Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Adrastus 1

Afstamming

Adrastus 1 is een zoon van koning Talaus en Lysimache 1 die in Argos werd geboren. In een enkele mythe wordt ook Eurynome 4 genoemd als zijn moeder en de vrouw van Talaus. Adrastus 1 heeft vier broers: Parthenopaeus, Pronax, Mecisteus 1, Aristomachus 1 en drie zussen: Eriphyle, Astynome 2 en Metidice

Vertrek en terugkeer naar Argos

Na een vete tussen de drie machtigste huizen van Argos werd zijn vader Talaus verslagen door Amphiaraus. Hierna werd Adrastus 1 verbannen uit het rijk van zijn vader en vluchtte naar koning Polybus 2 van Sicyon. Toen deze koning kinderloos stierf volgde Adrastus 1 hem op als koning van Sicyon. Later verzoende Adrastus 1 zich met Amphiaraus, gaf hem zijn zus Eriphyle als vrouw, en keerde terug naar zijn koninkrijk in Argos. Ze kwamen daarbij overeen om nooit meer strijd met elkaar te leveren en, als er ooit weer een geschil tussen hen zou ontstaan, dit beslecht zou worden door Eriphyle.

Huwelijk en kinderen

Adrastus en Arion

Tijdens zijn regering stelt Adrastus 1 wetten op voor het roerige Argos en regeert met rechtvaardigheid, kalmte en wijsheid over zijn volk. Adrastus 1 trouwt met Amphithea 1, de dochter van Pronax, die hem drie dochters schenkt: Argia 1, Deipyle, Aegialia en twee zoons: Aegialeus 1 en Cyanippus 1. Er zijn echter ook schrijvers die stellen dat Adrastus 1 slechts twee dochters had, Argia 1 en Deipyle, en geen zoons. De schrijver Hyginus stelt dat Adrastus 1 zijn zoon Aegialeus 1 verwekte bij de vrouw Demonassa 2. Dezelfde schrijver stelt ook dat Adrastus 1 nog een derde zoon Hipponous 4 bij een onbekende vrouw verwekte.

Door de gaven van de goden komt Adrastus 1, via Heracles, in bezit van het paard Arion dat van Poseidon afstamt. Het paard is het snelste van alle op aarde geboren paarden en was gewend om samen met de paarden van Oceanus over zee te rennen. Op verzoek van het lot vertelt Apollo aan Adrastus 1 dat er schoonzoons naderen in de gedaante van een everzwijn en een geelbruine leeuw. Hij begrijpt niets van de voorspelling en ook Amphiaraus kan hem niet wijzer maken omdat Apollo dat verboden heeft.

Aankomst van Polynices en Tydeus

Adrastus 1 is reeds de middelbare leeftijd gepasseerd als Polynices en Tydeus ’s nachts voor de poort van zijn paleis aankomen. Het tweetal krijgt ruzie over een slaapplek en er ontstaat een gevecht. De koning hoort in zijn paleis het kabaal voor de deur en loopt naar de poort waar hij de twee kemphanen elkaar met hun vuisten ziet bewerken. ‘Waarom dit geweld, vreemde jongelingen,’ zegt hij, 'want geen enkele burger van mij zou zulk geweld durven te gebruiken om de stilte van de nacht te doorbreken. Maar vertel me, wie zijn jullie vaders, waar zijn jullie naar toe onderweg, en wat is de oorzaak van deze ruzie?

Daarop antwoordt Polynices dat hij uit Thebe komt en vertelt Tydeus dat hij de zoon is van Oeneus 1 uit Calydon. Dan maant Adrastus 1 hen de strijd te staken en nodigt het tweetal uit om binnen te komen om de nacht in het paleis door te brengen. Op dat moment laat Adrastus 1 zijn blik over hun kleding glijden en ziet bij Polynices een leeuw op zijn rug staan terwijl om de schouders van Tydeus de huid van een grimmig everzwijn hangt. Adrastus 1 staat verbaasd stil als hij die kledingstukken ziet. Plotseling herkent hij de symbolen die de god hem voorspeld had. Hij slaat daarop zijn armen om de mannen, dankt in gedachten de goden, en leidt hen de centrale kamer van het paleis binnen.

Daar laat hij het vuur opstoken en een nachtelijk maal brengen terwijl Adrastus 1 zich verheugt over deze onverwachtse invulling van de voorspelling. Tijdens de maaltijd leggen Polynices en Tydeus hun ruzie bij en geeft Adrastus 1 de verzorgster van zijn dochters, Acaste 2, opdracht om zijn dochters wakker te maken en naar de kamer te laten komen. Tijdens het eten kijken de meisjes steels naar het tweetal terwijl een lichte blos hun wangen kleurt. Na de maaltijd brengt Adrastus 1 een plengoffer aan de goden waarbij hij een oude familiebeker gebruikt. Vervolgens vraagt hij Polynices uitgebreid naar zijn afkomst en door welk lot hij naar hem toe is geleid.

