Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Longus - Daphnis en Chloe

Bron: Michigan State University msu.edu

Vertaald naar het Nederlands door Maarten Hendriksz 2015.

Inleiding

0; 01
Ik was aan het jagen op het eiland Lesbos toen ik het mooiste zag dat ik ooit gezien heb in de bossen van de Nimfen. Het was een verhaal over Eros. Het bos was een prachtige plek, vol bloemen en bomen. Rivieren stroomden naar beneden, uit dezelfde bron vloeiend die de bomen en bloemen van water voorzagen. Maar ik genoot meer van het schilderij, de ongeëvenaarde kunst van de compositie en de lotgevallen van Eros. Vele vreemdelingen, die ervan hoorden, kwamen om de Nimfen te aanbidden en er een blik op te werpen. Het toonde barende vrouwen, anderen die de pasgeborenen in doeken wikkelden, naakte kinderen, kuddes schapen die de baby’s zoogden, herders die hen opraapten, en jonge mensen die een huwelijk regelden. Er was een piratenaanval te zien en een invasie door vijanden. Vele andere zaken in verband met Eros waren ook afgebeeld. Ik keek, en terwijl ik keek en mij verbaasde, kwam er een hartstochtelijk verlangen in me op om een schriftelijke reactie op het schilderij te schilderen. Ik koos iemand uit om de beelden te interpreteren, en voltooide vier boeken. Ik draag ze op aan Eros en de Nimfen en ook aan Pan en tot vreugde aan al mijn medemensen om te bezitten. Het zal degenen genezen die ziek zijn, degene troosten en op hun gemak stellen die rouwen, herinneringen oproepen bij diegenen die ooit Eros gevoeld hebben, en een gids zijn voor diegenen die Eros nog nooit gevoeld hebben. Niemand ontsnapt of zal ooit ontsnappen aan Eros zolang er schoonheid is, en ogen om te zien. Mogen de goden mij zelfbeheersing schenken bij het uitbeelden van datgene dat anderen hebben gedaan.

Boek 1

1; 01
Mytilene is een grote en mooie stad op het eiland Lesbos. Het is van het vasteland gescheiden door een lieflijk stromende straat die in de zee overgaat. Vele houten bruggen en schitterend witte stenen versieren de wegen. Je zou bijna niet geloven dat je naar een stad keek maar naar een eiland. Zo’n twintig mijl daar vandaan ligt het landgoed van een welvarende man, een heel mooi bezit. Er waren bergen, moeder van wilde dingen, en vlaktes bedekt met licht ontvlambaar graan, heuvels met fruitbomen en wijngaarden. De zee bespatte uitgestrekte stranden van zacht zand.

1; 02
Op dit landgoed hoedde een geitenhoeder zijn kudde. Zijn naam was Lamon, en hij struikelde over een kind dat werd gezoogd door een geit. Daaromheen stonden een eikenbos, bramen, woekerende klimop en zacht gras, terwijl het kind op het gras lag. Een geit zwierf daar rond en verdween telkens uit het zich, haar baby alleen achterlatend. (ze paste op een kind.) Lamon zag haar heen en weer lopen en had medelijden met het verwaarloosde kind. Tijdens de middaghitte, hij volgde de sporen van de geit, zag hij haar schrijlings over het kind staan, er voor zorgend hem niet met haar hoeven te vertrappen. Het kind zoog de melk als uit zijn moeders borst. Lamon keek er verstomd naar zo lang hij kon. Hij kwam dichterbij en vond een mannelijk kind van grote omvang en schoonheid gewikkeld in doeken die rijke ouders deden vermoeden. Naast hem lagen een purperen mantel, een gouden broche en een kleine dolk met een ivoren handvat.

1; 03
Lamon’s eerste gedachte was om deze spullen mee te nemen en het kind achter te laten, maar toen schaamde hij zich. ‘Ben ik slechter voor een baby dan een geit?’ Hij wachtte tot het donker werd, en, onder dekking daarvan, bracht alles thuis naar zijn vrouw Myrtale, de spullen, het kind en de geit. Myrtale stond verbijsterd: ‘Baren geiten kinderen?’ vroeg ze. Lamon vertelde haar alles – hoe hij de baby had gevonden, hoe hij haar het kind zag zogen, en hoe hij zich schaamde om hem stervend achter te laten. Ze werden het eens wat zij moesten doen. Zij verborgen de spullen die bij het kind waren achtergelaten en deden alsof hij van henzelf was, zijn verzorging aan de geit toevertrouwend. Ze besloten om hem Daphnis te noemen, een naam, dachten zij, die paste bij een herderszoon.

1; 04
Twee jaar later, een herder hoedde een kudde in de naburige velden, deed iemand die Dryas heette, een soortgelijke ontdekking. Er was daar een grot van de Nimfen, een grote rots, hol van binnen maar rond van buiten. Binnen waren uit de levende rots beelden van de Nimfen uitgehakt. Zij waren blootsvoets, hun armen naakt tot aan hun schouders, en hun haren hingen los tot op hun schouders. Ze droegen een riem om hun middel. Ze lachten en waren dansend afgebeeld. Halverwege de grot, welde water op uit een bron, een vloeiende stroom vormend die een beek voedde en de grazige weide voor de ingang van de grot. Op schappen stonden drinkbekers, allerlei soorten fluiten, de offers van herders van weleer.

1; 05
Een schaap dat onlangs bevallen was ging de grot binnen. Ze leek verdwaald. De herder wilde haar stoppen en weer de goede kant uitsturen. Hij vlocht een soepel twijgje tot een strop en benaderde de rots om haar te vangen, maar toen hij daar aankwam, zag hij iets heel anders dan dat hij had verwacht. De ooi gedroeg zich als een menselijke moeder, haar borst welke overliep van de melk aan een kind schenkend dat niet huilde maar gretig zoog, haar zuivere en mooie mond van de ene naar de andere uier bewegend. Toen het kind voldaan was, likte het beest met haar tong het gezicht schoon. Het kind was een meisje wier windsels naast haar lagen samen met een gordel die van gouden draden was geweven. Gouden sandalen, en gouden enkelbanden.

1; 06
De herder dacht dat deze ontdekking op de een of andere manier door de goden was ingegeven, en de ooi geleerd hadden om het kind te verzorgen en lief te hebben, nam het kind in zijn armen. Hij stopte de spullen in zijn knapzak en bad tot de Nimfen dat hij hun smekeling onder een gunstig fortuin mocht grootbrengen. De tijd was aangebroken om de kudden naar huis te drijven. Hij kwam in zijn hut en vertelde zijn vrouw wat hij gezien had en toonde haar wat hij gevonden had. Hij smeekte haar om voor het kind te zorgen alsof het van henzelf was en op te voeden als hun eigen dochter en te vergeten wat er gebeurd was. Nape (dit was haar naam) werd onmiddellijk haar moeder en hield van het kind. Het leek alsof zij bang was om door een schaap overtroffen te worden. In ieder geval, zij gaf het meisje de naam Chloe, passend bij een herdersdochter en een belofte van trouw aan haar echtgenoot.

1; 07
De kinderen groeiden heel snel op, en schoonheid sierde hen veel meer dan hun landelijke omgeving kon schenken. Ondertussen was Daphnis vijftien geworden, terwijl Chloe twee jaar jonger was. Toen kregen Dryas en Lamon op één nacht eenzelfde soort droom. Zij droomden dat de Nimfen, degenen in de grot waar de bron vloeide en Dryas het kind vond, Daphnis en Chloe aan een grillige en mooie jongen toevertrouwden die vleugels op zijn rug had en een kleine boog met pijlen droeg. De jongen raakte hen beiden met één pijl aan en gaf bevel dat in de toekomst de jongen de geiten moest hoeden en het meisje de schapenkudden.

1; 08
Dryas en Lamon waren geschokt door wat ze gezien hadden. Bleken de kinderen nu geiten- en schapenhoeders te zijn? Hoe kon dit, terwijl hun windsels een zoveel beter lot beloofden en een fortuin deden verwachten? Was het voor dit fortuin dat zij de kinderen met heerlijk voedsel hadden grootgebracht en hen schrijven hadden geleerd en de vele andere mooie dingen van het landelijke leven? Toch was het verstandig om de goden te gehoorzamen in de omgang met de kinderen die door toedoen van de goden waren gespaard. Zij deelden hun dromen met elkaar en offerden in de grot van de Nimfen aan de ‘Gevleugelde Jongen’, want zij kenden zijn naam niet. Zij stuurden de kinderen eropuit met de kudden maar niet voordat zij hen elke taak goed duidelijk hadden gemaakt - hoe zij voor de middag naar de weiden moesten gaan en terug moesten keren als de hitte geweken was, wanneer zij de kudden naar het water en moesten leiden om te rusten, wanneer zij hun staf of hun stem moesten gebruiken. De kinderen waren uitgelaten en namen de geiten en schapen aan als hun heerlijke rijk. Zij hielden meer van hen dan herders gewoon waren te doen. Chloe ontdekte haar redding door een schaap, terwijl Daphnis zich herinnerde hoe hij te vondeling was gelegd en door een geit gezoogd.

1; 09
De lente was net aangebroken, en de bloemen waren op hun mooist in de eikenbossen, de weilanden, en de bergen. Het gegons van bijen klonk, de zang van zoete vogels, en de capriolen van nieuwe lammetjes. De lammetjes dartelden rond in de bergen, de bijen zoemden boven de weiden, en de vogels zongen spreuken in de bomen. Deze prachtige tijd van het jaar koesterde alles in haar omarming, en de lieflijke jeugd begon alles na te doen waar zij naar luisterden. Als zij de zingende vogels hoorden, begonnen zij te zingen. Als zij de lammeren zagen dartelen, begonnen zij ook lenig rond te springen, en, de bijen nabootsend, plukten bloemen en verzamelden die in hun schoot en weefden anderen tot slingers en hingen die om de Nimfen.

1; 10
Zij lieten hun kudden naast elkaar grazen en deden alles samen. Soms haalde Daphnis verdwaalde schapen uit haar kudden op, en soms dreef Chloe de dartelende geiten weg bij de steile kliffen. Na verloop van tijd, waakte de een over de beide kudden terwijl de ander een of ander spel speelde. Hun spelletjes waren van het soort dat herders en kinderen spelen. Zij verzamelde takjes en maakte vallen voor sprinkhanen, en raakte hier zo in de ban van, dat zij haar kudde verwaarloosde. Hij sneed soepel riet af en verbond dat met zachte was aan elkaar om een fluit te maken, en oefende de hele dag tot de avond inviel. Zij deelden hun melk of wijn, of wat er was om te drinken, en het voedsel dat zij van thuis hadden meegebracht, zij zwommen op een gezamenlijke plek. Je zou eerder dieren van elkaar gescheiden zien dan Chloe en Daphnis.

1; 11
Terwijl zij speelden, zond Eros een bedreiging op hen af. Een wolvin zorgde voor haar jongen in de naburige velden en greep vele schapen uit andere kudden om hen te voeden. Tijdens de nacht, de dorpelingen dromden bijeen en begonnen brede, diepe kuilen te graven. Ze verspreidden het opgegraven vuil heinde en ver en legden lange uitgedroogde staken over de gapende gaten. De rest van het vuil spreidden zij uit over de staken, waardoor dit op ongerepte grond leek. Zelfs door een konijn dat er overheen liep zouden de staken breken, droog en breekbaar als zij waren, waardoor iedereen snel zou merken dat het geen echte aarde as maar een nabootsing. Zij groeven vele gaten in de bergen en op de vlakten, maar zij hadden geen geluk. Zij vingen de wolf niet, want deze bespeurde dat in de grond een val schuil ging. De dorpelingen verloren vele geiten en schapen, en samen met hen, Daphnis.

1; 12
Twee geiten hadden zich tot razernij opgewerkt en begonnen te vechten. Het enorme geweld van hun eerste stoten verbrijzelde de hoorn van een geit. Deze kreunde van de pijn en sloeg op de vlucht. De winnende geit volgde kort er achter en zou niet stoppen om te rusten. Daphnis was bedroefd over de hoorn, maar de agressie van de andere geit maakte hem boos. Hij greep een knots en zijn staf en ging achter de geit aan. Zoals soms gebeurt bij iemand die probeert weg te komen en iemand anders hem woest achtervolgt, keken zij niet waar zij gingen of naar de grond onder hun voeten, en beiden vielen in een gat, eerst de geit en toen Daphnis. Deze omstandigheid redde zijn leven, want de geit brak zijn val. Huilend wachtte hij in het gat op iemand om hem eruit te trekken. Chloe had alles gezien en rende naar het gat. Toen ze zag dat hij nog leefde, haalde ze een herder uit de naburige velden. Deze kwam en ging op zoek naar een lange rietstengel om Daphnis eruit te trekken, maar kon er geen een vinden. Chloe maakte de kleding om haar borst los en gaf die aan de herder om in het gat neer te laten. Samen stonden zij aan de rand en begonnen te trekken, terwijl Daphnis aan het kledingstuk trok en tegen de wand opliep. Zij verwijderden ook de arme geit, nu van beide hoorns berooft, een passende terugbetaling voor de overwonnen geit. Ze gaven de geit aan de herder om te offeren als hun redder en waren bereid om tegen iedereen thuis die er naar vroeg over te liegen en te zeggen dat de wolf hem had gegrepen. Daphnis en Chloe keerden terug naar hun kudde en waakte over hen. Toen ze er zeker van waren dat de geiten en schapen rustig liepen te grazen, gingen ze tegen een eiken boomtronk liggen en begonnen Daphnis te onderzoeken om er zeker van te zijn dat hij zich niet bezeerd had tijdens de val. Hij was bloedde niet en was ook niet gewond, maar was van top tot teen met modder bedekt.

1; 13
Het leek een goed idee om te gaan baden voordat de dag ten einde liep en zij terug moesten naar Lamon en Myrtale. Dus ging Daphnis, vergezeld door Chloe, naar de grot van de Nimfen. Hij gaf zijn mantel en buidel aan Chloe om vast te houden terwijl hij in de bron stond en zich waste. Hij had een rijke bos zwart haar, en zijn lichaam was gebruind door de zon. Je zou denken dat het gekleurd werd door de schaduw van zijn haren. Voor Chloe die hem bekeek, zag hij er prachtig uit. Zij vond dat het bad hem mooier maakte, omdat juist op dat moment hij voor het eerst mooi leek. Toen ze zijn rug waste, leek zijn vlees zo zacht dat ze, zonder het te realiseren, bleef ze hem aanraken om te onderzoeken waar het zachter werd. De zon ging al onder toen zij hun kudden naar huis dreven. Chloe had geen spijt over wat er gebeurd was uitgezonderd haar verlangen om Daphnis zich weer te zien wassen. De volgende dag, toen zij bij de weide aankwamen, ging Daphnis bij zijn gebruikelijke eikentronk zitten en begon op zijn fluit te spelen terwijl hij naar de geiten keek die daar lagen alsof ze naar zijn muziek luisterden. Chloe zat in de buurt en keek naar haar schapenkudde, maar keek meer naar Daphnis. Hij leek haar betoverend, terwijl hij op zijn fluit speelde, en ze dacht weer dat de oorzaak voor zijn schoonheid met muziek te maken had. Toen hij uitgespeeld was, pakte zij de fluit om te zien of zij ook mooi kon worden. Ze haalde hem over om opnieuw te gaan baden, en zij keek hoe hij dit deed. Ze keek naar hem, raakte hem aan, en, hem bewonderend, ging weg. En deze bewondering was het begin van Eros. Chloe had geen besef van wat er met haar gebeurde. Zij was tenslotte een jong meisje dat opgegroeid was op het platteland en nog nooit iemand de naam van Eros had horen noemen. Haar ziel pijnigend en met betraande ogen, praatte ze de oren van Daphnis’ hoofd. Ze vergat te eten, lag ’s nachts wakker en verloor de interesse in haar schapen. Het ene moment lachte zij, een moment later, was ze aan het snikken. Nu eens, ging zij zitten, dan sprong ze weer op. Haar gezicht werd bleek, dan weer kleurde dit rood. Ze was onrustiger dan een koe in de hitte. En als ze alleen was, kwam soms de volgende gedachten in haar op:

1; 14
‘Nu, ik ben ziek, maar welke ziekte het is weet ik niet. Ik heb pijn, maar heb geen wond. Ik ben verdrietig, maar geen van mijn schapen is dood gegaan. Ik heb mijn vel opengehaald aan doornen, maar huilde nooit. Ik ben door bijen gestoken, maar klaagde nooit. Dit iets, wat het ook is, ligt zwaarder op mijn hart dan al het andere. Daphnis is mooi, ja, maar dat zijn de bloemen ook. Zijn fluit brengt prachtige noten voort, ja, maar dat doen de nachtegalen ook. Maar ik ontvang geen uitleg over deze dingen. Ik wou dat ik zijn fluit kon zijn zodat hij de hele dag in mij kon blazen. O ik wilde dat ik een geit was zodat ik de hele dag onder zijn toeziend oog kon grazen. O hatelijk water, jij maakte alleen Daphnis mooi. Ik baadde in je water, en er gebeurt niets. Ik ben verloren, geliefde Nimfen, en jullie redden mij niet, het meisje dat aan uw zijde opgroeide. Wie zal jullie bloemenslingers schenken als ik er niet meer ben? Wie zal die ellendige lammeren grootbrengen? Wie zal er zorgen voor de sprinkhanen waar ik zo hard voor gewerkt heb om ze te vangen zodat ze mij in slaap konden wiegen met hun gezoem? Nu lig ik wakker, denkend aan Daphnis, en is haar gezang nutteloos.

1; 15
Chloe leed en sprak tegen zichzelf op haar zoektocht naar de naam van Eros. Maar Dorkon, de herder die Daphnis en de geit uit het gat had getrokken, was een rijpe jongeman die alles over de naam en het werk van Eros wist. Vanaf die dag, was hij verliefd op Chloe, en hoe meer tijd er verstreek, des te meer zijn ziel in vuur en vlam stond. Hij verachtte Daphnis, een jongen waar hij door geweld of met omkoping van af kon komen. Als eerste bracht hij hen geschenken, voor Daphnis, een herdersfluit van negen rieten lang die met brons aan elkaar waren verbonden in plaats van was, en voor Chloe, een kalverhuid voor de aanbidding van Dionysus die er uitzag alsof deze beschilderd was. Vanaf dat moment, Dorkon werd als hun vriend beschouwd, besteedde hij geen aandacht meer aan Daphnis. De hele dag door, bracht hij Chloe een zachte kaas of een krans van bloemen of een rijpe vrucht. Hij bracht haar zelfs eens een pasgeboren kalf en een beker met versieringen van ivoor in goud en de kuikens van vogels uit de bergen. Zij had geen ervaring met de listen van een minnaar en nam de geschenken gelukkig in ontvangst, maar ze werd nog gelukkiger wanneer zij zelf Daphnis’ dag gelukkig kon maken. Maar zelfs Daphnis kwam op een leeftijd om het werk van Eros te herkennen. Dorkon kreeg ruzie met Daphnis over wie er mooier was, en Chloe moest oordelen. Als prijs voor de winnaar werd een kus van Chloe vastgesteld.

1; 16
Dorkon sprak als eerste: ‘Ik ben groter van Daphnis. Ik ben een herder en hij is een geitenhoeder. Net als vee sterker is dan geiten, ben ik sterker dan hij. Ik ben wit als melk, met rood haar als de oogst van het moment van plukken. Mijn moeder zoogde mij, geen beest. Hij is klein en baardloos als een vrouw en even zwart als een wolf. Hij hoedt geiten en stinkt naar hen. Hij is arm, te arm om een hond te hebben. En als, zoals ze zeggen, een geit hem van melk voorziet, verschilt hij in niets van een baby geit.’ Dit soort dingen zei Dorkon. Toen sprak Daphnis: ‘Net als Zeus werd ik door een geit gezoogd. Ik hoed geiten die groter zijn dan zijn kudde, en ik stink niet meer naar een geit dan Pan en hij is grotendeels een geit. Aan kaas en geroosterd brood en witte wijn heb ik niet genoeg, want ik ben Dionysus. Ik ben donker, want ik ben een hyacint. Maar Dionysus is sterker van de Saters, en de hyacint is mooier dan de lelie. Hij is roodharig als een vos, zijn kaak steekt naar voren als van een geit, en hij is blank als een vrouw uit de stad. Als je iemand moet zoenen, zal je mijn lippen voelen maar bij hem de haren van zijn baard. Bedenk, meisje, dat de kudde je weliswaar heeft grootgebracht, maar je beeldschoon bent.’

