Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Ovidius - Metamorphosen

Bron: Koxkollum.nl

In de oorspronkelijke versmaat vertaald door Mr. H.J. Scheuer. Oud-directeur van Justitie in Nederlandsch-Indië. Naaml. Vennootschap Uitgevers-maatschappij en Boekhandel v/h P.M. Wink Zalt-Bommel. 1923

Boek 1

Inleiding

´t Hart te verhalen mij dringt van gedaanten, verwisseld tot nieuwe lichamen. goden - gij toch veranderdet die! - bij mijn pogen weest met uw´ geest mij nabij, en van ´t eerste begin doet der schepping onafgebroken mijn zang mijn eigene dagen bereiken!

De Chaos, regel 5-20

Voor er nog zee was en land en al-overwelvende hemel, één en dezelfde gedaante in heel haren kring de natuur droeg, welke den chaos men noemde: een woeste, ongeordende massa, niets dan een ziellooze klomp en, opeengetast binnen één ruimte, de onderling strijdige kiemen der kwalijk gevoegde elementen. Nog verlichtte ´t heelal met zonnestralen geen Titan, Phoebe bij ´t wassen nog niet de nieuwe maanhorens vulde, nog hing te midden der lucht, rondom haar gevloeid, niet de aarde, zwevend door eigen gewicht; de vèr zich strekkende armen nog om der wereld rand niet uitbreidde Amphitrite. Als, waar zich de aarde bevond, ook lucht zich bevonden en water, zoo op den bodem niet staan, noch kon in het water men zwemmen, was zonder lichten nog ´t zwerk, hield niets nog zijn eigen gedaante. Steeds stond het eene aan het and´re in den weg, dewijl in één lichaam koude met hitte in strijd, het vochtige in strijd was met ´r droge, ´t harde met ´t weeke, wat zwaarte bezat met wat zwaarte ontbeerde.

De Schepping, regel 21-75

Dan die verwarring een god en een beet´re natuurwet beëindden. Scheidende de aard´ van den hemel en van de aarde de golven, scheiding ook maakte hij tusschen de lucht en den helderen Hemel. Als hij dit alles ontward, den blinden klomp had ontbonden, deed hij ´t gescheidene weer in vreedzame eendracht zich binden. Daar, aan des Hemels gewelf, de kracht van ´t gewichtlooze vuur zich schitterend toonde opeens, in den top van den burcht zich een plaats koos. ´t Dichtste daaraan in plaats en lichtheid nadert de dampkring; vaster dan beide is de aarde: de hoofdgrondstoffen zij aantrok, en door haar eigen gewicht wordt gedrukt. Het rondomvloeiend water houdt er de randen bezet, tot vasten kringvorm aaneensluit. Als nu die god - wie hij zij! - dit alles geordend had, hij die massa verdeelde en na verdeeling tot leden terugbracht. De aarde vooreerst, opdat niet van iederen kant ongelijk zij worden zou, hij tot een soort van ruimen cirkel vervormde; dan hij de zeeën verdeelt, door de ijlende stormen gezwollen, naar zijn gebod, en van de aarde in het rond doet de kusten omvatten, voegde dan bronnen daarbij en reusachtige meren en poelen, en met de kronk´lende oevers omgaf hij de hellende stroomen, welke dan, al naar hun plaats, voor een deel in den bodem verdrogen, deels ook bereiken de Zee en, die vlakte van water in vrijheid stroomend genaderd, in plaats van oevers daar kusten bespoelen. Dan doet hij vlakten zich strekken, valleien daartusschen verzinken, ´t woud zich bedekken met loof, de rotsige bergen verrijzen, en, evenals ook den Hemel van rechts twee gordels doorsnijden, evenveel ook van links, terwijl de vijfde de heetste is, zoo ook de godd´lijke zorg onderscheidde in evenveel leden ´t lichaam daarbinnen en evenveel luchtstreken de aarde omvademt. Zij, die het midden bekleedt, is onbewoonbaar van hitte, diep dekt twee and´re de sneeuw; twee, tusschen die beide geplaatst, hij gaf een gematigd klimaat, de koude met vlammen vermengend. Boven hen welft zich de lucht, die, zooveel zij lichter dan aarde, lichter dan ´t water ook is, het vuur overtreft weer in zwaarte. Daar hij de wolken beval en daar zich de nevels te vormen, daar ook den donder, bestemd om den mensch´lijken geest te verschrikken, en naast de stralen des bliksems, de winden die ´t bliksemvuur wekken. Niet zonder regel nochtans de schepper der wereld het luchtruim stond ter bewoning hun af; want nauw´lijks hij hun kan beletten, als van verschillenden kant hun krachtigen adem zij blazen, dat zij verscheuren ´t heelal: zoo groot is de tweedracht der broeders! Zoo naar den dageraad heen en de Arabische kusten week de Eurus en naar het Perzisch gebied, door de ochtendstralen beschenen; ´t avondland, daar waar de kust door de stervende zonne verwarmd wordt, ´t dichtst bij den Zephyrus is. En Scythië en ´t zevengesternte Boreas´ woestheid bezet. Daar recht tegenover aan de aarde vochtigheid de Auster verstrekt, met gestâge bewolking en regens. Boven dit alles den helderen Aether, die zonder gewicht is, plaatste hij; nimmer nog door aardsche smetten bezoedeld. Nauwelijks had hij dit al door vaste grenzen gescheiden, toen reeds de sterren, zoo lang in die massa gedrukt en verscholen, over des hemels ruimte geheel hare schitt´ring begonnen. En, dat geen enkel gebied zonder levende wezens zou blijven, ´t hemelgewelf diende aan sterren en godengestalten tot woonplaats, vielen de golven als woning ten deel aan de glinst´rende visschen, de aarde aan het wilde gediert´, de beweeg´lijke lucht aan de vogels.

Schepping van den mensch, regel 76-88

´t wezen van edeler stam, tot hooger bestemming geroepen, toen nog ontbrak: in staat om over het and´re te heerschen. Zoo kwam de mensch: hetzij hem uit goddelijk zaad had de hooge schepper verwekt des heelals, die kiem van een betere wereld, 't Zij dat de jeugdige Aard´, zoo pas van den hemel gescheiden, diep in haar schoot nog de kern dier hemelverwantschap bewaard had. Haar met het nat van den regen gemengd, wist Iäpetus´ zoon zoo te vervormen tot ´t beeld der allesbeheerschende goden. Immers, wijl alle gedierte, voorover gebogen, naar de aard´ ziet, hief naar omhoog hij des menschen gelaat, en beval naar den Hemel opwaarts te slaan hem het oog, den blik naar de sterren te heffen! Zoo werd de Aarde, die straks nog woest geweest was en ledig, door de ongekende verschijning des menschen vervuld en veranderd.

