Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Valerius Flaccus - Tocht van de Argonauten

Bron: theoi.com

Valerius Flaccus, Argonautica. Translated by Mozley, J H. Loeb Classical Library Volume 286. Cambridge, MA, Harvard University Press; London, William Heinemann Ltd. 1928. Naar het Nederlands vertaald door Maarten Hendriksz 2013.

Boek 1

Aanroep van Apollo

I; 1-4
Mijn lied gaat over de zeestraten die als eerste door de machtige zoons van de goden werden bevaren, van het profetische schip dat het aandurfde om de kusten van het Scythische Phasis te bezoeken, dat als eerste tussen de botsende rotsen laveerde, om uiteindelijk tot rust te komen in het met sterren bezaaide firmament.

I; 5-21
Apollo, wees mijn gids, als daar in een rein huis de drievoet staat die de geheimen deelt van de Cymaeaanse profetes, en de groene laurier om een waardig hoofd zit. En ook u, steeds meer roem vergarend door de zee te beheersen, die naar de Caledonische Oceaan is gezeild, de Oceaan die vroeger de Phrygische kalmte niet duldde, verhef me, heilige vader, boven de naties en de met wolken bedekte aarde, en wees genadig voor mij als ik over de wonderbaarlijke daden van oude helden zing. Uw zoon zal vertellen over de omverwerping van Idume – voor zover hij dat kan – over zijn foute broer en het stof van Solyma, als hij de toortsen slingert en in elke toren een ravage aanricht. Ter ere van u zal hij heilige riten bevelen en tempels oprichten voor zijn huis, terwijl u, Vader, in de hemel straalt; want wanneer uw ster dan Cynosura gidst zal dit een zeker teken zijn voor Tyreense schepen, niet Helice, die Griekse stuurlui in de gaten moeten houden, maar onder uw leiding zullen Griekenland en Sidon en de Nijl hun vloten uitsturen. Kijk nu vriendelijk om mijn verhandeling neer, opdat mijn stem gehoord zal worden in de steden van Italië.

Opdracht van Pelias aan Iason

I; 22-39
Sinds zijn vroegste jeugd heerste Pelias, nu oud en lang de schrik van vele landen, over Hemonia: van hem waren de rivieren die in de Ionische Zee stroomden, met veel voorspoed trok hij zijn ploeg op de Othrys en Haemus en de hellingen van de Olympus. Toch kende zijn geest geen rust, vanwege angst voor de nakomelingen van zijn broer en de bedreigingen vanuit de hemel; want de priesters voorspelden dat via hem de vernietiging van de koning zou komen, en de slachtoffers op het altaar herhaalden hun angstige waarschuwingen: bovendien, drukte de grote roem van de held op zijn geest, en bij een tiran is moed nooit welkom. Daarom probeerde hij zijn angsten te ondervangen door de zoon van Aeson te doden, bedenkend hoe en wanneer hij zijn leven kon nemen. Maar er waren nergens tekenen van oorlog of enig monster in de steden van Griekenland; lang geleden had Achilles zijn hoofd bedekt met de enorme kaken van het Cleonaeaanse beest, lang geleden was Arcadië bewaakt door de slang van Lerna, en waren de hoorns van de twee stieren afgebroken; de woede van de zee en de gevaren van de machtige oceaan – die keurde hij goed. Toen keek hij de jeugd met een kalm gezicht aan en liet de woede op zijn voorhoofd verdwijnen, hij sprak hem voor het eerst aan, en de blik gaf gezag aan zijn leugenachtige woorden:

I; 40-57
‘Stem in, bid ik u, met deze onderneming, mooier dan enige daad in het verleden, ja met uw hele hart. Je hebt gehoord hoe Phrixus, van het zaad van Cretheus, onze bloedverwant, wegvluchtte van de altaren van zijn vader. De woeste Aeëtes die in Scythië bij de bevroren Phasis woont doodde hem (Wee, de schande voor de grote Zon!), temidden van de vruchtbare kelken en de ceremonie van het zwaar beproefde banket, zich niets van mij of de hemel aantrekkend. Dit is geen loos gerucht; ik zie de jongeman, jammerlijk kreunend, met mijn eigen ogen, als de slaap eindelijk over mijn vermoeide ledematen valt, met zijn onophoudelijk geklaag, zijn verminkte schaduw en Helle, godin van de eindeloze zee, mijn slaap verstoren. Had ik mijn oude kracht nog maar, dan zou je zien hoe Colhis nu boete zou doen, zou je hier het hoofd en de wapens van de koning zien. Maar de jaren hebben lange tijd het oude vuur doen doven, en mijn zoon is nog niet klaar om te heersen of oorlog te voeren en zeereizen te maken: breng jij die thans de hoede en geest van een man bezit, breng jij, mijn trots, de vacht van Nephele’s ram terug naar zijn Griekse heiligdom, en denk niet dat je te zwak bent voor een dergelijke gevaarlijk taak.’

I; 58-63
Met deze woorden deed hij een beroep op de jongeman, in plaats van hem te bevelen, waarna hij zweeg; hij sprak geen woord over de Cyaneaanse Rotsen die tegen elkaar botsen in de Scythische zee, geen woord over de vacht dat door een monsterlijke draak bewaakt werd met zijn flitsende gevorkte tong, die de prinses uit de binnenste kamers opriep met haar charmes en met voedsel, om hem honingkoeken te geven die waren gebakken met gif uit vreemde landen.

Iason roept Hera aan

I; 64-80
Al snel werd het steelse bedrog blootgelegd, en was het voor Iason duidelijk dat de koning niets om de vacht gaf, maar dat hij alleen door zijn haat over die verschrikkelijke zeeën werd gestuurd. Maar hoe moest hij gehoorzamen? Hoe op weg gaan voor zijn opdracht in Colhis? Had hij de gevleugelde sandalen van Perseus maar of diens wagen en het legendarische span draken die als eersten het teken van de ploeg achterlieten in landen die Demeter niet kenden, en de voorkeur gaven aan de gouden aar in plaats van de eikel. Wee, wat moest hij doen? Moest hij hulp vragen aan de wispelturige bevolking, die al om hun oude heer drongen, en de ouderen die al lange tijd medelijden hadden met Aeson? Of zou hij vertrouwen op de hulp van Hera en Athena met haar helder klinkende wapens, en in opdracht van de koning wegsnellen, wanneer er, de zee bedwingend, enige roem te behalen was met zo’n zware taak? U, Roem, u alleen bent in staat om de harten en geesten van mannen in vuur en vlam te zetten! U kijkt hij onbezoedeld aan, onaangeroerd door de tijd, op de oevers van de Phasis staand, naar de jonge helden roepend. Uiteindelijk gaf zijn vertrouwen in de hemel kracht aan zijn twijfels, onrustige hart, en hief zijn handen vroom op naar de sterren:

I; 81-90
‘Almachtige Koningin,’ zei hij, ‘die ik, toen de wilde Zeus met een woeste storm in de donkere lucht zwaaide, op mijn eigen schouder over de gezwollen Enipeus droeg door storm en regen, naar de veilige velden, en nauwelijks kon geloven dat u een godin was, totdat ik zag hoe u teruggeroepen werd door het geluid van de donder en een wenk van uw man, en met plotselinge wijsheid wegrende , o gun dat ik Scythië en de Phasis bereik; en u, maagdelijke Athena, red mij! Dan zal ik met eigen handen dat vlies in uw tempel offeren; ook mijn vader zal offers met vergulde hoorns op het vuur leggen, en er zullen sneeuwwitte kudden om de altaren staan.

Athena en Hera roepen de helden op

I; 91-99
De godin had geluisterd, en bewoog op verschillende manieren snel door de lucht. Athena vloog zachtjes naar de muren van Thespië en haar geliefde Argus; ze gaf hem opdracht een schip te bouwen en bomen om te hakken met zijn bijl, en samen met hem gaat ze de schaduwrijke bossen van de Pelion in; terwijl Hera in alle steden van Argos en die van Macedonië verkondigt hoe de zoon van Aeson de winden gaat trotseren op een manier die zijn voorvaderen nooit ondernomen hebben, hoe het schip met zijn trotse roeiriemen klaar is en mannen oproept die ze veilig thuis kan brengen en door hun roemrijke daden tot in de hemel verheven zullen worden.

