Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Aeetes

Afkomst en karakter

Aeetes wordt in Colchië, een land ten oosten van de Zwarte Zee in de buurt van de Kaukasus, geboren als zoon van de zonnegod Helius en de Oceanide Perseis 1, maar soms wordt ook Hecate als zijn moeder genoemd. Hij heeft één broer, Perses 2 en twee zussen, Circe en Pasiphae 1. Omdat Helius de buitenechtelijke vrijpartij van Aphrodite met Ares 1 aan de overige goden verklapte is zij altijd vijandig gezind tegen de nakomelingen van Helius. Zijn nageslacht krijgt dan ook vaak te maken met problemen in de liefde.

Als zijn zus Circe uit het ouderlijk huis vertrekt naar het Avondland (Italië) wordt zij door haar vader Helius daar naar toe gebracht in zijn wagen. De nog jonge Aeetes mag meerijden in de wagen en ze landen op een kaap in Italië waar Circe vlakbij in de buurt gaat wonen op een eiland. Aeetes keert daarna samen met zijn vader terug naar Colchië.

De wrede Aeetes

Aeetes groeit op tot een sterke, hardvochtige, buitengewoon wrede man en schept vaak op dat hij de zoon van Helius is. Hij ontwikkelt zich tot uiterst onbetrouwbaar persoon waarmee geen afspraken te maken zijn. Tijdens gesprekken kan hij ook buitengewoon luid en vreselijk tekeergaan waardoor de mensen een buitengewone vrees voor hem ontwikkelen. Ondanks dit alles staat hij toch in de gunst bij Zeus en Ares 1, en wordt tot koning van Colchië benoemd. Van de godin Athena krijgt Aeetes zelfs de helft van de Drakentanden die zij uit de bek heeft geslagen van de Draak 3 die Cadmus bij Thebe had gedood.

Als koning woont Aeetes in de stad Colchis die in een prachtige bouwstijl is opgetrokken. Wijde poorten met hoog oprijzende zuilen langs de muren en stenen kroonlijsten met bronzen kapitelen versieren zijn paleis. Bij de ingang bloeien wingerdranken en vormen een dak van bladeren. Daaronder stromen vier fonteinen, die zijn gemaakt door Hephaistus, die er melk, wijn, olie en water uit liet stromen. Via zijn vader komt Aeetes ook in het bezit van twee vuurspuwende stieren, eveneens door Hephaistus gemaakt, met bronzen poten. Al deze kunststukken had Hephaistus voor Helius gemaakt uit dankbaarheid omdat deze hem in zijn wagen had opgenomen toen Hephaistus uitgeput was in de strijd bij Phlegrae.

In zijn jeugd, terwijl hij nog niet getrouwd is, verwekt Aeetes bij de nimf Asterodia 2, een dochter van Oceanus en Tethys die in de Kaukasus leeft, een zoon Apsyrtus. Later trouwt hij met de Oceanide Idyia, de jongste dochter van Oceanus. Bij Idyia wordt Aeetes vader van twee dochters, Chalciope 1 (ook Iophossa genoemd) en Medea 1. Volgens de schrijver Diodorus Siculus, in zijn Geschiedenis van de Wereld, trouwde Aeetes met Hecate, de dochter van zijn broer Perses 2, en kregen zij twee dochters: Circe en Medea 1. Van zijn vader Helius ontvangt Aeetes de pijnlijke orakelspreuk dat hij de doortrapte listen en plannen van zijn eigen bloedverwanten, nakomelingen van Aeolus 1, en hun sluwe samenzweringen moet proberen te ontlopen!

Phrixus

Tijdens zijn bewind komt de vluchteling Phrixus 1 op een Ram 1 met een Gouden Vacht aanvliegen. Op advies van Hermes offert Phrixus 1 de Ram 1 aan Zeus, de beschermer van vluchtelingen, en geeft de Gouden Vacht aan Aeetes. Deze nagelt de vacht hoog in de top van een eik in een aan Ares 1 gewijd bos. Ook geeft Aeetes hem zijn dochter Chalciope 1 als vrouw.

