Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Quintus van Smyrna - De Val van Troje

Bron: Theoi.com

Quintus Smyrnaeus. The Fall of Troy. Translated by Way. A. S. Loeb Classical Library Volume 19. London: William Heinemann, 1913. Vertaald naar het Nederlands door Maarten Hendriksz 2012.

Boek 1 - De Amazone Penthesilea

Aankomst van Penthesilea in Troje

I; 1-21
Toen de Goddelijke Hector, verslagen door Achilles, was gestorven, de brandstapel zijn vlees had verteerd en de aarde zijn botten bedekte, bleven de Trojanen in Priamus’ stad. Bekommert en bang voor de macht van de kloekmoedige zoon van Peleus. Als runderen waren ze, temidden van het verschrompelde kreupelhout, weigerend om de wrede leeuw te ontmoeten, maar in het dichte struikgewas van angst en verschrikking bijeenstaand. Zo beefden zij in hun vesting van angst voor die machtige man. Zij dachten aan al diegenen van wie hij het leven had weggegrist tijdens zijn stormloop bij de monding van de Scamander, en aan al diegenen die hij had afgeslacht tijdens hun vlucht naar die hoge muur, hoe hij Hector bedwongen had en zijn lijk om Troje sleepte; ja, en aan al dat andere dat door hem verricht was sinds die eerste dag dat hij over de rusteloze zee het noodlot naar Troje bracht. Hier dachten zij allemaal aan terwijl ze in hun stad verbleven, en hun gedachten gekweld werden door donkergevleugelde onzekerheid en hoe Troje schreeuwend afbrandde tot brokstukken.

I; 22-39
Toen kwam van de Thermodon, met zijn breed slingerende bochten, de op een Godin gelijkende Penthesilea – snakkend naar de luid weerklinkende strijdkreten, die vluchten of een slechte reputatie verafschuwde, vrezend dat het eigen volk op haar zou afgeven vanwege de dood van haar zuster, Hippolyte, waar ze nog steeds bedroefd over was, die ze ongewild met haar machtige speer had gedood – toen ze die tijdens de jacht naar een mannetjeshert wierp. Zo kwam zij naar het verre en beroemde Troje. Ja, haar strijdgeest spoorde haar aan, van ontzetting vervuld, om haar ziel te reinigen van de moord en een offer te brengen om de vreselijke Erinyen te kalmeren, die haar ongezien en wraakzuchtig achtervolgden vanwege de dood van haar zuster: Altijd zijn ze in de nabijheid van de zondaar, en niemand kan aan deze Godinnen ontsnappen.

I; 40-62
En met haar kwamen nog twaalf anderen mee, elk als een prinses, snakkend naar oorlog en de grommende strijd, elk alom beroemd, vooralsnog haar minderen: Penthesilea stelde hen allen ver in de schaduw. Zoals de Maan in het midden van de sterrenhemel schittert, als de donderwolken uiteenwijken, als de stormwinden gaan liggen; zo weergaloos was zij temidden van haar oprukkende leger. Clonie was er, Polemusa, Derinoe, Evandre, en Antandre, en Bremusa, Hippothoe, de donkerogige Harmothoe, Alcibie, Derimacheia, Antibrote en Thermodosa met haar roemrijke speer. Zij kwamen allen naar de oorlog met de strijdlustige Penthesilea. Zoals de Dageraad afdaalt van de rotsachtige top van de Olympus, Eos, hartverlichtend met haar lichtverspreidende paarden temidden van de Uren met hun lichtgevende haren. Dicht opeen, groot en onberispelijk waren zij, stralend van schitterende schoonheid. Zo kwam de weergaloze Penthesilea temidden van haar Amazonen naar de koninklijke stad.

I; 63-72
Van rechts, van links, van alle kanten kwamen en drongen de Trojanen samen, zich verwonderend, toen ze het onvermoeibare kind van de Oorlogsgod zagen, de gepantserde maagd, gelijkend op de heilige Goden; van haar heerlijke gezicht straalde een afschrikwekkende schoonheid. Haar glimlach was verrukkelijk: onder haar voorhoofd straalden haar van liefde vlammende ogen als sterren, haar wangen bedekt met een heldere en glanzende karmijnroze schaamte, die een onaardse gratie bedekten met strijdlustige moed.

Priamus onthaalt Penthesilea

I; 73-88
Dan verheugen de Trojanen zich, ondanks ondraaglijke pijnen die zij geleden hebben, zoals wanneer zij van een verre hoogte, kijkend naar de regenboog die de brede zee omspant, hunkeren naar de hemelse regen, net als de uitgedroogde aarde naar regen hunkert. De weidse hemel wordt uiteindelijk dreigend, men ziet dat heerlijke teken van dreigende regen en wind die komen gaat, en kijk, ze zijn blij, degenen die voordien zuchtten over de benarde toestand waarin hun korenvelden zich bevonden. Maar toen de zonen van Troje de strijdlustige Penthesilea zagen in hun door ontzetting beroerde land, verheugden zij zich. Want wanneer het hart van hoop wild begin te kloppen, wordt alle ellende uit het verleden weggewist: Zo verheugde de ziel van Priamus, na al zijn zuchten en pijn, zich een beetje.

I; 89-101
Als een mens dat veel pijn heeft geleden en zijn plotseling verblinde ogen, pijnlijk hunkerend om het licht te aanschouwen, en, als hij het niet kan, gedwongen is te sterven, dan eindelijk, door een slinkse vaardigheid, of door de genade van een God, de rozerode Dageraad ziet stralen, hij ziet de mist wegtrekken voor zijn ogen, - ja, met een heldere blik zonder verleden, dan, na al zijn angsten ontstaat er enige vreugde, vanwege het kleine beetje hulp dat hij krijgt, hoewel er scherpe steken van pijn prikken achter zijn oogleden; - Zo verheugde de oude koning zich toen hij die afschrikwekkende koningin zag – zijn schaduwrijke vreugde gedompeld in angst voor de gedode zonen.

I; 102-108
Hij leidde de maagd zijn zalen in, en eerde haar met een verheugd onthaal, als iemand die zijn dochter thuis begroet welke na twintig jaar terugkeerde van een ver land; en gaf een feest voor haar, kostbaar als voor zegevierende koningen, die over kleine vijandige landen, met legers van schitterende praal, en van trots gevulde harten had gezegevierd.

I; 109-118
En hij gaf haar kostbare en prachtige geschenken, en beloofde nog meer te geven, opdat ze de Trojanen van de dreigende ondergang zou redden. En ze handelde als zodanig en deed toezeggingen waar niemand op gerekend had, zelfs om Achilles om te brengen, om het grote leger van de Achaëers te verslaan, en rood brandende fakkels op de schepen te werpen. Ach dwaas! Hoe weinig wist ze van hem, die heer van de essenhouten speren, hoe Achilles’ macht in de allesverwoestende strijd die van haar overtrof.

Andromache’s klacht

I; 119-145
Maar toen Andromache, het statige kind van koning Eetion, de woeste koningin hoorde snoeven, mopperde ze diep van binnen bitter tegen haar ziel: “Ach ongelukkige! Hoe durf je met zulke arrogantie die opgeblazen woorden te zeggen? Jou ontbreekt de kracht om een gevecht met Peleus’ vreeswekkende zoon aan te gaan. Nee, ondergang en een snelle dood zal hij u brengen, helaas voor u! Welke dwaasheid heeft uw ziel gegrepen? Noodlot en de eindige dood staan stevig naast u. Hector was veel machtiger dan jij om de speer te hanteren, toch is hij ondanks zijn moed gesneuveld, gesneuveld voor de bittere smart van Troje, wiens volk in de stad naar hem opkeek als naar een God. Hij was mijn trots en de trots van zijn ouders toen hij nog leefde – o dat er een hoge grafheuvel over mijn gezicht geworpen mag worden, of dat zijn adem door zijn keel de klievende speer mag volgen! Maar ik heb – wee mij – onuitsprekelijk leed gezien, toen die snelvoetige paarden hem rond de stad trokken, paarden van Achilles, die me weduwe maakten en mij van mijn held scheidden, en me mijn deel bitterheid bezorgde voor de rest van mijn leven”. Zo sprak Eetion’s kind met de mooie enkels tot haar ziel, terwijl ze aan haar heer dacht. Zo koesterde de trouwhartige vrouw haar verdriet over haar verloren liefde.

