Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Nonnus - Dionysiaca

Bron: theoi.com

Nonnus, Dionysiaca. Translated by Rouse, W H D. Loeb Classical Library Volumes 344, 354, 356. Cambridge, MA, Harvard University Press, 1940. Vertaald naar het Nederlands door Maarten Hendriksz.

Boek 1

Het eerste deel gaat over Cronides, lichtdragende verkrachter van Nimfen, en de sterrenhemel die door Typhon’s handen aangevallen wordt

Geboorte van Dionysus en Athena

1; 1-10
Vertel het verhaal, godin, van Cronides’ boodschapper met de onstuimige vlam, de naar adem snakkende arbeider die de bliksem bracht met vuur voor de huwelijkstoortsen, de bliksem die wachtte op Semele’s bruiloft; vertel het verhaal van de tweemaal geboren Dionysus, die Zeus nog vochtig uit het vuur tilde, een baby te vroeg geboren zonder vroedvrouw; hoe hij met van pijn krimpende handen een snede in zijn dijbeen maakte en hem in zijn mannelijke schoot droeg, vader en bevallige moeder tegelijk – en hij herinnerde zich nog goed een andere geboorte, toen zijn hoofd zwanger was, zijn tempel gevuld met een kind, en die ongelofelijke ongeboren foetus droeg, totdat Athena in haar fonkelende wapenrusting naar buiten sprong.

De daden van Dionysus

1; 11-33
Breng me de venkels, ratel de cimbalen, ja Muzen! Leg in mijn hand de staf van Dionysus over wie ik zing: en breng me een partner voor uw dans op het naburige eiland van Paros , Proteus van de vele gedaanteveranderingen, dat hij in al zijn verschillende vormen mag verschijnen, sinds ik een vele liederen op mijn lier speel. Zoals hij, net als een slang, zal glijden over zijn kronkelende spoor, zo zal ik zingen over de prestaties van mijn god, hoe hij met zijn met klimop omkranste staf de afschuwelijke slangharige Giganten vernietigde. Als een leeuw schudde hij zijn borstelige manen, ik zal ‘Euoi’ huilen tegen Bacchus aan de arm van de weelderige Rhea, stiekem drinkend aan de borsten van de leeuwenbroedende godin. Als een luipaard schoot hij vanaf zijn bed de lucht in met een stormachtige sprong, zijn gedaante wisselend als een meestervakman, ik zal de zoon van Zeus bezingen, hoe hij de inheemse bevolking versloeg, met zijn team van luipaarden die reden op olifanten. Wanneer hij zijn lichaam in de gedaante van een wild zwijn verandert, zal ik Thyone’s zoon bezingen, smachtend verliefd op de begerige Aura , zwijnendoder, dochter van Cybele, moeder van de derde generatie Bacchus afstammelingen, als hij water nabootst, zal ik Dionysus bezingen duikend in het zoute water, wanneer Lycurgus zichzelf bewapent. Als hij een trillende boom wordt en een vals gerucht zingt, zal ik over Icarus vertellen, hoe zijn voeten in de jubelende wijnpers de rivaliserende druiven vermorzelden.

1; 34-44
Breng me de venkels, Bacchanten! Over mijn schouders bind ik strak voor mijn borst in plaats van een gewone vrouwenrok, bid ik, een zwart gespikkelde hertenhuid, doordrongen met de geur van Maronische nectar; en laat Homerus en diepzee Eidothea de ranzige huid van zeehonden houden voor Menelaüs. Geef mij de opgewekte tamboerijnen en geitenhuiden! maar laat voor anderen de tweetonige fluit met zijn welluidende zoetheid, of mag ik mijn eigen Apollo trotseren; want hij verwerpt het geluid van het ademende riet, sinds hij schande bracht over Marsyas en zijn godtrotserende fluiten, hij stroopte elk stukje huid van de herder, en hing die huid in een boom om te bollen in de wind.

De schaking van Europa

1; 45-64
Kom, godin, begin nu met de lange zoektocht en reizen van Cadmus. Eens deed Zeus met zijn omgevormde keel op het Sidonische strand het amoureuze geloei na van een grote gehoornde stier, en voelde een verrukkelijke huivering; kleine Eros tilde een meisje op, met zijn twee armen om haar middel. En terwijl hij haar optilde, boog naast hem de zeevarende stier zijn gekromde nek naar beneden, zich uitnodigend spreidend onder het meisje, zijwaarts knielend op zijn knieën, en zijn rug onderdanig rekkend, en tilde Europa op; toen zette de stier aan, en zijn drijvende hoeven doorploegden het water van de voorzichtig betreden zee met verdraagzame voetstappen. Hoog boven de zee, navigeerde het van angst trillende meisje op de stierenrug, onbeweeglijk, niet bespat door het water. Als je haar zag zou je wellicht denken dat het Thetis was, of Galatea, of aardschudder’s bedgenoot , of Aphrodite zittend op Triton’s nek. Wee, wonderlijke zeeblauwharige op je waggelvoetige reis; Triton hoorde het bedrieglijke loeien van Zeus, en loeide met zijn schelp een boodschap terug naar Cronus’ zoon als een soort bruidslied; Nereus wees Doris de vrouw aan die gedragen werd, verwondering mengend met angst toen hij de vreemde reiziger met zijn hoorns zag.

