Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Moschus - Gedichten

Bron: theoi.com

The Greek Bucolic Poets. Translated by Edmonds, J M. Loeb Classical Library Volume 28. Cambridge, MA. Harvard Univserity Press. 1912. Naar het Nederlands vertaald door Maarten Hendriksz.

1. De weggelopen minnaar

Aphrodite is haar zoon Liefde kwijt, en zoekt hem al roepend door de straten.

Aphrodite huilde eens op een dag verschrikt om haar zoon Liefde (Eros) en zei: ‘Wie Liefde ergens op een straathoek heeft zien rondhangen, moet weten dat hij bij mij is weggelopen, en iedereen die mij nieuws over hem brengt zal beloond worden; deze beloning zal bestaan uit een kus van Aphrodite; en als hij de vluchteling met hem meebrengt zal de kus niet het enige zijn. Het is een opmerkelijke jongen; ongeveer twintig jaar oud: zijn huidskleur is niet blank maar heeft meer de kleur van vuur; verslindende en stralende ogen; met een ziekelijk karakter maar mooi om te zien, want hij meent niet wat hij zegt – een honingzoete stem, met een hart van steen; voortdurend verhaaltjes vertellend, een leugenaar; een sluwe snotaap; wrede spelletjes spelend. Hij heeft een volle bos haar, een hoog voorhoofd; met kleine babyhandjes die ver kunnen schieten, ja, zelfs tot ver over de Acheron in de rijken van de Dood (Hades). Hij is geheel naakt, maar zijn geest is goed afgeschermd. Hij heeft vleugels als een vogel en vliegt van de een naar de ander, zowel mannen als vrouwen, en strijkt neer op hun harten. Hij heeft een kleine boog met daarop een pijl; het is een kleine pijl maar heeft een bereik tot in de hemel. Op zijn rug draagt hij een kleine gouden pijlenkoker, daar zitten slimme pijlen in waarmee hij mij menigmaal verwond heeft. En hoewel deze uitrusting wreed is, heeft hij iets nog wreders, zijn fakkel; deze geeft niet veel licht, maar kan zelfs de Zon in vuur en vlam zetten. Laat iedereen die hem vindt hem zonder medelijden vastbinden en bij mij brengen. Als diegene hem ziet huilen, laat hij dan voorzichtig zijn opdat hij niet wordt bedrogen; als hij lacht, laat hem dan lekker doorgaan: maar als hij je probeert te kussen, vlucht dan, want zijn kussen zijn gevaarlijk en zijn lippen vergif; en als hij zegt ‘Hier, pak deze spullen, dan zal ik je in mijn armen nemen.’ Raak dan deze ondeugende geschenken niet aan, want ze zijn in vuur gedrenkt.

2. Europa

Mosschus vertelt in epische verzen hoe de maagd Europa, nadat zij heeft gedroomd over de strijd tussen twee continenten om haar te bezitten, door Zeus in de gedaante van een stier bij haar vriendinnen werd weggevoerd, en op zijn rug van Tyrië over zee naar Kreta werd vervoerd, om daar zijn bruid te worden. Het eerste gedeelte van het gedicht bevat een omschrijving van Europa’s bloemenmand. Deze draagt drie afbeeldingen van ingelegd metaal – Io in de gedaante van een koe die de zee naar Egypte oversteekt, Zeus die haar door zijn aanraking weer verandert in een menselijke gedaante, en de geboorte van de pauw uit het bloed van de gedode Argus.

