Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Achilles - Ligyron – Pelide – Aeacide

Achilles is de grootste held uit de Trojaanse Oorlog en wordt in vele mythen omschreven. Volgens de schrijver Homerus was hij de schoonste, verhevenste, dapperste en sterkste van alle helden in die periode. Achilles heeft een ingewikkeld karakter en neemt beslissingen op basis van emoties. Hij voelt een enorme haat voor zijn vijanden en grote liefde voor zijn vrienden. Maar ondanks deze extreme uitingen beschikt hij over een groot inzicht en zelfkennis en weet dat hij jong zal sterven. Oorspronkelijk werd hij Ligyron genoemd, omdat zijn lippen nooit gezogen hadden aan een borst, maar gaf Chiron hem de naam Achilles. Vaak wordt Achilles ook aangeduid met Pelide of Aeacide vanwege zijn afstamming.

Geboorte

Onderdompeling Achilles

Achilles wordt geboren als zoon van Peleus, de sterfelijke koning van de Myrmidonen in Phthia, en Thetis, één van de onsterfelijke Nereïden. De oude zeegod Proteus 2 had Thetis eens een voorspelling gedaan: ‘Jij, Thetis, zult moeder worden van een zoon, die in zijn sterke jaren de kracht en roem van zijn vader zal overtreffen.’ Vandaar dat Zeus, uit angst dat iemand machtiger dan hijzelf zou worden, hoewel hij een vurige hartstocht voor Thetis voelde, toch van de omgang met die zeegodin afzag en aan zijn kleinzoon Peleus vroeg om met Thetis te trouwen. Ook de oude godin Themis had een soortgelijke voorspelling aan Zeus gedaan.

Thetis wist dat haar zoon een kort leven voorspeld was en wilde hem onsterfelijk maken. Om deze reden lag ze Achilles ’s nachts in het vuur zonder dat Peleus het wist, om de sterfelijkheid, die hij van zijn vader geërfd had, weg te branden. Overdag zalfde zij hem in met Ambrozijn. Maar op een nacht sprong Peleus, toen hij zijn zoontje in het vuur zag spartelen, uit bed en slaakt een luide kreet. Toen Thetis dat hoorde, greep zij het kind en gooide Achilles, terwijl hij huilde, op de grond en ging er als een wervelwind vandoor. Zo verliet zij het huis en sprong boos in zee waarna zij weer bij haar zusters, de Nereïden, ging wonen. Nadat Thetis uit huis was vertrokken bracht Peleus Achilles naar de centaur Chiron op de berg Pelion om voor de verdere opvoeding van zijn zoon te zorgen.

Alternatieve versie

Volgens de schrijver Hesiodus wierp Thetis haar zoon niet in het vuur maar in een ketel met water om te ontdekken of hij sterfelijk was. Volgens weer een andere mythe werd Achilles door zijn moeder, direct na zijn geboorte, ondergedompeld in de onderwereldrivier Styx om hem onkwetsbaar te maken voor wapens. Daarbij hield zij hem bij de hiel vast waardoor dit zijn enige kwetsbare lichaamsdeel was.

De jeugd van Achilles

Bij Chiron

Chiron, die samen met zijn vrouw Chariclo 3 in een grot op de beboste berg Pelion woonde, geeft Achilles een harde opvoeding om hem klaar te stomen voor zijn latere strijdbare leven in Troje. De nog kruipende jongen krijgt geen gewoon voedsel te eten maar moet knagen op taaie ingewanden van leeuwen en halfdode wolven of het merg van beren. Hij geeft hem op zeer jonge leeftijd een pijlenkoker en boog om te leren jagen en niet bang te zijn maar te lachen bij het zien van wilde dieren. De liefde voor staal groeide snel in Achilles en zijn huid werd gehard door een overvloed aan zon en ijzige koude. Hij kreeg geen bed maar moest op de harde rotsgrond slapen.

Als Achilles nog een kleine jongen is nemen Chiron en Chariclo 3 hem mee vanaf de bergtop naar de kust om daar afscheid te nemen van zijn vader Peleus die deelneemt aan de tocht van de Argonauten. Zodra Achilles zijn vader ziet en de welbekende stem hoorde steekt hij zijn armpjes naar hem uit voor een omhelzing. Peleus grijpt verheugd zijn zoon en zegt naar de hemel opkijkend: ‘Zeker, als u wilt dat Peleus over kalme golven snelt en naar een volgende wind verlangt, bescherm dan, goden, dit leven op dezelfde manier. Al het andere doet u, Chiron. Laat mijn kleine zoon zich verbazen om u te horen spreken over klaroenen en over oorlogen. Leer hem zijn jongensachtige wapens te hanteren tijdens de jacht, en hem binnenkort naar mijn speer te grijpen.’ Daarna vertrekt het schip.

Aan het begin van zijn tienertijd leerde Chiron Achilles hoe hij snelle hinden en paarden voorbij moest rennen en speren in hun vlucht op te vangen. Vaak joeg Chiron Achilles met halsbrekende snelheid op over de vlakten. Als de rivieren nauwelijks bevroren waren droeg Chiron hem op om met lichtvoetige stappen over het ijs te lopen zonder het te breken. Voorts stond Chiron niet toe dat Achilles bange lynxen of konijnen zou verjagen met zijn speer maar moest hij van hem woeste beren en leeuwinnen met welpen uit hun hol verjagen.

Ook moet Achilles van Chiron meevechten in de gewapende strijd van naburige volkeren, waaronder de Lapithen, om alle technieken van de wrede oorlogvoering onder de knie te krijgen. Door al deze lessen werd Achilles een meester in het hanteren van speer, slinger, boog en zwaard. Ook het uitvoeren van een stormloop, het beklimmen van bergpieken, afweren van stenen, het mennen van vierspannen en snel een heuvel oprennen beheerste Achilles tot in de puntjes. Daarnaast oefende Chiron Achilles in vele sporten zoals het worstelen en boksen.

Opvoeding van Achilles

Maar er werd ook gewerkt aan de culturele opvoeding van Achilles. Tijdens de rustpauzes, na de zware inspanningen, leerde Chiron hem spelen op de lier en onderwees hij Achilles in de verhalen over de helden van vroeger. Ook leerde hij hem over de sappen en gewassen die zieken konden helpen, welke middelen betrouwbaar waren om bloedingen te stelpen, welke ziekte met een operatie genezen kon worden en welke met kruiden. Ook prentte hij bij Achilles de wetten van de goddelijke rechtvaardigheid diep in zijn hart.

Heracles kwam eens op bezoek nadat hij een deel van zijn werken voltooid had waarbij Chiron Heracles gastvrij ontving. Achilles kon zijn handen niet thuishouden en probeerde de huid met ruige haren aan te raken terwijl de oude man de pijlen betastte die waren ingesmeerd met vergif. Terwijl hij dit deed viel één van die pijlen uit de pijlenkoker en bleef in zijn linkervoet steken. Chiron kreunde en trok het staal uit zijn lichaam. De centaur mengde daarop kruiden die hij had verzameld in de heuvels en verzorgde de wond met verschillende middeltjes. Maar het knagende gif tartte alle middelen, en het verderf drong in de botten en zijn hele lichaam. Achilles stond badend in tranen voor hem als voor een vader en streelde de zwakke handen vaak met zijn eigen liefhebbende handen. De leraar oogstte de beloning voor het karakter dat hij gesmeed had.

Tijdens deze jaren in de grot bezoekt zijn moeder Thetis hem regelmatig om te kijken hoe de opvoeding van haar zoon vordert. Ook voorspelt Thetis Achilles dat hij twee wegen kan bewandelen in zijn leven. Thuis blijven, oud worden, en een roemloze dood sterven, of meegaan naar Troje. Nadat Chiron verwond was door de pijl van Heracles komt zij ook weer naar de grot. Ze wordt gekweld door bange dromen en heeft verschrikkelijke voortekens van de goden ontvangen. De ziener Calchas had namelijk verklaard dat Troje niet zonder Achilles genomen kon worden. Maar Thetis had ook voorkennis dat Achilles zou omkomen tijdens die veldtocht. Dit alles vertelde ze echter niet aan Chiron, maar hoewel deze ook enigszins in de toekomst kan kijken, en haar bedoelingen doorziet, weigert hij niet om Achilles mee te geven.

Even later komt Achilles, dik onder het stof van de jacht, de grot binnen. Wanneer hij Thetis ziet werpt hij zijn buit weg en sluit haar in zijn verlangende armen. Daarna wast hij zich in de dichtstbijzijnde rivier om zijn dampende gezicht op te frissen. Ze gebruiken nog een gezamenlijk maaltijd waarbij Chiron geniet van het resultaat van zijn opvoeding en Thetis van de knappe jongeman die hij geworden is. Ten slotte bezingt Achilles nog enkele roemrijke helden uit het verleden en gaat met zijn moeder mee.

Op weg naar Scyros

Thetis roept een paar Dolfijnen op en reist daarmee over zee, naar het eiland Scyros, terwijl ze de slapende Achilles vrouwenkleren aantrekt en hem in haar armen houdt. Wanneer de volgende ochtend Achilles wakker wordt is alles voor hem anders en vraagt hij ongerust aan zijn moeder waar ze zijn. De godin zegt hierop tegen haar zoon: ‘Lieve jongen, als een vriendelijk lot mij het huwelijk had gebracht dat ik wenste, zou ik jou in de velden van de hemel vastgehouden hebben. Een roemvolle ster, in mijn armen, als een hemelse moeder zou ik het lot van de aarde niet gevreesd hebben. Maar jouw geboorte is niet goddelijk, mijn zoon, en de weg naar de dood is alleen van je moeders kant geblokkeerd. Bovendien komen tijden van verschrikking naderbij, en zweeft er gevaar boven het uiteindelijke doel. Trek je daarom terug, ontspan je machtige geest een tijdje, en veracht dit gewaad van mij niet. Ik smeek je, laat me je helpen te ontsnappen aan die dreigende, onheilspellende wolk. Waarom wendt jij je af? Wat betekent die blik? Schaam jij je om verwijfd te lijken in die kleren? Lieve jongen, ik zweer het bij het water van mijn familie, Chiron zal hier niets over horen.’ Zo bewerkte ze zijn ruwe hart, hem ijdel vleiend. De gedachte aan zijn vader en grote leraar verzette zich tegen haar gesmeek en het ruwe begin van zijn machtige geest, maar hij besluit toch om aan haar wil te gehoorzamen.

Achilles en Deidamia

Ontmoeting met Deidamia

Als ze op Scyros aankomen viert men daar net een feestdag ter ere van Athena en komen de dochters van koning Lycomedes 2 terug van de heilige bron. Ze waren prachtig om te zien en allen hetzelfde gekleed met bladerkransen in hun haren. Hun meisjesjaren liepen ten einde en waren maagdelijk rijp voor het huwelijksbed. Alleen Deidamia 1 stak in schoonheid boven de rest uit, met een felle kleur op haar gezicht terwijl een stralend licht door haar juwelen werd weerkaatst. Toen Achilles haar aan het hoofd van de groep zag trok er een vreemd vuur door zijn lichaam. Zijn wangen gloeiden en hij begon licht te zweten. Ruwe bolster als hij was had hij nog geen kennis gemaakt met de liefde. Het moment benuttend sprak zijn moeder hem aan: ‘Is het te veel voor je, mijn zoon, om voor te wenden samen met deze meisjes te dansen en met hen te sporten? Heb jij onder de rotsen van de Pelion ook zoiets? O, was het mijn lot maar om twee liefhebbende zielen bij elkaar te brengen, en een andere Achilles in mijn armen te houden!'

Achilles liet zijn boosheid varen, bloosde van vreugde, en met een steelse zijdelingse blik sloeg hij de kleding minder zeker van zich af. Zijn moeder die hem zag twijfelen en minder onwillig worden, liet zijn stoere nek zachter lijken, veranderde zijn sterke schouders, ontspande de spieren van zijn armen, bedwong en fatsoeneerde zijn wilde haren naar behoren, en hing haar eigen halsketting om zijn nek. Toen leerde ze hem om met zijn voeten binnen de geborduurde rok te lopen en bescheiden te bewegen en te spreken. Ze was niet lang bezig, hij straalde met een charme die zijn mannelijkheid niet verwoestte, en daagde de toeschouwers uit over zijn geslacht na te denken dat met een kleine marge zijn geheim verborg.

Ze liepen naar voren, en Thetis sprak voortdurend wijze raad en overtuigende woorden: ‘Op die manier, mijn zoon, moet je lopen, zo je handen bewegen, je gezellinnen imiteren en hun manier van doen, opdat de koning je niet verdenkt en je niet toelaat tot de vrouwenvertrekken, waardoor de sluwe list van deze onderneming teniet wordt gedaan.’ Aldus sprekend vergat ze niet om de laatste hand aan zijn kleding te leggen.

Achilles blijft achter op Scyros

Onmiddellijk klampt ze de koning aan, en daar in de nabijheid van het altaar zegt ze: ‘Hier is de zuster van mijn Achilles. Ziet u niet hoe trots haar blik is net als die van haar broer? Zo’n voorname geest, ze smeekte om wapens en een boog om aan haar schouders te hangen, en versmaadt als een Amazone de gedachte aan het huwelijk. Maar mijn zoon brengt mij al genoeg zorgen. Laat haar de manden naar het offer brengen, past u op haar en bedwing haar eigenzinnigheid, houdt haar afgescheiden van het andere geslacht, totdat de tijd voor het huwelijk is aangebroken en het einde van de ingetogenheid van haar meisjesleeftijd. Duldt niet dat zij deelneemt aan wilde worstelwedstrijden, of aan de jachtpartijen in het bos. Laat haar in het huis verblijven, in afzondering met meisjes van haar eigen leeftijd. Vergeet haar vooral niet weg te houden van de havens en de kust.’

De koning willigde haar woorden in, en kreeg de vermomde Achilles door de list van de moeder. Erger nog, hij vereert haar met de hand van een smekeling, en bedankt haar omdat hij was uitverkoren. Verwonderd werpt de meisjesgroep van Scyros snelle doordringende blikken naar het gezicht van hun nieuwe vriendin. Wat steekt zij met kop en schouders boven hen uit, hoe breed zijn haar borst en schouders. Dan nodigen zij haar uit om deel te nemen aan de dans en de heilige riten, gaan opzij en maken ruimte voor haar en verheugen zich om dicht bij haar te zijn. Voordat ze vertrekt, treuzelt de moeder lang bij de poort, terwijl zij herhaalde adviezen en gefluisterde geheimen in zijn hoofd prent en hem op gedempte toon haar laatste raadgevingen geeft. Dan duikt zij in de zee en, telkens omkijkend, zwemt ver weg.

Achilles en Deidamia

Nadat zijn moeder vertrokken was koos Achilles onmiddellijk, hoewel de hele groep zich om hem heen verzamelde, Deidamia 1 als kameraad en probeerde met nieuwe en overrompelende verlokkingen haar niets vermoedende onschuld voor zich te winnen. Hij volgde haar, bestookte haar voortdurend, en telkens opnieuw ging zijn blik naar haar uit. Overijverig verbleef hij aan haar zijde, en ook zij ontweek hem niet. Nu eens belaagde hij haar met bloemenslingers, dan weer met mandjes die hun last lieten vallen, of met de thyrsus die haar niet deerde, dan weer toonde hij hoe vaardig hij was op de lier die hij zo goed kende, en de lessen en liederen die Chiron hem had onderwezen. Hij begeleide haar hand en liet haar vingers de klinkende harp bespelen, wanneer zij zong hing hij aan haar lippen, nam haar in zijn armen, en prees haar met duizend kussen. Met graagte vernam zij de verhalen over de top van de Pelion en over Achilles, en luisterde met verwonderding en verbazing naar de naam en heldendaden van de jeugd, en zong in aanwezigheid van Achilles.

Deidamia 1 op haar beurt leerde hem zijn sterke ledematen met meer gratie te bewegen en het spinnen van de ruwe wol door die met zijn duim te wrijven, het spinrokken te herstellen en de strengen die zijn ruwe handen hadden beschadigd. Ze verbaasde zich over de lage tonen van zijn stem, hoe hij al haar zusters schuwde en haar aankeek met priemende blik terwijl hij ademloos luisterde naar alles wat ze zei. Hij is bereid om het bedrog te onthullen, maar ze speelt het wispelturige meisje, en schenkt hem geen gelegenheid om de waarheid te vertellen.

Uiteindelijk werd de list van de bange Thetis blootgelegd. Er was daar een hoog bos waar de vrome huisvrouwen om de drie jaar een festival hielden. De wet schreef voor dat mannen er ver weg van bleven. De koning herhaalde die opdracht, en vaardigde een bevel uit dat geen enkele man die heilige riten mocht benaderen. Toch was dat niet voldoende. Een eerbiedwaardige priesteres stond bij de afgesproken grens en hield alle naderingen in de gaten, om te voorkomen dat een schenner in de buurt van de groep vrouwen kwam. Achilles lachte stilletjes in zichzelf. Zijn gezelschap verbaasde zich over hem toen hij de groep maagden leidde en zijn machtige armen onhandig bewoog. Deidamia 1 was niet meer de mooiste van haar groep, en hoewel ze haar eigen zussen overtrof, verloor zij de vergelijking met de trotse Achilles. Maar toen hij een hertenhuidje van zijn welgeschapen nek liet hangen, zijn vloeiende haar met klimop versierde, de paarse hoofdband hoog om zijn blonde hoofd deed, en met krachtige hand de omkranste thyrsus greep, keek de menigte verbaasd toe, en werden de heilige riten verlaten om zich om hem heen te verdringen, terwijl zij hun gebogen hoofden optilden om hem te zien.

Achilles’ onthulling aan Deidamia

Achilles en Deidamia

De Maan klom op naar het midden van de hemel, toen Slaap met grote vleugelslagen naar beneden kwam en een stille wereld in zijn armen sloot. De koren verstilden, het geslagen brons werd een poosje stil, toen Achilles, die was afgescheiden van de groep maagden, tegen zichzelf zei: ‘Hoelang zul jij de opdrachten van je angstige moeder nog verdragen, en deze eerste bloem van je mannelijkheid verspillen in deze lieflijke gevangenis? Je mag je niet in een oorlog begeven of wapens dragen, geen dieren bejagen. Oh, je staart tevergeefs naar de vlakten en valleien van Haemonië. Ben ik al besproken voor de Stygische schaduwen in de verte, en huilt de eenzame Chiron over mijn dood? Ik heb geleerd om met mijn armen te zwaaien wanneer ik de wijnstokken grijp, en de draad te spinnen! Erger nog, dag en nacht veins je over de liefde die bezit van je heeft genomen, en je passie voor het meisje van dezelfde leeftijd. Hoe lang zul je de wond verhullen die je hart kwetst, en de liefde, wat een schande, niet met je eigen mannelijkheid bewijzen?’

Zo sprak hij. En in de donkere duisternis van de nacht, verheugd dat de roerloze stilte hem de gelegenheid schonk voor zijn geheime daden, gaf hij eindelijk toe aan zijn verlangen, en sloot haar met al zijn kracht in een warme omhelzing. Het bos en de bergen weerklonken van haar kreten, maar de groep van Dionysus 2 dachten dat dit het teken was voor de dans. Van alle kanten klonken de welbekende kreten, en Achilles zwaaide opnieuw met de thyrsus. Maar eerst troostte hij het bange meisje met vriendelijke woorden: ‘Ik ben degene, waarom ben je bang, die mijn hemelsblauwe moeder bijna voor Zeus baarde, en naar de wouden en sneeuw van Thessalië werd gestuurd om grootgebracht te worden. Ik had deze jurk en beschamend gewaad niet verdragen, als ik jou niet had gezien aan de kust. Om jou stemde ik toe, voor jou draag ik mijn haar in een knot en de vrouwelijke tamboerijn. Waarom huil je, die de schoondochter van de machtige Oceaan wordt?’

De prinses was door de gebeurtenissen van schrik verlamd, hoewel ze lang aan zijn goede trouw had getwijfeld, huiverde ze nu bij zijn aanwezigheid, en het veranderende gezicht tijdens zijn bekentenis. Wat moest zij doen? Moest zij het verhaal van haar ongeluk aan haar vader vertellen, en zo de ondergang van zichzelf en haar minnaar inluiden, die daardoor misschien een vroegtijdige dood onder ogen moest zien? In haar borst woedde de liefde die zo lang was bedrogen. Ze was stil in haar verdriet, en huichelde de misdaad die zij nu samen deelden. Alleen haar min maakte zij deelgenoot van haar bedrog, en zij, toegevend aan de smeekbeden van beiden, stemde in. Gewiekst verborg ze de ontering, de dikker wordende buik, en de last van moeizame maanden. Totdat Eileithyia de bepaalde tijd aankondigde, zij haar draagtijd volledig doorlopen had, en beviel van haar kind, dat vanwege zijn rode haar Pyrrha 2 werd genoemd, maar later Neoptolemus zou heten.

Tussen de meisjes

Intussen was het gerucht over een op handen zijnde oorlog tegen Troje tot de meisjesverblijven doorgedrongen en dat twee Griekse koningen, Odysseus en Diomedes 1, met hun schip waren aangekomen om een bezoek te brengen bij koning Lycomedes 2. De meisjes schrokken, maar Achilles kon zijn vreugde nauwelijks verbergen en verlangde er gretig naar om deze helden en hun wapens te zien. Toen op bevel van hun vader de meisjes naar de feestmaaltijd werden geroepen bekeek Odysseus zorgvuldig hun gedaanten en kenmerken. Hem was door de ziener Calchas verteld dat Achilles zich bij koning Lycomedes 2 verborg. Maar de nacht, en de lampen die werden binnengebracht, misleidde hem en hun gestalten waren niet meer duidelijk zichtbaar zodra zij op de ligbanken plaatsnamen. Odysseus merkte er echter één op met een hoog opgericht hoofd en dwalende blik, één die geen tekenen van maagdelijke bescheidenheid uitstraalde, en wees die met zijdelingse blikken aan Diomedes 1 aan. Maar Deidamia 1, om de haastige jongen te waarschuwen, drukte hem tegen haar zachte boezem en bedekte met haar mantel constant zijn blote borst met naakte armen en schouders. Zij verbood hem vele keren van de bank op te staan, om wijn te vragen, en trok de gouden haarband weer over zijn hoofd.

Tijdens de feestmaaltijd vertelt Odysseus over de ophanden zijnde oorlog en de vele roemrijke daden die voltrokken zullen gaan worden. Hij vertelt ook dat zij op zoek zijn naar Achilles en dat deze zich aan het hof van koning Lycomedes 2 zou bevinden. De koning ontkent dat hij daar is, maar geeft hen toestemming om de volgende dag het paleis te doorzoeken. Odysseus ziet de vermomde Achilles oplettend kijken en zijn woorden tot zich nemen met een waakzaam oor, hoewel de rest gealarmeerd is maar hun blikken neerslaan, en hij herhaalt: ‘Wie trots op zijn ras en afkomst is, wie een doeltreffende speer heeft en moedige paarden, of vaardigheid met de boog, wacht daar alle eer. Daar is de strijd van machtige namen. De angstige moeders of de groepen meisjes houden hen nauwelijks tegen. Ah! Gedoemd tot ellendige jaren en gehaat door de goden is hij die deze kans op roem voorbij laat gaan in vergeefse luiheid!’

Achilles zou van de bank zijn opgesprongen, als de oplettende Deidamia 1 niet een teken aan al haar zussen had gegeven, en het banket verliet terwijl zij hem in haar armen hield. Maar zijn blik bleef op Odysseus hangen, en ging als laatste van de groep weg. Odysseus spreekt nog een paar woorden tegen Lycomedes 2: ‘Maar u blijft hier in alle rust, en vindt echtgenoten voor uw geliefde dochters, die het fortuin u heeft geschonken, goddelijk met hun stralende uiterlijk. Dergelijke charme en schoonheid verenigt in een mannelijke gedaante!Lycomedes 2 antwoordde: ‘Wacht maar tot u ze morgen bezig ziet met de riten van Dionysus 2, of bij het altaar van Pallas.’ Ze accepteerden gretig zijn belofte, en hoop inspireerde hun stille gebeden. Ieder ander in het paleis van Lycomedes 2 genoot van een vredige slaap, maar voor de listige Odysseus was de nacht lang. Hij verlangde naar de dag en duldde geen slaap.

