Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Philostratus de Oudere - Afbeeldingen

Bron:theoi.com

Elder Philostratus, Younger Philostratus, Callistratus. Translated by Fairbanks, Arthur. Loeb Classical Library Volume 256. London: William Heinemann, 1931.

Boek 2

2.1. Het zangkoor

Een Aphrodite, gemaakt van ivoor, fijngevoelige meisjes die lofzangen zingen bij mirtebosjes. De koorleidster is bekwaam in haar kunst, en haar jeugd nog niet volledig voorbij; want er schuilt nog een bepaalde schoonheid in haar eerste rimpel, die, hoewel die komt met het voortschrijden der jaren, toch tempert wat overblijft van haar vroege jeugd. Het type godin is dat van de eerbare godin Aphrodite, ongekleed maar fatsoenlijk, en het materiaal is ivoor, nauw verboden. Echter, de godin lijkt onwillig geschilderd te zijn, maar ze onderscheidt zich alsof iemand die men kan vastpakken.

Wil je dat we een plengoffer brengen bij het altaar of een redevoering houden? Want het heeft wierook en kaneel en mirre genoeg, en het lijkt de geur van Sappho uit te stralen. Derhalve moet de artisticiteit van het schilderij geprezen worden, ten eerste, vanwege de kunstenaar, omdat hij de rand met edelstenen heeft bezaaid, waarbij hij geen kleuren heeft gebruikt maar licht om ze uit te beelden, er een glans aan gevend als in de pupil van een oog, en, ten tweede, het lijkt alsof wij het loflied kunnen horen. Want de meisjes zingen, zingen, en de koorleidster fronst naar degene die uit de maat zingt, in haar handen klappend en vurig proberend haar weer in de het goede ritme te laten zingen. En wat hun kleding betreft, die is eenvoudig zodat deze hen niet belemmeren tijdens hun bewegingen als zij moeten spelen – bijvoorbeeld, de goed passende gordel, de chiton die de armen vrijlaat, en de manier waarop zij lijken te genieten om met blote voeten op het gras te lopen en zich te verfrissen aan de dauw; en de bloemachtige versieringen op hun kleding, en de kleuren die daarbij zijn gebruikt – de manier waarop de een harmonieert met de ander – zijn van een wonderlijke echtheid; want schilders die falen om de details op elkaar af te stemmen geven de waarheid niet in hun schilderijen weer. Wat de figuren van de meisjes betreft, als we die beslissing aan Paris overlaten of een ander jurylid, denk ik dat zij niet zouden weten op wie te stemmen, zo klein is het verschil tussen hun roze armen en flitsende ogen en mooi wangen en de ‘honingzoete stemmen,’ om de charmante uitdrukking van Sappho maar te gebruiken.

Eros, die zijn boog in het midden oppakt, beroert zachtjes de snaar voor hen en de boogpees weerklinkt met een prachtige harmonie terwijl hij zegt dat deze alle noten van een lier kan laten klinken; en zijn ogen bewegen snel als zij hem antwoorden, ik denk, in een bepaalde maat. Wat, is dan, het lied dat zij zingen? Want er is inderdaad iets van het onderwerp op het schilderij uitgebeeld; zij vertellen hoe Aphrodite uit de zee werd geboren door een uitwaseming van Uranus. Bij welk eiland zij aan land kwam vertellen ze niet, hoewel ze ongetwijfeld Paphos zullen noemen; maar ze zingen duidelijk over haar geboorte, want door naar boven te kijken geven ze aan dat zij uit de hemel (Uranus) komt, en door hun opgeheven handen iets te draaien tonen zij dat ze uit zee is gekomen, en hun glimlach is een aanduiding van een kalme zee.

2.2. De opvoeding van Achilles

Een reekalf en een haas – dit is de buit van Achilles zoals hij nu is, de Achilles die bij Ilium steden zal buitmaken en paarden en vele mannen, en rivieren die met hem willen vechten wanneer hij deze weigert om door te stromen, en als beloning voor deze expedities Briseïs meevoert en de zeven meisjes van Lesbos en goud en drievoeten en gezag over de Achaeanen; maar de wapenfeiten die hier zijn afgebeeld, vinden plaats bij het huis van Chiron, en lijken appels en honing als beloning op te leveren, en jij bent tevreden met kleine geschenken, Achilles, jij die eens hele steden zal minachten en zal trouwen met de dochter van Agamemnon. Nee, de Achilles die op het strijdtoneel vocht, die de Trojanen louter door zijn geschreeuw op een wilde vlucht joeg, links en rechts mannen dodend, en het water van de Scamander rood kleurde, en ook zijn onsterfelijke paarden, en het rond de muren slepen van Hector’s lichaam, en zijn gejammer bij het lichaam van Patroclus – dit alles is door Homerus uitgebeeld, die hem ook zingend en biddend afschildert terwijl hij Priamus ontvangt in zijn hut.

Deze Achilles, een kind dat zich nog niet bewust is van zijn moed, die Chiron nog steeds met melk, merg en honing voedt, is de schilder aangeboden als een fijngevoelig, sportief kind dat al snel kan rennen. Want de benen van de jongen zijn recht en zijn armen reiken tot aan zijn knieën (want zulke armen zijn uitstekende hulpmiddelen tijdens de race); zijn haar is bekoorlijk en hangt los; en Zephyrus lijkt dit tijdens het sporten in de war te gooien, zodat het nu eens hier, dan weer daar neervalt, en het uiterlijk van de jongen verandert. De jongen vertoont al een gefronst voorhoofd en een zweem van geestelijke hoogmoed, maar dat wordt afgezwakt door zijn argeloze blik en bekoorlijke wangen die een lieve lach tonen. De mantel die hij draagt is waarschijnlijk een geschenk van zijn moeder; want deze is prachtig en zeepaars van kleur met een rode glans die overgaat in donkerblauw. Chiron vleit hem door te zeggen dat hij hazen vangt als een leeuw en wedijvert met reekalfjes in snelheid; in ieder geval, hij heeft net een reekalfje gevangen en gaat naar Chrion om zijn beloning op te eisen, en Chiron, blij dat hem dit gevraagd wordt, staat met gebogen voorbenen om op dezelfde hoogte als de jongen te komen en geeft hem mooie en geurige appels uit de plooien van zijn kleding – hun heerlijke geur lijkt te zijn afgebeeld – en met zijn hand geeft hij hem een honingraat die druipt van de honing, dankzij het foerageren van de bijen. Want deze bijen zoeken goede weiden en worden groot van de honing, de raten raken vol en hun cellen stromen er van over.

Chiron is in alle opzichten geschilderd als een Centaur; maar een paard en een menselijk lichaam combineren is geen wonderbaarlijke daad, maar de overgang verdoezelen en de twee tot één geheel te maken, bij Zeus, door op zo’n manier de een te laten eindigen en de ander te laten beginnen dat het oog van de waarnemer niet kan ontdekken waar het menselijk lichaam eindigt, vraagt volgens mij een uitstekende schilder. De tedere uitdrukking in de ogen van Chiron wordt veroorzaakt door zijn rechtvaardigheid, maar de lier doet ook zijn werk, door wiens muziek hij is gevormd; maar er is ook iets vriendelijks in zijn blik, ongetwijfeld omdat Chiron weet dat dit kinderen kalmeert en hen beter grootbrengt dan melk.

Dit is de scène bij de ingang van de grot; maar de jongen buiten op de vlakte, degene die op de rug van de Centaur rijdt alsof het een paard is, is nog steeds dezelfde jongen; want Chiron leert Achilles paardrijden en hem als een paard te gebruiken, hij past zijn manier van lopen aan zodat de jongen het kan verdragen, zijn hoofd omkerend lacht hij naar de jongen wanneer deze luidkeels lacht van plezier, en zegt tegen hem, ‘Zie, mijn hoeven beroeren de grond voor jou zonder gebruik te maken van de sporen; zie, ik spoor zelfs jou aan; het paard is inderdaad een dier met een eigen wil dat geen aanleiding geeft om te lachen. Want hoewel je op een voorzichtige manier door mij in de paardrijkunst bent onderwezen, goddelijke jongen, en geschikt bent voor een paard als ik, zul je op een dag Xanthus en Balius berijden; en zul je vele steden innemen en vele mannen doden, je zult voornamelijk rennen en zij proberen dan aan jou te ontsnappen.’ Dat is de voorspelling van Chiron voor de jongen, een eerlijke voorspelling en geheel anders dan die van Xanthus.

2.3. Vrouwelijke Centauren

Je bent misschien gewend om te denken dat het ras van Centauren is ontstaan uit bomen en rotsen, of, door Zeus, uit merries – de merries die, zoals mensen vertellen, de zoon van Ixion dekte, de man van wie de Centauren dachten dat hij enkele wezens met een dubbel uiterlijk voortbracht. Maar per slot van rekening hadden ze, zoals we kunnen zien, moeders van hetzelfde ras en vervolgens vrouwen en veulens als nakomelingen en een prachtig huis; en ik denk dat je het niet moe wordt naar de Pelion te kijken en het leven daar met zijn door de wind gekoesterde groei van essenhout dat in speerschachten voorziet die recht zijn en tegelijkertijd niet afbreken bij de speerpunt.

De grotten zijn prachtig en de bronnen met vrouwelijke Centauren daarnaast, het zijn net Najaden als we hun paardenlijven buiten beschouwing laten, of Amazones als we hen samen met hun paardenlichamen bekijken; want de tederheid van hun vrouwelijke vormen wint aan kracht wanneer het paard in samenhang met hen wordt gezien. Hier liggen een paar babycentauren gewikkeld in doeken, sommigen hebben hun doeken weggetrappeld, sommigen lijken te huilen, anderen zijn gelukkig en glimlachen als zij aan de volle borsten zuigen, sommigen dartelen onder hun moeders terwijl anderen hen omarmen terwijl ze knielen, één gooit een steen naar zijn moeder, die baldadig opgroeit. De lichamen van de baby’s hebben nog niet hun definitieve vorm aangenomen, je kunt dat zien omdat zij kaal zijn en hun voeding nog steeds uit melk bestaat, maar sommigen, die al in het rond springen, vertonen al een enigszins behaard uiterlijk, en hebben ontluikende manen en hoeven, hoewel die nog zacht zijn.

Wat zijn de vrouwelijk Centauren mooi, ondanks dat het paarden zijn; sommigen groeien uit tot witte merries, anderen zijn kastanjebruine merries, en de vacht van weer anderen is gevlekt, maar ze glinsteren als paarden waar goed voor gezorgd wordt. Daar is ook een witte vrouwelijke Centaur die uit een zwarte merrie voortkomt, en deze tegenstelling van kleuren helpt om de schoonheid van het schilderij tot een geheel te smeden.

2.4. Hippolytus

Het wilde beest is de vloek van Theseus; snel als dolfijnen is het op de paarden van Hippolytus afgestormd in de gedaante van een witte stier, het is geheel ten onrechte uit de zee op de jongeling afgegaan. Want zijn stiefmoeder Phaedra verzon een verhaal over hem dat niet waar was, dat Hippolytus haar beminde, – maar in werkelijkheid was zij verliefd op de jongen – en Theseus, die de leugen geloofde, riep de vloek over zijn zoon af die we hier afgebeeld zien.

De paarden, zoals je ziet, minachten het juk en gooien hun manen in de wind, niet trappelend met hun voeten zoals goed gefokte en intelligente wezens behoren te doen, maar overmand door paniek en angst, de vlakte onderspattend met schuim, heeft er een die vlucht zijn hoofd naar het beest gekeerd, een ander springt op bij de blik ervan, en de volgende kijkt er achterdochtig naar, terwijl de onrust van de vierde hem in de zee drijft alsof hij zowel zichzelf als het droge land is vergeten; ze hinniken met opengesperde neusgaten, je kunt het geluid op het schilderij niet missen. De spaken van één van de wielen van de wagen zijn gebroken waardoor deze is gekanteld, de andere is van de as afgelopen en rolt uit zichzelf verder, en rolt nu nog. De paarden van de bedienden zijn ook bang en hebben in enkele gevallen hun berijders afgeworpen, terwijl degenen die hen stevig bij de nek grijpen, zich afvragen waar zij naartoe onderweg zijn.

En jij, o jongen die kuisheid hoog in het vaandel heeft staan, je bent door je stiefmoeder onrecht aangedaan, en nog groter onrecht door je vader, waardoor het schilderij zelf om je lijkt te rouwen, dat ter ere van jou een soort poëtische klaagzang heeft gecomponeerd. Gindse bergtoppen waar je gewend was om met Artemis te jagen hebben inderdaad de vorm van rouwende vrouwen die hun wangen openkrassen, en de weilanden in de gedaanten van beeldschone jongens, weiden die jij ‘onbezoedeld’ noemde, omdat hun bloemen voor jou verdorren, en Nimfen die jou verzorgden duiken op uit gindse bronnen en trekken hun haren uit en vergieten stromen tranen over hun borsten. Geen van hen heeft de moed om jou te beschermen ondanks je sterke arm, want enkele lichaamsdelen zijn al afgerukt en anderen verbrijzeld, je haar is besmeurd met vuil, je borst ademt nog alsof het de ziel niet wil laten ontsnappen, en je ogen kijken naar alle wonden. Ach, jouw schoonheid! Wat kan deze uitrichten tegen al deze wonden waarvan niemand ooit gedroomd had. Want het verlaat je lichaam niet; nee, er straalt zelfs nog schoonheid van de wonden.

