? En hoe hem bejegenen? Ervaren ben ik nog niet in het spreken met verstandige woorden. Schroom past toch als een jongeman een grijsaard ondervraagt". Tot hem sprak dan weer de godin, de felogige Athena: "Telemachus, sommige zaken zul je zelf in je geest bedenken, en andere zal een god je wel ingeven, want ik heb niet de indruk dat jij (nee jij zeker niet) onopgemerkt door de goden je leven begon en opgroeide". Na zo op hem ingesproken te hebben ging Pallas Athena hem rap voor, en hij trad in het voetspoor van de godin.

Deelname aan de offermaaltijd

3; 31-66
Zij kwamen aan bij de bijeenkomst van de Pyliers en de tribunes, waar Nestor zat met zijn zonen en aan weerszijden zijn vrienden bezig de maaltijd te bereiden, het vlees te braden of aan speten te steken. Toen zij nu de vreemdelingen zagen kwamen zij allen naar hen toe en wisselden handdrukken uit en nodigden uit plaats te nemen. Nestors zoon Pisistratus kwam als eerste naderbij, nam beider hand en bood een plaats voor de maaltijd op zachte vachten uitgespreid op het strand, naast zijn broer Thrasymedes en zijn vader, en hij gaf hen porties ingewanden en goot wijn in een gouden beker; en ter verwelkoming sprak hij tot Pallas Athena, dochter van de Aegisvoerende Zeus: "Bid nu, mijn gast, tot de heerser Poseidon; want bij jullie aankomst treffen jullie ons bij een maaltijd ter ere van hem. En als gij geplengd en gebeden hebt volgens ritueel voorschrift, geef dan ook de beker honingzoete wijn aan hem om te plengen, want me dunkt dat ook hij tot de onsterfelijken wil bidden; alle mensen hebben de goden immers nodig. Maar hij is de jongste, zijn leeftijd is gelijk aan de mijne, daarom geef ik u het eerst de gouden bokaal". Met deze woorden gaf hij de beker zoete wijn in haar hand. En Athena verheugde zich over de welgemanierde man, waar hij toch haar het eerst de gouden bokaal in handen gaf. En terstond bad ze vurig tot de heerser Poseidon: "Aanhoor ons, aardschudder Poseidon, en misgun ons niet, nu wij tot u bidden, dat wij deze taken volbrengen Verleen vooreerst aan Nestor en zijn zonen roem, maar schenk vervolgens aan alle andere Pyliers uw gunst in ruil voor dit feestelijke offer. En geef bovendien dat Telemachus en ik terugkeren na het volbrengen waarvoor we hier kwamen op ons snelle, donkere schip". Zo dan luidde haar gebed en zelf liet ze het in vervulling gaan. Daarna gaf ze Telemachus de mooie beker met twee oren. En op gelijke wijze bad de geliefde zoon van Odysseus. Toen zij nu het vlees aan het bot gebraden hadden en van het spit getrokken, verdeelden zij de porties en genoten de heerlijke maaltijd

Kennismaking

3; 67-101
Toen zij nu waren verzadigd van eten en drinken, sprak de Gerenische paardenbedwinger Nestor hen aan: "Nu dan is het gepast onze gasten te vragen wie zij zijn, nu zij naar hartelust gegeten hebben, en verder te informeren. Gasten, wie zijt gij? Vanwaar komen jullie gevaren over de golvende wegen? Doen jullie dat voor zaken of zwerven jullie op goed geluk rond over zee, zoals piraten dat doen die rondzwerven op zee met levensgevaar terwijl ze dan vreemden schade toebrengen?" Hem nu gaf Telemachus fatsoenlijk ten antwoord, na zich vermand te hebben; Athena zelf gaf hem moed in, om hem te vragen naar zijn vader die weg was, en om zelf een goede reputatie te krijgen onder de mensen: "Nestor, zoon van Neleus, zeer roemvolle Griek, u vraagt vanwaar we gekomen zijn: dat zal ik u zeggen zoals het is. Wij zijn gekomen van Ithaca, aan de voet van de Neïon gelegen, en de actie, waarover ik spreek, is niet in openbaar, maar van persoonlijk belang. Ik zoek nieuws over mijn wijdvermaarde vader, in de hoop iets te vernemen, de stralende, onversaagde Odysseus, van wie men zegt dat hij samen met u in de strijd de stad Troje verwoest heeft. Van alle anderen die oorlog voerden tegen de Trojanen hebben wij gehoord, hoe ieder zijn smartelijk doodslot vond, maar van hem maakte Cronus' zoon zelfs de ondergang onbekend, want niemand is in staat duidelijk te vertellen wanneer hij omkwam, hetzij hij op het land gedood werd door de vijanden, hetzij misschien op zee in de golven van Amphitrite. Daarom kom ik u nu smeken of u mij over zijn smartelijke lot zult willen inlichten, hetzij u daarvan misschien persoonlijk getuige was, hetzij u van een ander iets vernam over zijn omzwervingen, want nooit baarde een moeder een ongelukkiger zoon dan hem. Ontzie mij niet uit schroom of uit medelijden, maar vertel me precies hoe u het te zien kreeg, dat smeek ik u, als ooit mijn vader, de nobele Odysseus, u in woord of in daad een belofte vervulde in het land der Trojanen, waar de Grieken ellende doorstonden, wees me dat dan indachtig en vertel mij de waarheid".

Het relaas van Nestor

3; 102-200
Hem antwoordde daarop de Gerenische paardenbedwinger Nestor: "Mijn beste vriend, nu je mij weer herinnert aan de ellende die wij, zonen der Grieken, onversaagd in moed, moesten trotseren in dat land, en zwervend op de nevelige zee met onze schepen onder commando van Achilles, op zoek naar buit, en alle strijd die wij voerden om de grote burcht van de vorst Priamus, waarin nog wel juist de besten de dood vonden. Daar ligt de krijgshaftige Ajax, daar ook Achilles, en daar ligt Patroclus, een leider de goden gelijk, en daar mijn dierbare zoon, even sterk als dapper, Antilochus, die ieder overtrof in de wedren en als strijder, veel ander leed ondergingen we daar; wie ter wereld zal dat alles kunnen verwoorden? Zelfs niet als je vijf, ja zes jaar bij me zou blijven en me zou ondervragen over al wat de fiere Grieken daar aan ellende beleefden, je zou toch al eerder, met afkeer vervuld, naar je vaderland teruggaan. Negen jaar immers bestookten wij hen met alle listen die we konden verzinnen, en maar amper vervulde de zoon van Cronus ons streven. Toen durfde nooit iemand in vernuft opbieden tegen de briljante Odysseus want verreweg de beste was die in allerlei listen, jouw vader, als je werkelijk zijn zoon bent; verbazing maakt zich van mij meester als ik mijn ogen op jou richt. Werkelijk, jouw woorden lijken de zijne, en je zou niet denken dat een jonge man zo passend zijn woorden zou kiezen. Al die tijd daar verschilden ik en de nobele Odysseus nooit van mening in de vergadering of in de raad, maar eensgezind in visie en verstandig advies overlegden wij hoe het voor de Grieken het beste was. Maar toen wij de steile vesting van Priamus verwoest hadden, en scheep gingen, en een god de Grieken uiteendreef, toen dan besloot Zeus tot een pijnlijke terugkeer voor de Grieken, immers niet allen waren wijs en fatsoenlijk: daarom leden velen van hen een smartelijk lot als gevolg van de verderfelijke wrok van de felogige dochter van de geduchte vader. Zij zaaide twist onder de beide zonen van Atreus. Die twee riepen alle Grieken op ter vergadering, onbesuisd, niet naar behoren, tegen zonsondergang; en de zonen der Grieken kwamen, dronken van wijn, en zij beiden legden uit, waarom zij het volk hadden verzameld Toen dan spoorde Menelaus alle Grieken aan zich te richten op de terugkeer over de wijde rug van de zee, maar helemaal niet behaagde dit Agamemnon; die wilde namelijk het krijgsvolk tegenhouden en godgewijde offers brengen, om de onheilspellende woede van Athena te bezweren, de onnozele, want hij snapte niet dat hij haar toch niet zou vermurwen, want de gezindheid van de eeuwige goden verandert niet zo snel. Zo dan stonden ze tegenover elkaar met denigrerende taal, maar de goed gewapende Grieken stonden op onder geweldig geschreeuw, want zij waren verdeeld in twee kampen Die nacht brachten wij door, wrok broedend tegen elkaar, want Zeus beraamde ons leed en ellende; Maar in de ochtend trok ons deel de schepen de stralende zee in, en wij brachten de buit aan boord en de vrouwen, strak gegord. Maar de andere helft van het krijgsvolk bleef daar achter bij Atreus' zoon Agamemnon, herder van het krijgsvolk; wij, de eerstgenoemde, scheepten in en vertrokken, en de schepen voeren zeer snel, want de godheid effende de onmetelijk diepe zee. Op Tenedos aangekomen brachten wij offers aan de goden, verlangend naar huis; maar Zeus gunde ons nog geen terugkeer, de hardvochtige, die opnieuw een verderfelijke twist zaaide. De anderen wendden de steven van de evenwichtige schepen, die bij Odysseus, de slimme vorst, rijk aan listen, om zich weer aan te dienen bij Atreus' zoon Agamemnon; maar ik ging daar weg met een drom schepen, die mij volgde, omdat het wel tot mij doordrong dat een god kwaad in de zin had. En met mij ging de krijgshaftige zoon van Tydeus, zijn mannen nam hij mee. Tenslotte kwam ons achterop de blonde Menelaus, hij trof ons op Lesbos aarzelend over de lange zeetocht, of wij boven langs het rotsachtige Chios onze thuisreis zouden maken, terwijl we het eiland Psyria links lieten liggen, of onderlangs Chios, langs het winderige Minyas. En wij vroegen de godheid een aanwijzing te geven; wel, hij gaf die ons en spoorde ons aan de korte weg naar Euboea te nemen om zo op zijn vlugst gevaar te ontkomen. En een fluitende wind stak op en de schepen doorkliefden zeer snel de visrijke paden, en wij landden ’s nachts op Geraestus; daar offerden wij, na de lange tocht over zee, veel schenkels van stieren aan Poseidon. Op de vierde dag legden de mannen van Tydeus' zoon, de paardenbedwingende Diomedes, hun evenwichtige schepen aan in Argos, maar ik koerste af op Pylos, en de wind ging niet liggen, vanaf het moment dat een god hem voorspoedig liet waaien. Zo kwamen wij terug, mijn beste zoon, onbekend met de anderen, wie van de Grieken het redden en wie nog schipbreuk leden. Maar wat ik, eenmaal thuis, vernam in mijn paleis dat zul je horen zoals je goed recht is, en ik zal je niets verzwijgen. Men zegt dat de Myrmidonen, lansvechters, heelhuids zijn teruggekeerd, onder leiding van de fiere zoon van de dappere Achilles, en ook Philoctetes, de stralende zoon van Poeas. Ook Idomeneus bracht al zijn mannen weer naar Kreta, voor zover zij de oorlog doorstonden, want de zee ontstal hem er geen. Over Atreus' zoon hebben jullie ook zelf wel gehoord, al wonen jullie ver weg, hoe hij thuiskwam en hoe toen Aegisthus hem gruwelijke doodde. Maar die heeft een smadelijke tol betaald: wat een zegen is het als een man, wanneer hij vermoord wordt, een zoon nalaat, want die nam wraak op de moordenaar van zijn vader, die slinkse Aegisthus, omdat die zijn edele vader gedood had. Ook jij, vriend, moet sterk zijn, je bent welgeschapen, dat zie ik toch dan zal ook onder volgende generaties men jou prijzen.

Radeloosheid van Telemachus

3; 201-252
Hem weer antwoordde Telemachus beleefd: "Nestor, zoon van Neleus, grote roem van de Grieken, Zeer terecht nam hij wraak op hem, en de Grieken zullen zijn roem wijd verbreiden en ook in de toekomst zal die bekend zijn ach, mochten de goden mij met zo'n grote kracht bekleden om de vrijers te straffen voor hun smartelijke misdaden, die mij in hun overmoed misdaden beramen. Maar niet hebben de goden mij zo'n gunst geschonken, noch mijn vader, noch mij; en nu moet ik alles maar slikken". En hem antwoordde daarop de Gerenische paardenbedwinger Nestor: “Mijn beste, nu je me door je woorden daaraan herinnerde, men zegt dat een grote groep vrijers vanwege je moeder tegen jouw wens in je paleis te keer gaan; zeg me, laat je dat zo maar toe, of is het volk in jouw land je vijandig, de aanwijzing van een god volgend? Wie weet of hij niet ooit terugkeert en die gewelddaden afstraft, hetzij op zijn eentje hetzij met alle Grieken samen? Ach, wilde de felogige Athena jou zózeer beschermen, als zij indertijd zich bezorgd maakte om de roemruchte Odysseus in het land der Trojanen, waar wij Grieken het zo zwaar te verduren hadden - want nog nooit zag ik goden zich zo openlijk over iemand ontfermen, zo openlijk als Pallas Athena hem bijstond - ja, als zij zich om jou zo bekommerde en zich bezorgd maakte, dan zou menigeen van die lieden dat huwelijk wel vergeten". En tot hem sprak Telemachus beleefd weer ten antwoord: "Grijsaard, ik denk dat dit woord van u helemaal niet in vervulling gaat, want al te groots is wat u zei: ik ben ontzet. Nee, niet zal mij dat te beurt vallen, ook al hoop ik erop, zelfs niet als de goden het willen". Maar toen sprak tot hem de godin, de felogige Athena: "Telemachus, wat durfde je nu toch te zeggen. Natuurlijk kan een god als hij wil iemand redden, ook van ver. Ik voor mij zou wel liever, ook na veel ellende doorstaan te hebben, thuis willen komen en de dag van de terugkeer mee willen maken, liever dan na thuiskomst om te komen in huis, zoals Agamemnon omkwam door een valkuil van Aegisthus en zijn eigen vrouw. Maar, werkelijk, de dood is voor ieder gelijk en zelfs de goden kunnen die voor niemand afweren, al is die hen nog zo geliefd, wanneer eenmaal het lot van de smartelijke dood hem te pakken krijgt". En tot haar sprak Telemachus beleefd weer ten antwoord: "Mentor, laten wij niet meer hierover spreken, al zijn we er somber over; voor hem is een terugkeer niet meer reeel, nee, aan hem hebben de onsterfelijke goden de dood al voltrokken en het donkere noodlot. Maar nu wil ik nog iets anders onderzoeken en het vragen aan Nestor, want hij is toch meer dan wie ook ervaren in passende raad, want men zegt dat hij al over drie mensengeslachten regeerde; zodoende zie ik tegen hem op als tegen een onsterfelijke. Nestor, zoon van Neleus, u spreekt toch de waarheid: hoe kwam het dat Atreus' zoon, de zeer machtige Agamemnon, stierf? Waar was Menelaus toen? En wat voor een ondergang bedacht de sluwe Aegisthus voor hem, hij doodde toch een veel machtiger man? Of was die niet in het Griekse Argos, maar zwierf hij ergens anders onder de mensen, en kon híj daaruit moed putten te doden?".

Nestor over Agamemnon en Menelaus

3; 253-275
Hem antwoordde daarop de Gerenische paardenbedwinger Nestor: "Dat alles, m'n jongen, zal ik je naar waarheid vertellen. Werkelijk, je vermoedt ook zelf wel, hoe het gegaan zou zijn, als de blonde Menelaus, Atreus' zoon, bij zijn terugkeer uit Troje Aegisthus levend in het paleis had getroffen. Dan zou niemand over zijn stoffelijk overschot aarde gestrooid hebben, maar honden en roofvogels zouden hem weggevreten hebben in de vlakte ver van de stad, en geen van de Griekse vrouwen had hem beweend; want vreselijk was de daad die hij bedreef. Wij immers bevonden ons ginds en matten ons af in gevechten, maar hij verleidde intussen rustig in het hart van het paardenvoedende Argos de wettige vrouw van Agamemnon met zijn mooie praatjes. Werkelijk, eerst wees zij zijn ongepaste wens af, koningin Clytaemnestra, want zij had een juist inzicht; ook stond haar een zanger terzijde, aan wie Atreus' zoon, bij zijn vertrek naar Troje, met nadruk opdroeg zijn vrouw te beschermen. Maar toen dan het lot van de goden haar doemde ten onder te gaan, toen liet hij die zanger wegbrengen naar een afgelegen eiland en liet hem daar achter als prooi en aas voor de vogels, en haar voerde hij, volgens beider verlangen, mee naar zijn huis. Veel schenkels brandde hij op altaren, gewijd aan de goden, veel schatten wijdde hij ook en weefsels en goud, omdat hij een daad had volbracht, zo groot als hij nimmer verwacht had.
3; 276-312
Wij nu voeren samen terug vanuit Troje, Atreus' zoon en ik, elkaar vriendschappelijk gezind; maar toen we het heilige Sunium rondden, de punt van Athene, toen kwam Phoebos Apollo af op de stuurman van Menelaus en met zachte pijlen doodde hij hem, terwijl hij de roeiriem van het snelvarende schip nog in handen had, Phrontis, de zoon van Onetor, de beste stuurman van allen, wanneer er stormen loeiden. Daarom, hoezeer hij ook haast had, hij hield daar halt, om zijn vriend te begraven en grafgeschenken te geven. Maar toen ook hij op zijn tocht op de wijnkleurige zee al vlug met zijn gewelfde schepen de steile kaap Malea bereikt had, toen bereidde de wijddonderende Zeus hem een smartelijke tocht, want hij stuurde de adem van gierende winden op hem af en reusachtig zwollen de golven, groot als bergen. Toen dreef hij de vloot uiteen en bracht een deel ervan naar Kreta, waar ook toen de Cydonen woonden aan de stromen van de Iardanus. Er steekt daar een gladde, steile rots de zee in op een landtong van Gortys in het mistige water; daar stoot de Zuidenwind grote golven tegen de linker kaap richting Phaestus, en slechts een kleine rib biedt de golvenmassa weerstand. Sommige schepen kwamen daar terecht, de bemanning wist met moeite de dood te ontsnappen, maar op de klippen verbrijzelde de branding hun schepen. De vijf andere schepen met donkere voorsteven stuwden water en wind voort tot in Egypte. Zo zwierf hij rond met zijn schepen onder onverstaanbare mensen, en wist daar veel buit en goud te verwerven. Intussen beraamde Aegisthus thuis die gruwelijkheden. Zeven jaar regeerde hij over het goudrijk Mycene, na de moord op de zoon van Atreus, en hij onderdrukte het volk. Maar in het achtste kwam tot zijn noodlot de dappere Orestes terug uit Athene en doodde de moordenaar van zijn vader, die sluwe Aegisthus, omdat die zijn nobele vader gedood had. Na deze bloedwraak gaf hij de mensen van Argos een begrafenismaal vanwege zijn gehate moeder en de laffe Aegisthus; nog diezelfde dag kwam Menelaus, krachtig van stem, bij hem met alle schatten, die zijn schepen als lading vervoerden.
3; 313-329
Ook jij, m'n beste, moet niet te lang ver van je huis blijven zwerven, met achterlating van je vermogen bij die brutale kerels in jouw huis, laten zij maar niet alles verbrassen en je bezittingen verdelen, zodat je nog een vergeefse reis maakt. Maar wel beveel ik je aan, en met aandrang, naar Menelaus te gaan; die kwam immers het laatst uit den vreemde, bij mensen vandaan, vanwaar in gemoede hij niet mag verwachten terug te keren die de stormen eerst daarheen wegsleurden naar een zo grote zee, waarvandaan zelfs de vogels niet in hetzelfde jaar terugkeren, omdat hij zo groot en onstuimig is. Maar, komaan, ga nu met je schip en je mannen, of als je over land wilt, dan staat je een wagen met paarden ten dienste, en ook mijn zonen om je te begeleiden naar het prachtige Sparta, waar de blonde Menelaus heerst. Vraag hem persoonlijk je de waarheid te zeggen; misleiden zal hij je niet; want hij is zeer fatsoenlijk". Zo sprak hij, en de zon ging onder en de schemering viel in.

Vertrek van Athena

3; 330-370
Onder hen sprak nu ook de godin, Athena met de fonkelende ogen: "Geachte grijsaard, je vertelde dit zeker zoals wij dat wensten; maar kom, snijd nu de tongen uit en meng de wijn, opdat wij plengen voor Poseidon en de andere onsterfelijken en daarna aan nachtrust denken: daar is het dan tijd voor. Want reeds is het licht op weg naar het duister en het is niet behoorlijk lang aan een maaltijd voor goden aan te zitten, wij moeten teruggaan". Dat zei de dochter van Zeus, en zij gaven gehoor aan haar woorden. En bij hen goten dienaren water op de handen, en schenkers goten de mengvaten boordevol wijn, en zij schonken allen in en reikten hen de bekers aan. En zij wierpen de tongen in het vuur, en gingen staan en plengden erop. Maar toen zij dan geplengd hadden en naar hartelust gedronken, toen dan maakten Athena en de godgelijkende Telemachus beiden aanstalten terug te gaan naar het holle schip. Maar nu hield Nestor hen tegen, protesterend met de woorden: "Moge Zeus dit verhinderen alsook de andere onsterfelijke goden, dat jullie bij mij vandaan gaan naar jullie snelle schip, alsof ik een armoedzaaier was en berooid van alles, zonder veel dekens en spreien in huis om er zelf en zijn gasten zacht in te slapen. Maar ik heb wel degelijk mooie dekens en spreien. Nooit toch zal de dierbare zoon van zo'n man als Odysseus zich te ruste leggen op het dek van een schip, zolang ik nog leef, en er daarna nog zonen achterblijven in mijn paleis, om gastvrienden te ontvangen die naar mijn huis komen". Hem gaf weer ten antwoord de godin, de felogige Athena: "Welgesproken, beste grijsaard; en voor Telemachus is het passend naar uw woorden te handelen, want zo is het 't beste. Dus hij zal met u meegaan om in uw paleis te overnachten; maar ik zal naar het donkere schip gaan om de mannen gerust te stellen en bevelen te geven. Ik ben namelijk de enige oudere in hun midden; de anderen zijn jonger, allen van gelijke leeftijd als de fiere Telemachus, uit vriendschap meegegaan. Daar ga ik vannacht slapen bij het donkere schip en morgenochtend ga ik naar de dappere Cauconen; daar moet ik een schuld innen, niet nieuw en ook niet gering. Maar, als uw huis hem onthaald heeft, zend u hem dan op weg met een tweespan en uw zoon; ja, geef hem uw snelste en sterkste paarden mee".
3; 371-385
Na deze woorden ging de fonkelogige Athena weg in de gedaante van een zeearend; verbijstering maakte zich meester van allen bij de aanblik. En de grijsaard nam, toen hij dit, overweldigd, met eigen ogen zag, de hand van Telemachus, en hij sprak met nadruk: "Mijn beste, ik denk niet dat jij je zwak zult betonen of laf, als de goden jou, zo jong nog, tot steun zijn; want dit was niemand anders van hen die de Olympus bewonen, dan de dochter van Zeus, de befaamde Tritogenia, die, werkelijk, ook al je edele vader eerde onder de Grieken. Wel, heerseres, wees genadig, en schenk mij eer en roem, mijzelf en mijn zonen en mijn respectabele vrouw;en ik zal u offeren een breedkoppige eenjarige koe, ongetemd, die nog nooit door een man onder het juk gebracht is; die zal ik offeren na haar horens bedekt te hebben met goud". Zo bad hij hardop, en hem aanhoorde Pallas Athena.

Bij Nestor thuis

3; 386-403
Zij gingen nu. En toen zij de befaamde woning van de vorst bereikten, namen zij naast elkaar plaats op armstoelen en zetels; en voor hen liet de grijsaard bij aankomst in een mengvat zoete wijn mengen, die in het elfde jaar de voorraadbeheerster opende en van zijn sluiting ontdeed; daarvan liet de grijsaard een mengsel bereiden, en vurig bad hij tot Athena bij het plengen, de dochter van de Aegisvoerende Zeus. Toen zij nu geplengd en naar hartelust gedronken hadden gingen zij ieder naar bed in hun eigen slaapvertrek, Maar hem, Telemachus, de zoon van koning Odysseus, liet de Gerenische paardenbedwinger Nestor daar slapen in een kundig gemaakt bed onder de galerij met zijn galm, en naast hem de lansvechter Pisistratus, aanvoerder van strijders, want dat was nog de enige ongehuwde zoon in zijn huis; Zelf sliep hij achter in het hoge huis, waar zijn koningingemalin bij hem sliep.
3; 404-429
Maar toen de vroeggeboren, rozevingerige dageraad aanbrak, stond van zijn bed op de Gerenische paardenbedwingende Nestor, ging naar buiten en zette zich neer op een van de gladgepolijste stenen zitplaatsen die hij daar had vóór zijn hoge deuren, wit, glanzend met olie geboend. Daarop zat voorheen altijd Neleus, in wijsheid opbiedend tegen de goden; maar die was nu, overmand door het doodslot, naar de onderwereld. Nu zat daar de Gerenische Nestor, hoeder der Grieken, zijn scepter in de hand. Rondom hem verzamelden zich zijn talrijke zonen, vanuit hun vertrekken, Echephron en Stratichus, Perseus en Aretus en de koninklijke Thrasymedes, en als zesde kwam tenslotte de dappere Pisistratus bij hen, en zij lieten de koninklijke Telemachus bij hen plaatsnemen. En onder hen nam de Gerenische paardenbedwinger Nestor het woord: "Breng vlug voor mij in vervulling, mijn zonen, deze wens, opdat wij vooreerst van de goden de gunst van Athena winnen, die mij zelf verscheen bij de overvloedige maaltijd voor de zeegod. Dus, kom, één van jullie moet naar het veld gaan om een rund, zorg dat het zo snel mogelijk hier komt, een koeherder moet het leiden; en één moet naar het zwarte schip van de fiere Telemachus gaan en al zijn mannen hier brengen, met achterlating van twee; en één moet de goudsmid Laerces hierheen sommeren om bladgoud aan te brengen over de hoorns van het rund. Alle anderen moeten hier blijven en zeg tegen de slavinnen, in huis een feestelijk maal te bereiden, zetels klaar te zetten en hout te verzamelen en helder water".
3; 430-463
Zo sprak hij, en zij allen gingen aan de slag. En er kwam een rund van het veld, en van het snelle, evenwichtige schip kwamen de mannen van de fiere Telemachus, en ook kwam de smid met het gereedschap van zijn ambacht in zijn handen, het aambeeld en de hamer en de stevige tang, waarmee hij het goud bewerkte. En ook Athena kwam om deel te krijgen aan de offerplechtigheid. De oude paardenbedwinger Nestor gaf het goud; en de smid goot het uit over de hoorns van de koe, zorgvuldig, opdat de godin zich verheugen zou bij het zien van dit kunststuk. Stratius en de stralende Echephron leidden het rund bij de horens, en Aretus bracht voor hen water aan in een bekken, met bloemen versierd, hij kwam ermee uit de voorraadkamer, en in zijn andere hand hield hij offergerst vast in een mandje en de stoere Thrasymedes stelde zich op met een scherpe bijl in zijn hand om het rund te vellen en Perseus hield de offerschaal vast. De oude paardenbedwinger Nestor begon de plechtigheid met het water en de gerstekorrels en luid begon hij tot Athena te bidden en wierp wat haar van de kop in het vuur. Maar toen zij gebeden hadden en het offergerst uitgestrooid, kwam Nestors zoon, de onverschrokken Thrasymedes, dichterbij en sloeg toe; en de bijl doorkliefde de spieren van de nek en de kracht van het rund begaf het. En de vrouwen slaakten een luide kreet, de dochters en schoondochters en ook de respectabele vrouw van Nestor, Eurydice, de oudste dochter van Clymenus. De zonen tilden hem op van de wijdstrekkende aarde en hielden hem op, en Pisistratus, aanvoerder van krijgsvolk, sneed hem af. Eruit stroomde het donkere bloed, en het leven week uit de botten. Daarna sneden zij hem open, en meteen sneden zij de schenkels eruit, alles naar behoren, en zij wikkelden die in vet, een dubbele laag, en daarop legden zij stukken rauw vlees. De grijsaard brandde die op het houtvuur, en erop plengde hij fonkelende wijn; en na hem hielden de jongelingen de vijftandige vork in hun handen. Toen zij nu de schenkels gebrand hadden en de ingewanden gegeten, hakten zij de rest in stukken en regen ze aan de speten, en zij roosterden ze met de puntige speten in hun handen.
3; 464-473
Intussen gaf de mooie Polycaste Telemachus een bad, zij was de jongste dochter van Neleus' zoon Nestor. En toen zij hem gewassen had en gezalfd met geurige olijfolie, legde ze hem een mooie mantel om over een chiton, en hij verliet het bad gelijkend op de onsterfelijken in gestalte. Hij ging naar Nestor en zette zich neer bij de herder van het volk. Toen zij nu het vlees van buiten hadden geroosterd en eraf getrokken, genoten zij zittend de maaltijd; en voortreffelijk bedienden hen dienaren, wijn schenkend in hun gouden bekers. Voor de Gerenische paardenbedwinger Nestor, zijn zonen en schoonzoons, op weg naar zijn mooie paleis.

Telemachus' reis naar Sparta

3; 474-490
Toen zij nu verzadigd waren van drank en eten nam de Gerenische paardenbedwinger Nestor het woord: "Mijn zonen, kom, span voor Telemachus paarden met mooie manen in onder de wagen, om de tocht te maken". Dat zei hij, en zij luisterden naar hem en gehoorzaamden. En vlug spanden zij snelle paarden onder de wagen. De voorraadbeheerster zette er voedsel en wijn in, en lekkere hapjes, zoals van Zeus afstammende koningen eten. Telemachus klom in de zeer mooie wagenbak, en bij hem klom Nestors zoon Pisistratus, aanvoerder van krijgsvolk, ook op de wagen en nam de teugels in handen, en hij zwiepte ze op om te trekken, en zij trokken maar al te graag naar de vlakte, en zij lieten de steile burcht van Pylos achter zich. De hele dag schudden zij het juk, naast elkaar, en toen de zon onderging en alle wegen in duisternis gehuld werden, kwamen zij aan bij het huis van Diocles in Pherae, de zoon van Orsilochus, die Alpheus verwekt had. Daar brachten zij de nacht door, en hij gaf hun gastgeschenken.
3; 491-497
Toen nu de vroeggeboren, rozevingerige dageraad aanbrak, spanden zij de paarden weer in en beklommen de veelkleurige wagen, en zij reden de hof weer af en de gaanderij met zijn galm. En hij legde de zweep er weer over en zij trokken weer graag. Zo kwamen zij aan in de graandragende vlakte en maakten hun tocht af; zo goed vervoerden de snelle paarden hen. En weer ging de zon onder en werden de wegen gehuld in duister.

04. Te gast bij Menelaus

Telemachus' aankomst in Sparta

4; 1-19
Zij nu bereikten Sparta, in een holte van heuvels gelegen, en reden naar het paleis van de roemruchte Menelaus. En hem troffen zij aan terwijl hij een bruiloftsmaal vierde met vele verwanten van een zoon en bekoorlijke dochter in zijn huis. Het meisje huwelijkte hij uit aan de zoon van de voorvechter Achilles; want al in Troje beloofde hij dat en zegde toe haar te schenken, en nu volbrachten de goden het huwelijk. En hij zond haar toen in een rijtuig, bespannen met paarden, op weg naar de vermaarde stad van de Myrmidonen, waarover hij heerste. En voor zijn zoon koos hij uit Sparta de dochter van Alector, zijn zoon, de krachtige Megapenthes, op latere leeftijd geboren uit een slavin; want Helena schonken de goden geen zwangerschap meer, nadat zij eerder een aantrekkelijke dochter gebaard had, Hermione, die haar uiterlijk ontleende aan de gouden Aphrodite. Zodoende zaten zij aan een feestmaal in het grote huis met hoog dak, verwanten en buren van de roemruchte Menelaus en hadden plezier: want in hun midden zong een kundige zanger voor hen, met begeleiding van zijn lier, en twee acrobaten draaiden voor hen langs, op de maat van het lied, en zij buitelden in hun midden.
4; 20-29
En zij beiden brachten hun paarden tot staan voor de poort, de fiere Telemachus en de stralende zoon van Nestor. Toen de krachtige Eteonus naar voren kwam en hen zag, de nijvere dienaar van de roemruchte Menelaus, ging hij het dadelijk melden in huis aan de herder van het volk, en hij ging naar hem toe en sprak hem duidelijk de woorden toe: "Hier zijn twee vreemden, doorluchtige Menelaus, twee mannen, zij lijken van afkomst te stammen van grote Zeus. Dus zeg of wij voor hen de snelle paarden zullen uitspannen, of dat we hen een geleide geven naar een ander om hen te ontvangen".
4; 30-58
Maar zeer verontwaardigd sprak tot hem de blonde Menelaus: "Je was voorheen geen onnozele, Eteonus, zoon van Boethous, maar nu sla je wartaal uit als een jochie. Op de terugkeer naar huis hebben wij beiden veel gastvrijheid genoten van andere mensen, en wij hoopten dat Zeus in de toekomst ons ellende zou besparen. Span dus de paarden uit van de vreemdelingen en breng hen binnen om in onze feestvreugde te delen". Zo sprak hij, en zijn dienaar repte zich door het huis en riep ook andere nijvere dienaars op met hem mee te gaan. En zij spanden de zwetende paarden uit van onder het juk, en bonden hen vast bij de ruif, en zij strooiden gortrijst voor hen uit en mengden er witte gerst door, en de wagen zetten zij tegen de glanzende muur, en henzelf voerden zij het vorstelijke huis in. En toen zij dat zagen bewonderden ze het paleis van de verheven koning; want als van zon of van maan hing een glans over de hooggedakte woning van de roemruchte Menelaus. Maar toen zij hun ogen daarop uitgekeken hadden, stapten zij in de gepolijste badkuipen en namen een bad. Toen slavinnen hen gewassen en gezalfd hadden met olijfolie, en zij wollen mantels over hun chiton’s gedrapeerd hadden, namen zij plaats op armstoelen naast Atreus' zoon Menelaus. En een dienaar bracht waswater aan in een mooie schenkkan van goud en goot het uit boven een zilveren bekken om hun handen te wassen; en zij zetten een gladgeschaafde tafel voor hen neer. En een respectabele voorraadbeheerster bracht voedsel aan en zette hen veel spijzen voor, met plezier gevend van de aanwezige voorraad. Een voorsnijder tilde borden met allerlei soorten vlees op en zette ze neer, en hij zette ook gouden bekers bij hen.
4; 59-67
En met een uitnodigend gebaar sprak de blonde Menelaus tot beiden: "Tast toe en eet naar hartelust. Daarna, als u voldaan bent van de maaltijd, zullen we vragen, wie van de mensen u bent; want de afkomst van uw ouders is u nog aan te zien, en onder de mensen bent u van afkomst van goddelijke koningen, sceptervoerend, immers niet zouden minderen zulke zonen voortbrengen". Dat zei hij en zette een vette runderrug voor hen neer en reikte eigenhandig hapjes aan, die men als extraatjes voor hem zelf had neergezet. En zij strekten gretig hun handen uit naar het eten dat voor hen klaar stond.

Menelaus over zijn paleis en Odysseus

4; 68-112
Maar toen zij naar hartelust gedronken en gegeten hadden, zei Telemachus tegen Nestors zoon, zich naar hem overbuigend opdat de anderen het niet konden horen: "Moet je dat eens zien, mijn dierbaarste vriend, door heel het paleis met zijn galm: die glamour van koper en goud en van amber, van zilver en van ivoor, zo ongeveer is de woning van Zeus de Olympier van binnen, wat een enorme pracht hier; bij het zien krijg ik de kriebels". Maar de blonde Menelaus had het hem horen zeggen, en hij sprak duidelijk tot hen deze woorden: "Mijn zonen, werkelijk met Zeus kan geen sterveling wedijveren, want onvergankelijk zijn hun woningen en onuitputtelijk hun bezit. Maar van de mensen kunnen wel weinigen zich met mij meten, zo al iemand, in vermogen. Want op mijn zwerftochten leed ik wel veel, maar veel bracht ik ook mee op mijn schepen naar huis in het achtste jaar toen ik terugkwam na een zwerftocht langs Cyprus, Phoenicie, Egypte, bij Ethiopiers kwam ik, Cydonen, Erembianen en Libya, waar de schapen bij hun geboorte al hoorns hebben en de ooien drie maal per jaar lammeren werpen. Daar mankeert het geen vorst maar ook geen herder aan kaas en vlees of heerlijke melk, maar heel het jaar geven de ooien melk om te schenken. Terwijl ik die zwerftocht maakte en veel bijeenbracht bracht iemand mijn broer om, in een hinderlaag, onverhoeds, door een list van zijn verwenste vrouw. Daarom kan ik niet genieten van wat ik bezit. Ook van jullie vaders zullen jullie dit wel gehoord hebben, wie jullie ook zijn, want zeer veel zag ik af en verloor al een huis, heel welvarend, gevuld met veel pracht. Maar ach, woonde ik hier in mijn huis met slechts een derde deel daarvan, maar nog in leven de mannen die toen omkwamen in het weidse Troje, ver van het paardenvoedende Argos. Maar toch, al betreur ik ook allen en zit ik vaak neerslachtig terneer in mijn paleis, soms koester ik mijn geest in gejammer, een andere keer weer stop ik ermee, want snel komt de verzadiging van het ijselijke geweeklaag. Maar om allen treur ik niet zoveel, al ben ik bedroefd om hen, als om één man, die mij het slapen en eten bederft door mijn rouw om hem, want niemand van de Grieken heeft zoveel als Odysseus doorstaan en ondergaan. Voor hem zelf moest er wel veel ellende komen, en voor mij een altijd drukkend verdriet om hem, zolang als hij al weg is, en wij weten zelfs niet, of hij leeft of gestorven is. Me dunkt om hem jammert wel de oude Laertes en de verstandige Penelope en Telemachus, die hij als pasgeborene achterliet in zijn huis".

Helena en Menelaus herkennen Telemachus

4; 113-154
Bij deze woorden schoot Telemachus een brok in de keel om zijn vader, en tranen gleden van zijn oogleden neer bij dit nieuws over vader, en hij hield met beide handen zijn purperen mantel voor zijn ogen. En Menelaus bekeek hem en overwoog toen in zijn geest, of hij rustig zou wachten tot hij zelf over zijn vader zou beginnen of dat hijzelf een begin zou maken en van alles zou vragen en ernaar zou informeren. En terwijl hij dat overwoog en bedacht, trad Helena uit haar hoge, welriekende vertrek, gelijkend op Artemis met haar gouden pijlen. Adraste zette voor haar een fraai vervaardigde stoel neer en Alcippe droeg een dekkleed aan van zachte wol, en Phylo een zilveren werkmand die Alcandre haar schonk, de echtgenote van Polybus, die woonde in het Egyptische Thebe, waar heel veel bezit ligt opgetast in de huizen. Hij gaf Menelaus twee zilveren badkuipen, en twee driepotige ketels en tien talenten goud. En los daarvan gaf ook zijn vrouw Helena mooie geschenken: een spinrokken met bladgoud en een zilveren werkmand schonk zij, met wieltjes eronder en de randen afgezet met goud. Die nu bracht de dienares Phylo en zette hem bij haar neer, hij was gevuld met prachtige draden en erop lag het spinrokken met donkerblauwe wol. Zij zette zich in de zetel en beneden was een bankje voor haar voeten. En direct vroeg zij van alles aan haar man: "Weten wij al, vorst Menelaus, wie van de mensen dezen zich noemen, die naar ons huis zijn gekomen? Zal ik spreken naar waarheid of niet? Daar zet mijn hart me toe aan. Nog nooit denk ik zo iemand gezien te hebben, noch een man, noch een vrouw (ik word beschroomd bij het zien), zoals deze jongen lijkt op de zoon van de fiere Odysseus, Telemachus, die hij in zijn huis als pasgeborene achterliet, toen jullie, Grieken, omwille van mij, schaamteloze, optrokken tegen Troje en een hevige oorlog op gang brachten". Haar antwoordde de blonde Menelaus: "Ja, nu treft mij ook die overeenkomst die jij signaleert, vrouw. Want hij had dezelfde voeten en handen zijn oogopslag en gezicht en zijn hoofdhaar. Toen ik zojuist me Odysseus te binnen bracht en vertelde, hoeveel ellende deze om mij doorstond viel er een bittere traan van onder zijn wenkbrauw en hield hij zijn purperen mantel omhoog voor zijn ogen".
4; 155-167
Nu dan sprak Nestors zoon Pisistratus hem ten antwoord: "Zoon van Atreus, vorst Menelaus, aanvoerder van strijders, van hem is werkelijk hij hier de zoon, zoals u al dacht, Maar hij is bezonnen, en vindt het niet passend om als hij net aankomt meteen in uw bijzijn vrijmoedig te spreken, maar wij verblijden ons beiden om uw stemgeluid als van een god. En mij zond de Gerenische paardenbedwinger Nestor om hem te geleiden. Hij wilde u zien in de hoop dat u hem met woord of daad te hulp kunt komen, want een jongen lijdt erg onder de afwezigheid van zijn vader in zijn paleis, als geen anderen hem helpen, zoals nu van Telemachus de vader verdwenen is en er geen anderen zijn die in zijn land de ellende voor hem af kunnen weren".
4; 168-182
Hem nu ten antwoord sprak de blonde Menelaus: "Wat een ellende dat naar mijn huis moet komen de zoon van een zo dierbare man, die om mij veel zoveel moeite gedaan heeft. En ik dacht hem meer dan de andere Grieken wel te zullen doen, als de Olympier, de wijd donderende Zeus ons beiden met onze snelle schepen over de zee de thuiskomst vergunde. Ik zou hem in Argos een stad geven als woonplaats en een paleis voor hem bouwen na hem meegenomen te hebben van Ithaka met zijn bezit, zijn zoon en al zijn mensen, een stad voor hem ontruimen zoals die hier in de buurt liggen, waarover ik zelf heers; We zouden hier dan vaak bij elkaar op bezoek gaan en niets anders zou onze vriendschap en vreugde bederven voordat de zwarte nevel van de dood ons omhulde. Maar dat moet de godheid ons hebben misgund, omdat hij hem ongelukkig, alleen zonder thuiskomst, gemaakt heeft".

Treurnis alom

4; 183-189
Dit zei hij en hen allen ontroerde dit tot tranen. De Argivische Helena weende, de dochter van Zeus, en ook Telemachus en Atreus' zoon Menelaus, en ook Nestors zoon kon zijn tranen niet bedwingen, want hij dacht terug aan de nobele Antilochus, die gedood was door de roemrijke zoon van de schitterende Dageraad; hem indachtig sprak hij in duidelijke woorden:
4; 190-203
"Zoon van Atreus, meer dan de andere stervelingen bent u verstandig, zei de bejaarde Nestor, wanneer wij u vermeldden in ons paleis, en wij met elkaar spraken. Geef ook nu, als dat mogelijk is, aan mij gehoor; want ik houd er niet van te jammeren tijdens de maaltijd, en ook zal de vroeggeboren dageraad weer aanbreken. Zeker niet keur ik het af te treuren om wie van de stervelingen sterft en zijn lot vervult. Dat is de enige eer voor de ongelukkige stervelingen, een haarlok afsnijden en tranen vergieten. Ja, ook van mij stierf een broer, en hij was niet de minste onder de Grieken; u zult hem wel kennen; maar ik ontmoette of zag hem nooit: Antilochus. Men zegt dat hij allen overtrof in de wedren en strijd". En tot hem sprak ten antwoord de blonde Menelaus:
4; 204-218
"Mijn vriend, al wat je zegt, zou een verstandig man zeggen en doen, en iemand die ouder was, maar je bent dan ook van zo'n vader, dat je verstandigs zegt. Gemakkelijk te herkennen is het kroos van een man, aan wie Cronos' zoon rijkdom toedeelt bij zijn huwelijk en zijn geboorte, zoals hij ook nu aan Nestor toebedeelde alle tijd van zijn leven, en hem in welvaart oud laat worden in zijn paleis en zijn zonen de besten laat zijn in verstand en het speerwerpen. Ja, laten wij nu de treurnis, die ons zo-even overviel, laten varen en onze aandacht weer richten op de maaltijd, en ze moeten water gieten over onze handen. En morgen vroeg zal er tijd zijn voor gesprekken door Telemachus en mij om met elkaar bij te praten". Zo sprak hij en Asphalion, de trouwe dienaar van de roemruchte Menelaus, goot water uit over zijn handen. En zij strekten verlangend de handen uit naar de gereedliggende spijzen.

Helena grijpt in

4; 219-234
Toen weer bedacht Helena iets anders, de dochter van Zeus, snel strooide ze in de wijn waarvan zij dronken een kruid, pijnstillend en toornmilderend, elk kwaad verdoezelend. Wie dit slikt, wanneer hij het in het mengvat heeft toegevoegd, vergiet heel de dag geen enkele traan, zelfs niet als zijn moeder en vader zou sterven, zelfs niet als men vak voor hem een broer of zijn zoon met een mes neerstak en hij dat met eigen ogen moest aanzien. Zulke slimme kruiden had Zeus' dochter tot haar beschikking, krachtige, die haar Polydamna verschafte, de echtgenote van Thon, de Egyptische, het land waar de vruchtbare aarde zeer veel kruiden draagt, veel heilzame maar ook veel verderfelijke. Elke arts is daar knapper dan alle andere mensen, want zij zijn van het geslacht van Paeeon. Toen zij het er ingestrooid had en bevolen had te schenken, sprak zij terstond als volgt op haar beurt:
4; 235-264
Atreus' zoon, vorst Menelaus en jullie hier, zonen van voorname mannen: god Zeus geeft nu eens de één, dan weer de ander goed en kwaad, hij kan immers alles; waarlijk, geniet nu de maaltijd hier in het huis, en amuseer je met verhalen; ik zal een passend vertellen. Want niet zou ik alles vertellen of uitputtend behandelen al die beproevingen van de onversaagde Odysseus, maar bijvoorbeeld wat die sterke man presteerde en volbracht in de stad der Trojanen, waar de Grieken het hard te verduren hadden. Nadat hij zich afzichtelijk toegetakeld had, hulde hij zich in lompen, als een smoezelige slaaf, en sloop de breedstratige stad van de vijanden binnen. En in die vermomming leek hij een heel ander iemand, een bedelaar, dan als hij was bij de schepen der Grieken. In zo'n gedaante sloop hij de stad Troje in, en die sloegen geen van allen acht op hem. Ik alleen had in de gaten dat hij het was, en ik ondervroeg hem; maar hij ontweek mijn nieuwsgierigheid. Maar toen ik hem had laten wassen en zalven met olijfolie, liet ik hem kleden en zwoer een dure eed dat ik hem niet als Odysseus aan de Trojanen zou verraden, voordat hij veilig de snelle schepen en het kamp weer bereikt had. Toen vertelde hij me heel het plan van de Grieken. En na het doden van vele Trojanen met zijn scherpgepunte zwaard ging hij weer terug naar de Grieken, en veel informatie smokkelde hij mee. Toen jammerden de anderen, de Trojaansen, schril; maar ik had plezier want mijn hart was al lang weer verlangend om terug te keren naar huis, en ik betreurde de verblinding die Aphrodite mij had gegeven, toen zij mij weg van mijn dierbare vaderland wegvoerde naar ginds en ik mijn kind in de steek liet en de slaapkamer van mijn man, die voor niemand onderdoet, noch in geest noch in lichaam".

Ook Menelaus vertelt

4; 265-289
Tot haar sprak de blonde Menelaus ten antwoord: "Ja, dat alles, mijn vrouw, vertelde je zoals het gebeurde. Ik leerde al van veel heldhaftige mannen het verstand en inzicht kennen, en bezocht veel streken op aarde, maar nog nooit zag ik zo iemand met eigen ogen als Odysseus was, onversaagd van inborst. Zoal die sterke man ook het volgende presteerde in het houten paard, waarin wij, alle besten der Grieken, zaten om dood en verderf onder de Trojanen te zaaien. Toen kwam jij daarheen; een kwalijke god, die de Trojanen roem wilde bezorgen, moest jou kennelijk sturen, en de knappe Deïphobus vergezelde je op je pad. Drie maal liep je om onze holle schuilplaats heen, hem betastend, en je noemde de besten der Grieken bij naam, terwijl je de stem van hun echtgenotes imiteerde. Maar ik en Tydeus' zoon en Odysseus, hoorden, middenin gezeten, hoe jij riep. En wij beiden stonden al op het punt om uit te breken of meteen antwoord te geven van binnenuit, maar Odysseus hield ons tegen en weerhield ons bij dit verlangen. Daardoor hielden alle zonen der Grieken zich stil, alleen Anticlus stond nog op het punt iets terug te schreeuwen, maar Odysseus snoerde hem met zijn krachtige handen de mond, onverbiddelijk, en redde zo alle Grieken; en net zo lang hield hij hem beet, totdat Pallas Athene jou weg had gevoerd".
4; 290-295
Hem nu sprak weer de verstandige Telemachus ten antwoord: "Zoon van Atreus, hooggeboren Menelaus, aanvoerder van strijders, het is des te smartelijker dat dit alles het ellendige verderf niet afweerde, zelfs als zijn hart binnenin van ijzer was geweest. Maar laten ons nu maar gaan slapen, opdat wij eindelijk wat bijkomen na ons aan de zoete slaap overgegeven te hebben".
4; 296-305
Dat zei hij; en de Argivische Helena beval aan slavinnen bedden te plaatsen in de galerij en er mooie hoezen over te spreiden, purperen, over de matrassen heen en daarop wollen dekens ter bedekking te leggen. Zij nu gingen de zaal uit met een fakkel in hun handen, en zij spreidden de bedden en een huisknecht ging de gasten voor. Zij nu legden zich daar neer in het voorhuis, de heldhaftige Telemachus en de fiere zoon van Nestor. Atreus' zoon echter legde zich ter ruste achterin het hoge huis, en bij hem legde zich neer de in een fijn gewaad gehulde Helena, de goddelijke vrouw.

05. Odysseus verlaat Calypso

Athena in de godenvergadering

5; 1-27
Dageraad verrees uit haar bed naast de illustere Tithonus, om het licht aan de goden te brengen en aan de mensen. De goden namen plaats in beraad, en onder hen ook de hoog donderende Zeus, wiens macht wel het grootst is. En onder hen sprak Athena haar grote bezorgdheid uit om Odysseus, want zijn verblijf in de woning van de nimf ging haar ter harte. "Vader Zeus en andere gelukzalige, eeuwige goden, voor mijn part is geen enkele scepterdragende vorst voortaan nog wijs, verstandig en toegewijd, en ook niet bedachtzaam maar aanhoudend kwaadzuchtig en doet hij maar raak; immers om de godgelijke Odysseus bekommert zich niemand van de mensen waar hij over heerst, en hij was als een vader voor hen. Maar hij zit vast op een eiland en heeft het daar zwaar te verduren in het huis van de nimf Calypso, die hem vasthoudt met dwang, en hij is niet in staat naar zijn vaderland te reizen. Hij heeft namelijk geen schepen met riemen en mannen, om hem te voeren over de brede rug van de zee. Nu willen ze ook nog zijn dierbare zoon naar het leven staan als hij terugkeert naar huis: hij ging uit op nieuws over zijn vader naar het respectabele Pylos en het stralende Sparta". Tot haar nu ten antwoord sprak de wolkenverzamelaar Zeus: "Kind van me, welk een klacht ontsnapte de omheining van je tanden. Heb je dan niet zelf dat plan beraamd, dat Odysseus die lieden na zijn terugkeer gaat straffen? Voor Telemachus moet jij - dat kun je toch - een verstandig geleide zijn, opdat hij ongedeerd zijn vaderland weer bereikt, en de vrijers teruggaan op hun schip zonder enig succes".

Zeus stuurt Hermes naar Calypso

5; 28-42
Aldus Zeus tot Athena. Tegen Hermes, zijn zoon, sprak hij: "Hermes, aangezien jij de bode bent van ook al het andere: ga de nimf met de schone vlecht ons vaste besluit meedelen, de thuisreis van de onversaagde Odysseus, opdat hij terugkeert zonder de hoede van goden of sterfelijke mensen, maar na een ramptocht op een aaneengesjord vlot op de twintigste dag het grofkluitige Scheria bereikt, het land der Phaeaken, die aan de goden nabij zijn. Zij nu zullen hem hartelijk onthalen als een god, en hem in een schip naar zijn dierbaar vaderland brengen, met een gift in brons en in goud en kleding in overvloed, zoveel als Odysseus niet eens mee kon nemen uit Troje, als hij probleemloos naar huis kwam, met zijn deel van de buit. Zo immers is het beschoren dat hij zijn dierbaren terugziet en terug keert naar zijn hooggedakte huis en zijn vaderland".
5; 43-54
Zo sprak hij; en de gids, de doder van Argus, gehoorzaamde gretig. Direct bond hij onder zijn voeten de mooie sandalen, duurzaam, van goud, die hem droegen over het water en het eindeloze land met de adem van de wind. En hij pakte zijn staf, waarmee hij de ogen der mensen, van wie hij dat wil, hypnotiseert, en anderen weer opwekt wanneer zij in slaap zijn. Met die in zijn handen vloog hij voort, de krachtige doder van Argus. Geland op Pieria liet hij zich vallen op het zeevlak, en snelde voort over de golven gelijk aan een meeuw, die jacht maakt op vissen op de geduchte deining van de onmetelijke zee en zijn stevige vleugels nat maakt aan het zeewater: daarop gelijkend snelde Hermes voort over de talrijke baren.

Hermes' ontvangst bij Calypso

5; 55-80
Maar toen hij het verafgelegen eiland bereikt had ging hij uit de violetkleurige zee aan land en liep verder tot hij de grote grot bereikte, waarin de nimf met de mooie vlecht woonde; en hij trof haar binnen aan. Een groot vuur vlamde op in de haard en tot ver over het eiland dreef de geur van goedgekloofd hout van ceder en lariks dat lag te branden; en zij ging binnen heen en weer langs het weefgetouw, met mooie stem zingend, en zij weefde met een schietspoel. En een weelderig bos verrees om de grot van populieren en essen en geurende cipressen. Daar nestelden vogels met lange vleugels: uilen en valken en cormoranten met lange tong, zeevogels die hun heil zoeken op zee. En daar, om de ingang van de grot, stond een welige wingerd gespreid, overladen met trossen. Vier bronnen op rij kabbelden met helder water, dicht bij elkaar, maar wegstromend naar verschillende kanten. Rondom stonden malse weiden in bloei met violen en eppe. Daar zou zelfs een onsterfelijke bij aankomst vol bewondering blijven kijken en genot eruit putten. Daar bleef de gids, de doder van Argus, vol bewondering staan. Maar toen hij dan aan alles zich verlustigd had, ging hij af op de brede grot. En maar al te goed herkende hem Calypso, de stralende godin, toen ze hem zag. Want niet zijn de onsterfelijke goden elkaar onbekend, ook niet als er een heel erg ver weg woont.
5; 81-84
Maar de fiere Odysseus trof hij niet binnen, nee, die zat te huilen op zijn vertrouwde plek op het strand, ten prooi aan tranen, treurnis en gezucht. En steeds weer doolde zijn blik met een traan over de onafploegbare zee.
5; 85-94
Maar Calypso, de stralende godin, liet Hermes plaatsnemen in een prachtige, glanzende armstoel en zij vroeg hem: "Hermes met gouden staf, eerbiedwaardig en dierbaar, wat is het doel van je komst? Voorheen toch kwam je hier zelden. Zeg wat je wilt; ik wil niets liever dan aan jou gehoor geven, als dat in mijn macht ligt en het dient te gebeuren. Maar accepteer eerst nog dat ik je gastvrij onthaal". Na deze woorden zette de godin een tafel voor hem neer, en zette die vol godenvoedsel en zij mengde de rode nectar. De gids, de doder van Argus, hij dronk en hij at.

Hermes en Calypso in gesprek

5; 95-115
Maar toen hij gegeten had en zich tegoed gedaan aan de maaltijd, sprak hij haar ten antwoord met de volgende woorden: "Jij, een godin, vraagt mij, een god, naar zijn komst: welnu, ik zal je mijn boodschap naar waarheid vertellen; je vraagt er toch om. Zeus vroeg me hierheen te gaan, zonder dat ik daarop gebrand was, wie zou immers zo onmetelijk zeewater voor zijn plezier oversteken? Zelfs geen stad met mensen in de buurt, die de goden offers brengen van uitgelezen hecatomben. Maar een opdracht van de Aegisvoerende Zeus kan geen andere god op enigerlei wijze negeren of verijdelen. Hij zegt dat een allerongelukkigste man bij jou is, wel de ongelukkigste van de strijders die vochten om Priamus' bolwerk, negen jaar lang, en in het tiende verwoestten zij de stad en trokken weer weg naar huis; maar op hun terugkeer beledigden zij Athena, die een vreselijke storm ontketende met enorme deining. Toen kwamen al zijn dappere mannen om, maar hem dreef de wind en de golven hierheen. Zeus droeg op hem zo snel mogelijk weg te laten gaan; want niet is het hem beschoren hier ver van zijn dierbaren te sterven, maar hij is voorbestemd zijn dierbaren terug te zien en zijn hooggedakte huis te bereiken in zijn vaderland".
5; 116-148
Aldus hij, maar Calypso huiverde, de stralende godin, en zij verhief haar stem en sprak tot hem de gevleugelde woorden: "Hardvochtig zijn jullie, goden, en meer dan anderen jaloers, dat jullie godinnen misgunnen onverholen met sterfelijke mannen te slapen, als iemand hem maakte tot haar bedgenoot. Zo ging het toen de rozevingerige Dageraad Orion verkoos, - zolang misgunden jullie, gemakkelijk levende goden, dat haar totdat de verheven Artemis, op gouden troon gezeten, hem in Ortygia trof met haar illustere pijlen en hem doodde. Zo ging het ook toen Demeter met de schone vlecht, verliefd geworden, ging vrijen met Iasion op een driemaal omploegde akker; dat ontsnapte niet lang aan Zeus' aandacht: die trof hem dodelijk met zijn helwitte bliksem. Zo ook zijn jullie, goden, nu ook jaloers dat een sterveling bij mij verkeert, die ik redde toen hij zich alleen aan de kiel van zijn boot vastklemde, nadat Zeus zijn snelle schip met zijn helwitte bliksem getroffen en doorkliefd had, midden op de wijnkleurige zee. Toen kwamen al zijn dappere mannen om, maar hem voerde wind en golven hierheen. Hem nam ik liefdevol op en hield hem in leven en beloofde hem meermalen onsterfelijk te maken en zonder ouderdom voor altijd. Maar aangezien geen andere god het besluit van de Aegisvoerende Zeus kan omzeilen of saboteren, moet hij maar ophoepelen, als die erop aandringt en het gelast, de onafploegbare zee op; maar ik hem daarbij helpen, dat niet! Ik heb immers geen schepen met roeiwerk en mannen voorhanden, die hem zouden kunnen geleiden over de brede rug van de zee. Maar wel zal ik hem naar vermogen adviseren, zonder voorbehoud, zodat hij wel ongedeerd zijn vaderland zal bereiken". Van zijn kant sprak tot haar de gids, de doder van Argus: "Wel, laat hem nu zo gaan en denk om de wrok van Zeus, laat hij niet in woede je later iets aandoen". Na deze woorden ging de krachtige doder van Argus weer weg.

Calypso en Odysseus in gesprek

5; 149-170
Zij nu, de eerbiedwaardige nimf, ging op weg naar de fiere Odysseus, nu zij de boodschap van Zeus had vernomen. En zij vond hem, gezeten op het strand, nooit waren zijn ogen droog, zonder tranen, zijn zoete leven drupte weg in getreur om zijn terugkeer, want de nimf kon hem niet meer behagen. Maar toch sliep hij 's nachts met haar, zij het uit noodzaak, in de gewelfde grot, tegen zijn zin, omdat zij het wilde. Maar overdag zat hij terneer op rotsen en stranden ten prooi aan tranen, treurnis en gezucht, steeds uitkijkend over de onmetelijke zee onder tranen. De stralende godin kwam naderbij en zei tot hem: "Rampzalige, zit me toch niet langer te treuren en verziek niet je leven, want nu is het zover dat ik je zult laten gaan met mijn instemming. Kom, hak nu flinke stammen en schil ze effen met een mes tot een breed vlot: breng er in de hoogte een dek op aan, zodat het je over de nevelige zee kan vervoeren. Ik zal er voedsel en water en rode wijn op neerzetten om je tegen de honger te beschermen, en ik zal je warm aankleden en een gunstige meewind toezenden, zodat je ongedeerd je vaderland kan bereiken, als de goden, die de wijde hemel bewonen, dat willen, zij zijn me te slim af in hun plan en vervulling".
5; 171-179
Dat zei ze, en huivering overviel de onversaagde, goddelijke Odysseus, en, zijn stem verheffend, sprak hij tot haar de gevleugelde woorden: "Vast iets anders hebt u, godin, hiermee voor en geen thuisgeleide, nu je me opdraagt op een vlot de reusachtige verte van de zee over te steken, een geduchte en moeilijke onderneming; dat volbrengen zelfs niet evenwichtige, snelvarende schepen, begunstigd door Zeus' winden. Zeker niet zal ik tegen jouw wens zo'n vlot op gaan als jij, godin, me geen dure eed wilt zweren, dat je voor mij geen andere plannen voor hebt, vol onheil".
5; 180-200
Dat was zijn reactie, en zij glimlachte, Calypso, de stralende godin, en zij streelde hem met haar hand en sprak met nadruk de woorden: "Je bent toch een scharrelaar, ja, en een slimmerik, zoals je deze bedenking nu weer formuleert. Maar nu moeten getuigen zijn de aarde en de wijde hemel hierboven en ook het water van de Styx hierbeneden, - dit geldt toch als duurste eed voor de gelukzalige goden - dat ik geen andere plannen vol onheil met je voorheb. Nee, alles zal ik bedenken en overwegen, wat ik ook voor mijzelf zou bedenken, wanneer ik zo erg in nood was, ook ik heb een deugdelijk stel hersens en mijn hart hier van binnen is heus niet van ijzer, maar kent mededogen". Na deze woorden ging de stralende godin hem snel voor, en toen zij, de godin en de sterfelijke man, de gewelfde grot hadden bereikt, ging hij daar zitten in de armstoel, waaruit Hermes zopas opgestaan was. En de nimf zette hem allerlei voedsel voor, om te eten en ook om te drinken, waaraan stervelingen gewend zijn. Zelf ging ze zitten tegenover de godgelijke Odysseus en voor haar zetten dienaressen ambrozijn en nectar klaar. Zij nu strekten begerig hun hand uit naar de gereedstaande spijzen.
5; 201-213
Maar toen zij zich verzadigd hadden aan eten en drinken, hervatte Calypso, de stralende godin, het gesprek: "Godgeboren zoon van Laertes, listenrijke Odysseus, Verlang je dus zozeer naar je vaderland, dat je nu direct wilt vertrekken? Wel, vaarwel dan. Maar waarlijk, als je ten volle zou weten hoeveel beproevingen je hebt te doorstaan alvorens je vaderland te bereiken, dan zou je hier blijven en samen met mij dit huis bewonen, en onsterfelijk zijn, hoezeer je er ook naar hunkert je vrouw terug te zien, naar wie je verlangen steeds uitgaat. Werkelijk mag ik wel stellen bij haar niet achter te staan, noch in bouw noch in leest, immers geenszins is het passend dat een sterfelijke in gestalte en uiterlijk godinnen naar de kroon steekt".
5; 214-227
Tot haar sprak ten antwoord de listenrijke Odysseus: "Respectabele godin, neem dit me niet kwalijk: ook ik weet dat alles heel goed, dat de verstandige Penelope je mindere is in uiterlijk en grootte voor wie haar mag aanzien. Zij is immers een sterveling, maar jij een godin met een eeuwige jeugd. Maar toch wil en verlang ik elke dag weer naar huis terug te keren en mijn thuiskomst te beleven. En als weer een van de goden op de wijnkleurige zee tekeer zal gaan, ik zal het verduren met een zwaarbeproefd hart in mijn borst; want al zeer veel tobde ik af en veel moest ik verdragen op zee en in de oorlog; laat dit dan ook maar gebeuren". Dat waren zijn woorden. En de zon ging onder en de schemer trad in. En beiden gingen zij naar achter in de gewelfde grot, en ze genoten het vrijen en sliepen bij elkaar.

