Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Aeneas - Indiges

Geboorte en Jeugd

De godin Aphrodite werd eens hevig verliefd op de uit Dardanië afkomstige Anchises 1. Deze maakt haar, hoog op de berg Ida, zwanger waarna zij bevalt van een tweeling, de beroemde Aeneas, en zijn broer Lyrus. Zodra zij het daglicht aanschouwen wordt het tweetal grootgebracht door de bergnimfen. Als Aeneas is opgegroeid tot een jongen wordt hij door Aphrodite naar zijn vader Anchises 1 gebracht met de opdracht hem op te voeden aan het hof van koning Priamus.

Aeneas groeit daar op tot een beeldschone man met kastanjebruin haar en twinkelende zwarte ogen. Hij is een charmante, welsprekende en hoffelijke man. In Troje krijgt hij van zijn vader twee voortreffelijke paarden die afstammen van het ras dat Zeus aan koning Tros 1 gaf als schadevergoeding voor het schaken van diens zoon Ganymedes. Wanneer Aeneas de huwbare leeftijd bereikt trouwt hij met een dochter van koning Priamus, Creusa 2, en verwekt bij haar, tijdens de Trojaanse Oorlog, een zoon Ascanius 3 die, veel later, een grote toekomst wachtte in Italië.

Begin van de oorlog

Eerste jaren van de strijd

Omdat de Trojaan Paris, op aandringen van Aphrodite, de Griekse Helena heeft ontvoerd dreigt er een oorlog met de Grieken die een grote vloot hebben verzameld en op Troje afstomen. Vlak voordat de vloot op de kust landt komt er een delegatie Grieken naar Troje om over de teruggave van Helena en haar bezittingen te onderhandelen. Tijdens die besprekingen zegt Aeneas op een gegeven moment tegen de Griekse gezant Odysseus: ‘Tot op dit moment hebben wij alleen woorden uitgewisseld. Maar, tenzij jullie ons land ontvluchten binnen een redelijke termijn, en de vloot meenemen, zullen de Grieken zeer binnenkort de Trojaanse dapperheid en moed ervaren. Troje heeft meer dan genoeg jongemannen die klaar zijn voor de strijd, en elke dag komen er meer bondgenoten bij.

Daarop antwoordt Odysseus: ‘Dan is er geen noodzaak meer om de vijandelijkheden nog langer uit te stellen. Geef het signaal voor de oorlog en, zoals jullie ook de eersten waren om onrecht te plegen, wees ook de eerste om de strijd aan te vangen. Provoceer ons en wij zullen gepast volgen.’ Na deze uitwisseling van beschimpingen verlieten de gezanten de Raad en vertrokken uit Troje. Zodra de Trojanen hoorden wat Aeneas de gezanten had geantwoord, ontstond er grote opschudding. Aeneas, dachten zij, was zonder twijfel een diplomaat van de slechtste soort. Hij was de reden waarom het koninkrijk van Priamus werd gehaat en het hele huis van Priamus haar ondergang tegemoet ging.

Gevechten om Troje

Verscheidene dagen gingen voorbij voordat de Grieken en Trojanen hun legers naar de vlakte tussen Troje en de schepen leidden. Aeneas, is samen met Archelochus 1 en Acamas 1, beiden zoons van Antenor 1, aanvoerder van de Dardanen. Hector benoemt hem bovendien als onderbevelhebber over de Trojanen, samen met Deiphobus 1, Paris en Troilus.

Toen alles gereed leek voor de strijd, gingen beide kampen, op volle sterkte voorzichtig naar voren. Op het gegeven teken botsten de voorhoedes in dichte formaties op elkaar. De Grieken vochten goed gegroepeerd, iedereen volgde de commando’s van de aanvoerder van zijn divisie. De Trojanen, streden echter zonder enige orde of discipline. Desondanks vielen er vele doden aan beide zijden tijdens deze slag. Er werd niet teruggetrokken. Iedereen viel aan, en streefde ernaar om de moed van de mannen om hem heen te overtreffen. Aan het eind van die eerste dag bevond Aeneas zich onder de Trojaans aanvoerders die, ernstig gewond, gedwongen waren om zich uit de strijd terug te trekken.

Tijdens die jaren leiden de aanvoerders van beide legers hun mannen in de strijd en ontstonden er grote slachtingen. Wanneer Paris eens in zo’n slag Menelaus een pijl in zijn been schiet komt de grote Ajax 1 hem te hulp en achtervolgt Paris. Samen met Hector schiet Aeneas hem te hulp en gebruikt zijn schild om Paris te beschermen waardoor Hector zijn broer uit de strijd kan leiden. Ook de volgende dagen woedt er een hevige slag voor de poorten van de stad en verslaat Aeneas Amphimachus 1 en Nireus 1.

Enige jaren later, tijdens een rustige periode in de oorlog, is Aeneas zijn vee aan het hoeden op de berg Ida als hij wordt overvallen door Achilles. Deze rooft zijn vee en wil hem doden. Zeus besluit echter om Aeneas te redden en maakt hem zo snel ter been dat Achilles hem niet kan inhalen. Aeneas vlucht de berg af en gaat de stad Lyrnessus binnen waar hij zich verstopt. Hoewel de stad wordt verwoest en Achilles de inwoners dood of gevangen neemt kan hij Aeneas niet meer vinden die zo aan de dood ontsnapt.

Alternatieve versie

Vanwege de dood van Laomedon 1 door Heracles stuurt Priamus, die Laomedon 1 opvolgt als koning, een gezantschap naar Griekenland, onder aanvoering van Antenor 1, om genoegdoening en de teruggave van Hesione 2 te eisen. Wanneer Antenor 1 onverrichter zake terugkeert, roept Priamus al zijn zoons en vrienden bijeen om te beraadslagen waarbij ook Aeneas wordt uitgenodigd. Priamus wil een leger naar Griekenland sturen om hen te laten boeten voor hun misdaden. Hij wijst zijn oudste zoon Hector aan om dat leger aan te voeren. Hector zegt dat hij de opdracht van zijn vader zal uitvoeren maar vreest dat die zal mislukken omdat vele Europeanen de Grieken zullen komen helpen, terwijl zij zelf in al die jaren nog geen schip hadden gebouwd.

Daarop vermaant zijn jongere broer Paris hem en, biedt aan om zelf te gaan als zijn vader dat wenst. Er was reden om aan te nemen dat de goden hem zouden helpen, want terwijl hij aan het jagen was in de bossen op de berg Ida, was hij in slaap gevallen en had het volgende gedroomd: Hermes bracht Hera, Aphrodite en Athena naar hem om over hun schoonheid te oordelen. Toen beloofde Aphrodite hem, wanneer hij haar tot de mooiste uitriep, dat hij de mooiste van alle vrouwen in Griekenland als vrouw zou krijgen. Deze droom deed bij Priamus de hoop ontstaan dat Aphrodite Paris zou helpen. Deiphobus 1 keurde alles wat Paris gezegd had goed. Hij geloofde dat de goden Hesione 2 terug zouden brengen en hen schadeloos stellen.

Helenus 1, begon echter te voorspellen dat wanneer Paris een Griekse vrouw naar huis bracht, de Grieken haar zouden achtervolgen, Troje zouden overmeesteren en zijn ouders en broers doden. Maar Troilus, hoewel de jongste van Priamus’ zoons, maar net zo dapper als Hector, spoorde hen aan tot oorlog en vertelde hen geen angst te hebben vanwege de angstige woorden van Helenus 1. En zo besloten zij unaniem om een vloot klaar te maken en naar Griekenland te sturen. De voorbereidingen werden snel getroffen. De schepen werden gebouwd, en het leger dat Paris en Deiphobus 1 in Paeonië hadden verzameld werd ingescheept. Toen de tijd rijp was om te gaan zeilen, sprak Priamus het leger toe. Hij benoemde Paris als bevelhebber, en maakte Deiphobus 1, Aeneas en Polydamas officieren.

Tiende jaar van de oorlog

Strijd met Diomedes

In het tiende jaar van de oorlog, na de eedbreuk van de Trojanen, ziet Aeneas hoe Diomedes 1 over de vlakte stormt en de ene na de andere Trojaan doodt. Aeneas loopt door het krijgsgewoel op koning Pandarus 1 af en spreekt hem aan, ‘Pandareus, u bent toch de beste boogschutter van heel Lycië, waarom gebruikt u dan uw gevleugelde pijlen niet om Diomedes 1 neer te schieten die al onze vrienden doodt.

Hierop antwoordt Pandarus 1: ‘Volgens mij moet de een of andere god, gehuld in een dikke mist, Diomedes 1 helpen. Ik heb hem vandaag al eerder getroffen met een pijl, in zijn schouder, die dwars door zijn pantser ging. Ik was er zeker van dat ik hem uitgeschakeld had en hem naar Hades’ donkere woning had gezonden, maar daar is hij weer en vecht als een bezetene. Ik zou hem nog wel een keer willen beschieten, maar dan vanaf een strijdwagen. Helaas heb ik die thuis gelaten toen ik te voet naar Troje kwam om de stad en mijn vriend Hector te steunen tegen de Grieken.

Vooruit dan, spring op mijn strijdwagen,’ zegt Aeneas tegen Pandarus 1, ‘dan zullen wij hem samen bestrijden en eens met andere wapens bevechten. Kom, en je zult zien wat de paarden van ons land waard zijn en hoe ze kunnen manoeuvreren, en ook vluchten als het moet. Ze zullen ons ook redden als blijkt dat een god Diomedes 1 helpt. Pak de zweep en de teugels, en als we bij Diomedes 1 zijn aangekomen spring ik van de wagen en bindt de strijd met hem aan. Of vecht zelf met Diomedes 1 terwijl ik voor de paarden zorg.

Nee, Aeneas, neem zelf de teugels, want de paarden kennen u,’ antwoordde Pandarus 1. ‘Mochten we door Diomedes 1 op de vlucht gejaagd worden, en ze horen mijn stem, dan worden ze misschien schichtig of gaan steigeren van angst, waarna ze aarzelen om te vluchten. Men daarom zelf uw wagen dan zal ik Diomedes 1 bestrijden met mijn scherpe speer als we hem ontmoeten.

Zo spraken die twee af en reden vol strijdlust op Diomedes 1 af. Terwijl Diomedes 1 hen zag aankomen riep Pandarus 1 vanuit de strijdwagen: ‘Zo, Diomedes 1, je overleefde mijn schot dus! Net iets voor jou om je niet door een pijl van de wijs te laten brengen! Maar goed, ik zal het dit keer eens proberen met een speer en zien wat dat uithaalt!’ Met die woorden stelde hij zich in postuur, mikte, wierp zijn speer, en raakte het schild van Diomedes 1. ‘Raak!’ Riep Pandarus 1. ‘Recht in je buik! Nu zal je het niet lang meer kunnen volhouden! En wat een roem zal ik hiermee behalen!

Mis,’ riep Diomedes 1 onverstoorbaar. ‘Je hebt me zelfs niet geschampt! En wat meer is, ik heb zo het gevoel dat voor we klaar zijn, één van jullie in het stof zal bijten en met zijn bloed de grond gaat bevuilen.’ Vervolgens wierp hij zijn speer, die door Athena werd geleid, en trof Pandarus 1 in de neus, naast zijn oog. Het wapen drong door zijn witte tanden, sneed het staal zijn tong bij de wortel af, en kwam de punt van de speer onder zijn kin weer naar buiten. Het harnas van Pandarus 1 rinkelde toen hij, al dood, uit de wagen viel.