Het stierenschip

1; 65-89
Maar het meisje, een licht vrachtje voor haar stierenschip, zeilde stierenrijdend voort, met een hoorn als stuurriem, en rilde op de hoge golven van haar waterige koers, terwijl Begeerte de zeeman was. En de bekwame Boreas liet haar fladderende mantel bollen met zijn amoureuze adem, zelf verliefd, en in stilte jaloers, blazend langs de twee onrijpe borsten. Toen één van de Nereïden uit de zee gluurde en gezeten op een dolfijn kalm het water doorsneed, balancerend terwijl ze peddelde met een natte hand deed net alsof ze zwom, terwijl de natte zwerver zijn rug half zichtbaar toonde en haar droog door de zee droeg, terwijl de klievende staarten van vissen in zee passeerden en het oppervlak schramden op hun koers – zo hief de stier zijn rug: en terwijl hij zich strekte, sloeg zijn drijver Eros de slaafse nek met zijn charmante gordel, en tilde zijn boog op zijn schouder als de stok van een herder, Hera’s bruidegom hoedend met Cypris’ herdersstaf, hem sturend door Poseidon’s pastorale wateren. Schaamte kleurde de meisjeswangen van de moederloze Pallas toen ze Zeus bespeurde die bereden werd door een vrouw. Zo doorkliefde Zeus de weg met voren van water, maar de diepe zee deed zijn passie niet bekoelen – want het water ontving Aphrodite van een hemelse echtgenoot, en bracht haar voort vanuit de diepten. Aldus stuurde een meisje de stille reis van de stier, en was zowel stuurman als lading.

De verbazing van een zeeman

1; 90-117
Eén man zag dit namaakschip der zee, en knielde snel, - een Achaeaanse zeeman die passeerde, en hij schreeuwde in deze trant: ‘O mijn ogen, wat is dit voor een wonder? Hoe komt het dat hij de golven met zijn poten doorklieft, en zwemt door de onvruchtbare zee, deze weideliefhebbende stier? Bevaarbare aarde – is dat de nieuwe creatie van Cronides? Zal de boerenwagen een waterig spoor trekken door de zoutachtige diepte? Dit is een onechte reis die ik ontwaar op de golven! Zeker Selene ontving een weerbarstige stier, en verliet de hemel om over de hoge zeeën rond te zwerven! Of nee – diepwater Thetis bestuurt een wagen op een drijvend parcours! Deze zeestier is een schepsel dat sterk verschilt van een landstier, heeft een visvorm; het moet een nereïde zijn met een ander uiterlijk, niet naakt nu, maar in lang stromende mantels, deze stier zonder teugels berijdend om te voet over het water te gaan, een nieuwe trant! Als het graanharige Demeter is, de grijze rug van de zee doorsnijdend met waterrijdende hoeven, dan moet gij, Poseidon, veranderd zijn in een landrot en teruggekeerd naar het dorstige oppervlak van de aarde, te voet achter de ploeg, Demeter’s voren doorsnijdend met uw zeeschip, door landwinden voort geblazen, een voetreis makend over de grond! Stier, je bent verdwaald buiten je land; Nereus is geen stierenrijder, Proteus geen ploegsman, Glaucus geen tuinier; geen wandelgrond, geen weiden in de golven; op de onvruchtbare zee is geen akkerland, maar zeelieden doorklieven het scheepsbeschuttende water met een stuurriem, en klieven dat niet met ijzer; Aardschudder’s boeren zaaien niet in de voren, maar de planten van de zee zijn zeewier, zee’s zaaigoed is water, de zeeman is de boer, de enige voor is het scheepsgraan en het kielzog, het oude schip is de ploeg.’

1; 118-124
‘Maar hoe kreeg je omgang met een meisje? Worden stieren ook gek van verliefdheid, en ontvoeren vrouwen? Heeft Poseidon een truc uitgehaald, en ontvoerde vermomd als gehoornde stier een meisje net zoals een riviergod? Heeft hij een nieuw complot gesmeed om het bedstro van Tyro te volgen, net als hij gisteren deed, toen de waterige minnaar vloeiend opdook met nagemaakte rimpelingen net als de bastaard Enipeus ?’