2.5. Rhodogoune

Het bloed en ook de bronzen wapens en paarse kleding verlenen een bepaalde aantrekkingskracht aan de gevechtsscène, en een plezierige eigenschap van het schilderij zijn de mannen die in verschillende posities zijn gevallen, en paarden die wild van angst rondrennen, en de vervuiling van het water van de rivier waar deze gebeurtenis bij plaatsvond, en de gevangenen, en de trofee die de overwinning op hen herdenkt. Rhodogoune en de Perzen veroveren de Armeniërs die het verdrag verbraken, er wordt gezegd dat bij deze gelegenheid Rhodogoune de slag won, en zich zo haastte dat zij geen tijd nam om de rechterkant van haar haren vast te spelden. Is ze niet opgetogen en trots op de overwinning en zich bewust dat zij om deze daad gehuldigd zal worden met lier en fluit waar er maar Grieken zijn? Haar paard staat ook op het schilderij, een zwarte Nisaeër met witte benen; haar borst is ook wit, het ademt uit haar neusgaten en haar voorhoofd is gemarkeerd met een perfecte cirkel.

Nee, Rhodogoune heeft de merrie opgetuigd met edelstenen en halskettingen en alle mogelijk sierlijke ornamenten, opdat zij zich hierin kan verheugen en heerlijk op het fijne bit kan bijten; en Rhodogoune is uitgedost met schitterende scharlaken kledingstukken, alles behalve haar gezicht; ze draagt een charmante riem die het toelaat dat haar mantel slecht tot de knie kan reiken, en een chramante broek waarin afbeeldingen zijn geweven; aan haar chiton is een rij broches bevestigd van haar schouder tot de elleboog, de arm zichtbaar tussen deze punten, hoewel de schouder bedekt is; het kledingstuk is niet dat van een Amazone. Met moet ook het schild bewonderen, van bescheiden afmetingen maar groot genoeg om haar borst te dekken. En bij dit punt moet men de effectiviteit van het schilderij zorgvuldig onderzoeken; want de linkerhand reikt voorbij de greep van het schild en heeft de speer vast, het schild weghoudend bij de borst; en hoewel de rand rechtop wordt gehouden, is de buitenkant van het schild ook zichtbaar – is het niet schitterend alsof het met leven bezield is? – terwijl de binnenkant, waar de arm zit, paars van kleur is en de onderarm straalt tegen zijn achtergrond.

Het lijkt, mijn jongen, dat je gevoel voor de schoonheid van deze gedaante hebt en er iets over wilt horen, dus luister. Rhodogoune brengt een plengoffer vanwege haar overwinning op de Armeniërs, en de uitbeelding van de kunstenaar is die van een biddende vrouw. Ze bidt om mannen te verslaan, net zoals ze die nu heeft overwonnen; want ik denk niet dat ze graag bemind wil worden. Het vastgezette gedeelte van haar haren is bescheiden geschikt waardoor het haar edele geest tempert, terwijl het loshangende gedeelte haar een uitstraling geeft van kracht en de aanblik van een Bacchante. Geel, zelfs geler dan goud, is haar verwarde haar; terwijl het haar aan de andere kant enigszins anders van kleur is omdat dit netjes is gekapt. De wijze waarop haar wenkbrauwen op hetzelfde punt beginnen en samen opbuigen van haar neus is charmant; maar nog charmanter is de boog die ze maken; want de wenkbrauwen behoren niet alleen boven de ogen te lopen maar er ook in een bocht boven langs lopen. En wat de wang betreft, het krijgt het verlangen dat van de ogen uitgaat, maar verheugt zich in vrolijkheid – want dat is meestal op de wang dat vrolijkheid zichtbaar is – en de kleur van de goden varieert van grijs tot zwart; de vreugde die zij tonen is een gevolg van de gebeurtenis, hun schoonheid is een geschenk van de natuur, terwijl hun hoogmoed voortkomt van haar autoriteit als heerseres. De mond is fijn gevormd en gevuld met ‘liefdesoogst’ uiterst zoet om te kussen, uiterst moeilijk te beschrijven. Maar je mag kijken, mijn jongen, zoveel je wilt, alles wat je wil weten is verteld: de lippen zijn vol kleurrijk en zelfs de mond is welgevormd terwijl het een gebed uitspreekt voor de overwinning; als we aandachtig luisteren, spreekt ze misschien wel in het Grieks.

2.6. Arrichion

Je bent zelf naar de Olympische Spelen geweest en de nobele wedstrijden die in Olympia gehouden worden; want dit is het pancratium van mannen. Arrichion is gekroond omdat hij deze wedstrijd heeft gewonnen, en vlak na zijn overwinning stierf, de scheidsrechter van de Spelen is hem ginds aan het kronen – laten we hem ‘de strenge rechter’ noemen, zowel omdat hij serieus naar de waarheid op zoek is en omdat hij inderdaad is afgebeeld als een Olympische scheidsrechter. Het land voorziet in een stadion met een eenvoudige weide van voldoende omvang, van waaruit de rivier Alpheus ontspringt , een kleine rivier – die, dat weet je, als enige van alle rivieren op de golfkammen van de zee stroomt; en er groeien wilden olijvenbomen rond met een groengrijze kleur, prachtig en krullend als peterselieblaadjes.

Nu we het stadion bekeken hebben, zullen we onze aandicht richten op andere punten, en in het bijzonder op de daden van Arrichion voordat deze zijn afgelopen. Want het lijkt alsof hij niet alleen zijn tegenstander heeft verslagen, maar ook alle Grieken; de toeschouwers springen in ieder geval van hun stoelen op en juichen, sommigen zwaaien met hun handen, sommigen met hun kleding, anderen springen omhoog, en weer anderen stoeien met hun buren van vreugde; want voor de toeschouwers is het bijna onmogelijk om deze werkelijk geweldige daden te bevatten. Zie je iemand zo zonder gevoel dat hij deze atleet niet toejuicht? Want nadat hij al een grootste daad had verricht door twee overwinningen tijdens de Olympische Spelen te behalen, is hier een nog grotere daad afgebeeld, dat wil zeggen, hij behaalde deze overwinning ten koste van zijn leven, hij wordt naar het rijk van de gezegenden geleid terwijl het stof van de overwinning nog aan hem kleeft. Beschouw dit niet als louter toevel, omdat hij deze zege sluw plande. En het worstelen? Zij die zich met het pancratium bezighouden, mijn jongen, beoefenen een gevaarlijk soort worstelen; want zij krijgen klappen op hun gezicht die niet ongevaarlijk zijn voor de worstelaar, en moeten strijden in partijen die men alleen kan winnen door net te doen alsof je valt, en zij hebben vaardigheden nodig waarmee zij op verschillende momenten en manieren hun tegenstander kunnen verstikken, en deze deelnemers worstelen beiden ook met hun voeten en proberen de arm van de tegenstander te verdraaien, om nog maar te zwijgen over de klappen en het op de tegenstander springen; want al deze dingen zijn in het pancratium toegestaan – alles behalve bijten en het uitsteken van de ogen.

De Spartanen, inderdaad, staan dit wel toe, omdat zij, denk ik, zich oefenen voor de strijd, maar de wedstrijden van Elis sluiten het uit, hoewel zij verstikking wel toestaan. Bijgevolg dacht de tegenstander van Arrichion, die zijn arm al om zijn middel had geslagen, hem te doden; hij heeft zijn andere arm al om de keel van de ander geslagen om diens adem af te knellen, terwijl, zijn benen in de liezen drukkend en zijn voeten achter de knieën van zijn tegenstander hakend, hij voorkwam dat Arrichion weerstand kon bieden door hem te verstikken tot het moment dat de slaap des doods al over zijn zintuigen begon te kruipen. Maar door de druk op zijn benen te verminderen faalde hij om de list van Arrichion te voorkomen; want de laatste trapte met de onderkant van zijn rechtervoet achteruit (met als gevolg dat zijn rechterzijde in gevaar kwam omdat dit been werd weggeslagen), toen hield hij met zijn lies zijn tegenstander vast totdat deze geen weerstand meer kon bieden, en gooide heel zijn gewicht naar links terwijl hij de voet van de man stevig in zijn knie gevangen hield, door deze krachtige uitwaartse beweging draaide hij de voet bij de enkel af. De ziel van Arrichion, die hem zwak maakte omdat deze zijn lichaam verliet, gaf hem de kracht om te doen wat hij wilde bereiken. Degene die Arrichion verstikte is als lijk geschilderd, en geeft met zijn hand aan dat hij de strijd wil staken; maar Arrichion is geschilderd als alle winnaars; want zijn bloed is kleurrijk, het zweet op zijn lichaam is nog nat en hij glimlacht zoals levenden doen wanneer zij zich bewust worden van de overwinning.

2.7. Antilochus

Dat Achilles van Antilochus hield moet je in Homerus ontdekt hebben, ziend dat Antilochus de jongste man in het Griekse leger was en rekening houdend met het halve talent aan goud dat hem na de wedstrijd werd geschonken. En hij is degene die het bericht naar Achilles bracht dat Patroclus was gesneuveld, want Menelaüs bedacht dit slim als een troost om de boodschap te vergezellen, daar Achilles’ ogen zo werden afgeleid naar zijn geliefde; en Antilochus weeklaagt van verdriet voor zijn vriend en houdt zijn hand tegen om te voorkomen dat deze zich van het leven berooft, terwijl Achilles zich zonder twijfel verheugd over de aanraking van zijn hand en over de tranen die hij laat vloeien.

Dit is die scene van Homerus, maar de door de schilder afgebeelde gebeurtenis gaat als volgt: de uit Ethiopië afkomstige Memnon doodt Antilochus welke zich voor zijn vader wierp, en hij lijkt angst onder de Achaeërs te veroorzaken - want voor Memnon’s optreden kwamen zwarte mannen alleen in verhalen voor - en de Achaeërs, die het lichaam heroverden, weeklagen over Antilochus, zowel de twee zoons van Atreus en de Ithacer en de zoon van Tydeus en de twee helden met dezelfde naam. De Ithacer is bekend geworden door zijn strenge en waakzame uiterlijk, Menelaüs door zijn lieflijke, Agamemnon door zijn goddelijke houding, terwijl de zoon van Tydeus werd gekenmerkt door zijn adeldom, en je zou de Telamonische Ajax herkennen aan zijn grimmigheid en de Locrische aan zijn alertheid. Het leger rouwt om de jongen, staan klaagliederen zingend om hem heen; en, met hun speren in de grond gestoken en met gekruiste benen, staan de meeste van hen in gebogen houding met hun bedroefde hoofden tegen hun speren. Je herkent Achilles niet aan zijn lange haar, want dat is verdwenen na de dood van Patroclus, maar zijn schoonheid is je bekend, en zijn gestalte, ja, en het feit dat hij geen lang haar heeft.

Hij weeklaagt, werpt zichzelf op de borst van Antilochus, hij lijkt hem een brandstapel te beloven en er offers op te plaatsen met zo mogelijk de wapens en het hoofd van Memnon; want hij is van plan om Memnon dezelfde straf te laten ondergaan als Hector, opdat in dit opzicht Antilochus niet minder eer betoond zal worden dan Patroclus. Memnon staat, vreselijk om te zien, in het leger van de Ethiopiërs, met een speer in zijn handen en getooid met een leeuwenhuid Achilles te bespotten. Laten we nu naar Antilochus kijken. Hij verkeert in de bloei van zijn jeugd, net voorbij de periode van een beginnende baard, en zijn trots is zijn blonde haar. Zijn benen zijn slank en heeft een goed geproportioneerd lichaam om met gemak te rennen, zijn bloed straalt rood, op zijn ivoorkleurige huid, waar de speerpunt in zijn borst drong. Daar ligt de jongen, niet triest van aanzien of er als een lijk uitziend, maar nog steeds vrolijk en lachend; want het was met een blik van vreugde (omdat hij, denk ik, het leven van zijn vader redde) dat Antilochus stierf door de speerstoot, en de ziel zijn gelaat verliet, niet omdat hij pijn leed, maar omdat de blijdschap overwon.

2.8. Meles

Het verhaal over Enipeus en de liefde van Tyro voor de rivier is door Homerus verteld, en hij vertelt hoe Poseidon haar heeft misleid en over de prachtige kleur van de avond waaronder hun bed stond – maar het verhaal dat hier wordt verteld is een ander, niet uit Thessalië maar uit Ionië. Critheïs bemint de rivier Meles in Ionië, die de gedaante aanneemt van een jongeman en geheell zichtbaar is voor de toeschouwer, want hij mondt in zee uit in het gebied waar hij ontspringt. Ze drinkt van het water hoewel ze geen dorst heeft, neemt het in haar handen, voert er een gesprek mee alsof het murmelen van het water een menselijke stem is, en laat tranen van liefde in het water druppelen; en de rivier, die haar ook bemint, schept er vreugde in om zijn water met haar tranen te mengen.

Een prachtig kenmerk van het schilderij is de figuur van Meles die op een bed van krokussen en lotusbloemen ligt en zich verrukt over de frisse jonge bloei van een hyacinth, hij heeft een gevoelige en jeugdige uitstraling en geen enkel gebrek aan knapheid – je zou denken dat de ogen van Meles over een poëtische onderwerp peinzen. Het is ook een prachtig gezicht dat hij geen wervelende kolken uit zijn bron laat stromen, zoals rivieren meestal lomp worden geschilderd; nee, hij snijdt slechts een doorgang door de aarde met de toppen van zijn vingers en houdt zijn hand onder water terwijl het water geruisloos voorbij stroomt; en voor ons is het duidelijk dat dit, voor Critheïs, geen droom is, noch dat je deze liefde van jou in het water aan het schrijven bent; want de rivier houdt van jou, ik weet het zeker, en hij is een kamer voor jullie twee aan het maken door een golf op te tillen waaronder jouw bed zal staan. Als je me niet gelooft, zal ik je de constructie van de kamer uitleggen; een lichte bries waait over een golf en waardoor deze opkrult en die laat weerklinken en ook een briljante kleur geeft; want de reflectie van de zon schenkt zijn kleur aan het opgetilde water.

