Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Ovidius - Fasti (De Romeinse kalender)

Bron: theoi.com

Ovid. Fasti. Translated by Frazer, James George. Loeb Classical Library Volume. Cambridge, MA, Harvard University Press; London, William Heinemann Ltd. 1931. Naar het Nederlands vertaald door Maarten Hendriksz 2012.

Boek 1 - Januari

Inleiding op de kalender

1; 1-26
Ik wil zingen over de kalender van het Latijnse jaar, haar ontstaan, en de sterrenbeelden die op en ondergaan boven de aarde. Ceasar Germanicus stemde met een knik van zijn hoofd in met dit werk en stuurt de beschroomde reis van mijn schip. Versmaad deze eer niet lichtvaardig, maar kom genadig als een god om deze hulde die ik u zwoer in ontvangst te nemen. Hier zult u opnieuw over de onaardse heilige riten uit oude analen lezen, en leren hoe iedere dag zijn eigen specifieke kenmerken heeft verkregen. Hier zult u ook de festivals vinden die betrekking hebben op uw huis. Vaak zult u de namen van uw vader en grootvader op het papier aantreffen. De lauweren die hen toekwamen en de gepijnigde kalender sieren, ook daar zult u kennis mee maken in gezelschap van uw broer Drusus. Laat anderen over Ceasar’s oorlogen zingen. Ceasar’s altaren zijn mijn thema en de dagen die hij aan de heilige lijst heeft toegevoegd. Keur mijn inspanningen goed om te verhalen over de lof van uw verwanten, en verwijder het angstige beven van mijn hart. Wees mild voor mij, om zo kracht aan mijn lied te verlenen. Door uw blik moet mijn Muze staan of vallen. Ik huiver als mijn geschrift aan het oordeel van een wijze prins wordt onderworpen, of wanneer het naar de Clariaanse god wordt gestuurd om te lezen. Op uw beschaafde lippen woont welsprekendheid, zoals we hebben gezien, toen deze burgerlijke wapens werden ingezet ter verdediging van bevende gevangenen achter tralies. En wanneer uw verbeelding zich wendt tot poëzie, weten we hoe breed de rivier van uw genialiteit vloeit. Als het goed en wettig is, Geleid dan de teugels van de dichter, zodat met uw bescherming het jaar haar volledige loop gelukkig kan voltooien.

1; 27-44
Toen de grondlegger van de Stad de kalender opstelde, bepaalde hij dat er tweemaal vijf maanden in zijn jaar zaten. Jazeker, Romulus, u was beter met zwaarden dan met sterren, en het verslaan van uw buren was uw grootste zorg. Toch, Ceasar, is er een reden die hem mogelijk bewogen heeft, en voor zijn fout een dringend pleidooi aanvoert. De tijd die volstaat voor een kind om uit de schoot van een moeder te komen, achtte hij toereikend voor een jaar. Want een vrouw draagt na de dood van haar net zoveel maanden de tekenen van verdriet in haar verweduwde huis. Deze zaken had Quirinus, toen, in zijn gestreepte toga op het oog, toen hij aan zijn wetten aan het gewone volk die het jaar moesten reguleren. De maand van Mars was de eerste, en die van Venus de tweede. Zij was de schepper van het ras, en hij hun vader. De derde maand ontleent zijn naam van de oude, en de vierde van de jeugd. De maanden die er achter aan kwamen werden onderscheiden door nummers. Maar Numa zag Janus en de voorouderlijke schaduwen niet over het hoofd, en zo liet hij de oude maanden voorafgaan door twee anderen.

1; 45-62
Maar opdat jij niet onbekend zult zijn met de regels van de verschillende dagen, niet elke ochtend kent dezelfde regels. De dag waarop de drie woorden niet besproken mogen worden is onwettig. Een legale dag is de dag dat gerechtshoven open zijn. Maar je moet niet denken dat elke dag dezelfde regels heeft gedurende zijn volledige lengte. Een wettige dag kan onwettig zijn in de ochtend. Want zodra de priesters aan de god geofferd hebben, kunnen alle woorden wettig uitgesproken worden, en geniet de praetor recht van vrije meningsuiting. Er zijn ook dagen, waarop het volk haar stem legaal kan uitbrengen in de stemhokjes. Er zijn ook dagen die telkens in een cyclus van negen terugkeren. Ausonia’s Kalender claimt de verering van Hera. Op de Ides was een groot wit ooi het offer voor Zeus. De Nones kenden geen beschermende goden. De dag volgend op al deze dagen – vergis je niet – is zwart. Het voorteken is ontleend aan de gebeurtenis. Want op deze dagen lijdt Rome zware verliezen vanwege de fronsende Ares. Deze opmerkingen zijn op de hele kalender van toepassing. Ik heb ze voor eens en voor altijd opgeschreven, zodat ik niet gedwongen ben om de draad van mijn verhaal te onderbreken.

Kal. Jan. 1e

1; 63-88
Zie Janus komt, Germanicus, de bode van een gelukkig jaar voor u, die in mijn lied prioriteit geniet. Tweekoppige Janus, opener van het kalm voortkabbelend jaar, U die als enige van de hemelingen uw rug kan zien. O kom genadig naar de leiders die zwoegen om vrede te brengen over de vruchtbare aarde, vrede op zee. En kom genadig naar uw senatoren en naar het volk van Quirinus, en ontsluit uw witte tempels met een hoofdknikje. Een gelukkige morgen breekt aan. Naar mooie toespraken, naar mooie gedachten hunker ik! Nu moeten er eerbare woorden gesproken worden op een eerbare dag. Laat oren ontdaan worden van verstoppingen, en verban onmiddellijk dwaze geschillen! Jij haatdragende tong, verdaag uw kwaadsprekerij! Merk hoe de hemel schittert van de geurige vuren, en hoe het Siciliaanse saffraan kraakt in de aangestoken haarden? De luisterrijke vlam weerkaatst in het gouden dak van de tempel. De processie wendt zich in smetteloze kleding naar de Tarpeiaanse torens. De mensen dragen de kleur van een feestdag. En nu leiden nieuwe scepters van dienst de weg, nieuw paars gloort, en een nieuw gewicht wordt door de van verre zichtbare ivoren stoel gedragen. Vaarzen, nog nooit ingespannen onder het juk, offeren hun nekken aan de bijl, vaarzen die het grasveld begraasden van de ware Faliscaanse vlakte. Wanneer Zeus vanuit zijn citadel over de hele wereld uitkijkt, ontmoeten zijn ogen niets anders dan het Romeinse rijk. Heil, gelukkige dag, en keer steeds gelukkiger terug, dag die het waardig is om heilig te worden geacht door een volk dat heer en meester is in de wereld.

1; 89-144
Maar welke god ben ik om over u te spreken, Janus van de dubbele vorm? Want Griekenland heeft geen goddelijkheid als u. De reden, ook, waarom u als enige hemeling zowel vooruit als achterom kan kijken. Terwijl ik zo peins, met de schrijftabletten in mijn hand, denk ik dat het huis helderder lijkt dan voorheen. Dan biedt plotseling een heilige Janus, in zijn tweevormige gedaante, zijn dubbele visie aan voor mijn verwonderde ogen. Angst overvalt me, mijn haar staat recht overeind op mijn hoofd, en mijn borst bevriest van een plotselinge koude. Hij, met in zijn rechterhand de scepter en in zijn linker de sleutel, richt met zijn voorste mond deze uitspraak tot mij: ‘Negeer uw angst, neem dit antwoord, moeizame zanger van de dagen, en let op mijn woorden. De ouden noemden mij Chaos, want ik ben een wezen van oudsher. Ik observeer de lange, lange eeuwen waarover mijn lied zal vertellen. Gindse heldere lucht en de drie andere elementen, vuur, water en aarde waren allen opeengehoopt. Toen eens, vanwege de strijd van de elementen, de massa uiteen ging, ontbonden werd, gingen zij verschillende kanten op om nieuwe woonplaatsen te zoeken, vuur zocht de hoogte, lucht vulde de lagere gebieden, terwijl aarde en zee er onder daalden. Het was toen dat ik, tot die tijd slechts een bol, een vormeloze massa, het gezicht en lichaam van een god aannam. En zelfs nu, als kleine verwijzing naar mijn vroegere chaotische toestand, zien mijn voor- en achterkant er hetzelfde uit. Luister nu naar de andere reden van deze gedaante waarnaar je vroeg, zodat je die zult weten en ook mijn taak. Wat je ook maar om je heen ziet – lucht, zee, wolken, aarde – al deze zaken worden bestuurd door mijn hand. De heerschappij over dit uitgestrekte universum is voorbehouden aan mijn handen, en niemand anders dan ik heerst over de draaiende polen. Wanneer ik besluit om de vrede uit de rustige zalen te laten vertrekken, wandelt zij vrij en ongehinderd weg. Maar de wereld zou een chaos van bloed en slachtingen moeten verdragen, wanneer onbuigzame tralies de gebarricadeerde oorlogen niet zouden tegenhouden. Ik zit aan de poort van de hemel met de lieflijke Uren. Ik regel het komen en gaan van Zeus zelf. Daarginds is Janus mijn naam, maar wanneer de priesters mij een gerstecake brengen en tarwe vermengd met zout, zou je lachen als je de namen hoort die hij mij geeft, want door hun offerachtige mond wordt ik nu eens Patulcius en dan weer Clusius genoemd. Door deze wrede ouderdom verandert mijn functioneren gelijktijdig met het veranderen van mijn naam. Mijn bezigheden heb ik nu verteld. Ontdek nu de reden voor mijn gedaante, maar die heb je waarschijnlijk al deels ontdekt. Iedere deur heeft twee zijden, deze en die aan de andere kant, met aan de ene kant de gezichten van de mensen en aan de andere kant de huisgod. En net als de menselijke deurwacht, gezeten op de drempel van de huisdeur, ziet wie er in en uit gaat, zie ik, de deurwacht van de hemelse tuin, oost en west in één oogopslag. Jij ziet de gezichten van Hecate in drie richtingen kijken opdat zij het kruispunt kan bewaken waar deze zich vertakt in drie verschillende richtingen. En omdat ik tijd zou verliezen door mijn nek te verdraaien, ben ik nu vrij om beide kanten op te kijken zonder draaien.’

1; 145-160
Zo sprak de god, en beloofde met een blik dat, wanneer ik hem graag nog meer wilde vragen, hij niet afwijzend zou antwoorden. Ik vatte moed, bedankte bedaard de god, en sprak een paar woorden met mijn ogen op de grond gericht: ‘Kom, vertel, waarom begint het nieuwe jaar in het koude seizoen? Het zou beter zijn als het in de lente begon. Dan bloeien alle dingen, dan vernieuwt tijd zijn leeftijd, en zwelt in de kronkelende wijnstok een nieuwe knop. De boom is gedrapeerd met versgevormde bladeren, en uit de aarde ontspruiten de bladeren van het koren. In de warme lucht klingen vogels met hun gekweel. Het vee dartelt uitgelaten in de weiden. Dan is de zonneschijn heerlijk, de onbekende zwaluw komt en bouwt zijn kleiachtige structuur onder de beschaduwde balk. Dan wordt de grond onderworpen aan landbouw en vernieuwd door de ploeg. Dat is het seizoen dat met recht Nieuwjaar genoemd kan worden.’

1; 161-164
Zo zei ik uiteindelijk. Hij antwoordde kort en bondig, en sprak zijn woorden in twee verzen aldus uit: ‘Midwinter is het begin van een nieuwe zonnecyclus en het einde van een oude. Phoebos en het jaar nemen het hetzelfde punt als start.’

1; 165-170
Vervolgens vroeg ik mij af waarom de eerste dag niet was vrijgesteld van rechtszaken. ‘Luister naar de reden,’ sprak Janus. ‘Ik wees de verjaardag van het jaar toe aan het zakendoen, opdat het geheel niet geïnfecteerd wordt door luiheid. Om dezelfde reden volgt elke man eenvoudig zijn roeping, maar doet niet meer dan getuigen over zijn gebruikelijke werk.’

1; 171-188
Vervolgens vroeg ik, ‘Waarom, Janus, terwijl ik andere goden gunstig stem, breng ik wierook en wijn als eerste van iedereen naar u?’ hij zei, ‘Het is door mij, die waakt over de drempels, dat je toegang hebt tot welke god je verkiest’. ‘Maar waarom worden er vreugdevol over uw Kalender gesproken? En waarom geven en ontvangen wij goede wensen?’ Toen, leunend op de staf die hij in zijn rechterhand had, antwoordde de god: ‘Voortekens zijn gewoongoed,’ zei hij, ‘om op het begin te wachten. Bij het eerste woord spits jij je angstige oren. Als hij de eerste vogel ziet ontvangt de voorspeller zijn aanwijzing. (op de eerste dag) zijn de tempels en oren van de goden open, de mond uit geen vruchteloze gebeden, en hebben woorden gewicht.’ Zo eindigde Janus. Ik bleef niet lang stil, en sloot op zijn laatste woorden aan met die van mijzelf: ‘Wat betekenen de geschenken van dadels en gerimpelde vijgen?’ zei ik, ‘en glinsterende honing in sneeuwwitte kruiken’? ‘Het is omwille van het voorteken,’ zei hij, ‘dat de gebeurtenis aan de smaak zal voldoen, en dat het hele jaar zoet moge zijn, net als het begin.’

1; 189-226
‘Ik snap,’ zei ik, ‘waarom zoetigheid wordt geschonken. Maar vertel me, ook, de reden om geld te geven, opdat ik zeker ben over elk detail van uw festival.’ De god lachte, en ‘Oh,’ sprak hij, ‘wat weet je weinig af van de tijd waarin je leeft als je denkt dat honing zoeter is dan geld in het handje!’ Waarom, zelfs tijdens het bewind van Cronus zag ik nauwelijks een ziel die in zijn hart niet op geldelijk gewin uit was. Naarmate de tijd voortschreed groeide de liefde voor geld, nu is het op zijn hoogtepunt en kan nauwelijks nog erger worden. Rijkdom wordt nu meer gewaardeerd dan vroeger, toen de mensen arm waren, toen Rome werd gesticht, toen een kleine hut volstond om Quirinus te huisvesten, zoon van Ares, en de rivierbiezen een karige bedding voorzagen. Zeus had nauwelijks ruimte om rechtop te staan in zijn verkrampte heiligdom, en had in zijn rechterhand een bliksemschicht van klei. Ze bedekten het Capitool met bladeren, die zij nu met edelstenen bedekt hebben, en de senator voedde zijn eigen schapen. Het was geen schande om een uiltje te knappen op stro en met je hoofd op een kussen van hooi. De praetor zette zijn ploeg opzij om te oordelen over mensen, en het bezit van een klein stukje zilveren plaat was een misdaad. Maar sinds het Fortuin op deze plek haar hoofd in de lucht stak, en Rome met haar piek de bovenste goden heeft aangeraakt, is rijkdom gegroeid en daarmee de hectische begeerte naar rijkdom, en zij die de meeste bezittingen hebben hunkeren steeds naar meer. Zij streven naar winsten die zij kunnen verliezen, en moeten dan hun verspilde fortuinen terugwinnen, en voeden zo met hun ondeugden hun eigen ondergang. Dus wiens buik opzwelt door waterzucht, hoe meer hij drinkt, des te meer dorst hij krijgt. Tegenwoordig gaat het alleen maar om geld. Fortuin brengt eer, vriendschappen. De arme man staat onderaan de ladder. En nog steeds vraag je mij, Wat is het nut van voortekens die voortkomen uit geld, en waarom prikkelen oude koperstukken in je handen! Vroeger waren koperstukken geschenken, maar nu is goud een beter teken, de ouderwetse munt is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor de nieuwe. Ook wij, worden gestreeld door gouden tempels, hoewel we tevreden waren met de ouden. Zulk een majesteit betaamt een gouden. We prijzen het verleden, maar benutten de huidige jaren. We zijn beiden gewend om waardig herinnerd te worden.’

1; 227-254
Hij stopte met zijn vermaningen. Maar met kalme woorden, net als daarvoor, sprak ik tot de god die de sleutel draagt: ‘ik heb inderdaad veel geleerd, maar waarom is de afbeelding van een schip aan de ene zijde van de munt afgebeeld, en een tweehoofdige figuur aan de andere’? ‘In die dubbele afbeelding,’ zei hij, ‘zou je mijzelf moeten herkennen, indien het lange tijdsverloop de figuur niet had weggesleten’. En de reden voor het schip. De sikkeldragende god kwam in een schip naar de Toscaanse rivier nadat hij over de wereld had gezworven. Ik herinner mij hoe Uranus ontvangen werd in dit land. Hij was door Zeus uit de hemelse sferen verdreven. Sinds die periode heette het volk lange tijd de Saturniërs, en het land, werd ook Latium genoemd vanwege het zich verschuilen (latente) van de god. Maar een vroom nageslacht graveerde een schip op het kopergeld om de komst van een vreemde god te herdenken. Ikzelf bewoonde de grond aan de linkeroever van de Tiber die door haar glasheldere golven wordt overspoeld. Hier, waar nu Rome is, groene bossen stonden nog nergens, en heel dit machtige gebied was slecht weidegrond voor aan paar koeien. Mijn kasteel was de heuvel die men tegenwoordig met mijn naam aanduidt en tot Janiculum is omgedoopt. Ik regeerde in de tijd toen de aarde amper goden kon voortbrengen, en godheden zich vrij in de woonplaatsen van mensen konden bewegen. de zonden van stervelingen hadden vrouwe Justitia nog niet op de vlucht gejaagd (ze was de laatste van de hemelingen die de aarde verliet). Eer zelf, geen angst, regeerde de mensen zonder beroep op wapens. Niemand hoefde het recht van zwoegen aan de rechtvaardige uit te leggen. Ik had niet met oorlogen te maken. Ik was de bewaker van vrede en deuren, en dit,’ zo sprak hij, terwijl hij de sleutel toonde. ‘waren de wapens die ik droeg.’

1; 255-276
De god hield zijn mond. Dus opende ik die van mij, mijn stem gebruikend om de goddelijke stem te verlokken. ‘Als er zoveel poorten waren, waarom stond u zo ingewijd alleen in die ene, hier waar u een tempel hebt tussen twee marktpleinen’? De baard die op zijn borst hing met zijn hand aaiend, vertelde hij onmiddellijk de oorlogszuchtige daden van de Oebalische Tatius, en hoe de verraderlijke bewaakster, de stille Sabijnen de weg wees naar de top van de citadel. ‘van daar’, sprak hij, een steile helling, dezelfde waar je tegenwoordig ook nog van afdaalt, leidt naar beneden naar de valleien en de marktpleinen. En zo bereikte de vijand nu de poort waar de jaloerse dochter van Cronus de poortgrendels had verwijderd. Bang om het gevecht met een zo geduchte godheid aan te gaan, maakte ik listig gebruik van een apparaat dat ik zelf had gemaakt, en opende ik de fonteinmonden met mijn macht waardoor er een plotselinge stroom water uit spoot. Maar ik wierp eerst zwavel in het waterstromen, opdat de kokende vloeistof de weg naar Tatius zou versperren. De dienst werd verleend, de Sabijnen verslagen, en de plek was nu veilig, en herkreeg zijn oude aanzicht. Er werd een altaar voor me opgericht, samen met een klein heiligdom. In de vlammen brandden de rituele tarwe en koeken.’

1; 277-288
‘Maar waarom verbergt u zich in tijden van vrede en opent u uw poorten wanneer mannen naar de wapens grijpen?’ Direct gaf hij de reden op die ik zocht. ‘Mijn lot, ontgebarricadeerd, staat wijd open, zodat wanneer de mensen ten strijde trekken, de weg voor hun terugkeer ook vrij is. Ik barricadeer de deuren in tijden van vrede, uit vrees dat de vrede vertrekt, en onder de ster van Ceaser zal ik lang opgesloten zijn.’ Zo sprak hij, en opkijkend met zijn ogen die naar twee kanten tegelijk keken, onderzocht hij de hele wereld. Vrede overheerste, en op de Rijn vierden zij, Germanicus, reeds de overwinning die zij hadden behaald, toen de rivier haar water liet zwichten voor uw slaven. O Janus, laat de vrede en de leiders van die vrede nog lang voor u mogen werken, en geef dat deze auteur zijn ambacht nooit zal vergeten.

1; 289-294
Maar nu datgene wat mij werd toegestaan om te leren over de kalender zelf. Op deze dag is de senaat gewijd aan twee tempels. Het eiland, dat midden in de rivier ligt, ontving hem die de Nimf Coronis baarde van Apollo. Zeus heeft zijn deel op de plek. Eén plek biedt genoeg ruimte voor alletwee, en de tempels voor de machtige grootvader en kleinzoon zijn samengevoegd.

III. NON. 3e

1; 295-310
Wie zal me stoppen als ik ook vertel over de sterren, hun opkomst en ondergang? Dat was een onderdeel van mijn belofte. Ah gelukkige zielen, die als eersten gedachten wijdden aan deze zaken en de afmetingen van die hemelse woningen! We kunnen zo goed geloven dat hun hoofden ver verheven waren boven de zwakheden van de mens en diens woningen. Hun verheven karakters kenden geen liefde of onderbrekingen door wijn, noch maatschappelijke zaken of de inspanningen van een oorlog. Ze werden niet verleid door een laag ambitieniveau, of hielden van klatergoud, noch zagen zij het nut van het oppotten van geld. De verre sterren brachten zij tot binnen ons gezichtsveld, en de hemel zelf werd onderworpen aan hun wijsheid. Er was geen noodzaak om de Ossa op de Olympus te stapelen, of dat de piek van de Pelion de hoogste sterren moest raken. Onder deze leiders versierden we ook de lucht en kenden eigen dagen toe aan de dolende tekens.

1; 311-314
Daarom zul je, als de derde nacht voor Nones is gekomen, terwijl de grond besprenkeld en doordrenkt is met hemelse dauw, vergeefs zoeken naar de klauwen van de achtvoetige Krab. Halsoverkop zal hij onderduiken in de golven in het westen

NON. 5e

1; 315-316
Als de Nones in de buurt zijn, zullen regenbuien die uit zwarte wolken vallen je teken zijn, bij het rijzen van de Lier.

V. ID. 9e

1; 317-336
Voeg vier achtereenvolgende dagen toe aan de Nones, en op de Agonale ochtend zal Janus geëerd worden. De dag ontleent zijn naam aan de bediende die, in korte kledij, na een slag als slachtoffer voor de goden viel. Want net voordat hij sterft door het zwaaiende mes in het warme bloed, vraagt hij altijd of hij door moet gaan, en doet dat niet voordat hem dit wordt bevolen. Sommigen geloven dat deze dag Argonal wordt genoemd naar het opdrijven van de slachtoffers, omdat de schapen niet uit zichzelf komen maar naar het altaar gedreven moeten worden. Anderen denken dat de ouden dit festival Agnalia noemden (festival van de lammeren), een enkel bericht op de juiste plek bezorgend. Of misschien, omdat de slachtoffers de messen die in het water spiegelen vrezen voordat die toeslaan, de dag zo vormgegeven wordt door deze brute lijdensweg. Het zou ook kunnen zijn dat de dag naar een Griekse naam uit de spelen (agones) is vernoemd die tijdens de oudheid werden gehouden. In de oude taal, betekende agonia ook een schaap, dat is uiteindelijk, naar mijn oordeel, de ware reden voor de naam. En hoewel dat niet zeker is, is de Koning van de Heilige Riten nog steeds gebonden de goden gunstig te stemmen met het offeren van de echtgenoot van een wollige ooi. Het slachtoffer wordt zo genoemd omdat die is geveld door een zegevierende rechterhand. De hostia (geofferd slachtoffer) ontleent zijn naam aan de veroverde hostes (vijanden).

1; 337-360
Om de welwillendheid van de goden voor de mensheid te winnen werd er vroeger gebruik gemaakt van tarwe en de sprankelende korrels van zuiver zout. Tot die tijd had nog geen enkel buitenlands schip de kalmerende mirre over de oceaan gebracht, de Euphraat nog geen wierook, India nog geen balsem. En het rode safranen helmdraad was nog onbekend. Het altaar was tevreden om te roken met hout van de savelboom, en de laurier die brandde met een knetterend geluid. Hij die bloemenkransen van weidebloemen kon vlechten en er viooltjes aan kon toevoegen was inderdaad rijk. Het mes dat tegenwoordig de ingewanden van de geslachte stier blootlegt had in die heilige riten niets te doen. De eerste die genoot van het bloed der hebzucht was Demeter, die haar gewassen wraakte door de rechtvaardige dood van het schuldige beest. Want zij had ontdekt dat in het vroege voorjaar het graan, melkachtig met zoete sappen, opgegraven werd door de snuit van het borstelige zwijn. De zwijnen werden gestraft, verschrikt door haar voorbeeld, bok, had je beter de scheuten van de wijnstok kunnen sparen. Iemand die naar een bok keek die aan een wijnstok knabbelde uitte eens deze woorden: ‘Bid, knager aan de wijnstok, jij bok, maar wanneer je bij het altaar staat, zal de wijnstok iets opleveren dat over jouw horens gesprenkeld kan worden.’ Deze woorden werden waarheid. Jouw vijand, Dionysus, wordt je gegeven als straf, en de wijn wordt over je hoorns gesprenkeld. De zeug leed vanwege haar misdaad, en de geit ook voor die van haar.

1; 361-380
Maar de os en jij, jij vredelievend schaap, wat was jullie verhaal? Aristaeus huilde omdat hij zag dat zijn bijen werden gedood, met wortel en tak, en de onvoltooide bijenkasten waren verlaten. Zijn azuurblauwe moeder kon nauwelijks zijn verdriet troosten, toen zij de volgende woorden sprak. ‘Stop je tranen, jongen! Proteus zal jouw verlies goedmaken en alles dat verloren is gegaan weer herstellen. Maar opdat hij niet aan jou ontsnapt door van gedaante te veranderen, zie er dan op toe dat sterke boeien zijn handen binden.’ De jongeman ging op weg naar de ziener, en bond snel de handen vast, terwijl hij ontspannen in slaap lag, van de Oude Man van de Zee. Met zijn gave veranderde de wijze zijn ware gedaante voor een onechte. Maar keerde snel, door de koorden beheerst, in zijn ware gedaante terug. Vervolgens tilde hij zijn druipende gezicht en azuurblauwe baard op. ‘Je wilt,’ zei hij, ‘vragen op welke manier je het verlies van je bijen weer goed kunt maken?’ Doodt een koe en begraaf het karkas in de aarde. De begraven koe zal jou de zaken die je zoekt schenken.’ De herder deed wat hem was opgedragen. Bijen zwermden uit het rottende vlees. Eén gedoofd leven zorgde voor de geboorte van duizenden.

1; 381-392
Dood eiste de schapen op. Schaamteloos graasden zij de heilige kruiden weg die een vrome oude vrouw gebruikte om te offeren aan de goden van het platteland. Welk wezen is veilig, als zelfs de woldragende schapen en ploegende ossen hun levens laten op de altaren? Perseïs stemde de met stralen bekroonde Hyperion gunstig met een paard, want aan de snelle god mag geen traag slachtoffer geofferd worden. Omdat eens een hert in plaats van een meisje aan Artemis werd geofferd, sterven er nu nog steeds herten voor haar, hoewel niet in de plaats van een meisje. Ik heb door Sapaeanen en zij die wonen aan de sneeuwgrenzen van de berg Haemus de ingewanden van een hond zien offeren aan de Godin van de Kruispunten. Een jonge ezel is ook gedood ter ere van de stijve wachter van het platteland. De oorzaak ik beschamend, maar betaamt de god.

1; 393-414
Jij bent gewend om feesten ter ere van de klimop dragende Dionysus te vieren, O Griekenland, een feest waarna de derde winter op het afgesproken tijdstip komt. Daarheen kwamen ook de goden die op Lyaeus wachtten en heel de vrolijke groep, Pan en de jonge verliefde Saters, en de godinnen die rivieren bejaagden en het eenzame wild. Daarheen kwamen ook de oude Silenus op een ezel met een holle rug, en de rozeroodkleurige die met zijn obscene verschijning de schuchtere vogels verschrikt. Zij vieren een beetje aangeschoten een vreugdevol drinkgelag in een diep dal, waar zij gingen liggen op hun bedden van gras. Dionysus schonk de wijn, ieder had zijn bloemenkrans meegenomen, een watertje leverde voldoende water om de wijn aan te lengen. Er waren daar Najaden, sommigen met loshangende ongekamde lokken, anderen met keurig opgebonden vlechten. De een wacht op de feestvierders met een tuniek die boven de knieën hangt, de ander toont via haar gescheurde mantel haar borsten, een ander ontbloot haar schouder, weer een ander sleept haar mantel door het gras, zonder lastige schoenen aan de sierlijke voeten. Zo ontsteken sommigen amoureuze vuurtjes bij de Saters, en sommigen in jou, wiens hoofd met een krans is getooid. Ook jij, Silenus, staat in vuur en vlam voor de nimfen, onverzadigbare geilaard! Alleen door jou baldadigheid is het je verboden om oud te worden.

1; 415-440
Maar de rozerode Priapus, bewaker en roem van de tuinen, verloor zijn hart aan Lotis, als enige van de hele schare. Naar haar verlangt hij, om haar bidt hij, alleen om haar zucht hij. Hij geeft haar tekens door te knikken en maakt haar op verschillende manieren het hof. Maar de lieflijke versmaadt hem, en trots wacht op schoonheid. Ze beschimpt hem en werpt een minachtende blik in zijn richting. Het was nacht, en wijn maakt suf, en zij lagen overal verspreid door slaap overvallen. Moe van het stoeien, ging Lotis, de mooiste van hen allemaal, op het gras liggen onder de takken van de esdoorn. Haar minnaar stond op, en met ingehouden adem liep hij stilletjes op zijn tenen naar de schoonheid. Toen hij het eenzame strobed van de sneeuwwitte nimf bereikte, ademde hij zo voorzichtig dat er geen geluid te horen was. Hij balanceerde op zijn tenen over de graszoden, terwijl de nimf diep in slaap lag. Hij verheugde zich, en bij haar voeten de deken in zijn handen nemend, wilde hij die, gelukkige minnaar, wegtrekken voor de zo gewenste vrijpartij. Maar zie, ezelachtige Silenus, met wezelachtig geluid, slaakte een slecht geplande brul! De nimf stond in doodsangst op, duwde Priapus van zich af, en liet een alarmkreet klinken door het hele bos. En de god, gereed om de listen der liefde te gebruiken, werd in het maanlicht door iedereen uitgelachen. De veroorzaker van die ophef betaalde ervoor met zijn leven, en is nu het dierbare slachtoffer van de god van de Hellespont.

1; 441-456
Jullie vogels, troost van het platteland, jullie kwellers van de bossen, jullie onschuldig ras, dat jullie nesten bouwt en eieren warmt onder jullie veren, en met vloeiende stemmen in verschillende tonen zingt, jullie werden vroeger nooit geweld aangedaan. Maar dat mag niet meer baten, want jullie zijn beschuldigd van kletsen, en de goden zijn van oordeel dat jullie hun gedachten onthullen. Die aanklacht is niet gelogen. Want hoe dichter je bij de goden bent, hoe waarachtiger de tekens zijn die zij afgeven, ofwel door vleugel of stem. Hoewel lange tijd onschendbaar, werd uiteindelijk het broedsel van de vogels gedood, en de goden wierpen een wellustige blik op de darmen van het staartdragende gevogelte. Dat is de reden waarop de witte duif, van haar partner weggerukt, vaak in Idalische haarden wordt verbrandt. Evenmin hielp het de gans dat door zijn redding van het Capitool deze zijn lever aan jou moest offeren, dochter van Inachus. ’s Nachts wordt de gekuifde uil aan de Godin van de Nacht geofferd, omdat hij met wakend geluid oproept voor de warme dag.

1; 467-458
Intussen is het heldere sterrenbeeld van de Dolfijn uit zee opgestegen, en zijn gezicht wordt uit zijn geboortewater zichtbaar.

IV. ID. 10e

1; 459-460
De morgen kenmerkt de winter. Wat van de winter overblijft, is gelijk aan wat eerder is geweest.

III. ID. 11e

1; 461-474
Wanneer Tithonus’ vrouw vervolgens van zijn ligbank opstaat, zal zij de heilige rite van de Arcadische godin aanschouwen. Jij, zus van Turnus, verankerde diezelfde morgen de plek bij het altaar waar het Maagdelijke Water om het veld van Ares stroomt. Wanneer zal ik de oorzaak en manieren van deze riten leren? Wie zal mijn schip in het midden van de Oceaan leiden? Jijzelf, verlicht me, O jij (Carmentis), die haar naam aan een lied (Carmen) ontleend heeft, wees genadig voor mijn onderneming, opdat ik niet vergeet om u voortdurend te eren. Het land dat ontstond voor de maan (als we dat moeten geloven) ontleent haar naam aan de grote Arcas. Uit dat land kwam Evander, die, hoewel beroemd aan beide zijden, nobeler van bloed was dan zijn moeder (Carmentis), die, zodra zij zwanger werd van het hemelse vuur, zong met een stem die was geïnspireerd door de profetische melodieën van de god.

1; 475-496
Ze voorspelde dat er problemen op komst waren voor haar zoon en voor zichzelf, en daarnaast voorspelde ze nog veel meer, dat na verloop van tijd juist bleek te zijn. Te waar, inderdaad, bewees de moeder haar gelijk toen, samen met haar verbannen, de jeugd en de god zijn Parrhasiaanse huis in Arcadië verliet. Hij huilde, maar zij, zijn moeder, zei: ‘Hou, bid ik, je tranen in, draag als een man je geluk. Het is zo voorspeld. Je bent niet door jouw schuld verbannen, maar vanwege een god. Een beledigde god heeft je uit de stad verdreven. Wat je moet doorstaan is geen straf voor zonde maar van hemelse woede. Bij grote tegenslagen is het iets dat niet besmeurd wordt door misdaad. Net zoals het geweten in elk mens heerst, zo staat het ook, voor al zijn daden, en heerst er hoop of angst in zijn borst. Rouw niet om dit lijden alsof je de eerste bent die lijdt. De machtigen zijn door zulke stormen overspoeld. Cadmus onderging hetzelfde, toen hij, op leeftijd, verdreven werd van de Tyrische kust, en als banneling stopte op Aonische bodem. Tydeus maakte hetzelfde mee, en ook Pagasaeaanse Iason, en vele anderen waarvan het te lang duurt om het allemaal te vertellen. Elk land is voor de dapperen hun land, zoals voor zee is voor de vissen, zoals voor de vogel elke plek die bereikbaar is in de vrije wereld. Noch woedt de ruwe storm het hele jaar lang. Ook voor jou, geloof me, zal er nog een lente aanbreken.’

1; 497-542
Aangemoedigd door de woorden van zijn ouder, doorkliefde Evander met zijn schip de golven en bereikte het Hesperiaanse land. En op aandringen van Carmentis stuurde hij het schip een rivier op en vervolgde de Toscaanse rivier. Carmentis keek naar de rivieroever, waar die door Tarentum’s ondiepe poel werd omgeven. Ze zag ook de hutten die verspreid in deze eenzaamheid stonden. En zoals ze was, met golvend haar, stond ze zelf op het brugdek en hield de hand van de stuurman streng tegen. Toen strekte ze haar arm uit naar de rechteroever, en stampte driemaal wild op het houten dek. Nauwelijks, ja nauwelijks kon Evander haar weerhouden om overboord te springen in haar haast om aan land te gaan. ‘Weest allen gegroet!, riep ze, ‘goden van het beloofde land! En gegroet, gij land dat nieuwe goden aan de hemel zal toevoegen! Gegroet rivieren en bronnen, die tot dit gastvrije land behoren! Gegroet Nimfen van de bossen en groepen Najaden! Laat deze blik op jullie een goed voorteken zijn voor mij en mijn zoon! En gelukkig is de voet die gindse oever raakt! Ben ik bedrogen? Of zullen gindse heuvels door statige muren verborgen worden, en zal vanaf deze plek op aarde, heel de wereld wetten ontvangen? De belofte is dat de hele wereld op een dag aan gindse bergen zal behoren. Wie kan geloven dat deze pek een dergelijk lot is toebedeeld? Binnenkort zullen Dardaanse schepen landen op deze kust. Hier zal ook een vrouw de oorzaak van een nieuwe oorlog zijn. Pallas, mijn lieve kleinzoon, waarom trekken deze fatale wapens je aan ? Ach, trek ze aan! Jij zult door geen gewone held gewroken worden. Maar, veroverd Troje, jij zult nu zelf veroveren en uit je eigen as weer opstaan. Jouw ruïne verplettert de woningen van je vijanden. Je zegevierend vuur, zal Poseidon’s Pergamum verteren! Zal dat voorkomen dat haar as over heel de wereld verspreid wordt? Binnenkort zal de vrome Aeneas ginds zijn heilige lading brengen, en, geen minder heilige last, zijn eigen vader. Hestia, laat de goden van Ilium toe! De tijd zal komen dat dezelfde hand jou en de wereld zal bewaken, en een god in eigen persoon de heilige riten zal leiden. De voogdij over het vaderland zal zich in de afstammelingen van Augustus voortzetten. Het is besloten dat dit huis de teugels in handen zal houden van het rijk. Daarna zullen de zoon en kleinzoon van de god, ondanks hun weigering, gesteund met een hemelse geest het gewicht dragen dat hun vader droeg. En net zoals ik op een dag geheiligd zal worden op de eeuwige altaren, zo zal Julia Augusta een nieuwe godheid worden.’ Met deze woorden had ze haar verhaal naar onze tijd gebracht, haar profetische mond stopte midden in haar toespraak. Nadat hij ontscheept was, stond Evander als banneling op het Latiaanse gras, inderdaad gelukkig om dat stukje grond als ballingsoord te hebben! Er verstreek weinig tijd voordat er nieuwe woningen verrezen, en van alle Ausonische bergen overtrof geen enkele de Arcadische.

1; 543-578
Zie, de knotsdrager dreef de Erytheaanse koeien hier naar toe. Al reizend over de wereld had hij een lange weeg afgelegd. En terwijl hij vriendelijk werd onthaald in het Tegeaanse huis, graasden de koeien onbewaakt in de weidse velden. Toen de ochtend aanbrak, zag de Tirynthische drijver ontwakend uit zijn slaap dat er twee stieren ontbraken. Hij zocht maar vond geen sporen van de geruisloos gestolen beesten. De woeste Cacus sleepte de stieren achter in zijn grot, Cacus de schrik en schande van het bos van Aventine, voor buren en vreemdelingen geen geringe vloek. Grimmig was zijn uiterlijk, zijn lichaam enorm, zijn kracht niet te verslaan. De vader van het monster was Mulciber. Als huis had hij een lange uitgestrekte grot, zodanig verborgen dat wilde dieren hem nauwelijks konden ontdekken. Boven de deuropening waren schedels en wapens van mensen vastgenageld, terwijl de grond bezaaid was met gebleekte menselijke botten. De zoon van Zeus vertrok met de rest van zijn kudde, toen het gestolen vee luid loeide. ‘Ik aanvaard de oproep,’ sprak hij, en het geluid volgend kwam hij, met de bedoeling om wraak te nemen, door de bossen naar de onheilige grot. Maar de dief had de ingang geblokkeerd met een enorm rotsblok, een juk van tweemaal vijf ossen zouden amper beweging in die massa hebben gebracht. Heracles duwde er tegen met zijn schouders – de schouders waarop de hemel zelf eens had gerust – en door de schok verschoof het enorme blok. Toen het kapot op de grond viel maakte het zo’n kabaal dat het zelfs in de bovenste luchtlagen te horen was, en de gehavende grond zonk diep weg onder het zware gewicht. Aan het begin vocht Cacus met zijn handen, en voerde strijd met rotsen en boomstammen. Maar toen deze hem niet deerden, deed hij een beroep op de listen van zijn vader, en boerde vlammen uit zijn brullende mond. Bij elke boer zou je denken dat Typhon blies, of dat een plotseling vuur uit de Etna schoot. Maar Heracles was te snel voor hem. Hij hief de drievoudige knots omhoog, en liet die driemaal, ja viermaal neerkomen op het gezicht van de vijand. Hij viel, rook vermengd met bloed uitbrakend, en viel stervend neer op de grond met zijn brede borst.

1; 579-586
Van de stieren offerde de overwinnaar er één aan u, Zeus, en nodigde Evander en de jonge boeren uit voor een feestmaal. En voor zichzelf richtte hij een altaar op dat de Grootste wordt genoemd op de plek waar een deel van de Stad haar naam Os aan heeft ontleend. Evander’s moeder verborg evenmin de waarheid dat het moment ophanden was dat de aarde klaar was met haar held Heracles. Maar de gelukkige profetes, zelfs terwijl ze leefde in de hoogste gunst van de goden, en nu een godin is, had deze dag van de maand Janus geheel voor zichzelf.

IDUS. 13e

1; 587-616
Op de Ides offert de kuise priester de darmen van een gecastreerde ram in de vlammen van een tempel voor de grote Zeus. Op die dag, wordt ook elke provincie teruggegeven aan onze mensen, en jouw grootvader kreeg de titel van Augustus. Neem kennis van de legenden die zijn gegraveerd op de wassen beelden rond de adellijke zalen. Titels zo hoog verheven welke nog nooit aan een mens waren geschonken. Afrika vernoemde haar overwinnaar naar zichzelf. Een ander getuigt met zijn stijl dat hij Isaurische of Kretenzische macht heeft onderworpen. Een volgende die glorieert in Numidië is gestorven, en weer een andere in Messene, terwijl een derde zijn roem van de stad Numatia krijgt. Drusus dankt zijn roem en dood aan Germanië. Wee mij, dat al die goedheid maar zo kort heeft geleefd! Had Ceasar zijn titels van de overwonnenen genomen, dan had hij net zoveel titels als er stammen in de wereld zijn. Sommigen hebben roem vergaard van enkele vijanden, hun titels nemend van een veroverde halsketting of van een tierende handlanger in de strijd. Pompeus, uw naam is net zo groot als uw daden, maar hij die u versloeg had een grotere naam. Geen achternaam is grootser dan die welke de Fabii dragen. Vanwege hun verdiensten werd hun familie de Grootste genoemd. Maar toch zijn al deze met eer beladen wezens mensen. Alleen Augustus draagt een naam die even voornaam is als het opperwezen Zeus. Heilige dingen worden door de vaderen augustus genoemd. De benaming augustus wordt geschonken aan tempels die door priesterlijke handen behoorlijk zijn ingewijd. Op dezelfde manier komen voortekens en verheerlijkingen van de sterke Zeus. Moge hij het rijk van onze prins en zijn jaren vergrootten, en moge een eikenhouten kroon onze deuren bekronen. Moge onder de bescherming van de goden dezelfde voortekenen, die de vader vergezellen, wachten op de erfgenaam van zo’n grote naam, wanneer hij zelf de last van de wereld op zich neemt.

XVIII. KAL. 15e

1; 617-636
Wanneer de derde zon terugkijkt naar de verleden Idus, zullen de heilige riten worden herhaald ter ere van de Parrhasiaanse godin. Want Ausonische oude vrouwen rijden in rijtuigen (carpenta), die naar ik denk ook vernoemd zijn naar Evander’s ouder (Carmentis). Deze eer werd hen afgenomen, en elke vrouw zwoer om zich voort te planten en kinderen aan het geslacht van haar ondankbare echtgenoot te schenken. En opdat ze kinderen zouden baren, persten zij overijld met een geheime perskracht de groeiende last uit hun baarmoeder. Ze zeggen dat de Senaat de vrouwen berispten voor hun gewaagde wreedheid, maar herstelden het recht waarvoor zij waren gestraft. En ordonneerden dat er nu twee festivals gehouden zouden worden ter ere van de Tegeaanse moeder om de geboorte van jongens en meisjes te bevorderen. Het is niet geoorloofd om leer binnen het heiligdom te brengen, opdat de zuivere haarden niet bezoedeld zouden worden met huiden van geslachte beesten. Indien je enige liefde voor de oude riten koestert, woon dan de gebeden bij die aan haar worden geofferd. Je zult namen horen die je nog nooit gehoord hebt. Porrima en Postverta zijn geheiligd, en of zij nu je zusters zijn, Maenalische godin, of je metgezellen in ballingschap. Er wordt verondersteld dat de één zong over wat er lang geleden gebeurde (porro), en de ander over wat er nog te gebeuren stond (venturum postmodo).