I; 100-106
En nu is iedere hoofdman met enige faam in de oorlog belust op de reis, en iedereen die tijdens de eerste jaren van zijn volwassenheid nog geen enkele beproeving heeft doorstaan, of de kans heeft gekregen roemvolle daden te verrichten. Maar zij die in de velden werken en met de vredige ploeg bij klaarlichte dag worden opgeschrikt door de aanblik van Faunen en hun manieren in het struikgewas, en bosgodinnen en rivieren met grote hoorns, allen bezingen de roem van het schip.

I; 107-119
De held van Tiryns snelt er vanuit Inachisch Argos onmiddellijk naar toe; zijn pijlpunten gedoopt in het brandende gif uit Arcadië met zijn boog, een lichte last voor verheugde schouders, die de jonge Hylas draagt; hij zou graag, maar zijn kleine handen kunnen nog niet overweg met het gewicht noch kunnen zij de knots vasthouden. De woeste Hera verwijt hem met de volgende woorden, terwijl zij breekt met haar oude geklaag: ‘O als heel de bloem van de Griekse jeugd zich niet naar nieuwe bestemmingen haast, en dit de instructies van mijn dienaar Eurystheus waren! O dan zou deze hand al lang stormen en duisternis in omloop hebben gebracht met de woeste drietand, en het vuur van mijn echtgenoot geslingerd hebben, zelfs tegen zijn wil. Zelfs nu wil ik deze man niet als bondgenoot en als versterking voor mijn schip hebben, noch zal ik ooit op de hulp van Heracles vertrouwen, of kijken naar zo’n trotse kameraad.’

De Argo

I; 120-129
Zo sprak zij, en richtte haar blik op het Haemonische water. Daar zag zij iedereen druk in de weer in een grote menigte, vielen de bomen van het bos aan alle kanten om en klonken luid de behendige slagen van de bijl; Thespische Argus spleet de pijnbomen met een dunne zaag, en zie! De boorden werden zacht gemaakt om kalm over een rondlopend geraamte gebogen te worden; de roeiriemen zijn klaar, en Athena zoekt een rechte boom voor de zeilvoerende mast. Toen het schip met zijn enorme afmetingen gereed was, klaar voor een lange reis over zee, en dunne was de gapende gaten had opgevuld, voegde Argus er verschillende gracieuze afbeeldingen aan toe.

I; 130-148
Aan de ene kant wordt Thetis, waarvan een god gehoopt had haar voor zich te winnen, op de rug van een Tyrrheense vis naar de bruidskamer van Peleus gedragen; de dolfijn snelt door de zee; zijzelf zit met een sluier voor haar ogen, en is bedroefd dat Achilles niet machtiger dan Zeus geboren zal worden. Panope en haar zus Doto en Galatea met blote schouders, spelen in de golven, begeleiden haar naar de grotten; Cyclopen van de Siciliaanse kust roepen Galatea terug. Hiertegenover is een vuur en een bed van groene bladeren te zien, een feestmaaltijd en wijn, en temidden van de zeegoden de zoon van Aeacus met zijn vrouw; zij hebben gedronken, en Chiron beroert de lier. Aan de andere kant staan Pholoe en Rhoetus dronken van de wijn, en is de strijd te zien die uitbrak over het Atracische meisje . Bekers en tafels vliegen door de lucht, altaren van de goden en kelken, het prachtige werk van oude ambachtslieden. Hier kan iemand Peleus herkennen, heer van de speer, en daar Aeson die met zijn zwaard tekeer gaat. Monychus zwoegt onder het gewicht van zijn belager Nestor, die op zijn onwillige rug is geklommen; Clanis doodt Actor met een brandende eik; de zwarte Centaur Nessus bloedt, en temidden van iedereen leunt Hippasus tegen een wandkleed en begraaft zijn hoofd in een lege gouden beker.

Iason haalt Acastus over

I; 149-155
Maar hoewel de mannen met verwondering kijken naar al deze afbeeldingen verbaast de zoon van Aeson zich niet, en redeneert bij zichzelf: ‘Wee degenen van ons die nog levende vaders en zonen hebben! Is dit het schip waarin wij gedachtenloze zielen worden uitgezonden om een bewolkte hemel tegemoet te treden? Zal de oceaan zijn woede alleen op Aeson botvieren? Misschien moet ik de jonge Acastus wel meesleuren om hetzelfde lot en dezelfde gevaren te ondergaan? Laat dan Pelias maar verlangen naar een veilige reis voor het gehate schip, en zich verenigen met onze moeders om de golven met gebeden te kalmeren!’

I; 156-163
Hier dacht hij over na, toen van links Zeus’ dondervogel uit de hoogte naderde en een lam in zijn klauwen gevangen hield. De angstige herders en blaffende honden achtervolgen hem vanuit de schaapskooien in de buurt met een kreet; maar de rover stijgt snel in de lucht, en vliegt weg over de Aegeïsche Zee. Iason begroet het voorteken, en gaat verheugd naar de zalen van de hooghartige Pelias. Daar komt als eerste de koningszoon op hem afrennen, die zijn armen om hem heen slaat in een familiare omhelzing.

I; 164-172
‘Nee, Acastus,’ zegt de leider, ‘ik kom niet, zoals u denkt, om onwaardige klachten te uiten; ik ben van plan om je deel te laten nemen aan deze onderneming; want ik acht Telamon noch Canthus of Idas en Tyndareus’ zoons niet meer waard dan jij om de vacht van Helle te zoeken. Zie, welke machtige grote stukken land, welke uitgestrekte luchten aan ons gegund worden! Naar welke grootste einders openen we de wegen der zee! Op dit moment denk je misschien dat het werk te zwaar voor je is: maar wanneer het schip zich vreugdevol naar huis spoedt, en ik in mijn geliefde Iolcus terugkeer, ah, wat zul je dan zeggen wanneer ik je vertel over alle landen die we gezien hebben!’

I; 173-183
De prins liet hem niets meer zeggen; ‘Genoeg, genoeg! Ik ben klaar voor alles wat je me vraagt. En denk niet, vriend’ zegt hij, ‘dat ik een achterblijver zal zijn, of meer vertrouwen stel in het koninkrijk van mijn vaderen dan in jou, als je mij maar toestaat om onder jouw leiding de eerste vruchten van mijn dapperheid te plukken, en tot de grote faam en naam van mijn neef uit te groeien. Nee, ikzelf, tenzij een al te angstige vader mij verhindert, zal zonder dat hij het merkt ontsnappen, en zal plotseling aan je zijde staan wanneer je klaar bent, wanneer het schip van het strand getrokken zal worden.’ Hij was uitgesproken; de ander verheugde zich om zoveel moed te zien en zijn belofte te horen, en richtte zijn gretige voeten naar de kust.

Offers en voorspellingen

I; 184-192
Ondertussen drukten de Minyers, aangevuurd door hun aanvoerder, de schouders tegen het schip, en droegen voorovergebogen met overbelaste knieën het schip naar het water. Toen klonk de zeeliedenkreet terwijl zij hijgden, en het geluid van Orpheus’ rustgevende lier. Vervolgens bouwden zij verheugd de altaren; vooral aan u, heer van het water, wordt eerbied betoond, aan de Westenwind en aan Glaucus en op de kust offert Ancaeüs een os die versierd is met donkerblauwe hoofdbanden, en aan Thetis een vaars. Niemand anders is beter in het met de dodelijke bijl doorklieven van de dikke nekken.

I; 193-204
Iason brengt zelf plengoffers uit een beker aan de Vader van de zee en zegt: ‘O met uw hoofdknik doet u de rijken van het schuim sidderen, en omringt u alle landen met uw zee, verleen mij uw gunst. Ja, ik weet dat ik, van alle mensen, mij ga begeven op onwettige paden en stormen verdien; toch is het niet uit vrije wil dat ik ga, en is het ook niet mijn wens om berg op berg te stapelen, of om de bliksem af te roepen van de top van de Olympus. O, laat u niet leiden door de geloften van Pelias; hij heeft deze wrede opdracht bedacht, deze reis naar Colchis, om verdriet aan mij en mijn familie te bezorgen. Voor mij schenkt hij – met niet wrokkend water mijn leven en het schip met zijn lading van koningen.’ Zo sprak hij, en goot een overvloedig offer op het vuur.