1; 17
Chloe bedacht zich geen moment, blij over zijn bewondering en er al lange tijd naar verlangend hem te kussen, sprong op en kuste iemand die onwetend en niet vaardig maar zeer capabel was vanwege zijn vurige ziel. Afgewezen en gekwetst, rende Dorkon weg om een ander pad van Eros te zoeken. Ondertussen, Daphnis werd humeurig, als iemand die was gestoken, kuste hij niet. Hij voelde vaak koude rillingen, en kon zijn hart niet weerhouden om weg te vliegen. Hij wilde naar Chloe kijken, maar als hij dat deed, kleurde hij over zijn hele lichaam. Voor het eerst staarde hij verbaasd naar haar vanwege haar blonde haren en ogen die even groot waren als die van koeien en haar gezicht dat blanker was dan de melk van haar geiten. Hij stond verbaasd over haar alsof hij die ogen voor het eerst zag en voordien blind was geweest. Hij at net genoeg voedsel om te proeven en genoeg te drinken om zijn lippen te bevochtigen. Hij werd stil terwijl hij voordien meer praatte dan de sprinkhanen, en voor iemand die altijd in beweging was, zat hij nu meestal op een plek. Hij verwaarloosde zijn kudde, en wierp zijn fluit weg. Zijn gezicht werd groener dan het gras van de zomer. Hij sprak alleen tegen Chloe en, bij gelegenheid als hij alleen was, zei dingen tegen zichzelf:

1; 18
Wat heeft die kus van Chloe met me gedaan? Haar lippen waren zachter dan rozenblaadjes, en haar mond zoeter dan honingraten. Ik heb vele malen kleine geitjes gekust, vele keren heb ik pasgeboren puppy’s gekust en het kalf dat Dorkon ons gaf. Maar deze kus is nieuw en vreemd. De adem giert me door de keel, mijn hart fladdert, mijn ziel smelt weg, en toch wil ik haar weer kussen. Oh, wat een kwade overwinning! Oh, wat een vreemde ziekte! Waarvan ik de naam zelfs niet ken. Heeft Chloe gif geproefd vlak voor ze mij kuste? Waarom stierf ze dan niet? De nachtegalen zingen, maar mijn fluit ligt zwijgend op de grond. Babygeitjes dartelen, maar ik zit hier. De bloemen zijn op hun mooist, maar ik vlecht geen slingers. Terwijl viooltjes en hyacinten bloeien, smacht Daphnis weg. Zelfs Dorkon lijkt nu mooier van uiterlijk dan Daphnis.’

1; 19
Onder dit soort dingen leed de goede Daphnis en sprak tegen zichzelf, want hij had voor het eerst van Eros’ werk geproefd. Maar Dorkon, de koeherder en minnaar van Chloe, die Dryas observeerde toen deze een fruitboom in de buurt van een geënte wijnstok plantte, benaderde hem met enkele heerlijke kazen en gaf die als geschenk, omdat zij lange tijd bevriend waren toen zij samen het vee hoedden. Hij begon een gesprek met Dryas en bracht een huwelijk met Chloe ter sprake. Als zij zijn vrouw zou worden, zou hij vele grote geschenken geven zoals het een koeherder betaamde: een span ploegossen, vier bijenkorven honingbijen, vijftig appelbomen, een stierenhuid voor sandalen, en een eenjarig kalf dat door zijn moeder gespeend werd. Dryas, overweldigd door de geschenken, stemde bijna in met het huwelijk. Maar bedacht dat het kind een betere echtgenoot waardig was, en bang dat hij ontdekt zou worden en geruïneerd door het onontkoombare kwaad, bood hij zijn excuses aan en weigerde de geschenken.

1; 20
Zijn hoop in rook opgegaan en al zijn heerlijke kazen kwijt, besloot Dorkon om zijn klauwen naar Chloe uit te slaan, als hij haar alleen kon treffen. Hij zag dat Daphnis of Chloe elke dag hun kuddes naar het water leidden, dus bedacht hij een plan dat men van een herder kon verwachten. Hij nam de huid van een grote wolf die een stier met zijn hoorns had gedood tijdens een gevecht om de koeien. Dorkon sloeg de huid om zijn rug tot aan zijn voeten zodat de voorpoten zijn handen bedekten en de achterpoten zijn benen tot aan de hielen. De opengesperde bek bedekte zijn hoofd als de helm van een soldaat. Hij probeerde er zo woest mogelijk uit te zien, en kwam bij de bron waar de geiten en schapen na het grazen dronken. De bron stroomde onder aan de heuvel. De omgeving was met wilde bereklauwen begroeid, wilde rozenstruiken, lage jeneverbesstruiken en distels. Het was precies de plek waar een echte wolf gemakkelijk in een hinderlaag op de loer kon liggen. Dorkon verstopte zich daar en wachtte op de dieren die naar het water zouden komen. Hij hoopte met dat deze verschijning Chloe bang te maken en haar te kunnengrijpen.

1; 21
Kort daarna, Chloe begon haar geiten in de richting van de bron te drijven. Ze liet Daphnis achter die groene bladeren afsneed als lekkernij voor de kleintjes na het grazen. De honden, die de schapen bewaken en de geiten volgen, want het is de taak van honden om geuren te ontdekken, werden Dorkon gewaar toen hij bewoog om het meisje te grijpen. Ze jankten fel en gingen op hem af als op een echte wolf. Hij raakte in paniek, de honden omsingelden hem voordat hij op kon staan en begonnen hem fel te bijten. Ondertussen, beschaamd vanwege de oneer en zich beschermend onder de bedekking van de huid, lag hij stil in zijn hinderlaag. Chloe, eerst bang door wat ze zag, riep Daphnis om hulp. De honden rukten de huid weg van Dorkon’s lijf en begonnen aan hem te knagen, hij gilde en smeekte het meisje en Daphnis, die intussen was aangekomen, om hem te helpen. Zij riepen de honden met het gewoonlijke signaal terug en kalmeerden hen. Zij brachten Dorkon, die in dijen en schouders was gebeten, naar de bron. Zij wasten zijn wonden en, de groene bast van de olm met hun tanden zachter makend, smeerden er die er als pasta op. Vanwege hun onervarenheid met de vermetelheden van Eros, dachten zij dat het aantrekken van de wolvenhuid een grap was. Zij waren niet boos.

1; 22
Zij troostten Dorkon en liepen hand in hand een stukje terug, uiteindelijk stuurden zij hem in zijn eentje weg. Dorkon kwam in groot gevaar, zo ging het verhaal rond, en werd gered, uit de bek van een hond, en niet die van een wolf. Daphnis en Chloe zwoegden tot het vallen van de avond en verzamelden hun geiten en schapen. Zij waren geschrokken van de wolvenhuid en het geblaf van de honden. Sommigen van hen renden tegen de rotsen op, en anderen liepen tot aan de zee toe. Zij hadden de dieren geoefend om te komen opdraven bij het geluid van de fluit en uit zichzelf samen te komen, maar deze keer waren zij alles vergeten door de angst. Met veel inspanning, vonden Daphnis en Chloe hen, op de manier waarop je naar konijnen zoekt, door hun pootafdrukken te volgen, en dreven hen in de schaapskooien. Die nacht, beiden vielen in een diepe slaap en bemerkten dat uitputting een remedie was tegen de pijn van Eros. Met het aanbreken van de dag, leden zij echter opnieuw aan dezelfde kwalen. Ze waren blij elkaar weer te zien en jammerden toen zij afscheid namen. Zij wilden iets, maar wisten niet wat het was. Zij wisten alleen dat een kus hem vernietigd had zoals een bad haar.

1; 23
Het seizoen zette hen ook in vuur en vlam. De lente liep ten einde, en de zomer begon. Alles zag er op zijn mooist uit. De bomen waren beladen met vruchten, de vlakte stonden vol met graan, en de krekels klonken aangenaam. De vruchten roken zoet, en de kudden blaatten van verrukking. Je zou zelfs denken dat de lieflijk stromende rivieren zongen, en de winden, zacht waaiend door de dennen, lieten het geluid van een fluit klinken, appels doken omlaag naar de aarde, en de zon, die liefhebber van schoonheid, stroopte bij iedereen de kleren af. Welnu, in vuur en vlam van alles om hem heen, ging Daphnis naar de rivieren. Soms nam hij een bad, of probeerde hij de rondwervelende vissen te vangen. Hij dronk vaak om de warmte in hem af te koelen. Maar Chloe, na het melken van de schapen en vele geiten, bleef aan het werk, kaas makend. De vliegen veroorzaakten een vreselijke overlast, haar stekend als zij die die wegjoeg. Ze waste haar gezicht, zette dennentakken op haar hoofd en deed een reekalveren huid als riem om. Ze mengde wijn en melk om met Daphnis te delen.

1; 24
Het was middag, en zij bekeken elkaar met hun ogen. Chloe, die Daphnis geheel naakt zag, struikelde over zijn schoonheid en begon te smelten, niet in staat om een oneffenheid bij hem te bespeuren. Daphnis, die haar in de huid zag met slingers van dennentakken en de drank aanreikte, dacht dat hij naar een Nimf uit de grot keek. Hij griste de krans van haar hoofd en zette die zelf op (maar niet voordat hij die gekust had). Zij trok zijn kleren aan terwijl hij naakt aan het baden was maar niet voordat zij die eerst gekust had. Bij andere gelegenheden, zij speelden appelvangen en vlochten bij elkaar hun haren en versierden hun hoofden. Zij vergeleek zijn donkere haar met mirte, terwijl hij in gedachten haar witte en blozende gezicht vergeleek met een appel. Hij leerde haar ook te spelen op de fluit. Maar elke keer dat zij op het punt stond om op de fluit te blazen, greep hij die en beroerde het riet met zijn lippen. Hij leek een dwalende leerling te onderwijzen, maar eigenlijk kuste hij Chloe via het riet van de fluit.

1; 25
Terwijl hij ’s middags op zijn fluit speelde en het vee de schaduw opzocht, viel Chloe in slaap. Daphnis merkte het op en, zijn fluit neerleggend, bekeek haar gretig van top tot teen alsof hij zich nergens voor schaamde, en fluisterde stilletjes: ‘Welke ogen slapen daar? Welke mond ademt daar in en uit? Zelfs appels en wilde peren zijn geen gelijken aan haar mond. Ik ben bang om haar te kussen. De kus doorboort mijn hart en maakt me gek als nieuwe honing. Ik ben bang dat zij wakker wordt als ik haar kus. Oh, die kwebbelende sprinkhanen! Ze maken veel herrie en houden haar uit haar slaap. De geiten vechten en beuken met hun hoorns op elkaar in. En jullie wolven, banger dan vossen, jaag de geiten niet op.’

1; 26
Terwijl hij sprak, viel een sprinkhaan op de vlucht voor een zwaluw die haar probeerde te vangen in de boezem van Chloe. De zwaluw die er kort achter zat miste de sprinkhaan maar, in de hitte van de jacht, beroerde met zijn vleugels de wangen van Chloe. Niet wetend wat er gebeurde, schreeuwde Chloe en schrok wakker. Toen ze de zwaluw zag fladderen en Daphnis vlakbij zag lachen vanwege haar schrik, kalmeerde ze en wreef verlangend om verder te slapen in haar ogen. De sprinkhaan zoemde bij haar boezem als een smekeling die zijn dankbaarheid uitte voor zijn redding. Opnieuw schreeuwde Chloe het uit, Daphnis lachte en, gebruik makend van het excuus, reikte hij in haar boezem en verdreef de goede sprinkhaan. Zelfs in zijn hand, stopte deze niet met zingen. Chloe was er door gefascineerd, en hem van Daphnis overnemend, kuste ze het beestje en stopte het nog steeds zoemend terug in haar boezem.

1; 27
Maar ze waren ook gecharmeerd van de houtduif die in de bomen zong. Toen Chloe wilde weten wat hij zei, herhaalde Daphnis het bekende verhaal. ‘Mooi meisje, er was eens een erg mooi meisje dat koeien in het bos hoede. Ze was muzikaal, en haar muziek betoverde de koeien. Ze hoede hen niet met een staf of prikkel, maar zittend onder een dennenboom en gehuld in takken, zong ze over Pan en Pine, en haar koeien bleven in de buurt van haar stem. In de buurt hoede een jongen een kudde, en hij was net zo mooi en muzikaal als het meisje. Hij besloot om een zangwedstrijd met haar te houden en liet een sterkere stem klinken omdat hij een man was, en een zoetere stem omdat hij een jongen was. Hij betoverde acht van haar koeien en voegde die listig aan zijn kudde toe. Het meisje had een gebroken hart vanwege het verlies van haar kudde en de zangnederlaag, en zij bad de goden om haar in een vogel te veranderen voor ze thuis kwam. De goden verhoorden haar en veranderde het meisje in een vogel die in de bergen woont en net zo muzikaal was als zij. Tot aan de dag van vandaag vertelt zij over haar ongeluk in haar liederen en kijkt ze uit naar haar koeien.’

1; 28
Zulke pleziertjes hielden hen die zomer bezig. Toen de late herfst in volle bloei stond en de druiventrossen al donker werden, landden piraten in een licht Carische schip – zodat zij buitenlanders zouden lijken – in de buurt van de velden. Zij ontscheepten en, gewapend met zwaarden en borstplaten, begonnen alles te plunderen dat binnen hun bereik kwam. Ze dreven vee uit Dorkon’s kudde weg. Ze namen zelfs Daphnis gevangen toen hij radeloos langs de zeekust zwierf. Chloe dreef haar schapen langzamer voort dan Daphnis, zoals past bij een meisje, vanwege haar angst voor de brutale herders. Toen zij de jongeman zagen, een vette, prachtige prijs die waardevoller was dan al het spul van de velden, verspilden zij geen moeite meer aan de geiten en velden maar droegen hem aan boord van het schip, hulpeloos huilend en roepend om Chloe. Zij haalden juist de kabels aan de achtersteven in en hanteerden de riemen om de zee op te varen, toen Chloe haar kudde naar de zee dreef. Ze droeg een nieuwe fluit als geschenk voor Daphnis. Toen ze zag dat de geiten in de war waren door iets en Daphnis die haar naam steeds luider riep hoorde, vergat ze haar schapen en wierp de fluit weg. Ze rende naar Dorkon voor hulp.

1; 29
Dorkon lag languit op de grond, nauwelijks ademhalend. De piraten hadden hem een vreselijk pak slaag gegeven, en hij bloede hevig. Maar toen hij Chloe zag, ontleende hij kracht aan het smeulende vuur van zijn oude liefde en zei: ‘Chloe, ik zal weldra sterven, want deze goddeloze piraten velden me al een koe terwijl ik mijn kudde verdedigde. Maar voor mij, redt Daphnis, neem wraak, en doodt de piraten. Ik leerde mijn koeien om het geluid van de fluit te volgen en haar melodie achterna te gaan als zij ver weg grazen. Kom, neem deze fluit, en speel er deze melodie op die ik Daphnis eens leerde, en hij jou leerde. Laat de rest aan de fluit over. Daarmee heb ik met vele herders en geitenhoeders gestreden en hen verslagen. In ruil daarvoor, terwijl ik nog leef, wil ik een kus en dat je om me huilt als ik dood ben, en, mocht je een ander mijn koeien zien weiden, hou mij in gedachten.

1; 30
Zo sprak Dorkon en, zijn laatste kus kussend, liet zijn geest vrij samen met de kus en zijn stem. Chloe raapte de fluit op, zette die aan haar lippen, en speelde zo hard als zij kon. De koeien hoorden het geluid en herkenden de melodie. Ze loeiden en sprongen gezamenlijk in de zee. De kracht van hun beweging sloeg de zijkant van het schip aan stukken, terwijl het water uiteen week door hun sprong. Het schip kapseisde en ging verloren in het vernietigende water. Diegenen aan boord leden schipbreuk, maar zij deelden niet dezelfde hoop op overleven. De piraten waren uitgerust met zwaarden en droegen borstplaten van metalen platen en beenplaten die tot hun voeten reikten. Daphnis was blootvoets omdat hij door de grasrijke vlakte zwierf en amper gekleed vanwege de zomerhitte. Ze zwommen een klein stukje voordat zij door hun wapens de afgrond in werden getrokken. Daphnis kon makkelijk uit zijn tuniek komen, maar had moeite met het zwemmen omdat hij daarvoor alleen in rivieren gezwommen had. Uiteindelijk, gedwongen door de noodzaak, sprong hij midden tussen de koeien en, twee hoorns van twee koeien grijpend met zijn twee handen, werd hij zonder problemen of pijn tussen hen in meegesleurd alsof hij een wagen bestuurde. Een koe zwemt veel beter dan elk mens. Ze doet alleen onder voor watervogels en de vissen zelf. En koe zal nooit omkomen tijdens het zwemmen tenzij haar hoeven tot stilstand komen doordat zij in elkaar verstrikt raken. Vele plaatsen aan zee getuigen van deze waarheid omdat ze nog steeds bekend zijn als ‘ossenwaadplaatsen.’

1; 31
Daphnis was gered, ontsnapt aan twee gevaren, ontvoering door piraten en schipbreuk, boven alle hoop. Hij kwam uit het water en vond Chloe lachend en huilend tegelijk aan de kust. Hij viel in haar armen en vroeg waarom ze op de fluit had gespeeld. Ze verklaarde hem alles: hoe ze naar Dorkon was gerend, wat deze haar had verteld over de koeien, en hoe hij haar bevolen had om op de fluit te spelen, en dat Dorkon gestorven was. Uit zedigheid, noemde ze de kus echter niet. Ze besloten om hun weldoener te eren. Zij vergezelden Dorkon’s familie tijdens de begrafenis van de arme man. Ze wierpen veel aarde over hem heen en plantten vele gecultiveerde planten en hingen de eerste vruchten van hun oogst op als een offer. Zij plengden offers van melk en trossen druiven en braken vele herdersfluiten boven zijn graf. Men hoorde daar het erbarmelijke loeien van de koeien, en sommigen zag men wanordelijk in het rond springen. Omdat het onder de schapen en runderen leek te gebeuren, werden deze acties ‘de koeienklaagzang over de dood van hun herder genoemd’.

1; 32
Na de begrafenis van Dorkon, bracht Chloe Daphnis naar de Nimfen, hem in hun grot leidend, waar zij hem baadde en zelf ook een bad nam terwijl Daphnis toekeek. Ze was zuiver en blank van schoonheid en, zoals schoonheid betaamt, had geen bad nodig. Daarna verzamelden zij bloemen en kroonden de beelden van de Nimfen en hingen de fluit van Dorkon als een votief offer aan een rots. Daarna vertrokken zij en keerden terug om over de geiten en schapen te waken. De dieren waren gaan liggen, graasden of blaatten niet. Ze verlangden, denk ik, naar Daphnis en Chloe die zo lang uit hun zicht verdwenen waren. In ieder geval, toen zij hen zagen en hun gewoonlijke kreten riepen en op hun fluiten speelden, stonden de schapen op en begonnen te grazen, en begonnen de geiten in het rond te springen, met de haren van hun vacht recht overeind alsof zij plezier beleefden over de redding van hun vertrouwde geitenhoeder.

1; 33
Maar op geen enkele manier kon Daphnis zijn ziel overtuigen om gelukkig te zijn, niet nadat hij Chloe naakt had gezien en de onbedekte schoonheid die daarvoor onzichtbaar was geweest. Zijn hart leed pijn alsof het werd weggevreten door vergif. Soms ging zijn ademhaling moeilijk en zwaar alsof iemand hem achterna zat. Op andere momenten kon hij nauwelijks ademhalen, en leek het alsof hij uitgeput was door de recente aanvallen. Het bad leek angstaanjagender dan de zee. Hij dacht dat zijn ziel nog bij de piraten verbleef net als elke veehoeder die nog steeds geen idee heeft hoe Eros de ontvoering geregisseerd had.

Boek 2

2; 1
Het was herfst, en het was de drukke tijd om druiven te oogsten. Iedereen was in de velden aan het werk. Sommigen knapten de wijnpersen op, anderen maakten de kruiken schoon, en weer anderen vlochten de manden. De een was bezig om met een klein haakmes druiventrossen af te snijden, de ander zocht naar een steen die groot genoeg was om de sappige druiventrossen te pletten, terwijl een derde speurde naar droge, door slagen gladgemaakte, stokken zodat de druivenmost ’s nachts afgevoerd kon worden bij het licht van een lantaarn. En zo zorgden, Daphnis en Chloe, schouder aan schouder voor hun geiten en schapen, en sloten zich aan bij de anderen on te helpen. Daphnis wierp druiven in manden en leegde die in de persen en stampte ze fijn. Hij droeg het druivensap naar de kruiken. Chloe maakte het eten klaar voor de oogsters en schonk rijpe wijn om te drinken. Ze plukte druiven van de onderste wijnstokken. Alle wijnstokken op Lesbos waren klein. Zij werden niet ondersteund of opgehangen aan bomen maar verspreidden zich als klimop met hun uitgerekte scheuten. Een kind kon hun trossen bereiken als zij maar uit de luiers waren.

2; 2
Zoals dat gebeurt bij festivals van Dionysus en de geboorte van nieuwe wijn, wierpen de vrouwen die van de naburige velden waren geroepen om te helpen een oog op Daphnis en vergeleken hem qua schoonheid met Dionysus. Een van de meer vroegrijpe vrouwen kuste zelfs Daphnis, hem prikkelend maar pijn bij Chloe veroorzakend. De mannen in de vaten schertsten over Chloe, terwijl zij van alles over haar zeiden, en, zoals Saters achter een Bacchante aanzitten, dansten verwoed rond en smeekten om hun eigen kleine kudde te worden die Chloe moest hoeden. Deze keer was zij tevreden, en leed hij pijn. Beiden baden dat de oogst snel voorbij zou zijn zodat zij hun gewoonlijke plekken weer in konden nemen en, in plaats van al dit lawaai, zij de fluit en het geblaat van hun kudde weer konden horen. Een paar dagen gingen voorbij. De wijnstokken waren kaalgeplukt, de kruiken vol, en de behoefte aan zoveel handen was over. Ze dreven hun kudden naar de vlakte en vereerde met vreugde de Nimfen, hen druiventrossen aan takken brengend als de eerste vruchten van de oogst. In het verleden passeerden zij de grot van de Nimfen nooit zonder hen te vereren. Ze zaten er altijd even naast voordat zij eropuit trokken om te hoeden en, bij terugkomst, vereerden hen en brachten altijd iets, een bloem of vrucht of groen blad of een offer van melk. En in ruil, werden zij later door de godinnen beloond. Op dat moment, als honden die van het touw waren bevrijd, sprongen zij in het rond, speelden op hun fluiten, zongen, en worstelden met hun geiten en schapen.