Waarom kijk je me zo aan, mijn jongen? Waarom laat je me niet doorgaan om de rest van het schilderij te beschrijven? Als je wilt, zal ik Critheïs beschrijven, omdat je zegt dat je blij wordt wanneer mijn verhaal langs zulke wegen zwerft. Dus, laten we over haar spreken; haar figuur is fijngevoelig en echt Ionisch, ze straalt bescheidenheid uit, en de kleur die we op haar wangen zien volstaat voor hen; het haar bedekt de oren en is getooid met een zeepaarse sluier. Ik denk dat deze sluier een geschenk is van een Neride of Najade, en het is redelijk om te veronderstellen dat deze godinnen samen dansen ter ere van de rivier Meles, want deze schenkt hen bronnen die niet ver van zijn monding liggen. Haar blik heeft iets charmants en eenvoudigs, waardoor zelfs de tranen er niet in slagen om haar heerlijkheid te verdoezelen. Haar nek is des te mooier omdat deze niet versierd is, omdat halskettingen en glinsterende stenen een niet onaangename glans aan vrouwen met een mindere schoonheid geven en door Zeus iets van hun schoonheid aan hen overdragen, maar deze worden geen al te lelijke of te mooie vrouwen; want zij accenturen de lelijkheid van de eerste of leiden de schoonheid van de laatsten af.

Laten we de handen onderzoeken; de vingers zijn gevoelig, met een sierlijke lengte, en even wit als de onderarm. En zie je de onderarm, hoe deze nog witter lijkt door de witte kleding; terwijl de stevige borsten door het kledingstuk heen schijnen. Waarom zijn de Muzen hierheen gekomen? Waarom zijn zij aanwezig bij de bron van Meles? Toen de Atheners vertrokken om Ionië te bezetten, begeleidden de Muzen in de gedaanten van bijen hun pad; want zij verheugden zich in Ionië, omdat het water van de Meles mooier is dan het water van Cephissus en Olmeius . Op een dag, zul je ze daar inderdaad dansend aantreffen; maar nu, door het besluit van de Moiren, spinnen ze de geboorte van Homerus; en Meles zal door zijn zoon Peneius gunnen om de ‘zilverkolkende’ genoemd te worden, aan Titaresius de ‘snelstromende’ en ‘snelle’, aan Enipeus de ‘goddelijke’, en Axius om de ‘allermooiste’ te zijn, en hij zal aan Xanthus ook gunnen om uit Zeus geboren te worden, en aan Oceanus dat alle rivieren van hem afstammen.

2.9. Pantheia

Het karakter van de mooie Pantheia is door Xenophon beschreven, hoe ze Araspas verachte en niet wilde toegeven aan Cyrus en dat dezelfde aarde haar en Abradates moest bedekken in het graf; maar hoe haar kapsel er uitzag, wat de breedte van haar voorhoofd was, welke aanblik en uitdrukking haar mond vormde beschreef Xenophon niet, hoewel hij bijzonder begaafd was in het beschrijven van zulke zaken; maar een man die niet goed in het beschrijven maar zeer knap in schilderen was, hoewel hij Pantheia nooit had gezien, was dankzij Xenophon goed op de hoogte, en schilderde hier Pantheia met een karakter waarvan hij dat dat zij bezat.

De muren, mijn jongen, en de verbrandde huizen en mooie Lydische vrouwen – deze bleven voor de Perzen over om te verwoesten en diegenen te grijpen welke gegrepen konden worden. Evenals Croesus, voor wie de brandstapel bedoeld was, hoewel Xenophon deze niet noemt – daarom wist onze schilder hier niets van en maakt hem niet tot gevangene van Cyrus. Maar wat Abradates en Pantheia betreft, die op zijn dode lichaam stierf, want dat is wat het schilderij ons toont, laten we hen beschouwen, en de grote tragedie die zij uitbeelden. Deze twee hielden van elkaar en de vrouw had haar eigen sieraden gebruikt om een wapenrusting voor hem te vervaardigen; hij vocht voor Cyrus tegen Croesus in een strijdwagen met vier dissels en acht paarden, hoewel nog een jongen met donzen baard, en een leeftijd waar dichters van menen dat zelfs jonge, uit de grond gerukte bomen, nog eerder onderwerpen van medelijden zijn. De wonden, mijn jongen, zijn die van zwaarden – want het is in overeenstemming met deze stijl van vechten om vijanden zo neer te slaan – zijn zuivere bloed bevlekt zijn wapenrusting, ook de man zelf, en iets daarvan is op zijn pluim gespetterd die hyacint rood van de gouden helm oprijst en iets van het goud zelf verbergt.

Deze wapens zijn een prachtig begrafenisoffer, voor degene die geen schande over hen had gebracht of ze weggeworpen had in de strijd; en Cyrus brengt vele Assyrische en Lydische geschenken aan de dappere man, onder meer een rijtuig van de gouden zandgrond uit de overvloedige schatten van Croesus; maar Pantheia is van oordeel dat het graf nog veel meer offers vraagt tenzij zij zichzelf als een begrafenisoffer aan Abradates schenkt. Ze heeft de dolk al in haar borst gedreven, en met zo’n kracht dat zij zelfs geen gekreun heeft geuit tijdens de stoot. In ieder geval ligt ze daar, haar mond heeft zijn natuurlijke lijn behouden en door Zeus bloeit er een schoonheid op haar lippen die van haar afstraalt, stil als ze is. Ze trekt de dolk er niet uit maar duwt deze steeds dieper, hem bij het gevest vasthoudend – een gevest dat lijkt op een gouden stengel met smaragden als takken – maar de vingers zijn nog steeds bekoorlijk; ondanks de pijn heeft ze niets van haar schoonheid verloren, en ze lijkt inderdaad geen pijn te hebben maar eerder uit plezier te vertrekken omdat zij zichzelf op pad stuurt. En ze gaat heen, niet als de vrouw van Protesilaüs, omkranst met de bloemenkransen van de Bacchantenriten die ze vierde, niet als de vrouw van Capaneus, uitgedost als voor een offer; maar zij houdt haar schoonheid zonder opsmuk precies zoals zij was toen Abradates nog leefde, en neemt het op deze manier met zich mee, terwijl het dikke zwarte haar vrij over haar schouders en nek valt, en nog net haar witte keel zichtbaar laat, die ze heeft opengekrabd vanwege haar verdriet, maar niet op een wijze dat het haar ontsierde; de wonden die door haar vingernagels zijn gemaakt zijn inderdaad bekoorlijker dan een schilderij.

De blos op haar wangen heeft zelfs in de dood haar niet verlaten; haar schoonheid en kuisheid hebben die voorzien. Kijk naar de lichtgebogen neusvleugels die een basis voor de neus vormen van waaruit de wenkbrauwen als takken lijken te ontspringen, zwart onder een wit voorhoofd. En de ogen, mijn jongen, laten we die niet beschouwen vanwege hun grootte, ons niet afvragen of ze zwart zijn, maar laten we rekening houden met de intelligentie die er uit straalt, en door Zeus alle deugden van de ziel die zij hebben opgenomen; want hoewel hun toestand medelijden opwekt, hebben zij hun blik van vrolijkheid niet verloren, en hoewel ze moedig zijn, tonen zij nu moed in plaats van roekloosheid, en hoewel zij zich bewust zijn van de dood, hebben zij het leven nog niet verlaten. Begeerte, de metgezel van Liefde, heeft de ogen zo doordrongen dat het er duidelijk uit lijkt te druipen. Ook Liefde is op het schilderij aanwezig, als onderdeel in het verhaal over de daad; zo vangt ook de Lydische vrouw, het bloed, zoals je kunt zien, in een plooi van haar gewaad op.

2.10. Cassandra

De mannen die hier en daar in de grote zaal liggen, het bloed vermengd met de wijn, de mannen die uitgestrekt op de tafels liggen terwijl zij hun laatste adem uitblazen, en gindse mengbeker die opzij is geschopt door de man die er reutelend naast ligt, een meisje in het gewaad van een priesteres dat staart naar de bijl die op haar neerdaalt – zo verwelkomt Clytaemnestra Agamemnon na zijn terugkeer uit Troje. En terwijl anderen de volgelingen van Agamemnon doden, die zelfs te dronken zijn om Aegisthus aan te moedigen bij zijn daad, omhult Clytaemnestra Agamemnon in een soort mantel waaruit geen ontsnapping mogelijk is, en laat de tweebladige bijl op hem neerkomen waarmee zelfs grote bomen worden omgehakt, en daarna doodt ze de dochter van Priamus, door Agamemnon gewaardeerd vanwege haar prachtige schoonheid, die voorspellingen deed welke niemand geloofde, met de nog warme bijl.

Als we dit tafereel als een drama bekijken, mijn jongen, dan is er in een korte tijdsspanne een groot drama uitbebeeld, maar als we er als schilderij naar kijken, zul je er veel meer dan een drama in zien. Want kijk, hier zijn de fakkels die voor licht zorgen – kennelijk vonden deze gebeurtenissen in de ancht plaats – en daar zijn mengbekers om wijn te schenken, gouden bekers die helderder stralen dan de vlammen van de toortsen, en er staan met voedsel afgeladen tafels, het soort eten waar heldenkoningen zich mee voeden tijdens feesten; maar het is allemaal een grote bende, want de feestvierders hebben tijdens hun doodsstrijd iets omver geschopt, anderen dat verbrijzeld, terwijl sommigen op enige afstand van de feestvierders liggen. En de bekers, de meeste zijn besmeurd met bloed, vallen uit hun handen; noch hebben de stervende mannen enige kracht om zich te verdedigen, want zij zijn dronken. Wat de houding betrteft van hen die zijn gevallen, van één van hen is de keel doorgesneden alsof hij iets wil eten of drinken, van een ander die over het mengvat gebogen ligt is zijn hoofd afgesneden, iemand anders is zijn hand kwijtgeraakt die een beker vasthield, de volgende sleepte de tafel achter hem aan toen hij van zijn bank viel, een ander viel ‘halsoverkop’ zoals een dichter zou zeggen, op zijn schouders en hoofd; men had geen vermoeden over de naderende dood, en anderen missen de kracht om te vluchten omdat dronkenschap hen als boeien ketent. Geen van de gevallenen is bleek van kleur, want als mannen hun neus in een beker hebben gestoken verdwijnt de blos niet direct van hun gezichten.

In het tafereel wordt de voornaamste plek door Agamemnon ingenomen, die niet op de vlakte van Troje ligt, of op de oevers van de Scamander, maar tussen jongens en vrouwen, als een ‘os in de wieg’ – want dit betekent rust na het zwoegen en eten van voedsel – maar wat door zijn aandoenlijkheid nog meer opvalt is de figuur van Cassandra – de manier waarop Clytaemnestra, haar ogen gek van waanzin, de haren wapperend, haar arm boos opgeheven, boven haar staat met de bijl, en de manier waarop Cassandra zelf, teder en in trans, heeft geprobeerd zich met haar voorspellende gave op Agamemnon te werpen door haar hoofdband als een soort bescherming over hem heen te gooien; en nu de bijl boven haar balanceert, draait ze haar ogen in die richting en slaakt zo’n zielige kreet dat zelfs Agamemnon, met het beetje leven dat nog in hem aanwezig is, medelijden met haar hebbend, haar hoort schreeuwen; en het aan Odysseus wil vertellen in de hal der zielen van de Hades.

2.11. Pan

Pan, zeggen de Nimfen, danst slecht en gaat zich te buiten aan sprongen, opspringend op de manier van levendige geiten die hoog in de lucht springen; en ze vertellen dat zij hem een andere manier van dansen leerden, met een meer verukkelijke geaardheid; toen hij echter geen aandacht aan hen besteedde maar, zijn kleding uit trok, en met hen de liefde probeerde te bedrijven gingen zij op een middag op hem af, nadat Pan gestopt was met jagen en ging slapen. Voorheen was hij gewend om ontspannen te slapen, met een vredig gezicht en door de sluimering kalmeerde zijn boze geest, maar tegenwoordig is hij zeer boos; want de Nimfen overvielen hem, de handen van Pan waren al op zijn rug vastgeboden, en hij vreesde voor zijn benen daar de Nimfen probeerden die te grijpen. Bovendien, was zijn baard, waar hij zeer aan gehecht was, afgeschoren met scheermesjes die hun werk ruw hadden gedaan, en zeiden dat zij Echo zouden overhalen om hem te minachten waardoor deze niet langer zijn oproep zou beantwoorden. Je ziet hier de Nimfen in een groep, maar zie je ook van welke soort ze zijn; want sommigen zijn Najaden – zij die de druppels dauw uit hun haar schudden; de slankheid van de landnimfen is geen greintje minder dan dauw; en de bloemnimfen hebben haren die op de hyacinten lijken.

2.12. Pindar

Ik veronderstel dat je verbaasd bent over de nauwkerigheid waarmee deze bijen geschilderd zijn, want hun snuit is duidelijk te zien, de poten en vleugels alsmede de kleur van hun lijven is zoals die behoort te zijn, want het schilderij geeft hen evenveel kleuren als die ze van de natuur hebben gekregen. Waarom verblijven die slimme insecten dan nu niet in hun korven? Waarom zijn zij in de stad? Zij gaan voor een zwelgpartij naar het huis van Daïphantos - want Pindar is al geboren, zoals je kunt zien – om de baby in zijn vroegste jeugd te vormen zodat hij dan al wordt geïnspireerd door harmonie en muziek; en met deze taak zijn zij druk bezig. Want het kind is op lauriertakken gelegd en besproeid met mirte, omdat zijn vader vermoedde dat hij een heilige zoon zou krijgen, daarom weerklonken er cymbalen in het huis toen het kind geboren was, en trommels van Rhea werden gehoord, en ook de Nimfen, zo wordt gezegd, dansten voor hem, en Pan maakte bokkesprongen; nee, ze zeggen dat toen Pindar gedichten begon te schrijven, Pan zijn sprongen verwaarloosde en oden van Pindar begon te zingen.