I; 205-226
Nadat het vuur, worstelend onder de berg ingewanden, een vuurtong liet zien en langs het kloppende vlees van de stier omhoog klom, zie! Aan het strand werd de heilige Mopsus bezeten door de god, wonderlijk om te zien, schuddend met zijn hoofdband, de haren wapperend in de wind, en laurierkrans. Uiteindelijk sprekend, taal waarvan men huiverde; toen werd er om stilte bevolen voor de ziener. ‘Helaas, wat is dit voor een visioen dat ik zie! Kijk, Poseidon, zojuist opgewekt door onze durf, gebiedt de goden van de oceaan, een grote groep. Zij schreeuwen luid, en allen sporen hem aan om de wet te handhaven. Dus, Hera, omarm uw broer , ja, sluit hem in uw hart; en u, Athena, laat mijn schip niet alleen; oh, keer u niet af van de bedreigingen van uw oom. Ze zijn gezwicht, ze hebben het schip op zee ontvangen. Ik zal mijn weg nu vinden door de vele veranderingen van het lot! Ah, waarom versluiert de mooie Hylas plotseling zijn haar? Vanwaar die waterkruik op zijn schouders en dat blauwe kleed op zijn witte lichaam? U Polydeuces, hoe komt u aan die verwondingen? Ah, merk de felle vlammen op uit de zwoegende neusgaten van de stieren! Helmen en speren komen uit elke voor omhoog, en kijk naar al die schouders! Wat is dit voor strijd die ik zie om de vacht? Welke vrouw is dit, omgeven met de dood, die de lucht doorklieft op gevleugelde draken? Wie slaat ze neer met haar zwaard? Ongelukkige Iason, haal de kleintje weg! Ginds ontwaar ik de bruidskamer die in vuur en vlam staat!’

I; 227-239
De ziener heeft de Minyers en hun aanvoerder lang genoeg ontmoedigd met zijn duistere uitspraken. Dan antwoordt Idmon, Apollo’s zoon, niet bleek van angst, maar angstwekkend om te zien met zijn recht overeind staande haren, vervuld van de toekomst en de kalme invloed van Apollo (aan hem gaf de Vader in zijn opdracht de voorkennis van goddelijke voortekens, hetzij ondervroeg hij de vlammen of de van nabij bekeken ingewanden, of de lucht vol met vogels die niet kunnen liegen), zo profeterend aan zijn kameraden en Mopsus: ‘Zo zeker als de ziener Apollo en die eerste vlam mij leerden, zo zie ik veel gezwoeg op onze tocht die zwaar is om te dragen; maar zal ons schip na veel lijden alles overwinnen. Grootmoedige harten, wees sterk, en worstel je voorwaarts naar de heerlijke omarming van vader en moeder.’ Tranen stroomden over zijn wangen terwijl hij sprak, want hij wist al uit de vlammen dat hij Argos nooit meer zou zien.

I; 240-254
Hij had deze woorden nauwelijks uitgesproken, toen de Aesonische kapitein verder sprak: ‘Voor zover jullie de decreten van de hemel hebben gehoord, mijn vrienden, en machtige hoop is geschonken voor deze grote onderneming, brengt nu dan ook de macht van jullie vaders daarheen. Het is niet aan mij om de Thessalische tiran de schuld te geven van de eer die hij zijn familie betoont, of zijn verdachte listen; het is god, god die dit met zijn mooie voorteken aan ons opdraagt; Zeus zelf heeft gewild dat dit gezelschap van mannen de wereld in trekt, om samen machtige taken te verrichten. Kom dus allen met mij mee, en beleef, hoewel het fortuin misschien twijfelachtig is, de gebeurtenissen die je later met veel plezier zult vertellen, waarmee we onze kleinzonen kunnen aansporen. Maar, vrienden, breng de komende nacht nu met leuke gesprekken en vrolijkheid door op het strand.’ Dit deden zij. De jongemannen gingen liggen op het zachte zeewier, en de held van Tiryns opvallend op zijn bank. Onmiddellijk namen de dienaren de ingewanden van de spitten, en het mand in de broden.

Afscheid

I; 255-273
Van de bergtop snellend kwam nu Chiron, die Achilles omhoog hield welke vanuit de verte zijn vader aanriep. Zodra het kind Peleus zag en de welbekende stem hoorde stak hij zijn armen uit voor een omhelzing, hij snelde naar voren en hing lang aan zijn geliefde nek. De schuimende bekers met sterke wijn verleidden hem niet, het jachttafereel op het oude metaal dat mooi was om naar te kijken hield zijn blik niet gevangen: hij verwonderde zich liever over de aanvoerders, luidkeels drinkend, en bracht zijn gezicht dicht bij de leeuwenhuid van Heracles. Maar Peleus greep verheugd zijn zoon en kuste hem gretig, en naar de hemel opkijkend riep hij: ‘Zeker, als u wilt dat Peleus over kalme golven snelt en naar een volgende wind verlangt, bescherm dan, u goden, dit leven net zo. Al het andere doet u, Chiron. Laat mijn kleine zoon zich verwonderen u te horen spreken over klaroenen en van oorlogen; leer hem zijn jongensachtige wapens te hanteren tijdens de jacht, en hem binnenkort naar mijn speer te grijpen.’ Toen werden allen vervuld van passie voor de reis; en verlangden moedig de zee over te steken. Ze zwoeren dat zij de verre vacht van Phrixus zouden krijgen, en dat de Argo terug zou keren versierd met klimopslingers.

I; 274-292
De zon ging onder en het daglicht trok weg over het water terwijl de Minyers zich verheugden. Verspreid langs de bochtige kust schenen lichten, maar zij wezen nog niet het land aan zeelieden. En de Thracische zanger verleidde met een melodie van zijn lier de nacht, zingend hoe Phrixus daar stond, met een hoofdband om zijn hoofd, hoe hij van het door een wolk omhulde zondige altaar vluchtte, en Athamas achterliet met Learchus, de zoon van Ino; hoe de Gouden Ram de jongen over medelijdende golven droeg, en hoe Helle de hoorns greep. Zeven maal had Eos haar baan doorlopen, en zeven nachten had de Maan in de hemel geschenen, toen Sestos, dat van verre niet door water gescheiden leek te zijn van Abydos, begon te wijken van zijn tweelingstad. Toen verliet de zuster wier naam voor eeuwig zou voortleven de zoon van Athamas, helaas tevergeefs gered van haar wrede stiefmoeder. Met vermoeide handen spant zij zich ver achter de natte vacht nog steeds in, maar de golven trekken haar natte kleding naar beneden in het drenkende water, en haar handen glijden van het gladde goud. Wat een verdriet had je, Phrixus, toen je door het wervelende tij voortgejaagd omkeek en het gezicht van het ongelukkige meisje zag toen ze je riep – alleen haar handen zag – en daarna alleen nog haar haren op het water dreven.

I; 293-314
Zo kwam er een eind aan het drinken en feestvieren, en op gemakkelijke banken liggend werd iedereen stil; temidden van de rijen slapenden bleef de aanvoerder alleen achter die geen slaap werd gegund. De oude Aeson en Alcimede, ook slapeloos, staarden hem met vochtige ogen aan maar wilde hem niet tegenhouden. Iason sprak zachtjes tegen hen en kalmeerde hun onrustige harten. Weldra, toen hun ogen overmand door slaap dichtvielen, leek de stralende waakster van het met kransen versierde schip de aanvoerder te vermanen met de volgende woorden: ‘Een eik uit Dodona, dienaar van de Chaonische Zeus, zie je hier. Met jou vaar ik mee over de oceaan, en de Croniaanse godin kan me niet van het profetische bos scheiden zoals de hemel mij heeft beloofd. Het uur nadert; maak een eind aan het uitstel! En zelfs als we over de hele oceaan zwerven en de onzekere lucht in wolken verhuld wordt, vertrouw dan toch op de hemel en mij, en ban al je angsten uit.’ Ze zweeg. Hij, angstig, hoewel het voorteken uit de hemel gunstig was, sprong van zijn bank. Onmiddellijk liet Tithonus’ gulle vrouw, de zee plooiend met het nieuwe zonlicht, alle Minyers voor hem aantreden. Zij haastten zich heen en weer over het dek; de een maakte de ra klaar aan de hoge mast, anderen probeerden voor de eerste keer de riemen op het gladde oppervalk, en Argus haalde vanaf de hoge boeg de ankerkabel binnen.

