Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Lucianus - Dialogen der doden

Bron: theo.com

The Works of Lucian of Samosata. Translated by Fowler, H W and F G. Oxford: The Clarendon Press. 1905. Naar het Nederlands vertaald door Maarten Hendriksz

Dialoog 1 t/m 5

01 – Diogenes en Polydeuces

Diogenes
Polydeuces, ik heb een opdracht voor je, de volgende keer dat je naar boven gaat – en volgens mij is het morgenochtend jouw beurt – en als je Menippus de Cynicus tegenkomt – je zult hem in de buurt van Craneum in Corinthe vinden, of in het Lyceum, lachend over de disputen van de filosofen – welnu, geeft hem deze boodschap: Menippus, Diogenes adviseert u, indien u sterfelijke onderwerpen lachwekend en vervelend vindt, kom naar beneden, en vindt veel rijker materiaal; waar je nu bent, is er altijd enigermate van onzekerheid; de vraag zal altijd ongelegen komen – wie kan er heel zeker zijn over het hiernamaals? Hier, kunt u in veiligheid vrijuit lachen, net als ik; Het is prachtig om te zien hoe miljonairs, gouverneurs, despoten, nu middelmatig en onbeduidend zijn; je kunt ze alleen herkennen aan hun klaagzangen, terneergeslagenheid en moedeloosheid die de erfenissen zijn van betere dagen. Vertel hem dit, en zeg dat hij zijn knapzak veel beter vol had kunnen stoppen met lupine’s, en alle andere in aanmerking komende kleinigheden die hij kan oppikken tijdens zijn leven van bedelen en aalmoezen vangen.

Polydeuces
Ik zal het hem vertellen, Diogenes. Maar geef me een aanwijzing hoe hij eruit ziet.

Diogenes
Oud, kaal, met een mantel die hem in staat stelt om veel te ventileren en licht binnen te laten, die is gelapt met alle kleuren van de regenboog, altijd lachend, en meestal afgevend op pretentieuze filosofen.

Polydeuces
Ah, ik kan hem niet missen.

Diogenes
Mag ik je nog een boodschap meegeven voor diezelfde filosofen?

Polydeuces
O, het geeft niet; ga door.

Diogenes
Vertel hen in het algemeen te stoppen met het spelen van de dwaas, ruziënd over metafysica, elkaar beduvelend met moeilijke vraagstukken en mensen te leren hun tijd niet te verspillen met dergelijke absurditeiten.

Polydeuces
O, maar als ik iets negatiefs zeg over hun wijsheden, zullen zij mij een onwetende domkop noemen.

Diogenes
Vertel ze dan dat ze van mij naar de verdoemenis kunnen gaan.

Polydeuces
Heel goed; vertrouw op mij.

Diogenes
En dan, mijn beste Polydeuces, is er dit voor de rijken: - O ijdele dwazen, waarom goud verzamelen? Waarom al deze moeite over rentebedragen en rijkdom vergaren, als je binnenkort naar ons toe komt met niets anders dan een dodenpenning?

Polydeuces
Deze boodschap zal ik ze ook vertellen.

Diogenes
Ah, en een boodschap voor de knappen en sterken; Megillus van Corinthe, en Damoxenes de worstelaar zullen volstaan. Vertel hen dat kastanjebruine lokken, heldere of zwarte ogen, rode wangen, hier net zo min in de mode zijn als gespannen spieren of sterke schouders; mensen lijken op elkaar als twee druppels water, vertel hen, dat het gaat om simpele herseninhoud en niet om schoonheid.

Polydeuces
Dat is voor de mooie en de sterke; ja, dat lukt me wel.

Diogenes
Ja, mijn Spartaan, en dit is voor de armen. Er zijn er velen, vervuld van zelfmedelijden en wrokkend over hun hulpeloosheid. Vertel ze dat zij hun tranen moeten drogen en stoppen met hun geroep; leg hen uit dat hier de ene mens net zo goed is als de ander, en hier zullen merken dat diegenen die rijk waren op aarde niet beter zijn dan zijzelf. En voor jouw Spartanen, u zult het niet erg om hen een vermaning te geven, namens mij, over hun huidige ontaarding?

Polydeuces
Nee, nee, Diogenes; Laat Sparta met rust; dat gaat te ver; uw andere opdrachten zal ik uitvoeren.

Diogenes
Oh, goed, laat hen gaan, al je het vervelend vindt; maar vertel de anderen wat ik heb gezegd.

02 – Charon en Menippus

Charon
Uw veergeld!, jij schurk.

Menippus
Schreeuw zoveel je wilt, Charon, als het je plezier doet.

Charon
Ik bracht je naar de overkant, geef me mijn veergeld.

Menippus
Dat kan ik niet, als ik het niet heb.

Charon
En wie is er zo arm dat hij niet eens een penning heeft?

Menippus
Ik bijvoorbeeld; iemand anders weet ik niet.

Charon
Betaal: of, bij Hades, ik zal je wurgen.

Menippus
En ik zal je schedel splijten met deze stok.

Charon
Dan ben je dat hele eind voor niets gekomen?

Menippus
Laat Hermes voor mij betalen: hij bracht me aan boord.

Hermes
Hou je mond! Ik zou daardoor een mooie tijd beleven, als ik voor elke schim moet betalen.

Charon
Ik laat je niet van boord gaan.

Menippus
Je kunt wachten met je schip tot je een ons weegt, wat mij betreft. Als ik het geld niet heb, kan ik je niet betalen, of wel soms?

Charon
Je wist dat je het mee moest nemen?

Menippus
Dat wist ik: maar ik had het niet. Wat zou u gedaan hebben? Ik had niet mogen sterven, denk ik zo?

Charon
Dus u wilt de eer hebben om de enige passagier te zijn die gratis is overgestoken?

Menippus
Och, kom nu: Gratis! Ik nam een roeispaan, ik leed pijn; maar ik huilde niet, wat meer is dan gezegd kan worden over vele anderen.

Charon
Dat is noch hier of daar. Ik moet mijn penning hebben; het is mijn recht.

Menippus
Nou, dan kun je me beter weer tot leven wekken.

Charon
Ja, en een pijnlijk pak slaag krijgen van Aeacus! Dat lijkt me leuk.

Menippus
Nou en, val mij er niet mee lastig.

Charon
Laat me zien wat je in die knapzak hebt.

Menippus
Bonen: wil je er een paar? – Het avondeten van Hecate.

Charon
Waar heb je deze Cynicus opgepikt, Hermes? En ook nog eens het lawaai dat hij op de kruising maakt! Lachend en joelend naar de rest, en luid zingend, terwijl ieder ander met zijn klaagzangen bezig is.

Hermes
Ach, Charon, wat ken jij je passagier slecht! Elke vezel van hem ademt onafhankelijkheid uit: hij geeft om niemand. Het is Menippus.

Charon
Wacht tot ik je grijp.

Menippus
Precies; ik wacht – tot je me opnieuw grijpt.

03 – Schimmen tegen Hades over Menippus

Croesus
Hades, wij kunnen die grommende cynicus niet langer meer uitstaan in onze buurt, of je verplaatst hem naar een ander verblijf, of wij verhuizen.

Hades
Waarom? Wat voor kwaad berokkent hij uw geestelijke gemeenschap?

Croesus
Midas hier, en Sardanapalus en ik, kunnen nooit meer eens goed huilen over de goede oude dagen van goud en luxe en rijkdom, hij moet steeds om ons lachen, en geeft ons onbeleefde namen; hij noemt ons ‘slaven’ en ‘uitschot’, en dan zingt hij; en dat komt ons de keel uit. – Kortweg, hij geeft overlast.

Hades
Menippus, wat hoor ik?

Menippus
Allemaal volkomen juist, Hades. Ik verafschuw deze laaghartige schurken! Niet tevreden met het weerzinwekkende leven dat ze hebben geleid, blijven ze er maar over praten nu ze dood zijn, en drammen door over die goede oude tijd. Het geeft me veel plezier om ze te ergeren.

Hades
Ja, maar dat moet je niet doen. Zij hebben verschrikkelijke verliezen geleden; dat voelen ze diep.

Menippus
Hades! Je gaat toch geen steun verlenen aan deze jammerende dwazen?

Hades
Dat is het niet: maar ik wil niet dat jij ruzie maakt.

Menippus
Nou, uitschot van jullie respectievelijke landen, laat er geen misverstand over bestaan; ik ga op precies dezelfde voet verder. Waar u ook bent, daar zal ik ook zijn; Spottend, joelend, jullie ontmoedigend toezingend.

Croesus
Verwaandheid!

Menippus
Niet een greintje. De verwaandheid komt van jullie, toen je verwachtte dat de mensen voor je op de knieën vielen, toen je hun vrijheid met voeten trad, en vergat dat er zoiets als de dood is. Nu komt het huilen en tandenknarsen: over alles dat verloren is gegaan.

Croesus
Verloren! O god! Mijn kostbaarheden – hopen –

Midas
Mijn goud –

Sardanapalus
Mijn kleine gemakken –

Menippus
Dat is prima: stik erin! Doen jullie het gejank, dan zal ik met u samenspelen met een snaar van citer, de beste begeleiding.

04 – Menippus en Cerberus

Menippus
Mijn lieve gezelligerd – want Cerberus en Cynisme zijn zeker verbonden door de hond – ik bezweer je bij de Styx, vertel me of Socrates zich gedroeg tijdens de afdaling. Een God als u kan ongetwijfeld iets vertellen in plaats van blaffen, als hij dat verkiest.

Cerberus
Wel, terwijl hij nog een lange weg had af te leggen, leek hij onwankelbaar; en ik denk dat hij zich bezig hield om dit de mensen buiten ook te laten denken. Toen kwam hij bij de ingang en zag de somberheid; ik raakte hem tegelijkertijd aan met mijn poot, en trok hem aan zijn been, want hij was nogal traag. Toen krijste hij als een baby, jammerde over zijn kinderen, en o, en ik weet niet wat hij allemaal nog meer heeft gedaan.

Menippus
Dus hij was één van de theoretici, is het niet? Zijn onverschilligheid was een schijnvertoning?

Cerberus
Ja; uiteindelijk accepteerde hij het onvermijdelijke, trok een stoutmoedig gezicht, alsof hij blij was met het universele lot, door zijn omstanders te imponeren. Al dat soort is hetzelfde, zeg ik je – brutale stoutmoedige kerels tot aan de ingang, maar binnen komt de echte test.

Menippus
Wat vond je van mijn voorstelling?

Cerberus
Ah, Menippus, jij was de bekende uitzondering, je bent een voorbeeld voor je ras, net zoals Diogenes dat voor jou was, Jullie kwamen zonder enige dwang of duwen, uit je eigen vrije wil, met een lach voor jezelf en een vloek voor de rest.

05 – Menippus en Hermes

Menippus
Waar zijn alle schoonheden, Hermes? Leidt me rond; ik ben een nieuwkomer.

Hermes
Ik ben bezig, Menippus, maar kijk naar rechts, daar zie je Hyacinthus, Narcissus, Nireus, Achilles, Tyro, Helena, Leda, - al de schoonheden van vroeger.

Menippus
Ik zie alleen botten, en kale schedels; de meesten van hen zijn allemaal hetzelfde.

Hermes
Die botten, waar jij zo eenvoudig over lijkt te denken, waren het onderwerp van bewonderende dichters.

Menippus
Goed, laat me Helena zien; ik ben zelf niet in staat om haar te herkennen.

Hermes
Deze schedel is Helena.

Menippus
En voor haar voeren duizend schepen met strijders uit elk deel van Griekenland uit; Grieken en barbaren werden afgeslacht, en steden verwoest.

Hermes
Ach, Menippus, je hebt nooit de levende Helena gezien; anders zou je net als Homerus hebben gezegd: Zwoegend zullen ze vele pijnlijke jaren lijden. Die streefden naar zo’n prijs. We keken naar verwelkte bloemen, waarvan de kleur is verdwenen, en kunnen ze niet anders noemen dan onlieflijke voorwerpen? Maar in het uur van hun bloei waren deze onlieflijke voorwerpen exemplaren van schoonheid.

Menippus
Vreemd, dat de Grieken zich niet realiseerden waar ze zo voor zwoegden; zo kortlevend; zo snel vervagend.

Hermes
Ik heb geen tijd voor moraliseren. Kies een plek, waar je maar wil, en ga liggen. Ik moet nieuwe doden gaan ophalen.

Dialoog 6 t/m 10

06 – Menippus en Aeacus

Menippus
In Hades’ naam, Aeacus, toon me de Onderwereld.

Aeacus
Dat zal een hele onderneming worden, Menippus. Maar, ik zal je de belangrijkste zaken tonen. Cerberus hier ken je al, en de veerman die je overzette. En onderweg zag je Styx.

Menippus
Ja, en jij bent de poortwachter; dat weet ik allemaal al; en ik heb de Koning en de Erinyen gezien. Maar toon me de mannen van vroeger, vooral de beroemdheden.

Aeacus
Dit is Agamemnon; dit is Achilles; vlakbij hem, Idomeneus; vervolgens Odysseus; dan Ajax, Diomedes, en alle de grote Grieken.

Menippus
Waarom, Homerus, Homerus wat is dit? Al uw grote helden neergesmeten op de aarde, vormeloos, niet te herkennen; slechts betekenisloze stof; ‘krachteloze hoofden,’ en geen vergissing. – Wie is dit, Aeacus?

Aeacus
Dat is Cyrus; en hier is Croesus; achter hem ligt Sardanapalus, en daar weer achter Midas. En ginds is Xerxes.

Menippus
Ha! En voor dit schepsel beefde heel Griekenland? Dit is de onderdrukker van de Hellespont, onze ontwerper van de Athos-kanalen? Croesus ook! Een treurig schouwspel! Wat Sardanapalus betreft, ik zal een gedenkteken op zijn oor plaatsen, met uw toestemming.

Aeacus
En zijn schedel kraken, arme schat! Zeker niet.

Menippus
Dan moet ik me tevreden stellen met spugen in het gezicht van zijne vrouwelijkheid.

Aeacus
Wil je de filosofen zien?

Menippus
Dat wil ik boven alles.

Aeacus
Eerst komt Pythagoras

Menippus
Goedendag, Euphorbus, alias Apollo, of hoe je ook maar wil heten.

Pythagoras
Goedendag, Menippus

Menippus
Wat, geen gouden dij vandaag?

Pythagoras
Waarom, nee. Ik vraag me af of jij iets te eten hebt in die knapzak van jou?

Menippus
Bonen, vriend; lust je geen bonen.

Pythagoras
Test me, mijn principes zijn veranderd met mijn verblijf hier. Ik denk dat de hoofden van onze ouders hier beneden op geen enkele manier zijn verbonden met bonen.

Aeacus
Hier is Solon, de zoon van Execestides, en daar is Thales. Bij hem zijn Pittacus, en de rest van de wijzen, zeven in totaal, zoals je kunt zien.

Menippus
De enige teruggetrokken en vrolijke gezichten tot op heden. Wie is diegene die bedekt is met as, als een brood gebakken in sintels? Hij heeft overal blaren.

Aeacus
Dat is Empedocles. Hij was half verbrand toen hij vanaf de Etna hier kwam.

Menippus
Zeg op, mijn brutale uitgegleden vriend, wat bewoog je om in de krater te springen?

Empedocles
Ik deed het in een bui van melancholie.