Bij de deur staat een zorgvuldig gewrocht beeld van Rhea, en ik weet bijna zeker dat het beeld van marmer is, want het schilderij heeft een zekere uitstraling op dit punt terwijl het, bid ik, niets anders is dan vormgegeven steen? Ze toont zowel de Nimfen van de vroege ochtenddauw als de Bronnimfen, en Pan danst in een bepaalde maat met een expressievolle blik en zijn neusvleugels vertonen geen spoor van woede. De bijen in de slang zijn druk aan het werk boven de jongen, laten honing op hem druppelen terwijl zij hun angels ingetrokken houden uit angst om hem per ongeluk te steken. Zij zijn ongetwijfeld van Hymettus gekomen, en uit de ‘glanzende stad dat in verhalen wordt bezongen’; want ik denk dat dit het is wat zij Pindar bijbrachten.

2.13. De rotsen van Gyrae

De rotsen steken omhoog uit het water en de zee kolkt er rondom heen, op de rotsen kijkt een woedende held met een zekere trots uitdagend naar de zee – het schip van de Locriër was door de bliksem getroffen; en nadat hij van het schip gesprongen was toen dit in vlammen uitbarstte, worstelde hij met de golven, die soms zijn weg er naar toe versperden, soms hem er naar toe duwden, of hem soms hem met hun gewicht naar beneden duwden; maar toen hij de Gyrae bereikte – de Gyrae zijn rotsen die zich in de Egeïsche Zee bevinden – sprak hij minachtende woorden tegen de goden, waarop Poseidon zelf op weg gaat naar de Gyrae, verschrikkelijk, mijn jongen, onstuimig, met zijn haar recht overeind. En toch vocht hij als bondgenoot van de Locriër vroeger tegen Troje, toen de held discreet was en het niet waagde om de goden te trotseren – inderdaad, Poseidon gaf hem met zijn scepter kracht; maar nu, wanneer de god hem steeds brutaler ziet worden, heft deze zijn drietand tegen de man en de rotsen waarop Ajax zit zullen zo getroffen worden dat zij schudden en hem afwerpen, met al zijn brutaliteit.

Dat is het verhaal van het schilderij, maar wat getoond wordt voor het oog is het volgende: de zee ziet wit door de schuimkoppen; de rotsen zijn doorweekt vanwege de constante aanvallen van het water; uit het midden van het schip springen vlammen omhoog, en terwijl de wind de vlammen aanwakkert lijkt het alsof dit nog vaart terwijl het de vlammen als een zeil gebruikt. Ajax staart over zee als een man die nog slaapdronken is, geen schip of land ziend; ook vreest hij de naderende Poseidon niet, maar ziet eruit als een man die nog steeds bereid is tot de strijd; zijn kracht is nog niet uit zijn armen gevloeid, en houdt zijn hoofd fier overeind als in de tijd dat hij vocht tegen Hector en de Trojanen. En wat Poseidon betreft, zijn drietand werpend zal hij de rotsmassa verbrijzelen samen met Ajax zelf, maar de rest van de Gyrae zal blijven bestaan zolang de zee er zal zijn en niet meer door Poseidon beroerd zullen worden.

2.14. Thessalië

Dit schilderij lijkt op het eerste gezicht in Egypte af te spelen, maar het verhaal dat het vertelt komt niet uit Egypte; het gaat eerder, naar mijn mening, over Thessalië. Want waar de Egyptenaren het land in bezit namen als geschenk van de Nijl, werd door de Peneius in de oudheid aan de Thessaliërs niet toegestaan om ook maar enig land in bezit te nemen, omdat bergen de vlakten omspanden, die vanwege de rivier constant onder water stonden omdat er geen uitloop was. Daarom brak Poseidon met zijn drietand een stuk van de bergen af en maakte zo een uitweg voor de rivier. Inderdaad, dit is het werk dat hij gaat uitvoeren, de machtige taak om de vlakten bloot te leggen; zijn hand is opgeheven om de bergen te splijten, maar, voordat de klap neerkomt, maken zij voldoende ruimte om de rivier door te laten.

Om de actie beweging te geven heeft de schilder de rechterzijde van Poseidon gelijktijdig terugtrekkend en aanvallend afgebeeld terwijl deze dreigt aan te vallen, niet alleen met zijn hand maar met zijn hele lichaam. Hij is niet donkerblauw afgebeeld, ook niet als de zeegod, maar als een god van het vasteland. Daarom groet hij de vlakten wanneer hij ziet dat deze even weids en vlak zijn als de uitgestrektheid van de zee. Ook de rivier verheugt zich jubelend; en, zoals gebruikelijk op zijn elleboog rustend (omdat het voor een rivier niet gebruikelijk is om rechtop te staan), neemt de rivier Titaresius op vanwege diens heldere water en drinkbaarheid en belooft Poseidon dat hij in de geul zal stromen welke hij gemaakt heeft. Thessalië komt tevoorschijn, het water zakt al; ze draagt olijventrossen en graan en toont een veulen dat samen met haar zichtbaar wordt. Want het paard is ook een geschenk van Poseidon aan haar, wanneer de aarde het zaad van de god zal ontvagen terwijl hij slaapt en een paard zal baren.

2.15. Glaucus Pontius

De Argo zoekt zijn weg na het passeren van de Bosporus en tussen de Symplegaden doorgevaren te zijn door het midden van golvende Zwarte Zee en Orpheus betovert de zee met zijn gezang, terwijl de Zwarte Zee in de ban van zijn lied is en kalm luistert. De lading die het schip vervoert bestaat uit de Dioscuren en Heracles, de zoons van Aeacus en van Boreas, en alle nakomelingen van de halfgoden die op dat moment leefden; en de kiel die onder het schip is aangebracht is gemaakt van een oude boom, de boom die Zeus gebruikte voor zijn orakels in Dodona. Het doel van de reis is als volgt: in Colchis werd een gouden vacht bewaard, de vacht van een oude ram die Helle en Phrixus door de lucht vervoerde, zoals het verhaal gaat. Iason, mijn jongen, onderneemt de zware taak om deze vacht veilig te stellen (inderdaad een zware taak, want de vacht wordt bewaakt door een angstwekkende draak die nooit slaapt en het vasthoudt in zijn kronkelingen); om deze reden is hij de kapitein van het schip, daar de verantwoordelijkheid van de reis hem is toegewezen. En Tiphys, mijn jongen, is de stuurman van het schip; en naar verluidt is hij de eerste der mensen die dapper genoeg was in deze vaardigheid welke tot dan toe nog werd gewantrouwd; en Lynceus, de zoon van Aphareus, staat op de voorplecht, een man met een talent om ver te zien en diep in de zee te kunnen turen, altijd de eerste die riffen onder water weet te onderscheiden en de eerste die het land groet als dit vaag aan de horizon verschijnt.

Maar nu, denk ik, is zelfs het oog van Lynceus door ontsteltenis getroffen vanwege de nadering van de verschijning, die ook de oorzaak is dat de vijftig zeelieden stoppen met roeien; Heracles, het is waar, blijft onbewogen bij het aanzicht, als iemand die vele monsters heeft ontmoet, maar de rest, denk ik, noemen het een wonder. Want zij zien Glaucus Pontius. Het verhaal gaat dat hij eens in het oude Anthedon woonde en aan de kust een bepaalde grassoort at, toen onverwachts een golf op hem afkwam en hij werd weggevoerd naar de schuilplaatsen van de vissen. Hij uit nu waarschijnlijk een groot orakel, want hij blinkt uit in deze vaardigheid. Wat zijn uiterlijk betreft, de krullen van zijn baard zijn nat, maar lijken voor het oog wit als stromende fonteinen; de krullen van zijn haar zijn dik, die al het water naar zijn schouders afvoeren dat zij hebben opgenomen uit de zee; zijn wenkbrauwen zijn borstelig en lopen in elkaar over alsof het er een is. Ah, die arm! Wat is die sterk geworden door de oefeningen in de zee, voortdurend met de golven strijdend en ze glad makend met zijn gezwem. Ah, die borst! Wat een ruige bedekking van zeewier ligt daar kronkelend als een deken van haar overheen; terwijl de buik een verandering ondergaat en al begint te verdwijnen. Dat Glaucus net als de rest van zijn lichaam een vis is wordt duidelijk gemaakt door de staart, die opgeheven is en terugbuigt naar zijn middel; en het deel daarvan dat als een halve maan is gevormd is zeepaars van kleur. Boven het cirkelen ijsvogels die over de daden van de mannen zingen (want zij houden van Glaucus nadat zij getransformeerd zijn uit de mannen die ze eens waren) en op hetzelfde moment aan Orpheus een staaltje van hun eigen gezang schenken, waardoor de zee nooit zonder muziek is.

2.16. Palaemon

De mensen offeren op de Isthmus, zij zouden het volk van Corinthe worden; en gindse koning van het volk, laten we aannemen dat dit Sisyphus is; en in dit gebied van Poseidon weerklinkt zachtjes het geruis van de zee – want de bladeren van de bomen maken deze muziek – dit alles, mijn jongen, geeft het volgende weer: Ino werpt zich van de kaap en wordt Leucothea, één in de groep Nereïden, en wat het kind betreft, de aarde claimt de kleine Palaemon. Het kind gaat al op een dolfijn die hem gehoorzaamt richting kust, en met een vlak gemaakte rug draagt de dolfijn het slapende kind, geruisloos door het kalme water glijdend om zijn slaap niet te verstoren. En als hij nadert, opent een heiligdom haar deuren op de Isthmus terwijl de aarde wordt gespleten door Poseidon, die, denk ik, hier de komst van het kind aan Sisyphus verkondigt en hem opdraagt aan hem te offeren.

Sisyphus offert ginds een zwarte stier die hij ongetwijfeld uit de kudde van Poseidon heeft genomen. De betekenis van het offer, de kleding die gedragen wordt door degenen die het uitvoeren, de offers, mijn jongen, en het gebruik van het mes moeten toegeschreven worden aan de geheime riten van Palaemon – want de leer is heilig en geheim, aangezien Sisyphus de wijze die als eerste inwijdde; want dat hij een wijs man was wordt in een keer zichtbaar, denk ik, door de verdiepte blik op zijn gezicht. En wat het gezicht van Poseidon betreft, als hij op het punt stond om de rotsen van Gyrea of de bergen van Thessalië te laten beven, zou hij ongetwijfeld verschrikkelijk geschilderd zijn als iemand die op het punt staat een slag uit te delen; maar daar hij Melicertes als zijn gast ontvangt opdat hij hem aan land kan houden, glimlacht deze als het kind aan land komt, en gebiedt de Isthmus haar boezem te openen en het huis van Melicertes te worden. De Isthmus, mijn jongen, is geschilderd in de vorm van een goddelijkheid die in zijn volle lengte op de grond ligt, en door de natuur aangewezen om tussen de Egeïsche- en de Adriatische Zee te liggen alsof het een juk is dat aan de twee zeeën is opgelegd. Aan de rechterkant heeft het de jeugd, zeer waarschijnlijk de stad Lechaeum, en op links meisjes; dit zijn de twee zeeën, mooi en vrij rustig, die langs het land liggen dat de Isthmus vertegenwoordigt.

2.17. Eilanden

Zou je, mijn jongen, een verhandeling over deze eilanden willen horen als vanaf een schip, alsof we er tussendoor varen tijdens de lente, wanneer Zephyrus de zee kalm maakt door er met zijn adem overheen te blazen? Maar je moet bereid zijn om het land te vergeten en dit als zee te accepteren, niet woest en turbulent noch vlak of rustig, maar een zee die geschikt is om te bevaren alsof dat de werkelijkheid is. Zie, we gaan aan boord; want je gaat zonder voorbehoud akkoord? Antwoordt mij jongen ‘Ik ga akkoord, laten we gaan varen.’ Je zult merken dat de zee groot is, en de eilanden die er in liggen niet, door Zeus, Lesbos, nog geen Imbros of Lemnos, maar kleine eilanden die bij elkaar groepen als huizen of dieren in een kudde, door Zeus, als boerderijen op de kust.

De eerste van hen is steil en wordt verdedigd door een natuurlijke muur; het verheft zijn piek in de hoogte voor de allesziende Poseidon; het is rijk aan stromend water en verschaft bijen voedsel door bergbloemen, die de Nereïden ongetwijfeld ook plukken wanneer deze op de kust spelen. Het aangrenzende land, dat vlak en bedekt is met een dikke laag aarde, wordt bewoond door zowel vissers als boeren, die elkaar een markt bieden, de laatsten brengen de vruchten van hun veeteelt, de eersten de vissen die zij hebben gevangen; en zij hebben ginds een standbeeld opgericht van Poseidon de Boer met een ploeg en een juk, en vereren hem met de vruchten van de aarde; maar die Poseidon lijkt niet al te veel op een boer, de snavel van een schip is aan de ploeg vastgemaakt en hij breekt de grond alsof hij er doorheen vaart.

De twee eilanden daarna waren vroeger één geheel; maar nadat deze door de zee doormidden is gebroken worden de twee delen gescheiden door een brede rivier. Dit herken je misschien aan het schilderij, mijn jongen; want je zult ongetwijfeld zien dat de twee gescheiden delen van het eiland gelijk zijn, en met elkaar overeen komen, en zo gevormd zijn dat de delen precies in elkaar passen. Europa onderging eend dezelfde ervaring in het gebied van het Thessalische Tempe; want toen aardbevingen dit land blootlegden, gaven ze op de breuklijnen over en weer dezelfde bergen weer, en zelfs tot op de dag van vandaag zijn er holtes zichtbaar waar eens rotsen zaten, die corresponderen met de rotsen die er van af gescheurd zijn, en bovendien zijn er sporen zichtbaar van het grote bos dat de bergflanken gevolgd heeft toen zij gespleten werden; want de boombeddingen zijn er nog steeds. Dus we mogen aannemen dat er net zoiets met dit eiland gebeurd is; maar er is een brug over het kanaal gebouwd, met als gevolg dat de twee eilanden één lijken; en terwijl schepen onder de brug doorvaren, gaan er wagens overheen; je ziet ongetwijfeld de mannen die de overtocht maken, zowel reizigers als zeelieden zijn.

