Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Statius - Het Verhaal van Achilles

Bron: theoi.com

Statius, Achilleid. Translated by Mozley, J H. Loeb Classical Library Volumes . Cambridge, MA, Harvard University Press; London, William Heinemann Ltd. 1928. Naar het Nederlands vertaald door Maarten Hendriksz 2014.

Boek 1

Aanroep der Muzen

I; 1-13
Vertel, O godin, van de edelmoedige Aeacide en over het nageslacht dat de dondergod vreesde en verbood om de hemel van zijn vader te erven. De daden van de krijger worden hoog geroemd in het Maeonische lied, maar er bleef veel niet verteld. Sta mij toe – want dat is wat ik wil – om het hele verhaal van de held te vertellen, om hem met de Duluchiaanse trompet op te roepen uit zijn schuilplaats in Scyros, en niet even kort te stoppen bij het wegslepen van Hector, maar om de jeugd door het hele verhaal van Troje te leiden. Sta mij genadig toe, O Phoebos, dat ik uit een oudere bron een waardig verhaal heb gehaald, schenk mij nieuwe bronnen en weef nieuwe kransen in mijn haar. Alleen U, O Phoebos, met een waardig verhaal dat ik heb afgetapt uit een voormalige bron, sta mij genadig nieuwe bronnen toe en weef genadige kransen in mijn haar. Want ik zoek niet als een nieuweling de ingang van het Aonische bos, noch is dit de eerste hoofdband die mijn hoofd siert. De velden van Dirce weten het, en Thebe rekent mijn naam en die van hun eigen Amphion tot haar voorvaderen van weleer.

I; 14-19
Maar U die ver boven alle anderen het aanzien van Italië en Griekenland met eerbiedig ontzag verdient, bij wie het laurier voor zowel de dichter als de krijger in onderlinge strijd floreert – en er één van hen door verdriet wordt overtroffen – schenk vergeving, en laat mij een poosje verlangend zwoegen in het stof. Van u is het thema waar ik al lang maar niet zelfverzekerd en weinig voorbereiding aan werk, en waarvan de grote Achilles voor u de inleiding is.

De klacht van Thetis

I; 20-29
De Dardaanse herder was van de Laconische kust weggezeild, nadat hij een heerlijke verwoesting in Amyclae had aangericht, en hij zijn misdadige levensweg afliep als vervulling van zijn moeders droom, waar Helle in zee verdronk en de Nereïden nu de scepter over de verafschuwde golven voeren. Toen Thetis – ah! de voorspellingen van ouders zijn noooit tevergeefs – bij de Idaeaanse riemen van angst in het spiegegladde zeewater dook. Onmiddellijk sprong ze uit haar natte woning, vergezeld door haar grote groep zusters, zwom door het smalle water van Phrixus, waar de nauwe zeestraat te weinig ruimte bood aan zijn heerseressen.

I; 30-50
Zodra ze het zeewater van zich had afgeschud, betrad zij het pad naar de hemel: ‘Er dreigt voor mij gevaar,’ zei ze, ‘in gindse vloot, een dreiging van dodelijk kwaad. Ik herken de waarheid van Proteus’ waarschuwing. Zie, Enyo brengt met het schip tussen de omhoog geheven fakkels een nieuwe schoondochter voor Priamus. Ik zie de Ionische en Egeïsche Zee al die door duizend schepen wordt bevaren. En heel Griekenland zal samenspannen met de trotse zonen van Atreus, binnenkort zal mijn Achilles over land en zee gezocht worden, ja, en hijzelf zal ze willen volgen. Waarom leed ik op de Pelion in de grot van Chiron om hem in zijn eerste jaren te verzorgen? Daar, als ik mij niet vergis, nam hij deel, de schurk, aan de strijd met de Lapithen, en onderzocht zijn krachten met de speer van zijn vader. O verdriet, O vrees die het hart van een moeder te laat bereikt! Had ik maar, ongelukkige die ik ben, toen het eerste schip van Rhoeteum mijn water binnen voer, een machtige zee laten onstaan voor die overspelige rover en hem met een machtige storm achtervolgd over het diepe water en mijn zusters tegen hem opgezet. Zelfs nu – maar het is te laat, de verontwaardiging is te massaal. Toch zal ik gaan, en mij vastklampen aan de goden van de Oceaan en de rechterhand van de tweede Zeus - er blijft niets anders over – dan hem erbarmelijk te smeken voor de jaren van Tethys en zijn bejaarde varder voor een enkele storm.’

I; 51-76
Zo sprak ze, en kreeg onverdeelde aandacht van de machtige koning. Hij kwam van zijn gastheer Oceanus, verheugd door een feestmaaltijd, en zijn gezicht was overgoten met nectar uit de diepte. Hierdoor waren de winden en stormen rustig en gingen de Tritonen die zijn gouden wapenrusting droegen met kalm gezang voort samen met de rotsachtige zeemonsters en de Tyrrheense kudde, en dartelden rond en onder hem, hun koning groetend. Hij torende hoog boven de vredige golven uit, zijn paarden aansporend met zijn drietandige speer. Zij renden temidden van regens van schuim met een waanzinnige snelheid vooruit, hun staarten veegden achter hen hun voetafdrukken uit – toen Thetis zei: ‘O vader en heerser van het machtige diepe water, ziet u op welke manier u een weg over de ongelukkige Oceaan hebt gemaakt? De misdaden van de volkeren passeren met onbelemmerde zeilen, omdat het Pagasaeaanse schip door het water mocht varen en hun heilige majesteit ontheiligde tijdens de plunderende zoektocht van Iason. Zie, geladen met een andere goddeloze diefstal, de buit van gastvrijheid, vaart de vrijpostige rechter van de onrechtvaardige Ida, voorbestemd om helaas een groot onrecht te veroorzaken! Aan hemel en aarde, en dat wat van mij is! Vergelden wij op deze wijze het plezier van de Phrygische triomf, is dit de manier van Aphrodite, is dit haar geschenk aan haar geliefde beschermeling? Vernietig op zijn minst deze schepen – zij brengen geen halfgoden noch onze eigen Theseus naar huis, als je nog enig respect hebt voor het water, of de macht over zee aan mij schenkt. Ik heb geen wreedheden voor ogen, ik vrees alleen voor mijn eigen zoon. Gun mij dat ik mijn zorgen kan verdrijven, noch laat het u plezieren dat ik in de zeeën nergens meer een woning kan vinden uitgezonderd bij een graf op een enkele rotsachtige kust in Ilium.’

I; 77-94
Ze smeekte met opengereten wangen, en zou zonodig met ontblote borsten de Ceruleaanse paarden tegengehouden hebben. Maar de heerser der zee nodigde haar in zijn rijtuig uit, en kalmeerde haar aldus met vriendelijke woorden: ‘Probeer niet tevergeefs, Thetis, om de Dardaanse vloot tot zinken te brengen. Het lot heeft dit verboden, het is een besluit van de hemel dat Europ en Azië elkaar moeten treffen in een bloedig concflict, en Zeus heeft zijn oorlogsdecreet bekend gemaakt en de jaren van het bloedbad benoemd. Wat een dapperheid van jouw zoon in het Sigeaanse stof, wat een enorme begrafenisstoeten van Phrygische vrouwen zul jij zegevierend aanschouwen, wanneer uw Aeacide de Trojaanse vlakte met stromend bloed zal overspoelen, en de verstopte rivieren straks verbiedt om te stromen en de snelheid van zijn rijtuig beteugeld met Hector’s lijk en mijn machtige muren omver te zien werpen, mijn nutteloze arbeid! Staak nu je geklaag over Peleus en je minderwaardige huwelijk. Jouw kind wordt geacht door Zeus verwekt te zijn. Je zult niet ongewroken lijden, maar gebruik maken van je verwante zeeën. Ik zal je toestemming geven om de golven op te laten staan, wanneer de Danaeërs terugkeren en Caphereus zijn nachtelijke signalen stuurt en we samen naar de verschrikelijk Odysseus zoeken.’

Thetis haalt Achilles bij Chiron op

I; 95-118
Zo sprak hij. Maar zij, wees dit neerslachtig af, en nadat zij eerst een plan had bedacht om het water in beroering te brengen en te strijden tegen het vaartuig uit Ilium, bedacht ze nu in haar hoofd een ander plan, en richtte haar slagen triest naar het land van Haemonia. Driemaal spande zij zich met haar armen in, driemaal trapte zij het heldere water weg met haar voeten, en de Thessalische golven omspoelden haar sneeuwwitte enkels. De bergen verheugde zich, de huwelijkskamers smeten hun deuren open, en de brede, met overvloedig water stromende, Spercheius ontving de godin en omringde haar voeten met zoet water. Ze genoot niet van het uitzicht, maar matte haar geest af met het maken van plannen, en ging op zoek naar de oude Chiron die haar geslepen en gedoemde liefde onderwees. Zijn hooggelegen huis lag diep in de bergen, onder een lang, overkoepelend gewelf van de Pelion. Gedeeltelijk uitgehold door zware arbeid, gedeeltelijk uitgesleten in de loop der jaren. Nu waren de beelden en rustbank van de god zichtbaar, en de plekken die elk waren geheiligd waar hij had gerust met zijn heilige aanwezigheid. Daarbinnen waren de grote en hoge stallen van de Centaur, zeer verschillend van zijn goddeloze broers. Hier waren geen speren die van menselijk bloed hadden geproefd, of essenhouten knotsen die waren gebroken in een feestelijk conflict, noch mengbekers die waren verbrijzeld op verwante vijanden, maar onschuldige pijlenkokers en machtige huiden van beesten. Deze had hij genomen terwijl hij in de bloei van zijn leven verkeerde. Maar nu, geen strijder meer, zwoegde hij alleen nog om de kennis der kruiden over te brengen aan diegenen die twijfelden over hun gezondheid, of om aan zijn pupil de helden van vroeger op zijn lier te onderwijzen.

I; 119-125
Hij wachtte bij de deur op diens terugkeer van de jacht, bereidde de feestmaaltijd voor en verlichtte zijn verblijf met een prachtig vuur, toen hij vanuit de verte de Nereïde van de kust naar boven zag klimmen. Snel spron hij uit het bos – vreugde spoorde hem aan – en de welbekende hoefslag van de wijze klonk nu op de ongewone vlakte. Hij boog tot aan zijn paardenschouders en leidde haar met hoofse hand naar zijn nederige woning en waarschuwde haar voor de grot.