Daarna kreeg Aeetes een orakel te horen, dat als hij de Gouden Vacht wist te behouden hij ook zijn koninkrijk zou behouden. Maar het orakel meldde ook dat hij zou sterven wanneer vreemdelingen naar zijn land zouden komen om de vacht van de Ram 1 te stelen. Om deze reden en ook vanwege zijn eigen wreedheid, beval Aeetes dat alle vreemdelingen geofferd moesten worden. Dit bericht over de wreedheid van de Colchiërs moest naar elk deel van de wereld verspreid worden, zodat geen vreemdeling het zou wagen om een voet aan de grond te zetten. Hij trok ook een muur om de stad op en stationeerde daar bewakers bij.

Vanwege zijn natuurlijke wreedheid gaf hij aan Medea 1 toestemming om vreemdelingen te vermoorden. Maar daar Medea 1 zich steeds meer en meer verzette tegen haar ouders, verdacht Aeetes zijn dochter ervan tegen hem samen te spannen en stelde haar onder bewaking.

Phrixus 1 en Chalciope 1 baarden een aantal zonen, Argus 2, Melas 2, Phrontis 2 en Cytisorus, maar Aeetes vreesde dat die hem van de troon wilden stoten, vanwege de voorspellingen die hij in het verleden had gekregen. Hij wil hen daarom in het geheim doden, maar zij vertrokken voordat Aeetes kon toeslaan met een schip naar hun grootvader Athamas in Griekenland.

Phrixus 1 sterft na vele jaren door ouderdom maar verschijnt in de droom van Aeetes, en zegt tegen hem: ‘O ik die veel heb geleden, een vluchteling uit mijn geboortestreek op zoek naar een huis, en die u in dit huis liet wonen, en weldra uw dochter aanbod en mij uitnodigde om uw schoonzoon te worden. Er zal overvloedig smart en ellende in uw rijk heersen tegen de tijd dat de Gouden Vacht wordt gestolen uit dat door slaap gedrogeerde bos. Laat Medea 1, die nu aan de onderwereld is gewijd en de heilige dans leidt, oppassen voor elke vrijer, sta niet toe dat zij uit het koninkrijk van haar vader vlucht.’

Zo sprak Phrixus 1 tegen Aeetes, en leek gelijktijdig zijn hand uit te steken om de noodlottige Gouden Vacht aan te bieden. En van het visionaire goud leek een glans te komen die langs het verheven plafond van het paleis kroop. Trillend van angst sprong Aeetes uit bed, en bad tot zijn goddelijke vader toen hij in het oosten zichtbaar werd: ‘Dit gebed richt ik tot u, vader, bewaker van mijn lot, alziende! Richt nu uw blik op dit land, op de zee. Of het nu mannen zijn uit mijn eigen land of vreemdelingen die een steels verraad plannen, wees de eerste om me dat nieuws te brengen. Ook u, Ares 1, in wiens heilige eik de Vacht schittert, hou de wacht. Sta klaar om te helpen, laat uw wapens rammelen en trompetten klinken in het bos en laat uw stem door de duisternis galmen.’

Hij was nauwelijks uitgesproken, of er gleed een slang uit het gebergte van de Kaukasus, in opdracht van de god, die heel het bos met zijn kronkelende lichaam omstrengelde om uit te kijken in de richting van het Griekse land. Daar is hij waakzaam om alle bedreigingen en gevaren te verijdelen die waren voorspeld door Phrixus 1. Bovendien werd Medea 1, hoewel haar meisjestijd nog niet voorbij was, als bruid toegezegd aan de Albaniër Styrus.

De broer van Aeetes, Perses 2, die bang is voor een mogelijke oorlog met onbekende vreemdelingen, dringt er bij Aeetes op aan om de Vacht terug te sturen naar Griekenland. Hierop ontsteekt Aeetes in woede en jaagt hem met zijn zwaard het paleis uit. Perses 2 vluchtte weg, met de tekens van het zwaard op zijn lichaam, en stookte door geruchten heel het noorden op. Enige tijd later is hij met groot leger van duizenden mannen aanwezig voor de stad, sloeg daar zijn kamp op, en tartte met zijn eerste aanval de muren. De volgende dagen, tijdens een wapenstilstand, begraven beide kampen hun doden en landen op dat moment de Argonauten op de kust van Colchië.