2; 3
Terwijl zij van zichzelf genoten, verscheen er een oude man, gekleed in een ruig geitenvel en mocassins terwijl hij een oude leren knapzak droeg. Hij ging bij hen in de buurt zitten en begon te spreken: ‘Ik ben Philetas, kinderen, een oude man die vele liederen voor deze Nimfen heeft gezongen en vele liedjes op de fluit heeft gespeeld voor gindse Pan. Ik hoedde vele grote koeienkudden met alleen mijn muziek. Ik ben gekomen om jullie te onthullen wat ik heb gezien en te vertellen wat ik heb gehoord. Ik heb mijn eigen tuin, gemaakt met mijn eigen handen. Ik heb er aan gewerkt vanaf het moment dat ik stopte met hoeden van schapen vanwege mijn hoge leeftijd. Hij heeft alles dat de seizoenen laten groeien, elk in zijn eigen tijd. In de lente zijn er rozen, lelies, hyacinten en de twee soorten viooltjes. In de zomer klaprozen, wilde peren en allerlei soorten appels. En nu, wijnstokken, vijgen, granaatappelbomen en groene mirte. Elke morgen trekken de vogels naar mijn tuin, sommigen om zich te voeden en anderen om te zingen, want hij is overdekt en beschaduwd door bomen en wordt door drie stromen bevloeid. Als je de muur wegnam, zou je denken dat je in een bos liep.

2; 4
Toen ik vandaag rond het middaguur daar binnenging, kon je, onder de granaatappelbomen en de mirte, een jongen zien, die de granaatappelbomen en mirte vasthield. Hij was net zo blank als melk en blond als vuur en glinsterde van schoonheid alsof hij net een bad had genomen. Hij was naakt en alleen, spelend alsof hij zijn eigen tuin aan het oogsten was. Wel, toen ik hem in de gaten kreeg, rende ik naar hem toe om hem te grijpen. Die aanmatigende praatjesmaker vernietigde mijn mirte en rozen. Hij ontkwam sierlijk en gemakkelijk, als een jonge patrijs onder de rozen kruipend en zich verbergend onder de klaprozen. Heel vaak, ik heb allerlei problemen gekend met het najagen van zogende kinderen, en heb ik mezelf evenzovele keren uitgesloofd met het vangen van nieuwe kalfjes. Maar dit was een nieuw fenomeen en een die zich niet liet grijpen. En zo, omdat ik oud ben, raakte ik buiten adem, en leunend op mijn staf hield ik hem in de gaten zodat hij niet kon vluchten, en probeerde er achter te komen wiens zoon het van mijn buren was en wat hij dacht te doen door in de tuin van iemand anders te oogsten. Hij sprak geen woord maar stond in de buurt, vriendelijk lachend en wierp mirte naar me. Hij wist niet hoe hij mijn woede met zijn charme liet wegebben. En dus, vroeg ik hem om zonder angst in mijn armen te komen. Ik zwoer meer dan eens dat ik hem zou laten gaan met een bruidsschat aan appels en rozen en het recht om mijn planten te oogsten en eeuwig mijn bloemen te mogen plukken, als ik maar één kus van hem kreeg.

2; 5
Daarop barstte hij in een luid gelach uit met een stem welke niet leek op een zwaluw of die van een nachtegaal of zwaan. Op hetzelfde moment, hij veranderde in een oude man zoals ik ben en zei: ‘Philetas, het is voor mij geen enkel probleem om jou te kussen, want ik wil meer gekust worden dan jij weer jong wilt zijn. Overweeg dit: Is dit geschenk op jouw leeftijd goed voor jou. Want een hoge leeftijd zal niet voorkomen dat je mij wilt najagen als je die enkele kus eenmaal hebt gehad. Want ik ben moeilijk te vangen voor de havik of de adelaar of willekeurig elke andere snelle vogel, als die al bestaat. Ik ben geen jongen, hoewel ik daar op lijk, maar ben ouder dan Cronus of de tijd zelf. Ik kende je al als jonge herder die een grote kudde hoedde op gindse berg, en zat naast je terwijl jij op de fluit speelde naast die eiken waaronder je Amaryllis beminde, maar me niet zag. Toch stond ik vlak naast het meisje. Het is een feit dat ik haar aan jou gaf, en nu hebben jullie kinderen, goede herders en boeren. Nu hoed ik Daphnis en Chloe. Telkens wanneer ik hen ‘s morgensvroeg op een plek samenbreng, kom ik naar je tuin en geniet van de bloemen en planten en neem een bad in deze bronnen. Beiden bloeien zo mooi omdat ze worden besprenkeld met het water van mijn bad. Merk op dat geen van je planten is geknakt, dat er geen vruchten zijn geplukt, en dat geen enkele wortel of bloem is platgelopen. En hiermee neem ik afscheid van de enige oude sterveling die een blik op deze kleine jongen heeft kunnen werpen.

2; 6
Met deze woorden sprong hij omhoog in de mirte als een babynachtegaal en, door de bladeren van de ene naar de andere tak hippend, ging naar de top. Ik zag de vleugels aan zijn schouders en, tussen de kleine vleugels, zijn kleine boog. Daarna zag ik hem en zijn boog niet meer. Tenzij ik deze grijze haren voor niets heb gekregen en dommer werd naarmate de jaren verstreken, zijn jullie aan Eros gewijd, mijn kinderen, en zorgt Eros voor jullie.’

2; 7
Daphnis en Chloe genoten van wat zij een sterk verhaal vonden en geen waar verslag van wat er echt gebeurd was. Zij vroegen: ‘Wat is Eros? Een jongen, een vogel? Wat voor macht heeft hij?’ Opnieuw sprak Philetas: ‘Eros is een god, kinderen, jong, mooi en gevleugeld. Hierom, zich verheugend over de jeugd, achtervolgt hij schoonheid, en bevestigt vleugels aan zielen. Hij heeft meer macht van Zeus. Hij heeft macht over de oerelementen, hij heeft macht over de sterren, hij heeft macht over goden zoals hijzelf. Zelfs jullie hebben niet zoveel macht over je eigen geiten en schapen. Alle bloemen zijn het werk van Eros. Alle planten zijn zijn schepping. Via hem stromen zelfs de rivieren, en waaien de winden. Ik kende eens een stier die door Eros was aangeraakt. Hij loeide alsof hij door een horzel gestoken was. Ik zag eens een bok die een geit beminde. Hij volgde haar overal. Eens was ik ook jong, en voelde Eros voor Amaryllis. Ik vergat te eten, te drinken, te slapen. Mijn ziel deed pijn, mijn hart stond in vuur en vlam, en mijn lichaam werd geplaagd door koude rillingen. Ik huilde alsof ik was afgeranseld, dan was ik weer doodstil. Ik wierp me in rivieren alsof ik in brand stond. Ik riep Pan te hulp toen hij Eros voor Pine voelde. Ik prees Echo omdat zij de naam Amaryllis uitriep. Ik brak mijn fluiten in tweeën. Zij genoten van de koeien, maar zij brachten me geen Amaryllis. Er is geen medicijn voor Eros, niets om te eten of te drinken. Geen enkel lied werkt, maar alleen kussen, knuffelen en naakt naast elkaar liggen.’

2; 8
Philetas leerde hen deze dingen, nam enkele kazen en een jonge geit die versierd was met zijn eerste hoorn aan, en vertrok. Daphnis en Chloe bleven alleen achter. Toen zij de naam van Eros voor het eerst hoorden verzachtte dit de pijn in hun zielen. ’s Nachts, keerden zij terug naar hun schaapskooien en begonnen hun eigen ervaringen te vergelijken met wat zij van Philetas gehoord hadden. ‘Zij die verliefd zijn lijden pijn. Dat leden wij ook. Zij vergaten te eten. Dat deden wij ook. Zij kunnen niet slapen, net als wij. Zij lijken in brand te staan, en wij staan in vuur en vlam. Zij verlangen ernaar om elkaar te zien, en wij bidden om die reden dat de dag sneller zal aanbreken. Eros is net als dit. Wij houden van elkaar en weten het niet. Of is dit liefde, en hou ik van mezelf? Als dat waar is, waarom worden we dan gekweld door dezelfde pijnen? Waarom zoeken we elkaar op? Alles wat Philetas zei is waar. De kleine jongen uit de tuin werd door onze vaders gezien, en die droom gaf ons opdracht om onze kudden te hoeden. Hoe kan iemand hem grijpen. Hij is klein en zal ontsnappen. Hoe kan iemand aan hem ontsnappen? Hij heeft vleugels en zal iedereen inhalen? We moeten vluchten en een schuilplaats zoeken bij de Nimfen. Maar Pan hielp Philetas niet toen hij verliefd was op Amaryllis. We moeten het middel proberen dat Philetas noemde, een kus, knuffelen en naakt op de grond liggen. Het zal koud zijn, maar wij zullen het doorstaan zoals Philetas dat deed.’

2; 9
Op deze manier, onderwezen zij zich gedurende de nacht. Bij het aanbreken van de dag, leidden zij hun kudden naar de weiden. Maar zodra ze elkaar zagen, vielen ze elkaar knuffelend en kussend in de armen, iets dat ze nooit eerder gedaan hadden. Aan het derde middel, uitkleden en naakt op de grond liggen, waagden zij zich echter niet. Het was niet alleen te vrijpostig voor maagden maar ook voor jonge herders. Toen de nacht aanbrak was het gevolg hiervan slapeloosheid, vergezeld van gedachten over wat er gebeurd was, en geklaag over datgene wat niet. ‘We kusten – en het hielp niet. We knuffelden – maar niets meer dan dat. Het enige middel tegen de liefde, ik ben nu zeker, is samenliggen. We moeten het proberen.’

2; 10
Tijdens deze overpeinzingen, omdat dit binnen de redenering paste, hadden zij erotische dromen: kussen en omhelzingen, en wat zij overdag niet deden, naakt samenliggen. In de ochtend, stonden zij op met het gevoel gesterkt te zijn voor de dag. Zij floten naar hun kuddes om op te schieten, en toen ze elkaar zagen, glimlachten ze op hetzelfde moment en renden naar elkaar toe. Ze kusten elkaar onmiddellijk en sloegen hun armen om elkaar heen. Het derde middel verliep langzamer, omdat het aan Daphnis de moed ontbrak om het te noemen, en Chloe niet degene wilde zijn die begon, totdat bij toeval het volgende gebeurde.

2; 11
Zij zaten naast elkaar tegen een eiken boomstronk, de zoetheid van hun kussen proevend, waardoor zij vervuld werden met een onverzadigbaar plezier. Zij omhelsden elkaar innig, hun lichamen tegen elkaar drukkend als hun lippen elkaar ontmoetten. Met stijgend vuur, trok Daphnis Chloe naar zich toe, en op een of andere manier rolde Chloe op haar zij, en Daphnis, die zijn kus niet wilde opgeven, rolde met haar mee. Zij herkenden dit beeld uit hun droom. Lange tijd lagen zij zo alsof ze met touwen waren vastgebonden. Welnu, zij wisten niet wat er vervolgens kwam en dachten dat zij het toppunt van erotische gelukzaligheid bereikt hadden. Daarna brachten zij het grootste gedeelte van de dag door met nietsdoen, gescheiden, en dreven hun kuddes terug, de nacht hatend. Wellicht, zouden zij iets onvergetelijks hebben bereikt, als er niet juist op dat moment zo’n commotie op het hele platteland was ontstaan.

2; 12
De rijke jongemannen van Methymne gingen op weg naar plezier in het buitenland om de oogst te vieren. Ze sleepten een klein schip naar de zee en, hun slaven aan de riemen zettend, zeilden langs de velden van de Mytileniërs die aan zee grensden. De kust was rijk aan havens en bezaaid met dure huizen, het ene badhuis na het andere, tuinen en bossen, zowel natuurlijke als aangelegde, al die mooie plekjes welke de jeugd zocht om hun geneugten na te streven. Zij zeilden langs de kust, en toen zij een haven invoeren, veroorzaakten zij geen problemen maar hielden zich alleen bezig met allerlei spelen. Soms tuigden zij hengels op en, vanaf een rots bij de zee, wierpen die loerend tussen de rotsen uit naar de vissen. Op andere momenten, zaten zij met honden en netten konijnen achterna en veroorzaakten een opschudding in de wijngaarden. Dan voelden zij weer de drang om vogels te strikken, wilde ganzen, eenden en trapganzen, zodat hun spel ook hun tafel zou voorzien. Als ze iets nodig hadden, namen zij het van de velden, er meer voor betalend dan het waard was. Ze hadden alleen brood en wijn nodig en een dak boven hun hoofden. Daar de herfst al ver gevorderd was, dachten zij dat het onveilig was om op zee te overnachten. Uit angst voor een winterstorm, sleepten zij hun schip ’s nachts op het strand.

2; 13
Iemand van de boeren had een touw nodig. Dat van hem was gebroken, zie je, en hij moest een steen omhoogtrekken om zijn druiven uit te persen. Hij daalde af naar zee zonder dat iemand hem zag, en naderde het onbewaakte schip. Hij maakte de achtertros los en nam die mee naar huis om daar voor zijn werk te gebruiken. ’s Morgens, ondernamen de jongemannen van Methymne een zoektocht naar het touw, en omdat niemand de diefstal bekende, bestraften zij hun gastheren licht en gingen op weg langs de kust. Ze zeilden ongeveer drieënhalve mijl en kwamen terecht in de velden waar Daphnis en Chloe leefden. De vlakte leek een prima plek voor de jacht op konijnen. Omdat zij geen touw hadden om hun schip vast te binden draaiden zij lange wilgentenen ineen tot een touw dat zij gebruikten om het verheven achterschip aan het strand te verankeren. Daarna lieten zij hun honden los om op zoek te gaan naar kansrijke plekken en begonnen hun netten te plaatsen. De honden renden alle kanten op, blaffend en keffend, en maakten de geiten bang. De geiten ontvluchtten de bergweiden en renden naar het strand. Voor hen was daar in het zand niets om te eten, maar de stoutmoedigen onder hen gingen naar het schip en begonnen te eten van het groene touw dat aan het schip geboden was. En wind blies vanuit de bergen en beroerde de golven van de zee. Het tij kwam snel opzetten, tilde het schip op en, omdat het niet meer vastgebonden was, voerde het weg naar volle zee. Toen de Methymniërs zagen wat er gebeurd was, liep een aantal van hen de zee in terwijl anderen de honden probeerden te verzamelen. Ze schreeuwden luidkeels waardoor iedereen die het in de omgeving hoorde aan kwam lopen. Maar het had geen nut. De wind blies harder, en het schip werd door de stroom voortgejaagd over zee.

2; 14
De Methymniërs waren alles kwijt dat zij bezaten en gingen op zoek naar de hoeder van de geiten. Toen ze Daphnis gevonden hadden, begonnen zij hem te slaan en scheurden de kleren van zijn lichaam. Een van hen pakte een leiband van een hond en probeerde zijn handen vast te binden. Tussen de klappen door, lukte het Daphnis om hulp te schreeuwen, de boeren smekend en voornamelijk om Lamon en Dryas roepend. Dat waren taaie oude mannen, met harde handen vanwege het werk op de boerderij. Zij haalden iedereen uit elkaar en hielden de jongemannen in toom om te verklaren wat er gebeurd was.

2; 15
De anderen keurden dit goed, en iedereen koos Philetas als rechter, omdat hij de oudste was en onder de dorpelingen een reputatie van nauwgezette eerlijkheid had. De Methymniërs bepleitten als eersten hun zaak, duidelijk en beknopt sprekend, omdat ze een herder als rechter hadden. ‘We kwamen naar deze velden om te jagen. We bonden ons schip met een touw van groene wilgentenen vast en lieten dit achter op het strand. We gingen op zoek naar wildbraad, en lieten onze honden los. Ondertussen kwamen zijn geiten naar de zee en aten het touw op, waardoor het schip vrij kwam te liggen. Jullie zagen het op zee wegdrijven. Wel, hebben jullie enig idee met welke kostbaarheden zij beladen was? Welke kleren we kwijt zijn? Welke uitrusting voor de honden? Hoeveel zilver? Iedereen die dat schip vindt kan deze velden kopen. In ruil daarvoor eisen we het recht op om deze schurk weg te voeren, een geitenhoeder die zijn geiten aan het strand laat grazen alsof hij een zeeman is.’

2; 16
Zo klonk de beschuldigende redenering van de Methymniërs. Daphnis verkeerde in een slechte toestand door het pak slaag, maar toen hij Chloe zag, zette hij alles opzij en sprak: ‘Ik hoed mijn geiten prima. Een dorpeling heeft mij nog nooit beschuldigd dat een van mijn geiten in zijn tuin aan het eten was of zijn jonge wijnstokken vernielde. Deze mannen zijn slechte jagers en hebben slecht getrainde honden die jankend en blaffend over heel het terrein rennen. Ze jaagden mijn geiten weg uit de bergen en van de vlakten naar de zee alsof ze het spoor van een wolf volgden. Maar, zeggen jullie, zij aten het touw op. Ja, zij hadden geen gras op het zand of struiken of tijm. Het schip verdween door de kracht van de wind en zee. Dit is gebeurd door de storm, niet door mijn geiten. Maar, zeggen jullie, er was kleding en zilver in het schip opgeslagen. Wie enig verstand heeft zal nu geloven dat een schip, beladen met zulke waardevolle zaken, een wilgentak als boegtouw had?”

2; 17
Daarop barste Daphnis in zo’n huilbui uit en wekte zo’n medelijden op bij de boeren dat rechter Philetas bij Pan en de Nimfen zwoer dat Daphnis niets verkeerds had gedaan, maar de goden en de zee en de wind, die andere goden had, die verantwoordelijk waren. Philetas slaagde er niet in de Methymniërs te overtuigen die boos werden en opnieuw probeerden Daphnis weg te voeren en hem vast te binden. Toen werden de dorpelingen boos en vlogen op hen af als spreeuwen of kraaien en bevrijdden snel Daphnis die zelf al hevig weerstand bood. Zij sloegen de Methymniërs met knuppels en joegen hen op de vlucht. Zij gaven de achtervolging niet op totdat de jongemannen in andere velden waren.

2; 18
Terwijl zij achter de Methymniërs aanzaten, leidde Chloe Daphnis naar de Nimfen en waste zijn gezicht. Hij bloedde hevig uit zijn neus die was gebroken door een van de klappen. Ze nam wat brood en een stuk kaas uit haar tas en gaf dat aan Daphnis om te eten. Maar waar hij het snelst van herstelde was toen zij hem kuste met honingzoete kussen van zachte lippen.

2; 19
Daphnis zat al genoeg in de problemen, maar deze waren nog niet over. Toen de Methymniërs thuis kwamen nadat ze ver hadden gelopen in plaats van te zeilen en gewond in plaats van roemrijk, riepen zij hun medeburgers bijeen in een vergadering die zij nederig smeekten om namens hen wraak te nemen. Ze spraken niet de waarheid om te voorkomen dat zij belachelijk werden gemaakt omdat zij onder de handen van herders hadden geleden en beschuldigden de Mytileniërs van een oorlogshandeling door het schip te stelen en haar lading te plunderen. De burgers geloofden hen omdat zij gewond waren en dachten dat dit rechtvaardig was omdat de jongemannen uit gegoede families kwamen. Ze verklaarden de oorlog aan de Mytileniërs maar maakten dit niet bekend aan de Mytileniërs door een bode te sturen. Ze gaven hun generaal Bryaxis opdracht om tien schepen in zee te slepen en huis te houden in de gebieden langs de kust. De winter naderde te snel waardoor het niet veilig was om een grotere zee aan de zee toe te vertrouwen.

2; 20
Bij het eerste licht koos Bryaxis zee met de soldaten die zelf roeiden. Hij viel velden in de buurt van het water aan en greep veel schapen, graan en wijn, daar de oogst net op zijn eind liep, en er vele mannen in de velden werkten. Hij viel ook de velden van Chloe en Daphnis aan waar hij snel ontscheepte en jacht maakte op alles wat op zijn pad kwam. Daphnis hoede zijn geiten niet. Hij was in de bossen om groene bladeren te snijden om zijn kinderen in de winter te voeden en zag de aanval vanaf een hoger gelegen plek, zich verschuilend in een holle boomstam van een uitgedroogde eik. Maar Chloe was bij haar schapen en, toen zij haar achtervolgden, zij rende naar de Nimfen en smeekte de mannen om haar en haar kudde te sparen ter wille van de godinnen. Het had geen nut, want de Methymniërs jouwden de beelden van de Nimfen uit en dreven de schapen weg. Zij voerden Chloe weg, haar met een stokje slaand alsof ze een geit of schaap was.

2; 21
Hun schepen gevuld met allerlei buit, vonden zij het geen goed idee om verder te zeilen en verlegden hun koers naar huis, zowel het weer als de vijand vrezend. De Methymniërs zeilden terug, met hun roeiriemen werkend omdat de winden kalm waren. In het begin was Daphnis rustig, en ging toen naar het veld waar zij hun dieren hadden laten grazen. Hij zag de geiten niet en ontdekte geen spoor van de schapen of Chloe, maar trof alleen een diepe stilte aan en wierp de fluit op de grond die Chloe meestal gebruikte om hem te vermaken. Hij huilde luid en jammerde klaaglijk. Eerst rende hij naar de eik waar zij gewoonlijk zaten.

2; 22
Daarop rende hij naar de zee om haar te zoeken, en toen naar de Nimfen bij wie ze haar toevlucht had gezocht tijdens haar vlucht. Daar wierp hij zich op de grond en beschuldigde de Nimfen dat zij haar verraden hadden. Chloe werd bij jullie weggesleurd, jullie keken toen en zagen wat er gebeurde. Ze vlocht bloemenkransen voor jullie, ze bood jullie plengoffers van melk aan, zij is degene van wie de fluit aan jullie is gewijd. Een wolf heeft nooit een geit van mij gegrepen, maar mijn vijanden zijn met mijn hele kudde en haar herder vertrokken. Zij zullen de geiten villen en de schapen offeren, en Chloe moet voortaan in een stad wonen. Hoe moet ik mijn vader en moeder onder ogen komen zonder onze geiten, zonder Chloe, een arbeider zonder werk. Ik heb niets meer om te hoeden. Ik zal hier gaan liggen en op de dood wachten of een andere oorlog. En jij, Chloe, wat zal er met jou gebeuren. Zul je de vlakte nog herinneren? De Nimfen? Mij? Zullen jouw schapen en geiten, samen met jou krijgsgevangenen, jou troosten?’

