Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Statius - Het verhaal van Thebe

Bron:theoi.com

Statius, Thebaid. Translated by Mozley, J.H. Loeb Classical Library Volumes. Cambridge, MA, Harvard University Press; London, William Heinemann Ltd. 1928. Naar het Nederlands vertaald door Maarten Hendriksz 2015.

1. Verbanning van Polynices en Tydeus

Inleiding

1; 1-45
Mijn geest staat in brand met Piëriaans vuur om over de broederstrijd te vertellen, de met goddeloze haat gevoerde strijd over een afwisselende heerschappij, en het schuldige verhaal van Thebe. Waar moet ik, o godinnen, van u beginnen? – Zal ik zingen over de oorsprong van het verschrikkelijke ras, de Sidonische verkrachting en de onverbiddelijke voorwaarden van Agenor’s wetten, en Cadmus’ zoektocht over de grote zee? Het verhaal gaat ver terug, zal ik vertellen over de bange boer en de steelse oorlog, strijd zaaiend in een onheilige bodem, tot het uiterste zoekend, vertellen met welk lied Amphion de Tyrische bergen opdracht gaf om zich te verplaatsen en muren om een stad te vormen, vanwaar Dionysus’ pijnlijke woede zich tegen zijn verwanten richtte; welke plannen de felle Hera smeedde; tegen wie de ongelukkige Athamas zijn boog opnam, en waarom zijn moeder met Palaemon in haar armen niet de moed verloor om in de uitgestrekte Ionische Zee te springen. Nee, ik zal liever hier en nu lijden over de zorgen en vreugden die Cadmus heeft ondergaan: laat het veelbewogen huis van Oedipus de grens zijn voor mijn lied, want ik durf het nog niet aan om te spreken over de vaandels van Italië en de overwinningen in het Noorden, over de Rijn die tweemaal onder ons juk werd gebracht en de Ister twee keer onderworpen was aan onze wetten en de Daciërs neergeworpen werden van hun samenzwerende berg, of hoe in die tijd van naderende volwassenheid Zeus door het lot gedwongen was om aan te vallen, en van u, Roem die werd gekoppeld aan de Latijnse naam, die er snel in slaagde om uw vaders laatste heldendaden waar Rome eeuwig naar verlangde te evenaren. Ja, hoewel een nauwere band de sterren bindt, en het stralende kwartier van de hemel dat niets van de Plejaden weet of Boreas of de verscheurende bliksems die u verleidden, hoewel hij die de viervoetige paarden in toom houdt met zijn eigen hand de verheven uitstraling van zijn kroon op uw hoofd zet, of Zeus die u een gelijk deel van de grote hemel schonk, en zich tevreden stelde met de heerschappij over mensen, U heer van aarde en zee, en sterrenbeelden aan de hemel schenkt . Er zal een tijd komen wanneer ik door Piëriaanse razernij aangemoedigd uw daden zal vertellen: nu tokkel ik slechts op mijn harp om te zingen over de Aonische wapens en de scepter die fataal werd voor beide tirannen; over hun niet door de dood belemmerde waanzin en de verdeelde strijd der vlammen op de begrafenisbrandstapels; van koninklijke lijken die niet werden begraven en steden die werden uitgeput door onderlinge slachtingen, toen het donkerblauwe water van Dirce rood kleurde van Lernaans bloed, en Thetis verbijsterd bij de Ismenus stond, eens gewend om te grazen langs droge rivierbanken, stroomafwaarts vloeiend met enorme stapels gesneuvelden. Welke held maakt u als eerste tot mijn thema, O Clio? Tydeus, ongecontroleerd in zijn woede? De kloof die plotseling gaapte voor de met laurier bekranste profeet? Ook de Radeloze Hippomedon, zijn riviervijand afstotend met lijken, eisen mijn lied, en moet ik weeklagen over de dappere Arcadiër en zijn oorlogen, en met een nog onstuimiger spanning over het lot van Capaneus.

De vloek van Oedipus

1; 46-87
Oedipus had met wrekende hand zijn zondige ogen al blind gemaakt en was door schaamtevolle schuld omgeven met een eeuwige nacht, verkerend in een lange en levende dood. Maar terwijl hij zijn duisternis omarmde in de uiterste beslotenheid van zijn huis, in zijn geheime kamer verblijvend die de zonnestralen en de hemel niet aanschouwde, zweefde toch het felle daglicht van zijn geest met onvermoeibare vleugels om hem heen, en overvielen de Wrekende Geesten diens hart vanwege zijn misdaad. Toen toonde hij de hemel zijn lege oogkassen, de wrede, deerniswekkende bestraffing van zijn leven, sloeg met bloedbevlekte handen op de holle aarde , en sprak met verbitterde woorden dit gebed: ‘Goden die heersen over de schuldige zielen en samen met de verdoemden in de Tartarus leven, en u, O Styx, die ik aanschouw, afgrijselijk in uw schaduwrijke diepten, en u Tisiphone, zo vaak het onderwerp van mijn gebeden, wees mij nu goedgezind, en steun mijn onnatuurlijke wens: als ik ooit enige genade verdiend heb; als u mij aan uw boezem koesterde toen ik uit mijn moeders schoot geboren werd, en de wonden van mijn doorstoken voeten heelde; toen ik het meer van Cirrha bezocht waar het waait tussen de toppen van het gebergte , waar ik tevreden met de valse Polybus geleefd kon hebben, op de Phocische engte bij het kruispunt van drie wegen waar ik de oude koning ontmoette en het hoofd van de bevende sufferd spleet, op zoek naar mijn ware vader; toen ik door mijn heldere verstand de raadsels van de wrede Sphinx oploste; toen ik de zoete extase en fatale vereniging van mijn moeders bed kende, en vele onheilige nachten doorbracht, en zoons voor u verwekte, zoals u goed weet, maar snel, naar straf hongerend, mijzelf geweld aandeed met scheurende vingers en mijn ogen bij mijn ellendige moeder achterliet – hoor me tot het eind aan, als mijn gebed waardig is en u mijn zwervende hart bovendien wilt inspireren. Blind als ik was en van mijn troon verdreven, probeerden mijn zoons, ongeacht in welk bed zij verwekt zijn, mij niet te begeleiden of te troosten in mijn verdriet; ja, hooghartig (ah, dat gekmakende knagen!) verheven tot het koningschap terwijl ik feitelijk dood was, bespotten zij mijn blindheid en verafschuwden het gekreun van hun vader. Houden zij mij ook voor vervloekt? En de vader van de goden kijkt toe, en doet niets? Komt u tenminste, mijn ware verdedigster, hierheen, en start het werk van de wraak dat hun zaad voor eeuwig zal wegvagen! Teken op uw hoofd de met bloed bevlekte cirkel die mijn bloedige nagels trokken, gaat u, geïnspireerd door hun vaders vloek, tussen de broers staan, en klief met het zwaard de familiebanden doormidden. Schenk mij, gij koningin van Tartarus’ afgrond, schenk mij het kwaad datgene te zien dat mijn ziel verlangt, en de geest van de jeugd zal niet traag zijn om te volgen; komt u waardig aan uzelf, en u zult hen als ware zonen van mij leren kennen.’