XVII. KAL. 16e

1; 637-650
Mooie godin, u ging de volgende morgen uw sneeuwwitte heiligdom binnen, waar de hoge Mnemosyne haar voeten optilt. U, Concord, zult de Latijnse menigte goed kunnen overzien, nu gewijde handen u hebben gevestigd. Furius, de overwinnaar van de Etrusken, had dit gezworen aan de oude tempel, en hij hield zijn belofte. De oorzaak was dat het gewone volk de wapens had opgenomen en zich van de adel had afgescheiden, en Rome haar eigen macht vreesde. De recente oorzaak was beter. Germany toonde haar verwarde haren in uw opdracht, vereerde leider. Van daar bood u de buit van de verdwenen mensen, en liet een tempel voor die godin bouwen die u zelf aanbad. Uw moeder de godin versterkte beide door haar leven en bij een altaar, zij die als enige waardig werd gevonden om het bed met de machtige Zeus te delen.

XVI. KAL. 17e

1; 651-652
Als dat voorbij is, zult u weggaan Steenbok, O Phoebos, en uw koers door het teken van de jeugd die water draagt (Aquarius) voeren.

X. KAL. 23e

1; 653-654
Wanneer de zevende zon, gerekend vanaf die dag, in zee is ondergegaan, zal de Lier nergens meer aan de hemel te zien zijn.

IX. KAL. 24e

1; 655-656
Na de ondergang van dat sterrenbeeld (de Lier), zal het vuur dat glinstert in het midden van de borst van de Leeuw bij het vallen van de avond onder de horizon zakken.

1; 657-672
Ik onderzocht drie tot viermaal de aantekeningen op de kalender, maar kon nergens de Dag van het Zaaien vinden. Me verbaasd ziend, keek de Muze me aan, ‘Die dag is vastgesteld door de priesters. Waarom naar wisselende feesten zoeken op de kalender? En hoewel de dag van het feest wisselt, staat het seizoen vast. Het is wanneer het zaad zichtbaar is en het veld bemest.’ Jij dirigeert, neem je plek met bloemenkransen op je hoofd in bij de volle koestal. Met de warme lente zal je gezwoeg terugkeren. Laat de jonge boer zijn ploeg die rust heeft verdiend bij de deur neerzetten. In de winter vreest de grond elke wond die toegebracht wordt door de ploegschaar. Jij rentmeester, wanneer het zaaien gereed is, laat dan het land met rust, en laat de mannen die het land bebouwden ook rusten. Laat de gemeenschap feest vieren. Zuiver de gemeenschap, jullie boeren, en offer de jaarlijkse koeken aan de harten van de gemeenschap. Verzoen Gaea en Demeter, de moeders van het graan, met hun eigen gerst en vlees van het vruchtbare zaaien.

1; 673-704
Demeter en Gaea hebben een verschillende taak. De een leent aan het graan haar vitale kracht, de ander geeft hen de ruimte. ‘Partners in productiviteit, jullie die de dagen van weleer hervormen en de eikels van de eik vervangen door meer winstgevend voedsel, O bevredig de gretige boeren met grenzeloze gewassen, dat zij als gevolg van werk mogen oogsten. O schenk aan het tere zaad een onafgebroken groei. Laat geen enkel ontkiemende scheut gesmoord worden door de koude sneeuw. Wanneer we zaaien, laat dan de lucht wolkeloos zijn en de wind zachtjes waaien. Maar als het zaad begraven is, besproei het dan met water uit de lucht. Verbiedt de vogels – plaag van de akkers – om de graanvelden te vernietigen met hun verwoestende samenkomst. Ook jullie, mieren, spaar het ingezaaide graan. Zo zullen jullie een meer overvloedige buit hebben na de oogst. Laat ondertussen een schilferende schimmel het groeiende gewas niet vernietigen of slecht weer het laten verbleken tot een ziekelijke kleur. Laat het niet verschrompelen of overdreven aangroeien waardoor het stikt in haar eigen rijkdom. Laat de velden vrij zijn van dolik, dat de ogen bederft, en laat geen kaal woest graan ontspringen uit de bewerkte grond. Laat de boerderij renderen, met een grote opbrengst, gewassen van graan, van gerst en van tarwe, dat tweemaal het vuur zal voelen.’ Deze smeekbeden bied ik u aan, gij boeren, en offer die aan jezelf, en laat de twee godinnen zo onze gebeden verhoren. Oorlogen hielden lange tijd de mensheid bezig. Het zwaard was gemakkelijker dan de ploegschaar. De ploegende os werd verdrongen door de aanvaller. Schoffels waren nutteloos, houwelen werden in speren veranderd, en van een helm werd een zware hark gemaakt. Dank aan de goden en aan uw huis! Door uw handen is de langdurige oorlog in de boeien geslagen. Breng de os onder het juk, zaai het zaad in de geploegde aarde. Vrede is de verzorger van Demeter, en Demeter is het pleegkind van de vrede.

VI. KAL. 27e

1; 705-708
Op de zesde dag voor de komende Kalend werd een tempel gewijd aan de goddelijke zonen van Leda. Broers van het ras der goden richtten die tempel op voor de goddelijke broer naast Juturna’s water.

III. KAL. 30e

1; 709-722
Het verloop van mijn lied heeft me naar het altaar van de vrede gebracht De dag zal de tweede voor het eind van maand zijn. Kom, Vrede, uw sierlijke vlechten zijn doorvlochten met Actiaanse lauriertakken, en laat uw vriendelijke aanwezigheid vertoeven in de hele wereld. Opdat er geen vijanden zullen zijn of voedsel voor overwinningen, zult u voor onze leiders een heerlijkheid zijn die meer is dan oorlog. Laat de soldaat alleen wapens dragen om de gewapende agressor te controleren, en laat de felle trompet voor niets anders schallen dan plechtige pracht en praal! Laat de verre en dichtbij zijnde wereld de zoons van Aeneas vrezen, en als er enig land is dat Rome niet vreest, laat het dan in plaats daarvan houden van Rome! Voeg wierook toe, gij priesters, aan de vlammen die branden op het altaar van de Vrede, laat een wit slachtoffer vallen met een door wijn gezalfd hoofd, en vraag of de goden, die een welwillend oor lenen aan vrome gebeden, dat het huis, dat borg staat voor vrede, eeuwig vrede zal kennen.

1; 723-724
Maar nu is het eerste deel van mijn werk gereed, en met de maand waar het over gaat is het boek ten einde.

Boek 2 - Februari

Inleiding op februari

2; 1-2
Januari is voorbij. Mijn lied vordert met het jaar. Net als deze tweede maand, zo zal ook mijn tweede boek voortgaan.

2; 3-18
Mijn elegie, je zeilt nu voor het eerst met overvloedig opgetuigd zeil. Zoals ik het mij herinner, was je thema niet groots. Ikzelf vond jullie gedweeë dienaren van de liefde, toen ik in mijn vroege jeugd speelde met verzen. Zelf zing ik nu van de heilige riten en de seizoenen die gemarkeerd worden op de kalender. Wie kon denken dat dit het gevolg daarvan zou zijn? Hierin ligt al mijn krijgsmanschap. Ik draag alleen de wapens die ik ken. Mijn rechterhand is niet totaal onbruikbaar. Als ik geen speer kan werpen met een gespierde arm, noch de rug van een strijdpaard kan bestijgen, als er geen helm op mijn hoofd is, geen scherp zwaard aan mijn riem – met zulke wapens kan elke man meester in de zwaardkunst zijn – oefen ik toch met hart en ziel ijverig naar uw titels, Caesar, en achtervolg het pad van de roem. Kom, en als de verovering van de vijanden u een vrij uur schenkt, O werp dan een vriendelijke blik op mijn geschenken.

2; 19-36
Onze Romeinse vaderen gaven de naam Februa aan de instrumenten van zuivering. Zelfs nu nog zijn er vele bewijzen dat dit de betekenis van de wereld was. De hogepriesters vragen de koning en de Flamen om wollen doeken, die in de taal der ouden van weleer februa heetten. Wanneer huizen worden weggevaagd, krijgen de geroosterde tarwe en de tak die de beambte als reinigingsmiddel dezelfde naam. Dezelfde naam wordt gegeven aan de tak, die, gesneden van een zuivere boom, met zijn bladeren het heilige hoofd van de priesters omkranst. Ik heb zelf de vrouw van Flamen zien bedelen om februa. Op haar verzoek om februa werd een takje van de boom gegeven. Kortom, alles dat werd gebruikt om onze lichamen te reinigen werd in hun tijd door onze ongeschoren voorvaderen zo genoemd. De maand is naar deze dingen vernoemd, omdat de Luperci het hele terrein zuiveren met stroken huid, die hun reinigingsmiddelen zijn, of omdat het seizoen puur is als er eenmaal vredesoffers bij de graven zijn gebracht en de dagen gewijd zijn aan de doden uit het verleden. Onze vaders geloofden dat elke zonde en elke oorzaak van ziekte weggevaagd konden worden door riten en loutering.

2; 37-54
Griekenland stelde het goede voorbeeld. Zij oordeelt dat de schuldigen zich kunnen bevrijden van hun misdaden door zuivering. Peleus zuiverde Patroclus, en Acastus reinigde Peleus zelf van het bloed van Phocus bij het Haemonische water. Met beteugelde draken zwevend door de leegte, ontving de Phasische heks een welkom, dat ze niet verdiende uit de handen van de goedgelovige Aegeus. De zoon van Amphiaraus zei tegen Naupactiaanse Achelous, ‘O bevrijdt mij van mijn zonde,’ en de ander reinigde hem van zijn zonde. Tedere dwazen helaas! Te grillige en gruwelijk bevlekte moorden konden door rivierwater worden weggespoeld! Maar toch, opdat men zich kan vergissen door onwetendheid over de oude gewoonte, weet dan dat de maand van Janus van oudsher de eerste was, zoals die dat nu nog steeds is. De maand die volgt op januari was de laatste van het oude jaar. Uw aanbidding, O Terminus, vormde de afsluiting van de heilige riten. Want de maand van Janus komt eerst omdat de ingang (janua) als eerste komt. Die maand was de eerste die door de schaduwen in de onderwereld werd ingewijd. Men veronderstelt dat de Decemviri zich allengs hebben verenigd nadat zij gescheiden waren door een lange interval.

KAL. Februari 1e

2; 55-66
Aan het begin van de maand is Redster (Sospita) Hera, de buurvrouw van de Phrygische Moedergodin. Als je vraagt, waar zijn nu de tempels waar de Dagen werden gewijd aan de godin? Die zijn in de loop der tijd in vergetelheid geraakt. De rest zou op gelijksoortige wijze te gronde zijn gegaan, als de vooruitziende blik van ons heilige leider die niet had gered, onder wie de heiligdommen de aanraking van de ouderdom niet voelden. En niet tevreden met het doen van gunsten aan de mensheid schonk hij ze aan de goden. O heilige ziel, wie bouwde en herbouwde de tempels, ik bid dat de krachten in de hemel net zo voor jou zullen zorgen als jij voor hen zorgde! Moge de hemelingen je net zoveel jaren schenken als jij aan hen schonk, en moge zij op wacht staan voor je huis!

2; 67-72
Toen stroomde ook het bos van Alernus vol met aanbidders, dicht bij de plek waar de Tiber, van ver komend, in de oceaan uitmondt. Bij het heiligdom van Numa, bij de tempel van de Donderaar op het Capitool, en op de top van Zeus’ citadel is een schaap gedood. Vaak, in de wolken verborgen, ontdoet de hemel zich van zware regenval, en is de aarde vaak verborgen onder gevallen sneeuw.

IV. NON. 2e

2; 73-78
Wanneer de volgende zon, voordat hij in het westen in de golven verdwijnt, het van juwelen voorziene juk van zijn paarden aftuigt, zal iemand die nacht, opkijkend naar de sterren, zeggen: ‘Waar is vandaag de Lier, en hij zal opmerken dat de rug van de Leeuw ook plotseling in het water is verdwenen.

III. NON. 3e

2; 79-128
De Dolfijn, die je sinds kort ziet wrokken tussen de sterren, zal de volgende nacht ontsnappen aan je blik. Hij werd aan de hemel geplaatst, hetzij omdat hij een gelukkige indringer was tussen liefdesaffaires, of omdat hij de lier van Lesbos en de heer van de lier droeg. Wie, of welk land kent Arion niet? Via zijn zoon weerstaat hij de stromende wateren. Door zijn stem stopte vaak de wolf die het lam achtervolgde, vaak stopte het lam voor de verscheurende wolf. Vaak schuilden honden en hazen in hetzelfde leger, en stond de hinde op de rotsen naast de leeuw. De kwebbelende kraai zat rustig naast Pallas’ vogel, en de duif was de buurman van de havik. Er wordt verteld dat Artemis vaak in trance stond, melodieuze Arion, door je muziek, alsof de noten door haar broers hand werden gespeeld. De roem van Arion was in alle steden van Sicilië bekend, en door de muziek van zijn lier nam hij heel Ausonië voor zich in. Van daar ging hij naar huis, hij scheepte in en nam al zijn rijkdommen met zich mee die hij met zijn kunst had vergaard, je was beducht voor de wind en de golven, maar naar waarheid was de zee voor jou veiliger dan je schip. Want de stuurman nam zijn plek in met een getrokken zwaard, en de rest van de samenzwerende matrozen hadden wapens in hun handen. Wat moest jij met een zwaard? Stuur dat dwaze schip, jij zeeman. Deze wapens passen niet in je handen. Bevend van angst riep de muzikant, ‘Ik ben niet bang voor de dood,’ zei hij, ‘maar laat mij mijn lier pakken en nog iets spelen.’ Ze gaven hem toestemming en lachten om het uitstel. Hij nam de krans die wel van uw hoofd, Phoebos, leek te komen. Hij trok zijn mantel aan die tweemaal in Tyrisch paars was gedoopt. Door zijn duim beroerd, gaven de snaren een eigen geluid af, noten zoals de zwaan met treurige melodieën zingt wanneer de wrede pijl zijn sneeuwwitte hoofd heeft doorboord. Met al zijn mooie leren aan, sprong hij met een plons in de golven. Het kleurrijke water bespatte de azuurblauwe achtersteven. Ze zeggen dat (het klinkt ongeloofwaardig) een dolfijn het ongewone gewicht daarop op zijn rug nam. Daarop zittend greep Arion zijn lier en betaalde voor zijn tocht met een lied, en met zijn gezang nam hij de golven van de oceaan voor zich in. De goden merken vrome daden op. Zeus plaatste de dolfijn tussen de sterrenbeelden, en gaf opdracht dat negen sterren hem moesten begeleiden.

NON. 5e

2; 129-144
Ik wenste dat ik met duizend stemmen en voor die ziel van u, Maeonides, die Achilles verheerlijkte, in tweeregelige verzen de Nones kon bezingen. Dat is de grootste eer die aan de kalender betoond kan worden. Mijn geest verzwakt. De last gaat mijn kracht te boven. Deze dag moet boven alle anderen door mij bezongen worden. Dwaas die ik was, hoe durfde ik zo’n groot belang aan elegische verzen te hechten? Het was een thema voor heldhaftige coupletten. Heilige vader van uw land, deze titel is u gegeven door uw volk, door de senaat, en door ons, de rechtvaardige strijders. Maar de geschiedenis had deze al verleend. Maar toch kreeg u, hoewel laat, uw titel met recht. Lange tijd bent u de Vader van de Wereld geweest. U draagt op aarde de naam die Zeus draagt in de hemel. U bent de vader der mensen, hij van de goden. Romulus, u moet zwichten voor deze plaats. Door zijn wakende zorg maakte Ceasar uw stadsmuren groots. De muren die u aan de stad gaf kon Remus overheen springen. Uw macht werd door Tatius gevoeld, het kleine Cures, en Caenina. Onder het leiderschap van Ceasar werd alles wat de zon aanschouwd Romeins. U kreeg een beetje kracht van overwonnen landen. Alles dat bestaat onder het baldakijn van Zeus is eigendom van Ceasar. U hebt vrouwen verkracht. Ceasar moedigde hen onder zijn regering aan kuis te zijn. U liet de schuldigen in uw heilige bos toe. Hij verdreef de verkeerden. U regeerde met kracht, onder Ceasar was het de wet die heerste. U droeg de titel van Slavenmeester. Hij die van prins. U had een aanklager in uw broer Remus. Ceasar vergaf vijanden. Uw vader verhief u tot de hemel. Ceasar verhief zijn vader naar de hemel.

2; 145-148
De Idaeaanse jongen laat zich tot zijn middel zien, en giet een stroom water uit vermengd met nectar. Verheugt u nu ook, gij die ineenkrimpt voor de noordenwind, vanuit het westen blaast nu een zachtere storm.

V. ID. 9e

2; 149-152
Wanneer vijf dagen later de Morgenster met zijn heldere stralen uit de oceaan opstijgt, is dat de tijd dat de lente begint. Maar laat u niet misleiden, er kunnen nog steeds koude dagen volgen, inderdaad: zij zijn vertrekkende winterbladeren achter grote tekens van zichzelf.

III. ID. 11e

2; 153-192
Als de derde nacht aanbreekt, zult u direct opmerken dat de Beerwachter een uitval met zijn beide voeten doet. Temidden van de Hamadryaden in de groep van de boogschutster werd één van die heilige groep Callisto genoemd. Haar hand op de boog leggend, zei ze ‘Uw boog, die ik aldus raak, wees getuige van mijn maagdelijkheid,’ Artemis aanvaarde de gelofte, en zei, ‘Houdt je aan die plechtige gelofte en je zult de eerste van mijn groep zijn.’ Die gelofte zou ze gehouden hebben als ze niet zo mooi was geweest. Met stervelingen was ze op haar hoede, met Zeus was het dat ze zondigde. Met de hele groep had Artemis vele wilde dieren bejaagd, en keerde in de namiddag terug. Ze had nauwelijks het bos bereikt – het bos waar dikke steeneiken een donkere schaduw werpen en in het midden een diepe bron van koel water is gelegen – toen de godin zei: ‘Laten we hier in het bos,’ zo sprak ze, ‘een bad nemen, jij maagd van Arcadië.’ Bij het noemen van het woord maagd bloosde het meisje. De godin sprak evenzeer tegen de ander nimfen, en die deden hun kleding af. Callisto was beschaamd en deed schuchter langzaam aan. Maar toen ze haar tuniek uit deed, te pijnlijk, zichzelf veroordelend, verraadde haar dikke buik de last die ze droeg. Tot haar sprak de godin: ‘Afgezworen dochter van Lycaon, verlaat onmiddellijk de groep maagden en vervuil het heilige water niet.’ De gehoornde maan had haar volledige baan tien maal afgelegd, toen zij die een maagd was bewees een moeder te zijn. De gekwetste Hera werd woedend en veranderde de gedaante van het kind. En waarom? Ze was tegen haar wil door Zeus genomen. En in die minnaar zag ze de lelijke kenmerken van de bruut, zo zei Hera, ‘Laat Zeus nu van haar omarmingen genieten.’ Maar zij, die als een van de laatsten door de hoge Zeus was bemind, zwierf nu, als ruige berin, in de wilde bergen. Het kind dat zij in zonde verwekt had was in zijn derde jaar toen zijn moeder hem ontmoette. Zij, alsof zij hem kende, stond inderdaad radeloos en gromde. Een grom was alles wat de moeder kon zeggen. Haar zou de jongeling met zijn scherpe speer hebben doorboord, maar zij werden beiden gegrepen en naar de woningen in de hoogte gebracht. Als sterrenbeelden schitteren ze naast elkaar. Als eerste komt wat we de Beer noemen. De Beerwachter lijkt haar van achteren te volgen. Cronus’ dochter wrokt nog steeds en smeekt de grijze Tethys om de Beer van Maenalus nooit met haar water aan te raken of te wassen.

IDUS. 13e

2; 193-242
Op de Idus roken de altaren van de rustieke Pan, daar waar het eiland het gescheiden water breekt. Dit was de dag waarop driemaal honderd en driemaal twee Fabii vielen door Veientijnse wapens. Eén enkel huis had de verdediging en de last van de stad op zich genomen. De rechterhanden van een enkele stam offerden en trokken hun zwaarden. Uit hetzelfde kamp marcheerde een edel krijgsvolk voort, waarvan iedereen geschikt was om leider te zijn. De kortste route is vanuit de rechterboog van de poort van Carmentis. Ga niet op deze manier, wie je ook bent, hij is onheilspellend. Vandaar, zo gaat het gerucht, vertrokken de driehonderd Fabii. De poort treft geen blaam, maar brengt nog steeds ongeluk. Met een snel tempo bereikten zij de ruisende Cremera (’s winter stroomde deze heftig door winterse regenbuien) Zij maakten hun kamp op de plek, en braken met getrokken zwaarden dapper door de Tyrrheense gelederen, zoals leeuwen van het Libische ras door de kuddes op de weidse velden breken. De vijanden vluchtten verspreid, in de rug gestoken met oneervolle wonden, de Toscaanse aarde kleurde rood. Waar zij ook gingen, zo vaak sneuvelden zij. Toen de overwinning hen werd ontzegd, legden zij een hinderlaag van gewapende mannen en wachtten. Er was daar een vlakte, begrenst door heuvels en bossen, waar de bergdieren rustige holen konden vinden. In het midden liet de vijand een paar man achter en enkele verspreidde kuddes. De rest van de groep verschool zich loerend in het struikgewas. Zie, als een bergrivier, gezwollen door regen en sneeuw die de warme westenwind had laten smelten, over de korenvelden waaiend, over de wegen, haar water niet binnen de gebruikelijke oevers opkroppend, zo overspoelden de Fabii het hele dal. Alles wat zij zagen kapten zij om. Zij kenden geen andere angst. Waar gaan jullie heen, jullie zonen van een illuster huis? Het is verkeerd om op de vijand te vertrouwen. O edele en simpele zielen, pas op voor verraderlijke zwaarden! Dapperheid wordt door list overwonnen. Van alle kanten springt de vijand tevoorschijn op de open vlakte, en vallen van alle kanten aan. Wat kan een handvol dapperen doen tegen zoveel duizenden? Op welke hulp kunnen zij rekenen in die situatie? Als een zwijn, van verre uit het bos gedreven door de groep, verspreiden de snelle honden zich met luid blaffende kaken, want weldra zal hij snel gedood worden. Zo stierven zij niet ongewroken, afwisselend wonden makend en oplopend. Op één dag werden de Fabii naar de oorlog gezonden, op één dag waren allen die naar de oorlog werden gezonden dood. Ja mogen wij geloven dat de goden zich om het geslacht uit het huis van Heracles bekommerden. Want een kleine jongen, te jong om wapens te dragen, bleef aan het einde alleen achter van heel de clan der Fabii, Het lijdt geen twijfel, dat gij, Maximus, op een dag als machtigste geboren zou worden om de wereld op de gewenste te redden.

XVI. Kal. Mart. 14e

2; 243-266
Drie sterrenbeelden liggen bijeen gegroepeerd – de Kraai, de Slang en de Schaal, die tussen de andere twee in staat. Op de Ides zijn zij niet zichtbaar. Zij komen de volgende nacht op, Waarom deze drie zo nauw met elkaar zijn verbonden, zal ik u in een lied vertellen. Het gebeurde toen Apollo een plechtig feest voor Zeus aan het voorbereiden was. Mijn verhaal zal niet lang duren. ‘Ga, mijn vogel,’ zei Apollo, ‘opdat mijn heilige riten door niets vertraagd zullen worden, en haal een beetje water uit de stromende bronnen.’ De kraai nam een vergulde schaal in zijn gekromde klauwen en sprong op voor zijn reis door de lucht. Er stond een vijgenboom vol met nog onrijp fruit, die de kraai met zijn snavel probeerde, maar niet geschikt was om te verzamelen. Onachtzaam aan de opdracht die hij had gekregen, zo wordt verteld, wachtte hij onder de boom totdat het fruit langzaam rijp zou worden. Nadat hij zich uiteindelijk volgevreten had, greep hij een lange waterslang in zijn zwarte klauwen, en keerde terug naar zijn meester met een leugenachtig verhaal: ‘Deze slang was de oorzaak van mijn vertraging. Hij blokkeerde het stromende water. Hij hield de bron tegen om te stromen en mij om mijn plicht uit te voeren’. ‘Je maakt je schuld alleen maar erger,’ sprak Apollo, ‘met je leugens, en hoe durf je het aan om de god van de voorspelling te bedriegen met je leugens? Maar jij, jij zult geen koel water meer drinken uit een bron totdat de vijgen aan de boom sappig zijn geworden.’ Zo sprak hij, en als eeuwige herinnering aan dit oude incident schitteren nu de sterrenbeelden van de Slang, de Vogel en de Schaal nu naast elkaar.

XV. KAL. 15e

2; 267-302
De derde ochtend na de Ides zijn de naakte Luperci te zien, waarna de riten van de tweehoornige Pan komen. Vertel, Piëriaanse Muzen, de oorsprong van de riten, uit welk gebied ze oorspronkelijk kwamen en onze Latijnse huizen bereikte. Van de oude Arcadiërs wordt verteld dat ze Pan aanbaden, de god van het vee, hij die jaagt op de Arcadische bergkammen. Getuig van berg Pholoë, getuig van het Stymphalische water, en de Ladon die met snelle bergbeken zeewaarts stroomt. Getuig van de bergruggen bij Nonacris die omgord zijn met dennenbossen. Getuig van de hoge Triccene en van de Parrhasische sneeuw. Daar was Pan de god van de kudden, en ook van de merries. Hij kreeg geschenken om de schapen te behoeden. Evander bracht hem overzee met zijn bosgoden. Waar nu de stad ligt, was er toen niets anders dan de plek voor de stad zelf. Daar vereerden wij de god, en de Flamen Dialis worden nog steeds op de oude manier gevierd zoals deze riten van ginds door de Pelasgiërs hier zijn gebracht. Je vraagt je af, waarom de Luperci rennen? En waarom kleden zij zich uit en tonen hun naakte lichamen, want zo is hun gewoonte om rond te rennen? De god zelf is dol op rennen, snelvoetig, over de hoge bergen, en soms slaat hij zelf plotseling op de vlucht. De god zelf is naakt en gebiedt zijn volgelingen om ook naakt te rennen, bovendien, kleding gaat niet goed samen met hardlopen. Er wordt gezegd dat de Arcadiërs hun land al bezaten voordat Zeus geboren werd, en dat dit volk ouder is dan de maan. Zij leefden als beesten, een nutteloos leven. Nog ongekunsteld en ruw was het gemeenschappelijke graan. Water dat nog in de holte van de handen werd opgeschept was voor hen nectar. De stier hijgde niet onder het gewicht van de gebogen ploegschaar. Het land was nog niet onder de heerschappij van de boer gebracht. Men maakte nog geen gebruik van paarden, elke man droeg zijn eigen gewicht. Het schaap ging gekleed in zijn eigen wol. Ze leefden en gingen naakt onder de open hemel, gewend aan hevige regenbuien en regenachtige winden. Zelfs tot aan de dag van vandaag verhalen de ongeklede priesters van de oude gewoonten en getuigen van de gemakken die de ouden kenden.

2; 303-330
Maar om uit te leggen waarom Pan in het bijzonder het gebruik van kleding schuwde is een vrolijk verhaal dat is overgeleverd uit de dagen van weleer. Het toeval wilde dat de Tirynse jeugd in het gezelschap van haar gebiedster aan het wandelen was. Pan zag hen beiden vanaf een hoge bergrug. Hij zag en stond in vuur en vlam. ‘Jullie bergnimfen’, zei hij, ‘ik ben klaar met jullie. Gindse zal mijn ware liefde worden.’ Terwijl het Maeonische meisje voorliep, vielen haar geparfumeerde lokken over haar schouders. Haar boezem straalde door de gouden boordsels. Een gouden parasol hield de warme stralen van de zon tegen, en toch waren het de handen van Heracles die hem omhoog hielden. Nu bereikten zij het bos van Dionysus en de wijngaarden van de Tmolus, en bedauwde Hesperus reed op zijn schemerachtige paard. Ze gingen een grot binnen, waarvan het gebogen dak geheel uit tufsteen en levende rots bestond, en bij de ingang stroomde een kabbelend beekje. Terwijl bedienden de spijzen en de wijn gereed maakten voor het drinkgelag, kleedde zij Heracles met haar eigen kleding. Ze gaf hem doorzichtige tunieken die in Geatuliaans paars waren gedrenkt. Ze gaf hem een sierlijke gordel, dit tot dan toe haar middel had omgord. De gordel paste niet om zijn buik. Hij opende de gespen van de tuniek om zijn grote handen er door te steken. De armbanden had hij gebroken, niet gemaakt voor die armen. Zijn groten voeten spleten de kleine schoenen open. Zijzelf nam de zware knots, de leeuwenhuid, en de kleinere wapens die in de pijlenkoker waren opgeborgen. Zo uitgedost vierden zij feest, zo uitgedost vielen zij in een lichte slaap, en lagen naast elkaar op aparte bedden. Zij deden dit omdat zij zich opmaakten om in alle zuiverheid, op het moment van de dageraad, een festival te vieren ter ere van de ontdekker van de wijnstok.

2; 331-358
Het was middernacht. Wie wil de liefde dan niet bedrijven? Pan kwam door de duisternis naar de bedauwde grot, en toen hij de bedienden in een aangeschoten roes zag slapen, kreeg hij hoop dat hun meesters eveneens in diepe slaap lagen. Hij ging naar binnen, roekeloze geilaard, liep heen en weer, en ging met uitgestrekte handen voorzichtig verder. Op de tast vond hij uiteindelijk de bedden, waar zij uitgestrekt lagen, en aanvankelijk lachte het geluk hem toe. Toen hij de harige huid van de geelbruine leeuw voelde, stopte hij zijn hand verschrikt, als getroffen door de bliksem, net als wanneer een reiziger van angst bevriest als hij een kronkelende slang ziet. Toen raakte hij de zachte kleding aan op het volgende bed, en die bedrieglijke aanraking werd hem fataal. Hij beklom het bed en ging op de dichtstbijzijnde kant liggen, zijn gezwollen penis harder dan hoorn, en trok ondertussen de onderkant van het kledingstuk omhoog. Daar trof hij benen aan die met dik haar waren begroeid. Voordat hij verder kon gaan, duwde de Tirynse held hem abrupt weg, en viel hij van het hoge bed. Er klonk een zware klap. Omphale riep om haar bedienden en eiste licht. Toortsen werden binnen gebracht, en de waarheid kwam aan het licht. Na zijn zware val van het hoge bed kreunde Pan en kon nauwelijks van de harde grond overeind komen. Heracles lachte, net als iedereen die hem zagen liggen. Het Lydische meisje lachte ook tegen haar minnaar. Aldus door kleding verraden, houdt de god niet van kleding die het oog kan bedriegen, en gebiedt zijn aanbidders om naakt naar zijn riten te komen.

2; 359-380
Voeg om vreemde redenen, mijn Muze, hier enkele Latijnse aan toe, en laat mijn paard op zijn stoffige pad voortgaan. Er was eens zoals gewoonlijk een geit aan de tweehoevige Pan geofferd, en een menigte uitgenodigd om aan de schaarse maaltijd deel te nemen. Terwijl de priesters de ingewanden uitsneden, en vastmaakten aan wilgenspitten, de zon stond hoog aan de hemel, deden Romulus, zijn broer en de jonge schaapherders naakt oefeningen in de zon op de vlakte. Zij probeerden in sportwedstrijden de kracht van hun armen met lansen en speren en door logge stenen te werpen. Een herder riep vanaf een hoogte, ‘O Romulus en Remus, dieven drijven de ossen over de ongebaande paden weg.’ Naar de wapens grijpen zou te lang duren, de broers gingen in tegengestelde richting weg. Maar het was Remus die de strijd met de vrijbuiters aanging en de buit terug bracht. Toen hij terug kwam trok hij de sissende ingewanden van de spitsen en zei: ‘Niemand anders dan de winnaars zal die eten.’ Hij deed wat hij gezegd had, hij samen met de Fabii. Ginds kwam de van zijn stuk gebrachte Romulus, en zag de lege tafels en kale botten. Hij lachte, en mopperde dat Remus en de Fabii hadden gewonnen terwijl zijn eigen Quintilii dat niet hadden gedaan. De roem van de daad leefde voort. Zij renden naakt, en het succes van die dag behield een eeuwigdurende roem.

2; 381-424
Misschien vraag jij je af waarom die plaats Lupercal werd genoemd, en wat de reden is om die dag met een dergelijke naam aan te duiden. Silvia, een Hestiaanse Maagd, was bevallen van hemelse baby’s, toen haar oom op de troon zat. Hij gaf opdracht om de pasgeborenen weg te voeren en in de rivier te verdrinken. Onbezonnen man! Een van die baby’s zal Romulus worden. Met tegenzin voerden zijn bedienden de treurige opdracht uit (hoewel zij huilden) en droegen de tweeling naar de aangewezen plek. Het toeval wilde dat de Albula, die de naam Tiber van Tibernius kregen, verdronken in haar golven, gezwollen was door de winterse regen. Waar nu de forums zijn, en waar het dal van het Circus Maximus ligt, kun je de boten zien varen. Tot daar waren zij gegaan, want verder konden zij niet komen, en één van hen zei: ‘Maar wat zijn ze toch lief! Wat is elk van hen knap! Toch heeft één van de twee meer kracht. Als afstamming kan worden afgeleid uit kenmerken, tenzij de schijn mij bedriegt, denk ik dat er een god in jou schuilt – maar als een god inderdaad de oorzaak van jou ontstaan is, zal hij komen om je te redden in dit hachelijke uur. Hun moeder zal zeker hulp sturen, als zij geen steun ontbeert, zij die zowel haar kinderen baart en verliest op één dag. Jullie lichaampjes, samen geboren om samen te sterven, zullen samen in de golven verdwijnen!’ Hij was uitgesproken, en uit zijn schoot legde hij de tweeling neer. Beiden schreeuwden gelijktijdig, je zou denken dat ze het begrepen. Met natte wangen keerden de bezorgers terug naar huis. De holle ark waarin de baby’s waren gelegd droeg hen over het wateroppervlak. Wee mij! Welk een groot lot droeg de kleine plank! De ark dreef weg naar een schaduwrijk bos, en, terwijl het water geleidelijk aan ondieper werd, liep vast in de modder. Er was een boom, (sporen ervan zijn nog steeds aanwezig), die nu de Rumina vijgenboom genoemd wordt, maar ooit de Romulaanse vijgenboom was. Een wolvin die net haar welpen had geworpen kwam, wonderlijk om te vertellen, naar de verlaten tweeling. Wie zou geloven dat deze bruut de jongens niet zou kwetsen? Maar in plaats van ze te deren, hielp ze hen, en zij die meedogenloze verwanten met hun eigen handen zouden hebben gedood werden gezoogd door een wolvin! Ze bedekte en vertroetelde de tedere baby’s met haar staart, en likte hun lichaampjes schoon met haar tong. Je zou denken dat het telgen van Ares waren. Onverschrokken, zogen zij aan haar tepels en werden gevoed met melk die nooit voor hen bedoeld was geweest. De wolvin (lupus) gaf haar naam aan de plek, en de plek gaf haar naam aan de Luperci. De beloning die de min voor de melk die ze gaf kreeg was groot. Waarom zouden de Luperci niet naar de Arcadische berg vernoemd zijn? Lycische Pan heeft heiligdommen in Arcadië.

2; 425-452
Jij bruid, waarom dralen? Noch krachtige kruiden, noch gebeden, noch magische spreuken zullen van jou een moeder maken. Onderwerp je met geduld aan de klappen die gegeven worden door een vruchtbare hand, binnenkort zal de vader van je man genieten van de gewenste titel van grootvader. Want er was eens een tijd dat een hardvochtig lot oordeelde dat echtgenotes hun mannen zelden de belofte van hun baarmoeder mochten geven. Romulus schreeuwde (want dit gebeurde toen hij op de troon zat). ‘Wat heeft het me opgeleverd dat ik Sabijnse vrouwen heb geteisterd, als het foute wat ik heb gedaan mij geen kracht maar alleen oorlog heeft gegeven? Het zou beter geweest zijn als onze zoons nooit getrouwd zouden zijn.’ Onder de Esquilijnse Berg is een heilig bos, vele jaren niet aangeraakt door de bijl van de houthakkers, dat door de grote Hera werd bezocht. Als zij ginds kwam, bogen zowel echtgenoten en vrouwen hun hoofden, wanneer plotseling de toppen van de bomen schudden en beefden, en de godin wonderlijke woorden in haar eigen heilige bos sprak: ‘Laat de heilige bok,’ zei ze, ‘naar de Italiaanse getrouwde vrouwen gaan.’ Bij deze dubbelzinnige woorden stond de menigte verstijfd van angst. Er was een zekere voorspeller (zijn naam is vervaagd in de loop der jaren, maar hij was pas in ballingschap uit een Etruskisch land gekomen). Hij doodde een bok, en op zijn bevel offerden de jonkvrouwen hun ruggen om geslagen te worden met riemen die uit de huid waren gesneden. Toen de maan voor de tiende keer haar hoorns had vernieuwd, werd de echtgenoot plotseling vader en de vrouw moeder. Met dank aan de naam Eileithyia (Lucina), godin, die u aannam van het heilige bos (lucus), of omdat met u de bron van het licht (lucis) komt. Barmhartige Eileithyia, spaar, bid ik, vrouw met kind, en haal teder de rijpe vrucht uit de baarmoeder.

2; 453-474
Wanneer de dag aanbreekt, vertrouw dan de winden niet meer. In dat seizoen houdt de wind zich niet aan zijn gewoonten. Wispelturig zijn de vlagen, en de deur van de Aeolische gevangenis staat voor zes dagen wijd open. De heldere Waterdrager gaat nu onder met zijn gekantelde urn. U ontvangt als volgende, O Vis, de hemelse paarden. Ze zeggen dat u en uw broer (want gij zijt sterrenbeelden die naast elkaar stralen) twee goden op uw ruggen droeg. Eens toen Dione, vluchtend voor de vreselijke Typhon, toen Zeus wapens droeg voor de verdediging van de hemel, naar de Euphraat kwam, in gezelschap van de kleine Eros, ging zij aan de oever van het Palestijnse water zitten. Populieren en riet kroonden de toppen van de oevers, en wilgen boden hoop aan de vluchtelingen dat zij daar ook een schuilplaats konden vinden. Terwijl zij daar verborgen lag, ritselde het bos in de wind. Ze werd bleek van angst, en dacht dat de groep vijanden in de buurt was. Haar kind in haar schoot houdend, riep ze: ‘Schiet te hulp, nimfen en help twee goden!’ Zonder aarzelen sprong ze naar voren. Twee vissen namen haar op hun ruggen, waarvoor zij nu tot de sterren behoren, een ontmoeting die beloond werd. Daarom noemen nauwgezette Syriërs het een zonde om dergelijk voedsel op tafel te zetten, en zullen hun monden niet verontreinigen met vis.

XIII. KAL. 17e

2; 475-511
De volgende dag is vrij, maar de derde is opgedragen aan Quirinus, die zo werd genoemd (hij heette daarvoor Romulus) ofwel omdat de oude Sabijnen een speer curis noemden, en de oorlogszuchtige god door dit wapen een plaats tussen de sterren kreeg, of omdat de Quiriten hun eigen naam aan hun koning gaven, of omdat hij Cures met Rome verenigde. Want toen de vader, heer der wapens, de nieuwe muren zag en de vele oorlogen die door Romulus waren gevoerd, zei hij: ‘O Zeus’, de Romeinse macht heeft kracht. Het heeft de diensten van mijn afstammelingen niet nodig. Geef de zoon terug aan de vader. Hoewel één van de twee is overleden, zal degene die is overgebleven zowel voor zichzelf als voor Remus lijden. U hebt zelf gezegd dat er iemand zal komen die u tot de blauwe hemel zal verheffen. Het woord van Zeus moet gehouden worden.’ Zeus knikte instemmend. Op zijn knikken schudden de polen, en Atlas verschoof de last op zijn schouders. Er is een plek die de ouden het Geitenmoeras noemen. U was daar, Romulus, toevallig om recht over uw volk te spreken. De zon verdween en aanwakkerende wolken verduisterden de hemel, en er viel daar een zware bui van hevige regen naar beneden. Toen donderde het, en de lucht werd verscheurd door bliksemende vlammen. Het volk vluchtte, en de koning vluchtte naar de sterren op de paarden van zijn vader. Er was rouw, en de senatoren werden valselijk beschuldigd van moord, en dit vermoeden nestelde zich in de geesten van de bevolking. Maar Julius Proculus kwam van Alba Longa. De maan scheen, en er was geen behoefte aan toortsen, toen de heggen aan zijn linkerkant plotseling schudden en beefden. Hij deinsde terug en zijn haren stonden recht overeind. Het leek hem dat Romulus, mooi van aanzicht, in gestalte meer dan menselijk, en gekleed in een prachtige mantel, daar midden op de weg stond en zei: ‘Verbiedt de Quiriten te rouwen, laat hen mijn goddelijkheid niet ontheiligen met hun tranen. Geef de vrome menigte opdracht om wierook te brengen en de nieuwe Quirinus gunstig te stemmen, en zeg hen om de kunsten te vervolmaken die hun vaders ontwikkelden, de kunst van oorlogsvoering.’ Zo beval hij, en voor de ogen van de anderen verdween hij in de ijle lucht. Proculus riep het volk bijeen en meldde de woorden die hij zojuist gehoord had. Er werden heiligdommen voor de god gebouwd, en de heuvel werd ook naar hem vernoemd, en de riten die onze vaders waargenomen hadden werden op vaste dagen gehouden.

2; 512-532
Leer ook waarom deze dag het Feest der Dwazen wordt genoemd. De reden voor deze naam is nietig maar juist. De oude aarde werd bebouwd door domme mensen. Oorlogshandelingen vermoeiden hun werkzame lichamen. Er was meer roem te behalen met het zwaard dan met de gebogen ploeg. De verwaarloosde boerderij leverde haar meester maar een klein rendement. Toch zaaiden de ouden graan, en graan oogstten zij. Van de eerste oogst offerden zij aan Demeter. Vanuit ervaring roosterden zij het graan boven een vuur, en leden vele verliezen door hun eigen onkunde. Want op het ene moment veegden zij de zwarte as op in plaats van het graan, en op een ander moment vlogen de hutten in brand. Dus veranderden zij de oven in een godin met die naam (fornax). Verheugd over haar, baden de boeren dat zij het vuur onder het graan zou temperen dat aan haar werd opgedragen. Tegenwoordig verkondigt de Eerste Opzichter (Curio Maximus) in een vastgestelde toespraak de tijd om het Feest van de Ovens (Fornacalia) te vieren, en hij viert de riten niet op een vastgestelde datum. En rond het forum hangen vele tabletten, met daarop het teken van elke opzichter afgebeeld. De domme mensen van het volk weten niet wie hun eigen opzichter is, maar vieren het feest op de laatst mogelijke dag waarop dit kan worden uitgesteld.

IX. KAL. 21e

2; 533-546
De eer is betaald, ook aan het graf. Verzoen de zielen van uw vaders en breng kleine geschenken naar de graven die voor hen zijn opgericht. Geesten vragen maar weinig, zij waarderen vroomheid meer dan een kostbare gift. Het zijn geen hebzuchtige goden die in de onderwereld jagen langs de oevers van de Styx. Een tegel versierd met geloftevolle bloemenkransen, een handje graan, een paar korrels zout, brood in wijn gedrenkt, en enkele losse viooltjes, dit zijn geschenken die voldoen. Leg deze op een potscherf en laat die midden op de weg achter. Niet dat ik grotere offers verbied, maar zelfs deze volstaan om de schaduwen te verzoenen. Voeg er gebeden met de juiste woorden aan toe bij de altaren die voor dit doel zijn gebouwd. Deze gewoonte werd ingevoerd in uw land, rechtschapen Latinus, door Aeneas, passende dienaar van vroomheid. Hij bracht plechtige offers aan de geest van zijn vader. Van hem leerden de mensen de vrome riten.