2; 23
Terwijl hij sprak, viel hij in een diepe slaap die hem bevrijde van zijn tranen en verdriet. De drie Nimfen verschenen voor hem, prachtige en mooie vrouwen, halfnaakt en blootsvoets, met haren die los over hun schouders vielen net als bij de beelden. Op het eerste gezicht leken het vrouwen die medelijden hadden met Daphnis. Toen begon de oudste hem op te beuren. ‘Geef ons niet de schuld, Daphnis. Wij geven meer dan jij om Chloe. We ontfermden ons over haar als kind en zochten voedsel voor haar toen zij in onze grot lag. En nu, schenken we veel aandacht aan haar situatie zodat ze niet afgevoerd wordt naar Methymne om daar te slaven of als oorlogsbuit verhandeld te worden. De beroemde Pan die onder de dennen staat, die jij nooit met bloemen hebt vereerd, hebben we gesmeekt om de bondgenoot van Chloe te worden. Hij is meer dan wij aan militaire strijd gewend en heeft het platteland verlaten om menige strijd te voeren. Hij is geen brave vijand voor de Methymniërs. Maak je geen zorgen, maar sta op, en toon je aan Lamon en Myrtale, jij die uitgestrekt op de grond ligt, die in de veronderstelling verkeren dat je als oorlogsbuit bent afgevoerd. Morgen, Chloe zal naar je terugkeren met de geiten en schapen, zullen jullie ze samen hoeden en op jullie fluiten spelen. En wat jou verder aangaat, dat beslist Eros.’

2; 24
Na deze beelden en geluiden, Daphnis werd wakker en sprong op, huilend van vreugde en pijn, aanbad hij de beelden van de Nimfen en beloofde dat, als Chloe veilig was teruggekeerd, hij de beste van zijn ooien aan hen zou offeren. Hij rende naar de pijnbomen waar het beeld van Pan stond, een figuur met geitenpoten en een gehoornd hoofd die in de ene hand een fluit hield en in de ander een bok die voor de ander steigerde. Hij aanbad Pan en bad voor de veiligheid van Chloe, en beloofde hem een geit te offeren. Omstreeks zonsondergang, hij was gestopt met huilen en bidden, ging hij terug naar de schaapskooi en verloste Lamon van zijn zorgen en vervulde hem van vreugde. Hij nam wat te eten en viel halsoverkop in een slaap die niet onberoerd werd door tranen. Hij bad om de Nimfen in een droom te zien en smeekte dat de beloofde dag die hem Chloe zou brengen erg snel zou komen. Maar van al zijn nachten, leek dit de langste. Dit is wat er gedurende de nacht gebeurde.

2; 25
Nadat Bryaxis ongeveer een mijl had afgelegd besloot hij om zijn mannen te laten rusten die uitgeput waren. Hij kwam bij een kaap die in de vorm van een halve maan in zee stak. Binnen deze boog vormde de zee een ankerplaats die kalmer was dan in een haven. Hij wierp de ankers uit en positioneerde de schepen zo op zee dat niemand vanaf land hen lastig kon vallen. Toen gaf hij zijn mannen verlof om te ontspannen alsof het vredestijd was. Daar zij een overvloed aan alles in de buit aantroffen, dronken de mannen en speelden spelletjes en gingen daarmee door alsof ze een overwinning vierden. De dag ging op deze wijze voorbij, en bij het vallen van de nacht, stopten zij met hun festiviteiten. Plotseling, de hele aarde leek in vuur en vlam te staan, was een luid gerucht te horen alsof de riemen van een grote vloot het water beroerden. Eén man schreeuwde: ‘Te wapen.’ Een ander riep naar de generaal. Die man leek gewond te zijn, terwijl de ander precies een lijk leek. Je zou denken dat je naar een nachtelijke zeeslag tegen een vijand keek, maar er was geen vijand te zien.

2; 26
Zo beleefden de Methymniërs hun nacht, maar de dag brak nog angstaanjagender aan dan hun nacht was geweest. Om de hoorn van Daphnis’ geiten was bloeiende klimop gewikkeld. De rammen en ooien van Chloe huilden als wolven. Chloe verscheen met een krans van dennenscheuten. Op zee gebeurden vele vreemde en rare dingen. Toen de mannen de ankers probeerden te lichten, bleven die vast zitten. De riemen braken in stukken toen zij gingen zitten om te roeien. Dolfijnen sprongen uit zee en ramden met hun staarten de schepen, en de planken begonnen los te raken. Vanaf een steile rots die omhoog stak uit de kaap werd het geluid van een fluit werd gehoord, maar deze klonk niet plezierig, de verschrikking van een oorlogstrompet trof degenen die het hoorden. De Methymniërs raakten in paniek, snelden naar hun wapens, en schreeuwden: ‘De vijand is onzichtbaar.’ Zij smeekten zelfs om het invallen van de nacht zodat ze respijt zouden krijgen.

2; 27
Iedereen met enig gezond verstand zou begrijpen wat er gebeurde. De vreemde beelden en geluiden waren van Pan afkomstig die woedend was op de zeelieden. Zij hadden geen flauw idee, omdat zij niets hadden geroofd dat voor Pan heilig was, totdat rond het middaguur, generaal Bryaxis op aandringen van de god in slaap viel, in zijn droom voor hem verscheen en zei: ‘Uiterst profane en goddeloze van alle mensen, wat is dit voor moed? Wat voor waanzin? Jij hebt een landschap dat mij lief is met oorlog geteisterd. Je hebt kuddes koeien verdreven, geiten, en schapen die aan mijn zorg toevertrouwd zijn. Je hebt bij de altaren een meisje weggesleept wier verhaal Eros wil componeren. Je hebt geen respect aan de Nimfen betoond, die jullie in de gaten hielden, of aan mij, Pan. Zolang jullie je reis voortzetten met deze buit aan boord, zullen jullie Methymne nooit terugzien. Jullie zullen niet aan mijn fluit ontsnappen die verschrikking in jullie harten zaait. Nee, ik zal jullie laten zinken en als voer aan de vissen geven, tenzij, zo snel als je kunt, jullie Chloe teruggeven aan de Nimfen en de geiten aan Chloe, een ook de schapen. Sta op, en zet het meisje dat ik noemde aan land, en ik zal jullie reis en die van haar begeleiden.

2; 28
Bryaxis wankelde. Hij sprong op en gaf de kapiteins van zijn schepen het bevel om Chloe zo snel mogelijk onder de gevangenen te zoeken. Ze vonden haar snel en brachten haar naar Bryaxis. Zij ging zitten, terwijl ze een krans van dennenscheuten droeg. Bryaxis zag haar verschijning als een teken van datgene wat hij in zijn droom had gezien. Hij vergezelde haar zelf vanaf zijn vlaggenschip naar het land. Precies op het moment dat zij ontscheepte, werd opnieuw het geluid van de fluit gehoord vanaf de rots, niet langer strijdlustig en angstwekkend maar het landelijke geluid dat de kudde naar de weide geleidde. De schapen gingen het gangpad af, glibberend en glijdend op hun hoeven. De geiten gingen met meer vertrouwen omdat zij gewend waren om de ruige rotsen en stenen te doorkruisen.

2; 29
Ze omringden Chloe als een koor in een kring en sprongen in het rond, blatend van vreugde leek het wel. De dieren van de andere kudden beleven waar zij waren in de holten van de schepen alsof de muziek geen effect op hen had. De mannen stonden verbaasd en riepen met genadige stemmen, ‘Pan’, toen er meerdere dingen in beide elementen gebeurden. Op zee voeren de schepen weg, hoewel men de ankers niet had ingehaald. Een dolfijn, die in en uit het water sprong, leidde het vlaggenschip. Op het land, begon het zoetgevooisde geluid van een fluit de geiten en schapen te leiden, maar niemand zag degene die er op speelde. Maar zij genoten van de melodie en liepen gezamenlijk vooruit, grazend terwijl zij voortgingen.

2; 30
Het was de tweede graastijd, en Daphnis, die vanaf een hoog uitkijkpunt de geiten en Chloe in het zicht kreeg, riep, ‘O Nimfen en Pan,’ en rende naar beneden de vlakte op. Hij omarmde Chloe en viel in katzwijm. Chloe bracht hem met liefde en warme omhelzingen weer bij bewustzijn, en samen gingen zij naar hun gewoonlijke plek bij de eikentronk. Daphnis vroeg hij zij was weggekomen bij zoveel vijanden. Chloe vertelde hem alles: de klimop op de geiten, het huilen van de schapen, de dennenscheuten die haar haren met bloemen versierden, het vuur op het land, het donderen op zee, de beide keren dat de fluit werd gehoord, de gevechten en het stichten van de vrede, en hoe de muziek haar geleid had toen zij de weg niet kende. Daphnis herkende de dromen die de Nimfen hadden gestuurd en de hand van Pan in wat er gebeurd was en vertelde Chloe wat hij wist en gehoord had en dat hij op het randje van de dood verkeerde toen de Nimfen hem weer tot leven brachten. Toen stuurde hij haar weg om Dryas en Lamon een offer te brengen van alles wat zij nodig hadden. Ondertussen zocht hij de beste geit die hij had uit en kroonde die net als de geiten welke aan de vijand waren geopenbaard met klimop. Hij goot melk uit over de hoorns en offerde alles aan de Nimfen. Hij hing het lichaam op, vilde die, en droeg de huid aan de godinnen op.

2; 31
Omstreeks die tijd waren Chloe en haar mensen terug. Daphnis ontstak een vuur en kookte een deel van het vlees en roosterde andere delen. Hij offerde vlees aan de Nimfen en plengde vloeibare offers uit een schaal met zoete, nieuwe wijn. Hij spreidde bedden van groene bladeren en sloot zich bij de anderen aan die aan het feesten waren en vrolijk waren, altijd zijn kuddes in de gaten houdend om te voorkomen dat een wolf hen zou overvallen. Ze zongen liederen voor de Nimfen, melodieën van herders van vroeger. Toen de nacht viel, bleven zij daar in het veld liggen. De volgende ochtend vroeg, herinnerden zij zich Pan. Ze versierden de leidende geit van de kudde met dennenscheuten en begeleidden die naar de den, en om een plechtige stilte voor de god roepend, offerden zij die. Deze hingen zij op, stroopten het beest, en roosterden en kookten het vlees dat zij vlakbij neerlegden op een bed van bladeren. De huid, hoorns en al het andere, maakten zij aan een den vast vlakbij het houten standbeeld van herders’ toewijding aan herdersgoden. Zij boden vlees als eerste oogst aan en plengden een plengoffer van wijn uit een nog grotere schaal. Chloe zong, en Daphnis speelde op zijn fluit.

2; 32
Het offer was voltooid, zij leunden achterover en begonnen te eten. De koeherder Philetas verscheen voor hen. Hij bracht kleine bloemenslingers aan bij Pan met druiventrossen aan de takken. Zijn jongste kind was bij hem, een kleine jongen die Tituros heette met rood haar, grijze ogen, en een witte huid, overlopend van energie. Hij huppelde en sprong als een kind licht in het rond op zijn voeten. Iedereen sprong op om Philetas te helpen met het versieren van Pan en hingen wijnstokscheuten aan de dennentakken. Toen kalmeerden zij hem en sloten zich aan bij de groep om te drinken. Zoals normaal is bij oude mannen die een beetje aangeschoten raken, raakten zij in gesprek over de goede oude tijd. Zij herinnerden zich hoe zij de kudden hoedden toen zij jong waren, en hoe ze aan de vele overvallen door piraten waren ontsnapt. Eén van hen in het bijzonder was vol van zichzelf en pochte dat hij een wolf had gedood. In dezelfde geest beweerde een tweede dat hij in het spelen op de fluit bijna net zo goed was als Pan. Deze opschepper was Philetas,

2; 33
die Daphnis en Chloe direct uitdaagde om al hun deuntjes te oefenen en zijn vaardigheid met hen te delen om met de fluit op een festival te spelen dat was opgedragen aan de god die genoot van de klanken van de fluit. Philetas stemde in, hoewel hij zich verontschuldigde voor zijn kortademigheid vanwege zijn hoge leeftijd, en nam de fluit van Daphnis in zijn handen. Hert was een klein ding, geschikt voor jongenslippen en niet in staat om recht te doen aan de talenten van een oude man. Dus stuurde Philetas Tituros weg om zijn fluit op te halen uit zijn huisje dat op ongeveer een mijl afstand stond. Tituros trok zijn boezelaar uit en ging er vandoor, terwijl hij alleen zijn vest nog droeg. In de tussentijd, bood Lamon aan om voor een geit en een fluit iedereen het verhaal te vertellen over de fluit dat een Siciliaanse geitenhoeder hem verteld had.

2; 34
‘Deze fluit was vroeger geen muziekinstrument maar een mooi jong meisje met een muzikale stem. Ze hoedde geiten en speelde met de Nimfen en zong af en toe liedjes. Terwijl ze met deze activiteiten bezig was, hoeden, spelen en zingen, benaderde Pan haar en probeerde haar te overreden om met hem te doen wat hij wilde. Ze lachte hem ronduit voor zijn passie voor haar uit en zei dat ze nooit iemand als minnaar zou accepteren die geen geit of mens was maar iets daartussenin. Pan verzon een plan om het met geweld te nemen. Syrinx, want dat was haar naam, voor Pan en zijn gewelddadige bedoelingen. Vermoeid van het vluchten, verborg zij zich in het riet en verdween vervolgens in het moeras. Pan was woedend en begon het riet af te snijden, maar kon haar niet vinden. Hij dacht na over wat er gebeurd was en vond het instrument uit dat de syrinx of de panfluit genoemd werd naar raad eens wie. Hij bond riet samen met was en blies er op. Het riet verschilde net zoveel van lengte als Pan en Syrinx verschilde in het vereren van Eros. Het mooie meisje van toen is nu de panfluit.’

2; 35
Lamon was nauwelijks klaar met zijn verhaal, en Philetas prees hem voor een verhaal dat mooier was dan een lied toen Tituros terugkwam met de fluit van zijn vader, een groot instrument met lange rieten waarvan de verbindende was overdekt was met allerlei kleuren brons. Je zou denken dat het de beroemde fluit was die Pan als eerste had gemaakt. Philetas kwam uit zijn liggende houding overeind en ging rechtop zitten. Hij controleerde eerst het riet om zeker te weten dat het schoon waren. Toen blies hij er met de adem van een krachtige jongeman op. Het geluid vervulde de lucht waarbij het leek of er verschillende fluitisten tegelijk speelden. Geleidelijk aan verminderde hij de kracht van zijn spel en veranderde naar een zoeter wijsje. Hij toonde al de vaardigheden van zijn spel. Hij speelde een melodie voor een koeherder, en daarna een die een beroep op schapen deed. Voor schapen, een mooi lied; een zwaar aangezette voor koeien; een prikkelende voor geiten. Maar één fluit imiteerde alle die andere verschillende fluiten.

2; 36
De anderen zaten zwijgend te genieten van de muziek, maar Dryas stond op en vroeg Philetas een Bacchantisch wijsje te spelen. Hij begon te dansen met passen die het proces van de wijn volgden. Hij beeldde iemand uit die druiven oogstte, vervolgens manden droeg, de druiventrossen platstampte, de kruiken vulde, en de nieuwe wijn dronk. Hij danste zo expressief en duidelijk dat het gezelschap dacht dat zij naar de wijngaarden, de wijnpers, en de kruiken keken en, naar waarheid, zelfs Dryas zagen drinken.

2; 37
De feestgangers prezen een oude man voor de derde keer, deze keer voor zijn dans. Dryas was klaar en kuste Daphnis en Chloe die snel op hun voeten sprongen en het verhaal van Lamon dansten. Daphnis speels Pan, en Chloe was Syrinx. Hij overreedde en maakte haar het hof, terwijl zij veel glimlachte en hem negeerde. Hij achtervolgde haar, op zijn tenen lopend zoals Pan op zijn hoeven. Ze deed alsof ze vermoeid was van het vluchten. Ze ontsnapte in de bossen die haar dienden als een moeras. Daphnis greep Philetas’ grote fluit en speelde een landerig deuntje om de liefde van Pan uit te drukken, een verleidelijke melodie voor zijn vrijage en een lokkende melodie dat leek te roepen: ‘Kom naar met toe.’ Philetas was onder de indruk en, opspringend, kuste de fluit en gaf die aan hem onder de voorwaarde dat hij deze ook zou nalaten aan een waardige opvolger.

2; 38
Daphnis wijde zijn eigen fluit, de kleine, aan Pan en kuste Chloe alsof zij werkelijk was ontdekt na haar vlucht. Daar de nacht al was ingevallen, dreef Daphnis zijn kudde geiten naar huis, terwijl hij onderweg op de fluit speelde. Ook Chloe leidde haar schapen naar huis, hen voortjagend met het geluid van haar fluit. De geiten liepen samen met de schapen, en Daphnis en Chloe liepen naast elkaar. Zij genoten erg van elkaar totdat het donker werd. Zij spraken af om hun kudden de volgende morgen eerder dan gewoonlijk naar buiten te drijven. En dat deden zij. Bij het eerste ochtendgloren, kwamen zij bij de weide aan en richtten zich eerst tot de Nimfen en daarna tot Pan. Vervolgens gingen zij bij de eik zitten en begonnen op hun fluiten te spelen. Weldra waren ze aan het kussen en het omhelzen en lagen naast elkaar. Maar zij stonden op voordat zij zich nog verder waagden. Ze hadden honger en dronken melk die was gemengd met wijn.

2; 39
Al deze activiteiten maakten hen heter en aantrekkelijker voor elkaar. Zij rivaliseerden en bonden zich steeds meer met eden aan elkaar. Daphnis stond naast het houten beeld en zwoer bij Pan dat hij geen enkele dag zonder Chloe wilde leven. Chloe ging de grot van de Nimfen binnen en zwoer bij hen dat zij graag wilde leven of sterven met Daphnis. De naïviteit van Chloe was zo groot dat, toen ze de grot uitkwam, zij Daphnis om een andere eed vroeg. ‘O Daphnis,’ zei ze, ‘Pan is een amoureuze maar trouweloze god. Hij hield van de den, hij hield van Syrinx. Hij is nooit gestopt met het kwellen van Dryas of de Nimfen lastig te vallen die de kudden beschermen. Deze god, die niets om eden geeft, zal jou niet straffen, mocht je meer vrouwen achtervolgen dan er rieten in je fluit zitten. Kom nu, zweer mij bij je kudde hier voor ons en bij de geit die jou zoogde dat je Chloe niet zult verlaten zolang zij jou trouw blijft. Als Chloe jou en de Nimfen onrecht aandoet, ontwijk haar dan, haat haar, en dood haar zoals je een wolf zou doden.’ Daphnis was blij omdat hij niet vertrouwd werd en, temidden van zijn kudde staand en met een hand een ooi en met de ander een geit aanrakend, zwoer dat hij Chloe zou liefhebben zolang zij hem liefhad, en mocht zij op een dag een ander boven Daphnis prefereren, dan zou hij zichzelf doden en niet haar. Chloe was dolblij en schonk haar vertrouwen aan hem als een meisje dat schapen hoedt en geloofde dat geiten en schapen de eigen goden waren voor iedereen die schapen en geiten hoedt.

Boek 3

3; 1
De Mytileniërs hoorden over de aanval van de tien schepen omstreeks de tijd dat de mannen uit het land terugkeerden en hen over de plundering vertelde. Zij konden de Methymniërs hier niet mee laten wegkomen. Zij waren kundig in het mobiliseren van hun manschappen en verzamelden snel een leger van drieduizend gewapende manen en vijfhonderd ruiters en stuurden die onder generaal Hippasus over een landroute. Zij bestempelden tijdens het stormseizoen de zee als te gevaarlijk.

3; 2
Hippasus vertrok snel, maar onthield zich om de velden van de Methymniërs te plunderen, de kuddes te verdrijven of de bezittingen van de boeren te plunderen. Hij vond dat dit de acties van een piraat waren, en niet van een generaal. Toen hij ongeveer elf mijl van de stad was verwijderd, werd hij benaderd door een heraut die voorwaarden voor een vrede bij zich had. Het leek erop dat de Methymniërs van gevangenen hadden vernomen dat de Mytileniërs niet wisten wat er gebeurd was, en dat het boeren en herders waren die de jongemannen hadden teruggeslagen vanwege hun schandalige gedrag. Zij betreurden het dat zij zo tegen een naburige stad hadden gehandeld met meer roekeloosheid dan gezond verstand en waren er op uit om alle buit terug te geven en de vreedzame betrekkingen zowel op land als op zee te herstellen. Hippasus stuurde de heraut terug naar Mytilene, hoewel hij bevoegd was om deze beslissing zelf te nemen. Ondertussen sloeg hij op ongeveer een mijl van Methymne een kamp op en wachtte op bevelen uit zijn eigen stad. Twee dagen gingen voorbij voordat er een boodschapper arriveerde met de opdracht de buit te verzamelen en naar huis terug te keren zonder verdere vijandelijkheden. Als er een keuze was tussen oorlog of vrede, vonden de Mithyleniërs meer voordeel in vrede.