Aankomst Argonauten

Om de stad ongezien te kunnen benaderen hult Hera de Argonauten in een wolk. Zij hebben de vier zoons van Phrixus 1 bij zich die zij enkele dagen eerder hebben ontmoet op een eiland in de Zwarte Zee. Pas als zij in het paleis van Aeetes zijn aangekomen haalt Hera de wolk weg. Daar treft het gezelschap Chalciope 1 aan, de dochter van Aeetes en vrouw van Phrixus 1, die verrukt is over de terugkeer van haar zoons. Ook Aeetes komt op het rumoer af en ontvangt de Argonauten in eerste instantie gastvrij met een uitstekende maaltijd.

Aankomst Argonauten

Nadat zij van de maaltijd hebben genoten en een bad genomen hebben stelt Aeetes vragen aan de zoons van zijn dochter. ‘Waarom zijn jullie, zonen van Chalciope 1 en Phrixus 1, die ik hier in huis ontving en meer dan alle vreemdelingen eer bewezen heb, naar ons teruggekeerd? Zijn jullie al terug of heeft een ongeluk je op je reis gedwarsboomd? Hoewel ik de onmetelijke afstand heb beschreven, schonken jullie daaraan geen geloof en wilden toch terugkeren naar Griekenland! Beschrijf mij duidelijk je tegenslag en wie die mannen zijn die jullie vergezellen en waar je het schip verlaten hebt!'

Daarop vertelt Argus 2, de oudste van de vier broers, hoe zij schipbreuk leden en gered werden door de Argonauten die op weg waren naar Colchis. Hij vertelt ook de reden waarom de Argonauten deze tocht naar Aeetes ondernamen, op bevel van Pelias 1, om de gouden vacht van de Ram 1 terug te brengen naar Griekenland.

Door deze woorden voelt Aeetes een enorme woede in zich opkomen. Zijn ogen schieten vuur terwijl hij dreigend tegen zijn schoonzoons zegt: ‘Meteen weg hier, uit mijn ogen, leugenaars! Met list en al mijn land uit en terug naar huis, voor één van jullie tot zijn ondergang die Vacht en Phrixus 1 zelf te zien krijgt! Jullie zijn meteen uit Griekenland met die Argonauten meegekomen, maar niet voor die Vacht, nee, om mijn macht, mijn scepter en mijn koninkrijk te roven! Als jullie niet als gasten aan mijn tafel zaten, had ik jullie tongen afgesneden, je beide handen afgehakt, je op je voeten, en verder niets, teruggezonden naar je makkers, om jullie van een tweede poging te weerhouden en omdat jullie mij misleiden met je leugens.’ Zo sprak Aeetes geprikkeld.

Daarop antwoordt Iason, de aanvoerder van de Argonauten: ‘Ik smeek u om u te beheersen, Aeetes, want wij komen niet naar uw stad en paleis om de reden die u wellicht vermoedt, en ook niet uit onszelf! Wie zou zich uit vrije wil wagen op zo’n grote zee, om andermans bezit te roven? O nee, een godheid is het die me hiertoe dreef en de ijselijke opdracht van een dwaze koning. Schenk ons uw gunst op ons verzoek! Ik zal uw goddelijke naam dan verbreiden in heel Griekenland!'

Ondertussen denkt Aeetes na over het oude orakel. Waarom stuurde het Fortuin hem tegelijkertijd zowel Perses 2, met zijn leger, als de Argonauten op hem af? Eisen de Lotsgodinnen nu de Vacht al op? Omdat die oorlog ook zijn aandacht opeist zegt hij uiteindelijk met vreedzame woorden: ‘Ik wilde dat u mijn huis niet op dit tijdstip benaderd had, terwijl een krachtige vijand mij aanvalt. Want mijn broer beraamt mijn vernietiging en valt me met een machtig leger aan. Welnu, verdedig eerst een verwant land, en hoewel een vreemdeling, zie niet af van de roem van oorlog die zo wordt aangeboden. Als we gewonnen hebben zal ik u de Gouden Vacht geven en meer dan dat.’ Aeetes meende niets van wat hij zei, maar onbewust van het bedrog stemt Iason in met het verzoek en keert terug naar zijn schip.

