Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Tryphiodorus - De Vernietiging van Ilium

Bron: theoi.com

Oppian, Colluthus and Tryphiodorus. Translated by Mair, A. W. Loeb Classical Library Volume 219. London: William Heinemann Ltd, 1928. Naar het Nederlands vertaald door Maarten Hendriksz 2012.

Aanroep van de Muze

1-5
Het lang uitgestelde einde van de moeizame oorlog en de list, zelfs het paard dat werd gevormd naar de Argivische Athene, ijlde zich naar mij toe om u te vertellen, o Calliope, met een stortvloed aan woorden; beslis nu ook, over die oude strijd van mensen, de oorlog die ten einde liep, met een snel lied.

Gebeurtenissen in het laatste jaar

6-16
Het tiende jaar rolde voort en het gezwoeg in de oorlog was een sleur geworden, onverzadigbaar aan bloed, voor zowel Trojanen als Danaërs. Vanwege het doden van mannen waren speren vermoeid geraakt, de dreiging van zwaarden gestorven, het gerammel van borstplaten uitgeblust en de opgerolde stof van schilddragende schouderriemen gescheurd en vergaan; het schild weerstond niet langer het gesuis van speren, de boog was ontspannen, de snelle pijlen waren in verval geraakt. En de paarden – enigszins terzijde bij de luierende troggen, beweenden met droevig neerhangende hoofden, hun medepaarden, terwijl sommigen rouwden om hun omgekomen wagenmenners.

17-39
De zoon van Peleus en zijn dode kameraad waren begraven: de oude Nestor rouwde boven het lichaam van zijn jonge zoon Antilochus: Ajax had door een zelf toegebrachte wond zijn lichaam laten ontspannen, het zwaard van zijn vijand in een vloed van waanzinnig bloed onderdompelend . De Trojanen, jammerend over het beschamende rondslepen van Hector, leden niet alleen vanwege hun eigen pijn, maar kreunend over de ellende van mannen met een vreemde taal beweenden zij op hun beurt ook de vele buitenlandse bondgenoten. De Lyciërs weenden over Sarpedon die zijn moeder, gloriërend in het bed van Zeus, naar Troje had gestuurd; maar hij was gesneuveld door de speer van Patroclus, zoon van Menoetius, en werd door zijn vader beweend met een nevel die tranen van bloed uitstortte. De Thraciërs jammerden om Rhesus die in de bedrieglijke nacht werd geketend door een kwade slaap. En vanwege het lot van Memnon liet zijn moeder, Eos, een wolk in de lucht verschijnen om het licht van die schaamtevolle dag te verduisteren. De vrouwen van de Thermodon die geliefd werden door Ares, slaand op hun onrijpe, niet gezoogde rondingen van hun borsten, treurden over het krijgshaftige meisje Penthesilea, die naar de dans van de oorlog kwam, die oorlog met vele gasten, en met haar vrouwenhand de mannenmenigte terugjoeg naar hun schepen aan het strand; alleen Achilles weerstond haar met zijn essenhouten speer, doodde en beroofde haar, en schonk haar een begrafenis.

40-56
En nog steeds stond Ilium overeind, vanwege haar door goden gebouwde torens, gebouwd op onwrikbare funderingen, en door het langdurige uitstel wrokten de mannen van Achaea. Athena, onvermoeibaar als ze was, zou zich van haar laatste werk hebben teruggetrokken waardoor al haar inspanningen vergeefs zouden zijn geweest, als de ziener zich niet had afgekeerd van de bruidstelende begeerte van Deïphobus, en van Ilium als gast naar de Danaërs was gekomen, en, aan Menelaüs een gunst verlenend voor zijn gezwoeg, de laat vervulde ondergang voorspelde van zijn eigen vaderland. En na de voorspelling van de jaloerse Helenus begonnen zij onmiddellijk aan de voorbereidingen van hun lange gezwoeg. Van Scyrus, de stad van mooie meisjes verlatend, kwam ook de zoon van Achilles en de verheven Deïdamia; die, hoewel zijn kaken nog niet waren bedekt met het dons van de mannelijkheid, de dapperheid van zijn vader tentoonspreidde, jonge krijger als hij was. Ook Athena kwam met haar heilige beeltenis naar de Danaërs; prooi van de oorlog maar een steun voor haar vrienden.

Het houten paard

57-102
Nu, op advies van de godin maakte haar dienaar Epeius ook het beeld dat de vijand van Troje was, het reusachtige paard. Bomen werden omgehakt en van de Ida naar de vlakte gebracht, net zoals toen Phereclus de schepen voor Paris bouwde die het begin van de ellende waren. Aangebracht op de breedste zijden maakte hij een holle buik, in afmetingen gelijk aan een gebogen schip dat de timmerman bouwt. De nek bevestigde hij aan de borst en bezaaide de paarsomzoomde manen met geel goud; de manen, wapperend aan de gebogen nek, werden met gekuifde ringen aan het hoofd bevestigd. In twee cirkels maakte hij de edelsteenachtige ogen van zeegroen beril en bloedrood amethist: en door die vermenging flitste er een dubbele kleur; de ogen waren rood omringd door de groene edelstenen. In de mond plaatste hij een rij van gekartelde tanden, popelend om te kauwen op het mooigemaakte bit. En hij maakte geheime kanalen in de machtige mond om de mannen die zich er in verstopten te kunnen laten ademen, en door de neus stroomde de levenbrengende adem. Aan de bovenkant van het hoofd werden oren bevestigd, rechtop, altijd alert om het geluid van de trompet op te vangen. Rug en flanken verbond hij aaneen met een soepele ruggengraat, en voegde een heupgewricht toe aan de gladde heup. De vloeiende staart hing tot aan de hoeven, net zoals de wijnstok met ineengevlochten bloesem neerhangt. En de hoeven die bewogen met de gevlekte knieën – net alsof die op het punt stonden om aan een razendsnelle race te beginnen, zo gretig leken zij, maar gedwongen waren om af te wachten. Aan de hoeven die onder aan de benen zaten ontbrak geen brons, maar waren met schildpadschilden bekleed en die sterke bronzen hoeven raakten nauwelijks de grond. Hij plaatste daar ook een gebarricadeerde deur in en maakte een ladder: onzichtbaar, aan de zijkanten vastgemaakt, zodat de Achaeaanse groep van het beroemde paard zich aan weerskanten kon bewegen; en de ander, opgevouwen en stevig in elkaar gezet, die een mogelijkheid bood waarlangs zij naar boven en beneden konden snellen. Voorts omgordde hij de witte nek en kaken van het paard met paarse riemen van bloemen en de kronkelende spiralen van het beteugelende hoofdstel werden ingelegd met ivoor en zilverstralend brons. En nadat hij heel dat oorlogszuchtige paard af had, maakte hij wielen onder elke hoef waardoor het, wanneer het over de vlakte werd gesleept, zou gehoorzamen aan de teugels, en niet moeizaam zou bewegen vanwege de inspanning der handen.