Tisiphone gaat naar Thebe

1; 88-113
Zo bad hij, en de wrede godin draaide haar grimmige gezicht om hem aan te horen. Door toeval zat zij naast de sombere Cocytus, en had de slangen van haar hoofd losgemaakt en liet ze drinken van het zwavelhoudende water. Onmiddellijk, sneller dan het vuur van Zeus of vallende sterren sprong ze op van de sombere oever: de menigte schimmen maakte ruimte voor haar, bang om hun koningin te ontmoeten; toen, reizend door de schaduwen en de velden die donker waren van de horde geesten, haastte zij zich naar de poort van Taenarum, wiens drempel niemand mag oversteken en opnieuw terugkeren . Dag voelde haar aanwezigheid, Nacht plaatste zich tussen haar zwarte wolk en deed zijn glanzende paarden schrikken; in de verte huiverde de torenhoge Atlas en verschoof het gewicht van de hemel op zijn trillende schouders. Onverwijld opstijgend uit Malea’s dal vloog ze via de welbekende weg naar Thebe: voor geen enkele andere boodschap ging zij sneller heen en terug, want de verwante Tartarus was haar zeer dierbaar. Een honderdtal gehoornde slangen verhieven zich van haar beschaduwde gezicht, de verschrikkelijke menigte op haar vreselijke hoofd; in haar diep weggezonken ogen gloeide de kleur van ijzer, net als Thessalische spreuken de barende Phoebe wolken rood laten kleuren. Overgoten met gif, zwol haar huid op en groeide haar verderf; een vurige nevel kwam uit haar kwade mond, die de mensheid een onlesbare dorst en ziekte en hongersnood en universele dood bracht. Van haar schouders viel een grimmige en griezelige mantel, waarvan de donkere punten bijeenkwamen voor haar borst: Atropus en Persephone zelf maakten deze nieuwe mantel voor haar. Toen schudde zij haar handen in woede, de één gloeiend met een begrafenistoorts, de ander in de lucht zwiepend met een levende waterslang.

1; 114-122
Ze stopte, waar de steile hoogten van de hoge Cithaeron oprijzen om de hemel te ontmoeten, en liet van haar groene haren een herhaald fel sissen horen, een teken voor het land, waarna de hele kust van de Achaeaanse Golf en het rijk van Pelops van heinde en verre echoënden. Ook Parnassus halverwege de hemel hoorde het, en de woelige Eurotas; door het geluid wiegde en wankelde de Oete, en de Isthmus weerstond aan beide zijden ternauwernood de golven. Met eigen handen rukte zijn moeder Palaemon weg van de gebogen rug van zijn zwervende dolfijn en drukte hem tegen haar boezem.

Ruzie tussen Polynices en Eteocles

1; 123-163
Toen wierp de Erinye, op de Cadmeaanse torens neerstrijkend, direct haar gebruikelijke somberheid over het huis: ontzetting viel over de verontruste harten van de broers en zij werden bezield door de waanzin van hun ras, en afgunst die klaagt over het geluk van de ander, en haat kwekende angst; en de felle liefde voor macht, en schending van het wederzijdse verbond, en ambitie die geen tweede plaats duld, de dierbare vreugde van allenheerschappij, en tweedracht die samengaat met gedeelde heerschappij. Zo zou een boer graag twee uit de woeste kudde gepikte ossen onder het juk spannen, maar zij trekken verontwaardigd tegengesteld – want het veelvuldig gebruikte ploegijzer had de gewelfde nekken nog niet eerder naar de pezige schouders getrokken – en met goed afgestemde kracht breken zij het tuig en vernietigen de voren door hun verschillende sporen: niets anders dan razende tweedracht maakte de trotse broers woedend. Er werd een regeringsbesluit overeengekomen om ballingschap elk jaar te ruilen voor heerschappij. Door een met tegenzin erkende wet hoopten zij hun geluk te beproeven, opdat de nieuwe pretendent ooit verbittert zou raken vanwege de snel aflopende termijn van de koning. Geen enkele andere band hield de broers bijeen, dit was hun enige belemmering om de wapens te grijpen, en toch was hun bestemming niet om een tweede regeerperiode mee te maken. Toen straalden de plafonds nog niet met dikke platen van geel goud, noch droegen Grieks gehouwen hoogverheven zuilen de enorme hallen waar de grote massa kopers zich vrij kon bewegen; speren hielden niet de wacht over de onrustige slaap van de vorst, schildwachten kreunden niet bij de terugkerende plicht van wachtlopen; ze dachten er niet aan om edelstenen aan de wijnbeker te bevestigen, noch om voedsel met goud te bezoedelen; Slecht voor pure kracht bewapenden de broers zich, een hongerlijdend rijk was hun doel van de strijd. En terwijl zij ruzieden wie van de twee Dirce’s karige smerige velden zal ploegen, of zich in ballingschap beroepen op de lage Tyrische troon, worden de wetten van God en de mensen gebroken, gerechtigheid vergaat, evenals eer tijdens leven en dood. Helaas! Ongelukkige twee! Welke grenzen stellen jullie aan je woede? Wat als het de verste grenzen van de hemel waren die jullie zo goddeloos uitdaagden, waar de zon op uitkijkt wanneer hij in de oostelijke poort opkomt en wanneer hij daalt in zijn Iberische haven, of de landen die hij van verre raakt met brede schuin neervallende stralen, landen die de Noordenwind bevriest of de vochtige Zuidenwind verwarmt met zijn vurige adem? Ja, ook al waren de rijkdommen van Phrygië en Tyre als prijs verzameld! Een land van verschrikking en een godgevloekte stad volstaan om je haat op te wekken, en de waanzin van de hel was de prijs om op de stoel van Oedipus te zitten.