Menippus
Niet jij. IJdelheid, hoogmoed, dwaasheid, dat waren de zaken die jou opbraken, uitgegleden en al; op je wenken bediend. Al dat vernuft weggegooid, ook jouw dood werd opgemerkt. – Aeacus, waar is Socrates?

Aeacus
Hij praat normaal gesproken nonsens met Nestor en Palamedes.

Menippus
Maar ik wil hem graag zien, als hij ergens in de buurt is.

Aeacus
Zie je die kale?

Menippus
Ze zijn allemaal kaal; dat is een onderscheid zonder verschil.

Aeacus
Die met die stompe neus.

Menippus
Opnieuw: zij hebben allemaal een stompe neus.

Socrates
Zoek je mij, Menippus?

Menippus
Precies de man die ik zoek.

Socrates
Hoe gaat het in Athene?

Menippus
Er zijn heel wat jongen mannen die de filosofie belijden, en te oordelen naar hun kleding en hun manier van lopen, moeten ze er perfect in worden.

Socrates
Zo heb ik er velen gezien.

Menippus
Wat dat betreft, ik veronderstel dat je Aristippus hebt zien aankomen, naar parfum stinkend; en Plato, die gladgepolijste vleier van de Siciliaanse hoven.

Socrates
En wat vond jij van mij in Athene?

Menippus
Ah, in dat opzicht ben je gelukkig. Je ging door voor een zeer opmerkelijke man, in feite alwetend. En al die tijd – als de waarheid boven water moest komen – wist je absoluut niets.

Socrates
Dat heb ik hun zelf ook verteld: maar het was mijn ironie dat ze het moesten hebben.

Menippus
En wie zijn jouw vrienden?

Socrates
Charmides; Phaedrus; de zoon van Clinias.

Menippus
Ha, ha! Nog steeds in uw oude doen, nog steeds een bewonderaar van schoonheid.

Socrates
Waar kan ik me beter mee bezighouden? Doe je met ons mee?

Menippus
Nee, dank je; ik moet weg, om mijn plaats in te nemen bij Croesus en Sardanapalus. Ik verwacht veel vermaak van hun geschreeuw.

Aeacus
Ik moet ook gaan, anders ontsnapt er iemand. De rest zal ik je een andere keer laten zien, Menippus.

Menippus
Ik zal je niet langer ophouden, ik heb genoeg gezien.

07 – Menippus en Tantalus

Menippus
Waar huil je om, Tantalus? Staand op de rand en zo jankend!

Tantalus
Ah, Menippus, ik heb dorst, ik kom om!

Menippus
Wat, niet ondernemend genoeg om te bukken, of iets in je handpalm op te scheppen?

Tantalus
Het heeft geen zin om te bukken, het water zakt steeds naar benenden zodra het mij ziet aankomen. En als ik het opschep en bij mijn mond aankom, wordt de buitenkant van mijn lippen nauwelijks vochtig doordat het erin geslaagd is tussen mijn vingers weg te lopen en mijn hand net zo droog is als altijd.

Menippus
Wat een vreemde belevenis. Maar, waarom wil je drinken? Je hebt geen lichaam – het deel van jou dat in staat was om honger en dorst te hebben ligt ergens begraven in Lydië; hoe kan je, jouw geest, nog honger en dorst hebben?

Tantalus
Daarin ligt mijn straf – de ziel lijdt dorst alsof het een lichaam was.

Menippus
Goed, laat maar zitten, zoals je zegt is dorst je straf. Maar waarom vind je het zo erg? Ben je bang om te sterven, bij gebrek aan drinken? Ik ken geen tweede Onderwereld; kun je in deze sterven, en daarna doorgaan?

Tantalus
Nee, dat is helemaal waar. Maar dat is nu net het onderdeel van de staf: Ik moet dorst lijden, hoewel ik er geen behoefte aan heb.

Menippus
Dat heeft geen enkele zin. Je hebt trek in een slok, maar, je hebt iets nodig als goed nieskruid; je lijdt aan omgekeerde watervrees, je bent niet bang van water, maar van dorst.

Tantalus
Ik zou nieskruid drinken om te overleven, als ik maar kan drinken.

Menippus
Vrees niet, Tantalus; noch jij of enige andere geest zal dat doen; dat is onmogelijk, zie je; we hebben niet allemaal een strafrechtelijke dorst zoals jij, met water dat voor ons wegloopt.

08 – Menippus en Chiron

Menippus
Ik heb gehoord dat je een god bent geweest, Chiron, en dat je uit vrije wil bent gestorven?

Chiron
Je bent goed geïnformeerd. Ik ben dood, zoals je kunt zien, en had onsterfelijk kunnen zijn.

Menippus
En wat bezielde jou, om verliefd te zijn op de dood? Voor de meeste mensen heeft het geen aantrekkingskracht.

Chiron
Je bent een verstandige kerel; ik zal het je vertellen. Het was geen genoegen meer om onsterfelijk te zijn.

Menippus
Was het geen plezier om gelukkig te leven en het licht te zien?

Chiron
Nee, het is afwisselend, zoals ik het zie, en niet eentonig, dat wat plezier vormt. Altijd maar door levend, altijd alles hetzelfde; zon, licht, eten, voorjaar, zomer, herfst, winter, het één volgt het ander op in een eindeloze reeks, - ik was ziek van dat alles. Ik kwam erachter dat genot niet lag in het voortdurende bezit ervan, maar dat het ontbreken er van zijn aandeel moest hebben

Menippus
Dat is waar, Chiron. En hoe is het met je vergaan sinds je de Onderwereld tot thuis hebt gemaakt?

Chiron
Niet onplezierig. Ik vind dat er een echte republikeinse geest heerst; en op de vraag of men in het licht of in de duisternis verblijft, dat maakt geen enkel verschil. Bovendien heerst er geen honger of dorst; men is onafhankelijk van zulke zaken.

Menippus
Kijk uit, Chiron! Dat je niet in de val van je eigen redeneringen trapt.

Chiron
Hoe zou dat kunnen?

Menippus
Hoezo, als de monotonie van de andere wereld is ingesteld op verzadiging, kan de eentonigheid hier hetzelfde doen. Je moet opletten voor een doorgaande verandering, en ik denk dat er geen derde leven verkrijgbaar is.

Chiron
Wat moet er dan gebeuren, Menippus?

Menippus
Neem de zaken zoals je ze tegenkomt, denk ik, als een verstandige kerel, en maak er het beste van.

09 – Menippus en Tiresias

Menippus
Of je blind bent of niet, Tiresias, is een moeilijke vraag. Oogkassen zonder ogen zijn hier onder ons normaal; er is tegenwoordig geen voorspellende Phineus van Lynceus. Echter, ik weet dat je een ziener bent geweest, en het genoegen hebt gesmaakt om zowel man als vrouw te zijn geweest; Ik heb et gehoord van de dichters. Vertel me alstublieft wat u het prettigste leven vond, man of vrouw?

Tiresias
Dat van vrouwen, buiten kijf; het heeft minder problemen. Vrouwen heersen over mannen; en zij hoeven niet te vechten, geen muren te bemannen, geen gekibbel in de vergadering, geen kruisverhoren in de rechtbanken.

Menippus
Goed, maar heb je gehoord hoe Medea, in Euripides, medelijden heeft met haar geslacht vanwege hun harde lot – over hun ondraaglijke pijnen die ze moeten doorstaan tijdens de bevalling? En bovendien – Medea’s woorden herinneren mij eraan dat je ooit een kind had, toen je een vrouw was, of was je onvruchtbaar?

Tiresias
Wat bedoel je met die vraag, Menippus?

Menippus
O, niets; maar ik wil het graag weten, als je er geen probleem mee hebt.

Tiresias
Ik was niet onvruchtbaar: maar ik had geen kind, om precis te zijn.

Menippus
Nee; maar je zou het gehad hebben. Dat is alles dat ik wil weten.

Tiresias
Zeker.

Menippus
En verdwenen uw vrouwelijke kenmerken van lieverlee, kreeg u een baard, en werd een man? Of vond de verandering plaats in een oogwenk?

Tiresias
Waarheen leidt uw vraag? Men zou denken dat u aan het feit twijfelt.

Menippus
En wat moet ik anders dan twijfelen aan zo’n verhaal? Moet ik het zomaar aannemen, als een domoor, zonder mijzelf af te vragen of het mogelijk is of niet?

Tiresias
Op die wijze, neem ik aan dat je evenmin gelooft wanneer je hoort dat vrouwen veranderen in vogels of dieren, - Aëdon bijvoorbeeld, of Daphne, of Callisto?

Menippus
Als ik één van die vrouwen tegenkom, zal ik zien wat zij er over te vertellen hebben. Maar om terug te keren op het onderwerp, je eigen zaak: was je zelfs in de dagen van uw vrouwelijkheid een voorspeller? Of kwamen mannelijkheid en voorspellen tegelijk samen?

Tiresias
Poeh, je weet er niets van. Ik heb eens een geschil beslecht tussen de Goden, en werd door Hera blind gemaakt voor mijn lijden; waarna Zeus mij troostte met de gave van het voorspellen.

Menippus
Ah, je houdt nog steeds van een leugen, Tiresias. Maar het is uw handel, Gij profeten kennen geen waarheid.

10 – Menippus, Amphilochus en Trophonius

Menippus
Nu vraag ik me af hoe het komt dat jullie twee als dode mannen zijn geëerd met tempels en als zieners worden beschouwd; die malle stervelingen denken dat jullie goden zijn.

Amphilochus
Daar kunnen wij niets aan doen, als zij gek genoeg zijn om zulke waanvoorstellingen over de dood te hebben?

Menippus
Ach, die zouden ze nooit hebben gehad, als jullie niet zulke kwakzalvers waren geweest tijdens je leven, en net deden of jullie de toekomst kenden en die voorspelden aan jullie klanten.

Trophonius
Nou, Menippus, Amphilochus mag over zijn eigen leven beschikken, als hij wil; wat mij betreft, ik ben een Held, en geef orakels aan iedereen die naar mij toekomt. Het is vrij duidelijk dat je nooit op Lebadea bent geweest, anders was je niet zo ongelovig.

Menippus
Wat bedoel je? Moet ik naar Lebadea gaan, mezelf in absurd linnen zwachtelen, een koek in mijn hand nemen, en door een smalle gang een grot inkruipen, voordat ik kan vertellen dat jij een dode man bent, met niets anders dan bedriegerij om je te onderscheiden van de rest van ons? Nu, met betrekking tot uw voorspellingskunst, wat is een Held? Ik weet zeker dat ik dat niet weet.

Trophonius
Hij is half God, en half mens.

Menippus
Dus wat is noch man (zoals u laat doorschemeren) noch god, en is beiden tegelijk? Nu, wat is er van uw voorspellingshelft terecht gekomen?

Trophonius
Hij geeft orakels in Boeotië.

Menippus
Wat je bedoelt heb ik achter mij gelaten; het enige dat ik zeker weet is dat jullie dood zijn – jullie allemaal.

Dialoog 11 t/m 15

11 – Diogenes en Heracles

Diogenes
Dat is toch Heracles die ik daar zie? Bij zijn godenhoofd, het is hem! De knots, de leeuwenhuid, die reusachtige lichaamsbouw; het is helemaal Heracles. Maar hoe kan dit? – Een zoon van Zeus, een sterveling? Ik vraag me af, machtige veroveraar, ben je dood? Ik was gewend om aan je te offeren in de andere wereld; ik dacht dat je een God was!

Heracles
Je had het goed. Heracles is met de goden in de hemel, en heeft daar witenkelige Hebe tot zijn vrouw. Ik ben zijn geest.

Diogenes
Zijn geest! Hoe kan dat, kan men een halve of iemand een god zijn, en de andere helft sterfelijk?

Heracles
Jawel. De goden leven nog steeds. Dat, is mijn tegenhanger, ik ben dood.

Diogenes
Dat zie ik. Jij bent een vervanger; hij stuurt je op Hades af, in plaats van zelf te komen, en hier ben je, genietend van zijn sterfelijkheid!

Heracles
Het is ongeveer zoals je net verteld hebt.

Diogenes
Mooi is dat, maar waar waren de scherpe ogen van Aeacus, dat hij een valse Heracles zo onder zijn neus laat passeren, en nooit het verschil zag?

Heracles
Men heeft mij heel erg goed op hem laten lijken.

Diogenes
Ik geloof je! Zeer gelijkend inderdaad, totaal geen verschil te zien! Maar waarom, we zouden ook kunnen denken dat het andersom is, dat jij Heracles bent, en je schaduwbeeld in de hemel is, getrouwd met Hebe!

Heracles
Wauwelende schelm, geen van uw schimpscheuten meer; anders zult u nu leren hoe groots een dode mij een geest noemt.

Diogenes
Hm. Die boog ziet er serieus uit. En toch, - wat heb ik nu aan angst? Een man kan maar één keer sterven. Vertel me, geest, - door uw grote afmetingen bewonder ik u – diende je hem in je huidige gedaante toen je in de bovenwereld was? Misschien waren jullie samen één individu tijdens het leven, en vond de scheiding plaats toen jullie stierven, toen hij, de God, hemelwaarts steeg, en jij, de geest, netjes hier verscheen?

Heracles
Uw ongepaste vragen kunnen het beste onbeantwoord blijven. Maar gij zult alles te weten komen. – Alles in Heracles dat van Amphitryon was, is dood; ik ben het sterfelijke deel. De Zeus in hem leeft, en is met de Goden in de Hemel.

Diogenes
Ah, nu begrijp ik het! Alcmene had een tweeling, bedoel je, - Heracles de zoon van Zeus, en Heracles de zoon van Amphitryon? Jullie waren al die tijd halfbroers?

Heracles
Idioot! Niet zo. Wij tweeën waren één Heracles

Diogenes
Het is een beetje moeilijk te begrijpen, de twee Heraclessen verpakt in één. Ik veronderstel dat je een soort Centaur bent geweest, man en god ineen gemengd?

Heracles
En zijn we niet allemaal samengesteld uit twee elementen, - het lichaam en de ziel? Wat belemmert de ziel dan om in de hemel te zijn, bij Zeus die hem schonk, en het sterfelijke deel – ikzelf – tussen de doden?

Diogenes
Ja, ja, mijn gewaardeerde zoon van Amphitryon, - dat zou allemaal goed zijn als jij een lichaam was; maar zie je jij bent een geest, je hebt geen lichaam. Met die uitleg zouden we drie Heraclessen hebben.

Heracles
Drie?

Diogenes
Ja; kijk hier. Eén in de Hemel: één in de onderwereld, dat ben jij, de geest: en ten slotte het lichaam, dat tegen deze tijd tot stof is vergaan. Dat maakt drie. Weet jij een goede vader voor nummer Drie?

Heracles
Onbeschaamde chicaneur! En wat ben jij?

Diogenes
Ik ben Diogenes’ geest, laatst van Sinope. Maar mijn origineel, dat verzeker ik u, is niet ‘onder de onsterfelijke goden’, maar hier tussen de dode mensen; waar hij geniet van het beste gezelschap, en met mijn vingers knipt naar Homerus en alle andere haarkloverij.

12 – Philip en Alexander

Philip
Je kunt deze keer niet ontkennen dat je mijn zoon bent, Alexander; je zou niet gestorven zijn als je de zoon van Ammon was geweest.