Penthesilea’s droom

I; 146-172
Toen zonk de Zon met een snelle omwenteling in de diepe Oceaan en stierf het daglicht, terwijl de feestgangers onophoudelijk dronken uit hun wijnbekers en genoten van het feest, maakten de dienstmaagden voor de rusteloze Penthesilea in Priamus’ zalen haar verkwikkende rustplaats gereed, waarop ze ging liggen om te rusten; en een nevelige slaap versluierde haar ogen waarop heerlijk dauw neer druppelde. Op bevel van Pallas kwam een machtige en bedrieglijke droom van de blauwe Hemel naar beneden, opdat de strijdmaagd die zou ontmoeten, om een vloek te worden voor Troje en zichzelf, wanneer haar ziel gedwongen werd om de wervelwind van de strijd te ontmoeten.

Zo had het kind van Trito, de tere ziel, het bedacht: die afschuwelijke droom stond bij het hoofd van de maagd, net als haar vader, en stookte haar onbevreesdheid op om de lichtvoetige Achilles van aangezicht tot aangezicht te ontmoeten in de strijd. En toen ze die stem hoorde jubelde heel haar hart, want ze dacht dat ze de volgende morgen een machtige daad in de dodelijk inspannende strijd ging verrichten. Ach, dwaas, die haar zorgen toevertrouwde aan een droom ver van het schaduwrijke land, zo bedrieglijk vol met het aan ontberingen lijdende geslacht van de mensheid, die misleidende leugens fluisterde in de slapende oren, waardoor ze verlangde naar de zware arbeid van de strijd.

Penthesilea kleedt zich aan

I; 173-199
Maar toen de Dageraad, met haar roze enkels, uit bed opstond, bekleedt met de kracht van haar machtige geest, stond Penthesilea plotseling op van haar bed. Ze tooide haar schouders met die wonderlijk gevormde wapens die haar geschonken waren door de Oorlogsgod. Eerst bond ze onder haar zilver glanzende knieën de van goud gevormde scheenbeschermers, snel sluitend om haar sterke benen.Vervolgens gespte ze haar borstharnas om dat straalde als de regenboog, en om haar schouder hing zij, met roem in ’t hart, het zware zwaard wiens schitterende lengte in een schede van ivoor en zilver was gestoken. Daarna pakte ze haar onaards prachtige schild op, waarvan de rand aanzwol als de welvende spaken van de strijdwagen van de jonge maan terwijl ze hoog oprees uit de peilloze diepte van de stromende Oceaan, en de ruimte tussen haar gebogen hoorns half gevuld met licht. Zo onuitsprekelijk mooi blonk het. Toen zette ze op haar hoofd de blinkende helm met de grote pluim van wilde manen van goudglinsterende haren. Zo stond ze, in een glinsterende maliënkolder in voorkomen gelijkend op het licht, gehuld met de macht, de nooit afnemende macht van Zeus, die hij naar de aarde slingerde, wanneer hij aan de mensheid de razernij van de donderende regen toonde, die weerstandloos neerviel op de bulderende winden die als gastheren dienden.

Penthesilea gaat naar de strijd

I; 200-237
Toen liep ze in vliegende haast haar slaapkamer uit om met haar schildhand twee speren te pakken; maar haar sterke rechterhand legde ze op een reusachtige hellebaard, met twee scherpe bladen, die de verschrikkelijke Eris aan Ares’ kind had gegeven als haar Titanenwapen voor de mensenzielen verslindende strijd. Vrolijk daarover lachend, liep ze snel naar voren naar de ring van torens. Haar komst stak al de zonen van Troje aan om zich naar de slag te spoeden die de mannen met roem bekroonden. Snel vernam iedereen haar oproep, en de menigte kwam, kampioenen, ja, zelfs diegenen die in het verleden terugdeinsden tijdens de strijd tegen Achilles de alles verwoester. In haar triomfantelijke hoogmoed reed ze tronend op een stoer strijdros, het cadeau van Orithyia, de bruid van de noordenwind, gegeven aan haar gast de strijdmaagd, toen ze naar Thracië kwam, een strijdros wiens vliegensvlugge voeten met de vleugels van de Harpijen kon wedijveren.

De mooie Penthesilea liet zo de grote paleizen van Troje achter zich. En steeds waar het doodsbleke gezicht van de Dood haar naar de slag dreef, ten dode gedoemd, haar eerste tegen de Grieken – en de laatste! Rechts en links, met naar voren gekeerde voeten, volgden de duizenden Trojanen haar naar de strijd, de genadeloze strijd, die in drommen de ten dode gedoemde strijdmaagd volgden, zoals schapen de ram volgen, die door de herder geleid hen met grote stappen voorging. Zo volgden zij, vol strijdlust, die sterke Trojanen en vurige Amazones. Als Tritonis leek ze, toen die op weg ging om de Giganten te ontmoeten, of op de woest vlammende onruststoker Eris, die opwekster van woeste strijdkreten. Zo machtig leek ze temidden van de Trojanen, Penthesilea met haar vliegensvlugge voeten.

Gebed van Priamus

I; 238-268
Toen hief Laomedon’s kind zijn handen op naar Cronos’ zoon, zijn met zorgen overladen handen, draaide hij naar de hooggelegen tempel in de hemel van Zeus op de Ida, die met zijn altijd waakzame ogen neerkijkt op Ilium; en hij bad: “Vader, hoor mij aan! Sta toe dat deze dag de heren van Achaea mogen vallen onder de handen van deze strijdbare koningin, het kind van de Oorlogsgod; en laat haar weer ongedeerd terugkeren naar mijn zalen; wij smeken u om de liefde die u toedraagt aan uw zoon Ares, met zijn moedige hart, om die ook aan haar te schenken! Lijkt ze niet verwonderlijk veel op de hemelse Godinnen? En is ze niet het kind van uw eigen zaad? Heb medelijden met mijn zwaarbeproefde hart! U weet welke folterende pijnen ik heb geleden vanwege de dood van vele geliefde zonen die het lot van me heeft weggenomen onder de handen van de Argivers in de mannenverslindende strijd. Heb medelijden met ons, nu er nog een klein restant van het edele bloed van Dardanus over is, nu de stad nog fier overeind staat! Laat ons in deze adempauze weten van een afschuwelijke slachting en strijd!” Zo bad hij gepassioneerd: en zie, met een schrille kreet vloog er van links een adelaar voorbij, met in zijn naakte klauwen een naar adem snakkende duif. Toen bekroop een koude vrees het hart van Priamus. En tot zijn diepste ziel sprak hij: “Ik zal Penthesilea nooit levend terug zien keren uit de strijd!” En op precies datzelfde moment was het Lot bezig met de voorbereidingen om zijn voorspelling in vervulling te laten gaan; en zijn hart brak met een angstige wanhoop.