Polynices verbannen uit Thebe

1; 164-196
En door het gevaar uit het oog te verliezen zag Polynices nu zijn regeerperiode uitgesteld. Hoe trots was die dag voor u, wrede tiran, toen u alleen en onbetwist in uw paleis zat en u alle macht aanschouwde. Alle andere mensen uw onderdanen, en alle hoofden bogen onder uw heerschappij! Toch waart er al een gemopper onder het Echionische volk rond, het volk voert in stilte de strijd met hun prins, en, zoals de gewoonte is van een massa, houden zij van de eiser. En onder hen was er één, wiens voornaamste doel het was om met lage en venijnige toespraken te kwetsen en nooit het juk van de heersers onderdanig te dragen, die zei: ‘Is dit het lot dat de harde Lotsgodinnen in gedachten hebben voor ons Ogygische land, zo vaak degenen wisselend die we moeten vrezen, en onzekere trouw te schenken aan een afwisselende heerschappij? Van de ene in de andere hand werpen zij het lot van mensen en hun eigen overeenkomst maakt het Fortuin grillig. Moet ik telkens prinsen dienen die op hun beurt in ballingschap gaan? Is dit uw wens en doel voor uw verwante rijk, grote Heer van de hemel en de aarde? Heeft de oude voorspelling nog steeds macht in het verschiet voor Thebe, omdat Cadmus, opdracht kreeg om vergeefs de Carpatische Zee af te zoeken naar de lieftallige last van de Sidonische stier, een koninkrijk in ballingschap vond in de Hyantische velden, en in de gaping van de zwangere aarde de oorlog van broers naliet als eeuwig voorteken voor zijn nageslacht? Zie hoe de tiran, ontdaan van zijn medebroeder, feller rechtop staat met dreigende wenkbrauwen! Met dreiging in zijn ogen, hoe aanmatigend zijn trots! Zal deze man ooit buigen onderworpen aan rang? Maar de andere hoorde vriendelijk onze gebeden aan, voorkomend in spraak, en meer geduldig met het recht. Welk een wonder? Hij was niet alleen. We zijn inderdaad een waardeloze menigte, klaar voor elke kans, op bevel van elke heer, wie hij ook maar is! Als de zeilen hier voor de koude Noordenwind zwichten en daar voor de bewolkte Oostenwind, en het lot van de vaartuigen aan het wankelen is – helaas! Voor het wrede, ondraaglijke lot van volken, verscheurd door twijfel en angst! – Zo beveelt nu de een en dreigt de ander.’

Het oordeel van Zeus

1; 197-247
Maar nu zijn het Hoge Gerechtshof en de gekozen Raad van de Goden in opdracht van Zeus bijeen in de grootse zalen van de draaiende hemel, in de diepste diepten van de hemel. Het bestaan van de hele wereld is daar ver van verwijderd, de woningen in het oosten en het westen, de aarde en de zee uitgespreid onder de oneindige hemel. Verheven boven allen beweegt de Koning die hen laat beven, met een sereen gezicht, en neemt zijn plaats in op zijn sterrentroon: maar zij durven nog niet te gaan zitten, de hemelingen, totdat de Vader het met rustige hand toestaat. Vervolgens bevolkt een menigte van zwervende Halfgoden en Rivieren, van dezelfde familie als de hoge wolken, en Winden, hun luidruchtigheid bedwongen door angst, de gouden hallen. De overkoepelende gewelven van de hemel glanzen van majesteit, de hoogten gloeien met een volmaakte straling, en een niet aards licht straalt uit de poorten. Toen er stilte bevolen werd en de hemelse kring stil viel, begon hij van zijn verheven troon – de heilige woorden riepen onveranderlijk gezag en macht op, en het Lot wachtte op zijn stem: ‘Ik klaag over Aarde’s zonden, en de geest van een Mens die geen Wrekende Geesten kunnen verzadigen. Moet ik eeuwig bezig zijn om de goddelozen te straffen? Ik ben het moe mijn woede te luchten met bliksems, sinds lange tijd falen de drukke armen van de Cyclopen, en de vuren kwijnen die de Aeolische aambeelden dienen. Ja, ik had last van de paarden van de Zon die vrijuit draafden met hun valse menner, en de hemel die brandde door hun draaiende wielen en de aarde bezoedeld werd met as die eens Phaëthon was geweest. Maar niets hielp, zelfs niet toen u, broer, met uw sterke speer de zee groots het verboden land liet overstromen. Nu daal ik af om straf over twee huizen te brengen, waarvan ik zelf een voorouder ben. De een stamt af van Perseaanse Argos, de ander stroomt van zijn bron tot het Aonische Thebe. In hen allen wonen de geërfde karakters: wie kent de bloedschuld van Cadmus niet en de schare Erinyen die zo vaak zijn opgeroepen uit de diepten van de onderwereld, de onheilige vreugden en razernij van de moeders die door de bossen zwierven, en de verwijten van de goden die door stilte bedekt moesten worden? De perioden van de dag of voorbijgaande nacht zouden me zelden baten om de goddeloze daden van het ras op te sommen. Nee, deze onnatuurlijke erfgenaam heeft het zelfs gewaagd om het bed van zijn vader in te stappen en de schoot van zijn onschuldige moeder te bezoedelen, terugkerend (O! Verschrikking!) naar zijn eigen oorsprong. Toch heeft hij eeuwig boete gedaan voor de goden hierboven, door zich het licht uit zijn ogen te ontnemen, of zich nog te voeden aan de lucht van de hemel; maar zijn zoons (een onuitsprekelijke daad) trapten op zijn ogen toen zij vielen. Nu, nu worden uw gebeden vervuld, verschrikkelijke oude man! Je verdient het, ja, verdient het in uw blindheid te vertrouwen op Zeus als uw wreker. Nieuwe conflicten zal ik op het schuldige rijk afsturen, en de hele tak van het dodelijke ras uitroeien. Laat het geschenk van Adrastus’ dochter en haar ellende voorspellende bruiloft me de zaden van oorlog verschaffen. Ook bij dit ras heb ik besloten om hen voor straf te geselen: want het bedrog van Tantalus heb ik nooit, noch de misdaad van het meedogenloze banket vergeten in de geheime overwegingen van mijn hart.’

Het antwoord van Hera

1; 248-282
Zo sprak de Almachtige Vader. Maar gekwetst door zijn woorden en een plotseling opkomende woede in haar hart voedend gaf Hera aldus antwoord: ‘Ik ben het dus, rechtvaardigste van alle goden, die je opdracht geeft om de oorlog te laten ontbranden? Want je weet hoe ik altijd hulp verleen aan de mensen en macht aan de torens van de Cyclopen en de wereldberoemde scepter van de grote Phoroneus, hoewel jij daar onbarmhartig de wachter van de Phariaanse vaars in slaap liet vallen en doodde, ai, en binnentrad in de afgesloten torens als een gouden regen . Verzwegen uitspattingen vergeef ik je: de stad waar jij onverbloemd naar toe gaat haat ik, waar jij de donder laat klinken die onze hoge vereniging verkondigen, en de bliksems hanteert die van mij zijn. Laat Thebe boeten voor haar misdaden; maar waarom kies je Argos als haar vijand? Nee, als een dergelijke tweespalt onze heilige huwelijkskamer heeft bereikt, ga dan, maak Sparta gelijk met de grond, breng de vernietigende oorlog over Samos en het oude Mycene. Waarom wordt overal het altaar van uw echtgenote verwarmd door offerbloed of geurt het door grote hoeveelheden oosterse wierook? De rook die opstijgt van de votieve altaren van Mareotisch Coptos is zoeter of van de jammerende massa en bronzen gongs langs de rivier Nijl. Maar als vanwege slechte daden van vroegere mensen die mensheid nu moeten boeten, en deze oplossing zo laat is opgekomen om je woede te dienen, om je blik terug te werpen naar de dagen van weleer, op welk ver toneel van de tijd volstaat het om de dwaasheid van de aarde te verjagen en de terugreikende eeuwen te zuiveren? Kies terstond voor jouw begin de plek waar de Alpheüs van verre met door zee zwervende golven stroomt over het spoor van zijn Sicaniaanse liefde. Hier op deze vervloekte grond bouwden de Arcadiërs voor u een heiligdom – maar je schaamt je er niet voor – hier staat Oenomaus’ strijdwagen en de paarden die beter passend zijn gestald onder de Getische Haemus , ja zelfs de afgehakte hoofden en verminkte lijken van de vrijers liggen er strak en onbegraven toch geniet je hier de eer van een verwelkomende tempel, ja, en schuldig Ida behaagt u, en Kreta die valselijk over je dood praat. Waarom misgun je mij dan te verblijven in het land van Tantalus? Richt de ellende van de oorlog ergens anders op, en hem medelijden met je eigen bloed. Je hebt zelf een groot en goddeloos rijk, dat beter kan lijden onder de misdaden van je zondigende zoons.’