Ontdekt

De dag was nauwelijks aangebroken, of Diomedes 1 en Odysseus waren al aanwezig om geschenken te brengen. De meisjes van Scyros vertrokken uit hun kamer en traden aan om hun dans en beloofde riten te tonen aan de geëerde vreemdelingen. De prinses met haar kameraad Achilles straalde. Zij begonnen te bewegen, en de fluit speelde tonen voor de danseressen. Viermaal sloegen zij op de bekkens, viermaal op de gekmakende trommels, viermaal gingen zij rond in hun vele cirkels. Toen bewogen zij hun stokken op en neer, en maakten ingewikkelde passen. Maar Achilles, terwijl hij boven iedereen uitstak, bekommerde zich niet om de maat, verachte meer dan ooit de gevoelige pas, de vrouwelijke kleding, verbrak de dans en verstoorde het schouwspel.

Ontdekking van Achilles

De groep verspreidde zich onder luid applaus, en ging terug naar het huis van hun vader, waar Diomedes 1 in de centrale zaal van het paleis de geschenken had uitgestald die de meisjesogen zouden bekoren, als dank voor het vriendelijke welkom en loon voor hun arbeid. Tussen al deze snuisterijen lagen ook een prachtig schild en speer waarvan de meisjes dachten dat deze voor hun vader bedoeld was. Diomedes 1 nodigde hen uit om te kiezen, en de vreedzame koning zei geen nee.

Plotseling klonk er een oorlogstrompet. Achilles, die dacht dat de vijand aanviel, stroopte zijn vrouwenkleding af, greep schild en speer en werd op deze manier ontdekt. Toen liep Odysseus snel naar hem toen en fluisterde: ‘Waarom aarzel je? We kennen je, jij bent de pupil van de centaur Chiron, jij bent de kleinzoon van de lucht en de zee. Op jou wacht de Griekse vloot, je eigen Griekenland wacht met hoog opgeheven vaandels voor de opmars, en de wankelende en zwaaiende muren van Troje wachten op jou om neer te halen. Kom! Wacht niet langer! Laat de trouweloze Ida verbleken, maak je vader blij met dit bericht, en laat de slinkse Thetis zich schamen dat ze zo bezorgd om je was.’ Daarop beloofde Achilles zijn steun aan de Grieken.

Afscheid van Deidamia

Deidamia 1 is ontroostbaar over de ontdekking en jammert luid. Zodra Achilles dit hoort breekt bij hem de strijdlust, laat zijn schild en speer vallen, en zegt tegen koning Lycomedes 2: ‘Ik ben Achilles, die Thetis aan u gaf. U bent het die de lang gezochte Achilles naar de Grieken zult sturen. Maar, als u wilt, laat mij nog even blijven, geef mij uw dochter als vrouw en schenk haar gratie. Deidamia 1 heeft zich in het geheim al met mij verbonden en u een kleinzoon geschonken. Laat mij deze daad goedmaken en ik zal hier blijven.’

Daarop smeekte Odysseus met overtuigende gebeden en Lycomedes 2, geschokt over de misdaad van zijn dochter en het bedrog van Thetis, lijkt erover na te denken om de godin te verraden en het geschonken vertrouwen te schenden. Maar hij was bang om de goden te weerstaan en ook om de oorlog van de Grieken te vertragen. Daarnaast wil hij graag zo’n schoonzoon voor zichzelf winnen en stemt in. Een boodschapper wordt naar Haemonië gestuurd om Peleus over deze grote gebeurtenis te berichten en om soldaten en schepen voor de oorlog op te eisen. Bovendien laat Lycomedes 2 twee schepen te water voor zijn schoonzoon. De rest van de dag werd feestend doorgebracht, het tweetal in de echt verbonden, en werden de twee onverschrokken minnaars verenigd in de nacht.

De volgende ochtend neemt Achilles afscheid en werpt Deidamia 1 zich om zijn nek. Tijdens dit afscheid komen de tranen en zegt zij: ‘Zal ik je terugzien, en weer op je borst liggen, o zoon van Peleus? Zal jij het je verwaardigen om terug te keren en nog een keer naar je zoon te kijken? Of zal jij trots de buit van Troje naar huis brengen en het meisje vergeten waar jij je hebt schuilgehouden? Eén enkele nacht heb je mij gegeven en gegund! Is dit echtelijke trouw, of wordt je mij alleen geschonken om direct weer weggerukt te worden! Ga, en wees voorzichtig. Ga, en herinner dat de vrees van Thetis niet vergeefs was. Ga, maar kom bij mij terug!’ Terwijl zij zo sprak troostte Achilles haar, door medelijden bewogen, en bezwoer haar plechtig onder tranen dat hij met een rijke buit zou terugkeren. De wispelturige wind blies zijn woorden echter onvervuld weg.

Ontdaan van zijn vrouwenkleren, en met de wapens die Odysseus voor hem had neergelegd, stapt Achilles als een stralende aanvoerder op het schip nadat hij eerst nog aan zijn moeder had geofferd en daarbij zei: ‘Moeder, ik heb je gehoorzaamd, hoewel uw opdrachten moeilijk te dragen waren. Ik ben gehoorzaam geweest maar nu eisen zij mij op, en ga ik naar de Trojaanse Oorlog en de Griekse vloot.’ Eenmaal onderweg vraagt Achilles aan Odysseus naar de oorzaak van de twist met de Trojanen. Hierop licht Odysseus hem in over de schaking van Helena door Paris en het verbond van de Griekse leiders om haar terug te halen. Hoe het leger wordt verzameld en zij over enige tijd met een grote vloot naar Troje zullen uitzeilen. Odysseus vraagt aan Achilles om ook een zo groot mogelijk leger met schepen bij zijn vader Peleus op de been te brengen en naar Aulis te komen wanneer de oproep komt.

Weer thuis bij Peleus

Eenmaal thuis aangekomen, in het grote huis met het hoge dak waar hij door zijn liefdevolle oude vader ontvangen wordt, gaat de opvoeding van Achilles, in afwachting van de oorlog, verder. Peleus wijst Phoenix 1, de zoon van Amyntor 1 uit Thessalië, aan om de verdere opvoeding van Achilles te verzorgen. Deze beschouwt Achilles als zijn eigen zoon die hij zelf niet had en getroost zich veel moeite om de jongen verder te ontwikkelen tot een uitmuntende strijder en alles waar een man naam mee maakt, de beste van alle Grieken.

Ook neemt Peleus als pleegkind Patroclus 1 in zijn huis op, de zoon van Menoetius 1. Deze moest uit zijn vaderland vluchten omdat hij per ongeluk, tijdens het klootschieten, de zoon van Amphidamas 2 doodde. Peleus geeft hem als vriend aan Achilles en tussen de twee jongens groeit een hechte vriendschap en warme liefde op.

Van zijn vader krijgt Achilles een lange en zware speer die door Chiron was gesneden uit een es op de berg Pelion om de Trojanen te bestrijden. Zijn vader had deze speer op zijn beurt gekregen van Chiron om dood en verderf te zaaien onder zijn vijanden. Het was een loodzware speer die niemand anders, behalve Achilles, kon hanteren. Ook schenkt Peleus aan Achilles zijn wapenuitrusting en twee onsterfelijke paarden die hij van de goden had gekregen tijdens zijn bruiloft met Thetis. De Riviergod Sperchius 1 voorspelde Peleus dat Achilles zijn haar pas weer zal afknippen als hij veilig vanuit Troje was teruggekeerd. Achilles op zijn beurt beloofde Sperchius 1 dat hij vijftig onbesneden rammen aan de Riviergod zou offeren als hij behouden uit de oorlog zou terugkeren.

Achilles vraagt nogmaals toestemming aan zijn vader Peleus om deel te mogen nemen aan de Trojaanse Oorlog onder koning Agamemnon. Als hij hem dit vraagt zegt Peleus: ‘Mijn zoon, Athena en Hera zullen je sterk maken, als dit hun wens en verlangen is. Het is aan jou om je trotse geest te bedwingen, want beter dan trots is een hart, dat gewillig is en welgezind. Twisten zijn rampen, die leiden tot verderf en dood. Wees niet twistziek, en des te meer zullen de Grieken, of zij nu oud of jong zijn, jou met eer overladen.’

Intussen was Achilles uitgegroeid tot een imposante jongeman. Hij had een brede borst, een mooie mond, en sterke armen en benen. Zijn hoofd was bedekt met lang golvend kastanjebruin haar. Hoewel normaal gesproken vriendelijk in de omgang, was hij zeer fel in de strijd. Hij was een toonbeeld van stoere macht, schoonheid, gestalte, moed en karakter. Zijn gezicht straalde het plezier uit van een man die vele rijkdommen bezit. Ook Patroclus 1 was knap en krachtig gebouwd. Zijn ogen waren grijs, hij was bescheiden, betrouwbaar en wijs.

Na enkele jaren komen Nestor en Odysseus naar het huis van Peleus met het bericht dat de strafexpeditie gaat beginnen. Als zij het huis bereiken is Peleus, terwijl Menoetius 1 zijn gast is, op het erf bezig een offer aan Zeus te brengen, terwijl Achilles en Patroclus 1 het vlees aan het bereiden zijn. Als Odysseus en Nestor in de poortopening verschijnen springt Achilles verrast op en voert hen aan de hand naar binnen waar hij hen onthaalt op een lekkere maaltijd. Toen zij hun honger gestild hadden vertelde Nestor waar zij voor gekomen waren. Zowel Patroclus 1 als Achilles zijn uiterst gretig om ten strijde te trekken en Peleus drukt Achilles op het hart om altijd boven iedereen uit te blinken in moed. Ook Menoetius 1 geeft zijn zoon Patroclus 1 goede raad en Achilles belooft daarop dat hij hem veilig en wel terug zal brengen. Uiteindelijk vertrekt Achilles samen met Patroclus 1 en Phoenix 1 naar Athene om zich daar bij de oorlogsvloot te voegen.

Vertrek uit Griekenland

De strijdgroep van Achilles

Vanuit Phthia zeilt Achilles met vijftig schepen naar de haven van Athene waar hij zich aansluit bij de rest van de vloot der Grieken. Zijn schepen zijn elk bemand met vijftig Myrmidonen, de uiterst strijdlustige soldaten van zijn vader. Deze mannen staat onder bevel van Achilles maar worden geleid door vijf onderbevelhebbers. De eerste strijdgroep wordt aangevoerd door Menesthius 2, de zoon van Riviergod Sperchius 1. De tweede groep door de krijgshaftige Eudorus, de derde groep door speervechter Pisander 2, de vierde groep door de oude wagenstrijder Phoenix 1 terwijl Alcimedon 1 de vijfde aanvoerde.

Benoeming van de aanvoerders

In Athene moeten alle aanvoerders eerst besluiten wie het opperbevel over het gehele leger krijgt. Zij krijgen in de tempel van Hera een stembriefje waarop zij de naam invullen van de man die zij daarvoor het meest geschikt achten. Agamemnon werd met instemming van iedereen verkozen. Daarna benoemden zij Achilles, Ajax 1 en Phoenix 1 als aanvoerders van de vloot. De ambitie van de vijftienjarige Achilles voor de oorlog was zo groot dat hij nu al bekend stond als de dapperste kampioen, ondanks zijn onevenwichtige karakter en woeste ongeduld.

Zo was iedereen in Athene aanwezig, en niemand verzaakte zijn militaire plicht. Maar Ajax 1, de zoon van Telamon, samen met Achilles en Diomedes 1, hadden de meeste aandacht en zorg getoond in de voorbereidingen op de oorlog. Want zij zagen toe op de bouw van extra schepen waarmee een bruggenhoofd gemaakt kon worden op Trojaans grondgebied, door binnen een paar dagen vijftig van zulk soort volledig afgewerkte schepen te bouwen.

Na het offer aan Apollo, waarbij de Draak 1 verscheen en Calchas voorspelde dat de oorlog tien jaar zou duren, maakten het leger zich gereed uit te varen en vertrekt met meer dan duizend schepen, op weg naar Troje. De vijftig schepen van Achilles, met hun hoog oprijzende beelden van Thetis op de achterstevens, dekken de flanken van de armada.

Mysië

Omdat men de vaarroute naar Troje niet kende en de wind ongunstig was dreef de vloot richting Mysië. Daar ging een deel van de vloot aan land om te plunderen. Toen Telephus, koning van Mysië en zoon van Heracles, zag hoe het land leeggeplunderd werd, bewapende hij de Mysiërs, joeg de gelande Grieken massaal naar hun schepen en doodde er velen.

Achilles en Ajax 1, ziende dat de strijd resulteerde in zware verliezen aan de kant van de Grieken, verdeelden het leger onder hen tweeën, hun troepen vermanend als de gelegenheid dit eiste, en vielen de vijand feller aan, met kennelijk vernieuwde krachten. Zijzelf streden aan het front van de gevechten, degenen die vluchtten achtervolgend, dan weer staand blijvend, als een muur, tegen degenen die aanvielen. Op deze manier, door de eersten of een van de eersten in elke ontmoeting te zijn, verwierven zij voor zichzelf en onder onze mannen en de vijand, een roemruchte reputatie voor dapperheid.

Telephus ging op zoek naar wraak en viel de vijandelijke linie aan. De mannen op de vlucht jagend die hem weerstonden, achtervolgde hij Odysseus verbeten in een wijngaard in de buurt toen hij over een wijnstok struikelde. Daarop wierp Achilles, die van enige afstand had gezien wat er gebeurde, zijn speer en doorboorde de linkerdij van de koning. Maar Telephus stond snel op nadat hij de speer eruit had getrokken, en ontsnapte aan de dood onder dekking van een groep van zijn mannen die hem te hulp waren gekomen.

De Grieken verlieten Mysië en voeren de zee weer op, maar er stak een hevige storm op waardoor ze uiteengeslagen werden en elk weer in zijn eigen vaderland belandde. Omdat de Grieken toen terugkeerden, heeft de oorlog, zegt men, twintig jaar geduurd. Want in het tweede jaar na de schaking van Helena troffen de Grieken de voorbereidingen voor de expeditie, en na hun terugkeer uit Mysië naar Griekenland zijn ze pas acht jaar later weer opnieuw in Aulis samengekomen.

Tweede vetrek uit Aulis

De Grieken vroegen zich bij de tweede samenkomst, in Aulis, onzeker af hoe zij de route naar Troje moesten vinden zonder gids. Maar toen kwam Telephus uit Mysië met zijn wond die maar niet wilde genezen. Apollo had hem gezegd dat hij pas genezing zou vinden als degene die de wond veroorzaakt had, als arts zou optreden. Gekleed in vodden kwam hij in Aulis aan en smeekte Achilles om hulp met de belofte dat hij hem de route naar Troje zou wijzen.

Omdat de Grieken ook een orakel hadden ontvangen, dat zij Troje niet konden nemen zonder het leiderschap van Telephus, sloten zij onmiddellijk vrede met hem, en smeekten Achilles om hem te genezen. Achilles antwoordde dat hij de kunst van het genezen niet verstond. Toen zei Odysseus: ‘Apollo bedoelt jou niet, maar noemt de speer de veroorzaker van de wond.

Telephus werd genezen toen Achilles hem behandelde met de roest die hij van de essenhouten speer van Peleus schraapte. Toen ze hem smeekten mee te gaan om Troje aan te vallen, werd hun verzoek niet ingewilligd, omdat hij Laodice 1 als vrouw had, de dochter van Priamus. Maar als wederdienst voor hun vriendelijkheid om hem te genezen, was hij bereid om mee te zeilen, plaatsen en wegen aan te wijzen en daarna weer naar Mysië te vertrekken.

Belediging van Artemis

Terwijl de vloot in de haven van Aulis ligt schiet Agamemnon, tijdens de jacht, een hert en pocht dat hij beter is dan Artemis. Hier is de godin zo kwaad over dat zij stormwinden stuurt waardoor de vloot verhindert wordt om uit te zeilen. Calchas vertelt hen dan over de woede van de godin en beveelt Agamemnon om Iphigenia aan Artemis te offeren om haar te verzoenen.

Agamemnon weigert ronduit om dit te doen en zo ligt de vloot dagenlang te wachten zonder dat de storm ophoudt en worden de aanvoerders ongeduldig. Ook de ongeduldige Achilles doet zijn beklag bij Agamemnon. Uiteindelijk zwicht de aanvoerder op aangeven van Odysseus en laat in het geheim zijn dochter, onder het voorwendsel dat zij met Achilles gaat trouwen, naar Aulis komen. Achilles weet hier echter niets van en is uiterst kwaad op Agamemnon als hij er achter komt. In zijn beleving van rechtvaardigheid had Agamemnon hem zelf moeten vragen om als lokaas te dienen. Beledigd als hij is besluit hij, in weerwil van de overgrote meerderheid in het leger, Iphigenia te redden van de dood en met haar te trouwen. Uiteindelijk is Iphigenia de wijste en besluit vrijwillig om haar dood tegemoet te treden en Achilles van zijn trouwbelofte te ontslaan.

Het offer van Iphigenia

Odysseus, Menelaus en Calchas werden belast met de uitvoering van het offer, terwijl alle anderen op een afstand werden gehouden. Toen zij begonnen het meisje gereed te maken werd het plotseling duister. De donder brulde, de bliksem flitste, terwijl aarde en zee schudden. Uiteindelijk maakt een wervelwind van stof de duisternis compleet. Kort daarna viel er regen en hagel uit de hemel. Deze afschuwelijke verwarring die geen tekenen van verzwakking vertoonden veroorzaakte een grote opschudding bij Menelaus en de andere priesters. Zij werden heen en weer geworpen tussen angst en verbijstering. In eerste instantie waren zij geschrokken door de plotselinge weersverandering en geloofden dat dit een teken was van de een of andere god, maar daarna werden zij bang dat het leger enige vorm van schade kon ondervinden als zij stopten met het offer. Terwijl zij hun dilemma probeerden op te lossen, hoorden zij een stem uit het bos die zei dat de goden zo’n offer niet wensten.

De godin had medelijden met het meisje, en zij mochten haar niet aanraken. Wat Agamemnon betreft, na zijn overwinning in Troje, zou zijn vrouw toezien op een passende straf. Artemis hulde daarop het meisje in een wolk, verving haar voor een hert, en droeg het meisje door de lucht naar Taurië waar zij haar tot een priesteres in haar tempel maakte. Hierna begonnen de winden, bliksem en de felheid van de storm te minderen. De aanvoerders waren allen zeer verheugd, want zij zagen dat de kracht van de storm verminderde en dat de wind gunstig stond om uit te zeilen, terwijl de zee kalm was als in de zomer. Zij gingen naar Agamemnon en troostten hem over de dood van zijn dochter. Enkele dagen later zeilde de vloot uit en ging op weg naar Troje.

Tussenlanding op Tenedos

Ze maken een tussenlanding op Tenedos waar Tenes, de zoon van Cycnus 3 en Proclia, koning was. Toen Tenes zag dat de Grieken op Tenedos afkwamen probeerde hij hen tegen te houden door de vloot met stenen te bekogelen. Daarop gaat Achilles aan land en steekt Tenes, in weerwil van de waarschuwing van Thetis, met het zwaard door de borst. Thetis had Achilles gewaarschuwd Tenes niet te doden omdat hij dan zelf later door Apollo gedood zou worden. Achilles trekt zich hier niets van aan, doodt Tenes, en verovert de stad die hij vervolgens plundert. De bewoners van Tenedos namen daarna een wet aan dat niemand ooit nog de naam Achilles uit mocht spreken in het heiligdom van hun stad.

Na de verovering van Tenedos komen de aanvoerders in een raadsvergadering bijeen. Er werd besloten om afgezanten naar Priamus te sturen om de teruggave van Helena te eisen. Gelijktijdig worden Achilles en Telephus uitgezonden om Mysië opnieuw te plunderen in het gebied waar koning Teuthras 2 regeerde. toen ze in de regio aankwamen en het land begonnen te plunderen kwam Teuthras 2 met zijn leger aan. Daarop joeg Achilles de vijand op de vlucht, en verwondde ook de koning. Hij zou hem afgemaakt hebben als Telephus hem niet in de weg had gestaan. Telephus kwam Teuthras 2 te hulp en beschermde hem onder zijn schild, want hij herinnerde zich hun vriendschap, vanuit de tijd in zijn jeugd toen Teuthras 2 zich een genereuze gastheer had betoond.

Teuthras 2 voelde zich verplicht aan Telephus' vader, Heracles, omdat Heracles Diomedes 2 gedood had, de vorige koning van Mysië, van wie Teuthras 2 zijn koninkrijk erfde. Echter, Teuthras 2 besefte nu dat hij niet veel langer meer zou leven, en benoemde Telephus tot erfgenaam van de troon en koning van Mysië. Telephus verzorgde een prachtige begrafenis voor Teuthras 2. Daarna drong Achilles er bij hem op aan om achter te blijven en te zorgen voor zijn nieuw verworven koninkrijk. Telephus, zei hij, zou de Grieken veel meer tot steun zijn door voorraden te sturen dan naar Troje te gaan. Zo bleef Telephus achter in zijn koninkrijk, en Achilles, die veel buit meevoerde, keerde terug naar het leger op Tenedos.

Aankomst in Troje

Landing op de kust

Uiteindelijk komen de Grieken aan voor de kust van Troje en varen met hun volledige strijdmacht op het strand af. Thetis droeg Achilles op niet als eerste aan land te gaan, want wie als eerste aan land ging moest ook als eerste sterven. De Trojanen hadden de komst van de Grieken verwacht en stormden met heel hun leger de stad uit om het strand te verdedigen en het ontschepen van de vloot te verhinderen door met stenen te gooien. Het schip van Protesilaus landde als eerste en hij sprong ook als eerste uit het schip. Nadat hij een aantal Trojanen heeft gedood sterft Protesilaus als eerste Griek door de speer van Hector

Nu Protesilaus was gesneuveld ging ook Achilles met zijn Myrmidonen van boord. Vanaf zijn schip had hij gezien hoe Hector en Cycnus 3, de zoon van Poseidon, vreselijk huishielden onder de Grieken en velen van hen hadden gedood. Achilles stapt in zijn strijdwagen, die wordt bestuurd door zijn schildknaap en wagenmenner Automedon, en doodt op zijn beurt veel Trojanen die op zijn pad komen.

Strijd met Cycnus

Daarna rijdt hij op Cycnus 3 af, terwijl hij zijn speer vervaarlijk balanceert, en roept tegen hem: ‘Wie je ook zijn mag, vriend, beschouw het als een troost dat je gedood wordt door Achilles uit Thessalië.’ Nog voor hij uitgesproken is vliegt de speer al door de lucht, die recht op zijn doel afgaat, en treft de vijand recht in de borst. Tot stomme verbazing van Achillesveroorzaakt het wapen echter geen wond.

Daarop riep Cycnus 3: ‘Zoon van Thetis, je naam is ons allang bekend, ben je verbaasd dat je mij niet verwond hebt? Kijk, deze helm en dit schild zijn slechts voor de sier en bieden mij geen bescherming. Ik ben de zoon van de grote zeegod zelf die over de Nereïden regeert en onkwetsbaar.’ Daarop wierp hij zijn speer naar Achilles die bleef steken in zijn schild. Achilles trok het wapen los en wierp het, nu met al zijn kracht, naar Cycnus 3. Opnieuw bleef Cycnus 3 ongedeerd ook al stond hij zonder bescherming vlak voor hem. Achilles onderzocht de ijzeren punt of die was afgebroken, wat niet het geval was, en vroeg zich af of hij door de zeereis zo zwak was geworden. Uit wanhoop richt hij daarop zijn speer op de Lyciër Menoetes 3. De speer gaat dwars door zijn harnas en doorboort het hart van de arme man.

Wanneer Menoetes 3 stervend ter aarde valt, wringt Achilles het wapen uit zijn borst en schreeuwt: ‘Met deze speer heb ik gezegevierd, ik zal hem nu opnieuw gebruiken met, naar ik hoop, dezelfde afloop.’ Opnieuw werpt hij zijn speer naar Cycnus 3, maar het wapen ketst af alsof het tegen een muur wordt geworpen en staat Cycnus 3 nog steeds ongedeerd overeind. Woedend springt Achilles uit zijn strijdwagen en gaat briesend met zijn zwaard op Cycnus 3 af. Maar opnieuw kets het wapen af op het onkwetsbare lichaam van de Lyciër. Nu wordt het Achilles allemaal te veel en beukt Cycnus 3 driemaal, viermaal in het gezicht, en gunt hem geen rust om bij te komen. Cycnus 3 deinst terug tegen een rotsblok waar Achilles hem met veel geweld omhoog tilt en op de grond smijt. Terwijl Cycnus 3 op de grond ligt grijpt Achilles zijn keelband en trekt die steeds strakker en strakker om zijn keel waarna Cycnus 3 sterft door verstikking.