103-119
Zo straalde het paard van verschrikking en grote schoonheid, breed en hoog; Zelfs Ares, heer van de paarden, zou niet weigeren om er op te rijden, als hij het levend had aangetroffen. Er werd een grote muur rondom opgericht, zodat geen van de Achaeërs het op voorhand zou zien en de valstrik kon onthullen. Naast het schip van Agamemnon uit Mycene kwamen de koningen van de Achaeërs bijeen om te beraadslagen, de herrie en de opschudding van het opwindende paard vermijdend. De onstuimige Athena nam toen de gedaante van een goedgestemde heraut aan en ging naast Odysseus staan om hem te adviseren, de stem van de man smerend met honingzoete nectar. En, zijn gedachten tollend door de goddelijke raad, stond daar eerst als een man met weinig verstand die zijn ogen op de grond gericht hield; maar plotseling opende hij zijn mond en stroomden de woorden uit zijn mond met een verschrikkelijk gedonder, en stortte, als uit een luchtige bron, een grote stroom van honing druipende sneeuw uit.

De oproep van Odysseus

120-131
‘O vrienden, nu is de geheime hinderlaag gereed, niet door menselijke handen maar op aanraden van Athena. Jullie die het meeste op de kracht van je handen vertrouwen, volg mij van harte met een dappere geest en geestdriftig gemoed; want het is niet gepast om hier lange tijd te moeten verblijven en oud te worden zonder ons doel te bereiken. We kunnen beter, terwijl we nog leven, iets doen dat waardig is om bezongen te worden in een lied, of door de bloedige dood ontsnappen aan het schaamtevolle verwijt van lafheid. Wij hebben betere vooruitzichten – als jullie de mus niet zijn vergeten en de oude slang en de mooie plataan en de moeder die verslonden werd met haar snel gedode jongen, en haar tedere nestelingen.’

132-138
‘En zoals de oude Calchas met zijn voorspelling de dag van de overwinning heeft uitgesteld, zo roept de profetie van Helenus, de vreemde ziener, ons nu op naar een snelle overwinning. Luister daarom naar mij en laten we ons met grote moed naar de buik van het paard begeven, zodat de Trojanen ons Ilium in zullen voeren door de slinkse list van de onverschrokken godin, een zelf aangegrepen noodlot, hun eigen noodlot omarmend.’

139-151
‘Laat alle anderen de achtertrossen van de schepen losgooien en de gevlochten tenten in brand steken, verlaat de naargeestige kust van Ilium’s land, doe net of iedereen op weg naar huis gaat, tot het uur dat jullie, verzameld in de aangrenzende baai, een baken in de nacht zien, ingespannen uitkijkend vanaf je mooie ankerplaats, het teken om terug te zeilen. Laat er dan geen aarzeling zijn onder de voortspoedende roeiers of een andere wolk van angst, zoals nachten die brengen om de menselijke geest te verlammen. Laat elke clan dan aan zijn vroegere dapperheid denken, en laat geen enkele man dan zijn faam te schande maken, opdat iedereen een compensatie zal krijgen voor zijn dapperheid en gezwoeg.’

De bemanning van het paard

152-183
Zo sprak hij, hen voorgaand in de raad. En Neoptolemus volgde als eerste zijn advies op, net als een veulen dat over de bedauwde vlakte rent, triomferend in zijn nieuwe tuig en zo zweep en bedreigingen van zijn menner ontloopt. En na Neoptolemus stond Diomedes op, de zoon van Tydeus, zich net zo verbaasd als vroeger over Achilles. Ook Cyanippus volgde, die Comaetho, dochter van een knappe vader, net als Tydeus, in een kort huwelijk baarde aan de schilddragende Aegialeus wiens noodlot snel kwam. Ook Menelaüs stond op; hij werd gedreven door een hevige impuls om te strijden met Deïphobus, en zijn hardvochtige hart verlangde er hevig naar om hem te vinden die zijn bruid voor de tweede keer had geroofd. Na hem stond de Locrische Ajax op, de snelle zoon van Oileus, nog steeds verstandig van geest en nog niet vervuld van de wetteloze passie voor vrouwen. En hij spoorde een ander aan, Idomeneus, de grijze koning van de Kretenzers. En met hen ging de zoon van Nestor mee, de sterke Thrasymedes, en Teucer, de boogschietende zoon van Telamon. Na hen stond de zoon van Admetus op, Eumelus van de vele paarden. Na hen haastte de ziener Calchas zich naar voren, zich bewust dat de Achaeërs hun moeilijke werk uiteindelijk zouden volvoeren en naar de stad van Troje onderweg gingen. Ook bleef Eurypylus, zoon van Evaemon, niet achter, zich van de strijd kerend, en de mooie Leonteus, en Demophon en Acamas, de twee zoons van Theseus, en Anticlus, zoon van Ortyx – die daar stierf waarna de Achaeërs hem beweenden en begroeven in het paard; en Peneleus en Meges en de dappere Antiphates, en Iphidamas en Eurydamas, nakomelingen van Pelias, en Amphidamas, gewapend met een boog. Als laatste stapte Epeius in het voorwerp van roemrijk vakmanschap dat hij zelf had gemaakt.

