Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Philostratus de Oudere - Afbeeldingen

Bron:theoi.com

Elder Philostratus, Younger Philostratus, Callistratus. Translated by Fairbanks, Arthur. Loeb Classical Library Volume 256. London: William Heinemann, 1931.

Boek 1

1.0. Inleiding

Wie schilderijen minacht doet de waarheid geweld aan; en hij doet ook onrecht aan alle wijsheid die hem door dichters is geschonken – want dichters en schilders leveren een gelijke bijdrage aan onze kennis over de daden en het uiterlijk van helden – en onthoudt zijn eerbetoon aan de gelijkheid van verhoudingen, waarin kunst deelneemt aan de rede. In plaats van iemand die op zoek is naar een slimme theorie, de uitvinding van het schilderen behoort toe aan de goden – getuige alle ontwerpen waarmee de Seizoenen op aarde de weiden schilderen, en de verschijnselen die we aan de hemel zien – voor iemand die louter naar de oorsprong van de kunst zoekt, is namaak een aloude uitvinding en het meest verwant aan de natuur; wijze mensen vonden die uit, en noemen het nu eens schilderen, dan weer beeldende kunst.

Er zijn vele vormen beeldende kunst – beeldende kunst, of modelleren, of het namaken in brons, en het werk van hen die het Lygische- of Parische marmer bewerken, en ivoor snijden, en, volgens Zeus, de kunst van het slijpen van edelstenen is ook beeldende kunst – terwijl schilderen imiteren is met behulp van kleuren; en het maakt niet alleen gebruik van kleuren, maar deze tweede vorm van kunst bereikt op een slimme wijze zo veel meer dan alle andere vormen met hun vele mogelijkheden. Want het geeft licht en schaduw weer en de waarnemer heeft hierdoor de kans om het beeld te herkennen, nu eens van een mens die gek is, of iemand treurt of blij is. De variërende aard van heldere ogen komen niet tot hun recht in het werk van de beeldende kunstenaar; maar de ‘grijze ogen’, de ‘blauwe ogen’ en ‘zwarte ogen’ zijn alle goed zichtbaar op schilderijen; en het kastanjebruine en rode en blonde haar, en de kleur van kleding en van wapenrusting, van kamers ook en huizen en bossen en bergen en bronnen en de lucht die hen allen omhult.

Nu het verhaal van de mensen die meesters werden in de wetenschap van het schilderen, en van de landen en koningen die er passioneel door bevangen werden, door andere schrijvers is verteld, met name Aristodemus van Carië, die ik vier jaar geleden bezocht om het schilderen te bestuderen; hij schilderde met de werkwijze van Eumelus, maar met veel meer bekoorlijkheid. Deze bespreking gaat echter niet over schilders, of hun leven; maar we proberen met voorbeelden schilderijen te beschrijven in de vorm van verwijzingen die we hebben samengesteld voor de jeugd, opdat zij op deze wijze leren schilderijen te interpreteren en om te waarderen en te respecteren wat er op afgebeeld is.

De aanleiding voor deze besprekingen zijn min of meer als volgt: het was ten tijde van de openbare spelen in Napels, een stad in Italië die door Griekse cultuur minnende mensen was gesticht, en ook Grieks in hun enthousiasme voor discussies. En omdat ik mijn toespraken niet in het openbaar wilde geven, bleven de jongelui mij lastig vallen en naar het huis van mijn gastheer komen. Ik logeerde buiten de muren in een buitenwijk die op zee uitkeek, waar een zuilengalerij op vier, schat ik, of misschien vijf terrassen was gebouwd, naar het weten open en uitziend over de Tyrrheense Zee. Het zag er prachtig uit met al dat marmer dat een luxe uitstraling gaf, maar het was vooral prachtig vanwege de paneelschilderingen aan de muren, schilderijen waarvan ik vond dat zij met veel kennis van zaken waren verzameld, want zij toonden de vaardigheden van veel verschillende schilders. Het idee was al bij me opgekomen dat ik lovend over deze schilderijen moest spreken, toen de zoon van mijn gastheer, een kleine jongen, nog maar tien jaar oud en al een fervent luisteraar en leergierig, mij in de gaten hield terwijl ik van de een naar de ander ging en vroeg om ze te uit te leggen. En om te voorkomen dat hij me slecht opgevoed zou vinden, zei ik: ‘Goed, we zullen ze het onderwerp van een discussie maken zodra de jongemannen aangekomen zijn.’ En toen zij gearriveerd waren zei ik: ‘Laat ik de kleine jongen vooraan zetten en aanspreken tijdens mijn inspanningen om ze te verklaren; maar luister niet alleen instemmend, alsjeblieft, stel ook vragen als iets niet duidelijk is.’

1.1. Scamander

Is het je opgevallen, jongen, dat dit schilderij op Homerus is gebaseerd, of heb je dat gemist omdat je verwonderd was hoe ter wereld het mogelijk is dat vuur midden op water kan branden? Welnu, laten we proberen de betekenis er van te ontdekken. Wend je ogen van het schilderij af om alleen naar de gebeurtenissen te kijken waar het op gebaseerd is. Je bent vast en zeker bekend met de passage in de Ilias waarin Homerus Achilles in opstand laat komen om Patroclus te wreken, en de goden in het geweer komen om de strijd met elkaar aan te gaan. Deze strijd der goden negeert het schilderij bijna volledig, maar vertelt wel hoe Hephaistus met alle macht en middelen Scamander aanviel. Kijk nu weer naar het schilderij; het is volledig Homerus. Hier is de verheven citadel, en de kantelen van Ilium; daar de grote vlakte, groot genoeg voor het opstellen van de legers uit Azië tegen die van Europa; hier rolt het machtige vuur als een vloed over de vlakte en kruipt machtig langs de oevers van de rivier waardoor daar geen bomen overblijven. Het vuur dat Hephaistus omringt stroomt uit over het water en de Riviergod lijdt pijn en smeekt Hephaistus om genade. Maar de rivier is niet met een langharige kwast geschilderd, wat het haar is afgebrand; noch is Hephaistus als een lamme geschilderd, want hij rent; en de vlammen van het vuur zijn niet rossig of hebben het gebruikelijke uiterlijk, maar glanzen als het goud van de zonnestralen. Hiermee wordt Homerus niet langer gevolgd.

1.2. Comus

De geest Comus (Feestvreugde), aan wie de mensen hun braspartijen danken, is bij de deuren van een kamer gesitueerd – gouden deuren, denk ik dat het zijn; maar om het te begrijpen is geen eenvoudig proces, want het wordt verondersteld nacht te zijn. Toch is Nacht niet voorgesteld als een persoon, maar wordt eerder gesuggereerd door wat er gaande is; en de prachtige ingang wijst op een rijk stel dat net getrouwd is en in bed ligt. Comus is gekomen, een jongeling om de jeugdigen samen te brengen, zwak maar toch volwassen, dronken van de wijn, hoewel rechtop zittend, slaapt hij onder invloed van de drank. Terwijl hij slaapt zakt zijn hoofd naar voren waardoor de keel niet zichtbaar is, zijn oor rust op zijn linkerhand. De hand zelf, die kennelijk het oor heeft gegrepen, is ontspannen en slap, zoals gebruikelijk is bij het begin van de slaap, wanneer slaap ons en onze geest zachtjes uitnodigt om over te gaan in de gedachteloze vergetelheid; en om dezelfde reden lijkt de toorts uit zijn rechterhand te vallen als slaap die ontspant. En uit angst dat de vlammen van de toorts te dicht bij zijn been komt, buigt Comus zijn linker onderbeen naar rechts en houdt de fakkel aan zijn linkerkant, zijn rechterhand op een afstand houdend op zijn uitstekende knie zodat hij de adem van de toorts ontwijkt.

Terwijl schilders meestal de gezichten van hen die in de bloei van hun jeugd verkeren afbeelden, en zonder hen zijn de schilderijen saai en betekenisloos, heeft deze Comus bijna geen gezicht, omdat zijn hoofd voorover gebogen hangt en in de schaduw gehuld is. De moraal, denk is, is dat personen van deze leeftijd niet moeten zwelgen, uitgezonderd met gesluierde hoofden. De rest van het lichaam is scherp afgebeeld, want de toorts schijnt op elk deel ervan en zet het in het licht. De hoofdkrans van rozen moet geprezen worden, niet vanwege zijn eerlijke aanwezigheid – want het is geen moeilijke prestatie, door bijvoorbeeld met gele en donkerblauwe pigmenten, de schijn van bloemen te imiteren – maar men moet de tedere en fijngevoelige kwaliteit van de hoofdkrans prijzen. Ik prijs ook de bedauwde aanblik van de rozen, en moet ook zeggen dat ze geurig geschilderd zijn.

En wat is er nog meer feestelijks te zien? Wel, wat dacht je van de feestvierders? Hoor je de castagnetten niet en de schrille fluit en het wanordelijke gezang? De fakkels geven een zwak licht, genoeg voor de feestvierders om te zien wat er vlak voor hen gebeurt, maar niet genoeg voor ons om hen te zien. Een galmend gelach stijgt op, vrouwen haasten zich voort met mannen, uitgedost met mannensandalen en kledingstukken die op een vreemde manier zijn omgebonden; want tijdens braspartijen mogen vrouwen zich vermommen als mannen, en mannen de kleding van vrouwen aantrekken en de loop van vrouwen nabootsen. Hun hoofdkransen zijn niet vers meer, over hun hoofden getrokken tijdens het wilde draaien van de dansers, en hebben hun vreugdevolle aanblik verloren; want de vrije geest van de bloemen keurt de aanraking met de hand af omdat die hen voor hun tijd doet verdorren. Het schilderij beeldt ook de herrie uit waarmee braspartijen meestal gepaard gaan; de rechterhand met de gebogen vingers slaan op de holle palm van de linkerhand, op dezelfde manier waarop de handen cimbalen laten klinken in een koor.

1.3. Mythen

Deze Mythen zijn een verzameling rondom Aesop, die dol op hem zijn omdat hij zich volledig aan hen heeft gewijd. Want terwijl Homerus ook om mythen gaf, en Hesiodus, en ook Archilochus in zijn verzen aan Lycambes, heeft Aesop alle kanten van het menselijk leven behandeld in zijn mythen, waarin hij dieren laat spreken om een morele gedachte duidelijk te maken. Want hij beteugelt hebzucht en berispt onbeschaamdheid en bedrog, en bij dit alles zijn de dieren zijn spreekbuis – een leeuw of een vos of een paard, door Zeus, en zelfs de schildpad is niet dom – opdat kinderen door hen de zaken van het leven leren kennen. Dus komen de mythen, vereerd door Aesop, bij de deuren van een wijs man bijeen om hoofdbanden om zijn hoofd te doen en dat te kronen met de zegepalm van een wilde olijf. En Aesop, denk ik, is één of andere mythe aan het weven; zijn glimlach en op de grond gefixeerde ogen geven dit in ieder geval aan. De schilder weet dat voor het bedenken van mythen een ontspannen geest vereist is. En het schilderij toont de personen uit de mythen slim. Want het combineert dieren met mensen om een koor rondom Aesop te vormen, bestaande uit de acteurs uit zijn mythen; en de vos is als de leider van het koor geschilderd, terwijl Aesop hem meestal als slaaf gebruikt om zijn thema te ontwikkelen, net als Davus in zijn komedies doet.

1.4. Menoeceus

Dit is het beleg van Thebe, want de muur heeft zeven poorten; en het leger is dat van Polynices, de zoon van Oedipus, want er zijn in totaal zeven compagnieën. Amphiaraüs benadert hen met een moedeloos gezicht en is zich volledig bewust van dat wat het Lot voor hen in petto heeft; en terwijl de andere aanvoerders bang zijn – daarom heffen zij hun handen in gebed op naar Zeus – tuurt Capaneus naar de muren, in gedachten overwegend hoe de kantelen genomen kunnen worden door ladders te beklimmen. Tot dat moment wordt er vanaf de kantelen nog niet geschoten, omdat de Thebanen kennelijk aarzelen om het gevecht te beginnen. De slimme techniek van de schilder is prachtig. De muur omringd door gewapende mannen, schildert hij zo dat sommigen volledig te zien zijn, anderen met verborgen benen, en weer anderen vanaf hun middel zichtbaar zijn, dan weer alleen de borst van sommigen, alleen hoofden, of helmen, en uiteindelijk alleen speerpunten.