Klaagzang van Europa

1; 125-136
Zo sprak de Helleense zeeman zijn verbazing uit toen hij passeerde. Toen kreeg het meisje een voorgevoel over haar vereniging met de stier; en aan haar harend trekkend, brak ze uit in jammerende kreten: ‘Doof water, stemloze kusten! Zeg tegen de stier, als vee kan horen en luisteren, ‘Meedogenloze, spaar een meisje!’ Ja kusten, bid en vertel aan mijn liefhebbende vader dat Europa haar geboortegrond heeft verlaten, gezeten op een stier, mijn ontvoerder, mijn zeeman, en ik denk mijn bedgenoot. Neem deze lokken mee voor mijn moeder, ja draaiende winden. Ach Boreas, ik smeek u, neem me mee op uw vleugels in de lucht, zoals u uw Atheense bruid ontvoerde! Maar blijf, mijn stem! Of ik zal Boreas verliefd zien zijn, net als de stier!’ zo sprak het meisje, terwijl de stier haar op zijn rug droeg.

Zeus verbergt zijn wapens

1; 137-144
Cadmus toen, van land tot land reizend, volgde de vervagende sporen van de in een stier veranderde bruidsjonker. Hij kwam bij de met bloed besmeurde grot van Arima , waar de bergen verwijderd waren van hun fundamenten toen er strijd geleverd was bij de voet van de onverslaanbare Olympus, toen vluchtten de goden naar de regenloze Nijl, als een vlucht vogels ver buiten bereik, hun vreemde route sturend op de winden van de hemel, en de zeven zones in de lucht jammerend werden bestormd.

1; 145-153
Dit was de reden. Zeus Cronides had zich naar Pluto’s bed gehaast, om Tantalus te verwekken, die gestoorde dief van hemelse bekers, en hij verstopte zijn hemels wapens met zijn bliksems goed verborgen in een diepe grot. Ondergronds braken de donderende bliksems uit in rook, de witte klip werd zwart geblakerd; vonken van een vuurprikkelende flits verwarmde de waterbronnen; bergstromen kookten tot schuim en stoom stroomde uit het Mygdonische gebergte waarna deze opnieuw bulderde.

Typhon grijpt de wapens

1; 154-162
Toen na een wenk van zijn moeder, de Aarde, strekte Siciliaanse Typhon zijn handen uit, en stal de stormbrengende wapens van Zeus, de wapens van vuur; vervolgens zette hij een rij van donder ratelende kelen open, schreeuwde zijn oorlogskreet gelijk aan de kreten van alle beesten samen: de slangen die uit hem groeiden kronkelden over zijn luipaardhoofden, likten aan de wrede leeuwenmanen, omringden spiraalsgewijs hun krullende staarten om zijn stierenhoorns, het spuitende gif van hun lange dunne tongen mengend met het schuimende speeksel van de wilde zwijnen .

Typhon teistert de sterren

1; 163-175
Nu lag hij de wapens van Cronides in een vossenhol in de rotsen, en spreidde de oogst van zijn klauwende handen naar de ether. En wat een bataljon aan handen! Eén wurgde Cynosuris naast de voet van de Olympus; één greep de manen van de Parrhasische Beer toen zij rustte op de hemelas, en sleepte haar weg; een ander greep de Ossendrijver en sloeg hem neer; een ander greep Phosphorus, en tevergeefs klonk in de ochtend het fluiten van de hemelse zweepslag onder het cirkelende middelpunt; hij droeg de Morgenster weg, en stopte de Stier, zodat het tijdloze, half complete, Amazone Seizoen haar team liet rusten. En in de schaduwrijke lokken van zijn slangenhaar scheen het licht dat vermengd was met somberheid; en toen de maan opkwam scheen zij in het daglicht van de Zon.

1; 176-201
En nog was er geen rust. De Gigant kwam terug, en ging van noord naar zuid; hij verliet de ene pool en kwam bij de ander. Met een lange arm greep hij de Wagenmenner, en ranselde de rug van de hagelbrengende Aegocerus; hij sleepte de twee Vissen uit de lucht en wierp hen in zee; hij sloeg de Ram, de centrale ster van Olympus, die balanceert op gelijke banen, dag en duisternis brengend over de vurige hemelbol van zijn pasgeboren buurman . Met zijn slepende voeten klom Typhon dicht naar de wolken; naar alle kanten zijn menigte van verreikende armen spreidend, door zijn leger van kronkelende slangen vooruit te werpen beschaduwde hij de heldere stralen van de onbewolkte lucht. Eén van hen rende recht naar de rand van het poolgebied en sprong op de rug van de hemelse Slang, zijn dodelijke uitdaging sissend. Eén ging voor Cepheus’ dochter , met sterachtige vingers een ring draaiend zo dicht mogelijk bij de ander, geketende Andromeda, al gebonden, met een tweede verbintenis schuin onder haar ringen. Een ander, een gehoornde slang, wond over de gevorkte hoorns van Stier’s gehoornde hoofd een vorm van zichzelf, en slingerde kronkelend over Stier’s wenkbrauwen, de Hyaden met open kaken kwellend die als een sikkelvormige maan er tegenover stonden. Een groep kronkelende en vergif spuwende slangen omgordden de Ossendrijver. Een andere maakten een brutale sprong, toen hij een andere slang op de Olympus zag, en rond Ophiuchus’ arm sprong die de adder vast hield; toen in zijn nek sneed en kronkelde in zijn krioelende buik, en een tweede krans vlocht over Ariadne’s Kroon.