Strijd voor de stad

De Argonauten sluiten zich aan bij het leger van Aeetes. Iason en Aeetes gebruiken nog een gezamenlijke maaltijd en kijken vanaf de muur naar beide legers. Aeetes ziet vol bewondering de, van de goden afstammende, Argonauten en vraagt Iason volop over hen uit. Op zijn beurt kijkt Iason naar het vijandige leger en ziet ook daar verschillende schitterende aanvoerders waarover hij het nodige van Aeetes wil weten.

Aan het eind van de nacht komt een gezant naar Iason. Deze moest van Perses 2 aan Iason vertellen hoe geslepen Aeetes was en hoe hij door hem bedrogen werd met de belofte over de Gouden Vacht. Hoe het Perses 2 geweest was die Aeetes als eerste adviseerde om de Gouden Vacht aan Griekenland terug te geven en de pels van het heilige dier te laten gaan. Om deze reden was de haat en het voorspel tot deze grote oorlog ontstaan. Nee, ze konden beter voor de vriendschap van Perses 2 kiezen, hem tot hun bondgenoot maken of anders beter naar huis terugkeren, want er school geen zekerheid in de woorden en beloften van Aeetes. 'Deins terug voor het bloedvergieten dat door anderen is veroorzaakt. Om deze reden hadden zij toch niet zo’n zware reis over zo’n grote oceaan afgelegd. Welke noodzaak was er om met vreemden te vechten voor wie zij geen haat voelden?'

De gezant is nauwelijks uitgesproken of op de vlakte beginnen ’s morgens vroeg de legers, aangestoken door de oorlogsgod Ares 1, op elkaar af te stormen. Er ontstaat een verschrikkelijk strijd waarbij vele doden vallen. Maar door de hulp van de Argonauten slaagt Aeetes er in om het leger van zijn broer op de vlucht te jagen. Het lukt hem niet om zijn broer Perses 2 gevangen te nemen of te doden omdat de goden hadden besloten dat hij later de macht van Aeetes over Colchië zou overnemen. De nacht valt en vooralsnog is de burgeroorlog afgelopen.

Iason gaat daarop, nadat hij de nodige dankoffers aan de goden heeft gebracht, naar koning Aeetes om, zoals door hem beloofd, de Gouden Vacht op te eisen. Maar deze weigert botweg om aan het verzoek te voldoen. ‘Zonen van een andere wereld, met jullie eigen kusten en rijken, welke dwaasheid heeft jullie over die grote zeeën naar dit land gedreven, of ben ik het onderwerp van jullie vriendschap? Wie is die koning Pelias 1, wat is Griekenland, welk ras van mannen zie ik hier? Zal Iason met vijftig verschoppelingen Azië overwinnen? En zal één schip, één, mij zo boven alle andere mannen minachten om de buit van een prins weg te voeren? Zal hij opdracht geven dat ik mij moet offeren, mijzelf opensnijden in mijn eigen bossen, en zich zelfs niet verwaardigen om het te veroveren? Piraat, waarom denk je dat je heilige gaven uit onze heiligdommen kunt roven? Moet ik denken dat jullie ouders hebben, dat jullie woningen bezitten, ondersteunt door jullie schip met goddeloze roverij en gevoed door woeste stormen, jullie die door je eigen koning op de golven zijn geworpen en verboden is om terug te keren, zodat hij het goud van de Ram 1 mag bezitten! Mijn eigen Kaukasus zal veel eerder afdalen, zijn schaduwrijke bossen gekapt, en de Griekse rovers over zee achtervolgen. Ik zal veel eerder levend terugkeren van de Zee van Helle wiens beeld ik heb opgedragen om te versieren met begrafeniskransen.’