I; 315-334
Luid klonk het gejammer van moeders en de dappere harten van vaders werden bang; lang klampten zij zich huilend aan elkaar vast in een wederzijdse omhelzing. Maar de stem van Alcimede klonk luid boven alle andere jammerklachten uit; haar kreten overstemden die van de vrouwen, zoals de oorlogstrompetten het geluid van de Ideaanse fluit overstemmen. En zij sprak als volgt: ‘Mijn zoon, je gaat onverdiende ontberingen tegemoet, en wij moeten van elkaar scheiden; en toch wil mijn geest niet toegeven dat jij dit ongeluk tegemoet moet gaan, om jou was ik altijd bang voor oorlogen en vreemde landen. Ik moet aan andere goden beloften doen. Als de Schikgodinnen jouw naar mij terug brengen, en de zee gekalmeerd kan worden door gebeden van bibberende moeders, dan kan ik het levenslicht en een langdurige angst verdragen. Maar als het Fortuin andere zaken voor jou in petto heeft, heb dan, lieve Dood, medelijden met ons ouders, terwijl wij alleen in angst leven en nog geen verdriet kennen. Ach, wat een verdriet! Wat ben ik bang voor Colchis en de vacht van de verdwenen Phrixus? En wat een dagen, wat een nachten van slapeloze angst zie ik voor me! Hoe vaak zal ik in onmacht vallen bij het geluid van de hese branding op de kust, in angst voor de Scythische zee en de Scythische lucht, en stel in ondank, jou aanrakend, geen vertrouwen in onze zonnige luchten! Sla je armen om mij heen, smeek ik, en verlaat me met woorden die voor altijd in mijn oren zullen klinken, en sluit nu deze ogen met jouw lieve handen.’

I; 335-349
Zo treurde Alcimede; maar de moedige Aeson moedigde zijn geest aan met de volgende woorden: ‘Ach, had ik maar mijn kracht van vroeger toen deze hand Pholus verpletterende, nadat hij mij bedreigde met een fraaie beker, hem verpletterend met een zware gouden beker: ik zou de eerste zijn geweest die mijn wapens op de koperen achtersteven had geplant, en zou mij verheugen om het schip met trillende riemen te roeien. Maar de gebeden van je vader zegevieren, en de hoge goden hebben mijn geloften gehoord. Want ik zie een groot aantal koningen in onze zee, en jij bent hun aanvoerder. Zo, zo waren zij met wie ik gewend was om te gaan en te volgen. En laat nu alleen die dag resteren – laat Zeus mijn gebed verhoren! – die dag wanneer je als overwinnaar terugkeert van de Scythische koning en de Scythische oceaan, je schouders stralend door de geredde vacht, en ik je ontvang, en mijn daden ruimte maken voor jouw jeugd.’ Zo sprak hij. Iason hielp zijn moeder overeind, die tegen zijn borst was neergevallen, en vloog zijn oude vader om diens nek.

De bemanning van de Argo

I; 350-352
Nu was het moment aangebroken: en bij de derde stoot van de treurig klinkende trompet werden de omhelzingen verbroken die de wind en het schip lieten wachten. Iedere man schonk zijn naam aan zijn riem en bank.

I; 353-357
Hier aan bakboord had Telamon zijn plek, Heracles neemt hoger dan hij zijn plaats in aan stuurboord, de rest van de jeugd gaat naar beide kanten; de lenige Asterion, terwijl hij uit de schoot van zijn moeder gleed, nam zijn vader, Cometes van Piresia, een bad bij de samenvloeiing van twee rivieren, waar de trage Enipeus de macht van Apidanus voelt.

I; 358-361
Aan de andere kant spant Talaüs zich in, en Leodocus drukt in de rug van zijn broer, vorstelijk Argos stuurde dit tweetal om zich bij de groep te voegen. Aan deze kant zit ook Idmon, gestuurd ondanks de voortekens; maar het is beschamend voor een man om bang te zijn voor de toekomst.

I; 362-368
Hier is ook Iphitus, zoon van Naubolus, staand om de krullende golven aan te vallen, hier klieft Poseidon’s zoon de zee van zijn vader, zelfs Euphemus die in Psamathe woont, besproeit door het klinkende water, en de altijd gapende Taenarus, en Deucalion van de zandrijke kust van Pella met zijn onfeilbare speer, en Amphion beroemd om zijn man-tegen-man gevechten, die Hypso tegelijk baarde en hun gezichten niet wilde of kon onderscheiden, zo leken zij op elkaar.

I; 369-373
Vervolgens Clymenus, zijn borst rakend met de sterke roeispaan, en zijn broer Iphiclus bewegen het schip voort, en Nauplius die binnenkort een wreed baken zal ophouden om de Grieken op de rotsen te jagen, Caphareus, en Oïleus, die op eens op een dag zal klagen over de bliksem die Zeus niet wierp, terwijl het lichaam van zijn zoon siste boven de Egeïsche golven ;

I; 374-379
Ook Cepheus die de zoon van Amphitryon hielp, zwetend onder de last van het beest van Erymanthus op de grens van Tegea, en Amphidamas (hoewel zijn broer, ouder van jaren, er voor koos om de vacht van Phrixus aan Ancaeüs te laten), en Eurytion, zijn nek bedekt door het haar dat hij liet groeien, totdat hij terugkeerde zodat zijn vader dit kon oogsten op het Aonische altaar.

I; 380-382
Ook jij, Nestor, bent tot de golven van het beroemde Thessalische schip aangetrokken, hoewel je op een dag eens de oceaan wit ziet worden van de zeilen uit Mycene, met hun duizend gretige kapiteins.

I; 383-386
Hier zit de ziener Mopsus, geen loze belofte van het vaderschap van Apollo; zijn witte mantel valt over zijn kleine scharlaken laarzen en raakt de zolen van zijn voeten, de helm voorzien van hoofdbanden beschaduwt zijn voorhoofd, en een tak van de laurier bekroont de piek.

I; 387-390
Aan de kant van Heracles komt ook de riem van Tydeus omhoog, en Periclymenus, zoon van Neleus, die het kleine Methone en het paardenrijke Elis en Aulon blootstelden aan de golven zagen het gezicht van zijn tegenstrever met de handschoenen breken.

I; 391-393
Ook jij, zoon van Poeas, voorbestemd om tweemaal Lesbos te zien, roeit naar het Colchis van Phrixus, nu beroemd om de speer van je vader, maar eens op een dag vanwege de pijlen van Heracles.

I; 394-397
Vervolgens aan dezelfde kant bevindt zich Butes, rijk geworden aan de kusten van Attica, want talloos zijn de bijen in zijn korven, trots op de lange wolken die de dag doen verduisteren, terwijl hij de honingkasten opent en de koningen vrijlaat om erop uit te trekken naar het bloemrijke Hymettus.

I; 398-402
Jij volgde hem, Phalerus, en op jouw armen is het beeld van je fortuin getekend; een slang glijdt uit een breed vertakkende boom, en zijn felle rug wikkelt zich drie tot viermaal om je kleine lichaam; dichtbij je vader sta je te kijken naar zijn onzekere boog; ook Eribotes heeft armen die op een verschrikkelijk manier versierd zijn.

I; 403-406
En Peleus was er, vertrouwend op de ouders van zijn bruid en zijn goddelijke vrouw, op de hoge boeg glimt trots uw lans, Aeacides, groter dan alle andere speren, net als de top van de Pelion alle toppen ernaast overschaduwt.

I; 407-410
Ook de zoon van Actor laat zijn kind achter in de grot van Chiron, zij aan zij met zijn geliefde Achilles, om de akkoorden op de harp te leren, en naast elkaar leren zij om een jongensspeer te werpen, en te klimmen en te rijden op de rug van hun geniale meester.

I; 411-413
En hij die niet ten onrechte genoemd wordt als de zoon van Dionysus, Phlias, met haar dat op de wijze van zijn vader van zijn hoofd hangt. Evenmin vreest Ancaeüs’ moeder haar zoon toe te vertrouwen aan de oceaan, die zij baarde toen zij zwanger was van de koning der zee.

I; 414-419
Zo komt ook Erginus, nakomeling van Poseidon, met een gerust hart naar het water; hij kan over de gevaren van de zee vertellen, en de sterren op een heldere nacht, en welke wind Aeolus wil laten waaien uit zijn grotten; hem kan Tiphys zonder angst vertrouwen om het schip te leiden en de hemel in de gaten te houden, wanneer vermoeide ogen onophoudelijk naar de Beer staren.

I; 420-432
De held van Sparta draagt riemen van ossenhuid die bezaaid zijn met verwondend lood, zodat hij op zijn minst de lege lucht met zijn willekeurige slagen kan raken, en het Pagasaeaanse schip kan kijken naar de kleinzoon van Oebalus die op het strand bezig is met zijn onschuldige sport; en Castor die vaardig is in het temmen van paarden met een Thessalische bit, die, totdat hij het beest vindt dat de bibberende Helle droeg, Cyllarus verliet om ze vet te mesten op het gras van Amyclae. Om beiden hangt een stralende purperen mantel die is gedrenkt in de kleurstof van Taenarum, een mooi product dat hun moeder weefde op twee weefgetouwen; tweemaal heeft ze de enorme Taygetus met zijn groene bossen geborduurd, tweemaal in soepel goud de stromende Eurotas; elk wordt door zijn eigen paard gedragen, uitgewerkt met sneeuwwit draad, en op de borst van elk vliegt hun zwanenvader.