De Grieken maken zich klaar voor de strijd

I; 269-289
De verbaasde Argivers zagen ver op de vlakte de Trojaanse menigte op zich afkomen, met in hun midden Penthesilea, Ares’ kind. Zij leken wilde beesten temidden van de heuvels die een grimmige slachtpartij gingen aanrichten in de wollige kuddes; en zij, zij leek op een onstuimige rukwind van vlammen die gekmakend en verzengend laaide door het droge kreupelhout, wanneer de wind het aanvuurde; en op deze wijze sprak de een tot de ander toen zij aantraden om door hun heer geïnspecteerd te worden: ‘Wie kan dat zijn die de Trojanen zo tot strijd weet aan te sporen, nu Hector is verslagen – zij die, zeiden we, nooit meer de moed zouden vinden om het tegen ons op te nemen? Kijk nu, plotseling haasten zij zich vooruit, in vuur en vlam staand voor het gevecht! Zeker, in hun midden spoort een groot iemand hen aan om naar het slagveld te gaan! Je zou voorwaar zeggen dat het een God was, die van grote daden droomt! Kom nu, met achteloze moed zullen we onze eigen lichamen wapenen: laten wij ons leger verzamelen voor de woedende strijd. We zullen de hulp van de Goden vandaag niet ontberen in de naderende strijd met Troje.’

I; 290-299
Zo schreeuwden zij; en in hun stralende wapenrusting keerden zij zich naar hen: van de schepen vertrokken zij met een mantel van woede omkleed naar het gevecht. Toen naderden de voorhoedes elkaar, als wilde beesten, gebrand op een bloedige strijd. Rinkelend sloegen hun stralende maliënkolders tegen elkaar, speren, de borstharnassen, en de mooigevormde schilden en harde helmen, kletterden met luid geraas tegen elkaar. Elk stak naar andermans vlees met het meedogenloze brons: er was geen mededogen of rust, en heel de Trojaanse bodem kleurde bloedrood.

Penthesilea maakt slachtoffers

I; 300-326
Penthesilea trof en doodde als eerste Molion; toen viel Persinous, en Eilissus; onder haar speer liet zij Antitheus wankelen, de trots van Lerna en sloeg hem neer: ze vertrapte Hippalmus onder haar paardenhoeven; Haemon’s zoon stierf; dappere Elasippus’ kracht verschrompelde. En Derinoë legde Laogonus neer, en Clonie Menippus, hij die lang geleden zeilde van Phylace, geleid door zijn heer Protesilaus, naar de oorlog met Troje. Toen was Podarces’, zoon van Iphiclus, hart geroerd door mededogen en woede om hem daar dood te zien liggen, meestgeliefde van alle strijdkameraden.

Snel daagde hij Clonie uit, de maagd mooi als een Godin, drong de onwrikbare lans tussen haar heupen, en het donkere bloed vloeide vanachter de speer, en al haar ingewanden stroomden naar buiten. Toen werd Penthesilea boos; door de spieren van zijn rechterarm dreef ze de punt van haar lange speer, ze sneed de grote bloedgevulde aderen doormidden, en door de gapende wond spoot het bloed naar buiten, een bloedrode fontein. Met een grom sprong hij terug, zijn moed ten einde door bittere pijn; schrik en zorgen grepen hem aan, en vluchtte naar zijn mannen uit Phylace. Een klein eindje van het gevecht vandaan viel hij neer, en in de armen van zijn vrienden stierf hij op een klein plekje.

Over en weer vallen er slachtoffers

I; 327-341
Toen brak Idomeneus uit met zijn lans, en stak Bremusa in de rechterborst. Voor eeuwig stopte het kloppen van haar hart. Ze viel, zoals een gracieus gegroeide pijnboom valt door toedoen van een houthakker temidden van de heuvels: zwaar, zuchtend door al zijn takken, valt hij neer. Toen, terwijl Evandre samen met Thermodosa door de moorddadige strijd snelden, stond Meriones, als een leeuw in de weg, en doodde: zijn speer dreef hij recht in het hart van de één, en stak de ander met een flitsende zwaardstoot tussen de heupen: het leven lekte uit de wonden, en vloeide weg.

I; 342-357
Oileus’ moedige zoon sloeg Derinoë tussen keel en schouder met zijn meedogenloze speer; en de verschrikkelijke zoon van Tydeus dook op Alcibie, en op Derimacheia, scheidde van deze twee met een vernietigende slag hoofd met nek netjes van hun schouders. Samen vielen zij neer, zoals jonge kalveren door de massieve bijl van de gespierde slager vallen, zo, door de zenuwen van de nek scherend, golfde het leven weg. Daar, door de handen van Tydeus’ zoon, lagen zij op de Trojaanse vlakte, ver, ver weg van hun eigen huis in de hooglanden, sneuvelden zij. Maar zij stierven niet alleen; want de macht van Sthenelus kwam op hen neer en maakte Cabeirus tot lijk, die van Sestos kwam, intens verlangend om de Argivische vijand te bestrijden, maar zijn vaderland nooit weerzag.

I; 358-386
Toen werd het hart van Paris gevuld van woede vanwege zijn gedode vriend. Hij richtte zijn doodsgevleugelde schacht midden op Sthenelus, maar raakte hem niet, ondanks zijn dorst naar wraak: de pijl ging langs hem heen, en droeg de dood waarheen het hardvochtige Lot zijn vurige vleugels leidde, en doodde de bronsbeschermde Evenor, die van Dulichium naar de oorlog met Troje kwam. Door zijn dood ontstak de zoon van hooghartige Phyleus in doodswoede: zoals een leeuw op de kudde afspringt, zo snel sprong hij op hen af, allen deinsden terug en dromden opeen voor die verschrikkelijke man. Hij doodde Itymoneus, en Hippasus’ zoon Agelaus: vanuit Miletus brachten zij de oorlog tegen de Danaëer mannen die door Nastes werden aangevoerd, de Godgelijkende, en de grootbezielde Amphimachus.

Zij woonden op Mycale; naast hun huizen verrezen Latmus’ besneeuwde toppen, strekten de lange dalen van Branchus zich uit, en Panormus’ natte weiden. Maeander’s diepstromende rivier bewoog zich daar snel voorbij, die van de Phrygische hooglanden kwam, waar talloze stuks vee werden gehoed, rondom duizenden uiterwaarden krult, wervelt, en zijn snelvliedende rimpelingen voortjaagt naar het met wijnstokken bedekte land van de Carische mannen die midden in de strijd door Meges gedood, echter niet alleen zij, maar wie zijn lans met zwarte schacht ook raakte, waren dode mannen; want deze uit Trito geborene was in zijn hart ontroerd omdat hij deze dag al zijn vijanden de dag van hun doem kon bezorgen.

I; 387-410
En Polypoetes, dierbaar aan Ares, doodde Dresaeus, die de nimf Neaera baarde aan de langs reizende Theodamas en voor hem het bed van de liefde spreidde aan de voet van de berg Sipylus, waar de Goden Niobe tot een stenen rots maakten, waaruit altijd tranen stromen: hoog opgericht, buigt de ruige rots als iemand die huilt, huilend, watervallen roepen de van ver echoënde Hermus, jammerend gekreun van sympathie: de wolkenkrabbende toppen van de Sipylus, waar altijd een door herders gehate nevel hangt, weerkaatsen het gehuil. Bovennatuurlijk lijkt die rots van Niobe voor mannen die passeren met van angst prikkelende voeten: Ze zien er de gelijkenis van een gebogen vrouw in, van angst hevig snikkend, en haar tranen druppelen, zoals ze daar diep verdrietig treurt, eindeloos. Ja, je zou zeggen dat het echt zo was, als je uit de verte keek; maar als je dichterbij komt, verdwijnt de illusie; en zie, een steil opstaande rots, een fragment dat geleend is van Sipylus – toch is Niobe daar, vreemd pijn lijdend, vanwege Goddelijke woede, een gebroken hart in de gedaante van verbrijzelde steen.

Penthesilea tart de Grieken

I; 411-416
In heel die wirwar van wanhopige strijd waarden Dood en Doem overal. De vleesgeworden Aanvalschreeuw rolde door de golvende strijd; aan haar zijde schreed meedogenloze Dood, en met angstwekkende gezichten, de Moiren, die naast hen liepen, en met rode handen de naakte moord en het gekreun van stervende mannen aanschouwden.