Polynices vertelt klagend het verhaal hoe hij met zijn broer, Eteocles 1, een afspraak had gemaakt dat zij elk om het jaar koning over Thebe zouden zijn. Maar Eteocles 1 had die afspraak geschonden en Polynices uit Thebe verbannen. Na door diverse landen gezworven te hebben was hij zo deze nacht voor de deur van de koning beland. Adrastus 1 wordt tot vriendelijk mededogen bewogen en zegt: ‘We kennen het verhaal, het gerucht is al in Argos aangekomen. Stop met klagen, giet je wijn over het altaar en bidt samen met mij om hulp tot Apollo. Laten we nu gaan slapen en morgen weer verder zien.’ Maar in gedachten heeft hij al besloten.

Aanloop tot de Oorlog

Het aanbod van Adrastus 1

De volgende ochtend laat Adrastus 1 het tweetal snel uit hun bedden opstaan. Ze treffen elkaar in de centrale hal waar zij gaan zitten. 'Ik hoef jullie niet te vertellen,’ zegt Adrastus 1 tegen hen, ‘dat een grote groep vrijers achter mijn dochters aanzit. Hun schoonheid en bescheidenheid zijn prachtig zoals je gisteravond tijdens de maaltijd kon zien. Hoewel er goede partijen tussen de vrijers zitten verbiedt het lot mij om ze aan hen uit te huwelijken. Apollo beloofde mijn bloed en huis aan u beiden toe, dat is de beloning voor de rake klappen die jullie elkaar gaven.’ Het tweetal luistert met verbazing naar zijn verhaal en zijn graag bereid om hem als schoonvader aan te nemen. De oudste dochter Argia 1, wordt zo aan Polynices beloofd en Deipyle aan Tydeus. Polynices smeekt vervolgens Adrastus 1 hem, als aanstaande schoonzoon, een leger ter beschikking te stellen om het koninkrijk van zijn vader op zijn broer te veroveren. Adrastus 1 belooft hem niet alleen een leger maar zegt ook toe zelf met hem mee te gaan, samen met nog zes andere aanvoerders, om de zeven poorten van Thebe te veroveren. Ook Tydeus belooft Adrastus 1 weer in ere te herstellen in zijn vaderland zodra de klus in Thebe is geklaard.

Het bericht van de bruiloft vliegt door het land en op die dag komen vele Argivers naar de stad. De Koninklijke zalen zijn vol voorname mensen en ook het gewone volk wordt in drommen binnengelaten. Terwijl de bruidsstoet de trappen beklom om naar de trouwzaal te gaan viel er uit de nok van het huis een bronzen schild naar beneden en verpletterde de huwelijkstoortsen. Iedereen keerde zich na de eerste schok om naar koning Adrastus 1 maar deze deed net of hij niets merkte. Ook Argia 1 droeg het onder een ongelukkig gesternte gemaakte sieraad, de ketting van Harmonia. Ondanks al deze slechte voortekens duurde het feest twaalf dagen en werd er luidruchtig feestgevierd.

Afgezant naar Thebe

Kort na de bruiloft voerden Adrastus 1, Polynices en Tydeus overleg wat er moest gebeuren om Polynices weer in zijn rechten te herstellen. Na veel wikken en wegen werd besloten om eerst te onderzoeken hoe standvastig Eteocles 1, de broer van Polynices, was. Ze zouden Tydeus als afgezant naar Thebe sturen om daar voor een veilige terugkeer van Polynices, en herstel van zijn rechten, in Thebe te pleiten.

Enige weken later keert Tydeus halfdood terug en verschijnt onverwachts in de vergadering van Adrastus 1 die hij juist op dat moment met zijn leiders hield. Daar vertelt Tydeus hoe hij in Thebe mishandeld is nadat hij zijn boodschap verteld had en roept iedereen op om onmiddellijk tegen Thebe op te rukken. Van woede gaat ook Polynices daarop tekeer en roept eveneens de leiders op tot oorlog. Maar de wijze Adrastus 1, goed onderlegd in het leiden van een machtig rijk, roept op tot kalmte. ‘Laat dit, smeek ik jullie, aan de goden en mijn wijsheid over om in het juiste daglicht te stellen. Je broer zal niet ongestraft heersen, noch staan we te popelen om oorlog te voeren. Maar ontvang voor dit moment Tydeus, die in triomf van een dergelijk bloedvergieten terugkeerde, en laat de broodnodige slaap zijn oorlogszuchtige geest kalmeren. Wat ons betreft, verdriet zal zijn aandeel van het verstand krijgen.’ Daarop gaat de vergadering uiteen.