1-27
Eens bezorgde Aphrodite bij Europa een heerlijke droom. Het was dat tijdstip in de nacht wanneer de dageraad nabij is en de Ontspanner van het Lichaam honingzoet neerdaalt op de oogleden om die in een zachte greep te houden, het uur dat de kudde van ware dromen naar buiten komt, het tijdstip dat de dochter van Phoenix, Europa, in haar kamer onder het dak sliep, ze droomde dat twee landen, dichtbij en ver weg, om haar bezit met elkaar streden. Ze hadden de gedaanten van vrouwen aangenomen, de een zag er uit als een buitenlandse vrouw en de ander als iemand uit haar eigen land. Deze andere klampte zich vast aan haar dochtertje, vertellend dat ze de moeder was die haar gebaard en grootgebracht had, maar de buitenlandse vrouw greep haar met geweld en voerde haar ver weg; zij vertrok niet geheel onverschillig, want zij die haar kwam halen zei: ‘De drager van de Aegis heeft mij dit opgedragen.’ Toen sprong Europa verschrikt uit het bed waarin ze lag, en haar hart ging als een razende tekeer; want de droom die ze beleefd had leek wel werkelijk gebeurd te zijn. Ze ging zitten en zweeg lange tijd, de twee eerdere vrouwen nog steeds op haar nu wakkere netvlies. Uiteindelijk verhief zij angstig haar meisjesstem, en zei: ‘Wie van Goden in de hemel heeft mij deze droom gestuurd? Wat betekende die vreemde droom die ik op mijn bed in mijn kamer had? En wie was die buitenlandse vrouw die ik in mijn slaap zag? O hoe verlangde mijn hart om kennis met haar te maken, en hoe graag nam ze mij in haar armen en keek naar mij alsof ik haar eigen lieve kind was! Ik bid dat de Gezegenden de droom goed zullen laten aflopen.’
28-36
Nadat ze dit gezegd had sprong ze overeind en ging op zoek naar metgezellen van haar eigen leeftijd, in hetzelfde jaar geboren en van hoge komaf, ze genoot van de meisjes en was gewend om samen met hen te spelen, of dat nu op blote voeten dansen was of het wassen van een stralend mooi lichaam in de uitlopers van rivieren, of het plukken van heerlijk geurende lelies in de weide. Zij vond hen direct, met bloemenmanden in hun handen voor de lange weide langs zee, om daar bloemen te verzamelen zoals ze gewend waren en te genieten van opkomende rozen en het geluid van de golven.
37-42
De mand van Europa was van goud, een bewonderenswaardig ding, een groot wonder en een prachtig werkstuk van Hephaistus, door hem aan Libya gegeven op de dag dat de Aardschudder haar in zijn bed nam, en door Libya aan de mooie Telephassa geschonken omdat ze familie waren; en zo kwam de maagd Europa in bezit van het beroemde geschenk, omdat Telephassa haar moeder was.
43-62
In deze mand waren vele prachtig glimmende kunstvoorwerpen verwerkt. Als eerste was daar de dochter van Inachus , nog in de gedaante van een koe, het zoute water overstekend door haar poten te gebruiken als iemand die zwemt; terwijl de zee van blauw lakwerk was gemaakt; en hoog op elke klip stond een grote menigte die naar de zeegaande koe keken. Als tweede werk was er de zoon van Cronus op afgebeeld die naast de zevenarmige Nijl dezelfde koe aanraakte, en zo het gehoornde wezen weer in een vrouw veranderde; de vloeiende Nijl was van zilver gemaakt, de koe van brons, en de grote Zeus van goud. Onder de rand van de ronde mand was Hermes uitgebeeld, naast hem lag Argus uitgestrekt die iedereen overtrof met zijn altijd wakende ogen; van zijn paarse bloed steeg een vogel in de trots zijn bloemrijk gekleurde verenkleed op, zijn staart uitspreidend als de zeilen van een snel schip waarmee heel de rand van de mand was bedekt. Zo zag de mand van de mooie Europa er uit.
63-71
Toen deze meisjes de bloemrijke weiden bereikten, werd de één vrolijk over de ene bloem, en de ander over een andere. Deze had de geur van een Narcis, de ander die van koren; hier stond het viooltje, daar het tijm: zoals gewoonlijk waren de vele bloemen van het begeerlijke voorjaar uitgekomen en bloeiden daar op de grond. Toen begon heel de groep snel de pittige vlechten van de gele saffraan te plukken, en hielden een wedstrijdje wie de meeste kon plukken; in hun midden plukte alleen de koningin de heerlijkheid en roem van de rode roos, en blonk onder hen uit zoals het Kind van het Schuim onder de Gratiën.
72-88
Maar ze zou niet lang meer genieten van het bloemenplukken, of haar maagdelijkheid behouden. Want zie, de zoon van Cronus ontdekte haar, en zijn hart werd ontroerd en getroffen door een plotselinge pijl van de Cyperse, de enige die Zeus kan overwinnen. Onmiddellijk was hij bereid om de jaloerse Hera te ontvluchten en het vriendelijke hart van het meisje te misleiden, hij veranderde zijn goddelijke gedaante in dat van een stier, niet zoals die welke gefokt worden in de stal, of zwoegen onder het juk om voren in de grond te ploegen, noch zij welke in het tuig de wagens voorttrekken. Nee, heel zijn lijf had een gele kleur, behalve een glimmende witte cirkel in het midden van zijn kop en de grijze ogen er onder die bliksemden van verlangen; en de hoorns op zijn kop die naast elkaar omhoog staken alsof zij de gehoornde maan in twee ronde delen wilden splijten.