Dit, mijn jongen, is perspectief; om zo de ogen te bedriegen wanneer die naar de terugwijkende vlakken van het schilderij kijken. Maar de Thebanen zijn niet zonder ziener, want Tiresias spreekt zijn orakel uit dat betrekking heeft op Menoeceus, de zoon van Creon, hoe de stad in de toekomst vrij zal zijn door diens dood bij het drakenhol. En hij is inderdaad stervende, zijn vader is zich niet bewust van zijn lot, een voorwerp van medelijden vanwege zijn jeugd, maar gelukkig door zijn moed. Kijk naar het werk van de schilder! Hij schildert de jongeman niet bleek, niet het kind uit een rijk gezin, maar moedig en rustig ademend, alsof het de keus van de ‘honingkleurige’ jeugd was die de zoon van Ariston loofde; en hij voorzag hem van een diepgebruinde borst, stevige lendenen met welgevormde heupen en dijen; er schuilt kracht in zijn schouders en zijn soepele nek; hij heeft ook lang haar, maar niet het lange haar van de weelde. Daar staat hij bij het drakenhol, met het zwaard dat al in zijn zij steekt afgebeeld. Laten we naar het bloed kijken, mijn jongen, dat onder de plooien van onze kleding stroomt; want het stroom naar buiten, en de ziel staat op het punt hem te verlaten, en over een tel zul je zijn brabbelende kreet horen. Want zielen houden ook van prachtige lichamen en hebben er een hekel aan om er afscheid van te nemen. Terwijl zijn bloed langzaam opwelt, zakt hij op zijn knieën en verwelkomt de dood met zachte en mooie ogen en lijkt het alsof hij gaat slapen.

1.5. Dwergen

Bij de Nijl spelen de Dwergen, kinderen niet groter dan hun naam doet vermoeden; en Nilus houdt om vele redenen van hen, maar voornamelijk omdat zij zijn overstromingen aan de Egyptenaren bekend maken. In ieder geval komen zij dichterbij en komen schijnbaar uit het water naar hem toe, sierlijke zuigelingen en glimlachend, en ik denk dat zij ook de gave van het spreken bezitten. Sommigen zitten op zijn schouders, sommigen houden zijn lokken vast, sommigen slapen in zijn armen, en sommigen stoeien aan zijn borst. En hij geeft hen bloemen, aan sommigen op zijn schoot en in zijn armen, zodat zij die tot kransen kunnen weven en, zelf heilig en geurig, een bloemenbed hebben om op te slapen.

En de kinderen klimmen op elkaar met een sistrum in hun handen, muziekinstrumenten waarvan de rivier aan het geluid gewend is. Krokodillen en nijlpaarden, die sommige kunstenaars op hun schilderijen associëren met de Nijl, liggen nu in diepe kolken om de kinderen niet bang te maken. Maar het is zeker dar de Nijl is afgebeeld, mijn jongen, door symbolen van landbouw en scheepvaart, en om de volgende reden: tijdens diens overstroming staat Egypte open voor schepen; daarna, wanneer het water is opgezogen door de velden, schenkt het de mensen een vruchtbaar land om te bebouwen; en in Ethiopië, waar hij ontspringt, waakt een godheid er als beheerder over, en is degene die het water in de juiste seizoenen weg stuurt. Deze godheid is hoog in de hemel geschilderd, en hij zet zijn voet op de bronnen, met zijn hoofd voorover gebogen als Poseidon. De rivier is kijkt naar hem op, en bid dat er veel nakomelingen zullen komen.

1.6. Erossen

Kijk, Erossen zijn appels aan het verzamelen; en als het er veel zijn, wees dan niet verbaasd. Want het zijn de kinderen van Nimfen die over alle sterfelijke rassen heersen, en zij zijn met velen vanwege de vele dingen waar men van houdt; en zij zeggen dat het de hemelse liefde is die de zaken van de goden in de hemel beheert. Vang je iets op van de geur die boven de tuin zweeft, of zijn je zintuigen afgestompt? Maar luister goed; want samen met mijn beschrijving van de tuin zal ook de geur van de appels tot je komen.

Hier staan rechte bomenrijen met daartussen ruimte om in te lopen, en mals gras begrenst de paden, bruikbaar als bed om op te slapen. Aan de uiteinden van de takken nodigen gouden, rode en gele appels de hele zwerm Erossen uit om geoogst te worden. De pijlenkokers van de Erossen zijn bezaaid met goud, een ook de pijlen daarin zijn van goud; maar de hele groep fladdert zonder hen onbelemmerd in het rond, want zij hebben hun pijlenkokers aan de appelbomen gehangen; en in het gras liggen hun geborduurde mantels, die ontelbare kleuren bezitten. Ook hebben de Erossen geen hoofdkransen op hun hoofden, want hun haar volstaat. Hun vleugels zijn donkerblauw en paars en in enkele gevallen goudkleurig, zij wieken door de lucht en maken harmonieuze muziek. Ah, de manden waarin zij de appels verzamelen! Wat een overvloed aan kwartssteen, van smaragden, siert hen, en de parels zijn echte parels; maar dit vakmanschap moet aan Haiphestus toegeschreven worden! Maar de Erossen hebben geen ladders nodig die door hem zijn gemaakt om bij de takken te komen, want zij vliegen naar de takken waar de appels hangen.

Om maar niet te spreken over de Erossen die dansen, rennen of slapen, of hoe zij genieten van het eten van de appels, laat ons zien wat de betekenis van deze anderen is. Want hier zijn er vier van hen, de mooiste van allen, afgezonderd van de rest; twee van hen gooien appels heen en weer, en het tweede paar is bezig met boogschieten, de een schiet op zijn metgezel en deze laatste schiet terug. Er is geen enkel spoor van vijandigheid op hun gezicht te zien; zij bieden eerder hun borstkassen aan, zodat de pijlen hen kunnen doorboren, geen twijfel aan. Het is een prachtig raadsel; kom, laten we zien of ik de bedoeling van de schilder kan begrijpen. Dit is vriendschap, mijn jongen, en, en het verlangen van de een naar de ander. Want de Erossen die het balspel spelen met de appel beginnen verliefd te worden, en dus kust de een de appel voordat hij die gooit, en houdt de ander zijn handen op om hem te vangen, kennelijk met de bedoeling om die op zijn beurt te kussen en dan terug te gooien; maar het stel dat aan het boogschieten is bevestigen een liefde die al aanwezig is. Met andere woorden, het eerste stel speelt met de bedoeling om verliefd te worden, terwijl het tweede paar pijlen schiet omdat zij niet kunnen stoppen uit begeerte.

En wat de Erossen betreft die verder weg staan, omringd door vele toeschouwers, die komen geestdriftig op elkaar af en zijn bezig met een soort worstelwedstrijd. Ik zal de worsteling ook beschrijven, omdat je er oprecht nar verlangt. De een is bliksemsnel op de rug van zijn tegenstander gesprongen, en knijpt diens keel dicht om hem te verstikken, en omvat hem met zijn benen; de ander geeft niet op, maar worstelt rechtop staand en probeert de hand los te maken die hem verstikt door de vingers achterover te buigen totdat de ander zijn grip niet meer kan volhouden. Vol pijn bijt de Eros wiens vinger achterover is gebogen in het oor van zijn tegenstander. De Erossen die toekijken zijn boos op hem omdat dit oneerlijk is en in strijd met de regels van het worstelen, en bekogelen hem met appels.

Laten we ook de haas niet vergeten, maar ons aansluiten bij de Erossen die op hem jagen. Het schepsel zat zich onder de bomen te voeden aan de appels die op de grond waren gevallen en ze half opgegeten achterlaat; maar de Erossen jagen hem van plek naar plek en laten hem telkens halsoverkop wegspringen, de een door in zijn handen te klappen, anderen door te schreeuwen, en weer anderen door met hun mantel te zwaaien; sommigen vliegen er schreeuwend boven, anderen gaan hem op hun voeten rennend achterna, en één van hen trekt een sprint met de bedoeling zich op het dier te werpen. Het wezen verandert van koers en een andere Eros probeert hem bij zijn poot te pakken, maar slipt net weg als hij hem wil grijpen. Dus wierpen de Erossen zich, lachend, op de grond, de een op z’n zij, anderen op hun rug, maar allen met zeer teleurgesteld. Maar er wordt niet met pijlen op de haas geschoten, omdat ze hem levend proberen te vangen als uiterst aangenaam offer aan Aphrodite. Want jij weet, denk ik, wat er over de haas gezegd wordt, dat het een buitengewone gave van Aphrodite bezit. In ieder geval wordt er gezegd dat het vrouwtje terwijl ze de jongen zoogt die ze heeft gebaard, een ander nest draagt om dezelfde melk te delen; ze wordt onmiddellijk weer zwanger, en is er nooit een moment waarop ze geen jongen draagt. Wat het mannetje betreft, hij verwekt niet alleen veel nakomelingen op de wijze zoals mannetjes dat doen, maar baart zelf ook jongen, in tegenstelling tot de natuur. En perverse minnaars hebben in de haas een bepaalde kracht ontdekt om liefde te bewerkstelligen, in een poging om het voorwerp van hun affectie binnen te halen door een bepaald dwingend middel.

Maar laten we deze zaken overlaten aan slechte mensen die het niet verdienen dat zij liefde terug ontvangen, maar kijk, alsjeblieft, naar Aphrodite. Maar waar is ze in welk deel van gindse boomgaard? Zie je die overhangende rots waaronder het blauwste water uit een bron ontspringt, fris en helder om te drinken, dat in kanaaltjes verdeeld is om de appelbomen te irrigeren? Wees er van overtuigd dat Aphrodite daar is, waar de Nimfen, ik twijfel er niet aan, een heiligdom voor haar hebben opgericht, omdat ze hen tot moeders van de Erossen heeft gemaakt en daarom met veel kinderen zijn gezegend. De zilveren spiegel, die vergulde sandaal, de gouden broches, ze hangen daar niet zonder doel. Zij verkondigen dat zij aan Aphrodite toebehoren, en haar naam is op hen gegraveerd, en men zegt dat het geschenken van de Nimfen zijn. En de Erossen brengen de eerste oogst appels, en gaan verzamelend rond terwijl zij bidden dat hun boomgaard goed zal gedijen.

1.7. Memnon

Dit is het leger van Memnon; zij hebben hun wapens terzijde gelegd, en baren het lichaam van hun aanvoerder op om bij te rouwen; hij werd in de borst getroffen, denk ik, door een speer van essenhout. Want als ik die grote vlakte met tenten zie en een verschanst legerkamp en een door muren omringde stad, ben ik er van overtuigd dat dit Ethiopiërs zijn en dat die stad Troje is en dat dit Memnon is, de zoon van Eos, waar over gerouwd wordt. Toen hij Troje te hulp kwam, werd hij gedood door de zoon van Peleus, zeggen ze, hoewel hij machtig was en waarschijnlijk geen greintje minder waard dan zijn tegenstander. Merk op hoe groot hij is zoals hij daar op de grond ligt, en hoe lang zijn gekrulde haren zijn, die hij liet groeien, zonder twijfel, opdat hij die aan de Nijl kon wijden; want hoewel de mond van de Nijl aan Egypte toebehoort, behoren de bronnen aan Ethiopië toe. Kijk naar zijn lichaam, hoe sterk het is, ondanks dat het licht uit zijn ogen is verdwenen; kijk naar zijn donzige baard, hoe die overeenkomt met zijn jeugdige moordenaar. Je zou niet zeggen dat de huid van Memnon echt zwart is, want het zwart vertoont een rossige kleur.

En wat de goden van de hemel betreft, het rouwen van Eos over haar zoon zorgt ervoor dat de Zon terneergeslagen is en Nacht smeekt om vroegtijdig te komen om het vijandige leger te beteugelen, zodat zij in staat is om haar zoon weg te halen, zonder twijfel met toestemming van Zeus. En kijk! Memnon is gestolen en bevind zich nu aan de rand van het schilderij. Waar is hij? In welk deel van de wereld? Er is nergens een graf van Memnon te zien maar in Ethiopië wordt hij veranderd in een standbeeld van zwart marmer . Hij wordt uitgebeeld als een zittend persoon, maar de gedaante is die van gindse Memnon, als ik mijn niet vergis, en de stralen van de zon vallen op het beeld. Want de zon, de lippen van Memnon beroerend als het spectrum de snaren van een lier, lijken zijn stem op te roepen, en de Godin van de Dageraad vindt troost bij deze spraakmakende lippen.