I; 417-433
Die dag kwam het constante kloppen van menig hart, Trojaanse en Argivische, voor altijd stil te staan terwijl de strijd rondom hen brulde, terwijl de woede van Penthesilea niet vervaagde of minderde; maar zoals een leeuwin temidden van eenzame lange heuvelruggen, door een diep ravijn sluipt, en met een bliksemsnelle sprong op de koeien springt, dorstig naar bloed waar haar moedige hart van genoot; zo sprong die strijdmaagd op de Danaërs. En zij, hun harten werd angst aangejaagd: ze deinsden terug, en zij volgde snel, als een torenhoge golf jagend over de luid donderende zee, een vliegende bark, waarvan de zeilen bollen door de harde wind, en heel de lucht gek wordt van het gebrul, als de rollers uiteenspatten op het dreigend zwarte voorland in de luwte waar lange riffen de golfgekwelde kusten omzomen.

I; 434-448
Zo achtervolgde zij, en zo vlogen de gelederen uiteen vanwege haar triomferende ziel, en wierp hen hevige bedreigingen tegemoet: ‘Gij honden, deze dag zult gij betalen voor het verontwaardigende kwaad dat gij Priamus hebt aangedaan! Geen van jullie zal uit mijn handen zijn leven terug krijgen, en naar huis terug kunnen keren, naar blije ouderogen, of genieten van vrouw en kinderen. Gij zult hier dood neerliggen, als prooi voor gieren en wolven, en niemand zal aarde over je restanten heen werpen. Waar houdt die krachtige zoon van Tydeus zich schuil, en waar is nu die machtige telg van Aeacus? Waar is de grote Ajax? Jullie pochten dat zij de machtigste mannen waren van heel uw gespuis. Ha! Zij durven mij niet te benaderen in de strijd, omdat ik hun onmachtige lichamen met hun lafhartige zielen hiervandaan sleep!’

De Grieken in het nauw

I; 449-466
Toen sprong ze met wild bonkend hart op de vijand af, onweerstaanbaar als een tijgerin, het ene na het andere gelid van de Argivers verpletterend, nu eens met die enorme massieve hellebaard slaand, dan weer een vinnige werpspies werpend, terwijl haar strijdros door de strijd flitste, met op zijn schouders naakt zilver en pijlsnelle dood, vlakbij haar handen, als zij temidden van die braspartij van bloed een bitterbijtende pijl snel wilde afschieten. Achter haar vochten de aanvalslinies van lichtvoetige mannen, vrienden en broers van de man die nooit ineenkromp voor de dichtbij zijnde doodsstrijd, Hector, de hete adem van de Oorlogsgod uit hun longen trekkend, allen Danaërs dodend met de essenhouten speer, die vielen als door vorst beroerde bladeren in de herfst de één na de ander, of als druppels regen. En er klonk gekreun van de met bloed doordrenkte aarde, waar zich lichaam na lichaam opstapelde.

I; 467-473
Met pijlen doorboorde paarden, of gespietst op speren, lieten met hun laatste beetje kracht een luid gehinnik horen. Mannen beten, met knarsende tanden, in het stof, lagen hijgend op de grond, terwijl Trojaanse wagenspannen de achtervolging inzetten, de stervenden dood trappend zoals ossen het maïs vertrappen op de dorsvloeren.

I; 474-486
Toen brak er een jubelend juichen uit onder de mannen van Troje, die de aanval van Penthesilea zagen op de gelederen van de vijand, zoals een donkere storm die woedt op zee, in die periode dat de zon zijn kracht verenigde met de Geitgehoornde ster; en dus, vol van ijdele hoop, schreeuwde hij: ‘O vrienden, het is duidelijk dat deze dag één van de onsterfelijke Goden uit de hemel is neergedaald en hier aanwezig is om de Argivers te bestrijden, uit liefde voor ons, ja in opdracht van Zeus, hij wiens mededogen nu misschien wordt herinnerd door de sterkhartige Priamus, die kan bogen op zijn afstamming uit onsterfelijke bloed.

I; 487-499
Daarom, denk ik, dat zij geen sterfelijke vrouw is, omdat zij zo’n ontzagwekkende durfal is, die is bekleed met van pracht flitsende wapenen: Nee, zij zal zeker een Athena worden, of de machtig bezielde Enyo – wellicht Eris, of het kind van wereldberoemde Leto. O ja, ik kijk er naar uit om haar te zien strijden tussen gindse Argivische mannen. Waanzinnig geworden slachtster, kijk hoe ze gindse schepen in vlam zet waarmee zij vele jaren geleden kwamen en ons veel verdriet bezorgden, ja, zij kwamen ons de ellende van een ondraaglijke oorlog brengen. Ha! Zij zullen nooit met plezier terugzeilen naar hun thuisland, sinds de Goden aan onze zijde strijden.’

Doem van Penthesilea

I; 500-544
Zo roemde een Trojaan met overdreven opgetogenheid. Dwaas! – Hij had geen kijk op de ondergang totdat deze over Troje en hem heen raasde, en ook over Penthesilea. Want er was nog geen bericht over de wilde taferelen aangekomen bij de strijdlustige Ajax, of bij Achilles, verdelger van toren en stad. Maar zij lagen met z’n tweeën op de grafheuvel van de zoon van Menoetius, met droevige herinneringen aan een gebroken dierbare kameraad, elk kreunend na het kreunen van de ander. Eén van de gezegende Goden hield hen nog ver weg van het strijdtumult, totdat vele Grieken genoeg hadden van de jammerlijke verwoesting, verslagen door Trojaanse vijanden en de roemvolle Penthesilea, die met vol moordlust door hun gelederen trok, terwijl haar dapperheid meer en meer toenam, en de kracht in haar toenam: nooit tevergeefs richtte zij haar onwankelbare speerkracht: ja zij doorstak de ruggen van hen die vluchtten, de borst van diegene die het waagden haar aan te vallen.

Heel de lange schacht droop van het dampende bloed. Haar voeten waren zo snel als de wind terwijl zij hen neerstak. Haar vreesloze geest faalde nooit door vermoeidheid of verzwakking, haar kracht was onverwoestbaar. Het dreigende noodlot, dat Achilles nog niet naar de verschrikkelijke strijd lokte, bekleedde haar nog steeds met roem; de vreeswekkende Kracht stond nog steeds afzijdig, en toch zou de zegepraal voor die doodgewijde nog maar kort duren, eer zij onder de handen van Aeacus’ zoon zou vallen. In een duistere hinderlaag, zal deze een uitval naar haar doen, haar vernietigend aan haar voeten trekken, en haar met roem overladen naar de dood leiden, terwijl ze vijand na vijand doodde. Zoals in een kleine bedauwde tuin, verlangend naar groene lentefrisheid, een vaars rondspringt, heen en weer rennend, met niemand om haar te helpen, alle groene kruiden vertrappend, die totale bloeiende rijkdom, gretig verslindend, en dit met vertrappende voeten ontsierend; zo rende zij, Ares’ kind, door de gelederen van Achaea’s zonen, hen dodend, en in paniek voortjagend.

Tisiphone spoort de Trojaanse vrouwen aan

I; 545-561
Vanuit de verte in Troje staarden de vrouwen met verwondering naar de dapperheid van die maagd. Plotseling nam een vurige passie bezit van Antimachus’ dochter, de vrouw van Meneptolemus, Tisiphone. Haar hart sprong op, en vol strijdlust schreeuwde ze tegen al haar medemensen, met moedige woorden vol wanhoop, om hen aan te sporen tot jammerlijke strijd, door roekeloosheid sterk geworden. ‘Vrienden, laat dapperheid in onze harten ontwaken! Laat ons net zo zijn als onze mannen, die vechten met de vijanden van ons vaderland, voor kinderen, voor ons, en nooit pauzeren om op adem te komen in die hardvochtige strijd! Laat de oorlogsgeest ook plaats in ons hart nemen! Laten wij ook de strijd aanbinden die niemand spaart! Want wij, wij vrouwen, wij zijn geen wezens die tot een andere geaardheid dan mannen zijn veroordeeld: aan ons is dezelfde levenslust gegeven als die hen beroert.