Opmars naar Thebe

Adrastus 1 loopt zeven dagen lang rond met het probleem en overlegt met zichzelf wat hem nu te doen staat. Aan de ene kant wordt hij bewogen door de gedachte aan rust en vrede, aan de andere door de schaamte vanwege de belediging en de harde taak om een volk om te vormen tot de glans van een nieuwe oorlog. In zijn twijfel geeft hij uiteindelijk aan het laatste de voorkeur en geeft de zieners en profeten opdracht om de voortekenen te onderzoeken. Deze zieners, Amphiaraus en Melampus 1, komen niet snel met een antwoord, waarna Argia 1, de vrouw van Polynices, op een nacht naar de slaapkamer van haar vader gaat. Ze kan het niet aanzien dat haar man zoveel verdriet heeft om zijn verbanning en smeekt haar vader om een oorlog tegen Thebe te beginnen.

Adrastus 1 kust haar op het gezicht en zegt: ‘Nooit, mijn dochter, kon ik deze klachten van jou de schuld geven. Vrees niet, je verzoek is prijzenswaardig, en verdient geen weigering. Maar de goden geven mij veel om over na te denken, maar stop niet met hopen op wat je vraagt, over mijn eigen angsten en de onzekere regering over dit rijk. Te zijner tijd zullen je gebeden beantwoord worden, en je zult niet klagen dat je tranen vruchteloos waren. Troost je man en leef niet alleen met het wreed verspillen van tijd. Het is de grootheid van deze onderneming die vertraging met zich meebrengt. Zo behalen we voordeel voor deze oorlog.’ Weken later, na veel overleg met zijn leiders en de zieners, besluit Adrastus 1 toch om te zwichten voor het lot en met een groot leger tegen Thebe op te rukken. Dit ondanks de voorspelling van Amphiaraus dat iedereen, behalve Adrastus 1 zelf, op deze veldtocht zou sterven.

Er worden aanvoerders aangezocht en gevonden voor het leger en Polynices probeert de ziener Amphiaraus ervan te overtuigen ook deel te nemen aan de campagne tegen Thebe. Als deze weigert, omdat hij door zijn gaven wist dat hij in Thebe zou sterven, gaf Polynices de gouden halsketting, die eens als cadeau door Aphrodite aan Harmonia 1 was gegeven, aan de vrouw van Amphiaraus, in de hoop dat zij haar man zou overtuigen om zich bij de anderen te voegen als bondgenoot. Eriphyle besliste in het voordeel van haar broer Adrastus 1 waardoor Amphiaraus gedwongen was zijn noodlot tegemoet te rijden.

Een leger van totaal drieduizend man wordt op de been gebracht, dat onder bevel staat van zeven aanvoerders. Bij vertrek is Adrastus 1 ziek van angst vanwege de slechte voorspellingen en loopt nauwelijks uit vrije wil tussen de applaudisserende mensen door. Het zwaard hangt aan zijn riem en bedienden droegen zijn wapens achter hem aan. Bij de stadspoort wordt hij opgewacht door zijn wagenmenner waar het paard Arion strijdlustig staat te trappelen. Het leger volgt jubelend in het gevolg van Adrastus 1 en de andere zes aanvoerders: Hippomedon 1, Capaneus, Amphiaraus, Parthenopaeus en zijn schoonzonen Polynices en Tydeus.

Gebeurtenissen in Nemea

Droogte

Het leger vertrekt en komt na enige dagen in Nemea aan. Daar heerst, op bevel van de god Dionysus 2 die zijn stad Thebe probeert te beschermen, een enorme droogte. De god laat rivieren en bronnen opdrogen waardoor het leger een probleem heeft met de watervoorziening. Ze hebben geen kracht meer om de hete schilden te dragen terwijl hun kelen uitgedroogd zijn. Adrastus 1 stuurt verkenners op pad om naar water te zoeken maar die keren allemaal onverrichter zake terug. Uiteindelijk komt het leger bij een bos waar zij een verdrietige vrouw, Hypsipyle met een kind op haar arm, aantreffen. Hoewel armoedig gekleed heeft ze Koninklijke kenmerken en Adrastus 1 spreekt haar vol ontzag aan omdat hij denkt dat het Artemis is.

Godin, koningin van het bos, want uw voorkomen en houding zeggen mij dat u geen stervelinge bent. U die onder deze brandende hitte gezegend bent omdat u geen water hoeft te zoeken, help een naburig volk en kijk genadig neer op onze bedroefde gelederen. Wij zijn van plan om het schuldige Thebe te vernietigen, maar de wrede droogte put onze krachten uit. Help ons falende fortuin, wellicht weet u ergens een troebele rivier of een stilstaand moeras. Niets, maar dan ook absoluut niets, zal als schaamtevol worden beschouwd in de toestand waarin wij verkeren. Met het bloed van talloze kudden zal ik u vergelden, o godin, en een machtig altaar zal dit bos markeren.’ Zo sprak hij hijgend en met droge tong.