Het scheepskamp

Wanneer de Trojanen hem dood zien liggen vluchten ze de stad in en gaat een klein deel van het Griekse leger hen achterna. De andere Grieken trekken de schepen in vele rijen op het strand. Achilles, die blaakt van het zelfvertrouwen, legt zijn schepen aan het begin van de rijen, terwijl de grote Ajax 1 zijn schepen aan de andere kant op het strand trekt. Listig als hij is legt Odysseus zijn schepen veilig in het midden. Na deze eerste schermutselingen wordt een bestand afgesproken om de doden van de eerste dag te begraven. Waakzame wachters worden neergezet en Achilles laat een koe slachten om een dankoffer aan Athena te brengen. Liggend op hun rustbanken vertellen de mannen elkaar over de heldendaden die ze bij de landing hebben beleefd, waarbij vooral de dood van Cycnus 3 vele malen wordt verteld.

De eerste negen jaar van de oorlog

Verovering van Lesbos

Na enkele dagen rust sturen de Grieken wederom gezanten naar Troje om de teruggave van Helena en de gestolen rijkdommen op te eisen. Als de Trojanen weigeren vallen de Grieken de stad aan maar zwerven daarna uit door het gebied en verwoesten het land en de steden in de omgeving. Ook Achilles neemt, met zijn Myrmidonen, deel aan deze strooptochten. In de aanloop naar het tiende jaar van de oorlog verovert hij vele Trojaanse steden. Uit al die steden nam Achilles buit mee die hij, volgens gewoonte, afstond aan legerleider Agamemnon, die op zijn beurt weer een klein gedeelte daarvan teruggaf aan Achilles.

Achilles vermoedde dat de staten die grensden aan Troje hun bondgenoten waren. Om deze dreiging te verminderen ging hij, enkele schepen met zich meenemend, naar het eiland Lesbos om daar de steden en hun koningen aan te vallen en te vernietigen. Als eerste doodde hij daar Phorbas 2, de koning van het eiland, en nam Diomede 1, de dochter van Phorbas 2, samen met veel buit mee.

Vervolgens ging hij naar de stad Methymna. De bewoners van deze stad hielden echter dapper stand waardoor Achilles het benauwd kreeg omdat hij de stad niet kon innemen. Toen de dochter van de koning, Pisidice 4, Achilles vanaf de muren zag werd zij op slag verliefd op hem. Ze stuurde haar verzorgster naar hem toe en beloofde Achilles de stad in handen te spelen als hij haar als vrouw zou nemen. Op dat moment stemde hij met haar voorwaarde in en leidt het meisje zijn leger, nadat zij de poorten ontgrendeld heeft, de stad in. Achilles doodt daarop de broers Lampetus en Hicetaon 2, evenals Hypsipylus zijn broer Helicaon 3. Ook moet Pisidice 4 toezien hoe de oude koning, haar vader, aan het zwaard wordt geregen. Ondanks al dit doden verheugt het meisje zich op de bruiloft, maar komt bedrogen uit. Toen de stad eenmaal in zijn bezit was kreeg Achilles een enorme hekel aan Pisidice 4 vanwege het verraad dat ze gepleegd had en gaf zijn soldaten bevel om haar te stenigen.

Op Lesbos woonde ook ene Trambelus, de zoon van Telamon. Deze verzamelde een groep bewoners van het eiland om zich heen en ging op Achilles af om hem in de strijd te ontmoeten. Tijdens de gevechten liep Trambelus een wond in zijn borst op en viel op de grond. Terwijl hij nog ademde vroeg Achilles, die bewondering had voor zijn moed, naar zijn naam en afkomst. Toen Achilles hoorde dat hij de zoon van Telamon was jammerde hij lang en ellendig. Nadat de jongen was gestorven liet Achilles een grote grafheuvel voor hem aan het strand opwerpen.

Zo teisterde Achilles Lesbos en nam grote hoeveelheden buit mee. Van deze rooftocht naar Lesbos mocht Achilles Diomede 1 en Hippodamia 8, de dochters van Brises, zelf houden. Het zou wreed zijn om deze meisjes te scheiden, want zij hadden dezelfde leeftijd en achtergrond. Bovendien waren zij voor de voeten van Achilles op de grond gevallen en smeekten hem om niet gescheiden te worden. De rest van Achilles’ buit werd verdeeld onder de mannen in overeenstemming met hun verdiensten.

Scyros en Hierapolis

Toen viel hij de rijke steden van Scyros, waar koning Enyeus 1 regeerde, en Hierapolis met zijn leger aan. Deze vernietigde hij zonder enig probleem volledig binnen een paar dagen. In Scyros schaakt hij het meisje Iphis 1 die hij vervolgens aan zijn vriend Patroclus 1 schenkt. Overal waar Achilles verscheen, werd het land volledig geplunderd, en alles in beroering gebracht. Alles dat Troje kon helpen werd of omvergeworpen of vernietigd. De naburige volkeren, nadat zij hadden vernomen wat er gebeurd was, dromden voor vrede om hem heen en beloofden hem de helft van hun oogst als hij, in ruil, hun velden ongedeerd zou laten. Zo sloot Achilles verdragen met hen en wisselde toezeggingen van vrede met hen uit.

Pedasos en Lyrnessus

Ook de stad Pedasus plundert Achilles met de hulp van de godin Athena, die hem aanspoort om de Trojanen en de Lelegiërs te doden. Terwijl Brises, de koning van de Lelegiërs, de felheid van de belegering zag, realiseerde deze zich dat hij op geen enkele wijze de vijand kon weerstaan of zijn eigen mensen voldoende kon verdedigen. Wanhopig over vluchten en veiligheid, keerde hij terug naar zijn paleis en, terwijl iedereen aan het vechten was, hing zichzelf op. Kort daarna werd de stad ingenomen en werden er vele mensen gedood.

In de buurt van de stad is Aeneas op dat moment zijn kudde op de berg Ida aan het hoeden wanneer Achilles hem ontdekt. Hoewel Achilles een zeer snelle hardloper is kan Aeneas, met de hulp van Zeus, toch aan hem ontsnappen door hard weg te rennen en vlucht Lyrnessus in. Achilles valt daarop de stad, waar Mynes 1 koning van is, aan. Na een hevige strijd bestormt hij de muren en verovert de stad waarbij hij Mynes 1 en Epistrophus 2, beiden zoons van Evenus 1, met zijn speer doodt. Achilles kan Aeneas echter niet meer vinden, maar gaat wel op zoek naar diens kudden welke door Mestor 1, de zoon van Priamus, bewaakt worden. Deze doodde hij en dreef de kudde weg naar het scheepskamp om als voedsel te dienen voor het leger.

Hij maakt het ook het meisje Briseis krijgsgevangen waar hij smoorverliefd op wordt en voor zichzelf houdt. Als ze de stad wordt uitgevoerd ziet zij, de aan haar beloofde bruidegom, dood voor de poorten van de stad liggen met naast hem drie van haar broers die allen door Achilles zijn gedood. Briseis wordt meegevoerd naar het scheepskamp van de Myrmidonen waar Patroclus 1 haar opvangt. Als zij huilt om het verlies van haar beminden troost Patroclus 1 haar en vertelt haar dat hij ervoor zal zorgen dat zij de wettige vrouw van Achilles wordt zodra ze in Griekenland zijn teruggekeerd. Onder de buit bevindt zich ook een zware brede zilveren olieflacon die later als prijs zal worden uitgeloofd bij de begrafenisspelen van Patroclus 1 en een lier die Hermes aan de stad geschonken zou hebben.

Vervolgens, na diverse malen teruggekeerd te zijn in het Griekse scheepskamp, neemt Achilles de volgende steden in: Adramytium, Aegialus, Atandrus, Chryse, Cilla, Clazomenae, Colone, Colophon, Cyme, Edium, Linaeum, Phocaea, Side, Smyrna, Tenos en nog vele andere steden.

Verliefd op Polyxena

Gedurende deze eerste negen jaar van de oorlog werden er tussentijdse bestanden afgesproken. Tijdens die oorlogspauzes werden de doden begraven en was het niet toegestaan om strijd te leveren. Op die momenten gingen, hoe vreemd dat tegenwoordig ook mag klinken, Trojanen en Grieken bij elkaar op bezoek. Zo ging Achilles eens naar Troje om daar naar de heilige ceremoniën in de tempel van Apollo kijken waar voorname vrouwen van Troje aan het bidden waren. Onder hen bevonden zich Hecabe 1 en haar ongehuwde dochters Polyxena 1 en Cassandra die de priesteressen van Athena en Apollo waren.

Toen Achilles bij toeval zijn blik op Polyxena 1 liet vallen, werd hij getroffen door de schoonheid van het meisje. Hoe langer hij daar bleef, des te dieper werd zijn passie. Geen verlichting vindend, keerde hij terug naar de schepen en liet, na een paar dagen van toenemende kwelling, Automedon bij zich komen om zijn hart uit te storten. Automedon, smeekte hij uiteindelijk, moest naar Hector gaan en zijn aanzoek voor het meisje overbrengen. En als Hector hem zijn zuster als vrouw wilde geven was Achilles bereid om heel het Griekse leger aan hem verraden.

Hector zei dat Achilles of een eed moest zweren over dit verraad of anders de zoons van Plisthenes 1 en Ajax 1 moest doden, en dat hij anders niet van een overeenkomst wilde weten. Toen Achilles dit hoorde werd hij vreselijk kwaad en schreeuwde dat, zodra de strijd weer was begonnen, hij Hector zou doden. Daarna, zijn hart gekweld door verschrikkelijke emoties, zwierf hij, nu eens hier, dan weer daar rond. Maar soms overwoog hij toch tot hoever hij moest gaan om op de eisen van Hector in te gaan.

Maar toen Automedon zag hoe hevig hij in de war was en steeds meer van streek raakte door het verlangen naar Polyxena 1, werd hij bang dat Achilles zichzelf of een van de aanvoerders kwaad aan zou doen, en onthulde de hele zaak aan Patroclus 1 en Ajax 1. Deze hielden hun vriend nauwlettend in de gaten zonder te laten merken dat zij iets wisten. Terwijl zij dit deden, kwam Achilles op een gegeven moment bij zijn positieven. Nadat hij Agamemnon en Menelaus bij zich had geroepen, vertelde hij van zijn liefde voor Polyxena 1 en over zijn onderhandelingen met Hector. Toen probeerde iedereen hem te troosten door erop te wijzen dat hij het meisje snel genoeg in bezit zou krijgen, want zoals altijd zou geweld slagen waren smeekbeden faalden.

Overige strooptochten

Als Achilles eens op strooptocht is neemt hij twee zonen van Priamus gevangen. Dit waren Isus en Antiphus 3, de één een bastaard (Isus) en de ander een wettige zoon, die hun kudden op de flanken van de Ida aan het hoeden waren. Hij boeide ze met soepele wilgentenen maar liet hen later, tegen een losprijs weer vrij.

Door zijn handen viel ook Amphimachus 2, de zoon van Nomion 1. Deze had zich, als een meisje, versierd met allerlei gouden sieraden. Deze Cariër werd in een rivierbedding gedood en Achilles eigende zich al het goud toe. Ook Ennomus 2, de aanvoerder van de Mysiërs, die aan de hand van de vlucht van de vogels de toekomst kon voorspellen valt door de handen van Achilles. Tijdens een schermutseling met andere Trojanen wierp hij hem in de bedding van een rivier.

Soms ging Achilles ’s nachts naar Troje waar hij in hinderlaag ging liggen. Zo lag hij eens op het tempelterrein van Apollo in hinderlaag voor Troilus, de mooiste zoon van Hecabe 1 en Priamus. Maar de jongen verzet zich zo heftig dat Achilles zich genoodzaakt zag hem met zijn speer te doden. Wel neemt hij Lycaon 2, een andere zoon van Priamus, gevangen. Deze was in de wijngaard van zijn vader bezig om jonge takjes van een oude vijgenboom te snijden waarmee hij zijn strijdwagen wilde versieren. Later verkoopt Achilles hem op Lemnos aan de zoon van Iason, Euneus 1, en ontvangt een goede prijs, twee grote zilveren schalen, voor de jongen.

In de gevechten voor het tiende jaar van de oorlog trof Achilles één keer Hector in een schermutseling. Voordien kwam Hector nooit de stad uit en bleef altijd binnen de bescherming van de muur en de heilige eik die daar stond. Hector overleefde toen wel het gevecht met Achilles.

Verovering van Thebe

Op een gegeven moment gaat Achilles op rooftocht naar Thebe, de stad van koning Eetion 1. Samen met zijn Myrmidonen plundert hij de stad en doodt daar Eetion 1 en zijn zeven zoons. De vrouw van de koning, en hun dochter Astynome 3, neemt hij als krijgsgevangenen mee welke hij later echter weer voor een groot losgeld laat gaan. De koning, voor wie Achilles veel respect heeft gekregen tijdens de strijd, berooft hij niet van zijn wapenuitrusting maar verbrand hem op een brandstapel en richt boven zijn lijk een grafheuvel op. Ook neemt Achilles het meisje Chryseis 1, een dochter van de Apollopriester Chryses 1 als krijgsgevangene mee. Aan het eind van deze plundertocht keert Achilles terug naar het legerkamp om de rijke buit aan het leger te tonen. Volgens goed gebruik werd het leeuwendeel van de buit, waaronder Astynome 3 en Chryseis 1 aan koning Agamemnon geschonken.

De wrok van Achilles

Pest in het legerkamp

Enige tijd later komt Chryses 1, een priester van Apollo, nadat hij hoorde dat zijn dochter Chryseis 1 bij Agamemnon was, naar de schepen. Hij bracht hem een beeld van de god en ornamenten uit de tempel, in de hoop dat het ijzer de koning aan de god zouden herinneren, en met ontzag zou vervullen. Biddend om de vrijlating van zijn dochter, bood hij daarnaast geschenken van goud en zilver aan, een rijk losgeld.

Heel het leger, en vooral Agamemnon, spreekt hij smekend toe om hem zijn dochter terug te geven. Alle Grieken zijn Chryses 1 welgezind uitgezonderd Agamemnon. Die scheept de priester af met woedende woorden en waarschuwt de hem om niet meer terug te komen. Vol wrok gaat de oude man weer naar huis maar smeekt zijn god, Apollo, om de Grieken te straffen.

Apollo bestookt daarop dagenlang het Griekse legerkamp met pest verwekkende pijlen. De ziekte viel eerst het vee aan en, steeds sneller rondgaand, verspreidde zich daarna onder de mannen. Een groot aantal van hen streed een verschrikkelijke doodsstrijd, hun lichamen teerden langzaam weg. Uitgezonderd de aanvoerders waarvan niemand stierf of maar ziek werd. De plaag wist niet van ophouden, en elke dag zag men meer mannen sterven. Op de tiende dag geeft Achilles het bevel, op influisteren van de godin Hera, dat alle troepen zich moeten verzamelen. Als iedereen bijeen is vraagt hij aan Agamemnon, of deze een ziener wil raadplegen om te achterhalen waarom Apollo zo boos is op de Grieken.

Twist met Agamemnon

Daarop laat Agamemnon de ziener Calchas komen. Deze weet wat de oorzaak is maar weigert dat in eerste instantie te vertellen uit angst Agamemnon te beledigen. Achilles laat Agamemnon zweren zich niet beledigd te voelen, ongeacht wat Calchas zal vertellen. Agamemnon stemt toe en de ziener onthult dat Apollo ontstemd is vanwege de onrechtvaardige manier waarop Agamemnon zijn priester heeft behandeld. Nadat Achilles vroeg wat er moest gebeuren om de plaag te stoppen zegt Calchas dat het meisje teruggegeven moet worden aan haar vader. Dit meisje, Chryseis 1, is echter de maîtresse van Agamemnon en deze wil haar alleen afstaan als één van de andere Griekse leiders hem een ander meisje geven.

Achilles wordt hier zeer boos over en scheldt Agamemnon uit voor egoïst en hebzuchtig en dringt er bij hem op aan om het meisje zonder meer te laten gaan. Agamemnon is dit niet van plan en blijft bij zijn eis dat hij het meisje pas laat gaan als hij van de Griekse leiders een ander meisje als genoegdoening terug krijgt. Hij dreigt zelfs de maîtresse van Achilles, het meisje Briseis, te nemen.

Achilles wordt razend en scheldt Agamemnon uit voor onbeschaamde sluwe plannenmaker, en vraagt zich publiekelijk af waarom de mannen toch zo’n slechte leider volgen die zo weinig geeft om hun welzijn. Uiteindelijk trekt hij zijn zwaard om op Agamemnon af te gaan en hem te doden. Op dat moment wordt hij aan zijn lange blonde haar getrokken door de godin Athena. Niemand van de aanwezigen merkt de aanwezigheid op van de godin, die van de Olympus is afgedaald, om de beide mannen tot rust te manen. ‘En wat komt u hier doen, dochter van Zeus.’ Vraagt Achilles haar, ‘Wilt u getuige zijn van de onbeschoftheid van Agamemnon? Ik zeg u ronduit en zonder omwegen dat hij daarvoor met zijn leven zal boeten.’

‘Vanaf de Olympus kwam ik,’ antwoordde Athena, ’in de hoop u tot rede te brengen. Hera, de godin, stuurde mij hierheen, u beiden beminnend en om u beiden bezorgd. Staak uw ruzie en steek uw zwaard in de schede. Geef hem woorden voor woorden en lucht vrij uw hart. Wees er zeker van dat de dag zal komen, dat u drievoudig ontvangt, wat deze smaad u kost. Beheerst u dus, zoals wij het u zeggen.’ En de vinnige Achilles antwoordde: ‘Als twee godinnen een bevel geven moet de mens, zelfs in zijn grootste woede, nog gehoorzamen. En het is beter zo. Wie luistert naar de goden, vindt bij hen ook gehoor.’ Nog omklemde zijn hand het zilveren gevest van zijn zwaard, maar hij schoof het terug in de schede, gehoorzaam aan Athena, die daarop verdween en terug ging naar de hoge Olympus en de andere goden.

Kalm was Achilles nog niet. Opnieuw tartte hij Agamemnon met bittere woorden. ‘Dronken dwaas,’ riep hij, ‘hondengezicht met de moed van een hinde! Nooit heb je de moed om de wapens te nemen en met de mannen ten strijde te trekken of met de andere leiders op strooptocht te gaan, maar bent bang als de dood! Je blijft liever in het kamp om de buit te stelen van degene die je dwars zit! Uitbuiter van een volk, dat zwak, al te zwak is! Anders zou jij je laatste woorden nu al berouwd hebben! Maar let op, wat ik nu ga zeggen, want een plechtige eed zweer ik. Zie deze staf. Eens in de heuvels van zijn stam afgesneden, kan hij geen takken en twijgen meer schieten. Door het hakmes beroofd van bast en van bladeren verloor hij zijn groeikracht. Toch dragen de mannen, die in Zeus’ naam onze wetten bewaren, de rechters van ons volk, deze staf in hun handen. En daarbij zweer ik, er is geen beter teken, dat de dag zal komen, dat de Grieken mij als één man vreselijk zullen missen. Dan zal je in je wanhoop niet bij machte zijn hen te helpen, als zij bij honderden vallen onder de handen van Hector, de mannendoder. Dan zal wroeging je hart verscheuren, omdat je de beste van je mannen veracht hebt.’

En met die woorden wierp hij de met goud beslagen staf op de grond en ging zitten, terwijl hij Agamemnon van zijn kant vol woede liet razen. Daarop sprong Nestor op, de redenaar van Pylos, die bezorgd het woord nam: ‘Ach, wat een ramp gaat de Grieken nu treffen! Maar wat een blijdschap voor Priamus en zijn zonen als zij die ruzie hoorden tussen u, de leiders der Grieken! Wat zou Troje juichen! Luister naar mij, uw meerdere in jaren. Vergeet uw recht als eerste, Agamemnon, ontneem hem dat meisje niet, laat hem houden wat de Grieken hem schonken. En u, Achilles, laat uw twist met de koning varen. Zijn gezag komt van Zeus en dwingt ons tot eerbied. Met een godin tot moeder mag u wellicht van u beiden de sterkste zijn, maar Agamemnon is uw meerdere, omdat hij over meerderen bevel voert. Laat uw eis varen, Agamemnon, en zwicht voor Achilles, onze toeverlaat in het heetst van de strijd!' ‘Eerbiedwaardig als u bent, valt er niets af te dingen op wat u zegt,’ antwoordde Agamemnon. ‘Maar deze man hier wil de baas over ons allen spelen, koning zijn, bevelen geven. Maar er zal er één zijn die zich daar niet bij neerlegt! Bij de genade der eeuwige goden werpt hij met kracht en behendig zijn speer, maar daarmee gaven ze hem nog het recht niet mij met scheldwoorden te treffen!’

Daarop viel de edele Achilles hem in de rede. ‘Een dwaas’ zei hij, ‘een sukkel mag men mij noemen, als ik van plan zou zijn om alles maar goed te vinden, wat u zegt! De anderen kunt u bevelen, niet mij! Met mijn geduld houdt ook mijn gehoorzaamheid op. En nog wat anders! Let goed op! Geen hand zal ik opheffen om dat meisje tegen u of wie dan ook te beschermen, want u hebt nu eenmaal besloten om te nemen, wat u me schonk. Maar van wat ik verder nog bezit in de buurt van mijn ranke schip, daar zult u niets van nemen! Waag het eens en dan zal iedereen zien hoe donker uw bloed druipt langs mijn speer.’ Na die felle woordenstrijd stonden beiden op en ontbonden de bijeenkomst der Grieken. Achilles ging met Patroclus 1 en zijn vrienden naar zijn schepen en tenten. Intussen gaf Agamemnon aan zijn herauten Talthybius en Eurybates 1 opdracht om het meisjes Briseis te gaan halen in het tentenkamp van Achilles.

Het beklag van Achilles

Zij bereikten kamp en schepen van de Myrmidonen, vonden Achilles, waar hij zat bij zijn eigen schip en tent. Mistroostig zag hij hen komen. Verlegen en beschaamd en zonder een woord te zeggen bleven ze voor hem staan. Ze zeiden niet wat zij wilden. Maar hij wist het ook zonder woorden. Zijn stem was het, die de stilte verbrak. ‘Herauten,’ zei hij, ‘gegroet, jullie boden van Zeus en mensen. Kom naderbij. Ik heb ruzie met Agamemnon, niet met jullie. Hij stuurde jullie om Briseis te halen. Mijn beste Patroclus 1, wilt u het meisje naar buiten brengen en uitleveren aan deze mannen hier? Op hen zal ik rekenen als mijn getuigen voor de gelukkige goden, voor de mensen, voor die onbeschaamde vlegel van een koning, als ooit het uur komt, dat de Grieken mij nodig hebben om hem uit rampen te redden. Die man is buiten zinnen en krankzinnig. Hij heeft kennelijk nooit geleerd om vooruit te zien, want dan zou hij zich afvragen, hoe hij zijn leger kan redden, als de strijd om de schepen begint.’

Als Patroclus 1 zijn opdracht heeft uitgevoerd, en Briseis afgegeven aan de herauten, zit Achilles even later eenzaam aan het strand en kijkt uit over de zee. Dan strekt hij zijn armen uit en bidt tot zijn moeder. ‘Moeder, daar u, een godin, mij baarde, al is het slechts voor een kort leven, waar de dagen van geteld zijn, dan toch moet Zeus niet willen, dat men mijn eer te na komt. Maar zelfs dat gunt men mij niet, men laat mij grievend beledigen door Agamemnon die mijn buit rooft en nu in bezit heeft.’ Zo klaagde Achilles huilen en biddend. Zijn moeder hoorde hem waar zij verbleef in de zee bij haar oude vader. Snel rees zij op uit het grijze water, ging bij haar zoon zitten, die nog steeds huilde, en streelde hem met haar hand. ‘Waarom die tranen, mijn kind?’ vroeg ze. ‘Wat is er, dat jou verdriet doet? Het verdriet wil een uitweg, het wil gedeeld zijn. Spreek, dan dragen wij het samen.’

Achilles vertelt de aanloop tot de twist en hoe Agamemnon Briseis heeft meegenomen. Hij vraagt zijn moeder om hem te helpen. ‘Moeder, Als u macht hebt, bescherm dan nu uw zoon. Stijg op naar de Olympus en als u er ooit door woord of daad het hart van Zeus hebt vertederd, herinner hem daaraan, als u tot hem bidt. In mijn vaders huis vernam ik vaak het trotse verhaal, hoe u als enige van alle goden Zeus redde van een smadelijk lot. Toen enkele anderen, Hera, Poseidon en Athena, van plan waren om hem met ketenen te boeien. Vertel hem daarvan, bij hem gezeten, zijn knieën omklemd. Als u kunt, overreed hem de Trojanen te helpen, de Grieken terug te dringen naar hun schepen, met de zee in de rug hen af te slachten. Dan zullen ze weten, wat hun koning waard is. Dan zal hun koning weten, wat een dwaas hij was om de edelste van allen te grieven.’