Alexander
Ik wist het al die tijd, Philip, zoon van Amyntas, dat jij mijn vader was. Ik heb alleen maar ingestemd met de verklaring van het orakel, omdat ik dacht dat het een goed uitgangspunt was.

Philip
Wat? Zelf lijden om liegende priesters voor de gek te houden?

Alexander
Nee, maar het had een reusachtig effect op de barbaren. Toen die dachten met een god te maken te hebben, gaven ze de strijd op; waardoor hun verovering een simpele zaak werd.

Philip
En wie heb je ooit verslagen die de moeite van het veroveren waard waren? Uw tegenstanders waren ooit bange wezens, met hun bogen en hun schietschijven en rieten schilden. De Grieken veroveren was andere koek: Boeotiërs, Phociërs, Atheners; Arcadische Hoplieten , Thessalische cavalerie, speerwerpers uit Elis, schildhouders van Mantinea; Thraciërs, Illyriërs, Paeoniërs; hen te onderwerpen stelde iets voor. Maar de met gouddraad uitgedoste en verwijfde Meden en Perzen en Chaldeeërs, - waarom? Het was al eerder gedaan: heb je nooit gehoord van de expeditie van Tienduizend onder aanvoering van Clearchus? Dat de vijand niet eens in de buurt kwam om mee op de vuist te gaan, maar wegliep voordat zij binnen het bereik van een boogschot kwamen?

Alexander
Toch, er waren Scythiërs, vader, en Indische olifanten; dat was geen grapje. En mijn veroveringen werden niet verstoord door onenigheid of verraad, ik brak geen eed, geen belofte, noch kocht ik een overwinning ten nadele van eer. Wat de Grieken betreft, de meesten van hen traden tot me toe zonder strijd, en ik durf te zeggen dat je vast wel hebt gehoord hoe ik Thebe heb behandeld.

Philip
Daar weet ik alles van; ik heb het gehoord van Clitus, die je voorbij liep, tijdens het diner, omdat van hem verwacht werd dat hij mijn prestaties in één adem zou nomen met die van jou. Ze vertellen me ook dat jij de manieren hebt nageaapt van de door jouw verslagen Medes; afgezien hebt van de Macedonische mantel en de voorkeur gaf aan zoetigheid, de staande tiara opnam, en onderdanigheid van de vrije Macedoniërs eiste! Dit is heerlijk. Wat betreft uw briljante wedstrijden, en uw geliefde Hephaestion, en je wijsheid in leeuwenkooien, - hoe minder gezegd des te beter. Ik maar één ding in je voordeel gehoord: jouw respect voor de persoon van Darius’ mooie vrouw, en hoe je zorgde voor zijn moeder en dochters; daar heb je gehandeld als een koning.

Alexander
En heb je niets te zeggen over mijn avontuurlijke geest, vader, toen ik de eerste was die binnen de wallen van Oxydrace sprong, en overdekt werd met wonden?

Philip
Geen woord. Niet dat het een slechte zaak is, naar mijn mening, voor een koning om af en toe gewond te raken, en het gevaar te aanschouwen aan het hoofd van zijn troepen: maar dit was het laatste waartoe je werd geroepen om te doen. Je ging door voor een God; en je was gewond, werd van het veld gedragen op een draagbaar, bloedend en kreunend, en kon alleen de spot maar prikkelen van de toeschouwers. Ammon stond terecht wegens kwakzalverij, zijn orakel beticht van leugens, zijn priesters van vleierij. De zoon van Zeus viel in onmacht, en had medische verzorging nodig! Wie zou niet hebben gelachen bij dat aanzicht? En nu je gestorven bent, hoef je niet te twijfelen over het aantal grappen dat er gemaakt wordt over jouw goddelijkheid, als mannen het lijk van een god aanschouwen dat gereed wordt gemaakt voor een begrafenis, en al op weg is naar het dodenrijk zoals alle lichamen? Trouwens, je prestaties verliezen de helft van hun geloofwaardigheid door die ene omstandigheid waarin je zegt dat het zo fijn was dat jouw veroveringen eenvoudig waren: niets wat je deed hield gelijke tred met je goddelijke reputatie.

Alexander
De wereld denkt er anders over. Ik wordt in één adem genoemd met Heracles en Dionysus, en wat dat betreft, ik heb Aornos, dat is meer dan een van hen kan zeggen.

Philip
Daar sprak de zoon van Ammon. Heracles en Dionysus, inderdaad! Je moest jezelf schamen, Alexander; wanneer zul je leren om die bombast te laten varen, en jezelf te kennen als de geest die je nu bent?

13 – Diogenes en Alexander

Diogenes
Lieve help, Alexander, ben je dood net als de rest van ons?

Alexander
Zoals je kunt zien, mijnheer: is het iets bijzonders als een sterveling dood gaat?

Diogenes
Dus Ammon loog toe hij zei dat jij zijn zoon was; het was al die tijd Philip.

Alexander
Kennelijk, als ik Ammon’s zoon was, zou ik niet gestorven zijn.

Diogenes
Vreemd! Er waren ook gelijksoortige verhalen over Olympia. Een slang bezocht haar, en werd in haar bed gezien; ons werd verteld dat jij zo in de wereld bent gekomen, en Philip een fout maakte toen hij je adopteerde.

Alexander
Ja, dat is me allemaal verteld, maar ik weet nu dat de verhalen over mijn moeder en Ammon allemaal onzin waren.

Diogenes
Hun leugens hadden een praktische waarde voor je, hoewel, jouw goddelijkheid bracht een groot aantal mensen op hun knieën. Maar, aan wie heb je jouw grote rijk nagelaten?

Alexander
Diogenes, ik kan het je niet vertellen. Ik had geen tijd om een instructie achter te laten, ik kon alleen mijn ring aan Perdiccas geven toen ik stierf. Waarom lach je?

Diogenes
O, ik dacht alleen aan het gedrag van de Griek; die jij opvolgde, hoe ze je hebben gevleid! Hun gekozen leider, opperbevelhebber tegen de barbaren; volgens sommigen één van de twaalf Goden; er zijn tempels gebouwd en offers gebracht aan de zoon van de Slang! Als ik vragen mag, waar hebben de Macedoniërs je begraven?

Alexander
Ik ben een volle maand opgebaard in Babylon; en Ptolemy van de wacht is verteld dat hij, zodra hij een moment uitstel kreeg van zijn drukke bezigheden, me naar Egypte te brengen en daar te begraven, om daar erkend te worden tussen de Goden.

Diogenes
Ik heb een reden om te lachen, zie je; koester je nog steeds ijdele hoop om je te ontwikkelen als een Osiris of Anubis! Bid, uwe Godheid, zet deze verwachting van u af, hier kan niemand opnieuw opstijgen die ooit gevaren heeft op het meer en de poort is binnengegaan; Aeacus is waaks, en Cerberus een lastige klant. Maar er is een ding waar ik van hoop dat je mij dit wilt vertellen: hoe denk je over al het aardse geluk dat je resteerde toen je hier aankwam – je bewakers en wapendragers en luitenant-generaals, je stapels goud en bewonderende volkeren, Babylon en Bactria, je grote olifanten, je eer en glorie, die opvallende rijtochten met witbelinte lokken en begepste mantel? Doet de gedachte eraan je pijn? Wat, huilen? Rare vent! Liet jouw wijze Aristoteles geen instructies na over de onveiligheid van Fortuin’s voorkeuren.

Alexander
Wijs? Noem hem de listigste van alle vleiers. Sta me toe dat ik iets meer weet over Aristoteles dan andere mensen; zijn verzoeken en zijn brieven kwamen bij mij aan, ik weet hoe hij profiteerde van mijn passie voor cultuur; hoe hij mij vandaag zou loven, om zeker te zijn. Nu was het mijn schoonheid – dat hoort allemaal bij De Goeden, dan weer mijn daden en mijn geld, want geld noemde hij een Goed, hij bedoelde dat het niet verkeerd was om het aan te nemen. Ah, Diogenes, een bedrieger; en daarin een oude meester. Voor mij, het resultaat van zijn wijsheid is dat ik bedroefd ben over de zaken waar je mij zojuist bij indeelde, alsof ik de voornaamste Goeden ben kwijtgeraakt.

Diogenes
Wil je jouw pad weten? Ik zal je noden voorschrijven. Onze flora, helaas, bevat geen nieskruid; maar neem veel water uit de Lethe – goede, diepe, herhaalde teugen; dat zal je nood verlichten over de Goeden van Aristoteles. Snel, hier zijn Clitus, Callisthenes, en vele anderen die voor jou komen; ze willen je aan stukken scheuren en je zo terugbetalen. Kom, ga de andere kant op; en denk eraan, herhaalde teugen.

14 – Hermes en Charon

Hermes
Veerman, wat vindt je ervan om rekeningen te openen? Ik wil onaangenaamheden achteraf voorkomen.

Charon
Dat is goed. Het voorkomt problemen om de zaken goed te doen.

Hermes
Eén anker, uw bestelling, vijf shillings

Charon
Dat is veel geld

Hermes
Zo helpe me Hades, dat is wat ik moest betalen. Eén rijriem, vier shilling.

Charon
Vijf en vier; leg dat neer.

Hermes
Dan was er nog een naald, om het zeil te herstellen; tien shilling

Charon
Leg neer.

Hermes
Boorwas, spijkers, en een touw voor de brassen. Twee shilling per stuk.

Charon
Ze zijn het gele waard.

Hermes
Dat is alles; tenzij ik iets vergeten ben. Wanner ga je het betalen?

Charon
Dat gaat nu niet, Hermes; we hebben oorlog of een plaag nodig, dan zullen de passagiers komen binnenzeilen, en zal ik in staat zijn om een beetje met de tarieven te sjoemelen.

Hermes
Dus voor nu kan ik niets anders doen dan te gaan zitten, en bidden voor het ergste, als mijn enige kans op betaling?

Charon
Er zit niets anders op; - op het moment weinig zaken, zoals je kunt zien, als gevolg van de vrede.

Hermes
Alles goed en wel, maar hierdoor moet ik op mijn geld wachten. Hoewel, toch, Charon, waren mannen in vroegere dagen echte mannen; herinner jij nog de wijze hoe zij gewoonlijk hier beneden kwamen, - meestal bebloed en vol met wonden. Tegenwoordig, is een man door zijn vrouw of door een slaaf vergiftigd, of heeft oedeem door overgewicht; een bleke, terneergeslagen geest, niet als de mannen van weleer. De meesten van hen komen aan hun einde ten gevolge van een intrige die over geld gaat.

Charon
Ah, geld is gewild

Hermes
Ja; je kunt het mij niet kwalijk nemen dat ik ietwat haast heb met de betaling.

15 – Hades en Hermes

Hades
Ken je die oude, oude vriend, Eucrates de miljonair – geen kinderen, maar een paar duizend mogelijke erfgenamen?

Hermes
Ja – hij leefde in Sicon. Toch?

Hades
Wel, Hermes, hij is nu negentig; maar laat hem nog lang leven, alsjeblieft; ik zou willen dat het er meer worden, zo mogelijk, maar breng me één voor één zijn hielenlikkers, die jonge Charinus, Damon, en de rest ven hen.

Hermes
Het lijkt zo vreemd, is het niet?

Hades
In tegendeel, het zou ideale gerechtigheid zijn. Welk nut dienen ze om te bidden voor zijn dood, of voorwenden voor zijn geld? Het zijn geen familieleden. Het meest afschuwelijke is wel dat zij de verschillende gebeden afroepen onder publieke belangstelling; wanneer hij ziek is, iedereen weet waar zij op uit zijn, brengen ze toch nog offers voor zijn herstel, gesproken van veelzijdigheid! Dus laat hem onsterfelijk worden, en breng hen weg voor hem met hun monden open voor het fruit dat nooit valt.

Hermes
Wel, het zijn allemaal schurken, en het zal een komisch einde worden. Hij leidt volgens hen een mooi leven, op veel pap; hij ziet er altijd meer dood dan leven uit, maar hij is sterker dan een jongeman. Zij hebben de erfenis al onderling verdeeld, en voeden zich met denkbeeldige gelukzaligheid.

Hades
Precies zo; nu moet hij de jaren van zich afwerpen net als Iolaüs, en verjongen, zodat zij zichzelf terugvinden temidden van hun hoop en hun droom van rijkdom achter zich zien. Niets lijkt beter bij de straf beter te passen dan de misdaad zelf.

Hermes
Zeg niets meer, Hades; Ik zal je de een na de ander brengen; zeven stuks toch, als ik het goed heb?

Hades
Naar beneden met ze; en hij zal veranderen van een oude man in een jeugdige, in de bloei van zijn leven, en hun begrafenissen bijwonen.

Dialoog 16 t/m 20

16 – Terpsion en Hades

Terpsion
Is dat nu eerlijk, Hades, - dat ik op dertigjarige leeftijd moet sterven, en dat die oude Thucritus mag verder leven terwijl hij de negentig gepasseerd is?

Hades
Er is niets eerlijkers. Thucritus leeft en heeft geen haast om eerder dan zijn buren te sterven, terwijl jij altijd boze plannen tegen hem smeedde; je stond te wachten om in zijn schoenen te stappen.

Terpsion
Wel, een oude man zoals hij haalt geen plezier meer uit zijn geld, hij moet sterven, en ruimte maken voor jongere mensen.

Hades
Dat is een boekenwijsheid: de man die geen plezier meer beleeft aan zijn geld moet sterven! – Lot en Natuur beslissen anders.

Terpsion
Dan hebben zij verkeerd beslist. Op basis van anciënniteit zou er een juiste volgorde bepaald moeten worden. Dingen worden op zijn kop gezet, als een oude man met maar drie tanden in zijn mond maar blijft doorleven, half blind, rondstrompelend met een paar slaven aan beide kanten om hem rechtop te houden, wauwelend met reumatische ogen, zonder levenslust, een levend graf, de spot van zijn jongeren, - en jongemannen moeten sterven in de kracht van hun leven en schoonheid. Het is in strijd met de natuur. In ieder geval hebben jongemannen het recht om te weten wanneer ouden dood gaan, zodat zij hun aandacht niet voor niets aan hen schenken, zoals dat nu soms gebeurt. De huidige regeling spant de kar voor het paard.

Hades
Daar zit meer gezond verstand in dan jij veronderstelt, Terpsion. Trouwens, welk recht hebben jullie jonge kerels om te loeren naar andermans goederen, vertrouwend op die kinderloze ouden? Je kijkt nogal dom, als je als eerste begraven wordt; het irriteert mensen enorm, hoe vuriger je bid voor de dood van je oude vriend, des te groter is de vreugde als je hem voorgaat. Het is tegenwoordig een gewoonte geworden, deze amoureuze toewijding aan oude mannen en vrouwen, - kinderloos, natuurlijk; kinderen vernietigen de illusie. Tussen haakjes trouwens, sommigen van deze geliefde objecten kijken tegenwoordig dwars door jullie smerige motieven heen; zij hebben kinderen, maar doen net of zij ze haten, en hebben zo toch hun aanbidders. Als hun erfenis voorgelezen moet worden, worden hun trouwe lijfwachten niet genoemd: de natuur beschikt zelf, de kinderen krijgen hun erfenis, en de aanbidders realiseren zich, met knarsende tanden, dat zij in de maling genomen zijn.

