Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Megara

Bron: theoi.com

Naar het Nederlands vertaald door Maarten Hendiksz.

Inleiding

De Megara is een anoniem Griekse gedicht uit de Hellenistische periode, en misschien wel gecomponeerd in de 3e of 2e eeuw voor Christus. Het is een Grieks bucolisch gedicht in de stijl van Theocritus, en wordt soms ook toegeschreven aan deze dichter.

Dit gedicht geeft een beeld van de vrouw en de moeder van Heracles in zijn huis in Tiryns terwijl hij in het buitenland zijn Werken uitvoert. De twee vrouwen zitten huilend binnen. Zijn vrouw jammert over diens waanzinnige moord op hun kinderen, en geeft omzichtig signalen af aan de moeder dat zij meer sympathie aan haar zorgen kan schenken en niet voortdurend over die van zichzelf moet jammeren. Waarop de oude Alcmene antwoord: ‘Tot aan vandaag is daar voldoende kwaad over gezegd.’; maar vanwege haar eigen angst over de veiligheid van de zwoegende Heracles, nu aangewakkerd door een kwade droom, is dit aanleiding genoeg, God weet het, voor weeklachten, voelt ze ook, zoals Megara zeer goed weet, met haar treurende dochter mee.

Megara

1-18
De vrouw van Heracles, Megara, zegt tegen zijn moeder:
‘O lieve moeder, waarom is je hart zo terneergeslagen door dit grote verdriet, en kwijnt de blos op je wangen weg? Waarom ben je, lieverd, zo verdrietig? Komt het omdat je zoon met talloze problemen wordt opgescheept door een waardeloze man, zoals een leeuw opdracht krijgt van een hert? O gezegend is de dag dat de Goden me deze oneer stuurden, en ik helaas zo’n slecht te verduren lot moest dragen! Wee mij die het bed moest delen met een man die uiterst eervol was, ik die hem hoogachtte als het licht van mijn ogen en tot aan de dag van vandaag met heel mijn hart aanbidt, maar bleef leven om hem als de meest ellendige en beste voorbeeld van leed in de wereld te zien! O ellende die de, door de grote Apollo geschonken, boog en pijlen van de Doodsgeest (Ker) of Erinye bleken te zijn, zodat hij gek van waanzin ronddoolde in zijn eigen huis en zijn eigen kinderen doodde, ze van hun lieve leven beroofde en het huis met moord en bloed vulde.

19-40
Ja, met mijn eigen rampzalige ogen zag ik hoe mijn kinderen door de hand van hun eigen vader werden getroffen, iets dat bij een ander zelfs niet in zijn droom kon gebeuren. En zij huilden allemaal en riepen om hun moeder die hen niet kon helpen, zo verschrikkelijk en niet te vermijden kwam dit kwaad over hen heen. Maar net zoals een vogel, die jammert om haar nestelingen die één voor één worden verslonden door een akelige slang in het struikgewas, heen en weer vliegt, de arme krankzinnig geworden moeder, krijsend boven haar kinderen, en niet in de buurt kan komen om hen te helpen vanwege haar eigen enorme angst voor dat meedogenloze monster; op dezelfde wijze snelde deze ongelukkigste van alle moeders waanzinnig heen en weer door heel het huis, huilend van ellende om haar heerlijke kinderen. O vriendelijke Artemis, grote koningin voor de arme vrouwen, ik wou dat ook ik gevallen was met een giftige pijl in mijn hart en gestorven zou zijn! Dan zouden mijn ouders voor mij gezorgd hebben en om ons allen gehuild, met diverse rituelen ons op een brandstapel gelegd, en alle as in één gouden urn verzameld hebben om die te begraven in het land waar wij geboren zijn. Maar helaas, zij wonen in het Thebaanse land der paarden en ploegen de klei van de Aonische laaglanden, terwijl ik in het oude Tiryns in de greep van Hera verkeer, en mijn hart door vele pijnen gegeseld wordt met een onophoudelijke, voortdurende tranenvloed.

41-55
En wat mijn echtgenoot betreft, mijn ogen hebben hem slechts een klein deel van de tijd in ons huis mogen aanschouwen, ziende dat hij over land en zee zoveel Werken te verrichten had in het buitenland met dat dappere hart van hem dat zo sterk was als steen of staal; en wat u aangaat, u vergiet tranen als water, elke lange dag en nacht die Zeus aan de wereld heeft geschonken huilend: iemand anders van mijn familie kan mij beter komen troosten; maar zij wonen niet in de buurt, zij wonen allemaal ver weg voorbij de beboste Isthmus, en heb dus ik niemand om mij te troosten, zoals driewerf ellendige vrouwen nodig hebben om hun hart op te beuren – alleen mijn zuster Pyrrha, en die heeft haar eigen zorgen om haar man Iphicles, en wat uw zoon betreft, ik denk dat er in de wereld geen andere vrouw te vinden is die zulke noodlottige kinderen gebaard heeft die een God en een man bij u verwekten.