Aeneas sprong vlug uit de wagen om het lijk van Pandarus 1 te beschermen en ging over het lichaam staan, want hij was bang dat de Grieken zouden proberen om het lichaam te stelen. Hij hield zijn speer recht voor zich uit en dekte zichzelf met zijn schild, en was bereid om iedereen neer te slaan die hem zou naderen. Diomedes 1 pakte daarop een grote steen en gooide die naar Aeneas. De huid van Aeneas werd opengehaald door de steen, die het heupgewricht raakte dat door de klap brak. Moedig probeert Aeneas nog te blijven staan, maar zakte van de pijn door zijn knieën en viel flauw.

woeste strijd

Hij zou ter plekke gestorven zijn als zijn moeder, Aphrodite, hem niet te hulp was geschoten. Ze greep haar zoon met haar armen beet en omhulde hem met haar mantel zodat geen van de Grieken hem met een speer kon doden. Ze wilde haar zoon snel van het strijdtoneel afvoeren, maar Diomedes 1, die zag wat er gebeurde, zette onbarmhartig de achtervolging in en hield daarbij zijn speer gereed om te werpen.

Toen hij haar ingehaald had wierp Diomedes 1 zijn speer en raakte Aphrodite daarmee in de palm van haar hand. Hoewel goden onsterfelijk zijn kunnen ze wel gewond raken en haar bloed (ichor) stroomde uit de wond. Luid klagend laat ze van schrik haar zoon uit haar armen vallen maar kwam Apollo Aeneas te hulp. Snel hulde hij Aeneas in een donkerblauwe wolk, om hem zo tegen de lansen van de Grieken te beschermen.

Apollo tilde Aeneas vervolgens op en bracht hem naar de, aan de goden gewijde, tempel op Pergamus’ heuvel. In het heiligdom verzorgden de godinnen Leto en Artemis Aeneas en genazen zijn wonden. Intussen had Apollo van Aeneas een drogbeeld gemaakt dat op het strijdtoneel was achtergebleven, waar omheen de Grieken en de Trojanen elkaar op leven en dood bleven bestrijden.

Strijd om het scheepskamp

Als Aeneas hersteld is van zijn verwondingen laat Apollo hem vertrekken uit de tempel en schenkt hem nieuwe kracht om de Grieken te bestrijden. Op dat moment komt ook Eurypylus 6 met een groot aantal mannen aan in Troje om de bedreigde stad te helpen, terwijl Zeus, vanwege de wrok van Achilles en de belofte die hij aan Thetis had gedaan, besloten heeft om de Trojanen een tijdje te helpen. Vol strijdlust ging Aeneas weer in de voorhoede van de strijd de Grieken tegemoet. Nadat zijn vriend Deicoon 1 door Agamemnon wordt gedood, doodt Aeneas op zijn beurt direct twee van de dapperste Grieken, Crethon en Orsilochus 1.

Als Aeneas de doden van hun wapenuitrusting wil ontdoen komt de Griek Menelaus op hem af. Terwijl ze op het punt staan om de strijd aan te binden komt ook Antilochus op Aeneas af om Menelaus te helpen. Dit tweetal wordt Aeneas te veel en hij druipt af, hoe groot zijn moed ook is, waarna de twee Grieken hun kameraden binnen de Griekse gelederen slepen.

Als de Grieken dreigen door te breken moedigt Eurypylus 6 de Trojanen aan die daarop de gelederen weer sluiten en het scheepskamp van de Grieken beginnen te omsingelen. Aeneas werpt een enorme steen tegen het hoofd van Ajax 1, die valt, maar de strijd niet opgeeft, waarna de druk steeds meer wordt opgevoerd door de Trojanen. Even later treft een speer, met enorme kracht geworpen, het schild van Aeneas, maar dringt er niet doorheen, waardoor hij schrikt en iets terug wijkt. .

Later die dag, als de Trojanen het scheepskamp van de Grieken proberen in te nemen, stelt Hector zijn troepen in vijf groepen op langs de gracht die om het scheepskamp ligt. Aeneas is de aanvoerder van de vierde groep, samen met Archelochus 1 en Acamas 1, de zonen van Antenor 1. Na het aanvalssein rukken de Trojanen onverschrokken en vol vertrouwen op om de Grieken van de wal naar hun schepen te verdrijven. Daarbij verslaat Aeneas twee mannen van Kreta, Antimachus 6 en Pheres 3, die met Idomeneus 1 naar Troje waren gekomen.

Wanneer de Trojanen tussen de Griekse schepen strijd leveren, komt de Trojaan Deiphobus 1 op Aeneas af en vraagt hem om hulp. ‘Aeneas,’ zo zegt Deiphobus 1, ‘kom alstublieft helpen om de man van uw zuster, Alcathous 1, te ontzetten. De Griek Idomeneus 1 heeft hem gedood met zijn speer en wil nu zijn lichaam onteren.’ Aeneas bedenkt zich geen moment en trekt, samen met Deiphobus 1, op naar het dode lichaam van zijn zwager.

Als Idomeneus 1 het tweetal ziet aankomen, roept hij zijn kameraden om hulp en al snel staan er vijf Grieken om hem heen om te helpen in de strijd. Aeneas, die dit ziet, roept op zijn beurt ook een aantal vrienden te hulp die snel komen opdraven. Er ontstaat een verwoede strijd tussen het groepje en over het lijk van Alcathous 1 vliegen de speren heen en weer. Aeneas werpt als eerste zijn speer naar Idomeneus 1 die deze kan ontwijken en daarop een andere Trojaan doodt. Aeneas zoekt een nieuwe tegenstander uit en treft Aphareus 1 met zijn speer in de keel waarna hij dood ter aarde stort met een gebroken nek.

Als korte tijd later Hector getroffen wordt door een steen, die Ajax 1 naar hem gooide, en Hector bijna bewusteloos neervalt, willen de Grieken zich als aasgieren op de Trojaanse held storten. Samen met vele andere Trojanen schiet Aeneas zijn opperbevelhebber te hulp en houden hun schilden beschermend voor het lichaam van de gevallen Hector. Vlug tillen zij hem op en voeren hem weg uit het krijgsgewoel naar de achterhoede waar Hector kon herstellen. Aeneas gaat vervolgens verder met de strijd. Daar velt hij tussen de schepen twee Grieken, Medon 1, de bastaardzoon van koning Oileus 1, en Iasus 1, de zoon van Sphelus uit Athene.

Patroclus

Als Patroclus 1 op het strijdtoneel verschijnt, in de wapenuitrusting van Achilles, doodt deze de leider van de Lyciërs, Sarpedon 1. De gewonde Glaucus 1, die door Apollo genezen wordt, roept daarop de Lyciërs en enkele Trojanen te hulp om het lijk van Sarpedon 1 te verdedigen zodat de Grieken zijn wapenuitrusting niet kunnen stelen en het lichaam onteren. Gezamenlijk stormen zij op de Grieken af en ontstaat er een geweldige strijd van man tegen man.

Over en weer worden dappere mannen gedood. Als de Griek Meriones de Trojaan Laogonus 1 doodt werpt Aeneas zijn speer naar Meriones. Meriones was echter op zijn hoede en dook net op tijd weg zodat de speer trillend in de grond terecht kwam. Aeneas was woedend en riep: ‘Meriones, je mag dan een goede danser zijn, maar als ik je had geraakt dan was je voorgoed uitgedanst!’ Hierop antwoordde Meriones hem; ‘Hoe sterk je ook bent, Aeneas, niet iedereen die je in de strijd ontmoet kun je doden. Net als wij allen ben jij ook sterfelijk. Ook ik zou kunnen zeggen dat wanner ik je met mijn speer in je buik trof je het niet zal overleven.

bloedige strijd

Aan het einde van de dag zegevieren uiteindelijk de Grieken, onder aanvoering van Patroclus 1, en worden de Trojanen uit het scheepskamp verdreven. Hector is nog in staat om Patroclus 1 te doden maar de vlucht van de Trojanen naar hun stad is niet meer te stuiten. Op dat moment spreekt de god Apollo, in de gedaante van de Trojaanse heraut Periphas 2, Aeneas toe. ‘Als de goden u werkelijk niet goed gezind waren, hoe kunt u dan hopen om de stad te redden? Toch heb ik mannen gekend, die hun land redden, door op hun sterke wapens, op hun moed en aantal te vertrouwen. En nu is Zeus nog wel op uw hand! Zijn wens is het, dat de Grieken verslagen worden. Toch bent u bang en weigert, doodsbleek van schrik, de strijd op te nemen!

Aeneas, die hem recht in het gezicht aankeek, herkende de god. Daarop riep Aeneas luid naar Hector: ‘Hector, Trojanen, leiders en aanvoerders der verbondenen, ’t is een schande, dat wij ons door die zegevierende Grieken als lafaards terug zouden laten drijven naar Troje! Eén van de goden heeft mij zo even benaderd met de boodschap, dat Zeus in deze oorlog nog altijd op onze hand is. Laten we dus recht op de Grieken af gaan en hun schade berokkenen, omdat zij trachten het lijk van Patroclus 1 af te voeren naar hun schepen.’ Na die woorden liep hij naar voren en stelde zich voor allen op.

Aeneas trekt samen met Hector op die even later de onsterfelijke paarden van Achilles ziet lopen met Automedon in de wagen en Alcimedon 1 aan de teugels. ‘Aeneas,’ zo zegt Hector, ‘daar lopen de paarden van Achilles die gemend worden door machteloze handen. Als jij me helpt kunnen we proberen om die dieren buit te maken. Die twee wagenrijders zullen geen stand houden als wij ze samen aanvallen.’ Aeneas had hier wel oren naar en samen trokken zij er op uit om de paarden te veroveren. Gesteund door de Trojanen Chromius 1 en Aretus 1, en vol vertrouwen dat ze Alcimedon 1 en Automedon konden uitschakelen, naderde het viertal het wagenspan. Automedon, die het viertal ziet aankomen, roept om hulp naar de twee Ajaxen en Menelaus die in de buurt strijden om het lijk van Patroclus 1 te beschermen. Vlug gooit hij daarna zijn speer naar Aretus 1 die midden in zijn buik getroffen wordt en sterft.

Daarop wierp Hector zijn speer naar Automedon, die echter op zijn hoede was, bukte en zo het wapen vermeed. Die twee zouden elkaar met hun zwaarden te lijf zijn gegaan als de twee Ajaxen niet tussenbeide gekomen waren. Vol schrik voor dit geduchte stel deinsden Hector, Aeneas en Chromius 1 terug en lieten de gesneuvelde Aretus 1 liggen, waar hij lag. Aan de verovering van de paarden kwam zo een abrupt einde.

De Trojanen waren intussen weer aan de winnende hand en dreven de Grieken voor hen uit naar het scheepskamp. In de achterhoede van het leger houden de twee Ajaxen onverschrokken stand en voorkomen dat de Trojanen het lichaam van Patroclus 1 kunnen stelen dat door de Grieken naar hun kamp wordt gedragen. Hector en Aeneas achtervolgen de Grieken en doden zo menige strijder voordat uiteindelijk de nacht valt en de strijd die dag gestaakt wordt.