I; 126-140
Lange tijd bekeek Thetis met stille blik iedere plekje. Toen, ongeduldig vanwege het wachten, riep ze: ‘Vertel me, Chiron, waar is mijn lieveling? Waarom is de jongen niet steeds bij jou? Het is niet zonder reden dat mijn slaap wordt verstoord, en verschrikkelijke voortekenen van de goden en angstige paniek – ik wou dat ze niet echt waren – het hart van zijn moeder treffen! Want ik neem soms zwaarden waar die mijn baarmoeder dreigen te doorboren, dan weer worden mijn armen gekneusd door gejammer, of wilde beesten teisteren mijn borsten. Vaak – ah, verschrikking! – lijkt het of ik mijn zoon meeneem naar de leegte van Tartarus, en hem een tweede keer onderdompel in de bron van de Styx. De Carpathische ziener draagt mij op om die verschrikkingen te verdrijven door een magische rite, en de jongen te reinigen in het geheime water voorbij de grens van het hemelse gewelf, waar de uiterste grens van de Oceaan is en vader Pontus wordt verwarmd door de neerdalende sterren. Daar worden vreselijke offer en geschenken aan onbekende goden gegeven – maar het duurt te lang om alles te vertellen, en het is mij verboden. Geef hem liever aan mij.’

I; 141-157
Zo sprak de moeder leugenachtig – want hij zou geweigerd hebben hem mee te geven, als zij het gewaagd had om de oude man te vertellen over de zachte kleding en oneervolle gewaden. Toen antwoordde hij: ‘Neem hem, bid ik, O beste van de ouders, neem hem, en smeek de goden met nederige smeekbeden. Want uw hoop is hoog gegrepen, en afgunst heeft veel verzoening nodig. Ik wil u niet nog banger maken, maar zal de waarheid bekennen. Een snelle en gewelddadige daad – de voorgevoelens van een vader bedriegen mij niet – wordt voorbereidt, ver na zijn jonge leeftijd. Vroeger kon hij mijn woede niet verdragen, of de machtige Pelion en alle sneeuw van Thessalië. Zelfs de Centauren klagen vaak dat onder hun ogen huizen geplunderd en kudden gestolen werden, en dat zij zelf van hun velden en rivier worden verdreven. Zij plannen geweld en bedrog, en uiten boze bedreigingen. Eens toen de Thessalische pijnboom de prinses van Argos verveelde, zag ik de jonge Alcides en Theseus – maar meer zeg ik niet.’

I; 158-177
De dochter van Nereus werd lijkbleek. Zie, hij was aangekomen, groter lijkend door het stof en zweet, maar zag ondanks al die wapens en harde werken er nog steeds aangenaam uit. Een stralende gloed glinsterde op zijn hagelwitte gezicht, en zijn haar blonk bevalliger dan geelbruin goud. De bloei van de jeugd was nog niet veranderd door een beginnende baard, een rustig vuur brandde in zijn ogen, en leek daarmee heel erg op zijn moeder. Zoals wanneer de jager Apollo terugkeert van Lycië en zijn pijlenkoker verwisselt voor de ganzenveer. Toevallig is hij ook in een vrolijke bui – ah, hoe verhoogt plezier schoonheid! – Onder Pholoë’s klip had hij een leeuwin getroffen die pas was bevallen en had haar achtergelaten in een leeg hol, hij had de welpen meegenomen en toonde hun klauwen. Maar toen hij zijn moeder bij de welbekende haard zag, wierp hij hen weg, greep haar vast en sloot haar in zijn verlangende armen, al krachtig in zijn omarming en net zo lang als zij. Patroclus volgde hem, zelfs toen al aan hem verbonden door een sterke genegenheid, zich inspannend om hem met hem te wedijveren bij al zijn machtige daden, zijn gelijke in de jacht en jeugdige manieren, maar veel minder in kracht, en voorbestemd om in Pergamum hetzelfde lot te ondergaan.

I; 178-197
Onmiddellijk vloog hij met snelle voeten naar de dichtstbijzijnde rivier, en verfriste in zijn water zijn dampende gezicht en haren. Net zoals Castor de ondiepten van de Eurotas op zijn dampende paard betrad, en zijn stralende ster weer opnieuw laat stralen. De oude man kijkt bewonderend naar zijn sierlijkheid, nu eens zijn borst strelend, dan weer zijn sterke schouders. Haar plezier doorboort zijn moedershart. Dan verzoekt Chiron haar om te proeven van het eten en de gaven van Dionysus, hij bedenkt divers vermaak voor haar om haar af te leiden en pakt uiteindelijk de lier en bespeelt de troostrijke snaren, en die met zijn vingers licht aanrakend geeft hij hem aan de jongen. Gelukkig zingt hij over machtige aanleidingen van nobele daden, hoeveel opdrachten van zijn hooghartige stiefmoeder de zoon van Amphitryon heeft uitgevoerd, hoe Polydeuces met zijn handschoen de wrede Bebryx versloeg, met welke grip de zoon van Aegeus de Minoïsche stier omvatte en verpletterde, uiteindelijk de bruiloft van zijn eigen moeder en hoe de Pelion werd betreden door de goden. Toen ontspande het angstige gezicht van Thetis en glimlachte. De nacht kwam om te slapen. De grote Centaur lag hem op een stenen bank, en Achilles sloeg zijn armen liefdevol om zijn schouders – hoewel zijn trouwe moeder er was – en gaf de voorkeur aan de gebruikelijke borst.

Thetis brengt Achilles naar Scyros

I; 198-216
Maar Thetis, ’s nachts bij de zeeweerklinkende rotsen staand, overdacht op alle manieren haar plannen, en bedacht naar welke schuilplaats zij haar zoon zou sturen, welk land zij zou kiezen om hem te verbergen. Thracië was dichtbij, maar ondergedompeld in de gepassioneerde liefde van de oorlog. Noch beviel het taaie volk van Macedonië haar, noch de zoons van Cecrops, die zeker nobele daden zouden opwekken, noch Sestos en de baai van Abydos, ook geschikt voor schepen. Ze besloot naar de hooggelegen Cycladen te trekken. Van deze wees ze Myconos en nederig Seriphos af, en Lemnos dat wreed was voor haar mannen, en Delos, dat heel de wereld welkom heette. Laatst had ze het geluid van een meisjeskoor uit het vredelievende paleis van Lycomedes gehoord en de weerklank van hun spel aan de kust, toen ze eropuit ging om Briareus te zoeken die bevrijd was van zijn ketenen en de honderd ketenen van de god te tellen. Dit land had haar voorkeur, en leek de bange moeder het veiligst. Net zoals een vogel angstig denkt, wanneer haar bevalling nadert, aan welke tak zij haar lege huis moet hangen, hier verwacht zij teveel wind, daar is zij bang voor slangen, en ginds voor mensen. In haar twijfel krijgt een schaduwrijk plekje uiteindelijk de voorkeur. Ze zit nog maar net op de takken, of zij houdt direct van de boom.

I; 217-241
Eén andere zorg blijft in haar gedachten hangen en houdt de trieste godin bezig, zal ze haar zoon aan haar eigen boezem over de golven dragen, zal ze hulp aan de grote Triton vragen, of zal ze de snelle winden oproepen om haar te helpen, of de dochter van Thaumas die gewoon is om uit de zee te drinken. Dan roept zij haar twee dolfijnen uit de golven en spant die met een scherpgerande schelp in, die Tethys, machtige koningin, voor haar gekoesterd had in een echoënd dal diep in zee. – Niemand in heel Poseidon’s waterrijk was zo vermaard om hun zeegroene schoonheid, of kon sneller zwemmen, of kon beter omgaan met mensen. – Die hield ze in het diepe kustwater, omdat zij gekwetst konden worden door de aanraking van naakte aarde. Daarop droeg zij Achilles in haar armen, zijn lichaam volkomen ontspannen in de slaap van de jeugd, van de rotsen der Haemoniaanse grot naar het kalme water en het strand dat ze opgedragen had om stil te zijn. Cynthia belicht haar pad en schijnt in volle omvang. Chiron vergezelt de godin, niet bang voor de zee smeekt hij haar om snel terug te keren, en verbergt zijn vochtige ogen terwijl hij in de verte kijkt met zijn hoge hoofd als zij ineens weggeblazen worden, en nu – en nu niet meer te zien zijn, terwijl het schuim waar zij gegaan zijn nog even zichtbaar is en de nachtwake wegsterft in de zee. Hem is voorbeschikt om nooit meer terug te keren naar het Thessalische Tempe en treurt de droevige Pholoë, en de bewolkte Othrys, en Spercheius met afnemend water en de stille grot van de wijsgeer. De Faunen luisteren ijdel naar zijn jongensgezang, en de Nimfen treuren over hun langverwachte bruiloft.

I; 242-273
De dag doet de sterren vervagen, en vanuit de diepte stuurt de Titaan zijn druipende paarden hemelwaarts, en de zee verdwijnt onder het rijtuig dat de lucht inschiet. Maar de moeder reisde lang over de golven en bereikte de kust van Scyros, waar de vermoeide dolfijnen werden bevrijd van het juk van hun meesteres, toen de slaap van de jongen werd verstoord, en zijn langzaam openende ogen zich bewust werden van de aankomende dag. Verbaasd over het licht dat hem begroette vraagt hij, waar hij is, welke golven dit zijn, waar de Pelion is? Alles wat hij ziet is anders en onbekend, en hij aarzelt of het wel zijn moeder is. Snel streelt ze hem en verzacht zijn angst: ‘Als, lieve jongen, een vriendelijk lot mij het huwelijk had gebracht dat ik wenste, zou ik jou in de velden van de hemel vastgehouden hebben, een roemvolle ster, in mijn armen, als een hemelse moeder zou ik noch de laaghartige Lotsgodinnen of het lot van de aarde gevreesd hebben. Maar nu is jouw geboorte niet goddelijk, mijn zoon, en is de weg naar de dood alleen van je moeders kant geblokkeerd. Bovendien komen tijden van verschrikking naderbij, en zweeft er gevaar boven het uiteindelijke doel. Trek je daarom terug, ontspan je machtige geest een tijdje, en veracht dit gewaad van mij niet. Als de Tiryniër groots genoeg was om Lydische wol of de vrouwenroede in zijn ruwe handen te nemen, als Dionysus het normaal vond om een goudgeborduurd gewaad achter zich aan te slepen, als Zeus een vrouwengedaante aan wilde nemen, en een twijfelachtig geslacht de machtige Caeneus niet verzwakte, zo smeek ik je, laat mij je helpen te ontsnappen aan die dreigende, onheilspellende wolk. Binnenkort zal ik de vlakte en de velden herstellen waar de Centauren zwerven, bid ik, door die schoonheid van jou en de komende vreugde van de jeugd, vanwege jou doorstond ik de aarde en een roemloze partner, na je geboorte maakte ik je sterk met het hardvochtige water van de Styx - ja, had ik je maar geheel ondergedompeld – draag deze veilige mantels een poosje, zij zullen op geen enkele wijze schadelijk zijn voor je moed. Waarom wendt jij je af? Wat betekent die blik? Schaam jij je om verwijfd te lijken in die kleren? Lieve jongen, ik zweer het bij het water van mijn familie, Chiron zal hier niets over horen.’