De wangen nat van tranen riep Thetis: ‘Mijn zoon, o mijn zoon! Heb ik mijn ongelukkige kind daarom gekoesterd en grootgebracht? Ze mochten u tenminste onbezorgd en ongemoeid bij de schepen hebben gelaten, waar het lot u zo’n kortstondig leven en zo weinig tijd liet. Waarlijk, een zware dag was het, toen ik u baarde. Toch ga ik op naar de heer van het onweer, naar Zeus, waar hij troont op de besneeuwde Olympus. En ik zal hem zeggen, wat je mij zei. Ik vermurw hem wellicht. Blijf intussen bij je fiere schepen, onverzoend met de Grieken, van hun strijd afzijdig. Want je moet weten, dat Zeus gisteren met alle goden naar de stroom van Oceanus vertrok voor een feestmaal bij de edele Ethiopiërs. Over twaalf dagen is hij terug op de Olympus. Wees er zeker van dat ik dan naar het bronzen Paleis zal gaan en mij aan zijn voeten werpen. En dan zal hij mij horen en verhoren. Wees er van overtuigd.’ Thetis vertrok en liet Achilles mokkend achter op het strand. Intussen brachten de Grieken het meisje Chryseis 1 terug bij haar vader waarna Apollo stopte met het beschieten van het scheepskamp met zijn ziekmakende pijlen.

Achilles ziet af van de strijd

Achilles bleef weg uit de raadsvergaderingen. Hij haatte vooral Agamemnon. En ook zijn liefde voor de rest van de Grieken was dood, omdat zij hadden gezwegen toen hij van Briseis werd beroofd, de beloning voor zijn vele overwinningen en dappere daden die hij had verdiend. Hij weigerde ook om maar één van de aanvoerders te zien die bij hem op bezoek kwamen. Noch wilde hij een van zijn vrienden vergeven voor het feit dat ze hem in de steek hadden gelaten toen zij hem tegen de buitensporige actie van Agamemnon hadden moeten verdedigen. Hij bleef liever in zijn tent met alleen Patroclus 1, zijn dierbaarste vriend, en Phoenix 1, zijn wijze leraar, en Automedon, zijn wagenmenner.

De Trojanen, die vanaf hun muren toekeken, zagen de vele brandstapels van de door de pest gestorven Grieken voortdurend branden. Dus stormden zij met hun bondgenoten uit de poorten en vielen aan. Hun leger was in twee divisies opgesteld in de vlakte. Hector leidde de Trojanen, Sarpedon 1 de bondgenoten. Toen de Grieken zagen wat er gebeurde, gingen ze naar de vlakte en stelden het leger in slagorde op. Maar Achilles en zijn Myrmidonen bleven achter, boos op Agamemnon die hem onrecht had aangedaan door hem Briseis af te nemen.

Achilles bleef luierend in het scheepskamp achter. Zijn mannen brachten hun tijd door op het strand met boogschieten en het hanteren van speer en werpschijf. De paarden stonden lui bij de strijdwagens en deden zich te goed aan klaver in de zilte weiden. De wagens van de aanvoerders stonden in de tenten van de menners. De mannen zelf, die hun strijdlustige leider misten, lanterfantten doelloos door het kamp en namen geen deel aan de strijd. Gedurende een aantal dagen durende strijd worden de Trojanen, met hulp van Zeus, steeds sterker en de Grieken verliezen stap voor stap terrein op de vlakte. Zonder Achilles in de gelederen worden zij teruggedrongen in hun eigen scheepskamp. De Grieken besluiten ten einde raad een delegatie naar Achilles te sturen die moet proberen hem over te halen weer deel te nemen aan de strijd.

Verzoeningsdelegatie naar Achilles

Ze sturen Odysseus en de grote Ajax 1. Toen deze bij de tenten en schepen aankwamen, troffen zij Achilles daar musicerend aan die zo de tijd verdreef met alleen Patroclus 1 bij hem. De beide gezanten kwamen naderbij en bleven voor de zanger staan. Verrast sprong Achilles uit zijn zetel op toen hij beide mannen zag. Achilles groette en sprak: ‘Welkom vrienden, het werd werkelijk tijd dat er iemand kwam. En hoe boos ik ook ben, er zijn geen twee Grieken, die ik liever zie dan jullie!’ Dit zeggende ging hij hen voor naar zijn tent waar hij ze liet plaatsnemen in met purper beklede zetels. Toen zei hij tegen Patroclus 1: ‘Maak het grootste mengvat klaar, Patroclus 1, doe minder water bij de wijn, en geef hen elk een beker. Onder mijn dak ontving ik nooit betere vrienden.’

Nadat hun dorst gelest en hun honger gestild was begon Odysseus: ‘Beste Achilles! Over al die lekkere gerechten en wijn die je ons voorzet hoeven we ons niet te beklagen. Maar daar kwamen wij niet voor. We zijn bang voor de toekomst. Het hangt van jouw deelname aan de strijd af of wij onze schepen kunnen behouden of verliezen. Die schaamteloze Trojanen hebben hun kamp dicht bij onze schepen opgeslagen. En het is een kwestie van tijd dat zij onze schepen in brand zullen steken om ons uit te roken en neer te sabelen in de schaduw van de scheepskielen. En ik ben bang dat de goden hen zullen toestaan om dit te doen. Dus vooruit en kom mee, als je de uitgeputte troepen nog wilt redden. Weiger je, dan zal je dit later betreuren, want de schade zal dan niet meer te herstellen zijn. Haast je voordat het zover is en red de Grieken van de ondergang. Laat je vijandigheid tegen Agamemnon varen. Hij is bereid je ruimschoots schadeloos te stelen, zodra je weer met ons meedoet. Maar is je haat tegen hem zo groot, dat je al het andere vergeet, heb dan tenminste enig medelijden met de rest van de Grieken, die uitgeput en verslagen treuren in hun kamp. Als een god zullen zij je eren. Want nu is de tijd aangebroken om met Hector af te rekenen. Hij waant zich sterker dan alle Grieken, en denkt dat hij het zelfs tegen jou op kan nemen!’

Hierop antwoordt Achilles: ‘Beste Odysseus, om je de moeite te besparen van hier nog lang te zitten en mij te lokken met listige woorden zal ik je maar direct zeggen hoe ik er over denk en wat ik zal doen. Als de poorten der hel haat ik die man, die dit denkt en dat doet! Hier is dus mijn besluit. Neem als feit aan dat noch Agamemnon of wie dan ook van de Grieken mij kunnen overhalen. Want het is wel duidelijk dat die man geen dank kent. Zijn dank is hetzelfde, lafaards en helden worden op dezelfde manier behandeld. Al mijn daden brachten niets meer op dan de rest. Menige slapeloze nacht bracht ik door en voerde menige bloedige dag, al strijdend tegen mannen, die om het behoud van hun vrouwen streden. Wat hij schonk aan koningen is hun veilige bezit, maar juist ik moest het zijn, die hij bestal. En zit hij ooit zonder vrouw?’

‘Nee, hij heeft er een naar zijn keus. Laat hem dus maar met haar slapen en tevreden zijn. Ieder eerlijk en weldenkend man houdt immers van zijn vrouw en zorgt voor haar, zoals ik van dat meisje hield. Maar nadat hij haar uit mijn armen roofde en mij bedroog, moet hij nu niet met sluwigheden aankomen! Ik heb hem leren kennen. Nee, Odysseus, mijn vriend, laat hem maar op jou en de andere vorsten bouwen, als hij zijn schepen voor de vlammen wil redden. Zonder mij heeft hij al wonderen verricht. Ik zag dat hij een muur bouwde en een gracht groef. Maar zelfs dat hielp hem niet om de oorlogszuchtige Hector op een afstand te houden! Waarlijk, in de dagen, dat ik mij nog met de Grieken in de strijd wierp, zou die Hector het nooit gewaagd hebben om uit de schaduw van zijn stadsmuren tevoorschijn te komen. Nooit kwam hij verder dan de Scaeïsche poort en de heilige eik, die daar groeit.’

‘Morgen zal ik offeren aan Zeus, mijn schepen laden en zee kiezen. En in die schepen, zullen mijn mannen roeien, dat het een lust is! Binnen drie dagen, als de grote zeegod mij een voorspoedige reis gunt, zal ik onder mijn voeten weer de vette klei van Phthia voelen. Een rijk en welvarend bezit liet ik daar achter, toen ik het ongeluk had, hierheen te komen. Ik zal het nog vermeerderen met het goud en koper wat ik hier verzamelde, de ranke vrouwen en het grauwe ijzer, mij bij loting toegewezen. Ja, alles neem ik mee, behalve het geschenk dat die schaamteloze man mij eens gaf en weer afnam, Agamemnon, die grote koning! Zeg hem dit alles wat ik jullie gezegd heb, en zeg het zo, dat iedereen het kan horen, dan weten de anderen ook waar zij aan toe zijn. Nee, en nog eens nee, ik zal hem nooit meer helpen met raad in de vergadering noch met de daad op het slagveld. Hij heeft tegen mij zijn woord gebroken, mij bedrogen en bestolen. En wat die geschenken van hem betreft. Die hoef ik al evenmin als die vent zelf, al bood hij me tien of twintig keer zoveel. Mijn moeder zei dat het lot voor mij slechts twee wegen openliet. Blijf ik hier dan is er voor mij geen uitkomst meer. Maar keer ik weer naar mijn vaderland, dan zal mijn goede naam verspeeld zijn, en zal ik nog heel lang leven en een vroege dood mij bespaard blijven.’

Dit waren de woorden van Achilles. En zij stonden verslagen over de harde beslistheid van zijn weigering. Een lang zwijgen volgde maar uiteindelijk sprak Ajax 1: Odysseus laten we gaan. Het is mij duidelijk dat onze missie mislukt is. Hoe slecht ook het nieuws, wij moeten het onmiddellijk aan de Grieken gaan melden, die ongetwijfeld wakker bleven om op ons te wachten. Ik kan echter niet nalaten om op te merken, hoe hardnekkig die Achilles is in zijn haat en wrok. Hoe wreed en onbarmhartig hij is, om geen moment te denken aan de vriendschap van zijn vrienden. Achilles, en de goden weten waarom? Hij heeft zichzelf opgezweept tot een onstilbare woede over dat meisje.’ Daarop antwoordt Achilles: ‘Beste Ajax 1 wat je zegt is waar, maar mijn bloed kookt, als ik denk aan wat er gebeurd is. Ga nu en deel mijn besluit mee. Ik wil niet meer over strijd en oorlog horen, totdat Hector tenten en schepen van de Myrmidonen bereikt zal hebben, links en rechts de Grieken vellend, en de schepen in vlammen doet opgaan.’ Toen Achilles dit gezegd had, namen zijn bezoekers een dubbele beker en plengden de goden, waarna zij vertrokken. Daarop gaat Achilles naar bed dat hij deelt met Diomede 1, die hij uit Lesbos had meegebracht.

Patroclus smeekt Achilles

De volgende dag ontbrandt op de vlakte wederom een grote strijd tussen de Grieken en Trojanen. Vanaf de steven van zijn schip kijkt Achilles naar de veldslag en merkt dat de Grieken steeds meer in het nauw gedreven worden. Op een gegeven moment ziet hij Nestor met een gewonde in zijn strijdwagen naar het scheepskamp rijden en roept Patroclus 1. ‘Wat is er Achilles?’ vraagt deze, en Achilles zegt: ‘Mijn lieve vriend, eindelijk zie ik de Grieken zover, dat zij smekend mijn knieën zullen omvatten, want het is wanhopig met hen gesteld. Maar ik zou nu graag willen dat je er op uit gaat om aan Nestor te vragen wie de gewonde is die hij van het slagveld redt. Zo van achteren gezien lijkt het sprekend Machaon, de zoon van Asclepius, maar de paarden draafden zo snel voorbij, dat ik zijn gezicht niet kon zien.’ Onmiddellijk deed Patroclus 1 wat zijn vriend van hem verlangde en liep snel naar de tenten van de Grieken.

Terwijl de strijd rond de schepen voortging, keerde Patroclus 1 even later terug bij Achilles. Hete tranen stroomden over zijn wangen. Achilles keek terneergeslagen toen hij de droefheid van zijn vriend zag en vroeg wat er aan de hand was. ´Patroclus 1, waarom ben je zo bedroefd? Heb je de Myrmidonen iets te vertellen of gaat de boodschap over mij? Is er nieuws uit Phthia dat één van onze vaders gestorven is, dan zouden wij inderdaad alle reden tot droefheid hebben, maar zover ik weet, is je vader Menoetius 1 nog in leven, en Peleus, moet al evenzeer in een goede welstand verkeren. Wellicht huil je om de Grieken, die neergesabeld worden bij de schepen als loon voor het leed dat zij anderen aandeden? Maar spreek! De last van een geheim wordt lichter, als twee het delen.'

Patroclus 1 zuchtte diep en zei: ‘Mijn vriend, neem het mij niet kwalijk dat ik huil. Het leger is er inderdaad slecht aan toe. Al onze vrienden liggen bij hun schepen, door pijl of speer gewond. De machtige Diomedes 1 is getroffen, Odysseus is gewond en ook Agamemnon. Eurypylus 2 heeft een pijl in zijn dij. Heelmeesters verzorgen hen met alle middelen, waarover zij beschikken. Maar terwijl zij hun wonden proberen te genezen, blijf jij, Achilles, onvermurwbaar. De hemelen behoeden mij voor de haat die je koestert en een edele aard laten ontaarden. Waarom zullen toekomende geslachten je dankbaar zijn als je nu de Grieken niet helpt in hun bitterste nood? Onbarmhartig en hard als je bent, kan men je toch nauwelijks de zoon van de godin Thetis en de dappere Peleus noemen! Maar ik neem aan dat je wordt weerhouden door een voorspelling, een heimelijk woord van Zeus, dat je moeder je toefluisterde. Maar sta mij tenminste toe om onmiddellijk aan het hoofd van de Myrmidonen ten strijde te trekken. Misschien kan ik de Grieken nog redden. Leen mij je eigen wapenrusting, zodat de Trojanen mij voor jou zullen houden en de strijd staken, waardoor onze legers gelegenheid krijgen om zich te herstellen. De Trojanen zelf vechten tot uitputting toe. En wij, omdat we pas in de strijd komen, zouden hen wel eens kunnen verdrijven van de schepen en tenten.’ Zo pleitte Patroclus 1.

Maar hij had Achilles geprikkeld, want deze riep hem met luide stem toe: ‘Voorspellingen, mijn vriend? Wat is dit voor een wartaal? Al wist ik alles wat er ging gebeuren, dan zou ik nog doen, wat ik doe, nog laten, wat ik laat! Al even waanzinnig is het, dat mijn goddelijke moeder mij een woord van Zeus toegefluisterd zou hebben. Maar dat een kerel, geen zier beter dan ikzelf, mij denkt te kunnen uitschudden en beroven van mijn ereprijs, omdat hij toevallig de macht heeft, dat maakt mij razend. Weet je, na alles wat ik in de oorlog heb meegemaakt is dit wel het toppunt! Het leger was er juist op gebrand om mij dat meisje te geven, en dan komt die Agamemnon en kaapt haar van me weg. Maar het is nu eenmaal gebeurd en kan niet meer worden goedgemaakt. Ik heb me misrekend, toen ik dacht, dat men voor eeuwig een wrok kon koesteren, en ik van plan was om de vete te laten voortduren totdat de strijd rondom mijn eigen schepen zou ontbranden.’

‘Neem dus mijn wapenrusting en voer de Myrmidonen aan op het slagveld, nu de zegevierende Trojanen om de schepen zwermen als een duistere wolk en er tussen de Grieken en de zee slechts een smalle reep overblijft om stand te houden. Heel Troje schijnt van een woedende moed bezield, zich tegen ons te keren. En geen wonder ook, want zij zien mijn fonkelende helm niet dreigen. Dus daarom moet je ondanks alles, de schepen redden. Val uit alle macht aan, voordat zij onze vaartuigen in brand steken en ons de thuisvaart beletten. Maar luister naar mij tot hoever je kunt gaan om het leger van de Grieken te bewegen tot waardering en eerbied voor mij en tot teruggave van dat lieve meisje. Keer onmiddellijk hier bij mij terug, nadat je de Trojanen van de schepen verjaagd hebt. Voer je manschappen niet aan tot voor Troje, want dan zal één der onsterfelijken je de voet dwars zetten. Keer terug, zodra je de schepen veilig hebt gesteld en laat aan de anderen het vechten op de vlakte over.’ Terwijl zij zo spraken werd het eerste schip van de Grieken door de Trojanen in brand gestoken. Toen dit gebeurde sloeg Achilles zich op de dijen en zei tegen Patroclus 1: ‘Vooruit mijn vriend, ik zie een gloed bij de schepen. Doe snel mijn wapenrusting aan, terwijl ik de mannen bijeen roep!’

Toen Achilles iedereen had opgesteld, sprak hij hen krachtig toe. ‘Myrmidonen, laat niemand vergeten waarom wij, op mijn bevel, niet meededen aan de strijd. Onder elkaar, ik weet het, hebben jullie vaak over mij gesproken. Maar nu komt de kans waarop jullie hebben gewacht! Nu mogen jullie naar hartenlust vechten. Vooruit, toon de Trojanen jullie dapperheid.’ Zijn woorden schonken moed aan iedereen, en de gelederen sloten zich dichter aaneen, toen zij hun koning zo hoorde spreken. En voor hen stonden Patroclus 1 en Automedon, twee strijders met slechts dit ene verlangen, in de voorste gelederen van de Myrmidonen te vechten.

Achilles ging echter terug naar zijn tent. Daar opende hij een mooie kist, die hij van Thetis had gekregen, en volgepakt was met mooie mantels, bestand tegen wind en regen, en warme overkleding, en pakte er een mooie beker uit. Daarna waste hij zijn handen, schepte wijn uit het mengvat, ging midden op het erf staan en keek naar de hemel, plengde wijn en sprak: Zeus, voorheen, toen ik tot u bad, hebt u mij gehoord en verhoord en u uw gunst getoond door het leger der Grieken tot hun schande te slaan. Gun mij opnieuw de vervulling van een gebed. Zelf blijf ik bij mijn schepen, maar mijn strijdmakker laat ik het machtige leger van de Myrmidonen in het veld aanvoeren. Zegen hem, o Zeus, die alles ziet, en vervul zijn hart met moed, zodat Hector zelf zal kunnen uitmaken, of hij ook kan vechten, of dat hij alleen onoverwinnelijk is, als ik mijzelf in de strijd werp. Maar heeft hij de Trojanen verdreven en de strijd van de schepen geweerd, laat hem dan bij mij terugkomen, bij mijn eigen schepen, gezond en wel in zijn blinkende harnas, samen met mijn manschappen.’ Zeus hoorde het gebed van Achilles maar verhoorde dat maar half. De vader der goden en mensen ging dulden dat Patroclus 1 de Trojanen van de schepen verjoeg, maar niet, dat hij veilig terugkeerde van de strijd.

Hierna ging Achilles terug naar zijn tent waar hij de beker weer in zijn kist borg. Daarop liep hij weer naar buiten en ging voor zijn tent staan om de strijd tussen Grieken en Trojanen te volgen. De Myrmidonen trokken op in dichte gelederen, geleid door de moedige Patroclus 1, vol verlangen om de Trojanen te bestormen. De Myrmidonen kwamen onder een geweldig tumult te voorschijn vanachter de schepen. Maar de machtige stem van Patroclus 1 klonk daarboven uit terwijl hij riep: ‘Myrmidonen, strijders van Achilles, wees mannen, mijn makkers, toon thans net als vroeger jullie moed en behaal roem en glorie voor de zoon van Peleus, de beste van alle Grieken, die onder zijn bevel de het beste leger heeft. Leer die koning Agamemnon, wat voor dwaas hij was, toen hij ruzie maakte met de allerbeste der helden.’ Zo stortte Patroclus 1 moed in het hart van eenieder. Als één man trokken ze op de Trojanen af en bij de schepen werd de Griekse strijdkreet overgenomen.

Dood van Patroclus

Zo trekt Patroclus 1 met zijn Myrmidonen ten strijde tegen de Trojanen. Hij wordt echter, met hulp van de goden, gedood door Hector waarna de Trojanen weer moed vatten en opnieuw naar de schepen oprukken. Achilles, die de strijd intussen niet meer volgt, is volkomen onkundig over de dood van zijn vriend. Geen ogenblik was het bij hem opgekomen, dat Patroclus 1 onder de doden kon zijn. De Griekse leiders besluiten een bode, Antilochus, naar Achilles te sturen om hem het droevige nieuws te vertellen. Deze vond hem bij zijn schepen, waar Achilles sombere gedachten wijdde aan de mogelijkheid van de dingen, die al waren geschied. Al weeklagend vroeg hij zich af waarom de Grieken opnieuw over de vlakte vluchtten en de schepen in dichte drommen naderden. Hij moest aan de oude voorspelling van zijn moeder denken. Eens had zij hem verteld dat, nog tijdens zijn leven, de beste der Myrmidonen aan die van Troje ten offer zou vallen. ‘O, het is haast wel zeker, dat de dappere Patroclus 1 is gestorven, die vermetele dwaas. En ik heb hem nog wel op het hart gedrukt terug te keren, als hij de schepen van de vlammen had gered, en niet met Hector de strijd op te nemen’

Terwijl hij dit alles nog in zijn geest overwoog stond Antilochus al voor hem. Hete tranen rolden hem over de wangen en zei jammerend: ‘Mijn edele heer, verheven Achilles, een verschrikkelijk bericht kom ik u brengen. Patroclus 1 is dood. Om zijn lijf wordt gestreden en Hector heeft uw wapenrusting.’ Duistere wanhoop greep de ziel van Achilles aan. Met beide handen graaide hij in het grauwe stof en stortte dat uit over zijn hoofd en besmeurde er zijn gezicht mee. Daarop wierp hij zich op de grond terwijl hij zich de haren uit het hoof rukte. Antilochus van zijn kant greep al huilend de handen van Achilles, bang dat deze, hevig snikkend, misschien een dolk in zijn keel zou steken.

De dode Patroclus

Achilles slaakte een vreselijke jammerkreet die zijn goddelijke moeder hoorde. Vlug ging zij, en een groot gevolg van nimfen, naar haar zoon toe. Met een doordringende kreet nam zij het hoofd van haar zoon in handen en sprak tegen hem: ‘Waarom die tranen, mijn kind? Wat scheelt je, zeg het. Zeus heeft toch gedaan, wat je vroeg, toen je al smekend je handen tot hem ophief. De Grieken zijn verjaagd naar hun schepen, omdat zij je misten, en zijn jammerlijk verslagen?’ Achilles zuchtte diep en antwoordde: ‘O moeder, het is waar, dat Zeus voor mijn welzijn veel deed, maar wat voor vreugde of voldoening schuilt daar in, want Patroclus 1 is dood. Hij was mijn liefste vriend, en Hector die hem doodde, heeft hem beroofd van mijn wapenrusting. De geweldige wapens die de goden Peleus schonken op de dag dat de onsterfelijken u als vrouw aan hem gaven. Ik wens niet langer te leven in de wereld der mensen, voordat Hector door mijn lans is geveld, stervend als losprijs voor de dood van Patroclus 1.’

Thetis huilde en zei: ‘Dan, mijn kind, zal je niet lang meer leven, want het is je lot om te sterven als Hector sterft.’ Door verdriet overmand sprak Achilles: ‘Ik sterf nog liever nu meteen, omdat ik mijn vriend niet kon redden, terwijl hij, ver van zijn land, vergeefs op mijn hulp wachtte. Maar nu is het mijn lot om nooit meer mijn land te zien, hoewel ik van alle Grieken de beste strijder ben. Het was de wrok, die Agamemnon zo noodlottig bij mij wekte waardoor ik hier nutteloos bij mijn schepen bleef zitten. Nu wil ik wel strijden en die ellendige Hector opsporen en doden. Als ik daarbij ook moet sterven dan zij dat zo. Zelfs de machtige Heracles ontkwam niet aan zijn lot. Zo zal ik ook sterven. En u, moeder, als u me werkelijk liefhebt, tracht mij dan niet tegen te houden. Geen woord van u zal mij nog langer doen wegblijven van het slagveld.'

Hierop antwoordde Thetis: ‘Ja, mijn kind, wat je zegt is waar. Het is prijzenswaardig om je vrienden die in nood verkeren te helpen. Maar je harnas is in bezit van de Trojanen en Hector rijdt rond in je schitterende wapenrusting. Maar niet voor lang, want ook hem wacht de dood. Werp je daarom niet direct in de strijd maar wacht op mijn terugkeer. Morgen, bij de dageraad, zal ik terugkeren en prachtige wapens meebrengen die door de goddelijke Hephaistus zijn gesmeed.’ Zo sprak ze en verdween met haar gevolg in de zee.