Odysseus bouwt een vlot

5; 228-245
Maar toen de vroeggeboren, rozevingerige dageraad aanbrak, trok Odysseus meteen zijn boven- en onderkleed aan, en de nimf hulde zich in een sneeuwwitte mantel, fijn en elegant, een gordel drapeerde ze om haar heupen, een mooie, van goud, en over haar hoofd een sluier. Toen gaf ze haar aandacht aan hulp voor Odysseus: zij gaf hem een grote bijl, die lekker in zijn hand lag, een bronzen, aan weerszijden gewet; en daarin stak een fraaie steel van olijfhout, stevig bevestigd. Ook gaf ze hem een gladgeschaafde dissel; en zij ging hem voor naar de rand van het eiland, waar hoge bomen groeiden, elzen en populieren en ten hemelreikende dennen, al lang dor, heel droog, die gemakkelijk dreven. Maar toen zij had gewezen waar de grote bomen groeiden, ging zij op weg naar huis, Calypso, de stralende godin, hij echter kapte het hout en snel vorderde het werk. Twintig in totaal hakte hij om, en hij werkte ze bij met de dissel, en hij schaafde ze kundig glad en rechtte ze langs het schietlood.
5; 246-261
Intussen had, de stralende godin, boren gebracht; hij boorde nu alles en paste het ineen, en met houten nagels en klampen timmerde hij alles passend vast. Zo breed als een scheepstimmerman, doorkneed in zijn vak, een scheepsbodem uitmeet van een fiks vrachtschip, zo'n breed vaartuig vervaardigde Odysseus. Een dek bracht hij aan, steunend op flink wat stutten en werkte het af met lange palen als reling. Daarop plaatste hij een mast en een ra die daaraan paste en bovendien maakte hij een stuurriem, om koers te houden. Hij omgaf het helemaal rondom met vlechtwerk van twijgen om te fungeren als golfbreker, op de bodem bracht hij een dikke deklaag aan. Intussen had Calypso, de stralende godin, lappen gebracht om zeilen te vervaardigen; en hij wist ook dat knap te maken. Hij maakte er ook stagen en kabels en schoten aan vast, en tenslotte trok hij het over rollen de stralende zee in.

Vertrek vanaf Ogygia

5; 262-281
Er waren nu vier dagen voorbij en op de vijfde was alles klaar. Op die vijfde nu deed de goddelijke Calypso hem uitgeleide, na hem in geurige kleding te hebben gehuld en gewassen. Bovendien gaf de godin hem een zak vol donkere wijn mee, en nog een grote zak water en in een knapzak ook voedsel, voorts gaf ze hem veel lekkere knabbels. En zij liet voor hem een voorspoedige, lauwe bries waaien. Verheugd over die wind hees de stralende Odysseus de zeilen, en koers hield hij kundig, aan de roeiriem gezeten, en niet kreeg slaap de kans op zijn oogleden te vallen terwijl hij opkeek naar de Plejaden en Bootes die laat ondergaat en de Beer met de bijnaam 'Wagen', die op dezelfde plaats ronddraait en Orion beloert, en als enige niet ondergaat in het bad van de Oceaan. Die namelijk ried hem Calypso, de stralende godin, bij het oversteken van de zee links te laten. Zeventien dagen voer hij zo, doorklievend de zee, en op de achttiende dag doemden de beschaduwde bergen op van het land der Phaeaken, waar dat het dichtst naar hem toe lag: het leek als een schild te liggen op de nevelige zee.

Poseidon slaat toe

5; 282-296
Maar hem zag de machtige aardschudder uit de verte vanaf het gebergte van de Solymiers op zijn terugreis van de Ethiopiers: hij kreeg in de gaten dat Odysseus op zee voer en werd buitengewoon woedend. Hoofdschuddend morde hij in zichzelf: "Oh wee, daar hebben de goden een heel ander besluit genomen over Odysseus, terwijl ik bij de Ethiopiers was, hij is zelfs al dichtbij het land der Phaeaken, waar het hem beschikt is te ontkomen aan de strop van ellende die hem ten deel valt. Maar ik denk hem nog voldoende te pakken te krijgen". Met deze woorden verzamelde hij wolken en bracht hij de zee in beroering, na zijn drietand ter hand genomen te hebben; en hij wekte de stormen van alle windstreken: zowel de aarde als de zee hulde hij in mist, en nacht viel neer uit de hemel. Oosten- en Zuidenwind botsten opeen en ook een huilende Westenwind, en die uit het Noorden, zijn oorsprong hoog in de hemel, met grote deining.
5; 297-332
Toen dan begonnen de knieen en het hart van Odysseus te sidderen, en verontwaardigd sprak hij knarsetandend in zichzelf: "Ach, ik rampzalige, wat moet mij nu tenslotte nog overkomen? Ik vrees dat de godin toch wel de waarheid sprak, toen zij zei dat ik het op zee voor m'n kiezen zou krijgen, alvorens mijn vaderland te bereiken; ja, dat zal nu wel in vervulling gaan. Met wat voor wolken schermt Zeus de wijde hemel niet af, brengt de zee in verwarring, en stormen uit alle windrichtingen steken op. Nu staat voor mij het steile verderf wel vast. Drie, ja vier maal gelukzalig de Grieken, die indertijd omkwamen in het weidse Troje om de zonen van Atreus te helpen. Was ik toen maar gestorven en was toen maar mijn lot bezegeld, op die dag toen een zwerm Trojanen hun kopergepunte lansen naar mij wierpen bij de verdediging van Peleus' gesneuvelde zoon. Dan was ik passend begraven en mijn roem hadden de Grieken verbreid; maar nu is het beschikt dat ik door een smadelijke dood wordt besprongen". Nog tijdens deze overweging brak een enorme golf op hem neer, verschrikkelijk toeslaand, en hij deed zijn vaartuig tollen. Ver van zijn vlot kwam hij zelf in zee, en de stuurriem was uit zijn handen geglipt; maar de orkaan met de kracht van wind over wind in de aanslag brak de mast middendoor, en ver weg kwam het zeil en de ra in de zee terecht. Hij duwde hem lang kopje onder, niet was hij bij machte zich erg snel op te werken van onder het aanstormende geweld van een golf, want de kleren die de goddelijke Calypso hem gaf, maakten hem zwaar. Maar uiteindelijk kwam hij weer boven en spuugde uit zijn maag het bitterzout water, dat in overvloed van zijn hoofd gutste. Toch was hij bedacht op het vlot, hoezeer ook in het nauw, klauwde erheen in de golven en wist het te grijpen, en midden erop zeeg hij neer in een poging het doodseinde te ontkomen. Maar de enorme deining sleurde dat van hot naar haar met de stroom mee. En zoals wanneer de Noordenwind in het najaar distels meesleurt door de vlakte, en in een drom klitten ze vast aan elkaar, zo sleepten de winden het vlot van hier weer naar daar; nu eens wierp de Zuidenwind haar toe aan Boreas als speelbal dan weer gaf de Oostenwind het aan de Wester om erop te jagen.

Hulp van Leucothea

5; 333-364
Hem nu zag de dochter van Cadmus, Ino met mooie enkels, die voorheen een sterveling met mensentaal was, maar nu als Leucothea, goddelijke eer deelachtig is in de vlakten der zee. Zij kreeg medelijden met Odysseus die daar ronddreef in kommer en kwel. Als een waterhoen fladderend dook zij op uit de golven, nam plaats op het vlot met zijn vele verbindingen en zei: "Ongelukkige, waarom toch werd de aardschudder Poseidon zo verschrikkelijk kwaad op jou, dat hij je zoveel ellende bezorgt? Toch zal hij je niet om kunnen brengen, hoe zeer hij ook raast. Maar ga als volgt te werk, - en ik denk dat je niet onverstandig bent - trek uit die kleren en verlaat het vlot, een speelbal der winden, neem door te zwemmen eigenhandig je terugtocht ter hand, het land der Phaeaken, waar het je lot is te overleven. Hier, bind deze hoofdband onder je borst, een goddelijke: dan hoef je niet meer te vrezen voor lijden en dood. Maar als je eigenhandig het land zult raken, maak hem dan weer los en werp hem in de wijnkleurige zee, ver van het land, maar wend zelf je hoofd af naar de andere kant". Na deze woorden gaf de godin hem een hoofdband, en zelf dook ze weer onder in de golvende zee, een waterhoen gelijk, en de donkere deining bedekte haar. Maar hij, de onversaagde, stralende Odysseus, wond zich op en sprak tot zichzelf: "Wee mij, als maar niet weer een van de onsterfelijken me een loer draait, met dat advies om mijn vlot te verlaten. Nee, ik ga hier niet voetstoots op in, aangezien ik met eigen ogen gezien heb dat het land heel ver weg is, waar men zegt dat mij een toevlucht wacht. Nee, dit zal ik doen, en mij lijkt het zo het beste: zolang de balken nog redelijk aan elkaar passen, zolang zal ik hier blijven en de ellende trotseren; maar als de golven mijn vlot ruïneren, dan ga ik zwemmen, want iets beters kan ik nu niet verzinnen".

Schipbreuk

5; 365-381
Terwijl hij dit nog aan het overwegen was in zijn binnenste, bracht de aardschudder Poseidon een monsterlijke golf teweeg, reusachtig angstwekkend, als een dak, en die stortte hij op hem neer. En zoals een ziedende wind een hoop droog kaf door elkaar schudt, en het verspreidt naar alle kanten: zo reet hij de forse balken uiteen van het vlot. Maar Odysseus sloeg zijn benen om één van die balken, alsof hij een renpaard beklom, en wrong zich de kleren van het lijf die de goddelijke Calypso hem gaf. Meteen bond hij de hoofdband onder zijn borst en dook voorover in zee, en sloeg zijn armen uit, verlangend te zwemmen. Maar dat zag de machtige aardschudder, en hoofdschuddend zei hij tegen zichzelf: "Zwalk nu maar rond in ellende over zee, totdat je weer terechtkomt onder de door de goden gevoede mensen. Maar toch hoop ik dat je ook dan nog niet af bent van je ellende". Na deze woorden legde hij zijn zweep over zijn paarden met mooie manen, En hij kwam aan op Aegae, waar zijn vermaarde paleis staat.
5; 382-387
Athena, echter, de dochter van Zeus, bedacht andere zaken. Zij slaagde erin het geraas van de andere winden te temmen, want zij beval allen te kalmeren en te gaan liggen; maar zij wakkerde de snelle Boreas aan en brak de golven op zijn weg, opdat hij bij de roeiriemminnende Phaeaken terechtkomen zou, de goddelijke Odysseus, ontkomen aan doodslot en verderf.

Een hopeloze situatie

5; 388-435
Toen dreef hij twee nachten en dagen rond in de aanhoudende deining en vaak zag hij in zijn gemoed de dood vóór zich. Maar toen de Dageraad met mooie lokken de derde dag in gang had gezet, toen ging de wind liggen en een windstille rust trad in en de zee kalmeerde. Hij nu zag vlakbij land, als hij tenminste scherp tuurde, opgetild door een grote golf. En zoals voor kinderen de opleving van hun vader vreugde geeft - hij ligt ziek neer en lijdt hevige pijnen, lange tijd wegterend terwijl een gruwelijke demon hem kwelde, maar, wat een vreugde, de goden wekten hem toch weer op uit zijn lijden, - zo verheugend verscheen voor Odysseus het land en het bos, en hij zwom, zwom vol verlangen om te voet het land te betreden. Maar toen hij zo dichtbij was gekomen als een stem dragen kan en het tumult kon horen van de zee tegen de klippen, - want dierlijk huilend brak de hoge branding stuk op het droge land en alles werd gehuld in schuim van het water; er waren daar namelijk geen havens als hoeders van schepen, geen pieren, nee, slechts vooruitspringende kapen en klippen en riffen - toen dan begaven zijn knieen het en zijn hart, en verontwaardigd sprak hij tot zichzelf: "Wee mij, eerst gunde Zeus mij, boven verwachting, land in zicht te krijgen, en nu ik eindelijk deze diepte over ben gezwommen, is er nergens een mogelijkheid te bespeuren om de grauwe zee te ontkomen. Vanaf het land lopen scherpe klippen, waaromheen de golven brullen, en een gladde rotswand rijst daaruit omhoog, diep is de zee vóór de kust, en niet is het mogelijk op twee benen te staan en deze ramp te ontkomen. Ik vrees dat een grijpgrage golf mij, als ik tegen de wal opklauter, tegen de scherpe rotsen smijt: zo'n poging zal me fataal zijn. Maar als ik nog verder langs de kust zwem, in de hoop ergens een strand te vinden, niet blootgesteld aan de branding, beschut tegen zee dan, ben ik bang, zal de storm mij weer de visrijke zee op sleuren, hoe hard ik ook jammer; of zal een machtige demon een zeemonster op mij afsturen, zoals de befaamde Amphitrite er in groten getale op na houdt; want ik weet maar al te goed hoe de vermaarde aardschudder mij haat". Terwijl hij dat nog overwoog in zijn binnenste, droeg een grote golf hem mee naar de kust met zijn rotsen. Daar zou zijn huid zeker weggeschaafd zijn en zijn botten verbrijzeld, als niet de godin, de felogige Athena, hem ingegeven had: grijp in de botsing met beide armen een rotspunt, daar hield hij zich steunend aan vast, tot de vloedgolf weer over was zo wist hij wel te ontkomen, maar bij terugkomst trof de golf hem opnieuw met geweld en slingerde hem ver weg de zee in. Zoals wanneer een poliep, uit zijn schuilplaats getrokken, dicht bezet is met steentjes aan zijn zuignappen, zo kleefden, afgeschaafd van zijn stevige armen, stukken huid aan de rotsen: zelf ging hij weer onder in de deining.

Scheria toch nog bereikt

5; 436-457
Toen was de ongelukkige Odysseus, het noodlot ten spijt, omgekomen, als niet de felogige Athena hem een ingeving had gegeven. Weer boven water, dat bulderde tegen de kust, zwom hij buiten de branding langs de kust, turend naar het land, in de hoop ergens een strand in de luwte te vinden en beschutting tegen het geweld van de zee. Toen hij, al zwemmend, de monding bereikte van een mooie rivier, leek het hem daar de beste plek, vrij van rotsen en er was een schuilplaats tegen de wind. Hij zag de stroom voortvloeien en bad vurig: "Verhoor mij, heer, wie gij ook zijt: ik wend me tot u als allerwelkomst, vluchtend uit zee voor Poseidon’s bedreigingen. Respectabel toch is ook in de ogen der onsterfelijke goden, iedereen die als zwerver komt met een hulpvraag, zoals ook ik nu uw stroom als uw knieen omhels na veel ellende doorstaan te hebben. Heb dan mededogen, heer: ik mag mij uw smekeling noemen". Zo sprak hij, en hij hield onmiddellijk zijn stroom in, en kalmeerde de golving, en vóór hem effende hij het watervlak, en bracht hem zo ongedeerd naar de monding van de rivier. En hij boog allebei zijn knieen en zijn stevige handen. Want zijn hart had geleden onder het geweld van de zee. Zijn hele huid was gezwollen en stromen zeewater borrelden op naar zijn mond en neus. Buiten adem en sprakeloos lag hij in onmacht, en een mateloze moeheid maakte zich van hem meester.
5; 358-435
Maar toen hij eindelijk herademde en zijn geestkracht herleefde, maakte hij de hoofdband van de godheid weer los en liet hem vallen in de rivier die naar zee stroomde. Snel droeg een grote golf hem stroomafwaarts en Ino nam hem direct in haar handen. Odysseus kroop weg van de rivier, zeeg neer tussen de biezen en kuste de vruchtbare aarde. En verontwaardigd sprak hij in zijn binnenste: "Ach ik, wat overkomt mij? Wat ga ik nu tenslotte nog beleven? Als ik hier bij de rivier de kommervolle nacht blijf waken, ben ik bang dat de bijtende kou en de kille dauw zo vlak na die flauwte mijn verzwakte leven zal doven; en een koude wind blaast vóór de dageraad vanuit de rivier. Maar als ik tegen de oever omhoog ga het lommerrijke bos in, en me neerleg in het dichte kreupelhout en dan koude en moeheid me met rust laten en een zoete slaap mij overvalt, ik vrees dat ik dan voor wilde dieren een prooi en aas zal worden". Terwijl hij deze afweging maakte besloot hij dat dit toch het beste was: hij ging op weg naar het bos, en hij vond het dichtbij het water op een open plek; hij stootte daar op een tweetal struiken, op dezelfde plaats opgeschoten, de één een duindoorn, de ander een olijf. Tussen hen door waaide geen vlaag vochtige wind noch drong ooit de gloeiende zon met haar stralen daar door, ook geen regen kwam erdoorheen: zo dicht waren zij in elkaar verstrengeld: daaronder bukte Odysseus zich. Een leger fatsoeneerde hij met zijn handen, een breed, want een dikke laag bladeren lag verspreid op de grond, zoveel als het wel twee of drie mannen in het winterseizoen had bedekt, ook al was de kou nog zo bijtend. De onversaagde, stralende Odysseus werd verheugd toen hij dit zag, midden op ging hij liggen en schepte een stortvloed van bladeren op zich Zoals wanneer men een vonk verbergt onder donkere as, aan de rand van zijn land, als men geen anderen als buur heeft, een kiem voor vuur bewarend, om het niet bij anderen te hoeven ontsteken, zo bedekte zich Odysseus met bladeren. En Athena strooide een slaap uit over zijn ogen, opdat hij hem zo gauw mogelijk zou bevrijden van zijn zware vermoeidheid, zijn oogleden sluitend.

06. Nausicaa

Athena verschijnt aan Nausicaa

6; 1-47
Zó lag hij daar te slapen, de onversaagde, voortreffelijke Odysseus, door slaap en uitputting overmand; maar Athena ging naar het land en de stad der Phaeaken. Zij woonden voorheen in Hypereia, met weidse dansplaatsen, dicht bij de Cyclopen, arrogante kerels, die hen steeds te na kwamen en te gewelddadig waren. Van daar voerde de godgelijkende Nausithous hen weg en vestigde hen op Scheria, ver van de graanetende mensen; en hij trok een ringmuur op om de stad en bouwde zich huizen, en tempels richtte hij in voor de goden en verdeelde het bouwland. Maar deze was, overweldigd door de doodsdemon, naar de Hades, en Alcinous regeerde toen, met gedachten ontleent aan de goden. Naar diens paleis begaf zich de godin Athena met de felle blik, de terugkeer beramend voor de fiere Odysseus. Zij ging dan naar de rijkversierde kamer, waarin een meisje sliep, de godinnen gelijk in gestalte en uiterlijk, Nausicaa, de dochter van de fiere Alcinous, en bij haar twee dienaressen met schoonheid ontleend aan de Gratien, aan weerszijden van de posten; de schitterende deuren waren toe. Zij snelde af op het ledikant van het meisje, als een adem van wind, en ging staan aan het hoofdeinde en sprak tot haar een vermaning, in de gedaante van de dochter van de beroemde zeevaarder Dymas, die een leeftijdgenootje van haar was en een boezemvriendin. Op haar nu gelijkend sprak Athena met de fonkelende ogen: "Nausicaa, hoe kreeg jouw moeder in jou zo'n slordige dochter? je glanzende kleren liggen er verwaarloosd bij, terwijl je bruiloft ophanden is, waarbij jij zelf toch schone kleren aan moet en andere moet geven aan hen die je zullen begeleiden. Hieruit komt toch een goede reputatie voort bij de mensen, en je vader en eerbiedwaardige moeder zijn dan opgetogen. Maar laten wij bij zonsopgang gaan wassen, dan zal ik met je meegaan om te helpen, opdat je zo gauw mogelijk klaar bent, immers niet lang meer zul je ongehuwd zijn want reeds dingen naar jou de voornaamsten van alle Phaeaken in het land, waar je ook zelf door geboorte thuishoort. Maar kom, vraag je vermaarde vader om vóór de ochtend een wagen met muilezels in te laten spannen om de hemden en kleren en schitterende slopen te vervoeren. En ook voor jouzelf zal het passender zijn zó te gaan dan te voet; want de wasputten zijn ver van de stad. Na deze woorden ging de helderogige Athena weg naar de Olympus, waar, naar men zegt, de altijd onwrikbare zetel der goden is; nooit wordt die door winden geschokt noch door noodweer, noch valt er ooit sneeuw op, maar een heldere atmosfeer ligt er wolkeloos over uitgespreid, en een witte glans hangt daarover. Daarop amuseren zich alle dagen de gelukzalige goden; en daarheen vertrok de felogige, na de instructies aan het meisje.

Nausicaa en Alcinous

6; 48-70
Direct daarop brak, de hemel rood kleurend, de dageraad aan, die haar wekte, Nausicaa met mooie kleren, en direct verbaasde ze zich over haar droom, en ze ging op weg door het paleis om het haar ouders te vertellen. Haar vader en moeder; en ze trof hen binnen; moeder zat bij de haard met haar dienaressen de sprankelende wol draaiend aan het spinrokken; vader ontmoette ze bij de deur, op weg naar een vergadering van de vermaarde vorsten, waarheen de fiere Phaeaken hem opriepen. Zij nu kwam naar hem toe en zei tegen haar vader: "Vadertje van me, wil je me niet eens de ezelwagen in laten spannen? De hoge, met zijn goede wielen, opdat ik naar de rivier kan brengen de prachtige kleren, die daar nu maar vuil liggen, om te wassen? Ook u zelf past het tussen de voornaamsten te vergaderen met schone kleren aan uw lijf, en dan hebt u nog vijf zonen, die in het paleis leven, twee al getrouwd, en drie vrije jongens in de bloei van hun jeugd; die willen altijd met pas gewassen kleren gaan dansen; voor dat alles heb ik te zorgen". Dat zei ze, want ze geneerde zich om tegen haar vader ronduit te spreken over een huwelijk ophanden. Maar hij begreep alles en antwoordde haar: "Natuurlijk mag je, mijn kind, van mij de wagen gebruiken, en al wat je wilt. Ga gerust; de slaven zullen voor jou de wagen klaar maken, de hoge, met goede wielen, voorzien van een opstand".
6; 71-84
Na deze woorden gaf hij zijn bevelen aan de slaven, en die gaven gehoor: zij maakten buiten de soepel lopende muilezelwagen klaar, en leidden de ezels er onder en spanden ze onder het juk; en het meisje bracht uit de kamer de prachtige kleding, en legde die op de gladgepolijste wagen. En haar moeder legde een royale picknick in een mand,van alles wat, en ook broodbeleg, en wijn goot ze in een geitenleren zak; het meisje klom op de wagen. En zij gaf vloeibare olijfolie in een gouden vaasje, om zich te zalven, samen met de dienaressen. En zij pakte de zweep en de glanzende teugels, en zette ze aan om te trekken; en geklikklak klonk op van de beide ezels. En zij draafden nijver en vervoerden de kleding en haarzelf, niet alleen, met haar mee gingen ook de anderen, dienaressen.

Odysseus ontwaakt

6; 85-109
Toen zij nu de zeer heldere stroom van de rivier bereikten, waar de wasputten lagen, altijd van water voorzien - veel schoon water borrelde op, zodat je ook erg vuile kleding kon wassen - toen spanden zij de muilezels los van onder de wagen; en zij joegen ze voort langs de kolkrijke rivier zodat ze honingzoet gras konden grazen. Zelf namen ze de kleren van de wagen en droegen ze naar het donkere water, en zij stampten ze rap in de kuilen in wedijver. Maar toen zij gewassen en al het vuil verwijderd hadden, spreidden zij ze naast elkaar uit langs het strand van de zee, waar de zee het meest op de oeversteentjes slaat. Toen zij zichzelf gewassen hadden en ingevet met de olijfolie, gingen ze vervolgens picknicken langs de oever van de rivier, en zij wachtten het drogen van de kleren door de zonnestraling af. Maar toen zij naar hartelust gegeten hadden, de slavinnen en zijzelf, speelden zij met een bal na hun hoofddoeken afgedaan te hebben; en onder hen hief de blankarmige Nausicaa een lied aan. Zo mooi nu als Artemis trekt door de bergen, pijlen afschietend, hetzij door de zeer lange Taygetus ofwel de Erymanthus, zich vermakend met wilde zwijnen en snelle hinden - en met haar spelen nimfen, dochters van de Aegis voerende Zeus, wonend op het land - en in haar hart verheugt zich Nausicaa; boven allen uit verheft zij haar hoofd en haar voorhoofd, en gemakkelijk is zij te herkennen, hoewel zij allemaal mooi zijn: zó blonk het ongehuwde meisje uit onder de dienaressen.
6; 110-147
Maar toen zijn nu van plan was terug te keren naar huis na de muilezels ingespannen te hebben en de mooie kleren gevouwen, toen vatte de godin Athena met de felle blik een andere gedachte op, dat Odysseus wakker zou worden en het aanvallige meisje zou zien, opdat zij zijn gids zou zijn naar de stad der Phaeaken. En prompt wierp de prinses de bal naar een dienares maar die miste ze en hij viel in een diepe draaikolk; en zij slaakten luid kreten en de stralende Odysseus werd wakker, hij ging overeind zitten en overwoog in geest en gemoed: "Ach, arme ik, in het land van wat voor stervelingen ben ik nu weer? Zijn het overmoedigen en wilden zonder beschaving, of is hun houding gastvrij en godvrezend? Als van meisjes klonken om me heen vrouwenkreten van nimfen die de steile toppen van bergen bewonen en bronnen van stromen en grasrijke beemden. Bevind ik me ergens dichtbij met stemgeluid begiftigde mensen? Maar kom, laat ik zelf op onderzoek uitgaan en kijken". Na deze overwegingen dook de goddelijke Odysseus op uit de struiken, en met zijn robuuste hand brak hij een tak uit het dichte bosje, vol bladeren, om zijn geslachtsdelen te bedekken. En hij liep als een leeuw, opgegroeid in de bergen, bewust van zijn kracht, die gaat door regen en wind, en zijn beide ogen fonkelen; en hij komt terecht tussen runderen of schapen of maakt jacht op wilde herten want zijn maag dwingt hem geiten aan te vallen en tot bij een stevig gebouwd huis te komen: zo stond Odysseus op het punt zich te begeven onder de meisjes met mooie vlechten, hoewel hij naakt was, want nood dwong hem. Vreselijk zag hij er uit in hun ogen, toegetakeld door het zeewater, en zij stoven uiteen naar alle kanten, in zee stekende landtongen op; alleen Alcinous' dochter bleef staan, want bij haar legde Athena durf in haar hart en zij nam de vrees weg uit haar leden. Dus vatte zij moed en bleef staan tegenover hem. Odysseus vroeg zich af of hij smekend het mooie meisje bij de knieen zou vatten, of beter zo op afstand zou smeken met vriendelijke woorden, of ze hem de stad wilde wijzen en kleding geven. En, aarzelend, leek het hem zó toch het gunstigst te zijn: op afstand te smeken met vriendelijke woorden, uit angst dat hij het meisje boos zou maken door het aanraken van haar knieen.

Odysseus en Nausicaa

6; 110-185
Daarop sprak hij de vriendelijke en nuttige begroeting: "Als smekeling kom ik tot u, verhevene; bent u een godin of een sterveling? Indien een godin, zoals die de wijde hemel bewonen, dan acht ik u het meest gelijkend op Artemis, dochter van grote Zeus, in uiterlijk en grootte en lichaamsbouw; maar als u 'n sterveling bent, zoals die op aarde wonen, driemaal gelukkig uw vader en respectabele moeder, en drie maal gelukzalig uw broers; hun hart springt wel altijd op in vreugde om u, wanneer zij een dergelijke spruit naar de dansplaats zien gaan. Maar híj is wel verreweg meer gelukzalig dan de anderen, die u naar zijn huis zal voeren, na een wedstrijd in bruidschatten. Nog nooit immers zagen mijn ogen zo'n sterveling, geen man en geen vrouw, en ontzag bevangt mij nu ik u aanzie. Ooit ja, op Delos zag ik bij het altaar van Apollo een jonge stam van een palmboom oprijzen; want ook daar ging ik heen, en veel mannen vergezelden mij, op die tocht waar veel leed mij zou overkomen; juist zó stond ik ook, bij het zien dáárvan, van huiver vervuld, lange tijd, want nog nooit groeide zo'n stam op uit de aarde, zoals ik nu u, vrouw, met ontzag bewonder, en ik deins ervoor terug uw knieen te omhelzen maar nijpende nood overvalt me. Gisteren ontkwam ik na twintig dagen de wijnkleurige zee; zo lang voerden mij constant de golven en snelle windvlagen weg van het eiland Ogygia; en nu wierp een god mij aan land, hier, om ook hier nog wel te lijden te krijgen, want niet denk ik dat het zal stoppen, nee, veel laten de goden eerst nog gebeuren. Maar, verhevene, heb deernis; u toch bent de eerste die ik ontmoet na veel ellende doorstaan te hebben, en van de andere mensen die deze streek van de aarde bewonen, ken ik niemand. Wijs mij de stad, en schenk mij een lap om me in te steken, als u misschien een omhulsel van de kleren had toen u hierheen kwam. Mogen de goden u geven al wat u verlangt in uw hart: een man en een huis, en een nobele eendracht; want iets beters en verkieslijker dan dit is er niet: dat een man en een vrouw eensgezind hun huis bewonen; een doorn in het oog van hun vijand en vreugde voor hun vrienden maar zelf hebben ze er het meest weet van".
6; 186-210
Tot hem nu sprak de blankarmige Nausicaa ten antwoord: "Vreemdeling, daar je geen lomp of dwaas man lijkt: Zeus de Olympier deelt geluk naar eigen goeddunken toe aan de mensen, goeden en slechten, aan ieder al naar Hij wil; en hij gaf jou nu dit, en jij moet het daar dan mee doen. Maar, nu je onze stad en ons land hebt bereikt, zal het je niet aan kleding ontbreken noch aan iets anders, wat past dat een beproefde smekeling krijgt, die bij ons terecht komt. En de stad zal ik je tonen, en je de naam van de bevolking zeggen. Phaeaken bewonen deze stad en dit land, en ik ben de dochter van de grootmoedige Alcinous, die bij de Phaeaken macht heeft en invloed". Dat zei ze en ze beval aan haar dienaressen met de mooie vlechten: "Blijf toch staan, meiden! Waarheen vluchten bij het zien van deze man? Jullie denken toch niet dat het een schurk is of zo? Niet bestaat er zo'n verworpeling en die zal ook niet geboren worden, die naar het land der Phaeaken zal komen met kwaad in de zin; want wij zijn geliefd bij de onsterfelijken. En wij leven ver weg in de luidklotsende zee, in afzondering, en geen andere sterveling komt in aanraking met ons. Nee, deze man komt hier als een ongelukkige zwerver, waarover wij ons nu moeten ontfermen, want onder Zeus' hoede staan alle vreemden en bedelaars, en een vriendelijke gave is een kleine moeite. Maar geef, dienaressen, de vreemdeling eten en drinken, en was hem in de rivier, waar een plaats is in de luwte".
6; 211-235
Dat zei ze, en zij bleven staan en spraken elkaar moed in, en zij verzochten Odysseus te gaan zitten op een plaats in de luwte zoals zij beval, Nausicaa, de dochter van de groothartige Alcinous en zij legden een mantel bij hem neer en een chiton als kleding, en zij gaven hem de vloeiende olijfolie in het gouden vaasje, En zij spoorden hem aan zich te wassen in de stromende rivier. Toen dan zei de stralende Odysseus tussen de dienaressen: "Gedienstigen, ga nu wat verderop staan, zodat ik zelf het zilt van mijn schouders kan wassen, en me rondom met olijfolie kan insmeren; want lang al heeft het mijn huid aan verzorging ontbroken. Maar voor jullie ogen zal ik me niet wassen, want ik geneer me naakt te zijn nu ik bij meisjes met mooie vlechten terecht ben gekomen". Dat zei hij, en zij gingen weg en vertelden het uiteraard aan het meisje. Maar hij, de stralende Odysseus, waste zijn lichaam met water uit de rivier de zilte aanslag die zijn rug en brede schouders overdekte, en hij streek vanaf zijn hoofd het vuil van de onafploegbare zee. Maar toen hij zich helemaal gewassen had en glanzend gezalfd, hulde hij zich in de kleren die het ongehuwde meisje hem gegeven had. En Athena, geboren uit Zeus, maakte hem groter om te zien en robuuster, en vanaf zijn hoofd liet zij zijn lokken krullend neergolven, als bij een hyacintenbloem. En zoals wanneer een vaardig vakman goud rondom zilver aanbrengt, - iemand die Hephaistos en Pallas Athena allerlei vaardigheden bijgebracht hebben, zodoende maakt hij prachtige werkstukken, - zó nu goot zij bij hem elegantie uit over hoofd en schouders.
6; 236-250
Toen ging hij naar het zeestrand en zette zich neer op enige afstand, druipend van schoonheid en charme; en het meisje bezag hem, vol bewondering. En toen sprak zij dan tot haar dienaressen: "Neem van mij aan, blankarmige dienaressen, wat ik ga zeggen; volgens de wil, heus, van alle goden, die de Olympus bewonen, komt deze man terecht onder de Phaeaken, die opbieden tegen de goden; want zojuist nog scheen hij mij toe afzichtelijk te zijn, maar nu lijkt hij wel op de goden, die de wijde hemel bewonen. Ach, mocht toch iemand als hij hier mijn echtgenoot heten, iemand die hier woont en mocht hij hier willen blijven. Toe, dienaressen, geef onze gastvriend eten en drinken". Dat zei ze, en zij gaven haar gehoor en voegden de daad bij haar woord, en zij zetten dan bij Odysseus eten en drinken. En nu dan at gretig de onversaagde, goddelijke Odysseus, en dronk, want al te lang had hij geen eten en drinken gehad.

Nausicaa maakt Odysseus wegwijs

6; 251-331
Maar de blankarmige Nausicaa was met haar gedachten bij andere zaken; ze vouwde namelijk de kleren en legde ze op de mooie wagen, en spande de ezels met sterke hoeven in, en klom er zelf op, en ze spoorde Odysseus aan, nam het woord en zei: "Sta nu op, gast, om naar de stad te gaan opdat ik je breng naar het huis van mijn wijze vader, waar ik denk dat je van alle Phaeaken zult leren kennen al wie van belang zijn. Maar ga wel als volgt te werk, en dat zul je wel, dunkt me, begrijpen: zolang wij door het akkerland gaan, de werkplek van de mensen, loop zo lang met de dienaressen rap achter de muilezelkar; en ik zal vóór jullie uit gaan als gids. Maar als we binnen de stad komen, waaromheen een hoge muur staat met torens, en een mooie haven ligt aan weerszijden van de stad, en de toegangsweg is maar smal: schepen, aan beide zijden gekruld, liggen op de weg getrokken; want voor iedereen is er een ligplaats. Daar is hun markt, aan weerszijden van een mooi Poseidon altaar, afgebakend met ingegraven stenen die er met touwen heen gesleept zijn. Daar zijn ze bezig met tuigage voor de zwartgeteerde schepen, kabels en zeilen, en ze scherpen de riemen. Niet immers lopen Phaeaken warm voor pijlkoker en boog, maar masten en riemen voor schepen en boten, goed in balans, daarop pronkend doorklieven zij de grauwgrijze zee. Van hen probeer ik de niets ontziende roddel te vermijden, uit angst dat iemand mij later hoont; want onder het volk zijn praatjesmakers, en nu zou wel 'n sujet, als hij ons tegenkomt, kunnen zeggen: "Wat loopt hier voor vreemde snuiter bij Nausicaa, mooi en groot? Waar heeft ze die op de kop getikt? Dat zal wel haar man worden. Ze heeft zeker iemand die afgedwaald was van zijn schip meegenomen, eentje van ver, want in de buurt heb je ze zo niet; of kwam er een vurig verlangde god op haar gebed afgedaald uit de hemel, en mag die haar voor altijd bezitten? Ja, het was wel beter dat ze op eigen houtje op zoek ging naar een man uit Verweggistan, want voor eigen volk en mannen van hier, de Phaeaken, haalt ze haar neus op, toch willen die haar wel, velen van hoge komaf". Zo zal ik over de tong gaan, voor mij zal dat schande betekenen. Ook ik keur dat af bij een ander meisje wanneer zij zo handelt, zonder toestemming van de haren, terwijl haar vader en moeder nog leven, om te gaan met mannen, voordat het tot een openlijk huwelijk is gekomen. Vriend, let nu goed op mijn woorden, opdat je zo gauw mogelijk een geleide kunt krijgen van mijn vader voor je terugkeer. Je zult een prachtig bos zwarte populieren aantreffen, gewijd aan Athena, vlak bij de weg; en erin ligt een bron met een weide eromheen; daar ligt een stuk land van mijn vader, met een welige boomgaard, zover van de stad als is te beroepen. Blijf daar zo lang wachten, totdat wij zijn aangekomen in de binnenstad en we bij vaders paleis zijn beland. Maar als je verwacht dat wij thuis zijn gekomen, ga dan ook naar de stad der Phaeaken en vraag naar het huis van mijn vader, de grootmoedige Alcinous. Het is heel makkelijk te herkennen, zelfs een klein kind kan het wijzen, want het lijkt in bouw niet op de doorsnee huizen van de Phaeaken, zo apart is het huis van Alcinous, de held. Maar als je binnen het hof en het huis bent gekomen, loop dan vlug de grote zaal door, totdat je komt bij mijn moeder, die zit altijd bij de haard in de gloed van het vuur, de sprankelende wol draaiend aan het spinrokken, prachtig om te zien, geleund tegen een zuil; en slavinnen zitten er bij haar. Daar staat de zetel van mijn vader, geleund tegen de hare, waarop hij zit als hij wijn drinkt, een onsterfelijke gelijk. Hem moet je voorbijgaan en de knieen van ons moeder omarmen, als je de dag van behouden thuiskomst wilt beleven, snel tot je vreugde, ook al ben je van heel ver. Als zij nu jou in haar hart welgezind is, dan is er hoop voor jou om je dierbaren terug te zien, je goed gebouwde huis te bereiken en je vaderland". Na deze woorden gaf zij de muilezels een tik met de glanzende zweep; en die lieten snel de stromen van de rivier achter zich; gewillig draafden ze voort, gewillig ook stapten zij met hun poten; en zij stuurde behendig, opdat zij te voet haar bij konden houden, de dienaressen en Odysseus, met beleid stuurde zij de dieren. En de zon ging al onder, toen ze het vermaarde bos bereikten, gewijd aan Athena, waar natuurlijk de stralende Odysseus ging zitten. Terstond bad hij tot de dochter van de grote Zeus: "Aanhoor mij, kind van de Aegisvoerende Zeus, van de Onvermoeibare, geef nu dan gehoor aan mij, na dat tevoren nooit gedaan te hebben, toen ik schipbreuk leed en de aardschokker mij naar de kelder joeg laat mij als vriend onder de Phaeaken belanden, een deerniswekkende". Dat zei hij in gebed, en Pallas Athena verhoorde hem; maar nog niet vertoonde ze zich in eigen persoon aan hem; zij had immers ontzag voor haar oom, die bovenmate vertoornd was op de goddelijke Odysseus, voordat die zijn land weer bereikte.

07. Bij de Phaeaken

Nausicaa terug naar huis

7; 1-13
Zo dan bad daar de onversaagde, stralende Odysseus, en de sterke muilezels brachten het meisje de stad in. Toen zij het vermaarde paleis van haar vader bereikt had, hield ze halt in het voorhof, en haar broers kwamen om haar heen staan, gelijkend op de onsterfelijken, en van onder de wagen spanden zij de muildieren uit en ze droegen de kleding naar binnen. Zelf ging ze naar haar kamer; voor haar stak een vuur aan een oude vrouw uit Aperaea, haar kamenierster Eurymedusa, die schepen, aan weerszijden gebogen, ooit meebrachten uit Aperaea, en men gaf haar aan Alcinous ten geschenke, omdat hij over alle Phaeaken koning was, en als naar een god luisterde het volk naar hem, zij zorgde voor de blankarmige Nausicaa in het paleis, en zij maakte een vuur voor haar aan en bracht het avondmaal binnen.

Athena instrueert Odysseus

7; 14-26
Toen ook ging Odysseus op weg naar de stad, en Athena goot, Odysseus welgezind, een dichte nevel om hem uit, opdat niet iemand van de trotse Phaeaken bij een ontmoeting hem zou grieven met smalende woorden en zou vragen wie hij toch was. Toen hij nu op het punt stond de bekoorlijke stad in te gaan, trad hem de godin, de grijsogige Athena, tegemoet in de gedaante van een jong meisje met een waterkruik. Zij bleef voor hem staan en de goddelijke Odysseus vroeg haar: "Mijn kind, zou je mij niet de woning willen wijzen van een man, Alcinous, die koning is over de mensen hier? Want ik ben hier een zwaarbeproefde vreemdeling, van verre gekomen uit een land, ver weg gelegen; daarom ken ik niemand van de mensen die deze stad en dit land bewonen".
7; 27-45
Tot hem sprak daarop de godin, Athena met fonkelende ogen: "Natuurlijk kan ik je, beste man, de woning wijzen waarnaar je me vraagt want hij woont vlakbij mijn vader. Maar ga wel in stilte, dan zal ik je de weg wijzen, en schiet niemand aan of ondervraag hem. De mensen hier zijn namelijk niet gesteld op vreemden, en zij zijn niet erg gastvrij tegenover wie maar van elders komt. Vertrouwend op hun vliegensvlugge schepen doorkruisen zij de grote diepte, die kunde schonk hen de Aardschudder; hun schepen zijn snel als een vogel of zelfs een gedachte". Met deze woorden ging Pallas Athena hem voor, snel; en hij trad in het voetspoor van de godin. En niemand van de vermaard zeevarende Phaeaken zag hem lopen, dwars door de stad en tussen hen door, want Athena met mooie vlecht stond dat niet toe, geduchte godin; zij goot namelijk een fijne nevel over hem uit, hem terwille. Met bewondering keek Odysseus naar de havens en evenwichtige schepen, en van de mannen de marktplaatsen en imposante stadsmuur, hoog, voorzien van palissaden, een wonder om te zien.
7; 46-77
Toen ze nu het vermaarde paleis van de koning bereikten, nam de godin, Athena met fonkelende ogen, het woord: "Dit dan, beste man, is het huis, dat u mij vroeg te tonen: je zult de van god stammende koningen aantreffen aan het maal; maar ga gerust naar binnen en wees onbevreesd, want een man met durf toont zich beter in alle omstandigheden, ook al komt hij van heel ergens anders. Eerst zul je in het paleis de meesteres ontmoeten: Arete is haar naam en zij heeft dezelfde voorouders als die koning Alcinous voortbrachten. Eerst verwekte de aardschudder Poseidon Nausithous bij Periboea, de innemendste vrouw in uiterlijk en jongste dochter van de fiere Eurymedon, die ooit koning was over de vermetele Giganten. Maar hij stortte zijn roekeloos volk in het verderf en kwam ook zelf om; met haar dus vrijde Poseidon en verwekte een zoon, de fiere Nausithous, die heerste over de Phaeaken. Nausithous verwekte weer Rhexenor en Alcinous. De eerste werd getroffen door Apollo met diens zilveren boog toen hij pas was getrouwd en nog geen zoon had in zijn paleis, één dochter liet hij na, Arete: haar verwierf Alcinous als vrouw, en hij respecteerde haar, zoals dat met geen enkele andere vrouw het geval is, waar ook maar echtgenotes het huis van hun man besturen. Zozeer staat zij bovenmate in aanzien, zowel bij haar kinderen alsook bij Alcinous zelf, en ook bij het volk, dat naar haar opziet als naar een godin en haar vriendelijk begroet, wanneer zij gaat door de stad. Zij doet voor niemand onder in edele wijsheid: voor wie zij welgezind is, ook mannen, beslecht ze onenigheid. Als zij jou vriendelijk gezind is, dan mag je wel hopen je geliefden terug te zien en je hooggedekte huis in je vaderland te bereiken.

Het paleis van Alcinous

7; 78-132
Na deze woorden verdween de grijsogige Athena naar de onmetelijke zee, en zij verliet het lieflijke Scheria, en ging naar Marathon en Athene met brede straten. Binnen ging ze in het stevig gebouwde Erechtheum. Maar Odysseus liep naar het vermaarde paleis van Alcinous; en veel overwegingen trokken aan hem voorbij terwijl hij daar halt hield, voordat hij de bronzen drempel bereikte. Een glans immers als van zon of van maan lag over het hooggedakte huis van de trotse Alcinous, en bronzen muren strekten zich uit naar links en naar rechts vanaf de drempel naar achteren, eromheen een kroonlijst van donker lazuur; en gouden deuren sloten het stevige paleis af van binnen, en zilveren posten stonden in de drempel van brons, en een zilveren bovenpost lag erover en de grendel was van goud. Aan weerszijden lagen gouden en zilveren honden, die Hephaistos gemaakt had met knappe behendigheid, zij bewaakten het huis van de fiere Alcinous, zelf onsterfelijk en permanent jong. Binnenin stonden armstoelen, links en rechts neergezet tegen de wanden vanaf de drempel tot helemaal bij de achterwand met daarop kleden gelegd, fijngeweven, het werk van vrouwen. Daarop zaten de aanvoerders van de Phaeaken te drinken en eten; want zij hadden onuitputtelijke voorraad. En gouden beelden van knapen stonden bij mooi gebouwde altaren met laaiende fakkels in hun handen, 's nachts schijnsel verspreidend door het huis bij de maaltijd. En vijftig dienaressen waren door heel het paleis voor hem in de weer, één groep maalde geel graan tussen molenstenen, een andere weefde en draaide draden, aan het spinrokken gezeten, rap bewegend als de bladeren van de slanke populier, en van het strakke weefsel droop vochtige olijfolie. Zoals Phaeaken het kundigst zijn in de scheepvaart op zee op hun snelle schepen, zó zijn de vrouwen behendig in het weven; bij uitstek namelijk schonk Athena hen een grote begaafdheid om wondermooi te presteren. Buiten de hof lag dicht bij de poorten een grote tuin, vier morgens in omvang; er omheen was een afscheiding gelegd. Daar groeiden hoge, bloeiende bomen, perelaars, granaatbomen en weelderige appelaars, zoete vijgenbomen en sappige olijven. Daarvan is er het hele jaar door oogst, in zomer en winter, nooit laten ze het afweten, want de altijd maar door blazende Wester doet hen gedijen en stooft hen vervolgens. En peer rijpt er na peer, appel na appel, voorts druif na druif en vijg weer na vijg. Daar was een speciale vruchtrijke wijngaard voor hem aangelegd, waarvan één vlak deel op een open stuk land gestoofd werd door de zon, op een ander stuk oogstte men de druiven en perste de andere; daarvóór hingen weer laatbloeiers in een weelde van bloesem, andere kregen al kleur. Naast de achterste rij lagen bedden vol groenten van allerlei soort, altijd vers. Twee bronnen waren er ook, de één vertakte zich door heel de tuin, de ander stroomde juist onder de drempel door van de hof naar het hoge paleis toe: daaruit putten de burgers. Zo zagen de schitterende gaven der goden er uit bij Alcinous' woning.

Odysseus' beroep op Arete

7; 133-154
De veelbeproefde goddelijke Odysseus bleef vol bewondering staan kijken. Maar toen hij dan alles in zich had opgenomen, stapte hij snel over de drempel het paleis in. Hij trof daar de aanvoerder en leiders van de Phaeaken bezig met bekertjes te plengen voor de scherpziende Argusdoder, voor wie zij altijd het laatst plengden, wanneer zij aan slapengaan dachten. Toen liep dan door het paleis de onversaagde Odysseus, gehuld in de dichte nevel die Athena over hem uitgestort had. Maar toen hij Arete bereikte en koning Alcinous, en Odysseus zijn armen smekend om de knieen van Arete sloeg, toen loste de goddelijke nevel om hem weer op. En zij verstomden toen zij de held in het huis zagen, en bij de aanblik verbaasden zij zich. Maar Odysseus sprak smekend: "Arete, dochter van de verheven Rhexenor, uw echtgenoot en u benader ik smekend na veel leed geleden te hebben, en ook uw disgenoten hier, aan wie de goden geluk mogen schenken in hun leven en moge ieder zijn zonen een vermogen overdragen in zijn paleis en de eregaven die het volk hen schonk. Maar schenk mij een geleide om snel mijn vaderland te bereiken, want lang al heb ik het zwaar te verduren, gescheiden van mijn dierbaren". Na deze woorden ging hij bij de haard zitten in het stof vlak bij het vuur; maar zij allen bleven met stomheid geslagen.

Reactie van Alcinous

7; 155-166
Pas na geruime tijd sprak de bejaarde Echeneus in hun midden, die was namelijk de eerstgeborene van de Phaeaken en blonk uit in adviezen, op de hoogte van veel oude gebruiken - die dan nam, hen welgezind, het woord en sprak in hun midden: "Alcinous, dit is toch niet fraai en het past niet, dat een vreemdeling neerhurkt op de grond in de as bij de haard, de anderen houden hun mond, in afwachting van uw wens. Kom, laat de vreemdeling opstaan en plaats nemen op een zetel met zilveren knoppen en geef uw dienaren opdracht wijn bij te mengen, opdat wij ook plengen aan de bliksemslingeraar Zeus, die de beschermer is voor respect afdwingende smekelingen. En de huismin moet de vreemdeling een maal voorzetten van wat er is".
7; 167-177
Toen de machtige Alcinous dit gehoord had, nam hij de schrandere, listenrijke Odysseus bij de hand en liet hem opstaan van bij de haard en plaatste hem op een glanzende zetel, waar hij zijn zoon liet plaatsmaken, de beminnelijke Laodamas, die naast hem zat, want op hem was hij het meeste gesteld. En een dienares bracht waswater aan in een schenkkan, een mooie, van goud en goot het uit boven een zilveren bekken om zich de handen te wassen; en zij zette een gladgeschaafde tafel voor hem neer. De eerbiedwaardige huismin bracht voedsel en zette het klaar, zij voegde er veel spijzen aan toe, blij te geven van wat in huis was. Hij dan dronk en at, de onversaagde Odysseus.
7; 178-206
Toen dan zei de machtige Alcinous tot een dienaar: "Pontonous, meng goede wijn in het mengvat en deel het uit aan allen in het paleis, opdat wij ook aan de bliksemslingerende Zeus plengen, die respectabele smekelingen beschermt". Dat zei hij, en Pontonous mengde honingzoete wijn en deelde het aan allen rond en begon zo de plechtigheid met de bekers. Maar toen zij geplengd en gedronken hadden, zoveel als ieder wilde, nam Alcinous onder hen het woord en sprak in hun midden: "Luister, aanvoerders en leiders van de Phaeaken, zolang ik wil zeggen wat mij op het hart ligt. Ga nu, na de maaltijd, naar huis om te slapen; maar morgenochtend zullen we meer ouderlingen bijeenroepen en de vreemdeling onthalen in het paleis en de goden mooie offers brengen; laten we ons daarna ook beraden over een geleide, hoe onze gastvriend zonder tegenslag en leed onder onze geleide zijn vaderland kan bereiken, veilig en vlug, ook al komt hij van nog zo ver weg, en hij onderweg geen rampen en ellende meemaakt, voordat hij zijn vaderland bereikt. Daar zal hij dan ondergaan al wat het lot en de hardvochtige schikgodinnen hem met zijn levensdraad toesponnen, toen zijn moeder hem baarde. Maar als hij als één van de onsterfelijken vanuit de hemel is neergedaald, dan slaan de goden nu wel een andere koers in met ons. Want tot nu toe verschijnen de goden ons duidelijk herkenbaar, wanneer we een groot offerfeest houden, dan zitten zij bij ons aan de maaltijd, net als wij zelf. En als nu een wandelaar in zijn eentje hen tegenkomt, dan verbergen zij niets, want wij staan hen nabij, Net als de Cyclopen en de wilde stammen Giganten".
7; 207-227
Tot hem sprak ten antwoord de listenrijke Odysseus: "Alcinous, maak u hierover maar geen zorgen; want niet heb ik iets weg van de onsterfelijken, die de wijde hemel bewonen, noch in bouw noch in gestalte, maar beschouw me als een sterfelijk mens. Van hen die gij kent als rampzaligste mensen, aan die acht ik mij gelijk door mijn ellende. Ja, nog meer tegenslag zou ik u kunnen verhalen, zoveel als ik allemaal doorstaan moest door de wil van de goden. Maar laat u mij eerst de maaltijd genieten, al ben ik bekommerd, want niets is zo onbeschaamd als een knagende maag, die noodzakelijkerwijs de mens ertoe dwingt steeds aan hem te denken, al wordt hij nog zo gekweld en gaat hij gebukt onder smart; zoals ook ik onder ellende gebukt ga, maar zij altijd maar aanzet tot eten en drinken en al wat ik meemaakte, uit mijn gedachten bant en ertoe aanzet te worden verzadigd. Maar stel bij de dageraad alles in het werk, opdat ik, ongelukkige, mijn vaderland weer betreed, zij het na vele ellende: moge mij het leven verlaten pas nadat ik mijn bezittingen heb teruggezien, mijn slaven en hooggedakte huis. Zo sprak hij, en zij allen stemden hiermee in en drongen erop aan de vreemdeling een geleide te geven, omdat hij naar behoren gesproken had.

Alcinous, Arete en Odysseus

7; 228-297
Toen zij nu geplengd en naar hartelust gegeten hadden, gingen ze ieder naar hun eigen huis om te slapen, maar in de zaal bleef de goddelijke Odysseus achter, en bij hem zaten Arete en de godgelijkende Alcinous; en dienaren ruimden de tafels af. Bij hen nam de blankarmige Arete het woord, want zij herkende de mantel en lijfrok bij het zien van de mooie kleren, zij had ze immers zelf gemaakt, samen met haar dienaressen. Zij verhief dus haar stem en sprak tot hem duidelijk: "Vreemdeling, ik wil dit vooreerst aan je vragen, wie ben je en van waar? Wie gaf jou deze kleren? Je zegt toch dat je na een zwerftocht over zee hier aankwam?". En tot haar sprak ten antwoord de listenrijke Odysseus: "Moeilijk, koningin, is het om uitvoerig al mijn ellende te verhalen, immers daarvan gaven de hemelbewonende goden mij veel; maar dit zal ik u wel vertellen, wat u mij vraagt en wilt weten. Er ligt ver weg in zee een eiland Ogygia, waar de dochter van Atlas woont, de sluwe Calypso met mooie vlecht, een vervaarlijke godin: niemand, noch van de goden, noch van de sterfelijken gaat met haar om. Maar mij, ongelukkige, voerde een godheid naar haar haard, alleen, want Zeus trof met zijn helwitte bliksem mijn snelle schip en brak het in stukken midden op de wijnkleurige zee. Toen verdronken al mijn trouwe mannen, maar ik wist het kielhout van mijn gekromde schip te pakken en dreef zo negen dagen rond. En in de tiende, donkere nacht voerden de goden mij naar Ogygia, waar Calypso met schone vlecht woont, een vervaarlijke godin, die mij opnam en gastvrij ontving, te eten gaf en me liefderijk voorhield me onsterfelijk te gaan maken en altijd jong. Maar nooit heeft ze mij overgehaald. Daar bleef ik zeven jaar achtereen, en altijd doordrenkte ik met tranen de prachtige kleren die Calypso mij gegeven had. Maar toen dan het achtste jaar aan was gebroken, toen spoorde ze me met aandrang aan naar huis te gaan onder druk van een boodschap van Zeus, die haar ook tot inkeer bracht. Zij liet me gaan op een goed vastgesjord vlot, en gaf me veel mee, voedsel en zoete wijn, en stak me in prachtige kleren, en bezorgde me een gunstige, zoele wind. Zeventien dagen voer ik voorspoedig over zee, en op de achttiende dag verschenen de schaduwrijke bergen van uw land, en bij mij sprong het hart al op van blijdschap, ongelukkige ik, want, werkelijk, ik zou nog heel wat leed ondervinden, dat de aardschudder Poseidon voor mij in petto had: die ontketende winden en blokkeerde mijn tocht, en hij bracht de reusachtige zee in beroering en de aanhoudende deining liet niet toe dat ik, ondanks m'n gejammer, op het vlot verder voer. Nee, die orkaan sloeg mijn vlot weer aan stukken; maar ik wist al zwemmend die diepte over te komen, totdat water en wind mij bij uw land deed belanden. Daar zou, als ik aan land probeerde te komen, de branding me tegen de kust hebben verpletterd en tegen de grote rotsen gesmeten hebben op een grimmige plek, maar, zijdelings uitwijkend, zwom ik weer verder, totdat ik kwam bij een rivier, waar de plaats mij het beste leek, zonder klippen, en er was een beschutting tegen de wind. Uitgeput wankelde ik aan land toen de goddelijke nacht al inviel. En op afstand van de door regen gevoede rivier aan land gegaan belandde ik tussen bosjes, en bestrooide me met gebladerte. En een god goot een grenzeloze slaap over mij uit. Toen sliep ik daar in dat bladerdek, somber gestemd, de hele nacht door en de ochtend en middag. En de zon neigde al naar de avond, toen de zoete slaap van mij week. Toen zag ik op het strand de dienaressen van uw dochter spelen, en zij zelf was gelijk een godin. Tot haar richtte ik me als smekeling; en zij was niet zonder fatsoen, zoals je niet zou verwachten dat een jongere die je tegenkwam te werk zou gaan; jongelui zijn immers nogal onberaden. Zij gaf mij voldoende te eten en fonkelende wijn en liet me een bad nemen in de rivier en gaf mij deze kleren. Dat is dus de waarheid op wat u mij vroeg, hoe pijnlijk ook voor mij".

Voornemen van Alcinous

7; 298-347
Hem antwoordde daarop Alcinous en hij sprak: "Gastvriend, dat toch bedacht mijn dochter niet naar behoren, dat zij u niet samen met de dienaressen meebracht naar onze woning, terwijl u haar toch als eerste om hulp vroeg". Maar de schrandere Odysseus gaf hem als antwoord: "Heer, verwijt dat niet uw edele dochter. Zij vroeg me namelijk met de dienaressen mee te lopen, maar ik wilde dat niet uit schroom en was bang, dat u zich zou ergeren als u dat zag; wij, aardbewoners, zijn immers makkelijk geraakt". Hem gaf daarop Alcinous ten antwoord: "Mijn beste, zo zit ik niet in elkaar, om opvliegend te zijn; alles met mate is het beste. Ach, bij vader Zeus en Athena en Apollo, mocht je, zoals je bent, met dezelfde overtuiging als ik, mijn dochter bezitten en mijn zwager heten, hier blijvend; een huis zou ik je geven en bezittingen, als jij je vrijwillig hier vestigde. Maar tegen uw wil zal niemand van de Phaeaken je hier houden; dat moge Zeus niet behagen. Voor een geleide stel ik morgen een tijdstip vast, weet dat wel. Intussen kun jij, door slaap overmand, gaan liggen: zij zullen je voeren over een rustige zee, zodat jij je vaderland bereikt en je huis, en waar je maar wilt, Zelfs als het veel verder weg ligt dan Euboea, waarvan zij toch zeggen dat het het verste weg is gelegen, die het van mijn volk hebben bezocht, toen zij de blonde Rhadamanthys erheen brachten om Tityus, zoon van Gaea, te bezoeken. Zij kwamen daarheen en volbrachten daarna de terugreis naar huis op dezelfde dag, zonder vermoeidheid. Ook zelf zul je met eigen ogen zien, hoezeer mijn schepen de beste zijn en onze jongens de zee als geen ander beroeren met de roeiriem". Zo sprak hij en de onversaagde, stralende Odysseus verheugde zich, en in gebed nu zei hij en sprak het woord plechtig: "Vader Zeus, moge toch Alcinous vervullen al wat hij zei. Dan zal zijn roem over de graanschenkende aarde onmetelijk zijn, en zal ik mijn vaderland bereiken". - Zo dan bespraken zij dit soort zaken met elkaar, maar de blankarmige Arete gaf haar dienaressen opdracht een ledikant onder de gaanderij te plaatsen en er mooie tijken, purperen, op te leggen en daarover dekens uit te spreiden, en er wollen mantels bovenop te leggen. Zij gingen de zaal uit met een fakkel in hun handen. Maar toen zij het stevige bed volijverig gespreid hadden, kwamen ze bij Odysseus staan en noodden hem met de woorden: "Sta op, heer, om te gaan rusten: uw bed staat gereed". Zo spraken zij, en hem leek het een weldaad om te gaan slapen. Zo lag daar de onversaagde, stralende Odysseus te slapen in een echt bed onder de weergalmende galerij. En Alcinous legde zich te ruste achterin het hoge paleis, en bij hem lag zijn vrouw, koningin, en deelde zijn bed.