Daarop geeft Hypsipyle met neergeslagen ogen antwoord: ‘Ik ben geen godin, maar ik wilde dat mijn verdriet sterfelijk was! Het is een toevertrouwde gelofte die ik verzorg, en ben een verzorgster die zelf is beroofd. Maar of mijn zoons een schoot of borst hebben gevonden om aan te zogen, de hemel weet het. Toch had ik eens een koninkrijk en een machtige vader. Maar waarom spreek ik hierover, en houdt u op met uw zoektocht naar water? Kom nu met mij mee, misschien stroomt Langia’s water nog ongestoord.’ Onmiddellijk zette ze het kind op de grond in het gras, zo wilden de schikgodinnen het. En als het kind niet op de grond gezet wil worden troost zij het met bloemen die in de buurt groeiden en een vleiend gemompel.

Zij gaan door het bos over kronkelende paden, sommigen drommen om hun gids, sommigen er achter, terwijl anderen haar voorbijstreven. In het midden van de groep beweegt zij met een trotse houding en gaat met snelle stappen voort. Het dal weerkaatst luid als zij de rivier naderen en water, dat op de rotsen spettert, hun oren bereikt. Dan schreeuwt Argus 6 als eerste uitgelaten ‘Water!’ en door de gelederen trekt de langgerekte kreet ‘Water!’ De soldaten duiken er gek van dwaasheid in. Sommigen worden door de rivier meegevoerd, terwijl anderen hun grip op de gladde rotsen verliezen. De golven brulden luid, terwijl ver van de bron de rivier wordt geplunderd, die eens groen en helder vloeide met lieflijk helder water, maar nu vanaf de bodem geheel wordt vertroebeld en bezoedeld.

Dood van Opheltes

Archemorus en de slang

Hun dorst was door de rivier gelest, en het leger verliet de oevers. Adrastus 1 spreekt Hypsipyle aan om haar te bedanken en vraagt waarom ze zo droevig is. Daarop vertelt zij de geschiedenis van de vrouwen op Lemnos en hoe die Aphrodite beledigden waardoor zij verstoken raakten van mannen, en ’s nachts hun echtgenoten doodden, uitgezonderd Hypsipyle. Terwijl zij haar verhaal doet verschijnt er een slang 6 bij de in het gras achtergelaten baby en doodt het kind dat nog net in staat is om een kreet te slaken. Hypsipyle hoort het geluid en stormt naar het kind, Opheltes 1, toe. Ze zoekt overal maar kan hem niet vinden. Uiteindelijk ziet ze de grote bewegingloze slang 6 op de grond liggen. De aanvoerder Capaneus doodt het monster, snijdt de buik van het beest open en haalt de dode Opheltes 1 uit de maag. Alle aanwezigen vinden dit een slecht voorteken voor het verloop van de oorlog en noemen het dode kind Archemorus (begin van het onheil).

De aanvoerders gaan met Hypsipyle en het kind naar de vader, Lycurgus 4, en deze wil direct Hypsipyle doden. Adrastus 1 springt beschermend voor de vrouw en Amphiaraus weet de woede van Lycurgus 4 met kalmerende woorden te sussen. De troepen zijn echter al slaags geraakt met de mannen van Lycurgus 4 waarop Adrastus 1 er vliegensvlug met Hypsipyle in zijn wagennaar toe rijdt en roept: ‘Stop, stop, er is geen wrede daad begaan, en ook Lycurgus 4 heeft het niet verdiend om zo te sterven. En zie, hier is de ontdekker van het zo welkome water!’ Daarop bedaren de gemoederen en worden er voorbereidingen getroffen voor de begrafenis van Opheltes 1.

Voor het dode kind wordt een enorme brandstapel opgericht waarna de aanvoerders geschenken en offers in de vlammen werpen. Er wordt langdurig bij de brandstapel getreurd waarbij Eurydice 2, de moeder van het kind, haar jammerklachten uit en Lycurgus 4 zijn roemrijke scepter op het vuur werpt. Daarna cirkelt het leger, onder aanvoering van Adrastus 1, driemaal om de brandstapel en slaan viermaal met hun wapens tegen elkaar. Wanneer de brandstapel is gedoofd worden door Adrastus 1 spelen georganiseerd die bekend zouden komen te staan als de Nemeïsche Spelen.

