Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Ovidius - Heldinnen

Bron: theoi.com

Ovid. Heroides and Amores. Translated by Showerman, Grant. Loeb Classical Library Volume 41. Cambridge, MA, Harvard University Press; London, William Heinemann Ltd. 1931. Naar het Nederlands vertaald door Maarten Hendriksz 2012.

Vers 1 t/m 5

1. Van Penelope aan Odysseus

1; 1-10
Deze brief stuurt Penelope u, o Odysseus, die zo traag is met terugkeren – en niets terugschrijft, kom zelf! Troje, dat is zeker, is gevallen, gehaat door de dochters van Griekenland. Maar Priamus en heel Troje waren mij de prijs niet waard. O ik wilde dat, toen het schip onderweg naar Lacedaemon was, die overspelige minnaar was overweldigd door het razende water! Dan had ik niet koud en verlaten in mijn bed gelegen, noch alleen achtergelaten zijn klagend over de traag voorbijgaande dagen. Nog zouden de opgespannen draden mijn handen van een weduwe vermoeien terwijl ik de uren van de lange nacht tracht te bedriegen.

1; 11-22
Wanneer ben ik niet bang geweest voor de gevaren vreselijker dan de echte? Liefde is een zaak die altijd vervuld is van een nog grotere angst. In mijn fantasie verbeeldde ik mij altijd dat de Trojanen woedend aanvielen. Als de naam Hector werd genoemd werd ik altijd lijkbleek. Als iemand het verhaal begon over Antilochus die door de vijand werd gedood, dan was Antilochus de oorzak van mijn onrust. Of, wanneer hij vertelde hoe de zoon van Menoetius niet in zijn eigen wapenrusting was gesneuveld, dan huilde ik omdat de listen geen succes brachten. Toen Tlepolemus met zijn bloed de Lycische speer verwarmde , werden door Tlepolemus’ lot al mijn zorgen hernieuwd. Kortom, wie het ook is die in het kamp der Argivers is doorboord of gesneuveld, het hart van degene die je liefheeft werd kouder dan ijs.

1; 23-36
Maar de god die met voorkeur neerziet op kuise liefde heeft het goed met me voor. Troje is tot as vergaan, en mijn heer is veilig. De leiders van Argolis zijn teruggekeerd, en onze altaren branden. De buit van de barbaren is aan de voeten van de goden van onze vaders neergelegd. De jonge vrouwen komen dankoffers brengen voor hen gespaarde echtegenoten. De echtgenoot zingt over het lot dat hem heeft gespaard, terwijl rechtschapen ouders, bibberende meisjes en zijn vrouw bibberend aan zijn lippen hangen als hij het verhaal vertelt. En iemand van de leiders vertelt daarop over de verhitte strijd, en tekent licht beneveld door de wijn heel Pergamum voor hen uit: ‘hier stroomt de Simois, dit is het land Sigeüm. Hier stond het verheven paleis van de oude Priamus. Ginds waren de tenten van Aeacus, daar die van Odysseus, hier liepen in een wilde draf de bange paarden met het verminkte lijk van Hector.’

1; 37-46
Want het hele verhaal werd verteld door jouw zoon, die ik op pad stuurde om je te zoeken. Oude Nestor vertelde het hem, en hij vertelde het mij. Hij vertelde dat zowel Rhesus als Dolon vielen door het zwaard, hoe de een in zijn slaap werd overvallen, en de ander door bedrog. Jij had de moed – O te, te weinig om jezelf denkende! – om vrijwillig te voet naar het Thracische kamp te sluipen, en daar vele mannen te doden, allen in een keer, en slechts met één ander om je te helpen! Ach ja, je was voorzichtig, inderdaad, en dacht altijd als eerste aan mij! Mijn hart sprong van angst bij ieder woord op totdat mij verteld werd hoe je zegevierend terugreed naar de bevriende linies van de Grieken met de renpaarden uit Ismarus.

1; 47-58
Maar wat baat het mij dat de leeuw is vernietigd door jouw handen, en dat wat eens een muur was nu gelijkgemaakt is met de grond – terwijl ik nog steeds alleen ben zoals ik tijdens Troje moest verdragen, en al die tijd beroofd van mijn heer moet leven? Voor anderen is Pergamum neergehaald, wat mij betreft staat het nog steeds, hoewel de overwinnaar erin woont en de ploeg met de os die hij als buit nam voortdrijft als buit. Nu zijn er graanvelden waar eens Troje stond, en is de aarde vruchtbaar gemaakt met golven Phrygisch bloed en staan er rijke oogsten klaar voor de sikkel. De half begraven botten van helden zijn vernietigd door de gebogen ploegschaar, en kruiden verbergen het zicht op de vernietigde paleizen. Een overwinnaar, maar je bent niet hier, noch heb ik te horen gekregen wat de reden van jouw vertraging is, of in welk deel van de ongastvrije wereld je verborgen bent.

1; 59-80
De vreemdeling die met zijn schip op onze kust aankomt wordt met vele vragen overvallen voordat hij weer weg kan gaan, en krijgt hij in zijn handen de brieven gedrukt die door deze vingers zijn geschreven, om aan jou te geven mocht hij je ergens treffen. We hebben bericht naar Pylos gestuurd, het land van de oude Nestor, Neleus zoon. Het bericht dat we terugkregen uit Pylos was onduidelijk. We stuurden ook bericht naar Sparta. Maar ook Sparta kon ons niets met zekerheid vertellen. In welke landen verblijf je, of waar zwerf je doelloos rond? Het zou beter voor me zijn, als de muren van Phoebos nog overeind stonden – o wispelturige ik, ik ben boos op de geloften die ik zelf heb gedaan! Als zij nog niet waren gevallen, dan wist ik zeker dat jij aan het vechten was, en hoefde ik alleen de oorlog te vrezen, en mijn klacht zou met die van vele anderen worden samengevoegd. Maar nu, wat ik nu moet vrezen weet ik niet – maar toch vrees ik alle dingen, radeloos, en breed is het veld dat klaar ligt voor mijn zorgen. Welke gevaren de zee ook in zich draagt, of het land, achterdocht is de oorzaak van jouw lange vertraging. Terwijl ik in dwaze angst leef over zulk soort zaken, ben jij misschien gevallen voor een vreemde liefde – zo zijn de harten van jullie mannen! Het zou kunnen zijn dat jij zelfs vertelt over jouw boerenvrouw – die alleen geschikt is om fijne wol te dragen. Ik kan het mis hebben, en deze gedachte van mij is zo licht als de wind die waait, en als het dat niet is, kom dan terug, je bent te lang weg!

1; 81-96
Wat mij betreft – mijn vader Icarius maant mij om mijn weduwebed te verlaten, en berispt me steeds voor mijn eindeloze vertragingen. Laat hem berispen – ik ben van jou, de jouwe wil ik genoemd worden. Penelope, de vrouw van Odysseus, zal ik altijd zijn. Toch heeft hij oog voor mijn trouw en kuise gebeden, en neemt zijn aandringen af. De mannen van Dulichium en Samos, en zij die op het hoge Zacynthus zijn geboren – een baldadige menigte – dringen bij mij aan, vragend om mijn hand. Zij zijn heer en meester in jouw eigen hal, en er is niemand die nee tegen hen zegt. Mijn hart is verscheurd, je vermogen verdwenen. Waarom zou ik je vertellen over Pisander, en van Polybus, en van de wrede Medon, en over de graaiende handen van Eurymachus en Antinoüs, en alle anderen, die zich door jouw beschamende afwezigheid tegoeddoen aan de voorraden die werden gewonnen ten koste van je eigen zweet? Irus de bedelaar, en Melanthius, die in je kudden rondgaat voor eten, zijn de grootste schavuiten die aan jouw ondergang werken.

1; 97-114
Wij zijn maar met z’n drieën, onervaren in de strijd – een machteloze vrouw, Laërtes, een oude man, Telemachus, een jongen. Hij werd laatst belaagd en van me weggenomen, terwijl hij zich gereed maakte, tegen de wil van hen allen, om naar Pylos te gaan. Hopelijk gunnen de goden, zo bid ik, dat ons voorbeschikte lot zal komen en hij ons opvolgt – dat hij degene is die mijn ogen sluit, en hij ook degene is welke die van jou sluit! De hoeder van je kudden en de oude verzorgster ondersteunen onze belangen, en, als derde, de gelovige bewaker van het vieze varkenskot. En Laërtes, niet meer in staat om de wapens te hanteren, kan onze vijanden ook niet meer de baas. – Telemachus – inderdaad, als hij blijft leven, zal pas over enkele jaren volwassen zijn, maar heeft nu nog zijn vaders hulp en steun nodig – noch heb ik de kracht om onze vijanden uit ons huis te weren. Haast je dus om thuis te komen, veilige haven en altaar voor jezelf! Je hebt een zoon – en laat hem dat altijd blijven, zo bid ik – die in zijn jeugdige jaren door zijn vader geoefend moet worden om hem op te kunnen volgen. Heb respect voor Laërtes, in de hoop dat je uiteindelijk zult komen om zijn ogen te sluiten, hij weerstaat de laatste dagen van zijn lot.

1; 115-116
En wat mijzelf betreft, die nog maar een jong meisje was toen je vertrok, moet je onmiddellijk komen, want ik ben intussen opgegroeid tot een dame op leeftijd.

2. Van Phyllis aan Demophon

2; 1-8
Ik, jouw Phyllis, die jou welkom heette in Rhodope, Demophon, beklaagt zich dat de beloofde dag voorbij is gegaan, en jij niet hier bent. Toen de horens van de maan bij elkaar gekomen waren tot een volle bol, verwachtten onze kusten jouw anker – de maan is viermaal afgenomen, en viermaal vol geworden om haar baan te voltooien. Maar de Sithonische golven brengen niet de schepen van Attica. Mocht je de dagen tellen – zoals ik die dan je houdt wel doe – dan weet je dat mijn klacht niet vroegtijdig is.

2; 9-26
Ook de hoop, verlaat mij langzaam. We dralen met geloven, want geloof brengt pijn. Zelfs nu laat mijn liefde me denken dat ik je verkeerd hebt begrepen. Vaak heb ik gedacht dat de waaiende winden uit het zuiden jou terug zouden brengen met witte zeilen. Theseus heb ik vervloekt, omdat hij je misschien niet wilde laten gaan. Maar misschien is hij het niet die je vasthoudt. Op sommige momenten vreesde ik, terwijl je in het water van de Hebrus werd vastgehouden, dat je schip vergaan en gezonken was in de schuimende golven. Vaak, biddend op mijn knieën voor een behouden reis - ach, valse, valse man! – heb ik de goden vereerd met gebeden en het branden van heilige wierook. Vaak, terwijl ik naar de zee en de lucht keek en zag dat de winden gunstig waren, heb ik tegen mezelf gezegd: ‘Als het goed is, is hij onderweg.’ In een woord, alle dingen die een belemmering vormen voor iemand die haast heeft om hier te komen, heeft mijn trouwe liefde geprobeerd om daar een beeld van op te roepen, en heeft mijn verstand vernuftig gezocht naar oorzaken. Maar jij stelt je terugkeer lang uit. Noch brengen de gouden jou terug bij wie je hebt gezworen om naar mij terug te keren, noch beweegt mijn liefde voor jou je om naar mij terug te keren. Demophon, je vertrouwde je woorden en zeilen toe aan de winden. Je schip, helaas, is niet teruggekeerd, en je belofte heb je niet gehouden.

2; 27-44
Vertel me, wat heb ik verkeerd gedaan, anders dan van je te houden? – en door deze grote fout heb ik je voor mij gewonnen. Die enige misdaad die mij aangerekend kan worden is dat ik jou koos, o ongelovige, voor mijzelf. Maar het ziet er naar uit dat deze misdaad zijn verdiende loon krijgt. De banden die jou bonden, de eed die je hebt gezworen, waar zijn die nu? – en de belofte die je met je rechterhand aan mij gaf, waarbij je constant over god sprak? Waar is nu de beloofde band van het huwelijk om jaren samen te leven – een belofte die mij verzekerde van de huwelijkse staat? Bij de zee, geteisterd door wind en golven, waarover je vaak gereisd hebt, en waar je nu nog steeds over zwerft, en bij je grootvader – tenzij hij ook een verzinsel is, bij je grootvader, die de windberoerde golven kalmeert, heb je het mij gezworen. Ja, en bij Aphrodite en de wapens die mij al te zeer verwonden – de boog en de fakkel. En bij Hera, de vriendelijke beschermvrouw van het bruidsbed. En bij de mystieke rituelen van de godin die de fakkel draagt. Zouden al deze goden die je hebt beledigd wraak willen nemen omdat je hun heilige namen hebt misbruikt, dan zou je ene leven niet volstaan.

2; 45-54
Ja, erger nog, in mijn waanzin heb ik zelfs jouw vernietigde schepen hersteld – opdat de kiel net zo sterk zou zijn als ik die achterbleef! – en gaf je riemen waarmee je naar mij toe kon vliegen. Wee mij, mijn pijn wordt veroorzaakt door wonden die ik met mijn eigen wapens heb gemaakt! Ik vertrouwde op jouw afkomst, en de namen van je voorouders. Ik geloofde je tranen – of kunnen die ook geleerd worden om te veinzen, en zijn ze ook slinks, direct gereed om te verschijnen wanneer men dat wil? Ik schonk ook geloof aan de goden bij wie je zwoer. Met welk doel, bid ik, zoveel beloften van trouw aan mij gegeven? Door welk van hen, hoe klein ook, werd ik verstrikt?

2; 55-62
Ik ben niet door spijt geroerd omdat ik je geholpen heb om een veilige haven te vinden – alleen, zou dit de grens van mijn vriendelijkheid moeten zijn! Ik heb alleen berouw over de schande vanwege de gunsten die ik heb verleend aan de gast in het huwelijksbed – dat ik jou naast me in bed heb gehaald. Ik wou dat de nacht voor die laatste nacht mijn laatste was geweest, zodat ik als Phyllis de kuise was gestorven. Ik hoopte op een beter lot, want ik dacht dat die mij toekwam. De hoop – wat dat ook zijn mag – en nu is vernietigd, die gerechtvaardigd was.

2; 63-74
Een trouw meisje bedriegen is gemakkelijk en goedkoop. Mijn eenvoudige trouw verdiende achting. Ik werd bedrogen door jouw woorden – Ik, die verliefd was en een vrouw. Moge de goden jou deze roemrijke overwinning gunnen! Laat in het centrum van de stad, samen met de zonen van Aegeus, een standbeeld voor je oprichten, en laat daar je machtige vader als eerste geplaatst worden, met vermelding van zijn daden. Wanneer de mensen zullen lezen over Sciron, en over grimmige Procrustes, en van Sinis, en over de tweevormige stier en man, en hoe Thebe door de oorlog werd vernederd, en over de nederlaag van de tweevormige Centauren, en hoe er op de deur van de duistere en donkere plek van de duistere heer werd geklopt – over al deze gebeurtenissen, laat dan de volgende woorden onder je eigen standbeeld graveren: ‘Dit is degene wiens listen de vrouw die van hem hield bedrogen.’

2; 75-90
Want van alle grote daden uit de lange loopbaan van je vader, heeft niets daarvan meer indruk op jou gemaakt dan het achterlaten van zijn Kretenzische bruid. De enige daad waar hij spijt van heeft, die ene daad bewonder jij in hem. Je handelt als een erfgenaam van je vaders list, jij trouweloze. Zij – zonder afgunst van mij – heeft nu een betere man, en zit in de hemel tussen de getemde tijgers . Maar ik, die Thraciër beledigde zal niet trouwen, want het gerucht gaat rond dat ik de voorkeur gaf aan een vreemdeling boven een landgenoot. En sommigen zeggen: ‘Laat haar vertrekken om Atheens te leren. Er zal iemand anders gevonden worden om over de harnasdragende Thraciërs te regeren. Deze gebeurtenis toont de wijsheid van die uitspraak aan.’ Laat hem tot niets vervallen, bid ik, hij die denkt dat deze daad wordt veroordeeld op basis van het resultaat. Ach, maar als onze zeeën onder jouw kiel schuimen, dan moet ik wel zeggen dat ik goed met mezelf heb overlegd, goed voor mijn landgenoten. Maar ik heb niet goed nagedacht, noch zal mijn paleis jouw aanwezigheid nog voelen, noch zullen jouw vermoeide ledematen baden in de Bistonische golf!

2; 91-98
Om mijn netvlies hangt nog steeds het ogenblik van jouw vertrek, hoe jouw schepen op het water van mijn haven dreven, allen gereed om te vertrekken. Jij durfde mij te omhelzen, en, met je armen om de hals geslagen van degene die van je hield, jouw lippen op de mijn te drukken voor lange en dralende kussen, jouw tranen mengend met die van mij, klagend omdat de wind gunstig was om uit te varen, en toen je mij verliet, als laatste woorden tegen mij te zeggen: ‘Phyllis, denk aan mij, wacht op je eigen Demophon!’

2; 99-102
En moet ik blijven wachten, toen je vertrok met de gedachte om mij nooit meer te zien? Moet ik blijven wachten op de zeilen die weigeren terug te keren naar mijn zeeën? En toch verwacht ik je – ach, keer toch terug, hoewel te laat, naar haar die van je houdt, en bewijs dat je belofte alleen vals was vanwege de tijd dat je te laat bent!

2; 103-120
Waarom smeken, ongelukkige die ik ben? Je kunt al door een andere bruid ingepalmd zijn, en voor haar de liefde voelen die jij mij eerst ijdel schonk. En omdat ik uit jouw leven verdwenen ben, voel ik mij jouw Phyllis niet meer. Arme ik! Als je vraagt wie ik, Phyllis, ben, en vanwaar – ik ben zij, Demophon, die, toen je op zee ver uit de koers was geraakt, de havens van Thracië voor je open stelde en hartelijk welkom heette als gast, jij, die ik al mijn bezittingen gaf, aan wie ik in zijn nood vele geschenken heb gegeven, en nog steeds bereid ben om te geven. Ik ben zij die jou het ruime, grote rijk van Lycurgus gaf, om in naam van een vrouw over te regeren, waar de ijzige Rhodope zich met zijn schaduwen uitstrekt, en de heilige Hebrus zijn onstuimige water voortjaagt – aan jou, die temidden van alle sinistere voortekenen voor het eerst haar maagdelijke onschuld schonk, wiens slinkse hand mijn kuise zone van haar gordel ontdeed! Tisiphone was getuige op het huwelijk, kreten slakend, en de vogel die de verblijfplaatsen van mensen schuwt die haar droevig lied zong. Alecto was er, met kleine slangen die om haar nek kronkelden, en het licht dat golfde waren fakkels van het graf!

2; 121-130
Zwaarmoedig, betrad ik niettemin de rotsen en de met struikgewas bedekte kust, waar het weidse uitzicht over zee zich aan mijn ogen toonde. Waar overdag de bodem wordt opgewarmd, of de sterrenbeelden koel schijnen, keek ik altijd wat de wind voortjoeg door de zee-engte. En wanneer ik schepen in de verte zag naderen, waren die terstond het antwoord op mijn gebeden, en snelde ik naar het water toe, amper tegengehouden door de golven van het bewegende getij. Hoe dichter de zeilen naderden, des te minder werd de kracht die me overeind hield. Mijn zintuigen verlieten mij, en ik viel, om opgeraapt te worden door de handen van dienstmeiden.

2; 131-144
Er is een baai, waarvan boegachtige oevers zacht gebogen zijn in de vorm van een sikkel. Zijn uiterste punten stijgen star omhoog in rotsachtige massa’s. Om me daar vanaf te werpen is in mijn geest opgekomen. En, daar jij volhardt in je trouweloze gedrag, zal dat ook gebeuren. Laat de golven mij wegdragen, mij op jouw kust werpen, om zo je levende ogen te ontmoeten! Hoewel je harder dan staal bent, dan adamant, dan je eigen ik, zul je zeggen: ‘Niet zo, Phyllis, moet jij mij volgen!’ Vaak verlang ik naar gif. Vaak wil ik met het zwaard mijn hart doorsteken zodat het bloed stroomt tot ik dood ben. Mijn hals, omdat die eens is omhelst door jouw valse armen, zou ik ook graag in een strop willen steken. Mijn hart is gedoemd om vroegtijdig te sterven, om zo weer tot zuiverheid terug te keren. Over de keuze van mijn dood zal maar weinig vertraging optreden.

2; 145-150
Op mijn graf moet jij de hatelijke oorzaak van mijn dood beschrijven. Hierdoor, of door een gelijkluidende tekst, zul jij bekend staan: ‘Het was Demophon die Phyllis naar haar noodlot zond. Hij was haar gast, en zij hield innig van hem. Hij was de oorzaak van haar dood, ze viel door haar eigen hand.’

3. Van Briseïs aan Achilles

3; 1-4
De brief die je leest is van de gevangengenomen Briseïs, door haar barbaarse hand in beginnend Grieks geschreven. De vlekken die je ziet, zijn door haar tranen gemaakt. Maar tranen, hebben niettemin ook de kracht van woorden.

3; 5-16
Als het mag wil ik kort mijn beklag doen, mijn meester en geliefde. Dat ik op zijn bevel wel heel erg snel werd uitgeleverd aan de koning is niet jouw schuld. Hoewel dit wel door jou veroorzaakt is. Want zodra Eurybates en Talthybius mij kwamen ophalen, en ik aan Eurybates werd uitgeleverd, en aan Talthybius, moest ik direct met hen mee. Terwijl beiden, elkaar in de ogen kijkend, zich in stilte afvroegen waar de liefde tussen ons was gebleven. Mijn vertrek zou zijn uitgesteld. Een oponthoud van mijn pijn zou mijn hart verlicht hebben. Wee mij! Ik moest gaan, zonder afscheidskus. Ik huilde eindeloos, en rukte mijn haren uit – ellendige ik, het zag er naar uit dat ik voor een tweede keer het lot van een gevangene moest ondergaan!

3; 17-20
Vaak wilde ik aan mijn bewakers ontsnappen en naar je terugkeren. Maar de vijand was daar, om een schuchter meisje te grijpen. Als ik ver gekomen zou zijn, vreesde ik in het donker gegrepen te worden, om als geschenk aan een van de vrouwen van Priamus’ zonen gegeven te worden.

3; 21-24
Maar ik werd weggegeven omdat ik moest worden uitgeleverd – al die nachten dat ik niet naast je lig, en niet door jou teruggeëist wordt. Jouw uitstel en woede zijn traag. Menoetius’ eigen zoon zei, toen ik werd uitgeleverd, fluisterend in mijn oor: ‘Waarom huil je? Het duurt maar even, en dan ben je weer terug.’

3; 25-42
En dat je me nog niet hebt teruggeëist is nog maar één ding, maar je verzette je zelfs tegen mijn terugkeer, Achilles. Ga nu, en verdien de titel van een hartstochtelijke minnaar! De zoons van Amyntor en Telamon kwamen naar je toe – de één een dichtbijstaand familielid, de andere een vriend – en de zoon van Laërtes. In hun gezelschap zou ik terugkeren. Dure geschenken verleenden gewicht aan hen vleiende verzoeken. Twintig roodkleurige vazen van mooigemaakt brons, en zeven drievoeten, allen met vakmanschap gemaakt en zwaar van gewicht. Hier voegden zij nog aan toe tweemaal vijf gouden talenten, zes tweespannen die altijd wonnen, en – terwijl er geen noodzaak toe was! – meisjes uit Lesbos van overtreffende schoonheid, meisje die gevangen genomen waren toen hun huis werd veroverd. En bij dit alles – hoewel je geen behoefte aan een bruid hebt – als bruid, één van de drie dochters van Agamemnon. Wat zou je betaald moeten hebben wanneer jij mij als prijs terug had moeten kopen van die zoon van Atreus, maar weiger je nu als geschenk! Wat heb ik misdaan dat je me zo goedkoop behandelt, Achilles? Is je liefde voor mij zo snel vervlogen?

3; 43-58
Of is het mogelijk dat er nog steeds een duister lot om je heen hangt, en dat een teder uur niet naderbij is omdat de ellende al is begonnen? Ik heb gezien hoe de muren van Lyrnessus door jouw soldaten zijn vernietigd – ik, die zelf een groot deel van mijn vaders land bezat. Ik heb er drie familieleden zien sneuvelen die één waren van geboorte – en deze drie hadden dezelfde moeder als ik. Ik heb mijn wettige echtgenoot uitgestrekt op de bloederige grond zien liggen, in doodsnood hijgend met zijn bebloede borst. Zoveel heb ik verloren en had alleen jou nog als compensatie. Jij was mijn meester, jij bent mijn man, je bent mijn broer. Je zwoer aan mij bij het godinnenhoofd van je zeegeboren moeder, en zei zelf dat het mijn lot was om jouw gevangene te zijn – ja, hoewel ik met een bruidsschat naar je toegekomen ben, duw je mij terug, mij minachtend vanwege de weelde die je is aangeboden! Nee, er wordt zelfs gezegd dat je bij de dageraad morgenochtend uit zult varen, dat je van plan bent om met je linnen zeilen op de wolkenbrengende winden naar het zuiden te varen.

3; 59-82
Toen ik dat verschrikkelijke verhaal met mijn ellendige en door angst verslagen oren hoorde, liep het bloed van mijn borst, en vervlogen mijn gevoelens. Je vertrekt – wee mij, ellendige! En voor wie verlaat je mij, o hardvochtige? Wie zal mij nu zachtjes troosten, alleen achtergelaten? Laat mij verzwolgen worden, bid ik, door de zich plotseling openende aarde, of verteerd worden door het rode vuur van de voortschietende bliksem, beter dat dan, zonder mij, de zee wit zien schuimen door de Phthische roeiriemen, terwijl ik word achtergelaten om je schepen te zien vertrekken! Als het je plezier verschaft om nu terug te keren naar de haard van je ouders, ik ben geen zware last voor je schepen. Laat mij als gevangene mijn ontvoerder volgen, niet als vrouw mijn getrouwde heer. Ik ben vaardig in het spinnen van wol. De meest mooie vrouwen uit Achaea zullen als bruid naar jouw huwelijksbed komen – en laat ze komen! – een bruid waardig aan de vader van haar heer , het kleinkind van Zeus en Aegina, en een die de oude Nereus welkom zal heten als de bruid van zijn kleinzoon . En ik, ik zal een nederige slaaf van je zijn die de haar opgegeven taken uitvoert, en de spinrokken zullen langzaamaan groeien door mijn draden. Laat je vrouw echter niet hardvochtig tegen mij zijn, bid ik – want ik voorvoel dat zij niet vriendelijke tegen mij zal zijn – en sta niet toe dat zij voor jouw ogen mijn haren uittrekt, terwijl jij zachtjes tegen mij zegt: ‘Zij was ooit ook eens de mijne’. Of, sta ook niet toe, dat ik door allen wordt veracht en achtergelaten – dit is de angst, het leed dat mij verteert, die mijn botten laat beven!

3; 83-102
Waar wacht je nog op? Agamemnon heeft berouw van zijn harde woorden, en Griekenland ligt in verdrukking uitgestrekt aan je voeten. Onderdruk je eigen boze geest, jij die al het andere onderdrukt! Waarom plundert Hector nog steeds de linies van de Danaërs? Neem je wapens op, o kind van Aeacus – maar neem me eerst terug – en overweldig met de gunst van Ares hun gelederen en jaag ze op de vlucht. Door mij werd je woede aangewakkerd, laat het door mij worden weggenomen, en laat mij zowel de oorzaak als de gesel van jouw sombere woede zijn. Denk niet dat het onbetamelijk voor je is om gehoor te geven aan mijn gebed, want door de gebeden van zijn vrouw nam de zoon van Oeneus de wapens op. Het is voor mij slechts een verhaal, maar jou welbekend. Beroofd van haar broers, vervloekte een moeder haar zoon en diens leven. Er was daar oorlog, in een boze bui lag hij zijn wapens neer en bleef buiten de strijd, en weigerde met een onbuigzame wil om zijn land te steunen. Allen zijn vrouw was in staat om hem toe te laten geven. Gelukkiger zij – want mijn woorden leggen geen gewicht in de schaal, en verdwijnen in het niets. En toch ben ik niet boos, noch heb ik mij als vrouw gedragen omdat ik vaak werd geroepen, een slavin, om het bed van mijn meester te delen. Sommige gevangengenomen vrouwen noemden me eens, herinner ik me, mevrouw. ‘Van de slavernij,’ antwoordde ik, ‘u geeft een lading aan die naam.’

3; 103-120
Niettemin, bij de beenderen van mijn echtgenoot, snel bedekt tijdens een haastige begrafenis, beenderen die ik altijd voor heilig zal houden, en bij de dappere zielen van mijn drie broers, die nu goddelijke geesten voor mij zijn, die dapper stierven voor hun land, en die daar goed rusten in de dood. En bij onze hoofden, die tegen elkaar aan gelegen hebben. En bij je zwaard, een wapen dat goed bekend is bij mijn familie. Ik zweer dat de Myceen het bed nooit met mij gedeeld heeft, en als ik lieg, zul je me nooit meer zien! En als ik nu tegen je zou zeggen: ‘Meest dappere, zweer ook dat je zonder mij geen plezier hebt beleefd!’ zou je weigeren. Ja, De Danaërs denken dat je om mij rouwt – maar je hanteert het plectrum, en een lieve minnares houdt je in een warme omhelzing! En vraagt er iemand waarom je weigert te vechten? Omdat de strijd gevaar met zich meebrengt, terwijl de citer, en de nacht, en Aphrodite, verrukking brengen. Het is veiliger om op de bank te liggen, om een liefje in je armen te sluiten, met je vingers te tokkelen op de Thracische lier, dan om het schild in de hand te nemen, en de speer met de scherpe punt, en het gewicht van de helm op je lokken te verduren.

3; 121-134
Eens waren vermaarde daden, in plaats van veiligheid, datgene waar je van hield, en was de roem in de strijd behaald je lief. Of gold die felle voorkeur voor de strijd alleen maar totdat jij me gevangen nam, en is datgene wat jij roemt dood, samen met mijn geboorteland overwonnen? Mogen de goden dit verhoeden en laat de speer van de Pelide trillend van jouw sterke arm vliegen om het lichaam van Hector te doorboren! Antwoord me, O Danaër, ik zend vele kussen vermengd met mijn boodschap. Ik zal meer bereiken dan Phoenix, geloof me, meer dan de welbespraakte Odysseus, meer dan Teucer’s broer ! Het zal helpen iets te hebben dat jij bezeten hebt, jou gezien te hebben en geroerd te worden door jouw herinnering aan mijn borst. Hoewel je wreed kan zijn, woester dan de golven van je moeder, moet ik zwijgen maar zul je door mijn tranen geraakt worden.

3; 135-148
Heb zelfs nu – opdat je vader Peleus het verhaal van zijn leven kan invullen, opdat Pyrrhus evengoed de wapens op kan nemen als jij! – eerbied voor de angstige Briseïs, dappere Achilles, en wees niet boos op een ellendig meisje dat wegkwijnt door het lange wachten! Of, als jouw liefde voor mij in vermoeidheid is omgeslagen, dwing dan de dood af van haar waarvan jij gedwongen bent om gescheiden van te leven. En, zoals je nu doet, zul jij het afdwingen, mijn lichaam vergaan, en mijn hoop in jou verdwenen. Als dat mij wordt gelaten, zal ik mij verenigen met mijn broers en echtgenoot – en het zal jou geen roem schenken om een vrouw de dood te hebben ingejaagd. Beter nog, waarom zou jij me niet de dood injagen? Grijp het staal en begraaf dat in mijn lichaam. Ik heb bloed genoeg wanneer mijn borst eenmaal is doorstoken. Dood mij met dat zwaard van jou, dat, zoals de godin heeft verteld, zijn weg zou vinden naar het hart van Atreus’ zoon!

3; 149-154
Ach, redt liever mijn leven, het geschenk dat jij mij gaf! Dat je aan mij gaf, toen je overwon, mijn vijand, vraag ik nu als je vriend. Het ware beter dat je het Pergamum van Poseidon vernietigt, en wat je zwaard aangaat, zoek de vijand op. Maar, of jij je nu gereed maakt om weg te roeien met je schepen, of dat je blijft, O, bij jouw recht als meester, gebiedt me te komen!

4. Van Phaedra aan Hippolytus

4; 1-6
Met wensen voor een behouden vaart die zij, tenzij jij het haar schenkt, altijd zal missen, groet het Kretenzische meisje de held van wie de moeder een Amazone was. Lees tot aan het eind, wat hier is opgeschreven – wat deert het lezen van een brief? Ook in deze staat iets dat je zult plezieren. In dit epistel van mij, worden geheimen over land en zee gedragen. Zelfs vijanden lezen de post van de vijand.

4; 7-16
Driemaal probeerde ik je te spreken, driemaal weigerde mijn tong, driemaal faalde het geluid over de drempel van mijn lippen te komen. Wanneer gaan bescheidenheid en liefde hand in hand, liefde mag daarbij niet ontbreken. Bij mij, wat bescheidenheid me verbood om te zeggen, heeft de liefde me opgedragen om te schrijven. Wat de liefde ook maar opdraagt, is onveilig om stil te houden. Haar wetten en regels beheersen zelfs de goden die over iedereen heersen. Zij was het die als eerste tot mij sprak toen ik twijfelde of ik wel of niet zou schrijven: ‘Schrijf, de koudhartige zal zwichten.’ Laat haar mij dan helpen, en wanneer zij mijn botten verwarmt met haar gretige vlammen, laat haar dan jouw hart doorboren zodat dat toegeeft aan mijn gebeden!

4; 17-36
Het is niet vanwege wellustige laagheid dat ik mijn huwelijksbelofte zal breken. Mijn naam – en je mag het navragen – is van onbesproken gedrag. Liefde heeft me overvallen, heel hevig en onlangs gekomen – ik brand van binnen door deze liefde. Ik brand, en mijn borst heeft een onzichtbare wond. Zoals het juk pijnlijk schuurt wanneer dit voor het eerst wordt gedragen, en de teugels nauwelijks worden verdragen door het veulen dat net uit de kudde is gehaald, zo gaat mijn onbeproefde hart tekeer, en geeft nauwelijks toe aan de eerste perikelen van de liefde, en de last die ik onderga beroert mijn ziel. Liefde groeit aan maar is een kunst, die pas wordt beheerst na vele fouten die gemaakt zijn na verloop van pijnlijke jaren. Zij die haar hart laat zwichten als de tijd voor de liefde voorbij is. Jij zult het eerste offer van kuisheid oogsten dat lang gekoesterd is, en wij zullen beiden evenveel schuld dragen. Het betekent nogal wat om vruchten te plukken uit de boomgaard die uitpuilt van de rijkbeladen takken, om met fijngevoelige vingers de eerste roos te plukken. Als de witte en onberispelijke zuiverheid zoals ik hiervoor geleefd heb wordt getekend door een ongewone bevlekking, is het geluk tenminste zo vriendelijk om in mij een heerlijk vuur te laten opsteken. Een gemene minnaar is erger dan een verboden liefde. Moet Hera mij laten zwichten voor hem die zowel haar broer en echtgenoot is, ik verkies Hippolytus boven Zeus.

4; 37-52
Ook nu – je zult het nauwelijks geloven – jaag ik hersenschimmen na. Ik moet mij tussen de wilde dieren begeven. De Delische godin betekent nu alles voor mij, aan allen hierboven bekend vanwege haar gekromde boog. Het is jouw keuze dat ikzelf nu volg. Mijn genot leidt me naar het bos, om het hert in de netten te drijven, en de voortsnellende honden over de hoogste bergruggen te jagen, of met een armworp de trillende speer te laten vliegen, of om mijn lichaam op het gras te laten rusten. Met verrukking stuur ik de lichte wagen door het stof van het pad, de teugels in de monden van de voortsnellende paarden aanslaand. Ik ben opnieuw geboren, zoals de dochters van Dionysus gedreven door de waanzin van hun god krijsen, en diegenen die de cimbalen slaan aan de voet van de heuvelruggen van de Ida , of zoals de halfgoddelijke Dryaden en tweehoornige Faunen die door hun eigen geest zijn aangeraakt en tot waanzin zijn gedreven. Want zij vertellen mij over al deze zaken als die dwaasheid bij mij is verdwenen. Maar ik blijf zwijgen, bewust van het feit dat de liefde mij foltert.