08. Feestelijkheden

Feestelijke bijeenkomst van de Phaeaken

8; 1-10
Toen nu de vroeggeboren, rozevingerige Dageraad verscheen, stond de krachtige Alcinous op van zijn bed, en op stond de stedenvernietiger Odysseus. En de doorluchtige, sterke Alcinous ging hen voor naar de vergaderplaats van de Phaeaken, die voor hen bij de schepen lag.Bij aankomst zetten zij zich neer op de gepolijste stenen, vlakbij elkaar. Pallas Athena kwam daarheen door de stad, met het uiterlijk van een heraut van de schrandere Alcinous, broedend op de terugkeer voor de fiere Odysseus, en ze ging bij iedere raadsman afzonderlijk staan en gaf het advies:
8; 11-26
"Welaan dan, aanvoerders en leiders van de Phaeaken, haast u naar de vergaderplaats om meer te horen over de vreemdeling, die zopas kwam naar de woning van de schrandere Alcinous na een zwerftocht over zee, in uiterlijk gelijk aan de onsterfelijken". Met deze woorden prikkelde ze een ieder. En snel liepen vergaderplaats en zitplaatsen vol deelnemers. Velen bleven bewonderend staan kijken bij het zien van de schrandere zoon van Laertes, want Athena had een goddelijke elegantie uitgestort over zijn schouders en hoofd en ze had hem een groter en steviger aanzien gegeven, opdat hij bij de Phaeaken sympathiek over zou komen, geducht en ontzagwekkend en bewerker van vele prestaties, die de Phaeaken als test van Odysseus zouden vragen. Toen zij dan allemaal in de vergadering aanwezig waren, nam Alcinous het woord en sprak in hun midden:
8; 27-45
"Luister, aanvoerders en leiders van de Phaeaken, zolang ik zeg wat mijn hart mij ingeeft. Deze vreemdeling, ik weet niet wie hij is, kwam op zijn zwerftocht naar mijn paleis, hetzij uit het oosten hetzij uit het westen, en drong aan op een geleide en smeekte om een betrouwbare belofte. Laten wij nu, zoals tot nu toe onze gewoonte, voor een geleide zorgen. Want ook niemand anders, die naar ons paleis is gekomen, hoefde hier lang te blijven, tegen zijn zin, als het om een geleide ging. Nee, kom, laten we een donker schip de goddelijke zee in trekken, voor het eerst varend, en twee en vijftig jonge mannen moeten we kiezen uit het volk, allemaal van bewezen diensten. En als die de riemen goed vastgemaakt hebben aan de stroppen, kom dan weer aan land: dan zullen we snel zorgen voor een maaltijd in onze woning: ik zal allen goed voorzien. Dat is mijn opdracht aan de jongemannen. Maar jullie anderen, scepterdragende koningen, ga naar mijn mooie paleis, opdat we onze gastvriend in de feestzaal onthalen, en niemand mag ontbreken. En roep de goddelijke zanger Demodocus; hem toch vergunt de godheid bij uitstek met gezang te onderhouden, zoals zijn hart hem ingeeft te zingen".
8; 46-61
Na deze woorden ging hij hen voor, en zij volgden hem, de scepterdragers, en een heraut ging de goddelijke zanger ophalen. Twee en vijftig uitgelezen jongemannen gingen, zoals hij bevolen had, op weg naar het strand van de onafploegbare zee, en toen zij bij het schip en de zee waren aangeland, trokken zij het donkere schip naar de diepe zee, en zij plaatsten de mast met de zeilen op het donkere schip en maakten de riemen vast in de stroppen, alles volgens de regels, en zij spreidden de witte zeilen uit. En hoog aan de wind legden ze het voor anker. Daarna gingen ze op weg naar het grote huis van de schrandere Alcinous. Daar waren de gaanderijen en binnenplaatsen en vertrekken gevuld met de bijeengekomen mannen: veel waren er, jonge en oude. En namens hen offerde Alcinous twaalf schapen, en acht zwijnen met scherpe slagtanden en twee zwikpotige runderen: die vilden zij en gingen aan de slag en bereidden er een heerlijke maaltijd van.

Odysseus ontroerd door Demodocus’lied

8; 62-103
Toen kwam de heraut er aan met de trouwe zanger, bij uitstek geliefd bij de Muze, zij gaf hem goeds en kwaads: het licht van de ogen ontnam ze maar zij schonk hem heerlijke zangkunst. Voor hem zette Pontonous een armstoel neer met zilveren knoppen tussen de disgenoten in, en stutte die tegen een hoge zuil en aan een haak hing hij, de heraut, de helder gestemde lier op boven zijn hoofd en gaf aan hoe hij die kon pakken; en hij zette een mandje op een mooie tafel voor hem neer, en ook een beker wijn voor wanneer hij wilde drinken. Zij nu strekten de handen uit naar het maal dat voor hen gereed stond. Maar toen zij verzadigd waren van drinken en eten, wekte de Muze de zanger op om heldendaden te bezingen, een lied waarvan toen de faam hemelhoog reikte, de twist van Odysseus en Peleus' zoon Achilles, hoe zij eens aan de feestelijke maaltijd der goden twistten met hevige woordenwisseling, en de aanvoerder der strijders Agamemnon lachte in zijn vuistje dat de besten der Grieken in twist geraakt waren, omdat Phoebos Apollo hem in een orakel voorspeld had in het heilige Delphi, toen hij over de stenen drempel gestapt was om een orakel te vragen: bij die twist rolt het begin van het einde af op Trojanen en Grieken door het besluit van de grote Zeus. Daarover zong de vermaarde zanger zijn lied; maar Odysseus nam zijn purperen mantel vast met zijn forse handen, trok hem over zijn hoofd en bedekte zijn mooie gezicht; want hij geneerde zich voor de Phaeaken toen er tranen in zijn ogen kwamen. Maar wanneer de goddelijke zanger een pauze nam bij het zingen, wiste hij zijn ogen af, nam de mantel van zijn hoofd, nam zijn beker met twee oren en plengde aan de goden. Maar wanneer hij weer inzette en de voorname Phaeaken hem vroegen te zingen, omdat zij genoten van het verhaal, verborg Odysseus zijn hoofd weer en huilde. Alle anderen ontging het daar dat hij tranen vergoot, alleen Alcinous merkte het op en doorzag het omdat hij vlak naast hem zat en hem zwaar hoorde snikken. En al gauw sprak hij onder de roeiriemminnende Phaeaken: "Luister, aanvoerders en leiders van de Phaeaken. Nu is ons hart wel verzadigd van de heerlijke maaltijd en het gezang bij de lier, de metgezel bij het feestmaal: laten wij nu naar buiten gaan en wedijveren in allerlei spelen, zodat onze gast bij zijn thuiskomst aan zijn verwanten vertellen kan, hoezeer wij anderen overtreffen in vuistgevecht en worstelen, in springen en hardlopen".

Een vijfkamp

8; 104-130
Na deze woorden ging hij hen voor, en zij gingen mee. De heraut haalde de helder klinkende lier van de haak, nam de hand van Demodocus en bracht hem buiten de zaal; en hij leidde hem langs dezelfde weg als de anderen, de voornaamsten van de Phaeaken, die de wedstrijden gingen bewonderen. Op weg gingen zij naar de marktplaats, en veel volk liep met hen mee, je kon over de hoofden lopen. En veel koene jongelingen stelden zich op. Acroneus meldde zich aan, Ocyalus en Elatreus, Nauteus en Prymneus, Anchialus en Eretmeus, Ponteus en Proreus, Thoon en Anabesineus, en Amphialus, de zoon van Polyneus en kleinzoon van Tecton; ook Euryalus meldde zich, gelijk aan de verderfelijke Ares, de zoon van Naubolus, die de krachtigste was van de Phaeaken, in uiterlijk en lichaamsbouw, na de voortreffelijke Laodamas. Er meldden zich ook drie zonen aan van de edele Alcinous: Laodamas en Halius en de beroemde Clytoneus. Die nu gingen eerst een wedstrijd in hardlopen aan. Voor hen was een renbaan uitgezet vanaf de meet, en vliegensvlug renden zij allen in een stofwolk over de vlakte. Van hen was verreweg de beste in het lopen de edele Clytoneus; en zo ver als de dagtaak zich uitstrekt van een span muildieren, zó ver vooruit bereikte hij weer de mensen en bleven de anderen achter. Daarna beproefden zij het taaie worstelen: daarin overtrof weer Euryalus alle voortreffelijken. En met springen stak Amphialus uit boven allen; maar met de discus was Elatreus weer verreweg de beste van allen, en met boksen Laodamas, de flinke zoon van Alcinous.

Odysseus uitgedaagd

8; 131-164
Toen allen naar hartelust zich tegoed gedaan hadden aan de wedkamp, sprak Laodamas, Alcinous' zoon, in hun midden: "Zeg, vrienden, laten wij onze gast eens vragen of hij een sport onder de knie heeft. In lichaamsbouw is hij niet slecht, die dijen en schenen en boven die armen een stevige nek en fikse spierkracht! Aan kracht mankeert het hem niet, maar door veel tegenslagen is hij aangetast; want dit weet ik wel, dat geen grotere tegenstander dan de zee een man het onderspit doet delven, ook al is hij zeer sterk". Euryalus gaf hem met stemverheffing ten antwoord: "Heel terecht, Laodamas, zei je dit. Ga nu zelf naar hem toe en daag hem uit en zeg hem wat je vindt". Toen de flinke zoon van Alcinous deze bijval gehoord had, liep hij de kring in, bleef staan voor Odysseus en zei hem: "Nou, vadertje, kom op, neem toch ook deel aan de wedkamp, als u zoiets aangeleerd hebt; u past het toch van kampen te weten; want geen grotere roem kent een man bij zijn leven dan wat hij presteert met zijn voeten en met zijn handen. Nu, kom, waag een poging en zet uw zorgen opzij. Uw thuisreis ligt niet ver weg meer, want reeds ligt een schip voor anker en een bemanning staat klaar". Tot hem nu sprak de listenrijke Odysseus ten antwoord: "Laodamas, waarom dwingen jullie mij dit honend op? Ik heb wel meer om me druk om te maken dan wedstrijden, daar ik heel veel te doorstaan heb en door veel ellende gegaan ben, maar nu zit ik hier in jullie bijeenkomst, verlangend naar de thuisreis, als smekeling van de koning en heel het volk". Maar hem gaf Euryalus met een schimpscheut ten antwoord: "Nou, vreemdeling, ik zie in jou ook geen kundige krachtpatser in de wedkamp, zoals die zo talrijk onder de mensen in zwang zijn, maar eerder zo iemand die met een schip met veel roeiers rondvaart, een leider van schepelingen en handelaars, bezorgd om lading en zijn bezit controlerend, winstbelust speurend naar lonkende vracht; nee, je hebt niets van een kampvechter".

Odysseus demonstreert zijn kunnen

8; 165-197
Tot hem sprak met een verachtende blik de listenrijke Odysseus: "Vriend, mooi is het niet wat je zegt; als een bruut kom je over. Zo geven de goden dus niet aan alle mensen het fraais, ѐn lichaamsbouw ѐn verstand ѐn welbespraaktheid. De één is wat miezerig van uiterlijk, maar bij hem tooit een god zijn woorden met schoonheid en omstanders bezien hem dan toch met plezier: hij spreekt rustig, met aantrekkelijke bescheidenheid en blinkt uit onder hen die vergaderen, en als hij loopt door de stad, ziet men op naar hem als een god. Een ander is weer in uiterlijk gelijk aan de onsterfelijken, maar geen aantrekkelijkheid ligt over zijn woorden. Ook bij jou is zo wel je uiterlijk prima, zelfs een god zou jaloers zijn, maar jij bent dan weer een lomperd. Je irriteerde mij grondig met je onbehoorlijke praatjes. In sport ben ik zeker niet onervaren, zoals jij dat stelt, maar ik denk dat ik bij de besten hoorde toen ik nog kon vertrouwen op mijn jeugd en mijn handen. Maar nu word ik door tegenslag en ellende geblokkeerd; want veel zag ik af bij het overleven van oorlogen en dolen op de ongenadige zee. Maar toch, hoezeer ook geteisterd: ik zal meedoen aan de wedkamp; want jouw woorden zijn grievend en je provoceert me ermee". Dat zei hij en hij sprong op met mantel en al, greep een discus, een behoorlijk grote en forse en heel wat zwaarder dan waarmee de Phaeaken onderling plachten te werpen. Hij draaide hem rond en slingerde hem uit zijn stevige hand weg, en de steenklomp zoefde over: de roeiriemminnende Phaeaken om hun scheepvaart beroemd, doken ineen door de worp van de steen. Die vloog over de tekens van allen, soepel ijlend, weg uit zijn hand. Athena zette, in mannengedaante, een worpteken en riep triomfantelijk: "Zelfs een blinde, mijn vriend, zou de afdruk op de tast onderscheiden, want hij staat in het geheel niet tussen de massa, maar verreweg vooraan, jij kunt over deze wedstrijd gerust zijn; niemand van de Phaeaken zal dit benaderen, laat staan overtreffen".
8; 198-234
Zo sprak zij, en de onversaagde, stralende Odysseus verheugde zich, blij dat hij een supporter zag bij zijn inspanning. Opgelucht zei hij tegen de Phaeaken: "Probeer daar maar eens bij te komen, maatjes. Maar ik denk dat ik straks een andere even ver of nog verder zal slingeren. Wie van de anderen daartoe nog de lust voelt, kom maar op en probeer maar, want jullie hebben me erg geprikkeld, hetzij met boksen of worstelen of ook hardlopen, dat kan me niet schelen, wie maar wil van de Phaeaken, behalve dan Laodamas. Want die is mijn gastheer: wie zou nu gaan vechten met wie hem onthaalt? Dwaas en nietswaardig is toch hij die zijn gastheer een wedkamp opdringt in een vreemd land; hij bederft alles voor zichzelf. Maar van de anderen wijs ik niemand af, ik versmaad niemand anders, nee, ik wil wel eens zien en het tegen hem opnemen. Want ik ben niet slecht in al wat bij de mensen aan spelen in zwang is. De gladgepolijste boog kan ik prima hanteren, het eerst zal mijn pijlschot een slachtoffer vinden in een menigte vijanden, ook al staan heel veel mannen naast mij te schieten en op mannen te mikken. Alleen Philoctetes was mij de baas met zijn boog in het land der Trojanen, wanneer wij, Grieken, met pijl en boog schoten. Maar van de anderen claim ik verreweg de beste te zijn, zovele stervelingen als er nu op aarde voedsel gebruiken. Maar tegen de mannen van vroeger zou ik het niet op willen nemen, noch tegen Heracles noch tegen Eurytus van Oechalia, die toch zelfs tegen de goden met boogschieten wedijverden. Daarom ook stierf de grote Eurytus spoedig, en haalde hij de ouderdom niet in zijn huis: Apollo doodde hem immers uit woede, omdat hij hem uitdaagde tot een boogschietwedstrijd. En met de speer werp ik zo ver als een ander niet eens met een pijl komt. Alleen in hardlopen vrees ik dat een Phaeaak mij voorbij kan komen want daarvoor werd ik te zeer gehavend in de talrijke golven, en aan boord was er geen afdoende verzorging, daardoor is mijn conditie te beroerd". Dat zei hij, en allen verstomden en zwegen.

Dansen

8; 235-265
Alleen Alcinous sprak hem ten antwoord: "Gastvriend, u zegt dat ons niet onaangenaam in de oren, want u wilt natuurlijk de voortreffelijkheid, die u is gegeven, demonstreren, geprikkeld dat die man voor aller ogen op u afkwam en u beschimpte, zoals toch geen sterveling uw kracht zou kleineren, die met verstand passend zou weten te spreken. Maar welaan, luister naar wat ik nu zeg, opdat u ook andere mannen vertelt, wanneer gij weer in uw paleis aan de maaltijd zit met uw vrouw en uw kinderen, terugdenkend aan onze voortreffelijkheid, wat voor prestaties ook aan ons nog Zeus toebedeelt, voortdurend sinds de tijd van onze voorouders. Want wij zijn dan wel geen voortreffelijke boksers of worstelaars, wij zijn snel ter been en uitmuntend in scheepvaart, en altijd tuk op een maaltijd met citerspel en met dans, een overvloed aan kleren, warme baden en bed. Dus kom, alle beste dansers van de Phaeaken, dans, opdat onze gast, thuisgekomen, aan zijn dierbaren vertelt hoezeer wij anderen overtreffen in scheepskunde en hardlopen, in dans en gezang. Laat iemand snel voor Demodocus de helder klinkende citer gaan halen, die toch ergens ligt in ons huis. Zo sprak de godgelijkende Alcinous, en de heraut stond op om de gebogen, helder klinkende citer te halen in het koninklijke paleis. En negen spelleiders in totaal, speciaal daarvoor uitgekozen, maakten zich klaar: zij zorgden voor alles bij de spelen, zij maakten de dansvloer glad en maakten een ruime plaats vrij. De heraut kwam te voorschijn met de helder klinkende citer voor Demodocus; die ging vervolgens naar het midden en om hem heen stelden zich jonge knapen op, bedreven in dansen, en zij roffelden een prachtige dans met hun voeten. Odysseus keek aandachtig naar het beweeg van de voeten en verbazing beving hem.

Het avontuurtje van Ares en Aphrodite

8; 266-284
Demodocus begon, onder getokkel op zijn citer, mooi te zingen over de escapade van Ares en de mooi bekranste Aphrodite, hoe zij voor het eerst de liefde bedreven in het huis van Hephaistos, stiekem, hij paaide haar omstandig en onteerde het bed en haar relatie met de heerser Hephaistos. Maar terstond ging de Zon het hem melden, die had hen namelijk in liefdesomhelzing betrapt. Maar toen Hephaistos nu het pijnlijke nieuws had vernomen, ging hij naar zijn smidse met boze plannen, en hij zette het grote aambeeld op het voetstuk, en smeedde onbreekbare boeien, onontwarbaar, zodat zij stevig op hun plaats zouden blijven. Toen hij dan in woede op Ares die valstrik gemaakt had, ging hij naar het vertrek waar zijn bed stond en overal rondom bond hij snoeren aan de poten en ook veel hingen af van de zoldering naar beneden als heel fijne spinrag die niemand kon zien, zelfs niet een van de gelukzalige goden, want het was er listig omheen gespreid. Maar toen hij heel die valstrik om het bed had gehangen, leek hij weg te gaan naar Lemnos, die mooi gebouwde stad, die hem het meest geliefd is van alle streken ter wereld.
8; 285-305
Maar Ares met gouden teugels hield geen blindemanwacht: daar hij Hephaistos, beroemd om zijn kunde, ver uit de buurt zag gaan. Hij ging naar de woning van de alom beroemde Hephaistos smachtend naar een vrijpartij met de mooi bekranste Cytherse. Zij was pas terug van haar vader, de machtige zoon van Cronus, en nam, bij haar thuiskomst, plaats, toen hij het huis binnen kwam, hij omhelsde haar en sprak toen de woorden: "Kom, liefste, laten we naar bed gaan en genot delen, want Hephaistos is niet meer in de buurt: hij is, dunkt me, weg naar Lemnos naar de boerspratende Sintiers". Dat waren zijn woorden, en haar leek het een vreugde naar bed te gaan. Zij beiden gingen naar het bed en legden zich neer. Maar de knappe boeien van de vaardige Hephaistos vielen om hen heen, en niet was het mogelijk hun ledematen te bewegen of los te maken. Toen drong het tot hen door, dat er geen ontsnappen meer mogelijk was. Daar naderde hen de beroemde mankvoetige, teruggekeerd voordat hij op Lemnos was aangekomen, want de Zon had voor hem gewaakt en de boodschap overgebracht. Hij ging dus naar huis, neerslachtig, en bleef staan op de drempel; toen kreeg een geweldige toorn hem te pakken, en hij brulde het uit en riep tegen alle goden:
8; 306-332
"Vader Zeus en de andere gelukzalige, eeuwige goden, kom eens hier kijken naar iets lachwekkends en ongepast immers Zeus' dochter Aphrodite bedriegt me voortdurend omdat ik mank ben, en ze is verliefd op die afzichtelijke Ares, omdat die meer toont en recht is van leden. Maar ik, ik ben mank geboren. Niemand anders is me daarvan de oorzaak, dan mijn twee ouders, die me nooit hadden voort moeten brengen. Maar komen jullie nu zien waar die twee samen liggen te foezelen, nota bene in mijn bed, en ik moet dat, pijnlijk getroffen, aanzien. Niet verwacht ik dat zij nog maar één moment zo willen liggen al zijn ze nog zo tuk op elkaar, en zij zullen niet graag weer bij elkaar willen kruipen. Maar mijn listige valstrik zal beiden vasthouden, tot haar vader mij alle bruidschatten terug zal geven, die ik hem bracht voor dat schaamteloze wicht, want zij is wel een mooie dochter, maar een losbandige". Zo sprak hij; de goden kwamen samen bij het huis met de bronzen drempel, de aarddrager Poseidon kwam daar en de snellopende Hermes, en ook kwam de grote boogschutter Apollo. Alleen de godinnen bleven allen beschroomd thuis. En op de drempel bleven de goden, weldoeners, staan, en een onbedaarlijk gelach rees op bij de gelukzalige goden bij het zien van de kunstgrepen van de slimme Hephaistos. Menigeen keek naar zijn buurman en zei: "Wangedrag loont niet! De schilpad troeft de haas af, kijk maar hoe nu zelfs Hephaistos, traag als hij is, Ares bij de neus neemt, ook al is die dan de snelste van de goden die de Olympus bewonen: de manke won door zijn kunde. Dus moet de echtbreker boeten".
8; 333-369
Zo bepraatten zij onder elkaar dit soort dingen. Maar Apollo, de stralende zoon van Zeus, zei tegen Hermes "Hermes, zoon van Zeus, gids, weldoener der mensen, zou jij nou, omsnoerd door sterke banden, in bed willen liggen bij de gouden Aphrodite?" Daarop antwoordde hem de gids, doder van Argus, "Ach, mocht me dit ooit te beurt vallen, stralende Apollo, treffer van ver: drie maal zoveel boeien zouden mij mogen omsnoeren, en jullie, goden, en alle godinnen zouden mogen toekijken, maar even goed zou ik zo bij de gouden Aphrodite willen liggen". Zo sprak hij, en een gelach brak los bij de onsterfelijke goden. Maar Poseidon kon daarom niet lachen, maar hij drong erop aan dat Hephaistos, de beroemde kunstenaar, Ares zou bevrijden. Hij zei dus tot hem duidelijk de woorden: "Maak hem los; ik beloof je dat hij jou de gepaste boete zal geven die je wenst voor de ogen van de onsterfelijke goden". Maar tot hem sprak daarop de vermaarde lamvoetige: "Beveel me dat niet, aardschudder Poseidon: Waardeloos zijn de borgen die men stelt voor waardelozen. Hoe zou ik jou onder de onsterfelijke goden tot nakomen kunnen pressen, als Ares ervandoor gaat en zijn verplichting ontduikt?" Tot hem sprak daarop weer de aardschudder Poseidon: "Hephaistos, als Ares zijn verplichting probeert te ontlopen door zich eraan te onttrekken, dan zal ik zelf die straf op me nemen. Hem nu antwoordde daarop de zeer vermaarde lamvoetige: "Onmogelijk en ongepast is het jouw belofte af te slaan". Na deze woorden maakte de krachtige Hephaistos de boeien los. Toen zij beiden bevrijd waren uit hun klemmende banden sprong hij terstond op en was al weg naar Thracie, en Aphrodite met de vriendelijke glimlach ging toen naar Paphos op Cyprus. Daar is voor haar een heiligdom en een wierookaltaar. Daar baadden haar de Gratien en zalfden haar met goddelijke olijfolie zoals die glanst op de huid van de eeuwige goden en zij hulden haar in bekoorlijke kleren, een wonder om te zien. Daarover zong nu de vermaarde zanger. Odysseus luisterde ernaar met plezier en ook zo de anderen, de roeiriemminnende Phaeaken, beroemd om hun zeevaart.

Dans met een bal

8; 370-384
Alcinous nu drong erop aan bij Halius en Laodamas om afzonderlijk te dansen, want niemand kon hen evenaren. Toen zij dan een mooie bal in hun handen hadden genomen, een purperen, die de handige Polybus gemaakt had, wierp de één die steeds op naar de schaduwwerpende wolken, na een draai naar achteren, en de ander sprong hoog van de grond en ving hem soepel weer op, alvorens met zijn voeten de grond te raken. En nadat zij hun vaardigheid hadden getoond met de bal in de hoogte, zetten zij een dans in op de vruchtbare aarde, waarbij zij hem beurtelings elkaar toewierpen, en de andere jongens stonden in een kring en moedigden hen aan, en luid klonk het rumoer op. Toen dan sprak tot Alcinous de stralende Odysseus: "Koning Alcinous, uitblinkend onder al het volk, u had wel beweerd dat uw dansers de besten zijn, nou, dat is nu wel duidelijk, ik sta er werkelijk paf van".

Geschenken

8; 385-416
Dat zei hij en de doorluchtige, krachtige Alcinous glunderde en snel zei hij tegen de roeiriemminnende Phaeaken: "Luister, leiders en heersers van de Phaeaken. Onze gastvriend lijkt mij zeer correct te zijn. Kom, laten wij hem een gastgeschenk aanbieden, zoals passend is. Twaalf uitnemende vorsten regeren dit volk als leiders, en ikzelf ben de dertiende; Laten wij ieder van ons hem een schoon gewassen mantel en lijfrok aanbieden en ook een talent aan kostbaar goud. En laten we haast maken met dat alles bijeen te brengen, zodat onze gastvriend met die gaven in beheer blij gestemd naar de maaltijd komt. En Euryalus moet hem persoonlijk met woorden voldoening geven en een geschenk, omdat hij zich onbehoorlijk tegen hem uitliet". Zo sprak hij en allen stemden met hem in en gaven hun bevelen, en ieder stuurde zijn heraut uit om de geschenken te halen. Euryalus sprak hem ten antwoord: "Machtige Alcinous, meest geeerd onder allen, zeker zal ik mij verzoenen met onze gastvriend, zoals u aandringt, hem zal ik een massief bronzen zwaard geven, met een zilveren gevest en een schede van pasgezaagd ivoor eromheen; het zal voor hem een grote waarde bezitten". Na deze woorden gaf hij hem het zwaard met zilveren gevest in handen en hij sprak tot hem de woorden van man tot man: "Heil u, mijn beste gastvriend; als een kwalijke opmerking mij ontviel, mogen de winden die dan wegblazen. Mogen de goden u geven uw echtgenote terug te zien en uw vaderland te bereiken, want te lang al lijdt u, weg van uw vrienden. En hem antwoordde de listenrijke Odysseus: "Ook u, vriend, ga het goed. Mogen de goden u rijkelijk begiftigen, en hopelijk hebt ge verder geen behoefte meer aan dit zwaard, dat gij mij hebt gegeven met verzoenende woorden". Dat zei hij en hij hing het zwaard met zilveren gevest om zijn schouders.
8; 417-432
Toen de zon onderging waren de schitterende geschenken aanwezig en die brachten de fiere herauten naar het paleis van Alcinous; en de zonen van de nobele Alcinous namen ze in ontvangst en legden de wondermooie geschenken neer bij hun vereerde moeder. De doorluchtige, krachtige Alcinous ging hen voor en zij namen plaats op hoge zetels. Toen dan sprak de krachtige Alcinous: "Welaan dan, vrouw, laat een passende koffer brengen, de beste die er is,en leg daarin zelf een schoongewassen mantel en chiton. Laat ook met een vuur een kuip heet stoken en water verwarmen, zodat hij een bad kan nemen en kan zien dat alle geschenken die de nobele Phaeaken hierheen lieten brengen, goed gestouwd zijn; dan kan hij de maaltijd genieten onder het luisteren naar een hymne. En ik, ik zal hem deze prachtige beker van mij schenken, van goud, opdat hij elke dag aan mij denkt, als hij plengt in zijn woning aan Zeus en de andere goden".
8; 433-453
Zo sprak hij, en Arete beval haar slavinnen zo vlug mogelijk een grote drievoet om het vuur neer te zetten. Zij zetten een driepotige waskuip in het vlammende vuur, en goten het water er in, en van onder legden zij hout te verbranden. En het vuur omgaf de buik van de drievoet, en het water werd warm; Intussen liet Arete voor de gastvriend een prachtige koffer halen uit een kamer, en zij legde de kostbare geschenken erin, de kleding en het goud dat de Phaeaken geschonken hadden. Van haar zelf legde zij er een mooie mantel en chiton in, en zij sprak tot hem de hartelijke woorden: "Zie nu zelf toe op het deksel en knoop er stevig een riem om, opdat niemand onderweg u berooft, wanneer u eens lekker ligt te slapen op het donkere schip". Toen de onversaagde, stralende Odysseus dit nu gehoord had, paste hij het deksel er direct op, en bond er een stevige knoop om een ingewikkelde, die de machtige Circe hem nog geleerd had. De huisbewaarster spoorde hem aan om onmiddellijk in de kuip te stappen en zich te wassen: hij zag met vreugde in het hart het warme waswater, want niet vaak had hij daarvan genoten sinds hij het huis van Calypso met de mooie vlecht had verlaten, Haar verzorging van hem was zo goed als voor een god.

Afscheid van Nausicaa

8; 454-469
Toen de slavinnen hem nu gewassen hadden en gezalfd met olijfolie, hulden zij hem in een mooie mantel en een lijfrok. Hij stapte uit de badkuip en ging naar de wijndrinkende mannen; maar Nausicaa, met haar schoonheid ontleend aan de goden, stond bij een deurpost van het stevig gebouwde huis vol bewondering voor Odysseus, toen ze hem voor zich zag, en zij sprak tot hem fier de hartelijke woorden: "Gegroet, gastvriend, hopelijk zul je in je vaderland nog eens aan mij denken, want aan mij als eerste dankt u uw leven". Tot haar nu sprak de listenrijke Odysseus ten antwoord: "Nausicaa, dochter van de grootmoedige Alcinous, moge Zeus, de luiddonderende echtgenoot van Hera, het zo gunnen dat ik naar huis terugkeer en de dag van behouden aankomst beleef; dan zal ik jou ook ginds als een godin eren altijd en eeuwig: jij redde mij toch het leven, meisje". Dat zei hij en hij zette zich neer op de armstoel naast koning Alcinous.

Demodocus over het Paard

8; 470-484
De anderen waren het voedsel aan het verdelen en zij mengden de wijn, en de heraut kwam naar hen toe en die leidde de trouwe zanger, Demodocus, in aanzien bij het volk. Hij liet hem plaats nemen in de kring van de eters, en liet hem leunen tegen een hoge zuil. Toen dan sprak de listenrijke Odysseus tot de heraut, terwijl hij een stuk varkensrug afsneed - maar het grootste deel bleef achter - van een blankgetand everzwijn, eromheen zat een dikke laag vet: "Hier, baas, geef dit vlees aan Demodocus om te eten en mijn waardering te uiten, hoeveel ik ook te doorstaan heb. Want bij alle mensen op aarde worden zangers in ere gehouden en gerespecteerd, omdat toch de muze hen inspireerde tot liederen, en zij is gesteld op het gilde der zangers". Zo sprak hij en de heraut nam het aan en legde het neer voor de fiere Demodocus: die nam het vreugdevol aan. Zij strekten nu de handen uit naar de gereedliggende spijzen.
8; 485-520
Maar toen zij zich te goed gedaan hadden aan spijs en drank, zei de listenrijke Odysseus tegen Demodocus: "Demodocus, jou zwaai ik boven alle stervelingen lof toe: of nu de muze, Zeus' dochter, jou onderwees, of Apollo; zeer treffend weet jij het lot der Achaïers te bezingen, al wat zij hebben verricht en doorstaan en geleden, alsof je er zelf bij was of het van een ooggetuige hoorde. Maar, alsjeblieft, stap nu over op een lied over de bouw van het houten paard, dat Epeius oprichtte met hulp van Athena en dat de stralende Odysseus met een list in de burcht bracht, volgestouwd met mannen die toen Ilias verwoestten. Als jij me dit naar waarheid bezingen zult, zal ik direct aan alle mensen verkondigen, dat een welwillende godheid jou een goddelijk zangvermogen schonk". Zo sprak hij en Demodocus zette een lied in, na een aanroeping van de god, bij dit punt van het verhaal waar de Grieken, hun tenten verbrandt, wegvoeren aan boord van hun schepen met goede roeibanken, maar een andere groep rond de vermaarde Odysseus, neerhurkte, verscholen in het paard, op de marktplaats van Troje; zelf immers hadden de Trojanen het de burcht binnengetrokken. Zo stond het daar dan, en zij delibereerden hevig in tegenspraak in een kring eromheen: drie plannen vonden bij hen weerklank ofwel het houten gevaarte te vernietigen met hun meedogenloos brons, ofwel het naar de top van de burcht te slepen en dan van de rotsen te duwen, ofwel het als een godenverzoenend beeld in stand te houden - en zo was het beschoren dat het af zou lopen; want de stad was gedoemd verloren te gaan, wanneer zij het grote houten paard eenmaal had binnengehaald, waarin alle besten der Grieken zaten om dood en verderf voor Troje te brengen. Hij bezong ook hoe de zonen der Grieken de stad verwoestten, na uit het paard, de holte van hun schuilplaats, gestormd te zijn. En hij bezong hoe de één hier, de ander daar, de steile stad ging plunderen maar hoe Odysseus op weg ging naar het huis van Deïphobus, als een Ares, samen met de dappere Menelaus. Hij vertelde hoe hij daar de zwaarste strijd had durven ondernemen, en had gezegevierd met hulp van de grootmoedige Athena.

Odysseus weer ontroerd

8; 421-531
Daarover dus zong de vermaarde zanger, maar Odysseus kreeg het te kwaad en tranen rolden over zijn wangen van onder zijn oogleden. En zoals een vrouw huilt terwijl ze haar armen slaat om haar dierbare man, die gesneuveld is bij de verdediging van zijn stad en zijn volk, bij een poging die meedogenloze dag af te weren voor zijn stad en kinderen - zij ziet hem stervend in doodstrijd en stort zich over hem heen en jammert schril; maar de vijanden achter haar slaan met hun speren op haar rug en schouders en voeren haar weg in slavernij, een toekomst vol moeite en verdriet; en haar wangen verliezen hun spankracht door haar deerniswekkende leed - zó vergoot Odysseus deerniswekkende tranen uit zijn ogen.
8; 432-563
Toen wist hij zijn tranenstroom voor alle anderen te verbergen, alleen Alcinous merkte het op en zag het, hij zat dan ook naast hem en hoorde hem diep zuchten. Al gauw zei hij tegen de roeiriem-minnende Phaeaken: "Luister, aanvoerders en leiders van de Phaeaken, Demodocus moet zijn heldere citerspel nu stoppen, want niet tot vreugde van allen hier strekt zijn gezang: sinds wij aan de maaltijd zitten en de goddelijke zanger begon, zo lang al houdt onze gastvriend niet op met jammerlijk te klagen; een hevig leed moet hem, dunkt me, hebben bevangen. Ja, laat de zanger nu stoppen opdat wij allen plezier kunnen hebben, gastheren en gast, dat is toch het beste: want ter ere van onze gast is dit alles toch aangericht dit afscheid en de dierbare geschenken, die wij hem met genoegen geven. Gelijk aan een broer is een vreemdeling en smekeling voor wie maar een greintje verstand heeft. Daarom moet ook gij niet uit berekening verbergen wat ik u ga vragen: het is toch beter om ronduit te spreken. Zeg ons de naam die ginds uw moeder en vader gaven en ook de anderen die in uw stad en omgeving daar wonen. Want niemand der mensen is toch geheel zonder naam, wanneer hij eenmaal geboren is, geen man uit het volk, geen edelman, maar allen benoemen hun ouders, direct al bij hun geboorte. En noem me ook uw land, uw volk en uw stad, dan brengen onze schepen u daarheen, koersend met inzicht; want de Phaeaken hebben geen stuurlui, en ook geen roeiriem aan boord, zoals andere schepen dat hebben: nee, vanzelf voelen zij de gedachten en overwegingen der schippers, en zij kennen van allen de steden en vruchtbare akkers en doorklieven zeer snel de diepte der zee, gehuld in nevel en mist, en nooit kennen zij vrees om schipbreuk te lijden of te vergaan.
8; 464-586
Maar dit hoorde ik ooit mijn vader, Nausithous, herhaaldelijk zeggen, dat Poseidon het ons misgunt, dat wij iedereen een veilig geleide geven. Hij voorspelde dat ooit een goedgebouwd schip van de Phaeaken bij terugkeer van een geleide op een mistige zee schipbreuk zou lijden en een groot gebergte onze stad zou omhullen. Zo voorspelde de grijsaard. Dat zou de god kunnen vervullen of het zou onvervuld kunnen blijven, al naargelang hij verkiest. Maar kom zeg me dit nu achtereenvolgens naar waarheid, hoe jij uit de koers werd geslagen en welke landen der mensen je aandeed, henzelf en hun mooi gelegen steden, zowel de vijandige, wilde en rechteloze, alsook de gastvrije met een godvrezende aard. En vertel waarom je huilt en smart lijdt in stilte bij het horen van het lot van de Grieken en van Ilion. Dat hebben de goden voltrokken, die sponnen verderf voor de mensen, om verhalen te leveren voor de toekomst. Sneuvelde soms ook een verwante van jou vóór Troje, een edel man, schoonzoon of schoonvader, die ons toch het meest dierbaar zijn, na het bloed en het geslacht van onszelf? Of misschien ook een vriend waar je erg op gesteld was, een nobele? Immers niet minder dan een broer kan een vriend zijn, met het hart op de juiste plaats".

09. De Cycloop

Odysseus maakt zich bekend

9; 1-38
Tot hem nu sprak ten antwoord de listenrijke Odysseus: "Machtige Alcinous, uitblinkend onder alle mensen, dit is toch werkelijk iets moois, luisteren naar zo’n verteller als deze hier is, gelijkend op de goden in stemgeluid; want ik denk dat er geen aangenamer vervulling is van verlangen dan wanneer vreugde heerst overal onder het volk, gasten door heel het paleis, overal gezeten, bij het luisteren naar gezang, terwijl bovendien de tafels vol staan met eten en drinken, en de schenker wijn schept uit het mengvat, het ronddeelt en giet in de bekers; nee, ik kan werkelijk niets mooiers bedenken. Maar jij voelde behoefte te vragen naar de zorgelijke smart die mij kwelt, zodat ik meer nog zucht in gejammer: wat zal ik je eerst vertellen, en wat pas daarna? Leed immers gaven de hemelbewoners me in overvloed. Maar nu zal ik eerst mijn naam noemen, opdat jullie die weten, en ik later, ontsnapt aan de meedogenloze dag, een gastvriend kan zijn voor jullie, ook al woon ik ver weg van hier. Ik ben Odysseus, zoon van Laertes, die door zijn listen bij alle mensen bekend ben: mijn faam reikt tot in de hemel. Mijn woonplaats is het van verre zichtbare Ithaca; daarop ligt een gebergte de Neriton, hoog uitstekend, met bewegelijk gebladerte; en er omheen liggen veel eilanden, heel dicht bij elkaar, Dulichion en Same en het bosrijke Zacynthos; maar zelf is het vlak en ligt als uiterste naar het Westen in zee; de anderen liggen op afstand naar het Oosten en zonsopgang - het is rotsachtig maar vruchtbaar en voedster van jong volk; ik zelf kan geen ander land als aangenamer beschouwen dan het eigen. Welnu, daarginds hield Calypso mij gevangen, stralende onder de godinnen, in een gewelfde grot, verlangend dat ik haar echtgenoot zou zijn en evenzo probeerde Circe me vast te houden in haar verblijf, de sluwe bewoonster van Aeaea, hunkerend naar mij als haar echtgenoot; maar absoluut niet wisten zij mijn gemoed te vermurwen. Zózeer is niets aantrekkelijker dan het eigen vaderland en voorouders, ook al bewoont men een nog zo riant paleis maar ver van zijn huis, en verblijft hij in een vreemd land, ver van zijn voorouders. Maar kom, laat ik je ook vertellen van mijn rampzalige thuisreis, die Zeus mij oplegde, op weg vanuit Troje.

Bij de Ciconen

9; 39-66
Vanuit Ilium voerde de wind me naar het land der Ciconen, naar Ismarus, en daar verwoestte ik hun stad en doodde henzelf en uit die stad roofden wij vrouwen en veel buit en verdeelden die, opdat niemand zonder een gelijk aandeel heenging. Toen drong ik eropaan dat wij zouden maken dat we wegkwamen, maar zij, erg onnozel, luisterden niet. Er werd daar veel wijn gedronken en zij slachtten veel schapen langs het strand en kromhoornige runderen met slingerende gang. Intussen riepen natuurlijk Ciconen die ontsnapt waren naar anderen, Ciconen bij hen uit de buurt, groter in aantal en dapperder, uit het binnenland afkomstig, vaardig tegen strijders te vechten vanaf de wagen en waar nodig te voet. Zij kwamen dan zo talrijk in aantal als lover en bloesem op hun tijd, als een nevel; toen dan trof de slechte beschikking van Zeus ons rampzaligen, opdat wij veel ellende te lijden zouden krijgen. Beide groepen gingen de strijd aan en vochten bij de snelle schepen, en troffen elkaar met de bronsgepunte speren. Zolang het nu ochtend was en het verheven daglicht nog toenam, zó lang wisten we hen af te slaan, ook al waren ze met meer. Maar toen de zon overging naar het begin van de middag, toen drongen de Ciconen de Achaïers terug in een bloedbad. Van elk schip sneuvelden zes goedgescheenweerde mannen, wij, de anderen, ontkwamen de dood en het noodlot. Vandaar nu voeren wij verder, somber gestemd, wel verheugd over ons behoud, maar met verlies van dierbare mannen. Natuurlijk voeren mijn gekromde schepen niet verder, voordat iemand elk van onze ongelukkige mannen drie maal geroepen had.

Storm

9; 67-86
Maar wolkenverzamelaar Zeus stuurde een Noorderstorm af op de schepen met ongelooflijke orkaankracht en met wolken dekte hij toe en land en zee en uit de hemel was nacht neergedaald. En ons konvooi werd voortgejaagd, voorstevens neergedrukt, en in drieen, ja vieren scheurde de windkracht de zeilen; wij haalden ze neer op de schepen, uit angst voor een schipbreuk, en we roeiden die haastig naar het land. Daar lagen wij uitgeput neer, twee volle nachten en dagen, evenzeer neerslachtig door uitputting als door onze ellende. Maar toen de Dageraad met mooi vlecht de derde dag aankondigde plaatsten wij de masten en trokken de witte zeilen omhoog, we namen plaats en lieten de wind en de stuurlui koers zetten. En nu zou ik behouden gekomen zijn naar mijn vaderland, als mij niet bij het omvaren van kaap Malea een verraderlijke golfslag en Noordenwind uit de koers had geslagen en weg van Cythera. Vandaar werd ik negen dagen lang meegesleurd door ongunstige winden over de visrijke zee; maar op de tiende meerden wij aan bij het land der Lotofagen, die bloemen als voedsel gebruiken, daar gingen we aan land en wij putten er water,

Bij de Lotofagen

9; 87-104
Maar toen we ons verzadigd hadden met eten en drinken, toen zond ik mannen uit om te gaan uitzoeken, wat voor voedsel etende mensen in dat land woonden, twee had ik er uitgekozen en een derde gaf ik mee als bode. Zij nu gingen snel op weg en begaven zich onder de Lotofagen; en niet beraamden de Lotofagen de ondergang voor onze mannen, maar zij gaven hen te eten van de lotus. Maar al wie van hen de honingzoete vrucht van de lotus at, had geen lust meer verslag uit te brengen en wilde niet terug, nee, liever wilden zij blijven bij de Lotofagen en door te eten van de lotus afzien van de terugkeer. Hen voerde ik onder dwang naar de schepen, ondanks hun gejammer, op de gewelfde schepen trok ik ze onder de roeibanken en bond hen vast. Maar de andere, trouwe mannen, beval ik haastig aan boord van de snelle schepen te gaan, opdat niemand nog, door lotus te eten af zou zien van de thuisvaart. Zij nu scheepten snel in en zetten zich aan de riemen, en zittend op rij sloegen zij de zee met hun riemen zodat hij grauw zag.

Het geiteneiland

9; 105-130
Vandaar nu voeren wij verder, somber gestemd. Wij kwamen in het land van de brutale, respectloze Cyclopen, die alles maar overlaten aan de onsterfelijke goden en geen gewas planten en niet ploegen, maar alles groeit bij hen zonder zaaien en ploegen: tarwe en gerst en de wijnstokken, die wijn dragen in grote druiven, en de regen van Zeus doet het voor hen gedijen. Raadgevende bijeenkomsten zijn er bij hen niet of rechtbanken, maar zij wonen op toppen van hoge bergen in gewelfde grotten, en ieder speelt eigen rechter over kinderen en vrouwen, zonder zich iets van elkaar aan te trekken. Daar strekt zich een vlak eiland uit, schuin tegenover de haven, noch vlak bij het land der Cyclopen, noch ver er vandaan, het is bebost en er leven ontelbare geiten op, in het wild; want geen mensenverkeer houdt hen weg, en ook komen daar geen jagers ontberingen lijden zwervend over de toppen der bergen. Ook wordt het niet door kudden begraasd, niet bebouwd, onbeplant en ongeploegd ligt het erbij, onbewoond voedt het slechts mekkerende geiten. Want niet kennen de Cyclopen schepen met hun rode boeg, en ook niet zijn er scheepsbouwers bij hen, die evenwichtige schepen zouden kunnen bouwen, die van alles kunnen presteren: steden van andere mensen bereiken, zoals zo vaak mensen naar elkaar met schepen de zee oversteken: zij hadden dat eiland wel goed bewoonbaar gemaakt voor hen.
9; 131-150
Want het is niet onvruchtbaar, en kan alles leveren op zijn tijd; en er zijn weiden langs de kust van de zee, vochtig en mals; en de wingerd zou er heel goed gedijen. En erop is vlak ploegland; en heel hoog graan zou men steeds in de oogsttijd kunnen maaien, want er zit veel rijkdom onder de grond. En erop ligt een goed te beankeren haven, waar geen lijn nodig is, of ankerstenen af te werpen of achterstevenkabels vast te maken, maar je hoeft het schip slechts op het strand te laten lopen om te wachten tot het hart van de zeelui weer weg wil en de winden waaien. Aan het uiteinde van de haven stroomt zelfs helder water, de bron zit onderin een grot; eromheen groeien zwarte populieren. Daar voeren wij op af en een god leidde ons door een donkere nacht, zodat niets zichtbaar werd om te onderscheiden, want een dichte nevel hing om de schepen, geen maan scheen aan de hemel want hij bleef gehuld in de wolken. Dus kon niemand met eigen ogen het eiland zien, en ook zagen we geen langgerekte golving afrollen op de kust, voordat de schepen met stevige roeibanken het strand op schoven. Toen de schepen waren geland lieten wij alle zeilen zakken en zelf stapten we ook uit in de branding van de zee.
9; 151-169
Daar dan vielen we in slaap en wachtten de stralende Dageraad. En toen dan de vroeggeboren, rozevingerige Dageraad verscheen, liepen wij in verbazing rond over het eiland. En op joegen de nimfen, dochters van de Aegisvoerende Zeus, de geiten die woonden in de bergen, opdat mijn mannen te eten hadden. Onmiddellijk haalden we de gekromde bogen en slingerspiesen met lange pijpen uit de schepen, verdeelden ons in drieen en mikten; en direct schonk een godheid ons rijke buit: er voeren twaalf schepen met mij mee, en voor elk vielen ons negen geiten ten deel; voor mij alleen zochten ze er tien uit. Zo zaten wij toen de hele dag tot zonsondergang ontzaggelijk veel vlees te eten en lekkere wijn te drinken, want nog niet was de rode wijn uit de schepen op, nee, er was nog aan boord, want allemaal hadden we veel in de kruiken geschept na de inname van de stad der Ciconen. En wij hadden uitzicht op het land der Cyclopen, die dichtbij wonen, wij zagen rook en hoorden hun stemmen en geblaat van schapen en geiten. Toen nu de zon onderging en de duisternis intrad, legden wij ons te slapen bij de branding van de zee.

Het hol van de Cycloop

9; 170-192
Toen nu de vroeggeboren, rozevingerige dageraad aanbrak, belegde ik een vergadering en sprak onder allen: "Blijven jullie nu hier, mijn andere trouwe mannen, dan ga ik met mijn schip en mijn mannen op onderzoek uit naar de mensen hier, wat voor lieden het zijn, of zij kwaadaardig zijn en wild en onbeschaafd, ofwel gastvrij, en hun gezindheid godvrezend". Na deze woorden ging ik aan boord en beval mijn mannen zelf aan boord te gaan en de achtertrossen in te nemen, en zij scheepten snel in en zetten zich aan de roeiriemen, en gezeten op rij, sloegen zij de grauwgrijze zee met de riemen. Maar toen we nu het land bereikten, dat dichtbij lag, zagen we daar langs de uiterste rand een grot, dicht bij de zee, een hoge, overdekt met laurierbomen; daar was de slaapplaats van veel kleinvee, schapen en geiten; en er omheen stond een hoge omheining van ingegraven stenen en grote pijnbomen en eiken met hoge kruinen. Daar had een kolos van een man zijn verblijfplaats, die zijn vee alleen placht te weiden, ver weg; want niet liet hij zich in met anderen, maar, eenzelvig, was hij van onrecht vervuld. Want hij was een geweldig gedrocht, en hij leek niet op een graanetend mens, maar eerder een met bos begroeide top, hoog in het gebergte, zoals die daar eenzaam staat, weg van de anderen.
9; 193-215
Toen nu beval ik mijn andere trouwe mannen daar bij het schip te blijven en het te bewaken, maar ik koos de twaalf besten van mijn mannen uit en ging op weg; en ik had een zak van geitenleer met wijn, lekkere, donkerrode, die Maron, de zoon van Evanthes, mij gaf, de priester van Apollo, patroon van Ismarus, omdat wij hem met zijn zoon en zijn vrouw spaarden uit respect; hij woonde namelijk in een boomrijk heilig woud gewijd aan Phoebos Apollo. En hij bood mij schitterende cadeaus en gaf mij zeven talenten mooi bewerkt goud, bovendien gaf hij me een massief zilveren mengvat, en voorts had hij in twaalf kruiken in totaal wij heerlijke, onversneden wijn geschept, een goddelijke drank; niemand van de slaven of dienaren in huis wist van zijn bestaan, afgezien van hijzelf en zijn vrouw en maar één huishoudster; wanneer men die rode wijn dronk, goot hij één beker uit over twintig delen water, en een zoete geur steeg op uit het mengvat, een goddelijke; dan zou het niet prettig zijn er vanaf te blijven. Daarmee had ik een grote geitenleren zak gevuld en droeg die mee, bovendien proviand in een leren rugzak, want meteen al had ik het vermoeden bij een man terecht te komen van enorm geweld, een woesteling, zonder weet van wet of recht.
9; 216-230
Snel kwamen we in de grot maar we troffen hem niet thuis, nee, hij was zijn vette schapen nog op het veld aan het hoeden. Wij gingen nu de grot in en stonden perplex over wat we er zagen. Droogmanden stonden vol kazen, en kooien waren gevuld met lammetjes en geitjes, elke soort apart opgesloten: de oudere apart, apart weer later geborenen, en ook weer apart de nakomertjes. En alle vaten stonden vol wei, en ook melkemmers en putsen, goed gemaakt, waarin hij melkte. Toen dan smeekten mijn mannen dringend eerst van de kazen wat mee te nemen en terug te gaan, maar later snel naar het snelle schip wat geitjes en lammetjes te drijven na ze uit hun hokken gehaald te hebben en daarmee de zee op te varen; Maar ik, ik luisterde niet, ach, dat zou wel beter geweest zijn! In de hoop hem zelf te zien en te kijken of hij gastgeschenken zou geven. Maar niet zou hij zo'n lieverdje blijken voor mijn mannen.

Polyphemus houdt huis

9; 231-249
Toen ontstaken wij een vuur, brachten een brandoffer en deden ook zelf ons te goed aan de kazen, en wij wachtten hem, binnen gezeten, op totdat hij eraan kwam met zijn kudde. En hij droeg een geweldige vracht droog hout om bij zijn maaltijd licht en warmte te hebben, en hij smeet het met een donderend gedreun neer in de grot; Wij doken angstig weg in de achterste hoek van de grot, terwijl hij zijn vette vee de brede grot binnendreef voorzover hij die placht te melken, want de mannetjes liet hij buiten, de rammen en bokken, buiten in de omheinde hof. Maar daarna tilde hij een grote deursteen omhoog en zette die op zijn plaats, een enorm gevaarte: geen tweeentwintig stevige karren met vier fikse wielen zouden hem van de drempel weg kunnen krijgen, zo'n geweldig hoog blok zette hij tegen de toegang. Dan ging hij zitten en melkte de schapen en mekkerende geiten, alles volgens de regels, en elk jong liet hij bij zijn moeder. En meteen stremde hij de helft van de witte melk en zette die weg, samengepakt tot kazen in gevlochten manden, de andere helft goot hij in vaten, om bij de hand te hebben als hij er van wilde nemen en voor bij zijn eten.
9; 250-271
Maar toen hij dan gejaagd dat werk van hem gedaan had, toen ontstak hij een vuur en kreeg ons in de gaten en hij vroeg: "Hé, vreemdelingen, wie zijn jullie? Waarvoor bevaren jullie de waterwegen? Voor iets bepaalds of zwerven jullie zomaar wat rond, als piraten, die rondzwalken op zee en hun leven riskeren tot onheil voor anderen? Dat zei hij, maar bij ons zonk het hart in de knieen, geschrokken van zijn zware stem en die reuzengestalte. Maar toch sprak ik hem weer ten antwoord: "Wij zijn Grieken, op weg vanuit Troje uit de koers geslagen door allerlei tegenwind kwamen wij over de grote diepte der zee, hoewel verlangend naar huis, via een verkeerde route van foute koersen hier terecht: zo wilde het kennelijk Zeus' besluit. Wij beroemen ons erop krijgsvolk te zijn van Atreus' zoon Agamemnon, wiens roem toch wel het grootst is op aarde nu hij zo'n grote stad vernietigd heeft en veel krijgsvolk doodde. Maar wij, hier gekomen, smeken u nederig om ons gastvrij te ontvangen of anders ter wille te zijn, zoals dat het recht van vreemdelingen is. Heb dus respect voor de goden, beste man, wij zijn toch smekelingen, en Zeus, die gastvrijheid wenst, beschermt smekende vreemdelingen, en staat respectvolle vreemden bij".
9; 272-293
Zo sprak ik, maar hij antwoordde onmiddellijk met meedogenloos hart: "Jij bent een sufferd, vreemde, ofwel van heel ver gekomen, dat je me beveelt de goden te vrezen of voor ze op te passen, want Cyclopen hebben maling aan een Aegisvoerende Zeus of gelukzalige goden; wij zijn immers veel machtiger, en ik zeker niet zal uit vrees voor de gramschap van Zeus jou of je mannen genadig zijn, tenzij mijn eigen gemoed me dat ingeeft. Maar zeg eens waar jij je mooie schip ankerde bij aankomst, soms op de landtong of hier vlakbij, dat wil ik graag weten. Zo sprak hij vorsend, maar ik had alles wel door, dus ik zei weer tegen hem met listige inkleding: "Ons schip sloeg me de aardschudder Poseidon te pletter tegen de rotsen aan de grens van jullie land, door het op een kaap te werpen; want de wind vanuit zee dreef het voort; maar ik wist met hen hier het steile verderf te ontkomen". Dat hield ik hem voor, maar de bruut antwoordde mij niet eens, nee, hij sprong op en klauwde naar mijn mannen, greep er twee tegelijk en sloeg ze als puppies tegen de grond; en hun hersens dropen neer op de bodem en lekten op de aarde. Hij sneed hen in stukken en maakte van hen zijn avondeten, hij vrat als een leeuw, opgegroeid in het gebergte, zonder iets over te laten: ingewanden en vlees en botten vol merg.
9; 294-306
Wij echter hieven huilend onze handen op naar Zeus, bij het zien van dit schandelijke gedrag, en radeloosheid verlamde ons. Toen de Cycloop zijn grote pens gevuld had met het eten van mensenvlees en het drinken van onvermengde melk, strekte hij zich uit in de grot tussen zijn vee. En ik vatte al het stoutmoedige plan op om snel op hem af te gaan met mijn scherpe zwaard in de aanslag, en hem recht in de borst te treffen, waar het middenrif de lever omsluit, op de tast; maar een andere gedachte weerhield mij. Want daar zouden wij ter plekke een afschuwelijke dood gestorven zijn, want we zouden niet in staat zijn van de hoge uitgang met onze handen de geweldige steen weg te krijgen die hij ervoor gezet had. In die toestand wachtten wij jammerend de stralende Dageraad af.

Wat nu?

9; 307-317
Toen nu de vroeggeboren, rozevingerige dageraad aanbrak stak hij het vuur aan en melkte zijn prachtige vee, alles naar behoren, en elk jong zette hij weer onder zijn moeder. Toen hij zijn klussen vlug had geklaard, greep hij er weer twee en maakte daar zijn brunch van. En na deze maaltijd dreef hij zijn vette vee weer naar buiten, na met gemak de grote deursteen weggenomen te hebben; maar hij zette hem daarna ook weer terug, alsof hij een deksel dichtdeed op een pijlkoker. En luid fluitend dreef de Cycloop zijn vette vee naar het gebergte. Maar ik bleef achter, op kwaad broedend, in de hoop dat ik wraak kon nemen en Athene mij roem zou schenken.
9; 318-335
En het volgende plan scheen mij, bij overweging, het beste: Er lag namelijk een grote stok van de Cycloop bij 'n kooi, 'n groene, van olijfhout; die had hij afgesneden om te dragen als hij gedroogd was. Wij schatten hem op het oog zo groot als de mast van een donker vrachtschip met twintig roeiers, een breed schip, dat de grote afgrond oversteekt, zo groot was zijn lengte, en zo groot zijn dikte, zo te zien. Daar liep ik heen en hakte er een stuk af van ongeveer een vadem en legde hem neer voor mijn mannen met de opdracht hem te scherpen. En zij maakten hem glad en ik kwam erbij en maakte er een scherpe punt aan, en ik draaide hem in het vlammende vuur. Daarna verborg ik hem zorgvuldig onder de mest, die daar namelijk wijd en zijd, overal in de grot gedeponeerd lag. Maar de anderen liet ik loten, wie samen met mij, moest wagen de paal in zijn oog te drukken, wanneer hij een zoete slaap zou slapen. En het lot viel op hen die ik ook zelf had willen kiezen, vier man, waar ik me als vijfde bij voegde.
9; 336-360
En 's avonds kwam hij als herder met zijn mooiharige vee weer terug. En meteen dreef hij zijn vette vee de brede grot in, allemaal, en hij liet geen dier buiten in de omheining, ofwel omdat hij iets vermoedde, ofwel omdat een god het zo wilde. Maar vervolgens tilde hij wel weer de grote deursteen voor de uitgang, en hij ging zitten en melkte zijn schapen en mekkerende geiten, alles naar behoren, en elk jong zette hij onder zijn moeder. En toen hij rap zijn klussen geklaard had, greep hij er weer twee en maakte daar zijn avondeten van. Toen dan ging ik naar de Cycloop toe en zei tegen hem, met een nap in mijn handen vol donkere wijn: "Cycloop, hier, drink wijn, nu je mensenvlees hebt gegeten, opdat je ziet wat voor heerlijke drank ons schip aan boord had. Voor u bracht ik die als plengoffer mee, in de hoop dat u me zou helpen aan een geleide naar huis; maar gij gaat tekeer, 't is niet mooi meer. Onmens, hoe zal nog ooit 'n ander mens, hoe veel er ook zijn, voortaan naar jou toekomen, na wat je aan ergerlijks deed?" Dat zei ik, en hij nam hem aan en dronk tot de bodem; en hij vond het vreselijk lekker, dat drinken van die lekkere wijn en vroeg me een tweede: "Geef me er alsjeblieft nog een, en zeg me je naam nu meteen opdat ik je een gastgeschenk geef waar je plezier aan beleeft, want ook bij de Cyclopen brengt de vruchtbare grond wijn voort uit dikke trossen, en de regen van Zeus doet die gedijen, maar dit hier is iets van ambrozijn en nectar". Dat zei hij, en ik gaf hem nog eens fonkelende wijn.
9; 361-400
Driemaal ging ik er een voor hem halen, en driemaal goot hij ze naar binnen, niets vermoedend; maar toen de wijn de Cycloop naar het hoofd steeg, toen zei ik tot hem met honingzoete woorden: "Cycloop, u vraagt me mijn roemvolle naam, ik zal u die zeggen, maar geeft u mij dan uw gastgeschenk, zoals u beloofde. Niemand is mijn naam: Niemand noemen mij mijn moeder en vader en alle anderen, mijn mannen". Dat zei ik, en hij antwoordde meteen, meedogenloos: "Niemand zal ik het het laatst van allemaal opeten, de anderen eerst: dat zal je gastgeschenk zijn". Met deze woorden zeeg hij achterover op zijn rug. Daar lag hij, zijn brede nek opzij gebogen, en de albedwingende slaap kreeg hem in zijn greep; en uit zijn strot gulpte wijn en brokstukken mensenvlees; want hij braakte het uit, zat van de wijn. En toen duwde ik die houtstam onder de grote berg as, om hem te verhitten; en al mijn mannen sprak ik bemoedigend toe, dat niemand zich zou drukken uit angst. Maar zodra de olijfhouten stomp op het punt stond in het vuur vlam te vatten, - ook al was hij nog groen, hij gloeide vervaarlijk - toen haalde ik hem snel uit het vuur, en mijn mannen kwamen erbij staan en een god blies hen onverschrokkenheid in. Zij nu pakten de olijfhouten stomp vast met zijn scherpe punt, en stootten hem pal in zijn oog; en ik, van bovenop duwend, draaide hem rond, zoals wanneer een man scheepshout doorboort met een drilboor, en anderen trekken vanonder aan een riem, aan weerszijden die vastgrijpend, en die boor blijft maar draaien, zo hielden wij de roodgloeiende stomp in zijn oog en draaiden hem rond, en het bloed borrelde om de hete stomp heen. En de gloed verzengde heel zijn ooglid en oogharen en zijn oogappel verbrandde, en zijn oogwortels sisten van de hitte. En zoals wanneer een smid een grote bijl of een dissel in koud water doopt zodat het luid sist om het te harden - want dat is de kracht van het ijzer - zo siste zijn oog om de olijfhouten stomp. Een afgrijselijk gejammer sloeg hij uit en rondom weergalmde het gesteente, en wij renden, verschrikt, uit de buurt en hij rukte de paal, nat van al dat bloed, uit zijn oog en slingerde hem van zich af, als een dolle om zich heen slaand, maar, erger, hij brulde luid om de andere cyclopen die in zijn buurt huisden in grotten, verspreid over de winderige bergtoppen.
9; 401-414
Die nu kwamen, toen ze hem hoorden, van alle kanten aanlopen, bleven staan rond de grot en vroegen wat hij mankeerde: "Waardoor toch gekweld, Polyphemus, begon je opeens zo te schreeuwen door de goddelijke nacht en maak je ons slapeloos? Toch niet drijft 'n sterveling je vee weg tegen je wil? Toch niet probeert iemand jou te doden met list of geweld?" En tegen hen brulde de sterke Polyphemus vanuit zijn grot: "Vrienden, Niemand probeert me te doden met list, niet met geweld". Waarop zij weer de gevleugelde woorden ten antwoord gaven: "Als dan niemand je te na komt en je alleen bent, een ziekte, gestuurd door de grote Zeus is niet af te weren, maar bid dan tot je vader, de heerser Poseidon". Met deze woorden trokken ze weer weg, maar ik lachte in mijn vuistje, omdat mijn naam en die prachtige list hem misleid had.