2; 547-556
Maar eens, lange oorlogen voerend met krijgshaftige wapens, verwaarloosden zij de Allerzielen Dagen. Deze nalatigheid bleef niet onbestraft. Want men verteld dat sinds die onheilspellende dag Rome heet werd vanwege de begrafenisvuren die brandden in de stad. Ze zeggen, hoewel ik het mij nauwelijks kan voorstellen, dat de voorouderlijke zielen vanuit hun graven een kwestie van dit punt maakten en kreunden in de stille uren van de nacht. En afschuwelijk geesten, een schimmige menigte, zo wordt verteld, huilden boven de straten van de stad en in de weidse velden. Later werden de eerbewijzen die waren vergeten weer opnieuw betoond aan de graven, en werd er een grens gesteld aan de verloren zonen en begrafenissen.

2; 557-570
Maar terwijl de riten werden uitgevoerd, veranderden jullie vrouwen niet de status van weduweschap. Laat de huwelijksfakkel wachten totdat de dagen zuiver zijn. En O, jij jongedame, die in de ogen van de gretige moeder rijp voor het huwelijk lijkt, laat de gebogen speer niet het meisjeshaar uitkammen! O god van het huwelijk (Hymenaeus), verberg uw fakkels, en draag die weg van de sombere vuren! De fakkels die bij het treurige graf oplichten zijn totaal anders. Verberg ook, de goden bij het sluiten van de tempeldeuren. Laat geen wierook branden op de altaren, of vuur in de haarden. Nu eens dwalen de onstoffelijke zielen en begraven doden rond, dan weer doen de geesten zich tegoed aan een aalmoes. Maar dit duurt net zoveel dagen die resteren in de maand als er voeten in mijn coupletten zitten. Die dag noemen ze de Feralia, omdat zij dan hun schulden naar de doden dragen (ferunt). Het is de laatste dag om de geesten gunstig te stemmen.

2; 571-582
Zie, een oude heks, tussen de meisjes zittend, voert riten uit ter ere van Tacita (De zwijgende Godin), maar zijzelf is niet stil. Met drie vingers legt ze drie brokken wierook onder de deur, waar de kleine muis voor zichzelf een geheim pad gemaakt heeft. Dan bindt ze betoverde draden met donker lood bijeen, en mompelt met zeven zwarte bonen in haar mond. En ze roostert in het vuur de kop van een kleine vis die ze heeft dichtgenaaid, verzegeld met pek, en doorboord met een bronzen naald. Ze druppelt er ook wijn overheen, en zij en haar gezelschap drinken de wijn die overblijft, maar zij krijgt het merendeel. Als ze vertrekt zegt ze: ‘We hebben vijandige tongen en onvriendelijke monden snel gebonden.’ Zo gaat de oude vrouw dronken weg.

2; 583-616
Eens zul je me vragen, ‘Wie is de godin Muta (De sprakeloze)?’ Luister naar wat ik in het verleden heb geleerd van de oude manen. Veroverd door een gekmakende liefde voor Juturna, onderwierp Zeus zich aan vele zaken die een dergelijk grote god niet geacht wordt te doen. Want nu eens verborg ze zich in de bossen onder de takken van de hazelaar, dan weer sprong ze in het water van haar zusters. De god riep alle nimfen bijeen die in Latium woonden, en temidden van die groep sprak hij luid: ‘Jullie zus is haar eigen vijand, en schuwt de vereniging met de oppergod die een zegen voor haar is. Bid voor haar belangen en die van mij, want wat voor mij een groot genoegen is zal voor jullie zus een grote zegen zijn. Als ze vlucht, stop haar dan aan de rand van de oever, opdat ze niet in het water van de rivier duikt.’ Zo sprak hij. Er werd ingestemd door alle nimfen van de Tiber en zij die jaagt, goddelijke Ilia. Het toeval wilde dat daar een Najade nimf was, Lara genaamd. Maar haar vroegere naam was de tweemaal herhaalde eerste lettergreep, die werd gegeven om haar falen te markeren. Almo had vele malen tegen haar gezegd, ‘Mijn dochter, houdt je mond,’ maar zij hield die niet dicht. Zodra ze de zwemplek van haar zuster Juturna bereikte, riep ze: ‘Ontvlucht de oever’. En vertelde over de woorden van Zeus. Ze bezocht zelfs Hera, en getuigde van haar medeleven met getrouwde vrouwen. ‘Jouw man,’ zei ze. ‘is verliefd op de Najade Juturna.’ Zeus kookte en rukte haar tong uit die zij zo indiscreet had gebruikt. Hij riep ook om Hermes. ‘Neem haar mee naar het land van de doden,’ zei hij, ‘dat is de plek voor stommen. Ze is een nimf, maar ze zal een nimf van de helse moerassen zijn.’ De opdracht van Zeus werd gehoorzaamd. Onderweg kwamen zij bij een bos. Toen gebeurde het, zo wordt verteld, dat zij het hart van haar goddelijke begeleider won. Hij zou geweld hebben gebruikt, want bij gebrek aan woorden vergenoegde zij zich aan zijn blik, en probeerde tevergeefs met haar domme lippen te spreken. Ze werd zwanger, en baarde een tweeling, die de kruispunten bewaken en altijd onze stad in de gaten houden. Zij zijn de Laren

VIII. KAL. 22e

2; 617-638
De volgende dag kreeg zijn naam van Caristia van de lieve (cari) verwanten. Een menigte van naaste verwanten komt bijeen om de familie van de goden te ontmoeten. Het is, zonder twijfel, zoet om in onze herinnering de gedachten aan de levenden op te roepen die bij het graf hebben gewoond en aan de dierbare doden. Zoet, na zoveel verlorenen, is het ook om naar diegenen van ons bloed te kijken die zijn verdwenen, en hen tot de verwanten te rekenen. Alleen de onschuldigen komen! Ver, ver hiervandaan is de buitenechtelijke broer, en de moeder die bruut is voor haar eigen kinderen, hij wiens vader te lang leeft, hij die aan de leeftijd van zijn moeder denkt, en de onvriendelijke schoonmoeder die haar schoondochter haat en slecht behandelt. Hier is geen plaats voor de broers, telgen van Tantalus, voor de vrouw van Iason, voor hem die de geroosterde zaden aan de boeren gaf, voor Procne en haar zus, voor Tereus, wreed voor hen beiden, en voor hem, wie hij ook mag zijn, die rijkdom vergaart door misdaden. Schenk wierook aan de familie van de goden (want er wordt gezegd dat die dag Concord haar lieve aanwezigheid verleent boven alle anderen), en offer voedsel, opdat de Laren, in hun omgordde mantels, hen als huldeblijk mogen voeden op de platte borden waar zij van houden. En nu, wanneer de donkere nacht uitnodigt tot een kalme slaap, vul de wijnbeker voor het gebed en zeg, ‘Heil aan u, heil aan u allen, Vader van uw Land, Ceasar de Goede!’ en laat een goede redevoering de wijn vergezellen.

XII. KAL. 23e

2; 639-684
Als de nacht voorbij is, zie er dan op toe dat de god die de grenzen van het akkerland bewaakt zijn gebruikelijke eerbewijzen ontvangt. O Terminus, of je nu een steen of een boomstronk bent die begraven is in het land, ook u werd vergoddelijkt in de dagen van weleer. U bent door twee eigenaren aan tegenovergestelde kanten bekroond, zij brengen u twee bloemenslingers en twee koeken. Een altaar wordt gebouwd. Ginds brengt de vrouw van de boer met haar eigen handen het vuur op een potscherf dat ze uit de warme haard heeft genomen. De oude man hakt hout, stapelt behendig de blokken op, en probeert de takken in de stevige aarde te zetten. Dan verzorgt hij de aanwakkerende vlammen met droge schors, de jongere staat er bij en houdt de grote mand in zijn handen. Wanneer hij vanuit de mand driemaal graankorrels in het midden van het vuur heeft gegooid, schenkt de kleine dochter de gesneden honingraten. Anderen houden vaten wijn in hun handen. Van elk wordt een deel in de vlammen gegoten. Het gezelschap is in het wit gekleed, kijkt toe en bewaart de rust. Terminus zelf, tijdens die bijeenkomst der akkergrenzen, wordt besprenkeld met bloed van een geslacht lam, en moppert niet wanneer hem een speenvarken wordt gegeven. De eenvoudige buren komen bijeen en vieren een feest, en zingen hun lof, voor de heilige Terminus: ‘Gij stelt grenzen vast voor de mensen en steden en uitgestrekte koninkrijken, zonder u zou elk veld een bron van ruzie zijn. U kunt niet door goud worden omgekocht. U waakt met goede trouw over het land dat aan uw hoede is toevertrouwd. Als u in het verleden de grenzen van het Thyreense land had vastgesteld, waren er geen driehonderd mannen gestorven, noch was de naam van Othryade te lezen geweest op de opgestapelde wapens. O wat liet hij zijn vaderland bloeden! Wat gebeurde er toen de nieuwe hoofdstad werd gebouwd? Waarom, de hele groep goden trok zich terug voor Zeus en maakte ruimte voor hem. Maar Terminus, zoals de ouden vertellen, bleef in het heiligdom waar hij werd gevonden, en deelde de tempel met grote Zeus. Zelfs tot aan de dag van vandaag is er een klein gat in het dak van de tempel, zodat hij niets anders dan sterren boven zich ziet. Op die plek verblijft hij zoals hij door u is geplaatst. Verschuif nog geen centimeter naar een buurman, hoewel hij het u vraagt, opdat het niet zal lijken of u de mens boven Zeus stelt. En of zij u nu slaan met de ploegschaar of met harken, schreeuw dan, ‘Dit is uw land, en dit is dat van hem.’ Er is een weg die mensen naar de Laurentijnse velden lijdt, het koninkrijk dat eens werd bezocht door de Dardaanse leider. Zo getuigt de zesde mijlpaal vanaf de stad over het offer van de wollige schapen die voor u zijn verbrand, Terminus. Het land van andere volkeren heeft een vastgestelde grens. De omtrek van Rome is de omtrek van de wereld.

VI. KAL 24e

2; 685-710
Nu moet ik vertellen over de vlucht van de koning. De zesde dag voor het einde van de maand heeft zijn naam hiervan gekregen. De laatste heerser over het Romeinse volk was Tarquinius, een onrechtvaardige man, maar machtig in de strijd. Hij had een aantal steden genomen en anderen vernietigd, en de Gabii met vals spel overwonnen. Want de jongste van zijn drie zonen, ware telg van zijn trotse vader, sloop in de stille nacht naar het midden van de vijanden. Zij trokken hun zwaarden. ‘Doodt een ongewapende man!’ zei hij. Dat is wat mijn broers wensen, en Tarquinius, mijn vader, die mijn rug met wrede slagen geselt.’ Om te voorkomen dat zij zouden aandringen, had hij zich onderworpen aan een geseling. De maan scheen. Zij zagen de jongeman en rammelden met hun zwaarden, want zij zagen de littekens op zijn rug, waar hij zijn mantel had laten zakken. Ze huilden zelfs en smeekten hem om samen ten strijde te trekken in de oorlog. De sluwe schurk stemde in met hun onoplettende verzoek. Hij was nauwelijks door hen opgenomen of hij stuurde een vriend om aan zijn vader de manier te vragen hoe hij de Gabii moest vernietigen. Onderaan het paleis lag een mooie tuin van geurige planten, waar de grond werd gescheiden door een beekje met murmelend water. Daar ontving Tarquinius de geheime boodschap van zijn zoon, en met zijn staf maaide hij de grootste lelies weg. Toen de boodschapper terugkeerde vertelde hij over de afgesneden lelies, en de zoon riep: ‘Ik begrijp de opdracht van mijn vader.’ zonder aarzelen, hakte hij de hoofden van de leiders van de stad af en omsingelde de muren, die nu beroofd waren van hun eigen leiders.

2; 711-760
Ziet. O verschrikkelijk schouwspel! Van tussen de altaren kwam een slang tevoorschijn en greep het offervlees van de koude vuren. Phoebos werd geraadpleegd. Er kwam een orakel terug in de volgende bewoordingen: ‘Hij die als eerste zijn moeder kust zal zegevieren.’ Iedereen van de goedgelovige groep, de god niet begrijpend, haastte zich om zijn moeder te kussen. De verstandige Brutus deed of hij gek was, zodat hij voor uw listen, Trotse Tarquinius, angstwekkende koning, veilig zou zijn. Vooroverliggend kuste hij moeder Aarde, maar zij dachten dat hij gestruikeld was en gevallen. Intussen hadden de Romeinse legioenen Ardea omsingeld, en de stad werd getroffen door een lange en slepende belegering. Terwijl er niets te doen was, en de vijand bang was om de strijd aan te binden, vierden zij feest in het kamp, de soldaten namen er hun gemak van. De jonge Tarquinius vermaakte zijn kameraden met feesten en wijn. Tussen hen in sprak de zoon van de koning: ‘Terwijl Ardea ons hier vasthoudt met spanhaken en een trage oorlog, en ons niet laat lijden door onze wapens terug te laten brengen naar de goden van onze vaderen, hoe denken wij over de trouw van onze vrouwen? Zijn wij net zo dierbaar voor onze vrouwen als zij voor ons?’ Elk prees zijn vrouw. Door hun gretigheid liep het geschil hoog op, en elk hart en mond werd woest door de grote teugen wijn. Toen stond de man die zijn beroemde naam van Collathia had gekregen op en sprak: ‘Geen behoefte aan woorden! Vertrouw op daden! Er is nog voldoende nacht. Naar de paarden! En laten we naar de stad rijden.’ Zijn woorden plezierden hen. De paarden werden opgezadeld en droegen hun meesters naar het einde van de reis. Zij zochten als eerste het koninklijke paleis. Er stond geen schildwacht bij de deur. Zie, zij vonden de schoondochters van de koning, hun halzen gedrapeerd met bloemenslingers, die de wacht over de wijn hielden. Daarvandaan galoppeerden zij naar Lucretia, bij wier bed manden vol met zachte wol stonden. Bij een gedempt licht spinden de dienstmaagden de hun toegewezen kaarden van garen. Tussen hen sprak de vrouwe met zacht accent: ‘Haast jullie nu, schiet op, mijn meisjes! De mantel die onze handen hebben gemaakt moet onmiddellijk naar onze meester gezonden worden. Maar welk nieuws hebben jullie? Want er komt meer nieuws onze kant op. Wat vertellen ze over de oorlog die op handen is? Hierna zult u overwonnen worden en sneuvelen: Ardea, u weerstaat uw meerderen, afgematte stad, die onze mannen noodgedwongen ver van ons gescheiden houdt! Konden ze maar terugkeren! Maar die van mij is roekeloos, en rent overal met getrokken zwaard heen. Ik bezwijm, ik sterf, elke keer als het beeld van mijn echtelijke soldaat door mijn hoofd spookt en een kilte in mijn hart achterlaat.’ Ze eindigde huilend, liet het gesponnen garen vallen, en verborg haar gezicht in haar schoot. Het gebaar was bevallig. Bevallig waren ook haar kuise tranen. Haar gezicht was waardig aan haar verschijning, aan haar ziel. ‘Vrees niet, ik ben gekomen,’ zei haar echtgenoot. Ze herleefde en hing om de nek van haar man, een zoete last.

2; 761-783
Intussen was de koninklijke jeugd in vuur en vlam ontstoken, en raaskalde vervoerd door blinde liefde. Haar figuur beviel hem, en die sneeuwwitte teint, dat blonde haar, en ongekunstelde gratie. Ook haar woorden en stem en deugdelijke trouw bevielen hem. En hoe minder hoop hij had, des te heter werd zijn verlangen. De vogel, voorbode van de dageraad, uitte nu zijn gezang, toen de jongemannen terugkeerden naar hun kamp. In de tussentijd maakte het beeld van zijn afwezige liefde zijn zintuigen dol. ‘Zo was ze gekleed, zo zat ze, zo spon ze het garen, zo vielen heur haren in haar nek. Dat was haar blik, dit waren haar woorden, dit was haar kleur, dat haar figuur, en dit haar lieflijke gezicht.’ Net zoals na een grote storm de golven verminderen, maar de golven toch blijven deinen, gegeseld door de nu afnemende wind, zo bleef, hoewel die lieftallige gedaante nu ver weg was, de liefde die had toegeslagen in zijn hart hangen. Hij stond in vuur en vlam, geprikkeld door de steken van een onrechtmatige liefde, en beraamde geweld en bedrog tegen een onschuldig bed. ‘De kwestie is twijfelachtig. We gaan tot het uiterste,’ zei hij, ‘Laat zij er naar uitkijken! God en geluk helpen de durfal. Door durf nemen we de Gabii ook gevangen.’

2; 784-812
Zo sprekend bond hij het zwaard aan zijn zijde en besteeg de rug van zijn paard. De met brons omlijste poort van Collatia ging voor hem open op het moment dat de zon zijn gezicht wilde verbergen. Als gast vermomd vond hij zijn weg naar het huis van Collatinus. Hij werd vriendelijk welkom geheten, want hij kwam van verwante familie. Hoezeer werd haar hart misleidt! Geheel onwetend was ze, hopeloze vrouw, en bereidde een maaltijd voor haar eigen vijand. Hij gebruikte de maaltijd, en de tijd van slapen brak aan. Het was nacht, en er brandde geen kaars in het hele huis. Hij stond op, trok zijn zwaard uit de vergulde schede, en ging haar kamer binnen, deugdzame echtgenote. En nadat hij het bed aanraakte, zei de koningszoon: ‘Het staal is in mijn handen, Lucretia, en ik die spreek ben Tarquinius.’ Zij sprak geen woord. Stem en de kracht om te spreken en de gedachte zelf vluchtten uit haar geest. Maar ze beefde, zoals een klein lam beeft dat, gevangen genomen terwijl het van de kudde afdwaalde, gepakt wordt door een verscheurende wolf. Wat kon ze doen? Moest ze weerstand bieden? In de strijd delft een vrouw altijd het onderspit. Moest ze schreeuwen? Maar in de greep van zijn handen was het zwaard dat haar tot zwijgen kon brengen. Moest ze vluchten? Zijn handen drukten zwaar op haar borst, de borst die tot dan toe nooit de aanraking van een vreemde hand had gevoeld. Haar vijandelijke minnaar drong aan met gebeden, met omkopingen, met bedreigingen. Maar hij kon haar niet overreden met gebeden, met omkopingen, of met bedreigingen. ‘Verzet heeft geen zin,’ zei hij, ‘ik zal u van uw eer en van uw leven beroven. Ik, de overspelige, zal een valse getuigenis van uw overspel afleggen. Ik zal een slaaf doden, en vanwege het rumoer zul je samen met hem betrapt worden.’ Overmand door angst of schande, stemde de vrouw in. Waarom, overwinnaar, genoot je? Deze overwinning zal je ruïneren. Eén dierbare nacht kost je helaas het koninkrijk!

2; 813-852
De dageraad was aangebroken. Ze zat daar met verwarde haren, als een moeder die de begrafenis van haar zoon moet bijwonen. Ze liet haar oude vader en trouwe echtgenoot uit het kamp halen, en beiden kwamen zonder aarzeling. Toen zij haar zo benard zagen, vroegen zij waarom ze zo rouwde, van wie zij de uitvaart aan het voorbereiden was, of door welke ziekte zij was overvallen. Ze zweeg lange tijd, en verborg uit schaamte haar gezicht in haar mantel. Haar tranen stroomden als een rivier. Haar vader aan de ene en haar echtgenoot aan de andere kant probeerden haar verdriet te verzachten en baden haar om te vertellen, en huilden en beefden in blinde angst. Driemaal probeerde zij te spreken, en gaf het driemaal op, en toen zij voor de vierde keer moed vatte lukte het niet om haar ogen op te slaan. ‘Moet ik dit ook danken aan Tarquinius? Moet ik spreken,’ riep ze, ‘moet ik met mijn eigen mond vertellen, wee mij, over mijn eigen schande?’ En wat moest ze hen vertellen. Het einde liet ze onuitgesproken, maar huilde met een blos op haar vrouwenwangen. Haar man en vader vergaven haar voor de daad die was afgedwongen. Ze zei, ‘De genade die jullie schenken, weiger ik voor mijzelf.’ Zonder aarzelen, ze stak het staal dat ze verstopt had in haar borst, viel ze in haar eigen bloed aan de voeten van haar vader. Zelfs stervend zorgde ze ervoor om fatsoenlijk neer te vallen. Daar dacht ze zelfs aan toen ze viel. Zie, zich niet bekommerend om hun verschijning, wierpen de vader en echtgenoot zich op haar lichaam, kreunend om hun gemeenschappelijke verlies. Brutus kwam, en verloochende uiteindelijk zijn naam. Want uit het halfdode lichaam griste hij het wapen dat er in stak, en het mes vasthoudend, dat droop van het edele bloed, sprak hij onbevreesd deze woorden van dreiging: ‘Bij dit dappere en kuise bloed, en bij de geest, die als een god voor mij zal zijn, zweer ik dat ik de wreker van Tarquinius en zijn verbannen geslacht zal zijn. Mijn mannelijke waardigheid heb ik te lang verloochend.’ Bij deze woorden, zoals ze daar lag, bewoog zij haar niets ziende ogen en leek door de beweging van heur haren de woorden goed te keuren. Zij droegen haar naar haar begrafenis, die vrouw met mannelijke moed, en tranen en verontwaardiging volgden in haar stoet. De gapende wond was voor iedereen te zien. Met een schreeuw verzamelde Brutus de Quiriten en herhaalde de lage daad van de koning. Tarquinius en zijn geslacht werden verbannen. Een consul nam de regering voor een jaar over. Die dag was de laatste van koninklijke heerschappij.

2; 853-855
Heb ik gedwaald? Of is de zwaluw gekomen, de voorbode van de lente, en is hij niet bang tenzij de winter draait en terugkeert? Toch zul je vaak klagen, Procne, dat je teveel haast maakt, en je man Tereus zal zich verheugen over de koude die je voelt.

III. KAL. 27e

2; 856-862
En nu zijn er nog maar twee nachten over van de tweede maand, en Ares (Mars) spoort zijn snelle paarden aan die voor zijn wagen zijn gespannen. De dag kreeg de naam van Equirria (Paardenrennen) ontleend aan de wedstrijden die de god op zijn eigen vlakte aanschouwde. U Marcherende God (Gradivus), u komt met recht. Uw seizoen verdient een plek in mijn lied, en de maand die nadert is naar u vernoemd.

PR. KAL. 28e

2; 863-864
We zijn bij de haven aangekomen, want dit boek eindigt met de maand. Vanaf dit punt zal mijn schip nu in ander water zeilen.

Boek 3 - Maart

Inleiding op maart

3; 1-10
Kom, oorlogszuchtige Ares. Leg uw schild en speer een kort moment neer, en haal uw helm van uw glinsterende lokken. U zult vragen, wat heeft een dichter daar met Ares te maken? Deze maand waarover ik nu ga zingen heeft haar naam aan u ontleend. U hebt met eigen ogen gezien welke felle oorlogen er zijn gevoerd door Athena’s toedoen. Is zij daarom de mindere voor de vrije kunsten? Neem naar het voorbeeld van Pallas een moment de tijd en leg uw lans terzijde. U zult iets ongewapend te doen hebben. Toen, was u ook ongewapend toen de Romeinse priesters u gevangen namen, opdat u deze stad een grote nakomeling zou schenken.

3; 11-42
Silvia de Vestaalse (waarom niet met haar beginnen?) ging in de ochtend water halen om de heilige voorwerpen te wassen. Toen ze bij het punt kwam waar het pad langzaam naar beneden liep naar de glooiende oever, zette ze haar aardewerken kruik van haar hoofd. Vermoeid, ze zat daar op de grond en ontblote haar boezem om een zuchtje wind op te vangen, en schikte haar verwarde haren. Terwijl ze daar zat, viel ze door de schaduwrijke wilgen en de welluidende vogels en het zachte gemurmel van het water in slaap. Zoete slaap overmeesterde haar en kroop steels over haar ogen, en haar lome hand viel weg van haar kin. Ares zag haar. Het aanzicht inspireerde hem met verlangen, en zijn verlangen werd gevolgd door bezit, maar met zijn goddelijke kracht verschool hij zijn gestolen genot. Slaap verliet haar. Ze lag daar zwanger, want in haar schoot was Rome’s grondvester al aanwezig. Loom stond ze op, niet wetend waarom ze zo loom overeind kwam, en sprak leunend tegen een boom deze woorden: ‘Laat dat wat ik in een droom in mijn slaap heb gezien, nuttig en gelukkig zijn, bid ik. Of was die droom te echt voor mijn slaap? Ik dacht dat ik bij de brand van Ilium stond, toen de wollen hoofdband voor de heilige haard uit mijn haar gleed. Uit de hoofdband ontsprong een wonderlijk gezicht – twee palmbomen naast elkaar. Eén van hen was de grootste en spreidde een dak over heel de wereld uit, en met zijn bladeren raakte hij de hoogste sterren. Zie, mijn oom hanteert een bijl tegen de bomen. De waarschuwing maakte me doodsbang en deed mijn hart van angst kloppen. Een specht – de vogel van Ares en een wolvin verdedigde de twee stammen, en door hun hulp werden de twee palmbomen gered.’ Ze stopte met spreken, en met een moeiteloze inspanning tilde zij de volle waterkruik op. Die had ze gevuld terwijl ze over haar droom vertelde. Ondertussen groeide haar buik met een hemelse last, want Remus groeide, en, ook Quirinus groeide.

3; 43-86
Er bleven nog twee hemelse tekens voor de god over om te doorkruisen, voordat het jaar voltooid was, toen Silvia moeder werd. Er wordt verteld dat de beelden van Hestia hun ogen bedekten met hun maagdelijke handen. Het altaar van de godin schudde, toen haar priesteres naar bed werd gebracht, en de doodsbange vlam verzonk in zijn eigen as. Toen Amulius hiervan hoorde, bespotter van het recht (want hij had zijn broer overwonnen en hem beroofd van zijn macht), gaf hij opdracht om de tweeling te verdrinken in de rivier. Het water kromp ineen voor zo’n misdaad, en de jongens werden op het droge land achtergelaten. Wie kent het verhaal niet dat de zuigelingen gedijden op melk van een wild beest, en dat de specht vaak voedsel bracht naar de verlaten baby’s? Noch zal ik over u zwijgen, Larentia, verzorgster van zo’n grote natie, of de hulp die u gaf, arme Faustulus. Uw eer zal op zijn plaats vallen wanneer ik zover ben om over Larentalia te vertellen. Dat festival valt in december, de maand waar vrolijke geesten zo van houden. Driemaal zes jaar waren de nakomelingen van Ares, en onder hun blonde haren kiemde al een frisse jonge baard. De broers, zoons van Ilia, spraken op verzoek recht over alle boeren en eigenaren van kudden. Zij kwamen vaak verheugd en bespetterd met gemorst bloed van dieven thuis, en dreven de gestolen koeien terug naar hun eigen gebied. Toen ze het geheim van hun geboorte vernamen, groeiden hun geesten door de onthulling van hun vader, en schaamden zich dat hun namen slechts in een paar hutten beroemd waren. Amulius sneuvelde, gedood door het zwaard van Romulus, en het koninkrijk werd teruggegeven aan hun oude grootvader. Muren werden gebouwd, welke, hoewel ze klein waren, voor Remus beter zouden zijn geweest als hij er niet overheen was gesprongen. En waar eens wouden en een pastorale leegte had bestaan bestond nu een stad, toen de vader van de eeuwige stad sprak: ‘Kamprechter van de oorlog, van wiens bloed men gelooft dat ik afstam (en om dat geloof te versterken zal ik vele bewijzen leveren), we zullen het begin van het Romeinse jaar naar u vernoemen. De eerste maand zal naar mijn vader vernoemd worden.’ De belofte werd gehouden, hij vernoemde de maand naar zijn vader. Er wordt verteld dat deze vrome daad de vader zeer behaagde. Want in vroegere eeuwen werd Ares meer aanbeden dan alle andere goden. Daarmee volgt een oorlogszuchtig volk haar neiging. Athena wordt aanbeden door de zoons van Cecrops, Artemis door Minoïsch Kreta, Hephaistus door het Hypsipyllisch land, Hera door Sparta en het Mycene van Pelops, terwijl het Maenalische land Pan aanbidt, wiens hoofd is gekroond met hout. Ares was de god die werd vereerd in Latium, omdat hij de beschermheer van het zwaard was. Het was het zwaard dat door felle strijd roem en rijk verwierf.

3; 87-98
Als je de gelegenheid hebt, kijk dan eens naar buitenlandse kalenders, daar zul je eveneens een maand vinden die vernoemd is naar Ares. Het was de derde maand van de kalender van Alban, de vijfde in de Faliscaanse, en de zesde onder uw volk, land van de Hernicanen. De Aricaanse kalender is in overeenstemming met die van Alban en met die van de stad waarvan de hoge muren werden gebouwd door de handen van Telegonus. Het is de vijfde maand in de kalender van de Laurentianen, de tiende in de kalender van de onversaagde Aequianen, de vierde in de kalender van het volk der Curen, en de krijgshaftige Pelignianen zijn het eens met hun Sabijnse voorvaderen. Beide volken erkennen Ares als de god van de vierde maand. Opdat hij voorrang boven al deze kalenders zou krijgen, noemde Romulus het begin van het jaar naar de schepper van zijn leven.

3; 99-134
Noch hadden de ouden zoveel Dagen als wij nu hebben. Hun jaar kwam twee maanden te kort. Veroverd Griekenland had haar kunsten nog niet overgedragen aan de overwinnaars. Haar mensen waren welsprekend maar nauwelijks dapper. De dappere strijder begreep de kunst van Rome, en hij die speren kon werpen was welbespraakt. Wie sloeg toen acht op de Hyaden of de Plejaden, dochters van Atlas, of dat er twee polen in het firmament waren? En dat er twee Beren zijn, waar de Sidoniërs met behulp van Cynosura op navigeren, terwijl de Griekse zeeman zijn oog gericht houdt op Helice ? En dat de tekens waarbij de broer een heel jaar reist door de paarden van de zuster in een enkele maand worden doorkruist ? De sterren doorlopen hun banen het hele jaar door vrij en onopvallend, terwijl iedereen het erover eens is dat het goden zijn. De aan de hemel schuivende tekens lagen buiten hun bereik, waren niet van henzelf, en die verliezen was een grote misdaad. Hun tekens waren van hooi, maar werden toen met net zo’n diepe eerbied behandeld als je dat tegenwoordig ziet bij adelaars. Een lange stok droeg de hangende bundels (maniples), waarvan de naam van de privé-soldaat is afgeleid. Vandaar dat door onwetendheid en gebrek aan kennis zij die als glansloos beschouwden, elk van hen kwam twee maanden te kort. Een jaar werd volledig gerekend als de maan voor de tiende keer vol was geworden. Dat getal werd toen groots geëerd, hetzij omdat dit het aantal vingers was waarmee we gewend waren te rekenen, of omdat een vrouw na twee maal vijf maanden baart, of omdat de cijfers tot tien gaan, en we vanaf dat punt opnieuw beginnen. Daarom verdeelde Romulus de honderd senatoren in tien groepen, en stelde tien compagnieën in van lanswerpers. En net zoveel compagnieën aan eerstelijns soldaten, en ook aan speerwerpers. En zo ook met de mannen die dienst deden op paarden die door de staat ter beschikking werden gesteld. Nee, Romulus wees dezelfde aantallen divisies toe aan de stammen, de Titiensen, de Ramnen, zoals zij werden genoemd, en de Luceren. Daarom hanteerde hij voor de samenstelling van het jaar hetzelfde aantal. Dat is de periode wanneer een trieste vrouw rouwt om haar man.

3; 135-166
Als je jezelf wilt overtuigen dat de Dagen van maart werkelijk het begin van het jaar zijn, moet je kijken naar de volgende bewijzen. De lauriertakken van de Romeinse priesters, nadat die het hele jaar op hun plaats zijn gebleven, worden op die dag verwijderd, en door verse bladeren vervangen die op hun ereplekken worden gezet. Dan is de deur van de koning groen vanwege de boom van Phoebos, die er aan vastgemaakt is. En bij de poort, Oude Kapel van de Wakers, wordt hetzelfde gedaan. De verdorde laurier wordt verwijderd van de Iliaanse haard, zodat Hestia ook een statig uiterlijk heeft, gekleed in verse bladeren. Daarnaast wordt verteld dat er een nieuw vuur wordt ontstoken in haar geheime heiligdom, en dat de nieuwontstoken vlam aan kracht wint. En het is naar mijn mening geen gering bewijs dat de jaren van weleer met maart begonnen door de observatie dat men in deze maand begon met het aanbidden van Anna Perenna. Met maart traden ook de magistraten toe tot hun ambt, tot aan de tijd dat, trouweloze Carthagianen, en gij het loon van uw oorlog ontving. Tenslotte is de maand van Quintilis de vijfde (quintus) maand, gerekend vanaf maart, en met die als eerste kregen zij hun namen van nummers. (Numa) Pontilus, die naar Rome werd begeleid van het land waar de olijven groeien, was de eerste die inzag dat er twee maanden aan het jaar ontbraken, hetzij leerde hij dat van de Saminaanse wijsgeer die dacht dat wij herboren konden worden, of van zijn Egeria die hem onderwees. Niettemin was de kalender onbetrouwbaar in die tijd dat Ceasar hem, net als zoveel andere dingen, instelde. Die god, de stichter van een machtige bloedlijn, vond de zaak niet beneden zijn waardigheid. Met genoegen wist hij vooraf dat de hemel zijn beloofde huis was, hij zou niet als een vreemdeling de onbekende huizen van god betreden. Van hem wordt gezegd dat hij een exacte tabel heeft opgesteld met de tijden waarbinnen de zon terugkeert naar zijn juiste tekens. Aan driehonderdvijf dagen voegde hij tien maal zes dagen en éénvijfde deel van een hele dag toe. Dat is de lengte van een jaar. De ene dag die is samengesteld uit de vijf gedeelten wordt toegevoegd aan het lustrumjaar.

KAL. MART. 1e

3; 167-186
Als barden naar de geheime influisteringen van de goden mogen luisteren, zoals een zeker gerucht gaat dat ze dat mogen, vertel me dan, U Marcherende God (Gravidus), waarom getrouwde vrouwen uw feesten bijwonen, terwijl u vaardig bent om diensten van mannen te ontvangen.’ Zo vroeg ik, en dit antwoordde Ares me, zijn helm neerleggend, maar in zijn rechterhand de werpspeer vast bleef houden: ‘Voor de eerste keer in het jaar ben ik nu, een oorlogsgod, ingeroepen om de vrede te bevorderen, en marcheer ik naar nieuwe kampementen, maar ergert het me niet om dat te doen. In deze functie houd ik er ook van om daar te verblijven, tenzij Athena in de veronderstelling verkeert dat zij alleen die vermogens bezit. Neem kennis van dit antwoord, zwoegende zanger van de Latijnse dagen, en schrijf mijn woorden op stenen tafels. Als je dit naar de oorsprong wilt traceren, Rome stelde nog niets voor, maar toch was er in dat kleine dorp hoop voor deze grootste stad. De muren stonden al, te klein voor toekomstige volkeren, maar toen te groot geacht voor haar inwoners. Als je vraagt wat het paleis van mijn zoon was, zie dan ginds huis van riet en stro. Daar op de stalmest ontving hij de zegen van een vredige slaap, maar werd toch vanaf hetzelfde bed tussen de sterren geplaatst.

3; 187-228
De Romein had al naam gemaakt buiten zijn stad, maar had toch geen vrouw of schoonvader. Rijke buren minachtten echter arme mannen om die tot hun schoonzoon te maken. Zij geloofden nauwelijks dat ik de stichter van dat geslacht was. Ik vertelde tegen de Romeinen dat zij in veestallen woonden, schapen voedden, en eigenaren waren van een paar hectare braakliggende grond. Vogels en beesten paarden met elk van hun eigen ras, en een slang heeft meerdere vrouwtjes om mee te broeden. Het recht van gemengde huwelijken is aan mensen ver weg verleend, toch was er geen volk dat met de Romeinen wilde trouwen. Ik sarde en schonk u, Romulus, uw vaders temperament. ‘Een wapenstilstand voor gebeden!’ zei ik, ‘Wat u zoekt, zal strijd opleveren.’ Romulus bereidde een feest ter ere van Consus voor. De rest dat op die dag gebeurde zal Consus u vertellen, wanneer u er aan toe bent om over zijn riten te zingen. Curen en allen die onder hetzelfde onrecht leden waren woedend. Toen voerde voor de eerste keer een vader oorlog tegen de echtgenoten van zijn dochters. En de geteisterde bruiden konden nu ook aanspraak maken op de stijl van hun moeders, terwijl de oorlog tussen verwanten voortsleepte, toen de vrouwen op afspraak bijeen kwamen in de tempel van Hera. Onder hen nam de vrouw van mijn zoon stoutmoedig het woord: ‘O vrouwen die zo geteisterd worden – want dat is iets dat we allemaal gemeen hebben – we kunnen niet langer aarzelen vanwege onze verplichtingen aan onze familie. De strijd speelt zich af in de gelederen, maar kies voor welke kant je wilt bidden tot de goden om in te grijpen. Aan de ene kant staan onze gewapende echtgenoten en aan de andere kant jullie mannen. De vraag is of je er de voorkeur aan geeft om wees of weduwe te zijn. Ik zal jullie een advies geven dat zowel moedig als plichtsgetrouw is.’ Ze gaf het advies. Zij gehoorzaamden, lieten hun haren los hangen, en trokken de kleding aan van rouwende vrouwen. De legers waren al in slagorde opgesteld, op hun hoede voor het bloedbad. De trompet was klaar om het begin van de strijd te blazen, toen de geplaagde vrouwen zich opstelden tussen hun vaders en echtgenoten, en droegen tegen hun borst de dierbare beloften van hun liefde, hun baby’s. Met loshangende haren bereikten zij het midden van de vlakte, knielden daar op de grond, en de kleinkinderen strekten met lieftallige kreten hun kleine armpjes uit naar hun grootvaders, alsof zij het begrepen. Alsof ze ‘Grootvader’ riepen tegen hem die ze toen voor de eerste keer zagen, hoewel ze dat nauwelijks konden doen als ze ertoe gedwongen werden. De wapens vielen neer terwijl de strijdlust van de krijgers verdween, en hun zwaarden lagen naast die van schoonvaders en schoonzoons en grepen elkaars handen. Ze loofden en omarmden hun dochters, en de grootvader droeg zijn kleinkind op zijn schild. Dat was een beter gebruik van het schild dan om zich mee te beschermen.

3; 229-248
Vandaar de plicht, geen lichtvaardige, om die eerste dag te vieren, mijn Dagen, welke zijn opgedragen aan Oebalische moeders, hetzij omdat zij, zich moedig voor de blanke zwaarden werpend, met hun tranen een einde maakten aan deze krijgshaftige oorlogen. Of omdat moeders mijn riten op die dag naar behoren uitvoeren, of omdat Ilia door mij een gelukkige moeder werd gemaakt. Bovendien, trekt de ijzige winter zich dan terug, en keren, kaal vanwege de koude, de bomen terug, en ontwikkelt door de vochtigheid de malse kiem zich in de scheut. Ook het gras groeit weer, lang verscholen, nieuwe wegen ontdekkend waardoor het in de lucht omhoog kan schieten. Nu is het veld vruchtbaar, nu is de tijd aangebroken voor het fokvee, nu bouwt de vogel op de tak een nest en huis. Het is goed dat Latijnse moeders het vruchtbare seizoen observeren, want in hun barensnood vechten en bidden zij beiden. Voeg hier aan toe dat daar waar de Romeinse koning de wacht hield, op de heuvel die nu de naam Esquiline draagt, op deze speciale dag door de getrouwde Latijnse vrouwen een tempel werd gesticht, als ik het me goed herinner, ter ere van Hera.

3; 249-258
Maar waarom zou ik deze periode uitpluizen en jouw geheugen belasten met verschillende redenen? Het antwoord dat je zoekt staat recht voor je ogen. Mijn moeder houdt van bruiden. Een menigte moeders verdringt zich in mijn tempel. Zo vroom is de reden die vooral haar en mij toekomt. Breng uw bloemen naar de godin. Deze godin is verrukt over bloeiende planten. Vlecht verse bloemen in uw haar. Zeg, “U, Eileithyia, hebt ons het licht (lucem) van het leven geschonken’. Zeg, ‘U luistert naar de gebeden van vrouwen in barensnood.’ Maar laat zij die zwanger is heur haren losmaken voordat zij bidt, opdat de godin voorzichtig haar volle schoot kan vrij maken.

3; 259-284
Wie zal me nu vertellen waarom de Salii de hemelse wapens van Ares dragen en zingen over Mamurius? Vertel me, gij nimf die in Artemis’ bos en meer wacht, gij nimf, vrouw van Numa, kom vertel over je daden. In het dal van Arcadië is een meer omzoomd door schaduwrijke bossen dat vanwege oude religies heilig is. Hier ligt Hippolytus verborgen, die door de teugels van zijn paarden aan stukken werd gescheurd. Daarom gaan paarden dat bos niet in. De lange afrastering is gedrapeerd met hangende draden, en vele tabletten getuigen over de verdiensten van de godin. Vaak brengt een vrouw, waar de gebeden van zijn verhoord, brandende toortsen uit de stad, terwijl bloemenslingers haar hoofd sieren. Sterke handen en snelle voeten laten daar koningen heersen, die vervolgens worden gedood of zichzelf doden. Een kiezelachtige beek vloeit neerwaarts met zacht gemurmel. Ik heb er vaak van gedronken, maar met kleine slokjes. Egeria is het die het water levert, geliefde godin voor de Camenae. Ze was de vrouw en raadgeefster van Numa. In het begin waren de Quiriten te gewillig om naar de wapens te grijpen. Numa loste dit op door hun felle temperament te verzachten met wetten en angst voor de goden. Wetten werden opgesteld, waardoor de sterkere niet in alle zaken zijn gang kon gaan, opgesteld door de vaders, die van lieverlee vroom werden gehoorzaamd. Mannen wierpen hun woestheid van zich af, gerechtigheid was machtiger dan wapens, inwoners vonden het een schande om met inwoners te vechten, en degene die zichzelf vechtlustig had getoond zou door de aanblik van een altaar veranderen en wijn en gezout gerst offeren op de warme vuren.

3; 285-322
Zie, de vader van de goden werpt rode bliksems door de wolken, en vervolgens verheldert de lucht na zware regenval, nooit eerder waren zulke zware bliksems door de lucht geschoten. De koning beefde, en angst vulde de harten van het gewone volk. De godin sprak tot de koning: ‘Vrees niet langer. Het is mogelijk om te boeten voor de bliksem, en de wraak van woedende Zeus kan worden afgewend. Maar Picus en Faunus, elk een godheid van Romeinse bodem, zijn in staat om het ritueel van boetedoening te onderwijzen. Ze leren het alleen onder dwang. Grijp ze en sla ze in de boeien.’ En ze onthulde de list waarmee ze gevangengenomen konden worden. Onder het Aventijn is een bos dat zwart ziet door de schaduwen van steeneiken, wanneer je het ziet zou je zeggen, ‘Daar huist een geest.’ In het midden is een grasveld, en, versluierd door groen mos, druppelt er een beekje van een rots met altijd stromend water. Daar zijn Faunus en Picus gewend om alleen te drinken. Daar kwam koning Numa aan, offerde een schaap aan de bron, en plaatste schalen vol met geurige wijn. Toen verborg hij zich met zijn mannen dichtbij in een grot. De geesten kwamen naar hun gewoonlijke drinkplek, en blusten hun dorst met grote slokken wijn. Slaap volgde op de roes. Numa kwam vanuit de kille grot naar voren en bond de handen van de slapenden met strakke boeien. Toen de slaap hen verliet, probeerden zij de strakke boeien te verbreken, maar hoe meer zij zich inspanden des te strakker gingen zij zitten. Toen sprak Numa, en, zijn hoorns schuddend, antwoordde Faunus: ‘U vraagt grootse dingen, en het is u niet geoorloofd om door onze openbaarmaking hier kennis van te nemen. Godheden als wij hebben hun toegekende grenzen. Wij zijn goden van het platteland, we heersen in de hoge bergen, Zeus heerst over zijn eigen wapens. U kunt hem nooit op eigen kracht uit de hemel trekken, maar daar zult u misschien wel toe in staat zijn, als u gebruik van onze hulp wilt maken.’ Zo sprak Faunus. Picus was dezelfde mening toegedaan: ‘Maar doe onze boeien af,’ zei hij, ‘Zeus zal hierheen komen, aangetrokken door machtige kunsten. Wees getuige van mijn belofte, bewolkte Styx.’