1; 202-218
Toen keerde Typhon zich naar beide zijden, schudde met zijn menigte armen de gordel van Zephyrus en de tegenover gelegen vleugel van Eurus, trok eerst aan Phosphorus, toen aan Hesperus en aan de top van Atlas. In de veelvuldig reinigende golven maakte hij zich meester van Poseidon’s rijtuig, en sleepte het vanuit de diepten van de zee naar het land; opnieuw trok hij een hengst aan zijn zoutverzadigde manen bij zijn onderzeese voederbak vandaan, en smeet het getergde paardje naar het gewelf van de hemel, zijn schot richtend op de Olympus – Zon’s wagen rakend, waardoor de paarden hinnikten onder het juk tijdens hun tocht. Vaak greep hij een rustende stier van zijn landelijke akker en schudde hem met dreigende hand, zo luid loeiend als hij kon, wierp hij hem dan tegen de Maan als een andere maan, haar koers vervolgend, zich haastend en tegen de godin sissend, die het toom controleerde van haar stier’s witte jukstrepen, terwijl hij het sterfelijke gefluit van een gifspuitende adder uitstootte.

De sterren verweren zich

1; 219-243
Maar de Titanide Selene week niet voor de aanval. Strijdend tegen de hoofden van de gigant, gehoornd net als zij, bezorgde ze velen een litteken met haar glimmende bol voorzien van stierenhoorns; en Selene’s stralende kudde loeide verbaasd bij de afgrond van Typhon’s keel. De Seizoenen bewapenden onverschrokken de bataljons van de sterren, en in een gedisciplineerde cirkel kwamen linies van de hemelse sterrenbeelden stralend naar de strijd, een gevarieerde troep maakte in de bovenlucht een luid kabaal met geraas en vlammen: sommigen onder leiding van Boreas, anderen in het westen onder Lips, of de oostelijke zone’s of in het rustige zuiden. Ook de onberoerde verzameling van vaste sterren verlieten hun plaatsen en sloten zich met anonieme toejuichingen aan bij hun reizende vrienden. De assen passerend door de hemelse leegte en stevig stand houdend in het midden, grommend tegen de herrie. Orion, de jager, die de horde van wilde beesten zag, trok zijn zwaard; het blad van de Tanagraïsche lichtte stralend op toen zijn meester hem gereed maakte om aan te vallen; zijn dorstige Hond schoot licht vanaf zijn moedige kin, een hete boer borrelende op uit zijn sterachtige keel, en in plaats van de normale stormloop blies hij stoom tussen zijn tanden vandaan tegen Typhon’s beesten. De lucht was vol met geraas, en, de in zeven zones opgedeelde hemel beantwoordend, schreeuwden de zevenkelige Plejaden een schreeuw uit evenzovele kelen als oorlogskreet; en opnieuw sloegen evenzovele planeten eenzelfde geluid uit.

1; 244-257
Stralende Ophiuchus, de Gigant’s verschrikkelijke slangachtige vorm ziende, schoot met machtige handen naar de kwade aanvallen van de grijze trossen vuurgeboren slangen, zijn gevlekte kronkelende projectielen, terwijl er een hevige storm rond zijn vlammen bulderde – en adderpijlen vlogen diagonaal en gekmakend door de lucht. Toen liet de Boogschutter een pijl vliegen, - die moedige kameraad van visachtige Aegocerus ; de Draak, verdeeld tussen de twee Beren, en zichtbaar in de cirkel van de Grote Wagen, zwaaiend met de vurige staart van de hemelse ruggengraat; de Ossenhoeder, Erigone’s buurman, oplettende bestuurder van de Wagen, slingerde zijn staf met flitsende arm; naast de knie van het beeld en zijn buurman de Zwaan, de stervormige Lier voorspelde de overwinning van Zeus.