4; 53-66
Het kan zijn dat deze liefde een zaak is van boetedoening, als gevolg van mijn afstamming, en dat Aphrodite eerbetoon van mij eist voor heel mijn familielijn. Europa – dit was de eerste van onze familie – werd omarmd door Zeus. Een stierengedaante verhulde de god. Pasiphaë is mijn moeder, slachtoffer van de bedrieglijke stier, tot haar schande en last gebaard. De ongelovige zoon van Aegeus volgde de draad, en ontsnapte uit het labyrint door de hulp die mijn zuster gaf. Zie, nu ben ik, omdat ik een kind van Minos ben, de laatste van mijn geslacht die onderhevig is aan de wetten die ons allen regeren! Dit is ook het noodlot dat ons beiden treft, jouw schoonheid heeft mijn hart gewonnen, mijn zusters hart werd door jouw vader gevangen. Theseus’ zoon en Theseus hebben de twee zusters uiteengedreven – richt een dubbele trofee op voor de deur van ons huis.

4; 67-84
Ik ging toen naar Eleusis, de stad van Demeter, en wou dat het Gnoëssische land me tegen had gehouden! Toen plezierde jij mij het meest, zoals je mij al eerder plezier had verschaft, prikkelende liefde nestelde zich diep in mijn lichaam. Je droeg stralend witte kleding, je haren met bloemen bijeen gebonden, de blos van schaamte kleurde je zongebruinde wangen, en, wat anderen een hard en streng gezicht noemen, was in Phaedra’s ogen sterk in plaats van hard. Je verliet mij met die groep jongemannen die als vrouwen om je heen drongen! – de schoonheid van een man trekt vele anderen aan. Die stoere uitstraling pas goed bij je, die lokken die los om je hoofd vallen, en het lichte stof op je knappe gezicht. Wanneer je de teugels hanteert en de temperamentvolle paarden in toom houdt, kijk ik met bewondering naar je als je hun hoeven in een kleine cirkel stuurt. Of je nu met een sterke arm de buigzame schacht wegwerpt, je fiere arm trekt mijn ogen vanzelf naar je toe, of wanneer je de breedkoppige kornoeljehouten jachtspeer grijpt. Kortom, ik word verrukt door alles wat je doet.

4; 85-104
Laat alleen de hardheid op je gezicht achter in de bergbossen, ik ben een geschikte buit voor jouw veldtocht. Wat baat het jou om de manieren van de kuise Artemis te volgen, en Aphrodite te veronachtzamen? Dat wat de afwisseling van het bed mist zal niet beklijven, dat wat de kracht van het vermoeide lichaam vernieuwd. De boog – wanneer je de wapens van Artemis moet volgen – en niet stopt om die te gebruiken, zal traag worden. Cephalus onderscheidde zich in het bos, en vele wilde dieren vielen op het gras vanwege zijn moordende slagen. Maar toch zag hij niet af van Eos’ liefde. De godin ging wijselijk naar hem toe, het bed van haar bejaarde echtgenoot verlatend. Aphrodite en hij die was voortgekomen uit Cinyras rustten veelvuldig samen onder een palm, elke kans te baat nemend op een plek in het gras. Ook de zoon van Oeneus stond in vuur en vlam voor de Maenalische Atalanta, en kreeg als buit het wilde dier ten teken van zijn liefde. Laat ons ook, als eersten in dat gezelschap genoemd worden! Neem de liefde met je mee, het bos is slechts een boerse plek. Ik zal zelf komen en aan je zijde staan, en geen enkele steenachtige grot zal mij angst aanjagen, noch het vreselijke zwijn met zijn blikkerende slagtanden.

4; 105-128
Er zijn twee zeeën die een landtong aan weerskanten aanvallen met hun water, en het smalle land hoort aan beide kanten de golven. Daar zal ik met jou wonen, in het land van Troezen, het rijk van Pittheus. Jouw plaats is mij nu liever dan mijn eigen vaderland. De heldenzoon van Poseidon is nu afwezig, heerlijke tijd, en zal lang afwezig blijven. Hij wordt vastgehouden bij de kust van zijn geliefde Pirithoüs . Theseus heeft inderdaad – tenzij we voor onszelf weigeren wat iedereen kan zien – meer liefde gevonden dan Phaedra, en Pirithoüs meer dan jij. Dat is echter niet het enige waardoor wij vanwege hem lijden. We hebben beiden diepe wonden door hem opgelopen. De botten van mijn broer verbrijzelde hij met zijn drievoudige knots en verspreidde die over de grond, en mijn zus liet hij aan de genade van de wilde dieren over. De eerste in moed onder de vrouwen met de strijdbijl baarde jou, een moeder waardig aan de kracht van haar zoon. Als je vraagt waar zij is – Theseus doorstak haar met staal, en vond geen veiligheid in de belofte van zo’n grote zoon. Ja, ze was zelfs niet met hem getrouwd of door hem meegenomen naar zijn huis om daar te trouwen – waarom, omdat jij, een bastaard, hem niet van zijn troon af zou stoten? Hij heeft je ook broers geschonken, bij mij, en de noodzaak om hen allen als erfgenamen op te voeden ligt niet bij mij, maar bij hem zelf. Ach, ik wou dat de borst die jou heeft grootgebracht, mooiste van alle mannen, was verscheurd temidden van haar barensweeën! Ga nu, vereer het bed van een vader dat jou kreeg – het bed dat hij verwaarloost en door zijn daden wordt verstoten.

4; 129-155
En mocht je aan mij denken als een stiefmoeder die met de zoon van haar man naar bed wil, laat je hart dan niet afschrikken door lege namen. Zulke ouderwetse eerbied voor deugdzaamheid was zelfs tijdens de heerschappij van Cronus niet normaal, en gedoemd te sterven in de tijd die nog moest komen. Zeus bepaalde dat alles wat ons genot schonk deugdzaam was, en voor de goden is niets verkeerd sinds zus door broer tot vrouw werd gemaakt. Die band van verwantschap versterkt slechts de band die Aphrodite zelf gewrocht heeft. Ook de problemen van de heimelijkheid moet je niet vrezen – het zal gemakkelijk zijn, vraag de hulp van Aphrodite! Zij zal onze schuld toedekken onder de mom van verwantschap. Mocht iemands ons in een omhelzing zien, dan zullen wij beiden lof oogsten, dan zal ik een trouwe stiefmoeder voor de zoon van mijn heer genoemd worden. Jij hoeft in het holst van de nacht geen grendel van de deur van een strenge echtgenoot te ontsluiten. Jij hoeft niet weg te duiken voor een bewaker, omdat wij onder hetzelfde dak wonen, hetzelfde dat ons nog steeds beschut. Je bent gewoon mij onverholen te kussen, je kunt met steeds onverholen kussen blijven geven. Je zult veilig bij mij zijn, en ik zal door jou eer verdienen, hoewel jij op mijn eigen bed gezien zal worden. Maar, weg met dat getreuzel, maak haast om onze band te bevestigen – zodat de Liefde genadig voor je is, die mij nu bitter stemt! Ik ben niet te hooghartig om voor je te buigen en nederig te smeken. Wee mij, waar is mijn trots nu, mijn hoogdravende woorden? Gevallen, Ik heb besloten – als er iets is dat over liefde een besluit kan nemen – om door te vechten en niet te wijken voor de schaamte. Maar ik zal winnen. Ik bid je, om je knieën te omarmen strek ik mijn koninklijke armen uit. Of iets betaamt, daarover denkt niemand na die verliefd is. Mijn kuisheid is gevlucht, en toen deze vluchtte vervlogen haar normen.

4; 156-164
Vergeef mij deze bekentenis, en verzacht je harde hart! Vergeef dat ik Minos als vader heb, die over de zeeën heerst, dat uit mijn voorvaders hand de bliksem komt, hij die de flauwe beweegt dag met zijn stralende wagen, die gekroond os met een stralenkrans van priemende stralen – wat baat dit alles, als mijn edele naam door liefde is gebroken? Heb medelijden met hen die ons voor zijn gegaan, en, als je mij niet wilt ontzien, O ontzie mijn afstamming! Het land van Kreta behoort tot mijn bruidsschat, het eiland van Zeus – laat mijn hele hofhouding slaven van Hippolytus zijn!

4; 165-174
Buig, o wreedaard, je geest! Mijn moeder kon een stier verleiden, ben jij erger dan een woest beest? Spaar me, bid ik tot Aphrodite, die mij nu geheel overheerst. Laat jij nooit van iemand houden die jou afwijst. Laat daarom de behendige godin bij de eenzame open plekken op jou wachten om je te behoeden, en de diepe bossen je wilde dieren schenken om de doden. Laat de Saters je vrienden worden, en de berggoden, en Pan, en laat het zwijn frontaal door je speer doorboord sneuvelen. Laat de Nimfen – hoewel die vertellen dat je vrouwen verafschuwt – je het stromende water geven om je smachtende dorst te verlichten!

4; 175-177
Ik vermeng deze gebeden met mijn tranen. De woorden van haar die bidt, lees je nu. Haar tranen, moet je in je verbeelding zien!

5. Van Oenone aan Paris

5; 1-4
Wil je mijn brief toch lezen? Of verbiedt je nieuwe vrouw dit? Lees – dit is geen brief van Myceense hand! – Het is de bronnimf Oenone die schrijft, welbekend in de bossen van Phrygië – die onrecht is aangedaan, en met klachten over jou, mijn eigen jij, als jij dit toestaat.

5; 5-8
Welke god keert zijn wil tegen mijn gebeden? Wat heb ik verkeerd gedaan. Dat ik niet meer van jou kan zijn? We moeten gelaten ondergaan wat ook maar op ons pad komt. De straf die onverdiend komt brengt alleen ellende.

5; 9-32
Je was nog niet zo oud toen ik blij was om met je te trouwen – Ik, de nimfendochter van een rivier. Jij die nu een zoon van Priamus is – laat respect de waarheid niet achterhouden! – was toen een slaaf. Ik verwaardigde me om met een slaaf te trouwen – Ik, een nimf! Temidden van onze kudden rustten wij vaak onder de beschuttende bomen, waar een mengsel van bladeren en gras ons een bed boden. Vaak lagen we op stro, of op de hoge heide in een lage hut die de grijze koude buitensloot. Wie wees jou de geschikte schuilplaatsen voor de jacht, en de rotsachtige holen waar de wilde beesten hun jongen verzorgden? Vaak ben ik met je meegegaan om de jaagnetten met zijn wijde mazen te spannen. Vaak heb ik de snelle honden over de bergkammen geleid. De beuken dragen nog steeds mijn naam die daar door jou is ingekerfd, en daar staat Oenone, door jouw mes gekerfd. En hoe groter de bomen worden, hoe groter mijn naam wordt. Groei door, rijs hoog op om mijn roem bekend te maken! O populier, leef eeuwig, bid ik, het kunstwerk dat geplant is aan de oevers van de rivier en die in je geschubde bast dit vers draagt: Wanneer Paris’ adem niet zal faalt, wanneer hij Oenone versmaad, zal het water van de Xanthus terugkeren naar zijn bron. O Xanthus, haast je terug, keer, water, en stroom terug naar je bron! Paris heeft Oenone verlaten, en blijft toch leven.

5; 33-40
Die dag sprak het ellendige noodlot tot mij, op die dag begon de afschuwelijke storm van een veranderende liefde, toen Aphrodite en Hera, en de onopgemaakte Athena, maar hoe bevallig had zij haar wapens gedragen, voor jou verschenen om beoordeeld te worden. Mijn hart sprong op van verbazing toe je het me vertelde, en een koude huivering door mijn botten trok. Ik won advies in – want ik was heel erg bang – bij grootvaders en langlevende stamvaders. Het was ons allen duidelijk dat kwaad mij bedreigde.

5; 41-52
De sparren werden omgehakt, de planken bewerkt. De vloot was klaar, en de diepblauwe zee ontving de gladgemaakte vaartuigen. Je tranen stroomden toe je me verliet – ontken dit, tenminste, niet! Onze tranen vermengden zich, elk ten prooi aan verdriet. De olm wordt niet zo klemmend omarmd door de wijnstok als jouw armen mijn nek omarmden. Ach, hoe vaak, wanneer je klaagde dat je door de wind werd tegengehouden, glimlachten jouw kameraden! – die wind was gunstig. Hoe vaak, nadat je van mij afscheid had genomen, keerde jij terug om nog een kus te vragen! Je mond was nauwelijks in staat om ‘Vaarwel!’ te zeggen

5; 53-60
Een licht briesje beroert de zeilen die doelloos van de starre mast hangen, en het water schuimt wit door het kolken van de riemen. In mijn ellende volg ik de verdwijnende zeilen zover als ik kan kijken, terwijl het zand nat is van mijn tranen. Dat je weer snel terug zult keren, bid ik tot de zeegroene dochters van Nereus – ja, dat je snel zult terugkeren naar mijn verderf! Ik hoopte dat je zou terugkeren in antwoord op mijn gebeden, maar je keerde terug omwille van een ander? Wee mij, vanwege een wrede rivale heb ik overtuigend gebeden!

5; 61-76
Een grote massa inheemse rotsen kijkt uit over de eindeloze diepte – het is een echte berg. Het stopt de golven van de zee. Hier stond ik als eerste te turen en zag de zeilen van je schip, en mijn hart gaf me in om door de golven naar je toe te snellen. Terwijl ik wachtte, zag ik ter hoogte van de boeg een paarse glans – angst greep mij aan. Dat was niet jouw kleding. Het vaartuig kwam naderbij, gedragen door een verfrissende wind, en landde op de kust. Met bevend hart ving ik de blik op van een vrouwengezicht. En dit was nog niet genoeg – waarom was ik zo gek om te blijven staan en kijken? - want die schaamteloze vrouw klampte zich aan jou vast! Toen reet ik mijn boezem open en sloeg op mijn borst, groefde met mijn nagels over mijn wangen, en liet op de heilige Ida mijn jammerende kreten weerkaatsen. Mijn tranen boorden zich in gindse geliefde rotsen. Laat Helena net zo veel lijden, net zoveel weeklagen, wanneer ze door haar geliefde in de steek wordt gelaten, en wat zij eerst over mij bracht dan zelf moet doorstaan!

5; 77-88
Je geniet nu van die wilde meid welke jou volgt over de open zee, haar wettige echtgenoot achterlatend. Maar toen je arm was en de kudden hoedde, was Oenone je vrouw, arm was je, een onbetekenend iemand. Ik ben niet verblind door jouw rijkdom, noch ben ik onder de indruk wanneer ik aan jouw paleis denk, of wil ik een van de vrouwen van Priamus’ zonen genoemd worden – hoewel Priamus een nimf als vrouw voor zijn zoon niet zou minachten, of dat Hecabe haar verwantschap met mij zou willen verbergen. Ik ben het waardig, en verlang om het te zijn, om de statige vrouw van een krachtig heer te zijn, in mijn handen zou een scepter niet misstaan. Veracht mij evenmin omdat ik eens met jou samenlag onder het bladerdak van de beuk. Ik ben meer geschikt voor het paarse huwelijksbed.

5; 89-98
Weet dat mijn liefde geen onheil kan veroorzaken. Ik zal geen oorlog brengen, of wrekende schepen over zee laten komen. De weggelopen Tyndaride wordt nu teruggeëist door een gewapende vijand, dat is de bruidsschat die de dame trots naar het huwelijksbed brengt. Of ze teruggegeven moet worden aan de Danaërs, vraag het je broer Hector, als je wilt, of Deïphobus en Polydamas. Vraag advies aan de plechtige Antenor, zoek uit wat Priamus zelf er van vindt, die wijs is geworden door zijn lange levensjaren. Het is nog maar het begin , om een geschaakte minnares meer te prijzen dan je eigen geboorteland. Jouw geval roept schande op. Rechtvaardig zijn de wapens die haar heer opneemt.

5; 99-112
Denk ook niet, als je verstandig bent, dat die Laconische trouw zal zijn – zij die zo snel in je armen viel. Net zoals de jongste Atride het uitschreeuwt over de schending van zijn huwelijksbed, pijnlijk getroffen door zijn vrouw die van een ander houdt, zal ook jij huilen. Geen enkele vaardigheid kan eenmaal beschadigde zuiverheid weer herstellen, het is verloren, voor eens en altijd verloren. Brandt ze van liefde voor jou? Zo hield ze ook eens van Menelaüs. Hij, naïeve gek die hij was, ligt nu in een verlaten bed. Gelukkige Andromache, keurig getrouwd met een trouwe echtgenoot! Ik was een vrouw waar jij je aan vastgeklampt zou moeten hebben naar het voorbeeld van je broer. Maar jij – lichter dan bladeren die zijn verdord, en ritselen in de wisselende wind. Jij hebt minder gewicht dan de top van een korenaar, gemakkelijk brandend en krullend onder de eeuwig schijnende zon.

5; 113-120
Dit zong je zuster – ik roep het terug in mijn herinnering - ooit eens voor mij, met loshangende haren, voorspellend wat er ging gebeuren. ‘Waar ben je mee bezig, Oenone? Waarom zaadjes aan het zand toevertrouwen? Jij ploegt de kust met ossen die dat niet zullen volbrengen. Een Griekse vaars is onderweg, om jou te vernietigen, jouw thuisland, en jouw huis! Stop, houdt haar tegen! Er komt een Griekse vaars aan! Laat het onreine schip, nu je het nog kunt, in de diepte verdwijnen! Ach, hoeveel Phrygisch bloed heeft het aan boord!’

5; 121-134
Ze stopte met spreken. Haar bedienden grepen haar terwijl ze verdwaasd in de rondte liep. En ik – mijn blonde haren stonden recht overeind. Ach, maar al te zeer sprak jij voor mij de ellendige waarheid profetes – Ze heeft ze, Io, de vaars heeft mijn weiden! Hoewel ze mooi van uiterlijk overkomt, is het toch een kreng. Geschaakt door een vreemdeling, liet ze de huwelijksgoden achter. Theseus – tenzij ik mij in de naam vergis – ene Theseus, heeft haar eerder, gestolen uit haar vaders huis. Denk je dat zij als een bediende werd teruggegeven, door een jonge en enthousiaste man? Vanwaar weet ik dit zo goed? Vraag je. Ik heb je lief. Je mag het geweld noemen en met de mantel der liefde bedekken, maar zij die al zo vaak is geschaakt heeft hier zeker medewerking aan verleend. Maar Oenone blijft kuis, hoewel haar echtgenoot anders handelt – en, naar je eigen voorbeeld, zij kan je mogelijk voor de gek hebben gehouden.

5; 135-152
Ik was gewend, samen met de snelle Saters, een baldadige groep met snelle voeten, op zoek te gaan naar een rustplaats – waar ik beschut zou kunnen liggen in het bladerrijke bos – met Faunus, en zijn door scherpe dennennaalden omkranste hoofd, waar de Ida oprijst met eindeloze bergkammen. Ik, de bouwer van Troje, beroemd om het bewaren van haar geloof, geliefd, dompelde mijn handen in de geheimen van zijn gaven. Welk kruid biedt hulp, welke wortel die op aarde groeit en wordt gebruikt in de geneeskunde, is voor mij. Wee, ellendige ik, die niet door kruiden genezen kan worden! Bedreven in vaardigheden, wordt ik hulpeloos achtergelaten door de vaardigheden die ik beheers.

5; 153-159
De steun die noch de aarde, vruchtbaar in het voortbrengen van kruiden, noch een god zelf, kan geven, die macht heb jij om mij te schenken. Jij kunt het schenken, en ik heb het verdiend – heb medelijden met een eerzaam meisje! Ik kom niet met de Danaërs, en draag geen bloedige wapenrusting – maar ben van jou, en ik was je vrouw in kinderloze jaren, en de jouwe in alle jaren die nog komen bid ik!

Vers 6 t/m 10

6. Van Hypsipyle aan Iason

6; 1-8
Er wordt verteld dat je met jouw schip veilig de kust van Thessalië hebt bereikt, in het rijke bezit van de vacht van de gouden ram. Ik spreek tot je vanwege jouw redding – voor zover je mij de kans geeft. Vanwege dit ene feit had ik een bericht van jezelf verwacht. Maar de winden hebben misschien niet meegewerkt, hoewel je verlangde om mij te zien, en hielden je op om terug te keren naar het rijk dat ik je beloofde , maar een brief kan worden geschreven, hoe nadelig de wind ook is. Hypsipyle verdient het om een groet te sturen.

6; 9-16
Waarom brengen geruchten mij tijdingen over jou, in plaats van regels van jouw hand? Geruchten dat de heilige stieren van Ares onder het gebogen juk zijn gespannen. Dat na het inzaaien er uit het zaad mannen geoogst werden, die jouw rechterarm niet nodig hadden voor hun noodlot. Dat de huid van de ram, het gouden vel bewaakt door de altijd wakkere draak, als buit is gestolen door jouw moedige handen. Kan ik tegen degenen die traag zijn met dit relaas te vertellen zeggen: ‘Hij heeft me dit zelf geschreven,’ wat zou ik dan trots zijn!

6; 17-30
Maar waarom klagen dat mijn heer traag is met zijn plicht? Ik denk dat ik met alle lof wordt behandeld, en blijf zo de jouwe. Een barbaarse gifmengster, zo gaat het verhaal, is met jou meegekomen, en is toegelaten tot het huwelijksbed dat jij beloofde met mij te delen. Liefde wordt snel geloofd. Overtuig me dat ik overijld handel, en dat een ongegronde aanklacht tegen mijn heer is ingebracht! Laatst kwam er een vreemdeling uit het grensgebied van Haemonia in Thessalië aan mijn deur. Hij had nauwelijks de drempel gepasseerd, toen ik riep, ‘Hoe gaat het met mijn heer, de zoon van Aeson?’ Hij stond sprakeloos van verlegenheid, met zijn ogen neergeslagen. Direct veerde ik op, en scheurde de kleding van mijn borst. ‘Leeft hij?’ schreeuwde ik, ‘of roept het noodlot ook mij tot zich?’ ‘Hij leeft’, was zijn antwoord. De liefde is vol van angsten, Ik liet het hem zweren. Zonder god als getuige geloofde ik dat je nog leefde.

6; 31-38
Toen mijn geest tot rust kwam, begon ik te informeren naar jouw lotgevallen. Hij vertelde me van de koperhoevige stieren van Ares, hoe zij ploegden, van de drakentanden die als zaad in de grond werden gezaaid, van mannen die uit de aarde ontsproten en wapens droegen – aardgeborenen die de strijd met elkaar aangingen, hun noodlot van één dag te leven vervullend. Hij vertelde wat er met de draak gebeurde. Opnieuw vroeg ik of Iason nog leefde. Hoop en angst welden om beurten als vertrouwen en wantrouwen in mij op.

6; 39-46
Terwijl hij de details van zijn verhaal vertelt, zo gretig en snel dat hij zonder het te beseffen vanzelf de wonden openbaart die mij zijn toegebracht. Ach!, Waar is de trouw die mij is beloofd? Waar is de huwelijkstrouw, en de huwelijksfakkel, die meer geschikt lijkt om mijn brandstapel aan te steken? Ik was mij niet bewust van jouw steelse manieren. Hera was er toen we trouwden, en Hymenaeus, zijn hoofd versierd met kransen. En noch Hera of Hymenaeus, maar de sombere Erinyen, besmeurd met bloed, droegen voor mij de onheilige toorts.

6; 47-54
Wat had ik met bomen uit Minyas, of uit Dodona ? Wat had jij met mijn geboorteland, O stuurman Tiphys? Er was hier geen ram, met een fraaie gouden vacht, noch was Lemnos het koninklijke huis van de oude Aeëtes. Ik besloot eerst – want mijn noodlot dreef mij voort – om met mijn vrouwen de vreemde groep te verdrijven. De vrouwen van Lemnos weten – ja, zelfs te goed – hoe zij mannen moeten verslaan. Ik zou een groep moedige soldaten mijn zaak laten verdedigen.

6; 55-64
Maar ik keek naar de man in mijn stad, en verwelkomde hem onder mijn dak in mijn hart! Hier ging voor jou de zomer tweemaal voorbij, tweemaal de winter. Bij de derde oogst werd je gedwongen om uit te varen, en in tranen zei je de volgende woorden tegen mij: ‘Ik word van je gescheiden, Hypsipyle. Maar als het lot mij vergunt om terug te keren, laat ik je achter als de jouwe, en zal ik altijd de jouwe zijn. Datgene wat nu van mij onder je hart groeit – moge het tot leven komen, en hoop dat we beiden het ouderschap mogen delen!’ zo sprak je. En ik herinner me dat je niets meer kon zeggen terwijl de tranen over je valse gezicht stroomden.

6; 65-74
Je ging als laatste van de groep aan boord van de heilige Argo. Ze vliegt weg, de wind laat de zeilen bollen, de donkerblauwe golven glijden onder de kiel door terwijl zij voortgaat, jij staart naar het land, ik naar de zee. Er is een toren die naar alle kanten over het water uitkijkt, daar ging ik heen, mijn gezicht en borst nat van tranen. Ik staarde door mijn tranen heen, mijn ogen waren genadig voor mijn trouwe hart, en zien verder dan gewoonlijk. Voeg daarbij zuivere gebeden uit mijn hart, en geloften vermengd met angst – geloften die ik nu moet vervullen, want je bent veilig.

6; 75-78
En ik moet deze geloften inlossen – geloften waar Medea van geniet? Mijn hart is ziek, en is afwisselend doordrongen van woede of liefde. Moet ik geschenken naar het altaar brengen omdat Iason leeft, hoewel je niet meer de mijne bent? Moet een slachtoffer vallen onder de slag vanwege het verlies dat mij is overkomen?

6; 79-94
Nee, ik voelde mij nooit zeker. Want ik was altijd bang dat jouw vader een bruid uit een stad in Argolis voor zijn zoon zou zoeken. Ik had angst voor de dochters van Argolis – maar mijn verderf is een barbaarse feeks! De wond die ik voel komt niet van de vijand die ik verwachtte. Het is niet vanwege haar schoonheid of verdiensten dat ze jou voor zich won, maar door de bezweringen die ze kende en de verderfelijke kruiden die ze met haar betoverde mes sneed. Zij is iemand die de maan van zijn onwillige koers naar beneden kan trekken, en in het donker de paarden van de zon kan verbergen. Zij beteugelt het water en stopt de naar zee kronkelende rivieren. Zij verplaatst de bossen en de levende rotsen van hun plek. Ze begeeft zich tussen de graven, zonder gordel, met loshangend haar, en verzamelt bepaalde botten uit de nog warme brandstapel. Ze roept het noodlot af over de afwezigen, maakt wassen beelden, en drijft een scherpe naald in hun ellendige hart – en nog andere zaken die we maar beter niet kunnen weten. Liefde door kruiden afgedwongen is een liefde die door deugd en schoonheid wordt overwonnen.

6; 95-108
Kan een vrouw zoals zij jou omhelzen? Kun je in dezelfde kamer met haar verblijven en geen angst voelen, en genieten van de slaap in de stille nacht? Zeker, ze moet je gedwongen hebben om aan haar leiband te lopen, net zoals ze de stieren gedwongen heeft, en heeft jou met dezelfde middelen onderworpen zoals ze die bij felle draken gebruikt. Voeg daaraan toe dat haar naam wordt genoemd in hetzelfde verhaal waarin jij en je heldendaden worden genoemd, en de vrouw verdoezelt de roem van haar echtgenoot. Iemand van de aanhangers van Pelias schreef jouw daden toe aan haar kruiden, en liet het volk het volgende geloven: ‘Deze gouden vacht van de ram van Phrixus werd niet door de zoon van Aeson gestolen, maar door het Phasische meisje, het kind van Aeëtes.’ Jouw moeder Alcimede – vraag advies aan je moeder – begunstigt haar niet, noch jouw vader, die ziet dat de bruid van zijn zoon uit het ijzige noorden komt. Laat zij zelf een man zoeken – van de Tanaes, uit de moerassen van waterrijk Scythië, of uit haar eigen land waar de Phasis stroomt!

6; 109-118
O veranderlijke zoon van Aeson, onzekerder dan de lentewinden, waarom missen jouw woorden de kracht van een toegezegde belofte? Van mij ging je daarheen, naar mij ben je nog niet teruggekeerd. Laat mij je getrouwde partner zijn wanneer je terugkomt, zoals ik was toen je vertrok! Als edel bloed en een rijke afstamming iets voor je betekenen – zie, ik sta bekend als de dochter van de Minoïsche Thoas! Dionysus was mijn grootvader. De bruid van Dionysus, met bekroond hoofd, overstraalt met haar sterren de kleinere sterrenbeelden. Lemnos zal mijn bruidsschat zijn, land dat vriendelijk is voor de boeren. En naast de andere zaken die mijn bruidsschat met zich meebrengt zul je ook mij bezitten.

6; 119-128
En, ik heb ook gebaard. Genot voor ons beiden, Iason! Lieflijk was de last die ik droeg – door de dader veroorzaakt. Ik ben blij over het aantal, want, door de vriendelijke gunsten van Eileithyia heb ik een tweeling voortgebracht, een belofte voor van ons. Als je vraagt op wie ze lijken, vertel ik je, dat jij in hen zichtbaar bent. De daden van misleiding kennen zij niet, maar wat de rest betreft, zijn zij net als hun vader. Ik gaf bijna opdracht om ze naar jou te brengen, als ambassadeurs van hun moeder. Maar gedachten aan die wrede stiefvrouw hielden me terug van het pad dat ik wilde betreden. Het is Medea die ik vrees. Medea is meer dan een stiefvrouw, de handen van Medea zijn toegerust voor elk soort misdrijf.

6; 129-138
Zou zij die haar broer aan stukken scheurde en uitstrooide over de velden iemand zijn die mijn zekerheid zou sparen? Zo is zij, zo is de vrouw, O dolleman die door de gifstoffen van Colchis van zijn zintuigen is beroofd, en waarvan wordt gezegd dat hij het huwelijksbed met Hypsipyle minacht! Gemeen en schaamteloos was de manier waarop die gek jouw bruid werd. Maar het verbond dat mij aan jou gaf, en jij aan mij, was kuis. Zij verraadde haar vader. Ik redde mijn vader Thoas van de dood. Zij verliet de Colchiërs, Lemnos heeft mij nog steeds. Waar het om gaat, als zonde tegenover toewijding wordt gezet, is dat zij haar echtgenoot heeft gekregen door de misdaad die ze hem als bruidsschat gaf.

6; 139-150
Ik veroordeel de wraakzuchtige daad van de vrouwen van Lemnos, Iason, en kijk er niet bewonderend naar. Passie drijft de zwakken aan, maar is krachteloos, om de wapens op te nemen. Kom vertel, wanneer jij, voortgedreven door onvriendelijke stormen, mijn haven genaderd was, wat je gesierd zou hebben, jij en je metgezellen, en ik naar je toe was gekomen met mijn tweeling – dan zou je zeker gebeden hebben dat de aarde zich voor je zou openen – met welke gezichtsuitdrukking zou je dan naar je kinderen gestaard hebben, O ellendig mens, en met welke gezichtsuitdrukking naar mij? Welke dood zou je verdienen als beloning voor je trouweloosheid? En toch zou je met veiligheid en bescherming door mij ontvangen zijn – niet dat je dit verdient, maar omdat ik genadig ben. Maar wat je minnares betreft – ik zou met eigen handen mijn gezicht besmeurd hebben met haar bloed, en jouw gezicht, dat ze heeft gestolen met haar giftige kunsten! Ik zou een Medea voor Medea zijn geweest!

6; 151-168
Maar als Zeus zelf op enigerlei wijze vanuit de hoogte aandacht aan mijn gebeden schenkt, laat dan de vrouw die zich in mijn huwelijk dringt lijden onder de ellende waar Hypsipyle onder lijdt, en zelf het lot ondergaan dat zij nu over mij brengt. En nu ik alleen ben achtergelaten, vrouw en moeder van twee kinderen, moge zij op een dag van evenzovele kinderen beroofd worden, en van haar man! Laat haar evenmin lang genieten van haar onrechtmatig verkregen bezittingen, maar laat hen in slechtere toestand achter – laat haar een balling zijn, een vluchteling overal in de wereld! Een verbitterde zus voor haar broer, een verbitterde dochter voor haar ellendige vader, laat haar verbitterd zijn voor haar kinderen, en net zo verbitterd voor haar man! Want ze zal geen hoop op een toevluchtsoord ter land of in de zee kennen, laat haar de lucht doorzoeken, laat haar ronddwalen, berooid, beroofd van hoop, rood besmeurt vanwege haar moorden! Dit lot ken ik, de dochter van Thoas, bedrogen in mijn echtelijke staat, ik roep mijn gebed over jou af. Leef voort, vrouw en man, vervloekt in jullie bed!

7. Van Dido aan Aeneas

7; 1-6
Zo, in opdracht van het lot, zichzelf neerwerpend temidden van het natte gras langs de ondiepten van de Meander, zingt de zwaan . Ik richt mij niet tot je in de hoop dat je ontroerd wordt door mijn gebed – want tegen de wens van de goden in ben ik begonnen aan de woorden die je nu leest, na een alle hoop te hebben verloren, en mijn naam, en de zuiverheid van mijn lichaam en ziel, omdat het verlies van woorden inderdaad een zaak van minachting is.

7; 7-22
Ben je vastbesloten om te vertrekken, de ongelukkige Dido achterlatend, en zullen diezelfde winden je samen met je zeilen en beloften van mij wegvoeren? Ben je vastbesloten, Aeneas, tegelijkertijd te vertrekken van je ligplaatsen en van je belofte, en het schimmige rijk van Italië na te jagen, waarvan je niet weet waar het ligt? En doet het pas ontdekte Carthago je niets, noch haar hoogoprijzende muren, noch de scepter van opperste macht die je in handen werd gegeven? Wat er is bereikt, keer je nu de rug toe, wat nog bereikt moet worden, moet je altijd nastreven. Je hebt één land gevraagd en gekregen, en nog steeds ben je op zoek naar een ander, in de wijde wereld. Maar, zelfs al vindt je het land van je dromen, wie zal dat uit zichzelf aan jou geven. Wie zal zijn akkers aan onbekende handen uitleveren om te bezitten? Een tweede liefde rest jou om te veroveren, en een tweede Dido. Een tweede keer om een belofte te doen, en een tweede keer om die te breken. Wanneer zul je zoveel geluk hebben, denk je, om een stad als Carthago te vinden, en vanaf een hoge citadel neer te kijken op je eigen volk? Als al je wensen worden vervuld, zelfs wanneer die snel worden vervuld in antwoord op jouw gebeden, vanwaar komt dan de vrouw die net zo van je zal houden als ik?

7; 23-34
Ik sta in vuur en vlam van liefde, als fakkels die in zwavel zijn gedoopt, als vroom wierook dat op een brandend altaar wordt gelegd. Mijn ogen klampen zich in al mijn wakende uren aan Aeneas vast. Mijn hart is heel de nacht en heel de dag bij Aeneas. Het is waar dat hij ondankbaar is, en niet op mijn vriendelijkheid reageert, en als ik niet gek was zou ik bereid zijn om hem te laten gaan. Toch, hoewel hij slecht over mij denkt, haat ik hem niet, maar klaag alleen over zijn ontrouw, en nadat ik heb geklaagd hou ik des te inniger van hem. Ontzie, O Aphrodite, de bruid van uw zoon. Beteugel uw hardvochtige broer, O broeder Liefde, en laat hem in uw kamp dienen! Of koppel hem aan degene aan wie ik mijn liefde schonk – ik zwichtte als eerste, en ik schaam me daar in het geheel niet voor – voor hem, het onderwerp van mijn zorgen!

7; 35-44
Ach, ijdele waan! De verbeelding die door mijn hoofd flitst is niet de waarheid. Zijn hart verschilt heel sterk van dat van zijn moeder. Uit rosten en steen ben jij gehouwen, en van de eik die is ontsproten op de hoge rots, van wilde dieren, of van de zee – zo’n zee waarop je nu neerkijkt, door de wind heen en weer geslingerd, waarop jij je desalniettemin klaar maakt om uit te zeilen, ondanks de dreigende vloed. Waar vlieg je heen? De aanwakkerende storm dwingt je om te blijven. Laat deze storm mijn genade worden! Zie hoe Eurus het water wild maakt! Waar ik er de voorkeur aan zou hebben gegeven om jou te bedanken, bedank ik nu de stormwinden. Wind en golven zijn rechtvaardiger dan jouw hart.