De grot uit!

9; 415-463
De Cycloop, zuchtend en krimpend van pijn, nam op de tast de steen met zijn handen weg voor de uitgang, en zelf ging hij met uitgestrekte handen in de opening zitten, in de hoop iemand te pakken te krijgen als die tussen de schapen naar buiten zou willen, want zo naïef dacht hij dat ik zou zijn. Maar ik overwoog hoe het verreweg het beste zou kunnen, of ik een ontsnapping aan de dood kon vinden voor mijn mannen en mijzelf: ik breidde aan allerlei listen en lagen daar ons leven op het spel stond en een groot onheil nabij was. En het volgende plan leek mij het beste te zijn: er waren goedgevoede rammen voorhanden, met dichte vacht, mooi en groot, met donkerviolette wol; die bond ik doodstil met drie aan elkaar met behulp van stevig in elkaar gedraaide twijgen, waarop de misdadige, reusachtige Cycloop placht te slapen; de middelste droeg steeds een man, en de andere twee liepen m'n mannen af te dekken. Zo werd iedere man door drie rammen vervoerd; maar wat mij betreft: er was één ram bij, verreweg de grootste van allemaal, die greep ik bij zijn rug, draaide me onder zijn wollige buik en bleef zo hangen; met mijn handen gewikkeld in zijn prachtige wol hield ik mij stevig vast, met grote vasthoudendheid. Zo wachtten wij toen, onder gezucht, de heldere dageraad af. Maar toen de vroeggeboren, rozevingerige dageraad verscheen, toen renden de bokken weg naar de wei, maar de ooien mekkerden in de hokken, want zij waren niet gemolken, en hun uiers stonden sissend strak. Maar hun baas, door hevige pijnen gekweld, betastte de rug van alle dieren, terwijl ze gereed stonden; maar dit had de onnozele niet door, dat zij onder de borst van de wollige schapen vastgebonden zaten. Als laatste kwam de ram naar buiten zwoegend onder zijn vacht en mij met mijn sluwheid! En hem aaiend sprak de sterke Polyphemus: "M'n rammetje, hoe komt het dat je me zo als laatste door de grot loopt? Anders kom je nooit achter de andere schapen aan, maar met grote stappen vooruitgelopen graas je het allereerst het sappige gras af en als eerste kom je bij de waterstromen, en ook weer het eerst verlang je er 's avonds naar om terug te gaan naar de stal; maar nu het allerlaatst! Mis jij het oog van je baas, dat een lafbek heeft uitgestoken met zijn ellendige vrienden, na mijn geest met wijn beneveld te hebben, Niemand, die, dat verzeker ik je, nog niet zijn onheil ontsnapt is! Ach, had je ook maar verstand en een stem om te vertellen waar die vent naartoe is gevlucht voor mijn woede, dan zouden zijn hersens wel overal door de grot spatten als hij tegen de grond werd geslagen, en mijn hart zou bekomen van de ellende die die nietswaardige Niemand mij aandeed". Met deze woorden stuurde hij de ram weg naar buiten. En toen wij een eindje weg waren gekomen van grot en hof, liet ik eerst zelf de ram los, bevrijdde toen ook mijn mannen.

Wegwezen!

9; 464-479
Snel dreven wij het vee met trippelende poten maar goed in het vet langs veel omwegen voort, totdat we het schip bereikten. Tot grote vreugde van onze mannen kwamen we opdagen, wij die de dood ontsnapt waren, om de anderen klaagden ze jammerend. Maar ik liet dat huilen niet toe en fronste mijn wenkbrauwen tegen ieder en beval ze de talrijke mooigewolde schapen snel aan boord te hijsen en de zilte zee op te varen. Zij nu kwamen snel aan boord en zetten zich aan de riemen, en op rij gezeten sloegen zij de grauwgrijze zee met hun riemen. Maar toen ik zo ver verwijderd was als nog te beroepen is, toen riep ik honend naar de Cycloop: "Cycloop, niet van een weerloze man dus zou je de mannen met ruw geweld opeten in je gewelfde grot. En zeer zeker zat het erin dat je wandaden jouzelf zouden treffen, onmens, je deinsde er niet voor terug vreemdelingen in je woning op te eten; daarom strafte Zeus jou en ook de andere goden".
9; 480-490
Dat riep ik hem toe, maar hij werd nog woester, en rukte de top van een grote berg af en wierp die neer vóór het schip met donkere voorsteven, rakelings, en hij miste op een haar na de punt van het roer. En de zee spatte hoog op onder het geweld van de neerkomende rots en de deining voerde haar terug richting kust, een vloedgolf uit zee, en drong haar bijna tegen het strand. Maar ik greep een buitengewoon grote boom en stootte af en opzij, mijn mannen knikte ik met mijn hoofd toe tot aansporing om zich op de riemen te werpen om toch aan het onheil te ontkomen; en zij roeiden uit alle macht.
9; 491-505
Maar toen we dan twee maal zo ver weg waren de zee op, toen wilde ik toch weer de Cycloop toeroepen; maar van alle kanten probeerden mijn mannen met sussende woorden mij tegen te houden: "Zeg man, wat wil je nou toch zo'n woesteling tergen? Die ook zo al door een rotsblok de zee in te werpen het schip weer terugdrong naar land: wij waanden ons daar al verloren! Als iemand geluid gemaakt had of hij had horen praten, dan had hij onze hoofden verbrijzeld en de scheepsbalken erbij door een worp met een puntig rotsblok, zo ver kan hij gooien". Zo sisten ze me toe, maar niet vermurwden ze mijn overmoed, maar, kokend van woede, slingerde ik hem naar zijn hoofd: "Cycloop, als soms iemand van de sterfelijke mensen jou vraagt naar de afschuwelijke verblinding van je oog, zeg dan maar dat de stedenverwoester Odysseus je verblind heeft, de zoon van Laertes, woonachtig op Ithaca".
9; 506-521
Dat riep ik, en hij barstte in gejammer uit en antwoordde nog: "Oh wee, daarmee treft een oude voorspelling mij. Er leefde hier een ziener, wijs en groot, Telemus, zoon van Eurymus, die uitmuntte in zienerskunst en tot op hoge leeftijd voorspellingen deed aan de Cyclopen; die zei mij dat dit alles later zou gebeuren, dat ik door toedoen van Odysseus het zicht zou gaan missen. Altijd verwachtte ik dat een groot en mooi man hierheen zou komen, toegerust met enorme kracht, maar nu beroofde mij van mijn oog een klein, nietswaardig mormeltje, nadat hij me met zijn wijn van de wijs gebracht had. Maar kom eens hier, Odysseus, dan zal ik je gastgeschenken geven en de befaamde aardschudder vragen je naar huis te begeleiden, want van hem ben ik de zoon, en hij pocht mijn vader te zijn. Die zal mij genezen, als hij dat wil, niemand anders van de gelukzalige goden noch van de sterfelijke mensen".
9; 522-549
Dat zei hij nog, maar ik riep ten antwoord: "Och kon ik je maar, van geest en leven beroofd, het huis van de Hades insturen, dan zal zelfs de aardschudder je oog niet meer repareren!" Dat waren mijn woorden, en hij bad tot de heerser Poseidon met de handen uitgestrekt naar de sterrenrijke hemel: "Luister, Poseidon, aardesteunende met donkere haren, als ik werkelijk uw zoon ben, en gij pocht mijn vader te zijn, zorg dan dat de stedenverwoester Odysseus zijn thuis niet bereikt die zoon van Laertes, woonachtig op Ithaca. Maar als het zijn lot is zijn dierbaren terug te zien bij aankomst, zijn stevig gebouwde huis en zijn vaderland, moge hij dan laat en berooid komen, na verlies van al zijn mannen, op het schip van een ander, en moge hij ellende aantreffen thuis". Dat bad hij, en de donkerbehaarde verhoorde hem. Maar hij tilde weer een nog grotere steen op en slingerde die weg, en hij zette er een onmetelijke kracht achter, en hij kwam terecht vlak achter het schip met donkere voorsteven, vlakbij, en op een haar na miste hij de punt van het roer. De zee golfde op onder druk van de neerstortende rots, maar de golfkam duwde haar verder en stuwde haar landwaarts. En toen we dan het eiland bereikten, waar de andere schepen met stevige roeibanken bijeen lagen en de andere mannen in treurnis eromheen zaten, steeds maar in afwachting van ons, lieten we daar aangekomen ons schip het strand op lopen, en wijzelf stapten er uit in de branding van de zee. We haalden het vee van de Cycloop uit het gewelfde schip en verdeelden dat, zodat ieder zijn rechtmatig deel kreeg.
9; 550-566
Maar mijn goedgescheenweerde mannen gaven mij op mijn eentje extra de ram bij de verdeling; die offerde ik aan Zeus, de donkeromwolkte zoon van Cronos, die heerst over allen, en brandde de schenkels; maar Zeus trok zich niets aan van mijn offers, maar overwoog hoe alle schepen met goede roeibanken zouden vergaan en daarbij mijn trouwe mannen. Zo zaten wij toen de hele dag tot zonsondergang geweldige porties vlees soldaat te maken en zoete wijn en toen de zon onderging en de duisternis intrad, gingen wij slapen op het strand van de zee. En toen de vroeggeboren, rozevingerige dageraad aanbrak, toen wekte ik mijn mannen en beval hen aan boord te gaan en de achtertrossen los te maken; zij nu gingen aan boord en zetten zich aan de riemen, en gezeten op rij, sloegen zij de grauwgrijze zee met hun riemen. Vandaar voeren wij verder, bedroefd in ons hart, wel verheugd ontsnapt te zijn aan de dood, maar met verlies van onze vrienden.

10. In de netten van Circe

Odysseus en Aeolus

10; 1-27
Wij kwamen aan bij het eiland Aeolie: daar woonde Aeolus, de zoon van Hippotes, verwant aan de onsterfelijke goden, op een drijvend eiland, daar helemaal omheen staat een muur van onverwoestbaar brons, en een gladde rots verheft er zich. Van hem leven er ook twaalf kinderen in het paleis, zes dochters en zes zonen, volwassen, en hij gaf zijn dochters aan zijn zonen als bedgenoten. En zij eten altijd bij hun vader en zorgzame moeder, en bij hen ligt een grote hoeveelheid voedsel in voorraad, en hun woning hangt vol vetdamp en overdag weergalmt de hof, maar 's nachts slapen zij in goed voorziene bedden bij hun eerzame echtgenoten onder de dekens. Van hen dus bereikten wij de stad en het mooie paleis. Een hele maand ontving hij ons en vroeg ons naar alles, Troje, en de schepen en terugkeer der Grieken en ik vertelde hem alles zoals het gegaan was. En toen ik hem vroeg om de reis te vervolgen en aandrong op een geleide, weigerde hij dat niet, maar trof voorzieningen. En hij gaf me een zak van de huid van een negenjarig rund, en daar stopte hij het geweld van huilende stormen in; hem had Cronus' zoon immers tot hoeder der winden gemaakt, om ze te kalmeren en op te laten steken, zoals hij dat wilde. Die bond hij vast in het gewelfde schip met een glanzend koord van zilver, zodat geen zuchtje wind er langs kon blazen; maar mij schonk hij het blazen van een wind uit het westen, om onze schepen met ons erop voort te drijven. Maar toch zou dit niet lukken; want eigen dwaasheid bracht ons onheil.
10; 28-55
Negen dagen achtereen voeren wij voort, dag en nacht, en op de tiende doemde ons vaderland al op, en wij konden van dichtbij al mensen vuren zien stoken; maar toen bekroop me de zoete slaap, uitgeput als ik was, want steeds maar hield ik de schoot van het zeil en gaf het geen ander van mijn mannen, om toch maar eerder ons land te bereiken; maar mijn mannen strooiden verhalen rond onder elkaar, en dachten dat ik goud en zilver meebracht naar huis, cadeaus van de edelmoedige Aeolus, de zoon van Hippotes. En het volgende zei menigeen met een blik naar zijn buurman: "Ach, wat is hij hier toch populair en gezien bij alle mensen van wie hij de stad en het land maar bereikt. Veel schatten voert hij mee van de krijgsbuit uit Troje, maar wij komen thuis met lege handen, hoewel we toch dezelfde tocht achter ons hebben. Zo gaf ook nu weer Aeolus met gulle hand hem in vriendschap deze cadeaus. Nou, laten we maar gauw eens gaan kijken, wat dat is, hoeveel goud en zilver in die zak zit". Zo mopperden zij, en dit heilloze plan won het bij mijn mannen: zij maakten de zak open en prompt vlogen alle winden eruit. En hen sleepte een storm snel weer de zee op, weg van het vaderland: luid klonk hun gejammer. Maar ik schrok wakker en overwoog in heilige woede, of ik me van het schip zou werpen om dan maar in zee te verdrinken, of dat ik, me verbijtend, het zou verdragen en verder zou leven; maar ik verdroeg het en bleef, ik kroop achterin het schip en bleef liggen. De schepen werden door de stormachtige tegenwind teruggevoerd naar het eiland van Aeolus, en de bemanning bleef jammeren.
10; 56-79
Daar gingen we aan land en haalden we water, en snel aten de mannen bij de snelle schepen. Maar toen we voldoende gegeten en gedronken hadden, koos ik als begeleider een heraut en een metgezel en ging ik op weg naar het prachtige paleis van Aeolus. En die trof ik tijdens de maaltijd met zijn echtgenote en kinderen. En na zijn huis binnengegaan te zijn, zetten we ons neer bij de deurpost op de drempel; zij waren verbaasd en vroegen: "Waar kom jij nou vandaan, Odysseus? Welke boosaardige godheid trof jou? We lieten je toch goed verzorgd gaan, zodat je zou aankomen in je vaderland en je huis en waar je maar verder wilt zijn". Dat zeiden ze, en ik sprak terneergeslagen in hun midden: "Slechte gezellen brachten mij schade en bovendien een verwenste slaap. Maar, vrienden, bied herstel; want daartoe zijn jullie in staat". Dat zei ik, in een poging met vriendelijke woorden vat op hen te krijgen. Maar zij vielen stil, en de vader gaf het volgende antwoord: "Donder op van het eiland, als een haas, ellendig brok mens, want het is niet geoorloofd een man te helpen en geleide te geven die gehaat is bij de gelukzalige goden. Val dood, want gehaat bij de goden ben je hier gekomen". Met deze woorden zond hij me, diep verslagen, zijn huis uit. En van daar voeren wij verder, in treurnis. Mijn mannen sloofden zich uit in afmattend roeien door onze eigen verblinding: nu kwam er geen hulp meer.

Odysseus en de Laestrygonen

10; 80-107
Zes dagen lang voeren wij dag en nacht verder, maar op de zevende bereikten we de hooggelegen stad van Lamos, het Laestrygonische Telepylus, waar de ene herder de ander begroet bij zijn thuiskomst, en de ander teruggroet bij zijn vertrek. Daar zou een man, als hij niet sliep, een dubbel loon verdienen, het ene als koeherder, het andere door de witte schapen te hoeden, want dicht op elkaar volgen de banen van nacht en van dag. Daar kwamen we bij een prachtige haven, waarlangs een steile rotswand loopt aan weerszijden, terwijl vooruitspringende kapen tegenover elkaar aan de monding een afsluiting vormen, en de ingang is nauw. Allen stuurden daar hun schepen, gekromd aan weerszijden, naar binnen en legden binnen de havenluwte dicht bij elkaar aan; want nooit rees er een vloedgolf op in de haven, geen grote, geen kleine, want rondom was het water zeer glad; Ik alleen hield mijn donkere schip buitengaats, daar bij een uiteinde, legde het met trossen vast aan de rots, klom omhoog naar een steenachtige uitkijk en bleef staan. Daar was noch beploegde noch bebouwde akker te zien, alleen rook zagen wij opstijgen van de grond. Toen stuurde ik makkers eropuit om te verkennen, wat voor mensen daar woonde op het land. Twee man koos ik uit, een derde gaf ik als heraut met hen mee. Zij gingen van boord en liepen langs een karrenspoor van houttransport vanuit het hooggebergte naar de stad, en ontmoetten vóór de stad een meisje met een waterkruik, de struise dochter van de Laestrygonier Antiphates. Zij daalde af naar de mooi kabbelende bron Artacia,
10; 108-132
Want vandaar placht men het water naar de stad te brengen - en zij gingen naar haar toe, spraken haar aan en vroegen, wie koning over hen daar was en over wie hij heerste. Zij wees direct het hooggedakte huis van vader aan. Maar toen zij het prachtige huis binnengingen, troffen ze zijn vrouw, van formaat een bergtop, en deinsden ontzet terug voor haar. Maar zij riep snel de vermaarde Antiphates uit de vergadering, haar man, die voor hen een smartelijke ondergang bedacht. Direct greep hij één van mijn mannen en bereidde van hem zijn maaltijd, maar de twee anderen wisten naar de schepen te ontsnappen. Antiphates echter sloeg alarm door heel de stad; de reusachtige Laestrygonen hoorden het en kwamen erop af, van alle kanten, een zwerm, niet aan mensen gelijk maar aan reuzen. Zij wierpen vanaf de rotsen met manzware stenen, en van de schepen rees een ellendig geraas op van mannen die omkwamen en schepen die verbrijzeld werden; als vissen spietsten ze hen en droegen ze weg voor hun wanstaltig maal. Terwijl zij hen nu afslachtten binnen de zeer diepe haven, trok ik mijn scherpe zwaard uit de schede en hakte daarmee de trossen door van mijn schip met donkere voorsteven. Snel en met aandrang gaf ik opdracht aan mijn mannen zich op de riemen te werpen, om zo het onheil te ontkomen, en zij maalden gezamenlijk de zee om uit vrees voor de ondergang. Tot onze vreugde wist mijn schip de overhangende rotsen te ontvluchten de zee op; maar alle andere vergingen ter plekke.

Aankomst op Aeaea

10; 133-155
Van daar voeren wij verder met treurig gemoed, blij ontsnapt te zijn aan de dood, maar met verlies van onze vrienden. En we bereikten het eiland Aeaea. Daar woonde Circe met mooie vlecht, een geduchte godin met mensenstem, de volle zus van de kwaadaardige Aeetes, beiden geboren uit de Zon, die schijnt voor de stervelingen, en Perseïs als moeder, die Oceanus als dochter voortbracht. Daar landden wij zwijgend met ons schip bij een kaap in een rustige haven, een god leidde ons. Toen wij daar van boord gegaan waren lagen wij twee dagen en nachten terneer, in wanhoop door uitputting en kwelling. Maar toen nu de Dageraad met mooie vlecht de derde dag aankondigde, toen dan nam ik mijn lans en mijn scherpe zwaard en klom snel vanaf het schip naar een uitkijkpunt, om te zien of ik soms iets van akkerbouw zag of stemmen kon horen. En nadat ik de rotsachtige uitkijk beklommen had, bleef ik staan en zag rook in de verte opstijgen van de grond met brede wegen, in het paleis van Circe, verscholen in dicht kreupelhout en geboomte. Daarop nam ik aanvankelijk in overweging poolshoogte te gaan nemen, toen ik die gloeiende rook zag. Maar zo scheen het mij bij nader inzien toch beter te zijn: eerst naar het strand van de zee en het schip terug te gaan mijn mannen een maaltijd te geven en er dan op verkenning te sturen.
10; 156-171
Maar toen ik al dicht bij het evenwichtige schip was gekomen, kreeg 'n god medelijden met mij, zo alleen, en zond me een groot, hooggehoornd hert op mijn pad. Het daalde af naar de rivier vanaf een weide in het bos om te drinken, want de kracht van de zon had hem al in zijn greep. Maar ik trof hem midden in zijn rug toen hij tevoorschijn kwam en mijn speer ging dwars door hem heen weer naar buiten, kermend plofte hij neer in het stof, en zijn leven vloog weg. Ik stapte op hem af en trok mijn bronzen lans uit zijn wond door me schrap te zetten en legde die neer op de grond. Daarna trok ik twijgen en tenen af en na een koord gevlochten te hebben van een vadem, aan weerszijden goed gedraaid, bond ik de poten van het enorme dier samen; met mijn buit op mijn rug ging ik verder naar het donkere schip, steunend op mijn lans, het was namelijk onmogelijk hem met één hand op mijn schouder te dragen, want het was een geweldig groot dier.
10; 172-186
Vóór het schip liet ik het vallen en ik bemoedigde mijn mannen met vriendelijke woorden, terwijl ik bij ieder stilstond: "Vrienden, wij zullen, ook al hebben we het zwaar, niet afdalen in de woonplaats van Hades, voordat onze dag is gekomen. Maar kom, laten wij, zolang er aan boord nog eten en drinken is denken aan eten en ons niet laten kwellen door honger". Zo sprak ik hen toe, en zij gaven maar al te graag gehoor aan mijn woorden, en zij ontblootten hun hoofd langs het strand van de onafploegbare zee en stonden perplex over het hert, want het was een enorm dier. Maar toen zij verheugd hun ogen uitgekeken hadden, wasten zij hun handen en bereidden zich een heerlijke maaltijd. Zo zaten wij toen de hele dag tot zonsondergang te smullen van ontzettend veel vlees en zoete wijn. Maar toen de zon was ondergegaan en de duisternis aangebroken, toen dan gingen we slapen op het strand van de zee.

Op verkenning

10; 187-209
Toen nu de vroeggeboren, rozevingerige dageraad aanbrak, toen belegde ik een beraad en sprak onder allen: "Luister naar mijn woorden, beste mannen, ook al hebben jullie het zwaar, want wij weten van geen west en geen oost, noch waar de zon, die schijnt voor de stervelingen, onder de aarde afdaalt, noch waar hij opklimt; maar laten wij rap overleggen, of er nog een verder plan is, ik denk van niet. Ik zag, toen ik het rotsachtige uitkijkpunt had beklommen, dat dit een eiland is, waaromheen de onmetelijke zee ligt uitgestrekt. Het eiland is vlak, en in het midden zag ik met eigen ogen rook achter hakhout en geboomte". Aldus mijn woorden, maar bij hen zonk het hart in de knieen, indachtig de daden van de Laestrygonische Antiphates en het geweld van de monsterlijke Cycloop, die kannibaal. Zij jammerden onder een stortvloed van tranen maar het schoot niet op voor hen met dat gejammer. Ik deelde al mijn goedbeschermde mannen in twee groepen in en aan beide gaf ik een aanvoerder mee, de ene groep leidde ikzelf, de andere de godgelijke Eurylochus. En wij schudden snel de lotsteentjes in een bronzen helm en eruit sprong het lot van de fiere Eurylochus. Die ging op weg en met hem tweeentwintig mannen, onder gejammer; en zij lieten ons somber daar achter.
10; 210-229
Zij troffen in een dal de woning van Circe, gebouwd van gladde stenen op een plaats met een wijd uitzicht; er omheen liepen bergwolven en leeuwen, die zij had betoverd, want zij had hen schadelijke kruiden gegeven. Maar zij stortten zich niet op de mannen, nee, zij stonden slechts op, bij hun nadering kwispelend met hun lange staarten, zoals wanneer honden kwispelen rondom hun baas als die opstaat van tafel, - en altijd heeft hij iets lekkers voor hen - zó kwamen de wolven en leeuwen met krachtige klauwen bij hen kwispelen; maar zij schrokken hevig, oog in oog met duchtige monsters. Zij bleven staan voor de hofpoort van de godin met de mooie vlecht, en Circe hoorden zij binnen zingen met mooie stem, heen en weer lopend langs een weefgetouw, groot en onvergankelijk, zoals alleen het werk van godinnen is: fijn en bekoorlijk en schitterend. En onder hen nam het woord Polites, aanvoerder van krijgers, de dierbaarste en trouwste van mijn mannen: "Vrienden, binnen zingt iemand bij het weven een mooi lied, heel de hal weergalmt ervan, een godin of een sterveling; laten wij snel ons doen horen". Dat zei hij en zij lieten zich luid roepend horen.

De ontvangst bij Circe

10; 230-243
Zij nu opende dadelijk de glanzende deuren, kwam naar buiten en nodigde hen binnen en allen gingen in hun onwetendheid mee. Alleen Eurylochus bleef achter, hij vermoedde dat er een list in het spel was. Zij leidde hen binnen en liet hen zitten op stoelen en zetels, en zij mengde voor hen kaas en meel en goudgele honing in Pramnische wijn; maar daarin loste zij schadelijke kruiden op, om hen helemaal hun vaderland te laten vergeten. En zij gaf het aan hen en zij dronken het op, en meteen daarop raakte zij hen aan met haar staf en sloot hen op in varkenskotten. Zij hadden nu de koppen van varkens, hun geknor en beharing, en ook hun uiterlijk, maar hun verstand bleef intact zoals het voorheen was. Zo zaten zij jammerend opgesloten en Circe wierp hen eikels voor en kastanjes en de vrucht van kornoelje om te eten, zoals op de grond liggende zwijnen plegen te eten.
10; 244-260
Maar Eurylochus kwam vlug terug naar het donkere, snelle schip om het nieuws over de mannen te vertellen en hun harde lot. Eerst was hij niet in staat een woord uit te brengen, hoe graag hij het wilde, getroffen in zijn hart door geweldige droefheid; en zijn ogen vulden zich met tranen want hij voorvoelde geweeklaag. Maar toen wij allen hem vol verbazing ondervroegen, toen kwam hij voor de dag met het onheil van de anderen. "Wij gingen, zoals je beval, door het hakhout, schitterende Odysseus en troffen in een dal een stevig gebouwd huis van gladde stenen, op een plaats met een wijd uitzicht. Daar was iemand helder aan het zingen bij haar werk aan een groot weefgetouw een godin of een vrouw; en zij riepen haar luid. En zij opende meteen de glanzende deuren en kwam naar buiten, en noodde ons binnen; en allen, wisten zij veel, gingen met haar mee, maar ik hield me gedeisd, ik vermoedde al onraad. En zij allen verdwenen tezamen, en niemand van hen kwam nog te voorschijn; hoe lang ik daar ook bleef zitten spieden".

Hermes helpt Odysseus

10; 261-274
Dat zei hij, maar ik wierp mijn grote, bronzen zwaard, met zilver gevest, om mijn schouders, mijn boog ook, en drong er bij hem op aan mij weer dezelfde weg vóór te gaan. Maar hij omvatte met beide armen mijn knieen en smeekte mij jammerend de gevleugelde bede: "O beschermeling van Zeus, dwing me niet daarheen, maar laat me hier, ik weet immers nu al dat jij niet zelf terug zult keren en ook geen van je mannen zult redden. Nee, laten we snel met dezen hier vluchten; nu zullen we de dag van verderf nog kunnen ontkomen". Dat zei hij, maar ik gaf hem ten antwoord: Eurylochus, blijf jij dan maar hier op deze plek je te goed doen aan eten en drinken bij het donkere, holle schip, maar ik ga erop af, want ik voel een dwingende noodzaak". Dat was mijn antwoord en weg beende ik van schip en van zee.
10; 275-292
Maar toen ik op het punt stond het behekste dal in te gaan, naar het grote paleis van de toverkol Circe toen kwam mij daar Hermes - zijn staf is van goud - tegemoet, terwijl ik al afging op de woning: hij had de gedaante van een jongeling met het eerste dons op zijn gezicht, de aantrekkelijkste leeftijd. Hij drukte mij stevig de hand en zei daarbij de woorden: "Waarheen toch, ongelukkige, ben je eenzaam op weg in dit bergland, onbekend met de streek? Je mannen zitten vast in Circe’s paleis als zwijnen achter slot in stevige hokken. Ga je hen soms bevrijden? Nou, ik denk dat jijzelf niet heelhuids meer terugkeert, maar daar bij de anderen gaat blijven. Maar kom, ik zal je helpen tegen het gevaar en je redden. Kijk, neem dit heilzame kruid en ga daarmee naar Circe’s paleis, het zal de dag van de ondergang afweren van je hoofd. Ik zal je al de listige plannen van Circe vertellen: ze zal je een drank bereiden en daarin toverkruiden doen, maar toch zal ze niet in staat zijn jou te betoveren, want dat verhindert dit heilzame kruid dat ik je geef en waarover ik nu zal vertellen.
10; 293-306
Wanneer Circe jou te na komt met haar lange staf, trek dan je scherpe zwaard uit de schede en spring op haar af alsof je haar dreigt te doden. Zij zal dan in doodsangst vragen met haar te vrijen, dan mag je niet verder gemeenschap met de godin weigeren, opdat ze jouw mannen bevrijdt en jou zelf goed behandelt, maar laat haar wel de dure eed van de gelukzaligen zweren, dat zij jou zelf geen verdere ellende zal beramen, en je niet, als je naakt bent, miezerig en onmannelijk maakt". Met deze woorden gaf de argusdoder een kruid, dat hij uit de aarde getrokken had en toonde me daarvan de aard. Het was zwart aan de wortel maar melkwit de bloem, en de goden noemen het 'molu'; er is moeilijk aan te komen voor sterfelijke mensen, maar goden kunnen alles.

Odysseus en Circe

10; 307-320
Hermes ging vervolgens weg naar de grote Olympus over het bosrijke eiland en ik ging verder naar de woning van Circe, en onder het lopen bonsde mij 't hart in de keel. Staan bleef ik vóór de deur van de godin met de mooie vlecht en vanaf die plaats riep ik, en de godin hoorde mij roepen, en snel deed ze de glanzende deur open en kwam naar buiten en heette mij welkom; toch nog somber volgde ik haar. Binnen liet ze me zitten op een stoel met zilveren knoppen, mooi en kunstig versierd; met een voetenbankje beneden. Zij maakte mij een drank in een gouden beker, in de hoop dat ik het dronk, en zij deed er het kruid in met boosaardige bedoeling. Maar toen ze het gaf en ik het dronk slaagde haar betovering niet, want ze raakte mij aan met haar staf en sprak toen de woorden: "Ga nu naar het varkenskot, en ga liggen bij de anderen, je vrienden".
10; 321-335
Dat voegde ze me toe, maar ik trok het scherpe zwaard uit de schede en sprong op Circe toe als om haar te doden, maar zij dook weg onder luid geschreeuw en omvatte mijn knieen en weeklagend kermde ze de gevleugelde woorden: "Wie ben je toch, man, waar kom je vandaan? Waar is de stad van je ouders? Perplex ben ik dat je niet werd betoverd bij het drinken van deze kruiden want geen enkele andere man die ze dronk wist aan deze kruiden weerstand te bieden als ze eenmaal hun lippen gepasseerd waren. Jij moet in je borst wel een hart hebben dat niet te betoveren is. Ben je soms die slimme Odysseus, van wie de argusdoder met de gouden staf steeds beweerde dat hij zou komen, onderweg vanuit Troje met zijn donkere, snelle schip? Maar kom, steek je zwaard weer in de schede en laten wij dan samen naar bed gaan, opdat wij, verenigd in liefdevol vrijen, elkaar weer vertrouwen".
10; 336-351
Dat zei zij, maar ik sprak ten antwoord tot haar: "Circe, hoe kun je me opdragen zo naïef tegen jou te zijn, jij die van mijn mannen zwijnen maakte in je woning, en mij nu zelf hier houdt en met sluwe plannen lokt naar je slaapkamer te gaan en met je te vrijen, om mij, als ik mij uitgekleed heb, miezerig te maken en onmannelijk. Zeker niet zal ik erin toestemmen het bed met je te delen, als je, godin, er niet in toestemt mij een dure eed te zweren dat je mij geen ander kwaad zult beramen". Dat gaf ik haar te verstaan en terstond zwoer ze, zoals ik beval. Maar toen ze dan gezworen had en de eed had beeindigd, toen stapte ik in Circe’s wondermooie bed. En intussen waren vier dienaressen die de huishouding deden, in haar paleis in de weer; zij zijn nu, zo moet ge weten, geboren uit bronnen en bossen en heilige rivieren, die voortstromen naar de zee.
10; 352-365
Van hen legde de één mooie overtrekken op de stoelen, purper van onder en erover legde ze een linnen kleed, en een ander klapte tafels uit vóór de zetels, zilveren, en gouden mandjes zette ze erop; een derde mengde in een zilveren mengvat lekkere, honingzoete wijn en deelde gouden bekers rond; en de vierde droeg water aan en ontstak een groot vuur onder een grote driepoot, en het water werd warm. Maar toen het water ging koken in de blinkende bronzen ketel, liet zij mij plaatsnemen in een badkuip en behaaglijk mengend met het water van de grote driepoot, waste ze me, het uitgietend over hoofd en schouders, tot ze de uitputtende vermoeidheid wegnam uit mijn leden. En toen ze me gewassen had en gezalfd met vette olijfolie, trok ze me een hemd aan en een mooie mantel.
10; 366-388
Dan voerde ze me naar binnen en liet me zitten op een zetel met zilver, mooi en kunstig bewerkt, een voetenbankje beneden, en een dienares bracht waswater aan in een mooie schenkkan van goud, en goot het uit boven een zilveren kom, om mijn handen te wassen en ze schoof de gepolijste tafel aan. Een respectabele huishoudster bracht voedsel aan en zette het me voor veel eten erbij plaatsend, royaal gevend van wat voorhanden was. En zij nodigde me uit om te eten, maar dat kon ik niet over me verkrijgen, nee, ik zat daar afwezig, want sombere gedachten hielden mij bezig. Toen Circe merkte dat ik daar zo zat en geen hand uitstak naar het voedsel en diep in de put zat, kwam ze dichtbij me staan en sprak de gevleugelde woorden: "Waarom toch Odysseus, zit je zo zwijgend aan, somber, en raak je geen voedsel of drank aan? Ben je toch bang voor een list? Je hoeft helemaal niet te vrezen; want ik heb toch met een dure eed alle kwaad afgezworen". Zo sprak zij, maar ik gaf haar als antwoord: "Circe, welke man toch, als hij zijn plicht kent, zal het van zich kunnen verkrijgen te eten en drinken, voordat hij zijn mannen bevrijd en met eigen ogen gezien had? Wel, als gij erop aandringt te drinken en te eten, bevrijd hen dan, opdat ik met eigen ogen mijn trouwe mannen kan zien".
10; 389-405
Dat zei ik, en Circe was al op weg door de zaal heen naar buiten, met haar staf in de hand, en zij opende de deuren van het varkenshok, en liet hen eruit in hun gedaante van sterke zwijnen. Zij nu gingen tegenover elkaar staan, en zij liep tussen hen door en smeerde bij elk een nieuwe wonderzalf op: en van hun ledematen dwarrelden de borstelige haren af, die tevoren het onheilbrengende kruid, dat de machtige Circe gegeven had, liet groeien. Zij veranderden weer in mannen, jonger nog dan voorheen, en veel mooier en groter om te zien. En zij herkenden mij en ieder schudde mij de hand. Bij ons allen kwam de klacht op waarnaar wij verlangden en alom weergalmde het paleis ervan; de godin werd ook zelf aangedaan. Zij, stralende onder godinnen, kwam bij me staan en zei: "Van Zeus afstammende zoon van Laertes, slimme Odysseus, ga nu naar het strand van de zee en je snelle schip; trek dan dat schip eerst op het land en breng al je bezittingen en uitrusting in veiligheid in een grot, maar kom zelf terug en breng je trouwe mannen mee".
10; 406-427
Dat zei ze. En mijn fiere hart gaf daaraan gehoor en ik ging op weg naar het strand van de zee en mijn snelle schip. Daar trof ik bij het snelle schip mijn trouwe mannen in hartverscheurend gejammer, een stroom van tranen vergietend. En zoals kalveren in een hof op het land allemaal tegelijk de koeien van de kudde, als die komen naar stal, verzadigd van het grazen, tegemoet huppelen - dan houden de hekken hen niet meer tegen maar loeiend rennen ze in dichte drom rondom hun moeders - zó drongen zij om mij heen onder tranen van vreugde toen ze mij met eigen ogen zagen, want het was hen zo te moede alsof ze in het vaderland aankwamen en hun stad zelf, het rotsachtige Ithaca, waar ze geboren en getogen waren. En al jammerend zeiden ze tot me de gevleugelde woorden: Over jouw terugkomst, godenzoon, zijn wij zo gelukkig, alsof we ons vaderland Ithaca hebben bereikt; maar kom, vertel ons nu over de dood van de andere mannen". Dat zeiden zij, maar ik sprak hen toe met kalmerende woorden: "Laten we eerst van al het schip op het land trekken, en al onze bezittingen en uitrusting wegbergen in een grot, daarna vraag ik jullie mij allen te volgen, zodat jullie de mannen terugzien in de woning van Circe, drinkend en etend want ze hebben dat in overvloed.

Het verblijf bij Circe

10; 428-446
Dat zei ik, en zij gaven gretig gehoor aan mijn woorden Alleen Eurylochus probeerde alle mannen tegen te houden en zei tegen hen de niet mis te verstane woorden: "Ach, idioten, waar gaan we heen? Waarom verlangen jullie naar die ellende? Naar Circe’s paleis te gaan, die van ons allemaal zwijnen zal maken of wolven of leeuwen, om zo onder dwang haar paleis te bewaken, net zoals die Cycloop onze mannen opsloot, toen zij zijn hol binnendrongen onder geleide van die koppige Odysseus: ja, ook zij kwamen al om door zíjn onbeheerst gedrag". Dat zei hij, maar ik overwoog in mijn geest, om mijn scherp gepunte zwaard uit de schede te trekken, en hem daarmee het hoofd af te slaan en aan zijn voeten te leggen, ook al was hij mij nog zo verwant; maar mijn mannen hielden mij van alle kanten met sussende woorden in toom: "Godenzoon, laten we hem toch, met jouw goedvinden, hier bij de boot achterlaten en de boot bewaken, maar ga jij ons voor naar dat toverpaleis van die Circe". Met deze woorden trokken zij weg van het schip en de zee.
10; 447-468
Maar Eurylochus bleef toch niet achter bij het holle schip, nee, hij ging toch maar mee, geschrokken van mijn donderpreek. En intussen had Circe de andere mannen in haar paleis met zorg laten wassen en laten zalven met glanzende olijfolie, en zij liet hen hullen in wollen mantels en hemden. En wij troffen hen allen aan de maaltijd in het paleis. Toen zij elkaar terugzagen en wederzijds herkenden, weenden zij klagelijk en de woning weergalmde rondom. Maar zij, de stralende onder de godinnen, kwam naar me toe en zei: "Godgeboren zoon van Laertes, listenrijke Odysseus, vergiet toch niet zoveel tranen; ik weet ook zelf hoeveel ellende jullie doorstaan hebben op de visrijke zee, en hoezeer vijanden jullie getroffen hebben op het land. Maar kom, eet nu voedsel en drink daarbij wijn, totdat jullie weer moed gevat hebben, zoals toen jullie voor het eerst jullie vaderland verlieten het rotsachtige Ithaca. Maar nu zijn jullie uitgeput en moedeloos, altijd maar terugdenkend aan jullie moeizame zwerftocht, en nooit heerst er vreugde in jullie hart, omdat jullie zeer veel hebben doorstaan". Zo sprak zij, en ons fiere hart gaf maar al te graag toe. Toen genoten wij een vol jaar elke dag, aanzittend aan maaltijden van heel veel vlees en zoete wijn.

Op weg naar de Onderwereld

10; 469-502
Toen nu dat jaar om was en de seizoenen rondgegaan waren bij het verstrijken der maanden, en de lange reeks dagen voltooid, toen namen mijn trouwe mannen mij apart en zeiden: "Verdwaasde, denk nu toch eens aan je vaderland, als het je voorbeschikt is behouden terug te komen in je hoge paleis in je thuisland". Dat zeiden ze, en mijn fiere hart gaf hen gehoor. De hele verdere dag tot aan zonsondergang bleven wij ons tegoed doen aan geweldig veel vlees en zoete wijn; maar toen de zon ondergegaan was en de duisternis intrad, gingen zij slapen in de schaduwrijke vertrekken, maar ik stapte in het wonderschone bed van Circe en omvatte smekend haar knieen - de godin luisterde naar mij - en met aandrang sprak ik tot haar de gevleugelde woorden: "Circe, vervul me nu dan de belofte die je me deed: me naar huis te laten gaan; want mijn hart verlangt daar nu naar, en ook dat van de anderen, mijn mannen, die mij kwellen met hun gejammer tegen mij, wanneer jij niet in de buurt bent". Zo sprak ik, en zij, de stralende onder de godinnen, gaf als antwoord: "Godgeboren zoon van Laertes, listenrijke Odysseus, blijf niet langer tegen jullie zin hier in mijn woning. Maar weet wel: jullie moeten eerst nog een andere tocht maken en naar het huis gaan van Hades en de vreselijke Persephone, om de schim te raadplegen van de Thebaan Tiresias, de blinde ziener, wiens geest nog onverzwakt is, want hem alleen stond Persephone toe een onverminderd verstand na zijn dood te bewaren maar de anderen fladderen als schimmen rond." Dat waren haar woorden, maar mij zonk het hart in de knieen, en ik huilde, overeind gezeten in bed, want nu wilde ik niet langer meer leven en het zonlicht zien. Maar toen ik mij moe had gehuild en gewoeld, toen dan sprak ik van mijn kant tot haar: "Circe, wie gaat mijn gids zijn op die tocht? Naar Hades kwam nog nooit iemand op zijn donkere schip".
10; 503-540
Dat zei ik en meteen antwoordde de stralende godin: "Van de goden stammende zoon van Laertes, listenrijke Odysseus, maak je niet bezorgd over gemis aan een gids op je schip, zet gewoon de mast op en hijs de witte zeilen er langs en ga zitten: haar zal de bries van de Noordenwind voortdrijven. Maar wanneer je per schip de Oceanus overgestoken bent, waar de kust vlak is en er bossen aan Persephone gewijd zijn van grote populieren en vruchtverliezende wilgen, anker daar dan je schip in de Oceanus, rijk aan diepe kolken, en ga zelf op weg naar het schimmelige rijk van Hades. Daar stromen de Pyriphlegethon en de Cocytus - die weer een zijtak is van de Styx - uit in de Acheron, en er staat een rots bij de samenkomst van die twee donderende stromen, daar moet je, mijn held, zo dicht mogelijk bij komen, daar dring ik op aan, en dan een kuil graven, een el in de lengte en breedte, er omheen een plengoffer brengen voor alle gestorvenen vooreerst met een honingmengsel, daarna zoete wijn, ten slotte met water; en strooi daar bleek gerstemeel over. Richt dan je smeekbeden tot de schijngestalten der doden, met de belofte dat je na aankomst op Ithaca een onvruchtbare koe, de beste die je hebt, zult offeren in je paleis en een brandoffer zult inrichten vol kostelijke gaven; aan Tiresias apart moet je nog een offer brengen van een gitzwart schaap, dat uitblinkt onder jullie kleinvee. Als je onder geloften gebeden hebt tot de beroemde volken der doden, offer daar dan een zwart mannetjesschaap en een wijfje na hun kop naar de Onderwereld gedraaid te hebben, maar wend je zelf af in de richting van de stroom van de rivier; dan zullen er vele schimmen opduiken van gestorven overledenen. Spoor dan je mannen aan en vraag ze het vee dat daar ligt, geslacht met meedogenloos brons, te villen en te verbranden, en tot de goden te bidden, de sterke Hades en de vreselijke Persephone. Trek dan je scherp zwaard uit de schede en wacht zelf af en laat de schimmen van de overledenen niet dicht bij het bloed komen, voordat je Tiresias ondervraagd hebt. Dan zal, aanvoerder van krijgsvolk, terstond de waarzegger komen, die je de weg zal wijzen en de lengte van je tocht en je thuisreis, hoe je die gaan moet over de visrijke zee".
10; 541-574
Dat zei ze, en daarop brak de Dageraad aan, gehuld in gouden bloemen. En zij gaf me een mantel en lijfrok om aan te trekken, en zelf trok de nimf een grote zilveren japon aan, fijn geweven en aantrekkelijk, en om haar heup legde ze een mooie gordel van goud, en haar hoofd dekte ze af met een sluier. Maar ik liep door het paleis en wekte mijn mannen, ging bij ieder langs en sprak hem bemoedigend toe: "Lig nu niet langer een zoete slaap te slapen, maar laten wij gaan, want de respectabele Circe gaf mij aanwijzingen". Dat zei ik en hun fiere hart gaf maar al te graag gehoor. Maar ook vandaar mocht ik mijn mannen niet ongedeerd wegvoeren: er was een zekere Elpenor, heel jong, niet al te sterk in de oorlog en ook niet honderd procent in zijn hoofd; die was, dronken en op zoek naar wat koelte, ver van de anderen gaan slapen op het dak van Circe’s paleis. Maar toen al zijn maats in beweging kwamen en hij het rumoer hoorde, schoot hij plots overeind en vergat door verwardheid dat hij weer via de lange trap naar beneden moest gaan, en viel hij prompt van het dak en brak zijn nek uit de wervels en daalde zijn geest af naar de Hades. Bij ons vertrek sprak ik tot mijn mannen: "Jullie denken misschien dat wij naar ons vaderland gaan, maar Circe bepaalde voor ons een andere tocht, naar Hades en de gevreesde Persephone, om advies in te winnen bij de schim van Tiresias". Zo sprak ik, maar hen zonk het hart in de knieen, Zij gingen ter plaatse zitten jammeren en trokken zich de haren uit, maar hun gejammer haalde niets uit. Toen wij nu naar het strand van de zee en ons snelle schip kwamen, terneergeslagen en tranen vergietend, was intussen Circe al naar het donkere schip toe gegaan en ze had een zwarte ram en een ooi vastgebonden, gemakkelijk ons passerend: wie zou immers een god tegen diens zin met zijn sterfelijke ogen zien als hij hier of daar heen gaat?

11. Onder de doden

Odysseus vaart naar het Dodenrijk

11; 1-22
Toen wij nu naar het schip en de zee waren afgedaald, trokken we eerst het schip de stralende zee in, richtten de mast op en hesen het zeil op het donkere schip. Dan grepen we de schapen en brachten ze aan boord, tenslotte scheepten we zelf in onder een stortvloed van tranen. En van achter het schip met donkere steven zond Circe met de mooie vlecht, de godin die spreekt in mensentaal, ons een gunstige wind die het zeil bolde, een kostbare metgezel. En wij, ieder op zijn plaats op het schip, wij deden ons werk; en de wind en de stuurman hielden haar op koers. Haar zeil stond de hele dag strak gespannen, terwijl ze het water doorkliefde; tenslotte ging de zon onder en alle wegen werden duister. - Ons schip bereikte de grens van Oceanus in de diepte. Daar bevindt zich het volk en de stad der Cimmerianen, gehuld in een wolk van mist; want nooit bereikt hen de schitterende zon met zijn stralen, noch als hij opgaat naar de hemel die met sterren bezaaid is, noch als hij vanuit het zenit weer afdaalt naar de aarde, een doodse duisternis ligt over de onfortuinlijke stervelingen. Daar lieten wij ons schip het strand op lopen en we brachten de schapen aan land; en zelf stapten we voort langs de branding van de Oceaan, totdat we kwamen bij de plaats die Circe gewezen had.

Offers, bloed en schimmen

11; 23-50
Daar grepen Perimedes en Eurylochus de offerdieren vast, ik trok mijn scherpe zwaard uit de schede en groef een kuil van een el lang en breed. Daaromheen goot ik een plengoffer uit voor alle doden, eerst van een honingdrank, daarna van een zoete wijn, een derde weer van water, en ik strooide daarover wit offermeel uit. Vurig beloofde ik de bleke schimmengestalten een koe te slachten bij thuiskomst op Ithaca in mijn paleis, mijn beste, en de brandstapel met prachtige gaven te beladen, en voor Tiresias afzonderlijk en apart nog een ooi, een gitzwarte, de beste onder onze schapen. Toen ik hen, het schimmenvolk, met mijn beloften en smekingen toe had gesproken, nam ik de schapen en sneed ze de keel door boven de kuil, en hun bloed stroomde erin, met donkere dampen. Daar dromden toen uit de Onderwereld schimmen omheen van overledenen. Jonge vrouwen en mannen, ook grijsaards bij leven beproeft, en ook jonge meisjes met smart in hun jonge hart. Veel krijgslieden ook, gewond door bronzen wapens, en gedood in de oorlog, gehuld in bloedbesmeurde wapenrusting: Zij zwierven in groten getale aan alle kanten om de kuil met erbarmelijk gehuil: een vale vrees bekroop mij. Maar vervolgens beval ik mijn mannen met aandrang de schapen die daar lagen, geslacht met meedogenloos brons, te villen en te verbranden, en daarbij tot de goden te bidden, de machtige Hades en de roemruchte Persephone. Zelf trok ik mijn scherpe zwaard uit de schede en hurkte neer, en niet liet ik de ijle gestalten der doden dichterbij het bloed komen, alvorens ik Tiresias ondervraagd had.

Elpenor

11; 51-83
Als eerste kwam op mij toe de schim van Elpenor, mijn scheepsmaat, nog niet was die namelijk begraven onder de wijde aarde; want wij hadden hem achtergelaten in Circe's paleis, onbeweend en onbegraven, omdat een andere taak ons opjoeg. Toen ik hem zag, kwamen tranen van deernis bij mij op en ik bereikte hem met duidelijke woorden: "Elpenor, hoe kwam jij hier beneden terecht in het nevelige duister? Jij was hier nog eerder te voet dan ik op het donkere schip". Dat zei ik, maar hij barstte los in gejammer en gaf mij ten antwoord: "Van Zeus stammende zoon van Laertes, listenrijke Odysseus, Met verblinding sloeg mij een demon en de overvloed aan wijn. In Circe’s paleis was ik gaan slapen maar lette er niet op weer langs de grote trap naar beneden te gaan, en viel regelrecht van het dak; en ik brak mijn nek uit de wervels, en mijn schim daalde af naar de Hades. Nu echter smeek ik je bij hen die we achterlieten en niet hier zijn, bij je vrouw en je vader, die je grootbracht toen je nog jong was, en bij Telemachus, die je in je paleis als enige naliet: ik weet dat je hier weer vandaan komt, weg uit het Hades huis en je schip naar Aeaea zult varen: ik vraag je, meester, mij daar te gedenken: en niet mij, daar teruggekomen, onbeweend en onbegraven te laten met je rug naar mij toe, opdat ik geen oorzaak van woede word bij de goden, nee verbrand mij met mijn spullen, al wat ik heb, en werp voor mij een gedenkteken op aan de kust van de zee zodat ook de mens in de toekomst hoort van mij, ongelukkige. Doe dat voor mij en zet op mijn graf ook de stuurriem, waarmee ik bij leven roeide tussen mijn maats". Dat zei hij, maar ik gaf hem als antwoord: "Ongelukkige, dat zal ik regelen en doen". Zo zaten wij samen te praten in een smartelijk gesprek, ik aan de ene kant met mijn zwaard bij het bloed, en de geest van mijn maat tegenover mij met een stortvloed van woorden.

Tiresias

11; 84-151
Op ons af kwam de schim van mijn gestorven moeder, Anticlea, dochter van de grootmoedige Autolycus, die nog leefde bij mijn vertrek naar het godgewijde Ilus. Bij het zien van haar kwamen tranen van deernis bij mij op, maar toch, al was ik nog zo begaan, ik liet haar niet dichter bij het bloed komen, voordat ik Tiresias gehoord had. En daar kwam nu de schim van de Thebaan Tiresias zijn gouden scepter in zijn hand, en hij herkende mij en sprak tot mij: "Van Zeus stammende zoon van Laertes, listenrijke Odysseus, waarom toch, ongelukkige, verliet je het zonlicht en kwam je naar hier om de doden te zien en dit onverkwikkelijke gebied? Wel, stap weg van de kuil en houd dat scherpe zwaard uit de buurt, opdat ik bloed kan drinken en je naar waarheid bericht". Zo sprak hij, en ik week achteruit en stak mijn zilveren zwaard terug in de schede. Toen hij nu het donkere bloed had gedronken, sprak de eerbiedwaardige ziener mij toe met de woorden: "Een heerlijke terugkeer zoek je, schitterende Odysseus: maar een god zal je die moeilijk maken. Niet immers denk ik, dat je aan de aardschudder zult ontkomen, die een wrok tegen jou opvatte, woedend omdat jij zijn zoon blind hebt gemaakt. Maar toch zullen jullie, ondanks veel tegenslag, thuis aankomen, als je je hebzucht en die van je mannen in toom zult houden, wanneer je eerst je goedgebouwd schip zult aanhouden op het eiland Thrinacia, ontsnapt aan de nevelige zee, en jullie runderen en schapenkudden zien grazen van Helius, die toeziet op alles en ook alles beluistert. Als je die dieren met rust laat en denkt aan je thuiskomst, dan zullen jullie Ithaca wel bereiken, zij het met veel ellende; maar als je je aan hen vergrijpt, dan voorspel ik je een zekere ondergang je schip en je mannen. En ook als je de dans weet te ontspringen, dan zul je veel later pas terugkeren, erbarmelijk, met verlies van al je mannen, op een schip van een ander. En ellende zul je aantreffen in je woning, brutale lieden die je vermogen opmaken, met bruidschatten dingend naar de hand van je goddelijke echtgenote. Heus, je zult hun gewelddadig gedrag bij thuiskomst wel wreken. Maar als je die vrijers gedood zult hebben in je paleis, met een list of openlijk met scherp brons, neem dan een goed hanteerbare roeispaan en ga op weg, tot waar je bij mensen komt die de zee niet kennen en die geen voedsel gebruiken waar zout in gemengd is; en zij hebben geen weet van schepen met purperen snebben noch van welgevormde riemen, die voor schepen als vleugels zijn. Ik zal je een duidelijk teken meegeven, dan zal het je niet ontgaan: wanneer je een andere reiziger ontmoet die denkt dat je een dorsvlegel draagt op je schouder, steek dan de goed bruikbare roeiriem in de aarde en breng passende offers aan heerser Poseidon, een ram en een stier en een mannetjeszwijn, en ga dan weer naar huis en breng een groots offer aan de onsterfelijke goden die de wijde hemel bewonen, aan allen op rij. Dan zal, waarlijk, jouzelf ver van zee een zachte dood bereiken, die jouw einde zal brengen als je verzwakt bent door een rustige ouderdom. En je zult omringd zijn door vermogende burgers. Dat zeg ik je naar waarheid". Zo sprak hij, ik gaf hem daarop ten antwoord: "Tiresias, dat sponnen de goden zelf, dunkt me, toe. Maar kom, zeg mij dit nu naar waarheid: ik zie hier de schim van mijn overleden moeder; zij zit daar maar stil vlakbij het bloed en waagt het niet haar zoon aan te zien of toe te spreken. Zeg me, meester, hoe zij mij kan herkennen als wie ik ben?" Dat zei ik, en hij sprak mij ten antwoord: "Een eenvoudig antwoord zal ik je geven ter overweging: Al wie je van de overledenen toestaat dichterbij het bloed te komen, die zal je naar waarheid toespreken, maar aan wie je het misgunt, die zal weer weggaan". Na deze woorden ging hij weer het rijk binnen van Hades, de schim van koning Tiresias, nadat hij zijn voorspellingen gesproken had.

Anticlea

11; 152-162
Maar ik bleef daar op mijn plaats, totdat mijn moeder eraan kwam en dronk van het donkerdampende bloed; direct herkende ze mij en op klagende toon sprak ze tot mij de gevleugelde woorden: "Mijn kind, hoe kon je hier in het nevelige duister geraken, terwijl je nog leeft? Het is gevaarlijk voor levenden om dit rijk te bezoeken. Ertussen lopen toch grote rivieren en machtige stromen, vooral de Oceanus, die je met geen mogelijkheid te voet over kunt steken, nee, hoogstens met een goedgemaakt schip. Kom je hier nu op je langdurige zwerftocht vanuit Troje op je schip met je mannen? En ben je nog niet teruggeweest op Ithaca, en heb je je vrouw nog niet gezien in je paleis?"
11; 163-179
Zo sprak zij. Ik gaf haar dit als mijn antwoord: "Mijn lieve moeder, dwang bracht mij naar de Hades beneden om de schim van de Thebaan Tiresias te raadplegen. Nee, nog niet kwam ik bij Griekenland aan en nog niet kon ik voet zetten op ons land, maar tot mijn verdriet zwerf ik nog altijd rond, sinds ik met de stralende Agamemnon meetrok naar het paardenrijke Troje om tegen de Trojanen te vechten. Maar kom, vertel mij dit eens precies: wat voor meedogenloos doodslot werd u noodlottig? Een langdurige ziekte? Bezocht Artemis u, kwistig met pijlen, en doodde zij u met haar pijnloze schichten? Vertel me ook over m'n vader en zoon, die ik achter moest laten, is in hun handen nog mijn bezit, of heeft al een ander man dat in handen, en denkt men dat ik niet meer terugkom? Vertel mij ook wat er omgaat in mijn wettige vrouw blijft zij nog bij haar zoon en weet zij alles te regelen, of huwde zij al met de beste Griek die er is".
11; 180-203
Dat zei ik; daarop antwoordde mijn vorstelijke moeder: "Zeer zeker verblijft zij nog met een verdraagzaam gemoed in je paleis; maar altijd verlopen haar dagen en nachten in verdriet terwijl ze bittere tranen vergiet. Maar jouw prachtig vermogen is nog niet in vreemde handen, maar onverstoord weet Telemachus jouw domein te beheren en neemt aan de maaltijd de plaats in die een ordebewaarder verdient; want allen nodigen hem uit. Maar jouw vader blijft ginds op het land en komt niet meer naar de stad. Niet meer beschikt hij over bedden met mantels en glanzende spreien, maar in de winter slaapt hij bij de slaven in huis, in het zand bij de haard, en hij kleedt zich met schamele kleren; maar wanneer het zomer wordt en overvloedige herfst, dan liggen overal op de glooiing van de wijngaard neergedwarrelde blaren op de grond die hem dienen als bed . Daarop ligt hij dan in treurnis, en smart neemt dan toe in zijn geest in verlangen naar jouw terugkeer, want zijn ouderdom valt hem zwaar. Daardoor ging ook ik dood en volbracht mijn leven op aarde: niet doodde mij de scherpziende pijlen rondstrooister met haar pijnloze schichten naar mij toegekomen, en ook niet besloop mij een ziekte, die meestal de fut uit het lijf haalt met smartelijk slopen. Nee, het gemis van jou en je geestkracht, heerlijke Odysseus, en ook van jouw toewijding, beroofden mij van mijn levenskracht".
11; 204-215
Dat zei ze, en ik wilde dolgraag, getroffen, de schim van mijn gestorven moeder omarmen. Driemaal deed ik een poging, want ik wilde haar dolgraag omhelzen, drie maal ontglipte ze mijn armen als een schaduw of als een droombeeld. En een vlammende pijn schoot op in mijn hart en luidkeels sprak ik duidelijk tot haar: "Moedertjelief, waarom geen omhelzing, terwijl ik daar zo naar verlang, opdat wij beiden ook in de Hades onze armen slaan om elkaar en in kille klachten samen troost zoeken? Zond soms de trotse Persephone dit als een drogbeeld voor mij, opdat ik meer nog treur in gejammer?" Dat zei ik, en zij, mijn eerwaardige moeder antwoordde:
11; 216-224
"Ach, mijn kind, ongelukkigste held, nee, niet misleidt jou Persephone, dochter van Zeus, maar zo is het nu eenmaal bepaald voor de mens wanneer hij gestorven is: want niet meer houden pezen zijn vlees en botten bijeen, maar de kracht van het laaiende vuur doet dit alles te niet, wanneer eenmaal het leven de blanke botten verlaat, en de ziel weg is gevlogen als een wegwiekende droom. Maar haast je nu snel naar het daglicht, bewaar de herinnering aan dit alles om het later je vrouw te vertellen".