Achilles verschijnt weer ten tonele

De volgende dag verschijnt bij de Grieken Achilles weer op het strijdtoneel. Zijn wrok tegen Agamemnon heeft hij laten varen om zich te wreken op de Trojanen. Hij is in een zeer bloeddorstige stemming en gaat direct op zoek naar Hector om met hem af te rekenen omdat deze zijn allerbeste vriend Patroclus 1 had gedood. Als de strijd begint wil Apollo dit gevecht voorkomen en spreekt Aeneas aan, in de gedaante van Lycaon 2, en zegt: ‘Aeneas, jij raadgever van de Trojanen, wat is er geworden van al je snoevend gepoch. Onder invloed van veel bekers wijn beloofde je de Trojaanse vorsten in het verleden dat je Achilles zou ontmoeten in een gevecht van man tegen man.’ Aeneas antwoordde aan Apollo dat hij daar niet zo’n zin in had omdat Achilles hem in het verleden, op de berg Ida, al eens bijna verslagen had en hij nog maar net met hulp van Zeus kon ontsnappen. Hij vertelt dat Achilles altijd door Athena wordt geholpen en het daarom voor een mens onmogelijk is om van die man te winnen. Als Apollo voor hem wil regelen dat het een eerlijke strijd wordt, zonder hulp van de goden, dan wil Aeneas Achilles wel bestrijden.

Daarop antwoordt Apollo hem: ‘Waarom, Aeneas, roep je de onsterfelijke goden zelf niet aan? Iedereen weet toch dat je een zoon bent van Aphrodite, de dochter van Zeus, die van hogere afkomst is dan de moeder van Achilles. Ga dus direct op Achilles af en laat je niet bang maken door zijn gedreig en gescheld.’ Na deze woorden liet Apollo het hart van Aeneas vollopen met moed die daarop onmiddellijk naar de voorste gelederen ging. Hera, de beschermer van Achilles, had alles gezien en gehoord en zei tegen Poseidon en Athena: ‘Kijk die Aeneas nu eens op Achilles afstappen. Wellicht moet één van ons ook naar Achilles gaan en hem nieuwe moed en kracht schenken zodat hij weet dat de beste der goden hem goedgezind zijn.

furieuze Achilles

De twee kemphanen storten zich op elkaar. Aeneas, hield het grote schild voor zich en zwaaide met zijn lans terwijl Achilles dreigend als een leeuw op hem toeloopt en roept: ‘Aeneas, wat brengt jou er toe om de gelederen te verlaten en je zover naar voren te wagen binnen het bereik van mijn wapens? Hoop je door mij te bevechten Priamus op te volgen als leider van alle Trojanen? Deze zal je heus die kans niet geven ook al zou je mij doden en me van mijn wapens beroven. Of hoop je van de Trojanen een mooi landgoed te krijgen? Mij verslaan zal je echter niet zo makkelijk lukken, want ik joeg je al eens op de vlucht met mijn speer vanaf de berg Ida waarna je Lyrnessus invluchtte. Heel de stad veroverde ik, maar jij werd gered door Zeus. Vandaag zal hij dat echter niet doen, waar je heimelijk op hoopt. Ik adviseer je om mij uit de weg te gaan en te blijven, want als ik je weer ontmoet ben ik niet zo mild en zal ik je doden. Een dwaas wordt wijs door ervaring.

Aeneas zei daarop tegen Achilles. ‘Hoop maar niet, Achilles, mij als een klein kind met woorden angst aan te jagen. Ook ik ben ervaren in de strijd en weet genoeg schimpscheuten te geven. We kennen onze afkomst en ouders van naam en faam. Eén van die ouderparen zal vandaag helaas om hun zoon rouwen, want ik vermoed niet dat wij nu van elkaar scheiden zonder slag geleverd te hebben. Vooruit dus, laten we hier niet blijven staan als kletsende oude wijven terwijl de strijd om ons heen woedt. Met woorden krijg je mij er niet onder, mijn vriend, dus laat je speer spreken en onze krachten meten in het gevecht.

Zo sprak Aeneas tegen Achilles en wierp zijn speer. Het wapen kwam met geweld in het prachtige schild terecht dat door Hephaistus was gemaakt, maar ging er niet doorheen. Achilles antwoordde direct door zijn eigen speer naar Aeneas te gooien welke de rand van zijn schild raakte. Door de grote kracht van Achilles drong de speer wel door het schild heen maar vloog gelukkig over de schouder van Aeneas en kwam in de grond achter hem terecht. Van schrik bleef Aeneas bevend staan, en besefte dat hij bijna was gedood. Achilles had intussen zijn zwaard al getrokken en stormde luid schreeuwend op Aeneas af. Snel pakt Aeneas een grote en zware steen van de grond en zwaaide daarmee boven zijn hoofd om die met geweld naar het hoofd van Achilles te werpen, maar dan grijpen de goden in.

Poseidon stapt op de twee strijders af en verblindt de ogen van Achilles met een dikke mist. Ook pakt hij de speer van Achilles op en legt die aan de voeten van de held. Vervolgens pakt hij Aeneas op en gooit hem met een machtige zwaai, over de hoofden van de Trojanen heen, naar de achterhoede van het leger tussen de Cauconen. Daarop gaat Poseidon vlak voor Aeneas staan en zegt: ‘Wie van de goden zegt je dat je de strijd moet aanbinden met Achilles? Hij is veel sterker dan jij en meer in tel bij de goden. Trek je dus terug, als je hem weer mocht ontmoeten, want anders zal je, ondanks je voorbestemmende lot, toch nog in Hades’ duistere woning belanden. Mocht Achilles ingehaald worden door het noodlot en vandaag sterven, neem dan gerust je plaats weer in tussen de voorste gelederen, want geen enkele andere Griek zal je vandaag kunnen verslaan.’ Daarop verdwijnt de god en laat Aeneas verbijsterd achter.

Strijd om het lijk van Achilles

Dagen later, als Achilles door het pijlschot van Paris in de strijd sneuvelt, drommen Glaucus 1, Aeneas, de strijdlustige Agenor 1 en vele andere Trojanen, samen om het lijk van de dode held om hem binnen de muren van de stad te slepen. Maar de grote Ajax 1 liet hem niet in de steek en ging schrijlings over de dode heen staan. Hij dreef de Trojanen met zijn lans weg maar joeg hen niet op de vlucht. Samen met de anderen valt Aeneas hem telkens met snelle stormlopen aan, de een na de ander, om die prachtige prijs binnen te halen. Vele strijdmakkers van Aeneas sterven maar slagen de Grieken er uiteindelijk in om hun dode held weg te slepen, terwijl Ajax 1, gesteund door Odysseus de Trojanen op een afstand houdt. Ook Aeneas tracht menige keer Ajax 1 te doden maar slaag daar niet in. Uiteindelijk geven zij het op en keren, als de avond valt, terug naar de stad.

Neoptolemus valt aan

Enkele dagen later komt de zoon van Achilles, Neoptolemus, aan in Troje en neemt, net als zijn vader, deel aan de strijd. Wanneer hij voor de eerste keer aanvalt slaagt Aeneas er in om een grote steen op het hoofd van Aristolochus te laten neerkomen. De steen vermorzelt zijn helm en schedel waarna Aristolochus zijn laatste adem uitblaast. Neoptolemus is echter onverslaanbaar en de Trojanen worden steeds verder teruggedrongen naar hun stad. Toch lukt het Aeneas om Dymas 4 te doden, die vroeger in Aulis had gewoond. Als ze tot voor de muren van de stad zijn teruggedrongen stelt Polydamas, een wijze raadgever van Priamus, voor om de strijd op de vlakte op te geven en de stad vanaf de muren te verdedigen.

woeste strijd

Aeneas is het hier absoluut niet mee eens en zegt: ‘Polydamas, waarom noemen ze jou wijs, wie wenst er nu opgesloten tussen muren eindeloze beproevingen te moeten doorstaan? Nooit, hoe lang de Grieken hier ook zullen blijven, zullen ze de moed verliezen. Als zij ons in onze schulp zien kruipen, zullen ze des te heviger aanvallen. Zo zullen wij lijdzaam instemmen, omkomend in ons eigen huis, als zij ons seizoenen lang belegeren. Nee, het is ons lot om te ontsnappen aan de kwade dood en onheil, en niet om door hongersnood jammerlijk te sterven. Laten we liever in onze wapenrustingen strijden voor onze kinderen en grijze vaders! Daarin zal Zeus ons steunen, we zijn immers van zijn bloed. Nee, hoewel we door hem verafschuwd worden, is het beter om nu onmiddellijk glansrijk tot de laatste man voor het vaderland te vechten, dan te sterven in een aanhoudende pijn.’ Alle Trojanen juichen als zij hem horen en stellen zich met hernieuwde moed op om de Grieken te weerstaan.

Weer gaan de partijen op elkaar af en woedt er een verschrikkelijke strijd. Aeneas doodt Harpalion 2 uit Boeotië, waarna hij Hyllus 3 door zijn keel steekt die dood bovenop het lijk van Harpalion 2 valt. Even later sneuvelt de vriend van Aeneas, Eurymenes 2, door een pijl van Meges 1 en spuit het bloed uit zijn mond. Terwijl hij valt haasten Deileon 2 en Amphion 5 zich naar hem toe om zijn wapenrusting buit te maken. Maar Aeneas koelt hun hete handen af met de dood. Ook Bremon, uit Lyctus, en Andromachus 1 van Cnossus, laten het leven door de handen van Aeneas waarbij hij de mooie strijdwagens van het tweetal buitmaakt.

Even later nadert Apollo Aeneas en Eurymachus 3, die schouder aan schouder strijden. In de gedaante van de ziener Polymestor 2 zegt hij: ‘Eurymachus 3 en Aeneas, zaad der goden, het zou een schande zijn als jullie terugdeinzen voor de Grieken! Nee, het is niet Ares 1 die je met vreugde tegemoet komt, en je zult hem ook niet aanschouwen in de strijd. Want het Lot heeft lange draden voor jullie beiden gesponnen!’ Daarop verdween hij, maar hun harten voelden de kracht van de god en zij werden overspoeld met een grenzeloze moed. Ze springen, met luid rammelende wapenrusting, op de Grieken af en slaan met onweerstaanbare handen talloze vijanden neer en de Grieken slaan op de vlucht. Aeneas achtervolgde hen, de ruggen van vijanden met zijn speer bewerkend, en voort ging Eurymachus 3 terwijl het gloeiende hart van Apollo uit de hoogte neerkeek.

Aeneas wierp zijn speer en vond de buik van Anthalus' zoon. Het wapen drong door de navel, en sleepte de ingewanden mee. Uitgestrekt in het stof, met gekwelde handen staal en darmen omklemmend, schreeuwde hij vreselijk, kreunend met zijn tanden in de aarde bijtend, tot leven en pijn de man verlieten. De Grieken worden steeds banger voor het tweetal. Maar uiteindelijk zweept Neoptolemus de Grieken op, die zich hergroeperen, en onder zijn leiding in de tegenaanval gaan, en de Trojanen weer terugdringen. Alleen de moed van Aeneas voorkwam dat zij op de vlucht sloegen. Maar Neoptolemus gaat niet op Aeneas af. Uit respect voor Aphrodite liet Thetis haar kleinzoon een andere kant op gaan waardoor Aeneas in staat blijft om vele Grieken naar de andere wereld te helpen.