3; 323-360
Wat ze deden toen ze van de boeien werden verlost, welke spreuken zij uitspraken, en door welke kunst zij Zeus uit zijn huis in de hoogte sleurden, het is een zonde voor de mens om dat te weten. Mijn lied houdt zich bezig met legale zaken, zoals de lippen van de vrome bard zeggen. Ze trokken (eliciunt) u uit de hemel, O Zeus, waardoor latere generaties tot op de dag van vandaag deze dag nog vieren met de naam van Elicius. Het is zeker dat de toppen van de bomen op de Aventijn trilden, en de aarde zakte in onder het gewicht van Zeus. Het hart van de koning bonsde, het bloed trok zich uit zijn lichaam terug, en zijn haar ging recht overeind staan. Toen hij tot zichzelf kwam, zei hij: ‘Koning en vader van de hoge goden, schenk genade voor uw bliksems, nadat wij met reine handen uw offers hebben aangeraakt, en waarvoor wij nu met vrome stem tot u bidden.’ De god verhoorde zijn gebed, maar verborg de waarheid in duistere en verwarde woorden, en verontrustte de man met een dubbelzinnige uitspraak. ‘Sla het hoofd af,’ zei hij. De koning antwoordde hem: ‘Wij zullen gehoorzamen. We snijden een ui, opgegraven uit mijn tuin.’ De god voegde daar aan toe, ‘Die van een man.’ ‘U zult,’ zei de ander, ‘zijn haar krijgen.’ De god eiste een leven, en Numa antwoordde hem, ‘Het leven van een vis.’ De god lachte en zei, ‘Zie er op toe dat deze dingen boeten voor mijn bliksems, O man die niemand mag weerhouden om te praten met de goden! Maar wanneer morgen de zon volledig boven de aarde is uitgestegen, zal ik u een plechtige belofte doen voor een rijk.’ Zo sprak hij, en onder luide donderslagen zweefde hij naar boven in de verscheurde lucht, Numa in aanbidding achterlatend. De koning keerde verheugd terug en vertelde de Quiriten wat er gebeurd was. Ze waren niet geneigd te geloven wat hij vertelde. ‘Maar voorwaar,’ zei hij, ‘ik zal morgen geloofd worden als mijn woorden waarheid worden. Luister, u allen die hier aanwezig zijn, en aanschouw wat er morgen gebeuren gaat. Wanneer de zon zijn volledige bol boven de aarde heeft uitgetild, zal Zeus zijn plechtige belofte geven voor het rijk.’ Zij gingen vol twijfel uiteen, en vonden het lang duren om op het beloofde teken te wachten. Hun geloof hing van de komende dag af. In de ochtend was de aarde liefelijk bedekt met een grijze kille dauw, toen de bevolking zich verzamelde bij de deur van hun koning. Hij kwam naar voren en ging midden tussen hen in zitten op een troon van esdoornhout, talloze mannen stonden in stilzwijgen om hem heen.

3; 361-392
Nauwelijks had Helius een rand boven de horizon laten zien, of hun angstige geesten beefden van hoop en angst. De koning nam zijn plaats in, zijn hoofd gehuld in een sneeuwwitte kap, en tilde zijn handen op, handen die de goden al zo goed kenden. En aldus sprak hij: ‘De tijd is aangebroken om de beloofde gunst in ontvangst te nemen, vervul uw belofte, Zeus.’ Terwijl hij sprak, de zon was volledig boven de horizon gestegen, klonk er een luid gekraak in het hemelse uitspansel. De god liet het driemaal donderen in de wolkenloze hemel, driemaal wierp hij zijn bliksems. Geloof mijn woorden, wat ik vertel is wonderbaarlijk maar waar. In het zenit begon de hemel te openen, de menigte en hun leider richtten hun ogen omhoog. Zie, zachtjes bewegend op de lichte bries, viel een schild naar beneden. Het volk hief een gejuich aan dat de sterren bereikte. De koning raapte het geschenk op van de grond, maar niet voordat hij een vaars had geofferd, die om haar nek nooit de last van het juk had gevoeld, en hij noemde het schild ancile, omdat het aan rondom was afgesneden (resicum), en er geen hoek aan te bekennen was. Toen, zich herinnerend dat het lot van het rijk ermee verbonden was, ontwierp hij een zeer sluw plan. Hij gaf opdracht dat er vele schilden gemaakt moesten worden, gemaakt volgens hetzelfde model, om de ogen van een verrader te bedriegen. Die taak werd volvoerd door Mamurius. Of hij perfecter van karakter was of als smid zou een moeilijke vraag om te beantwoorden zijn. De weldadige Numa zei tegen hem, ‘Vraag een beloning voor je diensten. Als ik een naam voor eerlijkheid heb hoog te houden, zul je niet ijdel vragen.’ Hij had de Salii al vernoemd naar hun dansen (saltus), hen wapens gegeven en een lied om te zingen op een bepaalde melodie. Toen antwoordde Mamurius aldus: ‘Geef mij roem als beloning, en laat mijn naam gescandeerd worden aan het einde van het lied.’ Dus betaalden de priesters de beloning die beloofd was voor het geleverde werk, en roepen zij Mamurius aan.

3; 393-398
Als je wilt trouwen, jonge dochter, zeg dan het huwelijk af, hoeveel haast jullie twee ook mogen hebben, een kleine vertraging heeft groot voordeel. Wapens trekken ten strijde, en gevechten gaan slecht samen met getrouwde mensen. Wanneer de wapens zijn opgeborgen, zullen de voortekens gunstiger zijn. Op deze dagen, moet de bemantelde vrouw van de Flamen Dialis ook haar ongekamde haren onder een puntmuts dragen.

V. NON. 3e

3; 399-402
Als de derde nacht van de maand zijn opkomst heeft veranderd, zal één van de twee Vissen zijn verdwenen. Want er zijn er twee. Eén van hen is de naaste buurman van de Zuidenwind, de andere van de Noordenwind, elk van hen dankt zijn naam aan de wind

III. NON. 5e

3; 403-414
Als de saffranen wangen van Tithonus´ echtgenote op het moment van de vijfde ochtend beginnen te bedauwen, zal het sterrenbeeld, of het nu de Beerbewaker of de luie Boötes is, ondergaan en uit het zicht verdwijnen. Maar de Druivenverzamelaar zal niet aan u ontsnappen. De oorsprong van dat sterrenbeeld kan in het kort worden verteld. Er wordt gezegd dat de ongeschoren Ampelus, zoon van een Nimf en een Satyr, bemind werd door Dionysus in de heuvels van Ismarië. De god gaf hem een wijnstok die hij van de groene tak van een olm trok, en de wijn draagt nog steeds de naam van de jongen. Terwijl hij de opzichtige druiven lichtvaardig van een tak plukte, viel hij naar beneden. Dionysus droeg de verloren jeugd naar de sterren.

PR. NON. 6e

3; 415-428
Wanneer de zesde zon steil uit de Oceaan klimt, en zijn weg door de ether vervolgt met zijn gevleugelde paarden, u allen, wie u ook bent, die erediensten houden in de tempel van de kuise Hestia, wens de godin vreugde toe en biedt haar offers op de Iliaanse haard. Aan Ceasar, die talloze titels verkreeg waar hij de voorkeur aan gaf, werd de eer van de Pontificus verleend. Over het heilige vuur had de goddelijke Ceasar, niet minder eeuwig, de leiding. De toezeggingen voor het rijk ziet u naast elkaar. U goden van het oude Troje, U was de waardigste prijs voor hem die u droeg, U wiens gewicht Aeneas spaarde voor de vijand, een priester uit de lijn van Aeneas behandelt uw verwante godheden. Hestia, u bewaakt zijn verwante hoofd dat wordt verzorgd door zijn heilige handen, uw vuren vergaat het goed. O leef onsterfelijk, vlam en leider tegelijk, bid ik.

NON. 7e

3; 429-448
De Nones van maart hebben maar één merkteken op de kalender, omdat zij denken dat op deze dag de tempel van Veiovis in het gezicht van twee bossen werd ingewijd. Toen Romulus het bos omringde met een hoge stenen muur, zei hij: ‘Neem hier toevlucht, wie u ook bent, u zult veilig zijn.’ O vanuit welk een kleine oorsprong begon de Romein aan zijn opmars! Hoe weinig benijdenswaardig was die menigte van vroeger! Maar opdat de vreemdheid van die naam geen struikelblok in uw onwetendheid zal zijn, leer dan deze god kennen, en waarom hij zo wordt genoemd. Hij is de jonge Zeus. Kijk naar zijn jeugdige gezicht, kijk dan naar zijn hand, die houdt geen bliksems vast. Zeus verkreeg de bliksems nadat de Giganten probeerden de hemel te overmeesteren. Aan het begin was hij ongewapend. De Ossa brandde met nieuwe vuren (van zijn bliksems), de Pelion, hoger dan de Ossa, en de Olympus, was gefundeerd op vaste grond. Een geit staat ook naast het beeld van Veiovis. Van de Kretenzische Nimf wordt gezegd dat zij de god voedde. Het was de geit die haar melk aan het kind Zeus gaf. Nu wordt ik aangeroepen om de naam te verklaren. Boeren noemen onvolgroeide tarwe vegrandia, en wat klein is noemen zij callvesa. Als dat de betekenis van het woord is, denk ik niet dat het heiligdom van Veiovis het heiligdom van de kleine Zeus is?

3; 449-458
En als sterren de blauwe lucht versieren, kijk dan omhoog. Dan zul je de hals van het Gorgoonse paard zien. Er wordt verteld dat hij uit de vruchtbare hals van de vermoorde Medusa sprong, zijn manen bespetterd met bloed. Terwijl hij boven de wolken en onder de sterren zweefde, diende de lucht hem als vaste grond, en zijn vleugels hem als voeten. Weldra kauwde hij verontwaardigd op het ongewone bit, terwijl zijn lichte hoeven de Aonische bron maakten. Nu geniet hij van de hemel, waar hij voordien op vleugels vloog, en nu fel schittert met vijftien sterren.

VII. ID. 8e

3; 459-516
Direct bij het vallen van de nacht zult u de Knossische Kroon zien. Door Theseus’ schuld werd Ariadne tot godin verheven. Ze had een meinedige echtgenoot gelukkig ingewisseld voor Dionysus, zij die een ondankbare man een kluwen wol gaf om de weg te vinden. Verheugd over haar lot in de liefde, sprak ze: ‘Waarom huil ik als een boers meisje? Zijn ontrouw heeft mij veel goeds gebracht.’ Intussen veroverde Dionysus de stijlharige Indiërs en keerde terug, beladen met rijkdommen, uit de oosterse wereld. Tussen de gevangengenomen meisjes was er één, de dochter van een koning, die Dionysus maar al te zeer beviel. Zijn liefhebbende echtgenote huilde, en terwijl ze met verwarde haren langs de kronkelende kust ijsbeerde sprak ze: ‘Zie, en luister opnieuw, gij golven, naar mijn klacht! Zie, en ontvang opnieuw, gij strand, mijn tranen! Ik was gewend om te zeggen, herinner ik me, ‘Vergeet de trouweloze Theseus! Hij verliet me, en nu doet Dionysus hetzelfde. Opnieuw wil ik huilen, laat geen vrouw een man vertrouwen! Mijn geschiedenis herhaalt zich, alleen is de naam veranderd. Ik wilde dat mijn noodlot was geëindigd toen het voor de eerste keer begon! Dan was ik er op dit moment niet meer geweest. Waarom, Dionysus, redde je mij om mij te laten sterven op verlaten stranden? Ik zou mijn verdriet voor eens en voor altijd kunnen beëindigen. Dionysus, jij licht der liefde! Lichter dan de bladeren die mijn hoofd omkransen! Dionysus, die ik alleen heb gekend opdat ik zal huilen! Heb jij het gewaagd om ons harmonieuze huwelijk te verstoren door een minnares binnen mijn gezichtsveld te brengen? Ach, waar is de beloofde trouw? Waar zijn de eden die jij gewoon was om te zweren? Wee mij, hoe vaak moet ik dezelfde woorden zeggen! Jij was gewend om Theseus de schuld te geven, jij was gewend om hem een bedrieger te noemen, oordeel nu over jezelf, jij begaat nu een ergere zonde. Laat niemand dit te weten komen, en laat me branden met oneindige pijn, zodat men niet denkt dat ik het verdien om zo vaak bedrogen te worden. Boven alles wens ik deze zaak voor Theseus geheim te houden, zodat hij er geen plezier aan beleeft om jou als partner in zijn schuld te kennen. Maar ik veronderstel dat een minnares de voorkeur krijgt boven mijn schemering, laat die kleur over mijn vijanden vallen! Maar wat maakt het uit? Jij hebt haar liever dan deze smetteling. Wat ben je van plan? Zij bezoedelt jou met haar omarming. Dionysus, blijf geloven, geef niet de voorkeur aan enige vrouw boven de liefde van een echtgenote. Ik heb geleerd om eeuwig van mijn liefde te houden. De hoorns van een knappe stier veroverden het hart van mijn moeder, die van jou veroverden dat van mij. Maar mijn liefde werd geprezen, die van haar was beschamend. Laat mij niet lijden vanwege mijn liefde. Jijzelf, Dionysus, leed niet omdat je in vuur en vlam voor mij stond. Geen wonder dat jij mij laat branden. Ze vertellen dat jij in het vuur werd geboren en daar door je vader uit werd gered. Ik ben het aan wie jij gewoon was om de hemel te beloven. Wee mij! Wat wacht mij nu in plaats van de hemel!’ Ze was uitgesproken. Dionysus had lang naar haar jammerklacht geluisterd, want hij had toevallig dicht achter haar aan gelopen. Hij omarmde haar, droogde haar tranen met kussen, en zei: ‘Laten we samen naar de hemelse hoogte reizen. Als je mijn bed hebt gedeeld, dan zul jij mijn naam delen, want in je veranderde staat zul je Libera genoemd worden. En ik zal erop toezien dat er samen met jou een gedenkteken aan je kroon zal zijn, de kroon die Hephaistus aan Aphrodite gaf, en zij aan jou.’ Hij deed wat hij gezegd had en veranderde de negen juwelen van haar kroon in vuren. Nu schittert de gouden kroon met negen sterren.

PR. ID. 14e

3; 517-522
Wanneer degene die de purperen dag op zijn snelle rijtuig draagt zijn schijf zes keer heeft laten opkomen en evenzovele keren heeft laten ondergegaan, zul je voor de tweede keer wagenraces (Equirria) op die grasrijke vlakte aanschouwen welke grenst aan het kronkelende water van de Tiber. Maar als de golven de vlakte mogelijk hebben overspoeld, zullen de Caeliaanse heuvels de paarden ontvangen.

IDUS 15e

3; 523-530
Op de Idus wordt niet ver van de oevers het vrolijke feest van Anna Perenna gevierd, O Tiber, die van verre stroomt. Het gewone volk komt, zij drinken overal verspreidt op het groene gras, en elke jongen ligt naast zijn meisje. Sommigen kamperen onder de open hemel, een paar zetten tenten op, en sommigen maken een bladerrijke hut van takken. Anderen richten starre pilaren van riet op, en spreiden hun mantels daartussen uit. Maar ze worden warm van zon en wijn, en bidden voor net zoveel jaren als zij kommen drinken, en tellen het aantal bekers dat zij drinken. Je vindt daar een man die net zoveel bekers drinkt als het aantal jaren dat Nestor oud is, een vrouw die door het genot van de beker net zoveel jaren wil leven als Sibyl. Daar zingen zij de deuntjes die ze opgepikt hebben in de theaters, de tijd met woorden en behendige handen doorbrengend. Ze zetten de bekers neer, en nemen deel aan de dans, onhandig, terwijl de opgedirkte lieveling met loshangend haar rondhuppelt. Zij zwieren op weg naar huis, een spektakel voor vulgaire ogen, en de menigte die hen ontmoet noemt ze ‘gezegend’. Laatst ontmoette ik de optocht, die naar ik dacht opmerkelijk was, een oude dronken vrouw sleepte een oude dronken man voort.

3; 531-542
Onmiddellijk vielen de Numidiërs het weerloze rijk binnen, en de Moor Iarbas veroverde het paleis dat hij in bezit nam. En zich herinnerend hoe zij zijn kleding versmaadt had, zei hij: ‘Kijk, nu verheug ik mij in Elissa’s bruidsbed, ik die zij zo vaak heeft afgewezen.’ De Tyriërs vluchtten alle kanten op, terwijl iedereen veranderde in een dakloze zwerver, zoals bijen vaak vertwijfelt zwerven wanneer zij hun koning verliezen. Anna werd uit huis verdreven, en liet huilend de muren van haar zuster achter, maar ze betoonde eerst het respect dat ze aan haar dode zus verschuldigd was. De zachte as vermengde zich met de tranen tot een zalf, en zij ontving een van haar hoofd geknipte haarlok als offer. En driemaal zei ze: ‘Vaarwel!’. Driemaal pakte ze de as op en drukte die tegen haar lippen, terwijl ze dacht dat ze haar zus eronder zag. Nadat ze vrienden en een schip gevonden had om samen te vluchten, zeilde ze voor de wind, terugkijkend naar de stadsmuren, het lievelingswerk van haar zuster.

3; 543-566
Maar aangezien onjuiste geruchten schering en inslag voor deze godin zijn, heb ik besloten om geen mantel om haar middel te doen. Arme Dido brandde van liefde voor Aeneas. Zij brandde ook op een brandstapel gebouwd voor haar noodlot. Haar as werd verzameld, en op het marmer van haar tombe stond deze korte strofe, die zij stervend zelf had achtergelaten: ‘Aeneas veroorzaakte haar dood en verschafte het zwaard. Dido viel in het stof door haar eigen hand.’

3; 567-600
Daar is het vruchtbare eiland Melite, gegeseld door de golven van de Lybische zee en buurman van het barre Corsica. Anna koerste hier naartoe, vertrouwend op de gastvrijheid van de koning, die ze al sinds lang kende, want Battus was daar koning, een rijke gastheer. Toen hij de tegenslagen van de zusters vernam, zei hij: ‘Dit land, hoewel klein, is van u’ Hij zou tot aan zijn dood gehoorzaamd hebben aan de plichten van gastvrijheid, maar hij vreesde de grote macht van Pygmalion. De oogst had voor de derde keer plaatsgevonden en werd op de dorsvloer ontdaan van de bast, en de wijn was voor de derde keer in de holle vaten gegoten. De zon had de tekens van de Dierenriem tweemaal doorkruist, en het derde jaar ging voorbij, toen Anna opnieuw gedwongen werd om op zoek te gaan naar een land om in ballingschap te leven. Haar broer kwam en eiste haar overgave onder bedreigingen van oorlog. De koning verfoeide wapens en zei tegen Anna, ‘Wij zijn vredelievend. Ga op zoek naar je eigen veiligheid en vlucht.’ Op dit verzoek vluchtte zij en vertrouwde haar schip toe aan wind en golven. Haar broer was wreder dan de zee. In de buurt van de visrijke rivier van steenachtig Crathis is een smalle open vlakte, de lokale bewoners noemen die Camere. Daar verlegde ze haar koers naar toe, en was daar niet verder dan negen schoten van een slinger van verwijderd, toen de wind wegviel en de zeilen slap naar beneden hingen. ‘Doorklief het water met de roeiriemen,’ zei de zeeman. En terwijl zij zich gereed maakten om de zeilen op te rollen en met touwen vast te binden, sloeg de snelle Zuidenwind toe op de gebogen achtersteven en sleepte het schip, ondanks de inspanningen van de kapitein, mee naar de open zee. Het land verdween uit het zicht. De deining overviel hen, en uit zijn laagste diepten kwam de Oceaan omhoog. De romp gleed op het schuimende water naar beneden. Zeemanschap is machteloos tegen de wind, de stuurman hanteert de helmstok niet langer, zodat ook hij zijn toevlucht tot gebeden voor hulp neemt. De Phoenicische ballinge wordt heen en weer gesmeten op de aanzwellende golven en verbergt haar natte ogen in haar mantel. Dan roept ze voor de eerste keer haar gelukkige zuster Dido aan, en elke gelukkige vrouw die waar dan ook droog land betreedt. Een machtige stormwind trok het schip naar de kust van Laurentium. Het ging naar de kelder, maar allen aan boord kwamen veilig aan land.

3; 601-632
Tegen die tijd had Aeneas het koninkrijk verworven evenals de dochter van Latinus en verenigde hij de twee volkeren. Toen, alleen in gezelschap van Achates, hij eens blootsvoets op een eenzaam pad liep aan de kust dat zijn vrouw hem als bruidsschat had geschonken, ontwaarde hij Anna, en kwam bij hem de gedachte op dat zij het was. Waarom zou zij naar het Latijnse land komen? Dacht hij bij zichzelf. Ondertussen schreeuwde Achates: ‘Het is Anna!’ Bij de klank van de naam keek zij op. Helaas! Wat moest zij doen? Moest zij vluchten? Waar moest zij naar een opening in de aarde zoeken die voor haar openging? Het ongelukkige noodlot van haar zuster kwam haar voor de geest. De Cythereaanse held zag haar angst en klampte haar aan. Nu huilde hij, geëmotioneerd door de herinnering aan u, Elissa. ‘Anna, dit land heeft mij een gelukkiger lot beschoren dan dat jou in het verleden toegevallen is. En bij de goden die mij volgden waardoor ik uiteindelijk een huis gevonden heb, zweer ik dat zij mij vaak berispten voor mijn getreuzel. Evenmin had ik angst voor haar dood, die angst was ver van mij. Wee mij! Haar moed overtreft het geloof. Vertel het verhaal niet. Ik zag de verschrikkelijk wonden op haar lichaam in de periode dat ik de Tartarus bezocht. Maar jij, welk raadsel of welke god heeft jou op onze kust gebracht, kom je van de geneugten van mijn koninkrijk genieten. Veel van onze dankbaarheid gaat naar jou uit, en ook enigszins naar Elissa. Je bent vanwege jezelf van harte welkom maar ook vanwege je zuster.’ Ze geloofde zijn woorden, want zij had geen andere hoop meer, en vertelde over haar omzwervingen. Toen ze het paleis betrad, gekleed in mooie Tyrische kleding, sprak Aeneas, terwijl de rest van het gezelschap luisterde: ‘Lavinia mijn vrouw, ik heb een plichtsgetrouwe reden om deze vrouw aan uw zorgen toe te vertrouwen. Toen ik schipbreuk had geleden genoot ik van haar rijkdom. Ze is van Tyreense afkomst. Ze bezit een koninkrijk op de Lybische kust. Ik bid je, heb haar lief als een lieve zuster.’

3; 633-656
Lavinia beloofde alles, maar in de stilte van haar hart verborg ze haar twijfels en verloochende haar angsten. En hoewel er vele geschenken voor haar ogen gepresenteerd werden, dacht ze dat er ook nog velen in het geheim bezorgd werden. Ze had nog niet besloten wat te doen. Ze haatte als een Furie, en beraamde een complot, ernaar verlangend om gewroken te sterven. Het was nacht, en het leek of Dido voor het bed van haar zuster stond, haar ongekamde haren doordrenkt met bloed. ‘Vlucht, ontvlucht dit sombere huis,’ leek zij te zeggen. ‘O twijfel niet!’ Na deze woorden versplinterde de deur door een ontploffing. Ze sprong overeind, en wierp zichzelf snel uit het raam laag bij de grond. Haar angst gaf haar moed. En toen de paniek toesloeg, terwijl ze gekleed was in een gordelloze tuniek, rende ze weg zoals een bang hert rent dat bang is voor de wolven. Men denkt dat de gehoornde Numicus haar meevoerde in zijn gezwollen stroom en verborg bij zijn bronnen. Ondertussen zocht men in de velden met luid geroep naar de verloren Sidonische vrouw. Hun ogen zagen sporen en voetafdrukken. Toen zij bij de rivieroever kwamen zagen zij haar sporen. De bewuste rivier controleerde zijn water en bracht dit tot zwijgen. Zijzelf leek te spreken: ‘Ik ben een nimf van de kalme Numicius. Ik verberg me in een eeuwige rivier, en Anna Perenna is mijn naam.’ Onmiddellijk vierden zij vol vreugde feest in de velden die ze zojuist hadden doorzocht, en brachten een dronk op zichzelf en die dag uit met grote hoeveelheden wijn.

3; 657-674
Sommigen denken dat deze godin de maan is, omdat de maan het jaar volmaakt met haar maanden. Anderen menen dat zij Thetis is. Weer anderen veronderstellen dat zij een Inachische koe is. Je zult sommigen tegenkomen die zeggen dat jij, Anna, die een nimf is, dochter van Azan, dat jij Zeus zijn eerste voedsel gaf. Doch een ander rapporteert, waarover ik nu zal vertellen, een verhaal dat mijn oren bereikt heeft, en niet verwijderd is van datgene wat we als waarheid kunnen aannemen. Het gewone volk van vroeger, nog niet beschermd door tribunen, was gevlucht, en verbleef op de top van de Heilige Berg. Na enige tijd ontbeerden zij de voorraden die zij met zich hadden meegebracht en het brood dat geschikt was voor menselijk gebruik. Daar was een zekere Anna, geboren in de voorstad Bovillae, een arme oude vrouw, maar zeer ijverig. Zij, met haar grijze haren opgebonden in een lichte muts, was gewend om boerenbrood te vormen met bevende hand, en het was haar gewoonte om die fluitend in de vroege morgen onder de mensen te verspreiden. De leverantie was zeer welkom voor het volk. Toen thuis de vrede was aangebroken, richtten zij een standbeeld voor Perenna op, omdat zij hen in hun tijd van nood van voedsel had voorzien.

3; 675-696
Nu rest mij te vertellen waarom meisjes schunnige liedjes zingen. Want als zij samenkomen, zingen zij bepaalde schunnige verzen. Toen Anna laatst tot een godin was gemaakt, kwam de Marcherende god (Gravidus) bij haar, nam haar apart en zei het volgende tegen haar: ‘Je wordt aanbeden in mijn maand, ik heb mijn seizoen met dat van jou verenigd. Ik heb een hoge verwachting van de dienst die jij me kan verlenen. Als gewapende god, ben ik verliefd geworden op de gewapende god Athena. Ik brand van verlangen en koester deze verwonding al lange tijd. Zij en ik zijn goden met dezelfde bezigheden, bedenk iets om ons te verenigen. Deze taak past u wel, vriendelijk oude dame.’ Zo sprak hij. Ze bedroog de god met een valse belofte, en hield hem aan het lijntje met onzekere vertragingen. Hij zette haar vaak onder druk met: ‘Ik heb gedaan wat u gezegd hebt,’ waarop zij antwoordde, ‘Zij is overwonnen en heeft uiteindelijk toegegeven aan uw smeekbeden.’ De minnaar geloofde haar en maakte het bruidsbed klaar. Toen hij haar wilde kussen, nam Ares plotseling Anna waar. Nu eens ging er schaamte, en dan weer boosheid door de voor de gek gehouden god heen. De nieuwe godin lachte tegen de lieve geliefde van Athena. Niets deed Aphrodite meer genoegen dan dat. Zo werden oude grappen en schunnige liedjes gezongen, want de mensen hielden ervan hoe Anna de grote god oplichtte.

3; 697-710
Ik wilde in stilte aan de zwaarden die de prins doorstaken voorbij gaan, toen Hestia aldus vanuit haar kuise haar sprak: ‘Twijfel niet om hem aan te halen, hij was mijn priester, het was tegen mij dat die heiligschennende handen met staal toesloegen. Ik zelf droeg de man weg, en liet niets anders dan zijn schim achter. Wat door het zwaard viel was de schaduw van Ceasar.’ Naar de hemel overgebracht zag hij de zalen van Zeus, en in het grote Forum heeft hij een tempel die aan hem opgedragen is. Maar al die uitdagende zondaars die, tegen de wil van de goden, het hoofd van de hogepriester ontheiligden, zijn nu dood, de dood die zij verdienden. Kijk naar Phillippi en zij van wie de beenderen verbleken in de grond. Dit, dit was het werk van Ceasar, zijn plicht, zijn eerste opdracht om zijn vader met rechtvaardige wapens te wreken.

XVII. KAL. 16e

3; 711-712
Als de volgende ochtend het gras verfrist is, zal het eerste deel van de Schorpioen zichtbaar zijn.

XVI. KAL. 17e

3; 713-734
De derde dag na de Ides is zeer populair vanwege het feest van Dionysus. O Dionysus, wees genadig voor uw zanger wanneer hij over uw festival zingt. Maar ik zal niets over Semele zeggen. Als Zeus zijn bliksem niet naar haar had meegenomen, zou je als ongewapend schepsel geboren zijn. Noch zal ik vertellen hoe, zodat je te zijner tijd als jongen geboren kon worden, de functie van een moeder werd overgenomen in het lichaam van jouw vader. Het zou lang duren om te verhalen over de triomfen die de god behaalde op de Sithoniërs en de Scythen, en hoe hij de volkeren van Indië onderwierp, dat bewierookte land. Ik zal niets vertellen over hem die ten prooi viel aan zijn eigen Thebaanse moeder, noch van Lycurgus, die in een bui van waanzin op zijn eigen zoon inhakte. Zie nu, ik wil graag spreken over de Tyrrheense monsters, mannen die plotseling in vissen veranderden, maar dat is niet het onderwerp van dit lied. Het onderwerp van dit lied is om uiteen te zetten waarom een planter van wijnstokken brood verspreidt onder het volk. Voor uw geboorte, Dionysus, waren de altaren zonder offerandes, en groeide er gras op de koude altaren. Ze vertellen hoe, na de Ganges en het gehele Oosten onderworpen te hebben, u de eerste oogst voor Zeus apart zette. U was de eerste die kaneel en wierook offerde vanuit de veroverde landen, en het geroosterde vlees van ossen die als buit werden meegevoerd.

3; 735-762
Plengoffers ontlenen hun naam aan degene die dat als eerste deed, net als haverbrood, omdat een deel daarvan geofferd wordt op heilige altaren. Haverbrood wordt voor de god gemaakt, omdat hij zich verheugt in zoete sappen, en ze zeggen dat honing door Dionysus is ontdekt. Vergezeld van de Saters vertrok hij uit het zanderige Hebrus (mijn verhaal bevat een leuke grap), en kwam in Rhodope en bloemenrijk Pangaeus aan, toen de bekkens in de handen van zijn gezelschap ratelden. Zie, aangetrokken door het geratel, kwamen gevleugelde dingen, tot dan toe onbekend, bijeen, en deze bijen volgden het klinkende metaal. Dionysus verzamelde die vreemdelingen en sloot hen op in een holle boom, en werd hiervoor beloond met de ontdekking van honing. Zodra de Saters en de oude kaalhoofdige het hadden geproefd, zochten zij in elk bos naar het gele goedje. In een holle iep hoorde de oude man het gezoem van een zwerm, hij zag de raten maar hield dit voor zich. Lui zittend op de rug van een ezel, en leunend tegen de stomp van een tak reikte hij gretig naar de opgeslagen honing in de stam. Duizenden horzels verzamelden zich, staken hun angels in zijn kale kruin, en lieten hun sporen achter op het stompneuzige gezicht. Hij viel voorover, en de ezel schopte hem, terwijl hij zijn kameraden riep en smeekte om hulp. De Saters renden naar de plek en lachten om het gezwollen gezicht van hun oude vriend. Hij hinkte op zijn bezeerde been. Dionysus lachte zelf ook en leerde hem om modder op zijn wonden te smeren. Silenus nam zijn raad aan en besmeurde zijn gezicht met slijk. Vader Dionysus geniet van honing, en het is juist dat wij hem de ontdekker van de gouden honing noemen die wordt gebruikt in hete gerstekoeken

3; 763-770
De reden waarom een vrouw voorgaat tijdens het festival is duidelijk genoeg. Dionysus verzamelde grote groepen vrouwen met zijn thyrsus. Je vraagt je af waarom het een oude vrouw is die voorop gaat. Leeftijd is verslaafder aan wijn, en is gek op de gave van de vruchtbare wijnstok. Waarom is ze omkranst met klimop? Klimop is uiterst dierbaar voor Dionysus. Waarom dat is kan ook verteld worden. Ze zeggen dat toen de stiefmoeder naar de jongen zocht, de nimfen van Nysa de wieg afschermden met bladeren van de klimop.

3; 771-791
Resteert alleen nog te ontdekken waarom de mantel der vrijheid aan jongens wordt gegeven, mooie Dionysus, op uw dag, want een jongeling, en uw leeftijd ligt precies tussen die twee in. Of kan het zijn, omdat u een vader bent, dat vaders de beloften waarvan zij houden, hun zoons, aan uw zorgen en goddelijke hoede toevertrouwen. Of is het omdat u Dionysus bent, en de mantel der vrijheid wordt aangenomen waardoor een vrijer leven wordt verkregen onder uw toezicht. Of is het omdat, in de dagen van weleer de ouden de velden ijveriger bebouwden, en een senator op zijn voorvaderlijk land werkte, toen een consul de gebogen ploeg inruilde voor de baten en lasten van een baan, en het geen schande was om eeltige handen te hebben, de boeren waren gewend om naar de stad te komen voor de spelen (maar dat was een eerbetoon aan de goden, en geen concessie aan de moderne smaak, de ontdekker van de druif hield op zijn eigen dag deze spelen die hij nu deelt met toortsdragende godin ). En de dag leek daarom niet ongeschikt voor de toekenning van de mantel, zodat de menigte zich kon verzamelen rond de novice? U Vader God, wend uw gehoornde hoofd hierheen, mild en gunstig, en laat gunstige winden de zeilen spreiden van mijn poëtische kunst.

3; 792-808
Op deze dag, als ik het me goed herinner, en op de voorafgaande dag, is er een processie naar de Argei. Wie de Argei zijn zal op de juiste plaats verteld worden. De ster van de Wouw daalt af naar de Lycaonische Beer, en wordt die nacht zichtbaar. Als je wilt weten wat de vogel tot de sterren verhief. Cronus was onttroond door Zeus. In zijn woede stookte hij de sterke Titanen op om de wapens op te nemen en zocht hulp die de Moiren hem toestonden. Er was een stier die uit moeder Aarde geboren was, een wonderlijk monster, van achteren een slang, Na een waarschuwing van de drie Moiren, had de grimmige Styx hem opgesloten in een donker bos dat was omringd door een drievoudige muur. Er was een orakel dat degene die de ingewanden van de stier in het vuur zou werpen in staat zou zijn om de eeuwige goden te verslaan. Briareus slachtte het dier met een bijl gemaakt van diamant, en stond op het punt om de ingewanden op het vuur te werpen. Zeus gebood de vogels om die weg te roven, de Wouw bracht die naar hem toe en werd verheven tot de sterren als dank voor zijn diensten.

XIV – XI. KAL. 19e – 22e

3; 809-834
Na een interval van één dag worden de riten ter ere van Athena gevierd, die hun naam hebben gekregen van een groep van vijf dagen. De eerste dag gaat gepaard zonder bloedvergieten, en is het onwettig om met het zwaard te vechten, omdat Athena op die dag geboren is. De tweede dag en de drie daarna worden gevierd door het zand te verspreiden. De oorlogszuchtige godin raakt in verrukking van getrokken zwaarden. Jullie jongens en tedere meisjes, bidt nu tot Athena. Hij die de gunst van Athena wint zal onderwezen worden. Wanneer zij eenmaal de gunsten van Athena hebben gewonnen, leren meisjes om wol te kaarden en de volle spinrokken te legen. Ze onderwijst ook hoe ze de spoel door de verticaal staande scheringen moeten steken, en de losse draad met de kam aan moeten slaan. Aanbidt haar, u die bloedvlekken van beschadigde kleding verwijdert. Aanbidt haar, u die de koperen ketels gereed maakt voor de vachten. Als Athena het voorhoofd fronst, zal geen mens goede schoenen maken, hoewel hij misschien bekwamer is dan Tychius, en behendiger met zijn handen dan de oude Epeius, maar toch zal hij hulpeloos zijn, als Athena boos op hem wordt. Ook u, die ziekten uitbant door de kunst van Apollo, schenk een deel van uw loon aan de godin. En versmaadt haar niet, u onderwijzers, gij groep die te vaak van uw inkomen is beroofd, ze trekt nieuwe leerlingen aan. En versmaadt haar niet, gij die het graveergereedschap hanteert en met prachtige kleuren brandschilderingen maakt, en u die stenen met vaardige handen bewerkt. Ze is de godin van duizend vaardigheden. Ze is ook de godin van het lied. Laat haar vriendelijk zijn voor mijn bezigheden, als ik het verdien.

3; 835-848
Waar de Caeliaanse berg vanuit de hoogte afdaalt naar de vlakte, op het punt waar de weg niet vlak is maar bijna vlak, zul je het kleine heiligdom van Athena Capta aantreffen, dat de godin voor de eerste keer in bezit kreeg op haar verjaardag. De oorsprong van de naam Capta is twijfelachtig. We noemen vernuft ‘capital’, de godin is zelf vernuftig. Kreeg ze de naam Capta omdat wordt verteld dat zij met haar schild moederloos uit het hoofd (caput) van haar vader sprong? Of omdat ze als gevangene naar ons kwam tijdens de verovering van de Falerii ? Dit feit wordt bevestigd door een oude inscriptie. Of was het omdat ze een wet hanteerde die een zware straf eiste voor het ontvangen van gestolen goederen uit die plaats? Uit welke bron uw naam ook is afgeleid, o Athena, u houdt uw Aegis altijd voor aan onze leiders.

X. KAL. 23e

3; 849-850
De laatste dag van de vijf herinnert ons er aan om de melodieuze trompetten te zuiveren en aan de sterke god te offeren.

3; 851-876
Nu kun je naar de zon opkijken en zeggen, ‘Gisteren zette hij een voet op de vacht van het Phrixische schaap.’ De zaden werden geroosterd door het bedrog van een boze stiefmoeder, zodat het graan niet op de gebruikelijke manier kon ontspruiten. Een boodschapper werd naar de drievoet gestuurd, en een orakel gevraagd, om te vernemen wat de Delphische god zou voorschrijven om de schaarste te verhelpen. Maar hij, corrupt net als het zaad, bracht het bericht dat het orakel de dood eiste van Helle en de jeugdige Phrixus. En toen de burgers, het seizoen, en Ino de onwillige koning dwongen om die goddeloze opdracht uit te voeren, stonden Phrixus en zijn zuster, met haarbanden om hun hoofden, samen voor de altaren en beweenden het lot dat zij deelden. Hun moeder ontwaarde hen, toen zij toevallig door de lucht zweefde, en ze sloeg met haar hand als een donderslag op haar naakte borst. Toen, vergezeld door de wolken, sprong ze naar beneden in de door draken verwekte stad en griste haar kinderen weg, opdat ze in staat waren om te vluchten, en gaf hen een ram die glinsterde van het goud. De ram droeg hen over grote zeeën. Er wordt verteld dat de zuster haar hand ontspannen op de hoorn van de ram liet rusten, toen ze haar eigen naam aan het water gaf. Haar broer kwam bijna met haar om in een poging om haar te redden toen zij viel, en hij zijn handen zover mogelijk uitstrekte. Hij huilde bij het verlies van haar die zijn tweevoudige gevaar had gedeeld, niet wetend dat ze met de blauwe god was getrouwd. De Ram werd tot een sterrenbeeld gemaakt toen hij de kust bereikte, maar de gouden vacht werd naar de Colchische huizen gebracht.

VII. KAL. 26e

3; 877-878
Als de morgenster de komende dageraad driemaal heeft aangekondigd, zal de dag net zo lang zijn als de nacht.

III. KAL. 30e

3; 879-882
Als de herder vanaf die dag de mierzoete kinderen vier keer in de schaapskooi heeft opgesloten, en het gras vier keer wit geworden is onder de verse dauw, dan is het tijd om Janus te aanbidden, en de tedere Cocncord, en Romeinse Veiligheid, en het altaar van de Vrede.

PR. KAL. 31e

3; 883-884
De maan heerst over de maanden. De periode van deze maan eindigt dan ook met de aanbidding van de maan op de Aventijnse Heuvel.

Boek 4 - April

Inleiding op april

4; 1-18
‘O genadige moeder van de tweeling der Liefde,’ zei ik, ‘schenk me uw gunst.’ De godin keek naar de dichter. ‘Wat wil je van mij?’ vroeg ze, ‘Je bent gewend om over verhevener thema’s te zingen. Heb je een oude wond die knaagt aan je pijnlijke borst?’ ‘Godin’ antwoordde ik, ‘U wist van mijn wond.’ Zij lachte, en de hemel was direct sereen in dat kwartier. ‘Heb ik uw normen geheel vergeten of gekwetst? U, die altijd de taak bent geweest die ik mijzelf heb gesteld. In mijn jonge jaren speelde ik met thema’s om die aaneen te smeden, en gaf aan niemand aanstoot. Nu betreden mijn paarden een groter gebied. Ik bezing de seizoenen, en hun oorzaken, en de sterrenbeelden die onder de horizon duiken en weer opkomen, mijn kennis uit oude traditionele analen halend. We zijn bij de vierde maand aangekomen waarin u boven iedereen vereerd wordt, en u weet, Aphrodite dat zowel de dichter als de maand de uwe zijn.’ De godin was geroerd, en raakte zachtjes mijn hoofd aan met mirte van Cythera, ‘Maak het werk af,’ zei ze, ‘dat je begonnen bent.’ Ik voelde haar inspiratie, en mijn ogen zagen plotseling de reden van de dagen. Vaar door, mijn schip, terwijl je nog mag en de winden waaien.

4; 19-62
Maar als enig deel van de kalender u interesseert, Ceasar, dan is april een reden van zorg. Deze maand heeft u geërfd vanwege een grote afkomst, en is de uwe gemaakt op grond van uw deugd en aanneming in een adellijk huis. Toen de Iliaanse vader het lange jaar op schrift stelde, zag hij de relatie en herdacht de auteurs van uw ras. En toen hij het eerste deel van de volgorde der manen aan de woeste Ares gaf, omdat hij de directe aanleiding voor zijn eigen geboorte was, en zo wilde hij dat de plaats van de tweede maand aan Aphrodite zou toebehoren, omdat hij zijn afstamming via haar naar vele generaties traceerde. Bij zijn zoektocht naar de oorsprong van zijn ras, ploos hij vele eeuwen uit en kwam uiteindelijk uit bij de goden wier bloed hij deelde. Hoe kon hij, bid ik, niet weten dat Dardanus was geboren uit Electra, dochter van Atlas, en dat Electra had samengelegen met Zeus? Dardanus had een zoon Erichthonius, die Tros kreeg. En Tros kreeg Assaracus, en Assaracus kreeg Capys. Vervolgens kwam Anchises, waar Aphrodite zich niet te groot voor achtte om samen de naam van ouder te delen. Uit hen werd Aeneas geboren, die zijn vroomheid bewees toen deze op zijn schouders de heilige voorwerpen en zijn eigen vader door het vuur droeg, een heilige last. Zo zijn we eindelijk aangekomen bij de gelukkige naam van Julus, door wie het Juliaanse huis terugreikt tot aan Teucriaanse voorouders. Hij had een zoon Postumus, die, omdat hij in de diepe wouden werd geboren, door het Latijnse volk Silvius werd genoemd. Hij was uw vader, Latinus. Latinus werd opgevolgd door Alba, en na Alba was Epytus de volgende op de lijst. Hij gaf aan zijn zoon Capys een Trojaanse naam, nieuw leven ingeblazen voor het doel, en hij was ook de grootvader van Calpetus. Toen Tiberinus zijn vaders koninkrijk in bezit nam na de dood van Calpetus, verdronk hij, zo werd verteld, in een diepe poel van de Toscaanse rivier. Nog voor hij de geboorte van een zoon Agrippa en van een kleinzoon Remulus had gezien. Maar Remulus, vertellen ze, werd getroffen door bliksems. Na hem kwam Aventinus, van wie de plaats en ook de heuvels hun naam hebben gekregen. Na hem ging het koninkrijk over naar Proca, die werd opgevolgd door Numitor, broer van de hardvochtige Amulius. Ilia en Lausus werden geboren uit Numitor. Lausus viel door het zwaard van zijn oom. Ilia vond genade in de ogen van Ares en baarde u, Quirinus, en uw tweelingbroer Remus. Hij beweerde altijd dat zijn ouders Aphrodite en Ares waren, en hij verdiende het om geloofd te worden wanneer hij dat zei. En opdat zijn nakomelingen na hem de waarheid zouden weten, wees hij opeenvolgende periodes toe aan de goden van zijn ras.