De gouden eeuw, regel 89-112

´t Eerst brak de eeuw aan van goud, die enkel uit eigen beweging, En zonder voorschrift of dwang, wat waar en wat recht is vereerde. Straf niet bestond er, noch vrees; geen dreigende woorden in ´t koper waren gegriffeld, terwijl geen smeekende menigte vreesde ´t aanschijn haars rechters te zien: zonder rechter was iedereen veilig. Nog, op zijn bergen geveld, om vreemde landen te zoeken, was naar den golvenden vloed geen pijnboom gebracht in de diepte; andere kusten dan van zijn vaderland kende geen sterv´ling. Nog van geen steden men wist, van steile grachten omgeven, nog geen trompetten uit recht of horens uit bochtig metaal men kende, geen helm nog of zwaard, en zonder krijgsrumoer brachten vreedzaam en vrij van zorg de menschengeslachten hun tijd door. En uit zichzelf gaf de grond, nog door geen ploegschaar gesneden, nog door geen spade gekwetst, wat noodig was aan zijn bewoners. En met de spijzen voldaan, die zonder dwang hun de grond bracht, lazen de boschvruchten zij en de bergbewonende aardbei, en de kornoeljes en uit haar doornige struiken de bramen, nevens de eikels gestrooid door Jupiter´s machtige boomen. Eeuwige lente er heerschte en met ´t lauw van zijn koeltje de Zephyr liefkozend streelde de bloem, ongezaaid uit den bodem ontloken. De aarde, schoon ongeploegd, weldra hare vruchten deed wassen, de akker, door niemand doorwoeld, zag wit van de zwangere airen: stroomen er vloeiden van melk, die stroomen van nectarvocht schenen, goudgeel de honing kwam uit het groen van den steeneik gedruppeld.

De zilveren eeuw, regel 113-124

Dan, toen Saturnus was in des Tartarus´ duister geworpen, de aarde onder Jupiter kwam, werd het zilveren tijdvak geboren; minder dan ´t gouden, maar weer van hoogere waarde dan ´t koop´ren. Jupiter thans den duur der vroegere lente deed krimpen, en hij in winters en zomers en ongelijkmatige herfsten en in een kortere lente in vieren verdeelde den jaarkring. Toen voor het eerst kwam het voor dat de lucht, door de droogte geblakerd, gloeide; en dat, door de koude gestolten, de ijskegel neerhing. Toen voor ´t eerst een woning ontstond: als woningen dienden spelonken, ´t kreupelhout ook, waarvan men de takken met boomschors aanéénvlocht. Toen ook voor ´t eerst in de lange voren de zaden van Ceres strooide men; onder het juk voor de eerste maal zwoegde de ploegos.

De koperen en ijzeren eeuwen, regel 125-150

Op deze beide als derde het koperen tijdperk gevolgd is; woester van aard en meer tot den grimmigen oorlog genegen, geenszins misdadig nochtans. Uit ´t harde ijzer is ´t laatste. Allerlei onrecht opeens tot een tijdvak van ´t slechter metaal den weg baande: samen ontvluchtten de schaamte, de trouw en de waarheid; die moesten ruimen de plaats voor listen en lagen en valschheid, kwade trouw en geweld en het schaamteloos haken naar rijkdom. Zeilen zij uitspanden voor de winden, die eertijds de zeeman niet goed gekend had; de boom, die lang op de kruin van ´t gebergte stond, werd tot scheepskiel vervormd, door vreemde golven gewiegeld. De akker, eerst algemeen goed, als het licht van de zon en het luchtruim, werd door den landmeter thans angstvallig langs grenzen gemeten. Rijkdom aan koren alleen niet meer en aan ´t noodige voedsel wordt van den bodem geëischt, maar tot ´t ingewand daalt men der aarde. En naar de bij den Styx en het rijk van de schimmen verborgen schatten men graaft, die alleen tot misdaden kunnen verleiden. Met het noodlottige staal het noodlottiger goud heeft het aardrijk voortgebracht reeds: ´t brengt thans krijg, die beide middelen bezigt en die met bloedige hand de wapens doet klett´ren en trillen. Overal leeft men van roof; geen gast is voor gastheer meer veilig, schoonzoon voor schoonvader niet, ook liefde van broeders wordt zeldzaam. ´t Leven der vrouw wordt belaagd door den man, van den man door zijn gade, ´t vreeselijkst plantenvergif onmeedoogende stiefmoeders mengen: ´t leven den vader misgunt de zoon, vóór zijn tijd is gekomen; eerbied en liefde zijn dood. En de aarde, van ´t moorden bezoedeld, wordt door de laatste der goôn, de maagd´lijke Astraea verlaten.

Gigantenstrijd, regel 151-162

En, of de Hemel omhoog niet veiliger zijn mocht dan de aarde, werd, naar men zegt, het rijk des hemels bestormd door Giganten, die tot de sterren omhoog de bergen opeengetast hadden. Toen met zijn bliksemschicht wierp de almachtige neer den Olympus, en van de Ossa deed naar omlaag hij den pelion storten. Toen, onder eigen gewicht overstelpt, daar die gruw´lijke lijken lagen, heeft de Aarde, als men zegt, door ´t vele bloed harer zonen gansch overstroomd, aan dat warme bloed weer nieuw leven gegeven. Dat van hun afkomst nochtans de herinnering zelfs zou verdwijnen, gaf de gedaante zij hun van menschen. Toch was ook dit nakroost zonder ontzag voor de goôn, onverzaad´lijk gebleven van bloeddorst, steeds tot gewelddaân geneigd: men zag dat uit bloed was zijn afkomst.

Raad der goden, regel 163-210

Toen de Saturnische god uit het hoogst van zijn hemel dit aanzag, zuchtte hij, wijl hij herdacht welk gruwelijk gastmaal Lycaon kortelings aangericht had; al had hij die misdaad verzwegen. En een geweldigen toorn, aan Jupiter waardig, beving hem: dan ter vergadering riep hij de goden, die aanstonds verschenen. Hoog is de weg en slechts bij helderen Hemel waarneembaar, die wordt de Melkweg genoemd, aan zijn lichtenden glans te herkennen. Deze is de weg, dien naar des Donderaars woning de goden volgen en koningspaleis. Ter rechter- en linkerzij van de hoogsten der goden de hallen men ziet met geopende poorten. Elders weer wonen de lagere goden; de machtigsten hebben vooraan hun woonplaats gevest en beroemdsten der Hemelbewoners. Dit is de plaats, die ik - dorst ik mijn woorden stoutmoedigheid schenken - gaarne des hoogen Hemels´ Palatium zou willen noemen. Toen nu in ´t marmervertrek de goden zich neergezet hadden, Jupiter, ´t hoogste geplaatst en op elpenen schepter zich leunend, schudde tot driemaal en viermaal de vrees´lijke lokken, waardoor hij de aarde daveren doet, de golven der zee en de sterren. Dan, verontwaardigd, hij heeft de volgende woorden gesproken: "Destijds zelfs was ik niet voor mijn wereldmacht dieper bekommerd, toen der slangvoetige reuzen een ieder een honderdtal armen binnen te slingeren poogde in den hemel, zoo goed als veroverd! Want, hoe gevaarlijk die vijand ook was, toch hing van één lichaam en van één oorsprong alleen de uitslag af van dien oorlog. Thans in geheel den kring moet ik, door Nereus omgeven, uitroeien ´t mensch´lijk geslacht. En ik zweer bij de stroomen, die onder de aarde in het rijk van den Dood de Stygische wouden bevloeien: alles heb eerst ik beproefd! Maar zoo ongenees´lijk een wond ik uitsnijden moet met het staal, zal niet ook ´t gezonde tenietgaan. Want ik heb halfgoden nog en land´lijke goden en nimfen, Faunen en Satyrs daarbij en bergenbewonende woudgoôn, wien, dewijl hun de eer van het hemelsch verblijf nog ontzegd is, de aarde, hun afgestaan ééns, een veilige woonsteê moet blijven. Dacht gij, o goden, dat zij in zekerheid daar kunnen toeven, waar zelfs mij, die de god des bliksems ben en uw heerscher, dorst te belagen de om zijn woestheid beruchte Lycaon?" Allen sidd´ren en voor zoo driest een vermeten zij vurig eischen de straf. Zoo ook werd, toen een bende van boosdoeners poogde eens den Romeinschen naam in Caesar´s bloed te verdelgen, gansch overweldigd opeens van schrik voor die vrees´lijke schanddaad heel het mensch´lijk geslacht en heel de wereld verbijsterd. Niet minder welkom was u, o Augustus! de liefde der uwen, dan deze aan Jupiter was. Nadat hij met woord en gebaren had hun gemompel gestild en allen het zwijgen bewaarden, toen hun geroep was verstomd, door den ernst van hun koning bedwongen, Jupiter weer met dit woord een eind aan het stilzwijgen maakte: "Geenszins is gene zijn straf - weest dies onbekommerd! - ontkomen: wat hij misdaan had en wat was zijn straf, wil ik thans u verhalen:

Lycaon, regel 211-252

Toen van de euv´len des tijds het gerucht mij de ooren bereikt had, hopend dat ´t valsch was, ik van den top daalde neer des Olympus. en ik, een god, dwaal, in menschengedaante vermomd, door de landen. ´t Duurde te lang u al ´t kwaad, dat door mij alom werd gevonden, mede te deelen: de roep bleef zelfs nog beneden de waarheid! Maenalus was ik voorbij, waar vrees´lijk gedierte zich schuilhoudt, en de Cyllene, zoowel als het woud van den killen Lycaeus; zoo het Arcadisch gebied en ´t ongastvrije huis des tirannen binnen ik trad als laat de schemer door nacht werd vervangen. Teekens ik gaf dat een god gekomen was; mij te aanbidden aanving het volk, maar het eerst hun vroomheid bespotte Lycaon, weldra sprak hij: "Ik wil zien uit een duidelijk teeken of deze god is of sterveling! Niet betwijfelbaar zijn zal de waarheid!" En in den nacht, onverhoeds, als in slaap ik gedompeld ben, poogt hij mij te bereiden den dood: dat noemde hij ´t zoeken der waarheid! Daarmede nog niet voldaan, van een gijzelaar, dien van Molossus hem had gezonden het volk, doorsnijdt met het zwaard hij den gorgel; daarna de leden, slechts half ontzield, doet ten deele in ziedend water hij koken, en deels doet boven het vuur hij die braden. Als hij dit opgedischt heeft, werp ik met mijn wrekenden bliksem ´t huis op de huisgoden neer, aan zulk een eigenaar waardig. Angstig neemt zelf hij de vlucht en de stilte der velden bereikend, huilt hij, terwijl hij vergeefs te spreken poogt. En uit zichzelf hem grimmigheid vlamt uit ´t gelaat; door zijn vroegeren moordlust gedreven, wendt hij zich tegen het vee: schept nu nog in bloed hij behagen. En hem in haren gaan over de kleed´ren, in pooten zijn armen; wolf geworden, hij houdt van zijn vroeg´re gedaante nog sporen: grauw is de kleur die hem bleef, en fel zijn zijn trekken gebleven, vuur hem nog vlamt uit het oog, nog steeds is het beeld hij der wreedheid. Eén huis ging daarmeê te niet. Niet dit alleen echter vernieling waard was: zoo ver toch de aarde zich strekt, heerscht de woeste Erinys of een komplot er tot misdaân bestond! Laten allen dus aanstonds lijden de straf die zij hebben verdiend! Zóó heb ik besloten!" Sommigen Jupiter´s woord uitdrukkelijk goedkeuren; zelfs zijn woede nog aanvuren; and´ren tot instemming slechts zich bepalen. Dat echter ´t menschengeslacht ten onder moet gaan, is aan allen smart´lijk: zij vragen zich af hoe straks de gedaante der aarde zijn zal, van menschen ontbloot. Wie zal op het altaar den wierook brengen? Aan ´t wilde gedierte, ontvolkt, hij de aarde wil laten? Als zij zoo vragen, belooft hun de Koning der goden dat steeds hij waakzaam zal blijven en dat onnodig hun vrees is, daar hij uit wondere afkomst een volk, van het vroeg´re verschillend, zal scheppen.

De zondvloed, regel 253-312

Toen over de aarde geheel hij gereedstond den bliksem te sling´ren, vreesde hij, dat zooveel vuur wellicht ook den heiligen Aether vlam zou doen vatten; geheel de lengte der as zou verbranden. De oude voorspelling gedenkt, dat eenmaal een tijd er zal komen, dat met de zee en de aarde ook de vorst´lijke woning des hemels branden zal, van het heelal ook de kunstige bouw zal tenietgaan. ´t Wapen terzijde hij legt, gesmeed door de vuist der Cyclopen, kiest zich een andere straf: het menschengeslacht in de golven om te doen komen, uit heel den hemel de regens te storten. Aanstonds den Noordenwind hij in Aeolus´ rotsspelonk opsluit, en welke winden nog meer de verzamelde wolken verdrijven. Notus alleen laat hij los. Met druipende wieken vliegt Notus; Duisternis, zwart als de nacht, bedekt hem het vreeselijk aanschijn; zwaar is van regen de baard, uit het grijzende haar stroomt hem ´t water, nevels hem zeet´len op ´t hoofd en vleugels en kleederen druipen. Als met de hand hij de wijd neerhangende regenwolk saâmkneep, barstte die; hoog uit de lucht zich stortten de buien daarbinnen. Iris, de bode van Juno, gehuld in bontkleurige kleeding, zamelt het water bijeen en brengt het den wolken tot voedsel. Neêrgeveld ligt het gewas; vernield is de hoop van den landman, jamm´rend beklagende zich dat vergeefs hij een jaar heeft gearbeid. Niet met de krachten zijns hemels tevreden is Jupiter´s woede, maar hem zijn zeeblauwe Broeder de hulpe verleent van zijn golven. Deze zijn Stroomgoden roept, en als zij de woning des Heerschers in zijn getreden, spreekt hij: "Geen lange vermaningen meen ik thans te behoeven: gij moet uwe uiterste krachten gebruiken, - die heb ik noodig! - uw huizen thans opent en wegbreekt uw dammen, en aan uw wateren viert geheel onbelemmerd den teugel!" Zóó zijn bevel. En zij, teruggekeerd, geven hun stroomen vrijheid: in onbeteugelde vaart ze in de vlakte zich storten, en met den drietand hijzelf de aarde geeselt, en deze dreunt van den slag en beweegt, en opent den weg aan de golven. Buiten hun oevers in de opene vlakte zich storten de stroomen, en met ´t gezaaide gelijk den boomgaard en kudden en menschen sleuren zij mede, en huizen en ´t heiligdom zelfs met zijn beelden. Waar nog een woning bleef staan, in staat onverwrikbaar zulk onheil weerstand te bieden, daar hoog rijst toch tot boven de daken 't peil van het water; zelfs torens verbergen zich diep in de draaikolk. Reeds tusschen aarde er en zee geen onderscheid meer was te vinden: alles was zee! en aan die zee zelfs ontbraken de kusten. Deze een heuvel beklimt, en een ander weer redt in een schuit zich, voerend de roeiriemen daar, waar kort nog geleden hij ploegde. Boven zijn akker of ´t dak van zijn ondergedompelde landhuis dobbert de een, en de ander vangt visch in de kruin van een olmboom. ´t Anker zich haakt, als het toeval het wil, in het groen van de weide, of aan een wijngaard zich schuurt het bochtige schip onder water. En op de plaats waar zoo straks snelvoetige geiten nog graasden, daar zich de lichamen thans wanstaltige zeehonden strekken. En onder water bewond´ren de dochters van Nereus de wouden, steden en huizen. Dolfijnen bewonen de bosschen en zwemmen diep door het kreupelhout heen en stooten zich tegen de eiken. Hier zwemt de wolf naast het schaap; de golf draagt rossige leeuwen, tijgers de golf draagt. Niet baat zijn geweldige kracht aan den ever, noch ook zijn snelheid van voet aan het hert, daar het water hen meesleept; en zelfs de dwalende vogel, die lang naar een land, waar hij even rusten kon, rond heeft gezocht, vermoeid van vlerken in zee valt. Dan de onmeet´lijke en ongebreidelde zee dekt de heuvels, tegen den top van ´t gebergte voor de eerste maal klotsen de golven. ´t Grootste gedeelte der menschheid verdronk. Die de golven nog spaarden doet het gebrek aan spijs een langzamen hongerdood sterven.