7; 45-60
Ik ben niet waardig genoeg – ach, waarom heb ik je niet verkeerd ingeschat – om jou te zien vergaan terwijl je voortjaagt over de weidse zeeën. Het is een kostbare en duurbetaalde afschuw die jij koestert, om niet meer met mij om te gaan, die er vanuit gaat dat het eenvoudig is om te sterven. Binnenkort zal de wind afnemen, en dan zal Triton met zijn hemelsblauwe paarden over het gladde oppervlak van de golven rijden. O dat je net zo veranderlijk zou zijn als de winden! – en, tenzij je net zo hard bent als de eik, dat zul je zijn. Wat kan er nog erger zijn, als je de kracht van de razende zee niet kent? Waarom vertrouwen op de golven wiens krachten je al zo vaak ondervonden hebt! Zelfs als je de touwen laat vieren op de kalme zee, zijn er nog vele rampen te ontmoeten op die uitgestrekte diepte. Noch is het goed voor diegenen die hun geloof verloren terwijl zij de golven probeerden te verleiden. Ginds is de plek die straf voor ontrouw oplegt, zeker wanneer de liefde onrecht is aangedaan. Want het was uit de zee, in het water van Cythera, zo gaat het verhaal, dat de moeder van de Liefde, ongekleed, is verschenen.

7; 61-72
Het is afgelopen met me, ik vrees dat ik ten onder ga aan degene die mijn ondergang is, tenzij ik schade berokken aan degene die mij schade berokkent, zodat mijn vijand schipbreuk lijdt en het water van de zee moet drinken. Blijf leven, bid ik! Ik zie nog liever jou slechtheid dan dat je sterft. Je zult eerder bekend staan al de oorzaak van mijn eigen noodlot. Stel je voor, bidt, stel voor dat je gegrepen wordt – laat er niets in de voortekenen staan! – tijdens het geweld van de storm, wat zullen dan je gedachten zijn? Die vals afgelegde gelofte uit jouw gemene mond zal direct op je af komen stormen, en Dido zal de dood ingedreven worden door jou Phrygische ontrouw. Voor je ogen zal de gedaante van de bedrogen echtgenote verschijnen, uiterst verdrietig, met loshangend haar, en besmeurd met bloed. Wat valt er nog te winnen, wanneer je moet zeggen: ‘Het is mijn verdiende loon. Vergeef me goden!’ terwijl je hierover nadenkt en de bliksems naar je toe geslingerd worden?

7; 73-86
Gun een korte adempauze aan de wreedheid van de zee, en aan jezelf, om tot bedaren te komen. Het oponthoud zal groots beloond worden met een veilige reis. Het is niet zozeer om jou dat ik bezorgd ben, maar laat de kleine Julus gespaard worden! Maar jij, jij komt de eer van mijn dood toe. Wat heeft de kleine Ascanius gedaan, of de Penaten , om zo’n noodlot te verdienen? Zijn ze uit het vuur gered om in de golven te sterven? Toch draag je ze niet bij je, de heilige relikwieën waarvan je voorgaf dat deze je nooit bezwaarden, net als je vader. Je liegt over alles – en ik ben niet de eerste die door jouw woorden is bedrogen, noch ben ik de eerste die deze slag van jou voelt. Vraag je waar de moeder van de mooie Ascanius is? – Ze is omgekomen, achtergelaten door haar gevoelloze echtgenoot! Dit was het verhaal dat jij mij vertelde – ja, en het zou een waarschuwing voor mij geweest moeten zijn! Laat me branden, ik verdien het! De straf zal minder zijn dan past bij mijn schuld.

7; 87-96
En ik twijfel er niet over dat je, ook door jouw goden verdoemd bent. Je wordt nu al voor de zevende winter over zee en land voortgejaagd. Je werd door de golven aan land geworpen en ik ontving je in een veilig huis. Amper je naam kennend, gaf ik je mijn troon. Toch zou ik tevreden zijn geweest met deze vriendelijkheden, en dat het verhaal van ons verbond werd begraven! Die vreselijke dag was mijn ondergang, toen een plotselinge stortbui uit de donkerblauwe lucht ons dwong om te schuilen in die verheven grot. Ik had een stem gehoord. Ik dacht dat het een kreet van de Eumeniden was – het waren de Eumeniden die het teken voor mijn verderf gaven.

7; 97-102
Eis mijn straf op, o gekrenkte kuisheid – de straf die Sychaeus kreeg opgelegd. Ik moet nu gaan om die te ondergaan – wee mij, ongelukkige die ik ben, door schaamte overwonnen! In de tempel van marmer staat een beeld van Sychaeus dat ik voor heilig hield – temidden van hangende groene bladeren, en haarbanden van witte wol. Van binnenuit hoorde ik viermaal een welbekende stem roepen. Hij was het die op een vaag klinkende toon huilde: ‘Elissa, kom!’

7; 103-110
Ik draal niet langer, ik kom. Jou bruid komt, de jouwe door het huwelijk. Ik ben laat, maar dat komt vanwege schuld bekende schaamte. Vergeef me mijn misstap! Degene die mijn val veroorzaakte was het waardig, hij beroofde mijn zintuigen van haar haat. Omdat zijn moeder goddelijk was en hij loyaal aan zijn oude vader was had ik de hoop dat hij mijn trouwe echtgenoot zou blijven. Het was mijn lot om te dwalen, mijn fout had eerbare gronden. Uiteindelijk is alleen hij trouw, ik heb geen reden voor spijt.

7; 111-132
Het noodlot uit mijn verleden achtervolgt me tijdens de laatste momenten van mijn leven, en zal mij blijven achtervolgen tot aan het einde. Mijn man viel in zijn bloed voor het altaar van zijn eigen huis, en mijn broer ontving de vruchten van de monsterlijke misdaad, en zelf werd ik in ballingschap gedreven, gedwongen om de as van mijn heer achter te laten in mijn geboorteland. Ik snelde over zware paden, en de vijand achtervolgde mij. Ik landde op onbekende oevers, ontsnapte aan mijn broer en de zee, en ik kocht het strand dat ik, trouweloze man, aan jou gaf. Ik stichtte een stad, en legde de funderingen van verreikende muren aan die de jaloezie van naburige staten opriepen. Er dreigden oorlogen, en ik was amper in staat om primitieve stadspoorten te bouwen en deze gereed te maken voor de verdediging van de stad. Duizenden minnaars wierpen verliefde ogen op mij, en klaagden vereend dat ik de voorkeur aan de hand van een buitenlandse liefde gaf. Waarom sla je me niet onmiddellijk in de ketenen, en lever me uit aan de Gaetulische Iarbas? Moet ik je vanwege jouw schandelijke misdaad omarmen. Daar is ook mijn broer, wiens goddeloze handen met mijn bloed besprenkeld kunnen worden, zoals het al met dat van mijn heer besprenkeld is. Leg die goden en heilige voorwerpen neer, jouw aanraking schendt ze! Het is voor een goddeloze niet juist om de bewoners van de hemel te aanbidden. Als het jouw lot is om de goden die aan het vuur zijn ontsnapt te aanbidden, dan betreuren die goden het dat zij aan het vuur ontsnapt zijn.

7; 133-138
Misschien wordt Dido binnenkort ook moeder, O boosdoener, die jij nu verlaat, en een deel van je eigen wezen verscholen in mijzelf achterlaat. De ellendige baby zal hetzelfde lot ondergaan als de moeder, en jij zult de oorzaak zijn van het lot dat je ongeboren kind ondergaat. Met zijn eigen moeder zal de broer van Julus sterven, en een gezamenlijk lot zal ons samen meevoeren.

7; 139-148
‘Maar jij kreeg opdracht om te gaan – van je god!’ Ach, dat hij je maar verboden te komen, dan zou de Punische bodem nooit beroerd zijn door Teucrische voeten! Is deze waarachtig de god onder wiens leiding jij heen en weer geslingerd bent door onvriendelijke winden, en vele jaren over de deinende zee hebt moeten varen? Het zou een kleine moeite zijn om opnieuw naar Pergamum terug te keren, waar Pergamum nog steeds ligt zoals het was toen Hector nog leefde. Het is niet de Simoïs van je voorvaderen die je zoekt, maar de golven van de Tiber – en toch, waarachtig, zul je aankomen op de plek die je wenst, waar je slechts een vreemdeling zult zijn. Maar het land dat je zoekt is voor je verborgen, dus trek jouw schepen van het strand, ik vrees dat het je lot is om het pas op hoge leeftijd te bereiken.

7; 149-168
Stop je omzwervingen! Kies liever voor mij, en met mij mijn bruidsschat – deze bevolking van mij, en de rijkdom van Pygmalion die ik met mij meebracht. Verplaats jouw Ilium naar de Tyrische stad, en geef het zo een gelukkiger lot. Geniet van je koninklijke status, en de rechtmatige goddelijke scepter. Als je hart staat te trappelen naar oorlog, als Julus de ruimte moet krijgen voor de krijgskunst en overwinningen, zullen we vijanden voor hem vinden om te verslaan, en het zal hem aan niets ontbreken. Hier is de plek voor de wetten van de vrede, hier zal ook de plek voor wapens zijn. Spaar jij alleen, bid ik bij je moeder, en bij de wapens van je broer, zijn pijlen, en bij het goddelijke gezelschap van je groep, de goden van Dardanus – zodat deze zullen uitstijgen boven het lot dat de woeste Ares jouw ras heeft toebedeeld, zodat die wrede oorlog jouw laatste zal zijn, zodat Ascanius nog vele jaren gelukkig kan leven, en de beenderen van de oude Anchises in vrede kunnen rusten! – Spaar jij alleen het huis dat zich geheel uit vrije wil aan jou uitleverde. Kun jij me van iets anders beschuldigen dan van liefde? Ik kom niet uit Phthia, noch ben geboren in het grote Mycene, noch heb ik een echtgenoot of vader gehad welke een vijand van je was. Als jij je schaamt om mij als vrouw te hebben, laat me dan niet je bruid genoemd worden, maar je gastvrouw. Zo zal ze de jouwe zijn, Dido zal verdragen wat jij maar wilt.

7; 169-180
Ik ken de zeeën goed die op de Afrikaanse kusten breken, zij hebben periodes van blokkeren en vrijgeven van zeewegen. Als de winden het toestaan, zullen jouw zeilen de storm weerstaan, nu houdt het lichte zeewier jouw schip nog vast op de kust. Vertrouw op mij wanneer ik naar de lucht kijk, je zult later gaan, en ikzelf, hoewel je dat verlangt, zal je niet toestaan om te blijven. Ook jouw metgezellen eisen rust, en je ontredderde vloot, nog maar half hersteld, smeken om een kort uitstel. Door je vriendelijkheid in het verleden, en door die andere schuld ben ik je, misschien, nog iets verschuldigd. Vanwege mijn hoop op een wettig huwelijk, vraag ik om een beetje tijd – zodat de zee en mijn liefde kalm kunnen groeien, en ik door tijd en gewenning kracht zal vergaren om mijn verdriet moedig te dragen.

7; 181-190
Als je niet toegeeft, zal ik mijn leven beëindigen. Je zult niet lang meer wreed tegen me kunnen zijn. Kon je nu maar het gezicht zien van haar die deze woorden schrijft! Ik schrijf, en het Trojaanse zwaard op mijn schoot is gereed. Over mijn wangen rollen de tranen, en vallen op het getrokken staal – dat binnenkort met bloed gekleurd zal worden in plaats van met tranen. Hoe passend is jouw geschenk in het uur van mijn lot! Je bespoedigt mijn dood met weinig moeite. Mijn hart voelt nu voor het eerst geen angst meer voor de kracht van een wapen. Het draagt al de wond van een wrede liefde.

7; 191-198
Anna, mijn zuster, mijn zuster Anna, diep ongelukkige deelgenote in de kennis van mijn schuld, binnenkort zul je over mijn as de laatste zegen uitspreken. Als ik volledig ben verteerd door de brandstapel, zal mijn grafschrift luiden: Elissa, vrouw van Sychaeus, en zal deze regel op mijn marmeren tombe aangevuld worden met: Aeneas was de oorzaak van haar dood, en zijn zwaard. Maar van Dido zelf kwam de slag waardoor zij viel.

8. Van Hermione en Orestes

8; 1-14
Pyrrhus, zoon van Achilles, het evenbeeld van zijn vader, houdt me tegen alle wetten van de hemel en aarde gevangen. Ik heb alles gedaan wat in mijn vermogen lag – ik heb geprotesteerd tegen mijn gevangenneming, meer kunnen mijn vrouwenhanden niet doen. ‘Wat ben je aan het doen, kleinzoon van Aeacus? Ik heb niemand die mijn plaats in kan nemen!’, riep ik. ‘Dit is een vrouw, zeg ik je, Pyrrhus, die zelf een man heeft!’ Hij trok me naar de zee terwijl ik de naam van Orestes schreeuwde, hij sleepte me met verwarde haren naar zijn paleis. Door welk noodlot was Lacedaemon ingenomen en ik tot slaaf gemaakt, door die barbaarse bende meegesleept samen met de dochters van Griekenland? Andromache zelf werd beter behandeld door de zegevierende Achaeërs, toen het Danaëse vuur de rijkdom van Phrygië verteerde.

8; 15-22
Maar weet, als je hart enigszins wordt beroerd door menselijke zorg om mij, dat Orestes, geen zachtzinnig verhaal zal komen halen. Wat zou jij doen wanneer iemand je schaapskooi openbrak en al je schapen stal, zou je dan naar de wapens grijpen? En zou je traag reageren wanneer je vrouw wordt gestolen? Laat je schoonvader Menelaüs je tot voorbeeld zijn, hij die zijn vrouw terugeiste toen die geschaakt werd, en in een vrouw de rechtvaardiging van een oorlog zag. Zou hij zwak van geest zijn geweest, en in zijn verlaten zalen hebben getreuzeld, dan zou mijn moeder nog steeds met Paris getrouwd zijn, zoals ze dat vroeger eens was.

8; 23-30
Hij zou geen duizend schepen hebben uitgerust met bollende zeilen, en een leger van Danaëse soldaten – je kwam zelf! Evenzo kan ik zelf opgeëist worden, of is het ongepast voor een echtgenoot om de hitte van de strijd te verduren voor zijn geliefde. Denk er ook aan dat wij dezelfde grootvader hebben, Atreus, de zoon van Pelops, en, omdat wij niet getrouwd zijn, je nog steeds mijn neef bent. Echtgenoot, smeek ik, kom je vrouw te hulp. Broer, je zus! Beide familiebanden roepen je op tot het doen van je plicht.

8; 31-48
Ik werd door Tyndareus aan jou gegeven, vanwege zijn leeftijd en wijze van leven een wijze raadsman. De grootvader bepaalde het lot van zijn kleinkind. Maar mijn vader, moet gezegd worden, had me aan Aeacus kleinzoon beloofd, en wist dit niet. Maar mijn grootvader, die de hoogste in rang was, was ook de eerste in macht. Toen ik aan je uitgehuwelijkt werd, bracht mijn vereniging aan niemand schade toe. Als ik met Pyrrhus trouw, zou ik jou een wond toebrengen. Mijn vader Menelaüs, zal ons onze liefde vergeven – hij bezweek zelf ook voor de pijlen van de gevleugelde god. De liefde die hij zichzelf toestond, zal hij ook toekennen aan degene die door zijn dochter is uitgekozen. Mijn moeder, door hem bemind, zal ons daarbij helpen. Je bent voor mij wat mijn vader is voor mijn moeder, en de rol die eens de Dardaanse vreemdeling speelde, wordt nu door Pyrrhus gespeeld. Laat hem eindeloos trots zijn over de daden van zijn vader. Ook jij hebt een vader over wiens daden je kunt snoeven. De zoon van Tantalus heerste over iedereen, over Achilles zelf. De ene was maar een soldaat in het leger, de ander was leider van de leiders. Jij hebt ook voorouders – Pelops, en de vader van Pelops. Als je nauwkeurig wilt tellen, kun jij jezelf de vijfde in lijn na Zeus noemen.

8; 49-64
Je bent niet zonder moed. De wapens waarmee je zwaait zijn afschuwwekkend – maar wat stond je te doen? – Jouw vader gaf ze je in handen. Ik wilde dat het fortuin je meer moed had ingeblazen. Maar het pad waartoe je opgeroepen werd koos je niet – het was beschikt. Je gehoorzaamde toch de oproep, en de doorboorde keel van Aegisthus bevlekte de woning met bloed die daarvoor met jouw vaders bloed rood was gekleurd. De kleinzoon van Aeacus schendt jouw naam, en maakt die belachelijk – en toch krimpt hij niet ineen voor mijn blik. Ik ben laaiend, mijn gezicht gloeit niet minder dan mijn hart van passie, en mijn borst brandt door de pijn van opgekropte woede. Heeft iemand nadat zij over Hermione gehoord hadden iets tegen Orestes gezegd, maar ik heb geen kracht, en geen scherp zwaard bij de hand? Ik kan nog huilen. Met huilen kan ik mijn woede uitstorten, de tranen lopen over mijn borst als een stromende rivier. Dat is het enige dat ik nog bezit, en laat ze nog steeds vloeien. Mijn wangen zijn nat en lelijk door het voortdurende gehuil.

8; 65-82
Kan het zijn dat na verloop van al die jaren het noodlot dat op ons huis rust zelfs mij nog achtervolgt, dat wij Tantalide vrouwen eeuwige slachtoffers moeten zijn voor ontvoerders? Ik zal de leugenachtige woorden van de zwaan op het water niet herhalen, noch klagen over Zeus die in een verenkleed vermomd is. Waar de zee in tweeën gescheiden wordt door de ver uitgerekte Isthmus, Hippodamia werd weggevoerd in de wagen van een vreemdeling. Zij van Taenarum, van overzee gestolen door een vreemdeling van de Ida, om haar werden alle mannen van Argos onder de wapenen geroepen. Ik herinner me het nauwelijks, om eerlijk te zijn, maar toch herinner ik het me dat het gebeurde. Overal was er verdriet, overal angst en vrees. Mijn grootvader huilde, en mijn moeders zuster Phoebe, en de tweeling, en Leda viel op haar knieën om te bidden tot de goden, en haar eigen Zeus. En ikzelf, ik trok de haren uit mijn hoofd, en kort daarna, begon ik luid te schreeuwen: ‘Moeder, waarom ga je weg, en wil je mij achterlaten?’ Want haar man was weg. Omdat ik bang was niet van Pelops bloedlijn te zijn, maar zie, ook ik ben een gewillige prooi voor Neoptolemus!

8; 83-100
Ik wilde dat Peleus’ zoon ontsnapt was aan de boog van Apollo! De vader zou zijn zoon veroordelen voor zijn moedwillige daad. Het was niet vanwege het vroegere plezier van Achilles, noch zijn huidige, om een weduwenaar te zien huilen om zijn geroofde vrouw. Wat voor kwaad heb ik gedaan dat de hemel zo boos op me is? Of over welk sterrenbeeld moet ik klagen dat zo vijandig is tegen mijzelf? In mijn jeugd had ik geen moeder, mijn vader verbleef altijd in oorlogen – hoewel die twee niet dood waren, was ik van beide bestolen. Jij was niet in de buurt tijdens mijn eerste levensjaren, O moeder, om te luisteren naar het strelende geklets uit de mond van een klein meisje. Ik sloeg nooit mijn kleine armpjes om jouw nek, en zat nooit, een zoete last, op je schoot. Ik werd niet door jouw verzorgende handen grootgebracht. Toen ik ten huwelijk werd gegeven had ik geen moeder die de bruidskamer voor mij inrichtte. Ik ging naar buiten toen je naar huis terugkeerde – wat ik ga zeggen is de waarheid – en het gezicht van mijn moeder onbekend voor me was! Niettemin wist ik dat jij Helena was, omdat je de mooiste was. Maar jij – jij moest vragen wie je dochter was!

8; 101-116
Slecht dit ene lichtpuntje van geluk werd mij niet onthouden – om Orestes als mijn getrouwde partner te hebben. Maar hij zal ook van mij afgenomen worden als hij niet voor zichzelf opkomt. Pyrrhus houdt me gevangen, hoewel mijn vader als overwinnaar is teruggekeerd – dit is de zegen die de val van Troje me bracht! Maar mijn ongelukkig ziel put troost, wanneer Helius zijn stralende paarden aanspoort, om meer vrij te zijn in mijn ellende. Maar wanneer de duisternis van de nacht is gevallen en me naar mijn kamer stuurt met gejammer en geweeklaag over mijn bittere lot, en ik languit gestrekt op mijn bedroefde bed lig, dan komen de tranen, geen sluimering, in mijn ogen, en krimp ik ineen voor mijn partner als voor een vijand. Vaak ben ik radeloos van pijn. Ik verlies het besef van waar ik ben en wat mijn lot is, en ben ik getuige hoe mijn hand het lichaam van hem uit Scyrus raakt. Maar als ik ontwaak uit deze afschuwelijke daad, trek ik mijn hand terug van dit vuige contact, en kijk ernaar als onrein. Vaak, komt de naam van Orestes in plaats van Neoptolemus bovendrijven, en dat is voor mij een dierbaar voorteken.

8; 117-122
Ik zweer bij onze ongelukkige familieband, en bij de voorvader van onze afstamming, hij die de zeeën laat kolken, het land, en zijn eigen rijk in de hoogte. Bij de beenderen van jouw vader, oom voor mij, dat zij die onder hun grafheuvel liggen het verdienen om moedig gewroken te worden – of ik zal voor mijn tijd sterven en vanwege mijn jongen jaren vergeten worden, of, ik, een Tantalide, wordt de vrouw van hem die uit Tantalus is voortgekomen!

9. Van Deïanira aan Heracles

9; 1-10
Ik moet dank betuigen dat Oechalia is toegevoegd aan onze erelijst. Maar dat de overwinnaar is gezwicht voor de overwonnene, daar doe ik mijn beklag over. Het gerucht werd plotseling in alle steden van Pelasgië verteld – een onbetamelijk gerucht, waarin jouw daden de basis voor deze leugen vormen – dat de man aan wie Hera een oneindige reeks van opdrachten heeft opgelegd nooit toegaf, dat Iole hem om haar vinger heeft gewonden. Dit zou Eurystheus plezier doen, en de zuster van de Donderaar eveneens. Stiefmoeder die ze is, zou zij graag kennis nemen van deze smet in je leven. Maar het zou geen plezier schenken aan hem voor wie, zo wordt geloofd, een enkele nacht niet voldoende was om een zo groot iemand te verwekken.

9; 11-26
Meer dan Hera, is Aphrodite jouw vloek. De een, door je te kleineren, heeft je grootgebracht. De ander houdt jouw nek onder haar nederige voet. Zie hoe de gehele aarde vreedzamer is geworden door jouw beschermende kracht, waar het blauwe water van Nereus rond het weidse land stroomt. Aan jou danken we de vrede op aarde, aan jou de veiligheid op zee. Jij hebt de twee woonplaatsen van de zon met waardige daden gevuld. De hemel moet jou dragen, jij opnieuw geborene. Heracles boog voor de last van de sterren toen Atlas die droeg. Wat heb je gedaan om dit gerucht over jouw ellendige naam te verspreiden, en zo als een laatste daad van gemeenheid al je eerdere daden te grabbel te gooien? Is het mogelijk dat een tedere baby die in de wieg al twee slangen wurgde, waardig is aan Zeus? Je begon beter dan dat je eindigt. Jouw laatste daden zwichten voor je eerste, de man die je nu bent is anders dan het kind dat je was. Hij die door geen duizend wilde beesten, niet door de Stheneleaanse vijand, en ook niet door Hera werd overwonnen, wordt door de liefde verslagen.

9; 27-46
Toch wordt mij verteld dat ik een goede partij heb getrouwd, omdat ik de vrouw van Heracles wordt genoemd, en omdat de vader van mijn heer degene is die met onstuimige paarden dondert in de hoogte. Zoals een slecht gekoppeld stierkalf jammerlijk de ploeg trekt, zo beweegt de vrouw die minder is dan haar machtige man zich voort. Het is geen eer, maar alleen maar schone schijn, en brengt slechts ellende voor ons die de last moeten dragen. Zou je gelukkig getrouwd willen zijn, trouw dan met je gelijke. Mijn man is altijd afwezig – ik ken hem beter als gast dan als echtgenoot – altijd monsters en afschuwelijke beesten achtervolgend. Ik zelf, thuis als weduwe, ben bezig met kuise gebeden, door angst gekweld dat mijn man onder de woeste vijand zal sneuvelen. Mijn gedachten zijn vervuld van slangen, beren en woest aanvallende leeuwen, en met driekoppige honden die op hun prooi afgaan. De ingewanden van gedode slachtoffers doen mij verkillen van angst, de ijdele beelden van dromen, en het voorteken in de mysterieuze nacht. Ellendige ik vang het onzekere geroezemoes van roddels op. Mijn angst is verloren gegaan in weifelende hoop, mijn hoop weer in angst. Jouw moeder is weg, en klaagt dat ze ooit de machtige god behaagde, en noch je vader Amphitryon is hier, noch je zoon Hyllus. De daden van Eurystheus, het instrument van Hera’s wraak, en de lang aanhoudende woede van de godin – voel ik als enige.

9; 47-72
Is dit niet genoeg om te dragen? Daar voeg jij je verre liefdes nog aan toe, en wie van hen zal door jou moeder worden. Ik zal niets zeggen over Auge die in de valleien van Parthenius werd verraden, of van jouw barensweeën, bronnimf van Ormenus. Noch zal ik je aanklagen over de dochters van Teuthras’ zoon , de groep zussen waarvan niemand door jou werd overgeslagen. Maar er is één liefde – een nieuwe misstap waarover ik gehoord heb – een liefde waardoor ik tot stiefvrouw wordt gemaakt vanwege de Lydische Lamus . De Meander, die zo vele malen door dezelfde landen stroomt, die vaak naar zichzelf terugkeert met zijn vermoeide water, heeft gezien dat aan de nek van Heracles, de nek die de hemel maar een lichte last vond, juwelen ketenen hingen! Voel je geen schande om die sterke armen met goud te binden, om die stevige spierkracht met juwelen te behangen? Ah, om te bedenken dat deze armen het leven uit de Nemeaanse plaag persten, wiens huid nu je linkerzijde bedekt! Je deinsde er niet voor terug om je ruige haar met een vrouwentulband te bedekken! De witte populier was meer geschikt voor de lokken van Heracles. En jezelf te schande maken door je in Maeonische kleding te steken, als een lichtekooi – heb je dan geen schaamtegevoel? Kwam er in je gedachten geen beeld op van de woeste Diomedes, die zijn merries voedde met menselijk vlees? Als Busiris je gezien had in die kledij, hij die door jou is overwonnen zou deze zich zeker hebben geschaamd voor een overwinnar als jij. Antaeus zou die tulband van je hoofd gerukt hebben, uit vrees dat hij overwonnen zou worden door een onmannelijke vijand.

9; 73-100
Ze vertellen dat je tussen de meisjes van Ionië de wolmand hebt vastgehouden, en dat je bang was voor de bedreigingen van je minnares. Deins je er niet voor terug, Alcides, om jouw hand op de wolmand te leggen die triomfeerde tijdens duizend inspanningen. Trek je met een stoere duim aan de grof gesponnen draden, en geeft je de juiste hoeveelheid aan die mooie minnares? Ah, hoe vaak, terwijl je met jouw vingers de draad ineendraait, hebben jouw sterke handen de spinden verpletterd! Voor de voeten van je minnares … vertellend over de daden waar je nu maar beter over kan zwijgen – over enorme slangen, kronkelend en draaiend over hun volle lengte terwijl zij door jouw kinderlijke handen gewurgd werden. Hoe het Tegeaanse everzwijn zijn hol had op de cipresrijke Erymanthus, en de grond kwelde met zijn enorme gewicht. Je moet de schedels die aan Thracische huizen werden genageld niet vergeten, noch de merries die vet gevoerd werden met het vlees van gedode mannen. Noch het drievoudige wonderkind, Geryones, rijk aan Iberisch vee, die drie in een was. Noch Cerberus, aftakkend van een stam in een drievoudige hond, zijn haren met dreigende slangen verweven. Noch de overvloedige slang die voortkwam uit elke vruchtbare wond, telkens groeiend uit haar eigen pijn. Noch hem wiens zware massa tussen je linkerarm en linkerzij hing terwijl je zijn keel dichtkneep. Noch de schare ruiters die ziekelijk vertrouwden op hun voeten en tweevoudige vorm, door jou te schande gemaakt op de bergkammen van Thessalië.

9; 101-118
Kun je deze daden vertellen, vrolijk gekleed in een gewaad van Sidon? Berooft deze kleding je tong niet van alle uitingen? De nimfendochter van Iardanus heeft zichzelf bedrogen in jouw armen, en won beroemde triomfen van de overwonnen held. Vooruit, pomp jezelf op en vertel over je moedige daden. Ze heeft een man gekregen bij het recht dat je niet kan afdwingen. Jij bent zoveel minder dan zij, O grootste van alle mannen, het was makkelijker om jou te laten verdwijnen dan degenen die jij liet verdwijnen. Aan haar komen jouw volledige wapenfeiten toe – geef af wat je bezit. Jouw minnares is de erfgenaam van jouw roem. O schande, dat de ruwe huid welke van de flanken van een ruige leeuw is gestript nu de gevoelige lendenen van een vrouw bedekt! Je vergist je, en weet niet – dat die buit niet van de leeuw is, maar van jou. Jij overwon het beest, maar zij jou. Een vrouw heeft de zwarte pijlen die gedrenkt zijn in het gif van Lerna gedragen, een vrouw amper sterk genoeg om de met wol beladen spindel te dragen. Een vrouw heeft de knots in handen genomen die wilde beesten overwon, en in de spiegel naar de wapens van haar heer keek!

9; 119-136
Deze zaken heb ik, echter, alleen maar van horen zeggen. Moet ik die woorden van mannen wantrouwen, en de pijn die mijn zachte zintuigen trof, via het oor – maar nu moeten mijn ogen kijken naar een vreemde minnares die voor hen geleid wordt, noch kan ik veinzen dat ik lijdt! Je staat mij niet toe om mij af te wenden. De vrouw komt als een gevangene midden door de stad, om bekeken te worden door mijn onwillige ogen. Ze komt niet op de wijze van gevangen genomen vrouwen, met ongekamde haren, en met strak gezicht dat iedereen over haar lot vertelt. Ze schrijdt voorwaarts, fraai in de verte met overvloedig goud, gekleed op dezelfde manier als jij in Phrygië. Ze kijkt strak in de menigte, met haar hoofd opgeheven, alsof zij Heracles overwonnen heeft. Je zou denken dat Oechalia nog overeind staat, en dat haar vader nog leeft. Misschien wil jij zelfs wel de Aetolische Deïanira verdrijven, en haar rivale de titel van minnares ontnemen, en haar zo tot je wettige vrouw maken. Iole, de dochter van Eurytus, en Aonische Alcides, zullen laaghartig verenigd worden in de band van het huwelijk. Mijn geest hapert bij de gedachte, een kilte waart door mijn lichaam, en desondanks liggen mijn handen in mijn schoot.

9; 137-146
Mij heb je, naast die vele liefdesavontuurtjes van jou, ook bezeten – maar van mij hoor je geen verwijt, heb er geen spijt van – tweemaal heb je om mijn welzijn gestreden. Achelous pakte in tranen zijn hoorns op bij de natte oevers van zijn rivier, en baadde zijn verminkte hoofd in haar kleiachtige getij, de tweevormige Nessus verdronk in de lotusdragende Evenus, het water kleurend met zijn paardenbloed. Maar waarom vertel ik over zulke zaken? Zelfs terwijl ik dit schrijf hoor ik geruchten dat mijn heer stervende is vanwege het vergif in mijn mantel. Wee mij! Wat heb ik gedaan? O goddeloze Deïanira, waarom aarzel je om te sterven?

9; 147-152
Zal mijn heer midden op de Oeta tot de dood uiteen gescheurd worden, en zal jij, de oorzaak van deze afschuwelijke daad, in leven blijven? Als ik ooit iets heb gedaan om de titel van vrouw van Heracles te verdienen, zal mijn dood de belofte van onze vereniging zijn. Jij, Meleager, zal in mij ook een zus van jezelf zien! O goddeloze Deïanira, waarom aarzel je om te sterven?

9; 153-158
Ach, voor mijn gewijde huis zit Agrius op zijn verheven troon. Oeneus is van allen beroofd, en de dorre ouderdom drukt zwaar op hem. Mijn broer Tydeus is verbannen naar een onbekende kust, het leven van mijn tweede broer ging gebukt onder het noodlottige vuur. Onze moeder dreef het staal door haar eigen hart. O goddeloze Deïanira, waarom aarzel je om te sterven?

9; 159-164
Dit ene voorval betreur ik, bij de heilige band van ons huwelijk – nu het lijkt alsof ik je dood heb beraamd. Nessus zei, in zijn wellustige hart getroffen door de pijl,: ‘Dit bloed heeft macht over de liefde.’ De mantel van Nessus, verzadigd met giftig bloed, zond ik naar jou toe. O goddeloze Deïanira, waarom aarzel je om te sterven?

9; 165-169
En nu, vaarwel aan allen, o oude vader, en mijn lieve zuster, en mijn geboortegrond, en broer die van zijn geboortegrond werd beroofd, en u o licht dat vandaag schijnt, het laatste dat mijn ogen raakt. En u mijn heer, o vaarwel – als dat nog mogelijk is – en Hyllus, mijn zoon, vaarwel aan jullie allen!

10. Van Ariadne aan Theseus

10; 1-6
Ik heb ontdekt dat elk soort wild dier liefelijker is dan jij. Zij zijn meer te vertrouwen dan jij. De brief die je nu leest, Theseus, stuur ik je vanaf de kust vanwaar jouw schepen weg zeilden zonder mij, de kust waar mijn slaap, en jij, mij zo jammerlijk verraadde – jij, die wegsloop terwijl ik sliep.

10; 7-16
Het was het seizoen wanneer de aarde voor het eerst wordt besprenkeld met rijpkristallen, en zangvogels die verborgen zijn in de takken beginnen met hun klacht. Halfwakker, loom door de slaap, draaide ik mij op mijn zij en stak mijn handen uit om mijn Theseus te omvatten – hij was er niet! Ik trok mijn handen terug, ik probeerde het een tweede keer, en mijn armen bewogen over het bed – hij was er niet! Angst verjoeg mijn slaap. In paniek stond ik op, en sprong halsoverkop uit mijn verlaten bed. Direct sloeg ik met mijn handen op mijn borst, en trok het haar uit mijn hoofd, dat nog in de war was vanwege de slaap.

10; 17-24
De maan scheen. Ik richtte mijn blik op de kust om te zien of daar nog iets anders te zien was. Zover ik kon kijken, zag ik iets anders dan slechts de kust. Nu eens hier, dan weer daar, zonder idee, zwierf ik. Het mulle zand stopte mijn voeten. En heel de tijd schreeuwde ik ‘Theseus!’ langs de kust, en de holle rotsen weerkaatsten jouw naam. En evenzovele keren dat ik je naam riep, net zo vaak weerkaatste die plek jouw naam. De plek voelde zich genoodzaakt om mij te steunen in mijn leed.

10; 25-36
Daar was een berg, met hier en daar bosjes op de top. Er steekt een klip uit, aangevreten door de luidklinkende golven. Ik beklom zijn helling – mijn geest gaf me de kracht – en met een weidse blik speurde ik de golvende diepte af. Van daar – en ik vond de winden ook wreed – zag ik je zeilen strak gespannen staan door de onstuimige zuiderstorm. En ik kreeg een uitzicht te zien dat ik niet verdiende, werd kouder dan ijs, en stierf bijna ter plaatse. De angst stond me evenmin toe om lang hierbij stil te staan. Die wekte me op, prikkelde mij om uit volle borst naar Theseus te roepen. ‘Waar vlucht je heen?’ riep ik luid. ‘Kom terug, O gemene Theseus! Keer je schip om! Haar bemanning is niet compleet!’

10; 37-58
Zo schreeuwde ik, en wat ik met mijn stem niet kon bereiken, lukte mij met slagen op mijn borst. De klappen die ik mezelf gaf vermengden zich met mijn woorden. Opdat je tenminste, wanneer jij mij niet kon horen, de kracht en intentie van de signalen die ik met mijn handen gaf kon zien. En ik bevestigde mijn glanzende sluier aan een lange boomtak – ja, om als herinnering in het geheugen te prenten van degenen die mij waren vergeten! Nadat je uit mijn blikveld was verdwenen, liet ik uiteindelijk mijn tranen stromen. Mijn ogen waren verdoofd door de pijn van het turen. Wat konden mijn ogen beter doen dan om mij huilen, toen ik je zeilen niet meer zag? Alleen, met loshangende haren, zwierf ik overal rond, als een Bacchante aangevuurd door de Ogygische god, of, over zee uitkijkend, zat verkleumd op de rotsen, bijna net zo versteend als de rots waarop ik zat. Vaak kwam ik bij het bed dat ons beiden ooit ontving, maar niet voorbestemd was om ons ooit nog samen te zien, en raakte de afdruk aan die jij erin achtergelaten had – het is alles wat ik nog van jou bezit! – en het materiaal dat eens warm werd onder jouw lichaam. Ik lag op mijn buik in het bed, het bed nat makend met mijn stromende tranen, en weende luid: ‘Wij waren met zijn tweeën die jou indrukten – geef er twee terug! We kwamen samen naar jou toe, waarom vertrokken we niet op dezelfde manier? Ah, trouweloos bed – het grootste deel van mijn wezen, O, waar is hij?’