I; 433-435
Maar jij, Meleager, zie, de gesp die je kleding bijeenhoudt zit los, waardoor je sterke schouders en brede borst zichtbaar is die trots wedijvert met de kracht Heracles.

I; 436-443
In de dichte drom zijn hier de Cylleense broers : Aethalides die zo zeker is van zijn pijlen welke hij van zijn gespannen pees laat schieten: jij, Eurytus, bedreven in het met je zwaard zoeken van een weg tussen je vijanden: en Echion, die veel eerbied had voor de oproep van zijn vader, die de volkeren de boodschap van zijn vader brengt. Maar jij, Iphis, die de Argo, hoewel geholpen door je wapens nooit zal terugkeren, helaas zal verlaten en als as zal achterblijven op het Scythische strand, en zal rouwen om de roeispaan die niets doend rust in jouw rij.

I; 444-449
De vlakte van Pherae stuurt ook Admetus, gezegende en roemvolle herder, want het is in uw velden dat de god van Delos betaalt voor het feit dat hij Steropes met zijn ondankbare boog heeft geveld. Ah, hoe vaak huilde zijn zus, hem als een dienaar ontmoetend in haar vertrouwde bossen, wanneer hij de koelte van de eiken van de Ossa opzocht of zijn haren ontsierde in het troebele water van de Boebeis.

I; 450-456
Canthus staat op van de roeibanken en roert het water met zijn roeispaan; een vreemde speer zal hem laten rollen in het stof van Aeaea; maar tot die tijd hangt de roem van een stralend rond schild aan zijn zij, eens gedragen door zijn vader Abas; Euripus verdeelt met zijn golven de gouden bedekking, en vlucht van het zand van Chalcis, en u, Poseidon, schudt de hoge teugels van uw zeepaarden, half beest, half vis, en in het midden van dit kunststuk stijgt Geraestus op uit een laag oesters

I; 457-459
Evenmin verwachten we dat jij, Polyphemus, terug zal keren naar het schip van Athena om de laatste overblijfselen van je vader aan te treffen voor de stad, hoewel zijn dienaren de gepaste riten lang hebben uitgesteld, totdat je maar zou komen.

I; 460-467
Met een kortere roeispaan slaat Idas nu het blauwe water en zijn bank weg, laatste in zijn rij. Maar zijn broer Lynceus wordt in reserve gehouden voor het lange uiteinde, hij die door Arene werd gebaard, iemand die de aarde kan doorboren met zijn doordringende blik en de geheimen van de Styx kan ontdekken; vanaf het midden van de oceaan kan hij de stuurman het land aanwijzen, de sterren aanwijzen voor het schip, en wanneer Zeus de heldere hemel heeft verduisterd met een wolkensluier kan alleen Lynceus de wolken doorboren.

I; 468-469
Bovendien, de nakomelingen van Cecropisch Orithyia, Zetes en zijn broer, opdat zij de trillende brassen kunnen trimmen.

I; 470-472
De Odrysiaanse Orpheus zit nog niet op de roeibanken of is aan het roeien met de riemen, maar hij geeft met zijn lied het ritme aan waarop zij moeten bewegen, opdat zij niet tegen elkaar aan botsen boven het wateroppervlak.

I; 473-476
Aeson’s zoon had ook Iphiclus vrijgesteld van het jongemannengezwoeg op zee: Phylace had de oude man gestuurd, niet langer in staat om in de taken te delen, maar om de mannen slim van advies te dienen, en hen aan te vuren met de roem van hun machtige voorvaderen.

I; 477-480
Aan jou, Argus, valt de zorg voor het schip toe, dat met de vaardigheid die Athena je heeft geschonken het geschenk van Thespia’s stad is, en je lot is om het schip heelhuids door het heimelijke water te loodsen, en de wonden met soepele was af te sluiten die worden gemaakt door de golven.

I; 481-483
De waakzame Tiphys, Hagnias’ zoon, hield zijn blik gericht op het Arcadische sterrenbeeld , bevoorrechte sterveling, die een toepassing uitvond voor de trage sterren, en mannen de kracht gaf om hun weg te vinden over de zee met de hemel als hun gids.

I; 484-497
Zie! Over korte paden van de berghelling voortsnellend kwam de jubelende leider, verheugd over zijn sluwheid, Acastus wordt herkend, met vele speren en zijn stralend vanwege zijn schitterende schild. Zodra hij tussen de schilden en mannen door midden op het schip sprong, kapte Iason met flitsend staal de trossen door; net zoals de jager vanaf het beroofde hol het bos uitvliegt en, het paard voortjagend dat bang is voor zijn meester, de tijgerwelpen aan zijn borst klemt; behendig maar trillend had hij hen gegrepen, terwijl de felle moeder die ver van haar jongen verwijderd, aan de andere kant van de Amanus aan het jagen was. Het schip beweegt voorwaarts op de afgemeten slagen van de roeispanen; de moeders staan op de kust, en volgen met hun blik de witte zeilen en schilden van de helden die schitteren in het zonlicht, totdat uiteindelijk de mast onder de waterlijn zakt en een onmetelijke leegte het schip onzichtbaar maakt.

Helius en Ares zijn verontwaardigd

I; 498-527
Vanuit zijn sterrenhemel zag de Vader deze roemvolle daad van de Grieken, hoe het machtige werk een aanvang nam, en was blij; want hij gaf niets om het simpele bewind van zijn vader . Alle goden verheugden zich met hem, en de Schikgodinnen bepaalden de paden van de komende tijd over het water voor hun eigen gewin. Maar de god van de Zon was niet zo onbekommerd als zij over de gevaren van zijn Scythische kind en sprak deze woorden: ‘Opperste Schepper, voor wie het jaar haar baan rond ons licht volbrengt en weer aan de volgende gedaanteverandering begint, is dit wat u wil? Is het onder uw begeleiding en heeft het uw voorkeur dat dit Griekse schip nu op zee vaart? Mag ik nu ook uitbarsten in klachten? – het zijn maar een paar eenvoudige! Hoewel uit angst voor alles en iedereen niemand een hand naar mijn zoon zal durven uitsteken, ik koos niet voor de weelde van een land in de middenzone of de vruchtbare velden van een rijk land – laat Teucer en de Lybiër en de nazaten van uw eigen Pelops al die vruchtbare plekken in handen houden - Nee, wij namen met koude velden genoegen die onderdrukt worden door felle koude en bevroren rivieren. Zelfs daar zou mijn zoon zich steeds verder van terugtrekken, zonder vergoeding, naar gebieden met een dichte bewolking, onbekend met het voorjaar, ver weg liggend en onze stralen weerkaatsend. Hoe kan dat vreselijke land, hoe kan de woeste Phasis een belediging zijn voor andere rivieren, of mijn nakomelingen in die verre landen? Waarom, is die Griekse vacht een bezit dat met geweld veroverd moet worden? Nee, mijn zoon zou niet instemmen om de krachten te bundelen met de verbannen Phrixus om als een wreker naar de Inoaanse altaren te komen, maar overtuigde hem om in een deel van zijn koninkrijk te blijven en de hand van zijn dochter te schenken, en ziet nu kleinkinderen om hem heen van Griekse komaf, hij roept zijn schoonzonen op om het land door bloedlijnen te verenigen. Verander de koers van het schip, Vader, en open de zee niet om mij pijn te doen; het bos van Padus kent als beste mijn oude zorgen, en de zusters die huilen als zij naar hun vader kijken .’

I; 528-530
Ares stemde luid in en schudde met zijn hoofd, want hij zag dat de vacht werd aangevallen die als een trofee ter zijner ere was opgehangen; aan de andere kant hielden Athena en Hera hun harten vast bij de klachten van de twee goden.