Heldinnen

11; 225-234
Wij beiden wisselden zo van gedachten, toen alle vrouwen naderden, op bevel van de trotse Persephone, de echtgenoten en dochters van de meest vooraanstaanden. Zij drongen samen om het donkere bloed, terwijl ik overwoog hoe ik elk afzonderlijk zou kunnen spreken. Dit besluit leek me bij overleg wel het beste: ik trok mijn zwaard met de scherpe punt van mijn stevige bovenbeen en liet ze niet allen tegelijk het donkere bloed drinken. Zo kwam de een na de ander dichterbij en elk stelde zich voor, en zo ondervroeg ik hen allen.
11; 235-259
Toen zag ik eerst Tyro, de edelgeborene, zij zei de dochter te zijn van de voorname Salmoneus, en noemde zich de vrouw van Cretheus, zoon van Aeolus; zij werd verliefd op de stroomgod Enipeus, die als verreweg de mooiste rivier op de aarde voortstroomt, en almaar dwaalde zij langs de prachtige stromen van Enipeus, totdat eens in zijn gedaante de aardschudder Poseidon verscheen en zich bij haar neerlegde aan de monding van de kolkrijke rivier; een purperen golf stelde zich om hen heen, zo groot als een berg, als een luifel en verborg zo de godheid en de sterfelijke vrouw. Hij maakte haar maagdengordel los en goot een slaap over haar uit. Maar toen de god zijn hartstocht gestild had, nam hij stevig haar hand en sprak deze woorden: "Verheug je, vrouw, over onze liefde: bij de rondgang van het jaar zul jij schitterende kinderen baren, want niet is een vrijage met onsterfelijken onvruchtbaar: koester hen en breng hen met zorg groot. Ga nu naar huis en houd je in: noem niet mijn naam; maar ik, ik ben niemand anders dan de aardschudder Poseidon". Na deze woorden dook hij onder in de golvende zee. Zij nu bleek zwanger en beviel van Pelias en Neleus, die zich beiden ontpopten tot krachtige dienaars van grote Zeus. Pelias, rijk aan schapen, woonde in het uitgestrekte Iolcus, Neleus in het zandige Pylos. Nog anderen bracht de koninklijke vrouw voort, kinderen van Cretheus Aeson en Pheres en Amythaon, de wagenstrijder.
11; 260-265
Na haar zag ik Antiope, dochter van Asopus, die erop prat ging geslapen te hebben in de armen van Zeus, en zij baarde twee zonen, Amphion en Zethus, die als woonplaats het zevenpoortig Thebe hebben gesticht en met muren versterkt, want, hoe sterk ze ook waren, zonder ommuring waren zij niet in staat het uitgestrekte Thebe veilig te houden.
11; 266-270
Na haar zag ik Alcmene, de vrouw van Amphitryon, zij werd de moeder van de stoutmoedige Heracles, een leeuwenhart, na een vrijage in de armen van grote Zeus. Ook zag ik Megara, dochter van de buitengewone Creon, met wie de altijd onvermoeibare zoon van Amphitryon was getrouwd.
11; 271-280
En de moeder van Oedipus zag ik, de mooie Epicasta, zij bedreef in onwetendheid een ongehoorde daad door een huwelijk met haar zoon; die had zijn vader gedood en kreeg haar tot vrouw; maar later maakten de goden het de mensen bekend. Hij heerste over de Cadmeeers in het lieflijke Thebe, met smarten belast door de wrede besluiten van de goden. Zij daalde af naar de woning van de krachtige poortwachter Hades door een dodelijke strop vast te maken aan een hoge paleisbalk, verstrikt in haar leed; voor hem liet zij zeer veel kwellingen na, zoveel als wraakgodinnen van een moeder kunnen bezorgen.
11; 281-297
Ook zag ik de prachtige Chloris, met wie ooit Neleus huwde vanwege haar schoonheid, nadat hij een enorme bruidschat gegeven had, zij was de jongste dochter van Amphion, Iasus' zoon, die eens hardhandig heerste in het Minyische Orchomenus; zo werd zij koningin over Pylos en baarde Neleus roemrijke kinderen, Nestor en Chromius en de zeer gevierde Periclymenus. Bovendien baarde ze de struise Pero, bewonderd door alle stervelingen allen uit de omgeving dongen naar haar hand; maar niet huwelijkte Neleus haar uit, tenzij aan wie de kromhoornige, breedkoppige runderen verdreef uit Phylace en de macht van Iphiclus een moeilijke taak. Alleen een nobele ziener deed een poging hen weg te drijven, maar het weerbarstig besluit van de godheid, zette hem vast door pijnlijke boeien en ruwe herders. Maar toen maanden en dagen verstreken en na de wenteling van het jaar de seizoenen herbegonnen, toen dan liet de gewelddadige Iphiclus hem weer vrij, in ruil voor alle orakels die hij hem gaf, en Zeus' wens ging zo in vervulling.
11; 298-304
Ook zag ik Leda, Tyndareus' vrouw. Zij bracht, bevrucht door Tyndareos, twee onversaagde zonen voort, de paardentemmende Castor en Polydeuces de bokser, beiden nog levend, al liggen ze in de vruchtbare aarde: ook onder de aarde houdt Zeus hen in ere, om de andere dag zijn ze in leven, afwisselend met dood, en zij genieten een eer aan die van de goden gelijk.
11; 305-320
Na haar zag ik Iphimedia, de vrouw van Aloeus, zij benadrukte gemeenschap gehad te hebben met Poseidon en zo twee zonen gebaard te hebben, voor een kort leven bestemd, de godgelijkende Otus en de wijdvermaarde Ephialtes. Zij waren de grootste reuzen die de graanschenkende aarde voedt en verreweg de mooiste, althans na de beroemde Orion: want op hun negende jaar waren zij negen el dik, maar in lengte haalden zij negen vadem. Zij dreigden samen zelfs de goden op de Olympus de strijd van een onstuimige oorlog aan te doen. Zij wilden de Ossa plaatsen op de Olympus, en op de Ossa de weelderig bebladerde Pelion, zodat de hemel bereikbaar zou worden. Zij zouden het ook bereikt hebben, als ze volwassen waren geworden, maar de zoon van Zeus, die de schoongelokte Leto gebaard had, doodde hen beiden, voordat onder hun slapen het eerste haar groeide en hun kin zou bedekken met weelderig dons.
11; 321-327
Phaedra en Procris zag ik en de mooie Ariadne, dochter van de boosaardige Minos, ooit door Theseus weggevoerd van Kreta naar de heuvel van het heilige Athene, maar hij had geen plezier van haar: door Artemis werd zij gedood op Dia, omspoeld door de zee, na aanwijzing door Dionysus. Maera zag ik en Clymene en de gehate Eriphyle, die het leven van haar man verkocht voor duurzaam goud.

Intermezzo

11; 328-346
Alle vrouwen zou ik niet kunnen bespreken of benoemen, zoveel echtgenoten en dochters van helden als ik ontmoette; eerder zou de goddelijke nacht zijn verstreken. Overigens is het ook tijd te gaan slapen, hetzij ik dat doe op mijn schip bij mijn maten, hetzij hier. Mijn geleide zal de goden ter harte gaan en u hier". Aldus Odysseus; zij allen bleven zwijgen, in betovering gevangen in het schaduwrijke paleis. Maar tenslotte nam de blankarmige Arete het woord in hun midden: "Phaeaken, wat is jullie mening over deze man qua uiterlijk en grootte en zijn wijze geest? Hij is wel mijn gast, maar iedereen deelt in die eer; Laat hem niet overhaast gaan en besnoei niet op je schenken nu hij die zo hard nodig heeft, want door de wil van de goden liggen grote vermogens in jullie paleis". In hun midden nam ook het woord de veteraan Echeneus, die van alle Phaeaken de meest gerespecteerde was: "Vrienden, zeker spreekt onze verstandige koningin treffend en naar mijn hart; geef haar gehoor. Maar Alcinous beslist over daden en woorden".
11; 347-353
Tot hem sprak Alcinous hardop ten antwoord: "Haar woord zal gelden, zowaar als ik leef en heers over de roeiriemminnende Phaeaken. Laat onze gastvriend zijn verlangen naar de thuisreis bedwingen en tot morgen wachten; dan zal hij van mij al het mogelijke krijgen; het geleide zal ter harte gaan aan ieder, maar mij vooral; want ik heb hier de macht".
11; 354-361
Tot hem sprak ten antwoord de listenrijke Odysseus: "Koning Alcinous, edelste van allen, als u allen mij zou aansporen een jaar lang hier te blijven, en mij een geleide zou schenken en prachtige geschenken, dan zou ik daarvoor kiezen en het zou veel nuttiger zijn met vollere handen naar mijn vaderland terug te keren. Met meer respect en genegenheid zal ik door allen worden begroet, die mij naar Ithaca teruggekeerd zullen zien".
11; 362-376
Hem antwoordde Alcinous met luide stem: "Odysseus, het komt in het geheel niet op bij ons bij het zien van u te denken, dat je een leugenaar bent en een bedrieger, zoals de donkere aarde vele verspreid wonende mensen voedt, die leugens verzinnen uit wat niemand kan controleren. Nee, jij hebt een prachtige trant van vertellen en een nobele geest. Je vertelde ons je verhaal even knap als een echte professional over het smartelijke leed van alle Grieken en ook van jouzelf. Maar kom, zeg me ook dit en vertel het precies, of ge nog voortreffelijke mannen ontmoet hebt, die met jou naar Ilium trokken en daar door hun noodlot werden getroffen. De nacht is nog lang, zonder einde, en nog niet is het tijdstip al daar om te gaan slapen in het paleis, vertel mij je wonderlijke daden. Tot aan de stralende dag zou ik het uithouden, wanneer je in staat bent in ons paleis jouw lotgevallen te verhalen".
11; 377-384
Hem weer ten antwoord sprak de listenrijke Odysseus: "Koning Alcinous, edelste van allen, Er is een tijd van lange verhalen, en een tijd van slapen; maar als u echt zo verlangend bent te luisteren, dan zal ik u niet andere onthouden, nog smartelijker dan deze, wat mijn metgezellen overkwam, die later zijn omgekomen, die wel de verschrikkelijke strijdkreet der Trojanen konden ontkomen maar bij hun terugkeer stierven door de wil van een slechte vrouw.

De schim van Agamemnon

11; 385-394
Toen de trotse Persephone naar alle kanten de vrouwenschimmen verdreven had, kwam de schim van Atreus' zoon Agamemnon op mij af, mistroostig. Hij werd omringd door alle anderen die met hem omkwamen in het huis van Aegisthus. Hij herkende mij direct, toen hij gedronken had van het donkere bloed, en hij huilde schril onder een stroom van tranen, hij strekte zijn armen naar mij uit, hij wilde mij aanraken; maar vergeefs, hij had niet meer de kracht en het vermogen, zoals hem dat voorheen in zijn soepele ledematen eigen was.
11; 395-402
Bij het zien van hem schoten de tranen in mijn ogen en deernis beving mij, en met stemverheffing sprak ik duidelijk tot hem: "Zoon van Atreus, zo vermaard, vorst Agamemnon, welk lot van de meedogenloze dood betekende jouw einde? Heeft soms Poseidon je op je vloot schipbreuk doen lijden door het aanjagen van een geweldige storm van kwade winden? Of hebben vijanden je gedood op het land, toen je hun runderen wilde roven en kudden mooie schapen of in een gevecht om hun stad en hun vrouwen?"
11; 403-420
Dat zei ik, en hij gaf mij daarop ten antwoord: "Van de godheid stammende zoon van Laertes, listenrijke Odysseus, Nee, mij bezorgde niet Poseidon met mijn schepen schipbreuk door het aanjagen van een storm van kwalijke winden, noch doodden mij vijanden op het land, maar Aegisthus zorgde voor mijn doodslot, die noodde mij naar zijn huis en doodde mij met hulp van mijn verderfelijke vrouw aan de maaltijd, zoals men een rund doodt aan de ruif. Zo kwam ik aan een deerniswekkend einde, en om mij heen werden mijn mannen zonder ophouden geslacht als blanktandige zwijnen in het huis van een rijk en machtig man bij een bruiloft of gezamenlijk maal of een overvloedige feestdis. Je hebt al de dood van veel mannen meegemaakt, in gevechten van man tegen man en ook in het vuur van het krijgsgewoel, maar bij het zien van wat daar gebeurde zou je hart zijn gebroken, zoals wij daar lagen rond het mengvat en rijk voorziene tafels in de eetzaal: de hele vloer dampte van het bloed.
11; 421-435
Het smartelijkst trof mij de stem van Priamus' dochter Cassandra, die de sluwe Clytaemnestra bovenop mij doodde, op de grond hief ik nog mijn armen op, maar stervend sloeg ik ze weer terug met het zwaard in de borst; en die teef wendde zich af en bestond het mij bij mijn gang naar de Hades niet eens eigenhandig mijn ogen en mond nog te sluiten. Zo is er niets schandelijkers en hondser dan een vrouw die dat soort daden uitdenkt, zoals ook zij een wanstaltige actie verzon: moord op haar wettige man te voltrekken. Werkelijk, ik dacht terug te keren naar huis tot vreugde voor mijn kinderen en dienaressen; maar zij! Met haar verdorven plannen stortte zij schande uit over zichzelf en alle vrouwen die nog gaan komen, ook als er een deugdzaam is". Dat zei hij; ik gaf hem weer ten antwoord:
11; 436-466
"Oh wee, zeer heftig werd toch de wijddonderende Zeus vertoornd op Atreus' geslacht, al van meet af aan door keuzes van vrouwen: om Helena kwamen velen van ons om, en tegen jou spande Clytaemnestra een valstrik toen je ver weg was". Dat zei ik; hij echter sprak ten antwoord tot mij: "Wees jij dan ook nooit meer vertrouwelijk met een vrouw, zeg niet meer alles wat je denkt en wat je wel weet, maar zeg het ene en houd het andere voor je. Maar zeker wacht er voor jou, Odysseus, geen moord door je vrouw: zij is veel te verstandig en weldenkend van aard, de bedachtzame Penelope, dochter van Icarius. Als een jonge bruid lieten wij haar achter toen we ten oorlog trokken; een knaapje hield ze aan haar borst, onmondig nog, maar die neemt nu wel zijn plaats in onder het manvolk, welvarend; waarlijk, hem zal zijn vader bij thuiskomst aanschouwen, en hij zal zijn vader omhelzen, zo hoort het. Maar die bedgenote van mij liet me zelfs niet mijn zoon met mijn ogen aanschouwen; tevoren bracht ze mijzelf om. Maar ik zal je iets anders vertellen, knoop het goed in je oren: ga heimelijk te werk, niet openlijk, bij het koers zetten naar je vaderland, nu vrouwen niet meer te vertrouwen zijn. Maar kom, zeg me dit frank en vrij, of je soms hoorde of mijn zoon ergens in leven is, misschien in Orchomenus of het zandige Pylos, of wellicht bij Menelaus in het wijde Sparta; want nog niet is de stralende Orestes gestorven op aarde, toch?" Aldus Agamemnon, maar ik, ik gaf hem als antwoord: Zoon van Atreus, waarom deze vraag? Ik heb daar geen weet van, of hij nog leeft of gestoven is. En zomaar wat zeggen, dat deugt niet". Zo stonden wij samen droeve woorden te spreken, treurend en tranen vergietend.

De schim van Achilles

11; 467-476
Toen kwam de schim van Peleus' zoon Achilles eraan en van Patroclus en de nobele Antilochus en van Ajax, die de voortreffelijkste in uiterlijk en gestalte van alle Grieken was, na de nobele Achilles. De schim van de snelvoetige kleinzoon van Aeacus herkende mij en hij sprak mij jammerend de duidelijke woorden toe: "Van god stammende zoon van Laertes, listenrijke Odysseus, Roekeloze!, wat voor stouter stuk ga je nu nog bedenken? Hoe bestond je het af te dalen in de Hades, waar de doden verblijven, zonder hun geesteskracht, slechts schimmen van mensen aan hun einde?"
11; 477-486
Dat zei hij, ik sprak hem ten antwoord: "Achilles, zoon van Peleus, verreweg dapperste Griek, ik ben gekomen voor het orakel van Tiresias, om te zien of hij raad kon verschaffen om het rotsige Ithaca te bereiken; want nog niet heb ik Griekenland bereikt, nog geen voet op ons vaderland gezet, want steeds doet zich tegenslag voor. Maar jij, Achilles, jij bent wel de gelukkigste in verleden en toekomst. Want voorheen in je leven achtten wij Grieken je gelijk aan de goden en nu ben je hier weer een koning over de doden. Treur daarom dus niet over je dood, Achilles".
11; 487-503
Zo sprak ik hem toe, maar hij gaf mij daarop ten antwoord: "Probeer mij niet op te monteren over de dood, stralende Odysseus, Liever zou ik een dagloner zijn voor een ander, in dienst van een arme met heel weinig bezit dan te heersen over alle weggeteerde schimmen. Maar kom, spreek me liever over mijn fiere zoon: ging hij mee in de oorlog als voorvechter, of niet? En spreek me over de nobele Peleus, als je iets hebt vernomen; heeft hij het koningschap nog in het gebied van de Myrmidonen, of heeft hij geen respect meer in Hellas en Phthia, nu de ouderdom zijn armen en voeten in zijn greep houdt. Want niet kan ik nog een hulp betekenen onder de stralen van de zon, zodanig als ik ooit in het wijde Troje het beste krijgsvolk doodde ter verdediging van de Grieken. Als ik zo nog eens korte tijd in vaders huis terugkomen kon, dan zou ik hen voor mijn kracht en ongenaakbare handen doen beven, die hem te na komen en uit zijn ereplaats verdrijven".
11; 504-540
Dat zei hij, maar ik sprak tot hem ten antwoord: "Werkelijk, van de edele Peleus heb ik niets vernomen, maar van jouw zoon Neoptolemus zal ik je alles vertellen zoals het is en jij me opdraagt. Ik zelf voerde hem toch op mijn hol en evenwichtig schip uit Scyrus naar de goedgewapende Achaïers. Weet dan: toen we voor de stad Troje lagen, nam hij aan vergaderingen deel met altijd het eerste woord en raak in zijn advies, mijns inziens overtroffen slechts Nestor hem en ik. Ook als we op het Trojaanse slagveld streden met het pantser aan: nooit bleef hij achter in de drom der mannen of het krijgsgewoel, maar steeds sprong hij vooruit, in krijgslust niemand’s mindere. Veel tegenstanders doodde hij in een geducht gevecht. Niet allen zal ik na kunnen vertellen of slechts noemen, die hij aan krijgsvolk doodde tot afweer voor de Grieken, maar zoals hij Telephus' zoon aan zijn wapen reeg, de held Eurypylus! Ook al diens mannen bij hem, Ceteiers, sneuvelden door corruptie van een vrouw; die zag ik als de mooiste held, na Memnon, met diens glans. En toen we in het Paard klommen, door Epeius gemaakt, wij, besten van de Grieken, en het commando bij mij lag, onze schuilplaats te openen of te sluiten, toen wisten alle leiders en aanvoerders der Grieken de tranen uit hun ogen en ieders knieen beefden toen, maar nooit zag ik met eigen ogen dat hij krimp gaf, zijn frisse huid verbleken of een traan gewist vanaf zijn wangen; nee, vaak vroeg hij mij juist hem uit het paard te laten, hij betastte al zijn zwaardgevest en ook zijn bronspuntige lans, rampen in de zin voor de Trojanen. Toen wij de hoge stad van Priamus verwoest hadden, ging hij ongedeerd aan boord met zijn aandeel, een prachtig eergeschenk, noch door een scherpe pijl getroffen uit de verte en zonder wond van een zwaard van dichtbij, zoals dat meestal gaat in de oorlog, want Ares woedt zonder onderscheid". Aldus mijn verslag, en de schim van de snelvoetige Achilles ging met grote stappen weg door een wei asfodillen, vol vreugde omdat ik vertelde dat zijn zoon zeer uitzonderlijk was.

De schim van Ajax

11; 541-567
De andere schimmen van overledenen stonden daar nog, bedroefd, en ieder vroeg wat hem zorgen baarde. Alleen de schim van Ajax, Telamon’s zoon, hield zich afzijdig, nog vol wrok om de zege die ik op hem behaalde in de toewijzing bij de schepen van Achilles' wapens: zijn respectabele moeder had ze beschikbaar gesteld en de zonen der Trojanen met Pallas Athena wezen ze toe. Ach had ik maar niet getriomfeerd bij een dergelijke inzet! Daarom immers werd een dergelijk man begraven: Ajax, die toch de voortreffelijkste was in uiterlijk en daden van alle Grieken na Peleus' nobele zoon. Hem sprak ik toe met verzoenende woorden: "Ajax, zoon van de nobele Telamon, kon dan zelfs de dood jouw toorn jegens mij niet doen vergeten om die wapens, die vervloekte? Die hebben de goden gemaakt tot een ramp voor de Grieken, want zij verloren er een zodanig bolwerk als jou door; om jouw dood treuren wij onophoudelijk als om die van de Pelide Achilles; er is geen enkele schuldige aan te wijzen, nee, Zeus moest wel een vreselijke haat koesteren jegens het leger van de lansslingerende Grieken en daarom aan jou zo'n doodslot voltrekken. Maar kom nu nader, vorst, om mijn woord en bedoeling te horen, kalmeer je toorn in je trotse gemoed". Zo sprak ik, maar hij antwoordde niets meer en ging achter de andere schimmen van de gestorvenen weer het rijk van de Duisternis in. Toen zou hij, zij het in wrok, toch nog hebben gesproken, of ik tot hem, als niet de wens bij mij sterker geweest was om nog de schimmen te zien van de andere gestorvenen.

Minos, Orion, Tityus, Tantalus, Sisyphus, Heracles

11; 568-572
Toen zag ik, werkelijk, Minos, Zeus' fiere zoon zitten, in zijn hand de gouden scepter, rechtsprekend over de doden, die vroegen de vorst om zijn uitspraak, rondom hem gezeten of staand, bij Hades' huis met de brede poort.
11; 573-575
Na hem merkte ik de reusachtige Orion op, die over de Affodillenweide het wild opjoeg, dat hij zelf op afgelegen bergen gedood had, met in zijn handen de volbronzen knots, voor altijd onbreekbaar.
11; 576-581
Ook Tityus zag ik, de zoon van de roemvolle Gaea, hij lag daar, uitgestrekt op de grond; hij bedekte negen vorens ruimte, en twee gieren, aan weerskanten gezeten, vraten zijn lever, steeds zijn buikvlies induikend, hij kon ze met zijn handen niet afweren. Hij had immers Leto aangerand, de doorluchtige bijslaap van Zeus, toen zij op weg was naar Pytho door het prachtige land van Panopeus.
11; 582-592
Ja, ook Tantalus zag ik in zijn smartelijke kwelling staan in het meer dat tot zijn kin kwam, hij verging van de dorst maar kon toch niet drinken, want zo vaak als de grijsaard zich bukte, uit verlangen te drinken, verdween steeds het water, weggeslurpt, en verscheen om zijn voeten de donkere aarde, want een godheid legde het steeds droog. En bomen met hoog gebladerte lieten hun vruchten van bovenaf hangen, peren en granaten en glimmende appels zoete vijgen en olijven in overvloed, maar nooit zou de grijsaard er daarvan een kunnen plukken, want de wind blies ze dan steeds omhoog naar de schaduwrijke wolken.
11; 593-600
Ook, ja, Sisyphus zag ik in zijn smartelijke ellende, bezig een reusachtige steen omhoog te duwen met beide handen. Zich schrap zettend met handen en voeten stootte hij de steen omhoog langs de helling; maar net als hij hem over de top heen zou krijgen, stortte het door zijn gewicht weer omlaag en het schaamteloos blok rolde weer naar de vlakte terug. Maar hij begon dan opnieuw met grote inspanning te duwen, het zweet gutste neer van zijn leden en het stof steeg op van zijn hoofd.
11; 601-626
Na hem bemerkte ik de krachtige Heracles, althans zijn schim, want zelf bevindt hij zich onder de onsterfelijke goden en deelt in hun feesten en heeft de slankvoetige Hebe tot vrouw, de dochter van grote Zeus en Hera met gouden sandalen. Om hem heen was geklapwiek van schimmen als van roofvogels, die opvlogen naar alle kanten; hij stond daar, gelijkend de nacht, de boog uit het foedraal en een pijl op de pees, grimmig spiedend, steeds leek hij te mikken. Een vervaarlijke draagband hing om zijn borst, een bandelier van goud, waarop wondere werkstukken afgebeeld stonden, beren en wilde zwijnen en leeuwen met fonkelende ogen, krijgsgewoel en gevechten, slachtpartijen en moorden. Had hem maar nooit diegene gemaakt en zeker geen andere meer de ambachtsman die zijn vaardigheid had ingezet voor die draagband. Mij herkende hij dadelijk, toen hij mij in het oog kreeg, en onder geweeklaag sprak hij duidelijk tot mij: "Van de goden stammende zoon van Laertes, listenrijke Odysseus, Ongelukkige Odysseus, heb ook jij een even zwaar lot te dragen, als ik steeds met mij meedroeg onder de stralen van de zon? Van Zeus, Cronus' zoon, was ik dan wel de zoon, maar een onmetelijke ellende was mijn deel: steeds maar in dienst van een veel geringere man die mij zware werken opdroeg. Eens zond hij mij hierheen om de helhond te halen; een zwaarder werk dan dat kon hij niet meer voor mij bedenken! Maar ik bracht hem naar boven en voerde hem weg uit de Hades; onder geleide van Hermes en de scherpziende Athene".
11; 627-640
Na deze woorden ging hij weer weg, het rijk in van Hades. Ik bleef daar op mijn plaats, om te zien of nog een van de helden die voorheen al gestorven waren, nog zou komen opdagen. En ik zou vast nog wel oudere mannen, kinderen van goden, hebben gezien die ik maar wenste: Theseus en Pirithous, vermaarde zonen van goden; maar vergeefs: een onafzienbare drom van schimmen drong op onder enorm gehuil en de vale vrees greep mij aan, dat de trotse Persephone mij het Gorgohoofd van die enorme reus uit de Hades op mij af zou sturen. Snel keerde ik daarom terug naar het schip en beval aan mijn mannen zelf aan boord te gaan en de achterkabels te lossen. Zij scheepten snel in en namen plaats aan de riemen. De golving van de stroom voerde haar langs de rivier van de Oceaan eerst door het roeien, daarna kwam een gunstige wind.

12. Scylla en Charybdis

Begrafenis van Elpenor op Aeaea

12; 1-15
Toen het schip de rivier Oceanus achter zich liet en wij eerst de golving van de zee met zijn brede paden bereikt hadden, daarna het eiland Aeaea, waar de woning is van de vroeggeboren Dageraad en dansplaatsen en de opkomst van de Zon, lieten we bij aankomst het schip op het zand lopen en stapten zelf van boord in de branding van de zee. Daar vielen we in slaap en wachtten zo de stralende dageraad af. Maar toen de vroeggeboren, rozevingerige dageraad verscheen, zond ik mannen uit naar de woning van Circe om het lichaam te halen van de gestorven Elpenor. Snel kloofden wij hakhout en waar een kaap in de zee uitstak begroeven wij hem, treurend, onder een stroom van tranen. Maar toen het lijk en de werktuigen van de dode waren verbrand, wierpen we een grafheuvel op en groeven daar een grafsteen in en op de top van het graf plantten wij zijn handzame roeispaan.

Circe voorspelt moeilijkheden onderweg

12 16-27
Zo waren wij in de weer met dat alles. Circe was op de hoogte dat wij terug waren uit de Hades; dadelijk maakte ze zich klaar en kwam naar ons toe. Met haar kwamen dienaressen die voedsel droegen: veel vlees en fonkelende wijn. En de stralende godin kwam in ons midden en zei: "Vermetel zijn jullie, die levend afdaalden in de woning van Hades, een dubbele dood, terwijl de andere mensen maar één maal sterven. Wel, eet nu dit voedsel en drink deze wijn, hier tot vanavond, en bij zonsopkomst kunnen jullie dan weer gaan varen. Ik zal een weg wijzen en alles uitleggen, opdat je niet gedupeerd wordt door vijandige plannen op zee of op land in kommer en kwel".
12 28-38
Dat zei ze en wij lieten ons graag overhalen. Zo zaten we toen de hele dag tot zonsondergang veel vlees soldaat te maken en zoete wijn. En toen de zon onderging en de duisternis inviel, legden mijn mannen zich neer bij de achterkabels van het schip, maar mij nam ze bij de hand, weg bij mijn mannen, liet me plaatsnemen, vleide zich tegen mij aan en vroeg me honderduit. Van mijn kant vertelde ik haar alles wat ik beleefd had. Daarop sprak de eerbiedwaardige Circe tot mij: "Goed, dat alles is nu voorbij; luister nu goed hoe ik je dit vertel, en een godin het je zelf inprent.
12 39-57
Je zult nu eerst bij de Sirenen aankomen, die alle mensen betoveren die in hun buurt komen. Wie uit onwetendheid nadert en het gezang hoort van de Sirenen, die wordt niet meer verwelkomd door vrouw en schattige kinderen bij thuiskomst; nee, de Sirenen, betoveren hem met hun heldere zang, gezeten in een weide met een grote berg botten eromheen van mannen in staat van ontbinding: hun huid schrompelt weg. Vaar daar voorbij en stop dicht de oren van je mannen met zacht gemaakte was, opdat niemand anders iets opvangt maar zelf kun je hen horen als je dat wilt: laten ze jou dan de handen en voeten vastbinden op je snelle schip rechtop aan de mastvoet, daaraan moet het touwwerk vastgemaakt worden, om te kunnen genieten van het stemgeluid van beide Sirenen. En als jij je mannen zult smeken en vragen je te bevrijden, dan moeten ze je juist met nog meer boeien vastmaken. En als je mannen je dan buiten hun bereik geroeid hebben, dan kan ik je verder niet meer uitvoerig vertellen, welke weg de jouwe moet zijn, maar juist zelf moet je je daarop beraden: maar van elk geef ik je het vervolg.
12 58-100
De ene route telt overhangende rotsen, daarop breekt de grote golving van de donkerogige Amphitrite: 'Dwalers' noemen de gelukzalige goden die rotsen. Daarlangs komt geen vogel, zelfs de schuwe duiven niet, die ambrozijn brengen voor vader Zeus, nee, steeds neemt de glibberige rots van hen er één weg, en de Vader stuurt dan weer een ander om hen voltallig te maken. Daar ontkwam nog nooit een schip van de mensen, daar verzeild geraakt, maar de golven der zee voeren wrakhout mee en lijken van mannen of vlagen vernietigend vuur doen hun werk. Slechts één zeedoorklievend schip wist daarlangs te geraken, de Argo, aan allen geliefd, op de terugreis weg van Aeetes. Ook dat schip zouden zij tegen de grote rotsen hebben geslagen als niet Hera het had behoed, omdat zij gesteld was op Iason. Aan de andere kant staan twee klippen, één daarvan reikt tot in de wijde hemel met zijn scherpe top, en een wolk hangt somber daaromheen: nooit trekt die weg en nooit baadt die top in een heldere hemel noch in de zomer, noch in het najaar. Geen sterveling zou die kunnen beklimmen of bedwingen, al had hij ook twintig handen en voeten; want glad is die rots, als rondom gepolijst. Halverwege die klip is een grot, in nevel gehuld, gekeerd naar het westen en de onderwereld, daarlangs zullen jullie, dappere Odysseus, je gewelfde schip moeten sturen. Zelfs een krachtige boogschutter zou vanaf het schip mikkend met zijn pijl de grotholte niet kunnen bereiken. Daarin woont de huiveringwekkend blaffende Scylla. Wel is haar geluid niet sterker dan van een pup, maar zelf is het een afgrijselijk monster: geen mens zou het voor zijn plezier zien, zelfs een god niet, als hij het ontmoette. Zij heeft twaalf wanordelijke voeten en zes buitengewoon lange halzen en op elk een afzichtelijke kop, drie rijen tanden daarin dicht opeen en zeer veel, vol zwartdreigende dood. Tot haar middel zit ze verstoken in de holte, maar haar koppen houdt ze buiten die donkere diepte en de klip afspeurend zoekt ze naar buit, dolfijnen en honden, en als dat er aanzit nog grotere monsters, die de stenende Amphitrite bij duizenden weidt. Nog niet kunnen zeelui erop bogen heelhuids daar te zijn gepasseerd op hun schip; nee, met elke kop sleurt ze een man van zijn schip met donkere voorplecht.
12 101-110
Aan de overkant zul je, Odysseus, de lagere klip zien. Ze staan vlak bij elkaar, je kunt er amper een pijl tussen schieten. Daarop staat een reusachtige vijg met een overvloed aan blad; daaronder slorpt de goddelijke Charybdis het donkere water naar binnen. Drie keer per dag braakt ze het uit, en drie keer ook haalt ze het binnen, een vreselijk gebeuren; blijf uit de buurt, wanneer ze opslorpt, want zelfs de aardschudder zou je niet kunnen redden. Maar koers snel langs de klip van de Scylla en breng je boot daarlangs in veiligheid: het is immers beter zes man op je schip te verliezen dan allen".
12 111-126
Zo sprak zij me toe, maar ik sprak ten antwoord tot haar: "Kom nu toch, vertel mij dit zonder omslag, godin, of ik die dodelijke Charybdis ontkomen kan, en de ander weerstaan kan, wanneer zij mijn mannen bedreigt". Dat zei ik, maar daarop antwoordde de godin me: "Vermetele, ben jij dan weer belust op krijgszuchtige daden en risico's en ga je niet uit de weg voor onsterfelijke goden? Zij is immers niet sterfelijk, maar een onsterfelijk gevaar, schrikwekkend en vijandig, wild en niet te bevechten: verweer is niet mogelijk, van haar wegvluchten het beste. Want ik vrees dat, als jij je wat langzaam bewapent bij de rots, ze een tweede keer op je aanvalt en evenveel mannen grijpt als ze koppen heeft. Nee, maak dat je wegkomt en roep Crataeis aan, de moeder van Scylla, die haar baarde tot smart voor de stervelingen, die zal haar ervan afhouden opnieuw aan te vallen.
12 127-141
Dan zal je het eiland Thrinacia bereiken; daar grazen de talrijke runderen van Helius en zijn forse schapen: zeven kudden runderen en even veel prachtige kudden schapen, vijftig stuks elk. Zij hebben geen lammeren, maar sterven ook nooit. Godinnen zijn hun hoedsters, nimfen met mooie vlecht, Phaethusa en Lampetie die de godin Neaera baarde voor Helius. Toen zij hen had grootgebracht na hun geboorte liet die zorgzame moeder hen verhuizen naar het afgelegen eiland Thrinacia om de schapen van hun vader te hoeden en de kromhoornige runderen. Als je die ongedeerd laat en bedacht bent op je thuiskomst, voorwaar, dan zullen jullie nog wel op Ithaca komen, na veel ellende; maar als je ze kwaad doet, dan voorspel ik je ondergang voor je schip en je mannen; en als je zelf al ontkomt, dan zul je vreselijk veel later thuis arriveren met verlies van al je mannen.

De Sirenen

12 142-157
Na deze woorden van haar brak de Dageraad aan, op gouden troon. Zij ging heen, het eiland op, de stralende godin, maar ik ging naar mijn schip en spoorde mijn mannen aan zelf aan boord te gaan en de trossen los te gooien. Zij, nu, gingen snel aan boord en zetten zich aan de dollen, en, op rij gezeten, sloegen zij de grauwe zee met hun roeispanen. Circe, de geduchte godin met de mooie vlecht die de mensentaal sprak, zond ons van achter het schip met donkere voorsteven een gunstige wind die het zeil bol deed staan, een kostbare vriend. Eerst verzorgden wij het want; dan, over heel het schip verspreid, zaten wij neer en hielden de wind en de stuurman haar op koers. Toen dan nam ik, bezwaard van gemoed, het woord tussen mijn mannen: "Vrienden, het is niet nodig dat maar één of slechts twee man de orakels kennen die Circe, de stralende godin, mij openbaarde. Dus zal ik het vertellen, opdat wij op de hoogte zijn als wij sterven, hetzij wij aan de dood ontkomen en het doodslot omzeilen.
12 158-200
Zij drukte ons op het hart vooreerst het gezang van de goddelijke Sirenen te vermijden en hun weide, met bloemen bedekt. Alleen ik, spoorde ze aan, zou het gezang mogen beluisteren; maar bind mij dan vast in knellende boeien, zodat ik mij niet kan verroeren, rechtop aan de mastvoet, daaraan moeten de lijnen bevestigd. Als ik jullie nu zal smeken en bevelen mij los te maken, bind mij dan vast met nog meer touwen". Zo dan legde ik alles uit aan mijn mannen. Intussen had het welgebouwde schip al gauw het eiland van de Sirenen bereikt: want voorspoedige wind dreef haar voort. Daarop viel de wind weg en een rimpelloze watervlakte strekte zich uit, een god had de golven doen liggen. Mijn mannen stonden op en streken de zeilen van het schip en borgen ze op in het ruim; en aan de riemen gezeten woelden zij het water witschuimend op met de spanen van pijnhout. Maar ik sneed een grote klomp was met mijn scherpe zwaard in kleine stukjes en kneedde ze met mijn stevige handen; en al gauw werd de was zacht, want mijn grote kracht dreef het daartoe alsook de gloed van de Zon, vorst Hyperion. Langs mijn mannen gaand smeerde ik bij allen de oren in. En zij bonden mij vast aan het schip, aan handen en voeten, rechtop aan de mastvoet, en daaraan maakten zij de touwen vast. Terug op hun plaats sloegen zij de grauwgrijze zee met hun riemen. Toen wij nu zo ver verwijderd waren als te beroepen is, in snelle vaart, ontging hen toch niet dat een snelvarend schip in hun buurt kwam, en zij hieven een helder gezang aan: "Kom toch hier, vermaarde Odysseus, beroemde held van de Grieken, en leg aan met je schip om ons beider gezang te beluisteren. Nog nooit voer hier iemand voorbij op zijn donkere schip, voordat hij het zoete gezang had gehoord uit onze monden, maar opgemonterd en met grotere kennis vaar je dan verder; wij weten heus al wat de Grieken en Trojanen doorstonden in het wijde Troje door de wil van de goden, wij weten ook alles wat er plaatsvindt op de vruchtbare aarde". Zo zongen zij een wondermooi lied; en ik wilde dolgraag gaan luisteren en probeerde mijn mannen opdracht te geven mij los te maken door te trekken met mijn wenkbrauwen. Maar zij stortten zich op het roeien. Gehaast stonden Perimedes en Eurylochus op, bonden mij met meer touwen vast en knevelden me nog meer. Maar toen we ze gepasseerd waren en wij hun stem en gezang niet meer konden horen, haalden mijn trouwe mannen de was weer uit hun oren, die ik in hun oren gesmeerd had, en mij bevrijdden ze van mijn boeien.

De Dwaalrotsen

12 201-221
Maar toen wij dat eiland achter ons lieten, zag ik al gauw rook en hoge golven en ik hoorde gedreun. Van angst glipten de riemen van mijn mannen uit hun handen, en de uiteinden vielen plat op de stroming; de boot kwam daar tot stilstand, omdat ze de spitse riemen niet meer met handen voortstuwden. Ik maakte een rondgang over het schip en bleef staan bij elke man en sprak hem bemoedigend toe met vriendelijke woorden: "Vrienden, wij hebben al eerder ellende doorstaan. Dit is geen groter onheil dan toen de Cycloop ons opsloot in zijn gewelfde grot met veel krachtsvertoon: toch zijn we ook daaruit ontsnapt door mijn moedige, vindingrijke brein, zo denk ik dat we ook aan deze bedreigingen wel eens terugdenken. Kom op nu, laten we allemaal te werk gaan zoals ik ga zeggen. Slaan jullie de diepe zeebranding met jullie riemen en blijf aan de dollen, in de hoop dat Zeus ons vergunt dit gevaar te ontlopen en te ontvluchten. Maar jou, stuurman, draag ik het volgende op: knoop het goed in je oren, want de besturing van ons gewelfde schip ligt in jouw handen. Houd het schip buiten die rook en de golven, en scheer vlak langs de rots, zodat het schip niet ongemerkt naar de andere klant op drift raakt en je ons naar de haaien drijft". Dat zei ik, en zij gaven gretig gehoor aan mijn woorden.

Scylla en Charybdis

12 222-243
Van de Scylla, dat onhanteerbare gevaar, zei ik nog niets, uit angst dat mijn mannen, bang geworden, het roeien erbij zouden laten zitten en in het ruim zouden onderduiken. Toen vergat ik de moeilijke opdracht van Circe: want zij had mij aangespoord me niet te bewapenen. Ik echter trok nu mijn stralende wapenrusting aan, nam twee fikse lansen ter hand en posteerde me op het dek van het schip aan de voorkant; vanaf dat punt verwachtte ik dat Scylla, het rotsmonster, het eerst zou verschijnen om mijn mannen te molesteren. Maar nergens kon ik haar traceren; ik vermoeide mijn ogen met overal te loeren naar de nevelomhulde rots. Zo voeren wij onder zuchten de zee-engte binnen, waar aan de ene kant Scylla dreigde, aan de andere kant slorpte de goddelijke Charybdis onheilspellend het zilte zeewater binnen. Werkelijk, wanneer ze het weer uitbraakte, ziedde ze kolkend als een ketel op een groot vuur en hoog spatte het schuim op tegen de beide rotsen. Maar wanneer ze het zilte zeewater opslorpte, werd ze telkens van binnen helemaal zichtbaar, een kolking, dan weergalmde de rots ijzingwekkend, en beneden verscheen dan de bodem donkergekleurd door de modder: de vale vrees greep hen aan.
12 244-259
Bij het zien van dit monster vreesden wij de ondergang, maar intussen greep de Scylla zes van mijn mannen uit het gewelfde schip, de besten in armkracht. Ik keek om naar mijn snelle schip en mijn mannen maar zag hen al spartelen met voeten en handen boven hun hoofd terwijl ze hoog opgetild werden: zij schreeuwden naar mij en riepen mijn naam, toen voor het laatst, in hun doodsangst. Zoals een visser op een kaap met een lange hengel voor visjes listig aas uitwerpt in de zee en zijn dobber van runderhoorn op wacht legt, en ze dan, als hij beet heeft, spartelend opslaat omhoog, zo werden zij spartelend omhoog gerukt naar de rotsen. Daar bij de ingang vrat hij hen op, terwijl zij kermden en hun armen uitstrekten naar mij in hun vreselijke doodstrijd: dat was wel het meest deerniswekkende van alles wat ik aan schouwspel meemaakte bij mijn zwerven op zee.

De runderen van Helius

12 260-275
Toen wij nu aan de rotsen van de verschrikkelijke Charybdis en Scylla ontkomen waren, bereikten wij vervolgens het heerlijke eiland van de godheid: daar graasden prachtige runderen met brede koppen en veel vette schapen van Hyperion Helius. Al op zee hoorde ik op mijn donkere schip het geloei van de runderen in hun hof en het geblaat van de schapen. En toen schoot mij de waarschuwing weer te binnen van de blinde ziener, de Thebaan Tiresias, en van Circe op Aeaea, die mij met nadruk opgedragen hadden het eiland te vermijden van Helius, de vreugde van de mensheid. Daarop sprak ik tot mijn mannen, bedroefd in mijn hart: "Luister naar mijn woorden, mannen, hoe zwaar jullie het ook hebben, opdat ik jullie de voorspellingen bekend maak van Tiresias en van Circe van Aeaea, die mij op het hart drukten om het eiland van Helius, vreugde voor de mensheid, te mijden, want daar, zeiden ze, wacht de ernstigste bedreiging ons op.
12 276-293
Stuur dus ons donkere schip uit de buurt van het eiland". Dat zei ik, maar bij hen brak het hart, en direct antwoordde Eurylochus mij met schampere woorden: "Je bent wel hardvochtig, Odysseus, en onvermoeibaar van geest en van lichaam. Bij jou lijkt wel alles van ijzer vervaardigd, dat jij je mannen, die helemaal kapot zitten door moeheid en slaap, niet toestaat aan land te gaan waar wij op dit zeeomspoelde eiland weer eens 'n heerlijke maaltijd zouden kunnen bereiden. Maar jij drijft maar door dat wij zo maar ronddolen door de verraderlijke nacht, weg van het eiland op een mistige zee. Uit de nacht komen hevige stormen voort, brengers van schipbreuk. Waar zal men het steile verderf kunnen ontsnappen, als misschien een plotselinge orkaan ons zal overvallen vanuit het zuiden of het verraderlijke westen: die boren het meest toch schepen de grond in, ongeacht de wil van de goden. Nee, heus, laten we ons nu maar schikken naar de donkere nacht en een maaltijd bereiden in de buurt van ons snelle schip, dan gaan we morgenochtend weer aan boord om de brede zee te bevaren".
12 294-315
Dat zei Eurylochus en de andere mannen betoonden hun bijval. Toen drong het tot mij door dat een godheid het slecht met ons voorhad en ik sprak met stemverheffing tot hem in duidelijke taal: "Eurylochus, jullie zetten tezamen mij in mijn eentje onder druk. Maar kom, zweer me nu allen met een bindende eed, dat niemand, als we een kudde runderen of een troep schapen aantreffen, door hopeloze overmoed een rund of een schaap doodt: eet nou tevreden het voedsel dat de onsterfelijke Circe ons meegaf". Dat waren mijn woorden en zij zwoeren grif zoals ik bevolen had. Toen zij nu hun eed plechtig uitgesproken hadden, meerden wij ons goedgebouwde schip aan in een komvormige haven dichtbij zoet water, en mijn mannen stapten uit de boot en maakten vakkundig een maaltijd gereed. En toen zij naar hartelust gegeten hadden, rouwden ze ter nagedachtenis om de dierbare mannen die de Scylla uit het gewelfde schip had weggesleurd en verslonden. Terwijl zij nu jammerden bekroop hen een diepe slaap. Maar toen het derde deel van de nacht was gekomen en de sterren voorbij waren getrokken, wekte de wolkenverzamelaar Zeus een krachtige wind op met onbedaarlijke orkaankracht en met wolken bedekte hij aarde en zee; en uit de hemel daalde duisternis neer.
12 316-334
Toen nu de vroeggeboren rozevingerige Dageraad aanbrak, trokken wij ons schip een grotholte binnen; daar waren mooie verblijven en dansplaatsen van de nimfen; en toen belegde ik een bijeenkomst en sprak in hun midden: "Vrienden, in ons snelle schip bevindt zich voedsel en drank. Laten we dus afblijven van deze runderen, anders gaat het mis met ons, want deze runderen en vette schapen zijn van een geduchte godheid, Helius, om precies te zijn, die alles ziet en alles hoort". Dat waren mijn woorden, en hun fiere gemoed toonde zich inschikkelijk. Maar een hele maand lang blies onafgebroken de wind uit het zuiden en verder kwam er geen andere wind dan uit oost en uit zuid. Zolang zij nu voedsel hadden en fonkelende wijn, bleven zij af van de runderen, bezorgd om hun hachje. Maar toen heel de voorraad van het schip opgeraakt was, en zij door honger rondzwierven op zoek naar buit, vissen en vogels, wat maar voor hun handen kwam, met kromme haken, omdat de honger hen kwelde, toen dan zonderde ik mij af op het eiland, om tot de goden te bidden in de hoop dat er één mij een uitweg zou tonen naar huis.
12 335-355
Toen ik, op mijn tocht over het eiland, mijn mannen ontlopen was, bad ik op een plek in de luwte, na mijn handen gewassen te hebben, tot alle goden die de Olympus bewonen. Die echter strooiden een zoete slaap over mijn oogleden, en Eurylochus nam het initiatief tot een plan, verderfelijk voor mijn mannen: "Let op mijn woorden, vrienden in de ellende: elke dood betekent een smart voor de ongelukkige mensen, maar het jammerlijkste is het door honger uiteindelijk om te komen. Maar kom, laten we de mooiste runderen van Helius verzamelen en offeren aan de onsterfelijken, die de wijde hemel bewonen. En als we op Ithaca aan zijn gekomen, ons vaderland, zullen we direct voor Helius Hyperion een rijke tempel oprichten en we zullen er veel mooie geschenken in plaatsen. En als hij in zijn woede om zijn rechtgehoornde runderen ons schip wil verloren doen gaan, en de andere goden daarin meegaan, dan wil ik toch liever ineens met een slok zeewater mijn leven verliezen dan langdurig wegteren op een afgelegen eiland". Dat zei Eurylochus, en de anderen vielen hem bij. En prompt dreven ze de beste runderen van Helius bijeen, van vlakbij, want niet ver van het schip met donkere voorsteven graasden mooie runderen, met gedraaide horens op hun brede koppen.
12 356-373
Daar gingen de mannen omheen staan en baden tot de goden, na het plukken van bloeiende blaadjes van een eik met hoog loof; want zij hadden geen wit offermeel op het schip met goede roeibanken. Toen zij gebeden hadden en geslacht en gevild, sneden zij de schenkels eruit en omwikkelden die met vet en zij klapten die dubbel en legden er rauwe stukjes vlees op. Zij hadden geen wijn meer om op de sudderende offergaven te plengen, maar plengend met water roosterden zij alle ingewanden. Toen de schenkels verbrand waren en zij de ingewanden geproefd hadden, hakten zij de rest klein en staken het aan speten. Daarna verdween de zoete slaap van mijn oogleden en ging ik op weg naar het snelle schip aan het strand van de zee. Maar toen ik al vlakbij het schip, gekromd aan weerszijden, was gekomen, omgaf mij de heerlijke geur van offerdamp. In gejammer barstte ik uit en ik riep luid tot de onsterfelijke goden: "Vader Zeus en andere gelukzalige, eeuwige goden, werkelijk, tot mijn ondergang bracht u mij in onbedwingbare slaap. Want mijn mannen, die achterbleven, bedachten een grote wandaad".

De woede van Helius

12 374-390
Snel bracht Lampetie, in haar fijne gewaad, de gebeurtenis over aan Helius Hyperion: dat wij zijn runderen geslacht hadden. En terstond sprak hij ziedend tot de onsterfelijken: "Vader Zeus en de andere gelukzalige, eeuwige goden, straf dan de mannen van Laertes' zoon Odysseus, die in hun overmoed mijn runderen slachtten, waarover ik steeds mij verheugde als ik naar de sterrenrijke hemel opging en daarna van de hemel weer terugging naar de aarde. Als zij me niet passend gestraft zullen worden, dan duik ik onder in de Hades en ga daar schijnen voor de schimmen". Tot hem nu ten antwoord sprak de wolkenverzamelaar Zeus: "Mijn beste Zon, blijf schijnen voor de onsterfelijken en op de graanschenkende aarde voor de stervelingen. Ik zal van hen weldra het snelle schip treffen met mijn flikkerende bliksem en het kort en klein slaan midden op de wijnkleurige zee". Dit heb ik zelf gehoord van Calypso met de mooie vlecht en die zei het vernomen te hebben van Hermes, de begeleider.

Alleen Odysseus overleeft een schipbreuk

12 391-425
Toen ik dan bij het schip en de zee teruggekeerd was, schold ik de een na de ander in zijn gezicht uit, maar we konden geen uitweg meer vinden: de runderen waren toch al dood. Daarop toonden de goden hen nog wonderlijke tekens: de huiden kropen leeg voort en het vlees loeide aan het braadspit, zowel gebraden als rauw: het geluid klonk als van levende runderen. Zes dagen lang aten mijn scheepsmaten nog van dit vlees van de mooiste runderen van Helius die zij bijeengebracht hadden. Maar toen Cronus' zoon Zeus de zevende dag eraan toevoegde, toen ging de wind dan toch luwen na het razen van de storm. Dadelijk gingen we aan boord en stuurden de volle zee op, en na de mast geplaatst te hebben hesen we de witte zeilen omhoog. Maar toen we het eiland achter ons hadden gelaten, en er nergens nog ander land te zien was, alleen maar hemel en zee, toen zond de zoon van Cronus een donkere bewolking boven ons gewelfde schip en de zee werd daaronder duister. En ons schip voer een tijdlang niet veel meer, want al snel blies een gierende westerstorm met orkaankracht en het geweld van de storm reet beide maststagen aan flarden; en de mast viel achterover en alle tuigage vloog omlaag in het ruim. De mast trof op het achterdek het hoofd van de stuurman en verbrijzelde in één klap heel zijn schedeldak; en als een duiker viel hij af van het dek, zijn dappere geest verliet zijn gebeente. Tegelijkertijd donderde Zeus en smeet de bliksem het schip in, en dat trilde in al zijn voegen, getroffen door de bliksem van Zeus, het werd met zwavel gevuld en de mannen overboord geslingerd. Ze werden als zeemeeuwen door de golven in de buurt van het donkere schip meegevoerd, en een god ontnam hen de thuiskomst. Maar ik kroop snel rond door het schip, totdat een geweldige golf de kielbalk los had geslagen van de scheepswand zodat de deining hem kaal ronddreef en hij sloeg ook de mast in de richting van de kielbalk; de stag, vervaardigd van rundleer, zat daar nog aan vast, daarmee bond ik beide aaneen, de kielbalk samen met de mast, en daarop geklauterd liet ik mij door de dodelijke stormen meevoeren.

Met zijn aankomst bij Calypso is Odysseus' relaas rond

12 426-453
Toen luwde wel de westenwind met zijn storm maar er stak al spoedig een zuidenwind op, wat mij vervulde met zorg, dat ik nog eens de heilloze Charybdis trotseren moest. De hele nacht dreef ik verder en bij zonsopgang kwam ik aan bij de rots van de Scylla en de vreselijke Charybdis. Die slurpte net het zoute water van de zee op en ik, omhoog gesprongen naar de hoge vijgenboom, klemde mij daaraan vast als een vleermuis. Nergens kon ik ergens op iets stevigs steun krijgen voor mijn voeten of omhoog klimmen; want de wortels waren buiten bereik, en de takken hoog in de lucht, groot en lang, zij beschaduwden de Charybdis. Vasthoudend klemde ik mij vast, totdat zij de mast en de kiel weer uit zou braken: en tot mijn vreugde kwamen ze na een tijd: rond de tijd dat een man van de markt opstaat voor het avondmaal, na beslechting van veel twisten van rechtzoekenden, rond die tijd pas verscheen het balkwerk weer uit de Charybdis. Ik liet handen en voeten los om te springen, en stortte neer vlak naast en tussen de balken, en daarop gezeten roeide ik met mijn handen erlangs. De vader van mensen en goden stond niet toe dat de Scylla mij zag: ik zou anders het steile verderf niet ontsnapt zijn. Van daar werd ik negen dagen meegesleurd, en in de tiende nacht voerden de goden mij naar het eiland Ogygia, waar Calypso met mooie vlecht haar woning heeft, geduchte godin die mensentaal spreekt. Zij nam me op en onthaalde me. Maar wat zal ik dit verder nog vertellen? Gisteren vertelde ik dit toch al in uw paleis aan u en uw koninklijke echtgenote. Nee, dit is geen aangename taak wat al duidelijk verteld is nog eens op te dissen.

13. Terug op Ithaca

Odysseus ontvangt nog meer geschenken van de Phaeaken

13; 1-22
Zo sprak Odysseus en zij allen zwegen stil, want zij waren in betovering gevangen in de schaduwrijke zaal. Maar hem gaf Alcinous het volgende antwoord: "Odysseus, nu je gekomen bent naar mijn hooggedakte woning met bronzen drempel, nu, denk ik, zul je zonder veel omzwervingen weer terug kunnen keren, na alles wat je hebt mee moeten maken. En jullie, die in mijn paleis altijd mijn fonkelende erewijn drinken en luisteren naar de zanger, ik wil iedereen aanzeggen: het mag dan zo zijn dat er kleden voor onze gastvriend gereed staan in een welgeschaafde kist, en ook goud en alle andere geschenken, die de raadslieden van de Phaeaken hierheen brachten, maar komaan, laten we per man hem nog een drievoet en ketel meegeven. Wij zullen dat weer vereffenen met een inzameling onder het volk, want het is niet juist om alléén, op eigen kosten, te schenken". Dat waren Alcinous' woorden, en dit gebaar kreeg hun instemming. Zij gingen dus ieder naar hun eigen huis om te slapen, maar toen de vroeggeboren, rozevingerige Dageraad zich toonde, snelden zij weer naar het schip, en droegen het stoere brons aan. Dat alles stouwde de doorluchte Alcinous met zorg onder de roeibanken, terwijl hij zelf op het schip rondging, opdat het geen van de mannen zou hinderen op hun tocht, wanneer zij ijverig roeiden.

Vertrek vanaf Scheria

13; 23-46
Zij gingen naar het paleis van Alcinous en genoten een maaltijd, en namens hen offerde de doorluchtige Alcinous een rund aan Zeus, Cronus' zoon, wiens hoofd gehuld is in wolken; hij heerst over alles. Na het schroeien van de schenkels aten ze een voortreffelijk maal met veel smaak; en onder hen zong de goddelijke zanger, Demodocus, geeerd bij het volk. Maar Odysseus wendde zijn hoofd vaak naar de stralende zon gebrand op zonsondergang, want hij hunkerde nu naar de terugreis. Zoals wanneer een man verlangt naar het avondmaal, wiens wijnkleurige ossenpaar de stevige ploeg de hele dag lang door het laagland trekt, en tot zijn vreugde gaat het zonlicht verdwijnen als teken om te gaan eten: zijn knieen knikken als hij voortgaat: zó was voor Odysseus de zonsondergang welkom. Prompt sprak hij onder de roeiriemminnende Phaeaken, en in het bijzonder richtte hij het woord tot Alcinous: "Machtige Alcinous, meest geziene onder alle mensen, geef me nu, na het plengoffer, de gelegenheid in vrede te vertrekken en u allen zeg ik vaarwel, want al wat ik wenste is in vervulling gegaan: een geleide en kostbare geschenken, die de hemelse goden royaal zouden geven; moge ik, thuisgekomen, mijn echtgenote in vrede aantreffen met de mijnen, behouden en wel. Moogt u, hier gebleven, geluk schenken aan uw wettige eega's en kinderen, en mogen de goden u alle voortreffelijks schenken en moge geen kwaad het volk treffen".
13; 47-62
Zo sprak hij en allen vielen hem bij en drongen erop aan hun gastvriend geleide te geven, want wat hij zei was terecht. Toen sprak dan ook de machtige Alcinous tot zijn dienaar: "Pontonous, meng in het vat de wijn en deel die uit aan allen in het paleis, opdat wij bidden tot vader Zeus en dan onze gastvriend terug geleiden naar zijn vaderland". Dat waren zijn woorden, en Pontonous mengde honingzoete wijn, en liep allen langs en deelde uit. En zij plengden aan de gelukzalige goden die de wijde hemel bewonen, ter plaatse vanuit hun zetels. Maar de stralende Odysseus stond op en gaf Arete een bokaal met twee oren in handen en tot haar sprak hij met stemverheffing en nadruk de woorden: "Leef wel, koningin, lange tijd, totdat de ouderdom komt en daarna de dood, die bij alle mensen aankloppen. Maar ik aanvaard nu de terugreis: geluk zij uw deel in uw paleis hier dank zij uw kinderen en de bewoners en koning Alcinous".
13; 63-77
Na deze woorden stapte de stralende Odysseus over de drempel, en de machtige Alcinous zond zijn dienaar met hem om hem voor te gaan naar het snelle schip en het zeestrand. En Arete zond dienaressen met hem mee, de één met een schoongewassen mantel en lijfrok, een ander stuurde ze mee om de stevige kist te dragen, en een derde droeg voedsel mee en fonkelende wijn. Maar toen zij het schip bereikt hadden aan zee, namen de fiere geleiders op het gewelfde schip het over en stouwden het, alle drank en het voedsel. Voor Odysseus spreidden zij een matras uit en een laken op het achterdek van het gewelfde schip, zodat hij ongestoord kon slapen. Ook zelf stapte hij aan boord en legde zich neer in stilzwijgen. En de mannen zetten zich aan de riemen elk op zijn plaats, en zij maakten de kabel los uit het gat in de stenen.

Odysseus komt slapend aan op Ithaca

13; 78-92
Zodra zij zich schrap zetten en de zee met hun roeispaan opwoelden viel er een zoete slaap op de oogleden van Odysseus, onweerstaanbaar, alleraangenaamst, het meest nog gelijkend de dood. Zoals in de vlakte vier hengsten allen gelijk aangedreven door de slagen van de zweep hoog opspringend snel galopperen, zó verhief van het schip zich de achtersteven, en daarachter snelde een grote, bruisende golf van de luid ruisende zee. Zij snelde voort, feilloos, in constante vaart, en zelfs een giervalk, toch de snelste der vogels, had haar niet bij kunnen houden. Zo snel doorkliefde zij de golven der zee, met aan boord een man die in wijsheid de goden nabij kwam. Hij had voorheen zeer veel ellende verduurd bij het doorstaan van oorlog met vijanden en leedbrengende golven, maar toen lag hij rustig te slapen, zijn lijden vergeten.
13; 93-124
Toen nu de helderste ster opkwam, die juist aankondigt het licht van de vroeggeboren Dageraad, toen dan kwam het zeedoorklievende schip aan bij het eiland. Er ligt daar op Ithaca een baai, Phorcys genoemd, naar de grijsaard in zee; twee kapen liggen er bij steile klippen, wachters van de haven, die de hoge golven van de hevige winden afschermen, zodat binnengaats de schepen met goede roeibanken zonder ankertouw liggen, wanneer zij hun doel, de rede, bereiken. Aan het eind van de haven staat een olijf met spitse bladeren en dicht daarbij ligt een lieflijke, schemerige grot, een heiligdom van de nimfen, Najaden genaamd. Daarin staan vaten en kruiken van steen en daarin vervaardigen bijen hun honing. Reusachtige weefgetouwen staan binnen, waar de nimfen doeken op weven, in tintelende kleuren, een pracht voor het oog. En water borrelt daarbinnen omhoog. Twee toegangen heeft hij, de één, op het noorden, is toegankelijk voor mensen, de ander, op het zuiden, voor goden: daarlangs kunnen mensen niet binnenkomen, nee, dat is de route van de onsterfelijken. Daar voeren zij heen met hun ervaring van vroeger. Het schip schoof op het land tot de helft van zijn romp door zijn snelheid; zozeer werd het door de handen der roeiers gestuwd. Zij stapten vanaf het schip met de stevige roeibanken, namen eerst Odysseus op vanaf het gewelfde schip tegelijk met het linnen en de glanzende deken en legden hem op het strand terwijl hij nog doorsliep. Ook de geschenken namen zij op, die de trotse Phaeaken hem gaven bij zijn vertrek terug naar huis, dankzij de edelmoedige Athena. Die legden zij allemaal neer aan de voet van de olijf buiten bereik van de weg, opdat geen passant ze zou komen plunderen, voordat Odysseus wakker zou zijn.