3; 3
Zo liep de oorlog tussen de Methymniërs en de Mytileniërs, die zo onverwachts was opgelaaid, met een sisser af. De winter, bleek voor Daphnis en Chloe echter veel bitterder te zijn. Plotseling viel er hevige sneeuw die alle wegen versperde en de boeren in hun huizen opsloot. Water viel uit gezwollen beken naar beneden, terwijl ijs alles overdekte. Het leek of de bomen op het punt stonden open te barsten. De grond was wit uitgezonderd de zomen van bronnen en rivieren. Niemand leidde de kuddes naar de weidegronden of waagde zich buiten, maar bij het eerste kraaien van de haan, stookten zij het vuur hoog op en hielden zich bezig met het spinnen van vlas, kaarden van geitenhaar en maakten strikken voor het vangen van vogels.

3; 4
Gelijktijdig moesten zij er voor zorgen dat de koeien in de stallen zemelen te eten hadden, de schapen in hun hokken bladeren, en de varkens in de stallen de gebruikelijke verscheidenheid aan eikels. Omdat zij geen andere keus hadden dan binnen te blijven, waren de andere boeren en herders tevreden om een tijdje van hun gezwoeg verlost te zijn en een maaltijd in de ochtend en avond te eten en lang te slapen zodat de winter voor hen aardiger leek dan de andere seizoenen. Maar Chloe en Daphnis konden het plezier dat zij achtergelaten hadden niet vergeten, de tijd die zij met kussen hadden doorgebracht, met hun armen om elkaar heen geslagen, en samen etend. Nu brachten zij de ene slapeloze nacht na de ander door en dagen die in ellende werden besteed. Ze keken uit naar de lente als een opstandig uit de dood. De aanraking van de tas die eens dingen bevatte om te eten bracht hen pijn. De aanblik van een drinkbeker of een fluit, eens een liefdesgeschenk, achteloos weggeworpen, vervulde hen met doodsangst. Zij baden voortdurend tot de Nimfen en Pan om hen te verlossen uit deze vreselijke toestand en hen hun kudden en de zon te laten zien. Terwijl zij baden, beleven zij zoeken naar een idee, een manier om elkaar te zien. Chloe was hulpeloos, want haar vermeende moeder was altijd in de buurt, haar lerend hoe zij de wol moest bewerken of de spindel draaien en bracht wanneer dat maar mogelijk was een huwelijk ter sprake. Maar Daphnis werd aan zijn lot overgelaten, en bewees slim te zijn in het bedenken van een plan. Hij kwam met een idee om Chloe te zien.

3; 5
Aan de voor- en zijkant van het huisje van Dryas, hadden twee grote mirtebomen en een klimop wortel geschoten. De bomen stonden naast elkaar, en de klimop spreidde zich tussen hen uit. Deze lag verspreid over de takken als een wijnstok, met ineengestrengelde bladeren, die zo een soort grot vormden. Fruittrossen zo groot als druiven hingen aan de takken. Ontelbare vogels werden door de klimop aangetrokken als hun enige bron van voedsel die ze konden vinden. Merels, houtduiven, spreeuwen en allerlei andere gevleugelde wezens die klimop aten dromden om die behuizing. Dus vulde Daphnis zijn herderstas met lekkernijen van honing en ging op pad onder het voorwendsel op deze vogels te gaan jagen. Hij nam strikken mee en kleverige vogellijm om op de bomen te smeren om de zaken er overtuigend uit te laten zien. Hij hoefde niet meer dan een mijl te lopen, maar de sneeuw was nog steeds diep en veranderde het lopen in moeilijk zwoegen. Maar noch vuur of water of de sneeuw van Scythië konden hem weghouden bij zijn liefde.

3; 6
Daphnis liep de hele weg naar het huisje van Dryas. De sneeuw van zijn benen afschuddend, plaatste hij de strikken en smeerde de vogellijm op de lange twijgen. Toen ging hij zitten om op de vogels te wachten – en Chloe. Allerlei vogels bezochten de plek, en ving er genoeg waardoor hij moeite had om ze allemaal te verzamelen, dodend, en hen kaalplukkend. Maar niemand kwam het huis uit, geen man noch jonge vrouw of haan. Iedereen bleef binnen het huis rondom de haard. Daphnis wist niet wat hij moest doen. Het leek alsof hij onder een kwaad voorteken van vogels was gekomen. Toch besloot hij om naar binnen te gaan, verzon verklaringen, en herhaalde in gedachten diegenen welke hem het meest overtuigend klonken. ‘Ik ben gekomen om vuur voor de haard te halen.’ ‘Och, de buren zijn slechts een paar voetstappen verwijderd.’ ‘Ik kwam om wat brood te lenen.’ ‘Maar je knapzak is vol.’ ‘Ik heb wijn nodig.’ ‘Hoezo? Je oogstte je druiven slechts een paar dagen geleden.’ ‘Een wolf achtervolgde mij.’ ‘Echt waar?’ ‘Waar zijn dan zijn sporen?’ ‘Ik ben gekomen om op vogels te jagen.’ ‘In dat geval, als je daarmee klaar bent, waarom ga je dan niet weg?’ ‘Ik wilde Chloe zien. Wie geeft dat toe aan de vader en moeder van een meisje?’ Daphnis struikelde over zijn eigen voeten. ‘Wie zou al deze verhalen geloven? Het is beter om niets te zeggen. Ik zie Chloe weer in de lente, omdat het mijn lot is om gedurende de hele winter geen blik op haar te werpen.’ Hij worstelde met deze gedachten, totdat hij uiteindelijk zijn vangst greep en naar huis wilde gaan, toen Eros zich over hem ontfermde, en er iets gebeurde.

3; 7
Dryas en zijn familie zaten rond de tafel. Het vlees was gesneden, het brood klaargezet, en de wijn gemengd in de beker toen een van de schapenhonden het moment benutte toen iedereen was afgeleid en het vlees greep en de deur uitglipte. Dryas was woedend: de hond stal zijn vlees. Hij greep een stok en volgde het spoor van de hond alsof hij zelf een hond was. Zijn achtervolging bracht hem bij de klimop waar hij Daphnis zag. Hij vergat heel het vlees en de hond en riep naar Daphnis, ‘Hallo, mijn jongen,’ wierp zijn armen om hem heen en kuste hem. Hij bracht hem mee naar binnen. Toen Chloe en Daphnis elkaar zagen, vielen zij bijna in katzwijm. Ze dwongen zichzelf om op hun benen te blijven staan en wisselden groeten en kusjes uit, om zo te vermijden flauw te vallen.

3; 8
Daphnis kreeg veel meer dan hij verwachtte, een kus en Chloe zelf. Hij zat voor het vuur en nam de duiven en merels van zijn schouder en legde die op tafel. Hij vertelde hen hoe hij zich thuis verveelde en eropuit was getrokken om enkele vogels te vangen met strikken en anderen met vogellijm terwijl zij kibbelden in de klimop. Ze prezen zijn initiatief en nodigden hem uit om mee te eten van datgene wat de hond had achtergelaten. Ze vroegen Chloe om hem een beetje wijn te geven, toch bediende ze eerst de anderen en, na alle anderen, kwam bij Daphnis. Ze deed alsof ze boos op Daphnis was omdat hij naar het huisje was gekomen maar wilde vertrekken zonder haar gedag te zeggen. Voordat zij hem de wijn gaf, dronk ze er een beetje van. Hoewel hij dorst had, dronk hij de wijn langzaam, zijn plezier verlengend door traagheid.

3; 9
Het brood en de wijn verdwenen van tafel, en de maaltijd was snel voorbij. Zij bleven aan tafel hangen en begonnen vragen te stellen over Myrtale en Lamon en feliciteerden hen met hun geluk om zo’n fijne jongeman te hebben tijdens hun ouderdom. Chloe was blij toen Daphnis zo geprezen werd. Toen zij hem niet naar huis lieten gaan omdat zij wilden dat hij hen in de ochtend vergezelde bij het offeren aan Dionysus, aanbad Daphnis hen bijna in plaats van Dionysus, zo groot was zijn vreugde. Onmiddellijk nam hij de honingkoeken en vogels uit zijn tas, en begonnen zij die klaar te maken voor de avondmaaltijd. Een tweede wijnbeker werd gemengd, en een tweede vuur aangestoken. De duisternis viel snel in, en zij aten opnieuw gezamenlijk een maaltijd. Later vertelden zij oude verhalen en zongen liedjes totdat het tijd was om te gaan slapen. Chloe deelde een bed met haar moeder, en Dryas sliep met Daphnis. Er was niets goeds of bevredigends aan deze regeling voor Chloe uitgezonderd dat ze Daphnis de volgende ochtend weer zou zien. Maar Daphnis was gelukkig met deze holle vreugde. Hij omhelsde en kuste Dryas heel de nacht, dromend dat hij dit allemaal met Chloe deed.

3; 10
De volgende dag brak aan, kil en koud. De noordenwind blies en bevroor alles. Zij stonden op uit bed en offerden een eenjarige ram aan Dionysus. Ze ontstaken een groot vuur en troffen voorbereidingen voor de maaltijd. Terwijl Nape brood bakte en Dryas het vlees roosterde, kregen Daphnis en Chloe eindelijk een moment voor zichzelf. Ze slopen naar buiten naar de klimop en, hun strikken zettend en vogellijn smerend, vingen vele vogels. Zij genoten ook van het kussen en spraken zonder onderbrekingen: ‘Vanwege jou, ben ik gekomen, Chloe.’ ‘Ik weet het, Daphnis.’ ‘Vanwege jou, doodde ik deze arme vogels.’ ‘Wat moet er van je worden?’ ‘Herinner me.’ ‘Bij de Nimfen, bij wie ik eerder zwoer, zal ik je herinneren. Ik ben eens hun grot binnengegaan, en dat zullen we weer doen als de sneeuw smelt.’ ‘Er is zoveel sneeuw, Chloe, ik ben bang dat ik smelt voor de sneeuw dat doet.’ ‘Kop op, Daphnis, de zon is heet.’ ‘Als ik het maar net zo heet krijg als het vuur dat in mijn hart brandt, Chloe.’ ‘Je bedriegt me en steekt de gek met me.’ ‘O nee, ik zweer het bij de geiten waarbij je mij liet zweren.’

3; 11
Chloe beantwoordde Daphnis als zijn echo. Toen Nape hen riep, haastten zij zich naar binnen, met zelfs een nog grotere vangst dan gisteren. Iedereen offerde de eerste wijn aan Dionysus en, hun hoofden met klimop omkranst, begonnen aan het feest. Het was weldra tijd voor Daphnis om te gaan. Zij vulden zijn tas met vlees en brood en stuurden hem op pad onder het slaken van kreten tot de god Dionysus. Zij gaven hem de duiven en merels, omdat zij naar meer op jacht gingen zolang het winter was en de klimop het uithield. Daphnis kuste iedereen, maar bewaarde Chloe voor het laatst, zodat haar kus op zijn lippen kon blijven hangen, waarna hij vertrok. Maar later kwam hij menigmaal terug, onder verschillende voorwendsels, waardoor de winter niet zo volkomen liefdeloos was.

3; 12
Het voorjaar was net begonnen, de sneeuw smolt, de grond kwam weer tevoorschijn, en het gras werd weer groen. De andere herders leidden hun kudden naar de weiden en, ver voor hen uit, gingen Chloe en Daphnis alsof zij slaven waren van een hogere en grotere Herder. Zij renden naar de Nimfen en hun grot, vervolgens naar Pan en zijn pijnboom, en uiteindelijk naar de eik. Ernaast zittend, waakten zij over hun kudden en kusten elkaar. Zij wilden de goden met bloemenkransen omhangen dus gingen zij op zoek naar bloemen. Sommigen, gevoed door de westenwind en verwarmd door de zon, waren net uitgekomen. Zij vonden viooltjes, een narcis, een pimpernel, en andere eerste vruchten van de lente. Ze molken de geiten en schapen, kroonden de godenbeelden, en plengden offers van verse melk. Zij offerden ook een fluit alsof zij nachtegalen tot een muziekwedstrijd uitdaagden. De nachtegalen in het struikgewas antwoordden beetje bij beetje met hun gezang alsof zij zich herinnerden hoe het ging na een lange stilte.

3; 13
Overal klonk het geblaat van de kudden en, verspreid rondzwervend, dartelden de lammeren. Anderen doken onder hun moeders en trokken aan de spenen. Rammen achtervolgden die ooien welke rijp waren om te paren. Zij achtervolgden hen totdat de ene na de andere ram zijn ooi tot stoppen bracht. De bokken vielen de geiten lastig, naar hen snoevend met passievolle sprongen. Zij begonnen te bokken vanwege de vrouwtjes, elke man omringde zijn eigen ooi en bewaakte die tegen elke indringer welke met hen aan de haal wilde gaan. De aanblik ervan wekte zelfs bij oude mannen een drang om de liefde te bedrijven op. Maar de jongelui sprongen uit hun vellen en barstten van de energie. Ze hadden al veel tijd besteed aan de zoektocht der liefde en, geprikkeld door wat zij zagen, hernieuwden hun zoektocht naar iets meer dan omarmingen en kussen. Dit alles ziend realiseerde Daphnis zich hoe hij de hele winter zijn jeugd had verspild door in het huis rond te hangen en niets te doen. Hij stond in brand voor kussen en verlangde ernaar om zijn armen om iemand heen te slaan. Kortom, hij was nog gretiger en verlangender naar het hele verhaal van de liefde.

3; 14
Daphnis vroeg Chloe als gunst aan hem dat zij deed wat hij maar wilde en vroeg om langer naakt naast hem te liggen dan ze gewoonlijk deed. ‘Dit is het enige dat nog rest van Philetas’ instructies. Het is mogelijk de enige remedie om de pijnen van de liefde te verlichten.’ ‘Wat is er nog meer,’ vroeg Chloe, ‘naast kussen en omarmen en naast elkaar liggen?’ Daphnis antwoordde: ‘Wat de rammen doen met de ooien en de bokken met de geiten. Zie je dan niet hoe, nadat zij hét gedaan hebben, de vrouwtjes niet wegrennen bij de mannetjes, en de mannetjes zich niet meer uitsloven door de vrouwtjes te achtervolgen, maar nadat zij het plezier gedeeld hebben, kalm blijven staan om samen te grazen? Dit is op de een of andere manier heerlijk, zo lijkt het, en onderwerpt de bitterheid van liefde.’ ‘Je hebt gezien, ik ben er zeker van, Daphnis, hoe de mannetjes het staand doen en de vrouwtjes het vóór hen staand doen? En hoe de mannetjes de vrouwtjes beklimmen, en de vrouwtjes hen op hun rug dragen? Maar jij wilt dat ik naakt naast je ga liggen? Trouwens, die vrouwtjes zijn veel hariger dan ik met al mijn kleding aan.’ Niettemin overreedde Daphnis haar en, zich naast haar neervlijend, lag daar lange tijd naakt. Omdat hij niet wist hoe hij moest doen waar hij naar verlangde, stond hij weer op en greep haar van achteren beet, en probeerde de bokken na te doen. Maar hij raakte nog meer in de war. Hij ging zitten en barste in tranen uit door de gedachte dat de rammen meer wisten over de liefde dan hij.

3; 15
Nu had Daphnis een buurman, een boer op zijn eigen land, die Chromis heette. Hij was al van middelbare leeftijd, maar had een vrouw, een buitenlandse uit de stad, die jong, fris en brutaal was, en veel te arrogant voor het boerenleven. Haar naam was Lycainion. Elke dag keek ze naar Daphnis die zijn geiten in de ochtend naar de weide dreef en ’s nachts weer terugkeerde. Ze verlangde ernaar om Daphnis te verleiden en hem tot haar minnaar te maken. Dus overviel ze hem op een dag toen hij alleen was en gaf hem geschenken, een fluit, een volle honingraat en een tas van hertenhuid, maar zij stopte toen ze iets wilde zeggen. Zelfs zij kon zien dat hij het meisje Chloe aanbad. Zij pikte dit alles op uit de blikken en het gelach dat zij deelden. De volgende aanval van Lycainion kwam vroeg op een ochtend. Ze verzon het verhaal voor haar man dat ze een vrouw ging bezoeken die een kind ging krijgen. Zij volgde Daphnis en Chloe en verborg zich achter een paar struiken zodat ze haar niet konden zien. Ze hoorde alles wat zij zeiden en zag alles wat zij deden. Ze miste Daphnis’ kreten van frustratie niet. Ze had geen medelijden met de twee jonge mensen maar herkende ook de dubbele mogelijkheid om hen te helpen en, tegelijkertijd, te krijgen wat zij wilde van Daphnis. Dus verzon ze het volgende plan.

3; 16
De volgende dag verliet ze haar huis alsof ze de barende vrouw wilde zien. Ze liep openlijk naar de eik waar Daphnis en Chloe met elkaar flirtten en riep luid: ‘Red me, Daphnis, red me. (Ze bootste een vrouw in nood uitstekend na.) Een adelaar heeft de beste van mijn twintig ganzen gestolen, maar de vogel was te zwaar. Hij kon zijn hoge nest niet bereiken en landde in het bos met mijn arme vogel. Alsjeblieft, bij de Nimfen en Pan, kom met mij mee naar de bossen. Ik ben bang om daar alleen naar toe te gaan. Red mijn gans. Alsjeblieft, blijf daar niet staan en laat me niet mijn gans verliezen. Wellicht kun je de adelaar doden, en zal deze jouw lammeren en kinderen niet meer wegvoeren. Chloe zal op kudden letten terwijl jij weg bent. Zij waakt altijd samen met jou over hen, en de geiten kennen haar.’

3; 17
Daphnis had niets in de gaten. Hij sprong onmiddellijk op en, zijn staf grijpend, volgde Lycainion. Zij leidde hem zo ver bij Chloe vandaan als zij kon. Toen ze in het diepste deel van het bos kwam, zei ze dat hij moest gaan zitten. ‘Je houdt van Chloe, Daphnis. Dat vernam ik gisternacht door een droom van de Nimfen. Ze vertelden me alles over je tranen van gisteren en gaven mij opdracht om je te redden en je lerares te worden in de werken van de liefde.

3; 18
Daphnis werd gek van vreugde, maar deed wat elke verliefde jonge boerenzoon en geitenhoeder zou doen: hij viel op zijn knieën aan de voeten van Lycainion, en smeekte haar om hem zo snel als zij kon de vaardigheden te leren die het mogelijk maakten om te doen wat hij wilde met Chloe. Net alsof hij op het punt stond om een gedenkwaardige les die door de goden gezonden werd te leren, verkondigde Daphnis dat hij haar een kind zou schenken dat grootgebracht zou worden in een kribbe met zachte kaas van de eerste melk samen met de geit zelf. Dus, toen Lycainion de mate van vrijgevigheid van de geitenhoeder ontdekte, begon zij hem te onderwijzen. Ze beval hem om naast haar te gaan zitten, precies zoals hij was, en haar op de gebruikelijke manier te kussen. Toen, terwijl hij haar aan het kussen was, vertelde ze hem haar te omarmen en op de grond te gaan liggen. Hij ging zitten, kuste haar, en ging op de grond liggen. Intussen wist Lycainion dat hij gezwollen en klaar voor de daad was. Ze tilde hem iets omhoog op zijn zijde en, zich onder hem bewegend, loodste hem op de weg waar hij zo lang naar gezocht had. En wat er daarna volgde, daar hoefde zij niets bijzonders voor te doen. De natuur zelf leerde hem wat er verder nog moest gebeuren.

3; 19
Zijn opleiding in Eros was voltooid, Daphnis bezat nog steeds de wijze van denken van herders en wilde teruglopen naar Chloe en meteen met haar te doen wat hij had geleerd. Hij was bang dat hij het zou vergeten als hij lang draalde. Maar Lycainion hielp hem overeind en zei: ‘Er is nog meer dat je moet leren, Daphnis, ik ben een vrouw en voelde geen pijn, omdat een andere man me lang geleden leerde wat ik je nu ga vertellen – ten koste van mijn maagdelijkheid. Mocht Chloe met je worstelen, dan zal ze huilen en jammeren, en in een plas bloed liggen. Wees niet bang van het bloed, maar als je haar overtuigd hebt, breng haar dan hier naar deze plek zodat, als ze in huilen uitbarst, niemand haar zal horen, en wanneer ze huilt, niemand haar zal zien, en wanneer ze bloedt, kan ze baden in de bron. Onthoud dat ik voor Chloe een man van je gemaakt heb.’

3; 20
Lycainion gaf haar instructies en vertrok door een ander deel van het bos alsof ze op zoek was naar haar gans. Daphnis, peinzend over datgene wat ze had gezegd, gaf het idee om naar Chloe te rennen op, schrok terug om haar te kussen en te omarmen, want hij wilde niet dat zij zou huilen alsof hij een vijand was of van pijn zou jammeren of zou bloeden alsof ze was vermoord. Dit alles was nieuw voor hem, hij vreesde vooral het bloed en dacht dat bloed alleen uit een wond kon komen. Hij besloot om het bij de gebruikelijke genoegens met Chloe te houden, hij verliet het bos, en toen hij aankwam waar zij een krans van viooltjes aan het vlechten was, verzon hij een verhaal hoe hij de gans uit de klauwen van de adelaar had gegrist. Toen pakte hij haar stevig vast, bijna aan haar vastklevend, en kuste haar zoals hij Lycainion had gedaan tijdens hun liefdesspel. Dit was veilig en toegestaan. Ze zette de krans op zijn hoofd en kuste zijn haar. Zij vond dat mooier dan de viooltjes. Ze nam een stuk fruitkoek en gaf het aan hem. Terwijl hij het at, pakte zij de kruimels van zijn lippen en at zo als een kuiken.