4; 63-84
Maar ik vermoed dat de maand van Aphrodite haar naam aan de Griekse taal ontleent. De godin werd naar het schuim der zee genoemd. U hoeft u niet te verwonderen dat iets met een Griekse naam werd aangeduid, want het Italiaanse land was Groot Griekenland. Evander was naar Italië gekomen met een vloot vol met volk. Ook Alcides was gekomen, beiden van het Griekse ras. Als een gast, de knotsdragende held voedde zijn kudde op het Aventijnse gras, en de grote god dronk uit de Albula. De Neritonische leider kwam ook, zo getuigen de Laestrygonen en de kust draagt nog steeds de naam van Circe. De muren van Telegonus stonden al, en de muren van het vochtige Tibur, gebouwd door Argivische handen. Van huis verdreven door het tragische lot van Atrides, was Halesus gekomen, waarvan het Faliscaanse land meent haar naam te hebben ontleend. Voeg hier Antenor aan toe, die de Trojanen adviseerde om vrede te sluiten, en (Diomedes) de Oenide, schoonzoon van Apuliaanse Daunus. Aeneas werd uit de vlammen van Ilium door zijn goden ons land gebracht, laat aankomend na Antenor. Hij had een vriend, Solymus, die van de Phrygische Ida kwam. Van hem ontvingen de muren van Sulmo hun naam – koel Sulmo, mijn geboortestad, Germanicus. Wee mij, hoe ver ligt Sulmo verwijderd van het Scytische land! Daarom zal ik zo ver weg – maar controleer uw klachten, mijn Muzen. Het is niet aan jullie om heilige thema’s te kwelen op treurige snaren.

4; 85-114
Waar vindt de vaalbleke afgunst geen manier? Er zijn sommigen die u wrokkend de eer van de maand niet gunnen, en hem van u zouden willen afpakken, Aphrodite. Want zij zeggen dat april is genoemd naar het open (apertum) seizoen, omdat de lente dan alle dingen opent (aperit), en de vorstgebonden koude vertrekt, en de aarde haar volle boezem opent, hoewel vriendelijke Aphrodite de maand claimt en haar handen er bezit van nemen. Zij regeert inderdaad, en heeft het verdiend om, de hele wereld, te regeren. Ze bezit een tweede koninkrijk dat geen god heeft. Ze geeft wetten aan de hemel en aarde en aan haar geboortezee, en door haar inspiratie laat ze alle soorten zijn. Ze creëerde alle goden – te veel om op te noemen. Ze schonk bomen en zaden hun oorsprong. Ze bracht ruwhartige mannen bijeen en leerde hen om zich te koppelen met zijn vrouw. Welk vriendelijk plezier bracht het gebroed van de vogels in de wereld? Vee, dat niet samen wilde komen, ontbrak het ook aan losse liefdes. De kont van de primitieve ram werd aan de open lucht blootgesteld, maar wilde geen kwaad berokkenen aan het hoofd van de ooi die hij liefhad. De stier, die alle bosweilanden, alle bossen angst aanjaagt, legt zijn felheid af en volgt de vaars. Dezelfde kracht behoedt alle levende dingen in die brede schoot van de diepte, en vult het water met talloze vissen. Die kracht ontdeed de man van zijn woeste kleding. Daar leerde hij van hoe hij zich fatsoenlijk moest kleden en persoonlijke hygiëne. Een minnaar was de eerste, zeggen ze, om een serenade bij nacht te brengen aan de minnares die hem de toegang weigerde, terwijl hij zong bij de gebarricadeerde deur, en welbespraakt was om het hart van een schuchter meisje te winnen. Iedere man bepleitte toen zijn eigen zaak. Deze godin was de moeder van duizenden kunsten. De wens om te behagen heeft het leven aan vele uitvindingen geschonken die daarvoor onbekend waren.

4; 115-132
Zal enige man de moed hebben om deze godin te beroven van de eer om haar naam aan de tweede maand te geven? Zulke waanzin zal verre van mij zijn. Trouwens, terwijl de godin overal krachtig is en haar tempels vol met aanhangers, bezit ze tegenwoordig met autoriteit in onze stad. Aphrodite, O Romeinse, draag wapens voor uw Troje, toen u destijds kreunde vanwege de speer die haar hand verwondde. En door de uitspraak van een Trojaan versloeg ze twee hemelse godinnen. Ach, ik wilde dat ze hun nederlaag niet herinnerd hadden! En ze werd de bruid van Assaracus’ zoon genoemd, om er zeker van te zijn, dat in de toekomst de grote Ceasar de Juliaanse lijn tot zijn voorvaderen kon rekenen. En geen enkel ander seizoen paste meer bij Aphrodite van de lente. In het voorjaar glinstert het landschap, de bodem is zacht in de lente. Nu duwde het graan zijn bladeren door de spleten in de grond. Nu laat de wijnstok haar knoppen zwellen in de schors. Mooie Aphrodite verdient het mooie seizoen en is verbonden, zoals gebruikelijk, aan haar lieve Ares. In de lente gebiedt ze haar gebogen schepen om over haar geboortewater te zeilen en geen angst te hebben voor de dreigingen van de winter.

KAL. APR. 1e

4; 133-162
De godin moet u naar behoren aanbidden, u Latijnse moeders en bruiden, en ook u, die geen lange mantels en haarbanden dragen. Neem de gouden halsketting van de marmeren hals van de godin, de godin moet van top tot teen gewassen worden. Droog dan haar nek en hang de gouden halsketting weer terug. Geef haar nu nieuwe bloemen, geef haar de verse roos. U ook, moet zelf een bad onder de groene mirte te nemen en er is een bepaalde reden voor haar bevel. Neem kennis van de oorzaak. Naakt, was ze haar vochtige haren op de kust aan het drogen, toen de Saters, een wellustige groep, de godin ontwaarde. Ze merkte het, en bedekte haar lichaam met mirtenbladeren, ze was veilig, en gebiedt u hetzelfde te doen. Ontdek nu waarom u wierook geeft aan het Viriele Fortuin op de plek die ruikt naar warm water. Alle vrouwen ontkleden zich wanneer zij die plek bereiken, en elke smet op het naakte lichaam is duidelijk te zien. Viriel Fortuin zet zich ertoe om elke smet voor mannen te verbergen, en deze handeling doet ze voor een klein beetje wierook. Sta ook niet met tegenzin toe om fijngestampte papaver met witte melk en uit de raat geperste vloeibare honing te nemen. Toen Aphrodite voor het eerst naar haar begerige echtgenoot werd begeleidt, dronk ze dat mengsel. Sinds die tijd was ze een bruid. Verzoen haar met smekingen, schoonheid, deugd en goede naam zijn in haar handen. In de tijd van onze voorvaderen was Rome vervallen tot een staat van kuisheid, en de ouden raadpleegden de oude vrouw van Cumae. Ze gaf opdracht om een tempel voor Aphrodite te bouwen, en toen dat naar behoren was gedaan, nam Aphrodite door deze gebeurtenis de naam aan van Veranderaarster van het Hart (Verticordia). Mooiste van de godinnen, aanschouw de zoons van Aeneas met vriendelijke blikken, en bescherm hun kinderen bij hun talloze vrouwen.

4; 163-164
Terwijl ik spreek, duikt de Schorpioen, van wie de punt van zijn zwaaiende staart angst aanjaagt, in het groene water.

IV. NON. 2e

4; 165-178
Wanneer de nacht voorbij is, en de hemel net begint te blozen, en dauwbesprenkelende vogels klagend twitteren, en de reiziger, die de hele nacht heeft gewaakt, zijn halfopgebrande toorts neerlegt, en de jonge boer met zijn gewone gezwoeg voortgaat, beginnen de Plejaden met het verlichten van de last die rust op de schouders van hun vader. Er worden er meestal zeven genoemd, maar zij zijn meestal met hun zessen. Od dit nu is omdat zes van de zusters door goden werden bemind (want er wordt verteld dat Sterope met Ares sliep, Alcyone en de mooie Celaeno met Poseidon, en Maia, Electra, en Taygete met Zeus). De zevende, Merope, was getrouwd met een sterfelijke man, met Sisyphus, en daar had ze berouw van, en uit schaamte over deze daad verborg zij als enige van de zusters zichzelf. Of kwam het omdat Electra het niet kon verdragen, om de val van Troje te aanschouwen, en zo haar ogen met haar hand bedekte.

PR. NON. 4e

4; 179-190
Laat de hemel driemaal om zijn nooit rustende as draaien. Laat Helius zijn paarden driemaal uitspannen, onmiddellijk zal de Berecyntiaanse hoorn een stoot blazen uit zijn gebogen hoorn, en het festival van de Idaeaanse moeder zal zijn aangebroken. Eunuchen zullen marcheren en op hun holle trommels slaan, en bekkens zullen op bekkens geslagen worden en hun rinkelende noten zullen weerklinken. Gezeten op de onmannelijke schouders van haar bedienden, zal de godin zelf met gehuil door de straten gedragen worden naar het midden van de stad. De stemming is luidruchtig, de spelen roepen. Naar uw plaatsen, Quiriten! En in lege rechtszalen wordt de oorlog der partijen uitgesteld!

4; 191-214
Ik zou vele vragen willen stellen, maar ik ben ontmoedigd door de schelle klanken van de bekkens en het schrille gegons van de gebogen fluiten. ‘Gun mij, godin, iemand die ik iets kan vragen.’ De Cybeleaanse godin ontwaarde haar geleerde kleindochters en gaf hen opdracht om aandacht te schenken aan mijn vragen. ‘Indachtig haar bevel, U zuigelingen van de Helicon, onthul de reden waarom de Grote godin zo verrukt is over die voortdurende herrie.’ Zo sprak ik, en Erato antwoordde aldus: (zij was het die met Aphrodite’s mond mocht spreken, omdat haar naam is afgeleid van tedere liefde) ‘Cronus ontving dit orakel: U beste van alle koningen, u zult door uw zoon van uw troon verdrongen worden.’ Van angst verslond de god zijn kinderen zodra ze werden geboren, en hij hield hen gevangen in zijn darmen. Rhea mopperde veelvuldig, om zo vaak in verwachting te zijn, maar nooit moeder te worden. Ze klaagde over haar eigen vruchtbaarheid. Toen werd Zeus geboren. De getuigenis uit de oudheid gaat goed verder, gebeden gooien het algemene geloof niet door de war. Een steen verborgen in kledingstukken ging door de hemelse keel. Het lot had bepaald dat de vader bedrogen moest worden. Nu bulderde de Ida luid en lang met kletterende muziek, opdat de jongen met zijn babymond veilig kon huilen. Sommigen sloegen op hun schilden, anderen op hun lege helmen met stokken. Dat was de taak van de Cureten en ook van de Corybanten. Het geheim werd goed bewaard, en de oude daad wordt nog steeds in mime nagespeeld. De bedienden van de godin sloegen op koper en rommelend leer. Zij sloegen op bekkens in plaats van op helmen, en trommels in plaats van schilden. De fluit klinkt, zoals vroeger, in de Phrygische lucht.’

4; 215-220
De godin eindigde. Ik begon: ‘Waarom buigt om harentwille het felle ras van leeuwen hun wilde manen voor de gebogen ploeg?’ en sloot af. Zij begon: ‘Men denkt, dat de wildheid van die bruten door haar werd getemd. Dat zij daarvan getuigenis afleggen voor haar (door leeuwen getrokken) rijtuig.’ ‘Maar waarom is haar hoofd getooid met een torenhoge kroon? Is dit omdat zij torens aan de eerste steden gaf?’ De godin knikte instemmend.

4; 221-246
‘Waar kwam,’ zei ik, ‘de impuls vandaan om zichzelf te snijden?’ Toen ik zweeg, begon de Piëriaanse godin te spreken: ‘In de bossen had een Phrygische jongen met een knap gezicht, Attis genaamd, zichzelf met een kuise passie gehecht aan de torendragende godin. Ze wilde hem voor zichzelf hebben en haar tempel laten bewaken, en ze zei, ‘Blijf voor eeuwig een jongen.’ Hij beloofde gehoorzaamheid, en, ‘Als ik lieg,’ zei hij, ‘laat dan de liefde waarvoor ik mijn gelofte breek mijn laatste liefde zijn.’ Hij verbrak zijn gelofte, want, nadat hij de nimf Sagaritis had ontmoet, werd hij nooit meer zoals voorheen. Hiervoor zwoer de boze godin wraak. De Najade stierf vanwege de verwondingen die ze aan de boom toebracht, die zo omkwam. Want het lot van de Najade was met de boom verbonden. Attis werd waanzinnig, en, denkend dat het plafond van de kamer naar beneden stortte, vluchtte hij en rende naar de top van de berg Dindymus. Hij bleef schreeuwen, op het ene moment, ‘Neem de fakkels weg!’ op het andere, ‘Verwijder de twijgen!’ En zwoer dat de Stygische godinnen voor hem zichtbaar waren. Hij verminkte ook zijn lichaam met een scherpe steen, en sleepte zijn lange haren door het smerige stof. En zijn kreet was, ‘Ik heb het verdiend! Met mijn bloed betaal ik de boete die ik verschuldigd ben. Ah, vernietig de lichaamsdelen die mijn ondergang waren! Ah, laat hen vergaan,’ zei hij nog. Hij versoberde de last van zijn lies, en was plotseling beroofd van elk teken van mannelijkheid. Zijn waanzin werd tot een voorbeeld, en nog steeds snijden zijn onmannelijke priesters in hun verachtelijke ledematen terwijl zij wild met hun haren zwaaien. Met zulke welbespraakte bewoordingen beantwoordden de Aonische Muzen mijn vraag over de oorzaak van de waanzin der volgelingen.

4; 247-290
‘Vertel mij ook, bad ik, mijn gids, vanwaar ze werd gehaald, vanwaar ze kwam? Was ze altijd al in onze stad?’ ‘De Moedergodin beminde steeds Dindymus, en Cybele, en Ida, met zijn prachtige bronnen, en het rijk van Ilium. Toen Aeneas Troje naar de Italiaanse vlakten droeg, volgde de godin bijna de schepen die de heilige voorwerpen in hun ruimen hadden. Maar ze voelde dat het lot nog niet om haar goddelijke tussenkomst in Latium riep, en ze bleef achter op haar gewoonlijke plek. Later, toen voor het machtige Rome al vijf eeuwen voorbij waren gegaan, en zij hun blikken op heel de veroverde wereld hadden gericht, raadpleegden de priesters de noodlottige woorden van het Euboeïsche lied. Ze zeggen dat wat zij vonden aldus luidde: ‘De Moeder is afwezig, U Romeinen, bid ik, u zoek de Moeder. Wanneer zij komt, moet zij door kuise handen ontvangen worden.’ De dubbelzinnigheid van het duistere orakel stelden de senatoren voor een raadsel en begrepen niet wie de Moeder was, en waar zij gevonden moest worden. Het orakel van Delphi werd geraadpleegd dat zei, ‘Haal de moeder van de goden. Zij is te vinden op de berg Ida.’ Edelen werden eropuit gestuurd. De scepter van Phrygië was toen in handen van Attalus. Hij weigerde deze gunst aan de Ausonische heren. Wonderbaarlijk om te vertellen, de aarde beefde en rommelde lang, en in haar heiligdom sprak de godin aldus: ‘Het was mijn eigen wil dat zij eropuit gestuurd werden. Aarzel niet, laat mij gaan, het is mijn wens. Rome is de plek waar elke god zijn toevlucht zoekt.’ Attalus beefde van angst bij deze woorden en zei, ‘Ga heen. U zult nog steeds van ons zijn. Rome vindt haar oorsprong in Phrygische voorouders.’ Onmiddellijk vielen talloze bijlen op de dennenbossen aan die de vrome Phrygiër van hout hadden voorzien op zijn vlucht. Duizenden handen verenigden zich, en de Moedergodin werd gehuisvest in een hol schip dat werd geschilderd in verschillende kleuren. Ze werd in opperste veiligheid vervoerd over het water van haar zoon en kwam bij de lange Straat die naar de zuster van Phrixus was vernoemd. Ze passeerde Rhoeteüm, waar het getij snel verloopt, en de Sigeaanse kust, en Tenedos, en Eëtion’s oude rijk. Lesbos achter zich latend, kwam ze vervolgens bij de Cycladen en de golven die breken op de Carystische ondiepten. Ze stak ook de Icarische Zee over, waar Icarus zijn vleugels verloor, en zijn naam gaf aan dit grote water. Toen verliet ze Kreta aan bakboord en de Pelopiaanse golven aan stuurboord, en koerste naar Cythera, het heilige eiland van Aphrodite. Van daar passeerde zij de Thrinaciaanse Zee, waar Brontes en Steropes en Arges gewend zijn om het withete ijzer te smeden. Ze voer langs het Afrikaanse vasteland, en zag achter zich het rijk van Sardinië, en bereikte Ausonië.’

4; 291-348
‘Ze had de monding bereikt waar de Tiber splitst om zich te verenigen met de zee en stroomt met een brede stroom. Alle strijders en benoemde senatoren, gemengd onder het gewone volk, kwamen om haar te ontmoeten bij de mond van de Toscaanse rivier. Met hen mee liepen moeders en dochters en bruiden, en de maagden die neigden naar de heilige haarden. De mannen vermoeiden hun armen door uit volle macht aan het touw te trekken. Het vreemde schip kwam nauwelijks vooruit tegen de stroom. Er had lang een droogte geheerst, het gras was verdroogd en verbrandt. Het afgeladen schip liep vast in de modderige ondiepten. Elke man die een handje had geholpen en met alle kracht had gezwoegd moedigde de arbeiders met zijn geschreeuw aan. Maar het schip zat muurvast, als een eiland dat stevig in het midden van de zee is verankerd. Verbaasd over het voorteken, bleven de mannen staan en beefden. Claudia Quintra traceerde haar afstamming tot aan de oude Clausus, en haar schoonheid kwam met haar nobelheid overeen. Ze was kuis, hoewel ze zo niet bekend stond. Onvriendelijke geruchten deden haar onrecht aan, en een valse aanklacht was tegen haar ingebracht. Het vertelde dat ze opzichtig gekleed ging, dat ze met haar haren op verschillende manieren opgemaakt overal rondliep, en dat ze met een scherpe tong sprak tegen norse oude mannen. Bewust van haar onschuld, lachte ze om de leugens van de roem. Maar de menigte is gevoelig om het slechtste te denken. Toen zij naar voren stapte uit de optocht van kuise huismoeders, en het zuivere water van de rivier in haar handen schepte, liet ze het drie keer op haar hoofd druppelen, en hief driemaal haar handpalmen naar de hemel (iedereen die naar haar keek dacht dat ze gek geworden was), en met gebogen knieën fixeerde zij haar ogen op het beeld van de godin, en sprak met verwarde haren deze woorden: ‘U vruchtbare Moeder van de Goden, accepteer genadig de gebeden van uw smekeling op één voorwaarde. Ze zeggen dat ik niet kuis ben. Als u mij veroordeelt, zal ik mijn schuld belijden. Veroordeeld door het vonnis van de godin, zal ik met mijn leven betalen als straf. Maar als ik vrij van schuld ben, geef dan een bewijs van mijn onschuld door een teken, en, kuis als u bent, leg dan kracht in mijn kuise handen.’ Zo sprak ze, en trok met geringe inspanning aan het touw. Mijn verhaal is vreemd, maar wordt bevestigd door de gebeurtenis. De godin was geroerd, en volgde haar gids, en getuigde in haar voordeel door haar te volgen. Een geluid van vreugde zweefde naar de sterren. Ze kwamen bij een bocht in de rivier, waar deze een bocht naar links maakte. De mensen van vroeger noemde die de Zalen van de Tiber. De nacht viel in, ze maakten het touw vast aan een eiken boomstronk, en verwijderden zich na een maaltijd voor een lichte nachtrust. Bij de dageraad maakten zij het touw los van de eiken boomstronk. Maar eerst bouwden zij een altaar en legden daar wierook op, kroonden de achtersteven, en offerden een smetteloze vaars die de stier of het juk nog niet ervaren had. Er is daar een plek waar de rimpelloze Almo in de Tiber stroomt, en de kleinere rivier haar naam verliest aan de grotere. Daar waste een grijsharige priester in een purperen mantel de Meesteres en haar heilige voorwerpen in het water van de Almo. De aanwezigen huilden, de dwaze fluit klonk, en onmannelijke handen sloegen op de trommels. Bijgewoond door een menigte, liep Claudia voorop met een vrolijk gezicht, haar kuisheid was uiteindelijk bewezen door de getuigenis van een godin. De godin zelf, gezeten op een wagen, reed door de Poort van Capene de stad in. Verse bloemen werden over de ingespannen ossen gestrooid. Nasica ontving haar. De naam van de stichter van de tempel heeft het niet overleefd. Nu is het Augustus, maar vroeger was het Metellus.’

4; 349-372
Hier stopte Erato. Er was een pauze om mij tijd te geven om de rest van de vragen te stellen. ‘Waarom,’ zei ik, ‘verzamelt de godin geld in kleine munten?’ ‘Het volk draagt hun koperstukken bij, waarvan Metellus haar tempel bouwt,’ zei ze. ‘Vandaar dat de gewoonte om kleingeld te geven voortduurt.’ Ik vroeg waarom mensen meer dan anders elkaar vermaken met banketten en feesten waarvoor zij uitnodigingen afgeven. ‘Omdat,’ zei ze, ‘de Berecyntiaanse godin haar huis gelukkig veranderde, mensen proberen hetzelfde geluk te verkrijgen door van huis naar huis te gaan.’ Ik stond op het punt om de godin te vragen waarom de eerste spelen van het jaar in onze stad gehouden worden, toen de godin mijn bedoeling begreep en zei, ‘Zij baarde de goden. Die maakten plaats voor hun ouders, en de Moeder heeft de eer om eerste te zijn.’ ‘Waarom geven we de naam Galii aan de mannen die zichzelf ontmannen, terwijl Gallië zo ver van Phrygië is verwijderd?’ ‘Tussen,’ zei ze, ‘de groene Cybele en de hoge Celaenae stroomt een rivier met dwaas water, die Gallus wordt genoemd. Wie er van drinkt wordt gek. Blijf er ver van verwijderd, u die zorgt voor een gezonde geest. Wie er van drinkt wordt gek.’ ‘zij vinden het geen schande,’ zei ik, ‘om een maaltijd van kruiden op de tafel van de Meesteres te zetten. Ligt hier een goede reden aan ten grondslag?’ ‘Van mensen van vroeger,’ antwoordde zij, ‘wordt verteld dat zij leefden van zuivere melk en net zoveel kruiden als de aarde uit vrije wil liet groeien. Witte kaas werd gemengd met gestampte kruiden, zodat de oude godin het oude voedsel zou kennen.’

NON. 5e

4; 373-376
Wanneer de volgende Dageraad aan de hemel heeft geschitterd, de sterren zijn verdwenen, en de Maan haar sneeuwwitte paarden heeft uitgespannen, zal hij zeggen, ‘Op deze dag uit de oudheid werd de tempel van Openbaar Fortuin ingewijd op de heuvel van Quirinus.’ en de waarheid spreken.

VIII. ID. 6e

4; 377-386
Het was, herinner ik me, de dag van de spelen, toen een wat oudere man, die naast me zat tijdens de voorstelling, door mij werd opgemerkt, ‘Dit was de beroemde dag dat op de Libyische kust Ceasar de trotse Juba vernietigde met zijn verraderlijke bende. Ceasar was mijn commandant. Ik ben er trots op om onder hem gediend te hebben als kolonel. Uit zijn handen ontving ik mijn provisie. Deze stoel won ik in de oorlog, en u won in vrede, op grond van uw baan in de Raad van Tien.’ We wilden meer tegen elkaar zeggen toen een plotselinge regenbui ons parten speelde. De Weegschaal die in de lucht hing liet hemels water vrijkomen.

V. ID. 9e

4; 387-388
Maar voordat de laatste dag een einde aan de voorstellingen maakt, zal Orion met zijn zwaard in de zee zakken.

IV. ID. 10e

4; 389-392
Wanneer de volgende Dageraad op zegevierend Rome zal hebben neergekeken, en de sterren op de vlucht gejaagd zijn en plaats gemaakt hebben voor de zon, zal het Circus worden gevuld met een processie en een opstelling van de goden, en de paarden, snel als de wind, die zullen strijden om de eerste zegepalm.

PR. ID. 12e

4; 393-416
Daarna komen de spelen van Demeter. Er is geen aanleiding om de noodzaak te verklaren. De gave en de diensten van de godin zijn openbaar. Het brood van de eerste stervelingen bestond uit groene kruiden dat de aarde zonder aandringen liet groeien, en zij plukten het levende gras uit de weide, en tere blaadjes van de boomtoppen maakten het tot een feest. Later ontdekte men de eikel. Het was een goede zaak dat zij deze eikels ontdekten, en de stevige eik bood een prachtige oogst. Demeter was de eerste die de mensen uitnodigde om betere voeding tot zich te nemen en ruilde eikels voor meer bruikbaar voedsel. Zij dwong stieren om hun kracht ter beschikking te stellen aan de ploeg. Toen zag de omgekeerde bodem voor het eerst de zon. Koper werd met eerbied behandeld, ijzererts lag nog steeds verborgen. Ah, ik wilde dat het voor eeuwig verborgen was gebleven! Demeter schept genoegen in vrede. En jullie, landlieden, bid voor eeuwige vrede en voor een vredelievende prins. Jullie mogen de godin grove tarwe geven, en de verering van opspattend zout, en korrels wierook op oude altaren. En als er geen wierook is, ontsteek dan toortsen van hars. De goede Demeter is met weinig tevreden, als dat kleine beetje maar zuiver is. Jullie bedienden, met opgetrokken mantels, neem het mes weg van de os. Laat de os ploegen. Offer de luie zeug. De bijl hoort de nek die het juk dient nooit te klieven. Laat hem leven en veelvuldig werken op de harde grond.

4; 417-419
Het onderwerp vereist dat ik vertel over de schaking van de Maagd. In mijn verhaal zul je veel lezen dat je al kende. Een paar bijzonderheden zullen nieuw voor je zijn.

4; 420-454
Het Thrinaciaanse land kreeg haar naam door haar natuurlijke positie. Zij steekt in de oceaan met drie rotsachtige kapen. Het is de favoriete plek van Demeter. Ze bezit veel steden, waaronder het vruchtbare Henna met haar goed bewerkte grond. Onbeschaamde Arethusa had de moeders der goden uitgenodigd, en de blondharige godin was naar het heilige banket gekomen. Begeleid door de gewoonlijke groep van jonge meisjes, zwierf haar dochter blootsvoets door de bekende weilanden. In een schaduwrijk dal is een plek die vochtig is vanwege de overvloedige nevel van een hoge waterval. Alle tinten die de natuur kent waren zichtbaar, en de bonte aarde was kleurrijk door verschillende soorten bloemen. Zodra ze het zag, zei ze: ‘Kom hierheen, vriendinnen, en neem grote hoeveelheden bloemen mee naar huis.’ De kleurenpracht lokte hun meisjesachtige geesten, en waren te druk bezig om enige vermoeidheid te voelen. Eén vulde manden van gevlochten wilgentenen, de ander haar schoot, en weer een ander de losse plooien van haar mantel. Eén verzamelde goudsbloemen, een ander besteedde aandacht aan bedden van viooltjes. Weer een ander trok met haar nagels de toppen van de papavers. Sommigen werden aangetrokken door de hyacint, anderen vertoefden bij de kattenstaarten. Sommigen hielden van tijm, anderen klaprozen en honingklaver. Veelvuldig werd een roos geplukt, en bloemen zonder naam. Persephone plukte zelf sierlijke krokussen en witte lelies. Ingespannen bezig met verzamelen, dwaalde zij, beetje bij beetje, steeds verder weg, en gebeurde het dat niemand van het gezelschap meesteres volgde. De broer van haar vader zag haar, en zodra hij haar had gezien ontvoerde hij haar en nam haar met zijn schemerige paarden snel mee naar zijn eigen rijk. Onthutst riep zij, ‘Ho, lieve moeder, ze ontvoeren me!’ en scheurde haar mantel waardoor haar borsten zichtbaar werden. Ondertussen opende zich een pad voor Hades. Want zijn paarden konden nauwelijks het ongewone daglicht verdragen. Maar toen haar gezelschap van vriendinnen hun manden hadden gevuld met bloemen, riepen zij, ‘Persephone, kom de cadeautjes halen die we voor jou hebben verzameld!’ Toen zij hun oproep niet beantwoordde, weerklonken de bergen van hun geschreeuw, en sloegen met hun trieste handen op hun blote borsten.

4; 455-501
Demeter schrok van het luide gejammer. Ze was zojuist aangekomen in Henna, en riep meteen, ‘Wee mij! Mijn dochter, waar ben je? Radeloos haastte zij zich voort, net zoals Thracische Maenaden zich voorthaasten met wapperende haren. Als een koe, die van haar uier wordt weggerukt, loeit en bij elk bosje naar haar kroost zoekt, zo smoorde de godin haar gekreun niet en rende met grote snelheid, beginnend bij de vlakte van Henna. Van daar lichtte ze de voetafdrukken van het meisje bij en markeerde de sporen van de haar bekende gedaante op de grond. Die dag was mogelijk de laatste van haar omzwervingen geweest als de zwijnen het spoor dat ze vond niet hadden omgewoeld. Op haar zoektocht was ze Leontini al gepasseerd, en de rivier Amenanus, en de grazige oevers van de Acis. Ze was Cyane gepasseerd, en de bron van de zacht stromende Anapus, en de Gela met zijn draaikolken die niet benaderd kon worden. Ze had Ortygia en Megara en de Pantagea achter zich gelaten, en de plek waar de zee het water van de Symaethus ontmoet, en de grotten van de Cyclopen, verlicht door de smidsen die daar aanwezig zijn, en de plaats die zijn naam ontleent aan de gebogen sikkel, en Himera, en Didyme, en Acragas, en Tauroneum, en de Mylae, waar de overvloedige weiden voor de heilige koeien liggen. Vervolgens kwam ze bij Camerina, en Thapsus, en de Verhoging van Halorus, waar Eryx voor eeuwig open in de westelijke wind ligt. Ze had Pelorus al doorkruist, en Lilybaeum, en Pachynië, de drie hoorns van haar land. En overal waar ze kwam liet ze haar droevige klachten klinken, zoals wanneer de vogel rouwt om haar verloren Itys. Telkens riep ze, nu eens ‘Persephone!’, dan weer ‘Dochter!’ Ze huilde en schreeuwde elke naam beurtelings. Maar Persephone hoorde Demeter niet, noch hoorde de dochter haar moeder. Beide namen stierven om de beurt weg. En als ze een herder of een landman ontdekte die aan het werk was, was haar ene vraag: ‘Is hier een meisje langs gekomen?’ Nu trok er over het landschap een sombere kleur, duisternis verborg de wereld, en werden de waakzame honden tot zwijgen gebracht. De hoge Etna ligt boven de mond van de grote Typhon, wiens vurige adem de grond laat gloeien. Daar ontstak de godin twee pijnbomen om haar als licht te dienen. Daarom worden op deze dag fakkels uitgereikt tijdens de riten van Demeter. Er is daar een grot die geheel is uitgesleten door schelpachtig puimsteen, en plek die niet benaderd kan worden door mens of dier. Zodra ze daar aankwam, spande ze de getergde draken in voor haar wagen en vertrok, droog, over de golven van de oceaan. Ze vermeed de Syrten, en Zanclaean, en jullie, jullie Nisaeaanse honden, monsters van schipbreukelingen. Ze meed de Adriatische Zee, groots en wijds, en Corinthe met aan twee kanten een zee.

4; 502-560
Zo kwam ze bij uw havens, land van Afrika. Daar ging ze voor de eerste keer uiterst treurig op een koude staan zitten. Die steen noemen de Cecropiden zelfs nu nog Droevig. Vele dagen zat ze daar bewegingloos in de open lucht, geduldig het maanlicht en de regen verdragend. Niet elke plek heeft zijn eigen bestemming. Wat nu Eleusis van Demeter wordt genoemd was toen de plek van de bejaarde Celeus. Hij bracht eikels en braambessen naar huis, uit braambosjes geplukt, en droog hout om het laaiende vuur te stoken. Een jonge dochter dreef twee geiten van de berg, en een zogend jongentje lag ziek in zijn wieg. ‘Moeder,’ zei het meisje – de godin werd geroerd door de naam moeder – ‘wat doet u alleen op zo’n eenzame plek?’ Ook de oude man stopte, ondanks de last die hij droeg, en vroeg of zij mee wilde komen naar zijn arme huisje. Ze weigerde. Ze had zich vermomd als een oude vrouw en verborg haar haren onder een kap. Toen hij aandrong, antwoordde zij aldus: ‘Wees gelukkig! Laat het ouderlijke geluk altijd bij u blijven! Mijn dochter is van mij weggenomen. Helaas! Uw lot is zoveel beter dan dat van mij!’ Zo sprak ze, en net als een traan (want goden kunnen niet huilen) viel er een kristal op haar warme boezem. Ze huilden met haar mee, die tedere harten, die oude man en het meisje. En dit waren de woorden van die waardige oude man: ‘Moge de ontvoerde dochter, om wie u huilt, veilig bij u terugkomen, als u wilt opstaan, en de beschutting van mijn nederige hut niet zult afwijzen.’ De godin antwoordde hem. ‘Ga voor, u hebt de manier gevonden om mij te dwingen.’ Ze stond op van de steen en volgde de oude man. Terwijl hij haar voorging volgde zij, en hij vertelde haar dat zijn zoon ziek was en niet kon slapen, wakker gehouden door zijn kwalen. Toen ze op het punt stond om de nederige woning binnen te gaan, plukte ze een verzachtende, slaapverwekkende papaver die groeide op de barre grond, En terwijl ze die plukte, wordt verteld dat zij die vergeetachtig proefde, en zo onbewust haar honger stilde. Vandaar, omdat zij haar vasten bij het vallen van de avond verbrak, dat de ingewijden hun maaltijd plannen bij het verschijnen van de sterren. Toen ze de deur door ging, zag ze een huishouden dat ondergedompeld was in verdriet. Alle hoop om het kind te redden was verdwenen. De godin begroette de moeder (haar naam was Metaneira) en verwaardigde zich om haar lippen naar de mond van het kind te brengen. Zijn bleekheid vervloog, en een plotselinge kracht werd zichtbaar in zijn lichaam, zo’n kracht vloeide uit de goddelijke lippen. Er was vreugde in het ganse huishouden, dat wil zeggen, bij de moeder, de vader en de dochter. Want zij drieën waren het hele huishouden. Onmiddellijk maakten ze een maaltijd klaar – in melk vloeibaar gemaakte wrongel, en appels, en gouden honing uit de raat. Vriendelijke Demeter onthield zich, en gaf het kind papavers te drinken in warme melk om hem te laten slapen. Het was middernacht, en er heerste een stilte van vredige slaap. De godin nam Triptolemus op haar schoot, en streelde hem driemaal met haar hand, en sprak drie spreuken uit, spreuken die niet herhaald mogen worden door een menselijke mond, en ze lag het jongenslichaampje in de gloeiende sintels van de haard, opdat het vuur hem zou zuiveren van de last van het mens zijn. Zijn doldwaze moeder ontwaakte uit haar slaap en riep verstrooid: ‘Wat doet u?’ en graaide zijn lichaam uit het vuur. Tegen haar zei de godin: ‘Ik deed niets verkeerds, u hebt een afschuwelijke fout begaan. Mijn gave is verijdeld door de angst van een moeder. Die jongen van jou zal inderdaad sterfelijk zijn, maar hij zal de eerste zijn die ploegt en zaait en daarna zijn loon oogsten uit de omgekeerde aarde.’

4; 561-584
Dat zei ze, en vertrok, een wolk achter haar aan slepend, naar haar draken, en vloog omhoog in haar gevleugelde wagen. Ze liet het vrijpostige Sunium achter zich en de gezellige haven van Piraeus, en de kust die aan de rechterkant ligt. Van daar ging ze naar de Egeïsche Zee, waar ze alle Cycladen zag. Ze schuimde het wilde Ionië en de Icarische Zee af. En langs de steden van Azië reizend ging ze naar de langgerekte Hellespont, en vervolgde hoog in de lucht haar koers, nu eens hierheen, dan weer daarheen. Nu eens keek ze neer op de wierrook verzamelende Arabieren, dan weer op de Indiërs. Onder haar lag aan de ene kant Libya, en aan de andere kant Meroe, en het uitgedroogde land. Toen bezocht ze de westelijke rivieren, de Rijn, de Rhône, de Po, en u, Tiber, toekomstige ouder van een machtig water. Waar moet ik heen dwalen? Het duurt eindeloos om te vertellen over de landen waar zij rondzwierf. Geen enkele plek in de wereld liet Demeter onbezocht achter. Ze zwierf ook in de hemel, en klampte de sterrenbeelden aan die vlak bij de koude pool liggen en nooit onderduiken in de golven van de oceaan. ‘U Parrhasiaanse sterren, onthul aan een ellendige moeder waar haar dochter Persephone is. Want jullie zien alle dingen, omdat jullie nooit onderduiken in het water van de zee.’ Zo sprak ze, en Helice antwoordde aldus: ‘De nacht heeft niet de schuld. Vraag de zon betreffende het ontvoerde meisje. Hij kan van verre de dingen zien die overdag gebeuren.’ Toen ze hem smeekte, zei de Zon: ‘Om u vergeefse moeite te besparen, haar die u zoekt is getrouwd met Zeus’ broer en regeert in het derde rijk.’

4; 585-620
Na lang gejammer richtte zij zich tot de Donderaar, en in haar gezicht waren diepe lijnen van verdriet zichtbaar: Als u zich herinnert door wie Persephone verwekt werd, zou zij de helft van uw zorg mogen ontvangen. Rondzwervend over de wereld heb ik niets anders dan verkeerde kennis vergaard. De schaker geniet de beloning voor zijn misdaad. Maar Persephone verdiende geen dief als echtgenoot, noch was het de bedoeling dat we op deze manier een schoonzoon zouden vinden. Welk erger leed kon ik hebben geleden wanneer Gyes had gewonnen en ik zijn gevangene zou zijn geweest, dan dat ik nu heb ondergaan terwijl jij de koning van de hemel bent? Maar hem onbestraft liet ontsnappen. Ik zal het accepteren en niet om wraak vragen. Laat hem haar alleen terugbrengen en zijn eerdere daden herstellen door andere.’ Zeus suste haar, en verontschuldigde de daad met een betoog over liefde. ‘Hij is geen schoonzoon,’ zei hij, ‘die ons te schande maakt. Ik zelf ben geen haartje edeler. Mijn koninkrijk is de hemel, een ander heerst over het water, en weer een ander over de leegte van de Chaos. Maar als uw geest onverbiddelijk is, en u vastbesloten bent om de banden van het huwelijk te verbreken, dat is gesloten, kom laten dan proberen om dat te doen, als zij maar niet gegeten heeft. Zo niet, dan zal ze de vrouw zijn van een helse echtgenoot.’ De Herautengod ontving zijn opdracht en vertrok op zijn vleugels. Hij vloog naar de Tartarus en keerde sneller terug dan degene naar wie hij zocht en bracht bepaalde berichten over wat hij had gezien. ‘Het geschaakte meisje,’ zei hij, ‘doorbrak haar vastentijd door drie pitten te eten die opgesloten zaten in de schil van een granaatappel.’ Haar berouwvolle moeder treurde niet erger dan wanneer haar dochter zojuist bij haar was weggegrist. En het duurde lang voordat ze weer zichzelf was, en dat nog maar nauwelijks. En aldus sprak ze: ‘Voor mij, is de hemel ook geen thuis meer. Geef opdracht dat ik wordt toegelaten tot het Taenarische dal.’ En dat zou ze ook gedaan hebben, als Zeus niet beloofd had dat Persephone tweemaal drie maanden in de hemel mocht wonen. Toen kreeg Demeter haar geest en blik weer terug, en plaatste kransen van korenaren op haar hoofd. En de talmende velden brachten een overvloedige oogst voort, en kon de dorsvloer nauwelijks de hoogopgetaste schoven dragen. Wit is de juiste kleur voor Demeter. Sla witte mantels om op Demeter’s festival. Dan draagt niemand donkergekleurde wol.

ID. 13e

4; 621-624
De Idus van april behoort aan Zeus met de titel van Overwinnaar. Op die dag werd een tempel aan hem opgedragen. Op die dag, als ik mij niet vergis, kreeg ook Dionysus een hal die waardig was aan ons volk.

XVIII. KAL. 14e

4; 625-628
Stuur de volgende dag naar een veilige haven, u zeelieden. De wind uit het westen is dan vermengd met hagel. Toch hoe het ook zij, op die dag, versloeg Ceasar in het gewoel van de strijd zijn vijanden met boter en suiker bij Modena.

XVII. KAL. 15e

4; 629-672
Als de derde dag na de Ides van Aphrodite is aangebroken, gij hogepriesters, offer dan een zwangere (forda) koe. Forda is een vruchtbare koe met kalf, zo genoemd naar ferendo (‘zwanger’). Ze denken dat de foetus van dezelfde vader is. Nu is de kudde rijk aan jongen. De grond is ook rijk aan zaad. De vruchtbare aarde schenkt een vruchtbaar slachtoffer. Sommigen worden geslacht in de citadel van Zeus. De bewakers (Curiae) krijgen driemaal tien koeien, en worden bespetterd en doordrenkt met een overvloed aan bloed. Maar wanneer de bedienden de kalveren uit de darmen van de wijfjes hebben gescheurd, en de uitgesneden ingewanden op de rokende altaren hebben gelegd, roostert de oudste (vestal) Maagd de kalveren in het vuur, zodat hun as de mensen op die dag van Pales kan zuiveren. Toen Numa koning was, was de oogst niet zo groot als de arbeid die erin gestoken was. De landman werd misleidt, en zijn gebeden werden tevergeefs aangeboden. Wat in een bepaalde periode van het jaar heerste er droogte, de noordenwind blies koud. Op een ander tijdstip werden de velden overspoeld met onophoudelijke regenbuien. Vaak stelden de eerste kiemen de eigenaar teleur, de prille haver werd overspoeld door de doorweekte bodem, en het vee wierp hun onrijpe jongen vroegtijdig, ook de ooi kwam vaak om het leven tijdens de geboorte van haar lam. Er was daar een oud bos, lange tijd niet ontheiligt door de bijl, overgelaten aan heilige de god van Maenalus. Hij gaf in de stilte van de nacht antwoorden aan een rustige geest. Hier offerde Numa twee ooien. De eerste viel ter ere van Pan, de tweede viel ter ere van kalmerende Slaap. De vacht van beiden werd uitgespreid op de harde grond. Het hoofd van de ongeschoren koning werd tweemaal besprenkeld met water uit een bron, tweemaal bedekte hij zijn voorhoofd met beukenbladeren. Hij zag af van de geneugten der liefde. Er mocht geen vlees voor hem op tafel geserveerd worden. Hij droeg geen ringen om zijn vingers. Bedekt met een ruw kleed lag hij zichzelf neer op de verse vachten nadat hij de god met de juiste bewoordingen had aanbeden. Ondertussen, haar klamme voorhoofd versierd met klaprozen, ging de Nacht voort, en in haar gevolg kwamen de duistere Dromen. Pan was gekomen, en nadat hij zijn harde hoeven op de schapenvachten had gezet sprak hij de volgende woorden aan de rechterkant van het bed: ‘O Koning, u moet de Aarde verzoenen met de dood van twee koeien, laat een vaars als offer het veld ruimen voor twee levens.’ Angst verjoeg de slaap. Numa dacht na over het visioen, en overdacht de duistere woorden en mysterieuze opdracht in zijn geest. Zijn vrouw, de lieveling van het bos, bevrijde hem van zijn twijfels en zei: ‘Wat u gevraagd wordt zijn de ingewanden van een zwangere koe.’ De ingewanden van een zwangere koe werden geofferd. Het jaar bleek vruchtbaarder te zijn, en het vee en de aarde verhoogden hun opbrengsten.