Poseidon straft de Phaeaken

13; 125-137
Nu wilden zij weer terugvaren naar huis, maar de Aardschudder vergat de verwensingen niet, die hij de godgelijkende Odysseus voorheen naar het hoofd had geslingerd en hij vroeg om een beslissing van Zeus: "Zeus, Vader, niet langer zal ik onder de onsterfelijke goden in aanzien staan, wanneer de stervelingen mij niet respecteren, de Phaeaken met name, die nog wel van mij afstammen. Ook nu weer: ik had gezegd dat Odysseus pas thuis zou geraken na veel ellende doorstaan te hebben; maar nooit nam ik hem de terugkeer in zijn geheel af, want die beloofde gij voorheen met uw instemming. Maar zij voerden hem in zijn slaap op een snel schip over zee en legden hem neer op Ithaca en gaven hem heel veel geschenken, brons en goud in overvloed en geweven kleding, zoveel als Odysseus nooit als buit aan Troje ontroofd had, als hij met zijn aandeel heelhuids thuis was gekomen".
13; 138-145
Tot hem sprak ten antwoord de wolkenverzamelaar Zeus: "Ach, krachtige aardschudder, wat zei je nu toch! De goden misprijzen je in 't geheel niet: het zou onverdraaglijk zijn als zij de oudste en eerwaardigste minachtend behandelen. En als een mens jou, toegevend aan kracht en aan macht, geen respect betoont, dan ligt voor jou altijd de weg tot straf open. Ga te werk zoals je wilt en het je hart behaagt".
13; 146-158
Hem antwoordde daarop de aardschudder Poseidon: "Ik had terstond gehandeld volgens uw woorden, donkere omnevelde, maar altijd respecteer ik uw wens en vermijd ik uw toorn. Nu dan wil ik het pronkschip van de Phaeaken op haar terugreis midden op de nevelige zee schipbreuk doen lijden, opdat zij eindelijk eens hun plaats weten en stoppen met het geleiden van mensen, en ook een hooggebergte om hun stad heen plaatsen". Tot hem sprak de wolkengebieder Zeus dan ten antwoord: "Mijn beste: zó schijnt dit míj het best te kunnen gebeuren: wanneer alle mensen al het schip aan zien komen vanuit de stad, het dan vlak bij het land te verstenen in de vorm van het snelle schip, opdat alle mensen daarover perplex staan, maar hun stad niet met een hooggebergte af te sluiten".
13; 159-170
Toen dat nu de aardschudder Poseidon gehoord had, ging hij op weg naar Scheria, de woonplaats van de Phaeaken. Daar wachtte hij af; en het zeedoorklievende schip kwam al dichtbij, snel in haar thuisvaart; maar toen kwam de aardschudder op haar af, en die veranderde haar in steen en verankerde haar vanonder met een duw van de palm van zijn hand; en weg was hij weer. En zij, de roeiriemminnende Phaeaken, bespraken het onderling in duidelijke woorden, de mannen, beroemd om hun scheepvaart; en als volgt spraken zij met de blik gericht op zijn buurman: "Oh wee, wie bracht nou ons snelle schip op volle zee tot stilstand, terwijl het op huis aanging? Het was nota bene al duidelijk te zien". Zo sprak iedereen; maar hoe het gebeurd was, begrepen zij niet.
13; 171-184
Maar Alcinous nam het woord in hun midden en zei: "Lieve help, wel terdege dringt zich bij mij de oude voorspelling op die ik hoorde van mijn vader, die benadrukte dat Poseidon ons misgunt een reisgeleide te geven aan allen.Vader beweerde dat Poseidon ooit een prachtschip van de Phaeaken bij terugkeer van zo'n geleide, midden op de nevelige zee zou laten vergaan en onze stad met een hooggebergte zou barricaderen. Dat zei hij op hoge leeftijd en dat alles gaat nu in vervulling. Maar komaan, laten wij allen gehoor geven aan wat ik ga zeggen houd op met geleide te geven, wanneer een sterveling aankomt in onze stad, en aan Poseidon zullen wij twaalf uitgelezen stieren offeren, in de hoop dat hij medelijden betoont en onze stad niet afgrendelt met een enorm hoge bergketen". Zo sprak hij. Hen greep de vrees aan en zij brachten stieren in gereedheid.

Ontmoeting met Athena

13; 185-216
Zo baden zij dan tot de machtige Poseidon, de aanvoerders en raadslieden van het volk der Phaeaken, staande rondom het altaar. Maar Odysseus werd wakker uit zijn slaap in zijn vaderland, maar hij herkende het niet na zijn lange afwezigheid. De godin Pallas Athena, dochter van Zeus, goot rondom een nevel uit, om hem onherkenbaar te maken en hem alles uit te leggen, zodat zijn vrouw, de bewoners en dierbaren hem niet zouden herkennen, voordat hij alle onrecht op de vrijers gewroken had. Daarom natuurlijk kwam de vorst alles vreemd voor, de lange bergpaden, de havens vol aanlegplaatsen de onbegaanbare klippen en weelderige bomen. Hij stond op en bleef staan en bekeek vorsend zijn vaderland, en daarop begon hij te jammeren, ranselde zijn dijbenen met vlakke hand en sprak klagend de woorden: "Wee mij, in het land van wat welke stervelingen ben ik nu weer? Zijn het kwaadaardige wilden, zonder beschaving, of zijn ze gastvrij en godvrezend van aard? Waar moet ik nu al deze bezittingen laten? En waarheen moet ik zelf gaan? Ach, was ik maar daar bij de Phaeaken gebleven, dan had ik nog wel een andere machtige vorst kunnen vinden die mij onthaald had en naar huis had gebracht. Nu weet ik niet waar ik dit moet bergen, en hier achterlaten kan ik het ook niet, dan wordt het voor anderen een buit. Ach ellende, nu waren dus die aanvoerders en raadslieden van de Phaeaken niet helemaal wijs en verstandig, daar zij mij naar een ander land wegbrachten; en toch zeiden zij mij naar het van verre zichtbare Ithaca te vervoeren, maar ze deden het niet. Moge Zeus hen straffen, die als beschermer van smekelingen toch ook op alle andere mensen let en straft al wie zich misdraagt. Maar kom, laat ik nu mijn bezit controleren en onderzoeken of ze me niet op hun holle schip iets meegenomen hebben".
13; 217-235
Na deze woorden telde hij de prachtige drievoeten en ketels en het goud en de schitterende weefsels. Daarvan mankeerde dus niets. Maar hij klaagde om zijn vaderland zich voortslepend langs het strand van de luid ruisende zee, in hevige jammer. Maar op hem toe kwam Athena, in de gedaante van een jonge man, een schapenhoeder welverzorgd, zoals koningszonen zijn, met een mooi vervaardigde mantel dubbelgevouwen over de schouders; aan haar voeten droeg zij glanzende sandalen, in haar handen een werpspies. Bij het zien van haar verheugde zich Odysseus en hij snelde op haar toe en hij nam het woord en sprak tot haar in duidelijke termen: "Mijn beste, nu ik jou in dit land als eerste tref: heil, moge jij mij niet kwaadgezind tegemoet komen, maar redt deze schatten hier, red ook mij; want als tot een god wend ik me tot jou als smekeling in mijn bede. Zeg me dit nu naar waarheid, zodat ik het weet: wat voor land is dit en met wat voor volk, wie wonen hier? Is dit nu een eiland, van veraf te zien, of is het een kaap van het grofkluitige vasteland, uitspringend in zee?"
13; 236-249
Tot hem nu sprak de godin, de grijsogige Athena: "Je komt wat naïef over, vreemdeling, of je bent van wel heel ver, als je nog vragen hebt over dit land. Zo onbekend is het toch niet; heel velen zijn er bekend mee, of ze nu wonen aan zonsopgangs kant of juist de andere kant op naar de nevelige ondergangszon. Het is wel rotsachtig en niet voor paarden geschikt, en het is ook niet groot en omvangrijk. Maar het brengt rijkdom aan voedsel voort, ook wijn; en altijd is er beregening genoeg en overvloedige dauw en goed is het als weide voor geiten en runderen; bos is er in soorten en maten, en er zijn steeds drenkplaatsen voor vee. Zo is dan, vreemdeling, de naam 'Ithaca' tot in Troje bekend, en dat is toch, naar men zegt, heel ver van het Griekse verwijderd".

Odysseus verzint een verleden

13; 250-286
Zo sprak zij, en vreugde beving de onversaagde, goddelijke Odysseus, blijdschap om zijn vaderland, zoals zij het beschreven had, Pallas Athena, de dochter van Zeus die de Aegis voert. Hij nam dus het woord en sprak tot haar woorden die vleugels kregen; maar hij sprak niet de waarheid, maar slikte zijn woorden weer in, altijd in zijn binnenste broedend op wat het best uitkwam: "Ja, ook op het uitgestrekte Kreta hoorde ik van Ithaca, ver weg overzee; nu ben ik er zelf dus gekomen met deze bezittingen. Met achterlating van nog evenveel voor mijn kinderen ben ik op de vlucht, omdat ik de dierbare zoon van Idomeneus gedood heb, de snelvoetige Orsilochus, die op het weidse Kreta alle graanetende mannen in de wedloop overtrof. Hij wilde mij namelijk beroven van al mijn Trojaanse buit waarom ik me zo had uitgeput bij het doorstaan van smartelijke gevechten met vijanden en met de golven, omdat ik niet van zins was zijn vader te dienen in het land der Trojanen, maar zelf over krijgsvolk bevel voerde. Hem trof ik met mijn bronsgepunte lans toen hij terugkeerde van het veld, vlak langs de weg lag ik in hinderlaag met een maat en stikdonkere nacht bedekte de hemel, niemand van de mensen heeft ons gezien en het bleef verborgen dat ik hem het leven benam. Maar toen ik hem met het scherpe brons had gedood, ging ik meteen naar een schip en smeekte de fiere Phoeniciers om hulp en gaf hen een rijkelijk deel van de buit. Hen vroeg ik mij in Pylos aan land te zetten en me zover mee te nemen of in het goddelijke Elis waar de Epeeers de macht hebben. Maar de kracht van de wind dreef hen weg vandaar, hoezeer zij zich ook verzetten, want zij wilden mij niet misleiden. En op onze zwerftocht van daar kwamen we in de nacht hier aan. Uit alle macht roeiden we naar de haven en niemand van ons sprak van eten, al hadden we nog zo'n honger, maar zonder meer gingen we allen van boord en lieten ons neervallen. Toen bekroop mij de zoete slaap, uitgeput als ik was, en zij haalden mijn spullen uit het gewelfde schip en legden het neer waar ik lag in het zand. Zij nu gingen aan boord en voeren weg naar het volkrijke Sidon, maar ik bleef hier achter, van treurnis vervuld".
13; 287-310
Dat zei hij; maar de godin glimlachte, de grijsogige Athena, zij streelde hem met haar hand en had nu de gedaante van een vrouw, een mooie en grote, met weet van schitterend werk. En zij verhief haar stem en sprak duidelijk tot hem: "Een slimmerd zou wel moeten zijn en doortrapt, wie jou zou overtreffen in alle mogelijke listen, zelfs als een god het tegen je opnam! Eeuwige schurk! Fantast! Onverzadigbaar in je listen! Je zou dus zelfs niet in je eigen land ophouden met je bedrog en bedrieglijke woorden, die in je aard zijn gebakken. Maar kom, laten we het daarover maar niet hebben, we zijn hierin wel aan elkaar gewaagd: jij bent immers van alle mensen veruit de beste in advies en in woord, ik ben onder alle goden befaamd om mijn slimme behendigheid. Maar toch heb je mij niet herkend, Pallas Athena, dochter van Zeus, die jou altijd terzijde staat in alle gevaren en je beschermt. Ook zorgde ik ervoor dat jij bij alle Phaeaken gastvrijheid genoot, nu kom ik weer hierheen, om samen met jou een plan te bedenken en alle schatten te verbergen die de fiere Phaeaken je gaven op mijn advies, mijn instigatie, toen je naar huis ging. En ik wil je zeggen hoeveel tegenslag te verduren je nog beschoren is in je mooie paleis; verdraag het, ook al moet je jezelf overwinnen. Zeg aan niemand van alle mannen en vrouwen dat je terug bent gekomen van je omzwervingen, maar verdraag alle beproevingen in stilte, en laat alle geweld van de mensen van je afglijden".

Athena onthult voor Odysseus zijn vaderland

13; 311-328
Tot haar sprak de listenrijke Odysseus ten antwoord: "U te herkennen is moeilijk, godin, voor een sterveling bij een ontmoeting, hoe kundig hij ook is; want u tovert uzelf om in van alles. Maar dit weet ik wel, dat u voorheen mij toegewijd was, toen wij, zonen der Grieken, oorlog voerden in Troje. Maar toen wij de hoogoprijzende stad van Priamus hadden verwoest en wij ons ingescheept hadden en een god de Grieken uiteendreef, toen heb ik u toch niet gezien, dochter van Zeus, of gemerkt dat u op mijn schip kwam, om mij voor leed te beschermen. Nee, altijd doolde ik rond met bloedend hart totdat deze of gene godheid mij uit mijn ellende bevrijdde, althans voordat gij mij in het welvarende land der Phaeaken zelf met woorden opmonterde en me naar de stad begeleidde. Maar nu smeek ik u bij uw vader - ik geloof toch niet in het ver zichtbare Ithaca aangekomen te zijn, nee ik heb de indruk dat ik ergens anders ben beland en ik denk dat u dit plagend vertelt om mij te misleiden - Vertel me toch of ik werkelijk in mijn vaderland ben".
13; 329-344
Daarop antwoordde de godin, de grijsogige Athena hem: "Altijd draag je dit soort bedenkingen mee. Daarom kan ik je ook niet bij tegenslag in de steek laten, omdat je gevat bent en scherp en omzichtig. Want ieder ander zou bij zijn terugkeer, verheugd bij zijn aankomst zich haasten zijn kinderen en vrouw op te zoeken in zijn woning, maar jij wilt nog niets daarvan weten of zelfs ernaar informeren, alvorens je vrouw op de proef te stellen, die, werkelijk, hulpeloos neerzit in het paleis; altijd in verdriet verstrijken voor haar nachten en dagen terwijl ze haar tranen vergiet. Maar ik, ik twijfelde nooit, maar was in mijn hart hiervan zeker, dat jij thuis zou komen, zij het na verlies van al je mannen. Maar heus, voor jou kon ik met Poseidon geen ruzie trotseren, mijn oom bij m'n vader, die wrok tegen jou opvatte woedend omdat je zijn dierbare zoon het ooglicht ontnam. Maar kom, laat ik je het land Ithaca tonen, zodat je overtuigd bent.
13; 345-371
Dit hier is de haven van Phorcys, de oude man in de zee, Aan het eind van de haven staat een olijf met spitse bladeren en dicht daarbij ligt een lieflijke, schemerige grot, een heiligdom van de nimfen, Najaden genaamd. Dat is die overwelfde grot waar jij vele effectvolle offers aan de nimfen placht te brengen. En dat daar is de berg Neriton, met bossen bekleed". Bij die woorden verdreef de godin de nevel en de aarde werd zichtbaar.En toen werd de onversaagde, goddelijke Odysseus pas echt verheugd, in blijdschap over zijn land, en hij kuste de graanschenkende aarde. En direct hief hij zijn handpalmen omhoog en bad tot de nimfen: "Bronnimfen, dochters van Zeus, nooit had ik gedacht jullie terug te gaan zien; maar nu, wees gegroet met oprechte gebeden: oh, wij zullen jullie geschenken geven, zoals in het verleden, als de krijgshaftige dochter van Zeus mij, welgezind, zelf in leven laat en zij mijn geliefde zoon volwassen laat worden". Tot hem dan sprak de godin, de grijsogige Athena: "Wees gerust, maak je daarover nu maar geen zorgen. Nee, laten we je bezit nu meteen in een hoek van de godgewijde grot op gaan bergen, opdat het voor jou behouden blijft. En laten we samen overleggen hoe we het beste te werk gaan". Na deze woorden verdween de godin in de schemerige grot, rondtastend overal in de grot naar bergplaats. Odysseus droeg alles aan, het goud en manhaftig brons, en de prachtig vervaardigde kleren die de Phaeaken hadden geschonken Zij legde alles met zorg neer en plaatste een steen voor de ingang, Pallas Athena, dochter van Zeus met de Aegis.

Athena waarschuwt Odysseus voor de vrijers en helpt

13; 372-381
Beiden gingen zij zitten aan de voet van de heilige olijfboom en beraamden de ondergang voor de arrogante vrijers. Want om te beginnen sprak de godin de felogige Athena: "Van god stammende zoon van Laertes, listenrijke Odysseus, bedenk hoe je de onbeschaamde vrijers zult aanpakken, die al drie jaar je paleis tiranniseren als pretendenten van je onschatbare vrouw, haar paaiend met bruidsschatten. Maar zij kijkt altijd treurend uit naar jouw terugkomst, en geeft allen wel hoop, doet ieder wel toezeggingen door signalen te geven, maar haar hart wil het anders".
13; 382-391
Haar sprak ten antwoord de listenrijke Odysseus: "Wee, ik zou wel het noodlottige einde van Atreus' zoon Agamemnon ondergaan hebben in mijn paleis, als U mij, godin, dit alles niet precies had gezegd. Maar welaan, doe mij een list aan de hand om me op hen te wreken, en sta mij persoonlijk bij door mij kracht in te geven, zoals toen wij de glanzende tinnen van Troje vernietigden. Ach, sta mij zo vurig bij, felogige, ik had wel met driehonderd vijanden kunnen vechten samen met u, eerbiedwaardige godin, toen u mij welwillend uw hulp gaf".
13; 392-415
Hem antwoordde daarop de godin, Athena met de grijze ogen: "Wis en waarachtig zal ik je bijstaan, ik verlies je niet uit het oog, wanneer we hier eenmaal voor gaan; en ik vermoed dat wel heel wat het bodemoppervlak met bloed en hersens zullen besmeuren van die vrijers, die jouw vermogen verkwisten. Nu dan zal ik jou onherkenbaar maken voor alle stervelingen: je mooie huid zal ik doen verschrompelen aan je lenige ledematen, en je hoofd zal ik van zijn blonde lokken ontdoen en ik zal je hullen in lompen waarvan iedereen walgt als hij er iemand mee ziet. Je eens zo stralende ogen zal ik dof maken, zodat je afzichtelijk voorkomt, niet alleen aan alle vrijers maar ook aan je vrouw en je zoon, die je in je paleis achterliet. Ga zelf het allereerst naar de zwijnenhoeder, die toeziet op jouw varkens en jou, als steeds, erg genegen is en gesteld op jouw zoon is en de verstandige Penelope. Je zult hem treffen op zijn post bij de zwijnen. Die grazen bij de rots van de Raaf en bij de bron Arethusa, knabbelend aan lekkere eikels en het donkere water slurpend, wat toch bij varkens een weelde aan vet doet gedijen. Blijf daar wachten en zet je daar neer en vraag hem naar alles, terwijl ik naar Sparta ga met de mooie vrouwen om Telemachus op te roepen, jouw dierbare zoon, Odysseus. Die vertrok namelijk naar Menelaus in het weidse Sparta om informatie te krijgen over jou, of je nog wel ergens was".
13; 416-440
Tot haar sprak dan de listenrijke Odysseus ten antwoord: "Maar waarom hebt u, die toch van alles op de hoogte bent, dan niet gesproken? Moet ook hij dan ellende doorstaan bij een zwerftocht op de onafploegbare zee, terwijl anderen zijn bezit opmaken?". Daarop antwoordde hem Athena met de fonkelende ogen: "Om hem hoef je je niet bezorgd te maken. Zelf was ik zijn gids, opdat hij een goede reputatie zou krijgen door een tocht daarheen: hij heeft niets te lijden maar zit gerieflijk in het paleis van Atreus' zoon en het ontbreekt hem aan niets. Wel leggen blagen hem met een donker schip een hinderlaag eropuit hem te doden, voordat hij zijn vaderland kan bereiken Maar ik denk niet dat dit zal gebeuren, eerder nog dat de aarde heel wat van die vrijers, die nu nog je bezit eten, op zal nemen". Na deze woorden bestreek Athena hem met haar staf, en verschrompelde zijn mooie huid aan zijn lenige leden, en haalde de blonde lokken van zijn hoofd, en veranderde rond al zijn leden zijn huid in die van een oude grijsaard. Zij maakte ook zijn ogen, voorheen zo stralend, dof, en doste hem anders uit met een smerig vod en een gescheurd en vuil hemd, smoezelig door vuile rook. En om zijn schouders legde zij de grote huid van een snelle hinde, afgesleten; en ze gaf hem een stok en een afzichtelijke knapzak, met gaten overdekt, een strop zat eraan als draagband. Na zo overlegd te hebben gingen ze uiteen: zij ging meteen op weg naar het goddelijke Laconie om de zoon van Odysseus.

14. De varkenshoeder

Aankomst bij Eumaeus

14; 1-28
Maar Odysseus betrad vanaf de haven het steenachtige voetpad omhoog naar het woudgebied over passen, waarlangs Athena hem de weg had gewezen naar de trouwe zwijnenhoeder, die het best zorgde voor zijn bezit van alle knechten die de held Odysseus zich had verworven. Hem trof hij aan in zijn voorhuis, waar hij een hoge omheining gebouwd had op een beschutte plek: mooi en hoog, om de hof heen. Op eigen houtje had de varkenshoeder die opgetrokken voor de varkens, toen zijn meester weg was, buiten zijn meesteres en de oude Laertes om, met stenen die hij erheen had gesleept, en met een kroonlijst van doornstruik. Buitenom had hij palen links en rechts de grond ingeplant, dicht opeen en flink wat, nadat hij de donkere bast van de eik afgehaald had. Binnen de hof maakte hij twaalf varkenshokken, vlak naast elkaar, slaapplaatsen voor de zwijnen; binnen elk sliepen vijftig varkens op de grond achter grendels, de zeugen met biggen; de beren sliepen buiten de omheining, veel minder stuks; want met hun geschrans sloegen zij daar een bres in, die roemruchte vrijers, want steeds zond de zwijnhoeder de beste van alle vetgemeste zwijnen hen toe. Toch waren er nog driehonderdzestig. Bij hen waakten steeds honden, wilde beesten gelijk, vier, die de varkenshoeder, leider van mannen, gefokt had. Zelf was hij bezig sandalen passend te maken voor zijn voeten, door mooi gekleurd runderleer bij te snijden. Zijn knechten waren eropuit naar alle kanten met de grazende zwijnen, drie tenminste, want de vierde had hij naar de stad gestuurd om, onder dwang, een varken te brengen naar de arrogante vrijers, zodat ze die konden slachten en hun hart konden ophalen aan het vlees.
14; 29-47
Plotseling zagen de scherpblaffende honden Odysseus: en renden luid blaffend op hem af. Maar door zijn slimheid hurkte die neer en hij liet de stok uit zijn hand vallen. Hij zou daar bij zijn hoeve vreselijk geleden hebben, als niet de zwijnhoeder hen snel achterna was gerend door de hofpoort: het leer glipte uit zijn hand. Hij joeg luid schreeuwend de honden uiteen met een regen van stenen en hij sprak tot zijn meester: "Nou ouwetje, dat scheelde niet veel of de honden hadden al gauw met je afgerekend tot schande over mij. En de goden hebben me toch al ellende genoeg gegeven, want ik vreet hier mijn hart op om mijn goddelijke meester en zijn vette varkens maak ik rijp tot eten voor anderen, terwijl hij misschien verrekt van de honger op een zwerftocht door stad en land van vreemden, als hij nog ergens in leven is en het licht van de zon ziet. Maar kom mee, vadertje, laten we naar mijn hut gaan zodat je je eerst eens te goed kunt doen aan eten en drinken en daarna vertelt waar je vandaan komt en wat je hebt meegemaakt".
14; 48-54
Na deze woorden ging de trouwe zwijnhoeder hem voor naar zijn hut, stortte, bij binnenkomst, takken met veel bladeren uit, spreidde daarover een dichtbehaarde huid van een wilde geit, (het was zijn eigen bed) groot en dichtbehaard, en maakte zo een zitplaats. Odysseus verheugde zich dat hij hem zo ontving en hij zei: "Moge Zeus jou geven, gastheer, en ook de andere onsterfelijke goden, wat je het liefste verlangt, omdat je me zo vriendelijk ontving".
14; 55-77
Hem ten antwoord sprak hij, varkenshoeder Eumaeus: "Vreemdeling, het is mij een goddelijke wet een vreemdeling te respecteren, ook als hij armzaliger nog zou zijn dan jij: want onder Zeus' hoede staan vreemden en bedelaars. Wij geven graag wat we hebben, al houdt het niet over; zo is immers het leven van ons, slaven, altijd in vrees, wanneer het jonge volkje de baas speelt. Want van hém verlamden de goden de terugkeer, die voor mij goed zou zorgen en mij bezit toe zou staan, een huis, stukje grond en een vrouw die er zijn mocht, zoals een royale meester dat gunt aan zijn knecht, als die hard voor hem werkt en een god zijn werk zegent, zoals ook mijn werk hier floreert, dat ik dagelijks uitvoer. Ja, mijn heer had mij vorstelijk beloond, als hij hier oud was geworden; maar gedaan is het met hem. Ach was toch van Helena heel het geslacht omgekomen, want voor velen was zij de ondergang; Ja, ook mijn meester trok op tegen het paardenrijke Troje om voor de eer van Agamemnon de Trojanen te bevechten". Na deze woorden schortte hij snel de chiton op met zijn gordel, en dook in de varkenskotten, waar de biggenkudden in vast zaten; daar nam hij er twee van en slachtte ze beide, zengde de borstels, sneed ze aan stukken en stak ze aan braadspeten. Na ze gebraad te hebben zette hij ze voor aan Odysseus, warm, met speten en al; en hij strooide er blank gerstemeel op.

Eumaeus vertelt over de vrijers

14; 78-108
En in een houten schaal mengde hij honingzoete wijn, zelf ging hij tegenover hem zitten en spoorde hem aan met de woorden: "Eet nu, gastvriend, want wij dienaren hebben biggenvlees; maar de vette varkens worden door vrijers gegeten, zonder dat die acht slaan op bestraffing of medelijden. Maar heus niet zijn de gelukzalige goden gesteld op schandelijke daden, nee, zij eren gerechtigheid en fatsoenlijk gedrag van de mensen. En de vijandige rovers die andermans land opgaan en aan wie dan Zeus ook nog buit toestaat, die gaan met volgeladen schepen terug op huis aan, maar een hevige vrees voor de straf die hen wacht overvalt hen. Maar die lui hier weten vast - zij hoorden dat van een godheid - de smartelijke dood van hem, dat zij niet volgens de regels zich kandidaat stellen voor een huwelijk maar ook niet teruggaan naar huis, maar zonder meer schandalig bezit verslinden, zonder soberheid. Nooit, zoveel nachten en dagen Zeus schenkt, nooit slachten ze slechts één dier, en bij twee blijft het ook niet; en ze zuipen wijn bij het leven, brutaalweg alles uitschenkend. Werkelijk, het vermogen van mijn heer was onmetelijk; niemand van de mensen heeft zoveel, noch op het donkere vasteland, noch op Ithaca zelf; zelfs van twintig heren samen is de rijkdom zo groot niet. Ik zal het je voorrekenen: twaalf kudden runderen op het vasteland; even zoveel kudden schapen, even veel kudden zwijnen, en net zoveel zwervende kudden geiten worden gehoed door herders van ginds en van hier. En elf geitenkudden in totaal grazen hier langs de kust, en voortreffelijke mannen zien daarop toe. Van hen brengt een ieder dagelijks een dier van de vette geiten, die er het best uitziet als etenswaar aan. Wat mij betreft, ik waak over de zeugen hier en houd ze in leven, en kies voor hen de beste van de beren dagelijks uit en stuur die weg".

Odysseus hoort ook van het gevaar voor Telemachus

14; 109-120
Dat zei hij, maar Odysseus at het vlees met smaak en dronk de wijn gretig maar zwijgend, en zon op kwaad voor de vrijers. Maar toen hij gegeten had en zich tegoed had gedaan aan het voedsel, vulde Eumaeus de beker, waaruit hij zelf placht te drinken en reikte hem aan vol met wijn; en Odysseus nam hem aan en verheugde zich en hij verhief zijn stem en sprak tot hem de gevleugelde woorden: "Mijn beste, wie kocht jou toch voor zijn bezittingen, zo een rijk en machtig man als jij zegt? Je vertelt dat hij is omgekomen om de eer van Agamemnon. Zeg het me, voor het geval ik hem, een zodanig man, misschien ken, Want Zeus toch weet en ook de andere onsterfelijke goden, of ik hem heb ontmoet en dat kan melden, want veel heb ik rondgezworven.
14; 121-147
Hem antwoordde daarop de zwijnhoeder, leider van mannen: "Grijsaard, geen enkele zwerver zal met een bericht over hem zijn vrouw en dierbare zoon kunnen overtuigen, nee, zwervers met behoefte aan opvang vertellen maar wat, zitten vol fabels, maar de waarheid vertellen is er niet bij. Wie op zijn zwerftocht op Ithaca verzeild raakt, gaat naar mijn meesteres en dist leugens op. En zij ontvangt hem vorstelijk en vraagt alles na, en dan vloeien bij haar door haar verdriet de tranen uit de ogen, zoals vanzelf spreekt bij een vrouw, als haar man in den vreemde omkomt. Ook jij, vadertje, kunt al gauw een verhaal in elkaar zetten, in de hoop dat iemand je een mantel en chiton als kleding geeft. Maar van hem zullen honden en snelle gieren wel al de huid van de botten gescheurd hebben, en de geest hem hebben verlaten; ofwel vraten de vissen hem op in zee en liggen zijn botten ergens op de kust, overdekt met een berg zand. Zo zal hij wel ginds zijn gestorven, zorgen betekent dat voor zijn dierbaren, voor allen, maar het meest toch voor mij: want nooit zal ik nog zo'n toegewijde meester treffen, waar ik ook heen ga, zelfs niet als ik terug zou gaan naar het huis van mijn vader en moeder, waar ik geboren ben en door hen zelf opgevoed. Maar nu heb ik zelfs om hen nog niet zoveel verdriet - al zou ik hen nog zo graag met eigen ogen terug willen zien in mijn vaderland - als het gemis van Odysseus me kwelt nu hij weg is. Hem nu, gastvriend, schroom ik, zelfs bij zijn afwezigheid met name te noemen; want hij was erg op mij gesteld en met zorg om mij begaan. Ja, ik noem hem mijn vriend, al is hij ver weg".
14; 148-164
Tot hem nu sprak de onversaagde, stralende Odysseus: "Beste man, je zult er niet van willen horen, en zeggen dat hij niet terug zal keren en je hart mag ongelovig zijn: toch zal ik je niet zomaar verzekeren, maar erop zweren, dat Odysseus terugkeert; en een beloning voor mij mag er pas dán zijn, wanneer hij naar zijn paleis zal teruggekeerd zijn: bekleed me dan maar met een mantel en lijfrok, mooie kleren, eerder zal ik niets aannemen, ook al heb ik het nodig. Want gehaat is hij bij mij als de poort van de Hades, die, onder druk van zijn armoede leugens ophangt. Zeus vooreerst moet mijn getuige zijn en de gastvrije tafel en de haard van de edele Odysseus, waar ik ben aangeland: werkelijk dit alles zal in vervulling gaan, zoals ik het zeg. Nog deze zelfde maand zal Odysseus hier arriveren; wanneer de ene maan verdwijnt en de andere aanwast zal hij terugkeren naar huis en hij zal zich wreken op wie maar hier zijn vrouw en zijn dierbare zoon niet respecteert".
14; 165-184
Hem ten antwoord sprak jij, zwijnhoeder Eumaeus: "Ach, oude vriend, ik zal je die beloning vast niet geven, en Odysseus zal niet meer komen. Maar drink jij maar lekker, en laten we het over andere dingen hebben en breng me deze zaken niet steeds in herinnering; want mijn hart breekt van verdriet, wanneer iemand melding maakt van mijn geliefde heer. Laten we die eed nou maar laten rusten, maar mocht toch Odysseus ooit komen, zoals mijn wens is en die van Penelope en de oude Laertes en de godgelijke Telemachus. Nu ben ik weer wanhopig bedroefd om die jongen, die Odysseus verwekte, Telemachus. Hem deden de goden opgroeien als een rijzige boomstam en ik dacht dat hij een echte kerel zou worden, niet minder dan zijn geliefde vader, in bouw en bewonderenswaardig uiterlijk, maar een van de onsterfelijken of van de mensen vertroebelde zijn evenwichtige geest en hij ging om informatie over zijn vader naar het zeer heilige Pylos. Maar de trotse vrijers liggen in hinderlaag op zijn terugweg, om het geslacht van Acrisius roemloos te gronde te richten op Ithaca. Maar, werkelijk, laten we ook niet over hem spreken: of hij gevangen wordt of dat hij ontsnapt en Cronus' zoon hem de hand boven het hoofd houdt.

Odysseus verzint een identiteit

14; 185-190
Maar kom, oude, vertel jij mij nu over je beslommeringen, zeg me met name dit naar waarheid, ik ben er benieuwd naar, wie je bent en van waar? Waar ligt jouw stad en wonen je ouders? En op wat voor schip ben je hier gekomen? Hoe brachten de zeelui je hierheen, naar Ithaca? Wie beweerden zij te zijn? Want ik denk toch niet dat je te voet hierheen bent gekomen".
14; 191-226
Tot hem nu sprak ten antwoord de listenrijke Odysseus: "Dat zal ik je dan precies uit de doeken doen. Mocht er nu voor ons beiden een tijd lang voedsel en zoete wijn in voorraad zijn in de hut, dan konden wij rustig eten, terwijl anderen het werk deden: makkelijk zou ik dan een heel jaar lang onafgebroken vertellen over wat mij ter harte gaat, al wat ik door de wil van de goden doorstaan moest. Ik ga er prat op afkomstig te zijn van het weidse Kreta, als zoon van een vermogende vader; ook vele andere zonen groeiden op in ons paleis en werden er geboren, wettige kinderen van zijn vrouw; maar mij baarde een slavin, een bijvrouw; toch behandelde vader mij gelijk met zijn wettige zonen, Castor, zoon van Hylacus, wiens zoon ik er prat op ga te zijn. Hij werd toen op Kreta als een god vereerd door het volk om zijn welzijn en rijkdom en zijn roemrijke zonen. Maar, ach, de doodsgodinnen kwamen hem halen naar Hades' verblijfplaats en mijn halfbroers verdeelden arrogant zijn bezit en lootten om de delen, maar mij scheepten ze af met een fooi en een huis. Ik trouwde met een vrouw van vermogende ouders die mij erg respecteerden, want ik was geen nietsnut en ook geen lafaard; maar nu is dat alles verloren gegaan, maar toch, denk ik, kan je aan het restant, als je goed kijkt mijn vroeger ik nog herkennen; want zeer drukt mij ellende. Want Ares en Athena gaven mij durf en stootkracht: wanneer ik uit was op onheil voor de vijand en de dappersten koos voor een hinderlaag, dan sloeg mijn fiere gemoed nooit acht op levensgevaar maar het allereerste sprong ik tevoorschijn en zaaide dood en verderf onder wie maar in snelheid voor mij onderdeed van mijn tegenstanders. Dat was ik in de oorlog; maar niet was ik gesteld op werk op het land of zorg om mijn thuis en opvoeding van prachtige kinderen, nee, altijd was ik verslingerd aan schepen met roeiers en gevechten met gepolijste speren en pijlen, gruwelijke zaken, die voor anderen huiveringwekkend zijn.
14; 227-251
Maar mij was geliefd waar de godheid mij aanleg voor gaf: zo doet de één dit graag, de ander weer iets anders. Voordat de zonen der Grieken aan wal gingen in Troje, had ik al negen maal het commando gevoerd over een snelvarende vloot met bemanning tegen ver weg wonende vreemden en veel buit viel me toe. Daaruit selecteerde ik naar hartelust, en dan nog kreeg ik achteraf veel erbij; mijn rijkdom groeide al snel en zo werd ik onder de bewoners van Kreta gevreesd en geeerd. Maar toen de wijddonderende Zeus die vreselijke tocht had beraamd, die de dood bracht aan vele strijders, toen spoorde men mij en de vermaarde Idomeneus aan om een vloot aan te voeren tegen Troje. En geen mogelijkheid was er om dat te weigeren, want de reputatie bij het volk drukte zwaar. Daar voerden wij, zonen der Grieken, gedurende negen jaar oorlog, en na de verwoesting van Priamus' stad in het tiende jaar voeren wij huiswaarts, maar een god sloeg de Grieken uiteen. Voor mij, ongelukkige, beraamde Zeus rampen: want één maand slechts mocht ik in de aanwezigheid blijven van mijn kinderen en vrouw en mijn have en goed; maar daarna bekroop mij de behoefte naar Egypte te varen, na schepen goed uitgerust te hebben met heldhaftige mannen; negen schepen maakte ik gereed en wierf snel scheepsvolk aan. Zes dagen lang hielden mijn trouwe mannen feest, en ik voorzag hen van veel offerdieren om te offeren aan de goden en er zelf van te eten.
14; 252-284
Op de zevende gingen we aan boord en voeren weg van het wijde Kreta geholpen door een voorspoedige, krachtige wind uit het noorden, moeiteloos, als ging het stroomafwaarts; geen enkele van de schepen liep averij op, maar schadevrij en zonder ziekte zaten we aan boord, en de wind en de stuurlui hielden ons op koers. Op de vijfde dag bereikten wij de snelstromende rivier van Egypte, en ik legde de gebogen schepen voor anker op de Nijl. Toen gaf ik met nadruk mijn trouwe mannen de opdracht daar op de schepen te blijven en die te bewaken, terwijl ik verspieders uitzond naar hun posten; maar zij zwichtten voor hebzucht en volgden hun gretigheid, en al heel snel plunderden zij de rijke akkers van de Egyptenaren vrouwen en kinderen voerden zij mee, de mannen slachtten ze af; maar hun geschreeuw drong door tot de stad. De mannen daar hoorden het en bij zonsopgang kwamen zij aan: heel de vlakte vulde zich met strijders en wagens en flikkerend brons; en de bliksemslingerende Zeus zaaide heilloze paniek onder mijn mannen, en niemand durfde weerstand te bieden: rondom stelde het onheil zich voor hen op. Toen doodden zij velen van ons met het scherpe zwaard, anderen voerden zij levend mee om dwangarbeid voor hen te verrichten. Maar mij bracht Zeus zelf op de volgende ingeving: - ach had ik toen maar, daar in Egypte, mijn doodslot bereikt, want veel ellende stond me nog te wachten - terstond nam ik mijn stevige helm van m’n hoofd en het schild van mijn schouders, mijn speer liet ik vallen, en ik ging de wagen tegemoet van de vorst pakte hem bij de knieen en kuste ze: hij redde mij uit medelij, nam mij op in zijn wagen en bracht mij, in tranen, naar zijn woning. En wel kwamen zeer velen met hun speren op mij af, belust mij te doden - want zij ziedden van woede - maar hij weerde hen af en duchtte de toorn van Zeus, hoeder van vreemden, die het meest de wandaden straft.
14; 285-313
Daar bleef ik zeven jaar lang en ik verwierf een groot vermogen daar in Egypte: want allen gaven ze me van alles. Maar toen nu mijn achtste jaar aanbrak, kwam een Phoenicier, een hypocriet en bedrieger, die al veel ellende onder de mensen had aangericht. Die haalde mij over met hem mee te gaan, om met hem naar Phoenicie te trekken, waar hij zijn huis en bezittingen had. Daar bleef ik bij hem tot een vol jaar verstreken was, maar toen dan die maanden en dagen ten einde liepen en het jaar weer zijn rondgang hervatte en de seizoenen terugkeerden, nam hij mij op zijn snelvarend schip mee naar Libie met het leugenachtige plan samen met hem een lading te vervoeren, maar in feite om mij als slaaf te verkopen en een grote som te verdienen. Ik ging met hem scheep, hoewel achterdochtig, ik moest wel. Het voer snel met een gunstige en stijve Noordenwind hoog voorbij Kreta; maar Zeus bereidde hen de ondergang. Want toen wij Kreta achter ons lieten en er geen ander land meer in zicht kwam, alleen hemel en zee, toen plaatste Cronus' zoon een donkere wolk boven het gewelfde schip en de zee eronder vergrauwde. Tegelijk liet Zeus zijn donder weergalmen en trof het schip met zijn bliksem; dat tolde helemaal rond, getroffen door de bliksem van Zeus, en het liep vol met zwavel: allen werden van het schip afgeslingerd. En, meeuwen gelijk, dreven ze rond op de golven rondom het schip: een god ontnam hen de thuiskomst. Maar mij gaf Zeus zelf, ondanks mijn ellende, de robuuste mast van het schip met donkere steven in handen, om zo nog meer onheil te ontkomen. Daaraan mij vastklemmend dreef ik rond in de vervaarlijke stormen.

Hij weeft nieuws over Odysseus in zijn verhaal

14; 314-359
Negen dagen dreef ik rond, maar in de tiende nacht, in het duister, bracht een reusachtige, voortrollende golf mij naar het land der Thesproten. Daar onthaalde mij Pheidon, de koning van de Thesproten, karaktervol man, zonder betaling. Van hem namelijk trof de zoon mij overmand door kou en vermoeidheid; hij nam mij bij de hand, trok me op en ging me voor naar z'n huis, totdat ik het paleis van zijn vader bereikte en hulde mij in een mantel en lijfrok. Daar hoorde ik over Odysseus. Pheidon verzekerde me namelijk dat hij hem ontvangen had en onthaald op weg naar zijn vaderland, en hij liet mij zien wat Odysseus allemaal vergaard had, brons, goud en welbewerkt ijzer. Genoeg om tot in het tiende geslacht nog een tweede zoon te onderhouden, zoveel lag er opgeslagen in het paleis van die vorst. Hijzelf was, zei hij, naar Dodona vertrokken, om van de goddelijke, hoog bebladerde eik de wil van Zeus te vernemen, hoe hij terugkeren kon naar het welvarende Ithaca, waar hij zo lang al ontbrak, openlijk of stiekem. Hij zwoer bij mijn hoofd met een plengoffer in zijn woning, dat een schip voor Odysseus gereed lag en de bemanning geregeld, om hem naar zijn dierbaar vaderland te brengen. Mij zond hij al eerder heen; want toevallig vertrok een schip van Thesprotiers naar het graanrijke Dulichion. Hij beval hen nadrukkelijk mij daar te brengen naar koning Acastus, maar zij waren uit op een rampzalig plan met mij, opdat ik helemaal in het leed van ellende zou belanden. Want toen het snelle schip ver van het land was gevaren, beraamden zij zonder meer een leven als slaaf voor mij. Zij trokken mij mijn mantel en lijfrok uit, en in plaats daarvan trokken ze mij haveloze lompen aan en het gescheurde hemd zoals je met eigen ogen kunt zien. In de avond kwamen ze aan bij de velden van het ver zichtbare Ithaca. Toen bonden zij mij vast op het schip met goede roeibanken, stevig, met een goed gevlochten touw, maar zelf gingen ze van boord en gingen haastig wat eten langs het strand van de zee. Maar voor mij maakten de goden persoonlijk mijn boeien los, gemakkelijk; ik knoopte de lompen om mijn hoofd, en kroop langs het gladgeschaafde roer in zee tot mijn borst en sloeg vervolgens mijn beide armen uit en zwom, en heel snel was ik ver verwijderd van hen en uit het water. Daar klom ik aan land waar kreupelhout stond, bloesemrijke bomen, en bleef ineengedoken liggen. En zij renden luid hijgend rond, maar al gauw zagen ze er geen brood in nog langer te zoeken: zij gingen dus weer terug aan boord van hun gewelfde schip, maar mij hielden de goden gemakkelijk verborgen, en ze leidden mij naar de hut van een verstandige man; het was mij dus kennelijk beschoren in leven te blijven.

Scepsis bij Eumaeus over Odysseus’ nieuws

14; 360-389
Hem ten antwoord sprak jij, zwijnenhoeder Eumaeus: "Ach ongelukkige gastvriend, werkelijk je wekt mijn sympathie met het vertellen van alles wat je meemaakte naar waarheid. Maar dat vind ik niet gepast, en daarin zul je me niet doen geloven, wat je over Odysseus vertelde. Waar is het voor nodig dat een man als jij lichtvaardig leugens vertelt? Zelf ben ik toch maar al te goed op de hoogte van de terugkeer van mijn meester, dat hij zich namelijk zeer gehaat maakte bij alle goden, zodat zij hem niet lieten sterven in Troje of in de armen van zijn dierbaren, na het beeindigen van de oorlog. Dan zouden alle Grieken wel een graf voor hem ingericht hebben en zou hij ook voor zijn zoon veel roem verworven hebben voor later. Maar nu rukten de wraakgodinnen hem roemloos weg uit ons zicht. Ik leef nu in afzondering bij de zwijnen en ga niet meer naar de stad, tenzij de verstandige Penelope me soms vraagt te komen, omdat er iemand met nieuws, uit welke hoek ook, is gekomen. Ja, dan vragen zij die, rond hem gezeten, daarover elk detail. De ene groep treurt dan om hun afwezige meester, en de andere propt zich met plezier en straffeloos vol met zíjn voedsel. Maar ik ben niet zo gesteld op dat navragen en uitpluizen, sedert een Aetolier mij met een verhaal voorloog: hij had iemand gedood en kwam na veel omzwervingen naar mijn hut en ik nam hem gastvrij op. Die zei dat hij hem gezien had op Kreta bij Idomeneus bezig zijn schepen te repareren, die stormen averij hadden bezorgd; die beweerde ook dat hij tegen de zomer of het najaar terug zou komen, met heel veel bezit en met zijn dappere mannen. Ook jij, zwaarbeproefde grijsaard, nu een godheid je bij mij heeft gebracht, hoeft me niet naar believen met leugens lastig te vallen en in te palmen, want niet daarom zal ik je met respect behandelen en onthalen, maar uit ontzag voor vreemdenbeschermer Zeus en medelijden met jouzelf".
14; 390-400
Maar tot hem sprak ten antwoord de listenrijke Odysseus: "Nou, je hebt wel een erg wantrouwende geest, dat ik je zelfs niet met een eed over kon halen mij te geloven. Maar kom, laten we een weddenschap afsluiten: de goden die op de Olympus wonen mogen na afloop onze scheidsrechter zijn: als jouw heer hier naar huis terug zal keren geef jij mij dan een mantel en lijfrok ter bekleding en zorg voor de overtocht naar Dulichion, waar ik heen wil; maar als jouw heer niet komt zoals ik dat zeg, dan mag jij je slaven ertoe aanzetten mij van een hoge rots af te werpen, dan hoedt ook een andere bedelaar zich er wel voor te bedriegen".
14; 401-408
Hem antwoordde daarop de trouwe zwijnhoeder: "Mijn beste, zo zou ik wel een mooie naam en reputatie krijgen onder de mensen voor eens en altijd, als ik jou eerst mijn hut binnenliet en je gastvrij onthaalde, maar je vervolgens doodde en je van het leven beroofde! Dan zou ik werkelijk zondigen tegen Cronus' zoon Zeus! Maar nu is het tijd om te eten. Hopelijk komen direct mijn mannen binnen, zodat we in de hut een lekker maal kunnen bereiden".

Odysseus test Eumaeus

14; 409-436
Zo bespraken zij dat soort dingen met elkaar, totdat de zwijnen eraan kwamen en de varkenshoeders. Ze sloten de zwijnen op in hun hokken voor de nacht, en een onbedaarlijk geknor klonk op van de beren in de voorhof, maar de trouwe zwijnhoeder riep naar zijn mannen: "Breng de beste beer mee, dan slacht ik die voor onze gast uit den vreemde; bovendien profiteren wij daar ook zelf van, die ons al zo lang uitsloven om die dieren met hun witte slagtanden, terwijl anderen straffeloos de vrucht van ons geploeter opeten". Na deze woorden kloofde hij het hout met het meedogenloze brons, en zij brachten een heel vet varken binnen, vijf jaar oud, en brachten het tot bij de haard. De zwijnhoeder bekommerde zich om de onsterfelijken, want hij was zeer verstandig: dus schoor hij eerst van de kop van het zwijn met de witte slagtanden wat haren en wierp die in het vuur, en daarbij vroeg hij aan alle goden dat de wijze Odysseus terug zou keren naar zijn huis. Hij haalde hoog uit en sloeg toe met een eiken knots, over van het hakken; Het dier gaf de geest en zij keelden het en zengden de borstels; en snel legden ze hem open; en de zwijnhoeder sneed van alle leden rauw vlees af en wikkelde het in een vetlaag, dat wierp hij op het vuur, bestrooid met gerstemeel, en de rest sneden zij in kleine stukken en staken die aan de speten, en zij braadden het met overleg en trokken al het vlees eraf, en legden alles bijeen op het aanrecht. De zwijnhoeder stond op om het te verdelen, want hij wist hoe het hoorde. Hij sneed en deelde alles in zeven porties, één deel legde hij apart voor de nimfen en Hermes, de zoon van Maia, en sprak daarbij een gebed uit, de andere deelde hij uit aan een ieder.
14; 437-448
Odysseus eerde hij met de lange rug van het zwijn met de blanke tanden en hij streelde zo het hart van zijn meester; tot hem sprak de listenrijke Odysseus met luide stem: "Ach, moge jij, Eumaeus, zo geliefd zijn aan vader Zeus, als je dat mij bent, omdat je mij, in deze toestand, zo goed gedenkt". En ten antwoord sprak jij, zwijnenhoeder Eumaeus: "Eet, buitengewone gast, en laat dit u smaken, wat ik heb: de godheid schenkt het een, en laat het andere na, zoals hij maar wil, want hij vermag alles". Zo sprak hij en hij wijdde de apart gehouden delen aan de eeuwige goden, en hij plengde fonkelende wijn en gaf die aan de stedenverwoester Odysseus in handen en zette zich toen bij zijn eigen portie.
14; 449-456
Het brood reikte hen Mesaulius uit, die de zwijnhoeder zelf, op eigen gelegenheid, gekocht had terwijl zijn meester weg was, zonder tussenkomst van zijn meesteres of de oude Laertes; maar uit eigen middelen kocht hij hem van de Taphiers. Zij strekten nu gretig hun hand uit naar de gereedliggende spijzen. Maar toen zij naar hartelust gedronken en gegeten hadden, ruimde Mesaulius het brood voor hen af, en zij wilden al gaan slapen, verzadigd van brood en van vlees.
14; 457-517
Er volgde een kille, maanloze nacht, want Zeus bracht regen, de hele nacht, en een zware wind woei uit het Westen, altijd neerslag brengend. Odysseus, die de zwijnhoeder op de proef wilde stellen om te weten of hij hem zijn mantel af wilde staan of een ander van zijn mannen daartoe aan zou sporen uit bezorgdheid om hem, nam het woord: "Luister eens, Eumaeus en ook alle andere mannen, wat ik met een verzoek zal vertellen: de bedwelmende wijn zet mij ertoe aan, die toch zelfs een bezonnen man ertoe brengt te gaan zingen en zich slap te lachen en hem aanzet tot dansen, en woorden te zeggen die beter ongezegd konden blijven. Maar nu ik eenmaal begonnen ben, zal ik het niet voor me houden. Ach, was ik maar zo stoer nog en had ik maar zo veel kracht, als toen wij een hinderlaag voor Troje legden. Odysseus en Atreus' zoon Menelaus voerden ons aan, En als derde voegde ik me bij hen, zij vroegen daar zelf om. Toen wij nu de stad waren genaderd en de steile ommuring lagen wij bij de stad, verspreid in het dichte kreupelhout in het riet en moeras, ineengedoken onder onze schilden. Een ijskoude nacht kwam opzetten toen de Noordenwind afnam, en over ons lag sneeuw als rijp zo koud, en ijs zette zich af op de schilden. Toen hadden alle anderen mantels en lijfrokken, en zij lagen rustig rondom, hun schouders bedekt met de schilden; Maar, onbezonnen, had ik bij het vertrek mijn mantel achtergelaten bij mijn mannen, want ik had gedacht het toch niet koud te gaan hebben, nee, ik ging mee met alleen maar mijn schild en glanzende tuniek. Maar in het derde deel van de nacht, toen de sterren onder gingen, stootte ik Odysseus naast mij aan met mijn elleboog en hij luisterde direct naar wat ik zei: "Van god stammende zoon van Laertes, listenrijke Odysseus, heus, ik zal het niet lang meer maken, oh, de kou bevangt me; want ik heb geen mantel, een godheid verleidde me ertoe alleen een tuniek te dragen, en nu is er geen uitweg meer". Dat zei ik en hij kreeg direct het volgende idee: zoals hij was in raad schaffen en vechten, en hij fluisterde zachtjes het advies in mijn oren: "Sst, laat niemand anders van de Grieken je horen". Zo hij, en hij steunde het hoofd op zijn elleboog en zei: "Luister, vrienden. Een goddelijke droom bezocht mij in m'n slaap. Wij zijn te ver afgedwaald van de schepen: laat iemand dat zeggen tegen Atreus' zoon Agamemnon, aanvoerder van het krijgsvolk, in de hoop dat hij meer man beveelt vanaf de vloot hierheen te komen". Dat zei hij, en daarop stond snel Thoas op, de zoon van Andraemon, en hij legde zijn purperen mantel af en zette een sprint in naar de vloot: en ik lag heerlijk in zijn kleding totdat de Dageraad verscheen, op gouden troon gezeten. Was ik nu nog maar zo jong en krachtig: dan gaf een van de herders mij hier in de hut wel zijn mantel, zowel uit vriendschap als uit achting voor een dappere man. Maar nu kijkt men op mij neer omdat ik lompen aan mijn lijf heb". Hem nu sprak jij ten antwoord, zwijnhoeder Eumaeus: "Nou grijsaard, een prima verhaal hoor dat wat jij vertelde, er was geen woord onbehoorlijks bij wat je veelbetekenend vertelde: je zult dan ook geen gebrek hebben aan kleding of iets anders, waarvan het passend is dat een zwaarbeproefde smekeling het krijgt, nu althans, want vanaf morgen zul jij je eigen lompen weer dragen. Want we hebben hier geen mantels en lijfrokken om afwisselend te dragen, maar voor ieder man is er maar één. Maar als de zoon van Odysseus terug komt zal die je zelf een mantel en lijfrok geven als kleding, en hij zal je een geleide geven naar waarheen je maar wilt".
14; 518-533
Na deze woorden stond hij op, en hij spreidde hem een bed dicht bij het vuur, en daarop legde hij vachten van schapen en geiten. Daarop legde Odysseus zich neer, en hij legde een mantel over hem heen dichtgeweven en groot, die hij bij de hand hield om aan te trekken, wanneer een buitengewone kou kwam opzetten. Zó sliep hij daar, Odysseus, en zij, de jonge herders, legden zich bij hem. Maar de zwijnhoeder stond het niet aan daar ook te slapen, ver van de varkens, nee, hij wapende zich om naar buiten te gaan: en Odysseus was blij, dat zijn zwijnhoeder zo bezorgd was om zijn bezit terwijl hij ver weg was. Die legde eerst een scherp zwaard om zijn stevige schouders en trok daarover zijn dikke mantel als beschutting, en hij nam de vacht mee van een grote, weldoorvoede geit, en hij pakte een scherpe speer, afweer van honden en mannen. En hij ging op weg om te slapen bij de beren met blanke tanden op een slaapplaats in een gewelfde grot, beschut tegen de Noordenwind.

15. Terugkeer Telemachus

Athena instrueert Telemachus

15; 1-43
Pallas Athena nu ging naar Sparta met de brede dansplaatsen om de krachtige zoon van de fiere Odysseus te vermanen tot de terugreis en hem aan te sporen te gaan. Telemachus en de schitterende zoon van Nestor trof ze aan, liggend in de galerij van de roemrijke Menelaus, Nestors zoon, ondergedompeld in een aangename slaap, maar Telemachus kon de zoete slaap niet vatten, want zorg om zijn vader hield hem heel de goddelijke nacht wakker. Zij, de felogige Athena, ging bij hem staan en zei tot hem: "Telemachus, je moet niet meer ver van je huis rondzwerven, met achterlating van je bezit bij zo arrogante lieden in je huis: laten zij niet alles opeten en je bezit verdelen, zodat jouw reis tevergeefs is. Maar vraag zo gauw mogelijk de hulpvaardige Menelaus, om een geleide, opdat jij je hooggeeerde moeder nog thuis treft. Want haar vader en broers dringen er al op aan dat zij trouwt met Eurymachus. Die overtreft immers alle vrijers met geschenken en biedt ook meer bruidsschat; Pas maar op dat ze niet tegen jouw zin je huis leeghaalt, want je weet hoe de aard van een vrouw is: Zij wil liever het huis verrijken van hem die haar huwt, en is niet meer bekommerd om haar kinderen van vroeger en haar gestorven echtgenoot en is ook niet meer in hen geïnteresseerd. Ga jij dus terug en vertrouw liever al het jouwe toe aan wie je het meest geschikt acht van je dienaressen, totdat de goden jou een waardige echtgenote zenden. Ik wil je nog iets anders vertellen, neem dat ter harte : van de vrijers liggen de voornaamsten op de loer in een hinderlaag in de engte tussen Ithaca en het rotsachtige Samos, van plan je te doden voordat jij je vaderland kunt bereiken. Maar ik denk niet dat dit lukt! Eerder nog zal de aarde bedekken menigeen van de vrijers, die nu jouw rijkdom verkwisten. Houd in ieder geval je goedgebouwde schip uit de buurt van de eilanden en vaar 's nachts door: wie maar van de onsterfelijken jou beschermt en behoedt zal jou een gunstige wind in de rug sturen. Zodra je nu het voorgebergte van Ithaca bereikt hebt, stuur dan je schip en heel de bemanning door naar de stad, maar ga zelf eerst naar de zwijnhoeder toe, die waakt over jouw varkens en je erg is toegedaan. Breng daar de nacht door en zend hem naar de stad om de wijze Penelope de tijding te brengen dat je veilig uit Pylos bent teruggekeerd". Na deze woorden ging ze heen naar de grote Olympus.