Ondertussen werd er nog steeds hevig gevochten om het lijk van Patroclus 1. Hector zou het hebben weggesleept als Iris 1 niet snel van de Olympus was afgedaald om Achilles te waarschuwen dat hij zich klaar moest maken voor de strijd. ‘Vooruit, Achilles,’ zei ze, ‘sta op uit je lethargie en verdedig Patroclus 1, want om zijn lijk wordt bloedig gestreden. Het is vooral Hector die op zijn lijk belust is. Hij wil diens hoofd van zijn nek scheiden en op een paal van de palissade steken. Schiet dus op en treuzel niet langer. Het is jouw schuld als het lijk geschonden naar het kamp komt.’

‘Maar hoe kan ik ten strijde trekken?’ vroeg Achilles. ‘De vijand heeft mijn wapenrusting en mijn moeder ontraadde mij om naar het slagveld te gaan, voordat zij een nieuwe uitrusting had gebracht.' Daarop antwoordde Iris 1: ‘Ook wij onsterfelijken weten, dat je wapens in vijandelijke handen zijn. Ga niettemin naar de gracht, gekleed als je bent, en vertoon je aan de Trojanen. Wellicht krijgen zij de schrik te pakken, als zij je zien, en staken zij de strijd, zodat de Grieken tijd krijgen om op adem te komen. Met weinig uitstel is er in de oorlog al veel gewonnen.’ Zo sprak Iris 1 en ging.

Achilles sprong op en de godin Athena wierp haar, met kwasten bezette, Aegis om zijn schouders, liet een mist om hem neerdalen, en hulde hem in vlammen. Hij liep naar buiten door de poort tot voorbij de muur en stelde zich bij de schutgracht op, op een afstand van de andere Grieken, indachtig de waarschuwing van zijn moeder. Daar hief hij zijn strijdkreet aan die van verre onmiddellijk door Athena werd overgenomen. In de harten van die Trojanen wekte hij een onbeschrijfelijke ontsteltenis en krompen van schrik ineen, toen zij die schelle stem hoorden. Hun menners schrokken hevig van het vuur, dat Athena van zijn hoofd liet stralen. Driemaal liet Achilles zijn stem schallen over de schutgracht, en driemaal zaaide hij wanorde onder de gelederen van de Trojanen. Van hun dappersten vonden er onmiddellijk twaalf de dood, door speren van hun eigen manschappen of werden vertrapt onder de hoeven van zijn paarden.

Van de gelegenheid maakten de Grieken dankbaar gebruik om het lijk van Patroclus 1 weg te slepen uit het gedrang. Zij legden hem op een baar en omringden huilend de dode Patroclus 1. Achilles voegde zich bij hen, terwijl de warme tranen langs zijn wangen rolden, want daar lag zijn beste vriend dood uitgestrekt op de baar. En hij was het, die hem de strijd in had gezonden. Een afscheid zonder weerkeer. De avond viel en de Grieken kregen een nacht respijt.

Die hele nacht huilden de Grieken om Patroclus 1 terwijl Achilles in rouwbeklag voor ging. Hij lag zijn handen op de borst van zijn dode vriend en herinnerde zich de woorden waarmee hij destijds de vader van Patroclus 1 gerust had gesteld. ‘Na de val en plundering van Troje zal ik uw zoon veilig thuis brengen, overladen met roem en rijk aan buit. Maar nu zijn wij beiden gedoemd om hier bij Troje eenzelfde stukje grond rood te kleuren met ons bloed. Ook ik zal mijn vaderland nooit meer terugzien. Daarom, Patroclus 1, aangezien ik je onder aarde zal volgen, zal ik met eer je begrafenis vieren, maar niet voordat ik de wapens en het hoofd van Hector hierheen heb gebracht. En in de gloed van je doodsvlammen zal ik twaalf van de edelste zonen van Troje doen sneuvelen om je dood te wreken. Tot dan zult je hier opgebaard liggen bij de schepen. Dag en nacht beweend door de vrouwen van Troje die wij buit maakten na veel strijd, toen wij de rijke en dicht bevolkte steden veroverden en plunderden.’ Zo sprak Achilles en droeg zijn vrienden op een grote ketel op het vuur te plaatsen en zich te haasten om het geklonterde bloed van het lijk te wassen. Daarna legden zij het lijk op een baar en bedekten dat van hoofd tot de voeten met een wit lijkkleed. De rest van de nacht huilden en klaagden de Myrmidonen, samen met Achilles, bij de dode Patroclus 1.

Verzoening met Agamemnon

Achilles krijgt nieuwe wapens

De dageraad steeg op uit de golven toen Thetis de schepen bereikte met in haar armen de geschenken van een god. Daar vond zij haar zoon, die bij het lijk van Patroclus 1 lag, terwijl hij bitter huilde in de kring van zijn weeklagende vrienden. Zij nam haar zoon bij de hand en zei: ‘Laat hem nu maar liggen, mijn kind, waar hij ligt. Door de wil van de goden werd hij voorgoed geveld. Trek nu deze prachtige wapenrusting aan, die Hephaistus met zoveel kunstvaardigheid voor je smeedde.’ Daarop legde zij de wapens aan zijn voeten neer, die luid rinkelden.

Schrik beving alle Myrmidonen. Niemand waagde het om er rechtstreeks naar te kijken en deinsden bang terug. Van Achilles, toen hij de wapens zag, maakte zich een felle woede meester en zijn ogen begonnen vlammend te fonkelen. Maar zijn hart verheugde zich toen hij de wapenen opnam. En tegen Thetis zei hij: ‘Een god, moeder, heeft mij die gestuurd, prachtiger dan een onsterfelijke of mensenhand ooit smeedde. Ja ik zal ze onmiddellijk aandoen. Maar ik ben bang dat vliegen intussen op het lijk gaan zitten van de heldhaftige Patroclus 1 en in de open wonden vieze maden gaan uitbroeden. Hij is dood en daarop volgt ontbinding.’ Daarop antwoorde Thetis: ‘Mijn kind, maak je daarover geen zorgen. Ik zal zelf de vliegen van hem afweren, zodat hij vrij blijft van de ontbinding. Ja, zelfs al lag hij hier een jaar, in alle seizoenen, dan nog zou zijn lichaam niet vergaan. Maar verzamel nu de Griekse helden en verzoen je met Agamemnon. Kom doe snel de wapens om verzamel al je krachten.’ Zo sprak Thetis en stortte onverschrokken moed in haar zoon.

Verzoening met Agamemnon

Daarop gaat Achilles langs het strand, schrikwekkende kreten slakend, om Griekenlands’ helden op te roepen. Allen kwamen naar de vergadering waar hij in hun midden verscheen. Als laatste verscheen de gewonde koning Agamemnon. Zodra hij hem zag sprong Achilles overeind en zei: ‘Zeg mij, Agamemnon, wat had het voor nut dat wij ruzie maakten om een meisje? Ik wou dat Artemis haar gedood had met een pijl bij de schepen op de dag dat ik haar roofde. Dan zouden niet zoveel Grieken in het stof hebben gebeten, geveld door de vijand, omdat ik hardnekkig bleef wrokken. De Grieken zullen die twist van ons echter nog lang herinneren. Maar laten wij het bijleggen, hoezeer het ons ook ter harte ging. Ik maak een eind aan mijn wrok waarover het niet past om eindeloos te twisten. Laten we ons samen in de strijd werpen, zodat de vijand, mocht die het weer op onze schepen voorzien hebben, andermaal mijn waarde en kracht leert waarderen.’

Daarop nam Agamemnon het woord. Hij stond op van zijn plaats, liep niet naar het midden van de vergadering, maar sprak, waar hij stond. ‘Dappere helden, als een man opstaat om te spreken is het passend te luisteren en hem niet in de rede te vallen. Hoe zou men bij zoveel gerucht van zovele mannen kunnen spreken, zelfs al was men een redenaar met luide en verdragende stem? Tot de edele Achilles wil ik spreken, maar ik wil dat alle anderen het ook horen. Wat je zei, Achilles, hebben de Grieken mij al vaak verweten. Het is het noodlot dat mijn oordeel verduisterde, toen ik je prijs ontnam. Ook ik ben bereid om het goed te maken en je ruimschoots schadeloos te herstellen wanneer je weer wilt deelnemen aan de strijd om het leger aan te voeren. Wat de geschenken betreft, blijf ik bereid om je alles te geven, wat Odysseus je beloofde, toen hij je opzocht in je tent. Als je wilt kun je er op wachten terwijl ik mijn bedienden stuur om ze te halen, zodat je kunt zien hoe mooi ze zijn.’

Achilles antwoordde: Agamemnon, die geschenken kunnen wel wachten, geef me die later maar. Laten we nu onmiddellijk een krijgsplan beramen. Er wacht ons een grote taak. Laten wij geen woorden doelloos verspillen. Opnieuw moet men Achilles zien strijden in de voorste gelederen.’ Dit wekte een reactie op bij de schrandere Odysseus. ‘Beste Achilles,’ zo zei hij, ‘hoe moedig je ook bent, toch kun je de manschappen niet zo naar Troje sturen. Het wordt geen slag, die in korte tijd beslist is. Laat de Grieken eerst wat eten en zich versterken met wijn. Zonder voedsel houden zij het niet tegen de vijand uit tot de zon ondergaat. Hoezeer hun harten ook gebrand zijn op strijd, onverhoedse zwakte en uitputting zullen hen overvallen, honger en dorst zullen hen bespringen, en dan begeven hun knieën het. Maar heeft een strijder naar hartenlust gedronken en gegeten, voordat hij met de strijd begint, dan kan hij vol moed en nooit falende kracht vechten, totdat er een eind aan de slag komt. Daarom vraag ik je om de troepen te laten rusten en hen een maal te bereiden. Wat de geschenken betreft, laat Agamemnon die hier brengen en in ons midden uitstallen, opdat wij kunnen zien dat je blij bent. Laat hij voorts, ten overstaan van iedereen zweren, dat hij nooit zijn bed met het meisje Briseis deelde. Daarna zal Agamemnon ons allen in zijn tent met een rijkelijk maal voldoening schenken. En Agamemnon adviseer ik om ten opzichte van anderen voortaan wat nauwgezetter te zijn. Het past een koning om voldoening te geven en te herstellen, wat hij kwetste en brak.’

Agamemnon stemt in met het voorstel en geeft aan zijn bedienden opdracht de geschenken uit zijn schip halen en een groots feestmaal te bereiden. Daarop zegt Achilles: ‘Beste Agamemnon, wat u zegt is goed maar stel de uitvoering ervan uit tot de strijd wat tot rust is gekomen en ik niet zo woest begerig ben om er gewapend op uit te trekken. De mannen, onze vrienden, liggen verminkt op het slagveld, en u nodigt ons uit voor een feestmaal! Nee, ik zou de mannen liever nu onmiddellijk en nuchter naar de strijd sturen, totdat de zon onder is gegaan, en wij al strijdend de smaad hebben uitgewist, waarna zij naar hartenlust kunnen eten. Ik zal zelf echter niet eerder ook maar iets eten of drinken, want mijn vriend ligt dood in mijn tent, zijn voeten gestrekt naar de deur. Nee, wat u voorstelt kan mijn hart voorlopig nog niet aan denken, maar alleen aan bloed en moord en het gereutel van stervenden.’

Na nog een discussie met Odysseus stemt Achilles uiteindelijk toe om eerst te eten en te rusten waarna de vergadering wordt ontboden. De geschenken worden gebracht en door de Myrmidonen meegenomen naar de schepen van Achilles. Ook Briseis komt terug naar de tent van Achilles. Later op de avond wordt het feestmaal genuttigd en proberen de Grieken Achilles te laten eten, maar hij weigert al jammerend over zijn vriend en zegt: ‘Als mijn wens en mijn wil jullie iets waard zijn, vraag mij dan niet te eten en te drinken. Ik zal pas stoppen met vasten zodra Hector gedood is en de zon onder is gegaan.’ Daarop gaat hij terug naar zijn eigen tent waar de twee Ajaxen, Odysseus, Nestor, Idomeneus 1 en de oude wagenstrijder Phoenix 1 hem proberen te troosten in zijn leed. De godin Athena krijgt medelijden met Achilles en giet wat nectar en ambrozijn in zijn borst om hem te redden van de hongersnood.

Achilles maakt zich klaar voor de strijd

De volgende ochtend komt het leger in ordelijke gelederen het tentenkamp uit. Temidden van hen wapende zich Achilles. Door bloeddorst bevlogen, knarste hij met zijn tanden, en zijn ogen gloeiden als kolen, toen hij zich uitrustte met de goddelijke geschenken van Hephaistus. Om zijn benen bond hij scheenplaten met gespen van zilver. Daarop deed hij het borstharnas aan en hing het bronzen zwaard over zijn schouder, het gevest met zilver beslagen. Toen nam hij het grote en stevige schild. Voorts nam hij de zware helm en zette die op zijn hoofd waar een gouden helmbos bovenop wapperde. Achilles voelde hoe het harnas hem paste, en liep en bewoog alsof niets hem hinderde. Zo licht als een veertje voelde het aan. Het was, alsof hij vleugels had aangetrokken. Tenslotte trok hij de speer van zijn vader uit de koker, de zware, lange en geduchte speer, die geen van de Grieken kon drillen behalve hijzelf. Intussen spanden Automedon en Alcimus 1 de paarden in. Ze staken hun het bit in de mond en Automedon sprong achter het tweespan in de wagen, gevolgd door Achilles, die klaar was voor de strijd.

Met geduchte stem spoorde hij de paarden aan: ‘Tracht dit keer beter uw best te doen en uw wagenstrijder na de strijd levend terug te brengen bij zijn vrienden, in plaats van hem dood achter te laten op het slagveld, zoals u dat deed met Patroclus 1!’ Vanonder het juk kwam het antwoord van één van de paarden. ‘Heus, Achilles, we zullen je wel redden en onze meester veilig terugbrengen. Toch is je doodsuur nabij, maar daar zullen wij niet de schuld van zijn. Het was niet door traagheid van onze kant of door gebrek aan snelheid, dat die van Troje in staat waren om Patroclus 1 van zijn wapens te beroven. De beste der goden, Apollo, was het, die hem in de voorste gelederen doodde en de zege aan Hector schonk. Ook al draven wij zo vlug als de westenwind, toch bent u gedoemd om aan een god en een krijger ten offer te vallen.’ Zo sprak het paard, waarna de wraakgodinnen het met stomheid sloegen.

Achilles werd boos en antwoordde: ‘Je voorspelt mij de dood? Waarom? Ik weet zelf ook wel dat ik gedoemd ben hier te sterven, ver van mijn vader en moeder. Niettemin zal ik, tot het zover is, doorgaan met die van Troje met de verschrikkingen van de krijg te verzadigen.’ Zo sprak Achilles, hief zijn verschrikkelijke strijdkreet aan en zweepte zijn paarden de strijd in. Zo schaarden de Grieken zich bij hun schepen ten strijde rondom Achilles. Vanuit Troje trok ook daar het leger op en rees het tumult van de oorlog hoog de hemel in. En daar was Achilles, die niets liever wenste dan in het strijdgewoel Hector de held te treffen en voorgoed met hem af te rekenen.

Ultieme strijd

Strijd met Aeneas

Heel de vlakte was nu gevuld met flonkerend brons waar mannen en paarden zich verdrongen. De grond dreunde toen de twee legers op elkaar afstormden met vooraan in het midden, Aeneas en Achilles, elk naar een gevecht van man tegen man verlangend. In de ruimte tussen de legers trad Aeneas als eerste naar voren. Hij hield het grote schild beschermend voor zich en zwaaide met zijn lans. Van de andere kant snelde Achilles op hem toe. Toen zij elkaar dicht genoeg waren genaderd was het Achilles die als eerste uitdagende woorden sprak.

Aeneas, wat brengt jou ertoe om de gelederen te verlaten en je zover naar voren te wagen binnen het bereik van mijn wapens? Hoop je, door met mij te vechten, binnenkort Priamus op te volgen als leider van de Trojanen? Maar Priamus zal jou heus de kans niet geven, zelfs al zou je mij van mijn wapens beroven! Zelf heeft hij evenveel opvolgers als zonen en is bovendien nog kras genoeg, kloek en helder van geest. Of hoop je van de Trojanen een mooi landgoed te krijgen met wijnbergen, akkers en boomgaarden, als dank voor mijn dood? Die prijs zal je niet gemakkelijk behalen. Daarom raad ik jou aan om mij maar liever uit de weg te gaan, en terug te keren naar de gelederen.’ Zo riep hij naar Aeneas.

Daarop wierp Aeneas zijn zware speer, die het schild van Achilles trof, dat bonsde en dreunde. Achilles had zich tijdig gedekt, want hij dacht, dat de lange speer van Aeneas hem maar al te gemakkelijk kon doorboren. Dwaas was zijn vrees. De speer van de dappere Aeneas ging er niet doorheen. Het wapen baande zich wel een weg door twee lagen van het schild, maar werd toen door het goud weerhouden. De hinkende god Hephaistus had zijn werkstuk in vijf lagen gesmeed, de twee buitenste van brons, de binnenste van tin, met goud ertussen, en daar stuitte de essenhouten speer op af.

Maar nu wierp Achilles op zijn beurt de speer en raakte het schild van Aeneas op de buitenste rand waardoor deze dreunend bonsde. Aeneas zocht echter wegduikend dekking. De speer vloog door de banden van het schild over zijn schouder en bleef achter zijn rug trillend in de grond steken. Aeneas bleef bevend staan waar hij stond omdat de speer hem zo op het kantje af had geraakt. Maar nu trok Achilles zijn scherpe zwaard en stormde voorwaarts onder het uitstoten van verschrikkelijke kreten. Daarop nam Aeneas een zware steen van de grond en zwaaide er dreigend mee boven zijn hoofd. Hij zou de helm van Achilles hiermee getroffen hebben, en Achilles zou Aeneas met zijn zwaard gedood hebben als Poseidon het gevaar niet had opgemerkt.

Onmiddellijk sprak deze tot de goden: ‘Vooruit, laten we die twee ontrukken aan het doodsgevaar. Achilles is voorbestemd om te ontkomen en Aeneas moet in een ander land nog nakomelingen voortbrengen.’ Hera weigert om hem te helpen waarop Poseidon zelf naar de strijd gaat. Daar aangekomen hult hij Achilles in een nevel, trekt de lans uit het schild van Aeneas en legt het wapen aan de voeten van Achilles neer. Dan tilt hij Aeneas uit de strijd en werpt hem over een grote afstand naar de rand van het slagveld en verwijdert de nevel om Achilles die verbijsterd om zich heen kijkt. Deze ziet plotseling de speer aan zijn voeten liggen terwijl Aeneas verdwenen is. Hij concludeert dat ook Aeneas door de goden wordt bemind, terwijl hij dacht dat deze slechts pochte, en besluit om dan de Grieken maar aan te moedigen tot de strijd en een paar andere Trojanen voor zijn rekening te nemen.

Eerste aanval op Hector

Strijdende Achilles

Achilles rent door de gelederen waar hij zijn strijdkreet laat schallen, terwijl hij de mannen aanspoort, en op zijn tegenstanders afgaat. Als eerste doodt hij Iphition 1 uit Hyde met zijn speer door zijn schedel te splijten. Zijn strijdwagen maakt bloedige sporen nadat deze over het lijk is heengereden. Vervolgens gaat hij op Demoleon 1 af, één van Antenor 1’s zoons, en een ervaren strijder. Hij treft zijn bronzen helm bij de slaap. Het brons is niet sterk genoeg en de speerpunt dringt door het bot waardoor de hersens uiteenspatten. Daarop kwam Hippodamas 1 aan de beurt die vluchtend van zijn strijdwagen sprong. Maar Achilles trof hem met zijn speer in de rug. Brullend stort Hippoddamas ter aarde waar hij sterft. Vervolgens gaat hij achter de vluchtende hardloper Polydorus 1 aan, de jongste zoon van Priamus. Maar Achilles werpt hem zijn werpspies in de rug. De punt van de spies drong door zijn lijf en kwam bij de navel weer naar buiten. Polydorus 1 zakt op de grond terwijl hij met zijn handen de naar buiten puilende ingewanden tegen probeert te houden.

Toen Hector zag hoe zijn broer Polydorus 1 daar ineen zonk, en met de handen zijn darmen bedwong, werden zijn ogen dof van de tranen. Hoe kon hij nog langer afzijdig blijven? Laaiend van woede stoof hij op Achilles af en zwaaide met zijn speer. Nauwelijks had Achilles hem gezien of hij sprong juichend op hem af. ‘Daar komt de man, die mij de wreedste slag toebracht door mijn vriend te doden. Nu is het gedaan met het elkaar ontwijken langs de bloederige wegen van de oorlog.’ En Hector met duistere blik opnemend zei hij tegen hem: ‘Kom op, en vlug! Des te sneller wordt de strik van de dood om je nek gedaan!’ Daarop antwoord Hector onverstoorbaar: ‘Denk maar niet, Achilles, dat je mij met woorden schrik aan kunt jagen, alsof ik een kind ben. Als het op schelden en honen aankomt, weet ik ook mijn zegje wel te doen. Ik weet, dat je een groot krijger bent en mijn meerdere. Maar de goden beslissen, en al ben ik niet zo sterk als jij, toch kan het wel eens hun bedoeling zijn, dat ik je nu dood met mijn speer.

Aldus Hector en werpt zijn speer. Maar Athena blaast de speer weg van Achilles en terug naar Hector, waar het wapen bij zijn voeten neerkomt. Achilles, die op het bloed van zijn vijand uit is, valt daarop aan met een verschrikkelijke strijdkreet. Apollo hulde Hector echter in een dichte nevel en trok hem telkens weg als er gevaar dreigde. Driemaal viel Achilles uit met zijn speer en driemaal trof hij het nevelige niets. Als een bezetene stormde hij een vierde maal op Hector af en opnieuw klonk die verschrikkelijke strijdkreet. ‘Laffe hond!’, riep hij, ‘Opnieuw weet jij je leven te redden, al was het ternauwernood. Apollo moest je wederom beschermen. Natuurlijk heb je weer je gebedje voor hem opgezegd, voordat jij je binnen het bereik van mijn speer waagde! Maar wij ontmoeten elkaar nog en dan is het met je afgelopen, als ik ook een god kan vinden, die mijn handlanger wil zijn. Voor het ogenblik ga ik mijn geluk ergens anders beproeven.’

Zo sprak Achilles en trof Dryops 1 midden in de nek met zijn speer, waarna deze dreunend neerplofte aan zijn voeten. Achilles liet hem liggen, waar hij lag en wierp zijn speer naar Deimuchus en trof hem aan de knie, zodat ook hij neerstortte. Daarop benam hij hem het leven met zijn zwaard. Toen was Tros 2 aan de beurt. Maar deze omknelde zijn knieën in de hoop dat Achilles hem niet zou doden, maar alleen zou wegvoeren als zijn gevangene. Nog terwijl hij zijn handen smekend opheft wordt hij door Achilles, niet zachtmoedig, in de lever getroffen met het zwaard. De lever kwam naar buiten en zijn knieën kleurden donker van zijn bloed. Hij verloor het bewustzijn en daarmee zijn leven.

Daarop ging Achilles op Mulius 3 af en trof hem in het oor met zo’n fel geweld, dat de bronzen speerpunt bij het andere oor weer naar buiten kwam. Toen was de beurt aan Echeclus 2, zoon van Agenor 1. Achilles’ zwaard kwam op zijn hoofd neer. En het meedogenloze brons werd warm van zijn bloed. Voorts trof Achilles Deucalion 2 in de onderarm met de punt van zijn speer, daar waar de pezen de elleboog doen buigen. Deucalion 2 wachtte de genadeslag af en Achilles sloeg hem met zijn zwaard in de nek. Hoofd en helm vlogen weg. Het merg kwelde uit de wervels naar buiten, toen de rest van het lijk ter aarde plofte. Het volgende slachtoffer van Achilles was Rhigmus. Hij wierp zijn speer naar hem en trof hem dodelijk. De speerpunt vond de weg naar zijn longen en hij kwam uit zijn strijdwagen getuimeld. Toen trof Achilles met zijn scherpe speer de wagenmenner Areithous 2, juist toen deze de paarden wilde keren. Hij werd in de rug getroffen en tuimelde uit de wagen, terwijl de paarden op hol sloegen. Zo ging Achilles onder de Trojanen tekeer die daardoor op de vlucht sloegen naar de poorten van de stad.