56-68
Zo sprak Megara, de als appels zo grote tranen vielen in haar mooie boezem, eerst door de gedachte aan haar kinderen en daarna door die aan haar vader en moeder. Alcmene, maakte op dezelfde manier haar bleke wangen nat door de tranen, en sprak na een diepe zucht wijze woorden tot haar dochter: ‘Mijn arme meisje,’ zei ze, ‘wat is er met je verstandige hart gebeurt? Hoe komt het dat je ons bereiden ongerust maakt met dit gepraat over onvergetelijke zorgen? Je hebt hiervoor zo vele keren over hem gehuild; is de ellende die elke dag op ons afkomt niet genoeg voor je? Zeker, als iemand onze veelvuldige ellende kende zou hij een ware liefhebber van weeklachten worden. Maar houdt moed; de Hemel heeft niet nog meer ellende voor ons in petto.

69-90
En meer valt er niet te vertellen, lief kind, over je verdriet; want ik zie steeds zwaardere Werken van ellende voor me, en ik weet dat God weet wat het betekend om zo pijnlijk gekweld te worden wanneer de vreugdevolle jaren van het leven zo walglijk zijn, en ik ben uiterst verdrietig en heb spijt dat jij moet deelnemen aan het verderfelijke geluk dat zo zwaar boven ons hangt. Want ik zweer bij het Meisje , en bij de beroofde Demeter – en tegen iedereen die willens en wetens kwade opzet heeft zweer ik dat die het zwaar zal bezuren – ik heb je niet minder lief dan wanneer je uit mijn baarmoeder was gekomen en de enige lieve dochter in mijn huis zou zijn geweest. En ik denk dat je dat zelf heel goed beseft. Waarom zeg je nooit, lieverd, dat ik je niet naar je luister, hoewel ik sneller moet huilen dan de mooigelokte Niobe zelf. Want zelfs zulke jammerklachten als die van haar zijn geen schande om geslaakt te worden door een moeder over het noodlot van een kind; ik was negen maanden ziekelijk dik van hem terwijl ik hem niet zag, en hij bracht me dicht bij de Bewaker van de Doodpoort, zo hevig waren de geboorteweeën van hem; en nu is hij vertrokken voor een nieuw Werk, alleen in een vreemd land, noch kan ik zeggen, nog meer ellende, of ik hem terug zal zien of niet.

91-121
Erger nog, mijn heerlijke slaap is verstoord door een verschrikkelijke droom, en dit vijandige beeld maakt me buitengewoon bang dat dit werk iets ongewenst laat gebeuren met mijn kinderen. Er verscheen voor mij, een trouwe houweel, zoals die wordt gebruikt om te arbeiden, hij groef een greppel langs de rand van een ontluikend veld, en had geen mantel of wambuis met aan. Toen hij gereed was met het werk aan de sterke omheining van de wijngaard, stak hij de spade in de hoop aarde die hij had uitgegraven en trok de kleren aan die hij daarvoor had gedragen; maar kijk, daar verscheen boven de diepe geul een onblusbaar vuur, en er verscheen een prachtige grote vlam boven hem. Toen dit gebeurde liep hij snel achteruit, en snelde weg om aan de onheilspellende macht van de God van het Vuur te ontsnappen, terwijl hij de houweel constant voor zijn lichaam hield als een schild en zijn ogen alle kanten op spiedden, opdat het verterende vuur hem niet in brand zou steken. Toen dacht ik dat de edele Iphicles, bereid om hem te helpen, uitgleed toen hij bij hem in de buurt kwam, en op de grond viel, maar niet meer op kon staan; ja, hij lag daar hulpeloos als een zwakke oude man die vanwege vreugdeloze ouderdom was gevallen, liggend op de grond en moest blijven liggen, totdat een voorbijganger, uit eerbied voor zijn grijze baard, hem bij de hand nam en overeind hielp. Zo sleepten zij Iphicles mee; en wat mij betreft, ik huilde vanwege de hachelijke situatie waarin mijn kinderen verkeerden, totdat de heerlijke slaap uit mijn ogen was verdwenen, en zie, daar kwam de sierlijke dageraad.

122-125
Dit zijn de dromen, lieveling, de me de hele nacht verontrustten; en ik bid dat zij alle kwaad van ons huis mogen weren om ellende te brengen over Eurystheus; tegen hem is de voorspelling van mijn ziel gericht, en het Noodlot geeft daartoe bevel, alleen dat, voor de vervulling ervan.’

© 2017 Maarten Hendriksz