Nemeïsche Spelen

Als eerste wordt er een paardenrace gehouden. Adrastus 1 laat zijn schoonzoon, Polynices, met het paard Arion deelnemen. Daar het paard moeilijk onder controle is te houden zegt Adrastus 1 tegen hem: ‘Gebruik geen zweep om hem te laten galopperen maar laat hem de vrije teugel. Spoor andere paarden aan met stem en zweep, maar niet hem, want hij gaat sneller dan je wilt.’ Als de race van start gaat kijkt ook Apollo, samen met de Muzen, van grote afstand belangstellend toe en zien hoe Arion gehakt maakt van de andere deelnemers door zijn ongelofelijke snelheid. Maar hij ziet ook twee gunstelingen van hem deelnemen en besluit dat Arion niet zal winnen. Voor de benen van het paard laat hij plotseling een monster uit de onderwereld verschijnen waarop Arion steigerend stopt en Polynices uit de wagen wordt gesmeten. Adrastus 1, die vanuit de verte toekijkt, is bang dat zijn schoonzoon door de klap is gedood maar ziet hem uiteindelijk weer strompelend overeind komen. Aan het eind van de race geeft Adrastus 1 de prijs aan de winnaar en troost hij Polynices met een dienstmeid.

Vervolgens wordt er een hardloopwedstrijd georganiseerd, waarbij Adrastus 1 aan het eind moet ingrijpen omdat Idas 6 aan de haren van de Arcadiër Alcon 6 had getrokken om te voorkomen dat deze zou winnen. Onmiddellijk schreeuwen de Arcadiërs ‘Te Wapen!’ en haasten zich naar hun prins om hem te verdedigen. In eerste instantie blijft Adrastus 1 besluiteloos staan maar zegt uiteindelijk: ‘Stop met ruzie maken, jongens! Jullie dapperheid moet opnieuw op de proef worden gesteld. Maar om te voorkomen dat het weer gebeurt moeten jullie in verschillende banen lopen. Idas 6 loopt aan deze kant, blijf bij elkaar vandaan, en laat er geen bedrog in deze wedstrijd zijn!’ Het tweetal gehoorzaamt en ditmaal verloop de wedstrijd zonder problemen.

Hierna staat er een werpringwedstrijd op het programma, die rustig verloopt, waarna het boksen volgt. Ook hier gebeurt weer iets waardoor Adrastus 1 moet ingrijpen. De woeste Argiver Capaneus daagt de Laconiër Alcidamas 3 uit. Capaneus gaat met veel vertoon van macht op de kleinere en lichtere Alcidamas 3 af maar deze weet hem met veel behendigheid telkens te ontwijken en uiteindelijk de reus te verwonden. Beiden raken vermoeid en rusten even uit. Wanneer Capaneus weer woedend aanvalt maakt Alcidamas 3 een schijnbeweging en laat een regen van slagen op de ander neerkomen. De reus zakt op zijn knieën er krijgt een moordende blik in zijn ogen. Adrastus 1 ziet dit gebeuren en roept: ‘Haast je vrienden, smeek ik, hij is gek! Haast jullie, houdt hem tegen! Hij is gek geworden. Breng snel de palmtak en de prijzen! Hij zal niet stoppen, dat zie ik goed, totdat hij de hersenen van Alcidamas 3 binnen zijn schedel heeft fijngestampt. Red die verdoemde Laconiër!Tydeus en Hippomedon 1 gehoorzamen aan het bevel van Adrastus 1 en weten Capaneus met veel moeite te kalmeren.

Na het boksen staat er nog worstelen en een wedstrijd boogschieten op het programma waarna de begrafenisrituelen tot een eind zijn gekomen. Dan giet Adrastus 1 wijn op de grond om de as van Archemorus gunstig te stemmen en zegt: ‘Sta toe, kleintje, dat deze dag vele malen tijdens vijfjaarlijkse feesten herhaald mag worden. Laat de festivals van Olympia, Delphi of de Isthmus minder geëerd worden. We weigeren jou, o kind, aan de droevige Onderwereld, en koppelen deze treurige riten aan de onsterfelijke sterren, en spoeden ons nu naar de wapens. Maar als je ons gunt om Thebe met het zwaard ten val te brengen, dan zal voor jou een machtige tempel opgericht worden. Dan zal je inderdaad een god zijn, niet alleen Argos zal je aanbidding verspreiden, maar ook het veroverde Thebe zal bij jouw naam zweren.’ Zo zwoer de leider voor iedereen, zo zwoer elke strijder zelf.