I; 274-282
Zo bewerkte zij zijn ruwe hart, hem ijdel vleiend. De gedachte aan zijn vader en zijn grote leraar verzette zich tegen haar gesmeek en het ruwe begin van zijn machtige geest. Toch moet men zo proberen het eerste jong van een wild vurig paard te beteugelen, het heeft lang genoten van de rivier en de weide en zijn eigen trotse schoonheid, wil niet buigen voor de teugels, noch het bit in zijn mond aannemen, en briest van woede terwijl hij moet luisteren naar zijn meester en verbaasd zich dat hij op een andere manier leert lopen.

Achilles ontmoet Deïdamia

I; 283-317
Welke god begiftigde de wanhopige moeder met bedriegerij en sluwheid? Wat trok de koppige Achilles over de streep? Hielp het dat Scyros een feestdag vierde ter ere van Pallas, hoedster van de kust, en dat de zusters, nakomelingen van de vredelievende Lycomedes, op deze heilige ochtend waren vertrokken uit hun geboortestad – een verlof dat zelden werd gegeven – om hulde te brengen aan de bron, en hun deftige lokken hadden opgebonden met bladeren van de godin en bloemen op haar speer wierpen. Allen waren van een zeldzame schoonheid, allen waren hetzelfde gekleed en van een verleidelijke jeugd, hun jaren van meisjesachtige bescheidenheid liepen ten einde, en waren maagdelijk rijp voor het huwelijksbed. Maar zoals Aphrodite de vergelijking met de groene Nimfen van de zee overtreft, en zoals Artemis met kop en schouder uitsteekt boven de Najaden, zo stak Deïdamia, koningin van de lieflijke groep, af bij haar mooie zusters. Een felle kleur straalde van haar roze gezicht, een nog stralender licht kwam van haar juwelen, en het goud had een nog verleidelijker glans. De godin zou net zo mooi zijn als zij, als ze de slangen aan haar borst maar terzijde wilde leggen, inclusief haar helm en haar hoofd tot bedaren wilde brengen. Toen hij haar in de verte zag aan het hoofd van haar gevolg, stond de jongen, ruwe bolster als hij was en nog niet beroerd door enige vorm van passie, er als betoverd bij en er trok een vreemd vuur door zijn lichaam. De liefde die hij nog niet had geabsorbeerd lag in een hinderlaag, en de vlam die pulseerde in zijn diepste wezen trok naar zijn gezicht waarna het rood op zijn wangen gloeide, en nadat hij de kracht ervan door zijn lichaam voelde trekken begon hij licht te zweten. Zoals wanneer de Massageten melkwitte bekers met bloedrode kleurstof verven, of ivoor wordt besmeurd met paars, zo verraadde het plotselinge vuur zijn aanwezigheid wanneer hij afwisselend bloosde of bleek werd. Hij zou naar voren zijn gesneld en de ceremoniën van zijn gastheren wild hebben verstoord, zorgeloos over de menigte en zonder aan zijn jeugd te denken, als schaamte hem niet had weerhouden en het ontzag voor zijn moeder die naast hem stond. Zoals wanneer een os, die binnenkort de vader en leider van de kudde wordt, hoewel zijn hoorns nog niet volledig naar elkaar zijn gegroeid, een sneeuwwitte vaars waarneemt, de gezel van zijn weide, zijn geest vliegt in brand, en het schuim loopt uit zijn bek vanwege zijn eerste passie. Zielsgelukkig houdt de herder hem in de gaten en beteugelt zijn felheid.

I; 318-322
Het moment benuttend sprak zijn moeder hem aan: ‘Is het te veel voor je, mijn zoon, om voor te wenden samen met deze meisjes te dansen en met hen te sporten? Heb jij onder de Ossa en de rotsen van de Pelion ook zoiets? O, was het mijn lot maar om twee liefhebbende zielen bij elkaar te brengen, en een andere Achilles in mijn armen te houden!’

I; 323-337
Hij liet zijn boosheid varen, bloosde van vreugde, en met een steelse zijdelingse blik sloeg hij de kleding minder zeker van zich af. Zijn moeder zag hem twijfelen en minder onwillig worden, en trok hem de kleding aan. Daarna liet ze zijn stoere nek zachter lijken en veranderde zijn sterke schouders, ontspande de spieren van zijn armen, bedwong en fatsoeneerde zijn wilde haren naar behoren, en hing haar eigen halsketting om de nek van wie ze hield. Toen leerde ze hem om met zijn voeten binnen de geborduurde rok te lopen en bescheiden te bewegen en te spreken. Net zoals het wassen beeld dat de hand van de meester maakt vorm krijgt, en het vuur en de hand volgt dat hem creëert, zo zag de godin eruit toen zij haar zoon veranderde. Ze was niet lang bezig, hij straalde met een charme die zijn mannelijkheid niet verwoestte, en hij daagde de toeschouwers uit over zijn geslacht dat met een kleine marge zijn geheim verborg.

I; 338-348
Ze gingen naar voren, en Thetis sprak voortdurend wijze raad en overtuigende woorden: ‘Op die manier, mijn zoon, moet je lopen, zo je handen bewegen, en je gezellinnen immiteren en hun manier van doen, opdat de koning je niet verdenkt en je niet toelaat tot de vrouwenvertrekken, waardoor de sluwe list van deze onderneming teniet wordt gedaan.’ Aldus sprekend vergat ze niet om de laatste hand aan zijn kleding te leggen. Dus toen Hecate vermoeid van Therapne terugkeerde bij haar heer en broer, achtervolgd door de meisjes, voerde de moeder overal waar zij ging de groep aan, en bedekte met haar eigen handen schouders en ontblote armen, schikte zelf de boog en pijlenkoker, en trok de omhooggeschoten mantel naar beneden, en schikte trots de verwarde lokken.

Achilles achtergelaten op Scyros

I; 349-362
Onmiddellijk klampt ze de koning aan, en daar in de nabijheid van het altaar zegt ze: ‘Hier is, O koning, de zuster van mijn Achilles – Ziet u niet hoe trots haar blik is net als die van haar broer? – zo’n voorname geest, ze smeekte om wapens en een boog om aan haar schouders te hangen, en versmaadt als een Amazone de gedachte aan het huewlijk. Maar mijn zoon brengt mij al genoeg zorgen. Laat haar de manden naar het offer brengen, pas jij op haar en bedwing haar eigenzinnigheid, en houdt haar afgescheiden van het andere geslacht, totdat de tijd voor het huwelijk is aangebroken en het einde van de ingetogenheid van haar meisjesleeftijd. Duldt niet dat zij deelneemt aan wilde wordstelwedstrijden, of deelneemt aan de jachtpartijen in het bos. Laat haar in het huis verblijven, in afzondering met meisjes van haar eigen leeftijd. Vergeet haar vooral niet weg te houden van de havens en de kust. Onlangs zag u de Phrygische zeilen, schepen die de zee zijn overgestoken hebben intussen al kennis gemaakt met verraad aan wederzijdse trouw

I; 363-378
De vader willigde haar woorden in, en kreeg door de list van de moeder de vermomde Achilles – wie kan weerstand bieden als de goden misleiden? Erger nog, hij vereerde haar met de hand van een smekeling, en bedankt haar omdat hij was uitverkoren. Verwonderd werpt de meisjesgroep van Scyros snelle doordringende blikken naar het gezicht van hun nieuwe vriendin, wat steekt zij met kop en schouders boven hen uit, hoe breed zijn haar borst en schouders. Dan nodigen zij haar uit om deel te nemen aan de dans en de heilige riten, en gaan opzij en maken ruimte voor haar en verheugen zich om dicht bij haar te zijn. Net als Idalische vogels, die door de zachte lucht vliegend naar hun nesten verlangen nadat zij zich in de lucht verzameld hebben, als een vreemde vogel uit een verre streek met zijn vleugels naast hen komt vliegen, en in eerste instantie allen verbaasd en angstig zijn. Dan vliegen zij steeds dichterbij, en terwijl zij nog steeds in de lucht vliegen haar in hun midden opnemen en vrolijk rondzwevend met goedgezinde vleugelslagen naar hun verheven rustplekken leiden.

I; 379-396
Voordat ze vertrekt, treuzelt de moeder lang bij de poort, terwijl zij herhaalde adviezen en gefluisterde gehiemen in zijn hoofd prent en hem op gedempte toon haar laatse raadgevingen geeft. Dan duikt zij in de zee, en telkens omkijkend zwemt zij ver weg, en smeekt de kust van het eiland met vleiende gebeden: ‘O land dat ik liefheb, aan wie ik met schuchtere sluwheid de belofte van mijn angstige zorgen heb toevertrouwd, een vertrouwen dat inderdaad groot is, laat het u voor de wind gaan en dat u zult zwijgen, smeek ik, zoals Kreta zweeg over Rhea. Voortdurende eer en eeuwige heiligdommen zullen u toebehoren, noch zult u worden overtroffen door het zwervende Delos. U zult voor de wind en golven heilig zijn, en een veilige verblijfplaats tussen de ondiepten van de Cycladen voor de Nereïden. Waar de rotsen worden geteisterd door Egeïsche stormen, een eiland waar zeelieden bij zweren – sta alleen geen schepen van Danaeërs toe, smeek ik! Hier zijn alleen de stokken van Dionysus, niets dat nodig is voor de oorlog. Het verhaal dat moet worden rondverteld, terwijl het Dorische wapentuig zich klaar maakt en enthousiast van wereld naar wereld trekt - laat, wat mij betreft – Achilles het jonge meisje van de goede Lycomedes zijn.’

Griekenland maakt zich klaar voor de oorlog

397-412
Ondertussen zint Europa op wraak, aangewakkerd door de zoete waanzin van de oorlog en de klagende smeekbeden van de koningen, geprikkeld door een rechtvaardige woede. Nog vuriger pleit die zoon van Atreus wiens vrouw thuis verblijft, en zijn verhaal maakt de misdaad van Ilium nog ernstiger. Hoe zonder hulp van Ares of de kracht van wapens de dochter van de hemel en kind van het machtige Sparta was ontvoerd, en hoe gerechtigheid, goede trouw en de goden door één daad van roof werden versmaad. Is dit dan de eer van Phrygië? Is dit de manier hoe landen met elkaar omgaan? Wat wacht de gewone bevolking, wanneer de belangrijkste leiders zo dodelijk en volledig onterecht worden aangevallen? Alle stammen, alle leeftijden drommen bijeen, degenen die op de Isthmische bariere wonen die door twee zeeen is omsloten en grenst aan Malea’s golfweerklinkende kaap zijn nu alleen nog maar opgewonden, maar ver weg waar de straat van Phrixus Europa van Azie scheidt, en de mensen die Abydos’ kuststreken bevolken, zijn zij hecht gebonden aan het water van de bovenzee.