Terpsion
Maar al te waar! De luxe die Thucritus genoten heeft ten koste van mij! het leek altijd of hij op het punt van doodgaan stond. Ik ging nooit bij hem kijken, maar hij zou kreunde en kakelde als een kip net uit de dop: ik dacht dat hij elk moment in zijn kist kon stappen, en stapelde cadeau op cadeau, uit angst door mijn rivalen te worden overtroffen in vrijgevigheid, ik beleefde angstige, slapeloze nachten, rekenend en alles regelend; dit was het, de slapeloosheid en de angst, die mij tot mijn brachten. En hij slikte mijn aas helemaal door, en woont mijn begrafenis grinnikend bij.

Hades
Goed gedaan, Thucritus! Dat je lang mag leven en genieten van je rijkdom, - en je grap ten koste van de jongeren; je mag vandaag velen hierheen sturen voordat je eigen tijd komt! Terpsion Nu ik er zo over nadenk, het zou voldoening geven als Charoeades voor hem sterft.

Hades
Charoeades! Mijn lieve Terpsion, Phido, Melanthus, - elk van hen zal hier zijn voor Thucritus, - allen slachtoffer van dezelfde angst!

Terpsion
Zo moet het zijn. Houd vol, Thucritus!

17 – Zenophantus en Callidemides

Zenophantus
Ah, Callidemides, en hoe ben jij aan je einde gekomen? Ik was net klaar met eten van het diner bij Dinias, en stierf daar aan de overvloed; maar dat is oudbakken nieuws, je was er bij, natuurlijk.

Callidemides
Ja, dat was ik. Wat mijn lot betreft was er een element van verrassing. Ik neem aan dat je die oude Ptoeodurus kende?

Zenophantus
Die rijke man zonder kinderen, aan wie je het meeste van jouw bedrijf hebt gegeven?

Callidemides
Dat is de man. Hij had beloofd mij tot zijn erfgenaam te maken, en zo toonde ik mijn waardering. Maar, het duurde zo lang; Tithonus was een minderjarige bij hem; dus zocht ik een kortere weg naar mijn bezittingen. Ik kocht een drankje, en kwam met de bediende overeen dat wanneer zijn meester de volgende keer om wijn riep (hij is een stevige drinker) hij dit in de beker zou doen en het aan hem geven; en ik beloofde de man zijn vrijheid.

Zenophantus
En wat gebeurde er? Dit is interessant.

Callidemides
Toen we van het badhuis kwamen, hield de jongeman twee bekers klaar, één met het vergif voor Ptoeodorus, en één voor mij; maar door een blunder gaf hij mij de gifbeker, en Ptoeodorus de gewone; en zie, voordat hij gedronken had, lag ik uitgestrekt op de grond, een plaatsvervangend lijk! Waarom lach je zo, Zenophantus? Ik ben je vriend; die vrolijkheid is ongepast.

Zenophantus
Wel, het was zo’n humoristisch einde. En hoe gedroeg de oude man zich?

Callidemides
Hij was op dat moment vreselijk bedroefd; toen hij het zag, denk ik, en lachte net zo hard als jij over de truc van de bediende.

Zenophantus
Ah, kortere wegen zijn voor jou niet beter dan voor andere mensen, zie je, de grote weg zou veiliger zijn geweest, en minstens net zo snel.

18 – Cnemon en Damnippus

Cnemon
Waarom, aan het spreekwoord is voldaan! Het reekalf heeft de leeuw verslagen.

Damnippus
Wat is het probleem, Cnemon?

Cnemon
Probleem! Ik ben voor de gek gehouden, jammerlijk bedrogen. Ik heb alles gegeven aan de man waarvan ik graag de erfgenaam zou zijn, en liet mijn geld na aan de verkeerde man.

Damnippus
Hoe kwam dat?

Cnemon
Ik speculeerde op de dood van Hermolaus, de miljonair. Hij had geen kinderen, en mijn attenties werden goed door hem ontvangen. Ik dacht dat het een goed idee was om hem te laten weten dat ik mijn testament ten gunste van hem had opgesteld, en zo een kans had op zijn aanwakkerende opwinding.

Damnippus
Ja; en Hermolaus?

Cnemon
Wat zijn testament was, weet ik niet. Ik stierf plotseling, - het dak kwam neer op mijn hoofd; en nu is Hermolaus mijn erfgenaam. De Snoek heeft het aas ingeslikt.

Damnippus
En jouw hengelkunst op de koop toe. De kuil die je groef voor een ander…..

Cnemon
Dat is een waarheid als een koe, zonder twijfel.

19 – Simylus en Polystratus

Simylus
Zo daar ben je eindelijk, Polystratus; je moet meer dan honderd jaar oud zijn.

Polystratus
Achtennegentig.

Simylus
En wat voor leven heb je geleid, de laatste dertig jaar, Je was ongeveer zeventig toen ik stierf.

Polystratus
Heerlijk, maar je zult het misschien niet geloven.

Simylus
Het is verrassend dat je enige vreugde aan je leven – oud, zwak, en kinderloos, zou kunnen hebben beleefd.

Polystratus
In de eerste plaats, kon ik doen wat ik wilde; er waren nog tal van knappe jongens en sierlijke vrouwen, parfums waren zoet, wijn hield zijn boeket, Siciliaanse feesten waren niets vergeleken met die van mij.

Simylus
Dit is een verandering, zeker; je was erg zuinig in mijn dagen.

Polystratus
Ah, mijn onnozele vriend, deze goede dingen waren cadeautjes – zij kwamen in stromen. ’s Morgens vroeg stond er drommen bezoekers voor mijn deur, en overdag was het een processie van de mooiste geschenken op aarde.

Simylus
Waarom, je moet de hoofdprijs gewonnen hebben na mijn dood.

Polystratus
O nee, ik heb alleen een aantal liefhebbende passies aangewakkerd.

Simylus
Liefhebbende passies, inderdaan! Jij, een oude man met nauwelijks nog een tand in je mond!

Polystratus
Zeker; de voornaamste van onze stadsgenoten waren verliefd op me. Zoals je me ziet, oud, kaal, dof van ogen, reumatisch, ze waren verrukt om me te aanbidden, gelukkig was de man op wie mijn blik een moment bleef hangen.

Simylus
Nou, dan beleefde je net zo’n avontuur als Phaon, toen hij Aphrodite overzette vanaf Chios; jouw God vervulde je gebed en maakte je een jongeman en opnieuw jong en knap.

Polystratus
Nee, nee; Ik was zoals je me ziet, en ik was het onderwerp van alle verlangens.

Simylus
Oh, ik geef het op.

Polystratus
Waarom, ik dacht dat je de hevige passie kende voor oude mannen die veel geld en geen kinderen hebben.

Simylus
Ah, nu begrijp ik je schoonheid, oude vriend; het was de Gouden Aphrodite die het schonk.

Polystratus
Ik verzeker je, Simylus, ik verkreeg een grote mate van voldoening uit mijn geliefden, zij verafgoodden mij, meestal. Vaak moest ik schuchter zijn en een aantal van hen afwijzen. Die rivaliteit! Zulke jaloerse opwinding.

Simylus
En hoe raakte jij je fortuin kwijt aan het eind?

Polystratus
Ik beloofde iedereen uitdrukkelijk om hem tot mijn erfgenaam te maken, en zij geloofden het, en schonken me meer aandacht dan ooit; intussen stelde ik mijn echte testament op, degene die ik naliet, met de boodschap dat ze geen van allen iets krijgen.

Simylus
Wie was de erfgenaam in dat laatste testament? Een van je relaties, neem ik aan?

Polystratus
Niet waarschijnlijk; het was een knappe jonge Phrygiër die ik laatst had gekocht.

Simylus
Leeftijd?

Polystratus
Ongeveer twintig.

Simylus
Ach, ik kan naar zijn praktijken raden.

Polystratus
Nu, weet je, hij verdiende de erfenis meer dan de anderen; hij was een barbaar en een schurk, maar tegen die tijd dat hij het beste van de samenleving in zich. Dus erfde hij; en nu is hij een van de aristocraten; zijn gladde kin en buitenlandse accent zijn geen belemmeringen voor zijn wezen om nobeler dan Codrus genoemd te worden, knapper dan Nireus, wijzer dan Odysseus.

Simylus
Nu, wat mij betreft; mag hij de keizer van Griekenland worden, als hij wil, zolang hij die bezittingen maar weghoudt bij die anderen.

20 – Charon en Hermes

Charon
Ik zal je vertellen hoe de zaken ervoor staan. Ons vervoermiddel, zoals je ziet, is klein, lekt, en is driemaal verrot; een plotselinge beweging, en ze zal zondermeer omslaan. En dan nog eens jouw passagiers, elk met zijn bagage. Als je zo aan boord komt, ben ik bang dat je daar berouw van krijgt. Speciaal diegenen dien niet geleerd hebben om te zwemmen.

Hermes
Hoe moeten we dan de reis maken?

Charon
Dat zal ik je vertellen. Ze moeten al die rommel aan de wal achterlaten, en naakt aan boord komen. Zoals het er nu uitziet, is er geen ruimte over. En in de toekomst, Hermes, laat je niemand meer toe die zich niet ontdaan heeft van zijn lasten, zeg ik je. Ga in het gangpad staan, en hou ze in de gaten, en laat hen zich uitkleden voordat je ze laat passeren.

Hermes
In orde. Wel, nummer een, waar ben je?

Menippus
Menippus. Hier zijn mijn knapzak en staf; overboord met hen. Het had geen zin om mijn mantel mee te nemen.

Hermes
Ga maar verder, Menippus; je bent een goede kerel; je krijgt de erezetel, vlakbij de stuurman, waar je iedereen kunt zien. – Daar is een knap persoon; wie is hij?

Charmoleos
Charmoleos uit Megara; de onweerstaanbare, wiens kussen duizend pond waard zijn.

Hermes
Die schoonheid moet eraf, - lippen, kussen, en al het andere; de golvende lokken, de blozende wangen, de gehele huid. Dat is goed. Nu zijn we in beter evenwicht; - je mag passeren. – En wie is die prachtige heer in het paars en met dat diadeem?

Lampichus
Ik ben Lampichus, tiran van Gela.

Hermes
En wat doet al die pracht hier, Lampichus?

Lampichus
Hoe! Wil je dat een tiran gestript hierheen komt?

Hermes
Een tiran! Dat zou teveel zijn om te verwachten. Maar we moeten met klem aandringen. Uit met die dingen.

Lampichus
Goed dan: daar gaat mijn rijkdom.

Hermes
Pracht moet ook gaan, en trots; anders zijn we overbeladen.

Lampichus
Laat me tenminste mijn diadeem en mantels behouden.

Hermes
Nee, nee; ze moeten af!

Lampichus
Nu, dat is alles, zoals je zelf kunt zien.

Hermes
Er is nog meer: wreedheid, dwaasheid, brutaliteit, haat.

Lampichus
Daar dan: ik ben naakt.

Hermes
Ga verder. – En wie mag jij zijn, mijn dikke vriend?

Damasias
Damasias de atleet.

Hermes
Om zeker te zijn: ik heb je vele keren in het gymnasium gezien.

Damasias
Dat kan. Wel, ik heb alles afgedaan, laat me passeren.

Hermes
Afgedaan! Mijn lieve mijnheer, en die vlezige omhulling dan? Kom, weg er mee; we zinken naar de bodem als je één voet aan boord zet. En die kransen, die overwinningen, verwijder ze.

Damasias
Alsjeblieft, geen vergissing deze keer; ik ben net zo licht een elke schim tussen de schimmen.

Hermes
Zo hoort het. Loop door. – Craton, je kunt die rijkdom en luxe en verwijfdheid afdoen, en die staatsie begrafenis kunnen we hier niet hebben, noch die voorouderlijke glorie, neer die rang en reputatie, en alle dankbetuigingen of inscripties die je bij je hebt; en je hoeft ons niet te vertellen hoe groot je graf was; zulke opmerkingen zijn zwaar.

Craton
Nu, als ik moet, moet ik; er is niets aan te doen.

Hermes
Hullo! in volle wapenrusting? Wat moet dit betekenen? En waarom deze trofee?

Generaal
Ik ben een groot veroveraar; een dappere krijger; de trots van mijn land.

Hermes
De trofee kan achterblijven; we hebben vrede; er is geen noodzaak voor wapens. – Wie hebben we hier? Van wie is dat gefronste voorhoofd, die vloeiende baard? Is het een of andere wijze prediker, als er iets weg moet dan is het deze wel, hij mompelt; hij is verpakt in meditatie.

Menippus
Dat is een filosoof, Hermes; en een brutale kwakzalver waarmee niet te marchanderen valt. Doe zijn mantel af, je zult iets onder vinden dat je zult amuseren.

Hermes
Eerst die kleren uit; en dan zullen we de rest bekijken. Lieve hemel, wat een bundel: kwakzalverij, onwetendheid, ruziemakerij, ijdelheid, nutteloze vragen, stekelige argumenten, ingewikkelde begrippen. Humbug en bedriegerij en slappe haarkloverij zonder einde; en hallo!, waarom is hier hebzucht, en genotzucht, en onbeschaamdheid! Luxe, verwijfdheid en wrevel! – Ja, ik zie ze allemaal; probeer niet om ze te verbergen. Weg met die leugens en branie en hooghartigheid; waarom, deze driedekker is niet zo gebouwd dat zij je kan dragen met al die bagage.

Filosoof
Ik doe van alles afstand, omdat u dat wilt.

Menippus
Laat hem zijn baard ook af doen, Hermes; kijk eens wat een enorme bos haar! Die kan goed vijf pond wegen.

Hermes
Ja; de baard moet eraf.

Filosoof
En wie zal me scheren?

Hermes
Menippus hier zal hem verwijderen met zijn kappersbijl; het gangboord zal dienst doen als ruimte.

Menippus
O, mag ik geen zaag gebruiken, Hermes? Dat is veel leuker.

Hermes
De bijl is prima. - Uitstekend gehakt! – Waarom, lijk je al meer op een man en minder op een geit.

Menippus
De wenkbrauwen ook een beetje bijwerken?

Hermes
Waarom, zeker; hij heeft ze helemaal over zijn voorhoofd gekapt, om een reden die hij zelf het beste kent. – Worm! Wat, snotteren? Bang voor de dood? Oh, aan boord met jou.

Menippus
Hij heeft nog steeds de grootste leugen van allemaal onder zijn arm.

Hermes
Welke dan?

Menippus
Vleierij; daar heeft hij bij velen een wit voetje mee gehaald.

Filosoof
O, goed dan, Menippus; stel dat jij je onafhankelijkheid moet achterlaten, en je openhartige wijze van spreken, en je onverschilligheid, en je onafhankelijke geest, en je grappen! – niemand kent een grap over hem.

Hermes
Laat dat, Menippus! Blijf bij hen; ze zijn nuttige grondstof, maar deze, overboord; licht en gemakkelijk. – Jij daar retoricus, met je breedsprakigheid en barbaarsheden, je tegenstellingen en vergelijkingen en zinsneden, weg met die hele inhoud.

Retoricus
Daar gaan ze.

Hermes
Alles is klaar. Maak de tros los, trek de loopplank naar binnen; haal het anker op; spreidt de zeilen, en, stuurman, kijk naar uw roer. Veel geluk op onze reis! – Waar jammeren jullie over, jullie dwazen? Jij filosoof, zonder baard, - je bent net zo slecht als een van hen.

Filosoof
Ah, Hermes: ik dacht dat de ziel onsterfelijk was.

Menippus
Hij liegt: dat is niet de oorzaak van zijn ellende.