184-208
Daarna baden zij tot de grijsogige dochter van Zeus en spoedden zich naar het vaartuig van hun paard. En Athena mengde ambrosia en bracht hen dat voedsel van de goden om te eten, opdat zij de lange tijd in die hinderlaag geen last zouden krijgen van hun knieën en geplaagd zouden worden door een onplezierige honger. En net zoals wanneer stormvoetige wolken de sneeuw vanwege de vorst in de lucht laat bevriezen en velden besprenkelt en daarna de dooi een grote stroom laat ontstaan; en wilde beesten, in elkaar gedoken voor het geraas van de in de bergen geboren rivier, wanneer deze in een hels tumult snel neerstort van een rots, zich terugtrekken in de beschutting van hun lege hol en het geweld met bibberende flanken zwijgend doorstaan, en, bitter uitgehongerd, verdrietig en geduldig wachten op het einde van de regen: net zo zaten de onvermoeibare Achaeërs in het vormgegeven hout en verdroegen zwoegend hun lijden. En Odysseus, de trouwe bewaker van de onverwachtse list, sloot de deur van het zwangere paard, en ging zelf als gids in de kop zitten; en er ontging niets aan de verlangende ogen. En de zoon van Atreus gaf opdracht aan zijn bedienden om met mooigevormde houwelen de stenen muur om te halen waarachter het paard verborgen was. Hij wilde dat het zichtbaar zou zijn, vanuit de verte stralend, en zo de boodschap van haar pracht zou sturen naar alle mensen. En op bevel van hun koning lagen zij het bloot.

De val klapt dicht

209-234
Maar toen de zon, de schaduwrijke nacht der mensen voortduwend, de verstralende Dageraad tot de duisternis liet wenden, klonken overal verspreid de stemmen van herauten, die mensen opdracht gaven om te vertrekken en hun mooigevormde schepen in de zee te laten en de trossen los te gooien. Met een enorm vuur van grenenhout waarin de hekken die om hun gerenommeerde tenten stonden verbrandden zeilden zij met hun schepen weg van de Rhoetische kust naar de haven van het overzee gelegen mooigekroonde Tenedos, het grijze water van Helle doorploegend, dochter van Athamas. Alleen Sinon bleef achter, de zoon van Aesimus, zijn lichaam vrijwillig getekend door striemen, een bedrieglijke held, die een verborgen list en verdriet voor de Trojanen verhulde. En net zoals wanneer jagers een net over de stokken gooien en zo een fijnmazige hinderlaag opzetten voor de beesten die over de heuvels zwerven, en één uit de anderen gekozen stiekem onder de dikke takken kruipt, een verborgen verspieder op jacht om de netten in de gaten te houden: op dezelfde wijze, zijn lichaam gemarkeerd met striemen, bedacht hij een afschuwelijke vernietiging voor Troje; en uit zijn wonden die met opzet waren gemaakt liep het bloed over zijn schouders. Heel die nacht woedden de vlammen over de tenten, rook boerend dat in draaikolken omhoog spiraalde, terwijl de luid brullende Hephaistus hen aanvuurde. Ja, en Hera , die licht aan de mensen schenkt, de moeder van het onsterfelijke vuur, blies er op en riep alle mogelijke winden op.

235-264
In de schaduw van de dageraad ging er onder de Trojanen en de vrouwen van Ilium een veelgehoord gerucht rond, dat de vlucht van de vijand werd aangekondigd door rooksignalen. Onmiddellijk verwijderden zij de grendels der poorten en haastten zich naar buiten, te voet en te paard, en stroomden over de vlakte uit, onderzoekend of dit een nieuwe list van de Danaërs was. En snelle muildieren die wagens trokken aansporend kwam koning Priamus en de andere ouderen van het volk uit de stad; en zij waren allen opgelucht, getroost door hun kinderen die door de bloedige Ares waren gespaard, een hoge leeftijd en vrijheid voorspellend: maar zij mochten zich niet lang verheugen, omdat Zeus dit zo wilde. Toen zij de stralende gedaante van het kunstig gevormde paard zagen, drongen zij er bewonderend om heen, net zoals de klapwiekend kauwen het uitkrijsen wanneer zij de dappere adelaar zien. Verbijstering en onzekerheid overvielen hen. Sommigen die vermoeid waren door de oorlog hadden direct een hekel aan het paard, omdat dit het werk van de Achaeërs was, en wilden het in een diepe afgrond werpen of het vernietigen met tweesnijdende bijlen. Maar anderen, die vertrouwden op dit nieuw gepolijste kunstwerk, geboden dit oorlogszuchtige paard te wijden aan de onsterfelijken, om een gedenkteken te zijn aan de oorlog in latere dagen. En terwijl zij discussieerden, verscheen voor hen, zijn bont en blauw geslagen lichaam voortslepend over de vlakte, een naakte man in zorgelijke staat. De bloederige striemen op zijn lichaam toonden de verwoestende sporen van de snelle zweep. Onmiddellijk kroop hij aan de voeten van Priamus, en raakte diens oude knieën aan met smekelingenhanden; en smeekte de oude man om zijn sluw gesponnen verhaal te vertellen:

265-282
‘Gescepterde koning, zoon van Dardanus, zie hier de tochtgenoot van de Argivers, als u medelijden met me hebt, en bevrijder van de Trojanen en hun stad, als u me wilt redden, de laatste vijand van de Achaeërs: zie hoe boosaardig zij mij behandeld hebben die niets verkeerd heeft gedaan, geen acht slaand op de goden, kwaad en onvriendelijk als altijd. Op dezelfde manier beroofden zij Achilles, zoon van Peleus, van zijn beloningen en lieten zij Philoctetes achter, gekluisterd door de beet van een waterslang, en doodden zij uit woede Palamedes. En kijk wat zij mijn nu hebben aangedaan in hun boze dwaasheid, omdat ik niet met hen wilde vluchten, maar mijn kameraden smeekte om te blijven. Overweldigd door hun waanzinnige dwaasheid rukten zij mij de kleren van het lijf en verwondden mijn lichaam met afzichtelijke striemen waarna ze mij op een vreemde kust achterlieten. Maar, gezegende, u staat in hoog aanzien bij de majesteitelijke Zeus, de god van de smekelingen. Ik zal een plezier voor de Argivers zijn, wanneer u een smekeling en een vreemdeling laat omkomen in de handen van de Trojanen. Maar ik kan ook uw aller borg zijn waardoor u de terugkerende oorlog van de Achaeërs niet meer hoeft te vrezen.’

283-290
Zo sprak hij, en de oude man troostte hem met troostende stem: ‘Vreemdeling, het past u niet om nog langer bang te zijn omdat u onder de Trojanen bent; want u bent ontsnapt aan het onvriendelijke geweld van de Achaeërs. U zult altijd onze vriend zijn noch zult u verlangen naar uw vaderland of naar uw zalen met vele bezittingen. Maar kom, vertel me wat dit voor wonder is, het paard, een voorteken van onverzoenlijke terreur. Vertel me uw naam en afkomst en van waar de schepen u hier brachten.’

291-303
Toen vatte de held van vele listen moed en zei: ‘Deze zaken zal ik ook verklaren: u gebiedt iemand die alles geheel vrijwillig wil vertellen. Argos is mijn stad en de naam die aan mij werd gegeven is Sinon, en mijn grijsharige vader noemt men Aesimus; het beroemde paard werd door Epeius voor de Argivers gemaakt. Als u toestaat om het hier te laten staan, is besloten dat de speer van de Achaeërs Troje zal innemen; maar als Athena het als een heilig offer in haar tempel ontvangt, zullen zij wegvluchten van hun onvoltooide taak. Maar kom, werp er kettingen omheen en sleep het paard met de gouden teugels naar de grote Acropolis, en Athena, hoedster van deze stad, zal onze gids zijn, popelend om het gebeeldhouwde werk in ontvangst te nemen, zelfs zij!’

Het paard gaat de stad in

304-327
Zo sprak hij, en de koning gebood hem een mantel aan te nemen en die aan te trekken. Zij bevestigden lussen van ossenhuid aan het paard en trokken dat met goed ineengevlochten touwen over de vlakte, staande op zijn snelle wielen en vol aanvoerders; daarvoor lieten fluiten en lieren schrille liederen klinken. Ellendige generatie van achteloze stervelingen voor wie een mist, waar ze niet doorheen konden kijken, de toekomst omhulde. Vanwege een loos genot gingen vele mannen zonder het te weten op hun ondergang af: zelfs op dat moment kwam het ruïneuze lot van de Trojanen in opstand tijdens zijn reis naar de stad, terwijl niemand het onvergetelijke en hevige verdriet kende dat zij voorttrokken. Bloemen verzamelend bij de bedauwde rivier hingen zij slingers om de nek van hun moordenaar. De aarde kreunde verschrikkelijk onder druk van de bronzen wielen, en de assen van ijzer, knarsend in de lagers, kreunden met een hardvochtig geluid. De knopen van de ineengevlochten touwen kraakten en uit die strakgespannen en kronkelende ketting kwam een hete rook omhoog. Als zij trokken, klonk er een luid rumoer en gesnoef. De schaduwrijke Ida met haar door Nimfen bewoonde eiken kreunde: het wervelende water van de Xanthus krijste, en de monding van de Simoïs ging hevig tekeer: in de hemel profeteerde de trompet van Zeus de oorlog die zij voorttrokken.

328-357
Maar zij trokken door; de lange weg was zwaar, terwijl zij in de ongelijke vlakte rivieren doorkruisten. Het schitterende paard volgde hen naar de door Ares geliefde altaren, buitengewoon roemvol; en ook Athena ging er naar toe, haar zware handen op de gebeeldhouwde dijen van het paard leggend. Zo ging het niet meer in te halen voort, sneller dan een pijl, de Trojanen met licht steigerende hoeven volgend, totdat de Dardaniërs de poorten bereikten. Tijdens de oorlog waren de poorten smaller gemaakt. Maar Hera maakte ze weer breder zodat het verder kon, de deuren wijd open zettend, terwijl Poseidon vanaf de torens met zijn drietand de poortomlijsting uiteendreef. En de Trojaanse vrouwen in de stad, sommigen hier, anderen daar, bruiden, ongetrouwde meisjes en moeders die ervaren waren met Eileithyia cirkelden rond het beeld met liederen en dansen. Anderen plukten de verse gave van de regen en strooiden een rood tapijt voor het houten pad. Sommigen maakten de zeepaars geweven gordels rond hun borsten los en hingen die om het paard met ingevlochten bloemenslingers. Weer anderen doorboorden de afdichting van een grote kruik en goten wijn vermengd met goud saffraan over de aarde uit waardoor een geurige modder ontstond. Het geschreeuw van de mannen werd gemengd met de kreten van vrouwen, het hoezee van jongens verenigde zich met oude mannenstemmen. En net als de bewoners van de rijke Oceaan, de bedienden van de winter, de in de lucht krijsende gelederen van kraanvogels, achter elkaar in een cirkel van de zwervende dans, hun kreten slaken die worden verafschuwd door de ploeger die het land bewerkt: op dezelfde manier voerden zij krijsend en met veel rumoer het paard hun Acropolis binnen.