I; 413-440
De oorlogskoorts stijgt, en steekt de geagiteerde steden aan. Temesa delft haar brons, de kust van Euboea schudt van het gedaver der scheepswerven, Mycene weerklinkt van ontelbare smederijen, Pisa maakt nieuwe strijdwagens, Nemea schenkt de huiden van wilde beesten, Cirrha wedijvert om voorraden gevulde pijlenkokers te maken, en Lerna om zware schilden te bekleden met huiden van geslachte ossen. Aetolië en het felle Acarnië sturen voetsoldaten voor de oorlog, Argos verzamelt haar sqadron’s, de weidegronden van het rijke Arcadië worden leeg gemaakt, Epirus spant haar snelvoetige veulens in, schaduwen in Phocis en Aonië groeien nauwelijks door het woud van speren, Pylos en Messene maken hun belegeringswerktuigen gereed. Er is geen land dat niet bijdraagt. Voorouderlijke wapens die lang zijn genegeerd worden van hoge poorten gerukt, geschenken aan de goden smelten in de vlammen. Goud wordt de goddelijken onthouden om Ares op een fellere manier te dienen. De oude schaduwrijke plekjes zijn nergens meer te vinden. Othrys is minder begroeid, de hoge Taygetus zakt weg, de kale heuvels zien het daglicht. Het hele bos drijft op de golven. Eiken zijn bewerkt om een vloot te bouwen, de bossen zijn geslonken om roeiriemen te maken. IJzer wordt voor vele toepassingen gesmeed, voor klinknagels in de boegen, voor beschermende pantsers, voor geteugelde aanvallers, om ruwe maliënkolders te vervaardigen met duizende ringen, om te roken van het bloed, diepe wonden te maken, om dood terug te keren naar huis in combinatie met vergif. Ze slijten hun druipende wetstene weg met hun geslijp, en voegen woede aan de trage zwaardpunten toe. Er komt geen einde aan het maken van bogen en het opstapelen van kogels, de verkoolde vuren of het hoger maken van de helmen met pluimen. Temidden van al deze drukte bewaart alleen Thessalië haar kalme rust, en voert een dubbele klacht aan tegen de Schikgodinnen, dat Peleus te oud is en Achilles nog te jong.

I; 441-446
De heer van de oorlog heeft het land van Pelops en de Griekse wereld ontvolkt, als een bezetene zowel mannen als paarden verzamelend. Zij allen krioelen in de havens en baaien die onzichtbaar zijn voor de scheepvaart, en de voortbewegende vloot roept zijn eigen stormen en golven op. Op zee ontbreken de schepen, en hun zeilen vangen elk zuchtje wind op.

I; 447-466
In Aulis, heilig voor Hecate, verzamelt zich de totale vloot van de Danaërs, wiens naakte klip en lang uitgestrekte bergrug boven de zee uitstijgen, kust die door de in de begen zwervende godin geliefd wordt, en Caphereus, dat zijn hoofd amper boven de blaffende golven uit kan heffen. Hij die, toen hij de Pelasgische schepen voorbij zag varen, driemaal donderde vanaf de piek tot aan zee, en zo het voorteken gaf van een nacht vol woede. Daar verzamelde zich het leger voor de val van Troje, daar werden lange rijen de eed afgenomen, terwijl de zon zijn jaarlijkse cyclus voltooide. Toen aanschouwde Griekenland voor het eerst haar eigen macht. Toen kreeg een verspreide, verwarde massa vorm en functie, die werd geleid door een enkele man. Net zoals het ronde jagersnet de schuilende beesten omsingelt, en hen geleidelijk insluit als de netten worden aangetrokken. In paniek door de toortsen en het geschreeuw verlaten zij hun grote ongebaande holen, en verwonderen zich er over dat hun eigen berg kleiner wordt, totdat zij van alle kanten het smalle dal ingedreven worden. De kuddes, ze drommen geschrokken samen, worden mak door gezamenlijke angst. Borstelig zwijn, beer, en wolf worden samengedreven, en de hinde heeft lak aan de gavengen leeuw.

I; 467-490
Maar hoewel de twee Atriden de oorlog uitroepen om verschillende redenen, hoewel Sthenelus en Tydeus’ zoon staan te popelen om de roem van hun vader te overtreffen, en Antilochus niet aan zijn leeftijd denkt, en Ajax met zijn armen de zeven leiders van de kudde schudt en in een cirkel ronddraait, hoewel Odysseus, constant raad gevend en actief met de wapens, deelneemt aan de strijd, verlangt de menigte vurig naar de afwezige Achilles. Liefdevol staan ze stil bij Achilles’ naam, alleen Achilles wordt genoemd voor de strijd tegen Hector, over hem en niemand anders spreken zij wanneer ze spreken over de ondergang van Priamus en die van Troje. Want wie anders groeide van kindsbeen kruipend door de versgevallen sneeuw in de valleien van Haemonia op? Wie anders nam de Centaur onder zijn hoede en vormde hem tijdens zijn onbedoreven kinderleeftijd? Wiens afkomst stamt dichter van de hemel af? Wie anders nam een Nereïde steels mee naarr het water van de Styx en maakte zijn mooie lichaam ondoordringbaar voor staal? Zo spraken de Griekse gelederen telkens weer onder en tegen elkaar. De groep aanvoerders erkende ruiterlijk in hem hun meerdere. Dus toen de bleke bewoners van de hemel samendrongen in het gebied van Phlegrae, en Gradivus hoog boven iedereen uittorende met zijn speer uit Odrysie en Tritonia haar Libyische slangen omhoog hield en de god van Delos zijn machtige speer spande, stond de Natuur in ademloze angst naar de donderaar te kijken – wanneer zou hij de bliksem en de stormen uit de wolken oproepen, hoeveel bliksems zou hij aan de vurige Etna vragen?

Het orakel van Calchas

I; 491-513
Daar, terwijl de vorsten, omringd door volgelingen uit hun land, beraadslaagden over de tijd van vertrek en de oorlog, berispte Protesilaus onder groot tumult de voorspeller Calchas en huilde – want aan hem was de grootste strijdlust vergund, en de roem om als eerste te sterven: ‘O zoon van Thestor, bent u Phoebos en uw eigen drievoeten vergeten, wanneer zult u met uw door godbezeten mond met zekerheid spreken, en waarom verbergt u de geheime zaken van het Lot? Zie hoe allen zich verbazen over de afwezige Achilles en om hem roepen? De held uit Calydon is waardelooos in de ogen der mensen, en zo ook Ajax die zoon van de machtige Telamon en de kleine Ajax, net als wij. Maar Ares en de verwoesting van Troje zullen de waarheid bewijzen. Hun leiders verwaarlozend – wat een schande! – houden allemaal van hem als een oorlogsgod Spreek snel, waarom wordt uw hoofd anders zonder krans in ere gehouden? Op welke kust houdt hij zich verborgen? In welk land moeten we hem zoeken? Want de verslagen vertellen dat hij noch in de grot van Chiron woont noch in de zalen van zijn vader Peleus. Kom, breek in bij de goden, plunder het Lot dat verborgen is! Drink gulzig, als je durft, gij drinker van het gelauwerde vuur! Wij hebben u ontheven van dodelijke wapens en wrede zwaarden, en een helm zal uw voorname hoofd nooit ontsieren, gij zult steeds gezegend zijn en de belangrijkste van onze leiders, als je de grote Achilles voor de Danaërs kunt vinden.’

I; 514-535
De zoon van Thestor keek lange tijd in het rond met de hem kenmerkende bewegingen, en alle bloed trok weg uit zijn gezicht toen hij de god in hem voelde. Zijn vurige, bloeddoorlopen ogen bewogen snel, zijn kameraden of het kamp niet ziend, maar blind en zich niet bewust van de situatie hoorde hij nu eens het machtige advies van de goden in de hemel, dan weer richt hij het woord tot de voorspellende vogels, of de barse draden van de gezusters, dan weer angstig de met wierook beladen altaren, en onderzoekt de hoogoplaaiende vlammenterwijl hij zich voedt met de heilige dampen. Zijn haar wappert, en de haarband blijft nauwelijks op de wervelende lokken zitten, terwijl hoofd tolt en hij wankelt bij het lopen. Uiteindelijk komt er een onsamenhangend geschreeuw van zijn vermoeide en bevende lippen, en worstelt zijn stem zich los van de tegenstribbelende razernij: ‘Waar bracht u, O Nereïde, door uw vrouwenlist de machtige pupil van Chiron heen? Hem naar ginds brengend, waarom bracht u hem weg? Ik zal het niet door lijden, hij is van mij, van mij! U bent een godin van de diepte, maar ook ik wordt geïnspireerd door Phoebos. In welke schuilplaats probeert u de vernietiger van Azië te verbergen? Ik zie haar verbijsterd te midden van de Cycladen, in valse heimelijkheid de kust opzoekend. We zijn geruïneerd! Het medeplichtige land van Lycomedes wordt verkozen. Ah! Afschuwelijke daad! Kijk, wapperende kleding omhult zijn borst. Verscheur ze, jongen, verscheur ze, en zwicht niet voor je bange moeder. Wee, wee! Hij is ontvoerd en weg! Wie is dat ondeugende meisje daarginds?’

I; 536-544
Wankelend stopte hij, de waanzin verloor zijn kracht, en viel met een huivering voor het altaar op de grond. Toen sprak de Calydonische held de aarzelende Ithacaër aan: ‘Wij zijn het die worden opgeroepen. Want ik kan niet weigeren om jouw gezelschap te verduren, laad deze geachte ook jou leiden. Hoewel hij misschien is ondergedoken in de ver verwijderde en galmende rottsen van Tethys in de boezem van het waterrijk van Nereus, zul alleen jij hem vinden. Wees alert met die sluwe en vooruitziende blik van jouw waakzame geest, en roep je vaardige kundigheden op. Want geen voorspeller, denk ik, is in zijn waanzin zo vermetel als jij om de waarheid voor hem te zien.’

I; 545-552
Verheugd antwoordde Odysseus: ‘Zo zal de machtige god het laten geschieden, en de maagdelijke bewaakster van uw vader het u gunnen! Maar de grillige hoop laat me twijfelen, er moet inderdaad een groot waagstuk ondernomen worden om Achilles en zijn wapens naar ons kamp te brengen, maar mocht het Lot weigeren, met welk een jammerlijke schande zal het dan zijn om terug te keren! Maar toch zal ik niet weigeren om aan het verlangen van de Danaërs te voldoen. Ja, voorwaar, ofwel de held van de Pelion zal me van daarginds vergezellen, of Apollo heeft niet gesproken door de mond van Calchas en is de waarheid nog steeds diep verscholen.’

I; 553-559
De Danaërs schreeuwden enthousiast, en Agamemnon spoorde het tweetal aan tot spoed. De bijeenkomst werd beëindigd, en de uiteengaande gelderen vertrokken met vreugdevol gemompel, zoals bij het vallen van de avond de vogels wegvliegen van de weilanden op weg naar hun nesten, of zoals het vriendelijke Hybla de zwermenbijen afgeladen met honing naar hun raten ziet terugkeren. Onmiddellijk werd het zeil van de Ithacaër gehezen in de gunstige wind, en nam de vrolijke bemanning plaats aan de riemen.