Deucalion en Pyrrha, regel 313-415

Phocis Boeotië scheidt van de velden omringend de Oeta, vruchtbare gronden zoolang zij gronden nog waren, maar destijds deel van de zee, een breede vlakte van ongewoon water. Steil daar verheft zich een berg met dubbele toppen ten Hemel, wijd als Parnassus befaamd; zijn spitsen doorboren de wolken. Toen nu hier Deucalion - want het verdere land was verzwolgen - nauw met zijn echtgenoote in het kleine hulkje geland was, bogen ze eerbiedig zich voor de Corycische nimfen en berggoôn en de voorspellende Themis, die destijds de godspraak verkondde. Niemand was beter dan hij of meer de rechtvaardigheid liefhad, nergens bestond er een vrouw, die meer godvreezend dan zij was. Toen nu Jupiter zag dat een stilstaande poel was het aardrijk, één slechts behouden bleef van zoo vele duizenden mannen, zoo vele duizenden slechts die ééne vrouw overleefd had, beiden onschuldig niet slechts, maar beiden vereerders der goden, dreef hij de neev´len uiteen; met den Noordenwind wegvaagt de buien en aan den Hemel hij de aarde weer toont en den aether aan de aarde. En ook de woede bedaart van de zee, als de Zeevorst den drietand neerlegt, en glad strijkt het nat; en Triton, die boven het zeevlak diepblauw de schouders verheft, met zijn eigene schelpen bewassen, tot zich ontbiedt en gelast den klinkenden horen te grijpen en door het blazen daarop aan stroomen en golven het teeken tot hun terugkeer te geven. Den hollen zeehoren vat hij, krom en gedraaid, die van de punt naar de monding breed uitloopt; die, wanneer midden in zee met kracht hij geblazen wordt, beide oevers weergalmen doet van den opgang der zon tot haar neêrgang. Nu ook, zoodra slechts de mond van den god met den druipenden baard hem aanraakt, en blazende hij het bevel tot den aftocht doet hooren, wordt het door ´t water gehoord van alle landen en zeeën. En die het hooren terstond ook de anderen dwingen tot rede. Reeds heeft de zee weer een kust; de stroom vloeit weer binnen zijn bedding; ´t peil der rivieren weer daalt; de heuvels omhoog men ziet rijzen; de aarde herrijst en het droog´ breidt zich uit met het vallen des waters. En na een langen dag zich boven water de kruinen der wouden toonen, met modder bedekt, die nog aan ´t gebladert´ terugbleef. Zoo was de Aarde gered! Maar toen hij nu zag hoe zij leeg was, hoe in ´t verlaten gebied het diepste stilzwijgen heerschte, toen heeft zoo Deucalion onder tranen tot Pyrrha gesproken: "zuster en echtgenoot! gij, de eenige vrouw die bleef leven, mij reeds door ´t zelfde geslacht en verwantschap des vaders verbonden, dan door het huw´lijk en nu door gevaren, die samen wij deelden, van alle landen, gezien door de zon bij haar opgang en neêrgang, zijn wij alleen de bewoners: al ´t and´re verzwolgen de golven! Nog is de zekerheid dat wij verder het leven behouden zullen, gering: nu nog die wolken verschrikken mijn ziele. Hoe, ongelukkige, zou het thans u te moede geweest zijn, waart gij alleen, zonder mij, aan het noodlot ontkomen?

Hoe kondt gij dragen die angsten alleen? Wie had u getroost in uw lijden? Immers, geloof mij, wanneer ook u had het water verzwolgen, ware ik u gevolgd, mijn echtgenoot, met u verdronken! Och, of ´t mij mogelijk was met de kunsten mijns vaders de volk´ren weer te herstellen; nieuw leven aan de aard´ die zich vormde, te geven! 't Mensch´lijk geslacht bleef thans slechts in ons beiden behouden, zoo was der goden besluit: wij blijven de laatsten der menschen!" Tranen zij stortten bij ´t woord. Dan besluiten zij samen der goden hulp in te roepen en raad aan het heilig orakel te vragen. Zonder verwijl zij zich naar den stroom des Cephisus begeven, die, schoon nog troebel, toch reeds zijn vroegeren loop had hernomen. Als dan het water geplengd en rijk´lijk gesprenkeld is over hoofd en gewaad, zij vandaar naar het heiligdom zelf der godinne richten hun schreden, waarvan de gevel met modderig zeewier nog was bedekt en waarvan de altaren uitgedoofd waren. Toen zij de trappen des tempels bereikten, wierp ieder voorover zich op den grond en eerbiedig de koude steenen zij kusten, smeekende: "Als ´t mogelijk is met rechtvaardig gebed te vermurwen en te verteed´ren de Goôn, is de goddelijke toorn te verzoenen, zeg ons, o Themis, dan hoe de ondergang van ons geslacht weer is te herstellen! Barmhartigste, help de verdronkene wereld!" En de godin is geroerd en de godspraak zegt: "Gaat uit den tempel, en u omwikkelt het hoofd; ontbindt de u omgordende kleed´ren, en werpt u achter uw´ rug het gebeente uwer machtige Moeder!" Lang stonden beiden verstomd; dan breekt het eerste de stem van Pyrrha het zwijgen: zij weigert ´t bevel der godinne te volgen, en zij met sidd´renden mond vergiffenis vraagt, daar zij vreest dat ´t werpen van dat gebeente de schim harer moeder zal kwetsen. Steeds herhalen zij weer de in ´t diepste duister verborgen woorden der godspraak en overleggen die onder elkander. Eind´lijk Prometheus´ zoon, Epimetheus´ dochter met zachtheid toesprekend, zegt: "Gewis, onredelijk is die bezorgdheid: vroom moet de godspraak zijn, tot zonde kan zij ons niet raden. De Aarde is die machtige Moeder en steenen in ´t lichaam der aarde meen ik dat beend´ren men noemt: die moeten wij achter ons werpen!" Hoe ook des echtgenoots raad de dochter des Titans moest treffen, aarzelt zij toch nog te hopen; zoozeer van verschillend vertrouwen zijn ze in den godd´lijken raad. Maar wat schaadt het een poging te wagen? Heengegaan, dekken zij ´t hoofd en ontdoen zich geheel van hun kleeding en, naar bevolen hun was, de steenen zij achter zich werpen. Wie zou ´t gelooven, zoo niet de oudheid ´t getuigde? die steenen ´t eerst gaan hun hardheid verliezen, hun stijfheid vermindert en allengs weeker zij worden en, week, veranderen dan van gedaante. Dan, als die toeneemt, schijnt ook een mildere aard aan die steenen eigen te worden, zoodat - hoewel nog onduid´lijk - zij denken doen aan een mensch´lijken vorm, alsof die, in marmer gehouwen, nog niet is afgewerkt; slechts in ruwe trekken geschetst is. En die gedeelten daarvan, die vochten bevatten of die uit Aarde bestaan, dan allengs het weekere menschenlijf vormen; ´t vaste, onbuigzame deel verandert bij hen in gebeente; en wat eerst aderen was denzelfden naam blijft behouden; tot in een oogenblik, door den wil van de goden, de steenen die door den man zijn geworpen, gestalten verkrijgen van mannen en die van vrouwen de steenen, die door de vrouw zijn geworpen. Daarom is hard ons geslacht: in allerlei arbeid volhardend geven wij steeds het bewijs uit welke stof wij ontstaan zijn!