Gevechten bij de rivier

Toen de Trojanen de doorwaadbare plaats van de Scamander bereikten, dwong Achilles het leger van de Trojanen om zich in tweeën te splitsen. De ene helft dreef hij over de vlakte naar Troje, de andere helft werd de rivier ingedrongen, waar de kolken het diepst zijn. De krijgers plonsden het water in en het tumult weerkaatste tegen de hoge oevers. Meegesleurd, door de draaikolken, schreeuwden zij met de dood voor ogen. Als sprinkhanen dreef Achilles hen de rivier in, die enorm in beroering was door de mannen en paarden.

Achilles zette zijn speer tegen een boom langs de oever en sprong, slechts met zijn zwaard gewapend, ook zelf de stroom in. Van moordlust bezeten sloeg hij naar links en naar rechts. En het water werd rood van het bloed, terwijl het gekreun van de getroffenen verschrikkelijk om te horen was. Toen Achilles moe werd, koos hij twaalf jongemannen uit, hen levend uit de rivier vissend om voor de dood van Patroclus 1 te boeten. Bang als kinderen kropen ze de oever op, waar hij hun handen op de rug bond met sterke riemen. Daarop gaf hij zijn mannen opdracht om hen naar de schepen te brengen, want hij was zelf te zeer belust op verdere strijd.

Zijn eerste treffen was met Lycaon 2, één van de zoons van Priamus, die uit de rivier wilde ontsnappen. Hij had al eerder met die man een ontmoeting gehad, tijdens een nachtelijke verkenningstocht. Achilles herkende hem onmiddellijk, want hij was zonder dekking van wapens. Die had hij, uitgeput om aan de maalstroom te ontsnappen op de grond geworpen. Achilles riep woedend en verbaasd: ‘Waarlijk, de wonderen zijn de wereld nog niet uit! Iedere Trojaan, die ik gedood heb, zal uit het schemerduister weer opdoemen, als zij het voorbeeld volgen van die kerel daar. Die weggelopen slaaf, die in Lemnos verkocht werd, maar nu weer opduikt uit het moddergrauwe water. Maar nu zal ik hem anders trakteren. Hij gaat de punt van mijn scherpe speer proeven. Dan wil ik wel eens zien, of hij daarna ook nog terug komt, of dat de vruchtbare aarde, die al zoveel helden in haar schoot bergt, hem eronder zal houden.’

Terwijl Achilles zo stond te peinzen, naderde Lycaon 2 hem als smekeling en probeerde zijn knieën te omklemmen, gek van angst en met slechts één verlangen, aan de dood ontsnappen. Maar Achilles tilde zijn speer op en mikte. Maar Lycaon 2 dook neer, omknelde zijn knieën terwijl de speer over hem heen vloog, en smeekte: ‘Achilles, wees barmhartig, spaar mij! Ik heb recht op uw achting, want u was de eerste Griek wiens brood ik brak, toen u mij gevangen wegvoerde uit het gezicht van mijn vader en in Lemnos verkocht. Ik bracht een goede prijs op, maar voor driemaal zoveel kocht men mij vrij en na vele gevaren, moeite en leed kwam ik twaalf dagen geleden in Troje terug. En nu heeft het akelige noodlot mij weer in uw handen gevoerd. Wat moet Zeus mij haten, dat hij mij tweemaal tot uw gevangene maakt! Ik ben de zoon van Laothoe die Priamus kocht tot een van zijn vele vrouwen. Zij kreeg van hem twee zoons, die beiden door uw speer stierven. Want Polydorus 1 viel reeds onder uw handen en hier wacht mij geen beter lot. Hoe zou ik immers hopen te ontkomen, nu de onsterfelijken besloten om mij over te leveren aan uw onbarmhartige handen?’

Zo smeekte Lycaon 2 om genade. Maar er was geen genade in de stem, die hem antwoordde. ‘Jij dwaas, praat niet over losgeld en verkwist mijn tijd niet met lange redevoeringen. Voordat Patroclus 1 de dood vond, was ik niet ongenegen om die van Troje te sparen. Velen nam ik levend gevangen om naar het buitenland te verkopen. Maar nu zal ik geen enkel leven meer sparen. Dat geldt voor iedere Trojaan, maar vooral voor de zonen van Priamus. Ja, vriend, sterven zal je. Waarom er weeklagend zo’n ophef over maken? Ook mij wacht de dood en het onbarmhartige noodlot. Een morgen komt, of misschien een middag of een avond, dat ook mij iemand doodt in de strijd met een worp van zijn speer of een pijl van zijn boog.’

Toen hij dit hoorde, verloor Lycaon 2 de moed en zijn knieën weigerde hem dienst, zodat hij ineen zonk. Hij liet de speer los en zat op de grond, beide handen uitgestrekt in een laatste smeekbede. Maar Achilles trok zijn scherpe zwaard en trof hem naast zijn sleutelbeen, in de hals en het tweesnijdende zwaard verdween in zijn vlees. Hij viel voorover en zijn donkere bloed maakte de aarde zwart. Achilles greep hem bij de voet en slingerde hem de rivier in met een honend woord van vaarwel: ‘Rust bij de vissen. Die kunnen tot troost je wonden likken. Je moeder zal je niet neerleggen op een baar en om je huilen, maar de kolkende Scamander zal je wiegend naar de diepe zee dragen, waar menige vis zich te goed zal doen aan het blanke vlees van Lycaon 2. Dood en verderf aan jullie allen, totdat wij de burcht van het heilige Troje bereikt zullen hebben. Niets zal jullie nog redden, zelfs de mooie Scamander met zijn diepe kolken niet. Stuk voor stuk zullen jullie een pijnlijke dood sterven, totdat er geboet is voor de dood van Patroclus 1 en alle Grieken.’

Woede van de Riviergod

Maar de Riviergod, Scamander, die al boos was, en nu nog meer door die honende woorden, bedacht hoe hij een eind kon maken aan die daden van Achilles en de Trojanen kon behoeden voor verdere rampen. Maar Achilles was op bloed uit en wierp zich met zijn lans op Asteropaeus. Deze kwam juist het water uit met twee speren in zijn handen, waarmee hij Achilles te lijf wilde gaan. De Riviergod had hem veel moed ingestort, boos als hij was over de vele doden in zijn water. Maar Achilles daagde hem uit. ‘Wie ben jij in hemelsnaam, dat je het waagt om het tegen mij op te nemen. Wie zijn je ouders?’ Daarop antwoordde Asteropaeus: ‘Verheven Achilles, waarom naar mijn afkomst gevraagd? Ik kom uit het verre Peaonië, waarvandaan ik elf dagen geleden de dappere Peaoniërs naar Troje bracht. Ik stam van de Riviergod Axius 1, en Pelegon was mijn vader. Maar komaan, Achilles, laten we strijden!’

Hierop hief Achilles zijn speer maar de dappere Asteropaeus wierp twee speren tegelijk op Achilles af. De één trof zijn schild, de ander schampte zijn rechter elleboog en bleef achter hem in de grond steken. Nu wierp Achilles zijn grote moordlustige wapen met geweld naar Asteropaeus, maar miste, waardoor de speer halverwege in de rivieroever bleef steken. Daarop trok Achilles zijn zwaard en stormde op zijn vijand af, die vergeefs probeerde de speer uit de drassige grond te trekken. Als hij voor de vierde keer probeert om de speer uit de oever te trekken raakt Achilles hem met zijn zwaard in de navel waardoor de ingewanden van Asteropaeus uit zijn buik puilen. Daarop zet Achilles zijn voet op zijn borst en pocht: ‘Daar lig je nu, als een bewijs, dat het zelfs voor de afstammelingen van een Riviergod moeilijk is om het tegen de zonen van Zeus op te nemen. Jij zei af te stammen van en Riviergod, maar mijn stamboom reikt tot Zeus zelf. Peleus, is mijn vader die een zoon was van Aeacus en die was weer een zoon van Zeus.’

Achilles trok zijn speer uit de grond, liet zijn slachtoffer liggen waar hij lag, en joeg de Peaoniërs na, die bang op de vlucht sloegen langs de oever van de kolkende rivier. Hun leider was gevallen en zij vreesden het zwaard dat hem velde. Achilles doodde Thersilochus 1, Mydon 2, Astypylus, Mnesus, Thrasius 1 en Ophelestes 2. Hij zou nog meer Peaoniërs hebben geveld, als de verbolgen Riviergod niet met een bulderende mensenstem gesproken had: ‘Achilles, je bent meer dan een sterveling, zowel door je kracht als je daden. En de goden zijn altijd op je hand. Maar als Zeus werkelijk alle Trojanen door jou gedood wil zien, verjaag ze dan op zijn minst van mijn oevers, en zet je walgelijke moordpartij voort op de vlakte. Mijn liefelijke water stinkt van de lijken en versperren mij de weg naar zee. Maak er een eind aan, woeste krijger! Ik walg ervan!’ Toen antwoordde Achilles: ‘Goddelijke Scamander, ik eerbiedig uw wens, maar met het doden van die Trojanen zal ik doorgaan, totdat ik hen naar hun stad terug heb gejaagd, met Hector een tweekamp heb gehouden en de beslissing is gevallen, wie van ons beiden wint, en wie er sterft.’ Zo sprak Achilles en stormde hij opnieuw als een bezetene op de Trojanen af.

Woedend ging Scamander daarop met hoge golven op Achilles af en smeet de, door Achilles gedode, lijken van talloze Trojanen op de oevers. Het woedende water steeg en kolkte bruisend en sissend rondom Achilles. Het beukte tegen zijn schild en overweldigde hem. Niet in staat om te blijven staan, greep hij zich vast aan een stevige iep. Maar de boom kwam met wortel en al uit de grond en tuimelde in de rivier. Achilles vluchtte van angst uit het dreigende water in de hoop dat zijn snelle voeten hem konden redden. Maar de Riviergod was nog niet klaar met hem. Hij wilde voorgoed een einde maken aan zijn bloeddorstige werk en de Trojanen redden van de ondergang. De rivier steeg en bedreigde Achilles met een zwarte muur van water. Achilles vluchtte, en behaalde een kleine voorsprong terwijl hij de neerstortende golf ontvluchtte en de bulderende boze Riviergod hem nazat.

Achilles was een snelle loper, maar de rivier haalde hem telkens weer in. Nu en dan bleef Achilles staan en wilde zich schrap zetten, maar dan beukte een boze golf weer in zijn rug. Woedend strompelde hij voort, maar het water haalde hem in, greep zijn knieën en rukte de losse aarde weg onder zijn voeten. Jammerend smeekt Achilles uiteindelijk om hulp bij de goden en al snel staan Poseidon en Athena naast hem. Zij namen menselijke gedaanten aan en grepen Achilles bij de hand terwijl ze hem bemoedigend toespreken. ‘Houdt moed, Achilles,’ zegt Athena, ‘je maakt je nodeloos ongerust. Geloof me, jouw lot is niet om door een Riviergod gedood te worden. Die rivier bedaart snel genoeg, zoals je snel zult ontdekken. Maar stop niet eerder met vechten totdat de Trojanen binnen hun muren teruggedrongen zijn en je Hector hebt gedood. Pas daarna mag je terugkeren naar de schepen. Die roem beloven wij jou.’ Daarop vertrokken de twee goden.

De woede van Scamander bleek echter niet gestild. Hij gaat nog erger tekeer tegen Achilles met zijn machtige golven en buldert naar zijn broer, de Riviergod Simois 1: ‘Broer, laten we samen die man de baas worden, want dadelijk gaat hij de stad van Priamus nog verwoesten. De Trojanen houden de strijd niet lang meer vol. Kom mij vlug te hulp met jouw kolkende water.' Daarop laat hij zijn golven nog hoger opkomen, bruisend en schuimend, vol bloed en lijken, en probeert Achilles mee te sleuren. Dan roept Hera haar zoon, de vuurgod Hephaistus te hulp. Deze valt de rivier met hoog oplaaiende vlammen aan. Eerst ontstak hij een enorm vuur op de vlakte waardoor de lijken wegteerden. Daarop dreef Hephaistus het laaiende vuur naar de rivier. Onmiddellijk gingen tamarisken, iepen en wilgen in vlammen op. Zelfs de vissen spartelden wanhopig in het kokende water vanwege de zengende hitte van het vuur. Het water kookte en de Riviergod verhief zijn stem: ‘Geen van de goden is met u te vergelijke, Hephaistus. Ik wens het niet tegen u en uw razende vuur op te nemen. Laat Achilles die Trojanen naar hun stad verjagen, ik zal hem niet meer bedreigen. Wat gaat mij uiteindelijk die oorlog aan.’

Ontmoeting met Hector

Strijd met Hector

Achilles gaat daarop onder de Trojaanse krijgers tekeer die zich naar de stad haastten, vluchtend over de vlakte met Achilles achter hen aan. Hij zou Troje hebben ingenomen als Apollo geen moed had gestort in het hart van Agenor 1 en, gehuld in een nevel, beschermend naast hem ging staan. Agenor 1 hield zijn schild voor zich en riep tegen Achilles, terwijl hij een speer in zijn handen balanceerde: ‘Je hoopt zeker vandaag de stad van de Trojanen in te nemen, dwaas! Wij zullen nog heel wat meer verdragen voordat het ooit zover komt. Troje wemelt nog van de weerbare mannen die onze vrouwen en kinderen zullen beschermen. Maar voor jou gaat vandaag je noodlot in vervulling, hoe geducht je ook bent.’

Zo sprak hij en wierp met sterke hand zijn speer die afketst op de scheenplaat van Achilles. Daarop rent Achilles op Agenor 1 af maar Apollo berooft hem van zijn zege door de vijand in een mist te hullen en zelf in de gedaante van Agenor 1 te verschijnen. Zo lokt hij Achilles weg van het vluchtende leger in de richting van de kolkende Scamander. Apollo was hem telkens zo weinig voor, dat Achilles steeds hoopte hem in te kunnen halen. Ondertussen vluchten de Trojanen ongedeerd hun stad in en sluiten de poorten. Niemand waagde zich nog buiten de muren om de strijd aan te gaan met Achilles, behalve Hector, die door het noodlot gedreven, buiten op de vlakte bleef wachten.

Ondertussen maakt Apollo zich bekend aan Achilles waarna deze rennend terugkeert naar de stad. Priamus ziet hem als eerste komen. Hij waarschuwt luid jammerend zijn zoon, en smeekt hem om binnen de veilige muren te komen. Hector laat zich echter niet vermurwen en blijft staan waar hij staat, terwijl Achilles nadert. Toen Achilles bijna bij hem was keek Hector op en beefde. Hij waagde het niet langer om stand te houden, verliet zijn plek voor de poort, en vluchtte. Achilles rende Hector achterna en zo kwamen beide bij de bronnen van de Scamander. Maar daar renden zij langs, Hector met Achilles achter zich aan. Zo renden zij driemaal om Troje heen. Achilles liet zich door geen list van Hector misleiden. Keer op keer trachtte Hector de wijk te nemen tot onder de poorten van Troje, de muur dicht naderend, in de hoop dat boogschutters op de wallen hem zijn achtervolger van het lijf zouden houden. Achilles onderschepte echter telkens zijn uitwijkpogingen en dreef hem terug het open veld in. Maar toch slaagde hij er niet in om hem in te halen.

Toen zij de bronnen voor de vierde maal naderden ging Athena naar Achilles toe en zei: ‘Achilles, Hector zal zich tot het bittere einde verweren, maar jij en ik zullen hem naar het duistere huis van Hades sturen. Er is geen redding meer mogelijk, hoezeer Apollo hem ook steunt. Blijf nu staan terwijl ik naar Hector ga en hem aanspoor om het tegen je op te nemen.’ Achilles hoorde wat zij zei en bleef staan. Ondertussen verandert Athena in de gedaante van Hector’s broer, Deiphobus 1, en spreekt af om samen Achilles aan te vallen. De list van Athena had het gewenste gevolg en zij verlokte Hector tot de strijd. Hector gaat op Achilles af en zegt: ‘Je hebt me driemaal voortgejaagd rond de stad, maar nu zal ik niet meer vluchten. Ik ga de strijd met je aan en zal je doden of gedood worden. Maar kom dichterbij zodat de goden deze getuigenis kunnen horen. Als ik er in slaag om je te doden, dan zal ik je lijk niet schenden. Ik zal je wapenrusting nemen maar je lichaam teruggeven aan je vrienden. Beloof mij dat jij omgekeerd hetzelfde zal doen!’

Achilles kijkt hem met een donkere blik aan en antwoordt: ‘Je moet een dwaas zijn, Hector, om over eden te spreken. De leeuw sluit geen verdrag met zijn prooi. Tussen ons tweeën is geen vriendschap mogelijk, geen verdrag, geen afspraak, geen eed, totdat een van ons gevallen is. Verzamel dus al de moed die je bezit. Nu heb je nog de kans om te tonen wat je durft en kunt. Maar je gaat boeten voor alles wat je mij hebt aangedaan waardoor ik veel heb geleden.’ Zo sprak Achilles en wierp zijn lange speer naar Hector. Deze zag het gevaar aankomen en dook weg. De speer vloog over zijn hoofd, maar Athena pakte het wapen en bracht die terug bij Achilles.

Hector zag niet wat de godin deed en riep: ‘Zo faalt de goddelijke Achilles! En je was nog wel zo zeker van jezelf! Met je mond en woorden ben je vlug en vlot genoeg, en probeert mij daarmee schrik aan te jagen. Jouw speer zal mij niet in de rug treffen. Drijf die door mijn borst, als een god je dat gunt, terwijl ik aanval. Laat de hemel ervoor zorgen dat mijn speer doel treft en zich in je vlees begraaft. Jouw dood zal de oorlog voor de Trojanen tot een kinderspel maken.’ Daarop zwaaide hij zijn lange speer, wierp, en trof het midden van het schild van Achilles. Deze sprong weg, ver buiten het bereik van Hector, die woedend is dat zijn wapen vergeefs uit zijn hand is gevlogen. Daarop vraagt hij aan Deiphobus 1 om hem diens speer te geven. Maar zijn broer is nergens meer te bekennen. Hector begrijpt wat er gebeurd is en roept: ‘Helaas, de goden hebben mij verraden en mijn dood is nu dichtbij. Ik kan hem niet langer ontvluchten en ga mijn noodlot tegemoet. Maar ik zal niet roemloos sterven, zodat latere geslachten mij met eer kunnen herdenken.’

Dood van Hector

Hector trekt zijn zwaard en gaat op zijn vijand af. Achilles wijkt geen millimeter en stormt, door bloeddorst bezeten, op Hector af. In zijn rechterhand zwaait hij met zijn speer en zoekt naar een plek waar hij Hector kan treffen. Hector is echter gekleed in de oude wapenrusting van Achilles die heel het lichaam bedekt behalve daar waar schouders en hals door het sleutelbeen worden verbonden. Toen Hector zo op hem afstormde mikt Achilles op die plek en de speerpunt ging er recht doorheen.

De bronzen punt raakte de luchtpijp niet, zodat Hector in staat bleef tegen Achilles te spreken. Hij stort neer in het stof en Achilles zegt: Hector, je dacht zeker dat je veilig was toen je Patroclus 1 van mijn wapenrusting beroofde. Maar nu zullen de honden en Gieren je smadelijk wegslepen terwijl Patroclus 1 plechtig door de Grieken wordt begraven.’ Met een stem die steeds zwakker werd, zei Hector: ‘Ik smeek je, bij je eigen leven en omwille van je ouders, mijn lichaam niet bij de schepen voor de honden te smijten. Mijn vader en moeder zullen voor mij als losprijs overvloedig brons en goud schenken. Laat mijn lichaam terugbrengen naar huis, zodat de Trojanen en hun vrouwen mijn dood eren en de benodigde offers kunnen brengen, terwijl ze mij op de brandstapel leggen’.

Achilles bekeek hem met woedende ogen. ‘Hond, die je bent, smeek mij niet, praat mij niet al biddend over mijn ouders. Ik wenste allen maar dat ik bij mezelf de lust op kon brengen om mij tegoed te doen aan je rauwe vlees, als wraak voor wat je mij hebt aangedaan. Dit is mijn wens, en zo zeker als ik die voel zo zeker is het dat de honden zich te goed zullen doen aan jouw vlees. Ook al zou men mij honderdmaal meer als losprijs bieden dan normaal. Zelfs al zou Priamus mij het gewicht in goud voor je lijk geven. Nee, nooit zal je moeder wenen bij je doodsbed. De honden en Gieren zullen je opvreten, kreng!’ Stervend antwoordde Hector hem: ‘Ik ken je maar al te goed, en nu ik goed naar je kijk zie ik dat je hart nog harder is dan ijzer. Ik smeekte vergeefs, maar toch adviseer ik je over deze onherroepelijke daad na te denken, want de goden zouden zich die kunnen herinneren als het jouw beurt is om te sneuvelen’. De dood smoorde de stem van Hector en zijn ziel zweefde weg. Maar Achilles moest het laatste woord hebben: ‘Sterf, en wat mijn eigen dood aangaat, laat die maar komen als de onsterfelijken het zo beslissen.’ Daarop trok hij zijn lans uit het lijk en beroofde Hector van diens bebloede wapenrusting.

Hector voortgesleept door Achilles

Wanneer de andere Grieken aan komen lopen, en de een na de ander nog een wond aan de dode toebrengt, zegt Achilles tegen hen: Hector is nu minder geducht dan toen hij de schepen in brand stak. Maar trek nu gewapend om de stad heen en zoek uit wat die Trojanen van plan zijn. Zullen zij de burcht opgeven of doorgaan na de dood van Hector. Bedenk dat Patroclus 1 dood en onbegraven bij de schepen ligt en begraven moet worden nu deze man, die meer schade aanrichtte dan alle andere Trojanen bij elkaar, dood is. Zing een overwinningslied, mijn vrienden, en laten wij teruggaan naar de schepen, en hem met ons meevoeren’. Aldus Achilles en hij beging een schandelijke schennis. Hij sneed Hector de hielpezen door, bond die met leren riemen bijeen, waarna hij hem aan zijn strijdwagen vast maakte, zodat het hoofd van de dode door het stof sleurde. Daarop laadde hij de wapenrusting in de wagen, stapte zelf in en legde de zweep over de paarden, die bevleugeld wegstoven. Achter hem aan sleepte Hector door het stof dat hoog opwervelde, terwijl zijn zwarte haren over de grond slierten.

Begrafenis van Patroclus

Diepe rouw

Terug in het scheepskamp verbood Achilles de Myrmidonen om uiteen te gaan: ‘Dappere krijgers, vertrouwde vrienden, verlaat jullie wagens nog niet, en span de paarden nog niet uit. Wij moeten eerst, hem naderend met strijdwagens en paarden, Patroclus 1 bewenen, want die eer past bij de doden. Is ons hart verlost van die prangende klacht dan zullen wij de paarden uitspannen en het maal met elkaar gebruiken.’ Zo klaagden zij onder leiding van Achilles om Patroclus 1. Driemaal reden zij rond het lijk, waarbij het zand nat van hun tranen werd. Temidden van hen hief Achilles zijn weeklacht aan terwijl hij zijn handen uitgestrekt boven de dode hield en hartstochtelijk sprak: ‘Wees gegroet, o Patroclus 1! Alles, wat ik beloofde, zal ik doen. Als aas voor de honden is Hector hierheen gesleept. Twaalf Trojaanse jongemannen zullen sterven bij jouw doodsvlammen, als wraak voor je dood.’ Zo riep Achilles en wierp het lijk van Hector met het gezicht omlaag in het stof bij haar van Patroclus 1.

Enige tijd later werd Achilles door de andere aanvoerders van de Grieken naar de tent van Agamemnon gebracht. Toen zij die bereikten, zeiden zij tot de herauten om een grote ketel boven het vuur te hangen, zodat Achilles zijn lichaam van het bloed kon reinigen. Daar wilde hij niet van horen, maar legde een plechtige eed af: ‘Bij Zeus verklaar ik, dat geen water mijn hoofd zal beroeren, voordat ik Patroclus 1’ lijk heb verbrand, hem een grafheuvel heb gebouwd en mijn haar afgeschoren. Want ik zal nooit meer lijden, hoe lang ik ook leef, dan dat ik nu lijdt! Maar, hoewel de gedachte aan voedsel mij tegenstaat, zullen wij van de nood een deugd maken en eten. En als de dag aanbreekt, wilt u dan, Agamemnon, opdracht geven om hout bijeen te brengen brengt en al het andere, dat een dode nodig heeft voor zijn tocht naar het doods schimmenrijk. Dan kunnen de doodsvlammen zo spoedig mogelijk het lijk van Patroclus 1 verteren en de manschappen zich weer aan hun plichten wijden, nadat hij is heengegaan’.