Achilles en Deidamia

II; 560-579
Maar ver weg had Deidamia – en zij alleen – in het geheim de mannelijkheid van Aeacides ontdekt, welke verborgen was onder een geveinsd geslacht. Bewust van de schuld was er niets waar ze geen angst voor had, en dacht dat haar zusters het wisten, maar hun mond hielden. Want toen Achilles, ruw als hij was, temidden van de meisjesgroep stond, en het vertrek van zijn moeder hem ontdeed van zijn gekunstelde verlegenheid, koos hij onmiddellijk, hoewel de hele groep zich om hem heen verzamelde, haar als zijn kameraad en probeerde met nieuwe en overrompelende verlokkingen haar niets vermoedende onschuld voor zich te winnen. Hij volgde haar, bestookte haar voortdurend, en telkens opnieuw ging zijn blik naar haar. Overijverig verbleef hij aan haar zijde, en ook zij ontweek hem niet. Nu eens belaagde hij haar met bloemenslingers, dan weer met mandjes die hun last lieten vallen, of met de thyrsus die haar niet deerde, dan weer toonde hij hoe vaardig hij was op de lier die hij zo goed kende, en de lessen en liederen die Chiron hem had onderwezen. Hij begeleide haar hand en liet haar vingers de klinkende harp bespelen, wanneer zij zong hing hij aan haar lippen, nam haar in zijn armen, en prees haar met duizend kussen. Met graagte vernam zij de de verhalen over de top van de Pelion en over Aeacides, en luisterde met verwonderding en verbazing naar de naam en heldendaden van de jeugd in voortdurende verwondering, en zong in aanwezigheid van Achilles.

II; 580-591
Zij op haar beurt leerde hem zijn sterke ledematen met meer gratie te bewegen en het spinnen van de ruwe wol door die met zijn duim te wrijven, en het spinrokken te herstellen en de strengen die zijn ruwe handen hadden beschadigd. Ze verbaasde zich over de lage tonen van zijn stem, hoe hij al haar volgsters schuwde en haar aankeek met priemende blik terwijl hij ademloos luisterde naar alles wat ze zei. Hij is bereid om het bedrog te onthullen, maar ze vermijdt hem als een wispelturig meisje, en schenkt hem geen gelegenheid om de waarheid te vertellen. Net zoals de jonge prins van de Olympus dubbelhartige kussen aan zijn zus gaf tijdens de heerschappij van zijn moeder Rhea. Hij was nog steeds haar broer en zij dacht er geen kwaad van, totdat de eerbied voor hun gemeenschappelijke afstamming zwichtte, en de zuster de passie van een minnaar vreesde.

II; 592-618
Uiteindelijk werd de list van de bange Nereïde blootgelegd. Er was daar een hoog bos, toneel van de riten van de Agenoreaanse Dionysus, een bos dat tot aan de hemel reikte. Daar waar de vrome huisvrouwen in de schaduw om de drie jaar een festival hielden, en verscheurde dieren van de kudden en jonge ontwortelde boompjes naar toe brachten, welke zij aan de god van de waanzin aanboden die er genoegen in schiep. De wet schreef voor dat mannen er ver weg van bleven. De heilige koning herhaalde die opdracht, en vaardigde een bevel uit dat geen enkele man die heilige jacht mocht benaderen. Toch was dat niet voldoende. Een eerbiedwaardige priesteres stond bij de afgesproken grens en hield alle naderingen in de gaten, om te voorkomen dat een schenner in de buurt van de groep vrouwen kwam. Achilles lachte stilletjes in zichzelf. Zijn gezelschap verbaasde zich over hem toen hij de groep maagden leidde en zijn machtige armen onhandig bewoog – zijn eigen geslacht en zijn moeders vervalsing smolten samen. Deidamia was niet meer de mooiste van haar groep, en hoewel ze haar eigen zussen overtrof, verloor zij zelf de vergelijking met de trotse Aeacides. Maar toen hij een hertenhuidje van zijn welgeschapen nek liet hangen, zijn vloeiende haar met klimop versierde, de paarse hoofdband hoog om zijn blonde hoofd deed, en met krachtige hand de omkranste pijlenkoker greep, keek de menigte verbaasd toe, en werden de heilige riten verlaten om zich om hem heen te verdringen, terwijl zij hun gebogen hoofden optilden om hem te zien. Net zoals Euhius, toen deze zijn krijgshaftige geest en vermoeide hoofd in Thebe ontspande, zijn ziel verzadigend met de luxe van zijn geboorteland, zijn halssnoer en mijter van zijn hoofd nam, en de groene thyrsus bewapende voor de strijd, en zo met een meer strijdlustig uiterlijk op weg ging om zijn Indiase vijanden tegemoet te treden. Achilles’ onthulling aan Deidamia

II; 619-639
De Maan in haar roze rijtuig klom op naar het midden van de hemel, toen dommelende Slaap met grote vleugelslagen naar beneden kwam en naar de aarde gleed waar hij een stille wereld in zijn armen sloot. De koren verstilden, het geslagen brons werd een poosje stil, toen Achilles, die was afgescheiden van de groep maagden, tegen zichzelf zei: ‘Hoelang zul jij de opdrachten van je angstige moeder nog verdragen, en deze eerste bloem van jouw mannelijkheid verspillen in deze lieflijke gevangenis? Je mag je niet in een oorlog begeven of wapens dragen, geen dieren bejagen. Oh! Je staart tevergeefs naar de vlakten en valleien van Haemonia, Spercheius, naar mijn zwemkunst, en mijn voorbestemde lokken? Of heb je geen respect voor het pleegkind dat jou heeft verlaten? Ben ik al besproken voor de Stygische schaduwen in de verte, en huilt de eenzame Chiron over mijn dood? Jij, O Patroclus, richt nu mijn pijlen, spant mijn boog en ment het span paarden dat voor mij werd gefokt. Maar ik heb geleerd om met mijn armen te zwaaien wanneer ik de wijnstokken grijp, en de draad te spinnen – ah! Wat een schande en ergernis om te bekennen! Erger nog, dag en nacht veins je over de liefde die bezit van je heeft genomen, en je passie voor het meisje van dezelfde leeftijd. Hoe lang zul je de wond verhullen die je hart kwetst, en zelfs de liefde – wat een schande – niet met je eigen mannelijkheid bewijzen?’

II; 640-661
Zo sprak hij. En in de donkere duisternis van de nacht, verheugd dat de roerloze stilte hem de gelegenheid gaf voor zijn geheime daden, gaf hij eindelijk toe aan zijn verlangen, en nam haar met al zijn kracht in een warme omhelzing. Het totale koor aan sterren keek vanuit de hoogte neer, en de hoorns van de nieuwe maan bloosden rood. Het bos en de bergen weerklonken van haar kreten, maar de groep van Dionysus, sluimerende wolken verdrijvend, dachten dat dit het teken was voor de dans. Van alle kanten klonken de welbekende kreten, en Achilles zwaaide opnieuw met de thyrsus. Maar eerst troostte hij het bange meisje met vriendelijke woorden: ‘Ik ben hij – waarom ben je bang? – die mijn hemelsblauwe moeder bijna voor Zeus baarde, en naar de wouden en de sneeuw van Thessalië werd gestuurd om grootgebracht te worden. ik had deze jurk en beschamend gewaad niet verdragen, als ik jou niet had gezien aan de kust. Om jou stemde ik toe, voor jou draag ik mijn haar in een knot en de vrouwelijke tamboerijn. Waarom huil je, die de schoondochter van de machtige Oceaan wordt? Waarom kreun je, die dappere kleinzoons naar de Olympus zal dragen? Maar jouw vader – Scyros zal door vuur vernietigd worden en het puin van deze muren zal een speelbal voor de winden zijn, voordat jij met de wrede dood voor mijn omarming moet betalen. Zo volkomen afhankelijk ben ik niet van mijn moeder.

II; 662-674
De prinses was door de gebeurtenissen van schrik verlamd, hoewel ze lang aan zijn goede trouw had getwijfeld, huiverde zij nu door zijn aanwezigheid, en zijn veranderende gezicht tijdens zijn bekentenis. Wat moest zij doen? Moest zij het verhaal van haar ongeluk aan haar vader vertellen, en zo de ondergang van zichzelf en haar minnaar inluiden, die zo misschien een vroegtijdige dood onder ogen moest zien? In haar borst woedde de liefde die zo lang was bedrogen. Ze was stil in haar verdriet, en huichelde de misdaad die zij nu samen deelden. Alleen haar min maakte zij deelgenoot van haar bedrog, en zij, toegevend aan de smeekbeden van beiden, stemde in. Gewiekst verborg ze de ontering, de dikker wordende buik, en de last van moeizame maanden, totdat Eileithyia de bepaalde tijd aankondigde, zij haar draagtijd volledig doorlopen had, en beviel van haar kind.

Odysseus op weg naar Achilles

II; 675-688
Ondertussen doorsneed het schip van Odysseus de kronkelende wegen van de Egeïsche Zee, terwijl de winden het uitzicht op het ene na het andere eiland van de Cycladen deed veranderen. Paros en Oliaros waren al verdwenen, zij omzoomden nu het verheven Lemnos en achter hen verdwijnt Dionysisch’ Naxos uit het zicht, terwijl Samos voor hen groter wordt. Nu beschaduwt Delos de diepte, zij brengen daar op het achterschip een plengoffer, en bidden dat het orakel de waarheid vertelde en Calchas niet loog. De gebruiker van de Boog hoorde hen, stuurde van de top van de Cynthus een vliegende Zephyrus en schonk de twijfelaars een goed voorteken van bollende zeilen. Het schip voer onbekommerd over zee. Want het bevel van de hoge Donderaar stond niet toe dat Thetis de stellige geboden van het Lot weerstond, onmachtig als zij was en in tranen, en veel voorvoelend omdat zij de grote zee met al haar winden en golven niet kon opwekken om de gehate Odysseus onmiddellijk te achtervolgen.

II; 689-708
Phoebos stuurde zijn gebroken stralen, laag over de rand van de Olympus kruipend, en beloofde de vruchtbare kust van de Oceaan aan zijn hijgende paarden, waar het rotsachtige Scyros in de hoogte rees. De Laërtiaanse leider liet vanaf de achtersteven alle zeilen uitzetten, en gaf zijn bemanning opdracht om met hun tocht over de diepte door te gaan en met de riemen de zwakke Zephyrus te ondersteunen. Naarmate zij dichterbij kwamen, en minder twijfelden, des te zekerder wisten zij dat het Scyros was, en Tritonia daarboven, de hoedster van de rustige kust. Zij gingen aan wal, en vereerden de macht van de vriendelijke godin, Aetoliër en Ithacees gelijk. Toen gebood de voorzichtige held, opdat zij de gastvrije muren niet zouden verschrikken door die plotselinge drukte, zijn bemanning bij het schip te blijven. Samen met de vertrouwde Diomedes beklom hijzelf de hoogte. Maar Abas, bewaker van de wachttoren aan de kust, was hem al voor om bericht aan de koning te brengen, dat onbekende zeilen, hoewel Grieks, de kust genaderd waren. Voorwaarts gingen zij, als twee wolven samen vereend in een winternacht, hoewel hun welpen honger lijden en die van henzelf hen belaagt, veinzen zij een totale verscheurende woede, en vervolgen sluipend hun weg, omdat anders oplettende honden een vijand aankondigen en de angstige herders waarschuwen die waken.