10; 59-74
‘Wat moet ik doen? Waar moet ik heen gaan – ik ben alleen, en het eiland is onbewoond. Ik zie geen menselijke sporen, of van vee, niets. Aan alle kanten is het land omringd door water. Nergens een zeeman, geen schip die zijn weg baant over de dubieuze paden. En stel dat ik iemand vind om met mij mee te gaan, en wind, en een schip – waar moet ik dan naar toe? Het rijk van mijn vader verbiedt mij om terug te keren. Als het mij vergund wordt om met een fortuinlijke kiel over de vredige zeeën te glijden, en Aeolus de winden tempert – dan zal ik nog steeds een banneling zijn! Het is niet aan mij, O Kreta met je honderd steden, om op je neer te kijken, land dat de jeugdige Zeus bekend is. Nee, want mijn vader en het land dat door mijn rechtvaardige vader wordt geregeerd – lieve namen! – werden verraden door mijn daad, die jou, na je overwinning, voor de dood behoedde in de kronkelende gangen. Ik gaf jou de draad in handen die jou leidde in plaats van een gids – toen je tegen me zei: ‘Bij de gevaren waar ik nu aan blootgesteld ben, zweer ik, dat zolang als we beiden leven, jij de mijne zal zijn!’

10; 75-88
We leven beiden nog, Theseus, en ik ben niet de jouwe! – als een vrouw die verraden is door een meinedige partner inderdaad nog steeds kan leven. Mij heb je ook gedood, o valsaard, met dezelfde knuppel als waarmee je mijn broer doodde. De eed die je aan mij zwoer zou mij ontslagen hebben van mijn dood. Nu, denk ik niet alleen aan de lijdensweg waartoe ik verdoemd ben, maar aan alles waar een vrouw die achtergelaten is aan kan lijden. Er schieten duizenden vormen van sterven door mijn hoofd, en de dood komt liever snel op mij af dan dit uit te stellen. Elk moment, nu eens hier, dan weer daar, zie ik wolven op mij afsnellen, om mijn vitale delen te verscheuren met hun gretige tanden. Wie weet wat deze kust heeft gebaard, misschien ook wel de geelbruine leeuw? Misschien huisvest dit eiland ook wel de woeste tijger. Ze zeggen dat het water van de diepte ook de machtige zeerobben uitspuwt! En wie houdt de zwaarden van mannen tegen die mij kunnen doorboren?

10; 89-98
Maar dat vind ik niet erg, als ik maar niet in stalen ketenen als gevangene wordt achtergelaten, en gedwongen wordt om als slaaf te spinnen met gedienstige hand – ik, wiens vader Minos is, wiens moeder het kind van Phoebos is, en die – wat het geheugen beter onthoudt – als bruid aan jou was beloofd! Wanneer ik naar de zee kijk, en naar het land, en naar de langgerekte kust, weet ik dat veel gevaren mij bedreigen op het land, en vele op het water. Allen de lucht blijft over – maar daar vrees ik de visioenen van de goden! Ik ben hulpeloos achtergelaten, een prooi voor de muilen van de verscheurende dieren. En als er hier mannen leven en de plek in bezit hebben, zal ik hen niet vertrouwen – mijn pijnen hebben mij geleerd om angst voor vreemde mannen te hebben.

10; 99-110
O, dat Androgeus nog leefde, en dat jij, O land van Cecrops, niet gemaakt was om te boeten voor jouw goddeloze daden met het noodlot van je kinderen! En ik wilde dat jij je hand niet had opgeheven, O Theseus, en met die knoestige knots hem niet gedood had die gedeeltelijk mens, en gedeeltelijk stier was. En ik jou die draad niet had gegeven om je de weg terug te wijzen – de draad die vaak werd opgepakt door de handen die er door geleid werden. Ik verbaas me er niet over – ach, nee! – toen jij de overwinnaar was, en het monster met heel zijn lichaam uitgestrekt op de Kretenzische aarde lag. Zijn hoorns konden jouw stalen hart niet doorboren, jouw borst was veilig, ook al had je geen schild bij je. Je was van vuursteen. Jij was van adamant, daar was je een Theseus harder dan enig stuk steen.

10; 111-118
Ach, wrede sluimering, waarom heb je mij zo in slaap gewiegd? Het ware voor eens en altijd beter geweest wanneer ik voor de eeuwige nacht had gebogen. Jullie ook, waren wreed, O winden, en maar al te goed voorbereid, en jullie briesjes, popelend om mij te laten huilen. Wreed was de hand die mij en mijn broer naar de dood leidde, en wreed de belofte – een leeg woord – die je op mijn vraag gaf! Sluimering, wind en verraderlijke belofte zwoeren tegen mij samen - drievoudig verraad tegen een meisje!

10; 119-132
Moet ik dan sterven, en stervend, mijn moeders tranen niet meer kunnen zien. En zal er dan geen hand zijn die mijn ogen kunnen sluiten? Moet mijn ongelukkige ziel opgaan in vreemde lucht, zonder vriendelijke hand die mijn lichaam verzorgt en met zalf insmeert? Moeten mijn beenderen onbegraven blijven liggen, ten prooi aan de zwevende vogels in de lucht? Is dit de tombe die ik verdiend heb met mijn vriendelijkheid? Jij gaat naar de haven van Cecrops. Maar wanneer jij thuis bent teruggekeerd, en trots tussen je aandringende volgelingen staat, glorieus het verhaal vertellend over de dood van de man-stier, en over de stenen zalen die kronkelend zijn uitgehakt, vertel dan ook over mij, achtergelaten op een eenzame kust – want ik mag niet ontbreken in het verhaal over jouw roem! Aegeus is jouw vader niet, noch ben jij de zoon van Pittheus’ dochter Aethra. Zij die jou verwekten waren de rotsen en de zee!

10; 133-144
Ah, ik kon de goden bidden dat je me had gezien vanaf die hoge achtersteven, dat mijn droevige gedaante je hart beroerd zou hebben! Maar kijk nu eens naar mij – niet met je ogen, want dat lukt daar niet meer mee, maar met je geest – vastgeklampt aan de rotsen die door de rusteloze golven worden gebeukt. Kijk naar mijn haren, loshangend als van iemand die om een dode rouwt, en naar mijn kleren, zwaar van mijn tranen alsof het geregend heeft. Mijn lichaam trilt als het koren dat door de noordenwind wordt gegeseld, en de woorden die ik schrijf haperen door mijn trillende hand. Het is niet omdat ik in de steek ben gelaten – want dat leidt tot niets – dat ik je nu smeek. Je bent mij niets verschuldigd voor mijn hulp. Maar laat me er niet voor lijden! Als ik niet de reden van jouw bevrijding ben, is het ook niet terecht dat jij de oorzaak van mijn dood bent.

10; 145-150
Deze handen, vermoeid van het slaan op mijn droevige borst, strek ik ongelukkig naar je uit over de brede zeeën. Ik bid je verdrietig om naar deze haren – die er nog over zijn – te kijken! Met deze tranen smeek ik je – tranen die jij hebt veroorzaakt – keer je schip om, ga overstag, vaar snel naar mij terug! Als ik ben gestorven voordat je komt, zul jij het zijn die mijn beenderen begraaft.

Vers 11 t/m 15

11. Van Canace aan Macareus

11; 1-6
Als iets van wat ik schrijf onleesbaar is en aan je oog ontsnapt, komt dat omdat deze kleine rol besmeurd is met het bloed van haar meesteres. Mijn rechterhand houdt de pen vast, een getrokken mes de andere, en het papier ligt uitgerold op mijn schoot. Dit is het beeld van Aeolus’ dochter die aan haar broer schrijft. Met dit voorkomen, zo lijkt het, zal ik mijn hardvochtige vader plezieren.

11; 7-20
Ik wou dat hij hier zelf was om mijn einde te zien, zodat de daad wordt gepleegd voor de ogen van hem die er opdracht voor gaf! Meedogenloos als hij is, veel hardvochtiger dan zijn eigen oostenwinden, zou hij met droge ogen naar mijn wonden kijken. Zeker, er gebeurt iets met je als je leeft met woeste winden. Zijn humeur is als dat van zijn onderdanen. Het zijn Notus, en Zephyrus, en Sithonische Boreas, waarover hij heerst, en over de gekortwiekte, baldadige Eurus. Hij heerst over de winden, helaas! Maar zijn aangroeiende woede overheerst hij niet, en de rijken die hij bezit zijn minder groot dan zijn fouten. Wat baat het mij om via mijn grootvaders namen naar de hemel te reiken, en om Zeus tot mijn familie te rekenen? Zijn er minder fatale data vanwege het mes – mijn begrafenisgeschenk! – dat ik in mijn vrouwenhand houdt, wapen dat mij niet wil ontmoeten

11; 21-32
Ach, Macareus, ik wilde dat het uur dat ons samenbracht na mijn dood gekomen was! Oh waarom, mijn broer, hield je altijd meer dan als een broer van mij, en waarom ben ik voor jou geweest wat een zus niet moet zijn? Ook ik werd aangestoken door de liefde. Ik voelde een god in mijn gloeiende hart, en kende hem van wat ik eiste te horen dat hij was. De kleur was uit mijn gezicht gevlucht, verwarring deed mij ineenkrimpen. Ik at haast niet meer, en met een onwillige mond. Ik sliep niet meer rustig, een nacht was een jaar voor me, en ik kreunde, hoewel niet van de pijn. Noch kon ik een reden verzinnen waarom ik deze dingen deed. Ik wist niet hoe het was om verliefd te zijn – maar toch was ik verliefd.

11; 33-44
De eerste die mijn probleem waarnam, met haar oude wijsheid, was mijn verzorgster. Zij, mijn verzorgster, zei als eerste: ‘dochter van Aeolus, je bent verliefd!’ Ik bloosde, en van schaamte sloeg ik mijn ogen neer. Ik sprak geen woord, maar dit was gebaar genoeg dat ik bekende. En op dat moment groeide de last van mijn weerspannige hart snel aan, en mijn verzwakte lichaam voelde het gewicht van zijn geheime lading. Welke kruiden en medicijnen bracht mijn verzorgster niet naar mij, en gaf die met ferme hand aan mij om die last uit mijn hart te verdrijven – dit was het enige geheim dat wij voor jou verborgen hielden – de last die alleen maar toenam! Ah, te vol van leven, het kleine ding weerstond de kunsten die er tegenin werkten, en werd goed beschermd tegen die verborgen vijand!

11; 45-62
En nu is Phoebos mooiste zus voor de negende keer gerezen, en voor de tiende keer werd de maan voortgetrokken door haar lichtdragende paarden. Ik begreep niet wat die plotseling pijnen in mij betekende. Barensweeën waren mij onbekend, een soldaat net in dienst. Ik kon niet stoppen met kreunen. ‘Waarom uw schuld verraden?’ Zei de oude vrouw die mijn geheim kende, en mijn huilende lippen bedwong. Wat moest ik doen, ongelukkig die ik ben? De pijn dwingt mij te kreunen, maar angst, de verzorgster, en schaamte zelf verbieden het. Ik onderdruk mijn gekreun, en probeer de woorden in te houden die van mijn lippen willen slippen, en dwing mezelf om mijn tranen te drinken. Ik had de dood voor ogen, en Eileithyia weigerde haar steun – toen ik op het punt stond om te sterven, beladen met een zware schuld – leunde jij over mij heen, je rukte mijn kleed weg en mijn haren, en verwarmde mijn lichaam weer tot leven door dat van jou tegen mij aan te drukken, en zei: ‘Leef, zus, o meest dierbare zus. Leef, en laat niet twee wezens tegelijk sterven! Laat hoop je kracht geven, want vanaf nu zul jij je broers vrouw zijn. Hij die jou moeder maakte zal je ook tot vrouw nemen.’

11; 63-82
Ik was dood, geloof me, maar door jouw woorden leefde ik weer, en bracht het verwijt en de last van mijn baarmoeder tot leven. Maar waarom blij zijn? Aeolus zat in het midden van zijn paleiszaal. Het bewijs van mijn schuld moest uit mijn vaders ogen verdwijnen. Met vruchten en witte olijftakken, en met sierlijke haarbanden, probeerde de zorgzame oude vrouw om de baby te verbergen, en deed of ze ging offeren, en sprak woorden van gebed. De mensen maakten ruimte om haar te laten passeren, zelfs mijn vader ging opzij. Ze was al bijna bij de deur – toen mijn vaders oren het huilende geluid opvingen, en was de baby verloren, verraden door zijn eigen geluid! Aeolus nam het kind op en onthulde het voorgewende offer. Het hele paleis weerklonk van zijn gekmakende kreten. Zoals de zee begint te huiveren wanneer er een lichte wind over waait, zoals de essen tak door de milde bries vanuit het zuiden wordt bewogen, zo was te zien hoe mijn asgrauwe ledematen trilden. De bank trilde als een aardbeving mee met het lichaam dat er op lag. Schreeuwend rende hij naar binnen en maakte mij voor iedereen te schande, en weerhield zijn hand nauwelijks van mijn ellendige gezicht. In mijn verwarring bracht ik niets anders voort dan tranen. Mijn tong was van angst met een ijzige koude bevroren.

11; 83-92
Daarop gaf hij opdracht om zijn kleinkind te vondeling te leggen als voer voor de vogels, om achter te laten op een eenzame plek. De ongelukkige baby brak weer in huilen uit – je zou denken dat hij het begreep – en met welk een kabaal smeekte hij zijn grootvader. Hoe denk je dat ik mij toen voelde, o mijn broer – want jij kunt voor jezelf oordelen – toen de vijand voor mijn ogen de vrucht van mijn schoot naar het diepe woud bracht om daar verscheurd te worden door de bergwolven? Toen mijn vader uit mijn kamer was vertrokken, kon ik uiteindelijk op mijn borsten slaan en mijn wangen met mijn nagels groeven.

11; 93-106
Ondertussen kwam een van mijn vaders bewakers met een verdrietige blik, en sprak deze schandelijk woorden: ‘Aeolus stuurt je dit zwaard’ – hij gaf me het zwaard – ‘en biedt je thans een duidelijke uitweg uit je eenzaamheid.’ Ik begrijp het, en zal dapper gebruik maken van het gewelddadige staal, ik zal het geschenk van mijn vader in mijn borst begraven. Met dit geschenk, o mijn vader, dat je mij op mijn huwelijk geeft? Met deze bruidsschat van jou, O vader, zal je dochter rijk worden? Neem de huwelijkstoortsen, misleidde Hymenaeus, ver met je mee, en vlieg bevreesd weg uit deze schandelijke hallen! Breng mij de fakkels die jullie dragen, duistere Erinyen, en laat mijn brandstapel helder branden van het vuur dat jullie schenken! Trouw onder een gelukkiger gesternte, O mijn zusters, maar herinner mij hoewel ik verloren ben!

11; 107-118
Welke misdaad kon de baby plegen, met zo weinig uren om te leven? Met welke daad kon hij, nauwelijks geboren, schade aan zijn grootvader toebrengen? Misschien verdiende hij te sterven, laat datgene wat hij deed worden berecht – ach, ellendig kind, door mijn schuld moet hij lijden! O mijn zoon, verdriet van je moeder, prooi voor de verscheurende dieren, wee mij! op de dag van je geboorte verscheurd worden. O mijn zoon, ellendige belofte van mijn onheilige liefde – dit was de eerste van vele dagen voor jou, en dit was voor jou de laatste. Het lot stond mij niet toe dat ik je beschermde tegen de tranen die ik jou verschuldigd ben, noch de afgeknipte lok naar jouw graf te dragen. Ik heb mij niet over je heen gebogen, noch een laatste kus op je koude lippen gedrukt. Gulzige wilde beesten scheuren het kind dat uit mijn buik kwam aan stukken.

11; 119-128
Ik zal ook de schaduw van mijn baby volgen – zal mijzelf de slag toebrengen – en zal niet lang meer moeder of diepbedroefde worden genoemd. Verzamel jij, ondanks ijdele hoop van je ellendige zuster, de verspreidde botten van jouw zoon, en breng die naar hun moeder om haar graf te delen, en laat een urn, hoe klein ook, ons beiden bevatten! O leef, en vergeet mij niet. Stort je tranen op mijn wonden uit, krimp niet ineen voor haar waarvan je eens hield, en die van jou hield. Voldoe, smeek ik je, aan de opdrachten van de zus waarvan je zielsveel hield. De opdracht van mijn vader zal ik zelf uitvoeren!

12. Van Medea aan Iason

12; 1-6
Ik herinner me jou , ik de koningin van Colchis dat ik de tijd kon vinden, toen je mij smeekte of mijn kunde jou kon helpen. Destijds toen de zusters die de fatale draden van een mensenleven bepalen mijn draad voor eeuwig afwikkelden. Toen zou het met Medea goed afgelopen kunnen zijn! Wat voor een leven is er echter voor mij afgewikkeld dat daarna alleen nog maar straf heeft gekend.

12; 7-20
Wee mij! Waarom werd ooit het schip uit de bossen van de Pelion voor hun zoektocht naar de ram van Phrixus door sterke armen over de zeeën voortgedreven? Waarom wierpen de Colchiërs ooit hun blikken op de Magnesiaanse Argo, en waarom heeft uw Griekse bemanning ooit van het water van de Phasis gedronken? Waarom schiep ik zo’n grote vreugde in die blonde lokken van jou, in jouw bevallige manieren, en in de valse gratie van je mond? Toch verheugde ik mij te zeer – anders zou, toen het vreemde vaartuig op onze kust was geland en haar moedige bemanning bracht, de onvergetelijke zoon van Aeson ongezalfd vertrokken zijn om de vuurspuwende neusgaten van de stieren te ontmoeten. Hij zou de zaden verspreid hebben – en evenzovele zaden zouden ook zijn vijand geworden zijn – de zaaier de strijd aan moeten gaan met zijn eigen zaaigoed! Hoeveel verraad, gemene ellendeling, zou met jou gestorven zijn, en hoeveel ellende zou mij bespaard gebleven zijn!

12; 21-28
Het geeft enig plezier om verwijten te maken aan de ondankbare voor geleverde diensten. Van dat plezier zal ik genieten. Dat is mijn enige vreugde die er bij jou te behalen valt. Bevolen om het schip naar de tot nu toe onbeproefde oevers van Colchis te bezoeken, zette jij voet aan de grond op het rijke land van mijn geboortegrond. Daar was ik, Medea, wat hier je nieuwe bruid is. Zo rijk als haar vader is, zo rijk was de mijne. Zij bezit Ephyra , door twee zeeën ingesloten. Ik bezit al het land dat ligt tussen de oevers van de Pontus tot aan de sneeuw van Scythië.

12; 29-38
Aeëtes verwelkomde de Pelasgische jeugd in zijn huis, en jij liet je lichaam rusten op de prachtige bank. Toen zag ik jou, toen leerde ik je kennen. Dat was de eerste impuls naar de ondergang van mijn ziel. Ik zag je, en ik was er niet op bedacht. Ik werd niet met gewoon vuur ontstoken, maar met toortsen van dennenbomen zoals voor de machtige goden. Je was niet alleen nobel om naar te kijken, maar het noodlot sleepte mij naar mijn ondergang. Jouw ogen hadden die van mij beroofd van hun vermogen om te zien. Verrader, jij zag het – want wie kan zijn liefde goed verbergen? Die gloed verraad zichzelf.

12; 39-50
Ondertussen werd de voorwaarde gesteld dat jij de stevige nekken van de felle stieren onder het vreemde juk moest spannen, aan Ares toebehorend, met meer dan alleen hoorns tekeer gaand, want zij ademden verschrikkelijk vuur uit. Hun hoeven waren van massief brons, hun neusgaten waren rondom met brons afgezet, zwart geworden, door de rook van hun eigen adem. Daarnaast kreeg je opdracht om met gehoorzame hand het grote veld in te zaaien met zaden die mannen deden ontspruiten die je zouden aanvallen met wapens die gelijktijdig met hen opgroeiden. Een verderfelijke oogst, voor de boer zelf. De ogen van de wachter die nimmer sliepen – om die met een truc te ontwijken, was je laatste taak.

12; 51-66
Aeëtes was uitgesproken. In de duisternis stonden jullie allemaal op, en de hoge tafel werd verwijderd bij de met paars bekleedde banken. Hoe ver was je toen verwijderd met je gedachten van Creüsa en haar het rijk dat zij als bruidsschat meekreeg, en van de dochter van de grote Creon, en van Creon de vader van jouw bruid! Jij vertrok met voortekens, en terwijl jij wegging volgden mijn vochtige ogen jou, en een flauw gemurmel kwam uit mijn mond: ‘Vaarwel!’ Liggend op het mooie bed in mijn kamer bracht ik, zwaar gewond, de hele nacht door. De stieren en de vreselijke oogst verschenen voor mijn ogen, voor mijn ogen verscheen de nooit slapende draak. Aan de ene kant was er liefde, aan de andere, liefde. En angst wakkerde mijn liefde aan. De ochtend kwam, en mijn lieve zuster kwam mijn kamer binnen, zag mij met loshangende haren en vooroverliggend op mijn gezicht, met overal tranen. Zij smeekte om steun voor jouw Minyers. Wat de een vraagt, moet een ander ontvangen. Wat zij smeekte voor de jeugd van Aeson, willigde ik in.

12; 67-88
Daar is een bos, somber met pijnbomen en bladeren van de palm, waar de stralen van de zon amper kunnen binnendringen. Daarin staat – althans, daar stond – een heiligdom van Artemis, daarbinnen staat de godin, een gouden beeld vervaardigd door barbaarse handen. Ken je de plek? Of zijn de plekken waar wij samen zijn geweest uit je geheugen gewist? Wij kwamen bij die plek. Jij sprak als eerste, met die ongelovige lippen, en dit waren de woorden die jij zei: ‘Het lot heeft mij aan jou uitgeleverd of ik mijn taak wel of niet zal volbrengen, en in jouw handen ligt mijn leven of dood. Macht bezitten is voldoende, als iemand plezier heeft aan de macht op zich, maar om mij te redden schenkt veel meer roem. Bij onze tegenslag, waarover jij de macht hebt om die te verhelpen, smeek ik, bij jouw familie, en bij het alziende godenhoofd van jouw grootvader de Zon, bij het drievoudige gezicht en heilige mysteriën van Artemis, en bij de goden van jouw volk – als het goden heeft – bij hen allemaal, O meisje, heb medelijden met mij, heb medelijden met mijn mannen. Wees aardig voor mij en wordt voor altijd de mijne! Maar als de kans bestaat dat jij een Pelasgische minnaar niet minacht – maar hoe kan ik hopen dat de goden zo eenvoudig mijn wens vervullen ? – laat dan mijn geest verdwijnen in de ijle lucht voordat een ander dan jij als bruid naar mijn kamer zal komen! Hera is mijn getuige, beschermvrouw van het huwelijk, en de godin in wiens marmeren heiligdom we staan!’

12; 89-100
Woorden van deze strekking – en hoe minachtend zijn enkelen van hen hier – en jou rechterhand omklemde de van mij, veroverde het hart van een eenvoudig meisje. Ik zag zelfs tranen – of waren die tranen, ook, een onderdeel van jouw bedrog? Zo werd ik snel ingepalmd, meisje als ik was, door jouw woorden. Jij spande de bronshoevige stieren waarbij je lichaam niet werd gewond door hun vuur, en spleet dat deel van de stevige aarde zoals je was opgedragen. De geploegde velden zaaide je vol met vergiftigde tanden in plaats van zaad. En daar groeide uit de aarde, met schild en zwaard, een strijdgroep. Ikzelf, de schenkster van het betoverde kruid, zat daar bleek in het zicht van de mannen die daar plotseling verschenen met hun wapens. Totdat de aardgeboren broers – O meest wonderlijke daad! – hun wapens trokken en met elkaar begonnen te vechten.

12; 101-112
Toen kwam, kijk en huiver, met ratelende en rechtopstaande schubben overdekte schubben, de nimmer slapende bewaker, sissend en de grond vegend met zijn kronkelende buik. Waar was toen je rijke bruidsschat? Waar was toen je koninklijke gemalin, en de Isthmus die het water van de twee zeeën scheidt? Ik, het meisje dat in jouw ogen nu een barbaarse is geworden, die nu arm is, die nu verderfelijk lijkt – sloot de oogleden van de op vlammen lijkende ogen in slaap met mijn kruid, en gaf jou het vel ongedeerd in handen om te stelen. Ik verraadde mijn vader, ik verliet mijn troon en mijn vaderland. De beloning die ik krijg is om te leven in ballingschap! Mijn maagdelijke onschuld is de buit van een overzeese piraat geworden. Mijn geliefde moeder en lieve zusters heb ik achtergelaten.

12; 113-120
Maar jij, O mijn broer, liet ik niet achter toen ik vluchtte! Op dit punt staakt mijn pen. Over de daad waar mijn hand moedig genoeg was om die te plegen, is deze nu niet moedig genoeg om op te schrijven. Ik zou ook aan stukken verscheurd moeten worden – samen met jou! En ik zou niet bang zijn – voor wat, zou ik daarna, nog bang zijn? – om mezelf in zee te werpen, hoewel ik een vrouw ben, en nu met schuld beladen. Waar is de hemelse gerechtigheid? Laat de straf die ons toekomt door de zee uitgevoerd worden – jij voor jouw verraad, ik voor mijn vertrouwen!

12; 121-128
Ik wou dat de Symplegaden ons gevangen en samen verpletterd had, en dat mijn botten zich nu aan jou vastklampten. Of dat grijpende Scylla ons ondergedompeld had in de diepte om verscheurd te worden door haar honden - het zou voor Scylla passend zijn om overgedienstige mannen leed toe te brengen. En zij die zo vele keren water uitspuwt, en die evenzovele keren weer naar binnen zuigt – zou zij ons ook onder de Thrinaciaanse golven hebben getrokken! Maar je keerde ongedeerd en zegevierend terug naar de steden van Haemonia, en het gouden vel werd aan de voeten van je vaders goden gelegd.

12; 129-158
Waarom het verhaal van Pelias’ dochters herhalen, door toewijding verleid tot slechte daden – of hoe hun meisjeshanden het lichaam van hun vader aan stukken sneden? Ik mag de schuld van anderen krijgen, maar jij moet me noodgedwongen loven – jij, voor wie ik zoveel keer een misdaad heb begaan. Toch waagde jij het – O, woorden schieten te kort voor mijn rechtvaardige woede! – jij waagde het om te zeggen: ‘Vertrek uit het paleis van Aeson’s familie!’ Op jouw bevel ging ik weg uit jouw paleis, nam onze twee kinderen met mij mee, en – wat mij eeuwig achtervolgd – mijn liefde voor jou. Toen, onverwachts, trof het gezang van de Hymnen mijn oren, en zagen mijn ogen de glans van brandende fakkels, en de fluit liet zijn noten klinken, voor jou een liefdesklank, maar voor mij een geluid dat meer tranen deed opwellen dan een begrafenis, ik werd door vrees overmand. Ik geloofde nog niet dat een dergelijke monsterlijke misdaad gepleegd kon worden. Maar het werd ijskoud in mijn hart. De menigte drong gretig op, huilend ‘Hymen, O Hymenaeus!’ Met volmaakte koren – hoe dichterbij de kreten kwamen, des te verschrikkelijker het werd. Mijn bedienden draaiden zich om en weenden, proberend hun tranen te verbergen – wie wilde een bereidwillige boodschapper zijn van zulk vreselijk nieuws? Wat het ook was, het was inderdaad beter, dat ik het niet wist. Maar mijn hart was het zwaar te moede, alsof ik het echt wist, toen de jongste van de kinderen, op mijn verzoek, en verlangend om te zien, naar buiten ging en net buiten de dubbele deur stond. ‘Hier, moeder, kom naar buiten!’ schreeuwde hij naar mij. ‘Er is een processie in aantocht, en mijn vader Iasion leidt die. Hij is helemaal in goud gekleed, en bestuurt een span paarden!’ Toen scheurde ik direct mijn kleding en sloeg op mijn borst terwijl ik schreeuwde, en mijn wangen waren overgeleverd aan de genade van mijn nagels. Mijn hart joeg mij midden tussen de dringende en bewegende menigte, om de kransen van mijn nette kapsel te scheuren. Ik kon mij nog net inhouden om te schreeuwen, met uitgerukte haren, ‘Hij is van mij!’ en geen bezit van jou.

12; 159-174
Ah, gewonde vader, wees verheugd! Verheug je, gij Colchiërs die ik verliet. Schaduwen van mijn broer, ontvang mijn noodlot als gevolg van jouw offer. Ik ben in de steek gelaten. Ik ben mijn troon kwijt, mijn geboorteland, mijn huis, mijn echtgenoot – die mij koos uit alle anderen! Draken en gek geworden stieren, zo lijkt het, kan ik bedwingen. Een enkele man lukt mij echter niet. Ik, die fel vuur met slimme kruiden kan bezweren, heb niet de kracht om te ontsnappen aan de vlammen van mijn eigen passie. Mijn bezweringen, kruiden, en kunsten hebben mij verlaten. Noch steunt de godin mij, noch het offer dat ik aan de krachtige Hecate bracht. Ik beleef geen plezier aan de dag. ’s Nachts lig ik wakker van bitterheid, en lieflijke slaap is vertrokken van mijn ellendige ziel. Ik, die de draak tot slaap kon vermurwen, kan dat niet bij mijzelf. Mijn inspanningen brengen meer goeds aan anderen dan aan mezelf. De ledematen die ik spaarde, omarmen nu een lichtekooi. Zij is het die de vruchten van mijn arbeid plukt.

12; 175-182
Misschien, wanneer jij wilt opscheppen tegen je domme vrouwtje en iets wil zeggen dat haar onrechtvaardige oren zal plezieren, zul je mijn vreemde uiterlijk belasteren en vertellen over mijn manieren. Laat haar vrolijk en blij zijn over mijn fouten! Laat haar vrolijk zijn, en hoog liggend op het Tyrische paars – zal ze huilen, en de vlammen die haar verteren zullen die van mij overtreffen! Terwijl zwaard en vuur in mijn handen zijn, en het sap van vergif, want geen vijand van Medea zal ongestraft blijven!

12; 183-198
Maar als de kans bestaat dat mijn smeekbeden een hart van staal raken, luister dan naar de woorden – woorden te nederig voor mijn trotse ziel! Ik smeek jou evenzeer zoals jij mij zo vaak smeekte, en ik aarzel niet om mij aan jouw voeten te werpen. Als ik in jouw ogen goedkoop ben, wees dan vriendelijk tegen onze gemeenschappelijke kinderen. Een harde stiefvrouw zal wreed zijn tegen de vruchten van mijn schoot. Hun gelijkenis met jou is te groot, en ik ben geroerd door die gelijkenis. En zo vaak als ik ze zie, stromen er tranen uit mijn ogen. bij de goden hierboven, bij het licht van jouw grootvader’s stralen, bij mijn gunsten aan jou, en bij de twee kinderen die onze wederzijdse belofte zijn – haal me weer terug in het bed waarvoor ik dwaas zoveel achterliet. Wees trouw aan je beloften, en kom mij te hulp zoals ik naar jou kwam! Ik smeek je niet om achter stieren en mannen aan te gaan, noch vraag ik je hulp om een draak te bedaren en te overwinnen. Ik vraag om jou – jij, die ik heb verdiend, die jijzelf aan mij gaf, door wie ik moeder werd, en jij door mij een vader.

12; 199-212
Waar is mijn bruidsschat, vraag je? Op het veld telde ik die uit – dat veld dat jij daarvoor had geploegd en zo de vacht kon wegdragen. De beroemde Gouden Ram, fraai door zijn lange haren, is mijn bruidsschat – welke, moet ik tegen je zeggen ‘Geef terug!’ jij weigerde om terug te geven. Mijn bruidsschat ben je zelf – gespaard. Mijn bruidsschat is de groep van Griekse jeugd! Ga nu, stakker, vergelijk jouw rijkdom met die van Sisyphus! Dat je nog leeft, dat je tot vrouw iemand neemt, ze brengt het met haar vader mee, die van koninklijke afkomst is, dat jij de gaven van grote ondankbaarheid bezit – je bent mij iets verschuldigd. Wie luistert naar jou, ik zal meteen – maar wat heeft het voor zin jouw straf te voorspellen? Mijn woede is bezwangerd van machtige bedreigingen. Waar mijn woede mij heen leidt, zal ik volgen. Misschien zal ik tot inkeer komen over wat ik doe - maar ik zal geen spijt voelen over de goederen van een trouweloze man. Laat dat maar de zorg zijn van de god die nu mijn hart verwart! Een voorteken, zeker, is aan het werk in mijn ziel.

13. Van Laodamia aan Protesilaus

13; 1-2
De Haemoniaanse Laodamia stuurt groeten en gezondheid aan haar Haemoniaanse heer, en verlangt met liefhebbend hart te gaan waarheen hij wordt gezonden.

13; 3-14
Verslagen vertellen dat je door de winden wordt vastgehouden in Aulis. Ah, toen je me verliet, waar was toen deze wind? De zeeën moeten wild tekeer zijn gegaan om jouw roeiriemen tegen te houden. Dat was de juiste tijd voor het stormseizoen. Ik zou mijn man meer kussen en opdrachten gegeven hebben. En er zijn nog veel dingen die ik tegen je wilde zeggen. Maar je vertrok halsoverkop, en de wind die je tot zeilen uitnodigde was er een waar een zeeman naar verlangt, niet ik. Het was een wind geschikt voor zeelieden, niet voor iemand die verliefd is. Ik moest mijzelf losmaken uit jouw omhelzing, Protesilaus, en liet ongezegd wat ik tegen je wilde zeggen, ik had amper de tijd om dat trieste ‘Vaarwel!’ tegen je te zeggen.

13; 15-19
Boreas kwam naar beneden schieten, blies bol in je zeilen en spande die strak, en mijn Protesilaus was snel ver weg. Ik keek zo lang als ik kon naar mijn man, naar jou kijken was mijn vreugde, en ik volgde je ogen constant met die van mij. Toen ik jou niet meer kon zien, kon ik nog steeds jouw zeilen zien, en die zeilen hielden mijn ogen lang vast. Maar nadat ik jou of je strakgespannen zeilen niet meer kon ontwaren, en mijn ogen niets anders meer zagen dan alleen zee, ging ook het licht met jou weg, duisternis omringde mij, mijn bloeddruk daalde, en ik zakte door mijn knieën, zeggen ze, op de grond. Noch jouw vader, noch van mij, de oude Acastus, noch mijn moeder, getroffen door verdriet, konden mij weer tot leven wekken met ijskoude. Zij verrichtten hun vriendelijke taak, maar het baatte mij niet. Het is een schande dat ik in mijn ellende het recht niet had om te sterven!

13; 20-42
Toen ik weer bij bewustzijn kwam, keerde ook mijn pijn terug. De vrouwelijke liefde die ik voor je voelde had mijn trouwe hart verscheurd. Ik laat mijn haar niet meer verzorgen, en evenmin schep ik er vreugde in om mij te hullen in gewaden van goud. Net als diegenen waarvan gezegd wordt dat hij van de twee hoorns hen heeft geraakt met zijn staf van de bebladerde wijnstok, zwierf ik overal rond, overal waar mijn waanzin mij maar naar toe dreef. De moeders van Phylace verzamelden zich, en riepen tegen mij: ‘Trek je koninklijke kleding aan, Laodamia!’ Moet ik, dan, gekleed gaan in stoffen die verzadigd zijn met kostbaar purper, terwijl mijn man ten strijde strekt tegen de muren van Ilium? Moet ik mijn haar laten doen, terwijl zijn hoofd neergedrukt wordt door de helm? Moet ik nieuwe kleding dragen terwijl mijn man harde en zware wapens draagt? Wat kan ik doen, zij zullen zeggen dat ik jouw gezwoeg wil imiteren, in ruwe kleding. Deze tijd van oorlog zal ik in somberheid doorbrengen.