Aeetes eist de proef

Aeetes pauzeert even en twijfelde of hij de Argonauten meteen zou overvallen en doden of hun krachten nogmaals op de proef zou stellen. Het laatste leek hem uiteindelijk het beste en hij zegt even later: ‘Als u allen waarachtig van de goden afstamt of anderszins voor mij niet onderdoet bij deze expeditie om andermans bezit, zal ik op uw wens de Gouden Vacht geven, maar pas na een proef! Want voor dappere mannen koester ik geen afgunst. Ik zal uw kracht en dapperheid beproeven in een opdracht die ikzelf, hoe gruwelijk zij ook is, met eigen handen en met succes volvoeren kan. Ik heb een tweetal stieren, felle vlammen spuwend, met bronzen poten, grazend op de Aresvlakte. Die span ik in en men ik over een stenig bouwland dat aan Ares 1 is gewijd, een viertal morgens groot. Ik scheur die akker tot het eind in korte tijd al ploegend open en zaai dan in de voren als zaaigoed niet het graan van Demeter, maar de tanden van een verschrikkelijke Draak 3, die groeien op tot de vorm van mannen in volle wapenrusting. Dan dood ik hen, ik maai ze neer met mijn speer, wanneer ze mij bedreigen en mij overal omringen. Ik span die stieren in de ochtend voor de ploeg en in het schemeruur houd ik met oogsten op. Als u dat ook presteert, kunt u de Gouden Vacht nog op dezelfde dag naar het koninklijke paleis gaan brengen. Maar eerder geef ik die niet, verwacht dat niet! Het is schandelijk als een sterke toegeeft aan een zwakke.’

Zo sprak de koning. Iason zweeg en richtte zijn ogen op de grond vlak voor hem. Langdurig overwoog hij wat hij nu moest doen, hij kon nog niet besluiten moedig ja te zeggen, de opdracht leek hem al te zwaar. Tenslotte zei hij tegen de vorst met welberaden woorden: ‘Dit is niet de terugkeer die u beloofde. Dit is niet de hoop die u aan de Argonauten gaf, Aeetes, toen wij onze wapenrusting aantrokken voor uw muren. Waar is uw belofte gebleven? Welk bedrog schuilt er in deze opdracht? Ik zie hier een andere Pelias 1, een andere oceaan. Komen nu alle tirannen, al hun heerszuchtige haat op dit hoofd loslaten. Nooit zal mijn rechterhand of mijn vertrouwen falen. Ik ben gewend om te gehoorzamen en niet toe te geven aan ontberingen. Ik vraag echter één ding. Als de oogst mij overweldigt met zijn speren, of als morgen de vlammen van deze confronterende kaken mij verslinden, laat dan een bericht verzonden worden naar de wrede oren van Pelias 1, dat mijn mannen hier zijn omgekomen, en dat ik, indien iets van u betrouwbaar zou zijn geweest, teruggebracht kan worden naar mijn geboorteland.’ Dan verlaat hij Aeetes.

Snode plannen

Aeetes roept onmiddellijk een vergadering van Colchiërs bijeen in zijn huis, waar zij ook voor die tijd gewoonlijk zitting hielden. Met hen smeedde hij plannen vol bedrog en rampen, onontkoombaar voor de Argonauten. ‘Zodra de stieren’, kondigde hij aan, ‘de man die deze zware proef beloofd had te doorstaan uiteengereten had, zou hij de bosjes die boven op de ruige heuvel stonden kappen en daarmee de bemanning en het schip verbranden. Zo zou hij hun vervloekte trots en brutale plan volkomen uit elkaar doen spatten in het vuur! Hij had Phrixus 1, toen deze om hulp vroeg, niet bij zijn haard in het paleis ontvangen, hoewel die toch in vriendelijkheid en godsvrucht uitblonk, als Zeus niet Hermes als zijn bode naar hem toegezonden had om hem bevel te geven Phrixus 1 vriendelijk te ontvangen. Maar die piraten, die zijn land bezochten, zouden niet lang hun straf ontgaan! Hun enige oogmerk was de hand te slaan aan andermans bezit, bedrog en listen te beramen en de stallen gewelddadig leeg te roven.’