1.8. Amymone

De zeereis van Poseidon ben je denk ik tegengekomen in Homerus, toen hij uit Aegae op weg ging om zich bij de Achaeërs te voegen, de zee is kalm, hem begeleidend met zeepaarden en zeemonsters; want in Homerus volgen zij Poseidon als reekalveren zoals zij dat hier op het schilderij doen. Je denkt wellicht, zo kan ik me indenken, aan paarden van het land – want Homerus stelt dat zij ‘bronshoevig’ zijn en ‘snelvliegend’ en ‘voortgedreven door de zweep’ – maar hier zijn het zeepaarden die de wagen trekken, wezens met zwemvliesachtige hoeven, goede zwemmers, blauwogig, en, vanwege Zeus, in alle opzichten lijkend op dolfijnen. In Homerus lijkt Poseidon boos te zijn, en gekweld door Zeus vanwege het terugtrekken van het Griekse leger en omdat deze de strijd in hun nadeel lijkt te sturen; terwijl hij hier stralend is afgebeeld, met een vrolijke blik, en enorm geroerd vanwege verliefdheid.

Want de aanblik van Amymone, de dochter van Danaüs, als zij het water van Inachus bezoekt, overweldigt de god en begint het meisje te achtervolgen, dat nog niet weet dat ze bemind wordt. In ieder geval maken de schrik van het meisje, haar beven, en het vallen van de gouden kruik uit haar handen duidelijk dat Amymone verbijsterd is en geen idee heeft met welk doel Poseidon zo haastig de zee verlaat; en zoals haar natuurlijke bleekheid, die wordt verlicht door het goud van de kruik, zo wordt zijn straling weerspiegeld in het water. Laten we ons terugtrekken, mijn jongen, en het meisje met rust laten; want er rolt al een golf over het huwelijk, en hoewel het water nog steeds helder en doorschijnend van voorkomen is, zou Poseidon het nu met een paarse kleur schilderen.

1.9. Het moeras

De aarde is nat en draagt biezen en riet, waardoor vruchtbare moerassen ‘onbezaaid en onbebouwd’ groeien, en er tamarisken en moerasgras worden geschilderd; want dit zijn moerasplanten. De plek is omringd door hemelhoge bergen, niet allemaal hetzelfde; want sommigen van hen zijn bedekt met bomen die een lichtere bodem suggereren, anderen met weelderige cipressen verkondigen dan hun bodem van klei is, en gindse sparren – wat kunnen zij anders betekenen dan dat de berg door stormen geteisterd wordt en ruig is? Want sparren houden niet van een rijke bodem of geven om warmte; dus is hun plek op afstand van de vlakten, omdat ze vanwege de wind makkelijker in de bergen groeien. Bronnen ontspringen uit de bergflanken; en terwijl zij neerstromen om hun water beneden te vermengen, wordt de vlakte een moeras; echter geen wanordelijk moeras of van het soort dat met modder is vervuild; maar de loop van het water wordt op het schilderij net als in de natuur, wijs in alle dingen, in een richting gestuurd, en de rivier meandert in vele bochten, rijk aan peterselie en geschikt voor trekkende watervogels.

Want zie je de eenden, ik ben er zeker van, hoe zij over het wateroppervlak scheren en het water van hun snavel wegblazen. En wat te denken van de groep ganzen? Inderdaad, ook zij zijn geschilderd in overeenstemming met hun aard, en rusten op het water of vliegen er vlak boven. En die langpotige vogels met grote snavels, je herkent ze ongetwijfeld als buitenlands, de vogels zijn subtiel gekleurd met elk een verschillend verenkleed. Ook hun houdingen zijn verschillend; de een staat op een poot op een rots te rusten en dan de anderen, een droogt zijn veren, een strijkt ze glad, een ander heeft een prooi uit het water gegrepen, en weer een ander heeft zijn kop naar het land gebogen om zich met iets te voeden.

Geen wonder dat zwanen worden bereden door Erossen; want deze goden zijn ondeugend en vatbaar om met deze vogels te spelen, dus laten we er niet langslopen zonder hun rijgedrag op te merken of het water waarin deze scène zich afspeelt. Dit is inderdaad het mooiste water van het moeras, direct van de bron komend, en vormt een poel van uitzonderlijke schoonheid. In het midden van de poel knikken amaranten alle kanten op, lieflijke trossen die het water met hun bloesem bekogelen. Precies onder deze trossen berijden Erossen met gouden teugels heilige vogels, een geeft hen de vrije loop, een ander houdt juist in, een ander keert, en weer een ander draait rond de doelpaal. Stel je voor dat je hen hoort aanzetten op hun zwanen, en dreigen en joelen naar de anderen – want dat is allemaal op hun gezichten te zien. De een probeert zijn buurman te laten vallen, een ander heeft dat al gedaan, weer een ander is blij dat hij tijdens de wedren van zijn vogel is gevallen om een bad te kunnen nemen. Op de oevers rondom staan de meer muzikale zwanen, die een hoog-tonig wijsje zingen, denk ik, zoals dat bij deelnemers past. De gevleugelde jeugd die je kunt zien is een indicatie dat er een lied gezongen wordt, want hij is de wind Zephyrus en geeft zwanen de grondtoon voor hun lied. Hij is als een tedere en sierlijke jongen getekend met de kenmerken van de zuidwestenwind, en de vleugels van de zwaan zijn uitgeslagen zodat de bries hen kan beroeren.

Zie, er ontspringt ook een rivier uit het moeras, een breed kabbelend beekje, en geitenhoeders en schaapherders steken die over via een brug. Als je de schilder wilt loven om zijn geiten, omdat hij ze over elkaar heen springend en vatbaar voor kattenkwaad heeft geschilderd, of zijn schapen omdat hun gang bedaard is alsof hun vacht een last is, of omdat je wil blijven stilstaan bij de fluiten of hen die ze bespelen – de manier waarop ze met geplooide lippen blazen – dan zouden we een onbeduidend deel van het schilderij loven en een deel dat uitsluitend met nabootsing te maken heeft; maar we moeten niet de bekwaamheid of de manier van gepastheid prijzen die het toont, hoewel die, denk ik, de belangrijkste elementen van de kunst zijn. Waarin schuilt dan zijn bekwaamheid? De schilder heeft een brug van dadelpalmen over de rivier gesitueerd, en daar is een zeer goede reden voor; want in de wetenschap dat palmen zowel mannelijk als vrouwelijk zijn, en wat ik over hun huwelijken heb gehoord, dat mannelijke bomen hun bruiden uitkiezen door naar vrouwelijke bomen te buigen en hen te omarmen met hun takken, heeft hij een palm van de ene sekse op de ene rivier geschilderd en een van de andere sekse op de andere rivier. Daarop wordt de mannelijke boom verliefd en buigt en strekt zich uit over de rivier; en omdat hij niet in staat is om de vrouwelijke boom te bereiken, die nog steeds op een afstand staat, ligt hij bijna plat over het water en verleent diensten door het water te overbruggen, en is het een veilige brug voor mensen om over te steken vanwege de ruwheid van de bast.

1.10. Amphion

De kunstzinnige lier, zo wordt verteld, is uitgevonden door Hermes, die deze maakte van twee hoorns en deze verbond met het schild van een schildpad; hij liet hem eerst aan Apollo en de Muzen zien, toen aan Amphion van Thebe. En Amphion, aangezien Thebe in zijn tijd nog geen ommuurde stad was, richtte zijn muziek op de stenen, en de stenen kwamen aansnellen toen zij hem hoorden. Dat is het onderwerp van dit schilderij.

Kijk goed naar de eerste lier, om te zien of deze waarheidsgetrouw is geschilderd. De hoorn is de hoorn van een springbok, zoals de dichters zeggen, en wordt door de muzikant gebruikt voor zijn lier en door de boogschutter voor zijn boog. De hoorns, die je bekijkt, zijn zwart en gebogen en formidabel voor de aanval. Al het benodigde hout voor de lier is van een buxus, stevig en vrij van kwasten – er is nergens ivoor op de lier te ontdekken, want men kende de olifant nog niet of dat men gebruik kon maken van hun slagtanden. Het schild van de schildpad is zwart, maar de beeldvorming is nauwkeurig en natuurgetrouw in dat opzicht dat het oppervlak bedekt is met onregelmatige cirkels die elkaar raken en gele ogen bevatten; en de onderste einden van de snaren onder de brug liggen dicht op het schild en zijn vastgemaakt aan knoppen, terwijl het lijkt alsof de snaren tussen de brug en de dwarsbalk geen ondersteuning hebben, deze schikking van de snaren lijkt kennelijk het beste afgestemd om ze strakgespannen op de lier te houden. En wat zegt Amphion? Zijn geest houdt hij zeker afgestemd op de lier, en hij heeft zijn mond een klein beetje open, net genoeg voor een zanger. Zonder twijfel zingt hij een hymne voor de Aarde omdat zij, schepper en moeder van alle dingen, hem zijn muren geeft, die uit eigen beweging oprijzen.

Zijn haar is prachtig en waarheidsgetrouw afgebeeld, zoals dat warrig van zijn voorhoofd afhangt en zich vermengt met de donzige baard bij zijn oor, en een glimpje goud vertoont; maar het is nog mooier waar het bijeen wordt gehouden door de hoofdband – de hoofdband die ‘door de Gratiën gemaakt is, een zeer mooie versiering’, zoals de dichters van de Heilige Verzen zeggen – en geheel in overeenstemming met de lier. Mijn oordeel is dat Hermes beide gaven aan Amphion schonk, zowel de lier als de hoofdband, omdat hij door liefde voor hem werd overvallen. En de chlamys die hij droeg, wellicht kwam die ook van Hermes; want de kleuren bleven niet hetzelfde maar veranderden telkens en namen alle kleuren van de regenboog aan. Amphion zit op een lage heuvel, de maat slaand met zijn voet en de snaren met zijn rechterhand beroerend. Zijn linkerhand speelt ook, met gestrekte vingers, een opvatting waarvan ik dacht dat alleen de beeldende kunst zich aan waagde. Wel, hoe zit het met de stenen? Ze rennen allemaal richting zanger, ze luisteren, en vormen zich tot een muur. Op één punt is de muur klaar, een ander deel komt op, en bij weer een ander deel is net de fundering gelegd. De stenen wedijveren met elkaar, en zijn gelukkige, en toegewijde slaven van de muziek; en de muur heeft zeven poorten, net zoals de lier die zeven snaren heeft.

1.11. Phaëthon

De tranen van Helius’ dochters zijn van goud. Het verhaal is dat deze werden vergoten voor Phaëthon; want in zijn hartstocht om te rijden beklom deze zoon van Helius het rijtuig van zijn vader, maar, omdat hij de teugels niet stevig in handen hield veroorzaakte hij veel verdriet en viel in de Eridanus – volgens wijze mannen wijst dit verhaal op de overmacht van het vurige element in de natuur, maar voor schilders en dichters zijn het slechts een rijtuig en paarden – en tijdens zijn val raakte de hemel in verwarring. Zie! Nacht verdrijft Dag vanaf de middag uit de hemel, en de bol van de zon sleept de sterren mee als deze richting aarde duikt. De Horen verlaten hun posten bij de poorten en vluchten in de somberheid die opkomt om hen te ontmoeten, terwijl de paarden hun juk afwerpen en zich woest voorthaasten. Wanhopig verheft Aarde smekend haar handen, als de woeste brand haar nadert.

Nu wordt de jongeling uit het rijtuig gesmeten en valt halsoverkop naar beneden – zijn haar staat in brand en zijn borstkas smelt door de hitte; zijn val zal in de rivier Eridanus eindigen en deze stroom voorzien van een mythisch verhaal. Want de zwanen die uiteen werden gejaagd, zoete tonen zingend, bezongen de jongeling; en groepen zwanen die opstegen zullen het verhaal voor Cayster en Istrus zingen; noch zal enige andere plek het vreemde verhaal niet horen. En zij zullen Zephyrus, lichtvoetige god van heiligdommen langs de weg, hebben om hun lied gezelschap te houden, want er wordt verteld dat Zephyrus een verdrag met de zwanen sloot om hen te vergezellen bij de muziek van de klaagzang. Deze overeenkomst wordt zelfs nu nog nageleefd, want zie! De wind speelt met de zwanen als met muziekinstrumenten. En van die vrouwen op de oever, nog niet volledig veranderd in bomen, zegt men dat de dochters van Helius vanwege het ongeluk van hun broer transformeerden in bomen, en dat zij tranen weenden.