Hermes
Wat is het, dan?

Menippus
Hij weet dat hij nooit meer een goed diner zal hebben; nooit meer ’s nachts rond zal sluipen met zijn mantel over zijn hoofd, om de ronde langs de bordelen te doen; nooit meer zijn ochtenden zal besteden aan het aftroggelen van geld van jongens, onder het voorwendsel dat hij hen wijsheid bij zal brengen.

Filosoof
En bidden dat u tevreden zult zijn met de dood?

Menippus
Dat mag worden aangenomen, ik heb de dood op mijn eigen voorwaarden gezocht. – Wees is even stil, ik hoorde een gerucht, alsof op aarde de mensen aan het schreeuwen waren?

Hermes
Dat klopt, en vanuit meer dan één gebied. – Er rennen een groep mensen naar het stadhuis, jubelend over de dood van Lampichus, de vrouwen hebben zijn vrouw te pakken gekregen; zijn kleine kinderen zijn niet beter af, - de jongens zitten hen behoorlijk op de huid. Dan hoor je weer het applaus dat de redenaar Diophantus begroet, terwijl hij de grafrede van onze vriend Crato uitspreekt. Ah ja, en dat is Damasias’ moeder, met haar vrouwen, een klaagzang aanheffend. Niemand laat een traan om jou, Menippus; jouw overblijfselen worden met rust gelaten. Bevoorrecht persoon!

Menippus
Wacht even: want je zult geruime tijd het gehuil van de honden horen, en het slaan van kraaienvleugels, als zij bijeen komen om mijn begrafenisrituelen uit te voeren.

Hermes
Ik houd van je levenslust. – Echter, we zijn in de haven. Ga allemaal naar de stoel des oordeels; het is rechtdoor. De veerman en ik moeten terug voor een nieuwe lading.

Menippus
Goede reis, Hermes. – Laten wij verder gaan; waar wachten jullie op? We moeten ons melden bij de rechter, vroeg of later; en bij alle goden zijn straffen zijn geen lolletje; raderen, rotsen, gieren worden vermeld. Elk detail van ons leven zal nu aan het licht komen.

Dialoog 21 t/m 25

21 – Crates en Diogenes

Crates
Kende jij Moerichus van Corinthe, Diogenes? Een schipeigenaar, zwemmend in het geld, met een neef genaamd Aristeas, bijna net zo rijk. Hij had een citaat van Homerus: - Wilt gij mij hebben? Zal ik u hebben?

Diogenes
Wat betekende het?

Crates
Waarom, de neven hadden dezelfde leeftijd, verwachtten elkaars weelde te erven, en gedroegen zich dienovereenkomstig. Zij publiceerden hun testamenten, elk benoemde de andere als zijn enige erfgenaam indien hijzelf eerder mocht overlijden. Dus het stond op papier, en wedijverden zij met elkaar om het verschil te tonen dat hun familieband vereiste. Alle profeten, astrologen, en Chaldeaanse droomuitleggers gelijk, en Apollo ook wat dit betreft, hadden een andere kijk op verschillende momenten over de winnaar; de duizenden leken dan eens over te hellen naar Aristeas’ kant, dan weer naar die van Moerichus.

Diogenes
En hoe liep het af? Ik ben erg benieuwd.

Crates
Ze stierven beiden op dezelfde dag, en de bezittingen gingen naar Eunomius en Thrasycles, twee familieleden die dit nooit verwacht hadden. Zij staken van Sicyon over naar Cirrha, toen zij werden verrast door een storm uit het noordwesten, en midden in het kanaal omsloegen.

Diogenes
Knap gedaan. Nu, toen wij nog leefden, spraken we nooit over zulke onderwerpen. Ik heb nooit voor de dood van Antisthenes’ gebeden, met als doel zijn staf te erven – al was die zeer bruikbaar, hij had hem gesneden van een wilde olijf; en ik beschuldig u ook niet, Crates, die altijd een oog voor mijn opvolging hebt gehad; inclusief het bad, en een knapzak met twee vaasjes lupines erin.

Crates
Waarom, nee; die dingen had ik niet nodig – en jij ook niet, inderdaad. De echte noodzakelijkheden erfde je van Antisthenes, en ik van jou; en in die noodzakelijkheden zat meer grootsheid en majesteit dan in het hele Perzische Rijk.

Diogenes
Je zinspeelt op –

Crates
Wijsheid, onafhankelijkheid, waarheid, openheid, vrijheid.

Diogenes
Inderdaad; nu ik erover nadenk, ik erfde alles van Antisthenes, en liet het met enkele toevoegingen na aan jou.

Crates
Anderen, echter, waren niet geïnteresseerd in deze zaken, niemand betaalde ons met de aandacht van een afwachtende erfgenaam; in plaats daarvan, richtten zij allemaal hun ogen op goud.

Diogenes
Natuurlijk; ze hadden geen plek voor de zaken die wij hen konden geven; luxe had leeglopers van hen gemaakt, als een versleten tas – vol met gaten. Stop wijsheid, oprechtheid of waarheid in hen, en het zou eruit gelopen zijn; de bodem van de tas zou hen doorgelaten hebben, net als het vat met gaten waar die arme Danaïden altijd water in moeten gieten. Goud, echter, konden ze op de een of andere manier met een nagel of een tand beetpakken.

Crates
En het resultaat: onze rijkdom zal hier beneden nog steeds van ons zijn; terwijl zij hier aankomen met niet meer dan één penning, en zelfs die moeten zij afgeven aan de veerman.

22 – Diogenes, Antisthenes en Crates

Diogenes
Nu, vrienden, we hebben tijd genoeg; wat zeggen jullie van een wandeling? We zouden naar de ingang kunnen gaan en een blik op de nieuwkomers werpen – wie het zijn en hoe zij zich gedragen.

Antisthenes
Juist. Het zal een leuk gezicht zijn – sommigen huilend, sommigen smekend om hen te laten gaan, een beetje verzet; als Hermes hen bij de kraag pakt, zullen zij proberen hem te ontwijken en weg te vluchten, en dat allemaal zonder enig nut.

Crates
Goed dan; en in de tussentijd, zal ik jullie mijn ervaringen vertellen van mijn reis naar beneden.

Diogenes
Ja, ga door, Crates; Ik vermoed dat je vermakelijke dingen hebt gezien.

Crates
We waren met een grote groep, waar de meest vooraanstaande Ismenodorus van was, een rijke stadsgenoot van ons, Arsaces, heerser van Media, en Oroetes de Armeen. Ismenodorus was onderweg van Eleusis naar Cithaeron vermoord door rovers, geloof ik. Hij kreunde, verzorgde zijn wond, bekommerende zich om zijn jonge kinderen die hij achtergelaten had, en vloekend vanwege zijn roekeloosheid. Hij kende Cithaeron en het Eleuthereaanse district dat volledig verwoest was door oorlogen, en toch nam hij slechts twee bedienden met zich mee – met ook nog eens vijf kommen en vier bekers van massief goud in zijn bagage. Arsaces was een oude man die respect afdwong, hij uitte zijn gevoelens op een uiterst barbaarse wijze, was buitengewoon boos omdat van hem verwacht werd dat hij ging lopen, en bleef om zijn paard roepen. Dat was echter met hem gestorven, zij werden samen gelijktijdig gespietst door een Thracische piekenier in de strijd met de Cappodociërs op de Araxes. Arsaces beschreef ons hoe hij ver voor zijn mannen uit aanviel, en de Thraciër, die stand hield en zichzelf beschermde met een schild, de lans pareerde, en toen, zijn piek plaatste, paard en man samen spietsend.

Antisthenes
Hoe was het mogelijk dat dit gelijktijdig gebeurde?

Crates
O, heel eenvoudig! Hij viel met zijn dertig voet lange lans aan, de Thraciër beukte die opzij met zijn schild, de punt schoot voorbij; toen knielde hij, ving de aanval met zijn piek op, doorboorde de borst van het paard – het vurige beest spietste zichzelf door zijn eigen vaart -, en ging dwars door lies en bil. En zie het resultaat; het kwam meer door het paard dan door de man. Maar, Arsaces waardeerde het totaal niet, en wilde te paard naar beneden komen. Wat Oroetes betreft, hij had zulke broze voeten dat hij niet kon staan, en helemaal niet lopen. Daarom gaan alle Meden – zodra zij van hun paard af zijn, voorzichtig op hun tenen staan alsof ze op doornen lopen. Hij wierp zich neer, en daar lag hij, niets kon hem bewegen om op te staan, dus moest de voortreffelijke Hermes hem oprapen en naar de veerboot dragen; ik heb er vreselijk om gelachen!

Antisthenes
Toen ik beneden aankwam, bleef ik niet bij de groep; ik liet hen jammerend achter, holde naar de veerboot, en stelde een comfortabele plaats zeker voor de overtocht. Toen we overstaken, waren zij verdeeld tussen zeezieken en huilenden, en bezorgden me zo een vrolijke tijd.

Diogenes
Jullie hebben je medepassagiers beschreven, nu die van mij. Met mij mee kwam naar beneden Blepsias, de woekeraar van Pisata, Lampis, een wilde uit Acarnanië, en de Corinthische miljonair Damis. Deze laatste was vergiftigd door zijn zoon, Lampis had zijn keel doorgesneden uit liefde voor de courtisane Myrtium, en de ellendige is waarschijnlijk gestorven van de honger; zijn afschuwelijke bleekheid en extreme vermagering wijzen daar op. Ik vroeg naar de manier van hun dood, hoewel ik het wel wist. Toen Damis over zijn zoon riep, ‘jij krijgt je verdiende loon,’ merkte ik op, - een oude man als u met je miljoenen levend in weelde, en je achttien jaar oude zoon voor de gek houden met een paar centen. En wat u betreft, meneer uit Acarnanië – hij kreunde en vervloekte Myrtium –, ‘waarom geeft u Liefde de schuld? Het is je eigen schuld; je was nooit bang voor een vijand – nam allerlei risico’s in dienst van andere mensen – en toen liet jij je gevangen nemen, mijn held, door de neptranen en zuchten van de eerste de beste meid die je tegenkwam.‘ Blepsias uitte zijn eigen veroordeling, zonder mij de tijd te geven om dat voor hem te doen: hij had zijn geld opgepot voor erfgenamen die niets voor hem betekenden, en gek genoeg was om op onsterfelijkheid te rekenen. Ik verzeker je dat het geen gewone voldoening was die ik ontleende aan hun gejammer. Maar we zijn bij de poort, we moeten onze ogen open houden, en een eerste blik op hen zien te werpen. Heer, heer, wat een gemixte menigte! En allen in tranen uitgezonderd deze baby’s en zuigelingen. Waarom, beklagen de grijze senioren zich ook; vreemd! Heeft mevrouw Liefde hen een liefdesdrank gegeven? Ik moet het deze meest geëerde oudste van hen allen vragen. – Mijnheer, waarom huilt u, ziende dat u op hoge leeftijd gestorven bent? Heeft uwe excellentie soms iets te klagen, na zoveel jaren? Ah, maar je was misschien een koning.

Arme man
Nee.

Diogenes
Een provinciale gouverneur dan?

Arme man
Nee, ook niet.

Diogenes
Ik begrijp het; je was rijk, en wilde je leven van grenzeloze luxe niet verlaten om te sterven.

Arme man
Je hebt het helemaal mis; ik was bijna negentig, leefde een ellendig leven met mijn familie en staf, was buitengewoon arm, kinderloos, een kreupele, en kon bijna niet meer zien.

Diogenes
En je wilt nog steeds leven?

Arme man
Ja, zoet is het licht, en de angst is dood; waarom zou men dat willen ontvluchten!

Diogenes
Je staat naast jezelf, oude man; je bent als een kind dat trapt tegen doornen, jij tijdgenoot van de veerman. Welnu, we moeten niet meer op de jeugd afgaan, want leeftijd is nog steeds verliefd op het leven; men zou denken dat de dood haar gezelschap houdt en de remedie is voor deze ziekte. – Maar laten we nu vertrekken, voordat dit getreuzel ons verdacht maakt: men zou kunnen denken dat we willen ontsnappen.

23 – Ajax en Agamemnon

Agamemnon
Als je gek geworden bent en je eigen ondergang hebt gewrocht, Ajax, in feite plande je het voor ons allen, waarom lag je de schuld bij Odysseus? Waarom gunde je hem geen blik of woord waardig toe hij die dag Tiresias kwam raadplegen? Je liep langs je oude wapenvriend alsof hij beneden je waardigheid was.

Ajax
Had ik geen goede reden? Mijn dolheid lag ten grondslag aan die ene concurrent voor de wapens.

Agamemnon
Verwachte je geen tegenstand, en hen zonder wedstrijd van ons weg te kunnen dragen?

Ajax
Zeker, iets dergelijks. De wapenrusting was mijn natuurlijk recht, omdat ik de neef van Achilles was. De rest van jullie, zijn onbetwiste meerderen, weigerden om te strijden, mijn claim herkennend. Het was de zoon van Laërtes, hij die ik menig keer gered heb van de Phrygiërs wanneer hij door hen aan mootjes gehakt dreigde te worden, die opkwamen voor een betere man en een sterker pleiter dan ik.

Agamemnon
Beschuldig Thetis, mijn goede man; zij was het die, de wapens niet bij de volgende afstammeling afleverde, maar ze bij ons bracht en het eigendom erover een open vraag liet.

Ajax
Nee, nee; de schuld lag in het beslag erop – alleen dat, bedoel ik.

Agamemnon
Zeker, Ajax, een gewone man kan vergiffenis krijgen voor de zonde van het begeren naar eer – dat zoete aas waar ieder van ons over speculeert; ja, en hij overtrof je, als een Trojaans vonnis telt.

Ajax
Wie inspireerde dat oordeel? Ik weet het, maar over de goden mogen we niet spreken. Laat dat maar zitten; maar Odysseus niet meer haten? Het ligt niet binnen mijn vermogen, Agamemnon, hoewel Athena zelf het me vroeg.

24 – Minos en Sostratus

Minos
Sostratus, die piraat hier, kan in het vagevuur geworpen worden, Hermes; de tempeldief zal door de Chimaera worden aangevallen; en de tiran kan languit naast Tityus gelegd worden, zodat de gieren zijn lever uit zijn lichaam kunnen scheuren. En jullie eerlijke makkers maak er het beste van op weg naar het Elyseum en de eilanden der Gezegenden, dit vanwege het rechtvaardige leven dat jullie leden.

Sostratus
Mag ik iets zeggen, Minos. Kiik of je enige rechtvaardiging kunt vinden in mijn pleiten.

Minos
Wat, nog meer verontschuldigingen? Ben je niet veroordeeld wegens schurkerij en talloze moorden?

Sostratus
Dat ben ik. Maar overweeg of mijn staf juist is.

Minos
Is het juist dat je alleen je verdiende loon wilt hebben? Zo ja, het vonnis is juist.

Sostratus
Nu, beantwoord mijn vragen; ik zal je niet lang ophouden.

Minos
Zeg op, maar wees kort; ik heb andere zaken die op me wachten.

Sostratus
De daden in mijn leven – waren dat mijn eigen keuzen, of werden zij opgelegd door het Lot?

Minos
Opgelegd, natuurlijk.

Sostratus
Dan waren we allen, eerlijke mannen of schurken, de instrumenten van het noodlot in alles wat we deden?