13; 43-64
Paris van de slechte voortekenen, Priamus’ zoon, mooi ten koste van zijn eigen verwanten, moge je net zo’n trage vijand zijn als dat je een ontrouwe gast was! Ik wilde dat hetzij jij de fout in het karakter van die vrouw uit Taenarum had gezien, of dat zij geen genoegen in jou had geschept! U, Menelaüs, die teveel treurt vanwege haar die gestolen is, wee mij, hoeveel moeten er tranen vergieten voor uw wraak! Gij goden, bid ik, houdt het duistere voorteken bij ons weg, en laat mijn man zijn wapens opdragen aan Zeus-van-de-Veilige-Terugkeer. Maar ik ben net zoveel keer bang als dat die ellendige oorlog in mijn gedachten schiet. Mijn tranen komen net zo snel tevoorschijn als sneeuw die smelt door de zon. Ilium en Tenedos en Simois en Xanthus en Ida zijn namen die men alleen al door hun naam moet vrezen. De vreemdeling zou de diefstal nooit gewaagd hebben als hij niet de kracht had om zichzelf te verdedigen. En zijn eigen kracht kende hij goed. Hij arriveerde, zeggen ze, met zichtbaar veel goud, de weelde van Phrygië op zijn lichaam dragend, en met sterke schepen en mannen, waarmee hevige oorlogen werden uitgevochten – en welk deel van zijn prinselijke macht kwam met hem mee? Met middelen als deze werd jij overwonnen, vermoed ik, O Leda’s dochter, zuster van de Tweeling. Dit zijn de dingen waar ik voorvoel dat zij het leed van de Danaërs zullen opwekken.

13; 65-78
Kijk uit voor Hector, wie hij ook is, als ik dierbaar voor je ben. Grif zijn naam in elke oplettende geest! Als je hem mijdt, vergeet dan niet om ook anderen te mijden. Denk er aan dat daar vele Hector’s zijn. En denk eraan dat je zegt, zo vaak als jij je gereed maakt voor de strijd: ‘Laodamia gaf mij opdracht om mezelf te sparen.’ Als het voorbestemd is dat Troje voor het leger uit Argolis zal vallen, laat het dan ook vallen zonder dat jij een enkele wond hebt opgelopen! Laat Menelaüs strijden, laat hem aanvallen om de vijand te treffen. Om de vrouw temidden van de vijanden te vinden is de taak van de echtgenoot. Jouw rol is niet hetzelfde. Jij hoeft alleen maar te vechten om te overleven, en terug te keren naar de omhelzing van jouw koningin.

13; 79-84
O gij zonen van Dardanus, spaar, bid ik, uit zovele vijanden er tenminste één, omdat mijn bloed verbonden is met dat lichaam! Hij is niet iemand die het betaamt om met ontbloot staal aan te vallen in de ontzetting van de strijd, om een woest lichaam te tonen aan de aanvallende vijand. Zijn kracht ligt meer in de liefde dan op het veld. Laat anderen naar de oorlog gaan. Laat Protesilaus liefhebben!

13; 85-92
Ik moet bekennen, ik wilde je terug roepen, en mijn geest heeft het geprobeerd. Maar mijn stem zweeg uit angst voor de kwade voortekens. Toen je vanuit je voorvaderlijk huis wilde vertrekken naar Troje, gaf je voet, struikelend over de drempel, een slecht voorteken af. Toen ik het zag kreunde ik, en in mijn geheime hart zei ik: ‘Laat dit, bid ik, het voorteken zijn van mijn man’s terugkeer!’ Ik vertel je dit nu, opdat ook jij je armen naar voren strekt. Zodat ik kan zien dat jij deze angst van mij met de winden laat verdwijnen!

13; 93-102
Er is een ook voorspelling, die iemand aanwijst voor een onrechtvaardig lot – de eerste van de Danaërs die voet aan land op Trojaanse bodem zet. Ongelukkig is zij die als eerste zal wenen om haar gedode man! De goden behoeden jou om al te zeer te popelen! Laat jouw schip onder de duizend schepen het duizendste zijn, en de laatste die in beweging komt op de al vermoeide golven! Ook waarschuw ik je voor het volgende: verlaat als laatste jouw schip. Het land waar jij je naar toe haast, is niet het land van je vader. Wanneer je terugkeert, spoor dan jouw kiel onmiddellijk met zeil en riemen aan, en als je op eigen bodem aankomt haast je dan.

13; 103-108
Of Phoebos nu verborgen is, of dat hij hoog boven de aarde oprijst, bij dag ben jij mijn zorg, in de nacht kom jij naar mij toe. En nu meer in de nacht dan tijdens het licht van de dag – de nacht is welkom bij vrouwen om wiens nek een omhelzende arm is gelegd. Ik, in mijn verlaten bed, kan alleen slapend vrijen met dromen. Terwijl de ware vreugde mij ontbreekt, moeten valse mij verrukken.

13; 109-122
Maar waarom verscheen jouw gezicht, lijkbleek, voor mij? Waarom kwamen er klachten over jouw lippen? Ik wierp de slaap van mij af, en bad tot de verschijningen van de nacht. Er is in Thessalië geen altaar zonder rook van mij. Ik offer wierook, en laat er mijn tranen op vallen, en de vlammen gloeien weer op alsof er wijn over gesprenkeld is. Wanneer zal ik je weer omarmen, veilig teruggekeerd, in mijn gretige armen, en mezelf verliezen in smachtende vreugde? Wanneer zul je de mijne weer zijn zodat ik je weer in hetzelfde bed kan omarmen, terwijl jij over je roemvolle daden op het slagveld vertelt? En terwijl jij die vertelt, en ik in verrukking luister, zul jij vele kusjes van mij krijgen, en zul jij er mij velen teruggeven. De goedvertelde verhalen zullen er niet door gestopt worden. En jouw mond zal gretiger zijn om die te vertellen door deze vertragingen.

13; 123-136
Maar wanneer Troje in mijn gedachten opkomt, denk ik aan de wind en de zeeën, wordt de hoop overwonnen door angstige vrees, en faalt. Dit beweegt mij om de winden te verbieden jouw schip te laten uitvaren – toch maak jij je gereed om uit te varen en de zeeën te weerstaan. Wie is bereid om met de wind terug naar huis te keren en nee te zeggen? Toch maak jij je zeilen klaar om je huis te verlaten, hoewel de zee het verbiedt! Poseidon zal op geen enkele wijze de zee voor jou openstellen tegen zijn eigen stad. In welke richting haast jij je zo snel? Keer allen terug naar jullie verblijfplaatsen! Waar haasten jullie je zo snel naar toe, O Danaërs? Luister naar de winden die nee tegen jullie zeggen! Het is geen toeval, maar god zelf, die dat oponthoud naar jou toestuurt. Wat kun je in zo’n grote oorlog meer bereiken dan schaamte? Zolang jullie nog kunnen, keer je zeilen, O schepen van Inachus! Maar wat moet ik doen? Zal ik je terugroepen? Het voorteken om je terug te roepen is echter ver van mij verwijderd. Dat een tweede strelende storm een rustige zee moge voorkomen!

13; 137-148
Ik benijd de vrouwen die in Troje wonen, die zo het betraande lot van degenen die ze liefhebben zullen aanschouwen, met de vijand niet ver weg. De pasgetrouwde bruiden zullen met eigen handen de helm op het hoofd van hun dappere mannen zetten, en hem de Dardaanse wapens in handen geven. Ze zal hem wapens geven en zijn kussen ontvangen – een soort van zoet ritueel voor hen beiden – en zal haar man voorgaan, en hem opdracht geven om terug te keren, en zeggen: ‘Zorg dat je deze wapens weer naar Zeus terugbrengt!’ Hij, met de opdracht van zijn minnares nog vers in het geheugen, zal met de nodige voorzichtigheid vechten, en zijn huis in gedachten houden. Wanneer hij veilig is teruggekeerd, zal zij hem zijn schild afnemen, zijn helm afdoen, en zijn vermoeide lichaam in haar armen ontvangen.

13; 149-158
Maar wij verkeren in onzekerheid. Wij zijn gedwongen door angstige vrees om alle dingen te ondergaan die ons kunnen overkomen. Niettemin, terwijl jij, een soldaat in een ver land, de wapens zal dragen, bewaar ik een wassen beeld om jou gedaante bij mij in de buurt te hebben. Het hoort de strelende woorden, het hoort de woorden van liefde die ik je toefluister, en het ontvangt mijn omhelzing. Geloof me, het beeld is meer dan het lijkt. Voeg alleen een stem toe aan de was, en het zal Protesilaus zijn. Hier kijk ik naar, en druk het tegen mijn borst in plaats van mijn echte man, en klaag er tegen, alsof het kon spreken.

13; 159-164
Bij jouw terugkeer en bij jouzelf, die mijn god is, zweer ik, en bij de fakkels van jouw liefde en onze huwelijksdag, ik zal als je makker naar je toekomen wanneer jij me roept, wanneer dat ook is, helaas, vrees ik, zal geschieden, wanneer je nog steeds voortleeft. Het laatste van mijn brief, voordat ik die sluit, zal de kortste opdracht zijn. Als je om mij geeft, geef dan om jezelf!

14. Van Hypermnestra aan Lynceus

14; 1-16
Hypermnestra stuurt deze brief aan de ene broer die er zovele heeft verloren maar nu nog leeft – de rest van de groep is dood vanwege de misdaden van hun bruiden. Ik word in het paleis gevangen gehouden, geketend met zware boeien, en de oorzaak van mijn straf is dat ik trouw was. Omdat mijn hand weigerde om het staal in je keel te stoten, word ik van een misdaad beschuldigd. Ik zou geprezen moeten worden, had ik maar gedurfd de daad te plegen. Beter van een misdaad beschuldigd worden dan zo mijn vader een genoegen te doen. Ik voel geen spijt omdat mijn handen weigerden om bloed te vergieten. Mijn vader mag mij verbrandden met het vuur dat ik geen geweld aan wilde doen, en de fakkel voor mijn gezicht houden die straalde tijdens de huwelijksplechtigheid. Of hij mag mij het zwaard op de keel zetten dat hij mij valselijk gaf, zodat ik, de vrouw, de dood zal sterven die mijn echtgenoot niet onderging – maar toch zal hij mij niet zover krijgen dat ik op mijn sterbed zeg ‘Ik heb berouw!’. Zij is ontrouw aan haar geloof. Laat Danaüs berouw over zijn misdaad krijgen en over mijn wrede zusters. Dat is het gebruik dat volgt op goddeloze daden.

14; 17-20
Mijn hart siddert van angst bij de herinnering aan die nacht welke met bloed ontheiligd werd, en begint mijn gekluisterde rechterhand plotseling te trillen. Degene waarvan jij denkt dat zij de dood van haar echtgenoot beraamt vreest zelfs om te schrijven over de moord door handen die niet van haar zelf zijn.

14; 21-32
Toch zal ik proberen te schrijven. De avondschemering viel net in. Het was het laatste gedeelte van de dag en het begin van de nacht. Wij dochters van Inachus werden naar het huis van de grote Pelasgus gebracht, en de vader van onze echtgenoten ontving de gewapende bruiden van zijn zonen. Aan alle kanten straalden heldere fakkels met een gouden licht, onheilige wierook kwam van onwillige altaarvuren. De menigte schreeuwde: ‘Hymen, Hymenaeus!’ De god ontweek hun geschreeuw. De gemalin van Zeus had zich teruggetrokken uit de stad van haar keuze! Toen kwamen ze, net als jij, aangeschoten door de wijn, aanstormen in een grote schreeuwende groep, met verse bloemen in hun druipende haar, en drongen zich met vreugde in de bruidskamers – de bruidskamers, hun eigen graftomben! – en drukten met hun lichamen de bedden in die het verdienden om begrafenisbedden te worden.

14; 33-42
Toen, zwaar van het eten en wijn vielen zij in slaap, en een diepe rust viel over Argos, vrij van zorgen – terwijl ik om mij heen het gegrom van stervende mannen leek te horen. Nee, ik hoorde het inderdaad, en wat ik vreesde werd waarheid. De kleur trok uit mijn gezicht weg, warmte verliet mijn lichaam en ziel, en ik lag ijskoud op mijn pas verworven huwelijksbed. Zoals de vriendelijke Zephyrus de slanke stengel van een korenhaar laat trillen, zoals de winterse winden de bladeren van een populier laat ritselen – ja erger nog – zo trilde ik. Jijzelf lag stil, de wijn die ik je gegeven had was de wijn van de slaap.

14; 43-66
De gedachte aan de opdracht van mijn gewelddadige vader joeg de angst weg. Ik stond op, en greep met trillende handen het staal. Ik zal je geen onwaarheden vertellen, driemaal ging mijn hand met het mes omhoog, en driemaal, het laaghartig heffend, viel ik opnieuw aan. Ik bracht het naar je keel – laat mij je de waarheid bekennen! – Ik bracht mijn vaders wapen naar je keel. Maar angst en tederheid weerhielden mij om de wrede slag toe te brengen, en weigerde mijn eerbare rechterhand de opgelegde taak. Ik verscheurde de paarse kleding die ik droeg, trok de haren uit mijn hoofd, en sprak met gesmoorde stem woorden als: ‘Je hebt een wrede vader, Hypermnestra. Voer de opdracht van je vader uit, laat jouw echtgenoot naar zijn broers gaan! Ik ben een vrouw, en een bediende, vriendelijk van aard en jong van jaren. Mijn tedere handen moeten dat kwade wapen pakken. Maar kom, terwijl hij daar ligt, doe net als je dappere zusters – het is goed mogelijk dat zij allen hun echtgenoten al hebben gedood! Toch heeft deze hand geen kracht om te moorden, het zou met dood bloed besmeurd worden door zijn eigen meesteres. Zij hebben dit einde verdiend vanwege het in beslag nemen van het rijk van hun oom. Wij, hulpeloze groep, moeten in ballingschap zwerven met onze oude, hulpeloze vader. Maar stel dat onze echtgenoten het verdienden om te sterven – wat hebben wij zelf gedaan? Welke misdaad heb ik begaan dat ik niet vrij van schuld ben? Wat heb ik met zwaarden te maken? Wat heeft een meisje te maken met de wapens van de oorlog? Spinrokken en wol zijn meer geschikt voor mijn handen.’

14; 67-78
Zo sprak ik tot mezelf. En terwijl ik mijn klacht uitte, volgden mijn tranen de woorden die hen opriepen, en vielen uit mijn ogen op jouw lichaam. Terwijl jij naar mijn omhelzing tastte en je slaperige armen naar mij uitstak, werd jouw hand bijna verwondt door mijn mes. Nu greep angst voor mijn vader mij aan, en van mijn vaders gunstelingen, en voor het licht van de dageraad. Ik verjoeg jouw slaap met de volgende woorden: ‘Sta op, weg, O kind van Belus , die enige broer die nog in leven is gebleven! Deze nacht zal, tenzij je opschiet, jouw eeuwige nacht worden!’ Van schrik stond je op. Alle slaap viel van je af. Je zag het krachtige wapen in mijn bange hand en vroeg naar de oorzaak. ‘zolang de nacht het toestaat,’ antwoordde ik, ‘vlucht!’ Zolang de nacht het toestaat, vlucht, en ik zal blijven.

14; 79-84
Het was vroeg in de ochtend, en Danaüs telde zijn schoonzoons die daar dood lagen. Alleen jij ontbrak om de misdaad compleet te maken. Hij verdroeg het verlies van een bloedverwant slecht, en klaagde dat er te weinig bloed was vergoten. Ik werd bij mijn haren gegrepen, en voor de voeten van mijn vader gesleept – zo’n beloning kreeg ik voor mijn rechtschapenheid – en in de gevangenis gesmeten.

14; 85-106
Het is duidelijk dat Hera’s wraak voortduurde vanaf het moment dat het sterfelijke meisje een vaars werd, en de vaars een godin werd . Toch was het straf genoeg toen het lieve meisje een loeiend dier was, en, maar niet zo mooi, de liefde van Zeus niet kon behouden. De nieuw gecreëerde vaars stond aan de oevers van haar vader’s rivier, en aanschouwde in het ouderlijke water de hoorns die niet van haar zelf waren. Met een mond die probeerde te jammeren, bracht ze allen geloei voort. Ze schrok van haar gedaante, en schrok van haar stem. Waarom woedend zijn, ongelukkige? Waarom naar jezelf staren in het duistere water? Waarom de voeten tellen die je nieuw gemaakte gedaante bezit? Jij bent de minnares van de grote Zeus, de rivaal die door zijn zus wordt gevreesd – en moet jouw brandende honger stillen met bebladerde takken en graspollen, moet drinken uit de bron, en verbaasd moet staren naar jouw beeld daar, en moet vrezen dat de armen die je draagt jezelf kunnen verwonden. Jij, die eens rijk was, zo rijk dat je zelfs Zeus waardig werd geacht, ligt naakt op de naakte grond. Over zeeën, landen, en verwante rivieren zul jij zwerven. De zee baant een pad voor jou, en de rivieren, en het land. Wat is de oorzaak van jouw vlucht? Waarom moet jij over de weidse zeeën zwerven? Je bent zelf niet in staat om te vliegen. Kind van Inachus, waar jij je ook naar toe haast? Of je nu loopt of vliegt – het maakt niet uit. Jij bent de gids voor je metgezel, je bent de metgezel voor je gids!

14; 107-122
De Nijl, die door zeven monden naar de zee stroomt, stroopt de door Zeus beminde gelaatstrekken van de dolgemaakte vaars weg. Maar waarom over ververwijderde zaken spreken, die door mijn grijs geworden ouders zijn verteld? Mijn eigen leeftijd, kijk, geeft mij reden om te klagen. Mijn vader en oom voeren oorlog. We zijn verdreven uit ons rijk en uit ons huis. We zijn verstoten naar de verste delen van de wereld. Van het grote aantal broers resteert nog maar een gering aantal. Voor degenen die ter dood zijn gebracht, en voor degenen die het deden, huil ik. Zoveel broers als ik heb verloren, zoveel zusters heb ik ook verloren. Laat beide groepen mijn tranen ontvangen! Zie, omdat jij leeft, wordt ik gevangen gehouden om de kwellingen van straf te ondergaan. Maar wat zal het lot van de schuld zijn, wanneer ik wordt beschuldigd van een daad die lof verdient, en het honderdste slachtoffer wordt, ongelukkige die ik ben, van een verwante groep, waar nu alleen nog één broer van resteert?

14; 123-130
Maar jij, O Lynceus, als jij ook maar iets om je zuster geeft, en het offer waardig bent dat ik breng, kom me dan steunen. Of, als het je behaagt, laat mij sterven, en, wanneer mijn lichaam dood is, leg het dan in het geheim op de brandstapel, begraaf mijn botten bevochtigd met je trouwe tranen, en laat op mijn graf deze korte tekst graveren: ‘Verbannen Hypermnestra heeft, als onterechte prijs voor haar vrouwelijke daad, de dood verdragen die ze van haar broer heeft geweerd!’

14; 131-132
Ik wilde meer schrijven, maar het gewicht van de kettingen trekt aan mijn handen, en angst ontneemt mij de kracht.

15. Sappho aan Phaon

15; 1-4
Vertel me, toen je naar de woorden van mijn rechterhand keek, zagen je ogen toen onmiddellijk van wie ze waren – of, tenzij je de naam van de schrijver had gelezen, had je niet geweten van wie deze korte woorden kwamen?

15; 5-8
Misschien, vraag jij je ook af waarom mijn regels afwisselen, omdat ik beter ben in de lyrische wijze. Ik moet huilen, om mijn geliefde – en treurzang is een huilend element. Geen enkele lier is geschikt voor mijn tranen.

15; 9-20
Ik brand – zoals vuur de vruchtbare akkers in vuur en vlam zet tijdens de oogst, en woeste oostenwinden de vlammen aanwakkeren. De velden die jij bezocht, O Phaon, liggen ver hier vandaan, bij de Etna van Typhon. En op mij – jaagt een hitte die niet minder heet is dan het vuur van de Etna. En ik kan geen lied bedenken dat past bij een goedgevoosde stem. Liederen zijn het werk van geesten zonder zorgen! Noch de meisjes van Pyrrha of die van Methymna kunnen me bekoren, of de grote groep van dochters uit Lesbos! Anactorie betekent niets voor mij, noch Cydro, de oogverblindend mooie. Mijn ogen verheugen zich niet meer in Atthis zoals vroeger, noch in de honderd andere meisjes waarvan ik hier tot mijn schande hield. Onwaardig is de liefde die toebehoorde aan vele meisje die alleen jij maar bezat.

15; 21-40
Jij bezit schoonheid, en jouw jaren zijn geschikt voor de verrukkingen van het leven – O schoonheid die in een hinderlaag lag voor mijn ogen! Pak de lier en de pijlenkoker op – jij zult Apollo zijn. Laat hoorns op je hoofd groeien – en je zult Dionysus zijn! Apollo beminde Daphne, en Dionysus, beminde ook het Gnosiaanse meisje, en geen van hen kende het lyrische lied. Maar de dochters van Pegasus dicteerden de mooiste liederen voor mij. Mijn naam wordt overal in de wereld bezongen. De roem die Alcaeus behaalt is minder, in mijn thuisland de deelgenoot in de gave van het lied, hoewel hij een plechtiger stem heeft. Als de natuur, mij slecht gezind, mij de charme van schoonheid niet heeft toebedeeld, dan weegt dit op tegen de genialiteit die ze mij schonk. Ik ben klein van gestalte, maar groot van naam in elk land. De roem van mijn naam is mijn werkelijke kracht. Als ik niet verblindend mooi ben, dan was Cepheus’ Andromeda mooi in Perseus’ ogen, hoewel donker getint met de kleur van haar geboorteland. Trouwens, witte duiven vormen vaak koppels met anders gekleurden, en de zwarte tortelduif, wordt vaak bemind door de groene vogel . Als niemand de jouwe zal worden voordat zij vanwege haar schoonheid waardig geacht wordt aan jou, dan zal niemand ooit de jouwe worden.

15; 41-50
Maar, wanneer ik je mijn liederen voorlees, lijk ik al mooi genoeg. Je zwoer dat ik de enige was wiens spraak altijd bevallig was. Ik wil voor je zingen, ik herinner me – want minnaars onthouden alles – dat wanneer ik zong jij kussen aan mij gaf. Mijn kussen loofde jij ook, en ik was in elke opzicht blij – maar vooral als we samen de liefde bedreven. Dan verheugden mijn speelse manieren je meer dan je gewend was – de snelle omhelzing, de grappen die meer vuur aan onze bezigheden brachten, en, als ons beider plezier tot één was geworden, viel er een zware loomheid over onze vermoeide lichamen.

15; 51-70
Nu heb je een nieuwe prooi – de meisjes van Sicilië. Wat betekent Lesbos nu voor mij? Ik wilde dat ik een Siciliaans meisje was . Ach, stuur mijn zwerver terug, jullie getrouwde vrouwen en meisjes van Nisa, en laat de leugens uit zijn vriendelijke mond jullie niet misleiden! Wat hij tegen jullie zegt, heeft hij eerder tegen mij gezegd. Ook jij, Erycina, die veelvuldig de Sicaniaanse bergen bezoekt – want ik ben de jouwe – bescherm jouw zanger, O vrouwe! Kan het zijn dat mijn pijnlijke fortuin de manier waarop het begon zal behouden, en er altijd een bitterheid zal overblijven? Er zijn voor mij zes dagen voorbij gegaan, nadat ik de beenderen van mijn vader had verzameld, vroegtijdig gestorven, en hem mijn tranen liet drinken. Mijn onwetende broer was gevangen in de vlammen van hoerenliefde, en leed een verlies en onreine schande. Teruggebracht tot de noodzaak, zwierf hij over de donkerblauwe zee met gretige roeiriemen, en de rijkdom wierp hij van zich af met kwade bedoelingen en ging met kwade bedoelingen op zoek . En mij, omdat ik hem veelvuldig te goeder trouw gewaarschuwd had, haatte hij. Dit heeft mijn openhartigheid mij gebracht, dit bracht mijn plichtsgetrouwe mond. En als er een gebrek aan onderwerpen was waar ik mij eindeloos zorgen over kon maken, dan was er een kleine dochter die de maatbeker van mijn zorgen vulde.

15; 71-96
Jullie zijn de laatste oorzaak van mijn klacht. Mijn schip wordt niet voortgedreven door een gunstige storm. Kijk, zie, mijn haar hangt verward om mijn hoofd, mijn vingers worden niet gesierd met fonkelende edelstenen. Ik ben in middelmatige kleding gekleed, er zit geen goud in de tressen van mijn haar, mijn lokken zijn niet geparfumeerd met de geuren uit Arabië. Voor wie moet ik mij uitdossen, of voor wie moet ik mij uitsloven? Hij, de enige reden voor mijn versieringen, is weg. Liefhebbend is mijn hart, en gemakkelijk doorboord door de lichte schacht, en is de eeuwige reden waarom ik eeuwig moet liefhebben – of nu de Zusters bij mijn geboorte deze wet instelden en mijn levensdraad met krachtige strengen spinden, of verandering van karkater probeerden te bewerkstelligen, en Thalia, minnares van mijn kunst, mij van nature zachtaardig maakte. Ik vraag mij af of de leeftijd van het eerste dons mij heeft weggevoerd, en de jaren die mannelijke liefde beroeren? Opdat jij hem steelt van Cephalus’ plek, die ik altijd vreesde, Eos – en als je dit wilt doen, dat je eerste prooi je nog steeds doet verlammen. Phoebos zou hem moeten zien, hij die alles ziet, het zal constant Phaon zijn die zij aanbidt in zijn slaap. Hem zou Aphrodite door de lucht hebben gedragen in haar ivoren wagen, maar ze weet dat hij zelfs haar Ares kan bekoren. O noch geen man en nog steeds een jongen – leeftijd ontmoet bekoring – O sieraad en grote roem van jouw tijd, O kom hierheen. Vaar opnieuw terug, O schoonheid, naar mijn omhelzing. Ik pleit niet dat je van mij moet houden, maar om jezelf lief te laten hebben.

15; 97-122
Ik schrijf, en uit mijn ogen springen de tranen als dauwdruppels. Kijk, zie hoeveel vlekken deze plek besmeuren! Als je zo beslist bent om mijn zijde te verlaten, zou je op een verstandiger manier gegaan kunnen zijn. Je zou op z’n minst tegen mij gezegd kunnen hebben: ‘O minnares van Lesbos, het ga je goed!’ jij hield geen rekening met mijn tranen, je kreeg geen kussen van mij. Inderdaad, ik voelde geen angst voor de pijn die ik moest lijden. Je liet mijn niets, niets behalve onrecht. En jij – jij had geen teken van mijn liefde om in gedachten te houden. Ik gaf je geen opdrachten – noch zou ik jou er een gegeven hebben, denk niet achteloos over mij. O bij onze liefde – en moge die nooit ver weggaan! – en bij de hemelse Negen die mijn goden zijn, zweer ik je, wanneer iemand tegen mij zegt: ‘jouw blijdschap is vervlogen!’ dat ik lange tijd niet kon huilen, en niet kon praten! Er sprongen geen tranen in mijn ogen, en er kwamen geen woorden uit mijn mond. Mijn boezen was bevroren met een ijzige kilte. Nadat mijn verdriet zichzelf tegenkwam, voelde ik geen schaamte om mijn borsten te pijnigen, mijn haren uit mijn hoofd te trekken, en te krijsen, niet anders dan wanneer de liefdevolle moeder van een zoon die is gestorven zijn lege lichaam naar de hooggebouwde brandstapel draagt. Vreugde deed het hart van mijn broer Charaxus zwellen toen hij mijn ellende zag. Hij passeerde voor mijn ogen, en kwam opnieuw voorbij. En, om de oorzaak van mijn verdriet onwelvoeglijk te laten lijken, zei hij: ‘Waarom rouwt zij? Haar dochter leeft!’ Zedigheid en liefde zijn niet hetzelfde. Er was niemand die mij niet zag. Toch verscheurde ik mijn gewaad en ontblootte mijn borsten.

15; 123-134
Jij, Phaon, bent mijn zorg. Jij, komt in mijn dromen naar mij terug – dromen helderder dan de prachtige dag. In hen vind ik jou, hoewel je in werkelijkheid ver van mij weg bent, maar het plezier dat slaap verschaft duurt niet lang genoeg. Vaak lijkt het alsof ik met mijn hoofd in je armen lig, vaak omarm ik je met mijn armen. Ik herken de kussen – zachte strelingen van je tong – die je placht te ontvangen en te geven. Soms streel ik je, en uit woorden die bijna de wakkere waarheid lijken, en waken mijn lippen over mijn zintuigen. Over de rest bloos ik om te vertellen, maar alles vond plaats. Ik voelde de vreugde, en kan mezelf niet beheersen.

15; 135-156
Maar als Helius zijn gezicht vertoont en de aarde verlicht, klaag ik dat de slaap mij zo snel heeft verlaten. Ik waak in de grotten en het bos, alsof het bos en de grotten mij kunnen helpen – waar het geheim van mijn vreugde rondwaart. Daar zwerf ik in waanzinnige vreugde rond, als iemand die de gekmakende Enyo heeft aangeraakt, met loshangende haren om mijn hoofd. Mijn ogen zien de grotten, onder de overhangende ruige rotsen – grotten die mij van Mygdoniaans marmer lijken. Ik vond het bos dat ons vaak een bed bood om op te liggen, en ons bedekte met een dichte schaduw van vele bladeren – maar ik vond zowel de heer van zowel als die van mij niet. De plek is slechts simpele grond. Hij was de bruidsschat die het rijk maakte. Ik herkende de ingedrukte plekken in het bostapijt dat ik zo goed kende. De graszoden waren ingedeukt door ons gewicht. Ik ben gaan liggen en raakte de plek, de plek waar jij rustte. Het gras dat ik eens gracieus vond dronk mijn tranen. Nee, zelfs de takken hebben hun bladerkleed afgelegd, en vogels kwinkeleren geen zoete klacht. Alleen de Daulische vogel, uiterst treurige moeder die onheilige wraak uitroep over haar man, klaagt over haar Ismariaans zoon Itys. De vogel zingt over Itys, Sappho zingt over verlaten liefde – dat is alles. Al het andere is stil als de nacht.

15; 157-172
Daar is een heilige bron, helder en transparanter dan kristal – velen denken dat er een geest in huist – waarboven een waterige lotus zijn takken breed uitspreidt, een grot op zichzelf. De aarde is groen met teder gras. Hier heb ik mijn vermoeide lichaam te ruste gelegd en plaatsgemaakt voor tranen, toen er plotseling een Najade voor mijn ogen stond. Ze stond voor me, en zei: ‘omdat jij brandt van onbeantwoorde liefde, is Ambracia het land waarnaar je op zoek moet gaan. Daar kijkt Phoebos vanuit de hoogte neer op de weidse strook van de zee – van Actium, zoals de mensen die noemen, en Leucadië. Hier ontbrandde Deucalion, van liefde voor Pyrrha, wierp zich naar beneden, en raakte ongedeerd het water. Direct werd zijn passie van hem weggenomen, en ontvluchtte zijn borst, en was Deucalion bevrijd van zijn brandende liefde. Dat is de wet in gindse plek. Ga onmiddellijk op zoek naar die hoge Leucadische klip, en aarzel niet om er vanaf te springen!’

15; 173-184
Nadat zij haar waarschuwing had gegeven, stopte zij met haar toespraak, en verdween. Ik stond op in doodsangst, en mijn ogen konden de tranen niet tegenhouden. Ik zal gaan, O Nimf, om de klip te zoeken waar je over sprak. Weg met die angst – mijn gekmakende passie werpt die weg. Wat er ook zal gebeuren, het zal beter zijn dan nu! Winden, kom – til me op, mijn lichaam is niet zwaar. Geef mij ook, tedere liefde, uw vleugels, opdat ik sterf en de Leucadische golven kan verwijten! Dan zal ik mijn schelp aan Phoebos wijden, onze gemeenschappelijke weldaad, en daaronder zal een versregel sieren, en een tweede: Sappho de zanger, O Phoebos, heeft je dankbaar een citer geschonken: aandenken goedgeschikt voor mij, aandenken goedgeschikt voor jou.

15; 185-206
Maar waarom stuur je me naar de kust van Actium, ongelukkig als ik ben, wanneer jijzelf je zwervende voetstappen kunt doen omkeren? Jij kunt in mijn toestand beter helpen dan de Leucadische Golf. Zowel in schoonheid en vriendelijkheid ben je een Phoebos voor mij. Of, als ik omkom, O nog erger dan een klip of golf, kun jij dan de titel verdragen van veroorzaker van mijn dood? Maar het is zoveel beter voor mijn boezem om door die van jou te worden ingedrukt dan halsoverkop van de rotsen te worden geslingerd! – de boezem, Phaon, van haar van wie je gewoon was om te loven, en die volgens jou zo vaak de gave van genialiteit leek te hebben. Zal ik nu welsprekend zijn! Verdriet stopt mijn gaven, en al mijn genialiteit wordt geweerd door mijn ellende. Mijn vroegere kracht in liederen zal niet reageren op de oproep. Mijn plectrum voor verdriet zwijgt. Mijn lier zwijgt van ellende. Lesbische dochters van de zee, jullie die op het punt staan om te trouwen of al getrouwd zijn, jullie dochters van Lesbos, wier namen zijn bezongen door de Aeolische lier, jullie Lesbische dochters die ik tot mijn spijt heb liefgehad staak uw gedrang om naar mijn schelp te luisteren! Phaon heeft alles wat jullie eerder liefhadden weggevaagd – ach, ellendige ik, ik was bijna zo ver om ‘mijn lieve Phaon’ te zeggen! Draag zorg voor zijn terugkeer. Jullie zangers zullen dan ook terugkeren. Mijn genialiteit heeft zijn kracht van hem. Met hem zijn zij weggevaagd.

15; 207-221
Maar mochten mijn gebeden iets bereiken, of zijn vlegelhart beroeren? Of is het koud en hart, en verjagen de westenwinden mijn ijdele woorden? Ik wilde dat de winden die mijn woorden wegdragen zijn zeil terugbrachten. Die daad zou je sieren, trage jij, als je gevoel in je inborst had. Als je van plan bent om terug te keren, en je achtersteven tot een votief geschenk maakt, waarom dan mijn hart verscheuren met je getreuzel? Licht het anker! Aphrodite die uit de zee oprees maakte plaats op zee voor haar minnaar. De wind zal je voortjagen op je koers. Als je het anker maar licht! Eros zelf zal je roerganger zijn, zittend op de achtersteven. Hijzelf zal met zachte hand de zeilen uitspreiden en vastmaken. Maar als het je pleziert om ver weg van de Pelasgische Sappho te vliegen – terwijl je geen reden zult vinden om mij te ontvluchten – ach, laat dan een wrede brief dat mij tenminste vertellen in mijn ellende, zodat ik mijn lot in de Leucadische golven kan zoeken!

Vers 16 t/m 18

16. Van Paris aan Helena

16; 1-12
Ik, zoon van Priamus, stuur jou, Leda’s dochter, deze wens voor jouw welzijn – welzijn dat mij alleen kan toevallen als jij het mij schenkt. Zal ik spreken, of is er geen behoefte om over een al bekend vuur te vertellen, en is mijn liefde al duidelijker dan ik kon wensen? Ik geef er inderdaad de voorkeur aan om het verborgen te houden, tot het moment dat mijn vreugde niet meer vermengd wordt met angst, maar ik het niet kan verhullen. Want wie kan een vuur verbergen dat zichzelf verraadt door zijn eigen licht? Als je, niettemin, naar mij uitkijkt om de daad bij hett woord te voegen – ik brand van liefde! Hier heb je de woorden die de boodschap van mijn hart brengen. Vergeef me, smeek ik, dat ik heb bekend, en lees de rest niet met een onbewogen gezicht, maar met gezicht dat past bij jouw schoonheid.

16; 13-26
Ik ben nu lange tijd in verwachtingsvolle stemming, want jij verwelkomt mijn brieven en hoop dat jij mij op dezelfde manier wilt verwelkomen. Wat de moeder der Liefde, die mij heeft overgehaald tot deze reis, heeft geregeld, hoop ik hartgrondig dat zal gebeuren, en dat zij jou mij niet ijdel heeft beloofd. Want op goddelijk bevel – tenzij jij onverwachts zondigt – vaar ik herwaarts, en een niet geringe godin begunstigt mijn onderneming. De prijs die ik zoek is groots, maar ik vraag niets onrechtmatigs. Je bent mij als bruid beloofd door haar van Cythera. Met haar als stuurman, ben ik van de kust van Sigeüm naar het ongastvrije Pheraea gezeild over de dubieuze paden van de uitgestrekte zee. Zij is het die mij zachte briesjes en gunstige winden heeft geschonken – het is zeker dat zij de heerschappij over de zee heeft, want zij stond op uit de zee. Dat ze mijn nog steeds blijft begunstigen, en het tij van mijn hart doet kalmeren zoals ze de golven kalmeert. En mijn schip naar de verlangde haven brengt.