Dood van den Python, regel 416-451

Andere schepselen, van gedaante verschillende, de aarde Bracht uit zichzelve dan voort, als de vroegere vochtigheid door den gloed van de zon was gestoofd, en het slijk en de vochte moerasgrond opzwollen onder dien gloed, en de vruchtbare kiemen van leven, 't eerst, als in moeders schoot, in den levenden bodem gekoesterd, opgroeiden en door den tijd een eigen gedaante erlangden. Zoo, als het vochtige veld de zevenmondige Nijlstroom weer heeft verlaten, zijn nat in zijn vroegere stroombed terugbracht, en door het hemelsche vuur de versche sliblaag gestoofd wordt, vinden de landlieden vaak, bij het went´len der aardkluiten, wezens, van wie er sommigen nog, op de plaats waar zoo juist zij geboren werden, en anderen weer nog onvoldragen en zonder al hunne leden zij zien. Aan ´t zelfde lichaam ook somtijds één gedeelte slechts leeft, wijl het andere deel grove aarde is, immers, waar hitte en vocht tot bepaalde verhouding zich binden, worden zij vruchtbaar en uit die beiden ontspringt alle leven. En, schoon het water vijandig is ´t vuur, kiemt uit vochtigen damp toch alles; en vruchtbaarheid wordt door eendrachtige tweedracht begunstigd. Toen na den zondvloed terstond de aarde, met modder bedekt, door ´t hemelsche vuur werd en door alvoedende hitte geblakerd, baarde ze ontelbare soorten van wezens, die deels nog de vormen droegen van vroeger, en deels ook nieuwe monsters zij voortbracht. Ondanks haarzelve ook u zij baarde, reusachtige Python! Die, onbekende slang, de volk´ren, zooeven geboren, huiveren deedt: zoo groot een ruimte op de bergen gij innaamt! Hem heeft de god van den Boog die vroeger nimmer dat wapen dan tegen herten en tegen de vluchtende geiten gebruikt had, treffend met tallooze pijlen, tot bijna zijn pijlkoker leeg was, nedergeveld; dat het gif uit de donkere wonden hem stroomde. En, opdat niet de roem van dit werk in vergetelheid raken zou, stelde spelen hij in, met heiligen wedkamp verbonden, die, naar den dood van de Slang, de Pythische spelen hij noemde. Hier werd den jongeling, die met de vuist, met het wiel, in den wedloop, zegevierde, de slaap met eikengebladerte omwonden. Nog de laurier niet bestond: het schoone voorhoofd met lange haarlokken sierde met ´t loof van andere boomen Apollo.

Gedaanteverwisseling van Daphne, regel 452-567

Daphne, ´s Peneüs´ telg, was de eerste liefde van Phoebus; niet ´t blinde toeval die bracht, maar de grimmige wraak van Cupido. Want toen de Delische god, nog fier op het vellen van ´t monster, ´t aanzag, hoe gene de pees van den hoornigen boog zocht te spannen, sprak hij minachtend: "Wat doet, verwijfde knaap, in uw handen ´t mannelijk wapen, dat eer mijn schouder tot sieraad kon strekken? Ik, die met zekerheid tref het wilde gedierte en den vijand, ik wierp zooeven met tallooze pijlen het monster, den Python, neder, dat met pestdragenden buik zooveel landen bedekte! Gij, wees tevreden, wanneer met uw fakkelvuur gij minnarijen aanstookt, welke dan ook, maar zoek geen roem, die mij toekomt!" ´t Zoontje van Venus toen sprak: "Uw boog moge alles verwinnen, u overwint toch de mijne, o Phoebus! Zooveel alle scheps´len onderdoen voor een god, mijn roem gaat den uwen te boven!" Zoo sprak hij; en het zwerk met klepp´rende wieken doorklievend, daalt hij met snelheid op den beschaduwden top des Parnassus. En uit den koker met pijlen twee schichten hij nam, die verschillend waren van werking: de een liefde verdrijft en de and´re die opwekt. Die liefde wekt is van goud en scherp en met glinst´rende pijlpunt; stomp is die liefde verdrijft; met lood bezwaard is de pijlschacht. Met deze pijl treft de god de Peneïsche nimf; met de and´re kwetst hij Apollo in ´t merg, doorborende hem het gebeente. Aanstonds bemint hij. Maar zij, ontvluchtend den omgang met minnaars, slechts in het duister van ´t woud en de jacht op het wilde gedierte schepte en in ´t navolgen slechts der maagd´lijke Phoebe behagen; wijl met een lint zij bedwingt de ordeloos zwierende haren. Velen haar aanzochten; maar vol afkeer zij steeds van die vrijers, mann´lijk geleide niet duldt: alléén door de eenzame wouden doolt zij, versmadend den echt, om huw´lijk noch liefde bekommerd. Vaak sprak haar vader: "Gij zijt een schoonzoon mij schuldig, mijn dochter!" Dikwijls haar vader ook sprak: "Gij moogt mij geen kleinkind´ren weig´ren!" Zij echter ´t echtaltaar haat, als ware het huw´lijk een misdaad; en door een blos zich van schaamte de schoone wang voelt bevangen. Vleiend met de armen den hals van vader Peneüs omvattend, zegt zij: "Mijn dierbaarste vader, vergun mij ten eeuwigen dage jonkvrouw te blijven, als vroeger haar vader Diana vergunde!" Wel stemt hij toe, maar uw schoonheid zelve verbiedt dat uw wensch gij zult zien vervuld: met dien vorm is wat gij begeert, niet veréénbaar. Phoebus haar mint; als hij Daphne aanschouwt, hij haar wenscht te bezitten, en wat hij wenscht, hij ook hoopt: zijn eigen orakel misleidt hem. Als in de luchtige stoppels, na ´t snijden der aren, de vlam slaat, zoo, als de hegge ontbrandt, wanneer des onachtzamen reiz´gers toorts te nabij kwam, of hij die des morgens heeft achtergelaten, zoo staat Apollo in gloed, die hem tot in ´t diepst van het harte blakert, en voedt hij met hoop een onbeantwoorde liefde. Ziende die lokken, die langs den hals haar in wanorde zwieren, vraagt hij zich hoe die, gekamd, haar tooien zouden. Haar oogen schitt´rend van vuur als de sterren hij ziet. Hij ziet kussen, waarvan hem ´t aanzien alleen niet voldoet. Hij prijst ook haar vingers, haar handen, en de voor meer dan de helft ontbloote armen bewond´rend, acht hij, wat nog bleef bedekt, nog schooner. Maar sneller dan ´t luchtig windje zij vlucht, zelfs niet toeft, wanneer hij de woorden haar toeroept: "Blijf, o Peneïsche nimf! Ik bid u: geen vijand vervolgt u, blijf toch! Wanneer voor den wolf vlucht het lam, voor den leeuw vliedt de hinde, als voor den adelaar vluchten de duiven met trillende wieken, wijken hun vijand zij! Mij geeft liefde slechts reden tot volgen. Wee mij rampzaal´ge, als voorover gij stort en uw leden, die niets mag deren, aan doornstruiken kwetst en ik u de oorzaak van pijn ben! Ruigte bedekt er den grond, waar gij treedt. O, beteugel uw snelheid! ´k Smeek het u, matig uw vlucht: ikzelf zal dan langzamer volgen.