Het schilderhij herkent dit verhaal, want het toont wortels aan de uiteinden van hun tenen, terwijl sommigen, daar, al tot hun middel bomen zijn, en takken de armen van anderen hebben vervangen. Kijk naar het haar, dat zijn bladeren van populieren! Kijk naar de tranen, zij zijn goudkleurig! Terwijl de aanzwellende stroom tranen in hun ogen glinsteren lijken de heldere pupillen stralen van licht aan te trekken, en de tranen op hun wangen glinsteren temidden van een rossige gloed, maar de tranen die op hun borsten druppelden zijn in goud veranderd. Ook de rivier weeklaagt, oprijzend uit het wervelende water, zijn boezem aanbiedend om Phaëthon te ontvangen – want zijn houding is van iemand die gereed is om te ontvangen – en weldra zal hij de tranen van Helius’ dochters oogsten.; want de winden, en de kilte die zij uitademen, zullen de tranen van de populieren veranderen in steen, en als ze vallen door zijn heldere water geleiden naar de barbaren aan de grens van de wereld.

1.12. Bosporus

De vrouwen op de oever zijn aan het schreeuwen, en zij lijken de paarden aan te sporen de jonge ruiters niet af te werpen of het bit te versmaden, maar deel te nemen aan het spel door hard te lopen; en zij, denk ik, luisteren en doen wat hen is opgedragen. Als de jongelingen de jacht hebben beëindigd en hun maaltijd genuttigd, vervoert een boot hen van Europa naar Azië, ongeveer vier stadiën, want deze afstand scheidt de landen – en roeien zelf naar de overkant.

Kijk, ze werpen een touw uit, en worden door een huis ontvangen, een bevallig huis dat haar kamers en zalen toont en een indruk van ramen, dat omgeven is met een muur en borstweringen voor de verdediging. Het mooiste kenmerk ervan is een halfronde zuilengang die de bocht van de kust volgt, met een geelachtige kleur van de stenen waaruit deze is opgebouwd. De stenen worden gevormd in bronnen; want uit de bergen van Neder-Phrygië vloeit een warme stroom die sommige steengroeven onder water zet waardoor de rotsen verzadigd worden met water en de uitkomende rotsblokken verschillende kleuren vertonen . Want de rivier is smerig waar deze traag stroomt en veroorzaakt daar een gele kleur; maar waar het water helder is worden kristalheldere stenen gevormd, en door de vele scheuren veroorzaakt dit in de steen verschillende kleuren.

De hoge kaap wekt de suggestie voor het volgende verhaal: een jongen en een meisje, beiden beeldschoon die samen naar school gaan, branden van liefde voor elkaar; en omdat niet wordt toegestaan elkaar te omarmen, besluiten zij samen op deze rots te sterven, en springen in zee terwijl zij elkaar voor het eerst en het laatst omarmen. Eros die op de rotsen staat strekt zijn hand uit naar de zee, de symbolische suggestie van de schilder voor het verhaal.

Vlakbij leeft een vrouw alleen in een huis; vanwege opdringerigheid van vrijers is zij uit de stad verdreven; want die wilden met haar trouwen, en achtervolgden haar meedogenloos met hun aandacht en geschenken om te verleiden. Maar zij, denk ik, hen aansporend met haar hooghartige houding, kwam in het geheim hierheen waar zij dit veilige huis bewoont. Kijk maar hoe veilig het is: een klip die in zee steekt, de terugwijkende basis wordt door golven omspoeld, en, voorover hellend, draagt het huis boven zee, een huis waar de zee donkerblauwer onder lijkt als ogen naar beneden kijken, en het land heeft alle kenmerken van een schip behalve dat het niet beweegt. Hoewel ze deze versterkte plek heeft bereikt geven haar minnaars het niet op, maar komen met de boot, de één in een boot met een donkere boeg, de ander met een goudkleurige boeg, of in allerlei andere bontgekleurde vaartuigen, een brassende groep achtervolgt haar, allen beeldschoon en getooid met bloemenkransen. Eén speelt op een fluit, een ander applaudisseert, en weer een ander lijkt te zingen; en ze werpen hun kransen en kussen naar haar toe. Maar nu roeien ze niet langer meer, ze stoppen met bewegen en komen tot rust bij de kaap. De vrouw staart in haar huis naar het tafereel als vanaf een uitkijkpost en kijkt lachend neer op de brassende menigte, snoevend dat zij haar minnaars dwingt niet alleen te komen varen maar ook naar haar toe moeten zwemmen.

Als je naar andere delen van het schilderij kijkt, zul je kuddes zien, en het vee horen loeien, en de muziek van de herdersfluit zal in je oren weerklinken; en je zult de jagers en boeren aantreffen en rivieren en poelen en bronnen – want het schilderij geeft het beeld weer van de dingen die er zijn, of zaken die zijn gebeurd, en in sommige gevallen de manier waarop zij hebben plaatsgevonden, niet de waarheid minachtend vanwege het aantal objecten dat wordt getoond, maar de ware aard van elke afbeelding definiërend net alsof de schilder slechts één ding wilde afbeelden – totdat we bij een heiligdom komen. Je ziet gindse tempel, ik ben er zeker van, de zuilen die het omringen, en het baken van licht dat bij de ingang is opgehangen om schepen te waarschuwen die op de Zwarte Zee varen.

1.13. Bosporus

‘Waarom ga je niet naar een ander schilderij? Deze over de Bosporus heb ik genoeg bestudeerd.’ Wat bedoel je? Ik moet nog spreken over de vissers, zoals ik beloofde toen ik begon. Niet om over kleine zaken uit te weiden, maar alleen die punten welke het waard zijn om te bespreken, laten we elk verhaal weglaten over hen die met een hengel vissen of slim een mand gebruiken of wellicht een net ophalen of een drietand gebruiken – daar zul je weinig over horen, en zij zullen jou slechts versieringen op het schilderij lijken – maar laten we kijken naar de mannen die tonijn proberen te vangen, want zij zijn het waard om te bespreken daar de jacht op zo’n grote schaal wordt uitgevoerd.

Want tonijn komt vanuit de Zwarte Zee naar de Middellandse Zee, waar zij geboren worden en zich voeden met vis en droesem en plantaardig materiaal dat door de Istrus en Maeotis daar naar toe wordt gevoerd, rivieren die het water van de Zwarte Zee zoeter en beter drinkbaar maken dan dat van enige andere zee. En zij zwemmen als een slagorde van soldaten, acht rijen achter elkaar of zestien of tweemaal zestien, en zij dalen in het water, de een boven de ander zwemmend zodat de hoogte van de school gelijk is aan de breedte. Er zijn vele manieren om hen te vangen; scherpe ijzeren speren kunnen gebruikt worden of kruiden over hen heen strooien, maar ook een klein net is genoeg voor een visser die een klein gedeelte van de school wil vangen. Maar de beste manier om hen binnen te halen is deze: een uitkijk wordt in een hoge boom geposteerd, een man die snel kan tellen en scherp van blik. Zijn taak is het om zijn ogen op zee gericht te houden en zo ver mogelijk te kijken; en als hij op een moment de vissen ziet naderen, dan moet hij zo luid mogelijk naar diegene in de boten schreeuwen en het aantal vissen noemen, hoeveel duizend er zijn; en de schippers omringen hen dan met diep afgezonken netten die tezamen opgetrokken kunnen worden om een mooie vangst te maken, genoeg om de kapitein van de jacht rijk te maken.

Kijk nu naar het schilderij en je ziet precies dit gebeuren. De uitkijkpost speurt de zee af en kijkt nu eens in de ene richting en dan weer naar de andere om het aantal te bepalen; en in het heldere schijnsel van de zee variëren de kleuren van de vissen, degenen dicht aan het oppervlak lijken zwart, degenen er vlak onder zijn niet zo zwart, de nog lagere beginnen aan het zicht te ontsnappen, het lijken schimmen, en uiteindelijk zien ze er precies als water uit; want als de blik steeds dieper en dieper doordringt slinkt het vermogen om voorwerpen in het water te onderscheiden af. De groep vissers is bekoorlijk, en hun huid is bruin ten gevolge van de zon. Eén bindt een roeiriem op z’n plek, een ander roeit met gezwollen spieren, weer anderen moedigen hun buren aan, terwijl er één een ander slaat die niet aan het roeien is. Een kreet klinkt op uit de vissers nu de vissen in het net zitten. Sommigen hebben zij gevangen, sommigen zijn ze aan het vangen. En zich geen raad wetend met het grote aantal openen zij het net en laten een aantal vissen wegzwemmen en ontsnappen: zo trots zijn ze op hun vangst.

1.14. Semele

Brontes, streng van uiterlijk, en Steropes met flitsend licht in zijn ogen, en een razend vuur uit de hemel dat het huis van een koning heeft gegrepen, suggereren het volgende verhaal, dat jou wellicht bekend is. Een wolk van vuur die Thebe omhult breekt binnen in bij het huis van Cadmus wanneer Zeus met Semele komt vrijen; Semele is kennelijk vernietigd, maar Dionysus is geboren, door Zeus, denk ik, in de aanwezigheid van het vuur. En de gedaante van Semele is nog vaag zichtbaar als zij naar de hemel opstijgt, waar de Muzen een lofzang voor haar zingen: maar Dionysus springt tevoorschijn terwijl de baarmoeder van zijn moeder aan stukken wordt gescheurden laat het vuur afzwakken, zo schitterende als een helder ster straalt hij, het vuur, dat minder wordt, schetst vaag een grot voor Dionysus die innemender is dan een in Assyrië en Lydië; want er groeien weelderige takken klimop en trossen klimopbessen en wijnranken en thyrsusstengels die ontspruiten aan de welwillende aarde, waardoor sommigen zelfs in het vuur groeien.

We moeten niet verbaasd zijn dat ter ere van Dionysus het Vuur is gekroond door Aarde, want Aarde zal aan het Vuur deelnemen in Bacchantische braspartijen en maakt het mogelijk voor feestvierders om wijn uit bronnen te nemen en melk uit kluiten aarde of rotsen te melken als uit levende borsten. Luister naar Pan, hoe hij Dionysus lijkt te bezingen op de toppen van de Cithaeron, terwijl hij een dans van Dionysus uitvoert. En Cithaeron in de gedaante van een man jammert over de ellende die binnenkort op zijn hellingen zal plaatsvinden, en hij draagt een krans van klimop als kroon schuin op zijn hoofd – want hij accepteert deze kroon met veel tegenzin – en Megaera laat naast hem een spar opschieten en brengt een waterbron naar het licht, als teken, veronderstel ik, voor het bloed van Actaen en van Pentheus .

1.15. Ariadne

Dat Theseus Ariadne onrechtvaardig behandelde – hoewel sommigen zeggen dat hij dit niet met opzet deed, maar onder dwang van Dionysus – toen hij haar slapend achterliet op het eiland Naxos, dat moet je gehoord hebben van je min; want deze vrouwen zijn vaardig in het vertellen van zulke verhalen en huilen erover wanneer zij maar willen. Ik hoef niet te vertellen dat het Theseus is die je op dat schip ziet en Dionysus ginds op het land, ik neem aan dat je niet ontwetend bent en vraag aandacht voor die vrouw op de rotsen, die daar heerlijk ligt te slapen. Maar het is te vroeg om de schilder te prijzen voor dingen waavoor iemand anders ook lof toegezwaaid kan worden; want het is eenvoudig Ariadne en Theseus zo mooi te schilderen; en er zijn talloze kenmerken van Dionysus voor diegenen die hem willen uitbeelden op een schilderij of in een beeld, door een voorwerp waarmee de artiest de god kan uitbeelden.