89-100
Zo kwam hij naar dat weiland zonder de meisjes bang te maken; zij werden onmiddellijk bevangen door een verlangen om dichterbij te komen en die lieflijke stier aan te raken, wiens goddelijke geur hen bereikte en zelfs de verrukkelijke geur van die welriekende weide overtrof. Hij ging naar hen toe en stond voor de smetteloze Europa, sprak een spreuk over haar uit en begon haar mooie nek te likken, totdat er uiteindelijk door het meisje een kus aan de stier werd gegeven. Toen loeide hij, zo aangrijpend zachtjes dat je zou denken dat het de zoete tonen van de Phrygische fluit waren, en knielde neer aan de voeten van Europa, draaide zijn kop naar haar toe en lokt haar met zijn ogen naar zijn grote brede rug.
101-114
Ze ging naar hem toe en zei bij die mooi gekrulde kop: ‘Kom mee, mijn lieve metgezellen en vriendinnen, laten we deze stier berijden voor een vrolijk ritje. Want hij ziet er betrouwbaar en goedaardig uit, zo lief en teder, in niets gelijkend op andere stieren; bovendien lijkt hij door mannelijk begrip bewogen te worden, en mist alleen de kunst van het praten.’ Zo sprekend, ging zij glimlachend op zijn rug zitten; en de anderen wilden ook op zijn rug gaan zitten, maar plotseling sprong de stier op, gek van verlangen, en rende naar de zee. Daarop keerde Europa zich om en strekte haar handen uit terwijl ze naar haar vriendinnen riep; maar, zij konden haar niet bereiken, de zee kwam steeds dichterbij, terwijl hij voorwaarts rende, voorwaarts gaand totdat hij door de weidse golven zwom met niet door het water aangetaste poten alsof het de vinnen van een dolfijn waren.
115-130
En zie, de zee werd kalm, vrolijke zeedieren verschenen voor de grote Zeus, dolfijnen maakten vreugdevolle sprongen en tuimelden door de golven, de Nereïden rezen op uit het zoute water en beklommen de zeedieren en volgden in een rij. Voor hen uit speelde de grote rommelende zeeheer, Aardschudder, als gids op zee voor het pad van zijn broer, en de Tritons die zich rond hem verzamelden namen hun taps toelopende schelpen en lieten trouwmuziek klinken alsof het de enorme klaroenen uit de oceaan waren. Ondertussen hield Europa, gezeten op de rug van de stier, zich met één hand vast aan zijn grote hoorn en hield met haar andere de zoom van haar gewaad omhoog, omdat deze anders nat zou worden in de ontelbare golven van de zee; en de mantel bolde op bij de schouder als een zeil van een schip, en maakte zo die mooie last inderdaad licht.
131-152
Ze was nu ver verwijderd van haar vaderland, en zag geen door de golven aangevallen kust of bergtop meer, maar slechts eindeloze zee onder een blauwe hemel, ze keek om zich heen en verhief haar stem: Waar breng je me heen, jij goddelijke stier? Wie ben je, en hoe komt het dat je zo onverschrokken bent waar het voor andere stieren zo slecht is om te gaan? Trouw, is de zee voor het snelle schip om over te varen, maar stieren schuwen deze weg over zee. Welk water kun je hier drinken? Welk voedsel haal jij uit zee? Nee, het is duidelijk dat je een god bent; alleen een god zou doen wat jij doet. Want stieren reizen niet over zee net zo min als dolfijnen over de golven van het land reizen; maar wat jou betreft, land en zee zijn voor jou hetzelfde op je reis, en zijn je hoeven je riemen. Je bent wellicht ook in staat om boven de grijze mist op te stijgen met de vleugels van een vogel. Helaas verliet ik echter op een goede dag mijn huis en volgde deze stier op een zeer vreemde en o zo eenzame zeereis! O wees een goede heer van de grijze zee – want ik zie dat je me op deze manier over zee loodst –, grote Aardschudder, wees aardig en kom hierheen om me te helpen; want er schuilt een godheid in deze reis over het water.’
153-160
Tot zoverre het meisje, toen de gehoornde stier zijn zwijgen doorbrak en sprak: ‘Wees gerust, mooie maagd, en heb geen angst voor de golven. Het is Zeus zelf die spreekt, hoewel zijn gedaante op een stier lijkt; want ik kan mijn verschijning wijzigen in elke gedaante die ik wil. En mijn liefde voor jou heeft me ertoe gebracht om een zo lange zeereis te ondernemen in de vorm van een stier; en over een tijdje zul je in Kreta (Crete) zijn, dat was mijn verzorgster toen ik daar met haar was; en daar zal jouw bruiloft zijn, waaruit beroemde kinderen zullen voortkomen en onder hen zullen koningen zijn die uit de aarde zelf zullen ontspringen.
2; 161-166
Zo sprak hij, en zie, wat hij zei gebeurde; want het eiland Kreta verscheen, en Zeus nam zijn eigen meer passende gedaante weer aan, en maakte tijdens de Seizoenen in bed de gordel van het meisjesgordel los. En zo gebeurde het dat zij die voordien een maagd was nu direct de bruid van Zeus werd, en vlak daarna ook een moeder voor de kinderen van de zoon van Cronus.