Zeus’ reactie

1; 283-302
Hera was klaar met haar smeekbede en verwijten. Maar hij antwoordde niet met harde woorden, hoewel de strekking wreed was: ‘Ik dacht echt niet dat je alles wat ik bedacht met welwillende geest zou verduren, ofschoon rechtvaardig, tegen jouw Argos, het ontsnapte evenmin aan mijn aandacht dat, als de gelegenheid zich voordoet, Dionysus en Dione, het zouden durven om lang te pleiten voor de zaak van Thebe, daar eerbied voor mijn autoriteit dat verbied. Want bij dit vreselijke water, mijn broers Stygische stroom, zweer ik – een blijvende en onherroepelijke eed, - dat niets mijn eed zal doen veranderen! Daarom, mijn Cylleniër , ga met gevleugelde snelheid die de winden welke je dragen overtreft, glijdend door de heldere lucht naar het donkere rijk om deze boodschap aan mijn oom te vertellen: Laat de oude Laïus zich naar de bovenwereld begeven, Laïus, wiens zoons leven werd weggeblazen en die door de degelijke wet van Erebus vervolgens de oever van de Lethe niet heeft bereikt; laat hem mijn opdrachten naar zijn hatelijke kleinzoon overbrengen: Zijn broer, bij wie ballingschap vertrouwen heeft gebracht en zijn Argivische vriendschap een opschepperige trots, laat hem ondanks zijn verwantschap uit de buurt van zijn zalen blijven – waarnaar hij zo erg naar verlangde – en onthoud hem de plaatsvervangende eer van de kroon. Zo zullen kwade daden worden opgeroepen, en de rest zal ik op gepaste wijze leiden.’

Hermes op weg

1; 303-311
Gehoorzaam aan de opdracht van zijn vader bond de kleinzoon van Atlas onmiddellijk de gevleugelde sandalen aan zijn voeten, en bedekte met een grote kap zijn lokken die de schittering van de sterren temperde. Toen nam hij in zijn linkerhand de staf waarmee hij gewend was de zoete slaap op te roepen of te verdrijven, waarmee hij de poorten van de sombere Tartarus binnenging of dode zielen terugriep naar het leven. Vervolgens sprong hij naar beneden, en huiverde toen de kille lucht hem ontving; zonder oponthoud, vloog hij in de leegte met grote snelheid in de hoogte, en tekende een machtige kromme lijn op de wolken.

Polynices de banneling

1; 312-335
Ondertussen doorkruiste de zoon van Oedipus, lange tijd een zwervende banneling uit het land van zijn vader, heimelijk de verlaten gebieden van Aonië. Hij piekerde over het verloren rijk dat rechtmatig van hem was, en schreeuwde dat het lange jaar bewegingloos leek binnen de traag bewegende sterrenbeelden. Eén telkens terugkerende gedachte hield hem dag en nacht bezig, hoe kon hij ooit zijn broer van de troon verstoten, en met alle bijbehorende macht zelf heerser van Thebe worden; een mensenleven zou een koopje zijn voor die dag. Nu klaagde hij dat verbanning slechts het doorbrengen van tijd in ledigheid was, maar snel daarna kwam de drang van prinselijke trots opzetten, en fantaseerde hij dat zijn broer al verdreven was en hij zelf trots in zijn plaats regeerde; gemelijke hoop hield zijn geest bezig, en met verreikende gebeden vroeg hij alles wat zijn hart begeerde. Toen besloot hij bij het ondergaan van de zon om onverschrokken naar de Inachiaanse steden te reizen en de gebieden van Danaüs en het duistere Mycene , of het nu de Erinyen waren die zijn voeten leidden, of toeval zijn richting bepaalde, of de oproep van het onweerstaanbare Lot. Hij verliet de Ogygische velden die weerklonken met een uitzinnig gehuil, en de heuvels die diep van het Bacchanantenbloed van dronken , toen passeerde hij het gebied waar de lange Cithaeron langzaam afdaalt naar de vlakte en zijn vermoeide hoogte bukt naar de zee. Met een duizelingwekkende klim gaat hij daarna over een rotspad en liet Sciron’s beruchte klippen en Scylla’s land achter zich waar de purperen vorst regeerde , en vriendelijk Corinthe, en in het midden van de vlakte hoorde hij de twee kusten weerklinken.

1; 336-363
Maar nadat hij het brede gebied dat Phoebus, zijn dagtaak beëindigd, kaal had achtergelaten, rees de Titaanse koningin, omhoog in een stille wereld, en koelde de ijle lucht af met haar bedauwde wagen; vogels en beesten zijn nu kalm, Slaap bekruipt de hebzuchtige zorgen der mensen, neigt en wenkt vanuit de hemel, eens te meer een moeizaam leven verhullend in zoete vergetelheid. Roodkleurende wolken geven nog geen belofte af van het terugkerende licht van de zon, noch deed de glanzende schemering de schaduwen korten met lange zuilen van zon reflecterende straling; zwarte nacht, nog zwarter in de buurt van de aarde en niet beroerd door een straal, lag als een sluier over de ploeg. De rotsachtige gevangenissen van Aeolië worden nu getroffen en kreunen, en de komende storm dreigt met een hees gebrul: de winden treffen elkaar luid bulderend in tegengestelde richtingen, en slingeren het ruime hemelgewelf uit haar vaste steunpunten, terwijl elk streeft naar heerschappij in de hemel; maar de gewelddadige Notus neemt nu met wervelende draaikolken van duisternis toe tot een aanzwellende somberheid, en laat regen neerstromen die de vinnige Boreas met zijn bevriezende adem verandert in hagel; sidderende bliksems gloeien, en uit de botsende lucht schiet plotseling vuur. Nemea en de hoge pieken van Arcadië die grenzen aan de bossen van Taenarum zijn doorweekt; Inachus stroomt met een machtige vloed, en Erasinus zwelt aan tot ijzige golven. Rivieren die daarvoor nog kalme stoffige karresporen waren tarten nu elke belemmering op de beknottende oevers, Lerna stoot vanuit haar diepste diepten haar oude gif omhoog. Alle bossen zijn versplinterd, oude takken worden door de storm weggevaagd, en de beschaduwde zomerjacht van Lycaeüs, daarvoor nog nooit door enige zon aanschouwd, is nu onverholen zichtbaar.