Vraag dan toch wie u bemint! Geen arme bewoner der bergen noch ook een herder ben ik; evenmin ook van schapen of hoornvee need´rig bewaker ik ben. Gij weet niet, o dwaze, gij weet niet wien gij ontvliedt, en waarom! Mij noemen de landen van Delphi, van Claros en Tenedos en van Patara hunnen gebieder! Jupiter´s zoon ben ik. Mij behoort de verklaring der toekomst, en van wat was en wat is. Door mij paren zang zich en snaren. Zeker van ´t doel is mijn pijl; slechts zekerder nog was die ééne schicht, die in ´t ledige hart mij toegebracht heeft deze wonde! Ik de geneeskunst vond uit, en heel de wereld mij brenger noemt van haar heil; overal is der kruiden kracht me onderworpen. Wee mij, dat mij van de min geen enkel kruid kan genezen, dat aan den Meester de kunst, die anderen helpt, niet kan baten!" Meer nog te spreken hij poogt, maar met angstigen loop des Peneüs´ dochter ontvliedt en hem zelf laat staan in het midden der rede. Zoo vooral scheen zij hem schoon! De luchtstroom ontbloot haar de leden, en in den tegenwind fladd´ren de achterwaarts waaiende kleed´ren. En achteruit blaast de luchtige bries haar de zwierende lokken. Schooner nog is ze in haar vlucht. Maar de jeugdige god wil niet langer vleiende woorden verspillen, maar als door de Liefde hij zelf wordt aangespoord, hij op haar voetsporen volgt haar met haastige schreden. Zoo, als in ´t ledige veld de Gallische jachthond een haas ziet, tracht hij door snelheid van voet dien buit te vermeest´ren; maar deze zoekt mede in snelheid zijn heil. De eerste, als het ware aan hem hangend, meent hem te vatten en raakt met den grijpenden muil haast zijn sporen, de ander in twijfel verkeert of hij wordt gegrepen; maar toch hij nog aan den beet van den bijna hem rakenden bek weet te ontkomen: zoo ook de god en de nimf: hij door hoop, zij door angst is snelvoetig. Maar de vervolger, wiens kracht door de vleug´len van Amor verhoogd is, ´t snelste is, en gunt haar geen rust, en weldra den rug van de vlucht´ling bijna hij raakt, en heur haar, op de schouders verward, voelt zijn adem. En als de kracht haar ontzinkt, verbleekt zij en als door de snelheid uitgeput ze is van haar vlucht en de golven zij ziet des Peneüs, "vader!" zoo hijgt zij; "breng hulp, als uw water nog godd´lijke kracht heeft en door verand´ring ontneem mij den vorm, die teveel hem behaagde!" Nauw´lijks voltooid is ´t gebed, of dofheid haar zinkt in de leden, en haar de teedere borst met luchtige schors wordt omgeven, de arm haar tot takken vergroeit, in blaad´ren verand´ren de haren, wijl haar de voet, juist zoo snel, in taaie wortels verward raakt, en haar een kruin dekt ´t gelaat: slechts daarin de glans bleef behouden. Zóó zelfs haar Phoebus bemint. Als de rechterhand hij op den stam legt, voelt hij nog onder de jeugdige boomschors het harte haar kloppen; en haar de takken, als waren ´t haar leden, met de armen omvattend, kust hij het hout; maar ook ´t hout nog steeds zoekt zijn kussen te ontwijken. "Daar", spreekt de god, "gij nu nooit tot echtgenoot meer mij kunt worden, blijf dan ten minste mijn boom! Voor eeuwig blijft gij, laurierloof, mij aan de lokken, den cither, mijn koker der pijlen ten sieraad! Kroon gij ook Latium´s Vorsten, wanneer de blijde Triumf-toon rijzen zal en ´t Kapitool den langen stoet mag aanschouwen. Sta ook Augustus´ huis als trouwste der wachters ter zijde, waar, voor zijn poorten gesteld, den eik in het midden gij zien zult! Werden van ´t jeugdige hoofd mij nog nimmer de lokken geschoren, blijve u ook eeuwig de eer van onverwelkbaar gebladert´!" Zoo sprak Apollo en met haar takken, zooeven geschapen, knikt de laurier, en men zag haar kruin als een hoofd zich bewegen.