XVI. KAL. 16e

4; 673-676
Op deze dag gebood Aphrodite eens om sneller te gaan en spoorde de paarden heuvelafwaarts aan, opdat de volgende dag de jeugdige Augustus sneller zijn titel van Keizer zou ontvangen vanwege zijn overwinningen in de oorlog.

XV. KAL. 17e

4; 677-678
Maar wanneer je de vierde dag na de Ides hebt geteld, zullen de Hyaden die nacht in de zee ondergaan.

XIII. KAL. 19e

4; 679-712
Wanneer de derde ochtend is aangebroken na het verdwijnen van de Hyaden, zal het paard in het Circus verschijnen. Elk team in een aparte stal. Maar ik moet eerst de reden verklaren waarom vossen worden vrijgelaten met brandende toortsen vastgebonden aan hun staarten. Het gebied van Carseoli is koud en niet geschikt om olijven te kweken, maar de bodem is uitstekend geschikt voor de teelt van graan. Op weg naar het Peligniaanse land, mijn vaderland, reisde ik er doorheen, een klein gebied waar het nooit aan water ontbrak. Daar ging ik, zoals gewoonlijk, het huis van een oude vriend binnen. Helius had zijn uitgeputte paarden al uitgespannen. Mijn gastheer was gewend om mij vele dingen te vertellen, en daaronder zaken die ingepast moesten worden in mijn huidige werk. ‘Op gindse vlakte,’ zei hij, en hij wees hem aan, ‘heeft een spaarzame boerin een klein boerderijtje, zij en haar stoere echtgenoot. Hij bewerkt zijn eigen land, hetzij met de ploeg, met de gekromde sikkel, of met de schoffel. Zij stond op het punt om het boerderijtje, gesteund met stutten, aan te vegen. Nu eens lag ze eieren onder de pluimen van een broedende kip om uit te broeden. Dan weer verzamelde ze het groene kaasjeskruid of witte champignons, of stookte de bijna uitgebrande haard op met een lekker vuur. Daarnaast was ze met haar handen ook ijverig bezig aan het weefgetouw, en bewapende zichzelf tegen de bedreigingen van de winter. Ze had een zoon, ondeugend in zijn kindertijd, die nu tweemaal vijf jaar en nog twee meer was geworden. Hij kocht aan het eind van een vallei bij een wilgenbosje een wijfjesvos die vele kippen had weggevoerd van een boerderij. De brute gevangene wikkelde hij in stro en hooi, en stak haar in brand. Zij ontsnapte aan de handen die haar verbrand zouden hebben. Waar ze heen vluchtte, stak ze de gewassen in brand die het veld bedekten, en een bries wakkerde de verslindende vlammen aan. Het incident is vergeten, maar één herinnering heeft het overleefd, want tot op de dag van vandaag verbiedt een wet in Carseoli het om een vos te noemen. En om het ras te straffen wordt een vos op het festival van Demeter verbrandt, om op dezelfde wijze om te komen als destijds de gewassen werden vernietigd.’

XII. KAL. 20e

4; 713-720
Wanneer de volgende dag Memnon’s in saffraan geklede moeder Eos op haar roze paarden komt om de uitgestrekte landen in ogenschouw te nemen, vertrekt de zon uit het teken van de leider van de wollige kudde, de Ram die Helle verraadde. En wanner hij uit dit teken is vetrokken, ontmoet hij een groter slachtoffer. Of dit slachtoffer een koe is of een stier is niet eenvoudig te ontdekken. Het voorste gedeelte is zichtbaar, het achterste gedeelte is verborgen. Maar of het teken nu een stier of een koe is, het geniet van deze beloning van liefde ondanks de wil van Hera.

XI. KAL. 21e

4; 721-730
De nacht is voorbij, en de dageraad begint. Ik word opgeroepen om over de Parilia te zingen, en deze oproep wordt niet ijdel gedaan, als de vriendelijke Pales mij begunstigt. O vriendelijke Pales, begunstig mij wanneer ik over de pastorale riten zing, als ik mijn opwachting maak tijdens uw festival. Het staat vast dat ik vaak met volle handen de as van het kalf en het bonenriet heb gebracht, kuis middel van boetedoening. Het staat vast dat ik over drie vuren op een rij heb gesprongen, en de bedauwde lauriertak water over mij gesprenkeld heeft. De godin is geroerd en begunstigt het werk waar ik mee bezig ben. Mijn schip is tewatergelaten. Nu zullen goede winden mijn zeilen vullen.

4; 731-782
De mensen halen materialen om het altaar van de Maagd te ontsmetten, Hestia geeft het hen, door Hestia’s geschenk zult u zuiver zijn. De materialen om uit te roken zijn het bloed en de as van een kalf. Het derde onderdeel is de lege stengel van harde bonen. Herders, zuiver uw weldoorvoede schapen bij het invallen van de schemering. Besprenkel eerst de grond met water en veeg die dan schoon met een bezem. Bedek de schaapskooi met bladeren en takken en maak die er aan vast. Versier de deur met een lange slinger. Maak blauwe rook met pure zwavel, en laat de schapen, aangeraakt met rokend zwavel, blaten. Verbrandt hout van mannelijke olijvenbomen, dennenbomen en de savelboom, en laat de geschroeide laurierboom knetteren in het midden van de haard. En laat een mandje van gierst vergezeld gaan van gierstekoeken. De godin van het platteland is gek op dat voedsel. Voeg er spijzen en een emmer melk aan toe, waar ze van houdt. En als de gerechten op zijn, bidt dan tot Sylvan Pales, en biedt haar warme melk aan. Zeg, ‘O, neem zoveel als u nodig hebt voor het vee en de meesters van het vee. Weer alle kwaad uit mijn stallen, O laat het wegvluchten! Als ik mijn schapen op heilige grond heb laten grazen, of daar ben gaan zitten onder een heilige boom, en mijn schapen onbewust de grond hebben omgewoeld boven de graven, als ik een verboden bos ben binnengegaan, of de nimfen en de geitengod op de vlucht heb gejaagd toen zij mij zagen, nadat mijn snoeimes een heilig takje had geroofd van een schaduwrijke tak, om een mand met bladeren te vullen voor een ziek schaap, vergeef dan mijn fout. Reken het mij niet aan als ik mijn kudde heb laten schuilen in een landelijk heiligdom totdat de hagel overgetrokken was, en laat mij niet lijden omdat ik de bronnen heb verstoord. Vergeef het, Nimfen, als het getrappel van de hoeven jullie water troebel heeft gemaakt. Kalmeer ook, godin, voor ons de bronnen en hun godinnen. Stem ook de goden die door verspreidt in alle bossen wonen voor ons. Zorg dat wij de Dryaden niet zien, of het bad van Artemis, of Pan, wanneer hij ’s middags in de velden ligt. Verjaag ziekten ver van ons. Laat mens en dier gezond zijn, en waak ook over de schrandere groep van waakhonden. Laat mij mijn kudden in dezelfde aantallen naar huis drijven als dat er ’s ochtends waren, of geef een teken als ik de vachten terugbreng voor de weggrissende wolf. Voorkom de akelige honger. Laat er gras en bladeren in overvloed zijn, en water om te baden en te drinken. Laat mij volle uiers melken. Laat mijn kaas geld in het laatje brengen. Laat de zeef van vlechtwerk doorgang bieden aan de vloeibare wei. Laat de ram wellustig zijn, en zijn partner zwanger worden, en er vele lammeren in mijn schaapskooi zijn. En laat de wol zo zacht zijn dat het de huid van meisjes niet irriteert of de tedere handen schuurt. Moge mijn gebed verhoord worden, en wij zullen jaar op jaar grote koeken maken voor Pales, de minnares voor herders.’ Met deze zaken wordt de godin gunstig gestemd. Deze woorden moet u veelvuldig uitspreken, kijkend naar het westen, en daarna uw handen wassen in verse dauw. Dan mag u een houten kom neerzetten om te dienen als mengvat, om de sneeuwwitte melk en paarse most op te drinken. Spring daarna lichtvoetig en met gespannen spieren over de brandende stapel van krakend stro.

4; 783-806
Ik heb de gewoonte uiteen gezet. Resteert mij nog om over de oorsprong ervan te vertellen. De veelheid van verklaringen roept twijfels op en frustreert me vanaf het begin. Verterend vuur zuivert alle dingen en laat de slakken van metalen smelten. Daarom loutert het de herder en de schapen. Of veronderstellen we, omdat alle dingen zijn samengesteld uit tegengestelde principes, vuur en water – twee tegenstrijdige godheden – dat onze voorvaderen deze elementen samenvoegden om zo het lichaam te laten kennismaken met vuur en water? Of vonden zij deze twee belangrijk omdat ze de bron van het leven bevatten, door verbanning raakt men het gebruik ervan kwijt, en een bruid wordt er een vrouw door ? Sommigen veronderstellen (hoewel ik het nauwelijks kan geloven) dat het een zinspeling is op Phaëthon en Deucalion’s zondvloed. Sommige mensen vertellen ook dat wanneer herders stenen tegen elkaar slaan, en plotseling een vonk tevoorschijn komt. De eerste ging inderdaad verloren, maar de tweede werd opgevangen in stro. Is dit de reden van de vlam op de Parilia? Of is de gewoonte eerder gebaseerd op de vroomheid van Aeneas, die, zelfs in het uur van de nederlaag, het vuur passeerde zonder letsel op te lopen? Of is het dichter bij de waarheid dat, toen Rome werd gesticht, en er opdracht werd gegeven om het huishouden van de goden naar hun nieuwe woningen over te brengen, dat tijdens die verhuizing de boeren hun boerderijen en landhuizen die ze verlieten in brand staken, en hun vee door de vuren lieten springen? Dit gebeurt zelfs nu nog op de verjaardag van Rome.

4; 807-862
Het onderwerp zelf levert een thema voor de dichter op. We zijn aangekomen bij de stichting van de Stad. Grote Quirinus, help me om over uw daden te zingen. De broer van Numitor had zijn straf al ondergaan, en al het herdersvolk was onderworpen aan de tweeling. De tweeling kwam overeen om de jonge boeren bijeen te brengen en een stad te stichten. Er was alleen twijfel wie van de twee de stichter zou zijn. Er werd groot geloof gehecht aan vogels. Laten we de vogels raadplegen. Het voorstel werd geaccepteerd. Een van de twee begaf zich naar de rotsen van het beboste Palantijn. De ander verborg zich in de ochtend op de top van het Aventijn. Remus zag zes vogels, Romulus zag er tweemaal zes, de een na de ander. Hun overeenkomst hield stand, en Romulus kreeg de heerschappij over de stad. Een geschikte dag werd uitgekozen om met de ploeg de lijnen aan te geven waar de muren moesten komen. Het festival van Pales was aanstaande, en op die dag begon het werk. Er werd en sleuf in de solide rots gegraven. Vruchten van de aarde werden op de bodem gelegd, en de aarde vermengde zich met naburige grond. De sleuf werd opgevuld met losse aarde, daarop werd een altaar gebouwd, en er werd naar behoren een vuur ontstoken op de nieuwe haard. Tegen de ploeg duwend maakte hij toen een vore om de plaats van de muren te markeren. Het juk werd gedragen door een witte koe en een sneeuwwitte stier. De koning sprak: ‘O Zeus, en Vader Mavors, en moeder Hestia, sta me bij terwijl ik de stad sticht! O ziet toe, jullie goden die vroomheid hoog in het vaandel hebben staan! Onder uw leiding zal deze constructie verrijzen! Laat het een lang bestaan genieten en heersen over een veroverde wereld! Laat Oost en West er door onderworpen worden!’ Zo bad hij. Zeus verwaardigde zich om links van hem donderslagen te zenden en bliksems links in de lucht te laten flitsen als voortekens. Blij met het voorteken, legden de burgers de funderingen, en in korte tijd stond de nieuwe muur. Het werk werd geleid door Celer, die Romulus zelf had aangesteld en zei: ‘Celer, laat dit uw taak zijn. Laat niemand de muren noch de greppel passeren die er niet aan heeft meegewerkt. Wie het toch waagt, breng hem ter dood.’ Onwetend van deze boodschap, begon Remus de lage muren te bespotten en zei: ‘Moeten deze het volk beschermen?’ en onmiddellijk sprong hij er overheen. Direct sloeg Celer de roekeloze man met een schop. Overdekt met bloed viel Remus op de grond. Toen de koning dit hoorde, smoorde hij de opkomende tranen en verborg zijn verdriet in zijn borst. Hij wilde niet in het openbaar huilen. Hij stelde een voorbeeld van standvastigheid, en ‘Zo vergaat het,’ zei hij, ‘de vijanden die mijn muren oversteken.’ Toch liet hij begrafenisspelen houden, en kon het niet langer verduren om zijn tranen in te houden, en de liefde die hij huichelde was duidelijk te zien. Toen ze de baar neerzetten, kuste hij die voor de laatste keer, en zei: ‘Weggerukt van je broer, onwillig om deel te nemen, broer, vaarwel!’ Daarna zalfde hij het lichaam voordat het aan de vlammen werd toevertrouwd. Faustulus en Acca, hun treurende haren loshangend, deden hetzelfde. Toen weenden de Quiriten, hoewel nog niet bekend onder die naam, om de jeugd, en uiteindelijk werd de brandstapel aangestoken, nat van hun tranen. Er ontstond een stad die bestemd was om haar zegevierende voet op de nek van heel de aarde te zetten. Wie kon destijds deze voorspelling geloven? Heers over het universum, O Rome, en moge u vaak onderscheiden worden met die naam, en wanneer u verheven in die veroverde wereld staat, laat alle anderen dan in uw schaduw staan!

IX. KAL. 23e

4; 863-900
Ik heb over de Pales verteld, nu zal ik over het festival van Vinalia vertellen. Maar er zit één dag tussen die twee. U alledaagse meiden, vier de goddelijkheid van Aphrodite. Aphrodite begunstigt de verdiensten van vrouwen in een vrij beroep. Offer wierook en bid voor schoonheid en de gunst van het volk. Bid om charmant en geestig te zijn. Geef de koningin haar eigen mirte en de munt waar ze van houdt, en vele biezen verborgen in bossen rozen. Nu is de tijd aangebroken om in groepen naar de tempel naast de poort van Colline te gaan. De tempel die haar naam heeft ontleend aan de Siciliaanse heuvel. Toen Claudius het Arethusiaanse Syracuse met wapens veroverde, en ook u gevangen nam, Eryx, tijdens de oorlog, werd Aphrodite verhuisd naar Rome in navolging van een orakel dat de langlevende Sibyl gaf, en koos ervoor om aanbeden te worden in de stad van haar nakomelingen. U vraagt zich af, waarom noemen ze de Vinalia dan een festival van Aphrodite? En waarom behoort die dag aan Zeus toe? Er werd oorlog gevoerd om uit te maken of Turnus of Aeneas de echtgenoot zou worden van de dochter van Latijnse Amata. Turnus riep de hulp in van de Etrusken. Mezentius was beroemd en een hooghartige man in de strijd. Hij was machtig op een paard, maar nog machtiger te voet. Turnus en de Rutuliërs probeerden hem voor zich te winnen. Op deze toenaderingspoging antwoordde de Toscaanse leider: ‘Mijn moed is me lief. Wees getuige van mijn wonden en de wapens die ik vaak met bloed heb bezoedeld. Jullie vragen mijn hulp, deel de nieuwe wijn uit jullie vaten met mij – dat is zeker geen grote beloning. Er was geen twijfel: ‘Het is aan u om te geven, en aan mij om te veroveren. Aeneas zou wensen dat u mijn aanbod had geweigerd!’ De Rutuliërs stemden in. Mezentius trok zijn wapens aan, net als Aeneas, en sprak aldus tot Zeus. ‘De vijand heeft zijn wijnoogst beloofd aan de Tyrrheense koning, Zeus, u zult de nieuwe wijn uit de Latijnse wijngaarden krijgen.’ De betere belofte won. De grote Mezentius sneuvelde, en viel verontwaardigd op de grond. Het najaar stond voor de deur, bevlekt door vertrapte druiven. De wijn die hij verschuldigd was gaf hij terecht aan Zeus. Sindsdien wordt die dag Vinalia genoemd. Zeus claimt die voor zichzelf, en vindt het heerlijk om op zijn eigen feest aanwezig te zijn.

VII. KAL. 25e

4; 901-904
Als april nog zes dagen over heeft, is het seizoen van de lente halverwege, en zul je vergeefs zoeken naar de Ram van Helle, de dochter van Athamas. De regenbuien zullen je teken zijn, en het sterrenbeeld van de Hond zal opkomen.

4; 905-942
Op die dag, toen ik van Nomentum terugkeerde naar Rome, draaide een witbemantelde menigte rond midden op de weg. Een Romeinse priester was op weg naar het bos van het oude Meeldauw (Robigo), om de ingewanden van een hond en een schaap in het vuur te werpen. Onmiddellijk ging ik naar hem toe om mezelf op de hoogte te stellen van de rite. U priester, O Quirinus, sprak deze woorden: ‘Gij schilferig Meeldauw, spaar het ontluikende graan, en laat het oppervlak van de aarde zachtjes popelen. O laat de gewassen, verzorgd door de sterren van een genadige hemel, groeien tot ze klaar zijn voor de sikkel. U bent niet krachteloos. Het graan waarop u uw merkteken heeft gezet, geeft de trieste boer niet op als verloren. Noch wind, noch regenbuien, of glinsterende vorst, dat het vaalgele graan bevriest, beschadigd het zodanig als wanneer de zon de natte stengels verwarmt. Dan, angstwekkende godin, is het uur aangebroken om uw wraak te zaaien. O spaar, bid ik, en neem uw schurftige handen van onze oogst weg! Kwets de akker niet. Het is genoeg dat u de kracht om te kwetsen bezit. Grijp het gevoelige gewas niet, maar neem liever het harde ijzer. Verhinder de vernietiger. Het is beter dat u aan zwaarden en verderfelijke wapens knaagt. Er is geen behoefte aan hen, er heerst vrede in de wereld. Laat nu het boerenvistuig, de harken, de harde schoffel, en de gebogen ploegschaar schitterend opgepoetst worden. Maar laat de onterende wapens roesten, en als iemand probeert het zwaard uit de schede te trekken, laat het dan vast blijven zitten omdat het lang niet is gebruikt. Maar ontheilig het koren niet, en laat de boer in staat zijn om tijdens uw afwezigheid zijn beloften te kunnen vervullen.’ Zo sprak hij. Aan zijn rechterzijde hing een klein doekje met een beker, en hij had een kom wijn en een kistje met wierook. De wierook, de wijn, de schapendarmen, en de vuil geworden ingewanden van een smerige hond, lag hij op het altaar – we zagen het hem doen. Toen zei hij tegen mij, ‘U vraagt waarom een ongewoon slachtoffer aan deze riten is toegewezen?’ Ik had inderdaad die vraag gesteld. ‘Verneem waarom.’ zei de priester. ‘Er is een Hond, (zij noemen het de Icarische Hond ) en als dat sterrenbeeld opkomt wordt de aarde droog en uitgedroogd, en het gewas rijpt te snel. Deze hond wordt op het altaar geworpen in plaat van deze Sterrenhond, en de enige reden waarom dit gebeurd is zijn naam.’

IV. PR. KAL. 28e – 30e

4; 943-954
Wanneer de echtgenote van Tithonus de broer van de Phrygische Assaracus heeft verlaten, en haar stralen driemaal heeft laten schijnen in het uitgestrekte firmament, komt er een godin uitgedost met slingers van duizend verschillende bloemen, en het schouwspel geniet de gebruikelijke hoeveelheid mirte. De riten van Chloris (Flora) strekken zich uit tot de dagen van mei. Dan zal ik het thema hervatten. Nu is mij een verhevener taak opgelegd. O Hestia, neem uw dag! Hestia is verwelkomd in het huis van haar neef. Zo hebben de Vaders rechtvaardig besloten. Phoebos bezit een deel van het huis, een ander deel is gegeven aan Hestia. Wat overblijft wordt door Ceasar bezet. Lang leven de lauwerkransen van het Palatijn. Lang leve het huis dat versierd is met eikenhouten takken! Een enkel huis bevat drie eeuwige goden.

Boek 5 - Mei

Inleiding op mei

5; 1-52
U vraagt vanwaar ik veronderstel dat de naam van de maand mei is afgeleid. De reden is mij niet helemaal duidelijk. Net als een reiziger die twijfelt, en niet weet welke kant hij op moet gaan, als hij wegen alle richtingen uit ziet gaan, en mogelijk naar verschillende bestemmingen reizen, weet ik niet welke kant op te gaan, de overvloed aan keuzes brengt mij in verlegenheid. Verklaar mij, u die de bronnen van de Aganippische Hippocrene achtervolgt, de geliefde sporen van het Medusiaanse paard. De godinnen waren het niet eens. Van hen begon Polymnia als eerste, de anderen zwegen, en sloegen wat zij te zeggen had op in hun geest. ‘Na Chaos, zodra de drie elementen aan de wereld waren gegeven, en de hele schepping was overgegaan in nieuwe rassen, zakte de aarde naar beneden door haar eigen gewicht, en trok de zeeën achter zich aan, maar de hemel werd in de hoogste regionen gedragen door haar eigen lichte gewicht. De zon, die ook geen last had van zwaartekracht, en de sterren, en jullie, paarden van de Maan, jullie sprongen in de hoogte rond. Maar lange tijd gunde de trotse Aarde geen ereplaats aan de Hemel, noch de andere hemelslichamen aan Phoebos. Hun roem was even groot. Vaak waagde één van die alledaagse goden het om op uw troon, Cronus, te gaan zitten die u bezat. Niet één van die mindere goden nam de buitenkant van de Oceaan, en Themis werd vaak verbannen naar de laagste plek, totdat Eer en bevallige Eerbied met haar kalme blik zich verenigden in een wettig huwelijk. Uit hen kwam Majesteit voort, hen rekent de godin tot haar ouders, zij die beroemd werd op de dag dat ze geboren werd. Onmiddellijk nam ze haar troon in bezit in het midden van de hoge Olympus, een gouden gedaante in het paars gekleed die van verre te zien was. Naast haar zaten Bescheidenheid en Angst. Je kon elke god haar als voorbeeld zien nemen. Onmiddellijk vond respect voor waardigheid zijn weg in hun geest. De waardigen ontvingen hun gevolg, en niemand gaf hoog van zichzelf op. Deze stand van zaken in de hemel duurde vele jaren voort, totdat het Lot de oudere goden uit de hemelse citadel verdreef. Aarde bracht de Giganten voort, een fel broedsel, enorme monsters, die het waagden om Zeus’ hoge huis aan te vallen. Ze gaf hen duizend handen, en slangen als benen, en zei, ‘Neem de wapens op tegen die grote goden.’ Ze stelden zich tot taak om de bergen op te stapelen tot aan de hoogste sterren en de grote Zeus te bestoken in een oorlog. Vanuit de hemelse woning wierp Zeus bliksems en liet de zware rotsblokken terugkeren naar degene die ze wierpen. Deze wapens van de goden beschermden Majesteit goed. Ze overleefde en wordt sindsdien aanbeden. Daarginds zit ze naast Zeus, ze is Zeus’ meest trouwe bewaker. Ze verzekert hem van een vreedzame regeerperiode. Zij kwam ook naar de aarde. Romulus en Numa aanbaden haar, en anderen na hen, elk in zijn tijd. Ze houdt vaders en moeders rechtmatig in ere. Ze verdraagt het gezelschap van jongen en meisjes. Zij verbetert de wapens van de beul en de ivoren stoel van de macht. Ze rijdt hoog in de hemel in triomf op met slingers versierde paarden.’

5; 53-79
Polymnia stopte. Clio en Thalia, onderwijzeressen van de gebogen lier, keurden haar woorden goed. Urania ging verder met het verhaal. Iedereen zweeg en geen enkel ander geluid dan dat van haar was te horen. ‘Vroeger was de eerbied voor het grijze hoofd groot, en gerimpelde ouderdom werd gewaardeerd op zijn werkelijke waarde. Krijgshaftige heldendaden en dappere oorlogen waren het werk voor jeugdigen, die ter verdediging van hun eigen goden de wacht hielden en waakten. In kracht ongelijkwaardig, en ongeschikt voor de wapens, kwamen de ouden vaak het land goed van pas door hun wijze raad. De Senaat was dan alleen open voor mannen van rijpere leeftijd, want de naam Senaat betekent ‘hoge leeftijd’. De ouderen maakten wetten voor het volk, en bepaalde wetten omschreven de leeftijd waarop een zetel kon worden ingenomen. Een ouder man was gewend om tussen jongemannen in te lopen, waar die geen bezwaar tegen hadden, en als hij slechts één iemand had als gezelschap, liep de oudste aan de binnenkant. Wie durfde liederlijke praat te verkondigen in aanwezigheid van een oude man? Ouderdom verleende het recht van censuur. Dit nam Romulus waar, en aan de mannen van zijn keus gaf hij de titel van Vaders. Aan hen werd de regering van de nieuwe stad toevertrouwd. Daarom denk ik dat de ouderen (maiores) hun naam gaven aan de maand mei. Zij bewaken de belangen van hun eigen klasse. En Numitor zou gezegd hebben, ‘Romulus, gun deze maand aan de oude mannen,’ en de kleinzoon kon geen weerstand bieden aan zijn grootvader. Geen gering bewijs van deze stelling wordt geleverd door de volgende maand, de maand juni, die is vernoemd naar de jongere mannen (iuvenes).’

5; 80-110
Toen begon Calliope, haar wilde haren bijeengebonden met klimop, eerste van haar koor: ‘Tethys, de Titane, die trouwde met de oude Oceanus, die de aarde omringt, zover het oog kan zien, met zijn stromende water. Hun dochter Pleïone, zoals het verslag vertelt, was getrouwd met Atlas, die de hemel omhoog houdt, en zij beviel van de Plejaden. Van hen wordt gezegd dat Maia de zusters overtrof in schoonheid en sliep met de Sovraanse Zeus. Zij beviel op bergketen van Cyllene, begroeit met cipressen, van hem die met gevleugelde voeten door de lucht snelt. Hem eren de Arcadiërs, en de snelstromende Ladon, en de hoge Maenalus – het land dat ouder is dan de maan – met verschuldigde eerbied. Een banneling uit Arcadië, Evander, kwam naar de Latijnse velden en bracht zijn goden mee aan boord. Op de plek waar nu Rome staat, de hoofdstad van de wereld, waren eens bomen, en gras, en een paar schapen, en hier en daar een paar landhuisjes. Toen ze hier waren aangekomen riep zijn profetische moeder, ‘Stop hier, want dit landelijke tafereel zal de plek van een rijk worden.’ De Nonacrische held gehoorzaamde de voorspelling van zijn moeder, en bleef als vreemdeling in een vreemd land. Hij leerde de autochtonen vele heilige riten, maar als eerste de riten van de tweehoornige Pan en van de vleugelvoetige god. Pan, geitachtige god, u wordt aanbeden door de Luperci in hun lendendoeken op tijden dat afgestroopte huiden de drukke straten reinigen. Maar u schonk uw moeders naam aan de maand, O u uitvinder van de gebogen lier, patroonheilige van de dieven. Toch was dit niet het eerste bewijs dat u gaf over uw genegenheid. U wordt geacht de lier zeven snaren te hebben gegeven, het aantal Plejaden.’ Calliope eindigde op haar beurt, en werd geprezen door de stemmen van haar zusters. Wat moet ik doen? De stemmen staken. Moge de gunsten van alle Muzen me begeleiden, en laat mij nooit iemand van hen meer of minder prijzen dan de rest.

KAL. Mei. 1e

5; 111-128
Begin het werk met Zeus. Op de eerste nacht is de ster zichtbaar die op de wieg van Zeus paste. Het regenachtige teken van de Oleniaanse geit komt op. Ze kreeg haar plek aan de hemel als beloning voor de melk die ze de baby gaf. Van de Najade Amalthea, beroemd op de Kretenzische Ida, wordt verteld dat zij Zeus in de bossen verstopte. Ze bezat een geit, opvallend in de Dictaeaanse kudde, de mooie moeder van twee kinderen. Haar grote hoorns waren tot op haar rug gebogen. Haar uier was zoals de verzorgster van Zeus nodig had. Ze zoogde de god. Maar ze brak een hoorn op een boom, en was de helft van haar charme kwijt. De nimf raapte hem op, wikkelde die in verse kruiden, en bracht hem, vol fruit, aan de lippen van Zeus. Hij, toen hij het koninkrijk van de hemel in bezit nam en op de troon van zijn vader zat, en er was niets groters dan onverslagen Zeus, plaatse zijn verzorgster en haar Hoorn des Overvloeds tussen de sterren. De hoorn heeft nog steeds de naam van zijn meesteres.

5; 129-146
De Dagen van mei getuigen over de oprichting van een altaar voor de Wakende Cureten, samen met kleine beelden van de Huisgoden. De Cureten hadden hen inderdaad trouw gezworen, maar de loop der tijd vernietigt vele dingen, en door verloop van tijd slijt zelfs een steen. De reden voor deze benaming is gelegen in het feit dat zij alles bewaken met hun ogen. Zij waken ook over ons, zitten in de Stadsmuren, en zijn aanwezig om hulp te verlenen. Maar een hond, uitgehouwen uit dezelfde steen, wordt gebruikt om voor hun voeten te staan. Wat is de reden voor zijn standplaats bij de Huisgoden? Beiden bewaken het huis. Beiden zijn trouw aan hun meester. Kruisingen zijn dierbaar aan de god, kruisingen zijn dierbaar voor de honden. De Huisgoden en Artemis’ roedel achtervolgen de dieven. En de Huisgoden zijn waakzaam, en ook de honden zijn waakzaam. Ik zocht naar de beelden van de twee goden, maar in de loop van vele jaren zijn ze vergaan. In de Stad zijn er duizenden Huisgoden, en het Talent van de aanvoerder, die ze aan het publiek overhandigt. De gemeenschap vereert drie godheden.

5; 147-158
Waarheen moet ik dwalen? De maand augustus doet rechtmatig een aanspraak op mijn lied. Intussen moet de Goede Godin het thema van mijn lied worden. Er is een natuurlijke heuvel, die haar naam aan de plek geeft, ze noemen het de Rots. Het beslaat een groot deel van de heuvel. Op die plek nam Remus vergeefs zijn plek in, in de tijd, vogels van het Palatijn, dat jullie de eerste voortekens aan zijn broer kenbaar maakten. Daar op de zacht glooiende helling van de heuvelrug, stichtte de Senaat een tempel die de ogen van mannen verafschuwen. Hij was gewijd aan de erfgenamen van de oude naam Clausi, die in haar maagdelijke lichaam nooit een man gekend had. Livia herstelde die in ere, opdat ze haar man kon imiteren en hem in alles volgen.

VI. NON. 2e

5; 159-182
Wanneer vervolgens Hyperion’s dochter op de paarden van de ochtend haar roze lamp optilt, en de sterren op de vlucht jaagt, zal de koude noordwesterwind de toppen van de korenaren gladstrijken, en witte zeilen zullen uit het Calabrische water aan komen zetten. Maar het duister van de schemering zal niet eerder een voorsprong nemen op de nacht, dan wanneer geen enkel deel van de kudde der de Hyaden nog zichtbaar is. De kop van de Stier glinstert stralend met zeven vuren, die de Griekse zeelui de Hyaden noemen naar het woord voor regen (hyein). Sommigen denken dat zij Dionysus verzorgden. Anderen geloven dat zij de kleindochters van Tethys en de oude Oceanus zijn. Atlas stond nog niet met het gewicht van de Olympus op zijn schouders toen Hyas werd geboren, lieflijke die van verre gezien kan worden. Te zijner tijd beviel Aethra, uit het geslacht van Oceanus, van hem en van de Nimfen, maar Hyas was de oudste. Terwijl het dons nog maar net op zijn wangen groeide, was hij de schrik van de reebokken die zijn strikken ontweken, en was blij wanneer hij een haas ving. Maar toen met de jaren zijn mannelijke geest groeide, durfde hij het aan om beren en ruige leeuwinnen te bejagen, maar terwijl hij het hol en de welpen van een leeuwin met jongen zocht, viel hij zelf ten prooi aan de Libyische bruut. Zijn moeder huilde om Hyas, en de trieste zusters, en Atlas, die weldra zijn hoofd moest buigen voor de last van de wereld, maar de liefde van de zusters was groter dan die van beide ouders. Zij regelden voor hem een plek aan de hemel, maar Hyas gaf die een naam (Hyaden).

5; 183-192
‘Kom, Moeder van Bloemen, opdat we u kunnen eren met vrolijke spelen. Afgelopen maand heb ik u de verschuldigde eer betoond. U bent aanwezig van april tot en met mei. De ene maand claimt u terwijl zij weggaat, de ander als zij komt. Daar de grenzen van de maanden van u zijn en bij u passen, is elk van de twee passend om lovend over u te zingen. De spelen van het Circus en de zegepalm, toegejuicht door de toeschouwers, vallen in deze maand. Laat mijn lied gelijk opgaan met de voorstelling in het Circus. Vertel zelf wie u bent. Het oordeel van mannen is misleidend. U bent de beste getuige van uw eigen roem.

5; 193-228
Zo sprak ik, waarop de godin mijn vraag beantwoordde en, terwijl ze sprak, ademden haar lippen lenterozen: ‘Ik die nu Flora word genoemd heette vroeger Chloris. Een Griekse letter van mijn naam is in het Latijn weggevallen. Chloris was ik, een Nimf van de gelukkige velden waar, zoals je vernomen hebt, vroeger gelukkige mensen woonden. Bescheidenheid noopt mij om mijn figuur niet te beschrijven. Maar de hand van een god was zichtbaar bij mijn moeders dochter. Het was lente, en ik zwierf rond. Zephyrus ontwaarde mij. Ik trok mij terug. Hij zette de achtervolging in en ik vluchtte. Maar hij was sterker, en Boreas had zijn broer het recht om te schaken gegeven door de prijs uit het huis van Erechtheus weg te voeren. Echter, hij maakte veel goed van zijn geweld door mij de titel van zijn vrouw te geven, en in het huwelijksbed had ik niets om over te klagen. Ik geniet van de herhaaldelijke lente. Het jaar is rondborstig. De bomen zijn bekleed met bladeren, de grond bedekt met weiden. In de velden zijn dat mijn bruidsschat, ik heb een vruchtbare tuin, koel gehouden door de wind en bevloeid door een bron van stromend water. Deze tuin vulde mijn echtgenoot met prachtige bloemen en zei: ‘Godin, u bent de koningin van de bloemen.’ Vaak probeerde ik de kleuren in de bloembedden te tellen, maar kon het niet, de aantallen waren te groot. Zodra de dauwachtige druppels van de bladeren werden geschud, en het gevarieerde gebladerte verwarmd werd door zonnestralen, kwamen de Uren bijeen, gekleed in gespikkelde kruiden, en plukten mijn geschenken en deden die in lichte mandjes. Onmiddellijk kwamen de Gratiën naderbij, en vlochten bloemenslingers en kransen in hun hemelse haar. Ik was de eerste die nieuwe zaadjes verspreidde onder de talloze mensen. Tot die tijd kende de aarde maar één kleur. Ik was de eerste die een bloem maakte van Therapneïsch bloed, en op haar bloemblaadjes bleef een jammerklacht achter. Ook jij, Narcissus, hebt een naam in de mooie tuinen, ongelukkig omdat je geen dubbelganger had. Welk nut heeft het om te vertellen over Crocus, en Attis, en de zoon van Cinyras, uit wiens wonden door mijn kunst schoonheid ontsprong?

5; 229-260
Ares, werd ook door mijn vindingrijkheid geboren. Misschien weet je het niet, en ik bid dat Zeus, die het tot nog toe niet weet, het ook nooit zal horen. Heilige Hera was ontstemd dat Zeus haar diensten niet nodig had toen Athena zonder moeder werd geboren. Ze ging op weg naar Oceanus om te klagen over de daden van haar man. Vermoeid door de reis, stopte ze bij mijn huis. Zodra ik haar zag zei ik, ‘Wat brengt u hier, dochter van Cronus? Ze vertelde over het doel van haar reis, en voegde de reden toen. Ik troostte haar met vriendelijke woorden. ‘Mijn verdriet,’ sprak ze, ‘kan niet met woorden gestild worden. Als Zeus vader kon worden zonder tussenkomst van een vrouw, en beide titels kon verenigen in één persoon, waarom moet ik dan wanhopen om moeder te worden zonder man, en een kind voortbrengen zonder man, aannemend dat ik altijd kuis ben? Ik zal alle kruiden in de wereld proberen, en ik zal de zeeën en de diepten van Tartarus verkennen.’Haar klacht zou voortgeduurd hebben, maar op mijn gezicht verscheen plotseling een blik van twijfel. ‘Jij bent een nimf,’ zei ze, ‘die hebben ook het vermogen om mij te helpen.’ Driemaal probeerde ik te beloven haar te helpen, maar driemaal zweeg mijn mond. Angst voor de woede van de grote Zeus vervulde mij. ‘Help me, bid ik,’ zei ze, ‘de naam van de helper zal altijd geheim blijven, en ik zal het goddelijke Stygische water als mijn getuige oproepen.’ ‘Uw wens, hernam ik, ‘zal worden ingewilligd door een bloem die me van het veld van Olenus werd toegezonden. Het is de enige bloem van die soort in mijn tuin. Hij die me hem gaf zei, ‘Raak hiermee een dorre vaars aan, en ze zal moeder worden.’ Ik raakte haar aan, en zij werd zonder uitstel moeder. Onmiddellijk plukte ik met mijn vingers de zich vastklemmende bloem en raakte Hera aan, en zij werd zwanger toen ik haar boezem aanraakte. En nu zwanger van een kind, ging ze naar Thracië en liet de kust van de Propontis achter zich. Haar wens werd vervuld, en Ares werd geboren. Als herinnering aan de geboorte die hij mij verschuldigd was, zei hij, ‘Ook jij krijgt een plek in de stad van Romulus.’

5; 261-274
‘Misschien denk je dat ik alleen koningin ben van de sierlijke bloemen. Maar mijn goddelijkheid heeft ook van doen met bewerkte velden. Als de gewassen goed gebloeid hebben, zal de dorsvloer hoog opgestapeld worden. Als de wijnstokken goed gebloeid hebben, zal er wijn zijn. Als de olijvenbomen goed gebloeid hebben, zal het jaar goed zijn. En de vruchten zullen in de juiste tijd van het jaar bloeien. Als de bloesem eenmaal is geplukt, zullen de wikke en de bonen verschrompelen, en uw linzen. O de Nijl die van verre komt, verdort op dezelfde wijze. Wijn bloeit ook, moeizaam opgeslagen in grote kelders, en een schuimlaag bedekt het oppervlak in de kruiken. Honing is mijn geschenk. Ik ben het die de gevleugelde diertjes oproep, die honing verzamelen, bij het viooltje, en de klaver, en de grijze tijm. (Ik ben het ook, die dezelfde functie laat verdwijnen wanneer in hun jeugdige jaren geesten de vrije loop nemen en lichamen sterk zijn.)’

5; 275-294
Stilletjes bewonderde ik haar terwijl ze sprak. Maar ze zei, ‘Je bent vrij om de antwoorden te kennen op elke vraag die je maar kunt stellen.’ ‘Vertel, godin,’ antwoordde ik, ‘wat is de oorsprong van de spelen.’ Nauwelijks was ik uitgesproken of ze antwoordde: ‘De andere instrumenten van weelde waren nog niet in zwang. De rijke man bezat vee of grote stukken land. Van verre kwamen de namen voor rijkdom, en van verre kwam ook de naam van geld. Maar sommigen vergaarden al rijkdommen uit onwettige bronnen. Het was een gewoonte geworden om de openbare weiden te begrazen, het gebeurde lang geleden, en er werd geen straf opgelegd. Het gewone volk had geen kampioen om hun eigendommen en openbare bezittingen te beschermen. En uiteindelijk werd het een als teken van zwakte beschouwd wanneer een man zijn vee op eigen grond liet grazen. Dit werd ter kennis gebracht aan de plebeiaanse aediles, de Publicii. Tot die tijd waren deze zaken hen ontgaan. De zaak werd in het openbaar berecht. De schuldigen kregen een boete. De kampioenen werden gehuldigd vanwege hun mensvriendelijke geest. Een deel van de boete werd aan mij gegeven, en de winnaars van de rechtszaak stelden onder groot applaus nieuwe spelen in. Met een deel van de boete sloten zij contracten af om een weg op de helling te maken, die toen nog een steile rots was. Nu is het een bruikbare weg, en zij noemden het een openbare weg.’

5; 295-330
Ik dacht dat deze spelen jaarlijks waren. De godin ontkende het en voegde aan haar vorige toespraak een tweede toe. ‘Wij worden ook geroerd door eer. We genieten van festivals en altaren. Wij hemelse wezens zijn een gulzige groep. Een man heeft door zondigen vaak de goden van zich vervreemdt, en een zoenoffer is een concessie voor zijn misdaden. Vaak heb ik Zeus gezien, als hij op het punt stond om zijn bliksems te werpen, en zijn hand stopte wanneer hij wierook ontving. Maar als we worden genegeerd, wreken we het kwaad met hemelse straffen, en onze woede kent geen grenzen. Ken je Thestiades nog, hij werd van verre in brand gezet, omdat er geen vuur brandde op het altaar van Artemis. Denk aan Tantalides. Dezelfde godin hield de vloot vast. Hoewel een maagd, wraakte ze tweemaal haar veronachtzaamde altaren. Ongelukkige Hippolytus, wat zou u graag Dione aanbeden hebben toen uw heilige paarden u aan stukken scheurde! Het zou te lang duren om over alle gevallen van vergeetachtigheid en boetedoeningen te vertellen. Ik werd zelf eens genegeerd door de Romeinse Senaat. Wat moest ik doen? Door wat kon ik mijn wrok tonen? Welke straf kwam in mij op voor deze minachting? In mijn somberheid deed ik afstand van mijn plek. Ik bewaakte het platteland niet, en met de vruchtbare tuin deed ik niets. De lelies waren uitgevallen. Je kon de viooltjes zien verwelken, en de ranken van het bloedrode saffraan kwijnden weg. Vaak zei Zephyrus tegen mij, ‘Vernietig uw eigen bruidsschat niet,’ Maar mijn bruidsschat had voor mij geen waarde meer. De olijvenbomen stonden in bloei. De dartele wind plaagde hen. De gewassen stonden in bloei, de oogst werd vernietigd door hagel. De wijnstokken waren veelbelovend, de lucht werd grijs onder de zuidenwind, en de bladeren werden afgeschud door een plotselinge regenbui. Ik wilde het niet zo, noch ben ik wreed in mijn woede, maar ik had geen behoefte om deze heuvels te beschermen. De Senaat kwam bijeen en beloofde een jaarlijks festival gewijd aan mijn goddelijkheid als het jaar vruchtbaar zou blijken te zijn. Ik accepteerde de belofte. De consuls Laenas en Postumius droegen de spelen aan mij op die zij gezworen hadden.’