Aankomst bij het paleis van Adrastus

1; 364-389
Toch gaat hij, verwonderd kijkend naar de rotsen die neergeworpen worden van de gespleten bergen, in doodsangst luisterend naar de hoog ontspringende bergbeken die neerstorten uit de heuvels, en de woeste vloed die het huis van de herder en stallen der dieren wegspoelt, zijn tempo niet vertragend, hoewel radeloos en onzeker over zijn weg, door de duistere stilte de eenzame afstand van zijn pad verslindend; aan alle kanten overvalt angst en de gedachte over zijn broer zijn hart. En net als een zeeman, op zee door een storm overvallen, waarvoor de luie Grote Beer of Maan zich nooit met vriendelijke stralen tonen, zonder enige hulp midden tussen het tumult van de hemel en de zee zweeft, nu ook de verraderlijke riffen ondergedompeld onder de golven verwacht, of grillig door zee beschuimde rotsen die zich op zijn boeg werpen om hem hoog in de lucht te werpen: zo doorkliefde de Cadmeaanse held de duisternis van de bossen met snelle stappen, terwijl hij met een groot schild de holen van de angstaanjagende beesten trotseert en voorover bukkend vertrouwt op het dichte struikgewas; angst’s sombere invloed voegde prikkelingen toe aan zijn wil, totdat in de hoogte de stad van Inachus, de duisternis veroverend met stralen van licht die neervielen op de houten muren, de hoogte van Larissa straalde. Daar snelde hij door hoop aangegrepen heen, met Hera’s tempel van Prosymna hoog aan zijn linkerhand, en ginds het zwarte moeras van Lerna’s water dat door Heracles’ vuur was gebrandmerkt, en werden de poorten uiteindelijk geopend waarna hij naar binnen ging. Onmiddellijk bespiede hij de koninklijke poorten; daar viel hij neer met zijn door regen en wind verstijfde ledematen, en leunde tegen de onbekende paleisdeuren die een zachte sluimering voor zijn harde bed waren.

1; 390-400
Daar regeerde koning Adrastus, die tussen middelbare leeftijd en bejaardheid verkeerde, met kalmte over zijn volk, bogend op rijke voorouders, die van beide kanten tot Zeus te herleiden waren. Hij had geen afstammelingen van het sterke geslacht, maar was welvarend met vrouwelijke nakomelingen: twee dochters gaven hem de zekerheid van liefde en verzorging. Op verzoek van het lot had Phoebus hem verteld dat er schoonzoons naderden – een verschrikking om te vertellen! Maar binnenkort zou de waarheid duidelijk worden – in de gedaante van een borstelig zwijn en een geelbruine leeuw. De vader begrijpt er niets van tijdens al zijn overpeinzingen, noch u, wijze Amphiaraüs, omdat uw meester Apollo het verbied. Alleen het hart van de vader worstelt met diepgevoelde angst.

Polynices treft Tydeus

1; 401-447
Maar zie! Oleniaanse Tydeus die het oude Calydon op bevel van het lot had verlaten – schuldige vrees vanwege het bloed van een broer drijft hem voort – dezelfde woeste wegen bewandelend onder de sluier van de nacht, op dezelfde wijze jammerend over wind en regen, en met ijs bedekte rug, gezicht en haren blootgesteld aan de woeste wind, arriveert bij dezelfde schuilplaats, waarvan de eerstgenoemde vreemdeling, uitgestrekt op de grond, een deel had ingenomen. Daarop gebeurde het dat beiden werden aangegrepen door een bloedige woede, en niet samen een dak deelden om de nacht door te brengen; want zij wisselden enige tijd dreigende woorden, zij slingerden beschimpingen heen en weer tot hun woede het kookpunt had bereikt, beiden gingen staan, maakten hun schouders vrij, en daagden elkaar uit tot de strijd. De Thebaan was groter, met grote stappen en een sterk lichaam in de kracht van zijn leven, maar toch was Tydeus in kracht en geest geen haartje minder, en hoewel zijn lichaam kleiner was overheerste dapperheid in elk lichaamsdeel. Toen vielen zij fel op elkaar aan en deelden menige slag op gezicht en voorhoofd uit, als een stortvloed pijlen of Rhipaeaanse hagel, en rosten met gebogen been op holle lendenen. Net als tijdens het festival van de Pisaeaanse Donderaar dat om de vijf jaar wordt gehouden, wanneer alles stof en hitte is en ruw zweet van mannen, terwijl ginds de rivaliserende gunsten van het publiek aandringt op jeugdige jongelingen, en de moeders, uitgesloten van het schouwspel, op de prijzen van hun zoons wachten: zo vielen zij met pure haat die hen aanspoorde, en niet aangestoken door hang naar roem, op elkaar aan, en de scherpe nagels drongen diep door in hun gezichten en zochten hun weg naar zwichtende ogen. Misschien – zo woest was hun woede – hadden zij hun zwaarden ontbloot die aan hun zijden hingen, en was u gesneuveld, o Thebaanse jongeling, het slachtoffer van een vijand’s wapenen – veel beter zo – de tranen van een broer als beloning verdienend, als niet de koning, verbaasd over het ongewone spektakel van lawaai en hevig diepgeslaakt gekreun, daarheen was gelopen: leeftijd en last van somberheid hadden hem een onrustige slaap bezorgd. En toen hij door zijn hoge zalen liep begeleid door een reeks toortsen zag hij, nadat de grendels waren weggeschoven, op zijn drempel een schouwspel te verschrikkelijk om te vertellen, verscheurde gezichten en kaken misvormd met stromen bloed: ‘Vanwaar deze woede, vreemde jongelingen?’ riep hij, ‘want geen enkele burger van mij zou zo’n geweld durven te gebruiken; vanwaar dit onverzoenlijke verlangen om je haat de rustige stilte van de nacht te laten verstoren? Heeft de dag zo weinig ruimte, of is het smartelijk om aan slapeloosheid te lijden, al is het maar even, en aan vrede van de geest? Maar vertel me, van wie zijn jullie zoons, waar zijn jullie naar toe onderweg, en wat is de oorzaak van jullie twist? Laagheid van ziel kan het niet zijn – deze woede bewijst dat – ondanks het bloedvergieten zijn de tekenen van een trots ras duidelijk zichtbaar.’