Cassandra voorspelt de toekomst

358-375
En de godbegeesterde dochter van Priamus wilde niet langer in haar kamer blijven. De tralies kapot trekkend rende zij, als een onrustige vaars die door de angel van de oskwellende horzel is gestoken en razend wordt: die niet meer naar de kudde kijkt noch aan de herder gehoorzaamd of nog naar de wei smacht, maar geprikkeld door de scherpe punt buiten het bereik van de ossen rent: op dezelfde manier, haar geest in de war door de steken van profetische pijlen, het meisje schudde de heilige lauwerkrans en riep overal in de stad. Ze volgde geen ouders of vrienden, en meisjesschaamte verliet haar. De aangename fluit van Dionysus gaat niet zo wild in de heuvels tekeer tussen de Thracische vrouwen in het struikgewas: die, aangeraakt door de god, met wilde ogen rondblikken en hun blote hoofd versieren met donkere klimop. Zo ging Cassandra, met haar gevleugelde geest, godbegeesterd te keer; en, telkens opnieuw haren uitrukkend en op haar borst slaand, schreeuwde met waanzinnige stem:

376-397
‘O ellendige mensen! Waarom haasten jullie je zo bezeten, dit onvriendelijke paard voortslepend, naar jullie laatste nacht en het einde van de oorlog en de slaap die geen ontwaken kent? Deze oorlogszuchtige aftocht komt van de vijand. De barensnood in de dromen van arme Hecabe draagt nu vrucht. De lang uitgestelde jaren komen aan hun eind met de beslissing van de oorlog. Er komt een groep aanvoerders, dat het machtige paard zal uitbraken in de duistere nacht, gereed voor de strijd in hun stralende pantsers; de krijgers zullen een perfecte sprong naar de aarde maken en zich naar de strijd haasten. Vrouwen zullen het barende paard niet verlossen en de geboorte van mannen bijwonen, maar Zij die het vervaardigde zal zelf de Vroedvrouw zijn; Athena, verwoester van steden, verloskundige bij een droevige geboorte, zal zelf de zwangere buik verlossen en haar kreet roepen. Zie, er is nu een paarse zee van vergoten bloed binnen de torens gerold, een doodsgolf; over de handen van vrouwen, de gemeenschappelijke ondergang delend, zijn de huwelijksbanden ineen gevlochten: achter de houten planken loert een verborgen vuur. Helaas voor mij, helaas voor u, stad van mijn vaderen, binnenkort zult u tot stof vergaan: het handwerk van de onsterfelijken zal verdwijnen, de fundamenten van Laomedon zullen vervagen.’

398-415
‘En om u, mijn vader, en u, mijn moeder, huil ik als weet door welke zaken jullie beiden zullen lijden. U, mijn vader, zult jammerlijk gesneuveld naast het altaar van de machtige Zeus van het Recht liggen. Moeder van de beste kinderen, de goden zullen uw menselijke gedaante veranderen in een hond nadat u waanzinnig geworden bent vanwege uw kinderen. Mooie Polyxena , om jou die vlak bij je vaderland ligt zal ik maar weinig huilen: ik wilde dat iemand van de Argivers mij ook gedood had samen met je betreurde lot! Want wat heb ik nog aan dit leven, als dit me voor een uiterst zielige dood spaart, en een vreemde bodem mij zal bedekken? Dergelijke zaken staan mij te wachten en een dergelijk lot weeft mijn meesteres voor koning Agamemnon zelf, zijn beloning voor al zijn zwoegen. Maar let nu op – door lijden zullen jullie de waarheid van mijn woorden leren kennen – en verwijder, mijn vrienden, die wolk van blinde dwaasheid. Sla het lichaam van dat grote paard met bijlen aan stukken of verbrand het met vuur. Laat het, terwijl het sluwe personen verbergt, omkomen en groots worden betreurd door de Danaërs. Vier dan feest en begeef je naar de dans, stel mengvaten op ter ere van onze dierbare vrijheid.’

416-438
Zo sprak ze; maar niemand luisterde naar haar; want Apollo had haar in één keer tot een goede maar niet geloofwaardige profetes gemaakt . Haar vader sprak berispend tegen haar: ‘Welke slechte geest, profetes van het kwaad, heeft jou weer de steek van de horzel toegediend? Je probeert ons tevergeefs tegen te houden met je geblaf. Is je geest nog niet moe van die waanzinnige plaag, en heb jij je buik nog niet vol van dat onheilspellende geraaskal, jij komt geërgerd naar onze vrolijkheid, terwijl Zeus, de zoon van Cronus, de dag van onze vrijheid verlicht en de schepen van de Achaeërs uiteen heeft gejaagd? Niet langer wordt er met de lange speren gezwaaid, de bogen worden niet langer aangespannen, de zwaarden flitsen niet meer en de pijlen zwijgen. Ons wacht geen strijd meer maar dans en honingzoete muziek: de moeders jammeren niet meer boven hun kinderen, of stuurt de vrouw haar man naar de strijd en huilt, een weduwe, boven zijn lijk. Athena, hoedster van de stad, verwelkomt het paard dat is voortgetrokken. Maar jij, stoutmoedig meisje, haast je uit huis met valse voorspellingen en wild getier, zonden enig zinnig doel en vervuilt de heilige stad. Vertrek, onze zorgen zijn dans en vrolijkheid. Want er heerst geen verschrikking meer onderaan de muren van Troje, en wij hebben jouw profetische stem niet langer nodig.’