Het naburige eiland, mijn jongen, kunnen we een wonder noemen; want er smeult vuur onder, dat zijn weg heeft gebaand door ondergrondse gangen en holten van het eiland, waardoor er vlammen uit kanalen breken die geweldige bergstromen produceren waar machtige vuurrivieren uit stromen die in golven naar de zee lopen. Als je over zulke zaken wilt speculeren, het eiland voorziet in natuurlijke bitumen en zwavel; en als die met zeewater mengen, wordt het eiland in vuur en vlam gezet door de veelvuldige winden, datgene aan de zee onttrekkend die de brandstof in ontsteekt. Maar het schilderij, de verklaringen volgend die ons door de dichters zijn gegeven, gaat verder en beschrijft een mythe over het eiland. Een Gigant, is hier namelijk ooit eens verslagen, en om hem daar vast te houden werd het eiland over hem heen geworpen tijdens zijn doodsstrijd, hij geeft het nog steeds niet op en hernieuwt onder de aarde het gevecht en ademt zijn vuur uit terwijl hij zijn bedreigingen uitschreeuwt. Gindse figuur, zeggen ze, zou Typhon op Sicilië vertegenwoordigen of Enceladus hier in Italië, Giganten die beide continenten en eilanden er onder houden, nog niet dood maar eeuwig stervend. En jij, mijn jongen, zult je kunnen voorstellen dat de strijd nog niet afgelopen is, als je naar de top van de berg kijkt; want wat je ziet zijn de bliksems die Zeus naar de Gigant werpt, en de Gigant geeft de strijd al op maar vertrouwt nog steeds op de aarde, maar de aarde is moe geworden omdat Poseidon haar niet toestaat om van plek te veranderen. Poseidon heeft een nevel over de strijd geworpen, zodat het lijkt of het in het verleden gebeurt in plaat van dat het nu gebeurt.

Deze heuvel die door de zee wordt omringd is de woonplaats van een slang, ongetwijfeld de bewaker van een rijke schat die in de aarde verborgen ligt. Men zegt dat dit wezen gek op goud is en alle gouden dingen die het ziet bemint en koestert; op deze manier bewaken twee slangen de vacht in Colchis en de appels van de Hesperiden, omdat deze van goud lijken te zijn, terwijl zij nooit slapen en beweren dat deze van hen zijn. En de slang van Athena, die tot op de dag van vandaag nog op de Acropolis woont, heeft de bevolking van Athene lief vanwege het goud dat zij gebruiken in hun haarspelden. Hier is de slang zelf van goud; en de reden dat hij zijn hoofd uit het hol steekt is, denk ik, omdat hij voor de veiligheid van de schat die eronder verborgen ligt vreest.

Overdekt met klimop en wijnscheuten, beweert het volgende eiland aan Dionysus te zijn gewijd, maar voegt eraan toe dat Dionysus afwezig is, ongetwijfeld ergens op het vasteland genietend, de heilige voorwerpen van de plek aan Silenus toevertrouwend; deze voorwerpen zijn gindse cymbalen die ondersteboven liggen, en omgevallen gouden mengbekers, en nog warme fluiten, en trommels die zwijgen; de westenwind lijkt de klaverhuiden van de grond te tillen; en er zijn slangen, sommigen van hen zijn rond de thyrsussen gewikkeld en anderen, dronken slapend, staan ter beschikking aan de Bacchanten om als gordel te gebruiken. Enkele druiventrossen zijn zo rijp dat zij bijna barsten, sommigen worden zwart, anderen zijn nog steeds groen, en weer anderen lijken net te ontluiken, omdat Dionysus op een slimme manier zodanig de seizoenen van de wijnstokken heeft aangepast dat hij een voortdurende oogst heeft. De trossen zijn zo overvloedig dat zij aan de rotsen hangen en boven de zee, en vogels van zowel de zee als het land vliegen rond om er van te pikken; want Dionysus schenkt de wijnstok aan alle vogels behalve de uil, alleen deze vogel verjaagt hij bij de trossen omdat het de mens een vooroordeel geeft over wijn. Want als een klein kind dat nog nooit wijn heeft geproefd de eieren van een uil zou eten, haat hij heel zijn leven wijn en weigert om dit te drinken en is bang voor dronken mensen. Maar jij bent dapper genoeg, mijn jongen, om zelfs Silenus niet te vrezen die het eiland bewaakt, hoewel deze dronken is en een Bacchante probeert te grijpen. Zij, verwaardigt zich echter niet om hem aan te kijken, maar omdat ze van Dionysus houdt vormt ze een beeld van hem in haar gedachten en ziet hem, hoewel hij afwezig is; want hoewel de blik van de Bacchanten afwezig is, zijn zij zekere niet vrij om te dromen over de liefde.

De natuur die gindse bergen heeft gevormd heeft een eiland gemaakt dat dicht begroeid en overdekt is met bossen, hoge cipressen en dennen- en pijnbomen, ook eiken en cederbomen; want de bomen zijn elk geschilderd in hun karakteristieke vorm. De gebieden op het eiland waar wilde dieren in overvloed leven worden bevolkt door zwijnen- of hertenjagers, sommigen uitgerust met jachtsperen en bogen. Messen en knotsen, mijn jongen, worden door moedige jagers gedragen die van dichtbij aanvallen; en hier hangen netten verspreid door het bos, sommigen om de dieren in te sluiten, sommigen om hen te vangen, en weer anderen om hun loop te controleren. Sommigen van de dieren zijn gevangen, enkelen worstelen, anderen overmeesterden de jager; elke jeugdige arm is in beweging, en honden doen met geblaf mee met de mannen, zodat je zou kunnen zeggen dat Echo zelf deelneemt aan de zwelgende jachtpartij. Houthakkers vereren de hoge bomen en hakken die bij; en terwijl de een zijn bijl heft, heeft een ander die thuis gelaten, een derde slijpt zijn bijl die hij te bot vindt om te hakken, de volgende onderzoekt zijn dennenboom, beoordeelt de boom met een blik of deze geschikt is als mast op zijn schip, en weer een ander hakt jonge en rechte bomen voor de roeiriemen.

De steile rotsen en de zwerm meeuwen met de vogels in hun midden zijn geschilderd om de volgende reden: de mannen vallen de meeuwen aan, niet, bij Zeus, voor hun vlees, dat zwart en zelfs voor een hongerige man onverteerbaar is; maar omdat deze vogels de zoons van de doctoren voorzien van een maag met bepaalde eigenschappen die een goede eetlust te bevorderen bij degenen die het eten en om hen behendig te maken. De slaperige vogels worden eenvoudig gevangen door het licht van fakkels, want de jagers laten dit licht ’s nachts op hen schijnen. Maar de meeuwen verleiden de stern met een deel van het voedsel dat ze vangen om als bewakers op te treden en over hen te waken. Hoewel de stern een zeevogel is, is deze eenvoudig van geest, langzaam, en onhandig in het vangen van prooi; maar sterk in het weerstand bieden aan slaap en doet dat in feite ook maar weinig. Om deze reden schenkt hij het gebruik van zijn ogen aan de meeuwen. Dus wanneer meeuwen wegvliegen na hun maaltijd, houdt de stern de wacht bij de thuisrots, en als de meeuwen ’s avonds terugkeren brengen zij hem een tiende van wat zij hebben gevangen, ze vallen onmiddellijk in slaap rondom de stern, en deze blijft wakker en wordt nooit door slaap overvallen behalve wanneer deze daartoe bereid is. Als deze de nadering van enig gevaar bespeurt verheft hij een schrille kreet, en zij stijgen bij het signaal op en vliegen weg, hun waker ondersteunend als deze moeizaam de lucht in mocht komen. Maar op dit schilderij staat hij en waakt over de meeuwen. Met dien verstande dat deze midden tussen de vogels staat, de stern is net als Proteus temidden van zijn zeehonden, maar is superieur aan Proteus omdat hij niet slaapt.

Op dit eiland, mijn jongen, gaan we aan land; en hoewel ik de naam er niet van ken, zou het op zijn minst het ‘gouden’ genoemd kunnen worden, als de dichters deze benaming niet willekeurig gebruikten voor alles dat prachtig en schitterend is. Het is slechts groot genoeg om een klein paleis te bevatten; want niemand wil hier ploegen of de wijnstok in cultuur brengen; maar het heeft een overvloed aan bronnen, sommigen produceren zuiver koud water en anderen water dat verwarmd is. Laten we concluderen dat het een eiland is dat zo goed voorzien is van water dat het in zee overloopt. En dit aanzwellende water, borrelende bronnen die in de hoogte ontspringen als in een ketel die kabbelende golven veroorzaken, en dit eiland omringen de bronnen. Nu de wonderlijke oorzaak van deze bronnen, ofwel moet men er vanuit gaan dat zij uit de aarde komen of men moet ze in zee lokaliseren, Proteus hier zal beslissen; want hij is gekomen om een oordeel over dit punt te geven. Laten we de stad beschouwen die op het eiland is gebouwd. Want naar waarheid is daar de gelijkenis van een mooie en prachtige stad gebouwd die niet groter is dan een huis, en daarbinnen wordt een koninklijk kind verzorgd en de stad is zijn speeltje. Daar is een theater groot genoeg om hem en zijn speelkameraden te ontvangen, en er is een renbaan geconstrueerd van voldoende afmetingen voor de kleine Maltezer honden en hun races; want de jongen gebruikt hen als paarden en zij worden bijeengehouden door de dissel en het rijtuig, en de menners zijn de apen die de jongen als zijn dienaren beschouwt. Gindse haas, pas sinds gisteren in het huis gebracht, geloof ik, is als een hond met een paars touw vastgebonden, maar deze heeft bezwaar om vastgebonden te zijn en probeert aan zijn boeien te ontsnappen met behulp van zijn voorpoten; een papegaai en een ekster zingen in een geweven kooi als Sirenen op het eiland; de ekster zingt wat hij kent, maar de papegaai wat hem is geleerd.

2.18. Cyclopen

Deze mannen oogsten de velden en verzamelen druiven, mijn jongen, hoewel ze het land niet geploegd of wijnstokken geplant hebben; maar de aarde liet uit eigen beweging deze vruchten voor hen groeien; het zijn Cyclopen, voor wie, ik weet niet waarom, de dichters zeggen dat de aarde spontaan haar vruchten produceerde. En de aarde heeft ook een herdersvolk van hen gemaakt vanwege de kudden, waarvan zij de melk zowel als drinken en vlees beschouwen. Zij kennen geen volksvergadering of huizen, maar wonen in de kloven van de berg.

Om de anderen niet te noemen, Polyphemus de zoon van Poseidon, de felste van hen, woont hier; hij heeft een wenkbrauw boven zijn enige oog en een brede neus staat schuin boven zijn bovenlip, en hij voedt zich met mannen op de manier van woeste leeuwen. Maar op het ogenblik onthoudt hij zich van zulk voedsel opdat hij niet gulzig of onaangenaam overkomt; want hij houdt van Galatea, die hier in de zee zwemt, terwijl hij haar bekijkt vanaf de berghelling. Hoewel de herdersfluit zich in zijn handen bevindt maar zwijgt, zingt hij een pastoraal lied dat vertelt hoe wit ze is en frivoler en zoeter dan onrijpe druiven, en hoe hij reekalven en zwijnenjongen voor haar grootbrengt. Dit alles zingt hij onder een groenblijvende eik, waar hij geen aandacht schenkt waar zijn vee graast of op hun aantal en zelfs, niet langer, acht slaat op de aarde. Hij is als een schepsel van de bergen geschilderd, angstwekkend om te zien, met wapperende haren, die recht overeind staan en net zo dicht zijn als het gebladerte van een pijnboom, een stel gekartelde tanden zijn zichtbaar in zijn vraatzuchtige mond, overal ruig – borst, buik, ledematen zelfs tot aan zijn nagels. Hij denkt, omdat hij verliefd is, dat zijn blik zachtaardig is, maar deze is wild en nog steeds heimelijk, net als die van wilde dieren welke zijn onderworpen aan de kracht van de noodzaak.

De Nimfen zwemmen in de kalme zee, een span van vier dolfijnen besturend die zijn ingespannen en eendrachtig samenwerken; en dochters van Triton, de bedienden van Galatea, begeleiden hen, ze insluitend als zij iets ondeugends proberen te doen wat niet mag met de teugels. Tegen de wind hangt er boven haar hoofd een lichte zeepaarse sjaal om een beetje schaduw voor zichzelf en het rijtuig te creëren, daar schijnt een soort van straling vanaf op haar voorhoofd en hoofd, hoewel er geen charmanter wit is dan de blos op haar wangen; haar haren wapperen niet in de wind, want deze zijn zo vochtig dat de wind er geen grip op heeft. En zie, haar rechter ellbeoog is naar buiten gebogen en haar witte onderarm buigt naar binnen, terwijl ze haar vingers laat rusten op haar tere schouders, en haar armen zijn lieflijk afgerond, en haar borsten steken naar voren, noch ontbreekt er enige schoonheid aan haar dijen. Haar voeten, met de gratieuze delen waarme ze eindigen, zijn geschilderd als op zee, mijn jongen, en raken zachtjes het water alsof zij het roer zijn dat haar rijtuig bestuurt. Haar ogen zijn prachtig, want die hebben een soort verre blik die reikt tot aan het einde van de zee.