I; 531-543
Toen sprak de Vader: ‘Al deze zaken zijn door ons in het verleden al bepaald en komen nu op de afgesproken volgorde in beweging en zijn onveranderlijk vanaf het begin der tijden; want er waren in geen enkel land afstammelingen van ons aanwezig toen ik de wetten van het lot vaststelde; daardoor had ik de kracht om rechtvaardig te handelen toen ik een lijn van koningen stichtte die door de eeuwen heen kon heersen. Dus zal ik nu de decreten bekendmaken die ik met mijn voorzienigheid maakte. Het gebied dat zich in het onmetelijke oosten uitstrekt van de zee van de maagd Helle tot aan de Tanais is lang rijk aan paarden geweest en beroemd om haar mannen, en niemand heeft het ooit gewaagd om er in dappere rivaliteit tegen ten strijde te trekken om roem in de oorlog te behalen: dus heb ik zelf het land en haar lot gekoesterd. Maar haar laatste dagen haasten zich voort en is Azië wankelend op weg naar haar val, terwijl nu de Grieken bij mij hun tijd van welvaart opeisen. Daarom hebben mijn eikenbomen, de drievoeten en geesten van hun voorouders deze groep over zee gestuurd. Want u, Enyo, heeft een pad door de golven en stormen gebaand.’

I; 544-560
‘Het is niet alleen de vacht die gedoemd is om wrevel te wekken en de naderende barensweeën van een geschaakt meisje, maar er zal ook – en ik ben zeer standvastig in dit besluit – binnenkort van de Phrygische Ida een herder komen die jammerklachten en verwoesting en een rijke buit voor de Grieken zal teweegbrengen. Ah, wat een strijd zullen jullie zien wanneer de vrijers zich ontschepen van de vloot! Hoe vaak zal Mycene zijn winterse bivak voor Troje betreuren! Hoeveel prinsen, hoeveel zoons van goden, hoeveel machtige mannen zullen jullie zien sneuvelen, en Azië zal de hoogste prijs betalen! Daarna heb ik besloten om aan de heerschappij van de Danaërs een eind te maken, en zullen andere landen kort daarop mijn aandacht vragen. Laat bergen, bossen, meren en alle barrières van de oceaan zich voor hen openen; hoop en vrees zal voor allen gelijk op dezelfde dag beslist worden. Ik zelf zal door troonswisselingen op aarde oordelen welk koninkrijk ik zal kiezen om het langst over de volkeren te regeren, en in wiens handen ik zonder angst de teugels kan achterlaten voor de eenmaal geschonken macht.’

I; 561-573
Dan richt hij zijn blik op de blauwe Egeïsche Zee, starend naar de machtige Heracles en de zoons van Leda, en zegt: ‘Span je in om de sterren te bereiken, mijn helden; het was pas na het gevecht met de felle Iapetus en het gezwoeg in Phlegra dat de Olympus mijn troon over het universum werd; het pad naar de hemel heb ik voor jou pijnlijk en vermoeiend gemaakt, net zoals Apollo na zijn leven op aarde terugkeerde.’ Zo sprak hij, en richtte een speer op de leegte die een lange voor door de wolken brandde; en toen deze het schip naderde brak deze in tweeën op zoek naar de twee zoons van Tyndareus, en vestigde zich onmiddellijk met een kalme vlam op hun voorhoofden tussen de wenkbrauwen en straalde zonder schade aan te doen naar alle kanten, die hopeloze zeelieden later te hulp zouden aanroepen.

Opstand van de winden

I; 574-596
Ondertussen zag de felle Boreas vanuit zijn arendsnest in Pangaeüm de zeilen koers zetten naar open zee, en ging snel onmiddellijk op weg naar Aeolië en de Tyrrheense grotten. Elk bos kreunde onder de voortsnellende vleugels van de god, de gewassen lagen plat, en de zee werd donker onder zijn voortijlende vlucht. In de Siciliaanse zee staat er aan de kant van terugwijkend Pelorus een rotsformatie, de schrik van de zeestraat; hoog zijn de pieken die in de lucht priemen, en net zo diep onder het wateroppervlak reiken. In de buurt kan men een ander land met rotsen en grotten zien dat net zo verschrikkelijk is; in het eerste wonen Acamas en de naakte Pyragmon, het laatste is het huis van de regenbuien, de winden en schipbreuk veroorzakende stormen; vanaf hier trekken ze over landen en de weidse oceaan, in vervlogen dagen verspreidden zij vanaf hier onrust in de hemel en op de rampzalige zee – want in die tijd was Aeolus hun meester, toen de binnendringende zee Calpe afbrak van Libya, en Oenone tot haar verdriet het land van Sicilië verloor en het water tussen de bergen stroomde – totdat de Almachtige vanuit de hemel over de bulderende windvlagen donderde en hen een koning toewees, die met een felle eed werden opgedragen om hem te vereren: ijzer en een dubbele muur van rotsen beteugelen de Oostenwinden binnenin de berg. Wanneer de koning hun brullende monden niet langer kan beteugelen, zet hij vrijwillig de deuren open om door hen vrij te laten hun woeste klachten te sussen.

I; 597-607
Met de volgende boodschap drijft Boreas hem nu van zijn verheven troon: ‘Ah, wat een monsterlijke daad, Aeolus, heb ik vanaf de hoogte van Pangaeüm gezien! Griekse helden hebben een vreemde machine gemaakt met hun bijlen, en gaan nu triomferend over zee voort met een enorm zeil, van mijzelf heb ik niet de kracht om de zee aan te wakkeren vanaf zijn zanderige diepte, net zoals ik nooit geketend ben geweest of gevangen ben gezet. Dit is het dat hen moed en zelfvertrouwen schenkt in het vaartuig dat zij hebben gebouwd, dat zij zien dat Boreas wordt geregeerd door een koning. Gun het mij om de Grieken de overweldigen met hun dwaze bootje: de gedachte aan mijn kinderen deert me niet, alleen jij kan deze bedreiging van sterfelijke mensen de mond snoeren, terwijl slechts de kusten van Thessalië en nog geen andere landen hun zeil hebben gezien.’

I; 608-617
Hij hield zijn mond: maar binnen begonnen alle winden te brullen en te krijsen dat zij naar buiten wilden. Toen vloog Hippotades met een enorme rukwind tegen de deur. De Thracische paarden vlogen verheugd uit hun gevangenis naar buiten, de Westenwind en de Zuidenwind met zijn nachtzwarte vleugels samen met alle zonen van de stormen, en de Oostenwind, zijn haar in de war door de rukwinden, en geelbruin door het vele zand; zij joegen de stormen op, en dreven de krullende golven in gezamenlijk gebulder naar de kust, en verstoorden het rijk van de drietand niet langer, want op hetzelfde ogenblik klonk in de felle lucht een machtige galmen, en begroef de nacht alle dingen op aarde onder een pikzwarte hemel.

I; 618-632
De riemen werden uit handen van de roeiers geslagen; de boeg van het schip kwam schuin te liggen, en haar boorden kregen luidklinkende schokken te verduren; een plotselinge wervelwind scheurde het zeil weg dat hing te klapperen tegen de wankelende mast. Wat een schrik kwam er over de Minyers, toen de duistere hemel scheen en er om het schip bliksems bij het door verschrikking getroffen schip te zien waren, terwijl de ra aan bakboord het water raakte en op de golfkammen heen en weer werd gesmeten! Zij wisten in hun onwetendheid niet dat stormen en winden ontstonden op bevel van de goden, maar dat dit bij de zee hoorde. Toen riepen zij met bezorgde kreten: ‘Dus dit is de reden waarom onze vaders vreesden het water onrechtmatig te ontheiligen. We hebben nauwelijks het anker opgehaald en zie, de Egeïsche Zee ontwaakt met een angstwekkend tumult. Is dit de zee waar de Cyaneaanse Rotsen tegen elkaar botsen? Of zijn er nog meer gevaarlijke wateren die ons ellendige mensen wachten? Laat alle hoop op zeevaart varen, jullie bewoners op het land, en mijd eens te meer de heilige golven.’

Poseidon grijpt in

I; 633-650
Zo jammerden zij, bedroefd om een domme dood te sterven. Amphitryon’s grootmoedige zoon staart naar zijn pijlen en zijn eiken knots, nu nutteloos; de rest klit in angst bijeen om nog iets tegen elkaar te zeggen, grijpen handen en matten hun monden af, met uitgebreide beschouwingen over de treurige aanblik, onmiddellijk raakte het hout los en dringt de zee door een gapend gat naar binnen. Nu eens zwiept de Oostenwind het schip alle kanten op; dan weer jaagt de brullende Zuidenwind het samen met de Westenwind voort: overal kolkt het water, totdat plotseling het donkerblauwe hoofd van Poseidon gewapend met zijn drietand uit de diepte omhoog komt. ‘Dit schip moet gespaard worden,’ zei hij, ‘Athena en mijn zuster hebben mijn hart verzacht door hun tranen; ja, laat de vaartuigen uit Pharos en Tyre komen, en bedenk dat wat zij doen rechtmatig is. O, het zullen vele zeilen zijn die ik door de Zuidenwind weggerukt zie worden, en de golven zullen weerklinken van ellende! Noch mijn zoon Orion of de felle stier met zijn groep van Plejaden zijn de oorzaak van deze vreemde manier van sterven. Jij, Argo, hebt een dood bedacht voor vele nationaliteiten, en jij, Tiphys, jij verdient het dat enige moeder ooit nog zal bidden dat jij vrede zult vinden in de Elyseese Velden en onder de geesten van de heilige doden.’