Aanval op het land

1; 258-293
Nu verplaatste Typhon zich naar de rotsen, de hemel verlatend, om de zeeën te ranselen. Hij greep en schudde de piek van Corycius , en verstoorde de loop van de rivier die aan Cilicia behoort, verenigde Tarsus en Cydnus samen in een hand; toen slingerde hij een salvo van klippen naar de verzamelde golven van het zoute water. Toen de Gigant aanstalten maakte om met zijn voeten het water in te lopen, zijn naakte lende zichtbaar en niet bespat door het water, dat hevig daverend en dreunend brak tegen zijn middendij; zijn drijvende slangen begeleidden de aanval met sissende en zoutbeslagen kelen, en spuwend vergif de aanval op de zee leidde. Daar stond Typhon in de visgevende zee, zijn voeten stevig in de diepten van de wierachtige bodem, zijn buik in de lucht en in de wolken gepropt: een verschrikkelijk gebrul slakend met borstelige leeuwenmanen aan zijn gigantische hoofden, de zeeleeuw schuilde in de modderige golf. Er was niet voldoende ruimte in de diepte voor heel zijn slagorde aan zeemonsters, het aardgeboren monster bedekte een hele zee, groter dan het land, met flanken die geen zee kon bedekken. De zeehonden mekkerden, de dolfijnen scholen in het diepe water; de veelvoetige pijlinktvis, een meester van sluwheid, weefde zijn slepende web van verwarde knopen, vastgeklonken op zijn vertrouwde rots, liet zijn ledematen lijken op een patroon in de rotsen. Heel de wereld was in opschudding: de liefdesgekke lamprei zelf, getekend door haar passie voor het slangenbed, beefde onder de Godschendende adem van deze zeegaande slangen. De wateren stapelden zich op en raakten Olympus met gevaarlijk hoge en steile zeeën; terwijl de rivieren hoog klommen, de nooit door regen nat geworden vogel vond de zee als zijn buurman, en waste zichzelf. Typhon, hield een nagemaakte drietand uit de diepzee vast, met één aardschuddende vingerknip van zijn enorme hand brak hij een eiland af aan de rand van het vasteland die de begrenzing is met het zoute water, draaide het rond en rond, en wierp het geheel als een bal. En terwijl de gigant zijn oorlog voerde, zijn vliegende armen reisden vlak langs de sterren, en verduisterden de Zon, terwijl ze de Olympus aanvielen, wierp hij de steile rotspunt neer.

De bliksems missen hun meester

1; 294-320
Aan de grens van de diepte, het welgelegen fundament van de aarde, wapende deze namaak Zeus zijn handen met vuurflitsende bliksems: het gereedschap van Zeus optillen was zwaar werk voor het monster Typhon met zijn tweehonderd woedende handen, zo zwaar was het gewicht; terwijl Cronides het gemakkelijk met één hand tilde. Geen wolken waren er boven de Gigant: tegen zijn droge armen, de donder liet een mat klinkende vriendelijke toon gonzen zonder donderslag, de droge lucht liet nauwelijks een druppel dorstige dauw als sneeuwvlokken dwarrelen. De bliksem was mat, en alleen een zachte vlam scheen armoedig vonkend, als een losse flodder van vlammen. De bliksems waren in handen gevallen van een beginneling, en hun mannelijke vuur was geheel ontmand. Vaak slipten zij uit de vele handen en vlogen zigzaggend uit zichzelf weg, de brandmerken raakten verdwaald, de vertrouwde handen van hun hemelse meester missend. Zoals een man een paard slaat dat afkerig is van het bit – een vreemdeling, een niet onderwezen beginneling, een koppig klein rijpaard slaand, terwijl hij het vergeefs opnieuw en opnieuw probeert, instinctmatig kent het koppige dier de wisselende hand van een onervaren menner, wild springend, zijn achterste recht in de lucht en zijn achterhoeven onbeweeglijk staand, steigerend met zijn voorpoten en trappelend naar voren, zijn nek heffend totdat de manen in één keer over zijn brede schouders waren geschud: zo werkte het monster met de ene of de andere hand om de vluchtende flitsen van de tierende bliksems op te tillen.

Jaloerse Hera

1; 321-325
Welnu, op hetzelfde tijdstip dat Cadmus tijdens zijn zoektocht een bezoek bracht aan Arima, zette de zeevarende stier het meisje van zijn schoften neer, geheel droog, op de kust van Dicte ; maar Hera zag Cronides trillen van begeerte, en gek van jaloezie riep ze met een boze lach:

1; 326-343
‘Phoebos, ga naar en blijf bij je vader, anders zal een of andere ploegsman hem grijpen en voor een aardschuddende ploeg zetten. Ik wens dat iemand hem zal grijpen en aan het ploegen zet! Dan kan ik naar mijn heer roepen – ‘Leer nu twee prikkels te verdragen, Eros en de boeren! Je moet waarlijk de heer van de weilanden zijn’. Mijn lieve boogschutter, en hoed je vader, of de veedrijver Selene mag Cronides onder het juk brengen, ze mag Zeus’ rug met haar genadeloze zweep striemen wanneer ze zich haast naar het bed van de herder Endymion! Zeus uwe majesteit! Het is jammer dat Io je niet zag toen jij aankwam om haar te behagen, toen ze zelf een vaars met hoorns op haar voorhoofd was! Ze zou je een kleine stier hebben gebaard net zo gehoornd als zijn vader! Kijk uit voor Hermes! Die vakkundige veedief zou denken dat hij een stier wegneemt terwijl hij zijn eigen vader steelt! Dan kun je jouw lier opnieuw aan je zoon Phoebos geven, als prijs voor de ontvoerde ontvoerder. Maar wat kan ik doen? Leefde Argus nog maar, alom ziend met zijn slapeloze ogen, dat hij Hera’s menner mag zijn, en Zeus naar een of ander ontoegankelijk weiland mag slepen, en zijn flanken met een herdersstaf zal prikkelen!’

Zeus maakt Europa zwanger

1; 344-351
Zo sprak Hera. Maar Cronides verliet zijn stierengedaante, en in de gedaante van een jongeman liep hij rond het onschuldige meisje. Hij beroerde haar ledematen, verwijderde eerst het lijfje om haar boezem, drukte als bij toeval de zwellende cirkel van haar stevige borst, kuste de punt van haar lip, toen verwijderde hij stilletjes de heilige gordel van ongetrouwde maagdelijkheid, zo goed bewaakt, en plukte het amper rijpe fruit van de liefde.

Het sterrenbeeld Stier

1; 352-362
Snel zwol haar buik, snel met twee nakomelingen; en echtgenoot Zeus gaf zijn bruid met de goddelijke nakomelingen in haar buik, aan Asterius , een gemaal van rijke afkomst. Toen rees bruidegom Stier van Olympus stralend naar de sterren tot bij de hoek van de Wagenmenner, hij die zijn dauwliefhebbende rug voor de Zon houdt in de lente, ineengedoken op zijn billen zit over het pad als hij klimt: half ondergedompeld in zee, hij vertoont zich terwijl hij zijn rechtervoet naar Orion uitsteekt, en ’s avonds stapt hij in de cirkel en passeert de Wagenmenner die samen met hem opkomt om zijn baan te lopen. Zo vestigde hij zich in de hemel.

Zeus en Cadmus smeden een complot

1; 363-376
Maar Typhon hield niet langer het gereedschap van Zeus vast. Want Zeus Cronides verliet nu samen met boogschutter Eros de poolcirkel, en ontmoette de zwervende Cadmus tijdens diens zoektocht temidden van de bergen; toen bedacht hij samen met hem een ingenieus plan, en vlocht dodelijke draden van de Moiren’s spoel voor Typhon. En geitenhoeder Pan die met hem meeging gaf almachtige Zeus kudden en schapen en rijen gehoornde geiten. Toen bouwde hij een hut met matten van gevlochten riet en verankerde die in de grond: hij kleedde Cadmus in herderskleding, zo dat niemand hem zou herkennen in zijn vermomming, toen hij zijn valse herder had aangekleed met zijn zogenaamde kleren; gaf hij slimme Cadmus de misleidende panfluit, onderdeel van het plan om Typhon naar zijn dood te leiden.

1; 377-408
Toen riep Zeus de valse herder en de gevleugelde beheerser van generaties bij zich, en onthulde dit eenvoudige plan: ‘Kijk levendig, Cadmus, blaas op je fluit en het zal mooi weer worden in de hemel! Talm, en Olympus is verslagen! Want Typhon is gewapend met mijn hemelse wapens. Mij is alleen de Aegis-mantel gebleven, maar wat kan mijn Aegis tegen Typhon’s bliksems doen? Ik vrees dat de oude Cronus luid zal lachen, ik ben bedeesd voor de trots van mijn hooghartige tegenstander Iapetus! Ik vrees Hellen zelfs meer, die moeder van romances – wat als één van dat geslacht Typhon Heer van de regen noemt, of Hoogste, en regeert in de Hoogte, mijn naam bezoedelend! Word voor één ochtend een herder; speel een melodie op je geestvervoerende fluit, en redt de Herder van het Heelal, dat ik niet het geluid van de Wolkenverzamelaar Typhon zal horen, of de donders van een bedrieglijke nieuwe Zeus, dat ik zijn strijd met donderslagen en het werpen van bliksems moge stoppen! Als het bloed van Zeus in jou is, en het geslacht van Inachische Io, betover dan Typhon’s zinnen met het oppermachtige middel van je arglistige fluit en zijn melodie! Ik zal je ruimschoots belonen voor je dienst, twee geschenken: Ik zal je redder van de wereldvrede maken, en de echtgenoot van vrouwe Harmonia. Ook jij, Liefde, oorspronkelijke grondlegger van het vruchtbare huwelijk, span je boog, en het heelal zal niet langer op drift zijn. Als alle dingen van jou komen, vriendelijke herder van het leven, schiet dan één schot meer en redt alle dingen. Als vurige god, wapen jezelf tegen Typhon, en laat met jouw hulp de vurige bliksems terugkeren naar mijn hand. Alles-overwinnende, sla toe met jouw vuur, en laat jouw betoverende schot iemand raken die niet door Cronides verslagen kon worden; en laat hem gek worden van de geestvervoerende melodie van Cadmus, net zoveel als dat ik passie voelde voor Europa’s omhelzing!’ Na deze woorden liep Zeus weg in de gedaante van een gehoornde stier, naar wie de berg Taurus vernoemd is.