3; 21
Terwijl zij aan het eten en kussen waren (veel meer kussen dan eten) zagen zij een vissersboot langs komen. Er heerste geen wind maar een dodelijke kalmte, en de vissers hadden besloten om te roeien, wat zij met grote inspanning deden. Zij haastten zich voort om hun vangst naar een rijk mens in de stad te brengen terwijl die nog vers was. Volgens de gewoonte van zeelieden om de geest te ontspannen tijdens hun gezwoeg, zong één man, de stuurman, zeeliedjes voor hen terwijl de rest, als een koor, in harmonie met het ritme van zijn stem terugzongen. Toen ze op open zee waren, waren hun stemmen niet meer te horen, maar toen zij onder de kaap doorvoeren en de halve maanvormige baai binnen roeiden, klonk hun gezang groots, en de liederen van de roeiers klonken luid en duidelijk op het land. De vlakte was eigenlijk een holle vallei die naar hen toe gericht was en het geluid ontving als een instrument die een echo produceerde en alles weerkaatste. De geluiden van de riemen en de stemmen van de zeelieden, werden elke apart en duidelijk weerkaatst. De geluiden uit de zee werden gevolgd door de geluiden van het land, allemaal erg leuk om te horen.

3; 22
Daphnis wist wat er gebeurde en zo keek hij naar de zee en genoot van de boot die sneller vooruit ging dan een vogel. Hij probeerde een aantal van de liedjes te onthouden zodat hij die op zijn fluit kon naspelen. Maar Chloe, die voor het eerst een echo hoorde, keek eerst naar de zeelieden toen deze zongen, en draaide zich daarna om naar het bos, zoekend naar degenen die terugriepen. Toen zij voorbij gevaren waren, vroeg zij Daphnis: ‘Is er een zee aan de andere kant van de kaap, en voer daar een ander schip met andere zeelieden die hetzelfde lied zongen. En zwegen ze allemaal op hetzelfde ogenblik?’ Daphnis lachte lief en gaf haar een kus die nog liever was. Hij zette een krans van viooltjes op haar hoofd en begon haar het verhaal van Echo te vertellen, maar deed dit alleen nadat hij haar in ruil een betaling van tien of meer kussen had gevraagd.

3; 23
‘De familie van de Nimfen, mijn lief, is groot. Er zijn nimfen van de Es, Nimfen van de Eik, en Nimfen van de Moerassen. Allen beeldschoon, en allen vaardig in muziek. Echo was de dochter van een van deze Nimfen. Ze was sterfelijk door haar vader, maar beeldschoon door haar mooie moeder. Ze werd opgevoed door de Nimfen, en de Muzen leerden haar op de fluit spelen en liedjes voor de lier en anderen voor de gitaar, elk soort lied. Toen ze de bloem van haar maagdelijkheid had bereikt, trad zij toe tot de koren van de Nimfen en zong met de Muzen. Ze ontvluchtte alle mannen, zowel menselijk als goddelijk, uit liefde voor haar maagdelijkheid. Pan was boos op het meisje en jaloers op haar talent voor muziek en zijn eigen falen om haar schoonheid te bezitten. Hij liet alle herders en geitenhoeders waanzinnig worden. Net als honden of wolven, scheurden zij haar aan stukken en verspreidden haar over de hele aarde terwijl zij nog steeds liedjes zong. Als een gunst aan de Nimfen verborg de Aarde al haar liedjes en bewaarde al hun muziek. Op verzoek van de Muzen stuurde Aarde een stem terug die elk geluid imiteerde net als het meisje gewoon was om te doen, het geluid van goden, mensen, muziekinstrumenten, en dieren. Ze imiteerde zelfs Pan die op zijn fluit speelde. Toen hij deze geluiden hoorde, sprong hij overeind en achtervolgde die om uit te zoeken wie deze geheime leerling was.’ Toen hij klaar was, kuste Chloe hem niet tien maal maar talloze keren, want Echo herhaalde alles wat Daphnis zei alsof ze getuige was dat hij haar de waarheid vertelde.

3; 24
De zon werd elke dag heter toen de lente ten einde liep, en de zomer naderde. Opnieuw waren er nieuwe lekkernijen voor hen om van te genieten, het plezier van de zomer. Hij zwom in rivieren, terwijl zij in bronnen baadde. Hij speelde op zijn fluit een wedstrijd met de pijnbomen, terwijl zij wedijverde met de nachtegalen. Ze jaagden en vingen babbelende sprinkhanen. Ze plukten bloemen, schudden de bomen en aten hun vruchten. Daarna lagen zij naakt naast elkaar en bedekten zich met een geitenvel. Chloe zou eenvoudig tot een vrouw zijn geworden, als Daphnis niet bang voor het bloed was geweest. Maar hij vreesde ook dat deze reden omzeild zou worden en stond niet toe dat Chloe veelvuldig naakt was. Chloe verbaasde zich hierover maar schaamde zich om hem naar de reden te vragen.

3; 25
Tijdens deze zomer, een grote menigte vrijers dromde om Chloe heen, en kwamen met velen meer overal vandaan naar Dryas om haar hand te vragen. Sommigen beloofden grote beloningen als zij degenen zouden zij die haar zouden krijgen. Nape, verleid door haar hoop, vond dat zij Chloe ten huwelijk moesten geven en niet langer een meisje van haar leeftijd in huis houden dat elk moment haar maagdelijkheid kon verliezen tijdens het grazen in de velden en enkele herders tot man te maken voor een paar appels of rozen. Zij behoorden Chloe klaar te maken als meesteres van een huishouden, en veel geld voor zichzelf te krijgen en dat te bewaren voor hun rechtmatige kind, voor de zoon die zij juist hadden gekregen. Dryas werd soms aangetrokken door haar woorden, want elke vrijer bood geschenken aan met een grotere waarde dan een herdersmeisje kon afdwingen. Op andere momenten, hield hij in gedachten dat het meisje meer waard was dan al haar boerenvrijers en dat wanneer hij haar ware ouders kon vinden, hij zijn familie zeer rijk zou maken. Dus stelde hij zijn antwoord uit en liet de tijd voortduren. Ondertussen, oogstte hij veel voordeel door de geschenken die hij ontving. Chloe was ontsteld toen ze dit alle hoorde, maar vertelde Daphnis lange tijd niets, omdat ze hem geen pijn wilde doen. Maar hij bleef aandringen en viel haar lastig met zijn vragen. Toen hij bedroefd raakte door niets te weten maar nog bedroefder zou zijn wanneer hij het ontdekte, vertelde ze hem alles over haar vele rijke vrijers, wat Nape zei om op te schieten met een huwelijk, en hoe Dryas niet besloot maar dit uitstelde tot de tijd van de druivenoogst.

3; 26
Daphnis brak bij het nieuws: hij zat op de grond en huilde: ‘Zonder Chloe die haar schapen laat grazen aan mijn zijde, ga ik dood. Niet alleen ik. Ook haar schapen zullen sterven.’ Na verloop van tijd herstelde hij en veerde op bij de gedachte dat hij haar vader zou overtuigen. Hij begon na te denken als een van haar vrijers en verwachte duidelijk van hen te winnen. Alleen één ding beangstigde hem. Lamon was geen rijke man. Alleen dit feit verzwakte zijn hoop. Toch dacht hij dat het een goed idee was om Chloe ten huwelijk te vragen, en dat vond Chloe ook. Hij durfde hier niet met Lamon over te praten, maar hij vatte moed en openbaarde zijn liefde bij Myrtale, haar uitleggend wat hij had te zeggen over het huwelijk. Die nacht deelde Myrtale met Lamon wat hij had gezegd. Het hele idee stond Lamon tegen en hij berispte haar om een herdersdochter te suggereren voor hun jongen die – zoals de tekenen bewezen – een grote beloning voor henzelf in het vooruitzicht had en die, als hij zijn familie vond, hen vrij en meesters van grotere velden zou maken. Myrtale was bang dat als Daphnis hoorde dat zijn hoop op liefde volledig de bodem in was geboord, hij iets fataals zou doen en dus vertelde zij hem verschillende redenen voor de bezwaren van Lamon. ‘We zijn arme mensen, mijn kind, en wij hebben een bruid nodig die iets meer in het huis zal brengen. Rijke mensen hebben behoefte aan rijke bruidegoms. Ga nu, en overtuig Chloe, overtuig haar om aan haar vader niets groots te vragen maar haar toe te staan om te trouwen. Ze houdt op alle mogelijke manieren van jou en geeft er de voorkeur aan om liever met een knappe maar arme man te slapen dan met een rijke man die er als een aap uitziet.

3; 27
Myrtale verwachte geen moment dat Dryas in zou stemmen met dit huwelijk onder deze voorwaarden, want hij had rijke vrijers en zij dacht zich zo handig uit dit huwelijk gemanoeuvreerd te hebben. Toen Daphnis niet in de buurt kwam van wat hij wilde, deed hij wat verarmde minnaars meestal doen – hij barste in tranen uit. Opnieuw riep hij de Nimfen aan voor hulp. Zij kwamen ’s nachts en stonden over zijn bed gebogen terwijl hij sliep, op dezelfde manier als de vorige keer, en net als toen, sprak de oudste voor de anderen: ‘Het huwelijk met Chloe is de zorg van een andere god. Wij zullen jou geschenken geven die Dryas aan zullen staan. Het schip dat van de jongemannen uit Methymne was, degenen wiens klimoptouw jouw geiten opaten, werd op die dag naar zee gevoerd door een hevige wind. Gedurende de nacht heeft een wind de zee omgewoeld en het schip naar de rotsen van de kaap gedreven. Het was verloren gegaan samen met het meeste van haar lading. Een zak met drieduizend drachmen werd door een golf teruggespoeld en ligt onder zeewier in de buurt van een dode dolfijn. De stank van rottend vlees zorgt ervoor dat reizigers er met een wijde boog omheen lopen en niet in de buurt komen. Maar ga er recht op af, raap het op, en geef het aan Dryas. Het is voor nu voldoende dat je geen arme man lijkt, maar later zul je echt rijk zijn.’

3; 28
Nadat zij hem dit verteld hadden, vertrokken de Nimfen samen met de nacht. De dag brak aan, en Daphnis sprong uit bed, vol vreugde, en dreef zijn geiten vooruit met veel gefluit. Hij kuste Chloe en, na een eerbetoon aan de Nimfen, ging naar zee alsof hij in het water wilde plonzen. Hij slenterde langs het zand waar de golven braken, op zoek naar de drieduizend. Hij ondervond niet veel problemen, want de dolfijn, glanzend en rottend, viel hem aan met een onaangename stank. Hij gebruikte het rottende karkas als gids en kwam direct op de goede plek aan. Hij duwde het zeewier opzij en vond de zak vol zilver. Hij raapte dit op en deed het in zijn tas. Toen vertrok hij maar niet eerder dan nadat hij de Nimfen en de zee lof had toegeroepen. Hoewel hij een geitenhoeder was, vond hij de zee al mooier dan het land, omdat deze hem hielp om een huwelijk met Chloe te regelen.

3; 29
Met de drieduizend in handen, aarzelde Daphnis geen moment en haastte zich als rijkste man, niet alleen van de lokale bevolking, naar Chloe en vertelde haar over zijn droom. Hij toonde haar de tas en vertelde haar op zijn geiten te letten totdat hij terugkeerde. Hij haastte zich met grote snelheid naar Dryas. Hij vond Dryas die samen met Nap graan aan het dorsen was. Moed vattend, begon hij met zijn voorstel voor het huwelijk. ‘Geef me Chloe als vrouw. Ik weet hoe ik de oogst moet binnenhalen, wijnstokken moet snoeien, en bomen moet planten. Ik weet ook hoe je een veld moet ploegen en graan in de wind moet ziften. Chloe is mijn getuige over de manier waarop ik mijn kudde hoed. Ik begon met vijftig geiten en verhoogde hun aantal tot twee keer zoveel. Ik fokte grote, prachtige bokken terwijl we daarvoor onze geiten naar de bokken van anderen brachten om ze te laten paren. Ik ben jong en een buurman zonder gebreken. Een geit zoogde mij zoals een ooi Chloe. Ik ben op alle manieren beter dan de anderen, en ben ook niet minder met huwelijksgeschenken. Die anderen geven jou geiten en schapen en een span schurftige ossen en graan dat nog niet goed genoeg is om de kippen te voeren. Van mij krijg je drieduizend drachmen. Vertel het alleen niet aan iemand anders, zelfs niet aan mijn vader Lamon.’ Hij gaf hen het geld, sloeg zijn armen om hen heen en kuste ze. En de ouders van Chloe, zij keken naar meer geld dan ze ooit verwacht hadden ooit onder ogen te krijgen. Zij gaven haar onmiddellijk ten huwelijk en beloofden dat zij hun best zouden doen om Lamon te overtuigen.

3; 30
Nape bleef bij Daphnis en dreef de ossen in cirkels rond terwijl ze het graan fijn maalden in de dorsmachine. Dryas zette de tas weg die hij verborg op een geheime plek en haastte zich naar Lamon en Myrtale met een zeer ongewoon doel – om de hand van hun zoon vragen. Toen hij bij hen aankwam, waren zij het juist uitgezifte graan aan het opmeten en voelden zich triest omdat dit maar net voldoende was om te zaaien. Hij troostte hen met de situatie, en was het met hen eens dat er overal schaarste heerste. Toen vroeg hij of Daphnis voor Chloe. Hij zei dat, hoewel de anderen vele geschenken voor haar boden, hij geen geschenken van hen zou accepteren. Bovendien wilde hij iets uit zijn eigen huis schenken. De kinderen waren samen opgegroeid en, terwijl ze aan het hoeden waren, hadden een vriendschap opgedaan die niet eenvoudig ongedaan gemaakt kon worden. Nu hadden zij de leeftijd bereikt dat zij met elkaar konden slapen. Hier wees hij op en nog veel meer andere dingen, en probeerde hen te overtuigen, in de wetenschap dat hij zijn prijs van drieduizend drachmen al in bezit had. Lamon kon zich niet beroepen op armoede (want Dryas en Nape liepen er niet mee te koop). Maar, hij kon het niet bekennen en de waarheid openbaren – dat Daphnis te goed was voor een dergelijk huwelijk. Hij zweeg een poosje, en gaf toen dit antwoord.

3; 31
‘Je doet wat goed is door buren te respecteren boven vreemden en niet te overwegen dat rijkdom beter is dan eerlijke armoede. Mijn Pan en de Nimfen koesteren u daarvoor. Ikzelf ben enthousiast voor dit huwelijk. Want ik zou gek zijn, met één voet in het graf en altijd behoefte aan meer handen voor het werk, als ik jouw huis niet zou omarmen als mijn vriend, een groot goed op zich. Chloe is heel erg gewild. Het is een beeldschoon meisje in de bloei van haar leven en op alle manieren voortreffelijk. Maar ik ben niemand, een slaaf en niet bevoegd in mijn eigen zaken en familie. Mijn meester moet hierover geïnformeerd worden en zijn toestemming geven. Kom, laten we dit huwelijk uitstellen tot na de oogst. Mannen die uit de stad zijn aangekomen zeggen dat hij om die tijd terug zal keren. Dan zullen zij man en vrouw zijn. En tot die tijd, laat hen als broer en zus van elkaar houden. Denk hier aan, Dryas, als jij om een jeugd vraagt die beter is dan wij.’ Dat gezegd hebbend, kuste Lamon hem en, omdat het al middag was, bood hem iets te drinken aan. Later omarmde hij hem vriendelijk en liep een stuk met hem mee naar huis.

3; 32
Dryas overdacht alles wat Lamon gezegd had, terwijl hij alleen terug liep, en vroeg zich af wie Daphnis nu werkelijk was. ‘Hij werd gevoed door een geit alsof de goden voor hem zorgden. Hij is knap en lijkt in niets op die man met zijn stompe neus en kale vrouw. Hij kwam met die drieduizend aanzetten. Een geitenhoeder heeft eerder drieduizend wilde peren en veel minder drachmen. Had iemand hem net als Chloe te vondeling gelegd? Vond Lamon hem net als ik haar vond? Waren de tekens die naast hem lagen hetzelfde als die ik vond? Als dit zo is, door meester Pan en de lieve Nimfen, wanneer zal hij dan zijn eigen volk ontdekken, misschien zal hij iets ontdekken over het geheim dat Chloe omringt.’ Hier dacht hij over na toen hij als in een droom terugwandelde naar de dorsvloer. Toen hij daar aankwam en Daphnis gek van waanzin werd vanwege het nieuws over het gebeurde, blies hij de jongen nieuw leven in door hem schoonzoon te noemen. Hij kondigde aan dat ze de bruiloft na de oogst zouden vieren en dat Chloe nooit van iemand anders dan Daphnis zou zijn.

3; 33
Sneller dan gedacht, zonder iets te eten of te drinken, rende Daphnis naar Chloe. Hij trof haar melkend en kaasmakend aan en vertelde het goede nieuws over hun bruiloft. Zonder verdere omhaal en niet proberend het te verbergen, omdat hij haar als zijn vrouw beschouwde, kuste hij haar en begon Chloe met het werk te helpen. Hij molk de melk in emmers, deed kaas in rieten manden en bracht de lammeren en kinderen bij hun moeders. Toen alles klaar was, namen zij een bad, aten en dronken iets, en liepen rond op zoek naar fruit. Er waren vele peren en appels. Sommigen waren al gevallen, en anderen hingen nog aan de bomen. Die op de grond hadden meer geur, maar die aan de bomen waren bloemiger. De eersten roken als wijn, en de laatsten straalden als goud. Eén appelboom was geoogst, en droeg niet langer vruchten of bladeren. De takken, allemaal, waren kaal. Er restte slechts één appel aan de allerhoogste tak. Hij was groot en mooi en overtrof de anderen met de zoetheid van zijn geur. De man die het plukwerk had gedaan was bang om zo hoog te klimmen, en liet die hangen. Misschien bestemde hij hem in gedachten als een mooie appel voor een verliefde herder.

3; 34
Toen Daphnis deze appel zag, klom hij snel omhoog om die te grijpen. Hij schonk geen aandacht aan Chloe die hem probeerde tegen te houden. Zij was boos omdat ze zo genegeerd werd, en rende weg in de richting van de kudden. Daphnis klom in de boom en slaagde erin de appel te plukken en deze als geschenk naar Chloe te brengen. Toen sprak hij op de volgende wijze tegen een boze Chloe: ‘Meisje, prachtige seizoenen hebben deze appel laten groeien, en een prachtige boom voedde hem onder de rijpende stralen van de zon. Het Geluk waakte er over, en ik was niet van plan hem op de grond te laten vallen om daar vertrapt te worden door het grazende vee of door een kronkelende slang vergiftigd te worden maar hem eeuwig bekeken en geprezen te laten worden. Aphrodite nam een appel als prijs voor haar schoonheid. Ik schenk deze aan jou als een teken van overwinning. Jij hebt een soortgelijke schoonheid. Hij was een herder, en ik ben een geitenhoeder.’ Toen legde hij de appel in haar schoot, en zij kuste hem toen hij haar naast zich trok. Zo had Daphnis geen spijt van zijn durf om zo hoog te klimmen, want hij ontving een kus die zoeter was dan enige appel, zelfs zoeter dan een gouden.

Boek 4

4; 1
Een medeslaaf van Lamon kwam uit Mytilene met het nieuws dat hun meester kort voor de oogst zou arriveren om te beoordelen welke schade de velden hadden opgelopen door de inval van de Methymniërs. De zomer liep ten einde, en de herfst naderde. Lamon was voorbereidingen aan het treffen voor de komst van zijn meester, erop toeziend dat alles hem zou bevallen. Hij maakte de bronnen schoon zodat ze schoon water bevatten en verwijderde de mest van de binnenplaats om zich te ontdoen van de kwalijk riekende geuren, en hij verzorgde de tuin zodat deze mooi was om naar te kijken.

4; 2
De tuin zag er prachtig uit en zelfs in vergelijking met de koninklijke tuinen. Hij was zeshonderd voet lang en lag op hoge grond, en ongeveer vierhonderd voet breed. Het leek een grote vlakte. Hij bevatte elke soort appelbomen, mirtebomen, perenbomen, granaatappelbomen, vijgen en olijvenbomen. Aan een kant was een grote wijngaard die tegen de appel- en perenbomen aanlag. De vruchten rijpten alsof ze een wedstrijd hielden met de vruchten aan de bomen. Naast gecultiveerde bomen, bevatte de tuin cipressen, laurierbomen, platanen en pijnbomen. Aan deze klampte zich klimop vast in plaats van wijnstokken. De trossen bessen waren groot en werden zwart, naar de wereld kijkend alsof het wijntrossen waren. Binnen deze bomen stonden de vruchtdragende bomen alsof deze bewaakt werden door de buitenste ring bomen die geen vruchten droegen. Om al deze bomen heen stond een hek. Elke boom stond afgezonderd en gescheiden van de anderen alsof elke stam van iemand anders was. In de lucht, grepen de takken in elkaar en vlochten hun bladeren ineen. De plaats leek kunstzinnig aangelegd. Er waren ook bloembedden die zowel wilde bloemen, viooltjes, narcissen, pimpernellen bevatten als rozen, hyacinten en lelies. De tuin bood schaduw in de zomer, bloemen in de lente, vruchten in de herfst en het hele jaar door energiek leven.

4; 3
Het genoot ook van een helder zicht op de vlakte en de herders die daar graasden. Dit alles behoorde tot de aantrekkingskracht van de tuin. In het midden stond een tempel en altaar van Dionysus. Zijn altaar was omringd door klimop, en wijnstokscheuten omarmden de tempel. Binnen hingen er schilderijen met onderwerpen over Dionysus. Semele die baarde, Ariadne die sliep, Lycurgus die met ketenen vastgebonden was, en Pentheus die aan stukken gescheurd werd. Er waren ook Indiërs die werden verslagen en Tyrrheniërs die werden veranderd in dolfijnen. Overal waren Saters te zien die druiven plat stampten; overal waren Bacchanten, dansend in koren. Ook Pan werd niet verwaarloosd. Hij zat daar op zijn rots te spelen op zijn fluit alsof hij diegenen die aan het pletten en dansen waren met zijn muziek begeleidde.