2.19. Phorbas

Deze rivier, mijn jongen, is de Boeotische Cephisus, een stroom die niet onbekend is aan de Muzen; en op de oevers zijn Phlegyers gelegerd, een barbaars volk dan niet in steden woont. Van de twee mannen die aan het boksen zijn zie je ongetwijfeld dat de een Apollo is, en de ander Phorbas, die de Phlegyers tot koning hebben gemaakt omdat hij groot is en van hen allen de meest primitieve van hun ras. Apollo bokst met hem voor de vrijheid van de weg. Want sinds Phorbas de weg die rechtstreeks van Phocis naar Delphi voert controleert, offert er niemand meer bij Pytho of brengt er nog lofzangen ten gehore ter ere van de god, en zijn de orakels van de drievoet met voorspellende uitspraken en reacties geheel gestaakt.

Phorbas scheidt zich af van de rest van de Phlegyers wanneer hij zijn overvallen pleegt; en deze eik, mijn jongen, heeft hij als zijn huis in bezit genomen, en de Phlegyers bezoeken hem in deze koninklijke kwartieren om, voorwaar, gerechtigheid te krijgen. De mensen vangend die op weg zijn naar het heiligdom, stuurt hij de oude mannen en kinderen naar het centrale kamp van de Phlegyrs om hen daar te plunderen en vast te houden voor een losgeld; maar wat de sterkeren betreft, kleedt hij zich uit voor een wedstrijd en overmeesterd sommigen van hen met worstelend, hardlopen met anderen, en verslaat weer anderen op het sportveld met discuswerpen; dan snijdt hij hun hoofden af en hangt die op in de eik, en onder deze bezoedeling brengt hij zijn leven door. De hoofden hangen vochtig in de takken, en sommigen zoals je kunt zien zijn verdroogd en anderen nog nieuw, terwijl weer anderen zijn gekrompen tot kale schedels; en die lijken te grijnzen als de wind om hen heen blaast.

Apollo is naar Phorbas gekomen, terwijl die juicht over de ‘Olympische’ overwinningen, in de gedaante van een jonge bokser. En wat het uiterlijk van de god betreft, hij wordt voorgesteld als niet geschoren, mijn jongen, met opgebonden haren zodat hij kan boksen met een omgord hoofd; lichtstralen komen uit zijn hoofd omhoog en zijn mond vertoont een glimlach vermengd met wraak; de blik in zijn ogen is scherp wanneer hij zijn opgeheven handen volgt. En er zijn leren riemen om zijn handen gebonden, die mooier zijn dan wanneer kransen deze zouden versieren. De god heeft hem al verslagen met boksen – maar de stoot van zijn rechterhand toont nog steeds de aktie en nog niet de stille houding waarmee hij hem heeft neergeslagen – en de Phlegyer ligt uitgestrekt op de grond, en een dichter zal vertellen hoeveel grond hij bedekt; de wond is toegebracht aan zijn slaap, en het bloed stroomt naar buiten als een fontein. Hij wordt als een wilde geschilderd, met een zwijnachtige gelaatsuitdrukking – het soort dat zich met vreemdelingen voedt in plaats van ze simpelweg te doden. Er schiet vuur uit de hemel om de eik te treffen en in brand te steken, echter niet om alle sporen uit te wissen; want de plek waar deze gebeurtenissen plaatsvonden, mijn jongen, wordt nog steeds ‘Hoofden in de Eik’ genoemd.

2.20. Atlas

Tegen Atlas beweerde Heracles, en dat zonder bevel van Eurystheus, dat hij de wereld beter kon dragen dan Atlas. Want hij zag dat Atlas gebogen stond en bijna verpletterd werd door het gewicht terwijl hij op één knie hurkte en nog nauwelijks de kracht had om te staan, terwij hij tegen zichzelf, beweerde dat hij de hemel op kon tillen en hem zo lange tijd in de hoogte houden. Uiteraard koesterde hij deze ambitie totaal niet, maar zei met spijt in zijn stem tegen Atlas dat hij op grond van zijn Werken vrijwillig zijn last met hem wilde delen. En Atlas was zo blij met het aanbod van Heralces dat hij hem smeekte om deze taak te over te nemen.

Atlas wordt uitgeput afgebeeld, te oordelen naar al het zweet dat van hem afdruipt en is af te leiden aan zijn trillende arm, maar Heracles verlangent serieus naar de taak. Dit blijkt uit zijn gretige blik, de op de grond geworpen knots en de handen die smeken om de taak. Het is niet nodig om de beschaduwde delen van Heracles’ lichaam te bewonderen omdat deze krachtig zijn getekend – want de houdingen van rustende figuren of personen die rechtop staan worden eenvoudig beschaduwd, en hen nauwkeurig natekenen is totaal geen teken van vaardigheid – maar de schaduwen op Atlas vertonen een grote vaardigheid; want de schaduwen op de hurkende figuur lijken van de een in de ander over te lopen, en verduisteren geen van de uitstekende delen maar produceren licht op de delen die hol zijn en terug liggen. De buik van Atlas, bijvoorbeeld, kan men zien hoewel hij voorover buigt, en je kan zien dat hij hijgt. De lichamen in de hemel die hij draagt zijn in de ether geschilderd die door de sterren wordt omringd; men kan een stier herkennen, dat is de Stier uit de hemel, en beren, het soort dat hier te zien is.

Van de Winden zijn sommigen aanwezig die in dezelfde richting kijken en anderen die de tegenovergestelde kant opkijken, terwijl sommigen vriendelijk kijken lijken zij met elkaar hun strijd in de hemel te voeren. Je zult deze hemelse lichamen voor dit moment optillen, Heracles; maar je zult lang met hen leven in de hemel, drinkend, en de mooie Hebe omarmend; want jij zult de jongste van de goden trouwen en het meest door hen vereerd worden, want door jou zijn zij ook jong.

2.21. Antaeus

Fijn zand, zoals dat wordt aangetroffen op beroemde worstelplekken, vlakbij een vat olie, twee atleten, waarvan de een zijn oren met een muts beschermt en de ander een leeuwenhuid van zijn schouders laat glijden, begrafenisterpen en monumenten met ingekerfde letters – dit is Libya, en Antaeus die de Aarde baarde om kwaad aan vreemdelingen te berokkenen door het beoefenen van een, denk ik, vrijbuiterachtige stijl van worstelen. Tegen deze gigant die de wedstrijden organiseerde en hen begroef die hij doodde in de worstelarena, zoals je kunt zien, laat het schilderij Heracles uitkomen; hij heeft zich al verzekerd van de gouden appels die hier getoond worden en is beroemd om zijn prestaties onder de Hesperiden Nimfen – hen overwinnen was niet zo’n geweldige prestatie voor Heracles, als de slang. Zonder zelfs zijn knie te buigen, zoals het verhaal gaat, kleedt hij zich uit om Antaeus te treffen, terwijl hij nog nahijgt van zijn reis; zijn ogen staren strak in het niets, alsof hij de strijd al in gedachten voert; en heeft zijn woede aan banden gelegd zodat deze hem niet voorbij de grenzen van voorzichtigheid voert. Maar Antaeus, minachtend en opgeblazen van trots, lijkt tegen Heracles te zeggen, ‘Jij kind van ellendige mensen,’ of zoiets, brutaal zijn eigen moed bevestigend.

Als Heracles verknocht was geweest aan worstelen, waren zijn natuurlijke kenmerken niet zo verschillend geweest aan die op het schilderij; want hij wordt sterk voorgesteld, en, daarom is zijn lichaam zo symmetrisch ontwikkeld, overvloedig begiftigd met vaardigheid; hij zou zelf een gigant kunnen zijn met een lichaam dat dat van mensen overtreft. Hij is roodbloedig, en zijn aderen lijken in barensnood te verkeren alsof er een passie in verborgen is. En Antaeus, ik denk dat je bang voor hem moet zijn, mijn jongen; want hij lijkt wel een wild dier, bijna net zo breed als hij lang is, en zijn nek is op zo’n manier aan zijn schouders bevestigd dat het meeste van het laatste tot de nek behoort, en de arm is net zo groot als de schouders. Gindse borst en buik die ‘met de hamer gemaakt’ zijn en het feit dat het onderbeen niet recht is maar log markeren hem als sterk, inderdaad, zeer gespierd maar weinig vaardigheid. Verder is Antaeus zwart, gekleurd door blootstelling aan de zon. Dit zijn de kwalificaties van de twee voor de worstelwedstrijd.

Je ziet ze aan het worstelen zijn, of beter gezegd bij het eind van hun wedstrijd, als Heracles op het punt staat de overwinning te behalen. Want hij houdt zijn tegenstander in een greep op afstand van de aarde, want Gaea hielp Antaeus tijdens de strijd door zichzelf te verheffen en hem elke keer weer op zijn voeten te zetten wanneer hij was neergeworpen. Dus greep Heracles, zich geen raad wetend hoe hij met Gaea moest omgaan, Antaeus bij zijn middel net boven zijn taille, waar de ribben zitten, en hield hem recht overeind, met nog steeds zijn armen om hem heen geslagen; vervolgens met zijn onderarm tegen de punt van Antaeus’ maag drukkend, nu slap en hijgend, kneep hij zijn adem af en versloeg hem door de punten van zijn ribben door zijn lever heen te drukken. Ongetwijfeld zie je Antaeus kreunen en naar de Aarde kijken, die hem niet kan helpen, terwijl Heracles sterk is en glimlacht over zijn prestatie. Kijk niet onachtzaam naar de top van de berg, maar ga er van uit dat de goden daar plaats hebben genomen om naar de wedstrijd te kijken; want, kijk goed, er is een gouden wolk geschilderd, die, denk ik, als luifel voor hen fungeert; en daar komt Hermes aan om Heracles te kronen omdat hij vindt dat Heracles zijn taak zo goed volbracht heeft in de worstelwedstrijd.

2.22. Heracles onder de Pygmeeën

Terwijl Heracles slaapt nadat hij Antaeus heeft verslagen, gaan de Pygmeeën op hem af met de bedoeling om Antaeus te wreken; want zij beweren de broers van Antaeus te zijn, levenslustige jongens, geen sporters, inderdaad, noch zijn gelijke in het worstelen, maar aardgeboren en bovendien behoorlijk sterk, en wanneer zij uit de aarde tevoorschijn komen golft het zand als de golven van de zee. Want de Pygmeeën wonen net als mieren in de aarde en slaan hun voorraden ondergronds op, en het voedsel dat zij eten is geen eigendom van anderen maar van hunzelf en door hen zelf geteeld. Want zij zaaien en oogsten en rijden op karren die door pygmeeënpaarden worden voortgetrokken, en er wordt verteld dat zij bijlen gebruiken op graanstengels, in de overtuiging dat het bomen zijn. Maar ach, hun stoutmoedigheid! Hier trekken zij op tegen Heracles en proberen hem te vermoorden in zijn slaap; hoewel ze niet bang voor hem zijn zelfs als hij wakker is. Ondertussen slaapt hij op het zachte zand, omdat hij door vermoeidheid is overvallen na het worstelen; en, in diepe slaap, met zijn mond open, haalt hij diep adem, en Slaap zelf staat zichtbaar boven hem, en heeft een groot aandeel, denk ik, in de val van Heracles. De dode Antaeus ligt daar ook, maar waar Heracles warm en levend wordt geschilderd, toont zij Antaeus dood en verdord en achtergelaten voor de Aarde.

Het leger van de Pygmeeën omringt Heracles; terwijl de ene falanx zijn linkerhand aanvalt, marcheren de andere twee compagnieën naar zijn rechterhand omdat zij sterker zijn; boogschutters en een grote groep slingeraars belegeren zijn voeten, verbaasd over de afmetingen van zijn scheenbeen; en wat hen die tegen zijn hoofd optrekken betreft, de koning van de Pygmeeën heeft hier de leiding, waarvan zij denken dat dit de meeste weerstand zal bieden, en zij brengen er oorlogsmachines tegen in het geweer alsof het een citadel is – vuur voor zijn haar, houwelen voor zijn ogen, een soort deuren voor zijn mond, en deze, denk ik, zijn poorten om aan zijn neus vast te maken, zodat Heracles niet kan ademen wanneer zijn hoofd veroverd is. Al deze dingen worden gedaan, om zeker te zijn, rond de slapende Heracles; Maar kijk! hij staat op en lacht om het gevaar, en veegt het vijandelijke leger bijeen in zijn leeuwenhuid, en ik veronderstel dat hij ze naar Eurystheus brengt.

2.23. De waanzin van Heracles

Vecht, dappere jongelingen, omsingel Heracles, en val aan. Maar laat de hemel gunnen dat hij de overblijvende jongen spaart, want er liggen er al twee dood en zijn hand richt de pijl op het werkelijke doel van de Heracles. Uw taak is groot, geen sikkepit minder dan de strijd waarin hijzelf actief is vanwege zijn waanzin. Maar vrees niets; hij is van je weggegaan, want zijn ogen zijn gericht op Argos, en hij denkt dat hij de kinderen van Eurystheus doodt; inderdaad, ik hoorde hem in het spel van Euripides; hij bestuurde een wagen en gebruikte een zweep op zijn paarden en dreigde het huis van Eurystheus totaal te vernietigen; want waanzin is een bedrieglijk iets en is vatbaar om iemand weg te trekken van wat aanwezig is en wat niet.