Bezoek van een dode

Later ligt Achilles op het strand te slapen en komt de geest van Patroclus 1 bij hem op bezoek. ‘Je slaapt en bent mij vergeten, Achilles! Nu ik dood ben, verwaarloos je mij, wat je vroeger nooit deed, toen ik nog leefde. Vol droefheid smeek ik je om mij je hand te geven, want ben ik eenmaal heengegaan door de doodsvlammen, dan zal ik nooit meer terugkeren. Nooit meer zullen wij op aarde samen zijn, ver van de anderen gezeten plannen beramend. Maar het is ook jouw lot, mijn geliefde Achilles, om te sneuvelen aan de voet van Troje’s hoge muren. Daarom nog één wens. Laat ons gebeente samen begraven zodat wij samen zullen zijn in de dood. Laat één urn ons gebeente omsluiten in de gouden vaas met twee handvaten die je van je moeder kreeg.’

Daarop antwoordde Achilles: ‘Zeg mij, o hart van mijn hart, waarom je hierheen gekomen bent om mij dit te vertellen? Ik zal nauwgezet alles doen wat je wenst. Doch kom nu dichterbij, zodat wij elkaar kunnen omhelzen, al is het maar voor een ogenblik, en ons zware leed vergeten.’ Zo sprak hij en strekte verlangend zijn armen uit, maar vergeefs, want de schim verdween als rook. Daarop stond Achilles op en jammerde klagend bij het lijk van de arme Patroclus 1 totdat de zon opkwam. Toen bouwde het leger een enorme brandstapel en ging er met gekruiste benen op de grond omheen zitten. Achilles gaf zijn Myrmidonen opdracht om hun wapenrusting om te gorden en de paarden voor de wagens te spannen. Zo reden zij in een enorme zwerm om de brandstapel heen waar intussen Patroclus 1 door vrienden op was gelegd en bedolven onder het afgeschoren haar. Achilles hield hem daarbij achter bij zijn hoofd beet om hem zo naar Hades te begeleiden.

Intussen viel Achilles een nieuwe gedachte in. Hij sneed zijn blonde haar af, dat hij ter ere van de Riviergod Sperchius 1 had laten groeien. Vol wrevel sprak hij, tot de donkere zee: ‘O, Sperchius 1, vergeefs beloofde u mijn vader, Peleus, dat ik, eindelijk terug in het lieve vaderland, voor het eerst mijn haar weer zou afknippen en u rijkelijk offers zou brengen. Vijftig onbesneden rammen zou ik u offeren, daarginds bij de bronnen, waar uw altaar staat, in een bos. Zo beloofde u mijn vader. Maar omdat ik niet terug zal keren in mijn vaderland schenk ik nu mijn lokken aan Patroclus 1.’ Zo sprak hij en gaf aan zijn geliefde vriend onmiddellijk zijn haar in de hand en wekte bij allen de weemoed van de weeklacht. De zon zou onder hun geweeklaag onder zijn gegaan, als Achilles zich niet tot Agamemnon gewend had: Agamemnon, daar de Grieken u op uw woord gehoorzamen, laat hen nu ophouden met klagen. Laat hen vertrekken van de brandstapel en de maaltijd gereed maken. Wat hier moet gebeuren daar zorgen wij wel voor, want wij hebben het meeste recht op de dode. Maar laat de aanvoerders der Grieken nog blijven.’

Crematie

Nauwelijks had Agamemnon die woorden vernomen of hij liet het volk vertrekken naar de schepen. Slechts zij bleven achter die door vriendschap de dode het nauwst verwant waren. Zij maakten vetgemeste schapen klaar en vilden runderen. De verhevene Achilles nam toen het vet, waarmee hij het hoofd van de dode bedekte. De gevilde dieren stapelde hij rondom hem. Kruiken met twee oren die met honing en balsem waren gevuld liet hij leunen tegen de baar. Snel en met een krachtige worp wierp hij vier paarden op de brandstapel. Hij had negen honden, waarvan hij er twee, gedood, eveneens op de brandstapel wierp, alsook de twaalf zonen van de Trojanen, die hij met het moordende brons had gedood, want zo groot was zijn woede. Dit alles liet hij nu verteren door het onbarmhartige geweld van het vuur. Luid jammerend riep hij zijn makker bij zijn naam: ‘Wee mij, Patroclus 1, gegroet ook in de woning van Hades! Alles, wat ik u beloofde, heb ik gedaan. Twaalf moedige Trojanen vergaan in hetzelfde vuur als jij. Andere plannen koester ik voor Hector. Niet aan de vlammen, maar aan de honden zal ik hem geven.’

De vlammen hadden het lijk van Patroclus 1 nog niet bereikt. Achilles riep toen de winden uit het noorden en het westen aan en beloofde rijke offers aan Boreas 1 en Zephyrus 1. Rijkelijk plengde hij wijn uit gouden bekers en smeekte hen te komen, opdat het hout vlam zou vatten om snel het lijk te verteren. Beide winden bereikten brullend het land van de Trojanen en vielen aan op de brandstapel waarna de vlammen bulderend oplaaiden. Heel de nacht woelden en wervelden zij daar rond en bliezen het vuur aan. Heel de nacht plengde Achilles wijn uit de beker van goud, die hij vulde uit het mengvat, zodat de aarde met wijn doordrenkt werd. Steeds riep hij Patroclus 1 weer aan bij zijn naam. Bij het eerste licht van de dageraad doofde het vuur en keerden de winden terug naar hun eigen huis. Daarop keerde Achilles zich van de brandstapel af en viel direct in slaap. Maar de mannen omringden hem waardoor hij weer wakker werd. Direct ging hij overeind zitten en zei: Agamemnon en u andere aanvoeders, besprenkel nu de plaats waar het vuur heeft gewoed met wijn. Daarna zullen wij de beenderen van Patroclus 1 verzamelen. Die zullen wij in de gouden urn doen en verzegelen met een laag vet tot het moment dat ikzelf heenga. Dan wil ik dat mijn as ook in die urn gedaan wordt. Dan kunt u ook de grafheuvel afmaken waaronder wij samen begraven zullen worden als u mij overleeft bij de schepen.’

Begrafenisspelen

Wagenrace

Als eerbetoon aan zijn dode vriend organiseert Achilles die dag begrafenisspelen. De eerste wedstrijd is een wagenrace. Hoewel hij zelf de beste paarden had doet Achilles niet aan de race mee. Hij schudt de lootjes in zijn helm en trekt vijf deelnemers: Antilochus, Eumelus 1, Menelaus, Meriones en als laatste Diomedes 1. Daarop wijst hij hen het keerpunt op de vlakte en stuurt daar Phoenix 1 als wachter naar toe. De wedstrijd begint waarna de toeschouwers onder elkaar beginnen te kibbelen wie er voorop ligt. Achilles sust de opkomende ruzie en zegt dat ze weldra van dichtbij kunnen zien wie er eerste wordt. Diomedes 1 wint de wedstrijd met als nipte tweede Antilochus. Meriones werd met een speerworp achterstand vierde achter Menelaus terwijl Eumelus 1, om dat zijn paarden ten val zijn gekomen, zelf zijn wagen over de finish trekt.

Toen Achilles dit zag werd hij met medelijden vervuld. Hij stond op in de kring van zijn mannen en zei: ‘Daar komt als laatste de beste van allen. Laten we hem toch een prijs geven, de tweede, want de eerste komt eerlijk aan Diomedes 1 toe’. Iedereen vond dat een goed voorstel en terwijl Achilles de prijsmerrie aan Eumelus 1 wil geven springt Antilochus op om zich tegen dat voorstel te verweren. ‘U denkt mij mijn prijs te kunnen onthouden omdat u hem een ongeluksvogel noemt, wiens paarden zich in hun leidsels verstrikten en ten val kwamen. Als u medelijden met hem hebt omdat hij uw vriend is geef hem dan iets extra’s uit uw eigen bezit. Maar dit paard heb ik eerlijk gewonnen, en afgeven doe ik het niet. Wie dat wil proberen zal de kracht van mijn vuisten voelen.’

Daar moest Achilles om glimlachen. Hij kende zijn Antilochus, die altijd een goede vriend was geweest. En dus antwoordde hij: ‘Omdat u er zo op aandringt, mijn Antilochus, zal ik van mijn bezit aan Eumelus 1 iets extra’s geven. Een wapenrusting van brons, gevat in een rand van glanzend tin, een heerlijk geschenk, dat ik van Asteropaeus roofde.’ Onmiddellijk droeg hij daarop zijn schildknaap, Automedon, op om die wapenrusting uit zijn tent te gaan halen, waarna Achilles die schonk aan Eumelus 1, welke er heel blij mee was.

Boksen

Hierna liep Achilles door de dichte drommen der Grieken om de prijzen aan te wijzen voor de bokswedstrijd. Hij haalde een flink muildier en bond dat vast in het midden van de kring. Voor de verliezer was er een kruik met twee oren. Achilles ging in het midden van de Grieken staan en sprak: ‘Beste Grieken, zie hier de prijzen, voor onze twee beste vechters, die elkaar de vuisten zullen tonen in een tweekamp, totdat één van hen het onderspit delft. De winnaar zal dit stevige muildier wegvoeren naar zijn tent. Die beker is voor de verliezer.’

Onmiddellijk rees er een kordaat en groot man op, in het gevecht met de vuisten bekwaam. Het was Epeius, zoon van Panopeus 1. Hij greep het muildier en blufte: ‘De kandidaat voor die beker staat hier. Geen ander der Grieken zal dit muildier winnen, want in het vuistgevecht word ik door niemand verslagen.’ Euryalus 1 laat zich echter niet afbluffen en neemt de uitdaging aan. Maar het blijkt dat Epeius geen loze woorden heeft gesproken en hij ontvangt uit handen van Achilles het muildier.

Worstelen

Na de bokswedstrijd wijst Achilles de prijzen aan voor de derde wedkamp. Voor de winnaar was er een grote ketel op drie poten. De verliezer ging naar huis met een slavin. Achilles stond op en zei: 'Komaan, wie van jullie wil zich wagen aan deze tweekamp?' De grote Ajax 1 en Odysseus werpen zich op en maken zich klaar voor de wedstrijd. Onder druk van hun machtige handen kraakten de ruggen, het zweet droop van hun lijf, en op hun schouders verschenen bloedrode striemen. Ze strijden lang, elk denkend aan die prachtige ketel, die de prijswinnaar wachtte. Maar Odysseus kreeg Ajax 1 niet op de grond, en Ajax 1 kon de spierkracht van Odysseus niet buigen.

Toen riep Ajax 1: Odysseus, til nu mij omhoog of ik jou, de rest mag Zeus beslissen.’ En hij tilde Odysseus omhoog, maar Odysseus verloor zijn schranderheid niet. Hij trapte Ajax1 in zijn knieholte, waardoor deze wankelde en viel met Odysseus bovenop zich. De toeschouwers stonden verbaasd. Nu wilde Odysseus Ajax 1 optillen, maar kreeg hem niet van de grond, dus sloeg hij een been om zijn knie. Beiden vielen, vlak naast elkaar in het zwarte stof. Zij wilden een derde keer opspringen om de strijd voort te zetten maar Achilles kwam overeind en hield hen tegen. ‘Vecht niet langer, verdere inspanning is nutteloos, want aan beiden komt de prijs toe. Aanvaardt die.’ Graag gaven zij gehoor aan zijn woord, wisten zich het stof van het gezicht en trokken hun mantels weer aan.

Hardlopen

Direct daarop wees Achilles de prijzen aan voor de hardloopwedstrijd. Als eerste een mengvat van gehamerd zilver, dat zes maten kon bevatten. De tweede prijs was een grote, goed gemeste os, en de derde en laatste prijs was een half talent goud. Achilles stond op en sprak de Grieken toe: ‘Komaan, wie van jullie willen zich wagen aan deze wedkamp?’ Onmiddellijk sprongen de kleine Ajax 2, Odysseus en Antilochus op, die van de jongeren het vlugst was. Die drie stelden zich naast elkaar op in een rechte lijn en Achilles wees hen de eindpaal.

Ze stoven als één man weg waarna Ajax 2 lange tijd de leiding heeft, maar Odysseus bidt stilletjes tot Athena om hulp. Zij verhoort zijn gebed en laat Ajax 2 vlak voor de finish struikelen. Odysseus gaat met de eerste prijs heen en Ajax 2 maakt zich meester van de grote mestos. En terwijl hij daar stond met de handen op de hoorns sprak hij tot de omstanders: ‘De drommel hale me, maar de godin, die Odysseus helpt waar zij kan, heeft mij beentje gelicht!’ De laatste prijs was voor Antilochus, die met een glimlach zei: ‘Makkers, ik zeg niets nieuws als ik beweer dat de goden nog steeds de ouderen begunstigen, want al is Ajax 2 niet veel ouder dan ik, Odysseus is veel ouder. Men moet hem kras noemen, en het is moeilijk om van hem te winnen, als we geen Achilles zijn.’ Die hulde aan Achilles werd door Achilles zelf beantwoord. Antilochus, die lof van jou kan ik niet onbeloond laten. Een half talent goud hebt je gewonnen. Hier heb je de andere helft.’ En hij gaf aan Antilochus het goud, dat deze vol vreugde aanvaardde.

Wapenwedstrijd

Voor de volgende wedstrijd pakte Achilles de speer, schild en helm die eens door Patroclus 1 op Sarpedon 1 waren veroverd en lag die in het strijdperk. Daarop zei hij tegen de Grieken: ‘Laat nu twee van onze dapperste helden met elkaar om deze wapens strijden, gekleed in hun eigen wapenrusting en met een zwaard in handen. Degene die het eerst de huid kwetst van de ander, door de wapenrusting heen, waardoor er bloed vloeit, zal deze geschenken in ontvangst mogen nemen.’

Direct stonden de grote Ajax 1 en Diomedes 1 op en trokken hun wapenrusting aan. Daarop gingen zij vol vechtlust en bloeddorst op elkaar toe waardoor de toeschouwers hun adem inhielden. In elkaars bereik gekomen vielen zij driemaal uit en de vierde keer slaagde Ajax 1 erin om Diomedes 1’ schild te doorboren. De bronzen speerpunt drong echter niet door tot zijn vlees, want het borstharnas redde hem. Diomedes 1 mikte nu herhaaldelijk op de hals van Ajax 1, totdat hij hem juist boven de rand van zijn schild raakt. De toeschouwers, bezorgd om Ajax 1, riepen de strijders toe om het gevecht te staken en de prijzen te verdelen. Dus schonk Achilles aan hen beiden de prijzen.

Discuswerpen

Daarop werd door Achilles als prijs voor de volgende wedkamp een schijf van gietijzer uitgeloofd, die al eerder als werpschijf diende voor Eetion 1. Samen met diens andere bezittingen had Achilles deze discus aan boord van zijn schip laten brengen, nadat hij Eetion 1 doodde. Achilles ging weer in het midden staan en sprak tot de Grieken: ‘Komaan, wie willen ook hierin hun krachten tonen? Die klomp ijzer is groot genoeg om voor vijf jaar en langer de winnaar niet vergeefs naar ijzer te doen zoeken. Hiermee heeft hij voorraad genoeg.’

Onmiddellijk stond Polypoetes 1 op om de discus te gooien. Ook melden zich Leonteus 1, met de grote Ajax 1 en Epeius. Zij schaarden zich naast elkaar in een rechte lijn. Als eerste nam Epeius de werpschijf op, zwaaide die en wierp. En de Grieken lachten hartelijk. Daarop was Leonteus 1 aan de beurt. Toen wierp Ajax 1 en hij wierp verder dan allen. Maar het verst wierp Polypoetes 1 die zijn discus over heel het veld wierp. Luid weerklonk het applaus en de dienaren van Polypoetes 1 droegen de prijs van hun meester naar de schepen.

Boogschieten

Hierna wees Achilles voor de boogschutters tien dubbele en tien enkele bijlen van blauw staal als prijzen aan die hij in een kring neerlegde. Van één van de schepen aan het strand, richtte hij de mast op, waaraan hij de poot van wilde duif met een dun koord aan vastbond. De boogschutters moesten die raken. ‘Wie die wilde duif daar treft met zijn pijl,’ zo sprak hij, ‘mag al die dubbele bijlen mee naar huis nemen. Wie slechts het koord raakt en niet de vogel, wint als tweede, het eenvoudiger gereedschap.’ Zo sprak hij.

Direct stonden Teucer 1 en Meriones op. Beiden wierpen hun lot in een bronzen helm. Dat van Teucer 1 sprong er het eerste uit. Vlug schoot hij met kracht zijn pijl af, maar verzuimde om vooraf aan de god van de boogschutters een passend offer te beloven van pasgeboren lammeren. Dus miste hij de vogel. Hij raakte wel het koord waarmee de duif was vastgebonden aan de mast. De duif vloog hemelwaarts, terwijl het koord naar beneden viel. De Grieken juichten, maar Meriones rukte hem met een onstuimig gebaar de boog uit handen. De pijl had hij al in de hand, toen Teucer 1 nog mikte. En onmiddellijk beloofde hij Apollo, pasgeboren lammeren als passend offer te wijden. De bange duif vloog al hoog onder de wolken en bleef daar rondcirkelen. Meriones raakte haar midden tussen de vleugels. De pijl zelf viel neer en bleef vlak bij de voeten van Meriones in de grond steken. De vogel streek neer op de mast van het schip. Het dier boog haar kop, de vleugels hingen neer, stierf en tuimelde uit de mast. Daarop nam Meriones de tien dubbele bijlen, terwijl Teucer 1 het eenvoudige gereedschap greep en in zijn schip borg.

Lanswerpen

Daarop bracht Achilles een lange lans in het strijdperk en loofde als prijs een bekken van brons uit, dat met bloemen versierd was en nooit op het vuur had gestaan. De mededingers aan het lanswerpen stonden op om zich te melden. Als eerste Agamemnon en als tweede Meriones. Achilles sprak hen toe: ‘Wij weten, Agamemnon, hoe hoog u boven ons allen staat in kracht, macht en bekwaamheid in het werpen van speren en lansen. Voer dus nu zelf de prijs naar de schepen en laat ons de heldhaftige Meriones de lans schenken, als u het tenminste goedvindt. Dat is mijn voorstel.’ Agamemnon gaf graag gehoor aan die woorden en gaf de speer aan Meriones, maar de hoofdprijs gaf hij aan zijn bode, Talthybius, om naar zijn schepen te dragen.

Het lijk van Hector vrijgegeven

Bemiddeling door Thetis

De spelen waren hierna afgelopen en het volk ging terug naar het tentenkamp om de maaltijd te gebruiken en te genieten van een verkwikkende slaap. Zo ook Achilles, maar deze kon van verdriet de slaap niet vatten. Hij lag te woelen op zijn bed en moest aldoor aan Patroclus 1 denken. De volgende ochtend ging hij naar zijn paarden en bond opnieuw Hector achter de wagen en trok hem driemaal om het graf van Patroclus 1, nam weer rust in zijn tent en liet Hector met zijn gezicht in het zand liggen.

Dagenlang ging dit door waarbij Achilles het lijk van zijn verslagen vijand telkens weer mishandelde. De goden kregen medelijden met de dode Hector en waren van plan om Hermes opdracht te geven het lijk te stelen, maar Poseidon en Athena waren hier tegen. Daarop moet Thetis, in opdracht van Zeus, naar Achilles om hem tot rede te brengen en het lijk vrij te geven.

Bij de tent van haar zoon gekomen ging zij die binnen en trof hem daar jammerend aan. Thetis nam plaats, streelde Achilles en zei: ‘Hoelang mijn kind, zal je nog huilen en je hart verscheuren, slaap en voedsel vergetend? Je kunt beter met een vrouw samenliggen en daarna gaan slapen. Je leven is toch al zo kort en de dood nadert. De onsterfelijken dragen jou een kwaad hart toe omdat je Hector nog steeds vasthoudt in het kamp en zijn lijk niet vrijgeeft. Geef hem dus vrij tegen een passende losprijs.’ Onmiddellijk antwoorde Achilles dat hij dit zou doen als dit de wens van Zeus was.

Smeekbede van Priamus

In de nacht daarop komt Priamus, begeleidt door Hermes, naar de tent van Achilles om zijn zoon vrij te kopen. Hij gaat ongemerkt naar binnen waar hij Achilles en twee van zijn vrienden aantreft. Priamus gaat naar Achilles, omklemt zijn knieën en kust de handen die zoveel van zijn zonen hadden gedood. Achilles was verbaasd toen hij hem zag, en ook zijn vrienden keken elkaar verbaasd aan.

Smekend sprak Priamus tot Achilles: ‘Denk aan uw eigen vader, zoon van Peleus. Hij staat, net als ik, op de drempel van de ouderdom. Het kan best zijn dat naburige stammen hem bedreigen en nergens naar toe kan vluchten. Dan hoopt hij weldra de dag mee te maken dat zijn zoon veilig terugkeert uit Troje. Ik werd echter door het noodlot getroffen, want ik had van heel Troje de vijftig beste zonen, maar niemand van hen bleef in leven. De beste van hen, Hector, die voor mij de stad beschermde, hebt u gedood toen hij voor zijn stad streed. Om hem ben ik hierheen gekomen met rijke geschenken om hem vrij te kopen. Heb medelijden met mij, Achilles, en denk aan uw vader terwijl ik de handen kus die mijn zoons vermoordden.’

Met een teder gebaar en vol droevige gedachten nam Achilles de hand van Priamus en schoof die van zich af. Hij dacht aan zijn eigen vader en huilde om Patroclus 1. Nadat ze een poosje samen gehuild hadden sprong Achilles uit zijn stoel, hielp Priamus opstaan, en zei: ‘Ongelukkige stakker, wat heb jij moeten lijden. Wat een moed om alleen hier te komen en de man onder ogen te komen die zoveel van je zonen gedood heeft. Kom, ga naast me zitten en ons verdriet wegbergen. Met jammeren bereiken we toch niets. De goden hebben nu eenmaal zo beslist.‘

‘Vraag me niet te gaan zitten’, antwoordde Priamus, 'zolang mijn geliefde Hector nog onbegraven buiten ligt. Ach, geef hem toch vrij zodat mijn ogen hem kunnen zien. Neem in ruil de prachtige geschenken die ik mee bracht waarna u kunt genieten en terugkeren naar uw vaderland.’ Achilles kijkt hem met een grimmige blik aan en zegt: ‘Dring niet zo aan, oude man, want ik ben uit mezelf al van plan, op bevel van Zeus, om Hector vrij te geven. Daarnaast heb ik ook wel in de gaten dat je door een god naar mijn tent bent begeleid. Geen sterveling zou het anders gewaagd hebben om ongevraagd naar ons kamp te komen. Staak dus je aandringen, bedwing je onrust, want anders zou ik de smekeling, ondanks het gebod van Zeus, weleens niet kunnen ontzien.’

Achilles geeft het lijk vrij

Priamus houdt onmiddellijk zijn mond en Achilles gaat naar buiten, op de voet gevolgd door Alcimus 1 en Automedon. Deze haalden de losprijs voor Hector van de wagen en liet Achilles het lijk van Hector door twee dienstmeiden wassen en met olie zalven zonder dat Priamus het kon zien. Toen de dienstmeiden hun werk hadden gedaan legde Achilles de dode op een baar die zijn vrienden op de wagen tilden. Jammerend zegt Achilles daarop in gedachten tegen Patroclus 1: ‘Lieve vriend, wees niet boos op mij, als je in de Hades hoort dat ik Hector teruggeef aan zijn vader. Hij kocht hem vrij tegen een passende losprijs waarvan ik jou het toekomende deel nog zal schenken.’ Daarop gaat hij de tent weer in.

Tegen Priamus zegt hij: ‘Naar uw wens heb ik uw zoon vrijgegeven en ligt op een baar in uw wagen. Bij het krieken van de dag kunt u hem zien en naar huis brengen. Maar laten we nu eerst iets eten’. Zijn vrienden maken daarop een maaltijd klaar. Na de maaltijd zegt Priamus tegen Achilles: ‘Vereerde Achilles, nu vraag ik toestemming om te rusten en wat slaap te nemen. Sinds mijn zoon stierf deed ik geen oog meer dicht maar jammerde voortdurend. Nu heb ik eindelijk iets gegeten en gedronken waardoor ik in vrede even kan slapen.’ Achilles geeft direct opdracht om bedden uit te spreiden maar voordat zij gaan slapen zegt Achilles schertsend tegen Priamus: Priamus, mijn vriend, als ik u was, zou ik buiten gaan slapen. Want de aanvoerders van de Grieken komen mij vaak bezoeken om plannen met mij te beramen. Als één van hen u hier ziet, in het holst van de nacht, zou dat de vrijgave van het lijk alleen maar vertragen. Maar zeg me serieus, hoeveel dagen u wilt wijden aan de begrafenis van Hector. Want gedurende die tijd wil ik de strijd staken en het leger laten uitrusten.’