3. Klaagzang voor Bion

Dit gedicht lijkt geschreven te zijn aan de hand van de klaagzang van Bion over Adonis; in vorm lijkt het op het Lied van Thyrsis. De schrijver was een leerling van Bion, afkomstig uit Zuid-Italië, maar is verder onbekend.
1-7
Huil jammerend over hem, gij open plekken in de bossen, en jammer, lief Dorisch water; gij rivieren, smeek ik om voor de mooie en verrukkelijke Bion te huilen. Jammer alsjeblieft, goede boomgaarden; lieflijke bossen, laat uw gekreun horen; wees als uw geurende trossen, gij bloemen, verfomfaaid door verdriet. Bid rozen, wees nu als uw rode zorg, en uw zorg, windbloemen; spreek nu u aan het schrijven bent, lieve snoekblaadjes , laat uw bloesem ai brabbelen; de prachtige muzikant is dood. Een lied van rouw, van rouw, Siciliaanse Muzen.
8-13
Gij nachtegalen die klagen in het dikke gebladerte, vertel aan de bron van Arethusa in Sicilië dat de veehoeder Bion dood is, en met hem is de muziek gestorven, net zoals de Dorische poëzie. Een lied van rouw, van rouw, Siciliaanse Muzen.
14-19
Laat ons met jullie meejammeren, zwanen van de Strymon , aan de waterkant, het oude lied van vroeger over verdriet klinkt met verheven gekerm uit jullie kelen, en vertel het tegen de getrouwde vrouwen van Oeagra en ook tegen alle nimfen van Bistonië. Een lied van rouw, van rouw, Siciliaanse Muzen.
20-25
Hij die liefelijk en vrolijk was totdat de kudden niet meer kweelden, zit en zingt niet meer onder de verlaten eik; maar zingt het lied van Lethe in het huis van Hades, het lied van vergetelheid. En nu zwijgen de heuvels, en de koeien die met de treurende stieren rondzwerven, en hun weiland niet meer herkennen. Een lied van rouw, van rouw, Siciliaanse Muzen.
26-36
Uw plotselinge einde, lieve Bion, was zelfs een reden voor Apollo om te huilen; de Satyrs beklaagden je, en Priapus kreunde overal om jou in zwarte gewaden. Ook Pan huilde van ellende over je muziek, geen Nimf van de bronnen die niet klaagde in de bossen; en alle rivieren werden als tranen. ook Echo, treurt tussen de rotsen dat ze moet zwijgen en je niet meer kan imiteren. Uit verdriet omdat je bent gestorven werpen de bomen hun vruchten op de grond, en alle bloemen zijn verdord. De kudden geven hun lekkere melk niet meer, en de bijenkasten geen honing; want de honing in de raten is vergaan van verdriet, omdat zij zagen dat bijen de honing niet langer verzamelden nu jouw honing is verdwenen. Een lied van rouw, van rouw, Siciliaanse Muzen.
37-43
De klaagzangen van de Sirenen op het strand waren nooit zo jammerlijk, het lied van de Nachtegaal tussen de rotsen nooit zo smartelijk, of de klaagzang van de Zwaluw temidden van de langgerekte heuvels, noch het gejammer van Ceyx over de ellende van Halcyon, of het lied van Ceryl temidden van de blauw golven, nee, de zwevende vogel van Memnon boven het graf van de zoon van Dageraad in de dalen van de Ochtend was niet zo smartelijk, als toen men rouwde om de dood van Bion. Een lied van rouw, van rouw, Siciliaanse Muzen.
44-50
De nachtegalen en alle zwaluwen, waar hij eens van in verrukking raakte, waartegen hij gewend was om te spreken, zaten op de takken en riepen luid om beurt, en zij die antwoordden zeiden: ‘Weeklaag, jullie rouwenden, en dat zullen wij ook doen. Een lied van rouw, van rouw, Siciliaanse Muzen
51-57
O driemaal geliefde man! Wie zal er nu muziek op jouw fluit maken? Wie is zo moedig om zijn lippen op jouw riet te plaatsen? Want uw lippen en adem leven voort, en dat geluid van uw lied is snel in het riet. Zal ik hen nemen en de fluit aan Pan geven? Nee, zelfs hij is misschien bang om zijn lippen er tegen te zetten en dan op de tweede plaats te eindigen na jou. Een lied van rouw, van rouw, Siciliaanse Muzen.
58-64
Daar is ook Galatea, huilend om jouw muziek, de muziek die haar eerste grote vreugde was toen zij naast jou op het strand zat. Want de muziek van de Cycloop was een geheel ander iets; ze vermeed hem, de mooie Galatea, en ze keek vreugdevoller naar jou dan naar de zee. En zie! De golven zijn nu vergeten terwijl zij op het eenzame zand zit, maar ze hoedt nog steeds voor jou je koeien. Een lied van rouw, van rouw, Siciliaanse Muzen.