Bijvoorbeeld klimoptrossen die een kroon vormen, zijn een duidelijk teken van Dionysus, zelfs als het vakmanschap matig is; een hoorn die uit de tempel ontspringt onthult Dionysus, en de luipaard, amper zichtbaar, is een symbool van de god; maar de schilder heeft deze Dionysus alleen gekenmerkt door liefde. Gebloemde kleding en thyrsussen en hertenhuiden zijn terzijde geschoven als niet passend voor dit moment, en de Bacchanten laten hun cimbalen nu niet klinken, noch spelen de Saters op hun fluiten, nee, zelfs Pan staakt zijn wilde dans omdat hij het slapende meisje niet wil verstoren. Zich mooi in het paars aangekleed en zijn hoofd omhuld met rozen, komt Dionysus aan de zijde van Ariadne, ‘dronken van liefde’ zoals de Teiaanse dichter zegt over diegenen die door liefde overmeesterd zijn. Wat Theseus betreft, hij is inderdaad verliefd, maar door de rook die uit Athene omhoog komt, is hij Ariadne vergeten, en heeft haar nooit gekend, en ik ben er zeker van dat hij zelfs het Labyrint vergeten is en niet kan vertellen met welke boodschap hij naar Kreta is gezeild, zo strak is zijn blik gefixeerd op datgene wat voor hem ligt. En kijk naar Ariadne, of liever hoe zij ligt te slapen; haar boezem is naakt tot aan haar middel, terwijl het hoofd achterover leunt en haar tere keel, en rechter oksel zichtbaar zijn, maar de linkerhand rust op haar mantel zodat een windvlaag haar niet kan blootstellen. Wat een heerlijk gezicht, Dionysus, en wat is haar adem zoet! Of het de geur van appels of druiven is, kun je pas vertellen nadat je haar gekust hebt!

1.16. Pasiphaë

Pasiphaë is verliefd op de stier en smeekt Daedalus iets te bedenken om het beest te lokken; en deze maakt een holle koe die er uit ziet als een koe uit de kudde waar de stier aan gewend is. Wat uit hun vereniging voortkwam wordt getoond door de Minotaurus, vreemde samwnvoeging van de natuur. Hun vereniging is hier niet afgebeeld, maar dit is de werkplaats van Daedalus; overal staan beelden, sommigen ruw uitgehakt, anderen al in een vergevorderd stadium waarbij het lijkt of zij naar voren stappen of een belofte in zich hebben om te gaan wandelen. Voor de tijd van Daedalus, weet je, waren de kunstenaars nog niet op dat idee gekomen. Daedalus zelf is van het Attische type en zijn gezicht suggereert grote wijsheid en de blik van zijn ogen is uiterst intelligent; ook zijn kleding volgt de Attische stijl, want hij draagt een saaie grove mantel en hij is zonder sandalen geschilderd, op een wijze die de Atheners ongewoon vinden. Hij zit op de constructie van de koe en gebruikt Erossen als zijn assistenten in het apparaat om het zo met iets van Aphrodite te verbinden. Kijk naar de Erossen, zij die zichtbaar zijn en de boor bedienen, en die van Zeus welke met de vijl gedeelten van de koe glad maken welke nog niet nauwkeurig zijn afgewerkt, en zij die de symmetrische proporties afmeten waar het vakmanschap van afhangt.

Maar de Erossen die met de zaag werken overtreffen alle begrip en alle vaardigheid van het uitbeelden en kleuren. Want kijk! de zaag valt het hout aan en snijdt er al doorheen, en deze Erossen houden hem aan de gang, één op de grond, een ander op de stellage, beiden om de beurt opstaand en buigend. Laten we deze beweging afwisselend beschouwen; de een staat gebogen op het punt omhoog te komen, zijn metgezel staat rechtop en lijkt te gaan bukken; degene op de grond haalt diep adem, en degene in de hoogte vult zijn longen tot aan zijn buik wanneer hij met beide handen de zaag naar beneden duwt.

Pasiphaë kijkt buiten de werkplaats naar de stier in de weide, proberend hem met haar schoonheid en mantel naar haar toe te lokken, die van goddelijke luister en mooier dan een regenboog is. Ze heeft een hulpeloze blik – want ze weet wat het wezen is dat zij liefheeft – en staat te popelen om hem te omarmen, maar deze neemt geen notie van haar en staart naar zijn eigen koe. De stier is met een trotse houding afgebeeld, de leider van de kudde, met prachtige hoorns, wit, al ervaren in de liefde, een massieve nek met een laaghangende keelkwab, en kijkt liefdevol naar de koe; maar de koe in de kudde, zich vrij bewegend en helemaal wit uitgezonderd de zwarte kop, versmaadt de stier. Want zijn doel vraagt om een sprong, als van een meisje dat de opdringerigheid van een minnaar wil ontwijken.

1.17. Hippodamia

Hier is de opwinding over de Arcadiër Oenomaüs te zien; deze mannen roepen een waarschuwing naar hem – misschien kun je het horen – en de scène is Arcadië met een deel van de Peloponnesus. Daar ligt de wagen verbrijzeld door een kunstgreep van Myrtilus. Het is een rijtuig voor een vierspan; want hoewel mannen nog niet dapper genoeg waren om een vierspan tijdens een oorlog te gebruiken, werd deze wel tijdens spelen gebruikt en geprezen, en ook de Lydiërs, een volk dat erg toegewijd is aan paarden, bestuurden er vier naast elkaar in de tijd van Pelops en gebruikten al wagens, zij bedachten later het rijtuig met bomen en, naar men zegt, waren de eersten die acht paarden naast elkaar bestuurden.

Kijk, mijn jongen, naar de paarden van Oenomaüs, hoe fel en gretig die draven, vol woede en bedekt met schuim – zulke paarden tref je vooral bij de Arcadiërs aan – hoe zwart ze zijn, ingespannen voor een monsterlijke en vervloekte daad. Kijk ook naar de paarden van Pelops, hoe wit die zijn, gehoorzaam aan de teugels, kameraden van de overtuigingskracht, zacht hinnikend alsof ze op de hoogte zijn van de komende overwinning. En kijk naar Oenomaüs, hoe hij op de Thraciër Diomedes lijkt zoals hij daar ligt, barbaars en woest van uiterlijk. Maar wat Pelops betreft, zul je, denk ik, niet de neiging hebben om te twijfelen dat Poseidon eens verliefd op hem werd vanwege zijn schoonheid toen hij op de berg Siphylus wijnschenker voor de goden was, en vanwege zijn liefde hem, hoewel nog steeds een jongen, op zijn wagen zette. De wagen reed net zo makkelijk over zee als over land, terwijl er geen druppel water op zijn as spatte, want de zee, net zo stevig als de aarde zelf, droeg de paarden.

Wat de wedstrijd betreft, Pelops en Hippodamia waren de winnaars, beiden staan op de wagen en houden elkaars handen vast; maar zijn zo verliefd dat ze op het punt staan elkaar te omarmen. Hij is op fijngevoelige Lydische wijze gekleed, en straalt een jeugdige schoonheid uit zoals je een moment geleden al opmerkte toen hij bij Poseidon om diens paarden bedelde; en zij is gekleed in een trouwjurk en heeft net haar wang ontsluierd, nu ze het recht gewonnen heeft om haar man te omhelzen. Zelfs Alpheus springt uit een draaikolk van zijn rivier om een hoofdkrans van wilde olijven voor Pelops te plukken wanneer deze langs de oevers rijdt. De heuvels langs het parcours markeren de graven van vrijers bij wier dood Oenomaüs het huwelijk van zijn dochter uitstelde, totaal dertien in getal. Maar de aarde laat nu bloemen op hun graven bloeien, opdat deze ook schijnbaar gekroond worden ter gelegenheid van Oenomaüs’ straf.

1.18. Bacchanten

Hier zijn ook, mijn jongen, scènes over de berg Cithaeron geschilderd – koren van Bacchanten, rotsen die wijn laten vloeien, nectar dat van trossen druiven druipt, en de aarde waar grond met melk wordt verrijkt. Kijk! klimop kruipt over de grond, slangen staan rechtop, en thyrsusbomen druipen, ik denk van honing. Deze spar die je op de grond ziet liggen is een grote daad van vrouwen die door Dionysus geïnspireerd zijn; hij viel toen deze Pentheus in de gedaante van een leeuw van zich afschudde en de Bacchanten hem in handen kregen. Ze scheurden hem aan stukken als hun prooi – die moeder van hem en de zussen van zijn moeder, ze rukten zijn armen af terwijl zij haar zoon aan zijn haar voortsleepte. Je zou zeggen dat ze een overwinningskreet slaken, op de wijze van hun Bacchantekreet. Dionysus staat daar waar hij hen kan zien, zijn wangen opbollend van opwinding terwijl hij de Bacchantische gesel over de vrouwen legt. Ze hebben in ieder geval geen besef wat ze aan het doen zijn, en als zij de smeekbede van Pentheus horen denken zij dat er een leeuw brult.

Dat is wat er op de berg gebeurt; maar hier op de voorgrond zien we Thebe en het paleis van Thebe waar zij rouwen om de prooi, terwijl familieleden delen van het lijk verzamelen zodat dit misschien gered kan worden voor de begrafenis. Daar ligt het hoofd van Pentheus, niet langer een dubieus ding, maar wekken zelfs het medelijden van Dionysus op - zeer jong, met een gevoelige kin en roodachtige lokken, niet omkranst met klimop of wijnranken, ze zijn ook niet verward door de fluit of Bacchantische razernij. Aan die lokken ontleende hij zijn kracht, en hij schonk kracht aan hen; maar dit was zijn waanzin, dat hij niet wou meedoen aan de waanzin van Dionysus.

We moeten ook rekening houden met de beklagenswaardige toestand van de vrouwen. Want van welke zaken waren zij zich niet bewust op de Cithaeron en van welke zaken dragen zij nu hier kennis! Niet allen heeft de waanzin hen verlaten, maar ook de kracht die zij bezaten tijdens de Bacchantische braspartij. Op de Cithaeron zie je hoe, geïnspireerd door het conflict, zij voortsnellen, de echo’s opzwepend die van de bergflanken weerkaatsen, maar hier zijn zij stil en komen tot het besef wat zij hebben gedaan tijdens hun braspartij; door de benen zakkend rust de een met haar hoofd op haar knieën, een ander op haar schouder, terwijl Agave staat te popelen om haar zoon te omarmen maar terugdeinst om hem aan te raken. Het bloed van haar zoon kleeft aan haar handen en zit op haar wangen en blote borst. Ook Harmonia en Cadmus zijn daar, maar niet zoals ze voorheen waren; want zij zijn vanaf hun dijen als slangen geworden met een geschubde huid. Hun voeten zijn verdwenen, hun heupen zijn weg, en de gedaanteverandering kruipt omhoog. Verbaasd omhelzen zij elkaar, althans datgene wat er van hun lichamen is overgebleven, opdat dit hen in ieder geval niet zal ontsnappen.

1.19. Tyrrheense piraten

Een missieschip en een piratenschip. Dionysus stuurt de eerste, aan boord van de laatste zijn Tyrrheense piraten die hun eigen zee teisteren. Het ene is een heilig schip; daarop feest Dionysus met de Bacchanten die een antwoord naar hem roepen, en orgiastische muziek klinkt over de zee, die net zo makkelijk zijn weidse oppervalk aan Dionysus schenkt als het land aan de Lydiërs doet; op het andere schip worden ze waanzinnig en vergeten te roeien en veel van hun handen zijn al verdwenen. Wat betekent die schilderij? Tyrrheense zeelui, mijn jongen, liggen op de loer voor Dionysus, als zij vernemen dat hij een verwijfde vagebond is en een goudmijn voor wat zijn schip betreft, vanwege de weelde die het vervoert, en dat hij alleen vergezeld wordt door Lydische vrouwen, Saters en fluitspelers, een oude narthexplant , Maronische wijn, en door Maron zelf.

Als zij horen dat Pan in de gedaante van een bok met hem meezeilt, plannen ze een overval om de Bacchanten voor zichzelf te nemen en Pan aan de geiten te geven, zoals die worden gefokt in het land van de Tyrrheniërs. Nu vaart het schip met een oorlogszuchtige uitrusting; want het is voorzien met boegbalken en een snavel, en aan boord zijn enterhaken en speren en stokken voorzien van zeisen. En, om er als een soort monster uit te zien bij degenen die ze ontmoeten zodat het schrik zal inboezemen, is het met heldere kleuren beschilderd, en lijkt met grimmige ogen die op de boeg zijn geschilderd te kijken, terwijl de achtersteven omhoog buigt in een dunne kromming als het einde van een vissenstaart. En wat het schip van Dionysus betreft, dat in alle opzichten een vreemd uiterlijk heeft, lijkt het alsof de achtersteven met schubben is bedekt, waar rijen cimbalen aan zijn vastgemaakt, zodat, zelfs als de Saters dronken zijn van de wijn en in slaap vallen, Dionysus niet zonder geluid voortgaat tijdens zijn reis; op de boeg is de gedaante van een gouden vrouwtjesluipaard getekend.