I; 562-588
We hebben ogen net als zij, en lichamen: we zijn volledig hetzelfde geschapen: we kijken naar hetzelfde licht, en we ademen gemeenschappelijk lucht: met hetzelfde eten zijn we gevoed – nee, waarmee zijn we door God minder toe bedeeld dan mannen? Laat ons dus niet terugdeinzen voor de strijd. Ziet gij ginds geen vrouw die boven mannen uitmunt in het gedrang van de strijd? Toch is haar bloed niet aan ons verwant, noch strijd zij voor haar eigen stad. Voor een vreemde koning trok ze vanuit haar eigen hart ten strijde, niemand schuwend; want haar ziel loopt over van moed en een onoverwinnelijke geest. Maar wij – rechts, links, doen niet anders dan weeklagen: nu eens onze geliefde zonen betreurend, dan weer over onze man die voor huis en haard is gestorven; anderen jammeren voor vaders welke er niet meer zijn: sommigen treuren voor broers en verwanten die zij hebben verloren. Iedereen heeft wel een aandeel in deze beker van verdriet. Na dit alles doemt een angstige schaduw op, de dag van slavernij! Deins daarom niet terug voor de strijd, o zorglijken! Het is veel beter om nu in de strijd te sterven, dan later in gevangenschap overgeleverd te zijn aan een vreemd volk, wij en onze kleintjes, een brandende stad in de ongastvrije greep van het lot achterlatend, en de graven van onze mannen.’

I; 589-603
Zo riep zij, en al die vrouwen werden met passie voor de hardvochtige oorlog bevangen; en gretig haastten zij zich vooruit om buiten de bepantserde muur te komen, brandend van verlangen om voor hun stad en haar bevolking te strijden: al hun geesten stonden in vuur en vlam. Zoals wanneer in een korf, als de winter voorbij is, de zwermende bijen luid zoemen tegen de tijd dat zij zich klaarmaken om op reis te gaan naar kleurrijke bloemenweiden, en het niet langer verdragen om binnen te blijven hangen, maar elk naar de ander de vrijheidskreet roept om uit te rukken; zo zweepten de vrouwen van Troje zich op, en stak elk haar zuster aan voor de strijd. Het weefgetouw, de spinrokken wierpen zij ver weg, en hun handen grepen naar de grimmige wapens.

Theano brengt de vrouwen tot bezinning

I; 604-642
En zo zouden zij buiten de stad in die woeste strijd omgekomen zijn, zoals hun sterke mannen waren gestorven en de sterke Amazonen waren gestorven, als een wijze stem hun voeten niet tot stilstand had geroepen, want met ontmoedigende woorden sprak Theano tot hen: ‘Waarom, ah waarom verlangen jullie zo naar de inspanningen en vermoeienissen van die angstige en tumultueuze oorlog, jullie dwazen? Jullie lichamen hebben tot op heden nog nooit in het conflict gezwoegd. In uiterste onbekendheid met ondraaglijke arbeid, haasten jullie je volledig onbezonnen voort, en jullie kracht kan zich onmogelijk meten met die van de Danaërs, mannen die geoefend zijn in de dagelijkse strijd. Amazones namen deel aan de meedogenloze strijd, op aanvallende hengsten, vanaf het begin: verdroegen zij de lasten van mannen; en stroomt de geest van de Oorlogsgod door hen heen.

Zij doen in niets onder voor mannen: hun gestaalde lichamen bevatten sterke harten voor al hun prestaties: nooit knikkende of trillende knieën. Het gerucht gaat dat hun koningin een dochter is van de machtige Oorlogsgod. Daarom kan geen vrouw zich met haar vergelijken in dapperheid – als ze al een vrouw is, en geen God die is neergedaald in antwoord op onze gebeden. Ja, uit één soort bloed stamt het gehele ras der mensen, maar tot diverse vaardigheden zijn zij afgedwaald; en het is voor iedereen het beste als men zijn vaardigheden inzet in datgene waar men het best in is. Neem daarom niet deel aan de strijd, houdt u afzijdig, en blijf in jullie vrouwenkamers voor het weefgetouw kalm de spoel heen en weer schieten; oorlog is zaak van onze mannen. Kijk, een goede vraag is of er hoop is: we zien de Achaëers snel instorten: we zien de kracht van onze mannen toenemen: angst is nu het probleem niet meer: de meedogenloze vijand belegerd de stad niet: er is geen wanhopige behoefte dat vrouwen naar de strijd moeten gaan.’

Ondergang nabij

I; 643-670
Zo riep zij, en ze luisterden naar de woorden van haar die in de loop der jaren wijsheid had vergaard; en keken uit de verte naar de strijd. Maar nog steeds brak Penthesilea door de gelederen, en de Achaëers sidderden nog steeds voor haar: nog steeds vonden zij geen schuilplaats voor de naderende dood. Als mekkerende geiten door de bloedbevlekte kaken van een verscheurende grimmige panter, zo werden zij gedood. In het hart van iedere man was alle lust om te strijden verdwenen, en bleef alleen vrees over. Dan eens op deze wijze, dan weer op een andere wijze vluchtten zij in paniek: sommigen hadden hun wapens van hun schouders op de grond geworpen; anderen kropen van angst door het stof onder hun schilden: paarden vluchtten door de verwarring met niemand aan de teugels. In vervoering over deze zege vielen de Amazones aan, kreunend en grommend stierven de Grieken. Hun mannelijkheid verwelkte in die gevoelige nederlaag; kort was de tijd voor iedereen die de felle maagd temidden van de grimmige kaken der strijd overwon. Zoals wanneer met een machtig gebrul de storm neerdaalt op de bomen in het bos, sommigen worden van hun wortels worden gescheurd, en vallen neer op de aarde, de kruin nog met bloesem gekroond, en van anderen breekt de stam middendoor, en vliegen hoog door de lucht, totdat allen in één verwarde chaos van versplinterde stammen en verbrijzelde takken liggen; zo lag die grote groep van Danaërs erbij, in het stof neergesmeten door het Lot, en de speer van Penthesilea.

Ajax en Achilles nemen deel aan de strijd

I; 671-689
Maar toen de schepen op het punt stonden om door de Trojanen in brand gestoken te worden, hoorde strijdlustige Ajax in de verte kreten van paniek, en zei tegen Aeacus’ zoon: ‘Achilles, heel de lucht is vervuld van talrijk geschreeuw, ja is vol van naderbij komende strijd. Laten wij er naar toe gaan, voordat de Trojanen de schepen overmeesteren, en een slachtpartij aanrichten onder de Argivische mannen, en de schepen in brand steken. Zoiets zou schande over jou en mij brengen; want het lijkt mij niet dat het zaad van de machtige Zeus zich moet schamen voor het heilige bloed van hun heldenvaders, die op oudere leeftijd met de strijdlustige Heracles naar Troje zeilden, en dat vernietigden ondanks haar hoogtijdagen van roem, toen Laomedon koning was. Ja en ik denk dat onze handen nu hetzelfde zullen doen. Wij zijn ook machtige mannen.’