Genoeg over deze jongelingen; maar wat jou betreft, het is hoog tijd om jezelf bezig te houden met het schilderij. De kamer dat het onderwerp van zijn aanval was bevat nog steeds Megara en het kind; offermanden, waskommen, gerstekorrels, brandhout en heilige bekers, de gebruiksvoorwerpen van Zeus Herceius, alles is opzij geschopt, en daar staat de stier; maar zij zijn op het altaar geworpen, als slachtoffers, kinderen van een adellijk geslacht, samen met de leeuwenhuid van hun vader. De één is getroffen in de nek en de pijl is door de delicate keel gegaan, de tweede ligt languit gestrekt op zijn borst en de weerhaken van de pijl zijn midden door zijn ruggengraat getrokken, het projectiel is kennelijk in zijn zij geschoten. Hun wangen zijn nat van de tranen, en je moet je niet verwonderen dat zij tot het uitersten huilden; want bij kinderen stromen tranen gemakkelijk, of dat wat zij vrezen nu groot of klein is. De razernij van Heracles is omgeven door zijn hele groep van bedienden, als een stier die in opstand is gekomen, omringd door herders; een probeert hem vast te binden, een ander worstelt om hem te bedwingen, weer een ander schreeuwt luid, een ander klampt zich met zijn handen aan hem vast, de volgende probeert hem te laten struikelen, terwijl sommigen op hem springen.

Hij, echter, is zich niet van hen bewust, maar werpt degene die hem benadert van zich af en vertrapt hem, er druipt veel schuim uit zijn mond die met een grimmige en vreemde glimlach lacht, en terwijl hij zijn ogen aandachtig gericht houdt op wat hij aan het doen is, maar laat de gedachten achter zijn blik afdwalen naar de fantasieën die hem bedriegen. Zijn stem loeit, zijn nek is dik, en de aderen in zijn hals zijn opgezwollen, de aderen waardoor alles wat de ziekte voedt stroomt naar de oppermachtige delen van zijn hoofd. De Erinye die deze heerschappij over hem heeft veroorzaakt heb je vele malen op het toneel gezien, maar is hier niet zichtbaar; want zij is Heracles zelf binnen gedrongen en danst in zijn borst en springt binnenin hem omhoog en veroorzaakt een warboel in zijn geest. Op dit punt stopt het schilderij, dichters overschrijden vaak de grens om vernederende details toe te voegen, en vertellen zelfs over het vastbinden van Heracles, en zij zeggen ook dat Prometheus hem bevrijdde van zijn boeien.

2.24. Theodamas

Deze man is woest en, bij Zeus!, in een woest land; want dit is Rhodos, het meest ruige gedeelte dat door de Lindiërs wordt bewoond, een goed land voor druiven en grote vijgen maar niet geschikt om te ploegen en onmogelijk om over te rijden. We moeten ons de man voorstellen als knorrig, een landarbeider van ‘vroegtijdig ouderdom’; hij is de Lindiër Theodamas, misschien heb je van hem gehoord. Maar wat een lef! Theodamas is boos op Heracles, omdat de laatste, hem treffend toen hij aan het ploegen was, een van de ossen slachtte en die opat, omdat hij gewend was zulke maaltijden te eten. Want je hebt ongetwijfeld over Heracles gelezen in Pindar, over de tijd toen hij naar het huis van Coronus kwam en een hele os opat, daarbij de overbodige botten niet meetellend; en bij het vallen van de avond bij Theodamas aankomend maakte hij een vuur – en zelfs mest is een goede brandstof voor vuur – en de os roostert voelde hij aan het vlees om te zien of het al mals was, en was boos op het vuur omdat het zo lang duurde.

Het schilderij is zo gedetailleerd dat het zelfs de aard van de grond toont; want waar de ploeg zelfs maar een klein stukje van het oppervlak aan de ploeg toont, lijkt deze allesbehalve arm, als ik het goed bekijk. De aandacht van Heracles is op de os gevestigd, en besteed maar weinig aandacht aan de vloeken van Theodamas, maar net genoeg om te ontspannen en een glimlach op zijn gezicht te brengen, terwijl de boer stenen naar hem gooit. De kleding van de man is Dorisch; zijn haar is smerig en er zit vuil op zijn voorhoofd; terwijl zijn dijen en armen er uitzien zoals het land aan haar meest geliefde atleten gunt. Zo ziet de daad van Heracles er uit; en deze Theodamas wordt onder de Lindiërs vereerd; daarom offeren zij een ploegos aan Heracles, en zij beginnen de riten met alle vloeken die, denk ik, de boer heeft geuit, en Heracles verheugt zich hierover en schenkt goede dingen aan de Lindiërs in ruil voor hun verwensingen.

2.25. De begrafenis van Abderus

Laten we overwegen dat de merries van Diomedes geen taak meer zijn voor Heracles, mijn jongen, want hij heeft ze al verslagen en hen met zijn knots verpletterd – een van hen ligt op de grond, een ander hapt naar adem, en een derde, zul je zeggen, springt op, terwijl de volgende neerstort; ze hebben wilde manen, ruig tot aan hun hoeven, en het zijn in elk opzicht wilde dieren; hun stallen zijn besmeurd met vlees en botten van de mannen die Diomedes als voedsel voor zijn paarden gebruikte, en de fokker van de merries zelf ziet er nog wilder uit dan de beesten waarnaast hij is gevallen – maar je moet dit meest recente werk als het meest moeilijke beschouwen, daar Eros Heracles deze naast vele anderen opdroeg om uit te voeren, en omdat de ontberingen die hem waren opgedragen niet eenvoudig te dragen waren.

Want Heracles draagt het half opgegeten lichaam van Abderus, die hij aan de merries ontrukt heeft; en deze verslonden hem terwijl het nog een tedere jongeling was, nog jonger dan Iphitus, te oordelen aan de stukken die zijn overgebleven; want, hoewel nog steeds mooi, zij liggen op de leeuwenhuid. De tranen die hij over hem vergoten heeft, de omarmingen die hij hem gegeven heeft, de klaagzangen die hij uitte, de last van verdriet op zijn gezicht – laat deze tekenen van verdriet aan een andere minnaar toegewezen worden; en laat het monument boven het graf van de geliefde op dezelfde manier geplaatst worden en hetzelfde eerbetoon dragen, maar, niet tevreden met het eerbetoon dat door de meeste minnaars wordt betoond, richt Heracles voor Abderus een stad op, die hij zijn naam geeft, en stelt ook spelen voor hem in, en er worden ter zijner ere wedstrijden gehouden, zoals boksen, worstelen en al die andere wedstrijden behalve paardenrennen.

2.26. Xenia

Deze haas in zijn kooi is de prooi van het net, zittend op zijn achterpoten beweegt hij met zijn voorpoten langzaam en voorzichtig tussen zijn oren, maar kijkt heel attent met zijn ogen en probeert ook te zien wat er achter hem gebeurt, zo achterdochtig is hij en bibbert voortdurend van angst; de tweede haas die aan de verdorde eik hangt, zijn buik opengesneden en tot aan zijn achterpoten ontdaan van zijn huid, getuigt van de snelheid van de hond die onder de boom zit, rustend em trots dat hij alleen de prooi gevangen heeft. Voor wat de eenden naast de haas betreft (tel ze dan), en hetzelfde aantal ganzen als de eenden, is het niet nodig om ze te testen door er in te kniujpen, want hun borsten, waar het vet zich bij watervogels overvloedig verzamelt, zijn geheel kaalgeplukt. Als je van gerezen brood houdt of van ‘achtdelige liefde’, die bevinden zich daar vlakbij in de grote mand. En als je lekker wilt eten, heb je de broden zelf – want die zijn op smaak gebracht met venkel en peterselie en ook bestrooid met maanzaad, het kruid dat slaap brengt – maar als je een tweede gang wilt, stel dat uit totdat je gekookt hebt, en deel hebt aan het voedsel dat geen vuur nodig heeft.

Waarom neem je niet iets van het rijpe fruit, waarvan een grote stapel daar in de andere mand ligt? Weet je niet dat het in een kleine spanne tijds niet meer zo fris zal zijn, en de dauw er snel van verdwenen zal zijn? En vergeet ook het dessert niet, als je al iets geeft om mispelvruchten en de eikels van Zeus, die de gladste vruchten van de bomen zijn in een stekelige schil die moeilijk is af te pellen. Weg met de honing, daar we hier deze palathé (een stapel vijgen) hebben, of hoe je hen wilt noemen, zo zoet en sierlijk zien ze er uit! Ze zijn verpakt in hun eigen bladeren, die schoonheid verlenen aan de palathé. Ik denk dat dit schilderij de gastvrijheid uitbeeldt van de eigenaar van de boerderij, en hij neemt een bad, met misschien de blik van Pramniaanse of Thasische wijn in zijn ogen, hoewel hij misschien, als hij wil, hier aan tafel de zoete nieuwe wijn drinkt, en dan bij zijn terugkeer naar de stad de geperste druiven zou kunnen ruiken en in zijn vrije tijd een boer zal laten in het gezicht van de stedelingen.

2.27. De geboorte van Athena

Deze wonderlijke wezens zijn goden en godinnen, want het bevel is gegeven dat zelfs de Nimfen de hemel niet mogen verlaten, maar dat zij, net als de rivieren waar zij uit voortgekomen zijn, in de buurt moeten blijven; en zij huiveren bij de aanblik van Athena, die op dit moment net volledig gewapend uit het hoofd van Zeus tevoorschijn schiet, door de uitvinding van Hephaistus, zoals de bijl ons vertelt. Wat het materiaal van haar arsenaal betreft, niemand zou het kunnen benoemen; want deze bevat evenveel kleuren als de regenboog, die haar licht van de ene naar de andere tint verandert, zoveel kleuren bevat haar wapenrusting. Hephaistus lijkt vergeten te zijn met welk geschenk hij de gunst van de godin voor zich kan winnen; want zijn verlokking lijkt bij voorbaat verloren omdat haar wapenrusting samen met haar is geboren. Zeus ademt diep in van plezier, net als mannen die een grote wedstrijd aangaan voor een grote prijs, en hij kijkt zoekend naar zijn dochter, trots op zijn nageslacht; zelfs op het gezicht van Hera is geen verontwaardiging te zien; nee, ze is blij, alsof Athena ook haar dochter is.

Twee mensen offeren al aan Athena op de Acropolis van twee steden, de Atheners en Rhodiërs, één op het land en één op zee, (zeegeboren) en aardgeboren mensen; de laatste offert zonder vuur offers die niet niet compleet zijn, maar de mensen van Athene offeren vuur, zoals je ginds kunt zien, en de geur van verbrand vlees. De rook wordt geurig voorgesteld en stijgt op met de smaak van het offer. Daarom gaat de godin naar de Atheners als naar mensen met superieure wijsheid die uitstekende offers brengen. Maar bij de Rhodiërs, zo wordt ons echter verteld, regende het goud uit de hemel en vulde hun kleine huizen en smalle straatjes, toen Zeus een wolk boven hen liet losbarsten, omdat zij ook aandacht aan Athena hadden besteed. De goddelijke Plutus staat ook op hun Acropolis, en hij wordt als een gevleugeld wezen afgebeeld dat uit de wolken is neergedaald, en van goud ten gevolge van het materiaal waarmee hij zich openbaarde. Bovendien is hij geschild met ogen ; want hij is bewust naar hen toe gekomen.

2.28. Weefgetouwen

Omdat je de loftrompet steekt over het weefgetouw van Penelope, en ontdekt hebt dat het een uitstekend schilderij is, en je denkt dat het weefgetouw compleet is afgebeeld – en het strak gespannen is met de schering, en pluksel verzamelt onder de draden, en de spoel allesbehalve zingt, terwijl Penelope zelf tranen huilt zo heet dat Homerus er sneeuw door laat smelten, en zij uitrafelt wat zij heeft geweven, kijk dan ook naar de spin die is geweven in de afbeelding in de buurt, en kijk of deze niet meer uitblinkt dan die van zowel Penelope als de Seres , hoewel het web dat deze mensen maken veel fijner is en amper zichtbaar. Deze deur behoort toe aan een huis dat op geen enkele wijze welvarend is; je zou zeggen dat het door zijn meester in de steek is gelaten, en de binnenplaats lijkt verlaten, terwijl de zuilen het dak niet langer ondersteunen, want die zijn omgevallen en ingestort; nee, het wordt alleen door spinnen bewoond, want het schepsel dat van het weven van zijn web houdt is stil.

Kijk ook naar de draden; want als de spinnen hun garen uitspuwen laten zij dit naar de grond zakken – en de schilder toont ze terwijl ze daarop neerkomen en klauterend ‘opstijgen’ zoals Hesiodus zegt, en proberen te vliegen – en in hoeken hun nest weven, sommigen vlak uitgespreid, sommigen hol; die vlakke zijn goed in de zomer, en het holle soort dat zij weven is nuttig in de winter. In dit opzicht is de schilder ook succesvol geweest: de spin zelf heeft hij op een zo nauwgezette wijze afgebeeld, hij heeft de plekken natuurgetrouw weergegeven en zijn weerzinwekkende uiterlijk en zijn woeste natuur – dit is allemaal het kenmerk van goed vakmanschap en iemand die vaardig is in het afbeelden van de waarheid. En hij heeft ook dit delicate web voor ons geweven. Want kijk, hier is een draad die een knoop vormt die over de hoeken is geworpen om een kabel te vormen die het web moet vasthouden, en aan deze draad is een delicaat web van vele concentrische cirkels bevestigd, met strakke draden, mazen makend die van de buitenste cirkel tot de kleinste lopen, die zijn verweven met tussenruimten welke corresponderen met de afstand tussen de cirkels.

En de wevers lopen er overheen, de draden strak trekken die losser zijn gaan zitten. Maar zij krijgen een beloning voor hun geweef en voeden zich met vliegen wanneer deze in het net verstrikt raken. De schilder heeft hun prooi niet weggelaten; want een vlieg is bij zijn poten gegrepen, een ander bij zijn vleugelpunten, de kop van een ander is opgegeten, en ze kronkelen in een poging om te ontsnappen, maar zijn niet in staat om het web in de war te gooien of te breken.