Een bestand van twaalf dagen

Daarop antwoord Priamus: ‘Wilt u werkelijk dat ik Hector een passende begrafenis geef, dan zou ik u zeer dankbaar zijn. U weet hoe wij in de stad opgesloten zijn en het is een verre tocht naar de bergen om hout te halen. Negen dagen willen wij Hector bewenen in het paleis. Op de tiende dag zullen wij hem begraven, zijn uitvaart vieren, en de elfde dag een grafheuvel bouwen. Op de twaalfde dag zullen wij vechten, als het lot zo beslist.’ ‘Eerbiedwaardige grijsaard,’ antwoordde Achilles, ‘alles wat u wenst zal gebeuren. Al die dagen zal ik de wapens laten rusten.’ Daarop greep hij de grijsaard bij de pols om al zijn angst weg te nemen en ging Priamus in het voorvertrek van de tent slapen, terwijl Achilles in een hoek van zijn tent naast de mooie Briseis ging liggen.

Laatste gevechten van Achilles

Strijd met Penthesilea

Tijdens de begrafenis kwam Penthesilea in Troje aan en bracht een groot leger Amazonen en andere naburige volkeren met zich mee. Toen Penthesilea over de dood van Hector hoorde, werd ze enorm kwaad en wilde naar huis terugkeren. Maar Paris gaf haar veel goud en zilver, en overtuigde haar uiteindelijk om te blijven.

Na het bestand van twaalf dagen barst de strijd weer los. Penthesilea maakt veel slachtoffers onder de Grieken maar komt uiteindelijk tegenover Achilles te staan. Wanneer hij haar ziet zegt Achilles: ‘Vrouw, met wat voor gesnoef ben je hierheen gekomen, ernaar snakkend om de strijd met ons aan te binden. Wij stammen af van Zeus en zijn machtiger dan welk ander volk ook. Zelfs Hector moest het ontgelden, en werd door mijn speer gedood, ondanks al zijn macht. Ook jouw laatste uur heeft nu geslagen. Heb je, vrouw, niet van de stapels lijken gehoord die ik aan de snelle rivier van Scamander toevertrouwde. Heb je niet geluisterd, of hebben de onsterfelijken je verstand weggenomen, waardoor de nooit rustende afgrond van het lot zich nu voor je zal openen?’

Achilles en Penthesilea

Zo sprak hij en met een zwaai van zijn machtige hand wierp hij de lange speer, die de rechterborst van de maagd, die op haar paard zat, doorboorde. Het rode bloed spoot eruit en alle kracht verliet op slag het lichaam van Penthesilea. Ze liet haar grote strijdbijl uit handen vallen en een duistere mist viel over haar ogen. Met woeste kracht steekt Achilles daarop zijn lange lans dwars door haar paard en doorboort Penthesilea die beiden in het stof tuimelen. Met haar mooie gedaante viel ze, vol gratie en bevalligheid, uitgestrekt met haar buik op de grond. Terwijl Achilles zijn lans uit het tweetal trekt blazen ze hun laatste adem uit.

Achilles rukt de helm van haar hoofd die prachtig glom in de stralen van de zon. Daar lag ze, gestorven in bloed en stof, roze als het gloren van de dageraad, en toonde een mooi en lieflijk gezicht, lieflijk in de dood. De Grieken drongen om haar heen, en verwonderden zich, want ze leek op een onsterfelijke. Toen hij haar zo zag werd Achilles getroffen door een pijl van liefde. De strijders staarden, en in hun harten baden zij dat hun vrouwen er net zo mooi zouden uitzien, liggend op het bed van de liefde, als zij terug mochten keren naar huis. Ja, en Achilles’ hart werd verscheurd door berouwvolle liefde omdat hij zoiets moois had gedood, die hij naar huis zou hebben gebracht als zijn koninklijke bruid.

Spottende Thersites

Terwijl de strijders de overige gevallen Amazonen beroven van hun wapenrustingen zit Achilles bij Penthesilea. Hij kijkt met woest respect op haar neer terwijl heel zijn hart samentrok van liefde voor de mooie vrouw. De Griek Thersites, die dit ziet, steekt daarop de draak met Achilles ‘Jij bedroefd bezielde Achilles! Jij schaamt je niet om een boze macht in je hart toe te laten en medelijden te hebben met een zielige Amazone wiens woedende geest niets anders voor ogen had dan ons kwaad te doen? Ha, vrouwengek dat je bent, je ziel verlangt naar haar, als de een of andere vrouw in het huishouden, die je het hof hebt gemaakt met geschenken en zuivere bedoelingen voor het geëerde huwelijk! Het zou wat geweest zijn als haar speer jouw hart had bereikt, het hart dat nog steeds voor vrouwenwezens kreunt! Je gaf niets om het roemvolle pad van dapperheid, onmannelijk bezielde, jij niet, toen je ogen eens op een vrouw vielen! Sorry ellendeling, waar is nu die kranige dapperheid? Waar is je verstand? Er is niets verwoestender voor een man dan passie voor de schoonheid van een vrouw. Maar het zwoegen in de strijd levert roem op. Het is slechts de weifelaar die in de strijd hunkert naar schoonheid en het bed van iemand zo als zij!’ Zo ging Thersites lang en luidruchtig tekeer.

Het hart van Achilles zwol op van woede, en hij sloeg met een plotselinge beweging van zijn machtige hand net onder het oor van de lasteraar. Al zijn tanden smakten op de grond, hij viel op zijn gezicht terwijl het bloed in stromen uit zijn mond golfde, en het leven verliet Thersites. De Grieken verheugden zich erom, want Thersites was gewend om alles en iedereen te bestoken met schimpscheuten, een kwaadspreker en een schande voor heel het leger.

Toen riep een stem vanuit het midden van de Grieken: ‘Daar lig je in het stof, je dwaasheden zijn allemaal vergeten! Het is niet aan ondergeschikten om hun heren te beschimpen. Eens provoceerde je Odysseus, pratend met een giftige stem met duizend schimpscheuten, en ontsnapte levend. Maar je ontdekte dat Achilles niet zo geduldig is, die slechts met één slag van zijn hand jouw geest uit zijn hondenhok verloste! Een bitter noodlot heeft je ingeslikt. Door je eigen schurkenstreken is je leven verspilt. Vertrek hier bij Grieken, en ga je beschimpingen uiten tussen de doden!’

Maar van alle Grieken was alleen Diomedes 1 woedend op Achilles vanwege de dood van Thersites, omdat die twee van hetzelfde bloed waren. Hij wil op de vuist gaan met Achilles maar de omstanders weten het tweetal te bedaren. Door de dood van Penthesilea slaan de Amazonen op de vlucht en keert de rust weer terug op de vlakte, terwijl de Trojanen weer zijn opgesloten in hun stad.

Alternatieve versie

Volgens een enkele mythe loopt de ruzie, over de dood van Thersites, tussen Diomedes 1 en Achilles zo hoog op dat de laatste boos naar Lesbos zeilt. Daar wordt hij, na offers aan de goden Apollo, Artemis en Leto, door Odysseus gezuiverd van dit bloedvergieten.

Strijd met Memnon

De volgende dag kwam Memnon aan met een groot leger van Indiërs en Ethiopiërs. Een werkelijk opmerkelijk leger dat uit duizenden en nog eens duizenden mannen bestond met verschillende soorten wapens. Al het land rond Troje, zover het oog kon zien, was gevuld met mannen en paarden, en schitterde door de pracht van wapens en standaards.

Van verre keken de Grieken verbaasd naar dat leger, hulden zich snel in hun wapenrustingen, en vertrouwden op de kracht van Achilles. Hij reed tussen hen in, terwijl zijn wapenrusting prachtig straalde met plotselinge lichtflitsen. Midden tussen de Trojanen reed Memnon, terwijl deze zijn leger voorwaarts dreef. Toen sloten de rijen zich aan beide zijden aaneen voor het begin van de strijd, Trojanen en Grieken, Maar de Ethiopiërs waren het dapperst. Geschreeuw en doodskreten stegen in de lucht op als een brullend vuur. De aarde donderde onder het getrappel van de voeten der strijders, en er klonken verschrikkelijke oorlogskreten in de lucht. Als eerste versloeg de woedende Achilles Thalius en Mentes 3, liet menig ander hoofd in het stof smakken, en verbrokkelde zo de gelederen met zijn speer.

Aan de andere kant hield Memnon op dezelfde wijze verwoestend huis onder de Grieken. Hij trok richting zee terwijl de Grieken voor hem in het stof beten, hen snel achtervolgend, overal de dood brengend, en de aarde rood kleurde door de Grieken die stierven. Nadat de zoon van Nestor, Antilochus, is gedood gaat de vader naar Achilles en smeekt hem om zijn zoon te wreken. Achilles luisterde en keek over het strijdtoneel waar hij Memnon zag die drommen Grieken liet sneuvelen met zijn speer. Daarop keert hij zijn wagen en gaat op Memnon af.

Als Memnon Achilles ziet aankomen, grijpt hij een grote steen van de grond en werpt die dreunend tegen het schild van Achilles. Deze gaf geen krimp, sprong uit zijn wagen, stak zijn lans naar voren, en snelde op Memnon af. Hij richtte op de rechter schouder boven het schild en wierp. Memnon wankelde maar bleef, ondanks de wond, onversaagd doorvechten, en steekt met zijn speer in Achilles’ arm. Juichend van vreugde schreeuwt hij tegen Achilles: ‘Nu leer je de dood kennen, overmeesterd door mijn handen. Je zult niet levend uit deze strijd ontsnappen! Dwaas, waarom heb je de Trojanen meedogenloos vernietigd, en gepocht dat je de machtigste man der mensheid bent. Ik ben van goddelijke afkomst, zoon van de machtige koningin der Morgenstond. Daarom krimp ik niet voor jou ineen.’

Daarop antwoordde Achilles: Memnon, ben je radeloos dat je mij zo onder ogen komt, mij trotseert in het gevecht, ik die jou in kracht ver overtreft? Ik stam van Zeus af. De allesziende bewoners van de Hemel weten al deze dingen, en hebben eerbied voor mijn moeder. Ja, dat ze een godin is zal je weten wanneer ik mijn bronzen speer in je hart zal steken. De dood van Patroclus 1 heb ik gewroken op Hector, en Antilochus zal ik op jou wreken. Je hebt geen vriend van een zwakkeling gedood! Maar waarom staan we hier als domme kinderen over de roem van onze ouders te kletsen en die van ons zelf? Dit is het uur waarop dapperheid beslist.’

Toen trok hij zijn lange scherpe zwaard flitsend uit de schede, en Memnon dat van hem. Er ontwikkelde zich een vuige strijd, en het regende onophoudelijke slagen op de schilden. Zij staken snel hun speren naar voren met de bedoeling om die in de keel van de ander te steken of een andere onbeschermde plek te verwonden. De kracht van beiden, en hun inspanningen waren gelijk. Nu eens, kwamen de zwaarden op elkaar neer, dan weer slingerden zij grote stenen naar elkaar. Geen van hen week onder die hagelbui van slagen, noch beefde van angst. Zo streden die roemvolle zonen van de goden tussen de lijken en het bloed, en wisten van geen ophouden tijdens die woedende strijd.

Maar de godin van de strijd liet de balans van de strijd voor één van de twee doorslaan. Achilles steekt met een snelle beweging zijn zwaard in het borstbeen van Memnon. Het donkerblauwe blad schoot dwars door zijn lichaam, en plotseling knapte het zilveren koord van zijn leven. Memnon viel in een plas van bloed, zijn vuile wapenrusting kletterde neer, en de aarde beefde Door paniek overvallen draaiden zijn kameraden zich om en vluchtten, de Myrmidonen ontnamen de dode zijn wapens, terwijl de Trojanen vluchtten, en Achilles hen na joeg, als een snelle vernietigende machtige wervelwind.

Dood van Achilles

Voor de muren van de stad richt Achilles een grote ravage aan onder de vijand. De aarde raakt doordrenkt van het bloed en het water van de Scamander en Simois 1 verstopt met lijken. Toch blijft hij voortjagen, constant dodend, tot bij de muren van de stad. Nadat hij al die mannen had gedood, viel hij de poorten aan, rukte die uit hun scharnieren, verwijderde de grendels, wierp zichzelf er tegenaan, ramde er op, en maakte zo voor de Grieken een opening naar de burcht van Priamus.

Hij zou uiteindelijk heel die mooie stad verwoest hebben als Apollo niet kwaad op hem geworden was vanwege al die doden. Met een leeuwensprong dook hij van de Olympus af, met zijn rammelende pijlenkoker om de schouders. Daar aangekomen keek hij naar Achilles met een onblusbaar vuur in zijn ogen, terwijl de aarde schudde onder zijn voeten. Toen liet Apollo een verschrikkelijke schreeuw klinken, om Achilles om te laten keren en de Trojanen van de dood te redden: ‘Ga weg van de Trojanen, zoon van Peleus! Als je nog meer vijanden dood maakt zal een Olympische god jouw trots vernederen.’

Maar de held sidderde niet voor de stem van de god, hoewel de onverbiddelijke Lotsgodinnen nu rondom hem heen zweefden. Hij trok zich niets van de god aan, en riep uitdagend: Apollo, waarom weigert u mij om te vechten met de goden, en wilt u die arrogante Trojanen beschermen? U hebt mij al eerder met een list van de strijd afgekeerd, toen u Hector voor de eerste keer van zijn vernietiging redde, waardoor alle Trojanen in Troje in juichen uitbarstten. Nee, trek uzelf terug, keer terug naar het huis van de Gezegenden, opdat ik u niet versla hoewel u onsterfelijk bent!’

Toen keerde hij de god zijn rug toe, en vloog achter de Trojanen aan die richting stad vluchtten. Maar Apollo was laaiend en verdween in een wolk van mist uit het zicht. Daarop gaat hij naast Paris staan, die in het wilde weg pijlen afschiet, zet een van zijn eigen pijlen op diens boog, en duwt de boog in de richting van Achilles. De pijl komt in de hiel van Achilles terecht en deze voelt een hevige pijn en een dodelijke ziekte treft zijn hart. Hij wankelt en valt als een toren om in het stof.

Met een moorddadige blik keek Achilles om zich heen en schreeuwt: ‘Wie schoot deze heimelijke pijl op mij af? Durft hij mij niet van aangezicht tot aangezicht tegemoet te treden! Dan zullen zijn bloed en al zijn ingewanden over mijn speer uitstromen, en zich snel naar de onderwereld haasten! Ik weet dat niemand zich van man tot man met mij kan meten in de strijd, niemand van de stervelingen, want zo iemand moet een onversaagd hart in zijn borst hebben, en zenuwen van staal. Laat hij zich tonen, hoewel het misschien een god is die kwaad is op de Grieken! Ja, mijn hart zegt me dat Apollo mijn overweldiger is, gehuld in dodelijke duisternis. Zo vertelde mijn moeder mij eens in het verleden dat ik door zijn pijl een erbarmelijke dood zou sterven.’

Achilles trok, onder folterende pijnen, de pijl uit de ongeneselijke wond. Het bloed gutste eruit, en zijn hart gaf het bijna op door de schaduw van het naderende onheil. Met verontwaardigde woede smeet hij de pijl van zich af. Een plotselinge windvlaag trok langs, nam deze op, en bracht de pijl terug bij Apollo. Want het hoort niet dat een goddelijke pijl, afgeschoten door een onsterfelijke, verloren raakt. In zijn onoverwinnelijke lichaam klopte het warme bloed en Achilles verlangde nog steeds naar de strijd. Maar geen van de Trojanen durfde in zijn buurt te komen, terwijl hij daar brullend en schreeuwend op de grond lag.

Ondanks dat zijn kracht, door die giftige wond, afneemt springt hij op en stormt op de vijand af. Met zijn lans doodt hij Orythaon, de vriend van Hector, door hem dwars door zijn slapen te steken. Daarna steekt hij de ogen uit van Hipponous 3 en in de kaken van Alcathous 4, waardoor deze zijn tong verliest. Maar toen zijn lichaam kouder en kouder werd, ebde zijn geest weg, en stond hij leunend op zijn speer, terwijl de Trojanen wegvluchten. ‘Lafaards,’ schreeuwt hij hen na, ‘door mijn dood zullen jullie aan mijn genadeloze speer ontsnappen, maar aan mijn wrekende geest gaan jullie betalen.’ De Trojanen luisterden en huiverden. Eindelijk begaf zijn machtige geest en lichaam het. Eindelijk viel hij tussen de doden neer, als een rotsblok. De aarde sidderde onder hem en zijn wapens denderden als een donderslag. De Trojanen geloven niet wat zij zien en staren met de grootst mogelijke angst naar zijn dode lichaam. Zo groot was hun vrees voor Achilles, die niet meer was.

Alternatieve versie

Volgens een bepaalde mythe stierf Achilles op een geheel andere wijze tijdens een wapenstilstand, toen beide legers aan het offeren waren voor het festival van Apollo. Priamus vond het tijd om Idaeus 3 naar Achilles te sturen met instructies omtrent Polyxena 1, waar Achilles verliefd op was geworden. Toen Achilles deze instructies doorlas, alleen in het bos met Idaeus 3, werd het bericht over deze ontmoeting naar de schepen gebracht. De Grieken waren boos, dachten dat Achilles ontrouw was, omdat het gerucht dat hij een verrader was steeds meer voet aan de grond kreeg. Daarom gingen Ajax 1, Diomedes 1 en Odysseus naar het bos en stonden aan de voorkant van de tempel te wachten totdat Achilles die zou verlaten. Zij wilden hem vertellen wat er gebeurd was bij de schepen en hoopten hem te weerhouden om geheime afspraken te maken met de Trojanen.

Ondertussen benaderden Paris en Deiphobus 1, die een complot hadden gesmeed, Achilles, alsof zij de instemming van Priamus kwamen bevestigen. Om geen argwaan te wekken stopt Paris vlakbij het altaar en keek Achilles niet aan. Achilles had geen wapen bij zich, in de veronderstelling dat er geen gevaar dreigde in de tempel van Apollo. Toen ging Deiphobus 1 naar Achilles en omarmde hem. Over hem heen hangend weigerde hij hem los te laten totdat Paris, met getrokken zwaard, voorwaarts snelde en het slachtoffer met twee rake slagen in de zij trof. Toen zij zagen dat hij stervend was, vertrokken zij haastig en keerden terug naar de stad, verheugd omdat boven alle verwachtingen uit hun zeer belangrijke missie was volvoerd.

Odysseus, die hen had zien vertrekken, zei: ‘Er is iets mis. Waarom zijn die mannen zo opgewonden? Waarom zijn zij bang en hebben zo’n haast?’ Daarop ging hij en de anderen het bos in en ontdekten Achilles die languit op de grond lag, bijna dood en veel bloed verliezend. Toen zei Ajax 1: ‘We weten zeker dat niemand jou in een eerlijk gevecht kon verslaan maar, dat is wel duidelijk, je bent nu door je eigen onverstandige roekeloosheid aan het eind van je leven gekomen.’ En Achilles, zijn laatste adem uitblazend, zei: Deiphobus 1 en Paris hebben me overmeesterd. Zij kwamen over de kwestie met Polyxena 1, vol bedrog en verraad.’ Terwijl hij daar lag te sterven, omarmden de twee hem en kusten hem vaarwel.

Begrafenis van Achilles

De rest van de dag wordt er verschrikkelijk gestreden om het lichaam van de dode held maar weten de Grieken uiteindelijk, wanneer de nacht invalt, het lichaam van Achilles naar het scheepskamp te brengen. Daar wasten ze zijn lichaam met warm water, zalfden het in met olie, en legden het op een baar. Er werd hevig om zijn dood gejammerd, haarlokken afgesneden en ook zijn moeder, Thetis, met haar zusters de Nereïden, duiken uit de golven op waarna het geweeklaag van de godinnen zich mengt met dat van de Grieken. Ook de negen Muzen kwamen en zongen allen met prachtige stem een klaaglied.

Zeventien dagen en nachten lang werd er onafgebroken getreurd. Maar op de achttiende dag werd Achilles prijsgegeven aan de brandstapel waarbij vele vette schapen en runderen als offer dienden. Alle Grieken trokken in een gewapende dans om het vuur, te voet en met strijdwagens, waarbij veel rumoer opklonk. Toen het vuur Achilles verteerd had, verzamelden de Grieken zijn beenderen en legden die in onvermengde wijn en balsem. Daarna werden ze in de urn gestopt waar de botten van Patroclus 1 al in rustten, zoals Achilles hen bij zijn leven al bevolen had. Vervolgens werd een grote grafheuvel opgeworpen op kaap Sigeum die in zee uitstak waarna Thetis begrafenisspelen organiseerde ter ere van haar zoon en vele schitterende prijzen werden uitgereikt.

Offer van Polyxena

Enkele weken later, nadat de Grieken Troje hebben verwoest, en zich gereed maken om naar huis terug te keren, klinkt vanuit het graf de stem van Achilles, niet minder indrukwekkend als toen hij nog leefde: ‘Grieken, is dit jullie dank voor mijn heldhaftigheid! Laten jullie mij hier eenzaam en vergeten achter? Doe wat er moet gebeuren en laat mijn graf niet zonder eerbewijzen achter. Verzoen de schim van Achilles en offer Polyxena 1, de dochter van Priamus.’

De Grieken deden waar hij om vroeg en het arme meisje, weggerukt bij haar moeder, werd naar de grafheuvel gesleurd om daar geofferd te worden. Het meisje is echter te trots om daar als een beest te sterven en biedt zich vrijwillig aan. Daar wordt zij door Neoptolemus, de zoon van Achilles die na zijn dood ook naar Troje is gekomen, om het leven gebracht.

Achilles in de onderwereld

In de onderwereld leeft Achilles als een schim verder op het eiland van de gelukzaligen waar hij samenwoont met Medea 1, maar in een andere mythe wordt ook Iphigenia genoemd, en leidt daar het saaie leven van een dode.

Ontmoeting met Odysseus

Zo’n negen jaar na zijn dood komt Odysseus op bezoek in de onderwereld, die advies komt vragen aan de dode ziener Tiresias. Wanneer Achilles hem ziet zegt hij: ‘Roekeloze Odysseus, wat voor listig plan bedenk je nu weer? Hoe durfde je af te dalen in de Hades, waar de doden verblijven zonder geestkracht?’ Hierop antwoordt Odysseus: ‘Achilles, dappere Griek, ik ben gekomen voor het orakel van Tiresias, om te zien of hij raad kan verschaffen hoe ik Ithaca moet bereiken. Want ik heb na de oorlog Griekenland nog niet bereikt, nog geen voet op ons vaderland gezet, want steeds doet zich een tegenslag voor. Maar jij, Achilles, jij bent wel de gelukkigste in verleden en toekomst. Want nog tijdens je leven achtten wij je gelijk aan de goden, en nu ben je hier weer een koning over de doden. Treur daarom dus niet over je dood, Achilles’.

Zo sprak hij hem toe, maar Achilles gaf daarop als antwoord: ‘Probeer mij niet op te monteren over de dood, Odysseus. Ik zou liever een dagloner zijn voor een ander, in dienst van een arme man met weinig bezit, dan te heersen over alle weggeteerde schimmen. Maar kom, spreek liever over mijn zoon. Deed hij nog mee aan de oorlog, of niet? En vertel me over mijn vader Peleus. Heeft hij het koningschap nog in het gebied van de Myrmidonen, of heeft hij geen respect meer in Griekenland en Phthia, nu de ouderdom hem in zijn greep houdt. Want ik kan hem geen hulp verlenen, op de wijze zoals ik ooit in Troje het beste krijgsvolk doodde ter verdediging van de Grieken.’

‘Van Peleus heb ik niets vernomen,’ zegt Odysseus, ‘maar van je zoon Neoptolemus kan ik je alles vertellen. Ik vervoerde hem zelf op mijn schip van Scyros naar de strijdende Grieken. Hij voerde het woord in vergaderingen en gaf vaak een goed advies. Ook als we op het Trojaanse slagveld streden bleef hij nooit achter in het krijgsgewoel, maar was in strijdlust van niemand de mindere. Hij doodde veel tegenstanders in een geducht gevecht, en ik zag nooit dat hij enige krimp gaf, van angst verbleekte, of een traan liet lopen. Toen wij Troje verwoest hadden, ging hij ongedeerd aan boord met zijn aandeel, zonder enige wond.’ Na deze woorden van Odysseus vertrekt de schim van Achilles, verheugd, omdat zijn zoon zo dapper was, en daarna is er nooit meer iets van hem vernomen.

Stambomen:

Peleus Thetis Lycomedes 2 -
Achilles Deidamia 1
Neoptolemus (Pyrrha 2)

Peleus Thetis Briseus -
Achilles Briseis
-

Peleus Thetis Aeetes / Theseus Idyia / Helena
Achilles Medea 1 / Iphigenia (na hun dood)
-

Bronnen:

©2013 Maarten Hendriksz