De zoons van Phrixus 1 zouden, zo beloofde hij zichzelf, de straf die ze verdienden niet ontlopen, nu zij als metgezellen van die roverstroep naar huis teruggekomen waren als hun vrienden om zonder moeite hem, de koning, zijn waardigheid en scepter te ontnemen. Vroeger had hij immers een pijnlijke orakelspreuk gekregen van zijn vader Helius. Hij moest doortrapte listen en plannen van zijn eigen bloedverwanten trachten te ontlopen! Vandaar dat hij hen, op eigen verzoek, naar Griekenland had laten gaan om zo hun vaders raad te volgen en de lange tocht te ondernemen. En wat betreft zijn dochters, hij was allerminst bevreesd dat die een onheilsplan beraamden. Ook van zijn zoon Apsyrtus had hij niets te duchten. Dat gruwelijke gevaar bedreigde hem alleen, begreep hij, van de kinderen van Chalciope 1! In woede kondigde hij vreselijke straffen voor al zijn onderdanen af die de Argonauten zouden helpen en hij gebood met dreigementen om het schip en de bemanning in het oog te houden. Niemand mocht de dood ontkomen!

De krachtproef

De volgende ochtend komen twee Argonauten, Telamon en Aethalides 1, bij Aeetes om het zaaigoed op te halen. Overtuigd dat Iason toch niet zal slagen voor de krachtproef geeft hij hen de Drakentanden mee. Het tweetal neemt ze mee naar het schip waar Iason zich, samen met Medea 1, aan het voorbereiden is om de volgende dag de krachtproef uit te voeren.

Iason en de stieren

De ochtend van de krachtproef hult Aeetes zich in zijn pantser van ondoordringbaar brons, dat hij van Ares 1 had gekregen, zet een gouden helm met vier kammen op zijn hoofd en rijdt, met schild en speer in handen, in zijn wagen die door Apsyrtus werd bestuurd, naar het Aresveld waar de krachtproef zal worden afgelegd. Achter de koning volgt een grote menigte Colchiërs die het spektakel ook willen zien. De krachtmeting zou niet lang op zich laten wachten. De Argonauten zetten zich in rijen op de doften en roeiden haastig naar de Aresvlakte toe waar zij Aeetes en de grote massa van Colchiërs aantroffen. Zij stonden op de hoge rotsen van het Kaukasische bergland terwijl Koning Aeetes op de oever van de meanderende rivier stond.

Iason begint aan de krachtproef, maar wat Aeetes niet weet is dat Iason hulp heeft gekregen van zijn (op Iason verliefde) dochter Medea 1. Zij heeft voor hem een toverdrank bereid waardoor Iason enorme krachten krijgt en immuun voor hitte is. Verbijsterd over de onverwachte kracht van Iason ziet Aeetes hoe deze de stieren op de vlakte bedwingt, hen voor de ploeg spant en heel het veld omploegt en de tanden in de voren zaait. Hoopvol kijkt Aeetes naar de gewapende mannen, die snel uit het zaad opgroeien, maar staat sprakeloos wanneer hij ziet hoe Iason een enorme steen tussen die mannen werpt. In plaats van Iason aan te vallen raken de mannen onderling slaags, en doden elkaar waarna Iason uiteindelijk als enige overblijft en zo de krachtproef succesvol uitvoert. Verbouwereerd over de overwinning van Iason keert Aeetes aan het eind van de dag terneergeslagen terug naar de stad.

Vlucht Medea en Iason

Ondanks dat Iason zijn taken naar behoren heeft volbracht wil Aeetes hem de Gouden Vacht nog steeds niet geven en broedt op wraak. Samen met zijn raadgevers smeedt hij verderfelijke plannen tegen de Argonauten en besluit hen de volgende dag om te brengen en het schip in de brand te steken.

Vroeg in de ochtend hoort Aeetes dat Iason er ’s nachts ook in is geslaagd, met hulp van zijn dochter Medea 1, om de Gouden Vacht uit de heilige eik te halen en de Draak 4 te verslaan. Nu zij de Vacht in bezit hebben staan zij de Argonauten op het punt om weg te zeilen met hun schip. Aeetes rijdt daarom snel met een grote groep gewapende strijders naar de monding van de rivier om de Argonauten de pas af te snijden en te voorkomen dat zij Colchis verlaten. Eenmaal bij de kust aangekomen merkt hij dat hij te laat is. De Argonauten zijn al op zee en Aeetes slaagt er nog net in om met één pijlschot de Argonaut Clytius 7 te doden terwijl hij aan boord van het schip nog net zijn verdwijnende dochter Medea 1 ontwaren.