2.29. Antigone

Tydeus, Capaneus en hun kameraden, Hippomedon of Parthenopaeüs die hier mogelijk ook zijn, zullen door de Atheners begraven worden, wanneer zij met de oorlog beginnen om hun lichamen terug te halen; maar Polynices, de zoon van Oedipus, is naast zijn zuster Antigone begraven, die ’s nachts buiten de muren is geslopen, hoewel er opdracht was gegeven dat niemand hem mocht begraven die geprobeerd had hen tot slaaf te maken. En zo zien we op de vlakte lijk op lijk gestapeld, en paarden waar zij zijn neergevallen, en wapens van krijgers zoals deze uit hun handen zijn geglipt, in dit moeras van bloed waarover men zegt dat Enyo zich verrukt; terwijl onder de muur de lichamen van de andere aanvoerders liggen – ze zijn groot en langer dan normale mensen – en ook Capaneus, die zo groot is als een reus; en hij is niet alleen groot van postuur, maar is ook getroffen door de bliksem van Zeus en smeult nog steeds.

En het lichaam van Polynices, groot net als zijn mede-aanvoerders, wordt door Antigone opgetild dat zij wil begraven in het graf van Eteocles, in de veronderstelling zo de broers met elkaar te verzoenen op de enige manier die nog mogelijk is. wat zullen we zeggen, mijn jongen, over de verdiensten van het schilderij? Welnu, de maan werpt een licht dat de ogen niet geheel kunnen vertrouwen, en het meisje, overmand door angst, staat op het punt een jammerklacht te uiten als ze haar sterke armen om haar broer slaat, maar ze beheerst zichzelf omdat, zonder twijfel, ze de oren van de bewakers vreest, en hoewel ze alles in de omgeving in de gaten houdt, rust haar blik nu op haar broer wanneer ze op de grond knielt. Deze spruit van de moerbei, mijn jongen, is uit zichzelf ontstaan, want de Erinyen, zo wordt gezegd, lieten hem op het graf groeien; en als je zijn vruchten plukt, spuit er tot op de dag van vandaag nog steeds bloed uit. Ook het vuur dat voor de begrafenisoffers is ontstoken is prachtig; want de vlammen smelten niet samen of lopen niet in elkaar over, maar schieten vanaf dit punt in verschillende richtingen weg, hetgeen wijst op de onverzoenlijke haat die zelfs nog in het graf doorwoedt.

2.30. Evadne

De brandstapel en de slachtoffers die er op geofferd zijn en het lijk, op de brandstapel gelegd, dat te groot lijkt voor dat van een man, en de vrouw die zo’n machtige sprong in de vlammen waagt, tonen een schilderij, mijn jongen, dat als volgt geïnterpreteerd moet worden. Capaneus wordt door zijn verwanten in Argos begraven, nadat hij door Zeus is gedood bij Thebe, zoals jij je zult herinneren, toen hij de muur al beklommen had. Je hebt ongetwijfeld de dichters gehoord die vertellen hoe, nadat hij zich hooghartig had uitgelaten tegen Zeus, hij door een bliksemschicht werd getroffen en stierf voordat hij de grond raakte, op het moment dat de rest van de aanvoerders sneuvelden voor de poorten van de stad.

Toen de Atheners door hun overwinning de begrafenis van de doden zeker hadden gesteld, werd het lichaam van Capaneus met hetzelfde eerbetoon neergelegd als dat van Tydeus en Hippomedon en de anderen, maar op dit ene punt werd hij meer geëerd dan alle andere aanvoerders en koningen: zijn vrouw, Evadne, die vastbesloten was uit liefde voor hem te sterven, niet door een mes door haar keel te steken of zich in een strop te verhangen, manieren van sterven die vaak ter nagedachtenis aan hun echtgenoten door vrouwen worden verkozen, maar wierp zich in het vuur, omdat zij niet kon geloven dat dit vuur de echtgenoot kon bezitten zonder ook de vrouw te nemen. Dit is het begrafenisoffer voor Capaneus; zijn vrouw, net als diegenen die hun offers met kransen van goud tooien opdat zij schitterend en de goden plezierend naar het offer gaan, heeft zich op deze wijze getooid en met een moedige blik, springt zij in de vlammen, de naam van haar man roepend, ik ben ervan overtuigd; want het lijkt alsof ze roept. En het lijkt mij dat ze zelfs haar hoofd onder de bliksem wil leggen omwille van Capaneus. Maar de Erossen, die deze taak opeisen, steken de brandstapel met hun toortsen aan en beweren dat zij hun vuur niet besmetten, maar dat zij het zoeter en zuiverder zullen vinden, wanneer zij het hebben gebruikt tijdens de begrafenis van hen die zo goed met de liefde zijn omgegaan.

2.31. Themistocles

Een Griek onder de barbaren, een ware man onder hen die geen mannen zijn, voor zover zij geruïneerd en losbandig zijn, te oordelen naar zijn grove mantel zeer zeker een Athener, hij richt zich tot hen met een redevoering, denk ik, om te proberen hun manier van leven te veranderen en van hun luxe af te zien. Hier zijn Meden in het centrum van Babylon, en het Koninklijke devies – de gouden adelaar op het schild, – en de koning op een gouden troon die als een pauw rijk bezaaid is. De schilder vraagt niet om geroemd te worden vanwege zijn mooie representatie van de tiara en de met kwasten versierde mantel of jas met mouwen of de monsterlijk vormen van dieren waarmee barbaarse kledij is versierd; maar hij verdient lof voor de gouden draden die hij heeft geschilderd welke vakkundig zijn verweven in de kleding en het ontwerp hebben behouden waartoe hij is gedwongen, en, bij Zeus, voor de gezichten en eunuchen.

De paleistuin moet ook van goud zijn – inderdaad, het lijkt totaal geen schilderij te zijn; want het is zo geschilderd dat het een echt gebouw lijkt – we vangen zowel de geur van wierook als mirre op – want de barbaren maken hier gebruik van om de vrije lucht te vervuilen; en laten we concluderen dat een speerman met een ander over de Griek in gesprek is, zich over hem verwonderend vanuit een vage kennis over zijn grootse prestaties. Want ik denk dat Themistocles, de zoon van Neocles, vanuit Athene naar Babylon is gekomen na de onsterfelijke overwinning bij Salamis omdat hij het spoor bijster is waar hij in Griekenland veilig zou kunnen zijn, en dat hij in gesprek met de koning is over de diensten die hij aan Xerxes heeft verleend terwijl hij de leiding over het Griekse leger had. Hij is totaal niet verstoord door zijn Medeaanse omgeving, maar is net zo dapper alsof hij op het Atheense spreekgestoelte staat; en de taal die hij spreekt is niet die van ons, maar Themistocles gebruikt de Medeaanse taal, waarvoor hij moeite heeft gedaan om die te leren. Als je hierover twijfelt, kijk dan naar zijn toehoorders, hoe hun ogen aangeven dat zij hem makkelijk kunnen volgen, en kijk ook naar Themistocles, de houding van zijn hoofd is als van iemand die spreekt, maar merk op dat er een aarzeling schuilt in de doordachte uitdrukking van zijn ogen, omdat hij deze nieuwe taal pas onlangs heeft geleerd.

2.32. Palaestra

De plek is Arcadië, het mooiste deel van Arcadië waar Zeus het meeste plezier in schept – we noemen het Olympia – en tot dit moment waren er nog geen prijzen voor worstelen of enige liefde voor het worstelen, dat komt later. Want Palaestra, de dochter van Hermes, die in Arcadië net een vrouw is geworden, heeft deze kunst ontdekt, en de aarde lijkt zich over deze ontdekking te verheugen, daar het ijzer, als instrument voor oorlog, door de mensen terzijde gelegd wordt tijdens de wapenstilstand, en het stadion voor hen heerlijker lijkt dan de gewapende kampen, en zij elkaar tevreden stellen met naakte lichamen. De diverse soorten worstelen worden voorgesteld als kinderen. Want zij springen sportief rond Palaestra, naar haar toe buigend in de ene na de andere worstelhouding; en zij zouden uit de aarde voortgekomen kunnen zijn, want het meisje toont door haar mannelijke uiterlijk dat ze met geen enkele man zou willen trouwen of kinderen baren. Er zijn vele soorten van worstelen; inderdaad, de beste is die in combinatie met boksen.

De figuur van Palaestra, als deze met een jongen wordt vergeleken, is dat van een meisje; maar als het als een meisje wordt beschouwd, lijkt het een jongen. Want haar haren zijn te kort om zelfs maar in een knot gedraaid te kunnen worden; de ogen kunnen van beide seksen zijn; en de wenkbrauwen geven minachting weer voor zowel minnaars als worstelaars; want zij beweert dat zij in staat is om zowel aan de een als de ander weerstand te kunnen bieden en dat zelfs tijdens een worstelwedstrijd niemand in staat is om haar borsten aan te raken, zo blinkt zij uit in deze sport. En de borsten zelf, zoals van een jongen in zijn kinderjaren, vertonen de eerste tekenen van vrouwelijke volheid. Zij geeft niets om vrouwelijkheid; vandaar dat zij zelfs niet om blanke armen maalt, en blijkbaar zelfs de Dryaden afkeurt omdat die in de schaduw blijven om hun huid mooi te houden; ja, als iemand die in de valleien van Arcadië leeft, smeekt ze Helius om een kleur, en deze schenkt dit aan haar als een bloem en laat het meisje verkleuren in de matige hitte. Het toont de vaardigheden van de schilder, mijn jongen, dat het meisje zit, want de meeste schaduwen zijn bij zittende figuren te vinden, en de zittende positie maakt haar duidelijk zichtbaar; de olijventak voor haar boezem past haar ook goed. Palaestra verheugt zich duidelijk over deze boom, want de olie is nuttig tijdens het worstelen en mannen genieten ervan.

2.33. Dodona

Hier zit de gouden duif nog steeds in de eik, wijs in haar uitspraken; hier zijn de orakels te horen die door Zeus worden geuit; hier ligt de bijl die door de houthakker Hellus in de steek is gelaten, van wie de Hellenen uit Dodona afstammen; hoofdbanden zijn aan de eik vastgemaakt, want net als de Pythische driepoot uit deze orakels. De een komt iets vragen en de ander om te offeren, terwijl gindse groep uit Thebe rond de eik staat, de wijsheid van de boom als hun eigen wijsheid eisend; en ik denk dat de gouden vogel door hen in de val is gelokt. De uitleggers van Zeus, die Homerus noemde als ‘mannen met ongewassen voeten die op de grond rusten’, zijn een volk dat leeft van bedelen en tot nu geen bezittingen hebben vergaard, en beweren dat zij dat ook nooit zullen doen, daar ze denken de gunsten van Zeus te genieten omdat zij tevreden zijn met het bijeen gebedelde levensonderhoud. Want dit zijn de priesters; en de een is belast met het ophangen van de kransen, de ander met het uitspreken van gebeden, een derde moet het offeren van de koeken bijwonen, en de volgende gerstekorrels verzamelen in een mand, weer een ander voert offers uit, terwijl de volgende niemand toestaat om de offers te villen. Daar zijn Dodoneaanse priesteressen met een stijve en plechtige uitstraling, die de geur van wierook en plengoffers lijken uit te ademen. De plek, mijn jongen, is geurend naar wierook geschilderd en verzadigd van de goddelijke stem; en daarop wordt eer betoond aan een bronzen Echo, die je, denk ik, haar hand voor haar lippen ziet houden, omdat een bronzen schip is gewijd aan Zeus in Dodona, en de meeste tijd van de dag weerklinkt en niet stil is totdat iemand het vastgrijpt.

2.34. Horen

Dat de poorten van de hemel worden bewaakt door de Horen kunnen we overlaten aan de bijzondere kennis en voorrechten van Homerus, want hij was zeer waarschijnlijk een intieme vriend van de Horen toen hij de hemel erfde; maar het onderwerp dat hier op het schilderij wordt behandeld is voor een mens gemakkelijk te begrijpen. Want de Horen, naar de aarde afdalend in hun ware gedaanten, dansen met ineengevlochten handen tijdens de loop van het jaar, denk ik, en de Aarde brengt in haar wijsheid voor hen alle vruchten van het jaar voort. ‘Trap niet op de hyacint of de roos’ zou ik tegen de Horen van de lente willen zeggen; want wanneer deze vertrapt worden lijken ze zoeter en ademen een zoetere geur uit dan de Horen zelf. ‘Loop niet over de zachte omgeploegde velden’ zou ik tegen de Horen van de winter willen zeggen; want wanneer deze vertrapt worden door de Horen schieten de koren-aren uit de grond. En gindse blondharige Horen die over de toppen van de koren-aren lopen, maar niet zodanig dat deze breken of buigen; nee, zij zijn zo licht dat de stengels zelfs niet wuiven. Het is bekoorlijk van jullie, wijnstokken, dat jullie proberen de Horen van de herfst tegen te houden; want jullie houden ongetwijfeld van de Horen omdat zij jullie mooi en heerlijk zoet maken.

Welnu, dit zijn de oogsten, om het zo maar te noemen, die ons schilderij vormen; maar wat de Horen zelf betreft, ze zijn erg charmant en prachtig afgebeeld. Hoe zij zingen, en ronddraaien tijdens de dans! Let ook op het feit dat van geen van hen de rug naar ons is toegekeerd; en let op de opgeheven arm, de vrijheid van het wapperende haar, de rode wangen vanwege het rennen, en de ogen die aan de dans meedoen. Misschien staan ze ons toe om een verhaal over de schilder te weven; want het lijkt mij toe dat hij, invallend op het moment van hun dans, en door hem vastgelegd tijdens hun dans, de gratie van de godinnen wellicht zo vertrouwelijk mocht bijwonen tijdens het schilderen.

© 2018 Maarten Hendriksz