Maar toen er velen waren omgekomen zegevierden uiteindelijk de Grieken door een hardvochtig besluit van Athena die op Aeneas afging. Maar Aphrodite ziet het gebeuren en grist haar zoon uit de strijd en wierp een dikke nevel om hem heen. Het lot verbood dat Aeneas nog zou strijden buiten de muur. Zonder zijn aanwezigheid geven de Trojanen de moed op en trekken zich terug in de stad.

Einde van de strijd

Strijd met Diomedes

De volgende dag vallen de Grieken onvermoeibaar aan op de muren van Troje en verdedigt Aeneas de stad door grote stenen op de aanvallers te werpen. Daarop houden de Grieken hun schilden boven hun hoofden en vormen zo één groot beschermend scherm waarop zij naar de poorten trekken en die met bijlen en beukelaars bewerken. Dan grijpt Aeneas met een uiterste krachtsinspanning een reusachtige steen en werpt die bovenop het scherm. Alle Grieken er onder worden vermorzeld maar Aeneas blijft steen na steen op de aanvallers werpen waardoor zij de moed verliezen. Luid weerklinken zijn strijdkreten terwijl hij de ene Griek na de ander laat sneuvelen.

Vervolgens neemt Alcimedon 3, uit Locrië, een lange ladder en klimt tot bovenaan de muur. Aeneas ziet het van verre gebeuren en stormt op hem af. Ook hij wordt door een steen van Aeneas getroffen en valt naar beneden. Op de vlakte ziet Poeas Alcimedon 3 vallen en schiet een goed gemikte pijl naar Aeneas. Opnieuw redt Aphrodite het leven van haar zoon en buigt het projectiel af waardoor zijn vriend Medon 1 geraakt wordt. Woedend werpt Aeneas een steen en doodt Toxaechmes. Daarop schreeuwt Poeas: ‘Aeneas, voorwaar, jij vindt jezelf een grote kampioen, van een toren vechtend vanwaar lafhartige vrouwen een oorlog met vijanden uitvechten! Als je een man bent, kom dan in je harnas naar beneden, en maak kennis met mijn vaardigheden in het speerwerpen en boogschieten.’ Maar Aeneas, hoe graag ook, antwoordde niet, want de spanning van die wanhopige strijd rond de muur woedde onophoudelijk voort. Niemand kreeg een adempauze. Ja, lange tijd werd er geen uitstel gegund voor het eindeloze gezwoeg in die vermoeiende strijd. Aan het eind van de dag, wanneer de avond invalt, trekken de Grieken zich uiteindelijk terug naar hun scheepskamp.

Het houten paard

Het paard in de stad

De volgende dag zijn de Grieken en hun schepen verdwenen voor de muren van Troje, met achterlating van een reusachtig houten paard. Daarop vliegen de poorten van Troje open en gaan de Trojanen de restanten van het Griekse legerkamp bekijken. Ze vergapen zich aan het reusachtige houten paard en vragen zich af wat ze er mee aan moeten. De één zegt dat het binnen de muren van de stad gesleept moet worden, de ander dat het een list is van de Grieken en adviseert om het gevaarte in brand moeten steken, of de holtes te doorboren met speren en te onderzoeken op schuilplaatsen. Uiteindelijk nemen de Trojanen de Griek Sinon gevangen die hen weet te overtuigen dat het paard een gift is voor de godin Athena en dat zij het gevaarte de stad in moeten slepen.

Gevechten in de stad

De Trojanen slepen het paard de stad in en vieren een groot feest omdat ze, na tien jaar strijd, eindelijk bevrijd zijn. ’s Nachts, wanneer ze dronken van de wijn en het feesten op bed liggen te slapen, komen de Grieken, die in het paard verborgen zaten, tevoorschijn, vermoorden de poortwachten en gooien de poorten van de stad wagenwijd open voor het Griekse leger dat in het geheim weer is teruggekeerd, en de vernietiging van Troje begint.

Ook Aeneas ligt te slapen maar krijgt in een droom bezoek van Hector. Hij zit nog vol wonden en waarschuwt Aeneas: ‘Wee, godenzoon, vlucht en ontsnap aan de vlammenzee. De vijand heeft de stad in zijn macht en is verloren. Troje vertrouwt nu zijn heilige huisgoden aan jou toe. Neem ze mee als je lotgenoten, zoek voor hen een sterke stad, die je uiteindelijk stichten zal na veel omzwervingen op zee'. Dan wordt Aeneas wakker van het kabaal buiten in de stad en springt uit bed.

Hij gaat naar het dak van zijn huis, hoort het tumult in de stad, en heeft plotsklaps de list van de Grieken in de gaten. Hij ziet de huizen van zijn buren in brand staan en grijpt woedend naar de wapens. Dan ziet hij Panthus, de Apollopriester in de tempel, die hem vertelt dat de situatie hopeloos is en vechten geen nut meer heeft. De Grieken heersen in de brandende stad. Ondanks deze woorden gaat Aeneas toch naar de strijd en verzamelde een aantal mannen om zich heen om met een zelfmoordaanval strijdend ten onder te gaan.

Hopeloze strijd

Als eerste komt hij de Griek Androgeus 2 tegen die denkt dat zij Grieken zijn en hen aanmaant om Troje te vernietigen. Maar meteen na zijn woorden bemerkt hij zijn vergissing en wil vluchten. De Trojanen, onder aanvoering van Aeneas, overmeesteren de Griek en diens mannen, trekken hun kleding aan en nemen de wapens van de Grieken om zich zo onopgemerkt door de stad te begeven. Op die wijze vermomd sturen ze vele Grieken naar de onderwereld of jagen die op de vlucht. Daarop zien ze hoe de priesteres Cassandra aan haar haren uit de tempel van Athena wordt weggesleept en schieten naar voren om de vrouw te helpen. Maar de Grieken schieten vanaf de tempel pijlen en voeren een massale aanval uit op het groepje Trojanen. Uiteindelijk weet alleen Aeneas, samen met de oude Iphitus 2 en de gewonde Pelias 2, te ontsnappen en gaat naar het paleis van Priamus.

Zodra Aeneas daar aankomt ziet hij een geweldig gevecht waarbij de Grieken de poort van het paleis al veroverd hebben. Via een geheime deur aan de achterkant weet Aeneas het paleis binnen te komen en klimt naar het hoogste deel van de toren op het dak waar hij heel Troje kon overzien en werpt daar stenen op de aanvallers. Ondertussen ziet hij hoe koning Priamus wordt gedood door Neoptolemus en de ene na de andere voorname Trojaan sneuvelt door de wapens van de Grieken. Verlamd van schrik kijkt Aeneas om zich heen en ziet dat hij alleen is. Op dat moment ziet hij ook Helena lopen om zich te verstoppen in de tempel van Hestia. Dan laait in Aeneas een verschrikkelijke woede op vanwege die vrouw en hij is van plan om op haar af te gaan als plotseling zijn moeder Aphrodite voor hem verschijnt.

Opdracht van Aphrodite

De godin kijkt haar woedende zoon aan en zegt: 'Zoon, wat voor verdriet wekt die tomeloze woede op? Waarom ga je zo tekeer? Waar is je bezorgdheid gebleven? Zou je niet liever eens gaan kijken waar je bejaarde vader, Anchises 1, is gebleven, of je vrouw Creusa 2 nog in leven is en je zoontje Ascanius 3? De Grieken sluipen van alle kanten op hen af, en als ik mij niet om hen bekommerd had zouden zij al omgekomen zijn in de vlammen. Wees niet bang voor een bevel van je moeder en weiger de gevolgen van haar adviezen niet. De goden willen dat de stad vernietigt wordt en dat kunnen wij tweeën niet tegenhouden.’ Na die woorden verdween de godin in de donkere nacht.

Daarop gaat Aeneas naar beneden en op weg naar het huis van zijn vader. Die weigert echter zijn leven te rekken en een veilig heenkomen te zoeken. 'Jullie, die nog vers bloed in je aderen hebben, en nog in de kracht van je leven bent, vluchten jullie maar snel. Als de hemelbewoners mij in leven hadden willen laten, zouden zij deze plaats wel voor mij gered hebben. Zeg mijn lichaam vaarwel en ga heen. Door mijn eigen hand zal ik sterven. Het gemis van een graf is te dragen. Al lang slijt ik, gehaat bij de goden, nutteloze jaren sinds de vader der goden en koning der mensen mij met een bliksem van vuur heeft getroffen'.

Aeneas smeekt hem om te vluchten, maar Anchises 1 weigert en blijft bij zijn voornemen terwijl hij zijn stoel vasthoudt. Daarop zegt Aeneas: 'Ik vertrekken, vader, en u verwacht dat ik u achterlaat? Hoe kunt u zo’n grote wandaad over uw lippen krijgen? Dan staat de deur naar de dood voor u open. Straks komt Neoptolemus hier aan, die een zoon voor het oog van zijn vader doodde. Kom ik daarom, dwars door vuur en wapengeweld, hierheen gesneld? Om de vijand in onze woning te zien en Ascanius 3 en mijn vader naast Creusa 2 afgeslacht in elkaars bloed te zien liggen? Wapens, mannen, breng wapens! Breng me maar terug naar de Grieken, laat me het gevecht weer hervatten. Er kan geen sprake van zijn dat wij vandaag hier allen straffeloos zullen sterven'.

Aeneas wil daarop het huis uitstormen maar wordt bij de deur tegengehouden door zijn vrouw die zijn kleine zoontje, Ascanius 3, naar hem opheft. 'Als je de dood tegemoet snelt, neem ons dan mee naar dat einde. Maar als je nog enige hoop ziet in het opnemen van de wapens, bescherm dan eerst dit huis. Voor wie laat je de kleine Ascanius 3, voor wie je vader en mij, ooit jouw vrouw genoemd, achter?' Met dergelijke jammerkreten vervulde ze het huis, toen zich plotseling een voorteken voordeed. Want boven het hoofd van Ascanius 3 verscheen een lichte vlam die een glans verspreidde en zijn zachte hoofdhaar likte zonder dit in brand te zetten.

Vlucht uit de stad

Dan kijkt Anchises 1 verheugd op naar de hemel en zegt: ‘Zeus, almachtige god, als u nog luistert naar de gebeden van mensen, richt dan uw blik op ons en als we door plichtsbetrachting iets verdienen, bied ons dan hulp, vader, en bevestig dit teken'. Nauwelijks had de oude man dit gezegd, of met plotseling geweld kwam een donderslag van links en dook een ster door het duister uit de hemel, die met zijn vuurstaart een helder licht verspreidde. Duidelijk zichtbaar danste hij over het dak van het huis en zagen ze hoe hoe hij verdween in het woud op de Ida, en zo de weg wees.