Dionysus is verknocht aan dit dier omdat dit het meest prikkelbare dier van alle dieren is en als een Bacchante springt. Je ziet in ieder geval het echte schepsel voor je; het zeilt met Dionysus mee en springt over de Tyrrheense Zee zonder op zijn bevel te wachten. Een thyrsus is midden uit het schip gegroeid en dient als mast, en er zijn paars geverfde zeilen aan vastgemaakt, glanzend als zij opbollen in de wind, daarin zijn gouden Bacchanten op de berg Tmolus geweven en taferelen van Dionysus in Lydië. Dat het schip overdekt lijkt met wijnstokken en klimop en druiventrossen die er boven hangen is inderdaad een wonder, maar nog prachtiger is de fontein van wijn, want het holle schip borrelt wijn op en laat dat weglopen.

Maar laten we naar de Tyrrheniërs kijken terwijl zij er nog zijn; want door de waanzinnig makende kracht van Dionysus veranderen de gedaanten van de Tyrrheniërs in dolfijnen – niet de dolfijnen die we kennen, noch die uit de zee afkomstig zijn. Eén van de mannen heeft donkere flanken, één een gladde borst, op de rug van één van hen groeit een vin, aan de ander groeit een staart, het hoofd van de een is verdwenen terwijl dat van een ander er nog is, de handen van de een smelten weg, terwijl een ander jammert over zijn verdwijnende voeten. Aan de boeg van zijn schip lacht Dionysus om het tafereel en roept opdrachten naar de visachtige gedaanten van de Tyrrheniërs, die nu goedaardig van karakter zijn in plaats van slecht. Weldra zal Palaemon op de rug van een dolfijn rijden, niet wakker, maar vooroverliggend slapend; en voor Arion bij kaap Taenarum is het duidelijk dat dolfijnen de metgezellen van mensen zijn, dol op liederen, en waardig in de strijd tegen piraten ter verdediging van mensen en de kunst van muziek.

!.20. Saters

De plaats heet Celaenae, zoals je kunt zien aan de hand van de bronnen bij de grot; maar Marsyas is vertrokken ofwel om naar zijn schapen te kijken of omdat de wedstrijd voorbij is. Prijs het water niet; want, hoewel het er rustig en kalm uitziet, zul je Olympus mooier vinden. Hij slaapt nadat hij op zijn fluit gespeeld heeft, een lieve jongen die op tedere bloemen ligt, terwijl het zweet op zijn voorhoofd zich vermengt met de dauw van de weide; en terwijl Zephyrus hem aanroept met zijn adem, ademt hij in reactie op de wind, en blaast de lucht uit zijn longen. Het riet brengt muziek voort terwijl dit naast Olympus ligt, net als het ijzeren gereedschap waarmee de gaten in de fluit zijn geboord. Een groep Saters blikt liefdevol naar de jongeman, grijnzende rossige wezens, de één verlangt ernaar om zijn borst aan te raken, een ander om zijn nek te omhelzen, en weer een ander popelt om hem te kussen; ze strooien bloemen over hem uit en aanbidden hem alsof hij een goddelijk beeld is; en de slimste van hem trekt het nog warme blaasriet uit de tweede fluit en eet dat op, denkend dat hij zo Olympus kust, en hij zegt dat hij de adem van de jongen heeft geproefd.

1.21. Olympus

Voor wie speel je op de fluit, Olympus? En welke noodzaak is er om op een verlaten plek te spelen? Er is hier geen schaapsherder, of geitenhoeder, je speelt nog niet voor de Nimfen, die prachtig zullen dansen op het geluid van jouw fluit; en ik begrijp niet waarom je plezier schept in het water bij de rots en daarin staart. Waar ben je in geïnteresseerd? Het murmelt niet als een beek en zingt geen begeleidend lied bij jouw fluit, noch hebben we het water nodig om de tijd voor je te bepalen , wij die jouw muziek graag langer zouden horen tot zelfs diep in de nacht. Als je op zoek bent naar schoonheid, schenk dan geen aandacht aan het water; want wij zijn veel bekwamer dan dat om al je bekoringen te noemen. Je ogen stralen, en die werpen vele uitdagende blikken op de fluit; je voorhoofd overschaduwt de ogen en geven betekenis aan het lied dat je speelt; je wangen lijken te trillen alsof ze dansen op de melodie, je adem bolt je wangen niet op omdat deze geheel in de fluit verdwijnt; je haar is niet onverzorgd, noch ligt het glad op je hoofd, gladgestreken met zalf zoals jongeren dat in de stad doen, maar zo droog dat het wollig lijkt, zonder de indruk te wekken van een armoedige droogte als gevolg van de frisse besproeing van gindse den.

Zo’n hoofdtooi is prachtig en uitstekend afgestemd om mooie jongelingen te verfraaien; maar laat voor meisjes bloemen groeien en hen de roze kleur voor vrouwen produceren. Je borst, moet ik zeggen, is niet alleen gevuld met lucht voor de fluit, maar ook met gedachten aan muziek en gepeins over welke muziek je zult spelen. Voor zover jouw borst in het water weerspiegeld wordt, als je op de rots voorover buigt; maar als het jouw volledige gestalte zou weerspiegelen, zou het je borst niet zo liefelijk tonen als in het echt; want weerspiegelingen in het water zijn slechts oppervlakkig, onvolmaakt omdat het beeld daarop ingekort wordt. Het feit dat jouw refelctie in de bron door rimpelingen wordt gebroken is een gevolg van het blazen door de fluit, of wordt alles dat we zien door Zephyrus veroozaakt, die jou inspireert, de fluit spant zich in, en de bron wordt geroerd door het fluitspel.

1.22. Midas

De Sater slaapt; laten we met zachte stem over hem spreken, zodat we hem niet wakker maken en de scène voor ons bederven. Midas heeft hem met wijn gevangen op de berghellingen in Phrygië, zoals je kunt zien, door met wijn de bron te vullen waar hij naast ligt en tijdens zijn slaap de wijn uitbraakt. De hartstocht van Saters is bekoorlijk als zij dansen, en bekoorlijk is hun vrolijkheid als ze lachen; ze houden van het leven, edele wezens die het zijn, en onderwerpen de Lydische vrouwen aan hun wil met hun kunstzinnige vleierijen. En dit gaat ook voor hen op: zij worden op schilderijen afgebeeld als onversaagde, warmbloedige wezens, met grote oren, mager rond de heupen, zeer ondeugend, met de staart van een paard. De Sater die door Midas gevangen is wordt hier uitgebeeld zoals Saters er in het algemeen uitzien, maar hij slaapt als gevolg van de wijn, zwaar ademend als een dronkaard. Hij heeft de hele bron eenvoudiger leeggedronken dan iemand anders een beker, en de Nimfen dansen, de Sater bespottend omdat hij in slaap is gevallen. Kijk hoe sierlijk Midas is en zijn gemak neemt! Hij gaat voorzichtig om met zijn hoofdtooi en krullende lokken, hij heeft een thyrsus in handen en draagt een mantel van geweven goud. Kijk naar de lange oren, die aan zijn schijnbaar aanlokkelijke ogen een slaperige blik geven en hun charme in matheid omzetten; want het schilderij geeft opzettelijk aanwijzingen dat dit verhaal al op papier is onthuld en bekend bij de mensen in het buitenland, omdat de aarde niet kon verzwijgen wat zij hoorde.

1.23. Narcissus

De poel tekent Narcissus, en het schilderij toont beiden bij de poel en het hele verhaal van Narcissus. Een jongeman die net teruggekeerd is van de jacht staat gebogen boven de poel, en wordt van binnen aangetrokken door een soort verlangen omdat hij verliefd is op zijn eigen schoonheid; en, zoals je ziet, verspreidt hij een schittering over het water. De grot is heilig voor Acheloüs en de Nimfen, en de scene is realistisch geschilderd. Want de standbeelden zijn van een ruwe vorm uit lokale steen gemaakt; sommigen van hen zijn afgesleten door de tijd, anderen zijn kapot gemaakt door jonge kinderen van koeherders of schapenhoeder die zich nog niet bewust waren van de aanwezigheid van een god. Ook de poel heeft een relatie met de Bacchantische riten van Dionysus, want hij heeft de wijnpers aan de Nimfen onthuld; in ieder geval is deze overhuift met wijnstokken en klimop en prachtige kruipende planten, en met overvloedige druiventrossen en bomen die de thyrus leveren, en muzikale vogels die zich er boven vermaken, elk met zijn eigen tonen, en witte bloemen groeien rond de poel, nog niet in de bloei maar juist opkomend ter ere van de jeugd.

Het schilderij vertoont zo’n grote eerbied voor de realiteit dat het zelfs dauwdruppels die van bloemen druipen toont en bijen die op bloemen zitten – net of een echte bij is misleid door de geschilderde bloemen of wij misleid moeten worden en denken dat de geschildere bij echt is, ik weet het niet. Maar laten we daar aan voorbijgaan. Maar wat jou betreft, Narcissus, is het geen schilderij dat jou bedrogen heeft, noch ben je in beslag genomen door een ding van pigmenten of was; maar je realiseert je niet dat het water jou precies zo weerspiegelt als je bent terwijl je er in staart, noch kijk je door de list van de poel heen, hoewel je om dat te doen alleen je hoofd maar hoeft te bewegen of je gelaatsuitdrukking veranderen of langzaam je hand te bewegen, in plaatrs van in dezelfde houding te blijven staan; maar door te doen alsof je een metgezel hebt ontmoet, wacht je op een beweging van zijn kant. Verwacht je dan dat de poel een gesprek met je begint? Nee, deze jongeman hoort niets van wat wij zeggen, hij is met al zijn ogen en oren ondergedompeld in het water, en wij moeten dit schilderij dus zelf interpreteren.

De jongeman staat rechtop, en staat stil; hij houdt zijn benen gekruist en ondersteund met één hand de speer die aan zijn linkerkant in de grond is gestoken, terwijl hij de rechterhand tegen zijn heup drukt om het lichaam te ondersteunen en zo een figuur te maken waarbij de billen naar buiten worden gedrukt door de gebogen houding aan de linkerkant. De arm toont een open ruimte bij het punt waar de elleboog buigt, een rimpel waar de pols is gedraaid, en het werpt een schaduw waar deze overgaat in de palm van zijn hand, en de lijnen van de schaduw lopen schuin omdat zijn vingers gebogen zijn. Of het hijgen van zijn borst door de jacht komt of al een teken van liefde is weet ik niet. De ogen, zeker, zijn die van een zwaar verliefde man, want hun natuurlijke helderheid en intensiteit worden verzacht door een verlangen dat in hem omhoog komt, en hij denkt misschien dat hij op zijn beurt ook bemind wordt, omdat de weerspiegeling op precies dezelfde manier naar hem kijkt. Er zou veel over zijn haar gezegd kunnen worden als we hem tijdens de jacht hadden aangetroffen.

Want er wapperen talloze slierten haar vrij, vooral als de wind er mee speelt; maar het onderwerp zoals het is afgebeeld mag niet in stilte aan voorbij gegaan worden. Want het is overvloedig en heeft een gouden tint; sommigen hangen aan zijn nek, sommigen aan de oren, sommigen tuimelen over het voorhoofd, en sommigen vallen in rimpelingen over de baard. Beide Narcissen zijn precies gelijk van vorm en elk herhaalt de trekken van de ander, uitgezonderd dat de een in de open lucht staat terwijl de ander ondergedompeld is in de poel. Want de jongeman staat boven de jongeman die in het water staat, of beter gezegd,kijkt intens naar hem en lijkt te dorsten naar zijn schoonheid.