II; 709-717
Zo bewogen de helden zich met langzame tred voort, en betraden met elkaar sprekend de open vlakte die tussen de haven en de hoge citadel lag. De scherpzinnige Diomedes sprak als eerste: ‘Hoe bereiden we ons voor om de waarheid te ontdekken? Want ik heb met een verwarde geest lang nagedacht waarom jij die onoorlogszuchtige stokken en bekkens op de stadsmarkt hebt gekocht, en Bacchanante huiden en tulbanden hierheen hebt meegenomen, en reekalfhuiden versierd met patronen van goud. Wil jij Achilles hiermee bewapenen om zo de ondergang van Priamus en de Phrygiërs te worden?’

II; 718-725
De Ithacees antwoordde hem glimlachend en met een geheimzinnige blik: ‘Deze dingen, zeg ik je, als hij alleen tussen de meisjes van Lycomedes’ paleis op de loer ligt, zullen de zoon van Peleus naar de strijd lokken, ja, van zichzelf overtuigd! Denk er aan om alles snel van het schip te brengen, wanneer de tijd is aangebroken, en bij deze geschenken een schild toe te voegen van mooi houtsnijwerk dat met ruw goud is bewerkt. Deze speer zal volstaan. Laat de goede trompetter Agyrtes met je meegaan, en laat hem een verborgen trompet meebrengen voor een geheim doel.’

Ontvangst bij Lycomedes

II; 726-736
Zo sprak hij en ontdekte de koning bij de drempel van de poort, en toonde eerst de olijf als teken van zijn vreedzame bedoelingen: ‘Een luidruchtig bericht, denk ik, heeft uw oren al lange tijd niet meer bereikt, o zachtaardige koning, over de felle oorlog die nu zowel Europa als Azië beroert. Als de namen van de leiders u van ginds hebben bereikt, op wie de wrekende zoons van Atreus vertrouwen, dan ziet u hier hem die de grootmoedige Tydeus heeft verwekt, nog machtiger dan zijn grote vader, en ik ben Odysseus de leider van Ithaca. De reden van onze reis – want waarom zou ik bang zijn om alles te bekennen aan u, die een Griek is volgens betrouwbare verslagen en van alle mannen het meest vermaard? – is om Troje en haar gehate kust te bespioneren, en wat hun plannen zijn.’

II; 737-749
Voordat hij uitgesproken was viel de ander hem in de rede: ‘Moge het geluk met u zijn, bid ik, en goedgunstige goden uw onderneming leiden! Vereer nu mijn dak en vrome huis door mijn gasten te zijn.’ Met deze woorden liet hij hen binnenkomen. Onmiddellijk brachten talrijke bedienden de ligbanken en tafels in gereedheid. Ondertussen onderzocht Odysseus het paleis met zijn ogen, of hij ergens een spoor van een groot meisje kon ontdekken of een gezicht dat twijfelachtige kenmerken bezat. Onzeker dwaalde hij doelloos door de zalen en, alsof hij verbaasd was, zwierf zo door het hele huis. Net als gindse jager, die langzaam maar zeker in de buurt van het hol van zijn prooi komt, de velden met zijn stille Molossische hond afzoekend, totdat hij zijn vijand languit in slaap ziet liggen onder de bladeren met zijn kaken rustend op de grond.

II; 750-772
Het gerucht was intussen al lang doorgedrongen tot de geheime kamer waar de meisjes hun veilige verblijfplaats hadden, dat er Pelasgische aanvoerders waren aangekomen, en een Grieks schip met haar bemanning welkom was geheten. Met reden was de rest verschrikt, maar Achilles kon zijn plotselinge vreugde nauwelijks verbergen, en verlangde er gretig naar om de nieuw aangekomen helden en hun wapens te zien. Het geluid van prinselijke groepen vulden het paleis al, en de gasten lagen op goudgeborduurde ligbanken, toen op bevel van hun vader zijn dochters en hun kuise gezellinnen naar het banket werden geroepen. Ze naderden, als Amazones naar de kust van Maeotis, wanneer die, nadat ze Scythische boerderijen en versterkte bolwerken van de Getae hebben veroverd, hun wapens neerleggen en gaan feestvieren. Toen bekeek Odysseus met intense blik zorgvuldig hun gedaanten en kenmerken, maar de nacht en de lampen die werden gebracht misleidden hem, en hun gestalte werd verborgen zodra zij gingen liggen. Maar één met een hoogopgericht hoofd en dwalende blik, één die geen tekenen van maagdelijke bescheidenheid uitstraalde, merkte hij op, en wees die met zijdelingse blikken aan zijn metgezel aan. Maar als Deidamia, om de haastige jongen te waarschuwen, hem niet aan haar zachte boezem had geklemd, en constant met haar eigen mantel zijn blote borst en naakte armen en schouders had bedekt, en hem vele keren verbood om van de bank op te staan en om wijn te vragen, en de gouden haarband weer op zijn hoofd terugzette, had Achilles zich toen al aan de Argivische leiders geopenbaard.

II; 773-783
Toen de honger was gestild en het banket twee tot drie keer was hervat, sprak de koning tot de Achaërs, en bracht met de wijnbeker een heildronk uit: ; ’Gij beroemde helden van het Argolische ras, ik benijd, moet ik bekennen, uw onderneming. Ik wilde dat ik ook nog strijdbaar was, zoals toen ik de Dolopen overwon die de kusten van Scyros aanvielen, en op zee de kielen vernietigde die je kon aanschouwen vanaf mijn hoge muren, tekenen van mijn overwinning! Had ik maar nakomelingen die ik naar de oorlog kon sturen, - maar u ziet zelf mijn zwakte en mijn lieve kinderen. Ah, wanneer zullen deze talrijke kinderen mij kleinzonen schenken?’

Achilles ontmaskert

II; 784-793
Zo sprak hij, en het moment benuttend antwoordde de listige Odysseus: ‘Het onderwerp van uw verlangen is inderdaad eerbaar. Want wie zou niet branden van verlangen om de talloze volkeren van de wereld en hun vele leiders en prinsen met hun legers te zien? Alle macht en roem van het sterke Europa heeft bereidwillig trouw gezworen aan ons rechtschapen leger. Steden en velden zijn leeggehaald, we hebben de hoge bergen leeggekapt, de zee gaat schuil onder de talloze schaduwen van onze zeilen. Vaders gaven wapens, en de jeugd greep die en kwam zonder voorbehoud. Nog nooit werd aan de dapperen zo’n mogelijkheid geboden om grote roem te vergaren, dapperheid kreeg nog nooit zo’n gelegenheid om in de praktijk gebracht te worden.’

II; 794-801
Hij ziet hem oplettend kijken en zijn woorden tot zich nemen met een waakzaam oor, hoewel de rest gealarmeerd is en hun blikken neerslaan, en hij herhaalt: ‘Wie er trots op zijn ras en afkomst is, wie een doeltreffende speer heeft en moedige paarden, of vaardigheid met de boog, wacht hem daar alle eer, daar is de strijd van machtige namen. De angstige moeders of de groepen meisjes houden hen nauwelijks tegen. Ah! Gedoemd tot ellendige jaren en gehaat door de goden is hij die deze kans op roem voorbij laat gaan in vergeefse luiheid!’

II; 802-811
Hij zou van de bank zijn opgesprongen, als oplettende Deidamia, niet een teken aan al haar zussen had gegeven, en het banket verliet terwijl zij hem in haar armen hield. Maar zijn blik bleef op de Ithacees hangen, en ging als laatste van de groep weg. Odysseus liet inderdaad iets weg van zijn voorgenomen toespraak, maar voegde een paar woorden toe: ‘Maar u blijft hier in alle rust, en vindt echtgenoten voor uw geliefde dochters, die het fortuin u heeft geschonken, goddelijk met hun stralende uiterlijk. Welke vrees raakt mij binnenkort en houdt mij stil? Dergelijke charme en schoonheid verenigd in een mannelijke gedaante!’

II; 812-818
De vader antwoordde: ‘Wat als u ze bezig kon zien met de riten van Dionysus, of bij het altaar van Pallas? Ja, dat zult u, als de aanwakkerende zuidenwind een achterblijver misschien op de proef stelt.’ Ze accepteerden gretig zijn belofte, en hoop inspireerde hun stille gebeden. Ieder ander in het paleis van Lycomedes genoot van een vredige slaap, hun zorgen terzijde gelegd, maar voor de listige Ithacees was de nacht lang. Hij verlangde naar de dag en duldde geen slaap.

II; 819-840
De dag was nauwelijks aangebroken, of de zoon van Tydeus vergezeld door Agyrtes was al aanwezig om de benoemde geschenken te brengen. De meisjes van Scyros vertrokken uit hun kamer en traden aan om hun dans en beloofde riten te tonen aan de geëerde vreemdelingen. De prinses met haar kameraad de Pelides straalde. Net zoals onderaan de rotsen van de Etna op Sicilië Artemis en vrijpostige Athena met de gemalin van de Elysische koning stralen tussen de Nimfen van Enna. Zij beginnen al te bewegen, en het Ismenische riet speelde tonen voor de dansers. Viermaal sloegen zij op de bekkens van Rhea, viermaal op de gekmakende trommels, viermaal gingen zij rond in hun vele cirkels. Toen bewogen zij hun stokken op en neer, en maakten ingewikkelde passen, op de wijze zoals de Cureten en vrome Samothraciërs gewend waren te doen, nu eens hun gezichten naar elkaar wendend op de wijze van de Amazonen, dan weer in een kring waarin de mensen van Delos een Laconisch meisje laten dansen, en wervelend en schreeuwend haar eigen Amyclae looft. Toen inderdaad, toen Achilles boven iedereen uitstak, zich niet bekommerend om de maat of om zijn armen op de juiste manier te bewegen, toen verachte hij meer dan ooit de gevoelige pas, de vrouwelijke kleding, en verbrak de dans en verstoorde krachtig het schouwspel. Net zoals Thebe treurde toen Pentheus de stokken en tamboerijnen versmaadde die zijn moeder verwelkomden.