Geschiedenis van Io, regel 568-624

In het Haemonische land is een weide, in het ronde door hooge bosschen omgeven en Tempe genaamd. Daarlangs de Peneüs, hoog van den Pindus gestort, zijn schuimende wateren voortstuwt. Daar, na den zwaren val, hij wolken verspreidt, die de lichte dampen doen trillen en met zijn spatten bevocht hij der boomen kruin, en ´t geluid van den stroom is ver in den omtrek te hooren. Dit is de zetel, dit ´t huis, dit ´t heiligdom is van den grooten stroomgod. Hier, in een spelonk, die uit rotsen gebouwd is, gezeten, geeft hij zijn golven de wet en den golvenbewonenden nimfen. Hierheen ook komen het eerst des lands riviergoôn te samen, onbewust of zij den vader gelukwenschen moeten of troosten: Spercheios, door popels omzoomd, en de onrustige Enipeus, de Apidanus, reeds bejaard, en de vriend´lijke Amphrysos en Aeas, weldra ook de andere stroomen, die, waar hun loop hen ook heen drijft, eindelijk storten in zee hun golven, vermoeid van het kronk´len. Inachus enkel ontbreekt. In het diepste der holen verborgen, treurt hij, de golven met tranen vermeerd´rend, om Io, zijn dochter, als een verlorene, onbewust of zij nog in leven of reeds in ´t schimmenrijk is. Want haar, die hij nergens kon vinden, acht hij ook nergens te zijn en vreest in zijn harte het ergste. Haar nu had Jupiter, toen van haars vaders´ stroom zij terugkwam, nauw´lijks gezien, of hij sprak: "O jonkvrouwe, Jupiter waardig, wel te benijden de man, wie hij zijn moge, dien gij zult huwen! Kom in de schaduw van ´t woud!" - en hij toonde de schaduw der bosschen - "Wijl het nog warm is; de zon in het midden des boogs op het hoogst staat! Vreest gij alléén soms ´t verblijf van het wilde gedierte te naad´ren, veilig in ´t bijzijn eens gods gij het diepst van die schuilhoeken intreedt; niet van een lageren god, maar van hem, die den schepter des hemels voert in de machtige hand en den dolenden bliksemstraal slingert! Vlucht niet!" ... zij trachtte te vluchten: reeds had zij de wouden van Lerna, reeds het Lyrceïsche veld, met bosschen bewasschen, verlaten, toen er op Jupiter´s wenk dichte duisternis viel en de gansche aarde bedekte; hij stuitte haar vlucht en haar roofde de schaamte. Juno inmiddels verbaasd naar het midden der velden omlaag ziet, en zich verwondert dat, wijl het stralende dag is, daar snelle wolken den nacht doen ontstaan; gevoelt dat die niet uit rivieren op konden stijgen of uit den vochtigen bodem verrijzen. Aanstonds zij ziet in het rond naar haar echtgenoot uit, of zij de echtbreuk reeds van dien echtgenoot wist, waarop zij zoo vaak hem betrapt had. Toen zij hem nu in den Hemel niet vinden kon: "Of men bedriegt mij", sprak zij, "of onrecht mij doet". En omlaag uit den Hemel zich stortend, daalde op de aarde zij neer, en gelastte het duister te wijken. Juno´s verschijning voorziende had Jupiter Inachus´ dochter snel in het beeld van een koe van glinst´rende blankheid veranderd. Zoo zelfs, als rund, is zij schoon, en Saturnia hoe ook onwillig, prijst haar gestalte en vraagt, als was zij der waarheid onkundig, wien zij behoort, en vanwaar, uit welke kudde zij afstamt. Jupiter valsch´lijk uit de Aarde geboren haar noemt, dat niet langer men naar haar maker hem vraagt. Maar Saturnia eischt ten geschenk haar. Wat zal hij doen? Het is wreed, zijn geliefde haar over te leev´ren; maar het te weig´ren verdacht! De schaamte vermaant tot het eene, liefde het and´re verbiedt. Van de schaamte de liefde ´t zou winnen .., maar, als zoo klein een geschenk, een koe, hij zijn gade en zuster weigerde, dan kon wellicht in die koe zij iets anders vermoeden. Als zij haar mededingster verkrijgt, is aanstonds van alle vrees de godin niet bevrijd, daar zij Jupiter ducht en zijn listen, voor zij aan Argus haar gaf ter bewaking, den zoon van Arestor.

Argus, regel 625-688

625 Argus het hoofd had rondom van honderd oogen omgeven; beurtelings werden er twee daarvan door den sluimer gesloten, de and´re inmiddels hielden de wacht en bleven geopend. Waar en in welke houding hij staat, steeds ziet hij naar Io, en, van haar afgewend zelfs, houdt steeds hij toch Io voor oogen. ´s Daags laat hij toe dat zij graast; als de zonne ter kimme gedaald is, sluit hij haar op en omvat den hals haar met smaad´lijke boeien, geeft haar het loof van de boomen en bittere kruiden te eten. Niet op een bed, maar op de aarde, die zelfs niet met gras steeds bedekt is, strekt de ongelukk´ge zich uit, en modderig nat moet zij drinken. Als zij, om hem te verbidden, de armen naar Argus wil strekken, heeft zij geen armen zelfs meer om die naar Argus te strekken. En wil zij klagen, dan heeft geen ander geluid zij dan loeien. Vrees´lijk haar is dat geluid: haar eigen stem doet haar beven. Als aan den oever zij komt des Inachus, waar zij zoo vaak zich placht te vermeien en daar den kop in de golven aanschouwt en jeugdige horens, zij schrikt en zichzelf zij vol angst zoekt te ontvluchten. Noch ook de nimfen der bron, noch Inachus zelf kan vermoeden wie zij mag zijn: maar haar´ vader zij volgt en zij volgt hare zusters, gaarne zij streelen zich laat en door hen allen bewond´ren. Inachus gras voor haar sneed en reikt ´t haar, de grijsaard, tot voedsel: zij hem toen likte de hand, als kuste de hand zij haars vaders, en niet haar tranen weerhoudt. Zoo woorden zij slechts kon doen volgen, hulp zij kon vragen, haar naam en haar lijden zij hun zou verhalen: dan, in de plaats van het woord, in het stof met de pooten geschreven letters hun ´t droevig verhaal der gedaanteverwisseling geven. "Wee mij, rampzalige!" roept vader Inachus, weenend omvattend en den sneeuwwitten hals van het treurende rund en de horens; "Wee, ongelukk´ge!" hij steunt. "Is daarom door mij allerwege naar u, mijn dochter, gezocht? O, hadde ik u nimmer gevonden, lichter dan ware mijn rouw! Gij zwijgt, gij kunt op mijn woorden antwoord niet geven, slechts slaakt in het diepst van uw boezem gij zuchten, ´t eenige wat gij nog kunt is op mijn woorden te loeien? Dwaas, die ik was, toen ik dacht een huwelijk u te bereiden, hoopte op een schoonzoon vooreerst, op lieve kleinkind´ren later! Een uit de kudde helaas! zal uw man, uit de kudde uw zoon zijn. ´t Staat zelfs niet in mijn macht die smart door den dood te beëinden, ´t rouwt mij thans dat mij als god de deuren des doods zijn gesloten, dat tot in eeuwigheid toe mijn schande en mijn rouw moeten duren!" Argus, met oogen bezaaid, den treurenden vader terugdringt en, aan den vader ontrukt, de dochter naar andere weiden overbrengt; ver daarvandaan de hooge kruin van een heuvel inneemt, en zittend, vandaar naar alle zijden hij uitziet. Maar de Beheerscher der Goôn zulk lijden der zuster Phoroneus´ langer niet duldt. En den zoon, dien de glinst´rende dochter van Atlas baarde, hij wenkt en beveelt hem Argus om ´t leven te brengen. Snel deze bindt aan den hiel de vleugels en neemt in de sterke rechterhand mede de twijg, die slaap wekt; en dekt zich de lokken. Als dit geschied is, daalt Jupiter´s zoon uit den burcht van zijn vader neder naar de aarde omlaag. Daar legt hij, gelijk met de vleugels, zich ook het hoofddeksel af; de twijg alleen bleef hij behouden. Hier als de herder hij doet, die in eenzame streek al zijn geiten weggevoerd ziet, als hij komt, en blaast op de land´lijke rietfluit. 't Nieuwe geluid trekt van den wachter van Juno de aandacht: "Wie gij ook zijt", Argus zegt, "zet naast mij u neer op de rots hier, want op geen enkele plaats zult gij weliger gras voor uw kudde vinden; de schaduw daarbij, als gij ziet, is den herder verkwikk´lijk". Atlas´ telg zet zich neer, en lang met zijn drukke gesprekken rekt hij den spoedenden dag en tracht de waakzame oogen door het bespelen der fluit, uit stengels gevoegd, te verschalken. Argus nochtans spant zich in, den zaligen sluimer te ontwijken, en, alhoewel voor den slaap een deel zijner oogen zich sluiten, waakt hij met de andere nog; en vraagt - want kort eerst geleden had men de rietfluit ontdekt - hoe toch wel die uitvinding plaats vond?