4; 4
Dit was de tuin die Lamon begon te verzorgen door het droge hout weg te kappen en de wijnstok scheuten op te binden. Hij versierde Dionysus met een kroon, en hij kanaliseerde water voor de bloemen uit een bron die Daphnis had gevonden. Deze bron was gereserveerd voor de bloemen en werd Daphnis’ bron genoemd. Lamon adviseerde Daphnis om zijn geiten zo goed als hij kon vet te mesten: ‘De meester is hier lange tijd niet geweest, en hij zal alles nauwkeurig willen bekijken.’ Daphnis was ervan overtuigd dat hij complimenten zou krijgen over zijn geiten. Hij had het aantal dat hij had gekregen verdubbeld, geen wolf had er een afgevoerd, en zij waren vetter dan de schapen. Maar hij wilde dat de meester enthousiaster over zijn huwelijk zou zijn dus ontbrak het hem niet aan enthousiasme of zorg. Hij dreef zijn geiten vroeg naar buiten en bracht ze laat terug. Hij leidde ze twee keer per dag naar water en vond de beste weidegronden voor hen. Hij zag erop toe dat hij nieuwe melkkommen en emmers kreeg en grotere manden om kazen te drogen. Zijn aandacht voor zijn geiten was zo groot dat hij hun hoorns zalfde met olie en hun haren kamde. Men zou denken dat hij op een kudde paste die heilig was voor Pan. Chloe deelde met hem al het werk aan de geiten en verwaarloosde zelfs haar schapen zodat Daphnis dacht dat zij mooi leken door de aanwezigheid van Chloe.

4; 5
Terwijl zij bezig waren met de geiten, kwam er een boodschapper uit de stad die hen vertelde om zo snel mogelijk de wijnstokken te oogsten. Hij kondigde aan dat hij daar zou blijven totdat de druiven waren omgezet in zoete nieuwe wijn. Dan zou hij vertrekken naar de stad en de meester terugbrengen na de oogst in de late herfst voorbij was. Zij verwelkomden de man, die Eudromus werd genoemd, met alle vormen van gastvrijheid. Ze begonnen onmiddellijk te oogsten. Ze droegen de druiven naar de wijnpers, en goten de nieuwe wijn in potten, en hielde de meest weelderige druiven apart, nog steeds aan hun takken, zodat degenen die uit de stad kwamen een idee zouden krijgen hoe de wijngaard er uit had gezien en er plezier aan konden ontlenen.

4; 6
Toen Eudromus op het punt stond om naar de stad te vertrekken, gaf Daphnis hem een aantal geschenken, waaronder dingen van zijn kudde, enkele harde kazen, een pasgeboren lam, een huid van ruige witte geitenhuid om te dragen gedurende de koude winter. Eudromus was blij en, Daphnis kussend, beloofde om een goed woordje over hem te doen bij de meester. Eudromus vertrok, vriendelijk gestemd over Daphnis, maar Daphnis zelf, terwijl hij zijn kudde samen met Chloe liet grazen, was diep ongerust. Ook zijzelf doorstond veel angsten. Een jongeling gewend om te kijken naar geiten, bergen en boeren terwijl Chloe stond op het punt een meester te zien waarover ze pas zeer recent had gehoord. Ze was bang voor hem. Hoe zou hij het doen in het gesprek met de meester? Ze was bang dat het hele huwelijk ijdel zou blijken te zijn. Als gevolg hiervan kusten zij elkaar voortdurend en hielden elkaar zo stevig vast dat het wel leek alsof ze tot één lichaam waren samengegroeid. Toch ontbrak de passie in hun kussen, en hun omarmingen waren lusteloos alsof de gevreesde meester daar al was en zij onzichtbaar wilde worden. Toen werden zij overvallen door problemen.

4; 7
Het begon met een zekere koeherder, een arrogante man met de naam Lampis. Hij probeerde meer dan eens om Chloe ten huwelijk te vragen en gaf Daphnis vele geschenken in zijn ijver voor de vereniging. Toen hij er achter kwam dat, als de meester instemde, Chloe van Daphnis zou worden, begon hij een manier te bedenken om Daphnis en Chloe in ongenade bij de meester te brengen. Hij wist dat de meester heel erg van zijn tuin genoot, en dus vatte hij een plan op om deze zoveel als hij kon te vernietigen en ontsieren. Maar als hij probeerde de bomen te kappen, zou het geluid hem verraden. In plaats daarvan besloot hij de bloemen te vernietigen. Wachtend op de duisternis, klom hij over het hek en groef een deel van de bloemen uit. Sommigen brak hij af en trapte anderen in de grond op de manier zoals een varken dat zou doen. Niemand zag hem, en hij vertrok onopgemerkt. Vroeg de volgende dag, kwam Lamon naar de tuin, met de bedoeling om de bloemen water uit de bron te geven. Ziend dat de hele plek was verwoest, het werk van een vijand en niet een of andere rover, schreeuwde hij het uit en riep naar de goden. Myrtale hoorde hem, liet alles uit haar handen vallen, en kwam naar hem toerennen. Hetzelfde deed Daphnis die zijn geiten aan hun lot overliet. Toen zij zagen wat er gebeurd was, slaakten ook zij kreten en barstten uit in tranen.

4; 8
Wat met de bloemen gebeurd was vonden zij al erg genoeg, maar jammerden ook omdat zij bang waren voor de meester. In feite zou zelfs een vreemdeling gehuild hebben, als hij de verwoesting had gezien. De plek was een puinhoop. Overal was modder. Elke bloem die ontsnapt was probeerde te bloeien en zag er stralend en mooi uit, zelfs als die plat op de grond lag. De bijen zoemden constant boven de paar bloemen die er nog stonden, onophoudelijk zoemend als vrouwen die in de rouw waren. Lamon was bang: ‘O, kijk hoe mijn arme rozen zijn uitgegraven. Mijn viooltjes, hun bedden zijn vertrapt en verknoeid. En de hyacinten en narcissen. Die schurk groef hen uit. De lente zal komen, en er zijn geen knoppen. De zomer zal komen, en er zal geen bloei zijn, en weer een herfst, een zonder bloemen en kransen. Had je geen medelijden met de arme bloemen, meester Dionysus? Je woonde er naast. Je keek naar hen en droeg vaak van hen gevlochten kransen. Hoe kan ik de tuin aan mijn meester laten zien? Wat zal hij doen als hij dit ziet? Een oude man, net als Marsyas, aan een boom hangen, en daarna misschien Daphnis, wanneer hij denkt dat zijn geiten dit deden.

4; 9
Toen zij hieraan dachten werden hun tranen groter en, samen, begonnen over hun eigen leven te bejammeren in plaat van over de bloemen. Ook Chloe rouwde, bij het vooruitzicht dat Daphnis zou worden opgehangen. ‘Ik hoop dat de meester nooit komt,’ bad ze, haar beker van ellende uitdrinkend terwijl zij zich verbeeldde dat Daphnis werd geslagen. Inmiddels was het vroeg in de avond, en Eudromus kwam om aan te kondigen dat de oude meester binnen drie dagen zou komen, maar dat zijn zoon Astylus morgen zou aankomen. Het nieuws zette ze aan het denken over hetgeen gebeurd was, en zij nodigden Eudromus uit. Hij hield van Daphnis en adviseerde om alles eerst aan de jonge meester te vertellen, en hij bood aan om voor hem te pleiten, omdat hij een erelid van de familie was. Bij het aanbreken van de dag is dit wat er gebeurde.

4; 10
Astylus verscheen op een paard samen met zijn begeleider Gnathon die ook op een paard zat. Astylus liet net een baard groeien, maar Gnathon scheerde die al lange tijd. Lamon, Myrtale en Daphnis vielen voor hen op de grond en smeekten om vergeving en medelijden voor een ongelukkige oude man en smeekten om hen voor zijn vaders woede te redden die niets verkeerds hadden gedaan. Toen vertelde Lamon hen alles wat er gebeurd was. Astylus gin naar de tuin en keek naar de verwoesting van de bloemen. Hij zei dat het met zijn vader zou regelen en de schuld aan de paarden zou geven. ‘Ze waren vastgebonden,’ zo zou het verhaal luiden, ‘vlakbij de bloemen, en werden speels, ze vertrapten ze plat en groeven anderen uit nadat ze waren losgebroken.’ Toen ze dit hoorden, baden Myrtale en Lamon dat Astylus alleen nog maar goede dingen zou overkomen, en Daphnis bracht hem allerlei geschenken, kazen, vogels en hun jongen, druiventrossen en hun scheuten, en appels van de takken. Onder de geschenken was een wijn met een bloemig boeket, een wijn uit Lesbos die de lekkerste was die iemand kon drinken.

4; 11
Astylus prees de geschenken en hield zich daarna bezig met de konijnenjacht. Rijke jongemannen waren zo, altijd de mode volgend en het land intrekkend om te genieten van de verschillende soorten plezier. Gnathon wist hoe hij moest eten en drinken om dronken te worden en, eenmaal dronken, hoe hij op zoek moest gaan naar seks, dan was hij slechts kaken, maag, en delen onder de maag, en bleef niet werkeloos toekijken terwijl Daphnis geschenken bracht. Gnathon was van nature een liefhebber van jongens. Hij had in de stad nooit een dergelijke schoonheid gezien dus hij besloot om achter Daphnis aan te gaan. Hij dacht dat het eenvoudig zou zijn om hem te overtuigen, slechts een geitenhoeder. Met dit doel in gedachten, nam hij niet deel aan de jacht met Astylus maar ging naar de plek waar Daphnis zijn geiten liet grazen. Hij deed of hij de geiten wilde zien maar zijn ogen rustten op Daphnis. Hij probeerde hem te verleiden door zijn dieren te prijzen en vroeg hem om landelijke liedjes op zijn fluit te spelen. Hij vertelde Daphnis dat hij de macht had om hem een vrije man te maken.

4; 12
Toen Gnathon zag dat hij in de buurt was, belaagde hij ’s avonds Daphnis toen deze zijn geiten van de weide dreef. Hij rende naar hem toe en kuste hem. Daarna probeerde hij hem over te halen om net zo voor hem te gaan staan als geiten bij bokken doen. Wel, Daphnis dacht langzaam na over zijn verzoek en antwoordde: ‘Het is een juiste gedachte dat de vrouwtjes naar de bokken gaan, maar niemand heeft ooit een bok naar een bok zien gaan of een ram de voorkeur zien geven aan een ram boven een ooi of dat een haan liever een haan heeft dan een kip.’ Gnathon was het type man die geweld gebruikte. Hij probeerde Daphnis te verkrachten, maar Daphnis duwde hem weg. Gnathon was dronken en kon nauwelijks op zijn benen staan. Hij viel plat op de grond, en Daphnis rende als een jonge hond weg en liet hem daar liggen. Gnathon had nu eerder een man dan een jongen nodig om hem naar huis te dragen. Wat Daphnis betrof, hij kwam nooit meer bij hem in de buurt en veranderde veelvuldig van weidegronden. Gnathon probeerde het nooit meer, nu hij wist dat Daphnis net zo sterk als mooi was. In plaats daarvan wachtte hij op de gelegenheid om met Astylus over Daphnis te spreken. Hij hoopte Daphnis als geschenk van de jongeman te krijgen die graag anderen een plezier deed.

4; 13
Gnathon kon het op dat moment echter niet regelen. Dionysophanes arriveerde temidden van veel tumult onder de bagagedieren, slaven, mannen en vrouwen. Daarna begon hij aan een lange toespraak over zijn geliefde. Dionysophanes werd al grijs. Hij was een langen en knappe man, nog steeds in staat om met de jongemannen te wedijveren. Hij was een rijk man onder weinigen en een goede man als geen ander. Tijdens zijn eerste dag, bracht hij offers aan de goden van het platteland, Demeter en Dionysus, Pan, en de Nimfen, en zette een grote schaal vol met wijn voor iedereen neer die bij het offer was. De volgende dag bracht hij door met inspecteren van wat Lamon had bereikt. Hij zag dat de velden waren geploegd, de wijngaarden vol met scheuten stonden, en een tuin die uitblonk door pracht (want Astylus had de schuld voor de bloemen op zich genomen). Dionysophanes was erg blij en beloofde Lamon een vrij man te maken. Toen ging hij naar de plek waar de geiten graasden om hun herder te zien.

4; 14
Chloe vluchtte naar het bos; ze was verlegen en bang van zoveel mensen. Maar Daphnis stond daar, droeg een ruig geitenvel met een riem om zijn middel en een nieuw gestikte weitas over zijn schouder. Hij hield verse kazen in de ene hand en speende de lammetjes met de andere. Als Apollo eens Laomedon had gediend en diens vee gehoed, moest hij er net zo hebben uitgezien als Daphnis op dat moment. Hij sprak geen woord, maar bloosde en, zijn hoofd buigend, bood zijn gaven aan. Lamon zei: ‘Meester, hier is een jonge geitenhoeder. U gaf hem vijftig geiten en twee bokken om te hoeden, en hij veranderde dat in honderd vrouwtjes en tien mannetjes. Ziet u hoe glanzend en ruig hun haar is en hun ongebroken hoorns. Hij heeft ze getraind met muziek. Ze doen alles op het geluid van zijn fluit.’

4; 15
Cleariste hoorde wat er gezegd werd en wilde de bewering van Lamon testen. Ze vroeg Daphnis om op de gebruikelijke manier voor de geiten op zijn fluit te spelen en beloofde hem een tuniek, mantel en sandalen wanneer hij klaar was. Daphnis vroeg iedereen te gaan zitten waar zij stonden alsof het zijn publiek was en, staand naast een vijgenboom, nam de fluit uit zijn tas en speelde er iets op. De geiten stonden met hun koppen opgeheven. Hij speelde een pastoraal deuntje, en de geiten lieten hun koppen zakken en begonnen te grazen. Vervolgens liet hij een aangenaam geluid klinken, en zij dromden samen en gingen liggen. Daarna speelde hij een doordringend, schril geluid, en de geiten vluchtten alsof zij achterna werden gezeten door een wolf. Snel daarna, Daphnis liet een terugkom signaal horen, en de geiten renden uit het bos tot aan zijn voeten. Slaven waren niet zo gehoorzaam aan de opdrachten van hun meester. Iedereen was verbaasd, vooral Cleariste. Ze zwoer een eed om de geschenken aan hem te geven, een even mooie muzikant als geitenhoeder. Rond lunchtijd ging Dionysophanes en zijn gezelschap naar het huisje en stuurden een deel van het voedsel op tafel naar Daphnis. Hij at met Chloe en genoot van het gekookte voedsel uit de stad. Hij was optimistisch dat hij zijn meester kon overtuigen om zijn huwelijk veilig stellen.

4; 16
De andere kant, Gnathon werd nog kwader door wat er in de geitenweide was gebeurd en, gelovend dat het leven niet waard was geleefd te worden zonder Daphnis, wachtte op het moment dat Astylus ging wandelen in de tuin. Daarop leidde hij Astylus naar de tempel van Dionysus en begon zijn handen en voeten te kussen. Toen Astylus vroeg wat er aan de hand was en hem aanmoedigde te spreken, hem van zijn hulp verzekerend, antwoordde Gnathon: ‘Gnathon komt naar u toe, meester, een man die tot nu toe alleen van uw tafel hield en zwoer dat er niets exquiser was dan een oude wijn en vaak zei dat uw koks veel beter waren dan elke jongeman die Mytilene te bieden had. Maar ik geloof dat schoonheid alleen in Daphnis huist. Ik heb mijn lust voor duur eten verloren, hoewel er elke dag vlees, vis en gebak wordt bereid. Ik zou graag een geit worden om gras en bladeren te eten, als ik maar het geluid van Daphnis’ fluit kan horen en hij mijn herder is. Redt Gnathon, en overwin de onoverwinnelijke Eros. Zo niet, ik zweer bij mijn god dat ik een dolk zal grijpen en, mijn maag vullend met voedsel, mijzelf zal doden voor de deur van Daphnis, en u zult niet langer ‘lieve Gnathy’ kunnen roepen wanneer u in de stemming bent om te spelen.’

4; 17
Gnathon barstte in tranen uit en begon Astylus te kussen, en Astylus kon geen weerstand bieden. Hij was een genereuze jongeman en niet onbekend met de pijnen van de liefde. Hij beloofde dat hij zijn vader om Daphnis zou vragen en hem als slaaf en geliefde van Gnathon naar de stad te brengen. Maar Astylus drong bij hem aan om zijn verzoek te heroverwegen. Glimlachend vroeg hij Gnathon: ‘Schaam jij je niet om de zoon van Lamon lief te hebben? Wil je serieus samenliggen met een jongeling die geiten hoedt?’ Hij imiteerde iemand die walgde van de geur van geiten terwijl hij sprak. Gnathon kende de liefdesverhalen tijdens drinkgelagen onder de kleine lieden en kwam met een rechtvaardiging voor zichzelf en Daphnis die doel trof. ‘Geen enkele minnaar houdt zich met hen bezig, maar als hij schoonheid in een lichaam ontdekt, wordt hij daardoor gefascineerd. Om dezelfde reden heeft iemand een boom of een rivier of een wild beest lief. Wie heeft geen medelijden met een minnaar die zijn geliefde moet vrezen? Ik hou niet van het lichaam van een slaaf maar van de schoonheid van een vrije man. Zie je niet hoe hij haar heeft dat op hyacinten lijkt, ogen die als edelstenen gevat in gouden ringen stralen onder zijn wenkbrauwen, een gezicht dat bloost en een mond vol met tanden als ivoor? Welke minnaar zou niet bidden om kussen van die plek te krijgen? Als ik van een herder hou, doe ik de goden na. Anchises was een koeherder, en Aphrodite hield van hem. Branchus liet geiten grazen, en Apollo beminde hem. Ganymedes was een herder, en de oppergod kaapte hem weg. Laten we de jongen niet minachten waarvan we hebben gezien dat geiten hem gehoorzamen alsof zij van hem houden. Laten we het liever op prijs stellen dat de adelaars van Zeus toegestaan hebben dat een dergelijke schoonheid op aarde is achtergebleven.

4; 18
Astylus was geamuseerd over de laatste opmerking van Gnathon en merkte op dat Eros slimme sprekers maakt. Hij keek uit naar een mogelijkheid om met zijn vader over Daphnis te spreken. Eudromus hoorde wat zij zeiden en, Daphnis liefhebbend als een edele jongeman en boos dat een dergelijke schoonheid onderworpen zou worden aan de dronken lust van Gnathon, vertelde Lamon en Daphnis alles. Daphnis werd bijna van zijn verstand beroofd en realiseerde zich dat hij moed moest vatten om samen met Chloe te ontsnappen of sterven. Maar Lamon trok Myrtale uit het huisje naar buiten en zei tegen haar: ‘Het is allemaal over voor ons, vrouw. De tijd is aangebroken om alles te onthullen wat verborgen is geweest. Jij en ik zullen ons berooide leven verder leven net als onze geiten en al het andere. Maar bij Pan en de Nimfen, zelfs niet als ik daardoor nog armer wordt dan het spreekwoord luidt ‘die os in een stal’, zal ik niet zwijgen over de geboorte van Daphnis. Ik zal hen vertellen dat ik hem te vondeling gelegd vond en onthullen hoe ik hem aantrof terwijl hij werd gezoogd door een geit en de tekenen laten zien die ik naast hem aantrof. Laat dan die vervloekte Gnathon er achter komen wie hij is en voor wie hij een passie heeft opgewekt. Maak de tekenen klaar.’

4; 19
Nadat hun plannen gemaakt waren, gingen zij terug naar binnen. Astylus ging naar zijn vader, die aan het rusten was, en vroeg om Daphnis naar de stad te brengen. Hij was mooi en te goed voor het landleven en Gnathon kon hem snel de manieren van de stad bijbrengen. Zijn vader stemde in en, Lamon en Myrtale ontbiedend, vertelde hen het goede nieuws dat Daphnis in de toekomst Astylus zou dienen in plaats van geiten, en hij beloofde hem twee geitenhoeders te geven om Daphnis te vervangen. Op dat moment, terwijl Dionysophanes’ slaven zich rondom verzamelden, verheugd om zo’n mooie jongeling als medeslaaf te hebben, vroeg Lamon toestemming om te mogen spreken. ‘Meester, luister naar een waar gebeurd verhaal van een oude man. Ik zweer bij Pan en de Nimfen dat ik geen onwaarheden zal zeggen. Ik ben niet de vader van Daphnis en Myrtale werd nooit gezegend om moeder te zijn. Andere ouders legden dit kind te vondeling. Wellicht hadden zij genoeg oudere kinderen. Ik vond hem terwijl hij door een van mijn geiten gezoogd werd. Toen zij stierf, begroef ik haar in de tuin naast het huisje omdat ik van haar hield omdat zij de taken van een moeder vervuld had. Ik vond naast hem ook voorwerpen – ik geef het toe, meester – die ik heb meegenomen. Het zijn tekens van een groter fortuin dan dat wij ooit hebben genoten. Ik wijs niet af dat Daphnis slaaf wordt van Astylus, dienaar van een mooie en goede meester, maar ik ben niet in staat om de dronken lust van Gnathon te verdragen. Hij wil Daphnis naar Mytilene meenemen om hem daar de plichten van een vrouw te laten vervullen.’