Dan geeft Anchises 1 zich gewonnen, staat op en spreekt tot de goden: ‘Nu is er van dralen geen sprake meer. Ik ga mee naar waar u mij naar toe leidt, godenvader. Bescherm deze familie, bescherm ook mijn kleinzoon. Dit was een teken van u, en in uw handen ligt Troje’s lot. Nu geef ik toe, zoon, en weiger niet langer je gezelschap'. Daarop neemt Aeneas zijn vader op zijn rug, pakt de kleine Ascanius 3 in zijn armen, grijpt de Penaten (huisgoden) en verlaat het huis terwijl zijn vrouw Creusa 2 achter hem aanloopt.

Vlucht uit de stad

Ze lopen langs donkere paden, geholpen en beschermd door Aphrodite, en komen in de buurt van de stadpoort als zijn vader plotseling roept: 'Zoon, vlucht, zoon. Daar komen ze aan!’ Aeneas ziet geschitter van schilden en de glans van zwaarden, wijkt snel af van zijn koers, en neemt een omweg. Zijn vrouw, Creusa 2, bleef echter staan, raakte verdwaald, of bleef achter na een val, maar Aeneas zag haar nooit meer in levende lijve. Hij merkt pas dat hij haar kwijt was toen ze bij de gewijde grafheuvel buiten de stad waren aangekomen

Tevergeefs keert Aeneas alleen terug naar de stad en roept luid schreeuwend haar naam ‘Creusa 2, Creusa 2!’ Plotseling verschijnt haar schim voor zijn ogen en zegt: ‘De goden hebben niet beschikt dat ik met je mee mag gaan. Jou wacht een lange tijd van ballingschap waarin je vele zeeën moet doorkruisen, maar uiteindelijk zal je het Avondland bereiken en een nieuw Troje stichten. Daar ligt jouw lotsbeschikking als koning met een nieuwe prinses als vrouw. Stop dus je tranen om je geliefde Creusa 2. Vaarwel, en koester je liefde voor de zoon van ons beiden'. Na deze woorden liet ze hem achter en keert Aeneas terug naar de plek waar hij zijn vader en zoontje had achtergelaten. Daar aangekomen trof hij een grote menigte van mannen en vrouwen aan die bereid waren om Aeneas als aanvoerder te accepteren en mee te gaan naar elk land waar hij hen maar naar toe zou leiden.

Alkternatieve versie

Volgens de schrijver Dares Phrygius had het eind van de Trojaanse Oorlog een heel ander verloop. Toen de Grieken, na de dood van Hector, steeds meer de overhand kregen gingen Antenor 1, Polydamas en Aeneas naar Priamus en vroegen hem een vergadering te beleggen om over de toekomst van Troje te praten. Tijdens deze vergadering drongen zij er op aan om Helena terug te geven aan de Grieken en vrede te sluiten. Ook Aeneas pleit met kalmte en overtuiging voor deze koers, ondanks de tegenstand die hij daarbij ondervindt bij de zoons van Priamus. Aan het eind van de bijeenkomst staat Priamus met grote ergernis op en roept vele vervloekingen af over Antenor 1 en Aeneas, die hij de schuld geeft van de oorlog en zegt dat er geen vrede gesloten zal worden.

Daarop besluiten Antenor 1, Polydamas, Ucalegon en Dolon 2 in het geheim de stad te redden door haar uit te leveren aan Agamemnon. Zij moesten snel handelen want ze hadden gemerkt dat Priamus, toen hij de raad verliet, woedend was omdat zij hem hadden aangespoord om vrede te sluiten. Iedereen belooft zijn hulp en kozen onmiddellijk Polydamas om in het geheim Agamemnon te ontmoeten en hem over het plan te vertellen.

Die nacht riep Agamemnon alle aanvoerders naar een geheime vergadering van de raad, en vertelde hen het nieuws. De raad besloot unaniem om de verraders te vertrouwen en beloofde, als Troje de volgende nacht werd verraden, Antenor 1, Ucalegon, Polydamas, Aeneas en Dolon 2 geen kwaad te doen, of één van hun familieleden en vrienden, of iets van hun bezittingen. Er werd overeenstemming bereikt en afgesproken om de volgende nacht een poort, die met een paardenhoofd was versierd, te ontgrendelen en als teken een fakkel op te steken voor de aanval.

Die nacht stonden Antenor 1 en Aeneas klaar bij de poort en lieten Neoptolemus binnen. Antenor 1, met Neoptolemus als bescherming bij zich, ging hen voor naar het paleis tot het punt waar de Trojanen een wachtpost hadden opgesteld. Toen achtervolgde Neoptolemus Priamus, nadat hij het paleis was binnengedrongen en de Trojanen had afgeslacht, en doodde hem voor het altaar van Zeus.

Hecabe 1, die vluchtte met Polyxena 1, trof Aeneas en vertrouwde haar dochter aan hem toe. Hij verborg haar in het huis van zijn vader Anchises 1. Andromache en Cassandra verborgen zich in de tempel van Athena. De hele nacht gingen de Grieken door met het afslachten van Trojanen en het wegvoeren van de buit. Bij het aanbreken van de dag, riep Agamemnon al zijn aanvoerders bijeen voor een vergadering en vroeg hij wat zij wilden doen met Antenor 1 en Aeneas en al degenen die geholpen hadden om Troje te verraden. Iedereen antwoordde met een luide schreeuw dat zij de aan hen gegeven beloften wilden vasthouden. Zo bevestigde Agamemnon, nadat hij alle verraders had opgeroepen, al hun rechten.

Antenor 1 begon, nadat Agamemnon hem verlof tot spreken had gegeven, de Grieken te bedanken. Toen verzocht hij hen om zich te herinneren hoe Helenus 1 en Cassandra altijd bij Priamus hadden gepleit voor vrede, en hoe Helenus 1 succesvol had aangedrongen op de teruggave van Achilles’ lichaam om te begraven. Vervolgens gaf Agamemnon, het advies van de raad opvolgend, Helenus 1 en Cassandra hun vrijheid. Toen deed Helenus 1, zich herinnerend hoe Hecabe 1 en Andromache hem altijd hadden liefgehad, een goed woordje voor hen. En opnieuw gaf Agamemnon, op advies van de raad, hen hun vrijheid.

Toen de tijd om uit te zeilen was aangebroken, stak er een zware storm op die verscheidene dagen aanhield. Calchas vertelde hen dat de geesten van de doden ontevreden waren. Toen uitte Neoptolemus, zich herinnerend dat Polyxena 1, de oorzaak van zijn vaders dood, niet in het paleis gevonden was, zijn klacht. Hij beschuldigde het leger en eiste van Agamemnon dat hij haar toonde.

Agamemnon riep Antenor 1 en gaf hem opdracht om Polyxena 1 te vinden en bij hem te brengen. Bijgevolg ging Antenor 1 naar Aeneas en smeekte hem om Polyxena 1 uit te leveren, opdat de Grieken naar huis zouden zeilen. En zo, nadat hij had gehoord waar ze zich had verscholen, nam hij haar mee naar Agamemnon. Agamemnon gaf haar aan Neoptolemus en Neoptolemus sneed haar keel door boven het graf van zijn vader. Agamemnon was boos op Aeneas omdat hij Polyxena 1 had verborgen en gaf hem opdracht om onmiddellijk met al zijn genoten uit hun land te vertrekken. Dus vertrok Aeneas met al zijn volgelingen.

Vlucht uit Troje

Thracië, Polydorus

Vertrke uit Troje

Daarop boog Aeneas zijn hoofd voor het lot en trok met zijn vader en volgelingen naar Atandrus, bij de voet van de berg Ida. Daar bouwt hij een vloot van tweeëntwintig schepen en brengt een bemanning bijeen. Nauwelijks was de zomer begonnen of Anchises 1 gaf opdracht de zeilen te hijsen en met vierendertighonderd volgelingen naar onbekende bestemming te zeilen. Aeneas verliet onder tranen de kust en ging als balling, samen met zijn vader en zoon, de zee op.

De vloot zette koers naar Thracië en landde in een baai waar Aeneas zijn eerste stad stichtte die hij de naam ‘Aenea’ gaf. Als hij een dankoffer wil uitbrengen aan de goden en voor het vuur wat takken uit de grond wil trekken sijpelt uit de gebroken takken zwart bloed en klinkt een stem: ‘Waarom vermink je mij, Aeneas? Spaar mijn lijk, houd op je plichtsgetrouwe handen te besmetten. Je kent mij, want Troje bracht mij voort en er stroomt verwant bloed uit de tak. Ach, ontvlucht dit wrede land, ontvlucht deze kust van rovers, ik ben Polydorus 1, de zoon van Priamus. Hier heeft koning Polymestor 1 mij gedood nadat hij was omgekocht met een grote som geld!’ Wanneer Aeneas dit vreemde voorval meldt aan zijn vader besluiten zij om direct te vertrekken nadat ze Polydorus 1 opnieuw hebben begraven onder een fatsoenlijk grafheuvel.

Delos, Orakel van Apollo

Ze varen naar het eiland Delos en bezoeken de stad waar koning Anius de scepter zwaait, en tevens de priester van Apollo is. Deze herkent Anchises 1 als een oude vriend en heet hem warm welkom in zijn paleis. De koning laat hen de twee geboortebomen zien waar Leto haar kinderen baarde en toont hen ook het heiligdom van Apollo. Voorts vertelt Anius tijdens een maaltijd het verhaal van zijn vier dochters, hoe deze door Agamemnon zijn gebruikt om het Griekse leger tijdens de oorlog te voeden en over zijn zoon Andros 1, hoe deze ziener van Apollo is geworden. Zo wisselen ze over en weer verhalen uit voordat ze gaan slapen. Vol schroom gaat Aeneas de volgende ochtend naar de tempel en bid daar tot Apollo: 'Apollo, schenk ons een thuis. Geef ons, vermoeiden, een stadsmuur, nakomelingen en een blijvende woonplaats. Waar moeten we heen? Waar gaan we wonen? Geef, vader, een teken en beziel onze harten.' Nauwelijks had hij gesproken, of alles begon plotseling te beven, ja heel de bergrug kwam in beweging, en de drievoet, diep in het heiligdom, weergalmde. Aeneas wierp zich op de grond en een stem galmde: 'Geharde Trojanen, het land dat jullie als eerste voortbracht, zal jullie bij terugkeer ook weer aan haar rijke borst drukken. Ga op zoek naar uw moeder en oorsprong. Daar zal het huis van Aeneas alle kusten beheren net als de zonen van zijn zonen en wie daar weer uit worden geboren'. Aldus Apollo.

Aeneas is ontzettend blij maar vraagt zich af waar deze stad dan wel ligt waar Apollo hem naar toe stuurt. Als hij de boodschap tegen zijn vader vertelt zegt deze: 'Luister, waar jouw hoop ligt. Midden in zee ligt een eiland, gewijd aan de machtige Zeus, Kreta, waar de berg Ida en de wieg van ons volk zich bevindt. Er liggen honderd grote steden, welvarende rijken, vanwaar mijn oudste voorvader Teucer 2, als ik me goed herinner, het eerst naar de kust van Pergamon is gevaren en daar een plaats voor zijn rijk heeft gezocht. Toen bestond Troje nog niet en woonde men in de dalen. Hier ligt de herkomst van de moeder van het Cybele-gebergte in het woud van de Ida. Vooruit dus, laten we de weg volgen die de goden ons hebben opgedragen. Laten we de wind tot kalmte manen en op reis gaan naar het rijk van Cnossus. Het ligt hier niet ver vandaan, en als Zeus ons maar bijstaat, dan ligt overmorgen de vloot al op de kust van Kreta.' Na deze uitspraak bracht hij een gepast offer op het altaar, een stier voor Poseidon, en een tweede voor de mooie Apollo.