65-69
Alle geschenken die van de Muzen kwamen zijn omgekomen lieve Veehoeder, samen met jou, de lieve heerlijke kussen van de meisjes, de zoete lippen van de jongens; de Liefde weent geheel verfomfaaid bij je lichaam, en Aphrodite, ze is liever dichter bij jou dan de kus die ze aan Adonis gaf toen hij de andere dag stierf.
70-85
O welluidende rivieren, dit maakt u tot een tweede verdriet, dit wordt, goede Meles , een nieuw verdriet. Het melodieuze mondstuk van Calliope is al lang dood, en ook Homerus; die prachtige zoon van u werd betreurd, zo wordt verteld, bij uw tranenrijke vloed, en heel de zee was gevuld met het geluid van uw gejammer: en zie, nu huilt u om een andere zoon, en een nieuwe zorg doet u wegkwijnen. Beiden werden bemind door een waterbron, want de een dronk uit de bron van Pegasus en de ander ving hem toen hij dronk uit die van Arethusa; en de een zong over de mooie dochter van Tyndareus, en de andere grote zoon van Thetis, en de Atride Menelaüs; maar het lied van de ander ging niet over oorlogen of tranen maar over Pan; hij zong als een herder, en hield het vee bijeen met een lied; hij maakte fluiten en molk de lieve koeien; hij leerde de traditionele kennis van het kussen, hij maakte en koesterde de Liefde, hij wekte en beroerde de passie van Aphrodite. Een lied van rouw, van rouw, Siciliaanse Muzen.
86-98
O Bion, er is geen stad, geen klein dorp dan niet om u treurt. Ascra kreunt veel luider voor u dan voor Hesiodus, de bossen van Boeotië verlangen niet zo erg naar hun Pindar; het mooie Lesbos weende niet zo pijnlijk om Alcaeus, noch de stad Teos naar haar dichter ; Paros smacht naar u zoals ze nooit smachtte naar Archilochus, en Mityle jammert steeds meer dan bij Sappho over uw lied. Voor Syracus bent u een Theocritus, en wat de rouw van Ausonia betreft, is het dit lied dat ik voor u zing; en het is geen onbekende met de pastorale poëzie die het zingt, maar een erfgenaam van die Dorische groep minstrelen die naar u toe kwam om te leren die zijn deel kreeg toen u de andere hun deel naliet maar mij uw lied gaf. Een lied van rouw, van rouw, Siciliaanse Muzen.
99-108
Wee mij, wanneer het kaasjeskruid en de verse groene peterselie en de ontluikende verkruimelende dille vergaat in de tuin, zij zullen opnieuw leven en het volgende jaar weer groeien; maar wij mannen die zo groot en sterk en wijs zijn, zullen binnenkort allemaal sterven, niet beluisterd in een gat in de aarde liggen we beiden in een ongestoorde en lange slaap die geen einde of ontwaken kent. En zo zal het gebeuren dat u in de aarde zult liggen bedekt door een deken van stilte, hoewel de kleine kwakende kikker bij de boom in opdracht van de Nimfen tot in de eeuwigheid zal zingen. Maar hun muziek is mij welkom, hoewel hij armzalige muziek ten gehore brengt. Een lied van rouw, van rouw, Siciliaanse Muzen.
109-113
Er kwam vergif, lieve Bion, in uw mond, en u at vergif – o hoe kon het zulke lippen naderen en niet in zoetigheid veranderen? En welke sterfelijke man was zo barbaars en gemeen om het te mengen en aan u te geven op uw verzoek? – en het Lied werd koud en zweeg. Een lied van rouw, van rouw, Siciliaanse Muzen.
114-126
Maar Gerechtigheid achterhaalt iedere man; en wat mij betreft, dit lied zal mijn trieste tranenrijke jammerklacht worden over uw overlijden. Kon ik maar net zoals Orpheus en Odysseus lang geleden deden naar beneden gaan in de Tartarus, dan kwam ik misschien ook wel bij het huis van Hades, zodat ik u kon zien, u zou misschien voor Hades zingen, en beluisteren hoe uw lied zou klinken. Maar ik smeek u, zing dan een lied over Sicilië, een mooi melodieus plaatselijk lied, voor het Meisje ; want ook zij kwam van Sicilië, ook zij speelde een op de kusten van de Etna; zij kent de Dorische muziek; zo zullen uw melodieën niet zonder beloning blijven. Net zoals eens toen zij aan Orpheus de terugkeer van Eurydice gunde omdat hij zo mooi op zijn lier speelde, zo zal ze op dezelfde manier Bio terug geven aan de heuvels; ik wilde dat deze fluit de kracht van die lier had, dan zou ik daarmee zelf spelen in het huis van Persephone.