I; 690-720
Zo sprak hij: De onbevreesde sterke zoon van Aeacus luisterde zelf ook, naar het gebrul dat het geweld van de bittere strijd produceerde. Daarna haastten beiden zich, en trokken hun krijgsuitrusting aan die schitterde van pracht: zo, aldus gekleed werden zij geconfronteerd met de chaotische aftocht. Hun schitterende wapenrusting kletterde luid: in hun zielen roerde zich een strijdwoede gelijk aan de gek geworden Oorlogsgod; die bij deze twee misschien was ingeblazen door Atrytone, schudder van schilden, als er op geslagen werd. De Argivers zagen met vreugde de komst van die machtige twee. Ze leken in voorkomen op Aloeus’ reusachtige zonen die vroeger eens hooghartig snoefden dat zij naast de Olympus de torenhoge steilte van de Ossa, bovenop de top van de ten hemel reikende Pelion zouden stapelen, om zo een bergtrap te maken voor hun opstandige woede om naar de hoogste hemel te klimmen, zo groot als zij leek die zoon van Aeacus, terwijl zij voortliepen naar het getij van de oorlog. Een opbeurend gezicht voor hun vrienden die voordien bijna flauw vielen, en nu drongen zij voorwaarts om hun triomferende vijanden te verpletteren. Zij doodden er velen met hun onweerstaanbare speren, zoals wanneer twee kuddevernietigende leeuwen op schapen afgaan die zich tussen de bosjes aan het voeden zijn, ver van de hulp van de herders, en hen bij bosjes vernietigen, totdat zij het bloed hebben gedronken, en hun onverzadigbare magen met vlees zijn gevuld, zo sloegen deze twee vernietigers toe, een grote verwoesting in het leger van Troje aanrichtend.

I; 721-733
Daar sneuvelden door Ajax Deiochus en de galante Hyllus, en viel de liefhebber van oorlog Eurynomus, en stierf de heerlijke Enyeus. Maar Peleus’ zoon stortte zich op de Amazonen en versloeg Antandre, toen Polemusa, Antibrote, wreedgeestige Hippothoe, en smeet Harmothoe neer op haar gedode zusters. Toen viel hij samen met Telamon’s door moed bezielde zoon hun wervelende gelederen aan; en door hun handen verkruimelden die dichte en sterke groepen tot zwakke eenheden, net zo plotseling als wanneer in bergplooien het kreupelhout verschrompelt door een felle bosbrand.

Penthesilea daagt Ajax en Achilles uit

I; 734-766
Toen de strijdlustige Penthesilea deze twee zag, die als verscheurende beesten door de geselende storm van de oorlog snelden, snelde ze voor een treffen naar hen toe, zoals wanneer een grimmige luipaard, met moordlust, vanuit het struikgewas springt, zwepend met haar staart, door jagers ingesloten, terwijl deze, in harnas gekleed, vertrouwend op hun lange speren, wachten op haar flitsende sprong; zo wachtten deze twee krijgers met hun omhoog geheven speren op Penthesilea. Haar bronzen platen kletterenden op haar schouders terwijl zij voortbewoog. Als eerste vloog de speer met lange schacht uit de hand van mooie Penthesilea. Vloog recht naar het schild van Aeacus’ zoon, maar schampte daarop af en trillende splinters vlogen alle kanten op als van een rotsblok: als de geschenken van de temperamentvolle en listvolle Goddelijke Vuurgod.

Toen wierp de strijdmaagd een tweede woestgevleugelde speer uit haar hand, naar Ajax, en tartte de twee met felle woorden: ‘Ha, tevergeefs vloog een lans uit mijn hand! Maar met deze tweede zal ik in één slag de kracht en moed van twee vijanden bedwingen, - ja, hoewel jullie pochen dat je machtige mannen onder de Danaërs bent! Sterven zullen jullie, en zo zal de lading van oorlogsellende die op de Trojaanse strijdwagenmannen rust lichter worden. Kom dichterbij, kom hierheen door die drukte om met mij te strijden, zodat je zult kennismaken met de kracht die schuilgaat in de borst van de Amazonen. Mijn bloed is met oorlog vermengd! Geen sterveling overwon mij, slechts de Oorlogsgod, met zijn onverzadigbare oorlogskreet. Daarom is mijn kracht groter dan enig andere man.’

I; 767-781
Ze sprak met hoongelach: toen slingerde ze haar tweede lans, maar nu lachten die twee in diepe minachting, de lans vloog snel, en raakte de zilveren scheenplaat van Ajax, die daarop afketste, en ondanks al zijn vurigheid het vlees erbinnen niet kon verwonden; want het Lot had nog niet besloten dat een wapen van de vijand het bloed van Ajax zou proeven in deze bittere oorlog. Hij liep geen verwonding door de Amazone op, maar draaide zich om en ging vandaar op het Trojaanse leger af, en liet Penthesilea alleen aan Peleus’ zoon over, want in zijn hart wist hij dat zij, met al haar gepoch, Achilles desondanks weinig moeite in de strijd zou kosten, moeiteloos, zoals de havik de duif dood.

I; 782-806
Toen kreunde ze een boos gegrom omdat ze twee speren ijdel had geworpen; en op zijn beurt sprak nu de zoon van Peleus op spottende toon: ‘Vrouw, met welk ijdel triomferend gepoch bent u allen naar ons toe gekomen, allen ernaar snakkend om de strijd met ons aan te binden, die machtiger zijn dan aardgeboren helden? Wij, afstammend van Cronus’ zoon, de werper van donder, roemen onze hoge afkomst. Ja, zelfs Hector, snel in de strijd, zag jaren geleden, in de verte onze aanloop tot de grimmige strijd. Ja, mijn speer doodde hem, met al zijn macht! Maar gij – uw hart is volkomen doorgedraaid, die het op grootse wijze gewaagd heeft om ons op deze dag met de dood te bedreigen! Jouw laatste uur zal snel komen – is gekomen! Gij en niet uw heer de Oorlogsgod zal binnenkort uit mijn hand eten, maar gij zult de schuld betalen van een donker lot, zoals wanneer midden tussen de heuvelhellingen een hert een leeuw ontmoet, verwoester van kuddes. Heb je, vrouw, niet van de stapels lijken gehoord, die door mijn handen aan Scamander’s snelle stroom toevertrouwd werden? – of hebt gij vergeefs geluisterd, omdat de Gezegenden verstand en discretie van u hebben weggenomen, zodat aan het einde de nooit rustende afgrond van het Lot zich voor je opent?’

Dood van Penthesilea

I; 807-830
Zo sprak hij; en met een zwaai van zijn machtige hand wierp hij de lange strijderdodende speer, gemaakt door Chiron, en doorboorde de naar strijd dorstende maagd boven de rechterborst. Het rode bloed spoot eruit, zoals een fontein spuit, en in één keer vervloog de kracht uit Penthesilea’s lichaam; liet de grote strijdbijl uit haar slappe handen vallen; een nevel van duisternis viel over haar ogen, en angst beroerde haar ziel. Ze ademde nog moeizaam, zag de held steeds vager, die nu bezig was om haar van de snelle paardenrug te trekken. Verward dacht ze: ‘Of ik trek mijn machtige zwaard, en wacht op Achilles’ moedige aanval, of ik werp mij van mijn snelle paard op de grond, en kniel voor deze op een God gelijkende man, en beloof hem met haperende adem een losprijs van grote stapels brons en goud, dat de harten van overwinnaars die niet zo op bloed belust zijn vredelievender maakt, als de moorddadige macht van Aeacus’ zoon daar naar wil luisteren en mij sparen, of misschien zal hij zich om mijn jeugd erbarmen, en mij toestaan om mijn huis weer te zien? - want o, ik wil leven!’

I; 831-857
Zo golfden de gedachten wild door haar hoofd; maar de Goden besloten anders. Zelfs nu nog ging Peleus’ zoon met vreselijke woede voort: hij stak plotseling met zijn speer, en spietste het lijf van haar temperamentvolle hengst, zoals een man met haast het avondmaal gebruikt door het vlees aan het spit te steken, en dat boven het vuur hangt om te roosteren, of zoals op een open plek een bergjager de schacht des doods met zo’n woeste vaart in het lijf van een hert schiet waardoor de pijl er dwars doorheen gaat, om erachter in de grote stam van een eik of een pijnboom te blijven steken. Zo vloog die doodszoekende speer van Peleus’ zoon dwars door de goede hengst heen, en doorboorde Penthesilea.