16; 27-38
Mijn passie voor jou heb ik meegebracht. Ik kon het hier niet vinden. Dat is de oorzaak van deze lange reis, want noch een donkere storm heeft mij hierheen gebracht, noch een zwalkende route. Taenarum is het land waar mijn schepen naar toe werden gestuurd. Evenmin doorklief ik de zeeën met een schip dat handelswaar vervoert – de goederen die ik heb, mogen de goden van mij houden! Noch ben ik iemand die de Griekse steden kom bezichtigen – de steden uit mijn eigen land zijn rijker. Ik kom voor jou – jij, die de gouden Aphrodite mij heeft beloofd als vrouw. Je was mijn hartewens voordat ik je leerde kennen. Ik zag je gezicht met mijn ziel voordat ik het zag met mijn ogen. Een gerucht, dat mij over jou vertelde, was het eerste dat mijn wond behandelde.

16; 39-50
Maar het is niet vreemd dat ik ten prooi aan liefde ben, als het zo is dan moet het zijn, getroffen door pijlen die van ver kwamen vliegen. Zo heeft het lot beslist. En tenzij jij nee probeert te zeggen, luister dan naar de woorden die trouw en waarachtig zijn uitgesproken. Ik was nog in mijn moeders schoot, dralend om geboren te worden. Haar baarmoeder was zwaar van de lading. Zij droomde dat ze uit haar schoot een machtig brandende toorts voortbracht. In paniek stond ze op, en vertelde de angstwekkende droom van de duistere nacht aan de oude Priamus. Hij vertelde het aan zijn zieners. Een van de zieners voorspelde dat Ilium zou branden met het vuur van Paris – dat was de toorts van mijn hart, zoals nu blijkt.

16; 51-72
Mijn schoonheid en krachtige geest, hoewel ik uit het gewone volk leek te komen, waren tekens van verborgen adelijkheid. Er is midden op de Ida een plek in de bosrijke valleien, ver van de platgetreden paden die is bedekt met dennen en eiken, waar de vredige schapen nooit grazen, noch de geiten die van de klippen houden, noch het breedbekkige traagbewegende koeien. Vandaar, liggend tegen een boom, keek ik uit over de muren en hoge daken van de Dardaanse stad, en over de zee, en zie! Het leek alsof de aarde beefde onder voortgaande voetstappen – ik zal de waarheid spreken, hoewel ze nauwelijks geloofd zullen worden – en daar verscheen en stond voor mij, voortbewogen op snelle vleugels, het kleinkind van de machtige Atlas en Pleïone – het werd mij toegestaan om te zien, en laat het toegestaan zijn om te spreken over wat ik zag! – en in de hand van de god was een gouden staf. En op hetzelfde ogenblik, betraden drie godinnen – Aphrodite en Athena, en met hun Hera – met hun tedere voeten het grasveld. Ik was sprakeloos, en een koude rilling liet al mijn haren recht overeind staan, toen de gevleugelde heraut tegen mij zei: ‘Wees niet bang! Je bent de arbiter over schoonheid. Maak een eind aan het gekibbel van de godinnen. Maak bekend wie van hen mooier is dan de andere twee!’ en, mocht ik weigeren, gaf mij deze opdracht in naam van Zeus, waarna hij onmiddellijk over de paden van de lucht naar de sterren vertrok.

16; 73-88
Ik was gerustgesteld, en plotseling werd ik vrijmoedig, noch bang om mijn gezicht af te wenden en hen stuk voor stuk te observeren. Ze waren allen waardig om te winnen, en ik die hen moest beoordelen betreurde het dat zij niet allemaal konden winnen. Maar, ondanks dat, beviel één van hen mij meer, en misschien weet je dat zij het was door wie de liefde wordt geïnspireerd. Groot was hun verlangen om te winnen. Zij probeerden mij met alle macht over te halen met prachtige geschenken. Zeus’ vrouw bood hardop tronen aan, zijn dochter, overwinningen in de oorlog. Ik twijfelde, en kon geen keuze maken tussen macht en het dappere hart. Lieve Aphrodite glimlachte: ‘Paris, laat je niet door deze geschenken beïnvloeden, beiden zijn vol van angstwekkende vrees!’ zei ze. ‘mijn geschenk zal er een van liefde zijn, mooie Leda’s dochter, nog mooier dan haar moeder, zal in jouw armen vallen.’ Zo sprak ze, en zowel haar geschenk als haar schoonheid tot winnaar uitroepend, keerde ze zegevierend terug naar de hemel.

16; 89-106
Intussen – omdat het lot mij goedgunstig gezind was denk ik – werd door goede tekenen herkend als een kind van koninklijk bloed. De zoon werd, na lange tijd, teruggebracht naar zijn huis, het huis was blij, en Troje voegde deze dag, aan haar feestdagen toe. En zoals ik naar jou verlangde, zovele vrouwen verlangden naar mij. Alleen jij kunt het onderwerp van de gebeden van zovele vrouwen bezitten! En niet alleen dochters van prinsen en aanvoerders zaten achter mij aan, maar zelfs de Nimfen voelden liefde voor mij. Welke schoonheid bewonderde ik meer dan die van Oenone? – na jou, bevatte de wereld niemand beter dan zij om de bruid te worden van Priamus’ zoon. Maar ik ben hen allen beu, Tyndaride, omdat ik hoopte om jou voor mij te winnen. Jij was het die mijn gedachten vervulde als ik wakker was, en jou zag mijn hart in de nacht, wanneer de ogen in vredige slaap gesloten zijn. Hoe zou je er in het echt uitzien, jij die ik ongezien won? Ik was in liefde ontbrandt, hoewel hier, was de vlam ver weg. Ik kon mijzelf niet langer voor de gek houden vanwege het verlangen naar jou, en begon aan mijn reis over het donkerblauwe pad naar het onderwerp van mijn geloften.

16; 107-126
De Trojaanse dennenbossen werden geveld door de Phrygische bijl, en welke boom dan ook zal dienen op de golvende zee. De hellingen van Gargara zijn ontdaan van hun verheven bossen, en de uitgestrekte schonk mij talloze balken. De eik werd gebogen om het geraamte van het schip te maken, en de gebogen kiel werd aaneengesmeed met de geribbelde scheepshuid. We voegden de dekken toe, en de zeilen die in de mast hangen. Ook het hoekvormige achterschip, kreeg zijn beschilderde goden. Op degene die mij vervoert staat de godin geschilderd – en, met haar, de kleine Eros – die jouw bruiloft met mij regelde. Nadat de laatste hand aan de schepen was gelegd, en alles gereed was, was ik gretig om de grote Aegeïse Zee op te zeilen – maar mijn vader en moeder hielden me op van mijn doel met hun gebeden, en hielden de reis die ik van plan was te ondernemen met innige woorden tegen. Mijn zuster Cassandra, zoals zij was, met loshangend haar, toen mijn schepen popelden om hun zeilen uit te spreiden, schreeuwde: ‘Waarom zo halsovekop vertrekken? Ji zult een grote brand met je mee terugbrengen! Je weet niet hoe groot de vlammen zijn die jij zoekt voorbij dat water!’ Een waarachtige profetes was ze. Ik heb het vuur waarover ze sprak gevonden, en vlammen van felle liefde woedden in mijn hulpeloze borst!

16; 127-144
Ik zeilde weg uit de haven, en ontscheepte met gunstige winden op jouw kust, O nimf uit het geslacht van Oebalus. Uw heer ontving me zoals het een gast betaamt – ook dit was geen daad zonder overleg en met goedkeuring van de goden! Hij liet mij, uiteraard, alles zien wat waardig was om te worden bekeken in Lacedaemon en fraai om te zien. Maar ik stond te popelen om jouw veelgeprezen charmes te zien, en er was niets anders waardoor mijn ogen werden vastgehouden. Toen ik die zag, was ik stomverbaasd, en voelde een nieuwe bezorgdheid opkomen in mijn borst. Dezelfde gelaatstrekken, zover ik mij kan herinneren, als die van Cythera toen zij kwam om door mij beoordeelde te worden. Als jij samen met haar naar die wedstrijd was gekomen, zou de zegepalm van Aphrodite in gevaar gekomen zijn! Faam was je inderdaad vooruitgesneld, en er is geen land dat jouw schoonheid niet kent. Geen ander onder de mooie vrouwen heeft een naam als jij – nergens in Phrygië, noch van de opkomende zon!

16; 145-162
Geloof je me als ik je dit ook vertel? – Jouw roem is minder dan de waarheid, en faam heeft alles maar belastert jouw charmes. Ik vond hier meer dan de godin mij beloofde, en jouw heerlijkheid wordt overschreden door oorzaak ervan. En Theseus voelde terecht de vlam der liefde, want hij was vertrouwd met al jouw charmes, en jij leek een geschikte buit voor de grote held om te kapen , toen, op de manier van jouw ras, jij deelnam aan de sporten van de stralende palaestra, een naakt meisje tussen naakte mannen. Zijn schaking van jou, loof ik, maar ik verwonder me dat hij je ooit terug gaf. Zo’n mooie buit zou standvastig moeten worden bewaard. Mijn hoofd zou eerder zijn bloedige nek verlaten dan dat jij uit mijn slaapkamer gesleept zou worden. Iemand zoals jij, zouden mijn handen die ooit vrijwillig laten gaan? Zou ik Iemand zoals jij, levend, toestaan om uit mijn omhelzing te laten gaan? Als jij plichten hebt die uitgevoerd moeten worden, zou ik je om te beginnen op z’n minst een gelofte hebben afgenomen. Mijn liefde voor jou zou niet helemaal voor niets zijn geweest. Ik zou je maagdelijke bloem geplukt hebben, of alleds gestolen hebben wat maar mogelijk was zonder je maagdelijkheid te deren.

16; 163-188
Geef je alleen aan mij, en je zult de trouw van Paris leren kennen. Alleen de vlam van de brandstapel zal de vlammen van mijn liefde beëindigen. Ik heb je verkozen boven de koninkrijken die de grote Hera, bruid en zus van Zeus, mij eens beloofde. Dus ik alleen kan mijn armen om je nek slaan, Ik heb de dapperheid die Athena wilde schenken als goedkoop van mij afgehouden. Ik heb geen spijt, en ik zal nimmer denken dat ik met mijn eigen ogen een dwaze keuze heb gemaakt. Mijn geest is zeker en volhardt in zijn verlangen. Ik bid alleen, dat ik waardig zal zijn aan zo’n zware last! En dat jij niet zult toestaan dat mijn hoop de grond in wordt geboord. Ik ben niet op zoek naar een huwelijk met iemand uit een adelijk geslacht, terwijl ik zelf van lage afkomst ben, noch zul je het een schande vinden, geloof me, om mijn vrouw te zijn. Een Plejade , als je zult zoeken, vindt je in onze afstamming, en een Zeus, om maar te zwijgen over onze voorouders uit hun tijd. Mijn vader zwaait de scepter over Azië, een land dat rijker is dan alle anderen, met immense grenzen, nauwelijks te doorkruisen. Ontelbare steden en gouden woningen zul je zien en tempels die goed bij hun goden passen. Je zult naar Ilium opkijken, en haar sterkgebouwde muren met hoge torens, opgericht door de melodieuze tonen van Apollo’s lier . Waarom zou ik je vertellen over onze talloze menigten van mensen? Het land kan de bewoners amper bevatten. In dichte drommen zullen de Trojaanse vrouwen voorwaarts dringen om jou te ontmoeten, en onze paleiszalen zullen nauwelijk de dochters van Phrygië kunnen bevatten. Ah, hoe vaak zul je zeggen: ‘Wat is ons Achaea arm!’ Eén huishouden, iedereen die je maar wilt kiezen, zal de rijkdom van een stad tonen.

16; 189-212
En toch verbeeld ik mij niet om neer te kijken op jouw Sparta. Het land waar jij bent geboren is rijk voor mij. Maar Sparta is een gierig land, en jij verdient het om in rijkdom te leven. Met jouw schoonheid is die plaats niet in overeenstemming. Schoonheid als die van jou verdient rijke opschik zonder eind, en te verpozen in steeds nieuwe verrukkingen. Als je naar de kledij van de mannen van ons ras kijkt, welke kledij, denk je, zullen dan de dochters van Dardanus dragen? Alleen door meegaand te zijn, en geen minachting voor je Phrygische heer te koesteren, jij die op het platteland van Therapnae bent geboren. Een Phrygiër, en van ons bloed, was hij die nu bij de goden verblijft, en water mengt met nectar voor hun drankjes. Een Phrygiër was Eos’ minnaar . Maar hij werd weggevoerd door de godin die de laatste grens stelt aan de opmars van de nacht. Een Phrygiër was ook Anchises, met wie de moeder van de gevleugelde liefde zich vermaakte op de hellingen van de Ida. Evenmin denk ik dat Menelaüs, wanneer je onze schoonheid en leeftijd vergelijkt, meer respect dan ik van jou zal krijgen. Ik zal je in ieder geval geen schoonvader schenken die de heldere zonnestralen ontvlucht, en zich van het feest afkeert met zijn angstige paarden . Noch heeft Priamus een vader die is besmeurd met bloed van de bruid van zijn vader, of die het water van de Myrtoïsche Zee markeerde met zijn misdaad . Evenmin vingen mijn voorouders vruchten uit de Stygische Zee, of zoeken naar water temidden van water .

16; 213-234
Maar wat brengt mij dit, als een nakomeling van hen jou bezit, en Zeus noodgedwongen een schoonvader is van dit huis ? Ah, misdaad! Gedurende lange nachten bezit die onwaardige echtgenoot jou, genietend van je omhelzing. Maar ik – ik zie je pas wanneer de loopplank uiteindelijk wordt neergelegd, en wanneer die tijd is aangebroken brengt dit alleen maar meer pijn. Moge onze vijanden net zoveel maaltijden genieten als ik doorstond als de wijn voor ons neer wordt gezet! Ik betreur het dat ik een gast was, toen die pummel voor mijn ogen zijn armen om jouw hals sloeg. Ik barstte van woede en jaloezie – want waarom zou ik niet alles vertellen? – toen hij zijn mantel om je heen sloeg om je warm te houden. Maar toen je hem openlijk tedere kussen gaf, nam ik mijn beker en hield die voor mijn ogen. Toen hij je dicht tegen zich aan gedrukt hield, richtte ik mijn blik naar beneden, en het suffe voedsel werd smakeloos in mijn droge mond. Vaak liet ik een gekreun horen. En jij – ah, plaaggeest dat je bent! – ik merkte dat jij je lachen niet kon inhouden als ik kreunde. Vaak wilde ik de vlammen der liefde blussen in wijn, maar het werd alleen maar erger, en drinken maakte het vuur alleen maar heviger. Ik wilde dat ik niet zoveel zag, ik leunde achterover met mijn hoofd van je weggedraaid. Maar jij trok onmiddellijk mijn ogen werr naar je toe.

16; 235-248
Wat zal ik doen, ik weet het niet. Ik lijd wanneer ik naar al deze zaken kijk, maar ik lijd meer wanneer ik je gezicht niet meer zie. Op welke manier mij ook wordt toegestaan en de kracht voor heb, ik worstel om mijn waanzin te verbergen. Maar desondanks verschijnt de liefde die ik probeer te verbergen. En ik bedrieg je niet, jij weet welke wond ik heb – je weet het! En ik wilde dat dit alleen bij jou bekend was! Ah, hoe vaak als de tranen in mijn ogen sprongen heb ik mijn gezicht weggedraaid, opdat die man niet zou vragen naar de reden waarom ik huilde! Ah, hoe vaak, als ik wijn gedronken had, heb ik het verhaal verteld van een liefdesgeschiedenis, elk woord rechtstreeks aan jou vertellend, en je een hint gegeven over mijzelf met die verzonnen naam! Ik was de echte minnaar – als je het niet wist. Nee, inderdaad, ik was niet in staat om nog duidelijker te zijn, terwijl ik wijn dronk heb ik meer dan eens hierop gezinspeeld.

16; 249-262
Je borsten werden eens, herinner ik me, verraden door je mantel. Hij was open, en toonde je naakte charmes aan mijn blik – borsten witter dan pure sneeuw, of melk, of Zeus wanneer hij je moeder omhelsde. Terwijl ik in extase zat bij die aanblik – pakte ik mijn beker in de ander hand – viel de gedraaide steel uit mijn vingers. Als jij kusjes schonk aan jouw kind Hermione, zou ik ze onmiddellijk met plezier van haar tedere lippen hebben gerukt. En nu wil ik zingen over oude liefdes-geschiedenissen, zorgeloos op mijn rug liggend. En ik zou opnieuw knikken, tekens gevend die ik verborgen moest houden. De eerste van je metgezellen, Clymene en Aethra, durfde ik laatst met vleiende woorden aan te spreken. Die niets anders zeiden dan dat zij bang waren, en mij achter lieten temidden van mijn smeekbeden.

16; 263-282
Ah, dat je goden je tot een prijs maken in een machtige wedstrijd, en jij aan de winnaar wordt geschonken voor in zijn bed! – Zoals Hippomenes als prijs voor de hardloopwedstrijd Schoeneus’ dochter wegdroeg, zoals Hippodamia in een Phrygische omarming viel, zoals de moedige Heracles de hoorns van Achelous afbrak terwijl hij dong naar de omhelzing van Deïanira. Mijn stoutmoedigheid zou brutaal zijn weg gevonden hebben onder voorwaarden zoals die, en je zou duidelijk weten hoe je het onderwerp van mijn gezwoeg zou zijn. Nu blijft mij niets anders over dan je te smeken, schoonheid, en om je voeten te omarmen, zo lijdt je. O eer, O huidige roem van je tweeling broers, O je bent waardig als vrouw van Zeus als je niet zijn kind was geweest – ofwel zal ik met jou als bruid naar de haven van Sigeüm terugkeren, of hier, in ballingschap, bedekt worden met Taenarische aarde! Het is geen lichte verwonding dat mijn borst doorboord is, slechts door de pijlpunt. Mijn wond is diep – tot aan de botten! Dit – want ik herinner het me goed – is wat mijn zus mij voospeld heeft – dat ik door een hemelse pijl zou worden vastgenageld. Wijs geen liefde af, O Helena, die door het lot is bepaald – opdat je gehoor op je gebeden van de genadige goden zult vinden!

16; 283-298
Er schieten inderdaad vele zaken in mijn gedachten. Maar, zodat we meer direct tegen elkaar kunnen zeggen, verwelkom mij in je bed gedurende de stille nacht. Of voel je schaamte en vrees om je getrouwde liefde geweld aan te doen, en ontrouw te zijn aan de kuise huwelijkseed van een wettig bed? Ah, te eenvoudig – nee, te boers – Helena! Denk jij dat die schoonheid van jou bevrijd kan worden van een schuld? Of je moet jouw schoonheid veranderen, of je moet je behoeften bijstellen. Eerlijkheid en bescheidenheid zijn machtig in de strijd. Zeus’ verrukking, en het genot van Aphrodite, zijn in heimelijkheid zonden als deze. Zulke heimelijke zonden, inderdaad, schonken jou Zeus als vader. Als de macht over het karakter in het zaad zat, kan het nauwlijks zijn dat jij, het kind van Zeus en Leda, kuis zal blijven! Blijf toch kuis – maar als mijn Troje jou zal bezitten, en je jouw schuld laat, smeek ik, wees dat dan alleen met mij. Laat onze zonde er een zijn die op het uur van ons huwelijk er niet meer toe doet – als alles wat Aphrodite mij beloofde maar niet ijdel is!

16; 299-316
Maar zelfs je echtgenoot dringt bij je aan – met daden, zoniet met woorden. Zodat zijn gast geen beletsel zal vinden om te stelen, terwijl hij zelf afwezig is. Hij kon geen betere tijd uitkiezen om naar Kreta te gaan – o geweldig slimme echtgenoot! ‘Ik beveel u om in mijn afwezigheid al mijn zaken waar te nemen, en die van mijn gasten van de Ida’ zei hij, terwijl hij zich klaar maakte voor vertrek. Ik riep jou als getuige. Jij negeerde het gebod van je afwezige heer. Je zorgde totaal niet voor je gast. Hoop je, Tyndaride, dat zo’n begriploze man als hij de pracht van jouw schoonheid wel goed begrijpt? Je bent misleidt – hij weet het niet. Als hij nadenkt over het geweldige bezit dat hij heeft, zou hij die niet aan aan buitenlander toevertrouwen. Hoewel noch mijn woorden jouw gevoel beroeren, noch mijn hartstocht, ben ik genoodzaakt om het voordeel te benutten dat hij mij schenkt – anders ben ik een stommeling, en hem daarmee zelfs overtreffen, wanneer ik zo’n gunstig moment onbenut voorbij laat gaan. Hij heeft bijna met zijn eigen handen jouw minnaar tot jou gebracht. Het voordeel van de bevelen van jouw ongekunstelde heer!

16; 317-340
Heel de lange nacht lig je alleen in je eenzame bed. In een eenzaam bed lig ik, ook alleen. Laat wederzijdse verrukkingen jou bij mij brengen, en mij bij jou. De nacht zal helderder zijn dan midden op de dag. Dan zal ik bij welke goden je ook verkiest zweren, en mijzelf binden om de rituelen die jij verkiest na te leven. Dan, als ik mij niet sterk vergis, zal ik met mijn pleidooi jou laten verlangen naar mijn land. Als je schaamte voelt en angst omdat je mij gevolgd lijkt te hebben, zal ik zelf deze aanklacht zonder jou tegemoet treden. Want ik zal de daad van Aegeus’ zoon en jouw broers imiteren. Er zijn geen voorbeelden dichterbij dan deze waardoor je graakt kan worden. Theseus schaakte jou, en de tweeling de dochters van Leucippus. Ik zal als vierde tot deze voorbeelden gerekend worden. De Trojaanse vloot ligt gereed, bewapend met mannen en wapens. Riemen en wind zullen onze vlucht binnenkort bespoedigen. Als een grootse koningin zul jij de Dardaanse steden binnentrekken, en het gewone volk zal denken dat er een nieuwe godin op aarde is gearriveerd. Waar je ook gaat, zullen vlammen kaneel verbranden, en de verslagen slachtoffers zullen op de bloedige aarde vallen. Mijn vader en mijn broers en mijn zussen, met hun moeder, en alle dochters van Ilium, en geheel Troje, zullen jou geschenken brengen. Wee mij, ik vertel je slechts een klein stukje van wat er gaat gebeuren. jij zult meer ontvangen dan mijn brief omschrijft.

16; 341-352
En vrees niet, als je bent geschaakt, omdat felle oorlogen ons zullen volgen, en machtig Griekenland haar macht tegen ons op zal zetten. Van de velen die eerder zijn geschaakt, zeg me, is daarvan ooit iemand teruggeëist door wapens? Geloof me, die vrees van jou is ijdel. De Thraciërs namen Erechtheus’ kind in naam van Boreas gevangen, en er volgde geen oorlog op de kust van Bistonië. Pegasaeaanse Iason in zijn nieuwe schip ontvoerde het Phasische meisje, en Thessalië werd nooit iets aangedaan door het Colchische leger. Ook Theseus, hij die jou schaakte, ontvoerde de dochter van Minos. Toch riep Minos de Kretenzers nooit onder de wapens. De verschrikking in zaken als deze zijn nooit groter van het gevaar zelf, en waar wij met ons gemoed vrezen, schamen wij ons later dat we te veel hebben gevreesd.

16; 353-370
Stel je desondanks voor, als je wenst, dat er een grote oorlog zal ontstaan – ook ik heb macht, en mijn wapens zijn ook dodelijk. Evenmin zijn de hulpbronnen van Azië minder dan die van jouw land. Het heeft grote aantallen mannen, een een rijke overvloed aan paarden. Noch heeft Menelaüs, Atreus’ zoon, meer moed van Paris, of heeft meer achting voor zijn wapens. Terwijl ik nog een kind was, doodde ik de vijand en veroverde zo onze kudden terug, en door die heldendaad ontving ik de naam die ik draag . Terwijl ik nog een kind was, overwon ik menige jongeman in diverse wedstrijden, en onder hen waren Iloneus en Deïphobus. En, tenzij je denkt dat ik in het heetst van de strijd niet gevreesd hoef te worden, laat ik mijn pijl elk punt dat jij aanwijst treffen. Kun jij over zulke daden van jonge mannelijkheid voor hem getuigen? Kun jij je op zulke aanspraken als die van mij voor de zoon van Atreus beroepen? Als hij op al deze zaken aanspraak kan maken, kan jij hem dan een broer als Hector geven? Hij alleen kan over de macht van ontelbare krijgers beschikken! Mijn krachten ken je niet, en mijn moed heb je nooit gezien. Je kent de man niet van wie je de bruid gaat worden.

16; 371-377
Ofwel, wordt je teruggeëist zonder het tumult van een oorlog, of het Dorische kamp zal worden gestopt door mijn soldaten. Toch zal ik niet aarzelen om te wapens op te nemen voor zo’n bruid. Geweldige prijzen roepen om heftige strijd. En jij zult bovendien, wanneer de hele wereld genoegen in jou schept, eeuwige roem onder de mannen vergaren! Stel vertrouwen in hoop, werp angsten van je af, en verlaat deze plek, want de goden zijn met ons. Stel vertrouwen in de beloofde zegen.

17. Van Helena aan Paris

17; 1-10
Nu jouw brief mijn ogen hebben geschonden, leek het plezier van niet terugschrijven mij een vorm van minachting. Je had de moed, vreemdeling, om de heilige eed van gastvrijheid te schenden, en de trouw van een getrouwde vrouw te ondermijnen! Natuurlijk ontving de kust van Taenrum jou om deze reden in haar haven toen je door het winderijge getij heen en weer werd geslingerd, en, hoewel je van een ander volk bent, ons koninklijke huis haar deuren niet voor jou gesloten hield – en jij als dank, een euvele daad pleegde als antwoord op zo’n grootse vriendelijkheid! Jij die zo aankwam, was je een gast, of was je een vijand?

17; 11-40
Ik twijfel er niet aan dat, hoewel het zo lijkt, deze klacht van mij in jouw ogen simpel is. Laat mij op alle manieren simpel lijken, alleen zo vergeet ik mijn eer niet, en blijft het verloop van mijn leven vrij van blaam. Als ik geen somber gelzicht veins, noch met gefronste wenkbrauwen zit, ligt mijn goede naam op straat, tot op heden heb ik geleefd zonder schande, en geen enkele valse minnaar waagde zich aan mij. Hierdoor vraag ik mij af waar jij dat vertrouwen vandaan haalt om deze onderneming te beginnen, en door welke oorzaak jij hoopt mijn bed te kunnen delen. Omdat Theseus mij eens geweld aandeed, komt het hierdoor, en mij ontvoerde, lijk ik geschikt om ontvoerd te worden, voor een tweede keer? Is het mijn schuld, dat ik werd weggelokt. Maar gevangengenomen, als ik was, wat kon ik meer doen dan tegenstribbelen en weigeren. Toch plukte hij niet de vruchten van zijn daad die hij verlangde. Uitgezonderd mijn schrik, keerde ik ongedeerd terug. Enkele kussen, slecht enkele, kreeg de wellusteling, en dat dankzij mijn tegenstribbelen. Meer dan dat, ontving hij niet van mij. Zo’n schurkenstreek als die van jou zou hiermee niet tevreden zijn – jouw goden bevallen mij beter! Hij was geen man zoals jij. Hij gaf mij onaangeroerd terug, en inschikkelijkheid verminderde zijn schande. De jeugd had berouw over zijn daad, dat is duidelijk. Theseus toonde berouw en moet nu Paris in zijn voetsporen treden, zodat mijn naam niet meer op de lippen der mensen verblijft? Toch ben ik niet boos – want wie voelt weerstand voor een minnaar? – als datgene wat je predikt maar geen voorgewende liefde is. Want daar twijfel ik over – niet dat ik geen reden heb om je te vertrouwen, of dat mijn schoonheid mij niet welbekend is. Maar dat snelle geloven is gewoon om ellende over een vrouw te brengen, als jouw woorden door gebrek aan geloof zijn uitgesproken.

17; 41-50
Je zegt dat anderen toegeven aan zonde, en de getrouwde vrouw zelden kuis is. Wie voorkomt dat mijn naam wordt genoemd onder die zeldzamen? Want, zoals mijn moeder jou een passend voorbeeld lijkt, en jouw denkwijze mij kan beïnvloeden, door die ook te melden, maak jij een denkfout, omdat zij viel vanwege het bedrog van een valse buitenstaander. Haar minnaar was vermomd in een verenkleed. Maar ik, als ik zou zondigen kan ik geen onwetendheid voorwenden. Er is geen fout om de misdaad die ik pleeg te verdoezelen. Haar fout beging zij onbewust, en zij werd van haar zonde verlost door de dader. Maar welke Zeus zal ik gelukkig in mijn schuld worden genoemd?

17; 51-64
Maar jij pocht over je geboorte, je afkomst en je koninklijke naam. Dit huis van mij is roemrijk genoeg met haar eigen adelijkheid. Om maar te zwijgen over Zeus, voorvader van mijn man’s vader, en de roemrijke Pelops, Tantalus’ zoon, en van Tyndareus, Leda maakte Zeus tot mijn vader, misleidt door de zwaan, een valse vogel die ze aan haar borst koesterde. Ga nu, en vertel luidkeels over het verre begin van de Phrygische stam, en over Priamus en zijn Laomedon! Voor hen heb ik respect. Maar hij waarop jij je beroemt en die de vijfde in lijn is, merk dan op dat hij bij mij de eerste is . Hoewel ik geloof dat de scepters van jouw Troje machtig zijn, geloof ik niet dat die van ons minder zijn dan zij. Als deze plaats inderdaad wordt overtroffen in rijkdom en aantallen mannen, is dat van jou een barbaars land.

17; 65-74
Jouw brief, om zeker te zijn, belooft geschenken zo groots dat zij zelfs godinnen kunnen bewegen. Maar, zelfs als ik bereid zou zijn om de grens van mijn eer te overschrijden, jij zelf zou eerder de oorzaak van mijn fout zijn. Ik zal of altijd trouw blijven aan mijn goede naam, of ik zal jou volgen in plaats van je geschenken. En als ik die niet versmaad, komt dat omdat deze geschenken komen van de man die ze kostbaar maken. Het is mij meer waard dat je van mij houdt, dat ik de oorzaak van je zwoegen ben, dat jouw hoop voor mij jou over het weidse water heeft gevoerd.

17; 75-102
Wat doe je nu onze raad verspreidt is, oh, schaamteloze! Ik merk, hoewel ik dat probeer te verbergen – wanneer jij naar mij kijkt, wellusteling, met die vermetele ogen die mijn eigen ogen amper kunnen aankijken wanneer zij mij belagen, nu eens zuchtend, dan weer de beker opppakkend die het dichtst bij mij staat, en jij, ook drinkt van de plek waar ik ook van gedronken heb. O, hoe vaak heb ik de steelse tekens opgemerkt die jij met je vingers maakte, hoe vaak die van je haast sprekende wenkbrauwen! En ik heb vaak in angst gezeten dat mijn man die ook zou zien, en bloosde omdat jij die signalen niet goed wist te verbergen. Vaak zachtjes mompelend, of liever helemaal zonder geluid, zei ik: ‘Hij schaamt zich nergens voor!’ En die woorden waren niet mispaatst. Op het ronde oppervlak van de tafel, heb ik ook, onder mijn naam, die met wijn was geschreven, ‘Ik ben verliefd’, zien staan. Ik kon het niet geloven, maar desondanks, zagen mijn ogen het – wee mij, ik heb intussen geleerd dat iemand zo kan spreken! Dit zijn de verlokkingen, waarmee ik vatbaar werd gemaakt voor zonde, waarmee ik werd gewonnen, hierdoor werd mijn hart overwonnen. Ook jou schoonheid, moet ik bekennen, is zeldzaam, waardoor een vrouw graag in jouw omarming zou willen liggen. Maar laat liever een ander vrijwillig gelukkig zijn dan dat mijn eer door een vreemde liefde wordt overmeesterd. Leer van mijn voorbeeld hoe te leven zonder schoonheid, er schuilt deugd in onthouding van welbehagen. Hoeveel jongeren, denk je, verlangen wat jij wilt, en zijn toch verstandig? Of ben jij, Paris, de enige met ogen? Jij ziet niet meer helder. Jouw durf is slechts roekeloosheid. Jij hebt meer levenskracht, maar minder bescheidenheid.

17; 103-114
Ik wilde dat jouw snelle schip was gekomen op het moment dat mijn meisjeshand werd gezocht door duizend vrijers. Als ik jou had gezien, zou jij uit die duizend de eerste zijn geweest. Zelfs mijn man zal mij dit oordeel vergeven. Je komt te laat – om te genieten van wat al is vergeven. Je hoop is te traag geweest. Wat jij zoekt, bezit een ander. Gun mij, desondanks, dat ik ernaar verlang om je bruid in Troje te worden, denk echter niet dat Menelaüs mij vasthoudt tegen mijn wil. Stop, bid ik, om met jouw woorden aan mijn twijfelende hart te knagen, en haar geen pijn te doen waarvan je zegt dat je van haar houdt. Maar sta mij toe om het fortuin dat het lot mij heeft geschonken te behouden, en begeer tot mijn schande niet het verlies van mijn eer.

17; 115-130
Je zegt dat Aphrodite haar woord hierover gaf, en dat in de valleien van de Ida drie naakte godinnen zich voor jou presenteerden. En dat één van hen jou een troon wilde geven, een een tweede roem in de oorlog, en dat de derde zei: ‘De dochter van Tyndareus zal jouw bruid zijn!’ Ik kan nauwelijks geloven dat hemelse wezens hun schoonheid onderwierpen aan jouw oordeel. En, laat dit waar zijn, dat het andere deel van jouw verhaal een verzinsel is, waarin wordt gezegd dat ik aan jou wordt geschonken als beloning voor je oordeel. Ik ben niet zo zeker van mijn bekoorlijkheid om te denken dat ik het grootste geschenk ben van goddelijk respect. Mijn schoonheid is voldoende om te worden goedgekeurd in de ogen van mannen. De lof van Aphrodite maakt mij jaloersheid. Maar ik probeer het niet te ontkennen. Ik ben zelfs verheugd door de loftuigingen van jouw verhaal – want waarmom zouden mijn woorden ontkennen wat ik het meest verlang? Wees niet beledigd omdat ik traag ben om jou te geloven. Geloof is gewend om traag te zijn op het moment van grote gebeurtenissen.

17; 131-146
Mijn eerste genoegen, dan, is dat ik genade heb gevonden in de ogen van Aphrodite. De volgende, dat ik de grootste prijs voor jou leek, en dat jij die boven die van Athena of Hera stelde toen je over Helena hoorde. Dus, voel ik moed in jou, ik voel een ver beroemde troon! Ik moet van staal zijn, als ik niet van zo’n hart hou. Van staal, geloof me, ben ik niet. Maar ik vecht tegen mijn liefde voor iemand waarvan ik denk dat hij nauwelijks de mijne kan worden. Waarom zou ik met de kromme ploeg de voren van de natte kust beproeven, en een hoop najagen die de plaats zelf ontkent? Ik ben niet vaardig in de diefstal van liefde, en nog nooit – de goden zijn mijn getuigen, heb ik mijn heer doortrapt bedrogen. Zelfs nu, terwijl ik mijn woorden aan het stille papier toevertrouw, is mijn brief al een ongebruikelijk iets. Gelukkig zijn zij die geen beginnelingen zijn! Ik, onwerelds, droom dat het pad van schuld zwaar is.

17; 147-162
Mijn angst is een last, zelfs nu ben ik in verwarring, en denk dat alle ogen op mij zijn gericht. En dat denk ik niet zonder reden. Ik heb het kwade gemompel van de menigte gehoord, en Aethra vertelde me bepaalde dingen. Maar jij, kun jij veinzen, tenzij je ervoor kiest om er vanaf te zien! Maar waarom zou jij er vanaf zien? – jij hebt de kracht om te veinzen. Ga door met je spel, maar stiekem! Meer vrijheid, maar niet alles, is mij geschonken tijdens de afwezigehid van Menelaüs. Hij is vertrokken, wees daar zeker van, voor een verre reis, gedwongen door verplichtingen. Hij had grote en gewichtige redenen voor zijn plotselinge vertrek – althans zo leek het mij. Ik was het, toen hij twijfelde om te gaan, die zei: ‘Ga, maar probeer zo snel mogelijk terug te keren!’ Verheugd door het voorteken, kuste hij mij, en zei: ‘Let op mijn zaken, en op het huishouden, en op onze gasten uit Troje.’ Ik kon amper mijn lachen inhouden, en terwijl ik worstelde om het in te houden, kon ik niets anders tegen hem zeggen dan: ‘Dat zal ik doen.’