Van de navolgende vier gedichten worden de eerste drie geciteerd door Stobaeus. Het laatste is gevonden in de Anthologie, en werd ten onrechte toegeschreven aan Moschus vanwege de beschrijving over de stier van Europa.

4. Vergelijking

Wanneer de wind zachtjes over een blauwe zee strijkt, komt het laffe hart van mij in opstand, en mijn liefde voor het land zwicht voor het verlangen naar dat grote water. Maar wanneer die diepte grijs opzwelt en luid tekeer gaat, en de zee begint te deinen en te schuimen en de golven lang en wild beginnen te rollen, dan kijk ik naar de kust met haar bomen en laat ik het zoute water achter me, dan heten het land en de schaduwrijke lommer mij vriendelijk welkom, waar, laat de wind nooit zo heftig zijn, de pijnbomen een lied voor me zingen. O het is vreselijk om een visser te zijn met een schip als zijn huis en de zee als zijn werkterrein en de vissen als zijn gladde prooi. Ik slaap liever onder een lommerrijke boom, en dichtbij het geluid van een murmelende bron die mij verrukken en het rustieke oor niet verstoren.

5. Een les voor minnaars

Pan hield van zijn buurvrouw Echo; Echo hield van een dartelende Sater; en de Sater; hij was tot over zijn oren verliefd op Lyde. Zoals Echo de vlam van Pan was, zo was de Sater dat voor Echo, en Lyde speelde de baas over de Sater. Het was wederzijdse liefde; maar voor de goede orde, zoals elk van deze harten hun minnaar minachtten, zo werden zij ook zelf geminacht door de ander: Dus voor alle de minnaars die deze les lezen: als je bemind wil worden waar jij bemint, heb dan diegene lief die van je houdt.

6. Een verliefde rivier

Toen Alpheüs Pisa achter zich liet en door de zee reisde, bracht hij Arethusa het water dat de wilde olijven liet groeien; en met een bruidsschat, van mooie bladeren en mooie bloemen en heilig stof , dook hij diep in de golven en liet zijn bron in de zee verder stromen, op zodanig wijze voortgaand dat het water zich niet mengde en de zee niet opmerkte dat de rivier door haar heen stroomde. Zo was hij in de ban van die ondeugende uitzetter van netten, die geslepen en sluwe onderwijzer van problemen, Liefde, die zelfs een rivier leerde hoe die moest duiken.

7. Ploegende Liefde

De verdelger Liefde zet zijn toorts en boog neer, werpt een knapzak over zijn rug, nam een ossenprikstok in zijn hand, spande een paar stevige ossen in, en begon de korenakkers van Demeter te ploegen en in te zaaien; en terwijl hij daarmee bezig was, keek hij op naar de grote Zeus en zei: ‘Zorg er voor dat het een rijke oogst wordt; want als je dat niet doet zal ik de stier van Europa voor mijn ploeg spannen.’

© 2017 Maarten Hendriksz