Minos
Zeker; Clotho bepaalt het gedrag van elke man bij zijn geboorte. .

Sostratus
Stel nu dat een man een moord pleegt onder dwang van een macht die hij niet kan weerstaan, een beul, bijvoorbeeld, in opdracht van een rechter, of een lijfwacht in die van een tiran. Wie is dan de moordenaar, volgens u?

Minos
De rechter, natuurlijk, of de tiran. Daarnaast kan men zich afvragen of het zwaard schuldig is, maar dat is het instrument van zijn woede de aanvankelijke beweegreden in de zaak.

Sostratus
Ik ben verplicht u nog een andere illustratie van mijn betoog te vertellen: Nogmaals: een slaaf, gezonden door zijn meester, brengt me goud of zilver; wie moet ik dankbaar zijn? Wie stel ik te boek als mijn weldoener?

Minos
De afzender; de bezorger is slechts zijn ondergeschikte.

Sostratus
Kijk dan eens naar uw onrecht! U straft ons die slechts de dienaren zijn van Clotho’s opdrachten, en beloont die, welke ondergeschikt zijn aan de weldaden van een ander. Want niemand zal zeggen dat het binnen onze vermogens ligt om de opdrachten van het Lot tegen te speken?

Minos
Ah, Sostratus; kijk goed, en je zult naast de vorige tal van andere tegenstrijdigheden vinden. Maar, ik zie dat je geen gewone piraat bent, maar dat je ook een filosoof bent; zoveel heb je bereikt met je vragen. Laat hem gaan, Hermes; hij wordt hierom niet gestraft. Maar denk erom, Sostratus, breng andere mensen niet op het idee om vragen van deze aard te stellen.

25 – Alexander, Hannibal, Minos en Scipio

Alexander
Libiër, ik claim voorrang boven jou, ik ben een beter mens.

Hannibal
Pardon.

Alexander
Laat Minos dan maar beslissen.

Minos
Wie zijn jullie twee?

Hannibal
Dit is Hannibal, uit Carthago: ik ben Alexander, de zoon van Philip.

Minos
Allemachtig, een uitgelezen koppel! En waar gaat de ruzie over?

Alexander
Het is een kwestie van voorrang. Hij zegt over het algemeen dat hij een betere generaal is: en ik stel dat noch Hannibal noch (die ik bijna zou kunnen toevoegen) één van mijn voorgangers mijn gelijken waren in strategie, de hele wereld weet dat.

Minos
Nu, jullie mogen ieder op zijn beurt spreken: de Libiër eerst.

Hannibal
Gelukkig voor mij, Minos, heb ik Griekenland overheerst zolang ik hier ben, zodat mijn tegenstander zelfs dat voordeel niet heeft ten opzichte van mij. Ik vind dat de hoogste eer is weggelegd voor diegenen die de weg naar de top uit de anonimiteit hebben bereikt, zich met macht hebben omkleed, en zo tonen dat zij geschikt zijn om te regeren. Ik kwam in Spanje met een handjevol mensen, nam dienst onder mijn broer, en werd waardig bevonden om het opperbevel te voeren. Ik veroverde de Kelten, bedwong West-Gallië, passeerde de Alpen, doorkruiste de vallei van de Po, versloeg stad na stad, maakte mij meester van de vlakten, benaderde de bolwerken van de hoofdstad, en doodde in één dag zo’n grote groep, dat hun ringvingers werden gemeten met schepels, en de rivieren werden overbrugd met hun lichamen. En dat deed ik, hoewel ik nooit een zoon van Ammon genoemd werd; ik deed me nooit voor als een god, nooit lag ik een verband met de visioenen van mijn moeder, en ik maakte er nooit een geheim van dat ik van vlees en bloed was. Mijn rivalen waren de bekwaamste generaals in de wereld, de beste soldaten van de wereld commanderend, ik voerde geen oorlog met de Meden of de Assyriërs, die vluchtten voordat ze werden aangevallen, en gaf de zege aan hen die hem durfde aannemen. Alexander, volgde echter, tijdens de uitbreiding en het vergroten van de heerschappij die hij had geërfd van zijn vader, slechts de impuls die hem ingegeven werd door het Fortuin. En deze veroveraar verpletterde niet eerder een nietige tegenstander dan de overwinningen bij Issus en Arbela, toen liet hij de tradities van zijn land voor wat ze waren, en leefde het leven van een Pers; aanvaardde de buigingen van zijn onderdanen, vermoordde zijn vrienden aan zijn eigen tafel, of gaf ze aan de beul. Tijdens mijn commando respecteerde ik de vrijheid van mijn land, verzaakte niet als zij mij riep, toen de vijand met hun enorme bewapening Libië binnenvielen, legde de privileges van mijn ambt terzijde, en onderwierp mij aan mijn taak zonder morren. Maar ik was een ongeschoolde barbaar in de Griekse cultuur; ik kon Homerus niet reciteren, noch had ik de voordelen van Aristoteles’ instructie genoten, ik had te maken met een verschuiving van mijn natuurlijke kwaliteiten. – Het is op basis van deze feiten, dat ik voorrang eis. Mijn rivaal heeft inderdaad alle glans die behoort bij het dragen van een diadeem, en ik weet niet voor welke Macedoniërs dit charmant kan zijn. Maar ik kan me niet voorstellen dat deze omstandigheid een groter voorrecht geeft dan de moed en het genie van iemand die niets aan het fortuin verschuldigd is, maar alles te danken heeft aan zijn eigen vastberadenheid.

Minos
Niet slecht, voor een Libiër. – Wel, Alexander, wat heb je hierop te zeggen?

Alexander
Stilte, Minos, zou het beste antwoord zijn op een dergelijk zelfbewuste eigen verklaring. De roep van de Roem volstaat op zich om u te overtuigen dat ik een goede prins was, en mijn tegenstander een kleine avonturier. Maar ik geef u het verschil tussen ons beiden ter overweging. Naar de troon geroepen, terwijl ik nog een jongen was, bedwong ik de verstoringen in mijn koninkrijk, en wraakte de moord op mijn vader. Door de vernietiging van Thebe, inspireerde ik de Grieken met zo’n ontzag, dat zij mij tot hun opperbevelhebber benoemden; en vanaf dat moment, onderwierp ik mijzelf aan het koninkrijk dat ik geërfd had van mijn vader. Ik liet mijn blik over de aarde dwalen, en dacht dat het zonde zou zijn als ik er niet helemaal over regeerde. Met een klein leger viel ik Azië binnen, behaalde een grote overwinning op Granicus, veroverde Lydië, Ionië, Phrygië, - kortom, onderwierp alles wat binnen mijn bereik lag, voordat ik begon aan mijn mars naar Issus, waar Darius op me wachtte aan het hoofd van zijn Myriaden: U kent het vervolg: Uzelf kunt het beste vertellen hoeveel doden ik op één dag hierheen stuurde. De Veerman vertelde me dat zijn boot hen niet kon bevatten, de meesten moesten naar de overkant op zelfgemaakte vlotten. Tijdens deze ondernemingen, ging ik altijd mijn troepen voor, altijd het gevaar zoekend. Om maar te zwijgen over Tyre en Arbela, ik drong binnen in India, en breidde mijn koninkrijk uit tot aan de kusten van de Oceaan; ik ving olifanten; ik versloeg Porus, ik stak de Tanaïs over, en deed de Scythen het onderspit delven – geen gemiddelde vijanden – in een enorme cavalerieaanval. Ik stapelde beloningen op mijn vrienden: ik liet vijanden mijn wraak laten proeven. Als de mensen mij als god zagen, kon ik ze dat niet kwalijk nemen; de grootsheid van mijn ondernemingen zullen een excuus zijn geweest voor een dergelijke overtuiging. Maar om af te sluiten. Ik stierf als een koning: Hannibal, een vluchteling aan het hof van de Bithynische Prusias – passend einde voor schurkerij en wreedheid. Over zijn Italiaanse overwinningen zeg ik niets; zij waren niet het fruit van een eerlijke legitieme oorlog, maar van verraad, sluwheid, en huichelarij. Hij beschimpt mij van genotzucht: mijn illustere vriend is zeker de tijd vergeten die hij doorbracht bij de vrouwen in Capua, terwijl de kostbare momenten voorbij gleden. Als ik de Westerse wereld niet versmaad had, en mijn aandacht op het Oosten had gericht, wat zou het me dan hebben gekost om Italië zonder bloedvergieten te veroveren, en Libya, en alle anderen, zover westelijk als Gades? Slechts landen die al laf waren onder een heerser minderwaardig aan mijn zwaard. – Ik ben klaar, Minos, en wacht op uw besluit; van de vele argumenten die ik heb genoemd, moeten deze voldoende zijn.

Scipio
Laat mij eerst spreken, Minos.

Minos
En wie ben jij, vriend? En waar kom je vandaan?

Scipio
Ik ben Scipio, de Romeinse generaal, die Carthago vernietigde, en grote overwinningen behaalde op de Libiërs.

Minos
Goed, en wat heb je te vertellen?

Scipio
Dat Alexander mijn meerdere is, en ik die van Hannibal, die hem versloeg, en hem smadelijk op de vlucht joeg. Welk een onbeschaamdheid is dit, te strijden met Alexander, met wie ik, jouw veroveraar, mezelf niet wil vergelijken!

Minos
Eerlijk gesproken, Scipio, op mijn woord! Heel goed, welnu: Alexander komt op de eerste plaats, en jij op de volgende, en ik denk dat we moeten zeggen Hannibal als derde. Een zeer verdienstelijke ook.

Dialoog 26 t/m 30a

26 – Achilles en Antilochus

Antilochus
Achilles, wat zei je gisteren tegen Odysseus over de zeer naargeestige dood, ik had betere woorden verwacht van een leerling van Chiron en Phoenix. Ik luisterde; je zei dat je liever een slaaf was van een arme boer ‘met weinig middelen van bestaan,’ dan koning van alle doden. Zulke uitspraken passen beter in de mond van een lafgeestige Phrygiër, eerloos verliefd op het leven: dan de zoon van Peleus, moedigste van alle Helden, jezelf zo neerhalen, is een schande, en het is een leugen tegen iedereen over je leven; je kon een lang roemloos leven leiden in Phthia, maar je koos zelf voor dood en glorie.

Achilles
In die dagen, zoon van Nestor, kende ik deze plek niet; onwetend welke van de twee beter was, dacht ik dat de flikkering van roem beter was dan het leven, nu zie ik dat het waardeloos is, laat de mensen maar uitmaken welke versie de beste is. Het is dood onder de doden, Antilochus, kracht en schoonheid bestaan niet meer; we zwalken allen in dezelfde somberheid, de één niet beter dan de ander; de schimmen van Trojanen vrees ik niet, Achaëers betuigen me geen respect; iedereen mag zeggen wat hij wil; een man is een schim, of een lomperd, of een edelman. Het ergert me; ik zou graag een knecht zijn, en levend.

Antilochus
Maar wat helpt het, Achilles? Het is de wet van de natuur dat alles moet sterven. We moeten haar wet gehoorzamen, en ons niet storen aan haar opdrachten. Denk ook eens hoeveel van ons met jou hier zijn; binnenkort komt Odysseus; hoe kan het anders? Put je geen troost uit het gemeenschappelijke lot? Het is niet iets dat we alléén ondergaan. Kijk Heracles, Meleager, en vele andere grote namen; zij, dunkt me, zouden niet kiezen om terug te keren, als men hen naar boven stuurde om een arme berooide man te dienen.

Achilles
Ah, je bedoeling is vriendelijk; maar ik weet het niet, de gedachte aan het verleden irriteert me – en ieder van jullie ook, als ik me niet vergis. En als je dat niet wilt bekennen, jammer voor jou, verstik je pijn.

Antilochus
Niet het slechte, Achilles; het betere; want we zien dat praten geen zin heeft. Wees stil, verdraag, verduur – dat is onze oplossing, anders brengen deze verlangens hoon over ons, net als over jou.

27 – Aeacus en Protesilaus

Aeacus
Welnu, Protesilaus, wat bedoelde je met het aanvallen en verstikken van Helena?

Protesilaus
Waarom, het is allemaal haar schuld dat ik stierf, mijn huis half afgebouwd achterlatend, en mijn bruid een weduwe.

Aeacus
Je moet Menelaüs de schuld geven, omdat hij u allen meenam naar Troje achter zijn ‘O lief’ aan. Dat is waar, hij moet dit beantwoorden.

Menelaüs
Nee, nee, mijn beste heer; Paris is de man; hij trad alle rechten toen hij de vrouw van zijn gastheer ontvoerde. Hij verdient het om te verstikken, zo je wilt, en niet van jou alleen, maar van de Grieken en de barbaren ook, vanwege alle doden die hij heeft veroorzaakt.

Protesilaus
Ah, nu heb ik het. Hier, jij – jij Paris! Je zult niet aan mijn klauwen ontsnappen.

Paris
Och, kom, heer, maakte uzelf nooit eenzelfde fout. Ik ben ook een minnaar, en een onderdeel van uw god? Je weet hoe ijdel het is om (met de beste wil van de wereld) tegen de Liefde die je in haar bezit heeft te steven, het is een geest die ons trekt naar waar zij maar wil.

Protesilaus
Daar is een reden voor. Oh, ik wilde dat ik de Liefde hier in deze handen had!

Aeacus
Sta me toe dat ik mezelf belast met zijn verdediging. Hij ontkent absoluut niet dat hij verantwoordelijk is voor de liefde van Paris, maar betreffende uw overlijden verwijst hij naar uzelf, Protesilaüs. U vergat alles over uw bruid, werd verliefd op roem, en zodra de vloot Trojaanse bodem raakte, nam u de meest ondoordachte sprong, die u als eerste aan land bracht en de dood.

Protesilaus
Nu is het mijn beurt om te corrigeren, Aeacus. De schuld rust niet bij mij, maar bij het noodlot, zo was mijn draad al vanaf het begin gesponnen.

Aeacus
Precies zo; waarom dan je oude vrienden hier de schuld geven?

28 – Protesilaus, Hades en Persephone

Protesilaus
Heer, koning, onze Zeus! En gij, dochter van Demeter! Gun een weldaad aan een verliefde!

Hades
Wat wil je hebben? Wie ben je?

Protesilaus
Protesilaus, zoon van Iphiclus, van Phylace, een van de Achaeaanse groep, de eerste die stierf in Troje. De gunst die ik vraag is om één dag vrijgelaten te worden en een dag te leven.

Hades
Ah, vriend, dat is de liefde waar al die dode mensen hier van houden, en niemand ooit zal winnen.

Protesilaus
Nee, gevreesde heer, het is niet het leven waar ik van hou, maar de bruid die ik achterliet in mijn kamer op de dag dat ik het zeil hees – arme ik, gedood te worden door Hector op het moment dat ik voet aan wal zette! Mijn heer, dat verlangen geeft me geen rust. Ik zal tevreden terugkeren, als ze me maar een uurtje naar me mag kijken.

Hades
Heb je een portie Lethe gemist, man?

Protesilaus
Nee, heer; maar dit is er tegen bestand.

Hades
O, nu, wacht maar even; op een dag zal ze naar je toekomen; zo simpel is het; het is nergens voor nodig om naar boven te gaan.

Protesilaus
Mijn hart is ziek van uitgestelde hoop; ook u, O Hades, hebt liefgehad; u weet wat liefde is.