Syrinx, regel 689-712

Hierop hem antwoordt de god: "In het koude Arcadische bergland was onder de allerschoonste Nonacrische Hamadryaden ééne Najade ´t beroemdst: de nimfen noemden haar Syrinx. Niet alleen spotte zij met de haar vervolgende Satyrs, en welke Goôn in de schaduw des wouds of de vruchtbare velden toeven; maar door haren maagd´lijken staat zoowel als haar leefwijs eer zij bewees der godin van Ortygia. Ook in haar kleeding deed aan Diana zij denken. Latona´s telg zij kon schijnen, als niet haar boog slechts van hoorn, als niet die van Phoebe van goud was, zoo zelfs bedroog zij. Toen van den Lycaeïschen berg zij terugkwam, Pan, wien het steek´lige groen van den pijnboom den schedel omkranste, naderen zag haar en sprak ... ". Hem overbleef nog te verhalen wat Pan zeide, en hoe de nimfe, zijn beden versmadend, vluchtte door ´t woud, tot den lief´lijken stroom van den zandigen Ladon zij had bereikt; hoe zij voorts, toen de golven haar ´t voortgaan beletten, smeekte de nimfen der bron een anderen vorm haar te geven; hoe, toen Pan alreeds dacht dat hij Syrinx in de armen kon sluiten, hij slechts moerasriet in plaats van het lichaam der nimf mocht omvatten; hoe, toen hij zuchtte, zijn adem, in ´t riet en de stengels bewegend, zachte geluiden, als waren het klagende tonen, deed hooren. Hoe toen de god, door de vondst en de zoetheid der klanken betooverd, sprak: "Dit dan blijve ´t bewijs dat gij met mij u verzoend hebt!" Hoe toen het speeltuig, uit stengels verschillend in lengte vervaardigd, samengevoegd met was, den naam van de maagd had behouden.

Dood van Argus, regel 713-723

Toen hij verhalen dit zou, de Cylleniër zag hoe zijn oogen alle gesloten hij had, door diepen sluimer bevangen. Zonder verwijl onderbreekt hij ´t verhaal en verzwaart nog dien sluimer door de betooverde twijg langs de lodd´rige oogen te strijken. ´t Zwaard, als een sikkel gekromd, dan aanstonds het knikkende hoofd treft, waar ´t aan den hals is gehecht, dat het bloedende rolt van de helling, en het met vlekken van bloed de steilte der rots verontreinigt. Argus, daar ligt gij! Het licht, dat tot zoo vele oogen u diende, is thans gebluscht; één nacht heeft honderd oogen bevangen! Die neemt Saturnia weg en een plaats in de veed´ren haars vogels geeft, en den staart hem versiert met die fonk´lende edelgesteenten.

Zwerftocht en verlossing van Io, regel 724-747

Aanstonds ontbrandt zij in toorn; haar wraak zij geen oogenblik uitstelt en zij de vrees´lijke Erinys voor oog en gemoed doet der bijzit rijzen uit Argolis, die met blinde prikkels haar ´t harte treft, en haar angstig door heel den kring der wereld doet vluchten. Gij eerst, o Nijlstroom, aanschouwdet het eind van haar duldeloos lijden! Nauw heeft den stroom zij bereikt, of aan den rivieroever valt zij neer op de knieën; den nek gebogen terug, zij de oogen slaat naar den Hemel omhoog - het eenigst´ waartoe zij in staat was! - en onder zuchten en tranen en somberklinkend geloei haar Jupiter smeeken men ziet en bidden om ´t eind van haar lijden. Hij met de armen den hals van zijn gemalinne omvattend, thans vraagt te staken die straf. "En", zeft hij: "wees voor de toekomst niet meer bezorgd, want nooit meer zal deze u tot verdenking aanleiding geven!" En van dien eed maakt den Styx hij getuige. Nu de godin is verzoend, krijgt Io haar oude gedaante, wordt weer wat vroeger zij was: de haren verlaten haar leden, langzaam verdwijnen de horens, de kring harer oogen wordt nauwer, ook het gelaat trekt zich saâm; terug keeren schouders en armen en zij de hoeven verliest, in vijven tot nagels gespleten. Niets aan haar is van de koe, behalve de blankheid, meer over. Recht richt de nimfe zich op, om ´t gebruik van twee voeten gelukkig. Niet nog te spreken zij waagt; bevreesd als een koe weer te loeien, tracht zij nog onsamenhangende woorden voorzichtig te uiten, zij, die thans als godin door scharen van priesters vereerd wordt!

Strijd Epaphus en Phaëthon, regel 748-779

Epaphus haar, naar men meent, uit Jupiter´s machtig geslachte eind´lijk geboren is; in de steden zijn hem en zijn moeder tempels gewijd. Hem gelijk, in jaren zoowel als in aanleg, was Phaëthon, de telg van de Zon. Als eens in zijn grootspraak fier op zijn vader, op Phoebus, den voorrang hem deze betwistte, Inachus´ spruit dit verdroot. "Gelooft gij, o dwaas, dan uw moeder?" sprak hij, "en zijt gij zoo trotsch op het beeld eens denkbeeldigen vaders?" Phaëthon bloosde en schaamte onderdrukte zijn toorn. Aan zijn moeder deelde hij, aan Clymene, het smaadwoord van Epaphus mede. "Wat u nog dieper zal grieven, o moeder", sprak hij, "ik vrijwillig zweeg, hoe verwoed ik ook was; ik schaamde mij dat men die schandtaal uitspreken kon tegen ons en ik haar niet wist te weerleggen. O, zoo ik werkelijk uit een godd´lijken stam ben gesproten, geef van die afkomst ´t bewijs en toon mij den band met den Hemel." Zoo sprak hij , en met de armen den hals zijner moeder omvattend, smeekt hij bij Merops´ bestaan en het zijne, den echt zijner zusters, hem aan te wijzen dien hij naar waarheid zijn vader mag noemen. ´t Zij Clymene door Phaëthon´s bede of door toorn werd bewogen dat men van misdaad haar durfde betichten - ten hemel de armen heffende, antwoordde zij, naar de stralen des Zonnegods ziende: "Bij dezen glans, o mijn zoon, bij deze flikk´rende stralen en bij den god die ons hoort en ons ziet, bezweer ik u dat gij werk´lijk de zoon zijt der Zon, die gij ziet, van den Heerscher der wereld! Moge hij, als ik de waarheid niet spreek, voor mijn oog zich verduist´ren, moge dit licht zijn het laatste dat ooit mijn oogen aanschouwen! Niet langen tijd gij behoeft om de woonplaats uws vaders te vinden: daar, waar hij oprijst, daar is de grens van zijn huis en het onze. Zoo u de geest daartoe drijft, maak u op dan, en vraag het hemzelven!" Aanstonds vertrekt Phaëthon, verheugd om het woord dat hij van zijn moeder vernam: in zijn geest reeds waant hij den hemel te naad´ren. Door ´t Aethiopische moederland dan en het land waar de zonne de Indiërs blakert, betreedt hij weldra het vaderlijk Oosten.

© 2017 Maarten Hendriksz