1.24. Hyacinthus

Lees de hyacint, want er staat op geschreven dat zij voortkwam uit de aarde ter ere van een mooie jongeman; en zij jammert om hem aan het begin van de lente, ongetwijfeld omdat zij uit hem werd geboren toen hij stierf. Laat geen enkele weide je ophouden vanwege de bloem, want zij groeit hier ook, niet anders dan de bloem die uit de aarde opkomt. Het schilderij vertelt ons dat het haar van de jongeman ‘hycinthisch’ is, en dat zijn bloed, dat begon te leven in de aarde, de bloem haar eigen zachtrode kleur heeft gegeven. Het stroomde van het hoofd waar de discus dat trof. De ontsteltenis was verschikkelijk toen dit gebeurde en ook het verhaal over Apollo is ongelofelijk; maar we zijn hier niet om de mythen te bekritiseren en ook niet klaar zijn om ze geloofwaardig te weigeren, maar slechts toeschouwers bij de schilderijen zijn, dus laten we de schilderijen onderzoeken en in eerste instantie de plek waar de discus vandaan geworpen werd.

De verhoogde werpplek lag apart, zo klein als voldoende was om voor één persoon op te staan, en alleen het achterste deel van het rechterbeen van de werper ondersteund werd, waardoor het voorste deel naar voren buigt en het linkerbeen geen gewicht hoeft te dragen; want dit been moet gestrekt worden en samen met de rechterarm naar voren komen. Wat betreft de houding van de man die de discus vasthoudt, hij moet zijn hoofd naar rechts draaien en zo ver voorover buigen dat hij naar beneden kan kijken, dan moet hij de discus wegwerpen door zichzelf te strekken en het gewicht van zijn hele rechterkant in de worp te gooien. Op deze manier, zonder twijfel, gooide Apollo de discus, want hij kan op geen andere manier geworpen hebben; en nadat de discus de jongen heeft geraakt, ligt deze daar over de discus heen – een Laconische jongen, recht van leden, vaardig in het hardlopen, de spieren van zijn amen zijn al ontwikkeld, de fijne tekenen van de botten schemeren onder het vlees; maar Apollo staat nog met afgewend gezicht op de werpplaats en kijkt naar de grond. Je zou bijna zeggen dat hij daar een standbeeld is geworden, zo’n ontsteltenis heeft hem overvallen. Zephyrus is de lomperd, die boos op Apollo was en er voor zorgde dat de discus de jongen trof, en het tafereel lijkt om te lachen voor de wind die de god beschimpt vanaf zijn uitkijkpost. Je kunt hem zien, denk ik, met zijn gevelugelde slapen en zwakke gedaante; hij draagt een hoofdtooi van allerleis soorten bloemen, en zal daar binnenkort de hyacinth doorheen weven.

1.25. Adrogasten

De rivier vol wijn is op het eiland Andros, en de Androgasten die dronken zijn van de rivier, vormen het onderwerp op dit schilderij. Want op bevel van Dionysus is de grond van de Androgasten zo doordrenkt met wijn dat deze overstroomt en een rivier vormt; als je water in gedachten neemt, is de hoeveelheid niet veel, maar als wijn, is het een grote rivier – ja, goddelijk! Want hij die er uit tapt zal misschien minachtend denken over de Nijl en de Istrus en zeggen dat zij meer gewaardeerd zouden worden als zij klein waren, op voorwaarde dat de kwaliteit van hun water gelijk aan deze zou zijn.

Deze dingen, denk ik, zingen de mannen, gekroond met klimop en heggenranken, voor hun vrouwen en kinderen, sommigen dansend op de oevers, anderen liggend. En waarschijnlijk is dit het thema van hun lied - terwijl de Acheloüs riet voortbrengt, en de Peneus Tempe bevloeit, en de Pactolus ….. bloemen, maakt deze rivier mannen rijk en machtig in de volksvergadering, behulpzaam voor hun vrienden, mooi en, in plaats van klein, vier el lang; want als een man zijn buik vol gedronken heeft kan hij al deze kwaliteiten verzamelen en in gedachten tot de zijne maken. Ze zingen, in ben er zeker van, dat dit de enige rivier is die niet wordt verstoord door de poten van vee of paardenhoeven, maar een ontwerp is van Dionysus, en de drank niet is vermengd, maar alleen voor mensen bestemd is. Dit is wat je waarschijnlijk hoort en dat sommigen van hen werkelijk zingen, hoewel hun stemmen onduidelijk zijn vanwege de wijn.

Bedenk echter wat er op het schilderij te zien is: De rivier loopt langs een oever met wijngaarden, die in water staan, een onverdunde rivier met een opwindende verschijning; als riet groeien er thyrsussen over waterlichamen, en als iemand alleen langs het land met deze drinkende groepen loopt, komt hij uiteindelijk bij de Tritons aan de mond van de rivier, die de wijn in zeeschelpen doen. Zij drinken er iets van, en laten iets voorbij stromen, maar sommigen van de Tritons zijn dronken en dansen. Ook Dionysus zeilt naar de braspartijen van Andros en, zijn schip nu afgemeerd in de haven, leidt een gemengde menigte van Saters, Bacchanten en alle Silenen aan. Hij voert Gelach (Gelon) en Feestvreugde (Comus) aan, twee homofiele geesten die verzot zijn op drinkgelagen, en met het grootst mogelijke plezier profiteren van de oogst uit de rivier.

1.26. Geboorte van Hermes

De naakte baby is nog in doeken gekleed, degene die het vee in een spleet in de aarde drijft, die bovendien de wapens van Apollo steelt – dit is Hermes. De diefstallen van de god zijn prachtig; want het verhaal is dat Hermes, nadat Maia hem gebaard had, van diefstal hield en er zeer bedreven in was, maar de god deed deze dingen op geen enkele wijze uit armoede, maar uit pure verruking en in een geest van plezier. Als je zijn route stap voor stap wilt volgen, kijk dan hoe deze op het schilderij zijn afgebeeld. Hij is op de top van de Olympus geboren, de absolute top, de woonplaats van de goden. Daar, zoals Homerus zegt, valt geen regen en hoort men geen wind, noch wordt deze ooit door sneeuw gegeseld, zo hoog is het; maar deze is absoluut goddelijk en vrij van de ziekten die rondgaan op bergen welke aan de mensen toebehoren. Na zijn geboorte zorgden daar de Horen voor Hermes. De schilder heeft hen ook afgebeeld, elk in overeenstemming met haar tijd, en zij wikkelen hem in doeken, besprenkelen hem met de meest prachtige bloemen, waardoor hij doeken heeft met enig onderscheid. Terwijl zij zich tot de moeder van Hermes wenden die op het bed ligt waar zij gebaard heeft, slipt hij uit zijn doeken, begint te lopen en daalt de Oylmpus af. Hij verheugt zich over de berg – want zijn glimlach is als die van een man – en je zou denken dat de Olympus zich verheugt omdat Hermes daar is geboren.

Nu over de diefstal? Er graast vee aan de voet van de Olympus, gindse kudde met goude hoorns en witter dan sneeuw – want zij zijn heilig voor Apollo – hij voert ze langs een slingerende route naar een spleet in de aarde, niet dat ze verloren moesten gaan, maar een dag verdwenenen zouden zijn, en hun verlies Apollo zou plagen; dan kruipt hij, alsof hij geen aandeel heeft gehad in de zaak, terug in zijn doeken. Apollo komt naar Maia en eist zijn vee terug, maar zij gelooft hem niet en denkt dat de god onzin uitkraamt. Wil je weten wat hij zei? Want, aan zijn uitdrukking te zien lijkt hij zich te uiten, niet alleen met geluid, maar met woorden; hij ziet eruit alsof hij op het punt staat om tegen Maia te zeggen, ‘Uw zoon die u gisteren baarde heeft mij onrecht aangedaan; want het vee waar ik van geniet heeft hij verstopt in de aarde, ik weet alleen niet waar in de aarde. Voorwaar, hij zal zeker omkomen en nog dieper in de aarde verborgen worden dan het vee.’ Maar zij is alleen maar verbaasd, en gelooft niet wat hij zegt. Terwijl zij nog aan het redetwisten zijn gaat Hermes achter Apollo staan, en spring lichtvoetig op zijn rug, hij maakt stilletjes Apollo’s boog los en drukt deze ongemerkt achterover, maar nadat hij deze heeft gestolen, ontsnapt hij niet aan ontdekking. Daarin ligt de kunde van de schilder; want de woede van Apollo smelt weg en laat hem verrukt zien. Maar zijn lach is ingehouden, zweeft als het ware over zijn gezicht, terwijl plezier zijn woede overmeestert.

1.27. Amphiaraüs

Het tweespanrijtuig – want het vierspanrijtuig was nog niet in gebruik door de helden uitgezonderd de moedige Hector – vervoerde Amphiaraüs op het moment dat hij terugkwam van Thebe en, zo wordt verteld, de aarde zich opende om hem te ontvangen, zodat hij kon profeteren in Attica en ware antwoorden kon uiten, een wijze onder de wijste mannen. Van de zeven die het koninkrijk voor de Thebaan Polynices wilden veroveren keerde niemand terug behalve Adrastus en Amphiaraüs; de rest werd door de Cadmeaanse bodem ontvangen. Zij werden gedood door speren, stenen en strijdbijlen, allen behalve Capaneus, die, zo wordt verteld, werd getroffen door een bliksem nadat hij eerst, als ik het me goed herinner, Zeus had getroffen met snoevende beschimpingen.

Welnu, die anderen zijn een ander verhaal, maar het schilderij biedt je een blik op de eenzame Amphiaraüs terwijl deze in de aarde verdwijnt, compleet met hoofdbanden en lauriertakken. Zijn paarden zijn wit, de werveling van zijn wagenwielen toont een enorme haast, de hijgende adem van de paarden komt uit hun neusgaten, de aarde is bespat met schuim, de manen van de paarden wapperen in de wind, en fijn stof nestelt zich op hun lijven die nat zijn van het zweet en ze minder mooi maakt maar wel realistischer. Amphiaraüs is uitgedost in een volle wapenrusting, maar heeft zijn helm afgezet, waardoor hij zijn hoofd wijd aan Apollo, want zijn blik is heilig en dubbelzinnig. Het schilderij toont ook Oropus als een jongeling onder de helder-ogige vrouwen, Nimfen uit de zee, en ook de plaats waar Amphiaraüs gewoon is om te mediteren, een heilige en goddelijke kloof. De geheel in het wit geklede Waarheid is daar en de poorten van de dromen – want zij die het orakel raadplegen moeten slapen – en de god van de dromen is afgebeeld in een ontspannen houding, een witte mantel dragend over een zwarte, ik denk dat die zijn nachtelijke werkzaamheden en die van overdag uitbeelden. In zijn handen draagt hij een hoorn, waaruit blijkt dat hij dromen brengt door de poort van de waarheid.

1.28. Jagers

Snel ons niet voorbij, gij jagers, spoor uw paarden niet aan totdat we hebben kunnen vaststellen wat uw doel is en het onderwerp van de jacht. Jullie beweren een ‘fel wild zwijn’ te achtervolgen, en ik zie de verwoesting dat door het wezen is aangericht – het heeft de olijvenbomen uitgegraven, de wijngaarden omgewoeld, en geen vijgenboom of appelboom of appeltak achtergelaten, maar heeft ze allemaal uit de aarde gerukt, deels door ze op te graven, deels door er zich tegen aan te werpen, en deels door er langs te schurken. Ik zie het schepsel, zijn stekelige manen, vurige ogen, dat jullie bedreigt met zijn slagtanden, dappere jongelingen; want zulke wilde dieren merken al snel op grote afstand de herrie van jagers op. maar ik denk, zoals jullie op de schoonheid van gindse jeugd jagen, dat jullie door hem gegrepen worden en staan te popelen om het gevaar tegemoet te gaan. Waarom zo dichtbij? Waarom raken jullie hem aan? Waarom kijken jullie naar hem? Waarom verdringen jullie elkaar met je paarden?

Wat werd ik bedrogen! Ik werd door het schilderij misleid omdat ik dacht dat de figuren niet geschilderd maar echte wezens waren, ontroerend en liefdevol – ik schreeuw naar ze alsof ze dat kunnen horen en verbeeld me dat ik een reactie hoor – en jullie zeiden niets terug om mijn fout te herstellen, net zo overdonderd als ik was en niet in staat je te ontrukken aan de misleiding en de verbazing die het veroorzaakt. Dus laten we eens naar de details van het schilderij kijken; want het is echt een schilderij waar we voor staan.