Adrastus haalt de kemphanen uit elkaar

1; 448-481
Hij was nauwelijks gesproken, toen zij met getemperd kabaal en zijdelingse blikken samen begonnen: ‘Achaeaanse prins! Zeer barmhartige vorst! Wat zouden wij moeten vertellen? U ziet zelf dit bebloede gezicht’- hun woorden gingen verloren in de verwarde klanken van bittere accenten. Toen nam Tydeus als eerste het woord en vertelde zijn verhaal: ‘Geleid door mijn ongelukkige lot verliet ik het rijke Calydon, voeder van monsters, en de Achaeaanse velden: en zie! Binnen uw grenzen haalde de donkere nacht mij in. Wie is hij om mij een schuilplaats te verbieden tegen de hemel? Of was het omdat hij als eerste deze drempel innam? Maar tweeslachtige Centauren staan samen in één stal, zo wordt gezegd, en Cyclopen gaan in vrede met elkaar om onder de Etna; ja zelfs aan wilde monsters heeft de natuur wetten en eigen regels van het recht gegeven; en voor ons om een leger op de grond te delen. – Maar waarom woorden verspillen? Hetzij u, wie u ook wezen mag, zult vandaag verheugd over mijn buit vertrekken, of, tenzij de stijgende pijn mijn bloed trager laat stromen, u zult mij leren kennen als een telg uit Oeneus’ machtige familie en geen ontaarde telg van mijn voorvader Ares!’ ‘Evenmin ontbreekt het mij aan geestkracht of ras’ antwoordde de ander, maar in zijn hart bewust van het meedogenloze lot aarzelde hij om de naam van zijn vader te noemen. Toen zei de goedaardige Adrastus: ‘Nee kom nu, stop met die dreigende taal welke door de nacht of plotselinge woede worden ingegeven, en treed binnen onder mijn paleisdak. Geef elkaar uw rechterhand om de belofte van uw harten samen te smeden. Deze handeling zal niet ijdel zijn noch zonder de goedkeuring van de krachten in de hemel: misschien werpen deze boze ruzies zelfs wel de schaduwen van een komende vriendschap vooruit, waardoor je er met plezier aan zult terugdenken.’ De woorden van de oude man waren geen lege voorspelling, want ze zeggen dat uit hun kameraadschap in wonden zo’n loyaliteit voortkwam zoals Theseus die betoonde toen hij de meest extreme gevaren deelde met de wellustige Pirithoüs , of Pylades toen hij de radeloze Orestes redde van de woede van Megaera . Dus, in hun woeste harten toegevend aan de rustgevende woorden van de koning – zoals water dat winden tot hun strijdtoneel hebben gemaakt tot rust komt, en in de nog druipende zeilen een overblijvende bries verlangt om te sterven – net zo onderdanig gingen zij het paleis binnen.

Adrastus herkent de voortekens

1; 482-509
Hier had hij voor het eerst even de tijd om zijn blikken over de kleding van de helden te laten glijden en hun machtige wapens. Op de rug van Polynices ontdekte hij een gevilde leeuw, wild met ongekamde haren, zoals die ene die de zoon van Amphitryon in zijn jongensjaren in de Teumessiaanse open velden had gedood en zich met de huid had bekleed, voor de strijd met het monster van Cleonae . Om Tydeus’ brede schouders hing de trotse buit van Calydon, grimmig met borstels en gebogen slagtanden, die spanden zich in om hem te omarmen. De koning stond ontzet en onbeweeglijk door dit verschrikkelijke voorteken, zich de goddelijke orakels van Phoebus in de geest roepend en de waarschuwingen die door de geïnspireerde priester waren uitgesproken. Zijn gezicht was bevroren in een ijswekkende stilte, terwijl er door zijn lichaam een trilling van vreugde gierde; hij voelde dat zij waren gekomen, geleid op heldere aanmoediging van de hemel, die profetische Apollo in raadselachtige onduidelijkheden had voorspeld om zijn schoonzoons te worden, onder het geveinsde voorkomen van beesten. Toen strekte hij zijn handen uit naar de sterren, ‘O Nacht,’ riep hij, ‘wie wierp uw mantel over de zwoegende aarde en hemel, en zond de vurige sterren op hun diverse zwervende omlopen, genadige hersteller van de geest, voordat de volgende zon blij opveert en schijnt over de zwakke sterfelijkheid, bracht u mij, vriendelijke Nacht, met uw gave de lang gezochte zekerheid in verbijstering en twijfel, en onthulde het oude doel van het lot: steun nu mijn werk, en verklaar de voortekens die u mij gegeven hebt. Dit huis zal u gedurende een periode van vele jaren hoog vereren en aanbidden; zwarte stieren van een prachtige schoonheid zullen u geofferd worden, O godin! En Hephaistus’ vuur zal hun begeerlijke ingewanden eten, waarover de nieuwe melk zal vloeien. Heil, oude waarheid van de mystieke Drievoet! Heil, geheime spelonk, O Tyche, de goden zijn inderdaad goden!’

Een welkomstmaal

1; 510-524
Nadat hij dit gezegd had, sloeg hij zijn armen om beide mannen heen en ging de centrale kamer van zijn woning binnen. De vuren sluimerden nog op de grijze as van de altaren, en de uitgegoten offerandes van het offer waren nog warm; hij gebood dat de vlammen weer werden aangewakkerd en een laat maal werd opgediend. Zijn bedienden gehoorzaamden met ijverige haast aan zijn bevel: veelvuldig tumult echode in het paleis. Sommigen dosten de banken uit met kostbaar paars en ritselend borduurwerk van goud en stapelden de kussens hoog op, sommigen wreven de tafels glad en zetten die op hun plaats: anderen waren bezig om de duisternis van de sombere nacht te verdrijven door rijen vergulde lantaarns neer te zetten; sommigen hadden de taak om het bloedeloze vlees van gedode beesten te roosteren, anderen stampten graan fijn op een steen en stapelden het brood in manden; Adrastus verheugde zich hoe zijn huis gloeide van gehoorzame dienstbaarheid.

1; 525-532
En hijzelf, hoog verheven op de trotse kussens van een ivoren troon, straalde luisterrijk; elders rustten de jongemannen, hun wonden helend met reinigend water, en schonken wederzijds vergeving toen zij elkaars gehavende gezichten zagen. Toen liet de oude koning Acaste roepen – zijn dochters’ verzorgster en vertrouwde voogdes, uitgekozen om de maagdelijkheid van de meisjes te bewaken tot aan het wettige huwelijk – en mompelde zachtjes in haar oren.