439-453
Dat zei hij, en verzocht het waanzinnige meisje weg te voeren, haar op te sluiten in haar kamer. Onwillig gehoorzaamde zij aan haar vader, en wierp zich huilend op haar bed, haar eigen lot kennend: ze nam het vuur al waar dat huishield op de muren van haar brandende vaderland. Maar de anderen bij de tempel van de godin Athena, beschermer van de stad, plaatsten het paard op een mooi gepolijste sokkel, en brandden mooie offers op smaakvolle altaren; maar de onsterfelijken weigerden hun ijdele offergaven. In de stad heerste feest en een tomeloze lust, lust die ontmand en door dronkenschap wordt opgewekt. Heel de stad was vervuld met dwaasheid en achteloosheid, en slechts een paar wachters bewaakten de poorten; het licht van de dag ging onder en de noodlottige nacht omwikkelde Ilium voor haar vernietiging.

Helena gaat naar het paard

454-462
Aphrodite van de vele raadgevingen, de gedaante van een oude vrouw aannemend, ging met sluwe opzet naar de Argivische Helena en sprak tegen haar met overtuigende stem: ‘Geachte vrouwe, uw dappere man Menelaüs roept u. Hij is in het houten paard verborgen, en om hem heen liggen de aanvoerders van de Achaeërs in hinderlaag, oorlogsvrijers vanwege u. Maar kom, geef niet langer om de oude Priamus of de andere Trojanen noch om Deïphobus. Want nu schenk ik u de veel verdurende Menelaüs.’

463-486
Zo sprak de godin en rende opnieuw weg, maar Helena, haar hart bedrogen door list, verliet haar geurige kamer, en haar man Deïphobus volgde haar. Terwijl ze voortging, keken de Trojaanse vrouwen met wapperende jurken naar haar. Nadat ze bij de hoge tempel van Athena aankwam, bleef ze daar staan en keek naar de vorm van het goed bemande paard. Ze liep er driemaal omheen en provoceerde de Argivers, met haar heldere stem alle mooi gekapte vrouwen van de Achaeërs noemend bij hun namen. Hun harten werden verscheurd van verdriet terwijl zij in stilte hun opgekropte tranen inhielden. Menelaüs kreunde toen hij de dochter van Tyndareus hoorde: de zoon van Tydeus weende toen hij zich Aegialia herinnerde: de naam van Penelope beroerde het hart van Odysseus: alleen Anticlus, gestoken door de naam van Laodamia, opende zijn mond en probeerde een antwoord te geven. Maar Odysseus sprong op en viel over hem heen met beide handen op zijn mond en weerhield hem ervan die open te doen, en, zijn mond in onbreekbare boeien houdend, hield hem meesterlijk vast. Hij kronkelde onder druk van diens handen, en probeerde aan de gigantische banden van moordende stilte te ontsnappen. De adem die mensen het leven schenkt verliet hem; de andere Achaeërs huilden om hem met stille tranen en verborgen hem in de holle flanken van het paard, en wierpen een deken over zijn kille lichaam.

487-496
De sluwe vrouw zou nu een andere Achaeër bedrogen hebben, als de felogige Athena haar niet vanuit de lucht zag en haar onder bedreigingen naar haar lieve tempel bracht, alleen voor haar zichtbaar, en ze stuurde haar weg met strenge stem: ‘Ellendelinge, tot hoever zullen jouw zonden je voeren en je passie voor een vreemd huwelijk met die dwaze verliefdheid van Aphrodite? Heb je dan nooit enig medelijden met je ex-man noch enig verlangen naar je dochter Hermione, en help je nog steeds de Trojanen? Trek je terug en ga naar de bovenste kamer in het huis en verwelkom de schepen van de Achaeërs met een vriendelijk vuur.’

De slachting

497-532
Zo sprak ze en verijdelde het vuige bedrog van de vrouw. Helena ging naar haar kamer, terwijl zij afzag van het dansen, uiterst vermoeid, en viel in slaap. De lier viel stil, de vermoeide fluiten lagen naast het mengvat, en menige beker viel uit de afhangende handen en liepen leeg. Vrede, de metgezel van de nacht, waarde in de stad rond; geen blaffende hond was te horen en er heerste een volmaakte stilte, de slachtbeluste strijd uitnodigend. Zeus, apotheker van de strijd, woog de vernietiging van de Trojanen af, en liet uiteindelijk net aan de Achaeërs zegevieren. Apollo trok zich terug uit Ilium naar zijn rijke heiligdom in Lycië, treurend over zijn machtige muren. Onmiddellijk toonde Sinon naast het graf van Achilles met een stralende fakkel zijn boodschap aan de Argivers. En heel de nacht toonde ook de blonde Helena vanuit haar kamer de gouden toorts aan haar vrienden. Net zoals de maan, vol grijs vuur, de glanzende hemel met haar gezicht verguldt: niet zoals ze, haar gepunte hoorns aanscherpend, voor de eerste keer verschijnt, opstijgend in de schaduwloze schemering van de maand, maar zoals wanneer ze, de gebogen stralen van haar ogen draaiend, de stralen van de zon naar zich toe trekt: op dezelfde wijze tilde de vrouw van Therapne in de straling haar wijnkleurige arm op, en stuurde het vriendelijk vuur. Toen zij de glans van het baken in de hoogte zagen, lieten de Argivers hun schepen snel terugkeren, en elke zeeman had haast, op zoek naar het einde van de lange oorlog. Het waren gelijktijdig zeelieden en stoere krijgers en spoorden elkaar aan om te roeien. Zo kwamen de schepen, sneller dan de snelste winden, met gehoorzame spoed naar Ilium met de hulp van Poseidon. Daar gingen de voetsoldaten naar het front, terwijl de ruiters achterbleven, opdat de paarden het volk van Troje niet zouden wekken met hun luide gehinnik.