17; 163-174
Ja, hij is met gunstige wind en met gebolde zeilen naar Kreta vertrokken, maar denk niet dat alles hierdoor kan gaan zoals jij wenst! Mijn heer is ver weg, maar op zo’n manier dat hij mij laat bewaken, ook al is hij weg – of weet je niet dat koningen verreikende handen hebben? Mijn faam is ook een last voor mij. Want, hoemeer jullie mannen volharden in jullie lof over mij, temeer heeft hij terechte angst. De roem die mijn vreugde is, is nu evenzeer een vloek, en het zou beter zijn geweest als ik die roem had bedrogen. Maar laat je door zijn afwezigheid niet misleiden terwijl ik hier met jou ben achtergelaten. Mijn karakter en manier van leven hebben hem geleerd mij te vetrtrowen. Mijn uiterlijk maakt hem bang, mijn manier van leven zeker. Hij voelt zich veilig door mijn deugd, mijn bekoorlijkheid wekt zijn angst.

17; 175-188
Je drong er bij mij op aan om die opgelegde kans niet te verspillen, dat we moeten profiteren van de verplichtingen die een eenvoudige echtgenoot moet uitvoeren. Ik verlang ernaar maar ben ook bang. Tot dusver heb ik niet besloten, mijn hart twijfelt. Mijn heer is ver bij mij vandaan, en jij bent alleen in je bed, en jouw schoonheid heeft me te pakken, en de mijne op haar beurt jou. De nachten zijn ook lang, en we zijn al samengekomen om met elkaar te praten, en jij – ellendige ik! – bent overtuigend, en hetzelfde dak bedekt ons. Laat mij sterven als al deze zaken mij niet uitnodigen voor mijn val, en toch houden sommige angsten mij tegen! Wat dring jij er gemeen bij mij op aan, ik wilde dat je mij ook in ere kon dwingen! Je zou met geweld de scrupules van mijn eenvoudige hart moeten verjagen. Iets verkeerds brengt soms voordeel aan diegenen die er aan lijden. Op die manier, kan ik zeker tot geluk gedwongen worden.

17; 189-204
Hoewel het vers is, laten we liever strijden tegen de liefde die we begonnen zijn te voelen. Een pas ontstoken vlam dooft wanneer deze met een beetje water wordt besprenkeld. De liefde van vreemdelingen is onzeker, het dwaalt, zoals zijzelf, en wanneer je denkt dat er niets zekerder is, dan is zij vertrokken. Hypsipyle is getuige, getuige is het Minoische meisje, beiden bespot in hun niet erkende huwelijksbedden. Over jou, trouweloze, vertellen ze dat jij je Oenone hebt verlaten, bemind gedurende vele jaren. Noch ontken je dit zelf, en, als je het niet weet, is het mijn grootste zorg geweest om alles wat jou betreft te onderzoeken. Bovendien, hoewel je moet verlangen om verliefd te blijven, heb je niet de macht. De Phrygiërs ontrollen zelfs nu je zeilen, terwijl jij met mij spreekt, terwijl jij je klaarmaakt voor de verwachtingsvolle nacht, zal de wind die je huiswaarts draagt hier zijn. Tijdens die tocht zul jij je vreugde verliezen die vol is van frisheid. Samen met de wind zal jouw liefde voor mij vertrekken.

17; 205-220
Of zal ik je volgen zoals je aandringt, en op het door jou zo geloofde Pergamum neekijken, en de bruid van het kleinkind van Laomedon worden? Ik veracht de bode’s van het gevleugelde gerucht der mensen niet zozeer dat ik de aarde met mijn verwijt wil vervullen. Wat zal Sparta wel niet over mij zeggen, of Achaea, of andere volken, of jouw Troje? Wat zal Priamus van mij denken, of Priamus’ vrouw, of al jouw vele broers en hun Drdaanse vrouwen? Ook jij, hoe zul jij in staat te zijn om te denken dat ik trouw zal blijven en niet gehinderd zal worden naar jouw eigen voorbeeld? Welke vreemdeling die de haven van Ilium binnenkomt zal de oorzaak zijn van jouw angstige vrees, hoe vaak zul jij woedend tegen mij zeggen: ‘Overspelige!’ Ben je vergeten dat jouw blaam met die van mij is verbonden! Je bent tegelijkertijd de keurmeester en schepper van mijn schuld. Ik bid, dat mijn gezicht, voor die tijd met aarde wordt bedekt!

17; 221-236
Maar jij zegt dat ik van de rijkdom van en het rijke leven in Ilium zal genieten, en zal genieten van geschenken die prachtiger zijn dan degenen die jij mij beloofd hebt. Ja, paarse en kostbare stoffen zullen mij gegeven worden, en ik zal rijk zijn aan grote hoeveelheden goud! Vergeef me als ik het zeg – jouw giften zijn niet zoveel waard. Ik weet niet hoe, maar mijn eigen land houdt mij nog tegen. Wie zal mij te hulp komen op de Phrygische kust als mij schade wordt toegebracht? Waar moet ik zoeken naar broers, waar voor de hulp van een vader? Al die dingen die de valse Iason beloofde aan Medea – werd zij voor minder verstoten uit het huis van Aeson? Er was geen Aeëtes die het geminachte meisje thuis ontving, geen moeder Idyia, geen zus Chalciope. Ik vrees niets erger dan dit – maar ook Medea vreesde niet! Zuivere hoop wordt vaak misleidt door haar eigen voorspellingen. Voor elk schip dat op de zee door elkaar wordt geschudt, zul je ontdekken dat de zee rustig was toen het de haven verliet.

17; 237-250
Ook de toorts, ontsteekt mijn angsten – de bloedige toorts die je moeder zag in een visioen op de dag van jouw geboorte. En ik krimp ineen voor de woorden van de zieners die voorspellen dat Ilium zal branden met Pelasgisch vuur. En, zoals Aphrodite jou begunstigt, omdat ze de winnares was en een tweevoudige trofee won vanwege het oordeel dat jij velde, zo vrees ik de twee die – als jouw grootspraak waar is – de wedstrijd verloren door jouw oordeel. En ik twijfer er niet aan, als ik jou volg, dat er oorlog zal onstaan. Door zwaarden, arme ik, zal onze liefde zich een weg moeten banen. Of dwong Hippodamia of Atrax de mannen van Haemonia om oorlog te verklaren aan de Centauren – en denk je dat Menelaüs en mijn tweelingbroers en Tyndareus traag zullen optreden in hun rechtvaardige woede?

17; 251-260
Wat jouw luidruchtig gesnoef en gepraat over dappere daden betreft, dat gezicht logenstraft je woorden. Jouw lichaam is beter geschikt voor Aphrodite dan voor Ares. Laat de beloning van de oorlog aan de dapperen. En jij, Paris, eeuwige geliefde, bid dat Hector, die jij looft, in jouw plaats ten strijde trekt. Het is die andere strijd die bij je moed past. Die dapperheid, die ik verstandig of iets gedurfder, zou toepassen. Als je dat bij elk willekeurig meisje toepast is verstandiger – of misschien, ik vergeet bescheidenheid, zal het je wijsheid brengen en, in de loop der de tijd, zul je een langzame overgave oogsten.

17; 261-264
Je vraagt om deze dingen in het geheim te bespreken, onder vier ogen. Ik weet wat het is dat je zoekt, en wat je van plan bent als je met mij spreekt. Maar je bent overhaast, en jouw oogst is nog nier rijp. Deze vertraging komt misschien vriendelijk aan je wensen tegemoet.

17; 265-269
Laat tot zoverre, de brief die het geheim van mijn hart deelt nu in zijn steelse vore blijven, want mijn hart is vermoeid. Laten we de rest via mijn gezellinnen Clymene en Aethra bespreken, de twee die mijn vergezellen en raad geven.

18. Van Leander aan Hero

18; 1-14
Hij van Abydos stuurt jou, meisje van Sestos, groeten die hij liever zelf zou brengen, als de golven van de zee zouden bedaren. Als de goden vriendelijk voor mij zijn, als zij mij steunen in mijn liefde, zullen jouw onwillige ogen deze woorden van mij lezen. Maar zij zijn niet vriendelijk. Want waarom vertragen zij mijn geloften, noch maken zij haast om mij te laten lijden in het welbekende water? Jijzelf hebt gezien dat de hemel zwarter is dan pek, en de straat turbulent is door de winden, en hoe de holle schepen amper zeil kunnen voeren. Slechts één zeeman, en hij is moedig – hij door wie deze brief bij jou is gekomen – is uit de haven vertrokken. Ik zou met hem meegegaan zijn, maar heel Abydos, terwijl hij de touwen van de voorsteven losmaakte, keek op hem neer. Ik kon mijn ouders niet ontlopen, zoals voorheen, en de liefde die wij geheim proberen te houden zou aan het licht gekomen zijn.

18; 15-24
Onmiddellijk schreef ik deze woorden, ‘Ga, gelukkige brief!’ zei ik. ‘snel zul je haar mooie handen bereiken. Misschien wordt je zelfs wel aangeraakt door haar naderende lippen als zij met haar sneeuwwitte tanden het zegel probeert open te maken.’ Zo sprak ik zachtjes, en schreef de rest met mijn rechterhand op het papier. Maar ach, hoeveel liever zou ik zelf zwemmen dan te schrijven, en mijzelf door de gebruikelijke golven worstelen! Het is beter passend, geef ik toe, om de zwemslag te beoefenen in het rustige water. En het is ook een betere boodschapper voor wat ik voel.

18; 25-36
Het is nu de zevende nacht, een periode die wel een jaar leek te duren, dat de onrustige zee kookt met bulderend water. Als ik al die nachten met een kalm hart geslapen zou hebben, laat mij dan lang van jou gescheiden blijven door de razende zee! Zittend op een rots, kijk ik triest naar jouw kust, weggevoerd door mijn gedachten waar mijn lichaam niet kan zijn. Nee, mijn visioen ziet – of denkt te zien – dat er licht ontwaakt in de top van jouw toren. Driemaal heb ik mijn kleding op het droge zand gelegd. Driemaal, heb ik naakt geprobeerd die moeilijke weg te begaan – de aanzwellende golven hielden mijn jeugdige pogingen tegen, en hun water, deinend terwijl ik zwom, rolde over mijn hoofd.

18; 37-46
Maar jij, meest onvriendelijke van de heersende winden, waarom maak jij je zo druk om strijd met mij te leveren? Ik ben het, O Boreas, als je het nog niet wist, en niet de golven, tegen wie je tekeer gaat! Wat zou je doen, als het geen liefde was waarmee je bekend bent? Koud als je bent, kun je dat niet ontkennen, gemene wind die in het verleden door vuren uit Attica in werd verhit? Op welke manier, toen je popelend plezier zocht, en iemand te dicht bij je kwam op de paden in de lucht, zou je dat dan hebben doorstaan? Heb medelijden met mij, bid ik. Wees mild, en laat een milder briesje waaien – zodat het kind van Hippotes u geen hardvochtige opdracht zal geven.

18; 47-52
Mijn bede is vergeefs. Mijn gebeden ontmoeten slechts zijn gebrom, en de golven worden hoog opgejaagd door hem die door niets wordt beteugeld. Ik wilde dat Daedalus mij zijn moedige vleugels kon schenken – hoewel de Icarische kust niet ver hiervandaan is! Wat dan ook zou ik verdragen, als ik mijn lichaam dat zo vaak in de onzekere golven heeft gehangen alleen maar in de lucht kon verheffen.

18; 53-74
Intussen, terwijl wind en golven mij alles onthouden, denk ik in gedachten na over de eerste keer dat ik jou trof. De nacht was net ingevallen – want die herinnering is mij lief – toen ik het huis van mijn vader verliet in opdracht van de liefde. Ik twijfelde niet, maar, mijn kleding afwerpend, en daarmee mijn angst, zwom ik met sterke armslagen door het vloeibare water. De maan gaf een trillend licht af terwijl ik zwom, als een plichtsgetrouwe waker over mijn pad. Ik richt mijn ogen naar haar op, ‘Wees mij genadig, stralende godheid,’ zei ik, ‘en neem de rosten van Latmus in uw gedachten! Endymion wil niet dat u streng van hart bent. Buig, bid ik, uw gezicht om mijn geheime liefde te helpen. U, een godin, kwam uit de hemel om een sterfelijke liefde te zoeken. Ah, laat het toegestaan worden dat ik de waarheid spreek! – Zij die ik zoek is ook een godin. Om maar te zwijgen van de deugden die een hemelse inborst waardig zijn, haar schoonheid is onvergelijkelijk en ware goddelijkheid. Na het mooie gezicht van Aphrodite, en dat van uzelf, is er niemand mooier. En, als u mijn woorden niet mocht vertrouwen, kijk naar uzelf! Net zoveel als alle sterren minder stralen dan uw heldere vuur wanneer die met pure stralen een zilveren glans verspreiden, zoveel mooier is zij dan alle andere schoonheden. Als u dat niet gelooft, wat ik betwijfel, Cynthia, dan is uw licht blind.’

18; 75-82
Zo sprak ik, of in ieder geval woorden van die strekking, en werd in de nacht over een pad in het water geleid met mijn zwemslagen. De zee straalde met het beeld van de weerkaatste maan, en er was een pracht alsof het dag was in de stille nacht. Geen enkel bericht bereikte mijn oren, geen geluid anders dan het gemurmel van water dat mijn lichaam opzij wierp. Alleen de Halcyons, in hun harten nog steeds trouw aan hun geliefde Ceyx, hoorde ik met een geluid dat leek op een zoete klaagzang.

18; 83-104
Mijn armen werden vermoeid vanaf het schoudergewricht, en met al mijn kracht trok ik mij omhoog naar de toppen van de golven. En zie, ver weg, scheen een licht, ‘Het is mijn liefde die in gindse vlam straalt,’ riep ik. ‘Het is mijn licht daar op gindse kust!’. En onmiddellijk keerde de kracht terug in mijn vermoeide armen, en de golven leken eenvoudiger te doorklieven dan daarvoor. Om me te behoeden voor de kilte van de koude diepte, zond liefde zijn steun, een hitte in mijn gretige borst. Hoe dichter ik naderde, en de kust naderbij lonkte, des te minder golven bleven er over, des te groter werd mijn vreugde om op te schieten. Toen ik vandaar gezien kon worden en zelf kon zien, sprong mijn hart op door jouw blik, en maakte mij sterk. Ik spande mij nog meer in om mijn vrouwe te plezieren, en trok mijn armen nog krachtiger door het water om jou te zien. Je min kon je amper tegenhouden om je naar beneden in de vloed te werpen – want dat zag ik, en jij misleidde mijn ogen niet. Toch, hoewel ze je tegenhield toen je wilde gaan, kon ze niet voorkomen dat je voeten nat werden aan de waterlijn. Je verwelkomde mij in je armen, deelde gelukkige kussen met mij – kussen, O gij grote goden, die het waard waren om overzee te zoeken! – en je nam je mantel van je schouders om die aan mij te geven, en droogde mijn haar dat droop van het water uit de zee.

18; 105-110
En de rest – de nacht weet ervan, en wijzelf, en de toren die ons geheim deelt, en het licht dat mij leidt op mijn pad door de golven. De vreugde van die lieve nacht was groter dan de aantallen zeewier in de Hellespont. Des te korter de tijd die we hadden voor onze steelse liefde, destemeer zorgden we ervoor dat deze niet ijdel voorbijging.

18; 111-124
En nu maakte Eos, de bruid van Tithonus, zich klaar om de nacht te verjagen, en Phosphorus was opgestaan, voorbode van de dageraad. Haastig overstelpten wij elkaar met kussen, geheel van streek, klagend dat de nacht zo kort duurde. Zo, dralend totdat de bittere waarschuwingen van de min mijn opdroegen om te gaan, verliet ik de toren en ging op weg naar de kille kust. We scheidden in tranen, en ik keerde terug naar de zee van het Meisje , zoveel als ik kon omkijkend naar mijn vrouwe. Geloof me, het is waar. Vandaar vertrekkend, leek ik een zwemmer, maar, toen ik terugkeerde, een schipbreukeling. Ook dit, heus, zul je geloven. Naar jou toe, lijkt mijn pad altijd omhoog te gaan. Van je weg, wanneer ik terugkeer, lijkt het altijd een steilte van levenloos water. Tengen de wens van mijn hart bereikte ik mijn eigen land weer – wie kon het geloven? Tegen de wens van mijn hart verblijf ik nu in mijn eigen stad.

18; 125-142
Wee mij! Waarom zijn we verenigd in ziel en gescheiden door de golven, twee wezens één van geest, maar niet één van land? Laat jouw Sestos mij nemen, of mijn Abydos jou. Jouw land is dierbaar voor mij zoals dat van mij voor jou. Waarom moet mijn hart onrustig zijn zo vaak als de zee dat is? Waarom heeft de wind, eenvoudige oorzaak, het vermogen om mij tegen te houden? De sierlijke dolfijnen kennen onze liefde al, en ik denk dat ook de vissen mij kennen. Het welbekende pad door de golven is mij al goed bekend, zoals de weg die door vele wielen wordt bereden. Dat er geen andere weg dan deze is heb ik al over geklaagd, maar nu, vanwege de winden, klaag ik dat ook dit pad nu is versperd. De zee van Athamas’ kind schuimt wit met enorme golven, en de kiel die vertoeft in haar eigen haven is nauwelijks veilig. Zo was dit water, denk ik, toen zij haar naam kreeg van het meisje erin verdronk. Deze plek heeft een kwade naam door het verlies van Helle, en, hoewel het mij spaarde, heeft haar naam een verwijt in zichzelf.

18; 143-160
Ik benijd Phrixus, die de ram met zijn gouden vacht veilig over de stromachtige zee droeg. Maar ik vraag niet om de diensten van een ram of schip, als ik alleen het water maar mag doorklieven met mijn lichaam. Ik heb geen kunstgrepen nodig, als mij maar wordt toegestaan om te zwemmen, ben ik tegelijkertijd schip, zeeman en passagier! Ik gids mijzelf noch door Helice, noch door Arctus, de gidsster van Tyre. Mijn liefde heeft geen van die gebruikelijke sterren nodig. Laar een ander zijn ogen maar richten op Andromeda en de heldere Kroon, en op de Parrhasische Beer die glanst boven de ijskoude pool. Wat mij betreft, ik geef niet om de liefdes van Perseus, en van Dionysus en Zeus, om mij mijn onzekere pad te wijzen. Daar is een ander licht, veel zekerder voor mij dan die, en wanneer dat mij door het donker leidt verandert mijn liefde niet van plaats. Terwijl mijn ogen hierop gericht zijn, kan ik naar Colchis of de verste grenzen van Pontus gaan, en daar waar de schepen van Thessalisch grenen hun koers houden. En ik kan de jonge Palaemon in het zwemmen overtreffen, en hem die de wonderbaarlijk kruiden plotseling tot een god maakte .

18; 161-182
Vaak worden mijn armen moe van de onophoudelijke slagen, en kunnen mij amper voortslepen over het vermoeiende pad in het eindeloze water. Wanneer ik tegen hen zeg: ‘Geen geringe beloning zal binnenkort voor jullie zijn, want binnenkort zullen jullie de nek van mijn vrouwe hebben om te omarmen.’ Onmiddellijk worden ze sterker, en strekken zich uit om hun prijs in ontvangst te nemen, zoals het snelle paard vertrekt uit de Eleaanse startblokken . En zo houd ik zicht op de liefde die in mij brandt, en loods mijzelf naar je toe, meisje dat een plaats aan de hemel waardig is. Want waardig aan de hemel ben je – maar verblijft nog steeds op aarde, of vertel me anders waar ik ook een weg naar de verschillende goden boven kan vinden! Jij bent hier, maar je ellendige minnaar heeft hier maar een klein aandeel in, en wanneer hij de onrust ziet groeien is zijn hart ook onrustig. Wat baat het mij dat de golven die ons scheiden niet breed zijn? Is deze korte oversteek een belemmering voor mij? Ik wenste bijna dat de hele wereld tussen ons in lag, zodat mijn hoop ver weg is, samen met mijn vrouwe. Nu, hoe dichter je in de buurt bent, des te naderbij is het vuur dat mij ontsteekt, en hoop is altijd vlak bij mij, maar niet altijd hoop ik op haar. Ik kan haar bijna met mijn handen aanraken, zo dichtbij is degene die ik liefheb. Maar vaak, helaas, door dit ‘bijna’ beginnen mijn tranen te stromen. Wat is dit anders dan ongrijpbare vruchten proberen te pakken, en te proberen met droge lippen uit een zich terugtrekkende stroom te drinken.

18; 183-200
Mag ik jou, dan nooit omarmen behalve wanneer de golven dit toestaan, en zal geen enkele storm mij gelukkig zien? En, hoewel niets minder zeker is dan de wind en golven, moeten wind en water mijn eeuwige hoop zijn terwijl het nog volop zomer is? Wat als de zeeën worden aangevallen door de Plejaden, en de wachter van de Beer, en de Geit van Olenus? Of ik weet niet hoe roekeloos ik ben, of een onvoorzichtige liefde stuurt me zelfs dan door het water. En, tenzij jij van mening bent dat ik dit beloof omdat die tijd nog niet is aangebroken, zal ik jou geen trage gelofte geven van wat ik nu beloof. Laat de zee nog een paar nachten tekeer gaan, en ik zal ondanks de golven proberen over te steken. Of een gelukkig pogen zal mij veilig begeleiden, of de dood wordt het einde van mijn bange liefde! Maar ik zal bidden om op gindse kust geworpen te worden, zodat mijn schipbreuk geleden lichaam in jouw haven aankomt. Want jij zult om mij huilen, en niet weifelen om mijn lichaam aan te raken, en jij zult zeggen: ‘Van de dood die hij ontmoette, was ik de oorzaak!’

18; 201-214
Je bent gekwetst, ongetwijfeld, door dit voorteken over mijn dood, en mijn brief roept wat dat betreft jouw ongenoegen op. Ik stop – geen geklaag meer. Maar, dat ook de zee haar woede laat varen, voeg ik, zo smeek ik, aan jou gebeden voor mij toe. Ik heb een korte periode van rust nodig voordat ik naar jou kan oversteken. Wanneer ik jouw kust zal hebben bereikt, laat dan de storm woeden! Daar met jou is een geschikte scheepswerf voor mijn kiel, en mijn schip is in geen enkel ander water veiliger. Laat Boreas mij daar insluiten, waar het heerlijk toeven is! Dan zal ik niet snel meer gaan zwemmen, dan zal ik mij inacht nemen, nooit meer beschimpingen roepen over het weerbarstige water, noch klagen dat de zee ruw is wanneer ik graag wil zwemmen. Laat me zowel worden weerhouden door de wind als door jouw lieve armen, zodat er een dubbele reden is om mij daar te houden!

18; 215-219
Als de storm het toestaat, zal ik gebruik maken van de slagkracht in mijn armen. Laat jij alleen het gidslicht altijd branden waar ik het kan zien! Ondertussen, zal mijn brief bij jou zijn gedurende de nacht. Ik bid om zelf zo spoedig mogelijk te kunnen volgen.

Vers 19 t/m 21

19. Van Hero aan Leander

19; 1-8
Dat ik naar waarheid kan genieten van de brief die je hebt gestuurd, Leander, O kom! Elk uitstel dat onze vreugde vertraagt duurt me te lang. Vergeef me als ik het zeg – ik kan uit liefde niet geduldig zijn! We branden beiden met hetzelfde vuur, maar ik ben niet zo sterk als jij. Mannen hebben, denk ik, sterkere karakters. Als het lichaam, zo is de ziel van liefhebbende vrouwen – maar even moet wachten, zal ik sterven!

19; 9-32
Jullie mannen, nu eens aan het jagen, dan weer de vruchtbare akkers van het land verzorgend, zijn lange uren bezig met de verschillende taken die jullie bezighouden. Ofwel de marktplaats houdt jullie bezig, of zijn aan het sporten in de soepele worstelarena, of jullie houden de nek van het sympathieke paard in toom. Dan weer vangen jullie de vogels met een strik, of de vis met de haak. En in de late uren zijn jullie een poosje met de wijn bezig. Voor mij aan wie deze zaken geweigerd worden, zelfs als ik minder hevig in vuur en vlam sta, blijft er niets anders te doen dan te beminnen. Wat er over blijft, doe ik. En jij, O enige vreugde van mij, ik hou met meer liefde van jou dan ik van jou ooit kan ontvangen! Ofwel fluister ik met mijn lieve min over jou, en verbazen wij ons over wat jou van je pad af kan houden. Of, uitkijkend over zee, berisp ik de golven die worden geteisterd door die hatelijke wind, in bewoordingen die bijna van jou konden zijn. Of, wanneer de ruwe zee haar felle gemoed even ter ruste heeft gelegd, klaag ik of je inderdaad zult komen. En terwijl ik klaag rollen er tranen uit de ogen die van je houden, en de oude vrouw die mijn geheim deelt droogt ze met bevende hand. Ik kijk vaak op het strand om te zien of jouw voetafdrukken er staan, om het zand op te dragen om die indrukken te bewaren. En, ik win informatie over je in, of schrijf aan je, steeds als er iemand uit Abydos komt, of als er iemand naar Abydos gaat. Waarom vertellen hoeveel malen ik de kleding kus die jij opzij lag wanneer jij je klaar maakte om het water van de Hellespont te betreden?

19; 33-38
Zo, wanneer het daglicht verdwijnt en het vriendelijke uur van de nacht de dag heeft verdreven en plaats maakt voor de glanzende sterren, plaats ik direct mijn waakzame lamp op het hoogste punt van onze ontmoetingsplek, het baken om je te leiden op je vertrouwde pad. Dan, de gedraaide draad trekkend met de wervelende spoel, bedriegen we met deze vrouwenbezigheid de trage uren van het wachten.

19; 39-54
Wat zeg ik, vraag jij je af, ondertussen al die tijd? Niets anders dan Leander komt er over mijn lippen. ‘Denk je dat mijn vreugde al van zijn huis vertrokken is, mijn min? Of is iedereen nog wakker, en vreest hij zijn verwanten? Denk je dat hij nu de mantel van zijn schouders laat vallen, en de vette olie over zijn lichaam uitsmeert?’ Ze knikt instemmend, zeer waarschijnlijk. Niet dat zij zich bezorgd maakt over mijn kussen, maar de slaap bekruipt haar en laat haar oude hoofd knikkebollen. Dan, na een korte pauze, ‘Nu is hij zeker aan zijn oversteek begonnen,’ zeg ik, ‘en splijt het water met de slagen van zijn soepele armen.’ En nadat ik een paar draden klaar heb en de spoel de grond raakt, vraag ik of je al halverwege de straat kan zijn. Dan kijk ik weer naar buiten, en bid timide dat een gunstige wind je een makkelijke oversteek gunt. Mijn oren vangen onduidelijke signalen op, en na ieder geluid ben ik ervan overtuigd dat je bent gekomen.

19; 55-76
Wanneer het grootste deel van de nacht is gepasseerd met zulke waanideeën, valt de de slaap over mijn vermoeide ogen. Misschien, valsaard, heb jij de nacht met mij voorbij laten gaan, misschien tegen je wens. Misschien kwam je, hoewel jijzelf niet wenste te komen. Want nu eens denk ik jou al dichtbij te zien zwemmen en dan weer voel ik je natte armen om mijn nek. Nu eens zie ik jou de gebruikelijke deken over je druipende lichaam werpen, en dan weer dat wij elkaar verwarmen in een innige omhelzing – en vele andere dingen waar een kuise mond beter over kan zwijgen, maar waar het geheugen van in verrukking raakt, en gaat blozen als ze erover vertelt. Wee mij! Korte momenten van genot, maar niet in het echt. Want jij bent gewend om te vertrekken als de sluimer verdwijnt. O laat onze gretige liefde nog hechter worden, en onze vreugde trouw en waarachtig! Waarom heb ik zovele koude en eenzame nachten voorbij laten gaan? Waarom, langzame treuzelaar, ben je zo vaak bij mij weg? De zee, geef ik toe, is nog niet geschikt voor de zwemmer. Maar gisteravond was de storm kalmer. Waarom liet je dit moment voorbij gaan? Waarom had je angst voor iets dat niet kwam? Waarom ging zo’n mooie nacht ongebruikt voorbij, en greep jij je kans niet? Hoop je dat je binnenkort nog zo’n kans krijgt. Deze kans was de betere, zeker, omdat het de eerste was.

19; 77-90
Snel, zul je zeggen, veranderde het oppervlak van de door storm beroerde zee. Maar jij kwam vaak in minder tijd, wanneer je haast had. Hier aangekomen, zou je, dunkt me, geen reden hebben om te klagen, en terwijl je mij in je armen had gehouden zou geen storm je kunnen deren. Ik zou met plezier naar het geluid van de gierende winden luisteren, en bidden dat het water nooit zou kalmeren. Maar wat is er gebeurd, dat je bang voor de golven bent geworden, en de zee vreest die je daarvoor minachtte? Want ik herinner je eraan dat je eens kwam toen de zee niet minder fel en bedreigend was – of niet veel minder. Toen ik naar je riep: ‘Wees altijd zuinig op dit geluk, opdat ik niet diep ongelukkig hoef te huilen om je moed!’ Vanwaar deze nieuwe angst, en waar is die dapperheid naar toe gevlucht? Waar is die machtige zwemmer die het water minachtte?

19; 91-98
Maar nee, wees liever zoals je bent dan zoals je gewend was om eerder te doen. Ga op weg als de zee rustig is, en wees veilig – zo ben je slechts dezelfde, zo kunnen we elkaar alleen liefhebben, zoals je schrijft, en kan die vlam van ons niet tot as afkoelen. Ik vrees niet zozeer de winden die mijn geloften hinderen als de wind die jouw liefde mogelijk laten zwerven – dat ik misschien de moeite totaal niet waard ben, dat jouw onheil zwaarder weegt dan de oorzaak daarvan, en dat ik mogelijk een te geringe vergoeding ben voor je gezwoeg.

19; 99-118
Soms ben ik bang dat mijn geboortestad mij zal kwetsen, en ik geen partij wordt genoemd, een Thracisch meisje, voor een echtgenoot uit Abydos. Toch kan ik al deze dingen met meer geduld verdragen dan dat jij in de netten van de een of andere vrouw verstrikt raakt, andere armen rond jouw nek ziend, en een nieuwe liefde het einde is van de liefde die wij hebben. Ah, ik sterf liever dan gekwetst te worden door een dergelijke misdaad, dat het lot mij moge halen voordat jij je hieraan schuldig maakt! Ik zeg dit niet omdat jij tekens hebt afgegeven dat een dergelijk verdriet mij zal overkomen, of omdat een recente roddel mij angstig heeft gemaakt, maar omdat ik alles vrees – want wie verliefd is is ooit vrij van zorgen? De angsten van de afwezige, worden ook verergerd door de afstand. Gelukkig zijn zij die door hun eigen bod de werkelijke prijs kennen, en verbieden om het verkeerde te vrezen. Het denkbeeldige onrecht vreet mij aan, terwijl ik het echte niet ken, en onzekerheid aan mijn hart knaagt. O, ik wil alleen maar dat je komt! Of dat ik wist dat de wind, of je vader – althans, geen vrouw, jou ophoudt! Als het een vrouw is, en ik zou het weten, zou ik sterven van verdriet, geloof me. Wees me één keer ontrouw, als je mijn dood wenst!

19; 119-150
Maar jij zult me niet ontrouw zijn, en mijn vrees voor degelijke problemen zijn ijdel. De reden dat je niet komt is de jaloerse storm die je tegenhoudt. Ah, ellendige ik! Met wat een grote golven worden de kusten geteisterd, en wat een donkere wolken verduisteren en verbergen de dag. Het lijkt wel of de liefhebbende moeder van Helle naar de zee is gekomen, en over de verdrinking van haar kind jammert met stromende tranen – of ergert de stiefmoeder , veranderd in een godin in het water, zich aan de zee die is vernoemd naar de gehate naam van haar stiefkind? Deze plek, zoals die nu is, zou vriendelijk moeten zijn voor gevoelige meisjes. Helle stierf in dit water, van hen stamt mijn eigen ellende. Toch, Poseidon, was je attent voor het vuur in je hart, liet jij je bij geen enkele verliefdheid hinderen door de winden – noch voor Amymone, noch voor Tyro die werd geprezen om haar schoonheid, worden deze verhalen u vergeefs aangerekend, noch de stralende Alcyone, en Calyce, kind van Hecataeon, noch Medusa toen er nog geen slangen in haar haren zaten, noch de blondharige Laodice en Celaeno die werd meegenomen naar de hemel, noch diegenen waarvan ik mij de namen herinner als ik die lees. Al diegenen, Poseidon, en nog veel meer anderen, zo vertellen de dichters in hun verhalen hebben in een liefdevolle omarming met u samengelegen. Waarom houdt u dan, die zovele keren de kracht van de liefde heeft ervaren, het pad gesloten dat we hebben leren kennen met wervelende stormen? Spaar ons, onstuimige, en leef uw veldslagen uit in de open zee! Dit water, dat twee landen scheidt, is slechts klein. Het past u, die machtig is, om of de machtige scheepsbodem door elkaar te schudden, of om woedend complete vloten aan te vallen. Het is een schande voor de god van de grote zee om een zwemmende jongeling zo’n schrik aan te jagen – die roem is geringer dan die van elke willekeurige waterplas zou komen. Hij is nobel, wees daar zeker van, en van beroemde afkomst, maar hij stamt niet van de Odysseus af die u niet vertrouwt. Heb medelijden met hem, en spaar ons beiden! Hij is het die zwemt, maar het lichaam van Leander en al mijn hoop hangt in precies dezelfde golf.

19; 151-164
Mijn lamp sputtert, kijk! – want ik schrijf er vlakbij – hij sputterde en heeft ons gunstige signalen afgegeven. Kijk, de min druppelt water in de gunstige vlam . ‘Morgen’, zegt ze, ‘zullen we met meer zijn,’ en drinkt zelf van de wijn. Ah, laat ons samen zijn, glijd over de overwonnen golven, O jij die ik in het diepst van mijn hart verwelkomd heb! Kom terug naar het kamp, deserteur van jouw bondgenoot in de liefde. Waarom moet mijn lichaam midden in het lege bed liggen? Je hebt niets te vrezen! Aphrodite zelf glimlacht over jouw onderneming. Kind van de zee, zij zal het pad over zee effenen. Vaak vroeg ik mezelf om door de golven te gaan, maar deze zeestraat is veiliger voor mannen. Maar waarom, hoewel Phrixus en Phrixus’ zus beiden deze weg gingen, gaf alleen het meisje haar naam aan dit brede water?

19; 165-180
Misschien vrees je dat je te weinig tijd hebt om terug te keren, of kun je de tweevoudige inspanning niet verdragen. Laat ons dan beiden van verschillende kanten samenkomen in het midden van de zee, en elkaar kussen op de golfkammen, en daarna weer naar onze eigen steden terugkeren. Het is weinig, maar meer dan niets! Ik wilde dat of de schande die ons dwingt om onze liefde geheim te houden zou ophouden, of anders de liefde die het geroddel van de mensen vreest. Nu staan twee zaken die niet samengaan, passie en respect voor mensen, ter discussie. Ik twijfel welke ik zal volgen. De een komt, de ander verrukt. Iason van Pagasae ging eens naar Colchis, en hij nam het meisje van de Phasis in zijn snelle schip mee en voerde haar weg. Eens kwam de minnaar van de Ida naar Lacedaemon, en keerde direct terug met zijn prijs. Maar jij, net zo vaak als jij je liefde bezoekt, net zo vaak verlaat jij haar, en waar het gevaarlijk is voor schepen, ga jij zwemmen.

19; 181-190
Maar, O mijn jonge minnaar, hoewel je overwinnaar bent van het woelige water, veracht je de zee terwijl je die nog steeds moet vrezen! Met vakmanschap vervaardigde schepen worden door de zee overwonnen. Denk jij dat je armen krachtiger zijn dan de riemen? Waar jij naar verlangt, Leander – om te zwemmen is de angst van de zeeman, het is datgene wat volgt als een schip keldert. Ah, ellendige ik! Ik wil jou niet overtuigen met datgene wat ik roep, laat jou sterk zijn, bid ik, en geef niet toe aan mijn vermaningen – alleen zo kun je naar mij toe komen, om die vermoeide armen die de golven zo vaak hebben gegeseld om mijn nek te slaan!