Rond de jongeman staat een groep beeldschone jongelingen, die zich hebben aangemeld voor een schitterende jacht, zoals dat bij mannen van nobele afkomst hoort. Aan de een kun je zien dat hij veel in de sportschool is geweest, een ander gratieeus, de ander is een stadsmens en de vierde, zul je zeggen, kijkt net op uit een boek. Van de paarden die ze berijden is er geen een gelijk, wit, kastanje, zwart en voskleurig, gevlekte paarden met gouden ornamenten – deze kleuren, zo wordt gezegd, stelden de barbaren die bij Oceanus wonen samen uit gloeiend brons, dat zij combineerden, en hard lieten worden, en behielden waarmee geschilderd is – en ook de jongemannen dragen niet dezelfde kleding of uitrusting. Een lichtgewapende ruiter draagt een opgetrokken tuniek, ik denk een goede speerwerper, een ander heeft zijn borst beschermd met een pantser, en dreigt het wilde dier met een gevecht, de volgende heeft zijn schenen beschermd, een ander zijn benen. De jongeman op het witte paard die, zoals je ziet, een zwart kap op heeft, draagt een wit medaillon in de vorm van een volle maan dat op zijn voorhoofd is bevestigd; en hij heeft gouden versieringen, en paarse teugels; want de verf schittert van het goud en het effect van vuurrode juwelen. De jongeling draagt een korte ruitermantel die bolt in de wind; de kleur is zeepaars waar de Phoeniciërs zo van houden, en het moet boven alle andere paarse kleurstoffen worden geprezen; want hoewel het donker lijkt verkrijgt het een bijzondere schoonheid van de zon en is doordrenkt met de glans van de zonnewarmte.

En uit schaamte om zich ongekleed aan diegenen rondom hem heen te tonen draagt hij een chiton met mouwen die tot halverwege zijn dijen en ellebogen rijkt. Hij glimlacht, zijn ogen stralen, en heeft lang haar, maar niet lang genoeg om zijn ogen te overschaduwen wanneer de wind het in de war gooit. Ongetwijfeld zullen velen zijn wangen loven en de verhoudingen van zijn neus en elk verschillend kenmerk van zijn gezicht, maar ik bewonder zijn levendigheid; want hij is een energiek jager en trots op zijn paard, en bewust van het feit dat hij geliefd is. Muilezels en een ezeldrijver brengen hun bagage, strikken en netten en wilde zwijnensperen en lansen met gekartelde lemetten; hondenmeesters begeleiden de expeditie en spoorzoekers en allerlei hondenrassen, niet alleen diegenen die een scherpe reuk bezitten of hard kunnen lopen, maar ook felle honden, want er is ook moed nodig om het wilde beest tegemoet te treden. En zo toont het schilderij ons Locrische-, Laconische-, Idiasche- en Kretenzer honden, sommigen goed getraind en blaffend, en sommige oplettend; en allen volgen het spoor met grijnzende snuiten. De jagers zingen een lofzang voor Artemis terwijl ze voortgaan; want ginds staat een tempel van haar, en een standbeeld dat versleten is door ouderdom, met koppen van wilde zwijnen en beren; en daar grazen wilde dieren die haar heilig zijn, reeën, wolven en hazen, allen tam en zonder angst voor de mensen. Na een gebed gaan de jagers verder met de jacht.

Het zwijn kan er zich niet toe zetten om uit het zicht te blijven, maar springt uit het struikgewas en stormt op de ruiters af; in eerste instantie schrikken zij van zijn plotselinge komst, dan wordt het overwonnen door hun wapens, hoewel niet dodelijk gewond, deels omdat het op zijn hoede is tegen hun aanvallen en deels omdat het niet door de moedige jagers wordt getroffen; maar, verzwakt door een oppervlakkige wond in zijn flank, rent het door het bos totdat het een schuilplaats vindt in een diep moeras en een poel naast het moeras. Zo volgt de rest het dier met geschreeuw tot aan de rand van het moeras, maar de jongeman gaat samen met zijn vier honden het moeras in achter het schepsel aan; het dier probeert zijn paard te verwonden, maar over zijn paard gebogen, op rechts steunend, deelt hij met de volle kracht van zijn rechterarm een slag uit die het zwijn precies daar raakt waar de schouderbladen samenkomen bij de nek. Daarop slepen de honden het zwijn naar droge grond, en de liefhebbers aan de oever schreeuwen vol rivaliteit om te zien wie zijn buurman kan overschreeuwen; en één wordt door zijn enthousiasme van het paard geworpen in plaats van dat vast te houden; hij vlecht voor de jongeling een hoofdkrans van bloemen uit de weide naast het moeras. De jongen is nog in de poel, nog steeds in de houding waarmee hij zijn speer slingerde, terwijl de jongeren naar hem staren alsof hij een standbeeld was.

1.29. Perseus

Nee, dit is niet de Rode Zee noch zijn het inwoners van India, maar Ethiopiërs en een Griekse man in Ethiopië. En ik denk dat je van het wapenfeit dat die man uit liefde vrijwillig ondernam, mijn jongen, vast hebt gehoord – het wapenfeit over Perseus die, zegt men, in Ethiopië een monster uit de Zee van Atlas doodde, die op weg was naar de kudden en het volk van dit land. De schilder verheerlijkt dit verhaal en toont zijn medelijden voor Andromeda die aan het monster werd gegeven. De strijd is al gestreden en het monster ligt languit op het strand, badend in het bloed – de reden waarom de zee roodgekleurd is – terwijl Eros Andromeda bevrijdt van haar boeien. Eros is zoals gewoonlijk met vleugels geschilderd, maar hier, wat niet gebruikelijk is, is hij een jongeman, hijgend en nog steeds de effecten van zijn gezwoeg vertonend; want voor zijn daad bad Perseus tot Eros dat deze moest komen en op het schepsel neerdalen, en Eros kwam, want hij hoorde het gebed van de Griek.

Het meisje is betoverend en heeft een mooie huid hoewel ze uit Ethiopië komt, en betoverend is de schoonheid van haar gedaante; ze zou alle Lydische meisjes in sierlijkheid overtreffen, Attische meisjes in statigheid, en een Spartaanse in stoerheid. Haar schoonheid wordt versterkt door de omstandigheden van het moment; want zij lijkt het niet te geloven, haar vreugde is vermengd met angst, maar als zij naar Perseus staart begint ze tegen hem te glimlachen. Hij, niet ver bij haar vandaan, ligt in het zoetgeurende gras, zijn zweet druppelt op de grond en hij verbergt het Gorgohoofd voor de mensen opdat zij het niet zien en in steen veranderen. Vele koeherders komen hem melk en wijn aanbieden om te drinken, bevallige Ethiopiërs met hun vreemde kleur en barse glimlach; en zij laten blijken dat zij blij zijn, de meesten lijken op elkaar, Perseus is verheugd over hun gaven en, leunend op zijn elleboog, tilt hij zijn borst van de grond, vol adem maar nog steeds hijgend, houdt zijn blik gericht op het meisje, en laat de wind zijn mantel opbollen, die paars is en bespat met bloed en witte vlekken die het monster over hem uitblies tijdens de strijd. Hij laat de kinderen van Pelops achter zich wanneer het tot een vergelijking komt met de schouder van Perseus! Want hij is beeldschoon met een rossig gezicht, zijn gestalte ziet er beter uit door zijn gezwoeg terwijl zijn aderen zijn opgezwollen, dat normaal is als de adem snel gaat. Hij krijgt veel dankbaarheid van het meisje.

1.30. Pelops

Een uitgezocht kledingstuk van Lydische herkomst, een jongen met een donzige baard, Poseidon die naar hem lacht en de jongen vereert door hem paarden te schenken – dit alles toont dat het de Lydiër Pelops is die naar de zee kwam om Poseidon’s hulp af te smeken tegen Oenomaüs; Oenomaüs aanvaardt geen schoonzoons, maar doodt de vrijers van Hippodamia en is trots op hun afgesneden hoofden net als jagers die trots zijn op de koppen van gevangern beren en leeuwen. En in antwoord op het gebed van Pelops komt er een gouden rijtuig uit de zee, maar de paarden komen van het land, en in staat om over de Egeïsche Zee te rennen met een droge as en snelle hoeven. De opgave zal goed gaan voor Pelops, maar laten we de opgave van de schilder onderzoeken.

Het is, naar mijn mening, geen eenvoudige opgavre om vier paarden uit te beelden en de verschillende benen niet met elkaar te verwarren, ze edele, door de teugel geleide geesten te geven, hen stil te laten staan, één op het moment wanneer deze niet stil wil staan, een ander als deze de grond wil krabben, een derde waneer hij zijn hoofd wil verheffen, terwij de vierde behagen schept in de schoonheid van Pelops en zijn neusgaten opzwellen alsof hij wil gaan hinniken. Ook dit is knap getroffen: Poseidon houdt van de jongen en brengt hem naar de ketel en naar Clotho, waarna de schouder van Pelops lijkt te stralen; en hij probeert hem niet van het huwelijk af te houden, omdat de jongen er naar hunkert, maar is tevreden met het aanraken van zijn hand, hij pakt de rechterhand van Pelops terwijl hij hem van advies dient over de race; en Pelops ademt al trots ‘de adem van Alpheus’ uit, en volgt met zijn blik de paarden. Deze blik is innemend en opgetogen omdat hij trots is op het hoofd, waar het haar van de jongen vanaf valt als een gouden watergordijn die de lijnen van zijn hoofd volgen, en zich onder bij de wangen samenvoegen, en hoewel het alle kanten opvalt, is het toch stijlvol. De heup en borst, en de andere delen van Pelops’ naakte lichaam die genoemd kunnen worden, verhult het schilderij; een kledingstuk bedekt zijn armen en zelfs zijn onderbenen. Want de Lydiërs en barbaren verbergen hun schoonheid in zulke kledingstukken, trots op de geweven stoffen, terwijl ze trots over zichzelf kunnen zijn vanwege hun natuurlijke schoonheid. Terwijl de rest van zijn figuur aan het zicht onttrokken en bedekt is, wordt het kledingstuk bij zijn linkerschouder kunstig verwaarloosd zodat zijn glans niet verloren gaat; want de nacht is er op uitgebeeld, en op de schouder van de jongen gloeien stralen zoals de nacht dat doet met de avondster.

1.31. Stilleven

Het is een goede zaak om vijgen te verzamelen en niet in stilte voorbij te gaan aan de vijgen op dit schilderij. Paarse, van het sap druipende, vijgen zijn op wijnbladeren gestapeld; afgebeeld met barsten in het vel, sommigen opengebroken om hun honing uit te braken, sommigen in twee stukken, die overrijp zijn. Daarnaast ligt een tak, niet kaal, door Zeus, of zonder vruchten, maar onder diens schaduw liggen de vijgen, sommigen nog steeds groen en ‘onrijp’, sommigen overrijp met een gerimpeld vel, en sommigen die gekeerd moeten worden, en het stralende sap omhullen, terwijl bij het eind van de tak een mus zijn snavel begraaft in wat de lekkerste vijg lijkt. De grond is bezaaid met kastanjes, sommigen zijn ontdaan van hun stekels, anderen liggen nog opgesloten, en weer anderen lijken op het punt te staan open te breken langs de breuklijnen. Kijk ook naar de peren op de peren, appels op de appels, beiden opgestapeld in aantallen van tien, allen goudkleurig en heerlijk ruikend. Je zou denken dat hun roodheid niet aan de buitenkant zit, maar van binnen komt. Hier zie je de gaven van de kersenboom, daar zie je vruchten aan trossen die in een mand zijn opgestapeld, en de mand is geweven, niet met vreemde takjes, maar van takken van de plant zelf. En als je ziet hoe de wijnstokscheuten samen zijn geweven en naar de trossen die er vanaf hangen en hoe de druiven stuk voor stuk zijn afgebeeld, zul je zeker een loflied over Dionysus willen zingen en over de wijn spreken als ‘koninklijke schenkster van druiven.’ Je zou zelfs zeggen dat de druiven op het schilderij geschikt zijn om te eten en vol wijnachtig sap zitten. En het meest bekorende punt van dit alles is: op een bladerrijke tak zit de gele honing al in de raat en is rijp om er uit te stromen als er op de raat wordt gedrukt; en op een ander blad ligt nog trillende vers gestremde kaas; en daar staan kommen melk die niet alleen wit zijn maar lijken te glanzen, want de room die er op drijft laat het schijnbaar glanzen.

© 2018 Maarten Hendriksz