533-558
En de anderen vlogen uit de buik van het paard, gewapende prinsen, als bijen uit een eik: die, nadat zij in de grote korf gewerkt hebben, de zoete honingraat met gewiekste kunst wevend, uit hun gewelfde nest naar de weide stormen om de passerende reizigers met hun steken kwellen: op dezelfde wijze maakten de Danaërs de grendels van hun geheime hinderlaag los en sprongen op de Trojanen af en, terwijl zij nog sliepen, hulden hen in kwade dromen van een harde dood. De aarde zwom in het bloed, en een niet aflatend gekrijs steeg uit de vluchtende Trojanen op, heilig Ilium was vol met vallende lijken, terwijl de anderen met moordend tumult overal huishielden, als dwaze leeuwen, de straten overbruggend met nieuwe dode lichamen. De Trojaanse vrouwen hoorden het van de daken en een aantal van hen, nog steeds verlangend naar de geliefde vrijheid, bood hun nek aan hun ellendige man aan voor de slacht: moeders boven hun lieve kinderen, als kleine zwaluwen, jammerden: en menige jonge bruid huilde boven haar jonge echtgenoot die trilde in zijn doodsstrijd terwijl zijzelf ook graag wilde sterven, en niet wilde volgen in de ketenen van gevangenschap, en zo de woede van haar onwillige moordenaar opwekte en om het doodsbed te delen dat haar man al bezat. En velen die nog ademloze kinderen in zich droegen wiens maanden nog niet waren voltooid, verloor vroegtijdig de arbeid van de baarmoeder en stierf een koude dood, samen met haar kinderen.

559-572
En Enyo, zich verlustigend in een dronkenschap van ongemengd bloed, danste heel de nacht door de stad, als een orkaan, wervelend op de golven van een deinende oorlog. En ook Strijd richtte haar hoofd tot aan de hemel op en vuurde de Argivers aan; omdat zelfs de bloederige Ares, laat maar toch, kwam en de veranderlijke overwinning in de oorlog naar de Danaërs bracht en zijn hulp nu eens aan de één en dan weer aan de ander schonk. En op de Acropolis liet de grijsogige Athena haar stem klinken en zwaaide met haar Aegis, het schild van Zeus; de hemel trilde terwijl Hera die beroerde, en de zware aarde schokte toen deze werd beroerd door de drietandige speer van Poseidon. Hades schudde en keek toe vanaf zijn troon onder aarde, bang dat door de grote woede van Zeus, Hermes, dirigent van de zielen, heel de mensheid naar beneden zou brengen.

573-595
Alles was in de war en er waren slachtpartijen zonder enige terughoudendheid. Want sommige vluchters doodden zij staand bij de Scaeaanse poort: één sprong uit bed en, zijn wapens zoekend, sneuvelde in het donker door een speer; iemand die zich verborg in zijn donkere huis nodigde als zijn gast degene uit waarvan hij dacht dat het een vriend was: dwaas, hij trof geen vriendelijke man maar kreeg hatelijke geschenken voor zijn gastvrijheid; een ander op zijn dak, terwijl hij niet goed oplette, viel door een snelle pijl. Sommigen, nog dronken van de vele wijn, uit angst vanwege het kabaal, spoedden zich naar beneden, vergaten de ladder en vielen onwetend van de hoge daken en braken hun nekken, en spuugden daarmee de wijn uit. Velen die op een plek bijeen waren gekomen werden daar gedood terwijl zij vochten en velen, terwijl zij werden achtervolgd, vielen van de torens in het huis van Hades, hun laatste sprong uitvoerend. Een klein aantal kroop door het oog van de naald, als dieven, en ontsnapten onopgemerkt aan de storm die hun vaderland vernietigde. Van anderen, in die zee van strijd en duisternis, die als mannen liever standhielden dan vluchten, viel de een bovenop de ander. En de stad kon het vuil niet bevatten, verlaten van mannen maar vol met doden.

596-612
En er werd geen genade betoond. Gedreven door de waanzinnige zweep van die slapeloze beroering had men zelfs geen eerbied voor de goden, en met wetteloze aanvallen bevlekten zij de onschuldige altaren van de onsterfelijken met bloed. Oude mannen werden in uiterst onwaardige slachtpartijen erbarmelijk gedood: niet op hun voeten staand, maar, hun smekende lichamen uitgestrekt op de grond, lagen zij neer met hun grijze hoofden. Vele baby’s werden bij de moederborst weggerukt die hen maar eventjes hadden gezoogd en, niet begrijpend, betaalden voor de zonden van hun ouders, terwijl zij die hen zoogden, vergeefs het kind de borst aanboden, een melkoffer brengend dat het niet zou opzuigen. Vogels en honden, overal in de stad, het gevogelte van de lucht en de dieren die op aarde lopen, vierden feest en dronken het donkere bloed terwijl zij een woeste maaltijd aanrichtten. Het gehuil van de vogels broedde de dood uit, terwijl het geblaf van de honden luid klonk boven de verscheurde lijken van mannen, meedogenloos en geen acht slaand op het feit dat zij hun eigen meesters verscheurden.