19; 191-215
Maar, zo vaak als ik mijn gezicht naar de donkerblauwe golven keerde, zo vaak werd mijn angstige hart beroerd door een steelse kilte. Ik ben ongerust door een droom die ik gisternacht heb gehad, hoewel ik mij daarvan heb verlost door een offer. Want, net voor zonsopgang, toen mijn lamp al was gedoofd, op het moment dat dromen niet meer waar zijn, en mijn handen ontspannen waren door de slaap, vielen de draden van hen af, en legde ik mijn hoofd op het kussen om te rusten. Toen leek ik in een visioen een dolfijn te zien die in het door de winden heen en weer geslingerde water zwom. En na de storm werd het op het dorstige zand geworpen, de golven, en tegelijkertijd het leven, verlieten het ongelukkige dier. Wat het ook betekent, ik ben bang. En jij – niet meer glimlachend in mijn dromen, niet meer vertrouwend op je armen behalve in een kalme zee! Als jij jezelf niet spaart, spaar dan het meisje dat je liefheeft, die nooit veilig zal zijn tenzij jij het ook bent! Niettemin hoop ik dat de golven zullen kalmeren en rust naderbij is. Splijt het pad met al je kracht wanneer dit kalm is! Laat ondertussen, omdat de golven de zwemmer niet toestaan om te komen, de brief die ik je stuurde de gehate uren van het uitstel verzachten.

20. Van Acontius aan Cydippe

20; 1-4
Leg uw roeiriemen neer! Hier zul je geen tweede eed afleggen aan je geliefde; dat je ooit een belofte aan me hebt gedaan is genoeg. Lees verder tot het eind, zodat de loomheid jouw lichaam zal verlaten; dat dit zeer doet in elk lichaamsdeel is ook voor mij pijnlijk.

20; 5-20
Waarom bloos je voordat je dit leest? Want ik vermoed, net als in de tempel van Artemis, dat je kuise wangen rood geworden zijn. Het is een huwelijk met jou waarom ik vraag, en de trouw die je me hebt beloofd, geen misdrijf; als jouw voorbestemde echtgenoot, niet als een bedrieger, van wie ik houd. Je herinnert je miscchien de tekst op de vrucht die ik uit de boom plukte en naar je toewierp en jij opraapte met je kuise handen; je zult ontdekken dat je mij beloofd hebt dat jij, meisje, in plaats van de godin, je zult het herinneren, ik ben nog even angstig als altijd, maar mijn angst is groter geworden dan hij was; want het vuur van mijn liefde is gegroeid door het uitstel, in kracht gegroeid, en de hartstocht heeft doen groeien die nooit gering was, lange tijd gevoed door de hoop die je me gegeven hebt. Hoop die je mij hebt gegeven; mijn vurige hart stelt vertrouwen in jou. Je kunt niet ontkennen dat dit zo was - de godin is mijn getuige. Ze was daar en, aanwezig als ze was, markeerde jouw woorden, en leek, door het schudden van haar lokken, ze te hebben aanvaard.

20; 21-32
Ik geef je toestemming om te zeggen dat je bedrogen bent, door een list van mij, wanneer alleen díe list als de oorzaak van mijn liefde wordt gezien. Was het doel van mijn bedrog maar één enkel doel - om met jou verenigd te worden? Het voorwerp waarover je klaagt heeft het vermogen om jou met mij te verenigen. Noch van aard of gewoonte ben ik zo sluw; geloof me, meisje, jij bent het die me zo bekwaam maakt. Het was de vindingrijke Liefde die je aan me bond, met woorden - als ik, inderdaad, iets heb bereikt - die ik zelf opschreef. Met woorden die door hem werden gedicteerd vormde ik onze verlovingsband; Liefde was de raadsman die me deze schelmenstreek leerde. Laat listigheid de naam zijn die je mijn daad geeft, en noem me sluw - als alleen de wens om te bezitten wat men liefheeft een vaardgiheid is.

20; 33-46
Kijk, een tweede keer, naar de smekbede die ik heb opgeschreven. Dit is een tweede list, en je hebt goede redenen om te klagen. Als ik je onrecht aandoe door je lief te hebben, ik beken dat ik jou dit onrecht eeuwig zal aandoen, en ernaar streef om jou voor mij te winnen; hoewel je mijn aandacht schuwt, zal ik mij daar toch altijd voor inspannen. Anderen hebben met geweld de meisjes geschaakt die ze liefhadden; zal deze brief, discreet geschreven, dan een misdaad worden genoemd? Mogen de goden me het vermogen geven om nog meer banden om je heen te smeden, zodat je belofte je nergens vrijlaat! Er blijven duizend listen over - ik huiver alleen bij de voet van een steile helling; mijn vurig enthousiasme zal niet onopgemerkt blijven. Het is twijfelachtig of je kan worden meegenomen; maar het moet op zijn minst beproefd worden. Het is een zaak voor de goden, maar je zult niettemin worden meeenomen. Je kunt er enkele ontwijken, maar je kan niet ontsnappen aan alle netten die Liefde, in grotere aantallen dan je kunt voorstellen, voor jou gespannen heeft.

20; 47-64
Als de rede niet zegeviert, zal ik mijn toevlucht nemen tot de wapens, en zul je gegrepen en weggedragen worden naar de omhelzing die naar jou verlangt. Ik ben niet diegene die Paris strafte voor wat hij had gedaan, noch iemand die, om een echtgenoot te worden, een man is geworden. Ik, ook - maar zeg niets! Sta toe dat de dood een geschikte straf is voor jouw schaking, het zal minder zijn dan u niet bezeten te hebben. Als je minder mooi was geweest, zou je met bescheidener middelen worden nagestreefd; het komt door je charme dat ik gedreven wordt om moedig te zijn. Dit is jouw werk - jouw werk, en dat van je ogen, helderder dan vurige sterren, en de oorzaak van mijn brandende liefde; dit is het werk van je gouden lokken en die ivoren keel, en smeek ik jouw handen om rond mijn nek te worden geslagen, en je knappe gelaatstrekken, bescheiden maar niet rustiek, en voeten die volgen mij niet verschillen met die van Thetis. Als ik de rest van je charmes zou kunnen prijzen, zou ik nog gelukkiger zijn; toch twijfel ik niet dat de rest in detail net zo mooi is. Gedwongen door zo'n schoonheid als deze, is er geen reden om me te verbazen dat ik de nakoming van jouw belofte wens.

20; 65-84
Goed, alleen jij wordt dus gedwongen om te bekennen dat je gevangen bent, wees, als je wilt, een meisje dat gevangen is door mijn verraad. Het verwijt zal ik verduren - laat hem die verdraagt ​​alleen zijn rechtvaardige beloning ontvangen. Waarom zou een zo hoge rekening de verschuldigde winst moeten missen? Telamon won Hesione, Briseis werd genomen door Achilles; elk volgde als onderpand de overwinnaar als haar heer. Je mag kwaad en boos zijn zoveel als je wil, als je me maar laat genieten terwijl je boos bent. Ik die het veroorzaakte, zal ook de woede wegnemen die ik heb opgeroepen, maar geef me een kleine kans om je te kalmeren. Laat me vertrekken om huilend voor jouw aangezicht te staan, en mijn tranen laten lopen om hun eigen taal toe te voegen; en laat me, als een slaaf uit angst voor bittere striemen, mijn onderdanige handen uitstrekken om je voeten aan te raken! U kent uw eigen gelijk niet; roep me! Waarom word ik tijdens mijn afwezigheid beschuldigd? Gelast me te komen, onmiddellijk, zoals een minnares doet. Met je eigen heerszuchtige hand mag je aan mijn haar trekken en mijn gezicht in vuur en vlam zetten met je vingers. Ik zal alles verdragen; mijn enige angst zal misschien zijn dat jouw hand zich kneust aan mij.

20; 85-92
Maar bind mij niet met boeien of met ketenen - ik zal onverbrekelijk gebonden zijn door mijn onvoorwaardelijke liefde voor jou. Wanneer de woede zijn volle loop heeft gehad, en tot rust is gekomen, zul je tegen jezelf zeggen: "Hoe duurzaam is zijn liefde!" Je zult tegen jezelf zeggen, als je me gezien hebt: "Hij die zo'n goede slaaf is, laat hem een slaaf voor mij zijn!" Nu ben ik, ongelukkige, beschuldigd tijdens mijn afwezigheid, en mijn zaak, hoewel uitstekend, is verloren omdat er niemand verschijnt.

20; 93-106
En verder - hoewel die tekst aan jou misschien een fout van mij was, is het niet alleen ik, moet je weten, waarover je reden tot klagen hebt. Zij van Delos verdiende geen verraad aan mij; als je niet in mij gelooft, geloof dan in de godin. Ze was aanwezig en zag dat je bloosde toen je werd verstrikt, en borg je eed op in haar geheugen. Moge jouw voortekenen ongegrond zijn! Niets is gewelddadiger dan zij wanneer zij ziet - wat ik hoop dat niet zal gebeuren! - dat haar goddelijkheid onrecht wordt aangedaan. Het everzwijn van Calydon zal mijn getuige zijn - fel, maar toch zodanig dat een moeder feller bleek te zijn dan hij tegen haar eigen zoon. Ook Actaeon, zal getuigen ooit eens gedacht te hebben aan een wild beest dat hij zelf aan wilde beesten gegeven had om te doden; en de arrogante moeder, haar lichaam veranderde in steen, huilt nog steed op Mygdonische bodem.

20; 107-128
Wee mij! Cydippe, ik ben bang om je de waarheid te vertellen, omdat ik je schijnbaar vals waarschuw, omwille van mijn smeekbede; maar vertel het toch. Dit is de reden, geloof me, waarom je dikwijls ziek bent aan de vooravond van het huwelijk. Het is de godin zelf, ziend op je eigen bestwil, die ernaar streeft je te behoeden voor een valse eed; zij wil je intact houden door je geloof in stand te houden. Dit is de reden waarom, elke keer als je probeert je eed te breken, zij je zonden corrigeert. Stop om de wrede boog van de levenslustige maagd uit te nodigen; ze kan nog steeds gerustgesteld worden, als je dat maar toestaat. Stop, smeek ik je, om je tedere ledematen aan koorts te verspillen; behoud die charmes van jou voor mij om ervan te genieten. Bewaar die kenmerken welke werden geboren om mijn liefde te doen ontvlammen, behoud de functies die werden geboren om mijn liefde te ontsteken, en de zachte blos die opkomt om je besneeuwde wang te laten stralen. Laat het mijn vijanden, en iedereen die je uit mijn armen zou willen houden, net zo vergaan als ik als je ziek bent! Ik wordt gelijksoortig gekweld als je trouwt of wanneer je ziek bent, maar kan niet zeggen wat ik liever zou wensen; af en toe lijd ik verschrikkelijk bij de gedachte dat ik de oorzaak ben van jouw pijn, en mijn listen de oorzaak zijn van je wonden. Laat de valse eed van mijn geliefde op mijn hoofd neerkomen, bid ik; laat de straf op mij neerkomen, opdat zij zo veilig is!

20; 129-142
Niettemin, opdat ik niet onkundig zal zijn over hoe het met je gaat, hier en daar, loop ik vaak angstig en in het geheim langs je deur; ik volg heimelijk de dienares en de dienaar, hen vragend wat voor verandering de slaap je heeft gebracht, of wat je eten is. Wee mij, ellendige, dat ik misschien niet degene ben die de opdracht van de artsen uitvoert, en je handen niet mag aaien of naast je bed mag zitten! En opnieuw wordt ik verdrietig, want wanneer ik ver van je verwijderd ben, is die andere persoon, die ik het minst wens, bij jou! Hij is degene die jouw lieve handen aait en naast je zit terwijl je ziek bent, gehaat door mij en door de goden hierboven - en terwijl hij met zijn duim je kloppende slagader voelt, maakt hij vaak dit excuus om je mooie, witte arm vast te houden, en raakt je boezem aan, en, het kan gebeuren, kust hij je. Een dergelijke beloning is veel te groot voor de verleende dienst!

20; 143-170
Wie gaf je toestemming om mijn oogst voor mij te oogsten? Wie heeft de weg voor jou vrijgemaakt om op de wens van iemand anders in te gaan? Die boezem is van mij! Van mij zijn de kussen die je neemt! Weg met je handen van het lichaam dat me is toegezegd! Schurk, weg met je handen! Zij die jij aanraakt, moet van mij zijn; voortaan, als je dat doet, zul je overspelig zijn. Kies uit degenen die vrij zijn en van die door niemand anders worden geclaimd; en als je het niet begrijpt, die goden hebben een eigen heerser. Je hoeft mij niet te geloven - laat de formule van onze overeenkomst voorgelezen worden, en, opdat je niet kunt zeggen dat het gelogen is, laat het haar zelf lezen. Weg met jou uit andermans kamer, weg met jou, zeg ik! Wat doe je daar? Dat bed is niet vrij! Omdat jij ook de tekst hebt van een tweede overeenkomst, aan mij behorend, zal jouw zaak in dat opzicht niet gelijk zijn aan de mijne. Ze beloofde zichzelf aan mij, haar vader haar aan jou; hij is de eerste na haar, maar ze staat zeker dichter bij zichzelf dan bij haar vader. Haar vader beloofde haar, terwijl zij ook de eed aflegde - aan haar geliefde; hij riep mensen op om te getuigen, zij een godin. Hij vreest om een leugenaar genoemd te worden, en zij een meinedige; twijfel je welke - de ene of de andere - de grootste angst is? Kortom, je kunt zelfs bedenken om deze hindernissen te vergelijken, de kwestie in ogenschouw nemend - want zij ligt ziek op bed, en hij is sterk. Ook jij en ik voeren een wedstrijd met verschillende meningen; onze verwachtingen zijn niet gelijk, noch zijn onze angsten hetzelfde. Jouw aanklacht is zonder risico; voor mij is afwijzing erger dan de dood, en ik hou al van haar die jij, misschien, ooit eens zult liefhebben. Als je voor gerechtigheid had gezorgd, of zorgde voor wat goed was, had je aan mijn passie de voorjeur gegeven.

20; 171-196
Welnu, aangezien zijn stenen hart blijft voorvaren op zijn onrechtvaardige koers, Cydippe, tot welke conclusie komt mijn brief? Is het degene die de oorzaak is van je ziekbed en onder verdenking van Artemis staat; hij is degene die je de deur moet wijzen, als je wijs bent. Door zijn toedoen wordt je geconfronteerd met zulke verschrikkelijke valkuilen van het leven - en laat hij die ze veroorzaakt heeft ze in jouw plaats ondergaan! Verwerp je angsten, meisje! Je zult een blijvende gezondheid genieten, als je het altaar eert dat getuige was van je belofte; de goden van de hemel worden niet alleen door geslachte ossen verblijd, maar ook de goede trouw, die zelfs zonder getuigen moet worden bewaard. Om hun gezondheid te winnen, onderwerpen sommige meisjes zich aan staal en vuur; voor anderen brengen bittere sappen hun sombere hulp. Deze zijn niet nodig; vermijd alleen valse eden, behoud de belofte die je hebt gedaan - en dus jezelf en mij! Een excuus voor een fout uit het verleden zal uw onwetendheid invullen - je was de overeenkomst die je leest vergeten. Je bent nu gewaarschuwd, niet alleen door mijn woorden, maar ook door de aanvallen op je gezondheid toen je zo vaak je belofte probeerde te ontwijken. Zelfs als je ontsnapt aan deze ziekten, zul je dan tijdens de bevalling smeken om haar troostbrengende handen? Ze zal deze woorden horen - en dan, zich herinnerend wat ze heeft gehoord, aan je vragen van welke echtgenoot die pijn komt. Je zult een votief geschenk beloven - ze weet dat je beloften onjuist zijn; je zult een eed afleggen - ze weet dat je de goden kunt misleiden!

20; 197-218
Het is geen kwestie van mezelf; de zorg waarmee ik worstel is groter. Het is zorg voor je leven die mijn hart vervult. Waarom, maar nu je leven op het spel staat, weenden je bange ouders van angst, wie liet je onwetend over je misdaad? En waarom zouden ze onwetend zijn? - je zou het allemaal aan de moeder kunnen vertellen. Wat je hebt gedaan, Cydippe, hoef je je niet voor te schamen. Ik zal je vertellen hoe je mij leerde kennen, terwijl je zelf offers bracht aan de godin met de pijlenkoker; toen ze je zag; zoals je mischien hebt opgemerkt; stond ik stijf overeind met mijn ogen gericht op je charmes; en hoe, terwijl ik begerig naar je staarde - zeker het teken van een verliefde dwaas - mijn mantel van mijn schouder gleed en viel; hoe, even later, op een bepaalde manier de rollende appel verscheen, met de verraderlijke woorden van een slimme geest; en hoe, omdat ze in aanwezigheid van de heilige Artemis werden opgelezen, je gebonden was aan je belofte met een godin als getuige. Uit angst dat je wellicht het belang van de tekst niet begreep, herhaal nu opnieuw tegen haar de woorden die je ooit hebt gelezen. "Trouw, bid ik" zal ze zeggen, "met hem die de goden met jou willen vereningen; degene die je trouw hebt gezworen, laat hem mijn schoonzoon worden. Wie hij ook is, laat hem onze keuze zijn, aangezien hij de eerste keuze van Artemis was!" Zo zal het woord van je moeder luiden, als ze tenminste een moeder is.

20; 219-228
En toch, let op dat ze uitzoekt wie ik ben, en op welke manier. Dan zal ze zal ontdekken dat de godin jou had en je hart. Een eiland dat ooit door de Corycische nimfen werd overspoeld, wordt omsloten door de Egeïsche zee; de naam is Cea. Dat is het land van mijn voorvaderen; bovendien, als je met goedgunstigheid opziet naar voorname namen, moet ik beschuldigd worden van grootvaders zonder reputatie. We hebben rijkdom en we hebben een onberispelijke naam; en, hoewel er niets anders was, ben ik door Liefde aan jou gebonden. Je zou naar zo'n man moeten streven ook al had je niet gezworen; nu je gezworen hebt, ook al was hij niet zo, moet je hem accepteren.

20; 229-240
Deze woorden Phoebe, zij van de pijlen, beval me in mijn dromen om je te schrijven; In de uren dat ik wakker was beval Liefde me te schrijven. De pijlen van die een hebben me al verwond; dat de pijlen van de andere jou niet zullen verwonden, pas op! Je veiligheid is verbonden met die van mij - heb medeleven met mij en met jezelf; waarom aarzelen om ons beiden tegelijk te helpen? Als je dit zult doen, op de dag dat luidklinkende tekens worden gegeven en Delos zal worden bevlekt met votief bloed, zal een gouden evenbeeld van de gezegende appel worden aangeboden, en de oorzaak van zijn offer zal worden uiteengezet in twee liederen: Bij deze afbeelding op de appel verklaart Acontius, dat wat ooit eens erop werd nu in vervulling is gegaan.

20; 241-242
Dat een te lange brief je verzwakte lichaam niet mag vermoeien, en dat hij met het gebruikelijke einde kan sluiten: Het ga je goed!

21. Van Cydippe aan Acontius

21; 1-12
Uiterst bevreesd, lees ik wat je schreef zonder een woord te zeggen, opdat ik niet onbewust zou zweren bij de een of andere god. En ik geloof dat je geprobeert hebt me voor de tweede keer te strikken, wist je niet, zoals je zelf toegeeft, dat één belofte van mij genoeg was. Ik had het niet moeten lezen; maar als ik hard tegen je was geweest, zou de woede van de wrede godin misschien zijn toegenomen. Hoewel ik alles doe, hoewel ik plichtsgetrouw wierook aan Artemis offer, begunstigt ze jou desondanks meer dan ze aan je verplicht is, en, als je mij wilt geloven, wreekt ze jou met een woede, zoals ze die nauwelijks richting haar eigen Hippolytus deed gelden. Toch de jonge godin had gedaan. Toch had de godin er beter aan gedaan de jaren van een meisje als ik te begunstigen - maar ik vrees dat ze mij nog weing jaren gunt.

21; 13-30
Want de smachtende woorden blijven mij bij, door oorzaken die ik niet begrijp; versleten, ik vind geen hulp bij een arts. Hoe dun en uitgemergeld ben ik nu, nauwelijks in staat om dit antwoord te schrijven, en het lichaam zo verbleekt dat ik nog nauwelijks mijn arm kan optillen? En nu voel ik een extra angst, uit vrees dat iemand anders dan mijn verzorgster die mijn geheim deelt, kan zien dat we brieven uitwisselen. Ze zit voor de deur, en als ze vragen hoe het met mij gaat in mijn kamer, antwoordt ze: 'Ze slaapt', zodat ik veilig kan schrijven. Momenteel, wanneer de slaap, het uitstekende excuus excuus voor mijn lange afzondering, niet langer wordt geloofd omdat ik zo treuzel, en zij diegenen ziet komen die niet eenvoudig tegen te houden zijn, schraapt ze haar keel en geeft me zo het overeengekomen teken. Precies zoals ze zijn, laat ik mijn woorden snel achter, en verberg de brief die ik begonnen ben tegen mijn trillende boezem. Vandaar, als ik mijn vingers een tweede keer vermoei; is de last zwaar voor mij, zoals je zelf kunt zien. Moge ik omkomen als je, om de waarheid te spreken, het waard was; maar ik ben vriendelijker dan rechtvaardig of jouw verdienste.

21; 31-54
Dus het wordt door jou veroorzaakt, dat ik zo vaak onzeker ben over mijn gezondheid, en is het door jouw leugens dat ik zo vaak gestraft ben? Is dit de beloning voor mijn schoonheid, waar je zo trots op bent? Moet ik lijden omdat ik tevreden ben? Als ik je iets heb misdaan - en ik wilde dat ik dat had gedaan! - zou je slecht over mijn lichaam hebben gedacht, en zou het nu geen hulp nodig hebben; maar ik kreeg lof, nu kreun ik, en zijn jullie twee nu met jullie strijd mijn wanhoop, en mijn eigen schoonheid verwond me. Terwijl jij niet aan hem toegeeft, noch hem als tweede na jou beschouwt, belet je zijn gebeden, en belet hij de jouwe. Ikzelf wordt heen en weer geslingerd als een schip dat door Boreas de zee wordt opgedreven, en door het getij en de golven wordt teruggebacht, en wanneer de dag nadert waar mijn dierbare ouders naar verlangen, barst er tegelijkertijd een mateloos vuur los in mijn lichaam - wee mij, op het moment van mijn huwelijk klopt de wrede Persephone voor die dag op mijn deur! Ik ben al beschaamd, en in angst, hoewel ik geen innerlijke schuld voel, hoewel ik het ongenoegen van de goden niet verdiend meen te hebben. Men beweert dat mijn ellende het werk is van het toeval; een ander zegt dat mijn voorbestemde echtgenoot geen genade vindt bij de goden; en opdat je niet denkt dat je onaantastbaar bent voor wat mensen zeggen, er zijn er ook die jou de oorzaak vinden, door giftige kunsten. Hun bron is verborgen, maar mijn kwalen zijn duidelijk te zien; jullie twee wakkeren felle strijd aan en bannen vrede uit, maar zijn de slagen voor mij!

21; 55-64
Vertel me eens, en misleidt me niet op je gebruikelijke manier: wat zal je doen uit haat, wanneer je me zo van de liefde berooft? Als je iemand verwondt die je liefhebt, een reden om je vijand lief te hebben - om me te redden, bid ik je, vervul dan mijn noodlot! Of je geeft niet langer om het gehoopte meisje, die je met een onbewogen hart laat wegrotten in een onwaardige dood, of je smeekt vergeefs voor mij bij de wrede godin, waarom schep je zo over jezelf tegen mij op? - Je staat niet in haar gunst! Kies welk geval je wilt; je kunt Artemis niet kalmeren - je bent me vergeten; je hebt geen macht over haar - zij is jou vergeten!

21; 65-76
Ik wilde dat ik nooit - of niet op dat moment - Delos in de Egeïsche wateren had gekend! Dat was de tijd dat mijn schip op een moeilijke zee vertrok, en ik aan boord ging voor een reis onder een slecht gesternte. Hoe kwam ik tevoorschijn, Hoe begon ik vanaf mijn voordeur. Het geverfde dek van het snelle schip - hoe betrad ik het! Tweemaal, niettemin, ving mijn zeil een ongunstige wind - ach, ik ben een dwaas, ik lieg! - het was een gunstige wind. Het was een gunstige wind die mij tergubgracht naar mijn startpunt, en me hinderde op het pad dat weinig geluk in petto voor me had. Ach, de voortdurend weerstand tegen mijn zeilen - maar het is dwaas om te klagen over wispelturige winden.

21; 77-84
Geroerd door de roem van de plaats, was ik enthousiast om Delos snel te bezoeken, en leek het vaartuig waarop ik voer aangemoedigd te moeten worden. Hoe vaak heb ik de riemen beripst omdat ze traag waren, en klaagde ik dat er te weinig zeil werd gevoerd! En toen was ik Myconos gepasseerd, en Tenos en Andros, en Delos glansde voor mijn ogen. Toen ik het van verre zag, "waarom vlieg je van me weg, o eiland?" Riep ik; "Drijf je weer los in de grote zee, zoals vroeger?"

21; 85-102
Ik had voet aan land gezet; het licht was bijna verdwenen, en Zon maakte zich gereed om het juk van zijn stralende paarden te nemen. Toen hij ze op dezelfde manier ook nog eens naar hun gebruikelijke baan had geroepen, werd mijn haar gedaan op aanwijzingen van mijn moeder. Met haar eigen hand deed ze edelstenen om mijn vingers en goud door mijn lokken, en met haar eigen hand drapeerde ze de gewaden om mijn schouders. We vertrokken meteen, we begroetten de goden van het eiland, offerden gouden wierook en wijn, en terwijl mijn moeder de altaren met offerbloed kleurde, en de plechtige ingewanden stapelde op de rokende altaarvlammen, dirigeerde mijn drukke verzorgster mij naar andere tempels, en betraden we met dwalende passen de heilige wijken. Nu eens liep ik tussen de zuilengalerijen, dan weer keek ik met verwondering naar de geschenken van koningen, en de alomaanwezige beelden. Ik keek ook met verwondering, naar het altaar dat met talloze hoorns was gebouwd, en de boom die de godin heeft vastgehouden, al die andere dingen die Delos bezit - want het geheugen is niet in straat, noch staat de stemming het toe, om te vertellen over alle dingen die ik daar heb gezien.

21; 102-128
Misschien werd ik, zo starend, door jou bespied, Acontius, en leek mijn eenvoudige aard een gemakkelijke prooi. Ik keer terug naar Artemis' tempel, met zijn verheven treden - bestaat er een veiliger plek dan deze? - toen er voor mijn voeten een appel wordt gegooid met de volgende tekst - wee mij, nu legde ik bijna bijna weer de eed aan je af! Mijn verzorgster raapte hem op, keek verbaasd, en zei "Lees het voor". Ik las jouw verraderlijke regels, o machtige dichter! Door het noemen van het huwelijk was ik verward en beschaamd, en voelde dat een blos mijn gezicht bedekte, en keek ik met mijn ogen naar mijn boezem alsof ze daaraan waren vastgemaakt - ogen die tot dienaren van jou bedoelingen werden gemaakt. Ellendeling, waarom verheug jij je, welke eer heb je behaald, welke lof heb je gewonnen, een man, door een meisje te bespelen? Ik heb me niet aan je voorgesteld met een schild in de hand, zoals Penthesilea op de bodem van Ilion; geen zwaardgordel, achtervolgd met Amazonevoudig goud, werd je door mij als buit aangeboden, zoals door een of andere Hippolyte. Waarom jubelen als je woorden me bedrogen, en ik, een meisje van weinig wijsheid, werd meegenomen door je listen? Cydippe werd door de appel verstrikt, een appel verstrikte Schoeneus' kind; jouw waarheid zal een tweede Hippomenes zijn! Toch was het beter voor je geweest - als die jongen je echt gevangen hield waarvan je zegt dat hij bepaalde fakkels heeft - om te doen wat goeden mannen gewoon zijn, en je hoop niet bedriegen door vals te handelen; je had me moeten winnen door te overtuigen, niet door me wel of niet mee te nemen!

21; 129-150
Waarom, toen je mijn hand zocht, dacht je niet aan die dingen die het waard maken die het je waard maakten om mij aan te zoeken? Waarom wilde je me dwingen in plaats van te overtuigen, als ik gewonnen kon worden door naar je verhaal te luisteren? Wat zijn de formele woorden van een eed waard, en de mond die de aanwezige godheid tot getuigenisaanroept ? Het is het meisje die zweert, en daarmee heb ik geen eed afgelegd; alleen dat kan goede trouw aan woorden lenen. Het is advies en voorzichtige redenering van de ziel die zweert, en, behalve de banden van het oordeel, heeft niemand er baat bij. Als ik bereid was om mijn hand aan u te verpanden, eis dan de verschuldigde rechten op van het beloofde huwelijksbed; maar die heb ik je niet gegeven met mijn stem, of mijn hart, je bezit enkele ijdele woorden zonder een kracht van zichzelf. Ik heb geen eed afgelegd - ik las woorden die een eed vormden; dat was geen manier om mij tot je echtgenoot te kiezen. Misleid dus andere dienstmeisjes - laat een brief op de appel volgen! Als dit plan geldt, win dan hun rijkdom van de rijken; laat koningen de eed afleggen om hun tronen aan jou te geven, en laat alles wat jou behaagt in de hele wereld van jou zijn! Je bent hierin veel beter, geloof me, dan Artemis zelf, als jouw geschreven tekst zo'n hedendaagse godheid eraan heeft.

21; 151-168
Niettemin, nadat ik dit gezegd heb, na mijzelf stevig te hebben toegesproken, nadat ik de reden van mijn belofte aan jou heb gepredikt, beken ik dat ik de woede van Leto's wrede dochter vrees en vermoed dat door haar mijn lichaam ziek is. Want waarom, zodra de sacramenten voor het huwelijk worden klaargemaakt, vallen de ledematen van de aanstaande bruid zo dikwijls in loomheid neer? Driemaal is Hymenaeus nu naar de altaren gekomen die voor mij werden klaargemaakt en gevlucht, zijn rug kerend naar de deur van mijn trouwzaal; de lichten die zo vaak zijn aangevuld door zijn luie hand vlammen slechts spaarzaam weer op, en houdt hij de fakkel nauwelijks brandend door hem te zwaaien. Vaak druipt de parfum van zijn met een krans omgordde lokken, en de mantel die hij voortsleept ziet er prachtig uit met veel saffraan. Wanneer hij de voordeur heeft aangeraakt, en tranen van angst voor de dood ziet, en alles dat ver verwijderd is van de wegen die hij begaat, scheurt hij met eigen hand de bloemen van zijn voorhoofd en werpt ze weg, en droogt de balsem op in zijn glinsterende lokken; hij schaamt zich om voort te gaan in een sombere menigte, en de blos in zijn mantel was overslaat naar zijn wangen.

21; 169-182
Maar voor mij - ach, ellendige! - mijn lichaam is uitgedroogd door koorts, en de zaken die me bedekken zijn zwaarder dan normaal; Ik zie mijn ouders om me huilen, en in plaats van de bruidstoorts is de fakkel van de dood nabij. Spaar een meisje in nood, o godin wiens vreugde de geschilderde pijlenkoker is, en schenk mij de gezondheidsbevorderende hulp van uw broer! Het is je een schande voor u dat hij de oorzaken van het onheil verdrijft, en dat u, in tegenstelling tot dat, meer aandacht hebt voor mijn dood. Kan het zijn dat ik, wanneer je in een schaduwrijk bad wild baden, met mijn ogen onbewust naar uw bad gekeken hebben? Ben ik langs uw altaren gekomen, onder zovele anderen van de andere goden in de hemel? Is uw moeder geminacht door de mijne? Ik heb in niets gezondigd, behalve dat ik een valse eed heb gelezen, en niet slim ben geweest over een onredelijke tekst.

21; 183-188
Als jouw liefde geen leugen is, biedt jij dan, ook, voor mij wierook aan; laat de handen die me kwaad hebben gedaan helpen! Waarom is de hand boos omdat het meisje dat aan jou een eed heeft afgelegd niet de jouwe is, en handel je er niet naar dat ze de jouwe niet kan worden? Terwijl ik nog leef heb jij alles om voor te hopen; waarom neemt de wrede godin mij mijn leven af, jouw hoop van mij voor jou?

21; 189-206
Geloof niet dat hij wiens voorbestemde vrouw ik ben, zijn hand op mij legt om mijn zieke ledematen te strelen. Hij zit bij me, inderdaad, zoveel als hij kan, maar vergeet niet dat het mijne een maagdelijk bed is. Hij lijkt, ook, op de een of andere manier al achterdocht te voelen; want zijn tranen vallen dikwijls om de een ​​of andere verborgen reden, zijn vleierijen zijn minder stoutmoedig, hij vraagt ​​om weinig kusjes, en noemt mij de zijne op een timide toon. Toch vraag ik mij af of hij iets vermoedt, want ik verraad mijzelf door openlijke tekens; Ik draai me op mijn rechter zijde als hij komt, spreek niet, en sluit mijn ogen in een gesimuleerde slaap, en als hij me probeert aan te raken duw ik zijn hand weg. Het kreunt en zucht in zijn stille borst, want hij lijdt door mijn ongenoegen zonder het te verdienen. Wee mij, dat je je verheugt en tevreden bent over die toestand van mijn geest! Wee mij, dat ik mijn gevoelens aan jou heb opgebiecht? Als mijn mond mijn gedachten zou noemen, nadat je rechtvaardiger mijn woede hebt verdiend - jij, omdat je het net voor mij hebt gespreid.

21; 207-226
Je schrijft te willen vertreken om me te komen bezoeken tijdens mijn ziekte. Je bent ver van mij, en toch doe je me zelfs van daar kwaad. Ik was verbaasd waarom je naam Acontius was; het is omdat je een scherpe punt hebt die een wond van verre behandelt. In ieder geval, ben ik nog niet hersteld van die wond, want ik werd doorboord door je brief, een op grote afstand geworpen pijl. Maar waarom zou je naar mij toekomen? Je zult zeker alleen maar een ellendig lichaam zien - de machtige trofee van je vaardigheden. Ik ben verwoest en gevallen; mijn kleur is bloedeloos, als ik me het goed herinner de tint van die appel van je, en mijn gezicht is wit, zonder opkomende glans van roze. Het lijkt meer op de schoonheid van vers gedolven marmer; of de kleur van het zilver aan een feesttafel, bleek met de kille aanraking van ijskoud water. Als je me nu ziet, zul je verklaren dat je mij nog nooit hebt gezien en zeggen: "Geen van mijn kunsten heeft geprobeerd zo'n meisje te winnen." Je zult me ​​weerhouden om mijn belofte na te komen, uit vrees dat ik de jouwe wordt, en zult verlangen dat een godin alles vergeet. Misschien wil je me zelfs een tweede keer laten zweren, maar in tegengestelde zin, en me een tekst sturen om een tweede keer te lezen.

21; 227-247
Maar niettemin wensen ik dat je naar mij kijkt, zoals je zelf hebt gevraagd - om naar de loomste ledematen van je beloofde bruid te kijken! Hoewel je hart harder was dan staal, Acontius, zou je zelf vergiffenis vragen voor mijn geuite woorden. Maar toch, dat je niet onwetend bent, de god die het lot zingt bij Delphi, wordt gevraagd op welke manier ik weer sterk kan worden. Ook hij klaagt, zoals een vaag gerucht nu fluistert, over de verwaarlozing van een belofte waar hij getuige van was. Dit is wat de god zegt, dit is zijn profeet, en dit zijn de verzen die ik lees - zeker, de wens van uw hart mist geen steun in profetische verzen! Vanwaar deze gunst voor jou? - tenzij je misschien een nieuwe brief hebt gevonden, waarvan de lezing zelfs de machtige goden in de weg zit. En omdat u de goden gebonden houdt, volg ik zelf hun wil en geef graag mijn overwonnen handen ter vervulling aan uw gebeden; met ogen vol schaamte op de grond gericht, heb ik mijn moeder de belofte bekendgemaakt die mijn in de val gelopen mond verplicht was om te geven. De rest moet jouw zorg zijn; zelfs dit, mijn brief die niet bang is om met je te praten, is meer dan een meisje zou moeten doen. Ik heb mijn verzwakte ledematen al genoeg vermeoied met de pen, en mijn zieke hand weigert nog langer zijn taak. Wat blijft er over voor mijn brief, als ik zeg dat ik er naar je verlang en spoedig met je verenigd wens te zijn? niets anders dan toe te voegen: Goede reis.

© 2017 Maarten Hendriksz