De valstrik voor Typhon

1; 409-426
Cadmus begon de bedrieglijke noten te spelen op zijn harmonieuze fluit, terwijl hij achterover leunde onder een in de buurt staande boom in het grazige bosland; gekleed in de plaatselijke dracht van een echte herder, hij zond de bedrieglijke tonen naar Typhon’s oren, zijn wangen bollend om met zachte adem te blazen. De Gigant hield van muziek, en toen hij deze bedrieglijke melodie hoorde, sprong hij op en sleepte zich voort met adderachtige voeten; de vlammende wapens van Zeus liet hij achter in een grot met moeder Aarde om hen te bewaken, en volgde de noten om naar de dichtbij zijnde muziek van de fluit te zoeken welke zijn ziel in verrukking bracht. Daar werd hij vlakbij de bosjes gezien door Cadmus, die bang werd en zich verschool in een spleet in de rotsen. Maar het monster Typhon met zijn hoofd hoog in de lucht zag hem proberen zich te verschuilen, en wenkte met geluidloze signalen, noch begreep hij de list in deze prachtige muziek; toen van aangezicht tot aangezicht met de herder, stak hij een rechterhand uit, blind voor het net van verwoesting, en met zijn middelste gezicht, bloedrood en menselijk van vorm, lachte hij luid en barstte uit in lege grootspraak:

1; 427-438
‘Waarom vrees je me, geitenhoeder? Waarom bedek je met de hand je ogen? Een mooi wapenfeit zou het denk ik zijn om een sterfelijk mens te achtervolgen, na Cronides! Een mooi wapenfeit om alleen een fluit weg te dragen met de bliksem! Wat heeft een fluit te maken met de donder? Houd je fluit, want Typhon achtervolgt een ander soort instrument, de Olympiër, die uit zichzelf speelt! Daar zit Zeus, zonder zijn wolken, handen die geen gedonder meer veroorzaken, niets van zijn normale geluid – hij kan het doen met jouw fluit. Laat hem jouw kleine fluit hebben om mee te spelen. Ik verzamel geen rij waardeloze fluiten om mee te zwaaien, maar stapel wolken op wolken tot een berg, en laat dan in één keer een dreun horen die dondert door de hele lucht!

Typhon paait Cadmus

1; 439-480
‘Laten we een vriendschappelijke wedstrijd houden, als je wil. Kom op, jij maakt muziek en speelt op je fluit, ik zal donderen met mijn dondermuziek. Jij pompt je wangen bol met lucht, en blaast met je lippen, maar Boreas is mijn blazer, en mijn donderslagen zullen bulderen wanneer zijn adem hen ranselt. Veedrijver, ik zal je betalen voor je fluit: wanneer ik de scepter zal vasthouden in plaats van Zeus, en de hemelse troon bezit, dan kom je met me mee; de aarde verlatend zal ik je naar de hemel brengen met fluit en al, samen met je kudde als je wil, je zult niet gescheiden worden van je kudde. Ik zal je geiten laten grazen op de ruggengraat van Aegocerus, een van hetzelfde geslacht; of vlakbij de Wagenmenner, die de stralende Olenische Zij-geit duwt naar Olympus met zijn sprankelende arm. Ik zal je kudde plaatsen naast de brede schouder van regenachtige Stier en maak van hen sterren die rijzen in Olympus, of vlakbij het dauwachtige draaipunt waar Selene’s kudde een winderig loeien laten horen vanuit hun levensverwarmende kelen. Je zult niet verlangen naar je kleine hut. In plaats van tussen de struiken, je vee zal schitteren tussen de hemelse Kinderen: ik zal voor hen een nieuwe stal maken, die net zo mooi zal stralen naast Ezels’ stal. Wees zelf een ster in plaats van een herder, daar waar de Ossendrijver zichtbaar is; wordt zelf een sterrenherder, en stuur Beer’s Lycaonische wagen. Blije herder, wordt hemelse Typhon’s gast aan tafel: begin vandaag te spelen op aarde, en morgen in de hemel! Je zult rijkelijk beloond worden voor je lied: Ik zal je gedaante vestigen in de door sterren beschenen cirkel van de hemel, en je toonrijke fluit samenvoegen met de hemelse Lier. Als je wil, zal ik je Athena geven als heilige bruid: wanneer je niet om Grijsoog geeft, neem dan Leto, of Charis, of Cythera, of Artemis, of Hebe als vrouw. Vraag me alleen niet om het bed te delen van mijn Hera. Als je een paardenmeester als broeder hebt die een span paarden kan besturen, laat hem dan Helios’ vurige vierspan nemen. Als je wilt zwaaien met de geitenhuiden mantel van Zeus, om een geitenhoeder te zijn, zal ik je dat ook als geschenk geven. Ik ben van plan om onbezorgd naar de Olympus en onbewapende Zeus te marcheren; en wat kan Athena mij aandoen met haar wapens? – een vrouw! Doe mee ‘Zie hoe de strijdbare Typhon komt’, jij herder! Zing over de nieuwe wettige vorst van Olympus, die de scepter van Zeus en zijn mantel van lichtflitsen draagt!’