613-633
Odysseus en Menelaüs, met het mooie haar, gingen op weg naar het huis van de vrouwengek Deïphobus, als wolven met scherpe tanden, die in een stormachtige nacht, belust op bloed, onbewaakte kudden aanvallen en de arbeid van de herder verwoesten. Daar, hoewel ze maar met z’n tweeën waren, vielen zij talloze vijanden aan. Er ontstond een nieuwe strijd, terwijl zij aanvielen en de anderen vanuit een kamer stenen naar beneden wierpen en pijlen afschoten die een snelle dood brengen. Maar ondanks dat, hun grote hoofden beschermend met onbreekbare helmen en zich omringend met schilden, sprongen zij het grote huis binnen. Odysseus dreef de menigte die op hem af kwam voor zich uit en slacht hen af, als verschrikte wilde dieren. Aan de andere kant achtervolgde de zoon van Atreus Deïphobus die wegsloop, greep hem en stak hem midden in zijn buik waardoor zijn lever en glibberige darmen naar buiten kwamen. Daar lag hij dus en was zijn hoffelijkheid vergeten. En Menelaüs volgde, bibberend, zijn met de speer heroverde vrouw, nu eens verheugd over het eind van de verschrikkelijke ellende, dan weer, hoewel laat, als in een droom, stiekem kreunend, terwijl zij zich haar geliefde vaderland herinnerde.

634-643
Maar Neoptolemus, afstammeling van Aeacus, doodde naast het altaar van Zeus van het Recht de oude koning die versleten was door ellende. Hij kreeg van hem niet de genade die zijn vader had getoond, en luisterde niet naar zijn smeekbeden, noch had hij medelijden terwijl hij naar diens grijze haren keek die net zo grijs waren als van Peleus: het haar waardoor het hart van Achilles zich vroeger verzachtte en, ondanks zijn pijnlijke woede, de oude man spaarde. Hard van geest! Hetzelfde lot was hem later voorbestemd bij het altaar van de waarheidlievende Apollo, terwijl hij het goddelijke heiligdom probeert te beschadigen, en een Delphische man hem doodt hem met een heilig mes.

644-663
Andromache beweende het korte leven van Astyanax die ze halsoverkop van de hoge toren zag duikelen, in de dood geworpen door de hand van Odysseus. Snelle Ajax, zoon van Oileus, randde Cassandra aan toen ze bescherming zocht bij de knieën van de onbevlekte godin Athena; de godin wees zijn geweld af, en, hoewel ze hen al die tijd had geholpen, werd vanwege de zaak van één man Athena boos op alle Argivers. Aeneas en Anchises haalde Aphrodite in het geheim weg, medelijden voelend met de oude man en zijn zoon, en liet hen zich ver van hun vaderland vestigen in Ausonië. Zo werd het advies van de goden met toestemming van Zeus ingewilligd, opdat onvergankelijke soevereiniteit het lot van de kinderen en kleinkinderen van Aphrodite geliefd zou zijn bij Ares. De kinderen en het ras van de goddelijke Antenor , die gastvrije oude man, werd door de zoon van Atreus gespaard, uit dank voor zijn vroegere vriendelijkheid en de tafel waarmee zijn zachtaardige vrouw Theano hem had verwelkomd. Arme Laodice! U werd door uw eigen land en de omarmende aarde aan haar gapende boezem gesloten, en noch Acamas, zoon van Theseus, noch enig ander van de Achaeërs nam u gevangen, want u stierf in uw eigen vaderland.

Troje gaat in vlammen op

664-667
De grote strijd en het verdriet van die nacht kon ik niet bezingen, elke gebeurtenis onderscheidend. Dat is de taak van de Muzen; maar ik zal, als was het een paard, een lied zingen dat, ronddravend, het keerpunt bepaalde.

668-685
In haar wagen was Eos net teruggekeerd van de oceaan in het oosten en markeerde een grootse heldere hemel die langzaam helderder werd, de bloeddorstiger nacht verjagend; en zij, trots jubelend over hun overwinning in de oorlog, keken overal in de stad rond of zich nog anderen verstopt hadden om de moorddadige oorlog te vermijden die alle mensen omarmde. Maar zij waren overwonnen door het allesgrijpende net van de dood, zoals vissen worden uitgespuugd op de kusten van de zee. De Argivers droegen hun nieuwe dapperheid uit de zalen naar het dek van hun schepen samen met vele waardevolle erfstukken die zij hadden geroofd uit de verlaten kamers. Ook joegen zij met geweld de gevangen genomen vrouwen en kinderen naar de schepen. En nadat zij stadvernietigende vuren bij de muren hadden aangestoken, beschaamden zij in een vuurzee al het werk van Poseidon. En zo werd het rokende Ilium een groot monument voor haar lieve burgers. En Xanthus, die naar de vurige ondergang van de stad keek, huilde van rouw met een zeewaarts vloeiende stroom, en, doodsbang voor de woede van Hera, zwichtte voor Hephaistus.

686-690
De Grieken vergoten het bloed van Polyxena boven het graf van de dode Achilles om zijn woede te bedaren, en iedereen nam zijn deel aan Trojaanse vrouwen en verdeelde alle andere buit, zowel goud als zilver: waarmee zij hun diepgelegen schepen vulden en in de bulderende zee onder zeil gingen, nadat ze een eind aan de oorlog hadden gemaakt.

© 2018 Maarten Hendriksz