II; 841-865
De groep verspreidde zich onder luid applaus, en ging terug naar het huis van hun vader, waar de zoon van Tydeus in de centrale zaal van het paleis al de geschenken had uitgestald die de meisjesogen zouden bekoren, als dank voor het vriendelijke welkom en als loon voor hun arbeid. Hij nodigde hen uit om te kiezen, en de vreedzame koning zei geen nee. Helaas! Hoe eenvoudig en dom, wie kende de geslepenheid van de geschenken noch het Griekse bedrog noch Odysseus’ vele listen niet! Daarop, ingegeven door de natuur en hun ongedwongen jeugdigheid, onderzochten de anderen de welgevormde stokken en de tamboerijn die weerklonken na een slag, en deden met juwelen bezette hoofdbanden om hun hoofd. Ze zagen de wapens, maar dachten dat dit geschenken voor hun machtige vader waren. Maar de moedige zoon van Aeacus had het glanzende schild gegraveerd met strijdtaferelen nooit eerder gezien – door toeval straalde het rood met grimmige vlekken van de oorlog – en leunde tegen de speer, toen schreeuwde hij luid en rolde met zijn ogen, en zijn haar ging recht overeind staan. Vergeten waren de woorden van zijn moeder, vergeten zijn steelse liefde, en Troje vulde zijn hart. Als een leeuw, van zijn moeders tepels weggerukt, die zich onderwerpt om getemd te worden en zijn manen gekamd, en ontzag voor de mens leert te hebben en niet in woede uit te barsten behalve wanneer dat wordt opgedragen. Maar zodra het staal voor zijn ogen schittert, zweert hij zijn trouw af, en zijn temmer wordt zijn vijand. Tegen hem gaat hij als eerste tekeer, en voelt schaamte dat hij een bange heer heeft gediend. Maar als hij dichterbij komt, en de afgunstige helderheid zijn uiterlijk weerkaatst en hij zichzelf weerspiegeld ziet in het reflecterende goud, is hij ontroerd en bloost.

II; 866-873
Toen liep Odysseus snel naar hem toen en fluisterde: ‘Waarom aarzel je? We kennen je, jij bent de pupil van het halfdier Chiron, jij bent de kleinzoon van de lucht en de zee. Op jou wacht de Dorische vloot, je eigen Griekenland wacht met hoogopgeheven vaandels voor de opmars, en de wankelende en zwaaiende muren van Pergamum wachten op jou om neer te halen. Kom op! Wacht niet langer! Laat de trouweloze Ida verbleken, maak je vader blij met dit bericht, en laat de slinkse Thetis zich schamen dat ze zo bezorgd om jou was.’

Deidamia ontroostbaar

II; 874-884
Hij trok de mantel al van zijn lichaam, toen Agyrtes, zo opgedragen, een grote stoot op de trompet gaf. De geschenken werden verspreid, en zij vluchtten en vielen met gebeden voor hun vader neer en dachten dat de strijd was begonnen. De vrouwenkleding viel van zijn lijf zonder dat hij die aanraakte, en het schild en puntige speer leken nietig in de sterke greep van zijn handen – te fantastisch om te geloven – en hij leek met kop en schouders boven de Ithacische en Aetolische leiders uit te steken. Een vreselijke glans leek door de plotselinge gloed van wapens en krijgshaftig vuur de zaal van het paleis te verblinden. Machtig van lichaam, alsof hij onverwijld Hector opriep naar de strijd, stond hij daar midden in het door paniek overvallen paleis. En de dochter van Peleus werd vergeefs gezocht.

II; 885-909
Maar Deidamia huilde in een andere kamer over de ontdekking van de bedriegerij, en zodra hij haar luid hoorde jammeren en naar de stem luisterde die hij zo goed kende, liet hij de moed zakken en werd zijn strijdlust gebroken door zijn steelse passie. Hij liet het schild vallen, en draaide zich naar het gezicht van de koning, terwijl Lycomedes verdooft was door het gebeuren en radeloos door het vreemde voorteken. Precies zoals hij was, zonder enige wapenuitrusting, sprak hij aldus tegen hem: ‘Ik was het, lieve vader, ik die de weelderige Thetis aan u gaf – zet die angstige vrees van u af! – deze grote beroemdheid wachtte lang op u. U bent het die Achilles, waar lang naar is gezocht, naar de Grieken zal sturen, mij meer welkom dan mijn machtige vader en – als het juist is om dit zo te zeggen – de geliefde Chiron. Maar, als u wilt, geef mij dan een poosje uw geest, en luister als uw gunst naar deze woorden: Uw gasten Peleus en Thetis maakten u tot schoonvader van hun zoon, en bezitten verwante goden aan beide zijden. Zij eisen een van uw maagdelijke dochters op. Wilt u haar schenken? Of zijn we van een gierig en laf ras? U moet niet weigeren. Verenigt u met ons, en sluit het verdrag, en schenk gratie aan uw eigen bloedverwanten. Deidamia heeft zich al in het geheim met mij verbonden. Want hoe zou zij mijn armen kunnen weerstaan, hoe zou zij eenmaal in mijn armen mijn macht kunnen afweren? Laat mij deze daad goedmaken. Ik zal deze wapens neerleggen en die teruggeven aan de Pelasgen, en ik blijf hier. Waarom die boze kreten? Waarom is uw mening veranderd? U bent al mijn schoonvader’ – hij lag het kind voor zijn voeten, en vervolgde - ‘en een grootvader! Hoe vaak zal het meedogenloze zwaard worden gehanteerd! Wij zijn groot in aantal! ’

II; 910-920
Toen smeekten de Grieken en ook Odysseus met overtuigende gebeden bij de heilige riten en eden van gastvrijheid. Hij, hoewel geschokt over de misdaad van zijn dochter en de opdracht van Thetis, leek erover na te denken om de godin te verraden en het geschonken vertrouwen te schenden, maar vreesde zovele goden te weerstaan en de oorlog van de Argivers te vertragen – zelfs hij wilde graag, en zelfs Achilles had zijn moeder weerstaan. Noch is hij onwillig om zo’n grote schoonzoon voor zichzelf te winnen: hij stemt in. Deidamia komt berouwvol uit haar donkere kamer, noch gelooft zij in haar wanhoop zijn vergiffenis niet, en duwt Achilles naar voren om haar vader te kalmeren.

II; 921-926
En boodschapper wordt naar Haemonia gestuurd om Peleus over deze grote gebeurtenis te berichten, en om schepen en soldaten voor de oorlog eisen. Bovendien laat de Scyrische prins twee schepen te water voor zijn schoonzoon, en verontschuldigt zich bij de Achaërs voor zo’n armzalige vertoning van kracht. De rest van de dag werd feestend doorgebracht, werd het verbond aan iedereen bekend gemaakt, en de donkere nacht verenigde twee nu onverschrokken minnaars.

II; 927-943
Nieuwe oorlogen en Xanthus en Ida trokken voor haar ogen langs, en de Argolische vloot, en zij stelde zich de golven en de angst van de komende dageraad voor ogen. Zij wierp zich om de nek van haar kersverse echtgenoot, en toen zij zijn lichaam omarmde kwamen de tranen: ‘Zal ik je terugzien, en weer op jouw borst liggen, o zoon van Aeacus? Zul jij je verwaardigen om nog een keer naar je nakomeling te kijken? Of zul je trots de buit van het veroverde Pergamum en Teucriaanse huizen terugbrengen en vergeten waar jij je als meisje hebt schuilgehouden? Waar moet ik voor bidden, of helaas, bang voor zijn? Hoe kan ik in mijn angst beslag op jou leggen. Die amper tijd heeft om te huilen? Eén enkele nacht heb jij mij gegeven en gegund! Is dit het seizoen van onze ondertrouw? Is het een vrij huwelijk? Ah, die steelse heerlijkheid! Dat sluwe bedrog! Ah! Wat was ik bang! Achilles wordt mij alleen gegeven om weggerukt te worden! Ga! Want ik durf niet te blijven bij zulke machtige voorbereidingen. Ga, en wees voorzichtig, en herinner dat de vrees van Thetis niet vergeefs was. Ga, het ga je goed, maar kom bij mij terug!’

II; 944-955
‘Ja, mijn verzoek is te vrijpostig. Binnenkort zullen mooie Trojaanse vrouwen om je zuchten en huilend op hun borst slaan, biddend dat zij hun nekken mogen aanbieden aan jouw boeien, en jouw gewicht op hun banken in hun huizen voelen, of Tyndaris zelf zal je plezieren, te veel opgehemeld vanwege haar incestueuze schaking. Maar ik zal een verhaal voor je medestanders zijn, het verhaal van de eerste verovering van een jongen, of ik wordt verstoten en vergeten. Nee, kom, neem me als je kameraad. Waarom zou ik het vaandel van Ares niet voor je dragen? Jij droeg de thyrsus en heilige zaken van Dionysus voor mij, hoewel noodlottig Troje het niet zal geloven. Maar deze baby, die je bij mij achterlaat als mijn droevige troost – koester hem tenminste in je hart, en gun mij dit ene verzoek, dat geen andere vrouw een kind van jou zal dragen, dat geen gevangengenomen vrouw een onwaardige kleinzoon aan Thetis zal schenken.’

II; 956-960
Terwijl ze zo sprak, troostte Achilles haar, door medelijden overmand, en gaf haar zijn gezworen belofte, en beloofde het haar plechtig onder tranen, en beloofde haar bij zijn terugkeer rijzige dienstmaagden en buit van Ilium en geschenken van Phrygische rijkdommen. De wispelturige wind blies zijn woorden onvervuld weg.

Hoofdstuk 2

Vertrek van Scyros

IIb; 1-22
De dag die oprees uit de Oceaan bevrijde de wereld van donkere omhullende schaduwen, en de vader van het stralende licht stak zijn toorts omhoog die nog steeds gedimd werd door de naburige somberheid en het vochtige zeewater nog niet van zich had afgeschud. En allen zagen nu Achilles, zijn schouders ontdaan van de paarse mantel, die er glorieus uitzag met de wapens die hij als eerste had gegrepen – want de wind riep en verwante zeeën spoorden hem aan – een beefden voor de jeugdige leider, en durfden zich niets te herinneren. Geheel van aanzicht veranderd was hij zo teruggekomen, alsof hij nooit aan de kust van Scyros was geweest, maar zich inscheepte vanuit de grot op de Pelion. Stipt op tijd – want dat had Odysseus hem aangeraden – offerde hij aan de goden, de zeeën en de zuidenwind, en vereerde de Ceruleaanse koning onder de golven en zijn grootvader Neleus met een stier. Zijn moeder werd verzoend door een met bloemkransen omhangen vaars. Toen hij de gezwollen ingewanden op het zoute schuim wierp riep hij tegen haar: ‘Moeder, ik heb je gehoorzaamd, hoewel uw opdrachten moeilijk te dragen waren. Ik ben te gehoorzaam geweest. Nu eisen zij mij op, en ga ik naar de Trojaanse Oorlog en de Argolische vloot.’ Zo sprekend sprong hij in het schip, en werd uit de buurt van het land geblazen door de fluitende zuidenwind. Het hoge Scyros begon al mist om haar heen te verzamelen, en uit zicht te verdwijnen boven de lege uitgestrekte zee.