Hades
Wat voor goeds zal het doen om één dag weer levend te worden, en dan je pijn weer vernieuwen?

Protesilaus
Ik hoop haar voor me te winnen om mee te komen, en breng zo twee doden voor één.

Hades
Het kan niet zijn; het is nog nooit vertoond.

Protesilaus
Bedenkt u, Hades. Het was vanwege dezelfde reden dat u Orpheus zijn Eurydice gaf, en Heracles had passie genoeg om Alcestis te worden gegund; ze was van mijn familie.

Hades
Wilt u die kale lelijke schedel laten zien aan je mooie bruid? Zal ze toestemmen, omdat ze jou niet kan vertellen over die andere man? Ik weet het goed genoeg; ze zal bang worden en van je weglopen, en je zult heel die weg voor niets hebben afgelegd.

Persephone
Echtgenoot, behandel die ziekte bij jezelf: Vertel Hermes, zodra Protesilaus het licht bereikt, om hem met zijn staf aan te raken, en hem weer jong en mooi te maken zoals toen hij de bruidskamer verliet.

Hades
Wel, een vrouw kan ik niets weigeren. Hermes, Breng hem boven en verander hem in een bruidegom. Maar denk erom, jij mijnheer, slechts één dag.

29 – Diogenes en Mausolos

Diogenes
Waarom zo trots, Cariër? Waarom ben je beter dan de rest?

Mausolos
Sinopeaans, om mee te beginnen, ik was een koning; koning van geheel Caria, heerser over vele Lydiërs, onderwerper van eilanden, veroveraar van nagenoeg geheel Ionië, zelfs tot de grenzen van Milete. Verder, ik was bevallig, en van edele gestalte, en een machtige krijger. Tenslotte, er ligt een groot graf over me heen in Halicarnassus, met zulke grootse afmetingen, van zo’n prachtige schoonheid dat het alle anderen in de schaduw stelt. Daarop staan de perfecte gelijkenissen van een man en een paard, uitgehouwen in het mooiste marmer; er zal nauwelijks een tempel gevonden kunnen worden om het te evenaren. Dit zijn de redenen van mijn trots: zijn ze goed genoeg?

Diogenes
Koningschap – schoonheid – groot graf; is dat het?

Mausolos
Het is zoals je zegt.

Diogenes
Maar, mijn knappe Mausolos, die kracht en schoonheid bestaan niet meer. Als we nu een rechter aanstellen over de kwestie van bevalligheid, zie ik geen reden waarom hij jouw schedel liever ziet dan de mijne. Beiden zijn kaal, en van vlees ontdaan; onze tanden zijn evenmin het bewijs; elk van ons heeft zijn ogen verloren, en elk heeft geen neus meer. Vervolgens het graf en het kostbare marmer, ik durf te zeggen dat een dergelijke mooie verrijzenis de Halicarnassianen iets geeft om over op te scheppen en te laten zien aan vreemden: maar ik zie niet, vriend, dat je daarom beter bent, tenzij u er aanspraak op maakt om meer gewicht te kunnen dragen dan de rest van ons, met al dat marmer bovenop je.

Mausolos
Dat alles is dus voor niets? Mausolos en Diogenes zijn elkaars gelijke?

Diogenes
Gelijken! Mijn lieve mijnheer, nee; dat zeg ik niet. Terwijl Mausolos kreunt over de herinneringen van de aarde, en het geluk dat zijn deel is geworden, zal Diogenes grinniken. Terwijl Mausolos opschept over het graf dat door Artemisa voor hem is opgericht, zijn vrouw en zus, weet Diogenes niet of hij een graf heeft – de vraag is nooit bij hem opgekomen; hij weet alleen dat zijn naam wordt besproken onder de wijzen, als één die het leven van een man leefde; een groter monument dan dat van jou, laaghartige Carische slaaf, en gegrondvest op steviger funderingen.

30a – Nireus, Thersites en Menippus

Nireus
We zijn er; Menippus zal de lauwerenkrans voor schoonheid uitreiken. Menippus, ben ik niet mooier dan hij?

Menippus
Wel, wie ben je? Dat moet ik eerst weten, is het niet?

Nireus
Nireus en Thersites.

Menippus
Wie is wie? Ik zie het verschil niet.

Thersites
Dat is er een voor mij; ik ben net als u, je hebt geen superioriteit zoals Homerus (blind, weet je) die gaf toen hij je de mooiste der mensen noemde; hij zou mijn hoofd omhoogsteken en mijn haar uitdunnen, onze rechter is niet slechter. Nu, Menippus, maak je beslissing bekend.

Nireus
Ik, natuurlijk, ik, de zoon van Aglaia en Charopus, het sierlijkste dat ooit van de Trojaanse muren kwam.

Menippus
Maar niet het sierlijkste dat van de aarde kwam, zover ik weet. Uk gebeente lijkt sprekend op dat van andere mensen; en het enige verschil tussen jullie twee schedels is dat die van jou niet veel ruimte heeft om iets in te koken. Het is een gevoelig artikel, ietwat tekort aan mannelijkheid.

Nireus
Vraag Homerus wat ik was, toen ik met de Achaëers meezeilde.

Menippus
Dromen, dromen. Ik kijk naar wat je nu bent; wat je bent geweest is geschiedenis.

Nireus
Ben ik hier niet knapper, Menippus?

Menippus
Je bent helemaal niet knap, noch iemand anders hier. De Onderwereld is een democratie; één man is daar net zo goed als alle anderen.

Thersites
Een zeer aanvaardbare regeling ook, als je het mij vraagt.

Dialoog 30b

30b - Een experiment met het oproepen van doden

Menippus
Aan allen heil, mijn dak, mijn deuren, mijn haard en huis! Hoe zoet is het om opnieuw het licht te zien en u!

Philonides
Menippus, de cynicus, zeker; hoewel, zijn er visioenen over. Menippus, elke centimeter van hem. Waar heeft hij zichzelf in gewerkt om er zo uit te zien? Zeepet, lier, en leeuwenhuid? Echter, dat gebeurt. – Hoe gaat het met je, Menippus? Waar kom je vandaan? Je bent zo lang geleden al verdwenen?

Menippus
Ik heb die loerende plek van de dood verlaten, en die donkere poort waar Hades woont, een god die afzonderlijk woont van de andere goden.

Philonides
Lieve help! Is Menippus gestorven, in alle stilte, en weer tot leven gekomen voor een tweede vervloeking?

Menippus
Niet zo; ik ben een levende gast bij Hades.

Philonides
Maar wat is dan de oorzaak van deze zeer uitzonderlijke reis?

Menippus
De jeugd trok me aan – te brutaal, te weinig wijsheid.

Philonides
Mijn beste man, vrede aan uw heldendaden; stop met die jambische frasen, en vertel me in duidelijke taal wat deze wederopstanding betekent, wat waren je plannen met die lagere regionen? Het is een reis die een motief nodig heeft om hem aantrekkelijk te maken.

Menippus
Mijn beste vriend, ik moet naar het rijk van Hades gaan, om Tiresias van Thebe te spreken.

Philonides
Man, je moet gek zijn; waarom verzen aaneenrijgen in plaats van te praten als de ene vriend tegen de ander?

Menippus
Mijn beste vriend, je hoeft niet verbaasd te zijn, ik ben net in het gezelschap van Euripides en Homerus geweest; ik denk dat ik tot aan mijn strot vol zit met gedichten, die naar boven komen zodra ik mijn mond open doe. Maar hoe gaan de zaken hierboven? Wat gebeurt er in Athene?

30; 02

Philonides
O, niets nieuws; afpersing, meineed, veertig procent belasting, gezichtpijniging.

Menippus
Arme misleide dwazen! Die waren laatst nog niet bekend in de wetgeving van de onderwereld; de recente decreten tegen de rijken zijn te veel voor hun ontwijkende vindingrijkheid.

Philonides
Bedoel je te zeggen dat de onderwereld nieuwe regels voor ons heeft opgesteld?

Menippus
Velen, verzeker ik je. Maar ik mag ze niet bekend maken, nog geheimen onthullen; het resultaat zou een proces wegens goddeloosheid zijn in het hof van Rhadamanthys.

Philonides
Wel nu, Menippus, in Hemelsnaam, geen geheimen tussen vrienden. Je weet dat ik geen roddelaar ben; en ik ben een ingewijde, als het daar op aankomt.

Menippus
Het is moeilijk wat je vraagt, en hachelijk, maar ik waag het er op met jou. Dat is dus opgelost, de rijken die baden in het geld en hun goud achter slot en grendel bewaren als een Danaëer –

Philonides
O, begin nog niet met de decreten; begin bij het begin. Ik ben bijzonder nieuwsgierig naar je doel om te gaan, wie wees je de weg, en het hele verhaal wat je beneden gezien en gehoord hebt; je bent een man met smaak, en zal zeker niets hebben gemist wat het aanzien en luisteren waard was.

30; 03

Menippus
Ik kan jou niets weigeren, zie je; wat moet men doen, als een vriend aandringt? Goed, ik zal u eerst mijn geestestoestand tonen die me de reis liet beginnen. Toen ik nog een jongen was, en naar de verhalen van Homerus en Hesiodus luisterde over oorlogen en burgertwisten – en zij beperkten zich niet tot de helden, maar beschreven ook de goden, overspelige goden, roofzuchtige goden, gewelddadige, twistzieke, aanmatigende, incestueuze goden –, goed, ik vond ze allemaal heel goed, en was er inderdaad intens in geïnteresseerd. Maar toen ik volwassen werd, merkte ik dat de wetten vierkant in tegenspraak waren met die beschrijvingen van de dichters, overspel was verboden, opruiing, en roofzucht. Dus ik verkeerde in een zeer verwarde toestand, en wist niet wat ik er mee aan moest. De goden zouden zich nooit schuldig gemaakt hebben aan zulk gedrag als ze het niet eerst goed overwogen hadden; en wetgevers zouden het toch niet aanbevolen hebben om het te voorkomen, als vermijden niet gewenst leek.

30; 04

In deze staat van verwarring, besloot ik om naar de mensen te gaan die ze filosofen noemen, gaf me aan hen over, en vroeg hen van mij te maken wat zij wilden en me een betrouwbare kaart van het leven te geven. Dat was mijn geachte om naar hen toe te gaan; maar alleen al door de inspanning kwam ik van de regen in de drup, het was tussen hen dat mijn onderzoek de grootste onwetendheid en verwarring aan het licht bracht; zij overtuigden mij heel snel dat het echte gouden leven dat van de man in de straat is. Eén van hen vertelde me niets anders te doen dan plezier te zoeken en dat te ervaren, volgens hem is, Geluk plezier. Een ander raadde me precies het tegendeel aan – zwoegen en sloven, maak het lichaam ondergeschikt, wees vies en smerig, walgelijk en grof – altijd afsluitend met een aanhaling van Hesiodus over deugd, of iets over het onvermoeibaar nastreven van het ideaal. Een ander droeg me op om geld te verachten, en onverschillig te denken over de aanwinst ervan; ook hij had zijn tegenstellingen, en verklaarde dat rijkdom op zich goed is. Ik bespaar je hun metafysica, ik was ziek van hun dagelijkse dosis ideeën, onstoffelijke zaken, atomen, leegheid, en nog veel meer. Het meest bijzondere was wel dat mensen de meest tegengestelde standpunten handhaafden en de anderen probeerden te overtuigen met plausibele argumenten; als iets op dezelfde dag iets heet en koud werd genoemd door verschillende personen, probeerde de een de ander te overtuigen, hoewel men wist dat het niet tegelijk koud en heet kan zijn. Ik leek op een man die op het punt stond in slaap te vallen, zijn hoofd eerst naar voren knikkend, en dan weer schokkende omhoog kwam.

30; 05

Toch werd deze absurditeit overtroffen door een andere. Ik kwam erachter dat de praktijk van dezelfde mensen lijnrecht tegenover hun leefregels stond. Degene die minachting voor de welvaart predikte hield er zelf grimmig aan vast, discussieerde over rente, drong aan op betaling, en offerde alles op aan de belangrijkste kans, terwijl degenen die roem minachten al hun daden en woorden besteedden aan het verwerven ervan, ze hadden allen hun eigen gebeden, en waren unaniem in het veroordelen.

30; 06

Opnieuw teleurgesteld, was ik er slechter aan toe dan voorheen; het was een schrale troost om te bedenken dat ik in een groot en een wijs en zeer verstandig gezelschap had verkeerd, maar ik was nog steeds een dwaas, afgedwaald op mijn zoektocht naar de Waarheid. Op een nacht, toen deze gedachten me wakker hielden, besloot ik om naar Babylon te gaan en de hulp in te roepen van een der Magiërs, afstammelingen en discipelen van Zoroaster, mij was verteld dat zij door bezweringen en andere riten de poorten van de Onderwereld konden openen, iedereen die zij kozen veilig beneden brengen, en hem weer naar boven halen. Ik dacht dat ik mij het beste van hun diensten zeker kon stellen, de Boeotiër Tiresias te bezoeken, en van die wijze ziener te leren wat het beste leven is en de juiste keuze voor een man met verstand. Ik stond snel op en ging direct op weg naar Babylon. Toen ik aankwam, trof ik een wijze en prachtige Chaldeaan; hij had wit haar, en een lange imposante baard, en riep Mithrobarzanes. Mijn gebeden en smeken deden hem uiteindelijk een prijs noemen om me naar beneden te geleiden.

30; 07

Hij nam me onder zijn hoede, begon met nieuwe maan, en nam me negenentwintig aaneengesloten ochtenden mee naar de Euphraat, waar hij me baadde, zich tot de zon wendend met een lange aanroeping, waar ik niet veel van heb meegekregen; hij kakelde onduidelijk, net als slechte herauten op de Spelen, maar hij leek de geesten aan te roepen. Als hij de betovering voltooid had, spuwde hij driemaal in mijn gezicht, ging ik naar huis, en keek met mijn ogen degenen die we passeerden niet aan. We aten noten en eikels, dronken melk en melksubstraat en water uit de Choaspes, en sliepen buiten op het gras. Toen hij dacht dat ik voldoende voorbereid was, nam hij me om middernacht mee naar de Tigris, zuiverde me en wreef me in, heiligde me met fakkels en zeeajuin en andere dingen, mompelde de voornoemde gebeden, trok toen een magische cirkel om me heen om me tegen geesten te beschermen, en leidde me tenslotte terug naar huis zoals ik was; het was nu tijd om onze reis te regelen.

30; 08

Hij zelf trok een magische mantel aan, tekens in het midden, en haalde en gaf me een kap, een leeuwenhuid, en de lier die je nu ziet, me vertellend dat wanneer ik mijn naam moest vertellen niet te zeggen dat ik Menippus heette, maar Heracles, Odysseus, of Orpheus.

Philonides
Waarom was dat? Ik snap de reden van de naamsverwisseling niet.

Menippus
O, duidelijk genoeg; daar is niets geheimzinnigs aan. Hij dacht dat als deze drie voor ons levend naar de Onderwereld waren gegaan, ik eenvoudig Aeacus kon misleiden door hun verschijning te lenen, en zo als inwoner kon passeren; in het theater is het normaal om je te vermommen.