1; 533-556
Ze treuzelde niet om zijn bevel uit te voeren, en direct kwamen beide meisjes tevoorschijn uit hun geheime kamer, hun gezichten, prachtig om te vertellen, leken op die van de pijlendragende Artemis en de strijdster Athena, maar zonder hun angstwekkendheid. Zij keken steels naar de gezichten van de helden en waren beschaamd; plotselinge bleekheid en een blos verwoeste hun lichtgekleurde wangen, en hun vreesachtige ogen zochten opnieuw hun geëerde vader. Toen na de maaltijd de honger was gestild, beval de zoon van Iasus , zoals zijn gewoonte was, zijn slaven een gouden beker met cijfers en stralend van goud te brengen, waaruit zowel Danaüs en oudere Phoroneus gewoon waren om plengoffers aan de goden te brengen. Daarop waren afbeeldingen in reliëf te zien: allen van goud, een gevleugelde jongeman hield het afgehakte hoofd met de slangentressen van de Gorgo vast, en zelfs op dat het moment – zo leek het – sprong het op in de wervelende wind; ze leek haar zware ogen en neerhangende hoofd te bewegen, en werd zelfs bleek in het levende goud. Hier is de Phrygische jager geboren op geelbruine veren, Gargarus’ keten zinkt weg in de diepte als hij opstijgt en Troje onder hem vaag wordt; verdrietig blijven zijn kameraden achter, de honden vermoeien tevergeefs hun kelen met blaffen en achtervolgen zijn schaduw of blaffen tegen de wolken. Hieruit schenkt hij de vloeiende wijn en roept gelijktijdig alle bewoners van de hemel aan, Phoebus als eerste; Phoebus’ aanwezigheid roepen allen aan met lof, versierd met eerbiedige mirte, vrienden en slaven gelijk, bij zijn altaar; want ter ere van hem hebben zij vrij, en de altaren, verfrist met overdadige wierook, gloeien door kransen van rook.

Psamathe en Apollo

1; 557-595
‘Misschien vraagt u zich af, o jongemannen,’ zo zegt de vorst, ‘wat dit offer betekent, en om welke reden wij Phoebus deze eredienst betonen. Aangespoord door geen onbekende angst, maar onder druk van een verschrikkelijk onheil, waarom het volk van Argos dit offer eerder uitvoerde. Leen mij uw oor, en ik zal het verhaal vertellen. Toen de god dat donkere en kronkelende monster had verslagen, de aardgeboren Python, die over Delphi zijn zevenvoudige gruwelijke windingen wierp en met zijn schubben de oude eik tot poeder verpulverde, zelfs terwijl hij bij Castalia’s bron spartelend gaapte met drietongige mond dorstte hij zich te voeden met dodelijk vergif: nadat hij met talloze pijlen wonden had aangebracht liet hij hem achter, volledig in de dood uitgestrekt over honderd are van de Cirrhaeaanse bodem, toen, boetedoening zoekend voor de dode, kwam hij bij het nederige huis van onze koning Crotopus. Een dochter , in de eerste jaren van tedere volwassenheid, wonderbaarlijk mooi, woonde in dit vrome huis, een kuise maagd. Hoe gelukkig zou ze zijn geweest, als ze het rendez-vous met de Deliaan nooit geheim gehouden had, of een gestolen liefde had gedeeld met Phoebus! Want ze leed onder het geweld van de god bij de rivier van Nemea, en toen Cynthia twee keer vijf maal haar cirkels volledig had doorlopen, baarde ze een kind, Leto’s kleinzoon, helder als een ster. Straf vrezend – want haar vader zou nooit een gedwongen huwelijk vergeven – koos ze voor de onbegaanbare wildernis, en gaf haar kind tussen de schaapskooien stiekem weg aan een in de bergen rondzwervende herder om te verzorgen. Geen bed waardig aan een zo edele geboorte, ongelukkig kind, was de grasrijke grond voor je, of je van eikentakken gevlochten huis; gewikkeld in de vezels van Arbutusschors werd je lichaam warm, en een holle pijp haalde je over tot een zachte slaap, terwijl de kudde je slaapplek deelde. Maar zelfs zo’n huis stonden de Lotsgodinnen niet toe, want, terwijl hij op een dag met open mond weerloos lag te drinken, verminkten wilde verscheurende honden de baby en vraten zich vol met bloederige kaken. Maar toen dit bericht de oren van de met afgrijzen geslagen oren van de moeder bereikte, werden vader en schaamte en angst allemaal vergeten; zij vulde het huis terstond met een wild weeklagen, iedereen was radeloos, en vertelde haar vader met ontblote borst het verhaal van haar verdriet. Hij is niet aangedaan, maar gelast haar – Oh verschrikkelijk! Zelfs terwijl zij hem smeekt, een grimmige dood te ondergaan.

De wraak van Apollo

1; 596-626
‘Te laat werd uw vereniging herinnerd, O Phoebus, u bedacht een troost voor haar ellendige lot, een monster dat zwanger werd in het hol van de Erinyen onder de diepe Acheron: ze heeft een meisjesgezicht en boezem, uit haar hoofd komt een eeuwig sissende slang omhoog, haar voorhoofd in tweeën delend. Toen scheurde dat valse kreng, ’s nachts met ongeziene bewegingen kamers in glijdend, van de borsten die hen zoogden nieuwgeboren levens weg, en stopte zich vol met bloedbevlekte tanden en mestte zich vet over het verdriet van het land. Maar Coroebus, beroemd om zijn bekwaamheid met de wapens en zijn grote moed, duldde dit niet, en met uitgekozen jongemannen, onovertroffen in dapperheid en klaar om met gevaar voor eigen leven hun roem te verhogen, vertrok hij, een gewillig kampioen. Zij ging van zojuist geteisterde woningen, waarvan de toegangsweg uitkwam op twee wegen, de lijkjes van twee baby’s hingen aan haar zijde, en nog steeds klauwden haar gehaakte klauwen aan hun lichamen en de stalen nagels werden warm in hun jonge harten. Samen met zijn groep helden spoedde de jongeling zich om aan te vallen, en dreef zijn brede zwaard in haar wrede borst, en drong met flitsend staal diep in de op de loer liggende geest die uiteindelijk aan Zeus zijn monsterlijke nageslacht in de onderwereld werd teruggegeven. Wat een plezier om te gaan en van dichtbij de ogen die razend in de dood zijn te zien, de gruwelijke kwestie van haar schoot, en haar borsten die bekleed waren met smerige corruptheid, waardoor onze baby’s hun leven verloren! De Inachiaanse jeugd is ontsteld, en hun vreugde, hoewel hun grote verdriet nu is geëindigd, is zwak en bleek. Met scherpe staken verminken zij het dode lichaam – ijdele troost voor hun verdriet – en slaan de scherpe gekartelde tanden uit haar kaken: ze kunnen – maar zijn niet in staat hun woede te verzadigen. Hier vielen jullie hongerig, jullie vogels, rondcirkelend met nachtelijk lawaai, en verscheurende honden, zegt men, en wolven verscheurend op haar aan, met droge bekken.’