Bij zijn afscheid ontvangt Anchises 1 van Anius een prachtige scepter, aan Ascanius 3 geeft hij een mantel en pijlenkoker en Aeneas krijgt een prachtig met taferelen bewerkt mengvat dat hij ooit zelf had gekregen van de Thebaan Therses.

Kreta, pest

Daarop varen de Trojanen weg van Delos en snellen over zee naar Naxos, passeren het sneeuwwitte Paros en de verspreid liggende Cycladen. Enthousiast landen zij op de kust van Kreta en begint Aeneas met de bouw van een nieuwe stad die hij Pergamom wil noemen. Maar ze er nauwelijks mee begonnen of er breekt pest uit. Vele mannen en vrouwen sterven en vanwege de Hondsster wordt ook hun zaaigoed door de verschroeiende hitte aangetast. Anchises 1 is ten einde raad en adviseert zijn zoon om terug te keren naar Delos om opnieuw advies aan Apollo te vragen.

Die nacht slaapt Aeneas en verschijnen de huisgoden, die hij had meegenomen uit Troje, in zijn droom en zeggen tegen hem: ‘Wat Apollo je gaat zeggen, bij terugkeer op Delos, voorspelt hij hier en stuurt ons als zijn zegsman. Wij hebben jou vergezeld na de brand van Troje, en onder jouw hoede per schip de zeeën doorkruist. Wij zullen ook je nakomelingen tot de sterren verheffen, en aan jouw stad de heerschappij schenken. Bouw voor die grootheid stevige muren en ga de inspanning van de vlucht niet uit de weg. Je moet weer verhuizen. Apollo adviseerde niet deze kust noch de vestiging op Kreta. Er is een plek die de Grieken 'Avondland' noemen. Een oud gebied, welvarend door wapens en vruchtbare grond, waar vroeger Oenotriërs woonden. Nakomelingen noemen het land 'Italië' naar de naam van hun leider. Daar ligt je echte bestemming. Hier komt Dardanus 1 vandaan en ook Iasius, bij wie de oorsprong van ons volk ligt. Kom, sta nu op en meld dit aan je bejaarde vader. Hij moet naar Corythus gaan, het land van de Ausoniërs, want dit gebied van Dicte wordt je door Zeus ontzegd.

Verschrikt door deze verschijning en de stem van de goden kruipt Aeneas uit bed en heft zijn handpalmen hemelwaarts in gebed, waarna hij een plengoffer brengt als dank bij de haard. Na dit eerbewijs gaat hij verheugd naar Anchises 1, herhaalt het bericht, en vertelt wat er gebeurd was. Deze erkent de dubbele afkomst en de tweevoudige stamboom en dat hij misleid is over de plaatsen van vroeger. Dan zegt Anchises 1: 'Mijn zoon, alleen Cassandra voorspelde mij deze bestemming. Nu herinner ik mij dat zij deze toekomst voor ons volk heeft voorspeld en vaak het Avondland noemde. Laten wij ons schikken naar Apollo's vermaning en deze betere keuze maken.' Aldus Anchises 1 en Aeneas stemt vol enthousiasme in met zijn woorden. Zo verlaten ze de kust met achterlating van slechts enkelen en varen in hun schepen uit over het onafzienbare zeevlak.

Strophaden, Harpijen

Eenmaal midden op zee wordt de vloot overvallen door een zware storm. Noodweer verduistert de dag en ’s nachts maken stortregens de hemel onzichtbaar. Drie volle dagen zwalken ze op zee rond en zijn volledig de koers kwijt. Op de vierde dag zien ze eindelijk land voor hun ogen verschijnen, waarboven zich bergen aftekenen, en rook van vuren in de lucht omhoog kringelt. Ze komen behouden aan op de Strophaden waar de Harpijen, sinds zij door de Argonauten Zetes en Calais verjaagd zijn bij koning Phineus 1, hun toevlucht hebben gezocht.

Zodra de Trojanen de haven zijn ingevaren zien ze overal in de weiden vette runderen grazen zonder dat hier toezicht op wordt gehouden. Uitgehongerd rennen ze op de beesten af, slachten er een aantal en willen zich tegoed doen aan een voortreffelijke maaltijd. Maar dan duiken opeens de Harpijen met huiveringwekkend luid klapperende vleugels van de bergen en plunderen de maaltijd van de Trojanen. Daarop verhuizen de Trojanen naar een grot en bereiden daar een nieuwe maaltijd maar worden opnieuw aangevallen en hun eten met uitwerpselen van de Harpijen verpest. Dan geeft Aeneas bevel om dat smerige gespuis aan te vallen met de wapens.

Maar de Harpijen zijn niet vatbaar voor geweld en roven opnieuw het eten van de tafels en vliegen weg. Alleen Celaeno 3 blijft achter, gezeten op een hoge rotspunt, en krast tegen Aeneas: ‘Durven jullie na het doden van runderen ook nog strijd te voeren met onschuldige Harpijen en hen te verjagen uit hun vaderland? Knoop dan dit goed in je oren en let op mijn woorden, die Apollo aan mij heeft verteld, en ik als leidster nu aan jullie openbaar. Onder aanroeping van de winden zullen jullie naar Italië varen. Dat Italië zullen jullie bereiken en daar ook mogen afmeren. Maar het zal jullie niet toegestaan worden om een stad met muren te omgeven, voordat een afschuwelijke hongersnood, straf voor deze onrechtmatige aanslag op ons, jullie zal dwingen de tafels met jullie tanden rondom af te knagen.' Dit zei ze, en met een slag van haar vleugels dook zij het bos in.

Bij de Trojanen stolt het bloed in de aderen, hun moed vervloog, en zij vragen Anchises 1 om verzoening af te dwingen bij de goden. Daarop spreidt Anchises 1 zijn handen boven het strand en roept: ‘Goden, voer uw dreigementen niet uit. Goden, keer dit lot van ons af en behoed ons, u die toegewijd zijn aan vrede'. Toen beval hij de ankertouwen los te maken en de schoten te vieren. De wind spant de zeilen en de Trojanen vluchten over de schuimende golven waar wind en stuurman de koers heen richtten. Ze zeilen langs Zacynthos, Dulichium, Same, Neritos, al de gebieden waar die huichelaar Odysseus macht bezat, en laten de klippen van Ithaca links liggen. Dan vertonen zich de bergtoppen van Leucata, domein van Apollo. Moe varen ze hiernaartoe en landen bij een klein stadje waar het anker wordt uitgegooid. Als ze tenslotte, boven verwachting, aan land zijn gekomen, brengen ze Zeus zoen- en brandoffers op de altaren.

Buthrotum, Helenus

In de haven maakt Aeneas een bronzen schild, dat van Abas 3 was geweest, vast aan twee posten met als opschrift: ‘Aeneas plaatste dit krijgssymbool dat hij buitmaakte op de Griekse overwinnaars’. Opnieuw geeft Aeneas bevel om de zeilen te hijsen en ze passeren het land van de Phaeaken, varen langs de kust van Epirus en bereiken de haven van Chaonië nabij de stad Buthrotum. Daar bereikt een ongelooflijk verhaal de oren van Aeneas. De na de oorlog door de Grieken als slaven afgevoerde Trojanen Helenus 1 en Andromache regeren hier als koning en koningin over het land.

Snel gaat Aeneas op weg om het tweetal te bezoeken en treft Andromache aan terwijl zij een offer brengt aan de dode Hector, haar eerste man. Ze vallen elkaar hartelijk in de armen en Andromache vertelt haar wederwaardigheden sinds haar vertrek als krijgsgevangene uit Troje en hoe ze uiteindelijk de vrouw van de ziener Helenus 1 werd. Tijdens hun gesprek nadert ook Helenus 1 en opnieuw wordt uitgebreid de doorstane ellende uitgewisseld, waarna Aeneas wordt uitgenodigd in hun paleis. De ene dag verstrijkt na de ander terwijl de winden naar de zeilen van zijn schepen lonken. Dan spreekt Aeneas Helenus 1 aan en vraagt hem, als ziener, wat hij moet doen om de voorspelling van de Harpijen te ontwijken om in Italië een nieuw Troje te kunnen opbouwen.

Na de goden geraadpleegd te hebben zegt Helenus 1 tegen Aeneas: ‘Het lijdt geen enkele twijfel dat je op bevel van Zeus over de zeeën zwalkt waardoor ik er, van Hera, niet veel over mag zeggen. Er staat je nog een lange tocht te wachten. Eerst moet je door de zee van Sicilië roeien, met je schepen de Ausonische Zee en het meer van de doden bezoeken, en het eiland Aeae van Circe voordat je op veilige grond een stad kunt gaan stichten. Als je aan het water van een afgelegen rivier een kolossaal zwijn ziet liggen, met een worp van dertig biggen, heb je het einde van je reis bereikt en de plek waar jij je stad kan stichten gevonden. Vermijd echter de kant van Italië die tegenover Epirus ligt, want die ellendige Grieken hebben daar vele steden gesticht.

Zodra je hier vertrokken bent, ga dan naar de kust van Sicilië en haar nauwe zeestraat. Hou dan de linkse kust aan want op de rechter huist Scylla 1 die, vanuit haar grot, schepen en zeelieden verslind. Omzeil die klip, hoewel ze intussen vanwege Odysseus in steen is veranderd. Maar ook links dreigt gevaar door de onverzoenlijke Charybdis met zijn maalstroom. Denk er dan vooral aan om Hera met veel offers te gedenken, doe hem ruimhartig beloften, zodat je tenslotte Sicilië achter je kunt laten om in Italië te landen. Ga daar, als je bent geland, naar de stad Cumae waar je de bezeten zieneres Sibyl zult zien. Deze zal je verder helpen op je tocht. Dit is alles wat mij werd toegestaan om jou te vertellen. Ga dus en maak Troje beroemd tot in de hoogste sferen.

Sicilië, Achaemenides

Gerustgesteld door de woorden van Helenus 1 gaat de vloot weer de zee op om naar Sicilië te koersen. Ze varen langs de kust van Ceraunië en zien de volgende dag, ver weg, de donkere heuvels van Italië. Ze danken de goden, gieten plengoffers uit, en door de gunstige wind komt de kust steeds dichterbij en verschijnt een tempel van Athena. Daar zien ze vier prachtige witte paarden lopen en besluiten om zowel Athena als Hera met een brandoffer te eren. Daarop varen ze verder en komt de golf van Tarente in zicht met de beroemde stad van Heracles. In de verte doemt Sicilië uit zee op en horen ze het geluid van de schepenverslindende Charybdis. Op bevel van Anchises 1, en de voorspelling van Helenus 1, wenden ze de steven naar bakboord en roeien, of hun leven er van afhangt, om dit gevaar te ontwijken. Tenslotte bereiken ze de kust van het eiland waar de Etna een zwarte wolk naar de hemel uitstoot en ze, verscholen in een woud, de nacht doorbrengen.