Strijd voor Thebe

Aankomst bij Thebe

Het leger gaat weer op weg naar Thebe en marcheert dag en nacht door. Woede spoort hen aan en zijn minachten rust en slaap terwijl eten hen nauwelijks vertraagt. Ze hebben geen aandacht voor de voortekens die Kans, de heraut van het noodlot, met onheilspellende tekens veelvuldig op hun pad strooit. Want vogels, dieren, sterren en terugstromende rivieren geven vreselijke waarschuwingen af en ook Zeus dondert tegen hen terwijl de bliksems opgloeien. Zo marcheren zij op tot aan de rivier Asopus, die op dat moment met een machtige vloed stroomt, waardoor zij voorzichtig moeten oversteken. Even voorbij de rivier zien ze een heuvel, in het zicht van de stad Thebe, waar het kamp wordt opgeslagen en ze een palissade omheen bouwen.

De volgende ochtend staat plotseling Iocasta, de moeder van Polynices en Eteocles 1, met haar twee dochters voor de poort van het kamp en jammert om doorgelaten te worden. ‘Maak de poort open! Het is de moeder die schuldig is aan de oorlog die het jullie vraagt. Op basis van deze baarmoeder heb ik recht om dit kamp te vervloeken.’ Ze wordt binnengelaten en voor de zeven aanvoerders geleid. Zodra ze de aanvoerders ziet, slaakt ze een angstige kreet van woede en verdriet: ‘Jullie Argivische aanvoerders, wie toont mij de vijand die ik baarde, onder welke helm vind ik mijn zoon?’ Huilend van vreugde stort Polynices zich in haar armen. Daarop smeekt zijn moeder hem om naar de stad te komen en met zijn broer te onderhandelen over vrede in plaats van om de macht te strijden. Adrastus 1 en zijn andere aanvoerders zwichten voor haar woorden en beginnen te twijfelen. Maar Tydeus, die de wonden van zijn eerste ontmoeting met Eteocles 1, de heersende koning van Thebe, nog op zijn lichaam draagt, pleit dat het beter is dat hijzelf gaat in plaats van Polynices.

Terwijl hier nog over wordt gediscussieerd grijpen de Wraakgodinnen in om te voorkomen dat de oorlog in de kiem gesmoord wordt. Plotseling verschijnen er twee enorme tijgers in de buurt van het kamp. Met een machtige sprong grijpen zij de wagenmenner van Amphiaraus, vervolgens Idas 6 en Acamas 6 die bij het water hun paarden aan het drenken waren. De beesten worden daarna opgejaagd door Aconteus 2 die hen naar de muur van Thebe drijft en daar doodt. De vergadering wordt opgebroken en Iocasta vlucht weg van het leger dat nu in een strijdlustige roes verkeert door de aanval van de tijgers. Volledig bewapend naderen de Argivers de muren en, omdat er zeven poorten waren, stelde Adrastus 1 bij elke poort een aanvoerder op. Ook Eteocles 1 bewapende zijn Thebanen en stelde een even groot aantal aanvoerders aan als zijn tegenstanders

Moordende strijd

In die eerste wanordelijke strijd verdwijnt de ziener Amphiaraus in een, zich plotseling openende spleet, in de grond. Daar waar dit gebeurt trekken de troepen zich terug en vertrouwt niemand de grond meer waar hij op loopt. Terwijl Adrastus 1 op een andere plek zijn mannen aan het aanmoedigen is rent Palaemon 5 naar hem toe en vertelt de koning wat er gebeurd is: ‘Keer om, koning, en vlucht. Waarom trekken wij met nutteloze zwaarden tegen Thebe op? De goddeloze aarde slokt onze wagens, wapens en soldaten op. Met mijn eigen ogen zag ik het pad naar de diepe nacht toen de stevige bodem scheurde en Amphiaraus naar beneden viel. En wie was er dierbaarder aan de vooruitziende sterren dan hij? Het is een wonder dat ik vertel. Mijn wagenmenner heeft zojuist de gescheurde grond en de rokende, met schuim bespatte velden verlaten. Evenmin is de verwoesting bekend bij iedereen en het Thebaanse leger blijft waar het is.

Strijd om Thebe

Adrastus 1 is stom van schrik, en gelooft het nauwelijks. Onmiddellijk laat hij het signaal voor de aftocht blazen en keren de troepen gedesillusioneerd terug naar het kamp waar zij rouwen om de dood van de ziener. Adrastus 1, nu broos en oud geworden, luistert naar het gejammer en denkt na over wat hem te doen staat. Hij besluit de andere aanvoerders bijeen te roepen en hen te vragen wie nu als ziener moet functioneren voor het leger. Onmiddellijk wordt de naam van Thiodamas 2 genoemd, de zoon van Melampus 1. Hij wordt gekozen en is overweldigd vanwege de grote eer. De volgende dag trekt het leger, zonder veel bezieling, weer op naar de poorten van Thebe waar de strijd opnieuw oplaait.