30; 09

De dageraad naderde toen we naar de rivier gingen en ons inscheepten; hij had een boot geregeld, slachtoffers, substraat, en alle andere benodigdheden voor onze mystieke onderneming. We scheepten alles in, en toen, met bezwaard hart, vertrokken we. We dreven enige tijd mee met de stroom, totdat we het drassige meer naderden waarin de Euphraat verdwijnt. Vanaf dit punt kwamen we op een woeste, bosrijke, zonloze plek; daar zijn we geland, Mithrobarzanes liep voorop, en begon een kuil te graven, slachtte onze schapen, en sprenkelde hun bloed rond de rand. Intussen ging de magiër, met een brandende toorts in zijn hand, zijn gebruikelijke bezweringen mompelend, met luide stem een uitnodiging roepend aan alle geesten, in het bijzonder Poene en de Erinyen, Hecate’s donkere macht en vreeswekkende Persephone, en een reeks andere namen, vreemd, onbegrijpelijk en meerlettergrepig

30; 10

Toen hij klaar was, ontstond er grote beroering, de aarde brak open door de bezwering, het verre blaffen van Cerberus was hoorbaar, en alles was bewolkt en verduistert. Beven zijn donkere afgrond stond de koning der Schaduwen; want bijna alles werd nu voor ons onthuld, het meer en Phlegethon, en de verblijfplaats van Hades. Onverschrokken, gingen we op weg de afgrond in naar beneden, en stuitten halfdood van angst op Rhadamanthys. Cerberus blafte en leek op te staan; maar ik beroerde snel mijn lier, en de eerste noot was voldoende om hem te sussen. Toen we het meer bereikten, misten we bijna onze passage, de veerboot was al vol; er klonken onophoudelijk klaagzangen, en alle passagiers hadden verwondingen; verminkte benen, verminkte hoofden, alles verminkt; zonder twijfel was er een oorlog gaande. Maar, toen de goede oude Charon de leeuwenhuid zag, mij voor Heracles houdend, maakte hij ruimte, was blij om mij te kunnen overzetten, en toonde ons de richting toen we vertrokken.

30; 11

We waren nu in het duister, dus Mithrobarzanes leidde de weg, ik hield hem vast en volgde hem, totdat we een grote Affodillenweide bereikten, waar schimmen van de doden waren, met hun ijle stemmen, die om ons heen flitsten. Geleidelijk aan doorploeterend, bereikten we het hof van koning Minos; hij zat op een hoge troon, met Poena, Wrekers, en Erinyen ernaast staand. Vanuit een andere richting werd een lange rij van personen aangevoerd die aan elkaar varen geketend, ik hoorde dat het overspeligen, dieven, tollenaars, informanten, pluimstrijkers waren en alle anderen die de stroom van het leven vervuilen. Los van hen kwamen de rijken en woekeraars, bleek, rondbuikig, jichtig, elk met een zware van honderd punten voorzien halsband om. Daar stonden we en keken naar de procedure en luisterden naar de pleitredenen die ze inbrachten, hun aanklagers waren redenaars van een vreemd en nieuw ras.

Philonides
Wie, in Gods naam? Verzaak niet; vertel me alles.

Menippus
Het is niet aan je aandacht ontsnapt dat de zon bepaalde schaduwen van onze lichamen op de grond projecteert.

Philonides
Hoe zou dat kunnen?

Menippus
Deze, als we sterven, zijn de openbare aanklagers en getuigen die ons gedrag op aarde meebrengen; hun constante aanwezigheid en absolute aanhankelijkheid aan onze lijven maken hen tot zeer goede en geloofwaardige getuigen.

30; 12

Nou, Minos ondervroeg elke gevangene zeer zorgvuldig, en stuurde hen naar de plek der goddelozen om daar hun straf te ontvangen die evenredig is aan hun overtredingen. Hij was vooral meedogenloos voor diegenen die, opgepompt met gezag en autoriteit, een bijna eerbiedwaardige behandeling verwachtten, hij kon niet overweg met hun verwaande arrogantie en hooghartigheid, hun falen om zich hun sterfelijkheid en fortuin te realiseren. Ontdaan van alles dat hen glorieus maakte, van rijkdom en geboorte en macht, stonden ze daar naakt en terneergeslagen, reconstrueerden in hun hoofd een droom van wereldse gelukzaligheid die verdwenen was, het spektakel was eten en drinken voor me; en ik wist door te kijken dat ik er makkelijk vanaf zou komen, door hem te herinneren aan zijn staat van dienst hier, wat een geest was hij, als de ochtendrijen door zijn hal slingeren, zich verdringend of juist weggeduwd door lakeien! Uiteindelijk zou mijn heer de Zon op hen neerschijnen, in paars of gouden regenboogtinten, niet onbewust van de gelukzaligheid die hij wierp op hen die hem benaderden, als hij hen zijn borst of hand liet kussen. Deze herinneringen leken hen te ergeren,

30; 13

Minos, echter, stond toe dat zijn beslissing in één geval werd gewijzigd. Dionysius van Syracuse werd door Dion beschuldigd van vele onheilige daden, en zijn schaduw produceerde veel belastend bewijsmateriaal; hij stond op het punt om vastgeketend te worden aan de Chimaera, toen Aristippus van Cyrene, wiens naam en invloed hier beneden groot zijn, hem vrijpleitte vanwege zijn grote vrijgevigheid en als beschermer van de literatuur.

30; 14

Uiteindelijk verlieten we het gerechtshof; en kwamen op de plek waar gestraft werd. Een erbarmelijk aanzicht en geluid was er daar – zwiepen van zwepen, kreten van brandenden, rek en galg en rad, wenende Chimaera, verslindende Cerberus; alle martelaars bijeen, koningen en slaven, gouverneurs en paupers, rijken en bedelaars, allen rouwend om hun zonden. Enkelen van hen, pas gestorven, herkende we. Deze zouden zich afwenden en ineenkrimpen als we ze bekeken; of als onze ogen elkaar kruisten, zou het met een slaafse onderdanige blik zijn – hoe verschillend van de arrogantie en minachting die hen had gekenmerkt tijdens het leven! De armen werd halverwege hun marteling, uitstel gegund of een alternatieve straf aangeboden. Degene waar de legenden zo veel over vertellen zag ik met mijn eigen ogen – Ixion, Sisyphus, de Phrygische Tantalus in al zijn ellende, en de gigant Tityus – zo groot, zijn omvang besloeg een heel veld!

30; 15

Hen verlatend, bereikten we de Acherusiaanse vlakte, en troffen daar de halfgoden, mannen en vrouwen, en de gewone doden, zwervend met hun volkeren en stammen, sommigen oud en beschimmeld, ‘krachteloze hoofden’, zoals Homerus het omschrijft, anderen nieuw, met nog enige stof in hen, voornamelijk Egyptenaren, deze – zo lang als de balsem en hun middeltjes het volhielden. Maar om de één van de ander te onderscheiden was geen eenvoudige opgave; ze lijken allemaal op elkaar als het alleen nog botten zijn, maar met pijn en moeite konden we ze toch herkennen. Ze lagen in wanordelijke hopen, ontdaan van hun aardse schoonheid. Als die opeengehoopte stapel botten al ergens op kon lijken, afschuwelijk in het oog springende lege oogkassen, naakt glimmende tanden, ik weet niet hoe ik Thersites moet vertellen over Nireus de schoonheid, bedelaar Irus van de koning der Phaeaken, of kok Pyrrhias van Agamemnon. Hun oude markeringen waren verdwenen, en hun botten leken allemaal op elkaar – onzeker, zonder etiket, niet te onderscheiden.

30; 16

Toen ik dit alles zag, trok het leven van de man als één grote optocht aan mijn geestesoog voorbij, gearrangeerd en gedirigeerd door Kans, die oneindig gevarieerde kostuums uitdeelde aan de uitvoerende kunstenaars. Ze koos er één uit welke ze uitdoste als een koning, met een tiara, lijfwacht, en compleet met kroon; de andere kleedde ze als slaaf, een ander was versierd met schoonheid, weer een ander stond erbij met een belachelijke bochel, alle soorten moesten aanwezig zijn in de optocht. Vaak voordat de optocht voorbij was liet ze individuen van karakter wisselen, hen werd niet toegestaan om tot het einde hetzelfde te zijn; Croesus had een dubbelrol en moest verschijnen als slaaf en gevangene; Meandrius, beginnend als slaaf, zou Polycrates’ despotisme overnemen, en mocht zijn nieuwe kleding een poosje aanhouden. Toen de processie afgelopen was, moet iedereen zich uitkleden, zijn personage en diens lichaam opgeven, en verschijnt weer, zoals hij oorspronkelijk was, net als zijn buurman. Sommigen, wanneer Kans langs komt om de bezittingen op te halen, zijn dom genoeg om te mokken en te protesteren, alsof ze beroofd worden van hun eigen bezittingen in plaats van tijdelijk geleende. U kent ze wel van het verschuivende toneel – veranderende acteurs wanneer het spel vereist dat ze wisselen van Creon naar Priamus, van Priamus naar Agamemnon; dezelfde man, zeer waarschijnlijk, die je zojuist zag in de majesteit van Cecrops of Erechtheus, de planken vervolgens betredend als een slaaf, omdat de auteur hem dat vertelt te doen. Tijdens de voorstelling, werpt elk van hen zijn goudbespikkelde gewaad en zijn masker af, daalt met zijn toneellaarzen af, en beweegt weer als een normaal gemiddeld persoon, zijn naam is nu geen Agamemnon zoon van Atreus of Creon zoon van Menoeceus meer, maar Polus zoon van Charicles uit Sunium of Satyrus zoon van Theogiton uit Marathon. Dit is de toestand van de mensheid, of zo werd het in ieder geval aan mij getoond.

Philonides 30; 17
Dus, als een man een kostbaar torenhoog graf neemt, of monumenten, standbeelden, inscripties achterlaat op aarde, geeft deze plek hem geen recht op een hogere klasse ten opzichte van de gemeenschappelijke dood?

Menippus
Onzin, mijn beste man; als je naar Mausolos had gekeken – de Cariër die zo beroemd is vanwege zijn graf -, verzeker ik je, dat je nooit gestopt was met lachen; hij was een ellendig ongemotiveerd hoopje tussen de algemene massa van de doden, in een stoffig gat opzij gesmeten, zonder voordeel van zijn graf maar wel met het extra gewicht bovenop hem. Nee, vriend, wanneer Aeacus aan een man zijn plek aanwijst – en die is nooit meer dan een voer breed –, moet hij tevreden zijn met de hem toegewezen plek. Je zou nog harder gelachen hebben als je het bedelen van koningen en leiders van de wereld bij Hades had gezien, zoute vis verkopend voor het leven, het is, misschien als elementaire les, beledigend voor iemand die hen heeft gekend, zo geboeid als de meeste waardeloze slaven. Toen ik Philip van Macedonië zag, kon ik het niet begrijpen; iemand toonde mij hoe hij voor geld in een hoek oude schoenen oplapte. Vele anderen werden bedelend gezien – mensen zoals Xerxes, Darius of Polycrates.

Philonides 30; 18
Deze koninklijke ondergangen zijn bijna niet te geloven. Maar hoe was het met Socrates, Diogenes, en andere wijze mannen?

Menippus
Socrates is nog steeds bezig iedereen het verkeerde te bewijzen, net als altijd; Palamedes, Odysseus, Nestor, en een paar andere spraakzame geesten, houden hem gezelschap. Zijn benen, ter jou informatie, zijn nog steeds gezwollen van het gif. De goede Diogenes verblijft vlakbij Sardanapalus, Midas, en andere voorbeelden van grootsheid. Het geluid van hun klaagzangen en goede herinneringen houdt hen aan het lachen en levenskrachtig. Hij ligt meestal op zijn rug uitgestrekt en brult een lawaaiig lied dat doordrenkt is van klaagzangen, het ergert hen, en zij kijken uit naar een andere kuil waar hij hen niet lastig kan vallen.

Philonides 30; 19
Ik ben tevredengesteld. En nu over dat decreet waarvan je me vertelde dat was aangenomen tegen de rijken

Menippus
Goed onthouden; dat was wat ik je wilde vertellen, maar op de een of andere manier ben ik ver afgedwaald. Welnu, tijdens mijn verblijf gaven de voorzitters aan te willen vergaderen over een zaak van algemeen belang. Dus, toen ik zag dat men er massaal naar toe ging, mengde ik mijzelf tussen de schimmen en noemde mij een grondwettelijk lid. Verschillende maatregelen werden besloten, en aan het eind kwam deze vraag over de rijken. Velen uitten ernstige beschuldigingen tegen hen, waaronder geweld, uiterlijk vertoon, trots, onrechtvaardigheid; een populaire spreker stond uiteindelijk op en stelde het volgende decreet voor.

Decreet 30; 20
‘Overwegende dat de rijken zich op aarde schuldig hebben gemaakt aan vele onrechtmatigheden, plunderen en onderdrukken van de armen en het vertrappen van al hun rechten, vergunt het de Senaat en het volk dat zij na de dood net als andere boosdoeners worden gestraft in hun eigen lichaam, maar hun zielen zullen naar boven worden gestuurd om in ezels te wonen, totdat zij in die gedaante een kwartmiljoen jaar hebben geleefd, generatie na generatie, lasten dragend onder de genadige zorgen van de armen; waarna zij mogen sterven. Uitvoerder van dit decreet – Cranion zoon van Skeletion uit de democratie Necysia van de stam der Alibantiden.’ Het decreet werd voorgelezen, en een formele stemming gehouden, waarna de mensen het aannamen. Een gesnuif van Brimo en geblaf van Cerberus completeerde de procedure volgens de normale regels.

Menippus 30; 21
Zo ging de vergadering uiteen. En nu, volgens mijn oorspronkelijk plan, ging ik naar Tiresias, legde mijn geval volledig voor, en smeekte hem om zijn standpunt over het beste leven kenbaar te maken. Hij is een blinde oude man, bleek en zwak van stem, hij glimlachte en zei: - ‘Mijn zoon, de oorzaak van uw verbijstering, ik weet het, is het feit dat artsen verschillen, maar ik kan u niet voorlichten; Rhadamanthys verbiedt het.’ ‘Ach, zeg dat niet, vader’, riep ik uit; ‘Spreek, en laat me niet dwalen door het leven met een blindheid die erger is dan de uwe.’ Hij trok me apart op een redelijke afstand, en fluisterde in mijn oor: - ‘Het leven van de gewone man is de beste en meest verstandige keuze, staak die onzin over metafysische speculatie en onderzoek naar de oorsprong en het einde, wijs hun slimme logica volledig af, het is allemaal ijdel gepraat, en eindigt maar op een manier – hoe je kunt doen wat je handen vinden om te doen, en ga je weg altijd met een glimlach en nooit met passie.’ Aldus hij, en ging op zoek naar het gazon van de

Asfodil 30; 22

Het was nu te laat, en ik vertelde Mithrobarzanes dat ons werk erop zat, en we weer naar boven konden. ‘Heel goed, Menippus’, zei hij, ‘ik zal u een kortere weg wijzen.’ En bracht me naar een plek waar de duisternis bijzonder dicht was, hij wees me een vage en verre lichtstraal aan – slechts een potloodstreepje door een spleetje. ‘Daar’, zei hij, ‘is het heiligdom van Trophonius, vanwaar de Boeotische vragenstellers beginnen; ga daar naar boven, en je zult zo zonder problemen op Griekse bodem komen.’ Ik was verrukt, nam afscheid van de magiër, kroop met veel moeite door de opening, en vond mezelf, zeker genoeg, in Lebadea.

© 2017 Maarten Hendriksz