Ze viel direct in het stof van de aarde, in de armen van de dood, met gratie en bevalligheid viel ze, want niets van schaamte onteerde haar mooie gedaante. Met haar gezicht naar de grond lag ze op de lange speer haar laatste adem uit te blazen, gestrekt op dat eens voortsnellende paard als op een bank; zoals sommige grote pijnbomen omknakken door de ijzige staf van Boreas, door een boswachter gekweekt tot statige hoogte, tussen de lange bergdalen, de roem van moeder aarde; zo van het eens voortsnellende paard gevallen lag Penthesilea neer, heel haar verpletterende kracht teruggebracht tot dit, en heel haar lieflijkheid.

I; 858-873
Toen de Trojanen zagen dat de oorlogskoningin was gevallen in de strijd, ging door al hun rangen een siddering van paniek. Zij keerden zich direct om, om naar hun muren te vluchten, hun harten zwaar van verdriet. Zoals op de wijde zee, onder bulderende stormwinden, schipbreukelingen ontsnappen van wie het schip was vernield, een overblijfsel van de bemanning, volledig uitgeput door de wanhopige strijd met de wrede zee. Uiteindelijk verschijnt het land dichtbij, verschijnt een stad: zwak en vermoeid door die grimmige strijd, spannen zij zich in om door de branding het land te bereiken, hevig rouwend om het goede schip, en scheepskameraden die de verschrikkelijke golving naar hun laatste rustplaats neertrok. Zo, vluchtten zij richting Troje na de strijd, al die Trojanen huilden om haar, het kind van de onweerstaanbare Oorlogsgod, huilden om vrienden die stierven in het gevecht dat rijk aan kreunen was.

I; 874-890
Toen pochte boven haar lichaam de zoon van Peleus met een smalende lach: ‘Hier in het stof ligt een prooi voor de tanden van de honden, voor de snavels van raven, gij ellendig kreng! Wie bedroog u om het tegen mij op te nemen? En dacht u levend van de oorlog naar huis te rijden, en de koninklijke giften van Priamus de oude koning met u mee te dragen, uw loon voor gedode Argivers? Ha, het waren niet de onsterfelijke die u inspireerden met deze gedachte, die weten dat ik van de helden de machtigste ben, baken van veiligheid voor de Danaërs, maar een plaag voor de Trojanen en voor u, o slecht gesternte! Nee, het waren de in doodskleden gewikkelde Moiren en uw eigen dwaasheid die u prikkelden om het werk van vrouwen te verlaten, en naar de oorlog te komen, waar sterke mannen voor terugschrikken.’

Achilles verliefd op Penthesilea

I; 891-922
Zo sprak hij, en de zoon van Peleus trok zijn essenhouten speer uit dat snelle paard, en uit de doodstrijd van Penthesilea. Toen bliezen paard en berijdster hun door één speer verslagen levens uit. Hij plukte van haar hoofd de helm die prachtig glom als de stralen van de grote zon, of Zeus’ eigen overwinningslicht. Daar lag ze gestorven in bloed en stof, roze, als het gloren van de Dageraad, en toonde mooi opgetekende wenkbrauwen en een lieflijk gezicht, lieflijk in de dood. De Argivers drongen om haar heen, en alles wat zij zagen verwonderde hen, want ze leek op een Onsterfelijke. In haar wapenrusting lag zij op de grond, en leek het kind van Zeus, de onvermoeibare jageres Artemis die sliep, zij die over de uitgestrekte heuvels met onvermoeibare voeten leeuwen achtervolgde met haar vliegende pijlen. Zelfs in haar dood was ze een door Aphrodite gekroond wonder van schoonheid, die bruid van de sterke Oorlogsgod, aan het eind werd hij, de zoon van nobele Peleus, doorboord door de scherpe pijl van berouwvolle liefde. De strijders staarden, en in hun harten baden zij dat hun vrouwen er net zo mooi en zoet zouden uitzien, liggend op het bed van de liefde, als zij terug mochten keren naar huis. Ja, en Achilles’ hart werd verscheurd door berouwvolle liefde omdat hij zo iets moois had gedood, die hij naar huis zou hebben gebracht, zijn koninklijke bruid, naar strijdwagen erend Phthia; want ze was foutloos, een echte dochter van de Goden, Goddelijk lang, en Goddelijk mooi.

Woede van Ares

I; 923-957
Toen sidderde Ares’ hart van verdriet en woede om zijn dode kind. Direct vloog hij vanaf de Olympus naar benenden, snel en flitsend zoals de bliksems uit de machtige hand van Zeus verschrikkelijk flitsen, ver schietend over de spoorloze zee, of vlammend over het land, terwijl heel de grote Olympus siddert als zij voorbij vliegen. Zo schoot de in wapenrusting geklede Ares met vlammend hart door de zinderende lucht, zodra hij het schrikwekkende lot over zijn dochter hoorde. Want de Stormwinden, de snelgevleugelde dochters van de Noordenwind, bezorgden hem, terwijl hij door de grote hallen van de lucht schreed, het berichten van het droevige einde van de maagd. Zodra hij het hoorde, sprong hij als een stormwind naar beneden op de heuvelruggen van de Ida: en bracht onder zijn voeten de lange valleien en diepe ravijnen in opschudding, evenals alle bergbeken op de Ida, en de verreikende lage heuvels.

Nu zou Ares een dag van rouw over de Myrmidonen hebben gebracht, maar Zeus wierp vanaf de verre Olympus vernietigende donderslagen en bliksems voor zijn voeten die zwaar en snel door de hemel schoten, oplaaiend met vurige vlammen. En Ares zag, en kende de stormachtige bedreiging van zijn machtig donderende Vader, en hield zijn enthousiaste voeten stil, precies op de grens van het rumoer der strijd. Zoals wanner een grote rots van een overhangende klif valt door de wind en regenbuien, of bliksems van Zeus, en springt als een wild dier, de berghellingen weerkaatsen de ratelende echo’s terwijl het met een waanzinnige snelheid voortrolt, en het van rots naar rots schietend onweerstaanbaar naar beneden vliegt, totdat het op het niveau van de vlakte komt, en daar noodgedwongen zijn stromachtige vlucht moet stoppen.

I; 958-974
Dus Ares, strijdlustige zoon van Zeus, stopte waar hij was, hoe onwillig ook, want vóór alle Goden moet aan de behoeften van de heerser der Gezegenden voorrang verleend worden, omdat hij hoog getroond boven hen allen staat, bekleed met onuitspreekbare macht. Toch vlogen er nog vele wilde gedachten door het hoofd van Ares, die er bij hem op aandrongen om bedacht te zijn voor de verschrikkelijke dreiging van Cronus’ toornige zoon, en terug te keren naar de hemel, en zich in acht te nemen voor zijn Heer, en die handen zich met Achilles’ bloed te laten bevlekken, die onvermoeibaar strijdlustige. Uiteindelijk herinnerde zijn hart hoe veel zoons van Zeus zelf in vele oorlogen gesneuveld waren, en in geen enkel geval had hij zich daar mee bemoeid. Daarom keerde hij Ares af van de Argivers – anders, neergeslagen door de bulderende bliksem, had hij samen met de Titanen in de sombere onderwereld gelegen, die de eeuwige wil van Zeus durfden te trotseren.

Thersites bespot Achilles

I; 975-983
Toen ontdeden de oorlogszonen van Argos met noeste ijver al die lichamen van hun met bloed bevlekte buit. Maar Peleus’ zoon staarde, met woest respect, nog steeds op haar neer, de sterke, de mooie, gelegen in het stof; en heel zijn hart trok samen, brak door treurende liefde, diep, net zo sterk als hij die had gevoeld toen zijn geliefde vriend Patroclus stierf.