1; 627-660
‘Maar opnieuw kwam de ongelukkige jeugd van de Delianen woedend in opstand tegen de ondergang van zijn gedode wreekster, en zittend op de beschaduwde top van de tweepiekige Parnassus dreef hij hen wreed uiteen met meedogenloze pijlen die de pest brachten, en vernietigde onder een mistig doodskleed de velden en woningen van de Cyclopen . Plezierig leven kwijnt weg en faalt, Dood snijdt met zijn zwaard de draden van de Zusters door, en jaagt de getroffen stad naar de schaduwen. Onze leider vraagt vervolgens wat de oorzaak kan zijn, wat dit onheilspellende vuur uit de hemel betekent, waarom Sirius het hele jaar door regeert, het orakel van dezelfde god Paean geeft opdracht, om de jongemannen die haar dood veroorzaakten aan het bloedbevlekte monster te offeren. O dappere hemelgezegenden! O moeite die het waard is om eeuwige tijd roem te verdienen! Jij verborg je gewijde daad niet met vuige lafhartigheid, of schuwde in angst een zekere dood! Schaamteloos stond hij op de drempel van Cirrha’s tempel, en gaf uiting aan zijn woede met de volgende woorden: ‘Door niemand gestuurd, noch een smekeling, O Thymbraeaan , benader ik uw heiligdom: naar behoren en bewust van mijn recht hebben mijn voeten deze weg afgelegd. Ik ben degene, O Apollo, die uw dodelijke plaag het leven benam, ik ben degene die u, meedogenloze, zoekt met giftige wolken, en het licht van de dag bezoedelt, en het zwarte bederf van een onheilspellende hemel. Maar als razende monsters zo dierbaar aan de goden hierboven zijn, en de vernietiging van de mensheid een goedkoper verlies voor de wereld, en de hemel zo streng en meedogenloos is, waarmee hebben de Argivers gezondigd? Mijn leven, alleen mijn leven, meest rechtvaardige van de goden, moet geofferd worden aan de Lotsgodinnen! Of is het rustgevender voor uw hart dat u verlaten boerderijen ziet, en het landschap oplicht door brandende daken van boeren? Maar vertraag ik de wapens van uw macht door te spreken? Onze moeders staan te wachten, en de laatste gebeden worden voor mij uitgesproken. Genoeg: ik heb verdiend dat u genadeloos bent. Pak uw pijlenkoker, span uw klinkende boog, en stuur een edele ziel naar de dood! Maar, terwijl ik sterf, verdrijf de mistrok die hoog boven Inachiaans Argos hangt.’

Adrastus ondervraagt Polynices

1; 661-672
‘Billijkheid heeft respect voor eerzaamheid. Ontzag voor de dood hield Leto’s opvliegende zoon in bedwang, waardoor hij de held het trieste geschenk van het leven gunde; de dodelijke wolken vlogen verspreid weg uit onze hemel, terwijl jij, je gebed verhoort, vertrok bij de deur van de verwonderde Phoebus. Sindsdien herdenken we tijdens een plechtig feestmaal jaarlijks het aangewezen offer, en verzoenen de tempel van Phoebus met een terugkerend festival. Uit welke familie stam je, door welk lot ben je geleid naar onze altaren? Hoewel, als mijn oren het goed hebben geluisterd naar je geschreeuw, is Oeneus van Calydon je vader, uit de heerschappij van het huis van Parthaon . Maar u, onthul wie u bent die naar ons in Argos is gekomen, omdat nu het uur is aangebroken om afwisselende gesprekken te voeren.’

1; 673-680
Onmiddellijk boog de Ismeniaanse held zijn trieste hoofd naar de grond, en wierp de gewonde Tydeus een stille blik toe; toen sprak hij na een lange pauze: ‘Op dit tijdstip dat gewijd is aan de hemel is het niet gepast om te vragen naar mijn geboorte of land of bloedlijn; het is moeilijk om de waarheid te bekennen temidden van de heilige riten. Maar als u echt mijn ongelukkige verhaal wilt weten, Cadmus was de voorouder van mijn vader, mijn land Mavortiaans Thebe, mijn moeder is Iocasta.’

1; 681-695
Toen werd Adrastus tot vriendelijk mededogen bewogen – want hij herkende hem – en zei: ‘Waarom verbergen wat we al gehoord hebben? We kennen het verhaal, hoewel het Gerucht niet zo ver reist van Mycene. Ja, van die heerschappij, en de gekte, en de ogen die schaamte kennen door te zien, zelfs hij heeft gehoord wie beefde onder de Arctische zon, en hij die dronk van de Ganges, of naar het donkerste weten van de Oceaan zeilde, en zij die de wisselende kustlijn van Syrte misliepen. Stop met weeklagen, of te vertellen over de ellende van je vader: ook in ons huis zijn er vele gevallen van plichtsverzuim gebeurd, maar in het verleden gemaakte fouten binden het nageslacht niet. Alleen jij, in tegenstelling tot zij, wint deze beloning gesteund door het fortuin, om je te verlossen van je verwanten. De ijzige voerman van de Hyperboreaanse Beer kwijnt loom weg, met schuin achteroverstaande dissel. Giet je wijn over de altaren, en zing met ons een gebed, opnieuw en opnieuw, tot de zoon van Leto, de redder van onze vaderen!’

Aanroeping van Apollo

1; 696-720
‘Phoebus, Heer! Of de kreupelbosjes van Patara of Lycië’s besneeuwde hooglanden u nu druk bezig houden , of ervan geniet om uw gouden haren te baden in de Castalië’s pure dauw, of als heer van Thymbraeus woont in Troje, waar men vertelt dat u vrijwillig Phrygische stenen ondankbaar op uw schouders droeg , of dat Letonische Cynthus u vermaakt, zijn schaduw op de Egeïsche golven werpend, en Delos, vast verankerd in de diepte, stop met zoeken, - van u zijn de pijlen en het spannen van bogen tegen de woeste vijand in de verte; aan u verleende hemelse ouders de eeuwige bloei van uw gezicht; u bent vaardig om het wrede handwerk van de Lotsgodinnen te voorspellen, en de bestemming die erna komt, en Zeus geniet met veel plezier, welke pest of oorlog er over de mensen zal komen, welke wisseling van scepters de kometen brengen; u hebt de Phrygiër onderworpen aan de lier, en ter ere van uw moeder ligt de aardgeboren Tityus uitgestrekt op het Stygische zand; de door angst bevangen groene Python en de Thebaanse moeder zagen u zegevieren met uw pijlenkoker, om uw grimmig te wreken op Megaera die de hongerende Phlegyas vasthield, die eeuwig onder de spelonkrijke rotsen ligt, en hem martelt met een onheilig feest, maar een gemengde afkeer verslaat zijn honger: wees aanwezig om ons te helpen, bewust van onze gastvrijheid, en bescherm de velden van Hera met de zegeningen van uw liefde, het is rechtvaardig om u de rozekleurige Titaan te noemen, naar de gewoonte van het Achaeaanse ras, of de brenger van de oogst Osiris, of Mithras, die zich in een stenen Perseaanse grot inspant met de onwillig volgende hoorns.’

@ 2018 Maarten Hendriksz