I; 651-658
Zo sprak de Vader en suste de zee met de getroffen kusten, verdreef de Zuidenwind, in wiens gevolg het zwarte golvende water, golvenzwangere deining van grote golven, en de regenstorm verdwenen naar de zeeën van de Aeolische haven. De dag straalde opnieuw, een regenboog verscheen aan de hemel, en de wolken stegen weer op naar de bergtoppen. Het schip voer weer hoog boven het water, en vanaf de bodem van de zee ondersteunden Thetis en haar schoonvader Nereus het met hun machtige armen.

I; 659-680
Daarom bedekte de aanvoerder zijn schouders met een heilige mantel en nam een beker die hij had gekregen van Aeson, die Salmoneus van vreugde over zijn geschenken uit vriendschap had gegeven als terugbetaling voor diens pijlenkoker met pijlen en het goud, hij was nog niet de dolleman die ernaar streefde om de wapens van de hoge Zeus na te maken uit een viervorkige balk, en hem probeerde te evenaren met zijn woeste aanval tegen Athos of Rhodope en de grote bossen verbrandde van ongelukkig Pisa en de rampzalige velden van Elis. Uit deze beker goot hij een plengoffer in de zee en begon te spreken: ‘O goden die de heerschappij over het water en de luidruchtige storm bezitten, wiens paleizen zich in de uitgestrekte en machtige hemel bevinden, en u Vader, die door het lot de zeeën en de tweevormige goden toegewezen kreeg, deze duisternis was wellicht toeval, of, terwijl het hemelse gewelf zich voortbeweegt, de zee heeft de behoefte om nu eens kalm en dan weer opgezweept te worden, of het vreemde en onverwachtste spektakel van een schip met gewapende krijgers dreven u tot een dergelijke wrede woede, ik hoop dat ik op zijn minst een ruime verzoening heb betaald, en uwe godheid, o Heer, kijk daarom vriendelijker op mij neer. Laat mij deze levens terugbrengen naar het land, en laat mij de poort van mijn huis opnieuw omarmen. Dan zullen vele offers in elke plaats uw verdienstelijke altaren voeden, waar het ook is dat u, Vader, boos met uw wagen en paarden staat te kijken, terwijl aan beide kanten een grote Triton de soepele teugels ment – in al onze steden zal u in al uw majesteit worden gevestigd.’

I; 681-693
Zo sprak hij. Toen klonk een kreet, en iedereen stemde met opgeheven handen in met de woorden van hun aanvoerder. Net zoals wanneer de hevige woede van de goden en Sirius, verwoester van de Calabrische velden, neer zijn gedoken op schaapskooi en korenakker, en de angstige groep dorpsbewoners zich verzamelt in een oud bos, terwijl in hun nood een priester eerbiedige geloften voor hen opdraagt. Maar zie, zij zien de zuidelijke wind aan komen waaien; het holle schip vliegt met losse teugels vooruit, het water doorklievend en dansend op het schuim met zijn gevorkte boeg. Tiphys staat aan het roer, en zijn helpers wachten in stilte zijn bevelen af; net als bij de troon van de hoge Zeus alle dingen om hem heen alert zijn en klaar staan voor de god, winden, regenbuien, bliksems, donder en rivieren die zich nog in hun bron bevinden.

De woede van Pelias

I; 694-699
Maar, plotseling folterde een angst die groter was dan menige oude en onheilspellende rampspoed de aanvoerder, omdat hij de zoon van de koning had omgepraat en Acastus en wreed had verraden waardoor de achterblijvers van zijn familie aan de dood werden blootgesteld en zijn vader aan de beproevingen van een misdaad, en hij geen bewaking van wapens had opgetrokken rond diens onbewaakte leven, terwijl hijzelf niet ver daarvandaan in veiligheid was; op hen zou de woede van de koning neerkomen. Deze angsten waren niet ongegrond, en hij wantrouwde de dingen die zouden komen .

I; 700-723
De woedende Pelias gaat te keer op een hoge bergtop waar hij de zeilen van zijn vijand ziet vertrekken, en weet niet hoe hij zijn woede moet luchten. Noch moed, noch rijk baten; gescheiden door de barrière van de zee wrokken zijn soldaten, en de zee weerkaatst het geschitter van hun wapens en toortsen. Zelfs toen de gevleugelde Daedalus van de Ida opsteeg die luid weerklonk van het wapengekletter, zijn zoontje met kortere vleugels aan zijn zijde, slaakten de krijgers van Minos op dezelfde wijze kreten van woede toen een vreemde wolk opsteeg uit de huizen der mensen, elke ruiter zijn ogen vermoeide met doelloos staren, en met ongebruikte pijlenkokers terugkeerden naar Gortys. Vervolgens ligt Pelias uitgestrekt bij de drempel van Acastus’ kamer op de grond en drukt zijn lippen op de plekken waar de jongen heeft gelopen en de geur van zijn voetsporen nog hangt, en met zijn slordige witte haren elke stap volgt: ‘Het kan zijn dat voor jou ogen,’ roept hij, ‘ook de blik verschijnt van je rouwende vader en mijn verdriet te zien is; nu je het verraad en de duizend risico’s op een wrede dood om je heen ziet. Naar welke kusten, ongelukkig kind, kan ik je volgen? Het is niet in de richting van de huizen van Scythië of de mond van de Pontus dat die wrede man zijn reis stuurt; maar jij, mijn jongen, bent in de val gelokt door liefde voor lege roem, en kwelt die hardvochtige ellendeling mij op mijn oude dag met angst. Waarom, als de zeestraten bevaarbaar zouden zijn voor de hoge schepen, zou ik hem niet uit eigen beweging mannen en schepen hebben gegeven? O mijn huis, o geesten van mijn voorouders die nodeloos vertrouwden op jouw nageslacht!’

I; 724-729
Zo sprak hij, en vanwege zijn razernij en dreigende woede was hij verschrikkelijk om aan te zien: ‘Ook hier zijn, jij rover, mannen om jou te verwonden, hier is datgene dat jou tot tranen zal bewegen – je geliefde vader.’ Gelijktijdig ijsbeert hij heen en weer in het verheven paleis, in zichzelf mompelend, en broedend op uiterst wrede plannen: net zoals toen Dionysys zijn woeste hoorns had gekeerd tegen de schuldige Thraciërs, en de bergen van de ongelukkige Haemus zich vulde met duizendvoudige waanzin, de grote bossen van Rhodope kreunden – het was Lycurgus voor wie vrouw en zonen met grote haast vluchtten door de lange zuilengalrijen.

Dood van Aeson

I; 730-751
Juist op dat moment bracht Alcimede heilige offers aan de heer van de Tartarus en de Stygische geesten uit angst om haar machtige zoon, alsof opgeroepen geesten haar meer zekerheid zouden verschaffen. Zelfs Aeson, die haar angst deelde maar een dergelijke onmannelijke angst in zijn hart verborg, was gezwicht en werd geleid door zijn vrouw. In een greppel staat bloed en vele offers voor de verborgen Phlegethon, terwijl een priesteres met felle kreten haar overleden voorouders en de kleinzoon van de grote Pleïone aanroept . En bij het geluid van de vloek kwam een gezicht omhoog, ijl, en Cretheus staarde naar zijn treurige zoon en schoondochter, en nadat hij van het bloed had gedronken sprak hij de volgende woorden: ‘Ban alle angst uit! Hij vliegt over de oceaan, en terwijl hij steeds dichterbij komt verbaast Azië zich over de vele wonderen van de hemel, en wordt moedig Colchis geschokt door de voorspellingen. Helaas! naar welk lot is hij onderweg! Zijn komst is de schrik van vele landen! Nog een korte spanne tijds en hij zal met roem overladen terugkeren met de buit en de bruiden van Scythië; dan zou ik, zelfs ik, verlangen om uit de aarde naar buiten te willen barsten. Maar voor jou bereidt de gewelddadige koning een dodelijke misdaad met wapens voor, broer tegen broer, en koestert het felle vuur van zijn passie. Waarom beneemt jij je niet van het leven, en onstnapt zo snel aan deze bibberende ledematen? Kom, je bent mijn zoon, de stille menigte van de geheiligden roept je al naar hun weiden, en naar je vader Aeolus die hier al fladdert in de eenzame velden.’