IIb; 23-41
Ver weg op het dak van een toren met huilende zussen om haar heen leunde zijn vrouw voorover, met haar kostbare lading in haar armen, die de naam Pyrrhus droeg, en met haar ogen gefixeerd op het canvas zelf op zee zeilde, en helemaal alleen nog steeds het vaartuig zag. Ook hij wendde zijn blik achteruit naar de muren die zijn lieveling bevatten, hij denkt aan het verweduwde huis en de snikken van haar die hij verlaten heeft. De steelse passie gloeit opnieuw in zijn hart, en de krijgshaftige woede ebt weg. De Laertiaanse held ziet hem treuren, en gaat naar hem toe om hem te beïnvloeden met vriendelijke woorden: ‘Was jij het, O voorbestemde vernietiger van het grote Troje, waarover de vloot van de Danaërs en goddelijke orakels spraken, en de oorlog opgewonden wacht met niet gebarricadeerde poorten – was jij het die een listige moeder ontheiligde met vrouwelijke gewaden, en gindse schuilplaats een zo groot geheim toevertrouwde, en hoopte dat het vertrouwen niet geschonden werd? O te angstig, O te waarlijk een moeder! Kan een dergelijke moed niets doen en zich verborgen houden, die nadat de trompet amper had geklonken al vluchtte van Thetis en vrienden en de onuitgesproken passie van zijn hart? Het is evenmin aan ons te wijten dat je ten strijde trekt, en je onderwerpt aan onze gebeden. Je zou gekomen zijn.’

Odysseus verklaart het ontstaan van de oorlog

IIb; 42-48
Zo sprak hij, en hierop nam Achilles het woord: ‘Het zou te lang duren om de redenen van mijn dralen en mijn moeders misdaad te verklaren. Dit zwaard zal Scyros verontschuldigen en mijn oneervolle kleding, de blaam van het lot. Vertel jij liever, terwijl de zee nog rustig is en de zeilen genieten van de westenwind, waarom de Danaërs aan deze grote oorlog beginnen. Ik zou graag direct uit jouw mond de reden voor die grote woede vernemen.’

IIb; 49-85
Daarop ging Odysseus helemaal terug naar het begin van het verhaal: ‘Een herder, vertellen ze – als we dergelijke verhalen moeten geloven – werd in Hector’s gebied op de Ida uitgekozen om een eind te maken aan een strijd over schoonheid, en terwijl de godinnen angstig twijfelenden keek hij niet naar Athena’s fronsende gezicht of de gemalin van de hemelse vorst, maar zag enkel Aphrodite. En voorwaar die twist ontstond in jouw eigen geboorteland, tijdens een bijeenkomst van de goden, toen de geriefelijke Pelion een bruiloftsfeest vierde voor Peleus, en jij aan ons als wapenbroeder werd beloofd. Woede overspoelde de verliezers, de rechter eiste zijn noodlottige beloning, en meegaand Amyclae werd aan de schaker getoond. Hij hakte in de Phrygische bossen, de geheime schuilplaatsen van de hooggekroonde moeder, en smeet bomen omver die bang waren om op aarde te vallen, en werd overzee gedragen naar het land van Achaea waar hij de bruidskamer van zijn gastheer en zoon van Atreus plunderde – Ah, Schande en medelijden met het trotse Europa! – en juichend met Helena weer zee koos en de buit van Argos naar zijn huis in Pergamum bracht. Toen, nadat het gerucht zich overal verspreid had in de steden, uit vrije wil, niemand dwong ons, verzamelden wij ons, wie kon deze onwettige daad verdragen, de huwelijkstrouw slinks verbrekend, een gemalin wegvoerend tijdens een niet tegenstribbelende schaking, alsof een beest of de kudde van een herder, van angst zou bibberen zelfs al had dat een moedig hart. Heerszuchtige Agenor verdroeg het verraad van de goden niet, maar ging op zoek naar heilig geloei en Europa die op een machtige god reed, en verachte de Donderaar als schoonzoon. Aeëtes verdroeg aan de kust van Scythië de schaking van zijn dochter niet, maar achtervolgde de prinses en het vaartuig met schepen en staal dat gedoemd was om aan de hemel geplaatst te worden. Zullen wij dan verdragen dat een Phrygische eunuch langs de kusten en havens van Argos zwerft met zijn incestueuze schip? Zijn onze mannen en paarden dan totaal niets waard? Zijn de zeeën zo ondoordringbaar voor de Grieken? Wat als iemand nu bezig was om Deidamia uit haar geboorteland te ontvoeren, en haar in akelige ontzetting uit haar eenzame kamer sleept en de naam van de grote Achilles uitschreeuwt?’ Zijn hand vloog naar het zwaard, en een donkere gloed vloog over zijn gezicht. Odysseus zweeg en was tevreden.

IIb; 86-93
Toen sprak Oenides: ‘Nee, O jij waardige nakomeling van de hemel, vertel ons, jouw bewonderende vrienden, over de manier waarop jouw geest in het begin werd getraind, en toen de kracht van jouw jeugd toenam welke aangrijpende verhalen over roem Chiron gewend was om aan jou te vertellen, en hoe je moed toenam, op welke manier hij je lichaam sterker maakte of je moed liet toenemen. Laat het de moeite waard zijn omdat wij over vele zeemijlen naar Scyros zijn gekomen, en als eerste wapens aan die armen van jou hebben gegeven.

Achilles vertelt over zijn jeugd bij Chiron

IIb; 94-109
Wie zou er moeite mee hebben om over zijn eigen daden te vertellen? Maar toch begint hij bescheiden, ietwat onzeker en meer als iemand die gedwongen wordt: ‘Zelfs tijdens de jaren van mijn kruipende jeugd, toen de Thessalische wijsgeer mij ontving op zijn grimmige berghelling, werd mij verteld om geen gewoon voedsel te eten, noch om mijn honger te verzadigen aan de verzorgende borst, maar om te knagen aan de taaie ingewanden van leeuwen en ingewanden van een halfdode wolvin. Dat was mijn eerste eten, dat was de overvloed van vreugdevolle Dionysus, waarmee die vader van mij me voedde. En hij leerde me om samen met hem door ongebaande woestijnen te gaan, mij opjagend met machtige stappen, en te lachen bij het zien van wilde dieren, noch om van angst te beven bij luid weerklinkende rotsen van de voortsnellende bergstromen of van de stilte in een verlaten bos. Toen had ik al wapens in mijn handen en een pijlenkoker op mijn rug, de liefde voor staal groeide snel in mij, en mijn huid werd gehard door een overvloed aan zon en vorst. Mijn lichaam werd niet week door zachte ligbanken, maar ik deelde de harde rotsen met het lichaam van mijn machtige leraar.’

IIb; 110-128
‘Nauwelijks waren er van mijn onervaren jeugd tweemaal zes jaren voorbij gegaan, toen hij me al snelle hinden en Lapithische paarden voorbij liet lopen en al rennend de geworpen speer liet opvangen. Vaak joeg Chiron zelf, en hij was zeer snel, mij op in volle galop met halsbrekende snelheid over de vlakten, en als ik uitgeput was door dit zwerven over de weiden prees hij mij vreugdevol en hees me op zijn rug. Vaak als de rivieren amper bevroren waren droeg hij me op om daar met lichtvoetige stappen overheen te lopen zonder het ijs te breken. Dit waren de heerlijkheden van mijn jeugd. Waarom zou ik nu vertellen over de veldslagen in de bossen en over de open plekken die mijn felle strijdkreet nu niet meer horen? Hij stond niet toe dat ik op een niet strijdlustige wijze de ongebaande valleien van de Ossa zou volgen, of bange lynxen zou doden met mijn speer, maar alleen dat ik woedende beren van hun rustplaatsen zou verjagen, en vliegensvlug zwijnen aanviel. Wanneer er ergens een machtige tijger loerde of een leeuwin met haar welpen in een steels nest op de berghelling, zat hij zelf, in zijn enorme grot, te wachten op mijn wapenfeiten, of ik misschien met donker bloed bevlekt terug zou keren. Noch sloot hij mij in zijn armen voordat hij mijn wapens had geïnspecteerd.’

IIb; 129-144
‘En ik was klaar voor de gewapende beroeringen van naburige volken, en geen enkele wijze van wrede oorlogsvoering ging aan mij voorbij. Ik leerde hoe de Paeoniërs wervelen en hun pijlen schieten en de Macedoniërs hun speren werpen, met welke felle stormloop de Sarmatiër zijn lans hanteert en de Getae zijn kromzwaard, hoe de Geloniër zijn boog spant, en hoe de Balearische beoefenaar van de buigzame riem het projectiel rondzwaait met een uitgebalanceerde beweging, en als hij zwaait maakt het een cirkel in de lucht. Ik kan nauwelijks al mijn daden benoemen, succesvol als ze waren. Dan leerde hij mij over hoge dammen te springen, of om hoge bergpieken te beklimmen, met een paar grote stappen een heuvel op te rennen, hoe in een nagebootste strijd vliegende stenen op te vangen met het schild aan mijn arm, door brandende huizen te lopen, en vliegensvlugge vierspannen te voet te besturen.’

IIb; 145-159
‘Ik herinner me dat Spercheius stroomde met enorme snelheid, gevoed door voortdurende regenval en gesmolten sneeuw en op zijn water keien en levende bomen dreven, toen hij mij daarin stuurde, daar waar de golven het ergst tekeer gingen, en me opdracht gaf om te blijven staan en de woeste golven te trotseren die hij zelf amper kon weerstaan, hoewel hij ze moest doorstaan met twee poten meer. Ik probeerde te blijven staan, maar het geweld van de rivier en de duizelingwekkende paniek van de grote stortvloed noodzaakten mij om op te geven. Hij boog zich fel en dreigend over mij heen, en wierp mij beschamende beschimpingen toe. Ik vertrok niet voordat hij toestemming gaf, tot zover hield de hoge prijs van de roem mij bezig, en was mijn zwoegen niet zwaar met zo’n getuige. Want om de Oebalische werpring uit het zicht tot in de wolken te werpen, of de grepen te oefenen van het gladde worstelspel, en slagen uit te delen met de bokshandschoenen waren sport en rust voor mij. Noch moest ik harder zwoegen dan wanneer ik met de ganzenveer klinkende snaren moest bespelen, of over de wonderbaarlijke roem van helden van vroeger moest vertellen.’

IIb; 160-169
‘Hij leerde mij ook over de sappen en gewassen die te hulp komen bij een ziekte, welke middelen betrouwbaar zijn om een bloeding te stelpen, wat iemand in slaap brengt, welk middel gapende wonden sluit. Welke ziekte met een operatie genezen moet worden, welke zwicht voor kruiden. En hij plantte de bevelen van goddelijke rechtvaardigheid diep in mijn hart, waarbij hij gewend was om eerbare wetten aan de stammen die op de Pelion woonden op te stellen, en zo zijn eigen tweevormige volk regels oplegde. Zoveel herinner ik mij, vrienden, over de opleiding van mijn eerste jaren, en hun herinnering is zoet. De rest weet mijn moeder.

Hier eindigt het onvoltooide verhaal.

© 2018 Maarten Hendriksz