Verslagen heft Aeetes zijn handen ten hemel en roept Helius en Zeus op als getuigen van deze wandaad. Tegelijkertijd bedreigt hij zijn hele volk met zware straffen als ze niet meteen zijn dochter grijpen. Als ze er niet in slagen om haar terug te brengen, zodat hij haar persoonlijk kan straffen, zouden ze ten koste van hun eigen leven zijn wrok voelen. De Colchiërs trekken daarop snel hun schepen in zee en zetten, onder aanvoering van Aeetes, de achtervolging in. Wat hij echter niet weet is dat Iason en Medea 1 ook Apsyrtus hebben ontvoerd.

Toen Medea 1 hem dichterbij zag komen, vermoordde ze haar broer, sneed zijn lijk in stukken en wierp die in zee. Omdat Aeetes de lichaamsresten van zijn zoon wilde verzamelen, raakte hij bij de achtervolging achterop. Daarom keerde hij terug en begroef de resten van zijn zoon die hij had weten te redden, op een plek die hij Tomi noemde. Hij stuurde een groot aantal Colchiërs op weg om de Argo te zoeken met het dreigement dat zij, als ze Medea 1 niet mee terugbrachten, zelf de voor haar bestemde straf zouden ondergaan. Zij splitsten zich daarop in twee groepen en gingen verschillende kanten op om naar Medea 1 te zoeken.

Alternatieve versies

1) Toen Aeetes vernam dat Medea 1 met Iason was gevlucht, maakte hij een schip gereed en stuurde Apsyrtus, zijn zoon, met gewapende mannen achter haar aan. Medea 1 en Iason vermoorden Apsyrtus die een hinderlaag had gelegd, maar zijn mannen achterhalen het tweetal bij koning Alcinous 1, maar slagen niet in hun taak. De Colchiërs die met Apsyrtus waren meegekomen, vreesden Aeetes, bleven daar en stichtten de stad Absoros welke naar Apsyrtus vernoemd was.

2) Aeetes nam de soldaten die zijn persoon bewaakten, zette de achtervolging op de Grieken in, en trof hen in de buurt van de zee. Hij ging direct de strijd met hen aan, en doodde één van de Argonauten, Iphiclus 1, de broer van Eurystheus die aan Heracles zijn Werken had opgedragen. Maar al snel, toen hij de rest van de Argonauten had omsingeld met een groot aantal van zijn soldaten en voorop ging in de hete strijd, werd hij gedood door Meleager. Op het moment dat de koning viel, vatten de Grieken moed, sloegen de Colchiërs op de vlucht en werd het grootste deel van hen gedood tijdens de achtervolging.

Aeetes afgezet

Medea 1 wordt niet teruggevonden en van de Colchiërs, die door Aeetes waren uitgezonden, kwam er geen één terug. Terwijl de Argonauten terugzeilen naar Griekenland wordt Aeetes opnieuw door zijn broer Perses 2 aangevallen en deze keer lukt het hem wel om Aeetes te verslaan. Perses 2 berooft Aeetes van het koningschap en stuurt hem als banneling weg uit Colchië. Hoewel Aeetes vijandig gezind was tegen haar zoons ging Chalciope 1, als plichtsgetrouwe dochter, toch met haar vader mee in ballingschap.

Als Aeetes een grijze oude man is keert Medea 1, met haar zoon Medus, door niemand herkend terug in haar vaderland en sluit vrede met haar oude vader. Medus verzamelt een leger en valt Perses 2 in Colchis aan. Hij weet zelf Perses 2 te doden en herstelt Aeetes weer in diens oude macht. Wanneer Aeetes sterft erft Medus de macht over Colchis.

Stambomen:

Helius Perseis 1 Oceanus Tethys
Aeetes Idyia / Clytia 1
Chalciope 1 (Iophossa), Medea 1, Apsyrtus

Helius Perseis 1 Oceanus Tethys
Aeetes Asterodia 2
Apsyrtus

Helius Perseis 1 Perses 2 Asteria 1
Aeetes Hecate
Circe, Medea 1, Apsyrtus (Aegialeus 3)

Bronnen:

©2014 Maarten Hendriksz