Vertrek van Telemachus uit Sparta

15; 44-55
Telemachus wekte Nestors zoon uit zijn zoete slaap door met zijn voet diens hiel aan te stoten, en hij zei tegen hem: "Word wakker, Pisistratus, zoon van Nestor, haal de eenhoevige paarden en span ze voor de wagen, dan kunnen we vertrekken." En hem antwoordde Pisistratus, zoon van Nestor: "Telemachus, het is niet mogelijk om door het nachtelijk duister te rijden, al hebben we haast, maar het wordt al gauw dag. Nee, wacht in ieder geval tot de zoon van Atreus, Menelaus, beroemd om zijn lans, zijn geschenken legt op de wagen en met vriendelijke woorden afscheid neemt en ons uitgeleide doet; een gast blijft immers heel zijn leven zijn gastheer indachtig wanneer die hem gastvrijheid verleent heeft".
15; 56-66
Dat zei hij, en daarop brak de dageraad aan, op gouden troon gezeten, en naar hen beiden kwam de hulpvaardige Menelaus, opgestaan uit het bed dat hij deelde met Helena met mooie vlecht. Toen hem nu de zoon van Odysseus bemerkt had, trok hij haastig zijn glanzende hemd aan en drapeerde een grote mantel om zijn stevige schouders, de held Telemachus, de zoon van de goddelijke Odysseus, en ging naar buiten, stapte op hem af en zei tot hem: "Zoon van Atreus, van godgeboren Menelaus, aanvoerder, geef me nu dan een geleide naar mijn vaderland want nu verlang ik vurig terug te keren naar huis".
15; 67-85
Hem antwoordde daarop de hulpvaardige Menelaus: "Telemachus, helemaal niet zal ik je langer hier houden, wanneer je verlangt naar de thuisreis; ja, ik keur het ook af in een andere gastheer, wanneer hij al te gastvrij is net als bij vijandschap: alles met mate is het beste! Een even groot kwaad vormt wie zijn gast tegen zijn wens ertoe aanspoort te vertrekken als wie hem tegenhoudt bij zijn vertrek. Nee, een gast moet je koesteren zolang hij er is, maar loslaten als hij dat wil. Maar wacht nog totdat ik geschenken op de kar plaats, mooie, dat zul je zelf zien, en de vrouwen gelast een maaltijd te bereiden, er is voldoende in huis. Dit heeft twee kanten: roem en voordeel brengt het jullie om op weg te gaan over het grenzeloze land, maar dan wel goed gevoed. Als je door heel Noord en Zuid Griekenland rond wil gaan reizen, dan zal ik zelf met je meegaan en paarden laten inspannen, en je voorgaan langs de steden van de bewoners: zeker zal niemand ons zomaar laten vertrekken, maar zeker iets meegeven, ofwel een drievoet van mooi bewerkt brons ofwel een bekken, ofwel een span muildieren of een gouden beker".
15; 86-100
Hem antwoordde nu de verstandige Telemachus: "Van goden stammende zoon van Atreus, leider van het volk, ik wil liever direct naar onze woonplaats terug. Ik heb namelijk bij mijn vertrek een wachter achtergelaten bij mijn bezittingen. Als ik nou maar niet, op zoek naar mijn godgelijke vader, zelf omkom, of uit mijn paleis iets kostbaars verloren gaat". Toen de hulpvaardige Menelaus dat nu gehoord had, gaf hij direct aan zijn vrouw en haar dienaressen opdracht een maaltijd in het paleis te bereiden van wat voldoende voorhanden was. En uit de buurt kwam Eteoneus, de zoon van Boethous, al present, want hij woonde niet ver daarvandaan. Hem vroeg de hulpvaardige Menelaus een vuur aan te maken en wat vlees te braden, en die gaf graag gehoor aan de opdracht. Zelf daalde hij af naar een voorraadkamer, heerlijk geurend, niet alleen: met hem ging Helena mee en Megapenthes.
15; 101-130
Toen zij nu in hun schatkamer kwamen, nam Atreus' zoon een beker met twee oren en droeg zijn zoon Megapenthes op een zilveren mengvat mee te nemen; Helena ging intussen staan bij de kisten, waarin de geborduurde gewaden lagen, die zij zelf had gemaakt. Eén ervan nam Helena, de goddelijke vrouw, op en nam die mee, dat was het mooist geborduurd en het grootste, en het schitterde als een ster, het lag helemaal onderaan. Daarmee gingen ze voort door het huis, totdat ze weer bij Telemachus kwamen. Tot hem sprak de blonde Menelaus: "Telemachus, waarlijk, moge Zeus, de luiddonderende echtgenoot van Hera, jouw terugkeer vervullen, zoals jij dat het liefste wilt; van alle kostbare geschenken die ik heb liggen in mijn paleis geef ik je wat het mooist is en het kostbaarst. Ik schenk je een mooi vervaardigd mengvat: hij is van zilver, maar er is een rand op gelegd van goud, een werkstuk van Hephaestus; ik kreeg hem cadeau van Phaedimus de dappere koning van Sidon, toen hij mij in zijn huis ontving bij mijn terugtocht; die wil ik jou schenken". Met deze woorden overhandigde de dappere zoon van Atreus de dubbelorige beker: en de krachtige Megapenthes zette het glanzende mengvat van zilver voor hem neer; en Helena met mooie wangen kwam bij hem met het kleed in haar handen en ze sprak met duidelijke woorden: "Dit geef ook ik jou cadeau, m'n jongen, als souvenir van Helena's handen, voor de dag van je vurig verlangde bruiloft, voor je bruid om die te dragen; laat tot die tijd je moeder hem thuis bewaren; en moge jij me behouden bereiken je huis en je vaderland". Met deze woorden overhandigde ze het, hij nam het verheugd aan.
15; 131-153
De dappere Pisistratus nam het aan en plaatste het in een reismand en bekeek alles met bewondering. De blonde Menelaus bracht hen naar zijn huis en deed hen vervolgens plaatsnemen op leunstoelen en zetels, een dienares bracht waswater aan in een mooie schenkkan van goud en goot het uit over hun handen boven een zilveren bekken om zich te wassen; toen schoof ze een gladgeschaafde tafel aan. Een respectabele huismin bracht voedsel en zette het hen voor, veel spijzen erbij plaatsend, met plezier van de voorraad gevend. Daarbij sneed Boethous' zoon het vlees en deelde het in porties uit, en de zoon van de roemruchte Menelaus schonk wijn in; zij strekten gretig de hand uit naar de voor hen gereed liggende spijzen. Maar toen zij zich verzadigd hadden aan drank en aan spijzen, spanden Telemachus en de edele zoon van Nestor de paarden in en bestegen de bontgekleurde wagen. En zij dreven het span al de voorhof uit en de weergalmende galerij, toen Atreus' zoon, de blonde Menelaus, op hen af kwam, met in zijn rechterhand honingzoete wijn in een gouden bokaal, opdat zij vóór hun vertrek zouden plengen. Hij stelde zich op vóór de wagen, stak zijn hand op en sprak tot hen: "Vaarwel, knapen, en groet Nestor, de aanvoerder der krijgers, van mij: werkelijk was hij voor mij als een zorgzame vader, toen wij, zonen der Grieken, oorlog voerden voor Troje".
15; 154-181
Hem antwoordde daarop de verstandige Telemachus: "Zeker wel, doorluchtige koning, zullen we hem dit alles berichten bij aankomst. Ach, mocht ik toch zo ook, bij terugkeer op Ithaca Odysseus aantreffen in mijn woning, en dan in staat zijn hem te vertellen wat voor ontvangst ik allemaal van uw kant ondervond, en met hoeveel prachtige geschenken ik vertrok". Bij deze woorden vloog er van rechts voor hem een vogel een adelaar met een witte gans in zijn klauwen, een tamme uit de hof; en er achter renden, luid schreeuwend, mannen en vrouwen. Maar de arend vloog van rechts vlak voor de paarden langs; en zij werden verheugd bij het zien hiervan en bij allen sprong het hart op van vreugde. In hun midden sprak Nestors zoon Pisistratus als eerste: "Zeg eens, doorluchtige Menelaus, aanvoerder van krijgsvolk, toonde de godheid dit teken voor u of voor ons?" Dat zei hij; Menelaus, dierbaar aan Ares, overwoog hoe hij, na rijp beraad, passend antwoord zou geven. Maar vóór hem sprak Helena met zwierige peplos ten antwoord: "Luister eens hier: ik zal je een duiding geven, zoals de onsterfelijken mij ingeven en zoals ik meen dat het in vervulling zal gaan: zoals deze arend, gekomen vanuit het gebergte, waar hij opgroeide bij zijn ouders, deze gans, vetgemest in huis, roofde, zó zal Odysseus na veel ontberingen en vele omzwervingen terugkeren naar huis en zich wreken: of misschien ís hij al thuis en broedt hij op kwaad voor al die vrijers". Haar gaf de verstandige Telemachus het volgende antwoord: "Mocht Zeus toch, de wijddonderende echtgenoot van Hera, het zo regelen! Dan zal ik ook ginds als een godin u vereren".

Telemachus reist van Sparta naar Pylos

15; 182-201
Na deze woorden legde hij de zweep over de paarden: die galoppeerden vurig en snel door de stad en de vlakte en lieten die de hele dag door het juk dansen aan weerszijden. Toen de zon onderging en alle straten in duister gehuld werden, bereikten zij Pherae en het huis van Diocles, zoon van Orsilochus, de kleinzoon van Alpheus. Daar overnachtten zij en hij gaf hen zijn gastgeschenken. Maar toen de vroeggeboren, rozevingerige dageraad aanbrak, spanden zij de paarden weer in en klommen op de bontgeschilderde wagen, en zij menden die voorhof uit via de luid dreunende galerij. En hij zweepte de paarden op tot spoed, en die renden gewillig. Snel bereikten zij daarop de steile burcht van Pylos; Toen richtte zich Telemachus tot de zoon van Nestor: "Zoon van Nestor, zou je iets voor mij op je willen nemen en willen regelen? Wij kunnen toch wel stellen gastvrienden te zijn voor elkaar, al door de vriendschap van onze vaders en wij zijn ook nog leeftijdgenoten en deze tocht zal ons nog meer verknocht maken; laat me niet mijn schip voorbij rijden, vriend, maar zet me daar af, opdat niet jouw vader mij tegen mijn wens in zijn huis houdt in zijn verlangen mij te ontvangen: ik moet nu echt voortmaken".
15; 202-221
Dat zei hij en Nestors zoon overlegde in stilte hoe hij op een elegante manier zo'n belofte zou kunnen volbrengen. En als volgt scheen het hem toe het 't beste te zijn: de paarden de kant van het snelle schip en het zeestrand uit te sturen, en bij het schip laadde hij de prachtige geschenken uit, de kleding en het goud, dat Menelaus hem had geschonken. En hij zei tegen hem met een aansporing de duidelijke woorden: "Ga nu haastig aan boord en laat al je mannen dat ook doen, voordat ik thuis ben gekomen en mijn vader dit verteld heb; want dit weet ik maar al te goed, hoe koppig hij is en je niet zal laten vertrekken, nee, hij zal zelf hierheen komen en ik weet van te voren dat hij niet zonder jou terug zal keren: hij zal erg kwaad zijn". Na deze woorden dreef hij zijn paarden met mooie manen weer in de richting van Pylos' stad, en al gauw kwam hij thuis aan. Telemachus gaf zijn mannen bevelen: "Mannen, maak alle tuigage op het donkere schip in gereedheid en laten wij zelf aan boord gaan, dan kunnen we op weg". Dat waren zijn woorden, en zij gaven snel gehoor aan zijn bevelen en gingen snel aan boord en zetten zich aan de riemen.

Telemachus neemt Theoclymenus mee

15; 222-255
Terwijl hij nu hiermee bezig was en bad en offerde aan Athena op het achterdek van het schip kwam een man op hem af, een vreemdeling, op de vlucht vanuit Argos na iemand gedood te hebben, een ziener, een afstammeling van Melampus.Die woonde voorheen in Pylos, 'de moeder der schapen', een rijk man die in Pylos een zeer groot paleis bewoonde; maar later trok hij naar een andere streek, weg uit zijn vaderstreek en wijkend voor de trotse Neleus, een zeer fier heerschap, die hem met geweld een groot vermogen aftroggelde en dat een jaar lang behield. Intussen zat hij in het huis van Phylacus wreed gevangen, het was een pijnlijke gijzeling, wegens de dochter van Neleus en de zware verblinding die de dreigende wraakgodin hem ingaf. Want hij wist de dood te ontsnappen en dreef de luid loeiende koeien vanuit Phylace naar Pylos en nam gruwelijk wraak op koning Neleus want hij huwelijkte haar uit aan zijn broer. Maar zelf trok hij weg uit de streek naar het paardenrijke Argos. Daar was het hem beschoren als heerser over vele Argivers te heersen. Daar huwde hij en liet een hooggedakt huis bouwen, en kreeg twee krachtige zonen, Antiphates en Mantius. Antiphates verwekte de dappere Oïcles, en Oïcles weer de krijgshaftige Amphiaraus, de lieveling en begunstigde van de Aegisvoerende Zeus en Apollo in allerlei vormen van liefde: maar oud werd hij niet, neen in Thebe kwam hij om door geschenken aan een vrouw. Zijn zonen waren weer Alcmaeon en Amphilochus; zijn broer Mantius verwekte Polyphides en Cleitus: om zijn schoonheid roofde de Dageraad, op gouden troon gezeten, deze Cleitus om hem een leven te schenken bij de onsterfelijken. Maar Apollo maakte de edelmoedige Polypheides tot verre de beste ziener onder stervelingen, toen Amphiaraus stierf. Hij verhuisde naar Hyperesia uit woede jegens zijn vader en, daar wonend, praktiseerde hij zijn zienerkunst voor alle stervelingen.
15; 256-278
Van hem kwam de zoon eraan, Theoclymenus genaamd, hij kwam staan bij Telemachus; hij trof hem terwijl hij plengde en bad op het snelle, donkere schip, en hij zei tegen hem de duidelijke woorden: "M'n vriend, nu ik u tref bij het offeren in dit land smeek ik u bij deze offers en de godheid, maar voorts ook bij uw eigen leven en dat van de mannen die u vergezellen, beantwoord mijn vraag naar waarheid en verzwijg het niet: wie bent u en vanwaar? Waar ligt uw stad en wonen uw ouders". Hem antwoordde daarop de verstandige Telemachus: "Wel, vreemdeling, dat zal ik jou eerlijk vertellen: van Ithaca ben ik afkomstig, mijn vader is Odysseus, tenminste dat was hij; nu is hij gestorven in een smartelijk einde. Daarom kwam ik nu met mijn mannen op mijn donkere schip om te zoeken naar nieuws over vader die al zo lang weg is". Van zijn kant sprak daarop de godgelijke Theoclymenus: "Zoals u ben ook ik ver van mijn land, ik doodde een man van eigen stam; en veel broers en verwanten wonen in het paardenvoedende Argos met veel macht over de Grieken. Om de dood door hen en het zwarte noodlot te mijden ben ik op de vlucht, want nu ben ik gedoemd overal rond te zwerven. Maar geef me een plaats op uw schip, nu ik op mijn vlucht me tot u wend, opdat ze me niet kunnen doden, want ik weet dat ze op me jagen".
15; 279-300
Hem gaf de verstandige Telemachus ten antwoord: "Als je dat dan wilt: ik zal je niet van mijn evenwichtige schip weren, nee, ga maar mee. Ginds zul je onthaald worden, zoveel als we kunnen". Met deze woorden nam hij de bronsgepunte speer aan en legde die op het dek van het gebogen schip; ook zelf stapte hij aan boord van het zeedoorklievende schip en zette zich toen neer op de achterdek, en bij hem liet hij Theoclymenus plaatsnemen; en zij wierpen de achterkabels los. Telemachus spoorde zijn mannen aan en beval de tuigage in gereedheid te brengen en zij gaven snel gehoor. Zij tilden de dennenhouten mast op en zetten hem in de mastvoet en spanden hem vast met de stagen, en ze trokken de witte zeilen omhoog met goed gevlochten riemen. Hen zond de felogige Athena een gunstige wind toe, stevig waaiend onder heldere hemel, opdat het schip snel zou vorderen over het zilte water van de zee. Zij koersten langs Crounoe en Chalcis met zijn mooie stromen. En toen de zon onderging en alle straten in duisternis verdwenen, kwam het bij Phaea, voortgestuwd door de wind van Zeus en langs het stralende Elis, waar de Epeeers regeren. Van daar zette hij koers naar de puntige eilanden, zich afvragend of hij de dood zou ontkomen of gevangen zou worden.

Eumaeus over Odysseus' ouders

15; 301-324
Intussen zaten Odysseus en de trouwe zwijnenhoeder in de hut aan de maaltijd; en met hen zaten ook de andere mannen te eten. Toen zij nu verzadigd waren met drank en met voedsel, nam Odysseus het woord om van de zwijnhoeder te weten te komen of hij hem nog langer gastvrijheid zou gunnen en hem zou noden daar in de hut te blijven, of hem zou aansporen naar de stad toe te gaan: "Luister nu, Eumaeus, en ook alle anderen: morgenochtend wil ik weggaan naar de stad om te bedelen, want ik wil jou en je mannen niet kaalplukken. Maar geef mij advies en een betrouwbare gids om mij daarheen wegwijs te maken; in de stad zal noodzakelijkerwijs ik zelf wel mijn weg zoeken, in de hoop dat iemand mij een dronk en brood zal geven. Ook wil ik naar het paleis gaan van de goddelijke Odysseus om de wijze Penelope mijn boodschap over te brengen en mij mengen onder de arrogante vrijers om te zien of zij mij een maaltijd gunnen, zij hebben toch grote voorraad. Dan zal ik ook wel wat voor hen klussen, wat zij maar willen; want ik verzeker je, let op mijn woorden, door de wens van Hermes, de geleider, die toch aan het werk van alle mensen bekoring verleent en succes, zal geen andere sterveling mij in handigheid kunnen overtreffen, een houtvuur goed inrichten en het droge hout kloven, vlees snijden en braden en wijn uitschenken, van die werkjes die minderen doen voor de edelen".
15; 325-339
Maar in heilige verontwaardiging zei jij, zwijnhoeder Eumaeus: "Ach, beste vriend, hoe kwam je toch op deze gedachte? Verlang je er soms naar je in het verderf te storten, als jij je tenminste onder die bende vrijers wilt mengen, van wie de gewelddadige arrogantie ten hemel schreit! Niet zijn hun dienaren zoals jij en ik, maar jongelieden, goed in de kleren met mantels en tunieken, altijd gezalfd zijn hun hoofden en mooie gezichten; die bedienen hen aan gladgepolijste tafels, die zwaar zijn beladen met brood, vlees en wijn. Nee, blijf maar hier, je zit hier niemand in de weg, mij niet of een ander van mijn mannen. Wanneer de zoon van Odysseus teruggekomen zal zijn, dan zal die je een mantel en tuniek ter bekleding verschaffen, en je een geleide geven waarheen je maar wil".
15; 340-350
Hem gaf vervolgens ten antwoord de onversaagde Odysseus: "Wel, Eumaeus, moge je net zo geliefd zijn aan vader Zeus, als je dat bent aan mij, omdat je een einde maakt aan mijn zwerven en bittere ellende. Geen groter kwaad dan een zwerversleven is er voor de stervelingen, maar om die verwenste maag zitten mensen steeds in de zorgen wanneer zij op een smartelijk zwerversleven zijn aangewezen. Maar nu je me tegenhoudt en me raadt op Telemachus te wachten, kom, vertel me dan over de moeder van de goddelijke Odysseus en over zijn vader, die hij achterliet op de drempel der ouderdom: leven zij nog wel onder de stralen van de zon, of zijn ze al gestorven en in de woning van Hades".
15; 351-379
Tot hem sprak daarop de zwijnhoeder, de baas van de mannen: "Wel, dat zal ik, m'n vriend, je naar waarheid vertellen. Laertes is nog in leven, maar voortdurend bidt hij Zeus het leven uit zijn lichaam weg te nemen in zijn huis; want hij treurt bitter om zijn zoon, die maar wegblijft, en om zijn verstandige vrouw, die hem werd ontrukt: dat heeft hem vroeg oud gemaakt. Zij kwijnde weg door smart om haar roemruchte zoon, een jammerlijke dood, zoals ik niemand toewens die hier woont en mij dierbaar is en als vriend mij behandelt. Zolang zij nog leefde, al was het in treurnis, hield ik ervan haar op te zoeken en nieuws uit te wisselen, want zij bracht mij groot samen met de mooi geklede Ctimene, haar struise dochter, de jongste; gelijk met haar groeide ik op, en zij koesterde mij bijna even veel. Toen wij beiden de volwassen leeftijd bereikten, huwelijkten zij haar uit aan een Samier en kregen veel bruidsgeschenken, Mij stak zij in een mantel en tuniek ter bekleding, mooie kleren, en voor mijn voeten gaf zij sandalen, en zij gaf mij werk op het land en was nog meer op mij gesteld. Maar nu moet ik dat missen: gelukkig zegenen de gelukzalige goden het werk waarover ik ben aangesteld. Daarvan kon ik eten en drinken en schenken aan wie het verdienen. Maar van mijn meesteres kan ik niets vriendelijks meer verwachten noch een woord, noch een daad, want een ramp trof haar huis: arrogante kerels. Dienaren missen het erg in het bijzijn van hun meesteres te kunnen spreken en van alles te horen, te eten en drinken en dan ook nog wat mee te nemen naar hun boerderij, zaken die altijd het hart van de knechten verwarmen".
15; 380-388
Tot hem sprak de listige Odysseus ten antwoord: "Ach, zwijnhoeder Eumaeus, je was zeker nog maar klein, toen je verweest raakte van je vaderland en je ouders. Maar kom, vertel me dit nu ook eens precies: werd je stad met brede straten, waar je vader en achtenswaardige moeder woonden, door krijgers verwoest of kidnapten jou, alleen gelaten bij schapen of runderen, bandieten op schepen en verkochten je aan het huis van de bewoner hier, en gaf die een koopprijs naar waarde?"
15; 389-402
Tot hem sprak daarop de zwijnhoeder, baas over knechten: "M'n vriend, nu je dat zo vraagt en belangstelling toont, luister in stilte en naar hartelust, en drink rustig je wijn. Deze nachten zijn eindeloos: je kunt zowel gaan slapen, als ook luisteren als je dat graag doet; je hoeft heus niet vroeg naar bed: veel slaap is niks gedaan. Maar wie van de anderen daartoe lust voelt die moet maar weggaan naar bed, en bij het gloren van de dageraad na het ontbijt, de zwijnen van onze meester gaan hoeden. Laten wij beiden in de hut, onder genot van een drankje en wat eten ons laven aan de herinnering aan ons beider moeilijke zorgen. Achteraf immers schept iemand zelfs in leed nog behagen, die erg veel heeft doorstaan en veel heeft gezworven. Dát zal ik je zeker vertellen, waarover je belangstellend vraagt.

Eumaeus vertelt zijn geschiedenis

15; 403-414
Er is een eiland 'Syria' geheten - je hebt er misschien van gehoord - boven Ortygia, het keerpunt van de zon, niet buitengewoon dicht bevolkt, maar vruchtbaar, rijk aan runderen en schapen, aan wijn en tarwe. Hongersnood treft het volk nooit, noch woedt een andere smartelijke beproeving onder de stervelingen. Nee, als in die staat de geslachten der mensen oud worden komen Apollo en Artemis met hun zilveren boog naar hen toe en doden hen met hun zachtaardige pijlen. Daar liggen twee steden en alles is onder hun tweeen verdeeld; over die beide was mijn vader koning, Ctesius, zoon van Ormenus, gelijk aan de onsterfelijken.
15; 415-429
Daar kwamen ooit Phoenicische zeelieden heen, oplichters, met veel snuisterijen op hun donkere schip. Er leefde in het huis van mijn vader een Phoenicische vrouw, mooi en groot, bedreven in prachtige handwerken; haar brachten de sluwe Phoeniciers van de wijs: eentje flirtte met haar toen zij de was deed bij het holle schip, palmde haar in en besliep haar: niets verdwaast erger de geest van een vrouw, al is zij nog zo onbesproken. Toen vroeg hij wie zij wel was en waar ze vandaan kwam. Zij wees direct naar het hooggedakte huis van mijn vader: "Uit het bronsrijke Sidon beroem ik mij te zijn, en ik ben de dochter van de schatrijke Arybas, maar Taphische piraten roofden mij toen ik op weg was naar huis van mijn werk op het land en zij brachten me hier en verkochten mij aan de man die hier woont, die gaf een behoorlijke koopprijs".
15; 430-453
Tot haar sprak dan weer de man die haar heimelijk verleid had: "Zou je dan nu niet weer meegaan met ons naar jouw thuis, om het hooggedakt huis weer te zien van je vader en moeder, en ook henzelf? Want zij leven nog en staan als vermogend bekend". En op hem reageerde de vrouw met het volgende antwoord: "Ja, mocht dat maar gebeuren, als jullie, schippers, mij zouden willen bezweren mij ongedeerd naar mijn huis te zullen brengen". Dat zei zij, en zij legden allen de eed af waar ze op aandrong. Maar toen zij de eed dan voltooid hadden sprak de vrouw van haar kant tot hen de woorden: "Zwijg nu verder, laat niemand van jullie, mannen, mij aanspreken als hij mij bij toeval op straat ontmoet of bij de bron. Want niemand mag naar het huis gaan om het de grijsaard te vertellen, want die zal, als hij iets vermoedt, mij in knellende boeien slaan en voor jullie zint hij dan op de dood. Houd dus onze afspraak in ere en maak haast met de koop van je waren. Wanneer dan het schip volgestouwd is met lading, laat dan dadelijk een boodschap naar het huis komen: ik zal dan goud aandragen, zoveel me voor handen komt en ook nog zal ik verder mijn reisgeld vrijwillig betalen. Want ik breng het zoontje van mijn meester in het paleis groot, een schrander baasje, dat in mijn gezelschap naar buiten gaat; hem zal ik meenemen op het schip en hij zal jullie een goudmijntje zijn, waar jullie hem maar bij vreemden zullen verkopen".
15; 454-470
Na deze woorden liep zij weg naar het mooie huis, de Phoeniciers bleven bij ons daar een heel jaar nog over en kochten veel in aan bezit op het gewelfde schip. Maar toen het ruime schip hen vol genoeg was om terug te gaan, zonden zij, volgens afspraak, een bode uit om het te melden aan die vrouw. Een sluwe vent kwam naar het huis van mijn vader met een halsketting van goud, waaraan barnsteen was geregen. Die bekeek in de zaal de slavinnen en mijn dierbare moeder, en zij gaven hem door aan elkaar en keken hun ogen uit, en zegden een koopprijs toe. Hij gaf haar stil een wenk. Toen hij haar toegeknikt had, ging hij terug naar het schip, en zij nam mij bij de hand en voerde me mee het paleis uit. In het voorhof trof ze bekers aan op de tafels van gasten die bij hun bezoek aan mijn vader onthaald werden. Die waren nu weggegaan voor een zitting op de verzamelplaats van het volk en zij verborg snel drie bekers onder haar plooien en nam ze mee; ik ging met haar mee zonder iets te vermoeden.
15; 471-492
Toen de zon onderging en alle straten in duister gehuld werden, kwamen wij, stevig doorstappend, bij de grote haven, waar het snelvarende schip van de Phoeniciers lag. Die gingen direct aan boord en bevoeren de stromende paden, nadat zij ons beiden ingescheept hadden; Zeus zond een gunstige wind. Zes etmalen voeren wij dag en nacht door, maar toen Cronus' zoon Zeus de zevende dag aan liet breken, werd die vrouw getroffen door de pijlenomklemmende Artemis en zij stortte neer in het kielwater, gelijkend een meeuw. Haar wierpen zij overboord, een prooi voor robben en vissen, maar ik bleef daar achter, bedroefd in mijn hart. De wind en de stromen dreven hen af op Ithaca, daar kocht Laertes mij toen voor zijn bezittingen. Zo leerde ik dit land te zien met mijn ogen". Hem antwoordde de van goden stammende Odysseus als volgt: "Eumaeus, heus, je hebt mijn hart diep geroerd door dit alles te vertellen, wat je meemaakte. Maar toch heeft Zeus je ook iets moois gegeven naast al die ellende: je kwam na je ongeluk terecht in het huis van een toegewijde man, die je ruimschoots te eten en drinken geeft; je hebt een goed leven. Ik daarentegen moet al zwervend gaan van de ene stad naar de ander".

Telemachus arriveert

15; 493-507
Zo bespraken zij dat met elkaar en legden zich voor slechts een korte slaap te ruste, want al spoedig brak de Dageraad aan, op gouden troon gezeten. Telemachus' mannen streken bij de kust de zeilen en lieten de mast neer, snel, en zij roeiden het schip met de riemen naar zijn ligplaats. Zij wierpen de ankerstenen uit en legden de achterstevenkabels vast. Zelf stapten zij van boord in de branding van de zee, maakten een maaltijd klaar en mengden fonkelende wijn. Toen zij nu naar hartelust gedronken en gegeten hadden, sprak de verstandige Telemachus tot hen: "Brengen jullie nu het donkere schip naar de stad, ik ga dan naar de akkers en de herders; vanavond kom ik, na een inspectie van mijn landerijen, ook naar de stad. Morgenochtend zal ik jullie je gage betalen, een goede maaltijd van vlees en zoete wijn".
15; 508-528
Tot hem, nu, sprak de edele Theoclymenus: "Waar moet ik heen, mijn beste jongen? Naar het huis van welke man, die hier op het rotsachtige Ithaca een landgoed beheert? Moet ik soms rechtstreeks gaan naar het huis van je moeder en jou?". Tot hem sprak de verstandige Telemachus ten antwoord: "Anders zou ik je aanbevelen naar ons huis te gaan, want aan gastvrijheid mankeert het daar niet; maar voor jou zelf pakt dat niet goed uit, immers ik ben er al niet en mijn moeder zal je ook niet zien, want zij vertoont zich slechts zelden tussen de vrijers in haar huis, nee, afgezonderd werkt ze boven aan een weefsel. Maar ik geef je de naam van een ander man naar wie je kunt gaan: Eurymachus, de fiere zoon van de schrandere Polybus, tegen hem zien de Ithaciers op als tegen een god: hij is namelijk verreweg de voornaamste en is er het meest op gebrand met mijn moeder te huwen en Odysseus' positie te verwerven. Maar de Olympier Zeus, met zijn woonstee in de hemel, weet alleen of, vóór een huwelijk, een noodlottige dag op hen wacht". Na deze woorden vloog voor hem van rechts een vogel aan, een havik, de snelle bode van Apollo; in zijn klauwen hield hij een duif vast die hij plukte, en hij strooide de veren op de grond tussen het schip en Telemachus zelf in.
15; 429-556
Theoclymenus nam hem terzijde, weg van de mannen en drukte hem de hand en sprak met nadruk: "Telemachus, niet zonder ingrijpen van een god vloog die vogel gunstig voor jou, ik herkende daarin een voorteken te zien. Geen geslacht is koninklijker dan dat van jullie in het land van Ithaca, nee jullie zijn voor altijd het machtigst". Hem sprak de verstandige Telemachus ten antwoord: "Ach, vriend, mag dit woord in vervulling gaan! Dan zul je zeker van mij gastvrijheid ondervinden en vele geschenken, zodat ieder die je ontmoet je gelukkig prijst". Na deze woorden zei hij tegen Peiraeus, zijn vertrouweling: "Peiraeus, zoon van Clytius, jij was toch altijd het meest mij ter wille van de mannen die naar Pylos met mij meegingen; neem nu dan ook voor mij deze vreemdeling op in je woning en onthaal hem met veel respect, totdat ik terugkom". Hem antwoordde daarop Peiraeus, beroemd om zijn lans: "Telemachus, ook al blijf je lang weg, ik blijf op mijn post en zal voor hem zorgen, aan niets zal het hem ontbreken". Met deze woorden stapte hij aan boord en riep zijn mannen op ook in te stappen en de achterkabels te lossen. Zij gingen rap aan boord en zetten zich aan de dollen; Telemachus echter bond zich de mooie sandalen aan de voeten en nam zijn stevige lans, gepunt met scherp brons, van het scheepsdek. Zij gooiden de trossen los. En terwijl zij afstootten en naar de stad voeren, volgens de opdracht van Telemachus, de zoon van hun dierbare Odysseus, brachten zijn voeten hem, snel voortstappend, verder tot waar hij kwam bij de hof waar zijn enorme hoeveelheid zwijnen leefde, waarbij de zwijnhoeder placht te slapen, toegewijd aan zijn meesters.

16. Odysseus en Telemachus

Eumaeus verwelkomt Telemachus

16; 1-28
Al vroeg waren Odysseus en zijn trouwe zwijnhoeder in diens hut doende het ontbijt klaar te maken, zij hadden vuur aangemaakt en de herders de deur uitgeholpen met de zwijnen om te gaan grazen, toen de waakse honden kwispelend om Telemachus kwamen staan zonder hem toe te blaffen bij zijn komst. Odysseus merkte dat de honden stonden te kwispelen, bovendien naderde het geluid van voetstappen. Daarop zei hij tegen Eumaeus duidelijk de woorden: "Eumaeus, daar komt vast iemand aan, een knecht of een andere bekende, want de honden blaffen niet maar laten het bij kwispelen, en ik hoor het geluid van voetstappen". Nog was hij niet uitgesproken, toen zijn zoon al stond in de voorhof. Verbaasd rees de zwijnhoeder op en het vaatwerk waarmee hij bezig was de fonkelende wijn te mengen, glipte uit zijn handen. Hij kwam zijn meester tegemoet en kuste zijn hoofd en beide glanzende ogen en allebei zijn handen; en vurige tranen ontglipten hem. Zoals een vader zijn dierbare zoon innig begroet wanneer die na tien jaar terugkeert uit een ver land, zijn enige zoon en toeverlaat, om wie hij zich veel zorgen getroost heeft, zó kuste toen de trouwe zwijnhoeder de godgelijkende Telemachus overal bovenmate, alsof hij de dood was ontsnapt; En ontroerd sprak hij tot hem, en zijn woorden kregen vleugels: "Je bent teruggekomen! Telemachus, licht van mijn ogen. Ik dacht, dat ik je nooit meer zou zien, toen je scheep ging naar Pylus. Vooruit, kom nu binnen, mijn jongen, opdat ik mijn ogen tegoed doe met naar je te kijken nu je net van elders weer thuis bent. Niet dikwijls kom je immers naar je grondbezit en de herders maar je blijft in de stad, alsof je er plezier in hebt die afzichtelijke troep vrijers voor je te zien".
16; 29-54
Hem antwoordde daarop de fatsoenlijke Telemachus: "Graag schuif ik aan, vadertje: om jou kom ik hierheen, om je onder vier ogen te spreken en van jou te horen, of mijn moeder nog in onze woning verblijft, of dat al een andere man haar huwde en het bed van Odysseus zonder slapers leeg staat, met vieze spinwebben bedekt. Tot hem sprak daarop de zwijnhoeder, leider van mannen: "Wel zeker verblijft zij nog steeds in jullie woning, geduldig; maar in smart verstrijken nog steeds haar nachten en dagen, terwijl ze haar tranen vergiet". Met deze woorden nam hij de bronzen speer van hem aan. Hij ging naar binnen en stapte over de drempel van steen, Bij zijn binnenkomst stond vader Odysseus voor hem op van zijn zitplaats, maar Telemachus hield hem tegen en sprak: "Blijf zitten, vriend, wij vinden ook wel elders een zitplaats in onze hut: hier is de man die er voor zal zorgen". Dat zei hij, en dus ging Odysseus weer zitten. De zwijnhoeder spreidde een laag groene twijgen uit en een schapenvacht daaroverheen, daarop nam de geliefde zoon van Odysseus toen plaats. En de zwijnhoeder zette schotels met braadvlees voor hen neer dat zij de vorige dag hadden overgelaten, en hij haastte zich brood neer te zetten in mandjes, en honingzoete wijn te mengen in een nap. Zelf nam hij plaats tegenover de goddelijke Odysseus, en zij strekten verlangend hun handen uit naar de spijzen vóór hen.
16; 55-67
Toen zij nu zich tegoed gedaan hadden aan drank en aan voedsel, sprak Telemachus tot de stralende zwijnhoeder: "Vadertje, waar komt deze vreemdeling toch vandaan? Hoe brachten schippers hem naar Ithaca: wat waren dat voor landslui? Want ik denk toch niet dat hij te voet hierheen is gekomen". Hem ten antwoord sprak hij, zwijnhoeder Eumaeus: "Dat zal ik je, m'n jongen, allemaal naar waarheid vertellen. Van het weidse Kreta beroemt hij zich afkomstig te zijn, en hij zegt al zwervend veel steden van mensen aangedaan te hebben, want zo spinde de godheid hem dat toe. Nu is hij ontsnapt van een schip van Thesproten en zo terechtgekomen bij mijn hut, en ik draag hem over aan jou; doe zoals je wilt: hij noemt zich een smekeling".

Telemachus stuurt Eumaeus naar Penelope

16; 68-89
Hem antwoordde weer de verstandige Telemachus: "Eumaeus, daar maakte jij toch een pijnlijke opmerking; hoe zal ik immers deze vreemdeling in mijn huis kunnen ontvangen? Zelf ben ik nog jong en kan nog niet vertrouwen op de kracht van mijn handen om een tegenstander af te weren als die het op mij begrepen heeft. En mijn moeder hinkt op twee gedachten in haar twijfel: of ze hier zal blijven bij mij en de huishouding zal leiden, uit respect voor het bed van haar man en haar faam bij het volk of dat ze de voornaamste Griek maar zal accepteren, die dingt naar haar hand in het paleis en het meest heeft te bieden. Maar wel zal ik deze vreemdeling, nu hij je woning bereikt heeft, een mantel en lijfrok aanbieden, mooie kleren, en hem een tweesnijdend zwaard geven en sandalen voor zijn voeten en hem geleiden naar waar hij maar wil. Maar als je dat wilt, neem hem dan op in je hut en zorg voor hem; dan stuur ik de kleren hierheen en allerlei voedsel om te eten, opdat dat hij niet drukt op jou en je mannen. Maar naar ginds, naar de vrijers, zou ik hem niet willen laten gaan; zij zijn veel te arrogant en agressief: zij gaan hem vast sarren en dat zal ik erg betreuren. Zij zijn geen partij voor 'n eenling, al is hij nog zo sterk, bij zo'n overmacht, zij zijn immers veel sterker in aantal".
16; 90-111
Toen sprak dan tot hem de onversaagde held Odysseus: "Mijn beste, het is toch wel geoorloofd ook iets in het midden te brengen, werkelijk mijn hart breekt, nu ik hoor wat een vandalisme die vrijers je aanrichten in het paleis, tegen de wens van u, een man van groot aanzien. Zeg me of u zich gewillig in de hoek laat drukken of bent u in diskrediet bij het volk hier in de stad, in opdracht van een godsstem; of hebt u geen steun van uw broers, op wie iemand toch aan kan in de strijd, ook al hebben zij nog zoveel wrijving. Ach, had ik naast mijn moed ook nog maar net zo veel jeugd, of was ik maar zoon van de fiere Odysseus of liever nog hijzelf: (terug van zijn zwerftocht, waarop nog altijd hoop is) dan zou prompt ieder, vanwaar ook, het hoofd van mijn romp mogen slaan, als ik niet het paleis van Laertes' zoon Odysseus binnen zou gaan om die kerels eens allemaal hard aan te pakken.Zelfs als zij mij dan in mijn eentje door hun overmacht zouden bedwingen, dan zou ik nog liever de dood vinden in mijn eigen paleis dan steeds maar deze schanddaden te moeten aanschouwen, mishandelen van gasten en afzichtelijk aanranden van dienaressen in het mooie paleis, wijn wegslempen en voedsel opvreten zomaar straffeloos, zonder einde, een wandaad zonder einde".
16; 112-134
Tot hem nu sprak de verstandige Telemachus ten antwoord: "Daarover zal ik, vriend, jou naar waarheid informeren. Geenszins lig ik bij heel het volk uit de gratie en ook heb ik niets op broers aan te merken, op wie toch een man kan vertrouwen in de strijd, al bestaat er nog zoveel wrijving. Want Cronus' zoon geeft ons geslacht maar één nazaat: Acrisius kreeg alleen maar Laertes als zoon, en die had als vader alleen maar Odysseus: die had mij weer als enige zoon in zijn woning bij zijn vertrek, hij had er weinig vreugde van. Daardoor zijn er nu zoveel criminelen in huis. Alle vooraanstaanden met macht op de eilanden, op Dulichion, Same en het bosrijke Zacynthos, en wie er maar iets te zeggen hebben op het rotsachtige Ithaca, die dingen allemaal naar de hand van mijn moeder en jagen ons bezit erdoor. Zij wijst een gehaat huwelijk niet af en is ook niet in staat hier een eind aan te maken; maar die lui verschransen heel mijn vermogen, direct zullen ze ook nog in mij hun tanden zetten. Maar, werkelijk, dit ligt in de schoot van de goden; ga jij nu, vadertje Eumaeus, snel aan de verstandige Penelope vertellen dat ik heelhuids uit Pylus terug ben gekomen. Ik blijf dan hier tot jij terugkomt na je boodschap, voor alleen háár oren bestemd; van de andere Grieken mag niemand ervan horen, want er zijn er velen die het op mij gemunt hebben".
16; 135-145
Hem gaf hij ten antwoord, zwijnhoeder Eumaeus: "Ik begrijp het en ben erop gespitst: dat was al mijn plan wat jij nu vraagt. Maar kom, zeg me dit en vertel het precies, of ik onderweg ook bij Laertes zal langsgaan, de stakker, die, ondanks zijn treurnis om Odysseus, toch steeds zijn landgoed wist te controleren en tussen de dienaars in huis dronk en at, wanneer hij dat op kon brengen. Maar nu, sinds jij wegvoer naar Pylus, zegt men dat hij gewoonweg niet meer eet en drinkt, en ook niet meer omkijkt naar het land, maar slechts treurend in jammer en klagen terneer zit: zijn huid verschrompelt aan zijn botten".
16; 146-153
Hem sprak weer de verstandige Telemachus ten antwoord: "Erg, inderdaad, maar toch moeten we hem even laten, al is het met pijn; Ach, mocht toch alles voor de stervelingen naar keus gaan, dan zou ik wel eerst kiezen voor de terugkeer van mijn vader. Maar breng jij nu het nieuws en kom dan terug en dwaal verder niet rond op zoek naar hem; nee zeg tegen moeder zo gauw mogelijk een trouwe dienares naar hem toe te sturen, in het geheim: die kan dan de grijsaard inlichten".

Transformatie van Odysseus en herkenning

16; 154-176
Na deze woorden zond hij de zwijnhoeder op weg; die nam zijn sandalen op, bond ze onder zijn voeten en ging naar de stad. Athena nu ontging het niet dat de zwijnhoeder Eumaeus zijn hut had verlaten: zij kwam dichterbij in de gestalte van een vrouw, mooi en groot, bedreven in schitterend handwerk en bleef staan vóór de deur en was alleen voor Odysseus zichtbaar, maar Telemachus zag haar niet en merkte er niets van, want niet verschijnen de goden herkenbaar aan allen, maar Odysseus zag haar en ook de honden, en die blaften niet maar met een angstig gejank renden die over het erf weg. Zij nu gaf met haar wenkbrauwen een knikje en de goddelijke Odysseus begreep dat en hij ging de hut uit naar de grote muur om de hof en bleef bij haar staan; tot hem sprak Athena: "Godgeboren zoon van Laertes, listenrijke Odysseus: spreek nu maar openlijk tot je zoon zonder iets te verbergen, dan kunnen jullie gezamenlijk naar de vermaarde stad gaan en dood en verderf voor de vrijers bereiden: ik zelf zal niet lang bij jullie achterblijven, strijdlustig als ik ben". Dat zei Athena en zij raakte hem aan met haar gouden staf; zo legde zij hem eerstens een schone mantel en lijfrok om zijn tors en zij schonk hem een jeugdige gestalte. En hij herkreeg zijn donkere huidskleur en zijn rimpels verdwenen, en een donkere baard omgaf zijn kin.
16; 177-185
Na zo gehandeld te hebben verdween zij weer, maar Odysseus ging de hut weer binnen: zijn zoon sloeg hem gade met verbazing, maar hij wendde zich af, bevreesd dat hij een god was, en sprak tot hem de duidelijke woorden: "Heel anders, vriend, dan tevoren kom je mij voor, je hebt andere kleren en je huidkleur is ook niet gelijk. Ben je soms een van de goden, die de wijde hemel bewonen? Wel, wees ons dan genadig, dan zullen we de offers brengen die u wenst en gouden geschenken, kunstig vervaardigd, maar spaar ons!"
16; 186-191
Hem antwoordde vervolgens de onversaagde Odysseus: "Helemaal niet ben ik een god, wat stel je me gelijk aan de onsterfelijken? Nee, ik ben je vader, om wie jij zoveel verdriet lijdt en veel smart hebt te verduren, als slachtoffer van gewelddaden". Met deze woorden omhelsde hij zijn zoon en van zijn wangen dropen zijn tranen op de grond, eerst had hij die steeds in moeten houden.
16; 192-200
Maar Telemachus durfde nog niet te geloven dat hij zijn vader was en sprak tot hem weer ten antwoord: "Nee toch, jij bent mijn vader Odysseus niet, nee een godheid probeert mij te betoveren, opdat ik nog meer smart krijg te verstouwen. Geen sterveling zou dit immers klaar kunnen spelen door eigen bedenksel, tenzij een god hem zelf te hulp schiet om hem zo maar eventjes naar wens jong of oud te maken. Heus, zo-even was u oud en in lompen gehuld; maar nu lijkt u op de goden die de wijde hemel bewonen".
16; 201-212
Ten antwoord sprak de listenrijke Odysseus tot hem: "Telemachus, je hoeft echt niet zo vreselijk verbaasd en ontsteld te zijn dat je vader hier werkelijk staat. Er zal hier heus geen tweede Odysseus opduiken, nee, ik ben het werkelijk, na veel meegemaakt te hebben, na veel omzwervingen terug in mijn vaderland na twintig jaar. Maar dit hier is het werk van de krijgshaftige Athena die mij zo omvormt als zij dat wenst, want dat kan ze: nu eens gelijk aan een bedelaar, dan weer aan een jonge man met mooie kleren aan zijn lijf. Want dat is gemakkelijk voor de goden, die de wijde hemel bewonen, een sterveling stralend te maken maar ook afzichtelijk".
16; 213-231
Na deze woorden ging hij zitten, maar Telemachus klemde zich vast aan zijn nobele vader, tranen vergietend, beiden bekroop het verlangen naar jammeren, en zij huilden voluit, heftiger dan roofvogels, arenden of kromklauwige gieren, bij wie de boeren hun jongen wegnamen voordat die konden vliegen; zó hartverscheurend vergoten zij tranen van onder hun wenkbrauwen. En nu zouden zij tot zonsondergang met jammeren zijn doorgegaan, als Telemachus niet plotseling tot zijn vader gezegd had: "Met wat voor schip, vader van me, brachten zeelui jou hierheen, naar Ithaca? Wie zeggen zij dat ze zijn? Want ik denk toch wel niet dat je te voet hierheen bent gekomen". Tot hem sprak daarop de onversaagde Odysseus: "Dat zal ik je, mijn zoon, naar waarheid vertellen. Mij brachten de Phaeaken, beroemd om hun scheepvaart, die ook andere mensen, wie hen maar bereiken, geleiden. Terwijl ik sliep voerden zij mij op een snel schip over zee en legden mij neer op Ithaca, en zij gaven mij schitterende geschenken, brons en goud en mooi geweven kleding.

Plannen tegen de vrijers

16; 232-239
Die zaken liggen in een grot volgens de wens van de goden, en nu ben ik hierheen gekomen op advies van Athena opdat wij ons beraden op de dood van onze vijanden. Kom, vertel me eens één voor één wie die vrijers zijn, opdat ik weet om hoeveel man het hier gaat en wat voor soort, en ik bij mezelf kan overleggen of we alleen met ons beiden hen zullen kunnen trotseren ofwel dat wij ook anderen erbij moeten zoeken".
16; 240-257
Hem sprak de verstandige Telemachus weer ten antwoord: "Vaderlief, heus ik hoorde altijd al van jouw grote faam, dat je een geduchte lansslingeraar bent en een schrandere adviseur, maar nu heb je het over iets al te formidabels: ik sta perplex! Onmogelijk zouden slechts twee man partij zijn voor zo veel sterken. Vrijers, daarbij gaat het niet om een tien of een twintigtal, maar veel meer: ik zal ze eens opsommen, dan weet je beter! Alleen van Dulichium al tweeenvijftig uitgelezen mannen, ze hebben nog zes dienaren bij zich; van Same zijn hier vierentwintig lieden en van Zacynthus nog eens twintig jonge Achaïers. Van Ithaca zelf zijn er samen twaalf van de besten, daarbij komt dan nog dienaar Medon en de goddelijke zanger en een tweetal meelopers, bedreven vleessnijders. Als wij die allemaal het hoofd moeten bieden in het paleis, ben ik bang dat je een bittere prijs moet betalen als je hun geweld af gaat straffen. Nee, bedenk liever, als je een bondgenoot kunt bedenken, wie toch ons beiden welgezind terzijde kan staan".
16; 258-269
Daarop sprak de onversaagde Odysseus tot hem weer: "Dat zal ik je dan eens vertellen, let dus op en luister naar mij en zeg of Athena samen met vader Zeus voldoende zal zijn, of dat ik een andere helper bedenken moet". Toen zei de verstandige Telemachus hem ten antwoord: "Dat zijn werkelijk twee kostbare helpers, die je daar noemt, hoog op de wolken gezeten; beiden heersen zij over ook de andere mensen en de onsterfelijke goden". Tot hem sprak dan weer de onversaagde, stralende Odysseus: "Die twee zullen werkelijk niet lang afstand bewaren tot een gewelddadig gevecht, wanneer tussen die vrijers en ons in mijn woning strijd de beslissing zal brengen.
16; 270-298
Maar ga jij nu bij het verschijnen van de dageraad naar huis en meng je daar onder de vermetele vrijers. Mij zal later de zwijnhoeder naar de stad brengen, met het uiterlijk van een schamele, oude bedelaar. En als ze mij in huis niet zullen respecteren, dan moet je dat maar slikken ook al krijg ik het zwaar te verduren, zelfs als ze me bij mijn voeten meeslepen naar buiten of me bekogelen: als je dat aan moet zien, verdraag het! Spoor hen liever aan om hun dwaze acties te stoppen door hen slijmend toe te spreken; maar zij zullen toch wel niet luisteren; tja, hun dag van de ondergang klopt aan de deur! Maar nog iets anders: knoop dat goed in je oren: wanneer Athena, rijk aan adviezen, dat mij ingeeft zal ik je met mijn hoofd toeknikken, en als je dat ziet neem dan al het wapentuig in het paleis weg en berg het op achter in een bovenvertrek echt alles. Maar smeer de vrijers maar stroop om de mond, als ze je ondervragen, omdat zij ze missen: "Ik haalde ze weg uit de rook want het zag ernaar uit dat ze niet meer zo waren als Odysseus ze achterliet bij zijn vertrek naar Troje, nee, ze vervuilden door al die rook van het vuur aangetast. Bovendien gaf me Cronus' zoon nog een belangrijker reden in, dat jullie niet, als jullie in dronkenschap ruzie krijgen, elkaar zoudt verwonden en de maaltijd besmeuren en jullie status; want ijzer op zich al trekt een man aan'. Maar alleen voor ons beiden moet je twee zwaarden en lansen achterlaten en twee leren schilden voor het grijpen, zodat we die snel kunnen pakken: hen zal dan Pallas Athena en de listenrijke Zeus in slaap sussen.
16; 299-320
Maar nog iets anders wil ik je zeggen: houd dat goed in gedachten: als je werkelijk mijn zoon bent en geboren uit ons bloed, laat niemand horen dat Odysseus weer terug is, zelfs Laertes mag het niet weten noch ook de zwijnhoeder ook niemand van de dienaars en Penelope zelf, nee, laten wij eerst de gezindheid der vrouwen onderzoeken en van menigeen van de slaven eerst nog peilen in hoeverre hij ons respecteert en ontzag voor ons koestert of dat hij niets om ons geeft en jou, zoals je nu bent, veracht". Tot hem sprak ten antwoord zijn stralende zoon: "Vader, mijn aard zul je, denk ik, ook later leren kennen, want ik ben echt geen lulletje lamstraal! Maar ik denk dat dit plan geen voordeel zal bieden voor elk van ons beiden: ik vraag je je nog eens te bezinnen. Want het zal lang duren voor je iedereen kunt testen de akkers aflopend. En die lui in het paleis verbrassen rustig de boel daar zonder enige terughoudendheid. Wel raad ik u aan van de vrouwen erachter te komen, welke jou te schande maken en welke onschuldig zijn; maar naar de mannen op de boerderijen zou ik liever niet nu een onderzoek doen, maar ons daar later mee bezig houden, als je tenminste werkelijk een teken van de Aegisvoerende Zeus hebt.

Eumaeus en een matroos lichten Penelope in

16; 321-341
Zo waren zij in gesprek over dit soort zaken, maar intussen voer op Ithaca aan het goed vervaardigde schip dat Telemachus vervoerd had uit Pylus met al zijn mensen. Die nu trokken bij aankomst in de havenkom het donkere schip aan land en dienaren brachten welgezind hun spullen aan land en zij droegen de prachtige geschenken naar het huis van Clytius. Een bode stuurden zij naar het huis van Odysseus om aan de wijze Penelope de boodschap over te brengen dat Telemachus nog buiten de stad was, maar opdracht gegeven had het schip naar de stad te varen, opdat niet de sterke vorstin ongerust zou zijn en zou treuren. Zo troffen dan die bode en de stralende zwijnhoeder elkaar met dezelfde boodschap, allebei bestemd voor die vrouw. Toen zij nu het paleis van de goddelijke koning bereikten sprak de bode openlijk tussen haar dienaressen: "Uw zoon is al weer terug, vorstin". Maar de zwijnhoeder nam haar apart en vertelde aan Penelope al wat haar zoon hem had opgedragen te vertellen. Nadat hij haar zijn boodschap van a tot z had overgebracht verliet hij het huis en de ommuring en ging op weg naar zijn varkens.

Teleurstelling bij de vrijers

16; 342-360
Maar de vrijers werden droevig gestemd en verslagen en gingen vanuit de zaal naar buiten naar de grote muur om de hof en daar gingen zij zitten vóór de toegangsdeur. In hun midden begon Polybus' zoon Eurymachus als volgt te spreken: "Mannen, dit is een stout stukje dat Telemachus geklaard heeft, deze tocht: wij dachten dat hij die niet zou volbrengen. Maar kom, laten we het beste donkere schip in zee trekken en er roeiers voor zoeken om die zo snel mogelijk aan de anderen te laten berichten snel terug te keren naar huis". Hij was nog niet uitgesproken, toen Amphinomus het schip al zag, nadat hij zijn ogen had weggedraaid van het land, het lag in de kom van de haven en de schippers hadden gestreken en zaten met de riemen in de handen. En hij proestte het uit en zei tegen zijn mannen: "Nou, een boodschap sturen is niet meer nodig: hier zijn ze al binnengaats! Hetzij een van de goden het verklapte, hetzij zij het schip zelf voorbij zagen komen, maar het niet in konden halen". Dat waren zijn woorden, zij stonden op en gingen naar het zeestrand en snel trokken zij het donkere schip op het land en nijvere dienaars brachten hun spullen van boord.
16; 361-392
En zij nu gingen gezamenlijk in vergadering en lieten niemand anders daarbij toe van jongeren of van grijsaards. En onder hen nam Antinous het woord, de zoon van Eupeites: "Treurig is het dat de goden deze man van ellende hebben gevrijwaard. Dag aan dag zaten onze verspieders op de winderige kapen, steeds elkaar aflossend; en bij zonsondergang gingen we nooit slapen aan land maar kruisten op zee rond op ons snelle schip totdat de dag weer aanbrak, loerend op Telemachus om hem te grijpen en om zeep te brengen, maar een godheid leidde hem intussen terug naar huis. Maar laten wij nu hier een afrekening met Telemachus beramen, hij mag ons niet ontsnappen, want ik geloof niet dat zolang hij in leven is ons werk hier voltooid wordt. Zelf is hij immers gewiekst en behendig en het volk is al niet meer van harte op onze hand. Kom, aan de slag nu, voordat hij de Grieken ter vergadering oproept - want ik denk dat hij niets na zal laten, nee hij zal los gaan barsten en opstaan temidden van allen om te vertellen dat wij uit zijn op het steile verderf voor hem maar hem niet te pakken kregen. Als ze dit horen zullen ze wandaden niet lijdzaam aanzien. Laten ze niets kwalijks tegen ons beginnen: ons verdrijven uit ons land, verbannen naar de vreemde. Nee, laten we hem vóór zijn en te grazen nemen op het land ver weg van de stad of onderweg: dan kunnen wijzelf zijn bezit inpikken, eerlijk verdelen onder elkaar en het huis schenken aan zijn moeder en hem die haar huwt. Maar als dit voorstel jullie niet aanstaat maar jullie liever hem en zijn erfdeel intact wilt houden, laten wij dan niet voortgaan zijn kostbaar bezit hier met zijn allen soldaat te maken, maar laat dan ieder vanuit zíjn paleis met bruidschatten haar proberen te winnen. Zij moet dan trouwen met hem die het meeste geeft en door het lot uitverkoren wordt".
16; 393-408
Zo sprak hij, maar zij allen verstomden en het bleef stil totdat Amphinomus opstond en het woord nam in hun midden, de beroemde zoon van Nisus met als vorstelijke grootvader Aretias. Hij was van het graanrijke Dulichium, ook rijk aan grasland, en was een aanvoerder voor de vrijers en had met zijn woorden een streepje vóór bij Penelope, want hij had bruikbare gedachten. Die had het beste met hen voor en nam nu het woord in de samenkomst: "Mannen, ik voor mij zou ervóór zijn om Telemachus niet te doden: het is toch iets afschuwelijks een prins te doden. Nee, laten wij eerst de goden om advies vragen; en als de beschikkingen van grote Zeus daarmee instemmen ben ikzelf bereid hem te doden alsook alle anderen dat te vragen; maar als de goden het afwijzen, dan vraag ik er vanaf te zien". Zo sprak Amphinomus, en bij hen viel dit advies goed. Zij stonden dus op en gingen naar het paleis van Odysseus, en daar aangekomen zetten zij zich op de gepolijste zetels.

Penelope richt zich tot de vrijers

16; 409-433
De verstandige Penelope bedacht toen dit: zich te vertonen aan de vrijers met hun arrogante overmoed, want zij had in haar kamer gehoord van de aanslag op haar zoon: de dienaar Medon, die de plannen gehoord had, had haar ingelicht. Zij ging dus naar de zaal met haar dienaressen. Toen de stralende vrouw bij de vrijers gekomen was, bleef zij staan bij een pilaar van het stevig gemaakte huis, over haar wangen legde zij haar schitterende sluier en maakte Antinous verwijten in duidelijke woorden: "Antinous, brutale samenzweerder, ook al zegt men dat u op Ithaca onder uw generatie-genoten de beste bent in beraad en adviezen: nu blijkt gij toch anders. Idioot, hoe komt u erbij om het doodslot te zaaien voor Telemachus en u niets aan te trekken van beschermelingen, voor wie Zeus garant staat? Goddeloos is het elkaar te na te staan. Weet u niet meer hoe uw vader hierheen vluchtte, bang voor het volk, want dat was razend op hem omdat hij, samenwerkend met piraten van Taphos, Thesproten overvallen had, terwijl die onze bondgenoten waren? Hem wilden zij doden, ja lynchen, en zijn grote vermogen vernietigen. Maar Odysseus weerde hen af en hield hun woede in toom. Zíjn vermogen verbrast u nu zonder tegenprestatie, begeert zijn vrouw en vermoordt zijn zoon tot mijn grote verdriet. Wel, ik beveel u te stoppen en ook de anderen daartoe te pressen".
16; 434-451
Haar nu antwoordde Eurymachus, Polybus' zoon: "Dochter van Icarius, wijze Penelope, Vat moed: tob hierover niet in uw geest. Die man zal niet komen noch worden geboren die de hand zal slaan aan uw zoon Telemachus zolang ik leef en het licht zie op aarde. Want dit zal ik u zeggen en zo zal het gebeuren: direct zal zijn donkere bloed van onze speer druipen, immers ook mij nam de stedenverwoester Odysseus vaak op zijn knieen en gaf mij een vers gebraden stuk vlees in mijn handen en hield mij wat fonkelende wijn voor. Daarom is Telemachus mij van allen het meest geliefd en verzeker ik je dat hij de dood niet hoeft te vrezen, althans van de kant van de vrijers: van de goden is niets te vermijden". Zo probeerde hij haar te kalmeren; maar voor hem bleef hij uit op verderf. Zij dan ging weer de trap op naar haar schitterend bovenvertrek en weende toen om Odysseus, haar man, totdat de felogige Athena een zoete slaap op haar oogleden legde.

Eumaeus terug naar zijn hut

16; 452-481
In de avond keerde de trouwe zwijnhoeder terug naar Odysseus en zijn zoon. Zij nu stonden toegewijd een avondmaal te bereiden na het slachten van een éénjarig varken. Maar Athena, was dichtbij gekomen en raakte Laertes' zoon Odysseus aan met haar staf en veranderde hem weer in een grijsaard, hulde hem weer in schamele kleren, opdat de zwijnhoeder hem niet zou herkennen als hij oog in oog met hem stond en het de wijze Penelope zou gaan vertellen als hij het niet geheim kon houden. Telemachus richtte het eerst het woord tot hem: "Ben je weer terug, m'n beste Eumaeus. Wat is er voor nieuws in de stad? Zijn de brallende vrijers al terug uit hun hinderlaag, of liggen zij nog te wachten op mijn thuisvaart?" En hem ten antwoord sprak hij, zwijnhoeder Eumaeus: "Het was niet de bedoeling dat ik naar de stad zou gaan om dat na te gaan vragen: ik wilde liefst zo gauw mogelijk mijn boodschap overbrengen en dan weer hier terugkomen. Gelijk met mij kwam van je mannen een snelle bode, die namens hen je moeder het eerst informeerde. Maar wel weet ik dit, dat zag ik met eigen ogen, toen ik al boven de stad was, waar de Hermesheuvel ligt, toen was het dat ik een snel schip binnen zag lopen in onze haven; veel mannen waren aan boord, het was zwaar beladen met schilden en dubbelgepunte lansen: ik dacht wel dat zij het waren, maar zeker weet ik het niet". Dat zei hij en de krachtige Telemachus knipoogde naar zijn vader met een glimlach, maar zorgde dat de zwijnhoeder dat niet zag. Toen zij nu klaar waren met hun voorbereidingen konden ze eten naar hartelust. Maar toen ze hun dorst en hun honger gestild hadden, verlangden zij naar hun bed en genoten zij het geschenk van een slaap.

17. Terug in eigen stad

Telemachus op weg naar het paleis

17; 1-27
Toen nu de vroeggeboren, rozevingerige dageraad verscheen, bond Telemachus, dierbare zoon van de goddelijke Odysseus, z'n mooie sandalen onder zijn voeten, en hij nam zijn stevige lans, die lekker lag in zijn handpalm, om naar de stad toe te gaan, en hij zei tegen zijn zwijnhoeder: "Oudje, ik ga nu naar de stad, dan kan moeder mij zien. Ik denk namelijk dat zij niet eerder zal stoppen met smartelijke klachten en tranen met tuiten voordat ze mij zelf heeft gezien. Maar jou draag ik dit op: breng de vreemdeling naar de stad, dan kan hij daar zijn kostje bijeenbedelen; wie dat wil zal hem brood geven en drinken; niet is het mogelijk dat ik iedereen op de been houd, ik heb al zorgen genoeg. Als de vreemdeling dat niet kan verkroppen, nou, des te erger voor hem, ik houd ervan te zeggen waar het op staat". Tot hem sprak ten antwoord de listige Odysseus: "Mijn beste, ook verlang ik zelf niet hier te blijven; voor een bedelaar lukt het in de stad beter dan op het land zijn voedsel bijeen te bedelen: wie wil zal mij geven. Het is niets op mijn leeftijd nog hier op de hoeve te blijven, om in alles te gehoorzamen aan een die mij opdracht geeft. Nee, ga gerust heen. Mij zal de man hier de weg wijzen, die jij dat beveelt, zodra ik me gewarmd heb aan het vuur en de zon zijn warmte zendt. Want ik heb maar een erg schamele bedekking om te verhinderen dat de ochtendrijp mij bevangt; men zegt dat de stad nog een flink stuk weg is". Dat zei hij, en Telemachus beende de hut uit, snel voortstappend, en hij broedde op ellende voor de vrijers.