I; 752-766
Intussen huiverde het treurende huis vanwege de wanhopige kreten van de slaven, en door de muren van de stad verspreidde zich het gerucht dat de koning duizend soldaten aan het werkven was en opdracht had gegeven om die in te zetten. Gehaast verlieten de priesters de brandende altaren in het bos en wierpen hun mantels af, en Aeson, uit angst voor deze plotselinge gebeurtenissen keek verbaasd om zich heen en vroeg zich af wat hij moest doen. Net zoals een leeuw die wordt omringd door een grote massa mannen lange tijd zal aarzelen, en met wijd opengesperde bek plooien in zijn kaken trekt en ja, zo twijfelde de prins – moet hij zwak als hij is het zwaard grijpen? Zal hij op zijn oude dag de wapens van zijn jeugd oppakken? Zal hij de ouderen en het wispelturige volk van het koninkrijk oproepen? Maar zijn vrouw, met uitgestrekte handen, klampt zich vast aan zijn borst en roept: ‘Nee, jij zult me als jouw partner meenemen in alles wat het fortuin je binnenkort zal brengen; ik zal zonder jou mijn leven niet voortzetten, of naar mijn zoon kijken, ik die het licht van de dag lang genoeg doorstaan heb toen hij scheeps ging ging over de grote zee, ik die de kracht had om dit grote leed te dragen.’ Zo sprak zij door haar tranen heen.

I; 767-773
Dan bedenkt Aeson op welke manier hij uiteindelijk de bedreigingen van de koning kan overtreffen, hoe hij een waardig lot kan omarmen: zijn zoon, zijn huis, het ras van Aeolus en de oorlogen waarin hij had gestreden verdienden een nobele dood. Voorts ziet hij zijn tweede nog onvolwassen zoon voor zich, in wie hij nog grote moed en de kennis over moedige daden moest wekken, en de herinnering in de komende dagen over de dood van zijn vader.

I; 774-783
Daarom keert hij terug naar de heilige riten. In de schemering van een oude cipres, smerig en gruwelijk door diens donkere kleur, stonds nog steeds een stier, met donkerblauwe hoofdbanden om zijn hoorns, en een ruwe kop door het gebladerte van de taxus; het beest was ook terneergeslagen, zwaar ademend en onrustig, bang voor de schaduw die hij zag. De priesteres, in overeenstemming met de gewoonten van haar kwade ras, had hem uitgekozen, verkozen boven alle anderen, om hem nu uiteindelijk te gebruiken voor deze helse praktijken. Toen Aeson zag dat de stier op het moment van deze verschrikkelijke riten onaangeroerd bleef staan, veroordeelde hij hem ter dood, en sprak met een hand op de hoorns voor de laatste keer tegen het noodlottige slachtoffer:

I; 784-811
‘O jij die van Zeus de heerschappij ontving en niet nutteloos het levenslicht aanschouwde, namen die ik kende in raadsvergaderingen en in oorlogen, heilige namen vanwege de goede faam van je kleinkinderen; en u, mijn vader, opgeroepen uit de schaduwen om mijn dood te aanschouwen en opnieuw het verdriet van de mensen op aarde te beleven, o schenk mij toegang tot de verblijfplaats van rust, laat het offer dat ik stuur mijn vriendelijke ontvangst in uw huis aanmoedigen. En u, o meisje , dat schuldige daden rapporteert aan Zeus, die met onfeilbare ogen neerkijkt op de aarde, gij goddelijke Wet, en u Vergelding, oude moeder van de Erinyen, treedt binnen in het zondige paleis van de koning, en laat uw felle fakkel op hem neerkomen. Laat vervloekte angst zijn hart in vervoering brengen; noch laat hem geloven dat mijn zoon met grimmige wapens op zijn schip zal komen, maar laat zijn geest zich zorgen maken over vloten en banieren van de Pontus en prinsen van een verontwaardigde kust ; laat hem eeuwig in angst naar de rand van het water snellen, om zijn strijders roepend; laat de Dood langdurig elk pad van ontsnapping afsluiten dat hij beraamt, laat hem mijn vloeken niet overtreffen, en laat hem het moment aanschouwen wanneer de helden terugkeren en de weg glinstert door de Gouden Vacht. Ik zal het gesnoef weerstaan, en mij met een triomfantelijk gezicht en handen voor hem bewegen. Dan, als er nog monsterlijke daden zijn die je nog niet aangedurfd hebt, enige geheime verschrikking, een manier van doden die nog niet bekend is, o gun hem dan op hoge leeftijd – de verrader! – een beschamend einde, een onbetamelijke dood. En ik bid dat hij nooit waardig wordt geacht om te sneuvelen door de handen van de oorlogsgod, door wapens of door het zwaard van mijn zoon; laat de mensen die hij vertrouwt, laat zijn eigen familie die hij liefheeft hem in stukken scheuren en de bejaarde man verminken, en zijn ledematen nooit in een graf begraven. Dit zal de straf zijn die mijn zoon van de koning eist, en van alle landen, helaas, die de koning naar zee heeft gestuurd.’

I; 812-818
Dan verzoent hij de godin met de drievoudige gedaante, en met zijn laatste offer brengt hij een gebed uit tot de Stygische verblijfplaatsen, snel een spreuk achteruit repeterend, snel om te overtuigen; want zonder dit zal de duistere veerman geen geest meenemen, en staan zij gebonden aan de mond van de Hades . De leidster van de Erinyen stond vlakbij hem, en raakte met harde hand de beker die stoomde van het dodelijke gif aan; zij dronken gretig en tapten het bloed uit de kom af.

I; 819-826
Er ontstond een groot tumult; in het soldatenkamp klonk een barse kreet en op bevel van de koning wapens de wapens getrokken. Zij zagen het oude paar al in de greep van het lot, hun ogen doods starend, een een giftige stroom bloed uitbrakend; en jij, kind, onschuldig op de drempel van het leven werd bleek toen jij je ouders zag, ze verminkten je en stuurden jou naar je ouders. Bibberend overleed hij naast Aeson, en zijn geest droeg de herinnering aan de wolken in de hemel.

I; 827-851
Diep onder onze pool, afgesneden van de gebeurtenissen in de bovenwereld, ver onder de grond staat het paleis van de Tartareaanse Vader; het zou nooit het lot van de omvallende lucht delen, zelfs niet wanneer de massa aan het rollen werd gebracht bij de gapende mond van Chaos, zo groot dat deze alle materie kan verzwelgen, vermoeid door zijn eigen last, en het vallende universum. Hier bevinden zich twee deuren naar de schaduwen beneden; één, op last van een strenge wet, staat altijd open en ontvangt landen en koningen; maar de ander mag niemand benaderen, of proberen te ontsluiten; hij gaat slechts sporadisch open, wanneer een aanvoerder aankomt met roemvolle wonden op zijn borst, wiens huis trofeeën van helmen en wagenwielen bevat, of iemand die ernaar streefde om de zorgen van de mensen te verlichten, wiens verering levendig werd gehouden, die alle angst had uitgebannen en geen verlangen kende, of wanneer een priester met hoofdbanden en zuivere kleding naderde. Hen leidt de zoon van Atlas allemaal voorwaarts, met kalme pas bewegend, een toorts in zijn hand. In de verte glanst het pad door het vuur van de god, totdat zij bij het bos komen en de woningen van de geheiligden en de weiden waar het hele jaar door zon en zonovergoten dagen heersen, waar wordt gefeest en gedanst en gezongen, en al die andere dingen waar landen tegenwoordig geen behoeft meer aan hebben. Naar deze rustplaats met zijn eeuwige muren leidt de vader zijn zoon en vrouw. Vervolgens toont hij welke vreselijke marteling Pelias te wachten staat bij de linkerpoort, hoeveel monsterlijke wezens er op de drempel staan te wachten. Ze genieten van het geweldige tumult, bij de aanstormende bende; zij vergapen zich aan het gebied waar vriendelijke deugd in de wereld wordt beloond.

© 2018 Maarten Hendriksz