De volgende ochtend, bij het eerste daglicht, zien ze plotseling een onbekende en uitgeteerde man uit het woud verschijnen, die zijn handen smekend naar hen uitsteekt. Hij ziet er vreselijk uit, een woekerende baard, gehuld in lompen, maar duidelijk een Griek die in de Trojaanse oorlog heeft gevochten. Zodra hij merkt dat de bezoekers Trojanen zijn blijft hij onthutst staan, maar loopt daarna toch snel op hen af en zegt smekend: ‘Bij de sterren en goden en dit weldadige licht van de hemel, neem mij mee, Trojanen. Neem mij mee naar waar ook ter wereld, dat zal genoeg zijn. Ik weet dat ik er één was op de vloot van de Grieken en beken dat ik in de oorlog uit was op de val van de Trojanen. Werp me, nu mijn misdaad zo groot is geweest, daarvoor maar in stukken in zee en verdrink me in dat onmetelijke water. Als ik moet sterven, dan toch liever de dood door mensenhanden'. Daarna knielt hij bij de voeten van Aeneas neer, omknelt zijn knieën, en blijft smekend zitten.

De reis van Aeneas

Anchises 1 reikt hem daarop de hand en nodigt de man uit om zijn verhaal te vertellen. 'Ik ben afkomstig van Ithaca, een metgezel van Odysseus, en mijn naam is Achaemenides. Hier hebben mijn vrienden, in doodsangst, mij vergeten en achtergelaten in de reusachtige grot van de Cycloop. Hijzelf, een reus, voedt zich met het vlees van ongelukkigen en hun bloed. Met eigen ogen moest ik toezien hoe hij twee van onze mensen met zijn enorme klauw vastgreep en tegen de rots stukbrak, waarna zijn hol, ondergespat, droop van het bloed. Ik moest aanzien hoe hij hun ledematen opvrat en hoe de lauwe lichaamsdelen nog schokten tussen zijn tanden. Maar Odysseus kon dit niet aanzien en, toen het monster verzadigd was van de wijn en zijn nek achterover legde, doorboorde met een scherpe lans zijn enige oog. Daarna wist Odysseus uit de grot te vluchten maar vergaten ze mij mee te nemen. Maar de Cycloop is niet de enige op het eiland. Nog honderden anderen zwerven er rond, even bloeddorstig als hij, en heb ik me sindsdien in de bossen moeten verstoppen waar ik al drie maanden leef van bessen, kruiden en takken. Gisteren zag ik de vloot naderbij komen en lever me nu aan jullie uit. Ik sterf liever door mensenhanden dan opgevreten te worden door dit afschuwelijk volk.

Terwijl ze zo in gesprek zijn overlijdt de oude voedster, Caieta, van Aeneas, die de ramp van Troje samen met hem overleeft had. Ze wordt op het eiland begraven en bij haar graf plaatst Aeneas een marmeren plaat met de inscriptie ‘Hier ligt Caieta. Zij werd door een vrome held, haar pleegzoon, gered uit de Griekse vlammen en met dodenvuur geëerd.’ Terwijl hij hiermee bezig is ziet Aeneas plotseling op een berg de reus Polyphemus 2 verschijnen met een pijnboom als staf in zijn handen terwijl zijn schapen hem volgen. Hij loopt naar zee en wast, jammerend, zijn uitgestoken oog met zeewater uit. Zelfs van verre jaagt hij iedereen schrik aan en de Trojanen vluchten doodsbang naar hun schepen terwijl zij Achaemenides met zich meenemen. Polyphemus 2 hoort hun riemen in het water plonzen en geeft een enorme schreeuw. Daarop rennen alle andere Cyclopen uit de bossen en staren naar de vertrekkende schepen.

Dood van Anchises

Aeneas zeilt naar Delos waar ze, volgens opdracht, eer aan de goden brengen die daar heersen en varen dan verder naar het vruchtbare en moerasrijke Helorus. Daarna verschijnt in de verte Camerina, dan ook het land rond Gela, en toont het hooggelegen Acragas van verre haar machtige muren. Aeneas ziet ook het palmenrijke Selinus liggen terwijl de winden nog waaien, en vaart langs de ondiepten van Lilybaeum met zijn verraderlijke klippen. Hierna komt hij aan in de haven van Drepanum, waar koning Acestes, ook een Trojaan, regeert en hem hartelijk verwelkomt. Daar sterft, na een lange zwerftocht, zijn vader Anchises 1 van ouderdom. Aeneas treurt heftig bij zijn graf en klaagt dat Helenus 1, hoewel deze hem voor veel waarschuwde, niet vooraf op de hoogte had gebracht over dit droevige feit.

Dido

Noord-Afrika

Als hij de zee weer op gaat steekt er, door Hera veroorzaakt, een ongekende storm op. Deze stort zich op de zee en er rollen onmetelijke watermassa’s op de schepen af. Het wordt donker als de nacht, en in de hemel dondert en bliksemt het. De schepen worstelen met het water, die schipbreuk dreigen te lijden, en Aeneas richt een gebed tot de goden. Terwijl hij deze verzuchtingen slaakt treft een huilende noordoostenwind van voren het zeil en zwiept de golven ten hemel. Riemen knappen af, de voorsteven zwenkt en zijn schip geeft de flanken prijs aan de golven. Torenhoge bergen van water rollen over de schepen heen. Eén schip van zijn vloot ziet hij voor zijn ogen in de golven verdwijnen waarna de bemanning in de draaikolken van het water vruchteloos probeert te overleven. Heel zijn vloot wordt door de storm uiteen geslagen en is Aeneas, die met een paar schepen op een zandbank was gestrand, ten einde raad.

Intussen merkt Poseidon dat de zee heftig in beroering is omdat er een orkaan opgestoken was. Daar hij van niets weet steekt hij zij hoofd boven water, ziet de nood van de Trojanen, en begrijpt direct dat Hera hier de hand in heeft gehad. Meteen spreekt hij de winden aan en stuurt die, met veel bedreigingen, terug naar hun huis, laat de zon weer verschijnen en de zee bedaren. Triton en Cymothoe duwen samen de schepen van de zandbanken zodat die weer verder kunnen varen.

Uitgeput spannen Aeneas en zijn mannen zich in om het dichtstbij gelegen land te bereiken en varen richting Afrikaanse kust, waar zij een baai vinden die wordt beschermd door een eiland en zo een natuurlijke haven vormt. Daar gaat Aeneas met zijn resterende zeven schepen aan land. Uitgeput van hun belevenissen maken zijn mannen vuur en gaat Aeneas, samen met Achates op jacht. Ze schieten zeven kolossale herten, een voor elk schip, en verdelen die onder de scheepsbemanning. Na de maaltijd spreekt Aeneas zijn mannen, bij wie de moed begint te zakken na al die tegenslagen, met bemoedigende woorden toe: ‘Lotgenoten, we hebben ons aandeel aan ellende wel gehad, maar jullie hebben daarvoor wel erger meegemaakt. Een godheid zal hier een eind aan maken. Kop op, weg met die moedeloosheid, later zullen wij hier vrolijk over lachen als wij in het door het Lot voorspelde Italië zijn aangekomen en onze woonplaats, een nieuw Troje, weer opgebouwd hebben.’ Na zijn woorden monteren de mannen weer een beetje op en vallen, uitgeput maar voldaan, in slaap.

Aphrodite verschijnt

Maar Aeneas, de hele nacht van alles bedenkend, besloot zodra het licht werd om op pad te gaan en het onbekende gebied te verkennen. Vergezeld door Achates en uitgerust met twee werpspiesen trekt hij het land in en gaat een groot bos binnen. Daar komt hem een meisje tegemoet met het uiterlijk van een Spartaanse die aan het jagen lijkt te zijn. Als eerste spreekt zij Aeneas aan en vraagt: ‘Ach mannen, kunt u mij vertellen of u wellicht één van mijn zusters hebt gezien die hier aan het jagen zijn?’ Daarop antwoordt Aeneas: ‘Ik heb niemand gezien, meisje, of hoe ik je ook noemen mag. Want je ziet er niet uit als een sterveling, nee je lijkt eerder een godin. Ben je misschien de zuster van Apollo, of een van de Nimfen? Wees ons genadig en vertel ons in welke streek wij ons bevinden, op welke kust, en welke mensen hier wonen?

Het meisje zegt glimlachend: ‘U bevindt zich in Lybia waar Tyriërs wonen en Dido koningin over is, een balling uit de stad Tyrus die op de vlucht is voor haar broer. Maar wie zijn jullie, van welke kust komen jullie vandaan, en waar zijn jullie naar toe onderweg?’ Aeneas zucht, en zegt: ‘Ik ben Aeneas, het kind van Aphrodite, en onderweg naar een nieuw voorspeld vaderland. Wij komen uit Troje, of wat daar nog van over is en zijn, vele zeeën doorkruisend, op weg naar Italië. Maar een storm heeft mijn vloot van tweeëntwintig schepen uit elkaar geslagen en mij hier met slechts zeven schepen op de kust doen stranden.’ Daarop antwoord het meisje: ‘Ga vanaf hier verder naar het paleis van de koningin, want ik zeg je dat je metgezellen en de vloot die je noemde een veilige haven bereikt hebben, kijk maar naar de vlucht van gindse vogels die veel goeds voorspellen. Volg het pad en je komt er vanzelf.

Daarna draait ze zich om en openbaart zich, terwijl ze vertrekt, als de godin Aphrodite. Zodra hij zijn moeder herkende roept Aeneas: ‘Waarom misleid u me telkens zo wreed met schijngedaanten? Waarom elkaar niet omhelsd?‘ Daarna gaat hij op pad en hult Aphrodite het tweetal in een wolk waardoor niemand hen ziet en zij onopgemerkt naar de stad kunnen lopen.

Aankomst in Carthago

Weldra bereikten ze een heuvel waar zij zien hoe er druk gewerkt wordt om een nieuwe stad te bouwen. In het midden bevond zich een heilig bos waar Dido een tempel voor Hera had laten oprichten en Aeneas besluit om daar naar toe te gaan. Terwijl hij in de hoge tempelruimte de schitterende afbeeldingen bekijkt komt plotseling koningin Dido binnen, omringd door een grote groep jongelingen, die op een hoge troon gaat zitten. Daar spreekt zij recht, vaardigt wetten uit en verdeelt het werk. Plotseling ziet Aeneas een grote groep aankomen en herkent de mannen die hij, tijdens de storm op zee, uit het oog had verloren en naar andere kusten waren gevoerd. Verrast wil hij hen begroeten, maar door de onbekendheid met de situatie hield hij zich in. Samen met Achates houdt hij zich stil en kijken vanuit hun wolk naar wat er ging gebeuren.