4; 20
Nadat Lamon dit gezegd had barste hij in tranen uit. Gnathon was woedend en dreigde Lamon te slaan. Dionysophanes was verbijsterd over wat er gezegd was en, naar Gnathon kijkend, vertelde hem te zwijgen. Hij ondervroeg Lamon en moedigde hem aan de waarheid te vertellen en geen verzinsels om zijn zoon te behouden. Maar toen Lamon openhartig was en bij alle goden zwoer dat hij zichzelf aanbood om te gemarteld te worden als hij leugens vertelde, stuurde hij Cleariste weg die naast hem zat en onderzocht het verhaal van Lamon. ‘Waarom zou Lamon liegen als hij twee herders kreeg voor één? Hoe zou een boerenkinkel dit verhaal kunnen verzinnen? Is het niet ongelofelijk dat een zo’n mooie zoon werd geboren uit zo’n oude man en een nederige moeder?

4; 21
Hij besloot niet te gissen over de waarheid en onmiddellijk de tekens te onderzoeken om te zien of ze aanwijzingen bevatten naar een glorieuzer en roemrijker fortuin. Myrtale vertrok om alles te halen dat in de oude weitas werd bewaard. Dionysophanes was de eerste die zag wat ze bracht. Toen hij de kleine purperen mantel met de gesp van gesmeed goud zag en de kleine dolk met ivoren handvat, riep hij: ‘Zeus, mijn meester.’ Hij riep zijn vrouw om te komen kijken, en deze riep toen ze de voorwerpen zag: ‘Lieve Lotsgodinnen, hebben wij deze spullen niet achtergelaten bij ons eigen kind? Hebben we Sophrone niet gestuurd om hem naar deze velden te dragen? Dit zijn geen andere voorwerpen; het zijn dezelfde. Mijn man, dit is ons kind. Je zoon Daphnis, en hij is zijn vaders geitenhoeder geweest.’

4; 22
Cleariste was nog niet uitgesproken, Dionysophanes kuste de tekens en huilde van uitzinnige vreugde, toen Astylus, zich realiserend dat hij de broer was, zijn mantel uittrok en naar de tuin rende, om de eerste te zijn die Daphnis zou kussen. Daphnis, die Astylus op zich af zag komen samen met een grote groep terwijl hij ‘Daphnis’ schreeuwde, dacht dat hij hem wilde grijpen en ging op de loop. Hij smeet zijn weitas en fluit weg en rende naar zee om zichzelf van een hoge rots te werpen. Toen – het vreemdste van alles – eenmaal ontdekt was wie hij werkelijk was, zou Daphnis omgekomen zijn, als Astylus niet opnieuw had geroepen. ‘Stop, Daphnis. Wacht! Wees niet bang. Ik ben je broer, en degenen waarvan je dacht dat het je meesters waren zijn je ouders. Lamon vertelde ons over de geit en toonde ons de spullen. Keer terug en zie hoe gelukkig en blij iedereen is. Maar kus me eerst. Ik zweer bij de Nimfen dat ik niet lieg.

4; 23
Daphnis stopte pas na de eed met tegenzin en wachtte op Astylus die hem kuste toen hij daar aankwam. Toen deze hem kuste, kwam de rest van de menigte mannen- en vrouwenslaven op hem af. Na hen kwamen zijn vader en moeder. Iedereen omarmde en kuste hem, blij en huilend tegelijkertijd. Daphnis begroette zijn ouders liefdevol voor de anderen en, alsof hij ze al lange tijd kende, drukte ze aan zijn borst en wilde hun omarming niet verlaten. Zo gemakkelijk stellen we ons vertrouwen in de natuur. Voor een kort moment, was Daphnis Chloe vergeten. Hij ging terug naar het huisje waar hij dure kleding kreeg om te dragen. Hij zat naast zijn vader en luisterde naar wat deze te vertellen had.

4; 24
‘Ik trouwde, mijn zoons, op zeer jonge leeftijd, en in korte tijd bleek ik een zeer gelukkige vader te zijn. Ik kreeg als eerste een zoon en daarna een dochter, en toen Astylus. Ik dacht dat mijn familie zo toereikend was en dus, toen dit kind na alle anderen geboren was, legde ik hem te vondeling samen met deze dingen, niet als aandenken maar als begrafenisoffers voor zijn graf. Maar Fortuin had andere plannen. Mijn oudste zoon en dochter werden op één dag door dezelfde ziekte van mij weggenomen. Jullie zijn door de vooruitziende blik van de goden mij gespaard gebleven zodat we meer handen hebben om ons op onze oude dag te helpen. Heb geen kwade gedachten over mij omdat ik je te vondeling heb gelegd, Daphnis, ik kwam niet vrijwillig tot deze beslissing. Wees niet bedroefd, Astylus, dat je maar een deel van de hele erfenis ontvangt. Er is geen groter bezit voor mensen met een goed besef dan een broer. Kus elkaar en, wat geld betreft, kunnen jullie wedijveren met koningen. Ik laat jullie slaven achter, goud, zilver en vele bezittingen waar de gefortuneerden van genieten. Ik geef deze plek aan Daphnis als een speciaal geschenk samen met Lamon en Myrtale en de geiten die hij zelf hoede.’

4; 25
Zijn vader was nog niet uitgesproken toen Daphnis plotseling opsprong. ‘Dank u mij te herinneren, vader. Ik vertrek om mijn geiten naar water te leiden. Ze hebben al lange tijd dorst en wachten een hele poos op de klanken van mijn fluit, terwijl ik hier zit.’ Iedereen lachte vriendelijk over het feit dat hij nu meester was en zich nog steeds als een herder gedroeg. Iemand anders werd er opruit gestuurd om de geiten te hoeden. Ondertussen offerden zij aan Zeus Redder en begonnen voorbereidingen te treffen boor een feest. Gnathon had zijn toevlucht gezocht in de tempel van Dionysus, bang om zich te tonen. Het nieuws dat Dionysophanes een zoon had gevonden en dat Daphnis de geitenhoeder als de meester van het landgoed was ontdekt verspreidde zich snel. De volgende ochtend vroeg, uit alle winstreken kwamen de mensen, feliciteerden zij de jongeman en brachten geschenken voor de vader. Onder de eersten die aankwamen bevond zich Dryas die voor Chloe had gezorgd.

4; 26
Dionysophanes liet hen blijven om te laten delen in de vreugde en zijn feesten. Er was meer dan genoeg wijn en brood, en daarnaast, moerasvogels, speenvarkens en allerleis soorten lekkernijen. Er werden veel offers gebracht aan de goden van het land. Tijdens deze offers verzamelde Daphnis zijn bezittingen als geitenhoeder en verdeelde die onder de offers aan de goden. Hij gaf zijn weitas en geitenhuid aan Dionysus, zijn fluit en panfluit aan Pan, en zijn staf en melkemmers bracht hij zelf naar de Nimfen. Terwijl geluk als een vreemdeling komt, brengt wat bekend is meer vreugde zodat Daphnis huilde toen hij al deze dingen liet gaan, hij zegende emmers niet eerder in totdat hij er melk in had gemolken of de geitenhuid totdat hij hem weer aan had getrokken of de fluit totdat hij er voor de laatste keer op had gespeeld. Hij kuste elk voorwerp en richtte zich tot zijn geiten en noemde de bokken bij naam. Hij dronk ook van de bron omdat hij daaruit vaak samen met Chloe gedronken had. Hij onthulde zijn liefde niet – hij wachtte op het juiste moment.

4; 27
Terwijl Daphnis aan het feesten was, gebeurde er iets met Chloe. Ze was gaan zitten, huilend terwijl ze naar haar grazende schapen keen. Ze bleef tegen zichzelf de dingen zeggen die iemand anders in haar plaats ook zou zeggen: ‘Daphnis is me helemaal vergeten. Waarom heb ik hem bij zijn geiten laten zweren in plaats van bij de Nimfen? Hij heeft hen net zo gemakkelijk verlaten als Chloe. Zelfs toen hij aan het offeren was bij de Nimfen en Pan, verlangde hij er niet naar om Chloe te zien. Misschien heeft hij onder de bedienden van zijn moeder iemand anders gevonden die knapper is dan ik. Gegroet. Vaarwel. Ik kan niet verder leven zonder hem.’

4; 28
Chloe sprak in zichzelf en dacht hierover na toen de koeherder Lampis plotseling naast haar verscheen met zijn twee boerenhanden en haar greep. Hij dacht dat Daphnis niet meer met haar wilde trouwen, en Dryas hem zou verwelkomen. Chloe werd weggevoerd, gillend, maar iemand zag haar en bracht het nieuws naar Nape. Nape vertelde het aan Dryas die het weer aan Daphnis vertelde waardoor deze buiten zinnen raakte, maar hij durfde niets tegen zijn vader te zeggen. Niet in staat zich te beheersen, ging hij naar de tuin en jammerde: ‘O bittere ontdekking, ik was beter af toen ik mijn geiten hoedde. Ik was in die dagen gewend om naar Chloe te kijken en haar stem te horen. Nu heeft Lampis haar ontvoerd en, met de nacht op komst, zal zij in zijn bed belanden. Hier ben ik, drinkend en badend in weelde. Ik zwoer ijdel bij Pan en mijn geiten.’

4; 29
Uit het zicht maar in de tuin, hoorde Gnathon Daphnis en, de mogelijkheid herkennend om de zaken met Daphnis te herstellen, verzamelde enkele van Astylus’ jongemannen en ging op weg om Dryas te vinden. Met Dryas als gids, kwam hij bij het huisje van Lampis en greep hem juist op het moment dat deze Chloe naar binnen voerde. Hij redde haar en versloeg de boerenhanden. Hij wilde Lampis vastbinden en hem terugvoeren als oorlogsbuit, maar de man ontsnapte. Toch, hij slaagde in zijn prachtige daad en, bij het vallen van de avond, keerde hij terug en trof Dionysophanes slapend aan. Daphnis was wakker en huilde nog steeds in de tuin. Hij bracht Chloe naar hem toe, en, haar overhandigend, vertelde alles wat er gebeurd was en smeekte Daphnis: ‘Bewaar geen kwade gevoelens over mij, Daphnis, maar accepteer mij als jouw niet helemaal nutteloze slaaf. Verban mij niet van je tafel, want zonder die, zal ik zeker sterven van de honger.’ Daphnis kreeg Chloe in het zicht en, haar in zijn armen houdend, legde zijn ruzie met Gnathon bij die hij voortaan als zijn weldoener beschouwde. Hij probeerde Chloe te vertellen hoe erg hij het vond dat hij haar had verwaarloosd.

4; 30
Nadat zij hierover hadden nagedacht, besloten zij hun trouwplannen geheim te houden en zijn moeder te vertellen over zijn liefde zonder Chloe te noemen. Dryas was het hier niet mee eens en moedigde hen aan om met de vader van Daphnis te praten, en hij beloofde te doen wat hij kon om hem over te halen. En zo gebeurde het, bij dageraad, dat Dryas op weg ging naar Dionysophanes en Cleariste met de attributen in zijn tas. Hij trof ze aan in de tuin en, toen dit gebeurde, Astylus en Daphnis waren bij hen. Na hun eerste groeten, begon Dryas te spreken: ‘Eenzelfde noodzaak als bij Lamon dwingt me nu te spreken over lang verborgen gehouden zaken. Ik ben niet de vader van Chloe, en ik had niets van doen met haar verzorging. Anderen zijn haar ouders, en terwijl zij in de grot van de Nimfen lag, zoogde een ooi haar. Ik zag dit met mijn eigen ogen, en was verbaasd door de aanblik. Hierom heb ik haar opgevoed. Haar schoonheid is haar getuige, want zij lijkt op geen enkele manier op ons. Deze attributen zijn ook getuigen, een grotere rijkdom dan enige herder kan bezitten. Kijk er naar, en ga op zoek naar de familie van het meisje, zodat ze waardig zal zijn aan Daphnis.’

4; 31
Dryas wierp deze laatste gedachte niet zomaar op, welke niet verloren ging bij Dionysophanes. De laatste keek naar Daphnis en, zijn bleke huid onderzoekend en de nauwelijks verholen tranen, ontdekte onmiddellijk de verliefde blik. En meer op zijn hoede ter wille van zijn zoon dan iemand anders zijn dochter, onderwierp hij de woorden van Dryas aan elke test. Toen hij de attributen onderzocht, de sandalen waren met goud verguld, de enkelbanden en de gordel, riep Dionysophanes Chloe en vertelde haar moed te vatten omdat ze al een man had en snel haar vader en moeder zou vinden. Cleariste nam het meisje onder haar hoede en kleedde haar aan als de vrouw van haar zoon. Dionysophanes liet Daphnis opstaan en vroeg hem of Chloe nog maagd was. Daphnis zwoer dat er tussen hen niets anders dan kussen en eden van trouw waren uitgewisseld. Dionysophanes was hierover zeer verheugd en liet iedereen op banken rusten voor het feest.

4; 32
Met sieraden omhangen, kon de schoonheid van Chloe nu door iedereen gewaardeerd worden. Ze droeg een jurk en had haar haren opgestoken. Ze had haar gezicht gewassen zodat ze nog mooier leek voor iedereen: Daphnis herkende haar bijna niet meer. Iemand zwoer dat, zelfs zonder attributen, Dryas onmogelijk de vader van zo’n meisje kon zijn. Toch was hij daar, met Nape genietend van de gastvrijheid en zijn bank delend met Lamon en Myrtale. Gedurende de volgende dagen, werden offers gebracht, en grote schalen wijn klaargezet. Chloe wijdde haar bezittingen, haar fluit, weitas, reeënhuid en melkemmers. Ze goot wijn in de bron, omdat ze ernaast was gezoogd en vaak uit gedronken had. Dryas toonde haar de plek waar de ooi was begraven, en zij bedekte het graf met bloemenslingers. Ze speelde iets op haar fluit voor de kudde en bad tot de godinnen dat degenen die haar te vondeling hadden gelegd waardig aan het huwelijk met Daphnis zouden zijn.

4; 33
Toen ze in het land genoeg hadden van het feest, besloten zij terug te keren naar de stad en op zoek te gaan naar de ouders van Chloe en het huwelijk niet langer uit te stellen. Ze troffen voorbereidingen om vroeg in de ochtend te vertrekken. Zij gaven Dryas nog eens drieduizend drachmen en Lamon een half aandeel in de gewassen en wijngaarden van de velden samen met de geiten en hun herder, vier span ossen, en kleding voor de winter. Ze maakten hem tot vrij man en zijn vrouw een vrije vrouw. Later, vertrokken zij temidden van veel pracht en praal naar Mytilene met paarden en rijtuigen. Ze kwamen midden in de nacht onopgemerkt aan, maar toen de dag aangebroken was, verzamelde zich een grote menigte mannen en vrouwen voor hun poort. De mannen feliciteerden Dionysophanes met het vinden van zijn zoon en, zelfs nog met meer enthousiasme, toen zij zagen hoe mooi hij was. De vrouwen waren blij voor Cleariste dat ze tegelijkertijd een zoon en bruid verwierf. De schoonheid van Chloe was adembenemend, en zij overtrof veruit alle anderen met een schoonheid die niet geëvenaard kon worden. De hele stad was in beroering over de jonge mensen. Het gerucht ging al rond dat zij een gelukkig huwelijk zouden hebben. Zij baden dat de familie van het meisje waardig zou zijn aan haar schoonheid. Veel van de rijke vrouwen baden in gedachten tot de goden dat zij de moeder zouden worden van een zo’n mooie dochter als Chloe.

4; 34
Na veel bezorgde gedachten, viel Dionysophanes in een diepe slaap, en kreeg een droom. Hij zag hoe de Nimfen Eros vroegen met een knik uiteindelijk toestemming te geven voor het huwelijk. Eros maakte zijn boog los, legde de pijlenkoker neer en beval Dionysophanes alle edelen in Mytilene uit te nodigen voor een feest, en, wanneer zij de laatste grote schaal met wijn vulden, aan al zijn gasten de attributen te tonen en dan te beginnen met het zingen van de huwelijkshymen. Dionysophanes werd wakker nadat hij het visioen had gezien en gaf opdracht om een prachtig feest te organiseren ter ere van de voortbrengselen van de aarde en zee en alles wat er in de moerassen en rivieren leefde, en hij nodigde alle edele mensen onder de Mytileniërs uit. Toen het nacht werd, en de grote schaal vol was, bracht een van de bedienden de attributen op een zilveren blad binnen. Hij droeg ze rechtsom rond en toonde ze aan iedereen die aanwezig was op het feest.

4; 35
Niemand herkende ze, maar een zekere Megacles, die vanwege zijn leeftijd, op de laatste plek lag, herkende de attributen zodra hij ze in het zicht kreeg en gaf een schreeuw die een jongere man waardig zou zijn: ‘Wat is dit wat ik daar zie? Wat is er van jou geworden, mijn lieve dochter? Leef je nog, of heeft de een of andere herder ze gevonden en hier binnengebracht? Ik smeek je, Dionysophanes, vertel me waar je deze gevonden hebt. Jij hebt je zoon. Misgun mij ook niet iets te vinden.’ Dionysophanes vroeg hem eerst om over de te vondeling legging te vertellen. Megacles liet zijn stem totaal niet zachter klinken maar brulde: ‘In het verleden, mijn fortuin was klein, en het beetje dat ik had, besteedde ik aan zangkoren en oorlogsschepen. Gedurende die periode kreeg ik een dochter. Ik kon het niet verdragen haar temidden van zoveel armoede groot te brengen, dus kleedde ik haar in deze spullen en lag haar te vondeling. Ik wist dat velen graag ouders wilden worden. Ze werd in de buurt van de Nimfen neergezet, vertrouwend op de godinnen. De rijkdom begon toen elke dag aan te groeien, nadat ik geen erfgenaam meer had. Inderdaad, ik heb zelfs niet het geluk gehad om een vader van een dochter te worden, maar alsof de goden me bespotten, bleven deze mij dromen sturen dat een kleine kudde schapen me vader zouden maken.’

4; 36
Dionysophanes schreeuwde nog harder dan Megacles, en opspringend, leidde hij Chloe die prachtig was aangekleed naar voren. ‘Hier is de dochter de je te vondeling hebt gelegd. Door de vooruitziende blik van de goden, zoogde een ooi dit meisje voor jou zoals een geit deed bij Daphnis voor mij.’ Neem de attributen en je dochter. We hebben beiden onze kinderen gevonden. Pan en de Nimfen en Eros verzorgden ze voor ons.’ Megacles was het van harte eens met wat Dionysophanes had gezegd en liet zijn vrouw Rhode halen, terwijl hij in de tussentijd Chloe aan zijn borst drukte. Zij bleven daar de hele nacht, daar Daphnis gezworen had dat hij Chloe nooit zou opgeven, zelfs niet voor haar eigen vader.

4; 37
De volgende dag, verzamelden ze alles bij elkaar en reden terug naar het platteland. Daphnis en Chloe hadden dit gevraagd omdat zij het niet konden verdragen om in de stad te wonen. Ze hadden ook besloten om een boerenbruiloft te houden. Zij gingen naar het huisje van Lamon waar zij Dryas voorstelden aan Megacles en Nape aan Rhode. Zij troffen voorbereidingen voor een prachtig feest. In aanwezigheid van de Nimfen, Chloe’s vader gaf haar weg, en samen met vele andere zaken, schonk de attributen als wijding. Hij schonk ook de som drachmen die Dryas tekort kwam om tot een totaal van tienduizend te komen.

4; 38
De dag was prachtig, en Dionysophanes strooide matten van groene geweven bladeren voor de grot en nodigde al zijn gasten uit om erop te rusten terwijl hij kosten nog moeite had gespaard om hen te vermaken. Lamon en Myrtale waren er, en Dryas en Nape, en Docon’s familie, Philetas en zijn zoons, Chromis en zijn vrouw Lycainion. Zelfs Lampis was niet afwezig, want er was geoordeeld dat het vergeven was. Zoals onder mensen van dit slag, gebeurden er vele landbouw- en pastorale zaken. Sommigen zongen de liederen die zij zongen terwijl de oogst werd binnengebracht. Een ander man vertelde de grappen die te horen waren bij het persen van de wijn. Philetas speelde op zijn fluit, en Lampis op die van hem, en Dryas en Lamon dansten. Daphnis en Chloe waren aan het zoenen. De geiten waren in de buurt aan het grazen alsof zij zich bij de festiviteiten wilden aansluiten. Dit wan niet vervelend voor de mensen uit de stad. Daphnis noemde sommige van zijn geiten bij de naam en gaf ze een groen blad. Sommigen greep hij bij de hoorns, en kuste ze dan.

4; 39
Het was niet alleen toen maar ook voor de rest van hun leven dat zij zich aan deze rustieke manier van leven hielden, goden vererend als hun Nimfen en Pan en Eros en in het bezit van vele kudden schapen en geiten in de overtuiging dat het beste voedsel vruchten en melk is. Toen hun zoon werd geboren, gaven zij hem aan een geit om te zogen en, toen hun dochter kwam, zoog deze aan de speen van een ooi. Ze noemden de jongen Philopoimen, ‘Minnaar van Kudden,’ en het meisje, Agele, ‘Kudde’. Ze versierden de grot en plaatsten standbeelden en richtten een altaar op voor Eros de Herder en gaven Pan een tempel om in te wonen in plaats van zijn pijnboom, en noemde hem Pan de Soldaat.

4; 40
Maar zij gaven deze namen en deden deze dingen later. Op dit moment, toen de nacht viel, begeleide iedereen hen naar de bruidskamer, sommigen op hun fluit spelend, anderen op de panfluit, en weer anderen hielden grote toortsen omhoog. Toen zij de deuren naderden, begonnen zij met ruwe en harde stemmen te zingen alsof zij de bodem aan het openwrikken waren met drietanden in plaats van trouwliederen te zingen. Daphnis en Chloe lagen naakt naast elkaar en, elkaar omarmend en kussend, waren die nacht waakzamer dan uilen. Daphnis deed datgene wat Lycainion hem had geleerd. En het was toen voor het eerst dat Chloe te weten kwam dat wat zij in de bossen hadden gedaan, herdertje spelen heette.

© 2017 Maarten Hendriksz