5; 331-354
Ik stond op het punt om te vragen waarom deze spelen worden gemarkeerd door grotere baldadigheid en baldadige grappen, maar het viel mij op dat de godin niet direct reageerde, en dat de geschenken die ze had meegebracht zich leenden voor lekkernijen. De hoofden van de drinkbroeders waren omkranst met geborduurde slingers, en de gepolijste tafel was begraven onder een grote berg rozen. De gasten dansten overdreven sentimenteel, hun haar bijeen gebonden met schors van de lindeboom, en allen waren aangeschoten. Overdreven sentimenteel zong de minnaar bij de deur over zijn mooie vrouw. Zachte bloemenslingers omkransten zijn geparfumeerde lokken. Hij wiens hoofd omkranst is met bloemenslingers doet geen serieuze zaken. Er wordt geen water uit de stromende beek gedronken door diegenen wiens haar is doorvlochten met bloemen. Terwijl u stroomde, Achelous, werd u niet besprenkeld met het sap van druiven, niemand maakte zich druk om rozen te plukken. Dionysus houdt van bloemen, hij schept behagen in een bloemenkroon, je kent misschien de geclusterde sterren van Ariadne. Een losbandig toneel past Chloris goed. Ze moet niet, geloof me ze moet niet, tot de godinnen gerekend worden van het treurspel. De reden waarom een menigte van saaie mensen veelvuldig deze spelen bezoekt is niet moeilijk te ontdekken. Ze passen niet bij uw somberheid, niet bij uw hoogdravendheid. Ze wil dat haar spelen toegankelijk zijn voor het gewone volk. En ze waarschuwt ons om de levensbloem te gebruiken, terwijl die nog bloeit. Want de doorn, zo herinnert zij ons, wordt bespot wanneer de rozen zijn afgevallen.

5; 355-360
Maar waarom is het dat er witte gewaden worden uitgedeeld op het festival van Demeter, terwijl Chloris gesierd gaat in kleding met vele kleuren? Komt het omdat de oogst bleekt als het graan rijp is, maar bloemen elke kleur en vorm bezitten? Ze knikte instemmend en door de beweging van haar haren vielen de bloemen, zoals een roos valt die door een hand op tafel wordt geworpen.

5; 361-368
Dan resteren nog de lichtjes, de reden daarvoor ontgaat me. Waarop de godin mijn onzekerheid aldus wegnam: ‘Die lichtjes worden geacht mijn daglicht te zijn, ofwel omdat de velden gloeien met paarse bloemen, of omdat noch de bloemen of de vlammen een matte kleur hebben, en de pracht van beiden het oog bekoort. Of omdat het de nachtelijke vrijheid van mijn feestelijkheden betaamt. Die derde reden komt het dichtste bij de waarheid.’

5; 369-374
‘Er blijft nog een kleine zaak over, met uw goedkeuring, waarover ik nog iets wil vragen.’ Je hebt mijn toestemming.’ Zei ze.’ ‘Waarom worden er, in plaats van Libyische leeuwinnen, vredelievende reebokken en verlegen hazen gevangen in uw netten?’ Ze antwoordde dat haar gebied zich niet tot de bossen uitstrekte, maar slechts tot de tuinen en velden, waar geen felle beesten mogen komen.

5; 375-378
Haar verhaal was afgelopen, en zij verdween in de ijle lucht. Een geur bleef hangen. Je kon merken dat er een godin was geweest. Dat Naso’s lied voor u mag bloeien, O strooi, bid ik u, godin, uw zegeningen uit over mijn borst!

V. NON. 3e en 4e.

5; 379-414
In minder dan vier nachten zal de halfmenselijke Chiron, die is samengesmolten met het lichaam van een zandkleurig paard, zijn sterren voorttrekken. De Pelion is een berg in Haemonië die naar het zuiden uitkijkt. Zijn top ziet groen van de dennenbossen. De rest is bedekt met eikenbomen. Het was de woonplaats van de zoon van Philyra. Er zijn overblijfselen van een oude stenen grot, waarvan verteld wordt dat deze bewoond werd door de rechtschapen oude man. Er wordt verteld dat hij de handen onderwees, in het tokkelen op de lier, die op een dag Hector naar zijn dood zouden sturen. Heracles kwam nadat hij een deel van zijn werken voltooid had, en er bleef de held niets anders over dan te gehoorzamen. Je zou bij toeval de twee meesters van het lot van Troje kunnen zien staan, aan de ene kant de jonge afstammeling van Aeacus, en aan de andere kant de zoon van Zeus. De Philyrische held ontving Heracles gastvrij en vroeg naar de reden van zijn komst, en Heracles bracht hem op de hoogte. Ondertussen keek Chiron met een schuin oog naar de knots en zei, ‘Een man waardig aan de wapens, en wapens waardig aan de man!’ Ook Achilles kon zijn handen niet inhouden en probeerde de huid van ruige haren aan te raken. En terwijl de oude man de pijlen betastte die waren ingesmeerd met vergif, viel één van die pijlen uit de pijlenkoker en bleef steken in zijn linkervoet. Chiron kreunde en trok het staal uit zijn lichaam. Achilles kreunde ook, evenals de Haemonische jongen. De Centaur, echter, mengde kruiden die hij had verzameld op de Pagaseaanse heuvels en verzorgde de wond met verschillende middeltjes. Maar het knagende gif tartte alle middelen, en het verderf drong in de botten en het hele lichaam. Het bloed van de Hydra van Lerna, vermengd met het bloed van de Centaur, liet geen tijd voor redding. Achilles badend in tranen, stond voor hem als voor een vader. Zo zou hij voor Peleus gehuild hebben op het moment van zijn dood. Vaak streelde hij de zwakke handen met zijn eigen liefhebbende handen. De leraar oogstte de beloning voor het karakter dat hij gesmeed had. Vaak kuste Achilles hem, en zei tegen hem terwijl hij daar lag. ‘Leef, bid ik u, omgordt uw lichaam met tweemaal zeven sterren.’

III. NON. 5e

5; 415-416
De gebogen Lier wenste de Centaur te volgen, maar de weg was nog niet duidelijk. De derde nacht zou de juiste tijd zijn.

PR. NON. 6e

5; 417-418
De Schorpioen zal zichtbaar zijn in het midden van de hemel, wanneer we zeggen dat de Nones morgen zal aanbreken.

VII. ID 9e

5; 419-454
Wanneer de Avondster vanaf die dag zijn mooi gezicht heeft getoond, en de vervagende sterren zich driemaal hebben teruggetrokken voor Phoebus, zal er een oude rite gevierd worden, de nachtelijke Lemuria. Het zal offers schenken aan de stille geesten. Het jaar was voorheen korter, en de vrome riten van reiniging (februa) waren nog onbekend, en u, tweehoofdige Janus, was nog geen leider van de maanden. Maar zelfs toen brachten mensen geschenken naar de as van de doden, zoals het hoort, en de kleinzoon betuigde zijn respect aan het graf van zijn overleden grootvader. Het was de maand mei, zo vernoemd naar onze voorvaderen (maiores), en die bevat nog steeds een deel van de oude gewoonten. Wanneer middernacht is aangebroken en haar stilte aan de slaap schenkt, terwijl honden en het verschillende gevogelte tot zwijgen zijn gebracht, gedenkt de aanbidder de oude riten in gedachten en vreest dat de goden zullen opstaan, en zonder knopen aan zijn knellende voeten, maakt hij een teken met zijn duim over het midden van zijn gesloten vingers, opdat hij in zijn stilzwijgen geen ijle schaduw zal ontmoeten. En nadat hij zijn handen heeft gereinigd in bronwater, keert hij om, en ontvangt hij eerst zwarte bonen die hij met afgewend gezicht weggooit. Maar terwijl hij die gooit, zegt hij: ‘Deze werp ik, met deze bonen verlos ik mij en de mijnen.’ Dit zegt hij negen keer, zonder achterom te kijken. De schaduw wordt geacht de bonen te verzamelen, en ongezien te volgen. Opnieuw raakt hij het water aan, en slaat op Temesaans brons, en vraagt de schaduwen om uit zijn huis te vertrekken. Wanneer hij negen keer heeft gezegd, ‘Geest van mijn vaderen, vertrek!’ kijkt hij achterom, en denkt dat hij de heilige rite naar behoren heeft uitgevoerd.

5; 455-492
Waarom de dag Lemuria wordt genoemd, en wat de oorsprong van de naam is, ontgaat me. Het is aan een god om dat te ontdekken. Zoon van de Plejade, u eerwaarde meester van de rijke staf, vertel me, u hebt het paleis van de Stygische Zeus vaak gezien. Op mijn gebed is de Drager van de Herautenstaf (Caducifer) gekomen. Neem kennis van de oorzaak van die naam, de god zelf maakte die bekend. Toen Remulus de geest van zijn broer had begraven in het graf, en de uitvaart van de te slimme Remus was afgelopen, besprenkelden de ongelukkige Faustulus en Acca, met loshangende haren, de verbrandde botten met hun tranen. Bij het vallen van de avond gingen ze triest op weg naar huis, en wierpen zich op hun harde banken, precies zoals ze er bij liepen. De bebloede geest van Remus leek naast het bed te staan en met een zwak gemurmel deze woorden te spreken: ‘Kijk naar mij, die de helft deelde, de volledige helft van onze tedere zorg, aanschouw wat ik ben geworden, en hoe ik vroeger was! Nog niet zo lang geleden zou ik de belangrijkste van mijn volk geweest kunnen zijn, als de vogels mij de troon hadden toegewezen. Nu ben ik slechts lege woede, ontsnapt aan de vlammen van de brandstapel. Dat is alles wat er overgebleven is van de eens zo grote Remus. Ach, waar is mijn vader Ares? Als jij alleen de waarheid sprak, en degene was die de wilde dieren stuurde om de verlaten baby’s te zogen. Een lichtvaardige hand van een inwoner versloeg degene die de wolvin gered had. O zij was veel barmhartiger! Woeste Celer, moge uw ziel voor wrede wonden zwichten, en net als ik bebloed in het onderaardse rijk aankomen! Mijn broer wilde dit niet, zijn liefde was gelijk aan die van mij. Hij liet tranen, dat was alles dat hij kon doen, op mijn dode lichaam vallen. Bidt voor hem met je tranen, bij je pleegouderschap, dat hij een dag zal instellen als teken voor zijn liefde voor mij.’ Toen de geest deze aanklacht uitte, verlangden zij ernaar om hem te omhelzen en strekten hun armen uit. De glibberige geest ontsnapte aan de omhelzende armen. Toen het visioen vervloog en de slaap meenam, bracht het stel verslag uit aan de koning over de woorden van zijn broer. Romulus deed wat er gevraagd werd, en gaf de naam Remuria aan de dag waarop verschuldigd eerbetoon wordt geschonken aan de begraven voorouders. In de loop der eeuwen werden de ruwe letters, die aan het begin van de naam stonden, veranderd in zachte, en al snel werden de zielen van die stille menigte ook Lemurus genoemd. Dat is de betekenis van het woord, dat is de kracht van de uitdrukking. Maar de ouden sloten de tempels op deze dagen, zoals ze nu gesloten zijn tijdens het seizoen dat gewijd is aan de doden. Die tijden zijn ongeschikt voor het huwelijk en zowel voor de weduwe als het meisje. Zij die toch trouwt, zal niet lang leven. Om dezelfde reden, als je waarde hecht aan spreekwoorden, zeggen de mensen dan slechte vrouwen trouwen in mei. Maar deze festivals vallen ongeveer in dezelfde periode, hoewel niet op drie opeenvolgende dagen.

V. ID. 11e

5; 493-544
Als je de Boeotische Orion zoekt in het midden van deze drie dagen, zul je teleurgesteld worden. Ik moet nu zingen over de oorzaak van het sterrenbeeld. Zeus, en zijn broer die regeert in de diepe zee, en Hermes, reisden samen. Het was op de tijd dat het ingespannen vee de omgekeerde ploeg naar huis trok, en lammeren de melk uit de volle uier van de ooi dronken. Een oude man Hyrieus, die een kleine boerderij bewerkte, zag hen toevallig toen hij voor zijn kleine huisje stond. En dit zei hij: ‘Lang is de weg, en kort de uren die de dag nog resten, maar mijn deur staat open voor vreemdelingen.’ Hij liet zijn woorden vergezeld gaan van een blik, en nodigde hen opnieuw uit. Zij namen zijn uitnodiging aan en hielden hun goddelijkheid verborgen. Zij gingen het huisje van de oude man binnen, vervuild door zwarte rook. Een klein vuurtje glinsterde in het blok hout van gisteren. Hij knielde en blies de vlammen aan met zijn adem, en ging verder met het aansteken van kleine stompjes hout als fakkels. Twee kleine pannen stonden op het vuur, de kleinste bevatte bonen, de andere keukenkruiden. Beiden kookten, elk onder druk van het deksel. Terwijl hij wachtte, deelde hij rode wijn uit met een trillende hand. De god van de zee ontving de eerste beker. Toen hij die geleegd had, zei hij: ‘Bedien nu Zeus zoals het hoort.’ Bij het woord Zeus verbleekte de oude man. Toen hij zichzelf hersteld had, slachtte hij de os die zijn arme land geploegd had, en roosterde die in een groot vuur. En de wijn die hij in zijn jeugd als jongen had weggestopt, haalde hij in een berookte kruik tevoorschijn. En onmiddellijk leunden zij achterover op matrassen die waren overtrokken met linnen en opgevuld met rivierzegge, maar nog steeds bescheiden waren. De tafel straalde, nu eens met voedsel, dan weer van de wijn die er op werd gezet. De kom was van rood aardewerk, de bekers van beukenhout. Zeus zei: ‘Als je enige wens hebt, kies. En het zal van u zijn.’ De kalme oude man sprak aldus: ‘ik had een lieve vrouw, wiens liefde ik won in de bloem van haar vroege jeugd. Waar is zij nu? Vraagt u zich af. Die urn bevat haar as. Aan haar zwoer ik, en roep jullie goden op als getuige, ‘Jij zult mijn enige echtgenote zijn.’ Ik gaf mijn woord, en ik hield het. Maar ik heb een andere wens. Ik zou geen echtgenoot, maar een vader, willen zijn.’ Alle goden stemden in. Zij namen hun plaats bij de stal van de os in – ik schaam me om te vertellen wat er volgde – toen zij de stinkende huid bedekten door er aarde overheen te werpen. Toen tien maanden voorbij waren gegaan, werd er een zoon geboren. Hurieus noemde hem Orion vanwege de manier van zijn verwekking. De eerste letter van zijn naam heeft zijn oude klank verloren. Hij groeide uit tot enorme omvang. De godin van Delos nam hem om haar gezelschap te houden, hij was bewaker, haar bediende. Achteloze woorden riepen de woede van de goden op. ‘Er is geen wild beest,’ zei hij, ‘dat ik niet kan verslaan.’ Gaea broedde een Schorpioen uit. Zijn opdracht was om de Godin van de Tweeling met zijn gehaakte giftanden aan te vallen. Orion wierp zich in haar pad. Leto zette hem tussen de sterren, en zei, ‘Neem uw welverdiende beloning in ontvangst.’

IV. ID. 12e

5; 545-598
Maar waarom haasten Orion en de andere sterren zich om uit de hemel terug te trekken? En waarom kort de nacht haar duur in? Waarom verheft de heldere dag, ingeluid door de Morgenster, haar stralende licht sneller dan normaal uit de grote zee? Vergis ik me, of was er een treffen met wapens? Ik heb me niet vergist, er was een treffen met wapens, Ares komt, en bij zijn aankomst gaf hij het sein voor oorlog. De Wreker daalt uit de hemel neer om zijn eigen eredienst te aanschouwen en zijn prachtige tempel op het forum van Augustus. De god is groot, en zo ook het gebouw. Ares zou op geen andere wijze in de stad van zijn zoon willen wonen. Dat heiligdom is waardig aan de trofeeën die gewonnen werden op de Giganten. Vanuit die macht opent de Marcherende God zijn campagnes, of een goddeloze vijand ons nu vanuit de oosterse wereld aanvalt of dat een ander overwonnen moet worden waar de zon onder gaat. De god van de strijd overziet de hoogtepunten vanaf het verheven bouwwerk, en stemt ermee in dat de hoogste plaatsen ingenomen worden door de onoverwinnelijke goden. Hij schouwt bij de deuren wapens van diverse makelij, en wapens uit landen die door zijn soldaten zijn overwonnen. Aan de ene kant ziet hij Aeneas, beladen met zijn dierbare last, en vele voorouders uit de adellijke lijn van Julian. Aan de andere kant ziet hij Romulus die op zijn schouders de wapens van de overwonnen leider draagt, en hun beroemde daden die onder de op een rij staande beelden zijn ingegraveerd. Hij ziet ook de naam van Augustus aan de voorkant van de tempel, en het gebouw lijkt hem nog groter, wanneer hij de naam van Ceasar leest. Augustus had dit in zijn jeugd beloofd toen hij voor zaken van het recht de wapens opnam. Zulke grote daden waren het waard om de regering van een prins in te luiden. Terwijl de loyale troepen aan de ene kant stonden, en de samenzweerders aan de andere kant, strekte hij zijn handen uit en sprak deze woorden: ‘Als mijn vader, priesters van Hestia, mij bevel geeft om oorlog te voeren, en ik bereid nu de wraking van zowel zijn goddelijkheid als die van haar voor, kom dan, Ares, doordrenk het zwaard met bloed van schurken, en verleen uw gunsten aan de betere partij. U zult een tempel krijgen, en Wreker genoemd worden, wanneer ik de overwinning heb behaald.’ Zo zwoer hij, en keerde juichend terug van de wild vluchtende vijand. Toch is hij niet tevreden met de titel van Wreker van Ares die hij voor eens en altijd heeft gekregen. Hij haalt de vaandels neer die door de handen van de Parthianen worden vastgehouden. Dit was een volk wier vlakten, hun paarden, en hun pijlen veilig werden overwonnen, en omliggende rivieren werden ontoegankelijk gemaakt. De trots van het land werd bevorderd door de dood van Crassus en zijn zoon, toen soldaten, generaals en vaandels gezamenlijk omkwamen. De Parthianen behielden de Romeinse normen, de roem van de oorlog, en een vijand was de vaandeldrager van de Romeinse adelaar. Deze schaamte zou tot aan de dag van vandaag hebben geduurd, als Ausonië’s rijk niet was bewaakt door het sterke leger van Ceasar. Hij maakte een einde aan dat oude verwijt, de schande van een hele generatie. De heroverde vaandels kregen hun rechtmatige eigenaars weer. Wat hielpen, gij Parthianen, de pijlen die u gewend was om vanachter uw rug vandaan te schieten? Wat hielpen uw woestijnen? Wat was het nut van de snelle paarden? U brengt de adelaars terug. U leverde ook uw veroverde bogen in. Nu hebt u geen tekens meer van onze schande. Terecht zijn de tempel en de titel van Wreker aan de god gegeven, die deze titel tweemaal heeft verdiend. En die welverdiende eer is de inlossing van de schuld aan de belofte. Quiriten, vier de plechtige spelen in het Circus. Het toneel lijkt te klein om te passen bij zo’n dappere god.

III. ID. 13e

5; 599-602
U zult alle Plejaden aanschouwen, inclusief de hele schare zusters, wanneer er nog één nacht resteert voor de Idus. De zomer begint, zoals geleerde autoriteiten me vertellen, en het seizoen van de warme lente loopt ten einde.

PR. ID. 14e

5; 603-620
De dag voor de Idus wordt gemarkeerd door de periode dat de Stier zijn sterachtige hoofd optilt. Dit sterrenbeeld wordt verklaard door een bekend verhaal. Zeus in de gedaante van een stier bood zijn rug aan het Tyrische meisje aan en had hoorns op zijn valse hoofd. Ze hield de manen van de stier in haar rechterhand, haar mantel in haar linker, en haar grote angst verleende haar nieuwe gratie. De wind liet de kleding om haar boezem opbollen, en beroerde haar blonde haren. Sidoniaans meisje, op dat ogenblik zag u de blik van Zeus. Vaak trok ze haar voeten op uit de zee, en vreesde het contact met de onstuimige golven. Vaak liet de god met opzet zijn rug in de golven zakken, opdat ze zich steviger aan zijn nek zou vastklemmen. Toen ze de kust bereikten, stond Zeus daar zonder hoorns, en was de stier veranderd in een god. De Stier werd aan de hemel geplaatst. Jij, Sidoniaans meisje, werd zwanger van Zeus, en éénderde deel van het jaar draagt jouw naam. Anderen zeggen dat dit sterrenbeeld de Phariaanse vaars is, die van mens werd veranderd in een koe, en van een koe in een godin werd veranderd.

5; 621-662
Dan is de Maagd ook gewend om de snelgemaakte beeltenissen van oude mannen vanaf de eikenhouten brug te gooien. Hij die gelooft dat na zestig jaar mannen ter dood werden gebracht, door onze voorvaderen beschuldigt van een goddeloze daad. Er bestaat een oude traditie, dat toen het land Uranium werd genoemd deze woorden werden uitgesproken door de waarzeggende Zeus: ‘Werp twee mensen als een offer aan de Oude man die de sikkel draagt in het water van de Toscaanse rivier.’ Deze sombere rite werd elk jaar uitgevoerd, zo gaat het verhaal, op de Leucadiaanse manier, totdat de Tirynse held naar dit gebied kwam. Hij wierp mensen van stro in het water, en nu worden poppen in het water geworpen naar het voorbeeld van Heracles. Sommigen denken dat jongemannen het moment gebruikten om zwakke mannen van de bruggen te werpen, zodat zij het alleenrecht kregen om te stemmen. O Tiber, vertel me de waarheid, uw oever is ouder dan de stad. U zou de oorsprong van deze rite goed moeten kennen. Tiber verhief zijn met riet bekroonde hoofd op in het midden van de rivier, en opende zijn hese mond om deze woorden te uiten: ‘Ik ken dit gebied al vanaf het moment dat het alleen grasland was en er nog geen stadsmuren waren. Het vee graasde verspreid op beide oevers, en ik, Tiber, welke de volkeren nu zowel kennen als vrezen, was toen koning die zelfs door het vee werd veracht. Je hoorde vaak de naam noemen van de Arcadische Evander. Hij kwam van verre en beroerde mijn water met zijn roeiriemen. Heracles kwam ook, vergezeld van een grote groep Grieken. Toen was, als ik het mij goed herinner, mijn naam Albula. De Pallantiaanse held ontving hem gastvrij, en Cacus kreeg uiteindelijk de straf die hij verdiende. De zegevierende Heracles vertrok en nam de koeien met zich mee, de buit die hij had geroofd uit Erythia. Maar zijn metgezellen weigerden om verder te gaan. Een groot aantal van hen kwam uit Argos, dat ze hadden verlaten. Op deze heuvels bouwden zij hun hoop en hun huizen. Maar toch werden zij vaak heimwee naar hun liefelijke geboorteland, en toen één van hen stierf gaf hij deze korte opdracht: ‘Werp me in de Tiber, opdat, gedragen op zijn golven, mijn lege lichaam naar de Inachiaanse kust wordt gevoerd.’ Zijn erfgenaam beviel de begrafenisopdracht die hem was opgelegd niet. De dode vreemdeling werd begraven in Ausonische grond, en een beeld van riet werd in plaats van hem in de Tiber geworpen, opdat het over het grote water zou terugkeren naar zijn Griekse huis.’ Dit zei de Tiber, en ging vervolgens naar de druipende grot van levende steen. Gij snelvloeiend water beteugel uw rivier.

IDUS 15e

5; 663-692
Kom, u beroemde kleinzoon van Atlas, die vroeger door één van de Plejaden in de Arcadische bergen aan Zeus werd gebaard. U scheidsman van oorlog en vrede voor de goden boven en onder, u die uw weg vindt op gevleugelde schoenen, u die geniet van de muziek van de lier, en ook geniet van de worstelschool, glinsterend van de olie. U door wiens lessen mensen edelmoedig toespraken leren houden, de Senaat richtte op de Ides voor u een tempel op die uitkijkt op het Circus, en sinds die dag is deze dag uw festival. Iedereen die als beroep heeft om waren te verkopen schenkt u wierook en smeekt dat u hen winst wil gunnen. Er is een water van Hermes vlakbij de Poort van Capene. Als je degenen moet geloven die het geprobeerd hebben, dan huist er een godheid in het water. Daar gaat de koopman naar toe met zijn tuniek opgetrokken, en, ceremonieel gezuiverd, laat hij water in een berookte pot lopen die hij met zich meeneemt. Met dat water maakt hij een lauriertak nat, en met die natte tak besprenkelt hij al de goederen die binnenkort van eigenaar gaan wisselen. Hij besprenkelt ook zijn eigen haar met de druipende lauriertak en reciteert met een stem die gewend is om te misleiden. ‘Was de leugens uit het verleden weg,’ zegt hij, ‘was mijn verbloemende worden van gisteren weg. Of ik u nu als getuige heb opgeroepen, of valselijk de grote god Zeus heb aangeroepen, in de veronderstelling dat hij het toch niet zou horen, of wanneer ik willens en wetens de naam van een andere god of godin ijdel heb gebruikt, laat de snelle zuidenwind mijn goddeloze woorden met zich meevoeren, en zet de deur voor nieuwe leugens morgen weer voor mij open, en moge de goden hierboven mij vergeven als ik weer zo’n uitdrukking bezig! Gun me voordeel, gun me vreugde om de winst, en zie er op toe dat ik ervan geniet om de koper te bedriegen!’ Bij zulke gebeden lacht Hermes vanuit de hoogte, en herinnert zich hoe hij zelf de Ortygische koeien stal.

XIII. KAL. IVN. 20e

5; 693-720
Maar ik zette een beter gebed in. Onthul aan mij, smeek ik u, op welk tijdstip Phoebos het teken van de Tweeling passeert. ‘Wanneer u kijkt,’ antwoordde hij, ‘zult u merken dat er nog net zoveel dagen in de maand resteren als dat er werken van Heracles zijn.’ ‘Vertel me,’ antwoordde ik, ‘de reden van dit sterrenbeeld.’ De god beantwoordde de oorzaak met grote welsprekendheid. De Tyndaride broers, de een ruiter, de ander bokser, hadden Phoebe en Phoebe’s zuster geschaakt en weggevoerd. Idas en zijn broer bereidden zich voor op een oorlog en eisten de teruggave van hun bruiden. Want beiden waren met Leucippus een verbond gesloten om zijn schoonzoons te worden. Liefde droeg het ene tweetal op om teruggave te eisen, de andere twee weigerden dit. Elk paar werd aangemoedigd om te vechten vanwege hetzelfde motief. De Oebaliden zouden aan hun achtervolgers zijn ontsnapt vanwege hun superieure snelheid. Maar het was niet hoogstaand om te winnen door een snelle vlucht. Er is daar een plek vrij van bomen, een geschikte plek voor een gevecht. Op die plek namen zij hun positie in (de plek heet Aphidnae). In de borst doorboord door het zwaard van Lynceus – een wond die hij niet had verwacht – viel Castor op de grond. Polydeuces kwam om hem te wreken, en doorboorde Lynceus met zijn speer op de plek waar de nek samenkomt en drukt op de schouders. Idas viel hem aan, en werd nog net weerhouden door de bliksem van Zeus. Maar ze vertellen dat zijn wapen niet door de bliksem aan zijn rechterhand werd ontrukt. En de hoge hemel opende zich al voor u, Polydeuces, toe je zei: ‘Hoor mijn woorden aan, o vader. De hemel die je alleen aan mij wil geven, o verdeel die tussen ons tweeën. De helft van het geschenk is beter dan het hele.’ Zo sprak hij, en verloste zijn broer van de dood door afwisselend van plaats met hem te ruilen. Beide sterren zijn nuttig voor schepen die door storm heen en weer worden geslingerd.

XII. KAL. 21e

5; 721-722
Hij die wil weten wat de Agonia zijn, moet terugkeren naar januari, hoewel ze ook in dit seizoen een plek hebben op de kalender.

XI. KAL 22e

5; 723-724
In de nacht die volgt op de dag dat de Hond van Erigone verschijnt. Ik zal de oorzaak van dit sterrenbeeld op een andere plek toelichten.

X. KAL 23e

5; 725-726
De volgende dag behoort aan Hephaistus toe. Zij noemen het Tubilustria. De trompetten die hij maakt worden op die dag gereinigd en gezuiverd.

IX. KAL. 24e

5; 727-728
De volgende plek wordt gemarkeerd door vier letters, die, in de goede volgorde gelezen, ofwel de gewoonte van de heilige riten of de vlucht van de koning betekenen.

VIII. KAL 25e

5; 729-732
Ook wil ik u niet overslaan, u Openbaar Fortuin van de machtige mensen, aan wie op de volgende dag een tempel gewijd is. Wanneer die dag in het water van Amphitrite is afgedaald, zult u de snavel van de bruinkleurige vogel zien, geliefd aan Zeus.

VII. KAL. 26e t/m VI. KAL. 27e

5; 733-734
De komende morgen zal Boötes uit het gezicht verdwijnen, en de volgende dag zal het sterrenbeeld van Hyas zichtbaar zijn.

Boek 6 - Juni

Inleiding op juni

6; 1-10
De verklaring voor de naam van deze maand is ook twijfelachtig. Ik zal ze allemaal vertellen, en jij zult moeten kiezen welke je het beste aanstaat. Ik zal de waarheid zingen, maar sommigen zullen zeggen dat ik lieg, en denken dat er nooit goden door stervelingen zijn waargenomen. Er schuilt een god in elk van ons. Wanneer hij zich roert worden wij warm. Het komt door zijn impulsen waardoor zaadjes van inspiratie worden gezaaid. Ik heb een speciaal recht om de gezichten van de goden waar te nemen, hetzij doordat ik een zanger ben, of omdat ik over heilige dingen zing. Er is een bos waar grote bomen groeien, een plek afgezonderd van elk geluid behalve het murmelen van water.

6; 11-64
Daar was ik aan het mijmeren over de oorsprong van de maand die net begonnen was, en aan het mediteren over de naam. Zie, ik nam godinnen waar, maar niet degenen die de leraar van het ploegen zag toen hij het Ascraeaanse schaap volgde, noch degenen die de zoon van Priamus jureerde in de vochtige dalen van de Ida, slechts één van hen was daar. Van hen was er slechts één, de zus van haar man. Zij was het, die ik herkende, die in de citadel van Zeus staat. Ik huiverde, en, hoewel ik sprakeloos was, verraadde mijn bleke huid mijn gevoelens. Toen verwijderde de godin de angst die zij had ingeboezemd. Want ze zei, ‘O zanger, minstreel van het Romeinse jaar, u die het aandurft om grootse zaken in luchtige verzen op te schrijven, u hebt voor uzelf het recht afgedwongen om naar hemelse goden op te kijken door de viering van de festivals in uw liederen op te nemen. Maar tenzij je dom en misleid bent door grove fouten, weet dan dat juni haar naam van mij heeft gekregen. Het betekent nogal iets om met Zeus getrouwd en zijn vrouw te zijn. Ik weet niet of ik trotser op hem ben als broer of als echtgenote. Als afkomst in ogenschouw wordt genomen, was ik de eerste die Cronus als vader aansprak. Ik was het eerste kind dat het lot hem schonk. Eens werd Rome Saturnia genoemd naar mijn vader, dit was het eerste land na de hemel waar hij kwam. Als het huwelijksbed iets voorstelt, wordt ik de gemalin van de Donderaar genoemd, en mijn tempel is met die van de Tarpeiaanse Zeus verbonden. Als een minnaar haar naam aan de maand mei kon geven, zal dezelfde eer mij dan niet gegund worden? Met welk doel, wordt ik anders koningin en voornaamste van de godinnen genoemd? Waarom gaven zij mij een gouden scepter in handen? De dagen (luces) die samen een maand vormen worden Lucina genoemd, en dan zou de naam van een enkele maand niet naar mij vernoemd worden? Dan heb ik misschien spijt omdat ik mijn woede over de nakomelingen van Electra en het huis van Dardanus naast mij heb neergelegd. Ik had een dubbele reden voor die woede. Ik ergerde mij aan de schaking van Ganymedes, en omdat mijn schoonheid werd miskend door de scheidsrechter op de Ida. Ik heb misschien spijt dat ik de strijd om Carthago niet koesterde, omdat mijn rijtuig en wapens daar zijn. Ik heb misschien berouw dat ik Sparta, en Argos, en mijn Mycene, en het oude Samos, onder de laars van Latium heb gebracht. Voeg hier de oude Tatius aan toe, en de Faliscanen, die Hera aanbidden, die ik desondanks liet onderwerpen door de Romeinen. Maar laat ik geen spijt hebben, want er is geen ander volk dat mij liever is. Hier mag ik aanbeden worden, hier mag ik de tempel met mijn eigen Zeus bezetten. Mavors zelf heeft tegen mij gezegd, ‘Ik vertrouw deze muren aan u toe. U zult machtig zijn in de stad van uw kleinzoon.’ Zijn woorden werden vervuld, ik word vereerd op honderd altaren, en dat de maand naar mij is vernoemd is niet de geringste die eer. Toch is het niet alleen Rome die me deze eer verleent. De inwoners van naburige steden verlenen me hetzelfde compliment. Kijk naar de kalender van bebost Aricia, en de kalenders van het Laurentiaanse volk en naar mijn eigen Lanuvium. Ook daar is een maand juni. Kijk naar Tibur en de heilige muren van de Praenestiaanse godinnen, daar zul je ook de naam van Hera tegenkomen. Hoewel Romulus deze steden niet stichtte, was Rome de stad van mijn kleinzoon.’

6; 65-88
Zo eindigde Hera. Ik keek achterom. Daar stond de vrouw van Heracles, en in haar gezicht waren tekenen van kracht te zien. ‘Als mijn moeder mij opdracht geeft om direct uit de hemel te vertrekken,’ zei ze, ‘zal ik niet aarzelen en de opdracht van mijn moeder inwilligen. Ook ik ben niet tevreden over de naam van het seizoen. Ik pleit, en speel bijna de rol van een pleitbezorger, maar geef de voorkeur om slechts te bidden, voor de handhaving van mijn recht. U zelf kunt voor mijn zaak pleiten. Mijn moeder bezit het gouden Capitool, waar ze de tempel deelt, en, als het goed is, samen met Zeus de top ervan deelt. Maar al mijn roem komt uit de naamgeving van die maand. De eer waarmee ze mij plagen is de enige waar ik van geniet. Wat voor kwaad doet het, O Romein, als u de naam van de maand schenkt aan de vrouw van Heracles, en als het nageslacht dat geschenk herinnert en goedkeurt? Dit land is mij ook iets verschuldigd vanwege de daden van mijn grote man. Hier dreef hij de veroverde kudde heen, hier kleurde Cacus, slecht beschermd door de vlammen, het geschenk van zijn vader, de grond van het Aventijn met zijn bloed. Maar latere thema’s roepen mij aan. Romulus verdeelde en scheidde het volk in tweeën op basis van hun leeftijd. De een was eerder bereid om advies te geven, de ander om te vechten. De ene leeftijd adviseerde oorlog, de andere voerde die uit. Zo besloot hij, en verdeelde de maanden op dezelfde gronden. Juni is de maand van de jongeren (iuvenes), de voorafgaande maand die van de ouderen.’

6; 89-96
Zo sprak zij, en in de hitte van hun wedijver zouden de godinnen een woordenstrijd zijn aangegaan, waar woede hun natuurlijke genegenheid zou hebben verloochend. Maar Concord werd, plotsklaps een godin door de heerser van de Oceaan, haar lange lokken wonden zich ineen met het laurier van Apollo. Toen ze vertelde dat Tatius en de dappere Quirinus, en hun twee koninkrijken en bevolkingen, zich verenigd hadden, en hoe hun schoonvaders werden ontvangen in een gemeenschappelijk huis, ‘De maanden van juni,’ zei ze, ‘kregen hun naam vanwege die vereniging.’

6; 97-100
Zo werden drie oorzaken aangevoerd, Maar vergeef me, gij godinnen, de zaak is niet aan mij om te beslissen. Jullie zijn mij allen even lief. Pergamum werd vernietigd door hem die de prijs aan de mooiste toekende. Twee godinnen maken meer stuk dan één kan maken.

KAL. IVN. 1e

6; 101-130
De eerste dag wordt aan u gegeven, Carna. Zij is de godin van het scharnier. Door haar goddelijke macht opent ze dat wat gesloten is, en sluit datgene wat open is. De tijd heeft de traditie doen vervagen die vertelde hoe zij aan de vermogens kwam die ze bezit, maar je zult het te weten komen door mijn lied. In de buurt van de Tiber ligt het oude bos van Alernus. De priesters brengen er nog steeds offers heen. Daar werd een Nimf geboren (mensen noemden haar vroeger Cranaë), vaak vergeefs het hof gemaakt door vele minnaars. Het was haar gewoonte om het platteland af te schuimen en met pijlen op wilde beesten te jagen, en in de lage valleien haar netten uit te zetten. Ze had geen pijlenkoker, maar toch dacht men dat zij de zus van Apollo was. En jij, Apollo, hoefde je vanwege haar niet te schamen. Wanneer een verliefde jongeman haar aansprak, gaf ze hem steevast dit antwoord: ‘Op deze plek is er teveel licht, en met dat licht teveel schaamte. Als jij wilt voorgaan naar een meer rustiger gelegen grot, zal ik volgen.’ Terwijl hij vol vertrouwen voorop ging, stopte zij niet eerder dan dat zij de struiken bereikt had, waar zij zich in verstopte, en nooit meer te vinden was. Janus had haar gezien, en bij haar aanblik werd zijn passie gewekt. Hij sprak lieve worden tegen de hardvochtige Nimf. De Nimf verzocht hem zoals gebruikelijk een afgezonderde grot op te zoeken, en ze deed alsof ze hem op zijn hielen volgde, maar verliet haar gids. Tedere dwaas! Janus zag wat er achter zijn rug gebeurde. Uw inspanning was tevergeefs. Hij zag uw schuilplaats achter hem. Zie, ijdel zijn uw inspanningen, zei ik, want hij ving u in zijn omarming terwijl u zich schuil hield onder een rotsblok, en terwijl hij zijn wens ten uitvoer bracht zei hij: ‘In ruil voor ons gedartel zult u de macht over scharnieren krijgen. Neem dat als de prijs voor uw maagdelijkheid.’ Nadat hij dit gezegd had, gaf hij haar een doorn – en deze was wit – waarmee ze al het treurige kwaad van deuren kon afweren.

6; 131-168
Er zijn gulzige vogels, niet degenen die de maaltijd van Phineus’ verziekten, hoewel ze hier wel van afstamden. Hun koppen zijn groot, hun ogen puilen uit, hun snavels zijn gevormd om te roven, hun veren zijn vlekkerig grijs, en hun klauwen voorzien van weerhaken. Zij vliegen ’s nachts en vallen kinderen zonder min aan, vervuilen hun lichaampjes, en graaien ze weg uit hun wiegen. Er wordt verteld dat zij het vlees van zuigelingen wegscheuren met hun snavels, en hun kelen vol van het bloed zijn dat zij drinken. Hun naam is nachtuil, maar zij worden zo genoemd omdat zij gewend zijn om ’s nachts verschrikkelijk te krijsen. Daarom, werden zij of zo geboren als vogels, of zo gemaakt door een betovering en waren het niets anders dan oude wijven die in gevogelte veranderd waren door een vloek van Marsianen, en kwamen zo in de kamers van Proca. In de kamers van Proca, was een kind van vijf dagen oud, een verse prooi voor deze vogels. Ze zogen aan het kind met hun gulzige bekken, terwijl de baby schreeuwde en om hulp riep. Gealarmeerd door de kreet van haar beschermelinge, rende de min naar hem toe en zag dat zijn wangen verscheurd waren door de striemende klauwen. Wat moest ze doen? De kleur op het kindergezicht leek op de normale kleur van herfstbladeren die aangeraakt waren door vroeg invallende vorst. Ze ging naar Cranaë en vertelde wat er was voorgevallen. Cranaë zei: ‘Zet je angst opzij, de zuigeling zal veilig zijn.’ Ze ging naar de wieg. Moeder en vader huilden. ‘Stop jullie tranen,’ zei ze, ‘ik zal het kind genezen.’ Onmiddellijk raakte ze driemaal de deurstijlen aan, de een na de ander, met aardbeibladeren. Driemaal markeerde ze de drempel met aardbeibladeren. Ze besprenkelde de ingang met water (in het water zaten kruiden), terwijl ze de rauwe ingewanden van een twee maanden oude zeug in haar handen hield. En sprak aldus: ‘Jullie vogels van de nacht, spaar het innerlijk van het kind. Een klein slachtoffer sneuvelt voor een klein kind. Neem, bid ik jullie, een hart voor een hart, ingewanden voor ingewanden. Dit leven geven we jullie in ruil voor een beter leven.’ Toen ze zo geofferd had, zette ze de afgehakte ingewanden in de open lucht, en verbood de aanwezigen bij het offer om ernaar te kijken. Een stok van Janus, genomen van de witte hagendoorn, werd in het kleine raam gezet dat licht in de kamers binnenliet. Hierna, zo wordt verteld, bleven de vogels bij de wieg weg, en de jongen kreeg weer zijn oude kleur.

6; 169-182
U vraagt zich af waarom er vet spek wordt gegeten tijdens deze dagen van de kalender, en waarom er bonen met hete spelt worden gemengd. Ze is een godin van vroeger, staat op het voedsel waar ze vroeger aan gewend was, en loopt niet wellustig achter vreemde spijzen aan. In die tijd werden vissen nog niet door mensen gevangen, en oesters zaten nog veilig in hun schelpen. Latium kende het gevogelte nog niet dat het rijke Ionië leverde, noch de vogel die gek was op Pygmeeënbloed. En de pauw was niets anders dan vrolijke kleuren, noch had de aarde daarvoor gevangen dieren gestuurd. Het varken werd gewaardeerd, mensen smulden van het geslachte zwijn. De grond leverde slechts bonen en harde spelt. Wie op hetzelfde moment deze twee soorten voedsel at op de dagen van de zesde maand, kon bevestigen dat er niets met zijn darmen kon gebeuren.

6; 183-190
Ze zeggen ook dat de tempel van Hera Moneta was gesticht op uw belofte, Camillus, op de top van de citadel. Voorheen was het in het huis van Manlius, die eens de Capitoolse Zeus beschermde tegen Gallische wapens. Grote goden, hoe goed zou het voor hem geweest zijn als hij was gesneuveld tijdens de verdediging van uw troon, O Zeus in de hoogte! Hij leefde om te sterven, veroordeeld op een beschuldiging om u naar de kroon te streven. Dat was de titel die jarenlang voor hem was gereserveerd.

6; 191-196
Dezelfde dag is er een festival van Ares, wiens tempel, naast de Overdekte Weg staat, en van verre te zien is buiten de Poort van Capene. Ook u, O Storm, verdiende een heiligdom, door onze bekentenis, in de tijd dat de vloot bijna werd verslagen in de zeeën om Corsica. Deze monumenten die door mensen zijn opgericht zijn duidelijk voor iedereen te zien. Als je naar de sterren kijkt, verrijst dan de grote vogel van Zeus met zijn van haken voorziene klauwen.

IV. NON. 2e

6; 197-198
De volgende dag roept de Hyaden op, die de hoorns op het hoofd van de Stier vormen. En de aarde wordt dan doorweekt met hevige regenval.

III. NON. 3e

6; 199-208
Wanneer de ochtend tweemaal is gepasseerd, Helius zijn opkomst tweemaal heeft herhaald, en de gewassen tweemaal zijn bevochtigd door de verse dauw, op die dag werd Enyo ingewijd, zo wordt verteld, in de Toscaanse oorlog, en komt ze altijd gracieus naar Latium. Haar grondlegger was Appius, die dit, toen de vrede aan Pyrrhus werd geweigerd, duidelijk in zijn geest zag, hoewel hij blind was. Een kleine open ruimte in de tempel verschaft een blik op het dak van het Circus. Daar stond een kleine zuil van niet gering belang. Het is een gewoonte om daar met de hand een speer vanaf te werpen, voorbode van de oorlog, wanneer besloten is om een oorlog te beginnen tegen een koning en volkeren.