Tydeus gaat als een dolleman tekeer in die strijd en maakt zijn vijanden op een onmenselijke manier af. Uiteindelijk wordt hij door de Thebanen gedood terwijl hij de hersenen van een tegenstander aan het opeten is. Ook twee andere aanvoerders van de Zeven, Hippomedon 1 en Parthenopaeus, vinden de dood waardoor alleen Adrastus 1, Capaneus en Polynices overblijven om het geslonken leger aan te voeren. Geholpen door de goden zijn de Thebanen aan de winnende hand en vallen er veel slachtoffers in het leger van de Zeven. Opnieuw trekt het leger, bij het invallen van de nacht, terug naar het kamp op de heuvel waar Adrastus 1 hopeloos en radeloos om hulp vraagt voor hun benarde situatie.

Dan begint de nieuw aangestelde ziener, Thiodamas 2, plotseling te orakelen en voorspelt dat het een vruchtbare nacht is om een overval te plegen op de Thebanen. Hij zal die aanval zelf, met een groep van dertig moedige strijders, leiden. Iedereen gelooft weer in de goede zaak en ook Adrastus 1 raakt in extase. Maar ondank de opwinding zegt hij tegen de dertig mannen: ‘Waar komt deze plotselinge gunst uit de hemel vandaan? Welke goden zijn het, wie heeft zich tot het in nood verkerende Argos gekeerd? Is dit de dapperheid die voortkomt uit tegenslag? Leeft de kracht van ons ras nog steeds voort, en bezitten we nog sporen van moed ondanks de tegenspoed? Ja, ik prijs jullie, heldhaftige jongeren, en geniet van de glorieuze opstand van mijn strijders. Maar het is bedrog en een geheime aanval wat we van plan zijn. Onze bewegingen moeten steels worden uitgevoerd want een grote menigte past niet bij een heimelijke aanval. Koester jullie woede. De dageraad zal wraak over onze vijanden uitstorten. Dan zal de strijd openlijk gevoerd worden, en iedereen het slagveld weer betreden!’ Na deze woorden kalmeert de strijdlust en krijgt het verstand weer de overhand waarna de groep op weg gaat voor de nachtelijke overval.

De groep keert succesvol terug, na vele Thebanen gedood te hebben, en de volgende morgen gaan de Argivers in alle vroegte opnieuw op de muren van Thebe af. Deze hebben pas op het laatste moment in de gaten dat ze weer worden aangevallen en kunnen ternauwernood de stadspoorten sluiten om hun stad te verdedigen vanaf de kantelen van de muur. Opnieuw vallen er over en weer vele doden door pijlen en stenen, terwijl Capaneus wordt gedood als deze via een ladder de muur beklimt en Zeus hem met een bliksem treft. De Thebanen raken in paniek en vragen hun eigen ziener, Tiresias, wat er moet gebeuren. Deze orakelt dat de stad allen gered kan worden als de jongste zoon van Creon 1, Menoeceus 2, zich vrijwillig van de muur stort om zijn dood tegemoet te gaan. Hoewel Creon 1 zich hier tegen verzet, stemt zijn zoon vrijwillig in om te sterven en is het lot van de Zeven tegen Thebe bezegeld.

Tweegevecht

Terwijl de strijd onverminderd voortraast en de dag ten einde loopt gaan de Wraakgodinnen Tisiphone 1 en Megaera op weg om de overwinning van de Thebanen te regelen. Megaera gaat op Polynices af en treft hem aan bij een poort van de stad waar zij een plan in zijn hoofd laat opkomen. Polynices zegt daarop tegen Adrastus 1: ‘Hoewel het laat is, vader, en wij vermoeid zijn, heb ik uiteindelijk de oplossing gevonden. Sta mij toe om te betalen voor wat ik verdien. Want u weet zeer goed, vader, dat ik precies degene ben die, terwijl u in rechtvaardige vrede regeerde, uw voortdurende straf is. Ik daag mijn broer uit – Waarom schrikt u? Ik ben vastbesloten. – tot een gevecht op leven en dood. U houdt me niet tegen, noch zult u daartoe de kans krijgen. Ik zag de aarde vanwege mij gapen, maar ging de man niet redden. Ik zag de dode Tydeus en de oorzaak van zijn schuld. Vijf aanvoerders zijn vanwege mij gesneuveld maar ik zal het u gepast vergoeden. Ik vecht tegen mijn broer! Wat blijft er anders over om te doen? Maar u, geliefde vader – Want de schuld voor deze ellende komt niet alleen op mijn schouders neer, maar het Lot en de goden delen mijn schuld – wees vriendelijk voor mijn as, redt mijn lichaam na de strijd en bescherm het tegen de vogels en mijn broer, en breng mijn urn thuis, dat is alles wat ik vraag.