Het antwoord van Cadmus

1; 481-485
Hij sprak, en Adrasteia nam zover kennis van zijn woorden. Maar toen Cadmus begreep dat de zoon van Aarde gegrepen was door het Noodlot’s in haar jagersnet, een willige gevangene, gegrepen door de verrukkelijke list van deze zielverkwikkende fluit, sprak hij zonder te lachen deze kunstige toespraak:

1; 486-506
“Je hield van de muziek van mijn fluit, toen je die hoorde; vertel me, wat zul je doen wanneer ik een hymne van overwinning speel op de harp met de zeven snaren, om jouw troon te eren? Inderdaad, ik hield een wedstrijd met Phoebos en zijn hemelse fluit, en versloeg hem met mijn eigen harp, maar Cronides verbrandde mijn mooie snaren met een bliksem, om zijn verslagen zoon een plezier te doen! Maar als ik ooit weer de zwellende pezen zal vinden, zal ik een lied spelen met mijn fluit die al de bomen en de bergen en alle wilde beesten zal betoveren. Ik zal Oceanus terugdringen, die koninklijke aardeomspanner even oud als de aarde zelf. Ik zal hem opjagen en zijn water terug laten stromen naar zichzelf via de weg die hij gekomen is. Ik zal het leger van vaste sterren weerstaan, en de voorthaastende planeten, en Phaëthon , en Selene’s wagenstok. Maar wanneer jij Zeus en de goden verslaat met je bliksems, spaar dan alleen de Boogschutter, terwijl Typhon feest viert aan zijn tafel, zullen Phoebos en ik een wedstrijd houden, en zien wie dan wie zal verslaan in het huldigen van de machtige Typhon! En dood ook de dansende Piëriden niet, opdat zij een betovering leggen op het harmonieus samenliggen van vrouwen en ons mannelijke lied wanneer Phoebos of jouw herders de gelukkige dans leiden!’

Typhon geeft de pezen van Zeus aan Cadmus

1; 507-512
Hij was uitgesproken; Typhon boog zijn flitsende wenkbrauwen en schudde zijn lokken: elke haar droop van het addergif en doorweekte de heuvels. Snel ging hij terug naar zijn grot, greep de pezen van Zeus en bracht ze naar buiten, daar gaf hij ze als een gastgeschenk aan de listige Cadmus; ze waren op de grond gevallen tijdens de strijd met Typhon.

1; 513-518
De bedrieglijke herder dankte hem voor zijn onsterfelijke gift; hij behandelde de pezen met zorg, alsof ze gespannen moesten worden op de harp, en verstopte ze in een hol in de rotsen, veilig bewaard voor Zeus de Gigantendoder. Toen liet hij zacht en teder met samengetrokken lippen zijn adem ontsnappen, noten strelend terwijl hij de fluit bespeelde, en liet een wijsje horen sierlijker dan ooit. Typhon stak al zijn armen in de lucht en luisterde naar de melodie, en wist van niets meer. De Gigant was betoverd, terwijl de valse herder speelde aan zijn zijde, alsof hij de doden tot leven wilde wekken met zijn fluit; maar hij vierde de op handen zijnde zege van Zeus, en bezong het lot van Typhon aan Typhon die naast hem stond. Zo dreef hij hem tot waanzin, en zoals een lustige jeugdige verliefde wordt betoverd door de heerlijke vibraties van een even oud meisje naast hem, en staart naar de halo rondom haar lieve gezicht, of naar een verdwaalde lok van haar dikke haar, dan weer naar haar rossige hand, of de rondingen van haar net ontluikende borsten ontwaart, en dan weer naar haar blote nek kijkt, of genoegen vindt om zijn ogen nooit tevreden telkens en telkens weer langs haar lichaam te laten glijden, en dit meisje nooit wil verlaten – zo gaf Typhon heel zijn ziel aan Cadmus door die bekorende melodie.

© 2017 Maarten Hendriksz