PR. NON. 4e

6; 209-214
Het andere deel van het Circus wordt beschermd door de Wakende Heracles. De deugdzame god heeft zijn plek voor het orakel van Euboea. De dag dat hij zijn plek innam is de dag voor de Nones. Als je me naar de inscriptie vraagt, het was Sulla die het werk goedkeurde.

NON. 5e

6; 215-218
In vroeg of ik de Nones moest toewijzen aan Sancus of Fidius, of aan u, Vader Semo. Toen zei Sancus tegen mij: ‘Aan wie je ze ook wilt toewijzen, de eer valt aan mij toe. Ik draag alle drie de namen, zo wenste het volk van de Curen het.’ Bijgevolg gaven de Sabijnen van weleer hem een tempel, en vestigden die op de heuvel van Quirinus.

VIII. ID. 6e

6; 219-234
Ik heb een dochter, en ik bid dat ze mij zal overleven, ik zal altijd gelukkig zijn terwijl ze overleefd. Toen ik voor haar een schoonzoon zocht, vroeg ik welke dingen geschikt waren voor huwelijken en welke vermeden moesten worden. Toen bleek me dat na de heilige Ides juni een goede maand is voor bruiden en bruidegommen, maar dat het eerste deel van de maand niet geschikt bleek voor huwelijken. Want de heilige vrouw van de Flamen Dialis sprak aldus tegen mij: ‘Tot het moment dat de kalme Tiber het vuil uit de tempel van de Iliaanse Hestia heeft afgevoerd, is het voor mij niet legaal om mijn haren te kammen met een getande kam, of mijn nagels te knippen met ijzer, of mijn echtgenoot aan te raken, hoewel hij een priester van Zeus is, en hij mij voor het leven is geschonken. Hebt ook, u, geen haast. Uw dochter zal een beter huwelijk sluiten als Hestia’s vuren boven een schone vloer stralen.’

VII. ID. 7e

6; 235-240
Er wordt verteld dat Phoebe op de derde ochtend na de Nones (de kleinzoon van) Lycaon verjoeg, en de Beer niemand meer achter zich had om te vrezen. Toen herinnerde ik mij dat ik gezien had dat er spelen waren gehouden op het Veld van Ares, en dat deze de zijne werden genoemd. O kalme Tiber. De dag is een festival voor diegenen die hun druipende lijnen voorttrekken en hun bronzen haken verstoppen in klein aas.

VI. ID. 8e

6; 241-248
De geest heeft ook zijn god. We zien dat er een heiligdom is opgedragen aan de Geest tijdens de verschrikkingen van uw oorlog, jullie verraderlijke Carthagianen. Jullie lieten de oorlog weer uitbarsten, en, als de bliksem getroffen door het overlijden van de consul, vreesden alle troepen van de Moren. Angst had de hoop verdreven, toen de Senaat de gelofte aan de Geest aflegde, en ze kwamen er direct beter voor te staan. De dag waarop de gelofte aan de godin moet worden afgelegd is gescheiden van de komende Ides door zes tussenliggende dagen.

V. ID. 9e

6; 249-282
O Hestia, schenk mij uw gunsten! Open tijdens uw dienst mijn lippen, als het toegestaan is dat ik mag deelnemen aan uw heilige riten. Ik was bezig met een gebed. Ik voelde de hemelse godin, en de verheugde grond gloeide met een paars licht. Niet dat ik u zag, O godin, (de leugens van een dichter liggen ver van mij af!), noch was het de bedoeling dat een man naar u zou opkijken. Maar mijn onwetendheid was verlicht en mijn fouten werden gecorrigeerd zonder hulp van een priester. Ze vertellen dat Rome de Parillia veertig keer heeft gevierd toen de godin, Bewaakster van het Vuur, in haar tempel ontvangen werd. Het was door toedoen van de vredelievende koning, die als geen ander een uiterst godvrezend mens was welke ooit in het Sabijnse land was geboren. De gebouwen die je nu met brons bedekt ziet zou je toen met riet hebben gezien, en de muren van ineengeweven taaie wilgentenen. Op deze kleine plek, die nu de Hal van Hestia draagt, stond toen het grote paleis van de ongeschoren Numa. Toch is de vorm van de tempel, zoals die er nu staat, nog hetzelfde als vroeger, zo wordt verteld, en gebaseerd op een degelijke reden. Hestia Is gelijk aan de Aarde. Onder hen beiden brandt een eeuwig vuur. De aarde en de haard zijn de symbolen van het huis. De aarde is als een bal, niet rustend op een zuil. Hetzelfde gewicht hangt onder haar in de lucht. Door haar eigen rotatiekracht blijft de bol in evenwicht. Ze heeft geen hoek die ergens op drukt. Omdat zij in het midden van de wereld is geplaatst en op geen enkele manier iets anders raakt, want als zij niet rond als een bol was, zou zij dichter bij het ene dan het andere deel staan, en zou het heelal haar niet als centraal gewicht hebben. Daar staat een wereldbol die op Syracusiaanse manier in de lucht is opgehangen, een kleine afbeelding van het enorme gewelf van de hemel, en de aarde staat even ver van de boven- als de onderkant af. Dat wordt veroorzaakt door zijn ronde vorm. De vorm van de tempel is identiek. Er is geen hoek in te bekennen, een koepel beschermt haar tegen regenbuien.

6; 283-294
Je vraagt je af waarom de godin wordt omringd door maagdelijke priesteressen. Daar zal ik ook de ware oorzaak van onthullen. Ze vertellen dat Hera en Demeter uit Rhea werden geboren door het zaad van Cronus. De derde dochter was Hestia. De andere twee trouwden. Van beiden is gemeld dat zij kinderen kregen, van de drie bleef er één over, die weigerde om een man te nemen. Is het een wonder dat een maagd genoegen schept in maagdelijke priesteressen en alleen kuise handen toestaat om haar heilige voorwerpen aan te raken? Hestia was alleen van levende vlammen zwanger, en je weet dat er geen lichamen worden geboren uit vlammen. Terecht is ze daarom een maagd die geen zaad geeft of ontvangt, en houdt ze van maagdelijk gezelschap.

6; 295-318
In mijn domheid heb ik lang gedacht dat er beelden van Hestia waren. Later kwam ik er achter dat die er niet waren onder haar gebogen koepel. Een onsterfelijk vuur is verborgen in die tempel, maar er is geen beeltenis van Hestia of van het vuur. De aarde staat daar door zijn eigen kracht. Hestia wordt zo genoemd door daar krachtig te staan (vi stando). En de reden voor haar Griekse naam zou vergelijkbaar kunnen zijn. Maar de haard (focus) wordt zo genoemd naar de vlammen, en omdat het alle dingen koestert (fovet). No niet zo lang geleden stond deze in de eerste kamer van het huis. Hierdoor ben ik van mening dat de vestibule haar naam heeft gekregen. Daarom beginnen we vanaf dat punt met onze gebeden aan Hestia, die de eerste plaats bezet. Het was vroeger de gewoonte om op lange banken voor de haard te zitten en te denken dat de goden aan de tafel aanwezig waren. Zelfs nu nog, wanneer er offers aan de oude Vacuna gebracht worden, staan en zitten zij voor de haarden. Iets van deze oude gewoonten is naar onze tijd overgeleverd. Een gereinigde schotel bevat het voedsel dat aan Hestia geofferd wordt. Zie, broden worden aan met kransen versierde ezels gehangen, en bloemenslingers versieren de ruwe molenstenen. Boeren gebruikten vroeger alleen spelt in de ovens om brood te maken, en de godin van de ovens heeft haar eigen heilig riten. De haard bakte uit zichzelf het brood dat onder de as was gestopt, en een gebroken tegel werd op de warme vloer gelegd. Daarom eert de bakker de haard en de meesteres van de haarden en de ezellinnen die de molenstenen van puimsteen laten draaien.

6; 319-348
Zal ik vertellen over uw schande of die overslaan, roodwangige Priapus? Het is een kort, maar een zeer vrolijk verhaal. Cybele, wiens hoofd is bekroond met een krans van torens, nodigde de eeuwige god uit op haar feest. Ze nodigde alle Saters en landelijke goden, en de nimfen uit. Silenus kwam, hoewel niemand hem gevraagd had. Het is onwettig, en zeer vervelend, om over de feestmaaltijden van de goden te praten. De lange nacht ging voorbij met veel drank. Sommigen zwierven op willekeurige wijze in de beschaduwde valleien van de Ida rond, anderen lagen op de grond en strekten hun lichamen uit op het zachte gras. Weer anderen speelden, anderen sliepen. Sommigen, met de armen in elkaar gehaakt, dansten met snelle voeten driemaal op de groene grond. Hestia rustte en genoot zorgeloos van een vredige slaap, precies zoals ze lag, met haar hoofd op een graszode. Maar de rossige hoeder van tuinen maakte nimfen en godinnen het hof, en zwierf overal heen. Zo zag hij ook Hestia. Het is twijfelachtig of hij haar voor een nimf hield of dat hij zag dat het Hestia was. Hijzelf zei dat hij haar niet kende. Hij werd door wellust overvallen, en probeerde haar steels te benaderen. Hij liep met bonzend hart op zijn tenen. Het toeval wilde dat Silenus zijn ezel had achtergelaten, waarop hij reed, aan de oever van een kabbelend bergbeekje. De god van de lange Hellespont stond op het punt te beginnen, toen de ezel een slecht getimed gebalk liet klinken. Geschrokken door die diepe stem, sprong de godin overeind. De hele groep dromde bijeen. Priapus ontsnapte aan de handen die hem wilde stoppen. Lampsacus die gewend was om deze dieren te offeren aan Priapus, zei: ‘We zullen snel de ingewanden van die verklikker aan de vlammen geven.’ Dat dier, godin, die u moet tooien met halskettingen en broden als herinnering aan de gebeurtenis. Het werk stopte, de molens waren leeg en stil.

6; 349-394
Ik zal de bedoeling van een altaar van Bakker Zeus uitleggen, dat staat op de citadel van de Donderaar en meer beroemder is door zijn naam dan zijn waarde. Het Capitool was omsingeld en werd hevig aangevallen door de felle Galliërs. De lange belegering had al geleid tot hongersnood. Nadat hij de hemelse goden had opgeroepen naar zijn koninklijke troon, zei Zeus tegen Ares, ‘Begin,’ Onmiddellijk gaf Ares antwoord. ‘Voorwaar, niemand kent de toestand van mijn volk, en mijn verdriet zoekt een uitweg in een klacht. Maar u verlangt van mij dat ik in het kort het trieste en beschamende verhaal vertel. Rome ligt aan de voeten van de vijand uit de Alpen. Is dit dan Rome, O Zeus, aan wie de heerschappij over de wereld beloofd is? Is dit het Rome waarmee u de bedoeling had om haar meesters van de aarde te maken? Ze heeft haar buren en de Etruskische legers al vernietigd. Er was een overvloed aan hoop, maar nu is ze van eigen huis en haard verdreven. We hebben oude mannen bekleedt met geborduurde gewaden gezien – de symbolen van de overwinningen die ze hebben behaald – die werden neergehaald in hun met brons beklede zalen. We hebben de beloften van de Iliaanse Hestia zien verwijderen uit haar eigen huis. De Romeinen geloven duidelijk dat sommige goden bestaan. Maar als zij omkijken naar de citadel waarin zij woonden, en zo veel van hun woningen belegerd zien, zouden ze weten dat de aanbidding van de goden hen niet baatte, en dat wierrook geofferd door een angstige hand geen nut heeft. Ik wilde dat ze een onbezet slagveld konden vinden! Laat ze de wapens opnemen, als zij hen niet kunnen verslaan laat ze dan sneuvelen! Zoals het nu is, uitgehongerd en als lafaards bang voor de dood, zitten zij opgesloten en zwaar aangevallen door een barbaarse bende vast op hun eigen heuvel.’ Toen pleitten Aphrodite en Quirinus, met de pracht van zijn voorspellende staf en gestreepte toga, en Hestia hevig voor hun Latium. Zeus antwoordde: ‘een strategische voorziening is belast met de verdediging van gindse muren. Gallië zal overwonnen worden en haar straf ondergaan. Alleen jij, Hestia, moet er voor zorgen dat er overvloedig wordt gedacht aan het graan dat ontbreekt, en dat jij je juiste zetel niet verlaat. Laat al het graan dat nu ondergronds is verborgen vermalen worden in de holle molen, laat het met de hand gekneed en gebakken worden in de oven.’ Zo gaf Zeus opdracht, en de maagdelijke dochter van Cronus stemde in met de opdracht van haar broer, het was middernacht. Slaap overwon de vermoeide aanvoerders. Zeus kwam in een droom naar hen toe, en met zijn heilige lippen vertelde hij zijn wil. ‘Sta op en werp van de bovenste kantelen de laatste voorraden die jullie hebben midden tussen de vijanden die jullie het veld willen laten ruimen.’ Slaap verliet hen, en bewogen door het vreemde raadsel vroegen zij welke voorraden zij tegen hun eigen wens in moesten inzetten. Zij dachten dat het graan moest zijn. Zij wierpen de geschenken van de Graangodin naar benenden, die, terwijl ze vielen, op de helmen en de lange schilden van de vijand kletterden. De hoop dat de citadel kon worden overwonnen door uithongering verdween. De vijand werd afgeslagen en er werd een wit altaar opgericht voor Bakker Zeus.

6; 395-416
Het toeval wilde dat ik tijdens het festival van Hestia terugkeerde over de weg die nu de Nieuwe Weg verbindt met het Romeinse Forum, daar zag ik een getrouwde vrouw blootsvoets aankomen. Verbaasd hield ik mijn mond en stopte. Een oude vrouw uit de buurt merkte me op, en gebiedend om te gaan zitten sprak ze mij met trillende stem, terwijl ze haar hoofd schudde. ‘Deze grond, waar nu de pleinen zijn, werd ooit door natte moerassen ingenomen. Een greppel was doordrenkt met het water dat van de rivier stroomde. Dat Meer van Curtius, dat droge altaren ondersteund, is nu vaste grond, maar was vroeger een meer. Waar nu de processies gewend zijn om te defileren vanaf het Velabrum naar het Circus, waren vroeger alleen maar wilgen en holle rietpluimen. De roeiers waren vroeger gewend, naar huis terugkerend over het water van de voorstad, om een deuntje te blazen en malle woorden te roepen tegen passerende zeelieden. Gindse god (Vertumnus), wiens naam behoort bij verschillende gedaanten, had die nog niet ontleend aan het indammen van de rivier (averso amne). Hier was ook een bos dat overwoekerd was met biezen en rietpluimen, en een moeras dat niet betreden kon worden met schoenen aan de voeten. De poelen hebben zich teruggetrokken, en de rivier houdt zijn water binnen de oevers, en de grond is nu droog. Maar de oude gewoonte overleeft.’ De oude vrouw verklaarde aldus de gewoonte. ‘Vaarwel, goede oude dame,’ zei ik. ‘moge de rest van uw leven vrij van zorgen zijn!’

6; 417-436
De rest van het verhaal had ik al in mijn jeugd leren kennen, desondanks kan ik het niet in stilte voorbij laten gaan. Ilus, een afstammeling van Dardanus, had laatst een nieuwe stad gesticht (Ilus was nog steeds rijk en bezat alle rijkdommen van Azië). Men gelooft dat een heilig beeld van de gewapende Athene op de heuvels van de Iliaanse stad sprong. (Ik was bang om het te zien. Ik zag de tempel en de plek. Dat is alles wat er van overgebleven is. Het beeld van Athena is in Rome.) Smintheus werd geraadpleegd, en in het schemerachtige licht van zijn beschaduwde bos gaf hij dit antwoord met zijn waarheid sprekende mond: ‘Behoedt de hemelse godin, en zij zal uw stad beschermen. Ze zal de troon van het rijk met zichzelf meebrengen.’ Ilus behield het beeld van de godin en borg het op in het dak van de citadel. Deze plicht werd opgelegd aan zijn erfgenaam Laomedon. Tijdens de regeerperiode van Priamus werd niet goed op het beeld gepast. Dit gebeurde door de wil van de godin sinds er een oordeel over haar was uitgesproken tijdens de schoonheidswedstrijd. Of het nu de afstammeling van Adrastus, of de slinkse Odysseus, of Aeneas was, maar men vertelt dat het werd weggevoerd. Welke boosdoener is onzeker, maar het ding is nu in Rome. Hestia bewaakt het, omdat zij alle dingen ziet bij haar vuur dat nooit uitgaat.

6; 437-454
Ach, wat was de Senaat in rep en roer toen de tempel van Hestia vlam vatte, en de godin bijna begraven werd onder haar eigen dak! Heilige vuren brandden, gevoed door kwade vuren, en een ontheiligde vlam smolt samen met een vrome vlam. De priesters huilden verbaasd met wapperende haren. Angst had hen beroofd van hun lichamelijke kracht. Metellus holde naar hen toe en schreeuwde met luide stem, ‘Haast je naar de redding! Er schuil geen hulp in huilen. Neem in jullie maagdelijke handen de belofte die je door het lot is geschonken. Niet door gebeden maar door daden kan zij gered worden. Wee mij, waarom aarzelen jullie?’ zei hij. Hij zag dat ze aarzelden en door hun knikkende knieën zakten. Hij pakte het water, en tilde hun handen op. ‘Vergeef me, jullie heilige wezens,’ zei hij, ‘ik, een man, zal de plekken binnengaan waar nog nooit een man een voet heeft neergezet. Als het een misdaad is, laat dan de straf of de dood over me heen komen! Laat mij met mijn hoofd de straf betalen, dan gaat Rome vrijuit!’ Met deze woorden stormde hij naar binnen. De godin die hij wegdroeg keurde de daad goed en werd gered door de toewijding van haar hogepriester.

6; 455-460
U heilig vuur, nu straalt u helder onder de heerschappij van Ceasar. Het vuur is en blijft in de Iliaanse haarden branden, en er zal niet verteld worden dat onder zijn leiderschap een priesteres haar heilige hoofdband heeft vervuild, en niemand zal levend begraven worden. Dat is het lot van haar die onkuis bewijst te zijn, en in de aarde wordt opgeborgen waarmee ze is besmet, want Aarde en Hestia zijn één en dezelfde godheid.

6; 461-468
Toen kreeg Brutus zijn achternaam van de Gallaecaanse vijand, en kleurde de Spaanse grond rood met bloed. Om er zeker van te zijn, zorgen zijn soms vermengd met vreugde, dat festivals enige tijd onvermengde vrolijkheid voor het volk zijn. Crassus verloor zijn adelaars, zijn zoon, en zijn soldaten bij de Euphraat, en als laatste van iedereen zichzelf. ‘Waarom juichen jullie, Parthianen?’ zei de godin. ‘Jullie zullen de vaandels terugsturen, en er zal een wreker komen die de straf zal uitvoeren voor de dood van Crassus.’

IV. ID. 10e

6; 469-472
Maar zodra de langorige ezel van hun viooltjes waren ontdaan, en de ruwe molenstenen de vruchten van Demeter vermaalden, zei de zeeman, op de achtersteven zittend, ‘We zullen de Dolfijn zien, wanneer de dag op de vlucht wordt gejaagd en de donkere nacht opkomt.

III. ID. 11e

6; 473-506
Nu, Phrygische Tithonus, u klaagt dat u in de steek bent gelaten door uw echtgenoot, als de waakzame Morgenster opkomt uit het oostelijke water. Ga, goede moeders (de Matralia is jullie festival), en offer aan de Thebaanse godin en biedt haar de gele broden aan die haar toekomen. Aan de bruggen en het grote Circus grenst een open plek die wijd en zijd beroemd is, en haar naam ontleent aan het beeld van een os. Daar wijdde, op deze dag, zo wordt verteld, Servius met zijn eigen gekroonde handen de tempel van Moeder Matuta in. Wie is die godin, en waarom weert ze vrouwelijke slaven van de drempel van haar tempel, en waarom roept ze om gebakken brood, verklaar, O Dionysus, in wiens lokken druiventrossen en klimop zijn gevlochten, en leidt de weg van de zanger, als dat huis van de godin ook het uwe is. Omdat Zeus toegaf aan het verzoek van Semele werd zij verteerd door vuur. Ino nam u op, jonge Dionysus, en verzorgde u met de grootst mogelijke zorg. Hera was laaiend op Ino omdat deze de zoon grootbracht die was weggegraaid bij de minnares moeder. Maar die zoon was van het bloed van haar zus Ino. Daarom werd Athamas achtervolgd door de Erinyen en een misleidend visioen, en kleine Learchus, jij sneuvelde door de hand van je vader. Zijn treurende moeder vertrouwde de schaduw van Learchus toe aan het graf en betoonde alle eer aan de treurige brandstapel. Ook zij, nadat zij haar treurige haar had uitgerukt, sprong de diepte in en graaide jou, Melicertes, mee uit jouw wieg. Er is daar land, een smalle strook, die twee zeeën weert, en, alleen op zichzelf, wordt gestriemd door twee watermassa’s. Daar ging Ino naar toe, haar zoon omklemmend in een waanzinnige omarming, en wierp zichzelf en hem van een hoge rots in de diepte. Panope en haar honderd zusters ontvingen hen ongedeerd, en droegen het tweetal, soepel door het water glijdend, naar hun koninkrijk. Ze bereikten de monding van de breed wervelende Tiber voordat Ino de naam van Leucothea ontving en haar zoon Palaemon werd genoemd. Daar was een heilig bos. Het is twijfelachtig of dat het bos van Semele of het bos van Stimula moet worden genoemd. Ze zeggen dat het werd bewoond door de Ausonische Maenaden. Ino vroeg hen wat hun nationaliteit was. Ze hoorde dat zij Arcadiërs waren en dat Evander koning van het land was.

6; 507-550
Haar godenstatus verhullend, stookte de dochter van Cronus de Latijnse Bacchananten op met verbloemende woorden: ‘Dit gaat te eenvoudig! O verblinde harten! Deze vreemdelinge zal geen vriendin van onze samenkomsten worden. Haar doel is verraderlijk, ze wil onze geheime riten leren kennen. Maar ze heeft een gelofte afgelegd waardoor wij ons kunnen verzekeren van haar straf.’ Ze was nauwelijks uitgesproken, toen de Thyiaden, met hun haren los wapperend, de lucht vervulden met hun gehuil, Ino vastgrepen, en probeerden om de jongen van haar af te nemen. Ze beriep zich op de goden die ze nog steeds niet kende: ‘U goden en mensen van het land, kom een ellendige moeder te hulp!’ De kreet bereikte de naburige rotsen van het Aventijn. De Oetaeaanse held die de Iberiaanse koeien naar de rivieroever had gedreven. Hij hoorde haar en haastte zich met grote snelheid naar de stem. Bij de nadering van Heracles sloegen de vrouwen, die zo-even nog op het punt stonden om geweld te plegen, schaamtevol op de vlucht. ‘Wat deed u daar, o zus van Dionysus’ moeder?’ vroeg Heracles, want hij herkende haar. Kwelt dezelfde god die mij kwelt ook u?’ Ze vertelde hem een deel van het verhaal, maar de aanwezigheid van haar zoon verhinderde haar om alles te vertellen. Want zij schaamde zich dat zij door de Erinyen tot misdaden was aangezet. Het Gerucht – want dat is snel – reikt ver op wiekende vleugels, en jouw naam, Ino, was op vele lippen. Er wordt verteld dat je als gast de woning van de loyale Carmentis binnenging en daar hongerend verbleef. Van de Tegeaanse priesters wordt verteld dat zij snel brood maakten met hun eigen handen en die snel in de haard bakten. Zelfs tot op de dag van vandaag houden ze van brood op het festival van de Matralia. Gewone beleefdheid was voor hen belangrijker dan de verfijningen van de kunst. ‘Onthul nu,’ zei Ino, ‘o profetes, mijn toekomstige lot, zover dat binnen uw mogelijkheden ligt. Ik bid u, voeg deze gunst toe aan de gastvrijheid die ik tot op heden al heb genoten.’ Een korte pauze volgde, de profetes aanvaardde haar hemelse krachten, en haar boezem zwol van majesteitelijke goddelijkheid. Plotseling herkende je haar niet meer. Zo heilig, zo veel grootser was ze dan ze daarvoor was geweest. ‘Ik zal over blijde berichten zingen. Verheug je, Ino, jouw gezwoeg is over,’ zei ze, ‘O kom altijd genadig tot dit volk! Je zult een godheid van de zee worden. Je zoon, zal ook zijn huis in de oceaan hebben. Neem beiden een nieuwe naam in verschillend water aan. Jij zult Leucothea door de Grieken worden genoemd en Matuta door ons volk. Je zoon zal alle macht over de havens hebben. Hij die we Portunus noemen zal Palaemon in zijn eigen taal genoemd worden. Kom, bid ik je, wees vriendelijk, jullie beiden, voor ons land!’ Ino boog instemmend, ze gaf haar belofte. Haar problemen waren over. Zij veranderden hun namen. Hij is een god en zij is een godin.

6; 551-568
Je vraagt waarom ze slavinnen verbiedt haar te naderen? Ze haat ze, en de bron van haar haat, en haar vertrek, zal ik in een lied vertellen. Een van uw dienaressen, dochter van Cadmus, gaf vaak toe aan de omhelzingen van je echtgenoot. De schelmachtige Athamas hield in het geheim van haar, en via haar kwam hij er achter dat zijn vrouw geroosterd korenzaad aan de boeren gaf. Je ontkende het zelf, maar het gerucht bevestigde het. Dat is de reden waarom je de diensten van slavinnen haat. Laat desondanks een liefdevolle moeder niet tot haar bidden namens haar eigen kinderen. Zijzelf bewees geen geslaagde moeder te zijn. Je kunt beter de kinderen van een ander aan haar zorgen toevertrouwen. Ze was dienstbaarder aan Dionysus dan aan haar eigen kinderen. Er wordt verteld dat zij tegen jou, Rutilius, zei: ‘Waar haast jij je naar toe? Tijdens uw consulschap zal u op mijn dag sneuvelen door de handen van vijandelijke Marsianen.’ Haar woorden werden vervuld, en het water van de Tolenus kleurde paars, zijn water werd vermeng met bloed. Toen het volgende jaar was aangebroken verdubbelde, Didius, die op dezelfde dag werd gedood, de krachten van de vijand.

6; 569-584
Dezelfde dag, Fortuna, is de uwe, met dezelfde stichter, en dezelfde plaats. Maar wie is de gedaante die is verscholen onder die lagen mantels? Het is Servius, dat is het zeker, maar er worden verschillende redenen genoemd voor deze camouflage, en ook mijn geest wordt door twijfel geplaagd. Terwijl de godin timide haar heimelijke liefde opbiecht, en bloost omdat ze als hemels wezen meent dat ze met slechts één man mag leven (want ze brandde met een diepe, gepassioneerde liefde voor de koning, en hij was de enige man waarvoor ze niet blind was), was ze gewend om zijn huis via een klein raam (fenestra) binnen te gaan, vandaar dat de poort de naam Fenestella (‘het kleine raam’) draagt. Tot op de dag vandaag schaamt zij zich en verstopt haar geliefde gelaatstrekken onder een sluier, en het gezicht van de koning wordt door vele mantels bedekt. Of is in plaats hiervan de waarheid dat na de moord op Tullius het gewone volk verbijsterd was vanwege de dood van de zachte leider, hun verdriet geen grenzen kende, en hun zorgen toenamen door de aanblik van zijn beeltenis, totdat zij hem verborgen door er mantels overheen wierpen?

6; 585-636
De derde oorzaak moet met een langer verhaal in mijn lied uiteengezet worden, hoewel ik mijn paarden zal intomen. Nadat zij haar huwelijk door een misdaad had geregeld, stookt Tullia haar man op met de volgende woorden: ‘Wat heeft het voor zin gehad dat wij aan elkaar gekoppeld zijn, jij door de moord op mijn zuster, en ik door die op jouw broer, wanneer we ons tevreden moeten stellen met een leven van deugdzaamheid? Het zou beter geweest zijn als mijn man en jouw vrouw nog geleefd hadden, als we geen grotere waagstukken durven te ondernemen. Ik bied mijn bruidsschat en koninkrijk van mijn vader aan. Als jij een echte man bent, ga dan, en eis de beloofde bruidsschat op. Misdaad is iets voor koningen. Doodt de vrouw van mijn vader en grijp het koninkrijk, en dompel onze handen in het bloed van mijn vader.’ Aangespoord door deze woorden, hoewel gewoon burger nam hij bezit van de hoge troon. De massa, verbaasd, greep snel de wapens. Vandaar het bloed en de slachtpartijen, en de zwakke oude man werd overmeesterd. Zijn schoonzoon (Tarquin) de Trotse greep de scepter van zijn schoonvader. Servius zelf, aan de voet van de Esquinse heuvel, waar zijn paleis was, viel vermoord en bloedend op de harde grond. Met een rijtuig reed hij naar het huis van zijn vader, en passeerde zijn dochter midden op straat, trots en hooghartig. Toen hij het lijk van zijn vader zag, barstte de bestuurder in tranen uit en trok op. Ze sprak hem aan in de volgende termen: ‘Wil je verder rijden, of wil nu loyaal wachten om te profiteren van deze bittere vruchten? Rij, zeg ik, met de onwillige wielen over zijn gezicht!’ Een sterk bewijs voor deze misdaad is dat de straat naar haar ‘goddeloos’ is vernoemd. Het gebeuren werd met eeuwige schande gebrandmerkt. Maar daarna waagde zij het om de tempel aan te raken, het monument van haar vader. Raar maar waar is het verhaal dat ik vertel. Er was daar een standbeeld op een troon van Tullius. Er wordt verteld dat hij zijn handen naar zijn ogen bracht, en er een stem werd gehoord, ‘Bedek mijn gezicht, opdat ik het afschuwelijke gezicht van mijn eigen dochter niet zie.’ Het standbeeld werd met een voor dat doel uitgeleende mantel bedekt. Fortuna verbood dat het kledingstuk werd verwijderd, en aldus sprak ze tot het volk vanuit haar eigen tempel: ‘De dag waarop het beeld van Servius zal worden onthuld door zijn gezicht te ontbloten zal de eerste dag zijn dat kuisheid met de wind wordt weggevoerd. U getrouwde vrouwen, onthoudt u van het aanraken van deze verboden kledingstukken. Het is voldoende om gebeden met plechtig geluid te spreken. Laat het gezicht van hem die de zevende koning in onze stad was altijd met Romeinse draperieën bedekt zijn. Deze tempel is ooit verbrandt, maar het vuur spaarde het beeld. Mulciber redde zelf zijn zoon. Want de vader van Tullius was Hephaistos, zijn moeder was de mooie Ocresia van Corniculum. Nadat hij met haar de heilige riten in de juiste vorm had uitgevoerd, gaf Tanaquil opdracht aan Ocresia om wijn op de haard te gieten, die was versierd. Onder de as lag, of leek zo te zijn, de vorm van een mannelijk lid. Maar de vorm was daar echt. In opdracht van haar meesteres, zat de gevangen Ocresia neer bij de haard. Zij werd zwanger van Servius, die aldus met zaad uit de hemel was verwekt. Zijn verwekker gaf een teken van zijn vaderschap toen hij het hoofd van Servius aanraakte met glanzend vuur, en op het haar van de koning er een vlammenhoed brandde.

6; 637-648
Ook aan u, Concordia, wijdde Livia een prachtig heiligdom, dat ze aan haar lieve echtgenoot gaf als geschenk. Maar weet, tijden die komen, dat waar de colonnade van Livia nu staat, stond vroeger eens een groot paleis. Dit enkele huis was als de structuur van een stad. Het nam een plek in beslag die groter was dan de ruimte die een muur van menige stad omringt. Het werd met de grond gelijk gemaakt, niet op beschuldiging van verraad, maar omdat men dacht dat haar weelderigheid schadelijk was. Ceasar duldde het dat dit grote gebouw omver werd geworpen, en zoveel weelde werd vernietigd, waar hijzelf de erfgenaam van was. Dat is de manier om censuur uit te oefenen. Dat is de manier om een voorbeeld te stellen, wanneer een handhaver van het recht zelf doet en anderen waarschuwt om dat niet te doen.

PR. ID. 12e t/m ; ID. 13e

6; 649-692
De volgende dag heeft geen teken waarmee je die kan aanmerken. Op de Ides was een tempel opgedragen aan de onoverwinnelijke Zeus. En ben ik genoodzaakt om over de Kleine Quinquatrus te vertellen. Begunstig nu mijn onderneming, u blondharige Athena. ‘Waarom marcheert de fluitspeler door heel de Stad heen? Wat betekenen die maskers? Wat betekenen die lange mantels?’ Zo sprak ik, en Tritonia antwoordde mij aldus, nadat zij haar speer terzijde had gelegd – zoadat ik de woorden van de wijze godin kon opschrijven! ‘In de tijd van jouw voorouders van weleer had de fluitspeler veel werk en werd altijd in ere gehouden. De fluit werd gehoord in tempels, bij spelen, en werd bespeeld op begrafenissen. Het werd beloond met prachtige geschenken. Maar er brak een tijd aan waarin plotseling werd gebroken met deze plezierige kunst. Sterker nog, de aedile had opdracht gegeven dat er slechts tien muzikanten een begrafenisprocessie mochten begeleiden, niet meer. De fluitspelers gingen in ballingschap naar De Stad en trokken zich terug bij Tibur. Tibur was eens een plaats van verbanning! De holle fluit werd gemist in de theaters, gemist bij de altaren, en geen klaagzang begeleidde de baar op zijn laatste mars. In Tibur was een zekere man die slaaf was geweest, maar al lange tijd vrij was, en man zonder enige rang. In zijn boerenstad bereidde hij een feestmaaltijd en nodigde de welluidende menigte uit. Zij verzamelden zich bij de feestelijke tafel. Het was nacht, en hun magen en hoofden zwommen in de wijn, toen er een bode kwam met een verzonnen verhaal, en aldus sprak (tegen de vrijgelatene): ‘Breek de feestmaaltijd direct op, want zie daar komt de meester van uw staf. Onmiddellijk kwamen de gasten in beweging, aangeschoten door de wijn. Ze trilden op hun benen of vielen op de grond. Maar de meester van het huis zei: “Eruit jullie allen!’ Toen ze treuzelden wierp hij hen in een wagen die mooi was bekleed met biezen. De tijd, de beweging, en de wijn verleidde hen om in te slapen, en de aangeschoten bemanning meenden dat zij op de terugweg waren naar Tibur. Maar de wagen ging door de poort van Esquiline de stad Rome in, en stond ’s morgens op het midden van het Forum. Om de Senaat te misleiden betreffende hun persoon en hun aantal, gaf Plautius opdracht om hun gezichten te bedekken met maskers, en mengde hij anderen met hen en gaf die opdracht om lange mantels te dragen, zodat er aan het eind vrouwelijke fluitspelers aan de groep werden toegevoegd. Op die manier dacht hij dat de terugkeer van de bannelingen het beste kon worden verborgen, opdat zij niet veroordeeld zouden worden omdat zij tegen de wens van hun gilde in waren teruggekeerd. Het plan werd goedgekeurd, en nu mogen zij de nieuwe kleding op de Ides dragen en vrolijke woorden zingen op de tonen van oude muziek.

6; 693-710
Toen ze mij aldus had geïnstureerd, zei ik, ‘Het enige dat ik nog wil weten is waarom ze de dag Quinquatrus noemen.’ ‘Een festival van mij,’ zei ze, ‘wordt in de maand maart onder die naam gevierd, en de het gilde van fluitspeler behoort tot mijn uitvindingen.’ Ik was de eerste, die palmhout doorboorde met gaten ver uit elkaar, en zo de muziek van de lange fluit produceerde. Het geluid was aangenaam. Maar in het water dat mijn gezicht weerspiegelde zag ik dat mijn maagdelijke wangen bol gingen staan. Ik hechtte niet zoveel waarde aan die kunst. Vaarwel, mijn fluit,’ zei ik, en wierp die weg. Die viel op het gras van de rivieroever. Een Sater vond hem en bekeek die eerst met bewondering. Hij kende het gebruik ervan niet, maar merkte, toen hij erop blies, dat de fluit een toon voortbracht, en met behulp van zijn vingers liet hij afwisselend zijn adem door de gaten stromen. En nu schept hij op over zijn kunst bij de Nimfen en daagde Apollo uit. Maar, overwonnen door Apollo, werd hij ontdaan van zijn huid opgehangen aan een boom. Toch ben ik de uitvindster en stichtster van deze muziek. Dat is de reden waarom deze vaardigheden mijn dag heilig houden.’

XVII. KAL IVL. 15e

6; 711-714
De derde dag zal komen, waarop u, O Thyone van Dodona, zichtbaar zult zijn in het hoofd van Agenor’s stier. Het is de dag waarop u, O Tiber, het vuil uit de tempel van Hestia via het Etruskische water naar zee stuurt.

XVI. KAL. 16e

6; 715-716
Als er enig vertrouwen aan de winden geschonken kan worden, spreidt dan uw zeilen in de Westenwind, u zeelui. Morgen zal het over uw mooie water blazen.

XV. KAL. 17e t/m XIV. KAL. 18e

6; 717-724
Maar als de vader van de Heliaden zijn stralen in de golven heeft gedoopt, en de twee hemelse polen omgord worden door de serene sterren, zal de nakomeling van Hyrieus zijn machtige schouders boven de aarde tillen. Op de volgende dag zal de Dolfijn zichtbaar zijn. Dat sterrenbeeld zag de Volscianen en Aequianen inderdaad eens vluchten over uw vlakten, O land van Algidus. Waar u, Tubertus, een prachtige overwinning behaalde over de naburige volkeren en later zegevierend in een wagen reed die werd getrokken door sneeuwwitte paarden.

XIII. KAL. 19e

6; 725-728
Nu zijn er nog tweemaal zes dagen van de maand over, maar voeg aan dat aantal nog een dag toe. De Zon neemt afscheid van de Tweeling, en het sterrenbeeld van de Kreeft wordt rood. Pallas wordt voor het eerst aanbeden op de Aventijnse heuvel.

XII. KAL 20e

6; 729-732
Nu, Laomedon, komt de vrouw van je zoon op, en als ze is opgekomen verdrijft ze de nacht, en vlucht de vochtige rijp uit de weilanden Men zegt dat de tempel is opgedragen aan Summanus, wie dat ook moge zijn, in de tijd dat jij, Pyrrhus, een schrik voor de Romeinen was.

XI. KAL. 21e

6; 733-762
Als ook de dag is aangekomen in het water de vader van Galatea, en heel de wereld in zorgeloze slaap is verzonken, stijgt er boven de wereld een jongeman die door de bliksems van zijn grootvader is weggevaagd en zijn handen uitstrekt, vervlochten met twee slangen. Ook bekend is het onrecht dat Theseus pleegde, toen hij, teveel vertrouwend, zijn zoon ter dood veroordeelde. Verdoemd door zijn vroomheid, reisde de jongeman naar Troezen, toen een stier met zijn borst het water doorkliefde. Angst greep de verschrikte paarden aan. Tevergeefs probeerde hun meester hen in toom te houden, zij trokken hem over klippen en scherpe rotsen. Hippolytus viel uit de wagen, en, zijn lichaam raakte verstrikt in de teugels, zijn verminkte lichaam werd voortgesleept, totdat hij het leven liet, tot grote woede van Artemis. ‘Er is geen reden voor verdriet,’ zei de zoon van Coronis, ‘want ik zal de vrome jeugd ongedeerd weer tot leven wekken, en zijn bloedende noodlot doen verdwijnen.’ Onmiddellijk trok hij uit een eenvoudig ivoren kistje kruiden die eerder op een goede plek de geest van Glaucus hadden bijgestaan, in de tijd dat de ziener kruiden plukte die hij had aangemerkt, en de slang werd bijgestaan door een slang. Driemaal raakte hij de borst van de jongeling aan, driemaal sprak hij helende woorden. Toen tilde Hippolytus zijn hoofd op, liggend op de grond. Hij vond een schuilplaats in de heilige bossen en valleien van Dictynna’s eigen bossen. Hij werd Virbius van het Ariciaanse Meer. Maar Clymenus en Clotho waren bedroefd, zij omdat de gebroken draad weer werd hersteld en hij omdat de rechten van zijn koninkrijk werden geschonden. Bang dat zo een voorbeeld werd gesteld, wierp Zeus een bliksem naar hem die alle middelen aanwendde voor een krachtige kunst. Apollo, jij klaagde, Maar Asclepius is een god, verzoen u met uw ouders. Hij deed om uwentwille iets wat hij anderen verbood te doen.

X. KAL. 22e

6; 763-768
Hoe groot is uw haast om te veroveren, O Ceasar, ik wil u niet aanzetten tot marcheren, als de voortekenen het verbieden. Laat Flaminius en de Trasimeniaanse kusten uw getuigen zijn dat de goede goden vele waarschuwingen afgeven door vogels. Als u naar de datum van een oude ramp vraagt, ontstaan door roekeloosheid, was het wel de tiende dag gerekend vanaf het einde van de maand.

IX. KAL. 23e

6; 769-770
De volgende dag brengt meer geluk. Op die dag versloeg Masinissa Syphax, en sneuvelde Hasdrubal door zijn eigen zwaard.

VIII. KAL. 24e

6; 771-784
De tijd glijdt voorbij, en we worden ouder met de stille loop der jaren. Er is geen breidel dat de vliegende uren kan beteugelen. Hoe snel is het festival van Fors Foruna gekomen! Nog maar zeven dagen en juni is voorbij. Kom, Quiriten, loof met vreugde de godin Fors! Op de oevers van de Tiber heeft ze haar koninklijke nederzettingen. Maak tempo degenen die te voet gaan, en sommigen in snelle boten, en het is geen schande om een beetje aangeschoten naar huis terug te keren van uw wandeling. U met bloemen getooide roeiboten, draag groepen van jeugdige feestgangers, en laat hen grote teugen wijn drinken op de boezem van de rivier. Het gewone volk aanbidt deze godin omdat er verteld wordt dat de stichter van haar tempel uit hun gelederen komt, en tot de kroon is opgeklommen vanaf een nederige rang. Haar verering is ook geschikt voor slaven, omdat Tullius, die de aangrenzende tempels van de wispelturige godin stichtte, uit een slavin werd geboren.

VI. KAL. 26e

6; 785-790
Zie, terugkerend van een tempel op het platteland, roept een sentimentele aanbidder zo de sterren aan: ‘Orion, uw riem is nu onzichtbaar, en misschien zal deze morgen ook onzichtbaar zijn. Daarna zal deze binnen mijn gezichtveld komen.’ Maar als hij niet aangeschoten was geweest, zou hij hebben gezegd dat de zonnewende op dezelfde dag zou vallen.

V. Kal. 27e

6; 791-794
De volgende morgen kregen de Cureten een heiligdom op de plek waar vele kransen zijn geweven door vaardige handen. Gelijkertijd werd er een tempel gebouwd voor Zeus Standvastige, die Romulus vroeger stichtte aan de voorzijde van de Palentijnse heuvel.

III. KAL. 29e

6; 795-797
Wanneer er nog net zoveel dagen van de maand resteren als de Lotsgodinnen namen hebben, werd er een tempel aan u gewijd, Quirinus, god van de gestreepte toga.

PR. KAL. 30e

6; 798-812
Morgen is de verjaardag van de dagen van juli. Piëriden, geef me het laatste zetje voor deze onderneming. Vertel me, Piëriden, wie vereenzelvigen jullie met degene van wie zijn stiefmoeder met tegenzin werd gedwongen om toe te geven. Zo sprak ik, en Clio antwoordde me aldus: ‘Je ziet het monument van de beroemde Philip van waaruit de kuise Macria is afgedaald, Macria die haar naam ontleende aan de geofferde Ancus, en wier schoonheid paste bij haar adellijke geboorte. In haar reageert het figuur op de ziel. In haar vinden we afstamming en schoonheid tegelijk. We baseren ons oordeel niet alleen op het figuur, om dezelfde reden loven we de grote godinnen. De zus van de moeder van Ceasar was eens getrouwd met die Philip. ‘O roemrijke vrouwe! O vrouwe waardig aan dat heilige huis!’ Zo zong Clio. Haar zusters stemden in. Heracles boog instemmend en tokkelde op zijn lier.

Hier eindigt dit onvoltooide werk van Ovidius

© 2017 Maarten Hendriksz