Telemachus en Penelope

17; 28-44
Toen hij het mooi gelegen paleis had bereikt, bracht hij zijn lans naar een grote zuil en zette hem neer en zelf stapte hij over de stenen drempel en ging naar binnen. Als eerste zag hem zijn min Euryclia, bezig vachten te spreiden over de mooie armstoelen; zij brak uit in tranen en ging recht op hem af. Ook de andere dienaressen van de onversaagde Odysseus drongen om hem heen, en zij kusten hem ter verwelkoming het hoofd en de schouders. En daar kwam uit haar vertrek de wijze Penelope, gelijkend op Artemis of de gouden Aphrodite, in tranen sloeg zij beide armen om haar zoon en zij kuste zijn hoofd en zijn glanzende ogen en geroerd sprak zij tot hem de gevleugelde woorden: "Ben je dus gekomen, mijn oogappel. Ik dacht werkelijk dat ik je niet meer terug zou zien, toen je tegen mijn wens heimelijk scheep gegaan was naar Pylos, om informatie over je vader. Maar kom, vertel me wat je hebt meegemaakt".
17; 45-62
Ten antwoord sprak tot haar de verstandige Telemachus: "Moeder, maak me nu niet aan het huilen en prikkel mij niet nu ik het steile verderf toch ontkomen ben; nee, neem een bad en trek mooie kleren aan, ga naar uw bovenvertrek met uw dienaressen en zeg alle goden overdadige offers toe misschien dat Zeus ons dan vergelding gunt. Ik ga nu naar de markt om een vreemdeling uit te nodigen, die mij van ginds hierheen vergezelde. Hem zond ik vooruit met mijn godgelijke mannen en Peiraeus vroeg ik hem mee te nemen naar huis en hem een waardige ontvangst te bieden, totdat ik zou komen". Dat zei hij, maar bij haar sloeg zijn opdracht snel aan, want zij nam een bad, hulde zich in mooie gewaden en beloofde alle goden prachtige offers, in de hoop dat Zeus vergelding zou schenken. Telemachus beende de zaal uit met zijn speer en met hem gingen twee snelle honden mee.

Telemachus spreekt met Peiraeus

17; 63-84
Athena goot over hem een goddelijke charme uit: onderweg zagen allen met bewondering naar hem op. De trotse vrijers drongen op om hem heen met mooie praatjes, maar in de geest hadden zij kwade bedoelingen. Maar hij vermeed hun grote gezelschap, en waar Mentor zat en Antiphus en Halitherses en de andere vroegere vrienden van zijn vader, daar ging hij zitten; en zij vroegen hem naar alles. Peiraeus, de roemvolle lanszwaaier, kwam op hen toe en bracht de vreemdeling door de stad heen naar de markt; niet lang hield Telemachus zich afzijdig van de vreemdeling maar stapte op hem af. Tot hem nu begon Peiraeus te spreken: "Telemachus, zend dadelijk vrouwen naar mijn huis dan kan ik je de geschenken terug laten brengen, die Menelaus je gaf". En hem gaf de verstandige Telemachus ten antwoord: "Peiraeus, wij weten niet hoe dit gaat aflopen; als de verwaten vrijers mij in het paleis verraderlijk zullen doden en al de bezittingen van mijn vader zullen verdelen, dan heb ik liever dat jij dat behoudt en er profijt van hebt dan iemand van hen. Maar als ik hen de dood in kan jagen, dan zult u met even veel plezier ze naar mijn huis laten brengen als ik ze in ontvangst zal nemen". Na deze woorden voerde hij zijn zwaarbeproefde gast zijn huis in.

Telemachus' reisverslag en Theoclymenus' voorspelling

17; 85-98
Toen zij nu het mooi gelegen huis bereikt hadden, legden zij hun mantels neer op stoelen en zetels stapten in de gladgepolijste badkuipen en namen een bad. Nadat dienaressen hen gewassen hadden en gezalfd met olijfolie, hulden zij hen weer in hun mantels over hun hemden, en uit de kuipen gestapt zetten zij zich neer in leunstoelen. Een dienares bracht waswater aan en goot het uit een schenkkan, een mooie, van goud, boven een zilveren wasbekken, om zich de handen te wassen; en zij zette een gladgeschaafde tafel neer En een toegewijde huishoudster bracht voedsel aan en zette het neer, veel spijzen erbij plaatsend en met vreugde schenkend van wat voorhanden was. En hun moeder zat tegenover hen, geleund in een zetel bij een pilaar en zij draaide het tere spinrokken. En zij strekten hun handen uit naar de spijzen die voor hen gereed lagen.
17; 99-106
Maar toen zij hun honger en dorst hadden gestild, nam de wijze Penelope als volgt het woord: "Telemachus, heus ik ga naar mijn bovenvertrek en ga op mijn bed liggen, een rustplaats voor mijn verdriet, steeds door mijn tranen bevlekt, sinds Odysseus naar Troje vertrok met de zonen van Atreus. Maar je hebt me nog steeds niet, voordat de verwaten vrijers het huis binnenkomen, duidelijk gemaakt over je vaders thuiskomst, of je er iets over hoorde".
17; 107-147
Haar sprak de verstandige Telemachus ten antwoord: "Dan zal ik jou, moeder, dat nu naar waarheid vertellen. Wij vertrokken naar Pylos, naar Nestor, aanvoerder van krijgers; die ontving mij in zijn hoge paleis en bood mij een gastvrij onthaal, zoals wanneer een vader dat doet met zijn zoon, wanneer die zopas na lange tijd uit de vreemde is teruggekeerd: zo goed onthaalde hij mij met zijn fiere zonen. Maar over de onversaagde Odysseus kon hij niets zeggen, of hij leefde of was gestorven, daarover had hij van niemand iets gehoord. Maar hij gaf een geleide met paarden en een stevige wagen naar Atreus' zoon, de vermaarde Menelaus. Daar ontmoette ik Helena uit Argos, om wie de Grieken en Trojanen door de wil van de goden zoveel doorstonden. Daar vroeg mij Menelaus, sterk in de krijgsschreeuw, wat mij naar het prachtige Sparta gebracht had, en ik vertelde hem dat naar waarheid; daarop gaf hij mij het volgende antwoord: "Wat een ellende dat zo'n troep melkmuilen zich het bed willen toe-eigenen van zo'n dapper man. Zoals wanneer een hinde haar pasgeboren, nog afhankelijke jongen heeft neergelegd in het leger van een krachtige leeuw en bergkloven en grasrijke dalen afzoekt naar voedsel, maar hij keert intussen terug naar zijn leger en bereidt beide een afschuwelijke dood, zó zal ook Odysseus hen een afschuwelijke dood bereiden. Oh, vader Zeus en Athena en Apollo, zoals hij ooit opstond op het schoongelegen Lesbos uit een worsteling met Philomedes, na die neer gesmakt te hebben tot vreugde van alle Grieken, mocht Odysseus zo zich ooit mengen onder de vrijers: ze zullen dan wel gauw sneuvelen en een bittere bruiloft vieren. Maar wat je vraag betreft en je vurig verlangen: ik zal een antwoord niet uit de weg gaan noch je misleiden, nee, wat de onfeilbare grijsaard van de zee mij gezegd heeft daarvan zal ik jou geen woord onthouden of verbergen. Hij zei hem in smart gezien te hebben op een eiland in het paleis van de nimf Calypso, die hem tegen zijn wil vasthoudt: hij is niet in staat zijn vaderland te bereiken, want hij heeft geen schip en geen bootslui die hem over de brede rug van de zee zouden kunnen vervoeren." Aldus Atreus' zoon, de befaamde lanszwaaier Menelaus.
17; 148-166
Na dit volbracht te hebben keerde ik terug: de goden schonken een gunstige wind en geleidden mij voorspoedig terug naar mijn vaderland". Dat zei hij, en bij haar wekte hij ontroering op. En bij hen nam ook de goddelijke ziener Theoclymenus het woord: "Achtenswaardige echtgenote van Laertes' zoon Odysseus, Menelaus weet werkelijk niet hoe het zit, maar let op mijn woorden, want ik zal U een duidelijke voorspelling doen en u niets verbergen: Ik zweer nu eerstens van alle goden bij Zeus en bij de gastvrije tafel en de haard van de edele Odysseus, waar ik beland ben, dat, werkelijk, Odysseus al in zijn vaderland is, zittend of rondtrekkend, en hij is op de hoogte van deze ellende, en zint op een afstraffing voor alle vrijers: Een vogelteken met die strekking nam ik waar, toen ik op het evenwichtige schip zat en ik duidde het voor Telemachus". Tot hem nu sprak weer de wijze Penelope: "O, gast, mocht dit woord van u in vervulling gaan: dan zult u al gauw onze gastvrijheid leren kennen en vele geschenken van mijn kant, zodat ieder die u ontmoet u gelukkig zal prijzen". Aldus bespraken zij deze zaken met elkaar.
17; 167-177
Maar de vrijers vermaakten zich vóór Odysseus' paleis overmoedig met het werpen van discus en speren op de aangestampte grond, waar zij dat ook tevoren deden. Maar toen het etenstijd was en het kleinvee van alle kanten van de velden kwam onder toezicht van hun herders, toen sprak tot hen Medon, die hun favoriete boodschapper was, en met hen aan de maaltijd placht deel te nemen: "Mannen, nu jullie allen je geamuseerd hebt met wedstrijden, kom nu het paleis binnen opdat wij de maaltijd bereiden: want een maaltijd op tijd kan geen kwaad". Zo sprak hij; zij nu richtten zich op om te komen en gaven gehoor aan zijn oproep.

Odysseus, Eumaeus en Melanthius

17; 178-199
Toen zij dan het mooi gelegen huis binnengekomen waren, legden zij hun mantels op zetels en armstoelen, en zij slachtten forse schapen en vette geiten en ook vetgemeste zwijnen en een rund uit de kudde, en maakten de maaltijd gereed. Maar intussen maakten Odysseus en de trouwe zwijnhoeder zich klaar om van het land naar de stad te gaan. De zwijnhoeder, baas over knechten, nam het woord en zei: "Vriend, je wilt dus nu naar de stad toe gaan, vandaag al, zoals mijn meester beval - werkelijk, ik voor mij zou je liever nog hier laten om een oogje in het zeil te houden. Maar ik respecteer hem en ben er beducht voor, dat hij me later de mantel uitveegt: moeilijk te dragen zijn van meesters de klachten - wel, laat ons dan gaan: het grootste deel van de dag is al om, en al gauw zal het avond zijn en voor jou te koud. Tot hem sprak toen ten antwoord de listenrijke Odysseus: "Dat realiseer ik me en stem ermee in; je zegt wat ik denk. Dus laten we gaan en neem jij maar de leiding. Maar geef me, als je ergens een stok hebt liggen, bewerkt met een mes, om op te steunen want er was sprake van een erg hobbelige bodem". Dat zei hij en wierp zich de afzichtelijke knapzak over de schouders, flink gescheurd was die, met een stuk touw als draagband; en Eumaeus gaf hem een staf naar zijn zin.
17; 200-232
Zo stapten zij samen op, en de honden en herders bleven achter om de plaats te bewaken. En hij leidde zijn meester naar de stad, terwijl die er uit zag als een armzalige, oude bedelaar, op een stok leunend, gekleed in schamele kleren. Toen zij nu op hun weg langs het steenachtige pad in de buurt van de stad kwamen bij de heldere bron mooi gelegen, daar hadden Ithacus, Neritus en Polyctor zorg voor gedragen en daaruit putten de burgers hun water: Eromheen stond een bosje populieren, gevoed door het water, en erlangs kabbelde koel water van boven van de rots; daarboven was een altaar opgericht voor de nimfen, waar alle voorbijgangers een offer bij brachten. Daar ontmoette hen Melanthius, de zoon van Dolius, die de mooiste geiten van de kudden geleidde, de maaltijd voor de vrijers; twee herders trokken met hem op. Toen die hen zag begon hij te honen met krachttermen, luid en schandelijk; en hij provoceerde Odysseus: "Nou, daar heb je een lapzwans die een andere meeneemt, zoals de godheid steeds soort weer bij soort brengt; waar breng je die hompel nou heen, ellendige zwijnman, die smerige bedelaar, die tafellikker? Die zal aan veel deurposten zijn schouders gaan staan schuren, smekend om brokjes, niet veel soeps! Ach, geef hem mij maar om mijn hut te onderhouden en de hokken schoon te maken en voer voor de geitjes te brengen, dan kan hij met het drinken van wei zich wat potige schenkels aankweken! Maar omdat hij voor lapzwans heeft doorgeleerd zal hij de handen niet uit de mouwen willen steken maar liever overal lopen scharrelen en met gebedel zijn onverzadigbare maag vullen. Nou, ik wil je wel dit zeggen en knoop dat maar goed in je oren: als hij naar het paleis van de geachte Odysseus zal gaan dan zullen zijn ribben stukbreken onder een regen van voetbanken die van alle kanten op hem afvliegen uit handen van mannen".
17; 233-253
Dat riep hij en in het voorbijgaan trapte hij met zijn hak tegen zijn heup, maar hij stootte hem niet van het pad want Odysseus zette zich schrap maar overwoog wel of hij op zou springen en hem met zijn knots uit de weg ruimen zou, of hem op zou tillen en zijn kop tegen de grond zou slaan. Maar hij vermande zich en hield zich in. De zwijnhoeder echter blafte hem recht in zijn gezicht toe, hief zijn handen ten hemel en bad: "Bronnimfen, dochters van Zeus, als ooit Odysseus schenkels van lammen en geitjes aan jullie offerde, in een dikke vetlaag gewikkeld, vervul dan mijn wens, dat hij terugkeert en een god hem geleidt. Dan zal hij wel afrekenen met al die praatjes van jou die je nu hoog van de toren bralt, steeds maar rondzwervend door de stad terwijl hopeloze herders jouw kudde verpesten". Tot hem sprak nu Melanthius weer, herder van geiten: "Ach jee, wat een taal van zo'n slimme hond, die zal ik ooit nog eens ver van Ithaca wegvoeren op een evenwichtig zwart schip, om me een flinke duit op te brengen. Voor mijn part mag Apollo met zijn zilveren boog Telemachus treffen, liefst morgen al in het paleis, of mag hij door de vrijers creperen, zo zeker als in den vreemde voor Odysseus de dag van de terugkeer verdween".

Melanthius en Odysseus bij het paleis

17; 254-271
Na deze woorden liet hij hen daar op hun trage tocht achter, ging verder en kwam al snel bij het paleis van de vorst. Direct ging hij naar binnen en zette zich neer tussen de vrijers tegenover Eurymachus: die mocht hij het meest. Voor hem zetten de dienaren een portie vlees neer, en de respectabele huishoudster bracht brood te eten en zette het hem voor. Intussen kwamen ook Odysseus en de zwijnhoeder aan en bleven buiten staan: de klank van een gebogen lier trof hun oren: Phemius stond op het punt voor hen een lied aan te heffen. Hij pakte de zwijnhoeder bij de hand en sprak tot hem: "Eumaeus, dit is vast het mooie paleis van Odysseus, het is tussen vele gemakkelijk te herkennen, het loopt helemaal door van de ene kant naar de andere en de hof is afgeschermd door een muur met kroonlijsten en twee goed sluitende vleugeldeuren; geen man zou die barrière kunnen nemen. Zo te zien laten velen zich daarbinnen een maaltijd goed smaken, want vetdamp stijgt op en het geluid van de citer is te horen die de goden tot begeleider van de maaltijd maakten".
17; 272-279
Hem gaf hij ten antwoord, zwijnhoeder Eumaeus: "Dat heb je goed begrepen, zoals je ook overigens vol begrip bent. Maar kom, laten we nu overleggen hoe dit verder moet. Ga jij nu eerst het mooi gelegen paleis in en meng jij je onder de vrijers met achterlating van mij hier? Maar als je wilt, blijf dan hier, dan zal ik voor je uit gaan. Maar wacht dan niet te lang, dat niemand jou buiten opmerkt en iets naar je smijt of je wegstuurt: op die dingen moet je bedacht zijn".
17; 280-310
Hem antwoordde daarop de onversaagde, goddelijke Odysseus: "Dat snap ik, ik ben op mijn hoede: je spreekt niet tegen dovemansoren. Ga jij maar vooruit, ik blijf hier wel achter, met slaan en met gooien ben ik vertrouwd; ik heb eelt op mijn ziel want ik heb al veel meegemaakt op zee maar ook in de oorlog; dit kan er ook nog wel bij. Maar een hongerige maag kan je niet wegstoppen, vervloekt als hij is, want hij levert de mens veel ellende, omwille van hem worden schepen met goede roeibanken uitgerust voor tochten de eindeloze zee op, om vijanden ellende te brengen". Zo bespraken zij onderling dat soort zaken; maar een hond die daar lag hief zijn kop op en spitste zijn oren, Argus, van de onversaagde Odysseus, die hij zelf ooit grootbracht, maar voordat hij zelf plezier aan hem had beleefd vertrok hij naar het heilige Troje. Voorheen voerden jonge mannen hem altijd mee op jacht naar wilde geiten, herten en hazen. Maar nu zijn meester weg was, lag hij daar verwaarloosd, in een berg mest van muilezels en runderen, die voor de poort lag uitgestort, totdat de slaven van Odysseus het weg zouden halen om zijn wijde grondgebied mee te bemesten. Daar lag nu Argus, met luizen bedekt. Maar toen, zodra hij merkte dat Odysseus vlakbij was, kwispelde hij met zijn staart en legde beide oren in zijn nek, maar hij kon niet meer naar zijn meester toekomen; maar die zag hem van op een afstand en veegde een traan weg, zonder dat Eumaeus het merkte, en direct vroeg hij: "Eumaeus, ik ben verbaasd dat deze hond hier zo in de mest ligt. Het is toch een mooi dier, maar dit kan ik niet goed uitmaken, of hij bij dit mooie uiterlijk ook snel was in rennen, of gewoon als de tafelhonden was zoals de mensen die hebben om hun uiterlijk en hun gezelschap.
17; 311-327
Tot hem sprak jij weer ten antwoord, zwijnhoeder Eumaeus: "Werkelijk, dit hier is de hond van de man die stierf in den vreemde. Als hij nog zo was in vorm en in daden, zoals Odysseus hem achterliet toen hij naar Troje ging, dan zou je perplex staan bij het zien van zijn snelheid en kracht. Geen wild, dat hij najoeg, wist hem te ontkomen in de diepte van een dicht woud, want in spoorzoeken overtrof hij alle andere. Maar nu heeft hij het slecht: zijn meester kwam om, ver weg van zijn vaderland en de vrouwen trekken zich niets van hem aan en verzorgen hem niet. Ach, slaven willen, wanneer hun heren hen niet meer bevelen, hun plicht niet meer doen naar behoren. Want de wijddonderende Zeus neemt een man de helft van zijn deugd af, als hem eenmaal de dag van slavernij ten deel valt". Daarop ging hij het schoongelegen paleis in en liep recht door de zaal naar de trotse vrijers. Maar Argus kwam in de greep van het donkere doodslot, terstond na het zien van Odysseus, na twintig jaar.

Odysseus, bedelaar in eigen huis

17; 327-341
De godgelijke Telemachus zag het eerst de zwijnhoeder door het paleis lopen en dadelijk wenkte hij hem met een hoofdknik in zijn richting. Die keek om zich heen en pakte een bankje dat daar stond, waarop de voorsnijder meestal zat bij het snijden van al het vlees voor de vrijers bij hun maaltijden in de woning; die bracht hij naar de tafel van Telemachus en zette hem neer tegenover hem, en daarop ging hij zelf zitten; en een dienaar nam een portie vlees en zette die voor hem neer en een stuk brood uit een mandje. Vlak na hem ging Odysseus het paleis in, in de gedaante van een armzalige bedelaar, een oude, steunend op zijn staf en met haveloze lompen om zijn lichaam. Hij ging op de essenhouten drempel zitten, net binnen de toegang, en leunde tegen een post van cipressenhout, die ooit de bouwer vakkundig geschaafd had en gericht langs het schietlood.
17; 342-352
Telemachus riep de zwijnhoeder bij zich, nam een heel brood uit de prachtige mand en wat vlees, zoveel als zijn handen konden omvatten, en zei hem: "Breng dit aan de vreemdeling en geef het en zeg hem bij alle vrijers langs te gaan om te bedelen; want schroom past geen man die behoeftig is". Dat zei hij en de zwijnhoeder ging, toen hij die opdracht vernomen had, en hij ging op hem toe en sprak duidelijk tot hem: "Telemachus laat je dit geven, vriend, en hij vraagt je bij alle vrijers langs te gaan om te bedelen, want, zegt hij, schroom past geen bedelaar.
17; 353-368
Hem nu sprak de onversaagde Odysseus ten antwoord: "Heerser Zeus, vergun me dat Telemachus een gelukkig man wordt, en moge hem alles ten deel vallen wat hij maar wenst". Dat zei hij en met beide handen nam hij het aan en legde het vlak voor zijn voeten op de smerige knapzak, en hij at zolang de goddelijke zanger in het paleis zich liet horen. Hij was klaar met eten, toen de goddelijke zanger ophield; de vrijers sloegen toen aan het rumoeren in het paleis, maar Athena kwam toe op Laertes' zoon Odysseus en spoorde hem aan brokken brood te verzamelen bij alle vrijers en zo aan de weet te komen wie betrouwbaar waren en wie nietswaardig; ook al was ze niet van plan er ook maar één voor onheil te behoeden. En hij ging naar iedereen toe, van links af naar rechts, om te vragen overal zijn hand ophoudend, als was hij een ervaren bedelaar. Zij gaven uit medelijden en stonden verbaasd over hem en zij vroegen elkaar wie hij was en waar hij vandaan kwam.

Confrontaties met Melanthius en Antinous

17; 369-379
De geitenhoeder Melanthius sprak nu tot hen: "Luister naar mij, vrijers van de vermaarde koningin, over deze vreemdeling; ik heb hem namelijk al eerder gezien. Het is de zwijnhoeder die hem hierheen bracht, maar over hemzelf weet ik niet precies, vanwaar hij zegt afkomstig te zijn". Zo sprak hij, en Antinous haalde uit naar de zwijnhoeder: "Nou, vermaarde zwijnhoeder, waarom heb je deze vent naar de stad gebracht? Hebben we hier nog niet genoeg andere zwervers, lastige bedelaars en maaltijdschooiers? Kan het je niet schelen dat die het bezit opeten van je meester, hierheen te hoop lopend, en moest je ook deze nog uitnodigen?"
17; 380-391
Ten antwoord sprak jij tot hem, zwijnhoeder Eumaeus: "Antinous, ondanks je afkomst zeg je weinig verheffends: wie immers zal er zelf opuit trekken om van elders een vreemdeling te ontbieden, tenzij zij ambachtslui zijn, een ziener of arts of een timmerman of ook een geïnspireerde zanger om met zijn gezang verstrooiing te brengen? Ja, die zijn gezien onder de stervelingen overal op de aarde. Maar niemand zal toch een bedelaar uitnodigen om hem te plukken. Ja, van alle vrijers ben jij de meeste norse tegen de dienaars van Odysseus, en met name tegen mij; nou, ik geef daar niets om zolang de wijze Penelope in het paleis woont en de godgelijkende Telemachus".
17; 392-404
Van zijn kant liet nu de verstandige Telemachus zich horen: "Stil nou maar, zeg nu maar niet te veel terug tegen hem: Antinous is nu eenmaal gewend te tergen met tartende woorden, ook anderen moedigt hij aan". Dat zei hij en tegen Antinous voegde hij er duidelijke taal aan toe: "Antinous, echt schitterend maak jij je druk om mij als een vader om zijn zoon, jij die mij aanzet deze vreemdeling uit het paleis te verjagen met een dwingend bevel: moge de godheid dat verhoeden! Neem iets en geef het hem; ik misgun het je niet, nee, draag het je op! Vrees niet mijn moeder en ook niemand anders van de dienaars in het huis van de goddelijke Odysseus. Maar zoiets komt niet eens bij je op; nee, liever schrans je zelf maar zo'n eind weg dan vrijgevig te zijn".
17; 405-444
Hem gaf nu Antinous weer ten antwoord: "Telemachus, braller, driftkikker, wat een taal sla je uit! Als alle vrijers hem evenveel zouden geven als ik, dan zou het huis drie maanden van hem af zijn". Met deze woorden greep hij een bankje dat onder de tafel stond en waarop hij bij de maaltijd zijn lanzende voeten hield; alle anderen gaven wel iets en zij vulden zijn knapzak met brood en met vlees; Odysseus stond al op het punt terug te gaan naar de drempel en gretig te proeven van de gaven der Grieken, maar hij bleef staan bij Antinous en sprak tot hem: "Alstublieft, heer, geef iets; u lijkt mij beslist niet de slechtste der Grieken te zijn, eerder de beste, want u ziet eruit als een koning. Daarom zoudt u mij nog meer moeten geven dan de anderen aan voedsel; dan zal ik uw roem verbreiden over heel de wereld. Heus, ook ik bewoonde eens een prachtige woning onder de burgers, was vermogend en vaak gaf ik royaal aan een zwerver, wat voor iemand het ook was en met welke behoefte hij aanklopte; ontelbaar veel dienaars had ik en veel ander bezit dat het leven veraangenaamt en waardoor men voor rijk doorgaat. Maar Zeus, Cronus' zoon kleedde mij uit - dat had zeker zijn voorkeur - want hij zette me ertoe aan om met rondzwervende rovers naar Egypte te gaan, een langdurige tocht die mijn ondergang moest worden. Aan de Egyptische rivier legde ik mijn gebogen schepen voor anker; en gaf mijn trouwe mannen nadrukkelijk opdracht daar bij de schepen te blijven en de schepen te bewaken en ik stuurde verspieders uit om vanaf hun posten poolshoogte te nemen. Zij echter gedroegen zich misdadig en volgden hun grillen, al gauw brandschatten zij de rijke akkers van de Egyptenaren en zij voerden vrouwen en onnozele kinderen weg en doodden de mannen: hun geschreeuw drong snel door tot de stad. De bewoners snelden 's ochtends toe op het horen van dit schreeuwen en heel de vlakte liep vol wagens en voetvolk en flikkerend brons; Zeus, die slingert met bliksems, zaaide angst en beven onder mijn mannen en zij durfden een confrontatie niet aan want van alle kanten loerde het onheil. Toen doodden zij velen van ons met scherpe zwaarden, anderen brachten zij levend op om dwangarbeid voor hen te verrichten. Maar mij gaven ze mee aan een gastvriend die op weg was naar Cyprus, Dmetor, de zoon van Iasus, die over Cyprus met ijzeren vuist heerst; Vandaar ben ik nu hierheen gekomen, onder barre omstandigheden".
17; 445-457
Daarop riep Antinous op zijn beurt luid uit: "Welke godheid voerde dit stuk ongeluk hierheen, verpester van ons eten? Blijf daar in het midden staan, weg van mijn tafel, anders kom je in een bitter Egypte en Cyprus terecht! Wat een brutale en schaamteloze bedelaar ben jij, je gaat maar bij iedereen langs op de rij af en zij geven gedachteloos, want er is geen reden voor spaarzaamheid of terughoudendheid bij weldaden met andermans goed, waar ieder ruimschoots heeft". De slimme Odysseus week terug en sprak tot hem: "Ach jee, uw innerlijk beantwoordt dus niet aan uw uiterlijk! Je zou nog geen zoutkorrel van je bezit afstaan aan wie bij u als bedelaar aanklopt en nu u hier aanzit aan andermans tafel kunt u mij zelfs niet een korst brood afbreken om te geven, terwijl u in overdaad baadt".
17; 458-478
Zo sprak hij, maar Antinous wond zich nog meer op en met verachting op hem neerkijkend sprak hij niet mis te verstaan: "Nu je ook nog praatjes hebt, zul je, denk ik zo, niet meer heelhuids het huis uitkomen." Met deze woorden pakte hij het bankje en smeet het tegen zijn rechterschouder, bovenaan zijn rug. Maar hij bleef staan als een rots, onwrikbaar, zelfs bracht de worp van Antinous hem niet aan het wankelen, neen, zwijgend bewoog hij zijn hoofd en zon op wraak. Hij ging terug naar de drempel en zette zich neer en ook zijn goedgevulde knapzak zette hij weer neer en zei tegen de vrijers: "Luister naar mij, vrijers van de wijdvermaarde koningin, dan zal ik zeggen wat me op het hart ligt. Het is werkelijk niet pijnlijk of smartelijk, wanneer een man gewond raakt bij de strijd om zijn bezit, zijn runderen of blanke schapen; mij echter heeft Antinous getroffen vanwege de verderfelijke honger, die de mensen zoveel ellende bezorgt. Maar als er nog goden bestaan en wraakgodinnen voor bedelaars, dan moge vóór de bruiloft het einde van de dood Antinous ten deel vallen".
17; 479-491
Tot hem antwoordde daarop weer Antinous, de zoon van Eupeites: "Man, houd je gedeisd terwijl je eet, of donder anders op, anders sleuren de jongelingen hier je door het paleis met je praatjes bij een poot of een arm en schuren zo het vel volkomen van je lijf". Dat zei hij, maar de anderen werden allen hevig verontwaardigd; en menigeen van de overmoedige jongelingen zei tegen zijn buurman: "Antinous, niet zo netjes om zo'n arme drommel te bestoken, tot je eigen verderf als het een hemelse godheid is. Ook goden toch reizen rond langs de steden met het uiterlijk van exotische vreemdelingen, in allerlei gedaantes, en controleren de overmoed van de mensen en ook hun rechtschapenheid". Dat zeiden de vrijers, maar hij trok zich niets aan van hun vermaning. En Telemachus voelde wel hevige smart toen zijn vader getroffen werd maar hij vergoot toch geen traan van onder zijn oogleden, nee, zwijgend schudde hij zijn hoofd, broedend op wraak.

Penelope regelt een ontmoeting met Odysseus

17; 492-506
Toen de wijze Penelope hoorde dat hij in de grote zaal was getroffen, verzuchtte ze tussen haar dienaressen: "Ach, moge Apollo, beroemd om zijn boogschot, jou zelf ooit raken". Haar nu viel de huishoudster Eurynome bij met de woorden: "Als toch eens onze beden in vervulling zouden gaan, dan zou niemand van die lieden de Dageraad, op schone troon gezeten, meer halen". En tot haar sprak weer de wijze Penelope: "Moedertje, vreselijk zijn ze allen, want ze bedenken slechts onheil, maar Antinous lijkt wel het meest het donkere doodslot. Een ongelukkige vreemdeling zwerft door het paleis en gaat bedelend langs bij de mannen, want gebrek dwingt hem; dan geven alle anderen hem iets en vullen zijn handen, maar hij gooit een voetenbank tegen zijn schouder, rechts". Zo sprak zij met haar dienaressen, in haar kamer gezeten; maar hij zat te eten, de goddelijke Odysseus.
17; 507-527
Zij nu riep de stralende zwijnhoeder bij zich en zei hem: "Ga, mijn beste Eumaeus, de vreemdeling vragen hier te komen, dan kan ik hem begroeten en vragen, of hij misschien iets gehoord heeft over de onverschrokken Odysseus of hem met eigen ogen gezien heeft; hij schijnt veel gezworven te hebben". Ten antwoord sprak jij tot haar, zwijnhoeder Eumaeus: "Ach, koningin, hielden die gasten hun mond maar eens, dan zou hij met zijn verhalen uw hart in vervoering brengen. Drie nachten en drie dagen had ik hem bij me in mijn hut, want mij trof hij het eerst op zijn vlucht van het schip; maar nog niet had hij het relaas van zijn ellende beeindigd. Ja, zoals men opziet naar een zanger, die met zijn inspiratie van de goden prachtige liederen zingt voor de stervelingen, - naar hem verlangt men vurig te luisteren, wanneer hij maar zingt -, zó bracht hij mij in vervoering toen hij in mijn woning bij me zat. Hij zegt een gastvriend te zijn van Odysseus al sinds zijn vaders tijd, en woonachtig op Kreta, waar Minos' geslacht heerst. Daarvandaan is hij nu hierheen gekomen, door veel ellende voortgedreven; en hij beweert gehoord te hebben dat Odysseus in leven is in de buurt, in het welvarende land der Thesproten, en dat hij met veel schatten op weg is naar zijn huis".
17; 528-550
Tot hem nu sprak weer de wijze Penelope: "Vooruit, roep hem hierheen, dan kan hij het zelf vertellen in mijn bijzijn. Laten die lieden zich maar amuseren, buiten of hier in het paleis, zij kunnen immers opgewekt zijn, want hun bezit ligt onaangeroerd in hun eigen huis, voedsel en heerlijke wijn: hun dienaars kunnen zich daaraan te goed doen! Maar zij zelf lopen dagelijks bij ons de deur plat slachten runderen en schapen en vette geiten vieren daar feest mee en drinken onze fonkelende wijn, zó maar; het grootste deel is al op. Wij hebben immers geen man om het onheil buitenshuis te houden, zoals Odysseus dat deed. Ach, mocht Odysseus toch komen en zijn vaderland weer bereiken, dan zou hij met zijn zoon het geweld van die kerels snel afstraffen". Zo sprak zij en Telemachus moest luid niezen zodat het huis luid weergalmde; maar Penelope schoot in de lach en sprak snel tot Eumaeus de gevleugelde woorden: "Ga nu maar en roep de vreemdeling bij mij; zie je niet dat mijn zoon al mijn woorden instemmend toenieste? De dood zal dan ook niet onvervuld blijven voor alle vrijers, tot de laatste man toe, en wis zal niemand het lot van de dood ontkomen. Ik wil werkelijk ook nog iets anders zeggen, houd mijn woord in gedachten: Als ik merk dat hij alles naar waarheid vertelt, zal ik hem mooie kleren laten aantrekken, een mantel en chiton.".
17; 551-559
Dat zei ze en de zwijnhoeder ging op weg, toen hij haar opdracht gehoord had. En hij ging op hem af en sprak hem duidelijk toe: "Vadertje, de wijze Penelope laat u roepen, Telemachus' moeder; ook al wordt ze door zorgen gekweld, ze wil je graag iets vragen over haar echtgenoot. Als zij merkt dat je alles verteld hebt naar waarheid dan zal ze je in een mantel en lijfrok steken, juist waaraan je zoveel behoefte hebt; en voedsel mag je onder het volk bijeenbedelen je zult je maag te goed kunnen doen, want wie maar wil zal je iets geven".
17; 560-573
Tot hem sprak daarop de onversaagde, stralende Odysseus, "Eumaeus, terstond zal ik alles naar waarheid zeggen tegen de dochter van Icarius, de wijze Penelope; want goed ben ik van hem op de hoogte, wij deelden gelijkelijk rampspoed. Maar ik ben bang voor die bende brutale vrijers, hun arrogante geweld schreit ten hemel! Want ook nu, toen die vent mij, toen ik door het huis liep zonder iemand kwaad te doen, met zijn smijtwerk verwondde, nam noch Telemachus mij in bescherming noch iemand anders. Dring er dus bij Penelope op aan in haar kamer te wachten tot zonsondergang, ook al is ze nog zo benieuwd; laat ze me dan vragen naar de dag van de terugkeer van haar man, en mij een plaats gunnen dichter bij de haard, want de kleren die ik draag zijn erbarmelijk, zoals je ook zelf weet, want bij jou bedelde ik het eerst".
17; 574-578
Dat waren zijn woorden, en de zwijnhoeder ging heen, toen hij dit gehoord had; Penelope sprak tot hem toen hij over de drempel stapte: "Wat? Breng je hem niet mee, Eumaeus? Wat heeft die zwerver in zijn bol? Is dit soms uit angst voor iemand die zich onbehoorlijk gedraagt of is hij misschien beschroomd? Een bedelaar met schroom brouwt er niets van!"
17; 579-597
Haar antwoordde jij, zwijnhoeder Eumaeus: "Hij heeft gelijk en vindt net als ieder ander dat hij de brutaliteit moet ontwijken van de vrijers. Maar u vraagt hij te wachten tot zonsondergang, want dat is ook voor u, meesteres, veel beter, om onder vier ogen met de vreemdeling van gedachten te wisselen". Daarop sprak de wijze Penelope weer tot hem: "Die vreemdeling is verstandig: hij heeft in de gaten hoe het zal gaan: want er zijn onder de sterfelijke mensen nergens lieden die zo als dezen in overmoed wandaden beramen". Dat zei zij, en hij, de getrouwe zwijnhoeder ging heen naar de drom van de vrijers, want hij dacht aan alles. Terstond zei hij duidelijk tegen Telemachus, terwijl hij zijn hoofd dichtbij hield, opdat de anderen het niet zouden horen: "Mijn beste, ik ga er vandoor om de zwijnen en mijn zaakjes na te lopen, de bestaansmiddelen voor jou en voor mij; en wat hier allemaal gebeurt daar moet jij op toezien. Maar zorg vooreerst voor jezelf en zie erop toe dat jou niets overkomt; veel Grieken zinnen op kwaad, die Zeus uit de weg moge ruimen voordat ons ellende overkomt".
17; 598-606
Tot hem sprak de verstandige Telemachus ten antwoord: "Kome wat komt, vadertje! Ga jij gerust als je gegeten hebt. Kom morgenochtend met mooie dieren om te slachten, maar mij en de goden zal het gebeuren hier ter harte gaan". Dat zei hij, en hij ging weer zitten op de gladgeschaafde bank, en nadat hij zijn trek had gestild naar voedsel en naar drank, ging hij op weg naar zijn zwijnen en verliet hij de omheining van het paleis, dat vol zat met eters; die amuseerden zich nu met dans en gezang, want reeds ging de dag over in de avond.

18. Gevecht van twee bedelaars

Odysseus vecht met Irus

18; 1-13
Er kwam een bedelaar aan, overal bekend, die altijd in de straten van Ithaca scharrelde; hij was berucht om zijn hongerige maag, niet te stillen in eten en drinken; maar kracht had hij niet, kon niet van zich afbijten, maar zijn uiterlijk was groot om te zien. Arnaeus was zijn naam: die gaf hem zijn brave moeder bij zijn geboorte, maar 'Irus' plachten alle jongeren hem te noemen, omdat hij alle berichten rondbracht, wanneer men hem daarom vroeg. Deze probeerde Odysseus bij aankomst uit zijn huis te verjagen en hij sprak op schimpende toon in ondubbelzinnige woorden tot hem: "Weg van de deur, ouwe, of je wordt er bij je been uitgesleurd. Heb je niet in de gaten dat ze allemaal naar me knipogen, en me wenken je weg te slepen? Maar ik beheers me liever. Dus vooruit, laten we het niet op ruzie en handgemeen aan laten komen!"
18; 14-24
Maar met minachtende blik sprak de listige Odysseus tot hem: "Idioot, ik doe je toch geen kwaad, ook niet in woorden, en ik misgun niet dat iemand je wat geeft, zelfs al is hij royaal. Deze drempel kan ons beiden plaats bieden, en het is nergens voor nodig dat jij me gaven misgunt: je lijkt me een zwerver net als ik en de goden zullen ons allebei aan onze trekken laten komen. Maar daag me niet te veel uit tot een handgemeen, maak me niet kwaad, anders zal ik, hoe een 'ouwe' ik ook ben, je borst en je lippen besmeren met bloed; dan zal ik het morgen wat rustiger hebben, want ik denk niet dat je dan nog terug zult komen naar het huis van Laertes' zoon Odysseus".
18; 25-33
Woedend geworden voegde de zwerver Irus hem toe: "Ach jee, wat is me die hompel gladjes gebekt! Net een ouwe keukenmeid; wat zou ik hem graag eens te grazen nemen met allebei mijn vuisten, en als hij op de grond ligt zou ik al zijn tanden uit zijn kaken slaan, als bij een plunderend zwijn. Gord je kleren maar op, dan kunnen allen hier zien hoe wij vechten; hoe denk je partij te zijn voor een jongere man?" Zo wonden zij zich uit alle macht op vóór de hoge deuren op de gladgeschaafde drempel.
18; 34-50
De sterke Antinous had naar hen geluisterd en met een vileine lach zei hij tegen de vrijers: "Vrienden, nog nooit is iets dergelijks ons overkomen, wat een vermaak bracht de godheid dit huis in: die vreemdeling en Irus dagen elkaar uit tot een bokspartij; laten we hen vlug tegen elkaar opzetten!". Dat zei hij, en zij sprongen allen lachend op, en verzamelden zich om de bedelaars in hun haveloze plunje. Antinous deed het woord voor hen, de zoon van Eupeites: "Luister naar mij, fiere vrijers, ik wil een voorstel doen. Die geitenpensen die daar op het vuur staan, die we opgezet hebben voor ons avondmaal, vol vet en vol bloed: wie van de twee overwint en zich de sterkste betoont, die mag zelf ervan uitkiezen welke hij wil. Altijd zal hij met ons mee mogen eten en we zullen geen andere bedelaar hierbinnen toelaten in ons gezelschap". Dat zei Antinous, en zij stemden in met zijn voorstel.
18; 51-70
Maar met een list in gedachten zei Odysseus tot hen: "Mijn beste mensen, het is eigenlijk van de gekke dat een grijsaard, uitgeput door ellende, vecht met een jongere man; maar mijn verwenste maag dwingt mij ertoe om hem in elkaar te slaan. Maar kom, zweer mij nu gezamenlijk een dure eed dat niemand Irus helpt en mij slaat met krachtige hand tegen de regels, en mij met geweld van hem laat verliezen". Dat zei hij en zij zwoeren dat allen zoals hij het vroeg. Maar toen zij de eed hadden afgelegd, zei de krachtige Telemachus weer in hun midden: "Vreemdeling, als jouw fiere hart en gemoed jou ertoe aanspoort om hem van je af te slaan, vrees dan geen van de andere Grieken, want wie jou treft zal het op moeten nemen tegen een overmacht: mij, de beschermer van vreemdelingen, en deze vorsten vallen mij bij, Antinous en Eurymachus, allebei verstandig". Dat zei hij, en zij allen betuigden hun instemming; maar Odysseus omgordde zich met zijn lompen, en hij toonde zijn dijen welgevormd en fors, en zijn brede schouders kwamen tevoorschijn en zijn tors en stevige armpartijen: Athena kwam naar hem toe en deed de leden bij de krijgsman zwellen.
18; 71-89
Alle vrijers raakten van grote bewondering vervuld, en als volgt sprak menigeen tegen degene die naast hem stond: "Heus, straks is Irus ex-Irus door zelf opgeroepen onheil! Kijk maar eens wat voor een dijen die grijsaard uit zijn lompen trekt". Dat zeiden zij, en Irus zonk de moed in de knieen. Maar toch deden dienaars hem een gordel om, ook al was hij bang, en trokken hem mee: het vlees sidderde rondom zijn leden. Antinous sprak hem afgemeten, smalend toe: "Nou, opschepper, bestond je maar niet en was je nooit geboren, als je zo erg de zenuwen krijgt van angst voor hem daar, nota bene een oude man, getekend door veel leed dat hem overkwam. Maar dit verzeker ik je, en zo zal het ook gebeuren: als hij daar jou de baas blijft en de sterkste blijkt, dan drop ik jou in een donker schip en stuur je naar het vasteland, naar koning Echetus, verminker van allen. Die zal jouw neus en oren afsnijden met een meedogenloos mes, en je ballen afrukken om ze rauw aan de honden te voeren". Dat zei hij, dus hem greep nog erger de siddering bij de leden. Maar zij brachten hem in de kring en beiden hieven hun handen op.
18; 90-107
Toen nu overwoog de onversaagde, dappere Odysseus of hij hem zó hard zou neerslaan dat hij zou neervallen en prompt zou sterven, of dat hij hem rustiger tegen de grond zou werken; en als volgt, dacht hij, dat het 't beste zou zijn, hem rustig te behandelen om niet de Grieken over hem de ogen te openen. Toen haalden zij allebei uit en Irus trof zijn rechterschouder, maar hij trof zijn nek onder het oor, en duwde zijn botten naar binnen; en terstond droop het rode bloed uit zijn mond, kreunend stortte hij neer in het stof en klappertandend sloeg hij met zijn voeten tegen de grond; maar de pralende vrijers hieven hun handen omhoog en barstten van 't lachen. Maar Odysseus pakte zijn been en sleepte hem door het voorportaal, tot hij in de voorhof kwam: daar zette hij hem tegen de hofmuur en liet hem daar tegen leunen en duwde hem een stok in zijn hand, en met verheffing van stem snauwde hij hem hard toe: "Blijf daar nu zitten en houd zwijnen en honden op afstand, en speel in je ellende geen baas over vreemden en bedelaars, anders krijg je met nog meer ellende te maken".
18; 108-117
Dat zei hij en hij drapeerde om zijn schouders de walgelijke knapzak, aan alle kanten gescheurd, een touw deed dienst als draagband. Toen ging hij weer naar de drempel en zette zich neer. Z'n kijkers gingen hartelijk lachend naar binnen en wensten hem geluk: "Geve Zeus, vreemdeling, en ook de andere onsterfelijke goden, wat je het liefste wilt en je het begeerlijkste voorkomt, want je hebt een eind gemaakt aan dat schooien van die slokop in dit land: we zullen hem wel naar het vasteland transporteren naar koning Echetus, verminker van allen". Dat zeiden zij, en Odysseus verheugde zich over dit voorteken.

Odysseus en Amphinomus

18; 118-157
Antinous zette hem een grote pens voor, vol vet en bloed, en Amphinomus nam twee broden uit een mand en zette ze voor hem neer en met een gouden beker bracht hij een toast op hem uit met de woorden: "Heil, vadertje vreemdeling, moge je rijkdom ten deel vallen in de toekomst, ook al ben je nu in de greep van veel tegenslag". Ten antwoord sprak toen tot hem de listenrijke Odysseus: "Amphinomus, je lijkt me werkelijk fatsoenlijk te zijn, net als je vader, van wiens reputatie ik hoorde, Nisus van Dulichium, een nobel en welgestelde man. Van hem zegt men toch dat jij de zoon bent, met je verbale optreden. Daarom zeg ik je dit, neem mijn woord ter harte en luister naar mij: de aarde voedt geen wezen nietiger dan de mens tussen al wat op aarde rondkruipt en leeft. Want nooit denkt hij aan leed dat hij later zal lijden, zolang de goden hem voorspoed geven en hij zijn mannetje staat; maar als de gelukzalige goden hem leed toebedenken, dan draagt hij dat geduldig, zij het met tegenzin; Want de kijk van de mensen op aarde spoort met de situatie die vader van goden en mensen dagelijks brengt. Ook ik zou ooit een vermogende man worden, maar, toegevend aan gewelddadige kracht bedreef ik veel overmoedigs, vertrouwend op mijn vader en mijn broers. Daarom: laat niemand toch onwettig te werk gaan, maar in stilte de zegeningen die de goden hem gunden, koesteren. Zo zie ik hier vrijers boosaardig van zin de bezittingen verbrassen en de echtgenote onwaardig behandelen van een man, van wie ik voorspel dat hij niet lang meer van familie en vaderland wegblijft: dat komt al dichtbij! Moge een godheid jou veilig naar huis voeren zonder hem te ontmoeten, wanneer hij terugkeert naar zijn dierbare vaderland, want ik denk dat het niet zonder bloedvergieten beslecht wordt tussen de vrijers en hem, wanneer hij onder zijn dak terugkeert". Dat zei hij en na de zoete wijn geplengd en gedronken te hebben gaf hij de beker weer terug in de handen van de leider. Die liep met bezwaard gemoed door het huis hoofdschuddend; want hij voorzag wel ellende, maar toch ging hij niet op de vlucht voor zijn doodslot, ook hem had Athena voorbestemd om door Telemachus' speerworp te sterven; nu zette hij zich weer neer op de armstoel waaruit hij opgestaan was.

Penelope spreekt de vrijers toe

18; 158-168
Toen bracht de godin, de felogige Athena, in gedachte bij haar, de wijze Penelope, dochter van Icarius, onder de vrijers te verschijnen, om het hart te verruimen van de vrijers en nog meer dan voorheen respect af te dwingen van de kant van haar echtgenoot en haar zoon. Met een geforceerd lachje sprak zij dan met nadruk: "Eurynome, ik verlang ernaar - voorheen was dat niet zo - me te vertonen aan de vrijers, ook al zijn ze me gehaat; Ik wil mijn zoon vertellen, wat het beste voor hem is: zich niet in alles met die arrogante vrijers te bemoeien, want hun praatjes zijn mooi, maar ze hebben het slecht met hem voor".
18; 169-176
Tot haar sprak daarop de trouwe huishoudster Eurynome:"Ja, mijn kind, dat alles zei jij naar behoren; ga dus en spreek tot uw zoon, onomwonden, na u gewassen te hebben en uw wangen gezalfd, want niet moet u gaan met een gezicht dat zo door tranen besmeurd is, nee, het is kwalijk om altijd te treuren. Nu is jouw zoon al zo groot, van wie je zo dringend tot de onsterfelijken bad hem te zien met een vlossige kin.
18; 177-186
En de wijze Penelope sprak toen weer tot haar: "Eurynome, vermaan me maar niet, ook al is het uit bezorgdheid, om me te wassen en met olijfolie op te maken. Mijn charme immers hebben de goden die de Olympus bewonen, mij ontroofd, sinds hij heenging op de holle schepen. Nee, geef me Autonoe en Hippodamia de opdracht mee te gaan en zich naast mij op te stellen in de benedenzaal, want alleen begeef ik me niet onder mannen, dat verbiedt mijn fatsoen". Dat waren haar woorden en het oudje was al weg door het paleis om het de vrouwen te melden en ze te roepen om te komen.
18; 187-196
Toen dan zinde de godin, de felogige Athena, op andere zaken: zij goot een zoete slaap uit over de dochter van Icarius, die leunde achterover en al haar leden ontspanden zich daar in haar leunstoel; intussen gaf de stralende godin goddelijke gaven, opdat de Grieken bewonderend naar haar zouden opzien. Eerst zuiverde zij haar mooie gezicht met goddelijk blanketsel, waarmee de schoongekranste Cytherse zichzelf ook behandelt, wanneer zij zich voegt in de prachtige dans der Chariten; ook maakte zij haar groter en forser in gestalte, en zij maakte haar blanker dan pas gezaagd ivoor.
18; 197-225
Na dit volbracht te hebben verdween de stralende godin, en de blankarmige dienaressen kwamen uit hun kamer, druk pratend, en de zoete slaap liet haar los en zij wreef langs haar wangen en zei: "Ach, een heerlijke slaap verhulde mijn verschrikkingen. Mocht de gezegende Artemis mij zo'n heerlijke dood verschaffen, en wel direct, opdat ik niet meer in treurnis mijn leven verspil, in verlangen naar mijn man, omdat die toch in elk soort voortreffelijkheid uitstak boven alle Grieken. Na deze woorden daalde ze af uit haar schitterende bovenvertrek, niet alleen: haar vergezelden de twee dienaressen. Toen de oogverblindende vrouw kwam bij de vrijers, bleef zij staan bij een zuil van het stevig vervaardigde paleis en hield een glanzende sluier voor haar wangen, en aan weerszijden stelde zich een toegewijde dienares op. Toen knikten hun knieen en zij werden door begeerte gevangen, ja, allen verlangden in bed bij haar te gaan liggen. Maar zij sprak tot Telemachus, haar dierbare zoon: "Telemachus, jouw geest en gedachten zijn niet meer zo zeker; als een jochie was je toch meer bedacht op wat goed voor je was, maar nu - terwijl je toch groot bent en praktisch volwassen, en iedere vreemde je de telg van een vermogende man zal achten, wanneer hij je grootte en schoonheid in acht neemt - nu zijn je gedachten van binnen niet meer trefzeker! Neem nou wat hier in het paleis is gebeurd: dat je die vreemdeling zo liet mishandelen! Waar moet dat heen, als een vreemdeling die in ons huis heul zoekt, zó te lijden krijgt van smartelijke mishandeling? Voor jou zal dit schande en smaad brengen onder de mensen".
18; 226-242
Haar antwoordde daarop de verstandige Telemachus: "Moederlief, ik neem u uw verontwaardiging niet kwalijk; in mijn hart weet ik heus wel bij alles, wat goed is en kwaad, al was ik voorheen een onnozel joch. Maar ik kan niet in alles de verstandigste keus maken, want van alle kanten oefenen deze kwaadwilligen druk op mij uit en ik heb geen hulp van anderen. Toch is de vechtpartij van de vreemdeling en Irus niet gegaan volgens de wil van de vrijers, want hij overtrof hem in kracht. Ach, bij Zeus en Athena en Apollo, mochten zó nu de vrijers in ons paleis in een nederlaag hun hoofden geplet zijn, deels in de hof, deels ook binnenshuis, van ieder de leden verlamd, zoals nu die Irus daar versuft bij de deur zit, knikkebollend, net of hij dronken is, zelfs recht op zijn benen kan hij niet staan, laat staan de weg naar huis vinden, nee, zijn ledematen zijn hem niet meer ter wille!"
18; 243-249
Zo spraken zij tegen elkaar deze woorden. Maar Eurymachus zei tegen Penelope: "Dochter van Icarius, wijze Penelope, als alle Grieken uit heel Argos u zouden aanschouwen, dan zouden vanaf morgenochtend nog veel meer vrijers zich in uw paleis aan de dis scharen, want u overtreft alle vrouwen in uiterlijk en grootte en evenwichtige geest".
18; 250-280
Hem antwoordde daarop de wijze Penelope: "Eurymachus, de voortreffelijkheid van mijn uiterlijk en gestalte hebben de onsterfelijken verloren laten gaan, toen de Grieken tegen Ilium optrokken en mijn man Odysseus met hen meetrok. Als hij terugkwam en mijn leven weer onder zijn hoede nam, dan zou mijn faam groter en mooier zijn. Maar nu treur ik: zoveel rampen toch zond de godheid mij toe. Ach, bij zijn vertrek uit zijn vaderland nam hij mijn hand bij de pols en zei me: "Vrouwlief, ik denk dat niet alle gescheenweerde Grieken ongedeerd uit Troje terug zullen keren, want ook de Trojanen, zo zegt men, zijn dappere vechters, zowel goede speerwerpers als boogschutters en menners van snelle strijdwagens, die een slag vlug kunnen beslechten in de gelijkopgaande oorlog. Dus weet ik niet of de godheid mij terug laat gaan of dat ik sneuvelen zal daar in Troje; maar zorg jij voor alles hier. Bekommer je om mijn vader en moeder hier in het paleis zoals nu, of nog meer als ik ver weg ben; Maar wanneer je zult zien dat mijn zoon dons aan zijn kin krijgt, trouw dan wie je wilt en verlaat dan ons huis. "Zo sprak hij mij toe: dat alles gaat nu in vervulling. De nacht zal komen wanneer dat gehate huwelijk toevalt aan mij, ongelukkige, van wie Zeus mijn rijkdom ontstal. Maar nu grieft mijn hart ook nog deze smart: voorheen was dit nooit het gedrag dat vrijers paste: zij die dingen willen naar een nobele vrouw en de dochter van een vermogende in onderlinge wedijver, die brengen zelf runderen aan en forse schapen, als maaltijd voor de dierbaren van het meisje en zij geven mooie cadeaus, maar zij eten niet straffeloos andermans bezit op".
18; 281-289
Dat waren haar woorden, de stralende Odysseus werd zeer verheugd, omdat zij geschenken van hen opeiste en hun hart wist te betoveren met flemende woorden, terwijl haar geest anders beoogde. En tot haar sprak weer Antinous, de zoon van Eupeites: "Dochter van Icarius, wijze Penelope, neem de geschenken die u wilt dat de Grieken ze brengen in ontvangst, want een gave te weigeren is niet juist. Maar wij gaan niet terug naar onze akkers of waarheen ook alvorens u van de Grieken de beste getrouwd hebt".
18; 290-305
Zo sprak Antinous, en zij stemden in met zijn uitspraak: Ieder stuurde zijn dienaar erop uit om geschenken te halen. Die van Antinous bracht een grote, prachtige mantel, bont bewerkt; daarin staken in totaal twaalf spelden van goud, passend in mooi gebogen haken. Voor Eurymachus bracht men daarop een kostbare ketting, van goud, geregen met barnsteen en stralend als de zon. En dienaren van Eurydamas brachten twee oorhangers, parels in trosjes van drie: een overdadige pracht straalde ervan af. En uit het huis van de vorst Pisander, zoon van Polyctor, bracht een dienaar een halssnoer, een prachtig stuk vakwerk. Zo bracht elk van de Grieken een eigen geschenk aan. Zij nu, de goddelijke vrouw, ging weer naar boven naar haar vertrek, en voor haar droegen dienaressen de wondermooie geschenken mee. Zij nu richtten zich tot de dans en lieflijke zang en genoten daarvan, zij verwijlden erbij tot de avond.

Contact van Odysseus met de dienaressen en Melantho

18; 306-325
Toen nu de avond opkwam, terwijl ze zich vermaakten, stelden ze drie vuurbekkens op in de zaal, om die licht te laten geven; en dor hout legden ze eromheen, lang geleden gekapt, heel droog, en pas geleden gekloofd, en ze zetten er aanmaakstrips tussen. Om beurten rakelden de slavinnen van de onversaagde Odysseus het op, maar hijzelf, de godgeboren slimme Odysseus, sprak tot hen: "Dienaressen van Odysseus, jullie lang afwezige heer, ga maar naar jullie kamers en jullie gezegende vorstin, en draai het spinrokken bij haar, en stem haar vrolijk met jullie aanwezigheid, of kam de wol met jullie handen; ik zal bij al dezen hier het vuur wel verzorgen, al willen ze doorgaan tot de Dageraad, op schone troon gezeten, mij zullen ze niet in slaap treffen: ik heb wel voor heter vuren gestaan". Dat zei hij, en zij proestten het uit en keken elkaar aan. Maar op hem begon Melantho lelijk te schelden, de dochter van Dolius, Penelope had haar opgenomen en als een dochter vertroeteld, en zij gaf haar speelgoed naar hartelust; Maar toch niet had ze medelijden met Penelope, nee, zij hield het met Eurymachus en bedreef de liefde met hem.
18; 326-336
Zij nu beschimpte Odysseus met hatelijke woorden: "Ach, brok vreemdeling, je bent niet goed bij je hoofd, waarom ga je niet in de smederij slapen, of voor mijn part in een asiel, maar klets je hier maar raak, brutaalweg onder zoveel heren: ken je dan geen schroom? Heeft de wijn je soms dronken gemaakt of ben je naïef van nature en bazel je altijd zo? Ben je soms hoteldebotel omdat je die zwerver Irus in elkaar sloeg? Pas maar op dat straks niet een ander opduikt, sterker dan Irus, en je met ijzeren vuisten je hoofd afrost en je dan buiten de deur zet, bezwadderd met bloed!".
18; 337-345
Met minachtende blik sprak de listige Odysseus tot haar: "Zeg, trut, ik ga Telemachus eens vertellen, wat jij hier zegt, dan maakt hij gehakt van je!". Met deze woorden joeg hij de vrouwen uiteen. Zij repten zich door het paleis, en van elk sidderden de leden van benauwdheid: zij dachten dat hij het meende. Maar hij bleef verzorgde het schijnsel van de vlammende bekkens en nam allen in zich op; en binnen broedde hij op van alles, dat niet onvervuld zou blijven!

Odysseus en Eurymachus

18; 346-364
Athena, nu, liet niet toe dat de arrogante vrijers ophielden met hun grievende smaad, opdat de smart nog dieper zou invreten in het hart van Laertes' zoon Odysseus. Eurymachus, Polybus' zoon, nam het woord onder hen, en maakte zijn maats aan het lachen met hoon voor Odysseus: "Luister naar mij, jullie die dingen naar de hand van de vermaarde koningin, terwijl ik zeg wat ik wil. Niet zonder de wens van 'n god komt deze man naar Odysseus' huis; werkelijk, het schijnsel van fakkels schijnt mij ook van zijn hoofd te weerkaatsen, want daar zit geen sprietje haar meer op". Dat zei hij en daarop sprak hij tot de stedenverwoester Odysseus: "Vriend, zou jij niet dagloner willen zijn, als ik je in dienst nam, voor het stapelen van muurtjes en het planten van fikse bomen aan de rand van mijn grondgebied - voor een goede beloning? Dan zou ik je ruimschoots te eten geven, en voor kleding zorgen en je van schoeisel voorzien. Maar omdat je alleen maar hebt leren luilakken, zul je liever niet aan de slag willen gaan, maar onder het volk rond willen bedelen, om je onverzadigbare maag vet te mesten".
18; 365-386
Hem antwoordde de listenrijke Odysseus: "Eurymachus, konden wij beiden eens een wedstrijd houden in landwerk tijdens het voorjaar, als de dagen weer lang zijn, op een weiland: ik met een goed gebogen sikkel, en jij met net zo een, om ons te meten in afzien zonder te eten, tot de duisternis valt, ja, op dat weiland. Of als er ossen voort te drijven waren, prima beesten, roodbruine, groot, verzadigd van grazen, even oud, even sterk, met onuitputtelijke kracht, en het land vier morgens besloeg en de klei week voor de ploeg, dan zou je nog eens zien of ik een rechte voor zou kunnen snijden. Maar als Cronus' zoon vandaag nog een oorlog zou ontketenen en ik dan beschikken zou over een schild en twee lansen en een massief bronzen helm, passend op mijn slapen, dan zou je zien hoe ik mij onder de voorste strijders meng, en dan zou je zeker niet smalend spreken over mijn maag. Maar jij staat maar te snoeven met veel kouwe drukte en denkt misschien groot en geweldig te schijnen, omdat je als éénoog tussen blinden verkeert. Maar als Odysseus zal komen, hier in zijn vaderland, dan zullen, reken maar, de deurvleugels te smal zijn, hoe breed ook gemaakt, als jij probeert weg te vluchten door de voorhof."
18; 387-393
Dat zei hij, en Eurymachus raakte nog meer door het dolle en zei tot hem met verachtende blik, niet mis te verstaan: "Ach, kreukel, ik zal je betaald zetten wat je hier durft te zeggen brutaalweg in dit grote gezelschap zonder terughoudendheid ben je soms door de wijn van de wijs, of ben je door je aard altijd zo, dat je ook van die zotte praat afscheidt, of ben je onzinnig omdat je die zwerver Irus wist te verslaan?".
18; 394-404
Met deze woorden greep hij een voetenbank, maar Odysseus hurkte neer bij de knieen van de Dulichier Amphinomus, verschrikt door de uitbarsting van Eurymachus: die trof nu de rechterhand van een schenker, en de kan kletterde tegen de grond, en zelf viel hij kreunend achterover in het stof. De vrijers begonnen daarop te rumoeren in het schemerende paleis, en menigeen keek naar zijn buurman en zei tegen hem: "Ach was die vreemdeling maar omgekomen op zijn zwerftocht, alvorens hierheen te komen; dan had hij niet zo'n herrie veroorzaakt. Nu zitten we ruzie te maken om bedelaars en het genot van de maaltijd is ver heen, omdat we ons inlaten met smoezels.

Telemachus en Amphinomus herstellen de rust

18; 405