I; 984-1008
Thersites jouwde luid, en dreef de spot met hem: ‘Jij bedroefd bezielde Achilles! Jij schaamt je niet om een boze macht in je hart toe te laten en medelijden te hebben met een zielige Amazone wiens woedende geest niets anders voor ogen had dan ons kwaad te doen? Ha, vrouwengek dat je bent, je ziel verlangt naar haar, als de een of andere vrouw in het huishouden, die je het hof hebt gemaakt met geschenken en zuivere bedoelingen voor het geëerde huwelijk! Het zou wat geweest zijn als haar speer jouw hart had bereikt, het hart dat nog steeds voor vrouwenwezens kreunt! Je gaf niets om het roemvolle pad van dapperheid, onmannelijk bezielde, jij niet, toen je ogen eens op een vrouw vielen! Sorry ellendeling, waar is nu die kranige dapperheid? Waar is je verstand? En waar is de macht die zou lijken op een koning zonder blaam? Weet je niet wat voor ellende deze zelfbenoemde vrouwengekte voor Troje zou betekenen? Er is niets verwoestender voor een man dan passie voor de schoonheid van een vrouw; het maakt dwazen van wijze mannen. Maar het zwoegen in de strijd levert roem op. Voor een held is de roem van de overwinning en de werken van de Oorlogsgoden zijn zoet. Het is slechts de weifelaar die in de strijd hunkert naar schoonheid en het bed van iemand zo als zij!’

I; 1009-1026
Zo schold hij lang en luidruchtig: het machtige hart van Peleus’ zoon zwol op van woede. En sloeg met een plotselinge beweging van zijn machtige hand net onder het oor van de lasteraar, al zijn tanden smakten op de grond: hij viel op zijn gezicht: het bloed golfde in stromen uit zijn mond: van zijn lichaam vluchtte snel de lafhartige ziel van dat verachtelijke stuk vreten. Achaea’s zonen verheugden zich erom, want ja hij was gewoon om alles en iedereen te bestoken met schimpscheuten, een kwaadspreker en een schande voor heel het leger. Toen riep een stem temidden van de strijdbare Argivers: ‘Het is niet goed voor lage mannen om af te geven op koningen, steels of openbaar; want woedende vergelding komt snel. Vrouwe Justitie zit in de hoogte; en zij die leed op leed stapelt voor de mensheid, zelfs Ate, straft de schaamteloze tong.’

I; 1027-1040
Zo tussen de Danaërs riep een stem: De storm van woede in de machtige ziel van Peleus’ zoon was nog niet bedaard, maar fel sprak hij: ‘Daar lig je in het stof, je dwaasheden zijn allemaal vergeten! Het is niet aan ondergeschikten om hun heren te beschimpen. Eens provoceerde je de standvastige ziel van Odysseus, pratend met een giftige stem met duizend schimpscheuten, en ontsnapte levend; maar je ontdekte dat de zoon van Peleus niet zo geduldig is, die slechts met één slag van zijn hand jouw geest uit zijn hondenhok verloste! Een bitter noodlot heeft je ingeslikt. Door je eigen schurkenstreken is je leven verpilt. Vertrek hier bij de Achaëers, en uit je beschimpingen temidden van de doden!’

I; 1041-1061
Zo sprak de dappere angstloze zoon van Aeacus . Maar van alle Argivers was alleen Tydeus’ zoon woedend op Achilles vanwege de dood van Thersites, omdat die twee van hetzelfde bloed waren, de één, de strijdlustige zoon van de trotse Tydeus, de ander, het zaad van de op een God gelijkende Agrius die de broer was van de edele Oeneus. En Oeneus kreeg in het Danaëse land de strijdlustige Tydeus, wiens zoon de stoere Diomedes was. Daarom was hij boos over de dood van Thersites, ja, had vol wraak zijn handen tegen de zoon van Peleus opgeheven, als de edelste zonen van Achaea niet om hem heen waren gaan staan, en hem vurig smeekten, en terughielden. Ook de zoon van Peleus smeekten zij; anders zouden die twee, de machtigste van alle Argivers, elkaar met het zwaard te lijf gegaan zijn, zo aangestoken door bittere wraak waren ze; maar uiteindelijk luisterden zij naar het gesmeek van hun kameraden, en werden verzoend.

Doden worden begraven

I; 1062-1102
Uit medelijden voor hen gaf Agamemnon – omdat ook hij de vorstelijke schoonheid van Penthesilea bewonderde – haar lichaam terug aan de Trojanen, om haar met heel haar wapenrusting op te baren in de roemruchte stad van Ilus. Een heraut van Priamus kwam deze gunst vragen; want de koning verlangde met heel zijn hart om die strijdlustige maagd, met haar wapens, en met haar strijdros, op te baren in de grafheuvel van de vroegere Laomedon. En zo bouwde hij een hoge brede brandstapel buiten de stadsmuur. Boven op die stapel lag hij de krijgskoningin, en stapelde kostbaarheden om haar heen, allemaal zaken die goed branden rondom een machtige koningin die in de strijd verslagen is. En zo verteerde de snelopspringende Vuurgod, met verscheurende vlammen, haar. Rondom haar heen stonden de mensen dicht opeen, en blusten de brandstapel met geurige wijn.

Toen verzamelden zij de beenderen, smeerden die in met zoete zalf, en legden die in een mand. Over dit alles goten zij het rijke vet van een vaars, de mooiste uit de kudden die graasden op Ida’s hellingen. En, als voor een geliefde dochter, liepen met de rouwstoet van Trojaanse mannen die met hartverscheurende jammerklachten rouwden, en begroeven haar onderaan de statige muur in de buurt van een toren, naast de beenderen van de vroegere Laomedon, een koningin naast een koning. Zo betuigden zij hun eer aan de Oorlogsgod, en die van Penthesilea. En op de vlakte naast haar begroeven zij de Amazonen, al hen die haar gevolgd waren in de strijd, en door speren van de Argivers waren omgekomen. De zonen van Atreus misgunden haar deze eer van tranenbesprenkelde graven niet, en lieten haar vrienden, de krijgers van Troje, de lichamen wegslepen, ja, en hun eigen doden ook, temidden van die rij van speren op dat grimmige oogstveld. Woede reikt niet tot na de dood: vijanden worden beweend als hun leven is vervlogen, en laat geen vijandschap achter.

I; 1103-1116
Ver weg op de vlakte steeg de rook omhoog van de brandstapels waar de Argivers hun vele helden op legden die waren overwonnen en gedood door Trojaanse handen en door het zwaard waren vergaan; en veelvuldig werden treurende jammerklachten voor hen geuit. Maar het meest rouwden zij over hun dappere Podarces, die in het gevecht niet minder was dan zijn heldenbroer Protesilaus, hij die lang geleden viel, gedood door Hector. Zo bezorgde Podarces, getroffen door Penthesilea’s speer, een domper van verdriet over alle Argiver mannen. Daarom legden ze hem apart van de overige gevallenen die in de grond werden begraven; maar wierpen een van verre zichtbare aarden heuvel over hem heen als gedenkteken aan die angstloze ziel. Ook de overblijfselen van Thersites’ ellendige lichaam legden ze in een apart graf. Toen riep Aeacus’ zoon, hen allemaal naar de schepen terug. Maar toen de stralen van de zon in de zee waren gezakt, en nacht, de heilige, het gezicht van de aarde bedekte, zat Peleus’ zoon in de tent van de rijke koning Agamemnon aan een feestmaal, en al die andere machtige mannen zaten daar in het donker, tot de Goddelijke Dageraad aanbrak.

© 2018 Maarten Hendriksz