Ze huilden beiden overvloedig. De oude koning begon met zachte woorden zijn woede te kalmeren, maar de wrede Wraakgodin brak zijn woorden af met nieuwe verschrikkingen. Ze liet onmiddellijk zijn paard en wapens brengen, en bedekte de oren van Polynices met de helm waardoor deze de vertrouwde adviezen niet hoorde. Toen riep zij ‘Haast je, aarzel niet! Ook je broer, zo zeggen ze, marcheert naar de poorten!’ Daarna greep zij Polynices beet en zette hem op zijn paard. Doodsbleek, speurt hij de open vlakte af, en blikt terug om de dreigende schaduw van de godin te ontwaren.

Ook de andere Wraakgodin deed haar werk en de broers traden elkaar tegemoet in het strijdperk voor een beslissend gevecht van man tegen man. Terwijl zij elkaar beschimpingen toewerpen komt Adrastus 1 snel aanlopen, gaat tussen het tweetal in staan, en zegt: ‘Moeten we deze verschrikking aanzien, Eteocles 1 en Polynices? In naam van de gerechtigheid en de goden, in naam van de oorlog, volhardt niet in die woede! Jij, schoonzoon, beveel ik. Als je honger naar macht zo groot is doe ik deze koninklijke mantel af. Neem die en ga naar Lerna en Argos om er over te regeren!’ Maar zijn overredingskracht doet hun woede niet bekoelen, of hen van hun voorgenomen doel afleiden.

Als hij ziet dat zijn smeken vruchteloos is, hun wagens in stofwolken naar de strijd rijden, en de waanzinnige mannen hun handen op de speer houden, vlucht hij weg en drijft Arion voorwaarts. Ondertussen ontstaat er een wilde strijd tussen de twee broers. Ze doden elkaar waarna de Thebanen het leger van de Argivers vernietigen. Dankzij de snelheid van zijn paard weet Adrastus 1 deze vernietiging te ontvluchten en overleeft als enige de oorlog. Toen de strijd was afgelopen weigerde Creon 1, die de macht over Thebe van Eteocles 1 had overgenomen, om de doden uit Argos te begraven en liet de rottende lijken van de aanvoerders op het slagveld liggen.

Enige overlevende

Hulp in Athene

Eenmaal thuis aangekomen hoort Adrastus 1 korte tijd later dat de lijken niet worden begraven. Hij besluit daarop naar Athene te gaan en koning Theseus om hulp te vragen daar hij zelf geen leger meer op de been kan brengen. In Athene aangekomen gaat hij naar het altaar van Genade waar hij met een smekelingentak in zijn hand gaat zitten.

Als Theseus bij het altaar aankomt, vertelt Adrastus 1 de gebeurtenissen, over zijn schoonzoons, de reden van de oorlog en de fatale afloop. Aan het slot vertelt hij ook dat de aanvoerders nog steeds niet begraven zijn en vraagt Theseus hulp om te zorgen dat de doden worden begraven. Theseus is over deze misdaad zeer verontwaardigd en zegt Adrastus 1 toe hem te helpen.

Daarop trekken de Atheners onder leiding van Theseus naar Thebe. Theseus weet de Thebanen na een korte schermutseling te overtuigen om de doden aan de familieleden terug te geven zodat zij hen kunnen begraven. Adrastus 1 is Theseus uiterst dankbaar en sluit een levenslang vredesverdrag met de Atheners.

Epigonen en dood van Adrastus 1

Tien jaar later overtuigt Adrastus 1 de zes zoons van de gesneuvelde aanvoerders om opnieuw met een leger van Zeven aanvoerders tegen Thebe op te rukken om de smaad uit het verleden weg te werken. Hij verklaarde dat de goden deze onderneming nu wel hadden goedgekeurd. Opnieuw trekt er een groot leger uit met zijn eigen zoon Aegialeus 1 als één van zeven aanvoerders. Dit leger zou later bekend worden als het leger van de Epigonen. De missie is nu wel een succes en Thebe wordt verslagen waarna alle aanvoerders heelhuids terugkeren, uitgezonderd zijn eigen zoon Aegialeus 1. Nadat hij een tempel heeft gebouwd in de buurt van Thebe sterft Adrastus 1, van ouderdom en verdriet om zijn zoon, in de buurt van Megara waar hij ook wordt begraven.

Stambomen:

Talaus Lysimache 1 / Eurynome 4 Pronax / - - / -
Adrastus 1 Amphithea 1 / Demonassa 2
Aegialia, Aegialeus 1, Argia 1, Cyanippus 1, Deipyle

Talaus Lysimache 1 / Eurynome 4 - -
Adrastus 1 -
Hipponous 4

Bronnen:

©2014 Maarten Hendriksz