De groep maakt zich als Trojanen aan Dido bekend, smeken haar om hen te sparen, en hun schepen niet in brand te steken. Voorts vertellen zij dat ze op weg zijn naar het Avondland, dat anderen Italië noemen. ‘Maar men verbiedt ons hier voet aan land te zetten en is bereid om ons met de wapens te verjagen. Ook wij hebben een koning, Aeneas, die rechtschapen is, maar zijn hem tijdens de storm kwijtgeraakt. Sta ons toe om de schepen aan land te trekken om die met hout uit de bossen te repareren, zodat wij naar onze koning op zoek kunnen gaan en Italië bereiken.’ Daarop antwoord Dido: 'Zet de vrees van u af, Teucriërs, weg met uw zorgen. Onheil en het nieuwe van mijn koningschap dwingen me deze maatregelen te nemen en in de wijde omtrek mijn gebied te bewaken. Maar wie kent Troje niet, en haar moedige mannen, en het geweld van die oorlog. Ook wij zijn Teucriërs en als jullie naar Italië wensen te gaan zal ik daarbij alle hulp verlenen die nodig is. En tevens zal ik langs de kust van Lybia naar uw koning Aeneas laten zoeken of hij daar als zwerver in de steden of bossen rondzwerft.

Dido verliefd

De koningin is nauwelijks uitgesproken of de verhullende wolk verlaat Aeneas. Zijn moeder laat hem stralen met prachtig glanzend haar, een opwekkende rode blos op zijn gezicht en een twinkelende glans in zijn ogen. Toen sprak hij, uit het niets tevoorschijn komend, tot Dido: ‘Hier is de man waarover u sprak, de Trojaan Aeneas. En u, u bent de enige die medelijden heeft met onze ellende, terwijl ons volk arm en behoeftig is. U daarvoor te bedanken ligt niet binnen ons vermogen, maar mogen de goden u een waardige beloning schenken.’ Na deze woorden omhelst Aeneas zijn mannen en kijkt hoopvol naar Dido.

Kennismaking met Dido

Dido nam verbaasd het woord: ‘Welke macht liet u stranden op afgelegen kusten. De lotgevallen van Troje en uw naam zijn mij bekend. Ook ik ben door een soortgelijk lot door veel ellende heen gegaan en uiteindelijk in dit land aangekomen. Niet onbekend met leed heb ik geleerd om ongelukkigen te helpen. Maar kom, treedt binnen in mijn paleis dan kunnen wij tijdens een maaltijd onze wederwaardigheden uitwisselen.’ Na deze woorden voerde zij Aeneas het paleis in en kondigde een dankdienst af voor de goden in de tempel. Aeneas stuurde Achates naar de mannen bij de schepen om dit alles te melden en hen zelf naar de stad te brengen.

Na de maaltijd verzoekt Dido aan Aeneas zijn verhaal te vertellen en hoe hij uiteindelijk op haar kust was gestrand. Terwijl Aeneas zijn verhaal doet, de wijn rijkelijk stroomt en op de achtergrond een muzikant op zijn citer speelt, zorgt Aphrodite er voor dat hij er prachtig uit ziet en krijgt Dido steeds warmere gevoelens voor hem. De volgende dag neemt ze Aeneas mee en leidt hem rond in haar in aanbouw zijnde stad. Ze wil hem vertellen hoe verliefd zij op hem is maar kan dit, vanwege haar reputatie en uit fatsoen, niet over haar lippen krijgen. Dit gaat zo enkele dagen door waarbij zij hem elke avond aan haar tafel uitnodigt en hij over zijn avonturen vertelt.

Op een dag spreken ze af om samen te gaan jagen en trekken het bos in zodra de zon opgaat. Terwijl de jagers bezig zijn het jachtterrein af te zetten, komt er een enorme donderwolk opzetten en vallen er grote hagelstenen uit de hemel. Heel de troep valt uit elkaar in de duisternis en Dido en Aeneas gaan angstig op zoek naar een schuilplaats en komen terecht in een grot. Daar trekt Dido zich niets meer aan van fatsoen of reputatie en geeft zich volledig over aan Aeneas. Zij noemt deze vereniging een huwelijk en camoufleert zo haar schuld. Heel die winter leven ze in een verliefde roes, vertroetelen elkaar, en zijn door de inmenging van Aphrodite in de ban van een schandelijke wellust.

Hermes maant Aeneas

In die periode helpt Aeneas Dido met de opbouw van haar stad. Terwijl hij, na een klein jaar, bezig is met de basis voor een burcht, komt de boodschapper van de goden, Hermes, op Aeneas af en zegt: ‘Leg jij nu de grondslag voor het machtige Carthago, pantoffelheld! Ben jij je eigen koninkrijk vergeten? Zeus heeft mij gestuurd met de volgende vraag: ‘Wat ben je van plan? Met welke hoop voldoe je hier de tijd? Als geen enkele roem je meer prikkelt, denk dan aan je opgroeiende zoon Ascanius 3 en de macht die hem toekomt over Italië!’' Direct nadat hij is uitgesproken verdwijnt Hermes uit het zicht, en laat een stomverbaasde Aeneas achter.

Deze verlangt vurig het gastvrije land te verlaten en staat perplex over de duidelijke vermaning en het bevel van de goden. Maar wat moet hij doen? Met welke woorden moet hij de hartstochtelijke vorstin benaderen? Waar moet hij mee beginnen? In gedachten laat hij alle mogelijkheden de revue passeren en geeft uiteindelijk bevel aan zijn eigen mannen om zich te verzamelen bij de kust en de schepen zeilklaar te maken. In de tussentijd zal hij proberen om Dido te spreken, een geschikt moment te kiezen voor zijn bekentenis, en zien welke draai hij aan de situatie kan geven.

Dido heeft het gerucht over zijn vertrek echter al vernomen en vliegt radeloos op Aeneas af. ‘Hoop je nu werkelijk, trouweloze, een zo groot onrecht te kunnen verheimelijken en stil uit mijn land te kunnen vertrekken? Houdt mijn liefde of mijn zekere dood jou niet hier? Ja, haast jij je zelfs om midden in de winter je vloot de zee op te sturen, meedogenloze? Zou je, als je niet op weg was naar een onbekende woonplaats en Troje nog bestond in zijn oude glorie, ook met je vloot naar Troje op weg gaan over zo'n onstuimige zee? Ontvlucht je mij soms? Bij deze tranen en de door jou gedane belofte, bid ik je, als ik je ooit aan mij verplicht heb, of je ooit ter wille geweest ben, heb dan medelijden met mijn huis, nu het wankelt, en als er nog plaats is voor beden, verander dan je verwerpelijke plan.

Aeneas, door de vermaning van Zeus, keek star voor zich uit en onderdrukte zijn gevoelens met moeite. Tenslotte zegt hij: ‘Ik zal nooit de weldaden ontkennen die jij, Dido, mij hebt betoond, en zal altijd met spijt terugdenken aan jou, zolang als ik leef. Ik was niet van plan deze aftocht heimelijk te verbergen, maar heb ook nooit geveinsd dat ik met je zou trouwen of daar plannen toe had. Als het lot mij dit toestond dan zou ik het liefste in Troje wonen, en stond het paleis van Priamus nog overeind. Maar nu heeft Apollo mij opdracht gegeven om een nieuw Troje in Italië te stichten. Als jij zo dol bent op je nieuwe stad hier, waarom misgun je mij dan hetzelfde? Ook ik mag toch een rijk zoeken in het buitenland. In mijn dromen ontzeg ik mijn zoon Ascanius 3 zijn nieuwe rijk door hier te blijven. Daarnaast ontving ik een bevel van de goden dat ik verder moet gaan met mijn tocht. Stop dus om jou en mij te kwellen met deze klachten. Ik ga niet uit eigen keuze naar Italië op weg.

Gekwetst kijkt Dido hem aan en zegt: ‘Je hebt geen godin als moeder, en Dardanus 1 was niet je voorvader, trouweloze, maar de huiveringwekkende Kaukasus met zijn harde rotsen heeft jou gebaard! Nergens is vertrouwen nog veilig. Ik redde jou, aangespoeld op de kust, van alles berooid en ik, dwaze, gaf je een deel van de macht. Ik redde je vloot die vergaan was, je vrienden, ach, ik word gek van woede! Nu brengt de bode van Zeus die vreselijke opdracht door de lucht. Nee, ik houd je niet tegen, en weerleg je woorden niet. Ga weg, zeil naar Italië, zoek je rijk over het water. Maar, als goddelijke macht nog iets kan, hoop ik dat je rijkelijk zult boeten op de klippen en dan vaak Dido bij haar naam zult roepen. Ik zal je van verre vervolgen in een donkere gloed en, als de kille dood mijn leden scheidt van mijn geest, zal ik je als schim overal bezoeken. Boeten zal je. En ik zal het horen. Ook in de onderwereld dringt dit nieuws door!' Dan breekt ze midden in de zin af, ontvlucht haar liefdesverdriet, en laat hem alleen achter.

Vertrek, opnieuw storm

Aeneas zucht diep, want zijn hart wankelt door sterke liefde, maar voert dan toch de opdracht van de goden uit en monstert de vloot. Daar zijn Trojanen hard aan de slag en rollen de hoge schepen langs heel de kust naar beneden. Ze brengen roeiriemen met het loof er nog aan, ruw en onbewerkt, vanwege de haast van hun snelle vertrek. Aeneas, vastbesloten om te vertrekken, slaapt die nacht op het hoge achterdek van zijn schip. Dan verschijnt Hermes voor de tweede keer aan hem in een droom. 'Zoon van een godin, kun je in deze situatie rustig blijven slapen? Zie je niet welke gevaren je bedreigen, dwaas. Hoor je de gunstige winden uit het westen niet waaien? Zij, met haar dood voor ogen, beraamt listen in haar hart en vreselijk onheil, en is belust op allerlei wraak. Maak dat je hier heel snel weg komt? Als je nog lang wacht zal je onder je schepen de zee zien schuimen en vijandige fakkels opvlammen. Kom, schiet op, actie! Je weet nooit wat je aan een vrouw hebt'. Na deze woorden verdween Hermes in het nachtelijk duister.

Sicilië

Aeneas, geschrokken van de plotselinge beelden, sprong uit bed en joeg zijn vrienden op met bevelen. 'Word wakker, mannen, en neem plaats op de roeibanken. Rol snel de zeilen uit. Een god, uit de hemel gezonden, zet nu al weer aan tot haast voor de vlucht en het kappen van de trossen. Wij geven gehoor aan de goden en gehoorzamen aan hun bevelen. Sta ons bij met uw hulp en breng gunstige sterren aan de hemel'. Met deze woorden rukte hij zijn fonkelend zwaard uit de schede en hakt het touwwerk door. Iedereen werd bevangen door dezelfde geestdrift, pakte hun biezen en rende rond. De kust hebben ze al achter zich gelaten, de zee gaat schuil onder de schepen, en verbeten woelen ze door het water of scheren dan weer over het oppervlak.

2e keer Sicilië

Aeneas hield vastbesloten koers, doorkliefde de golven, en keek achterom naar de stad. Hij ziet daar een groot vuur oplaaien en vraagt zich af wat dit betekent. Hij weet niet dat Dido zich, vanwege zijn vertrek, uit liefdesverdriet op de brandstapel heeft geworpen en gestorven is. Zodra de schepen op volle zee varen, en richting Italië koersen, begint het weer te stormen waardoor Aeneas gedwongen is om zijn koers te verleggen en naar Sicilië te varen. De westenwind bolt daarop hun zeilen en al snel landen zij op het bekende strand.

Koning Acestes had hen al van verre zien aankomen, terwijl hij op de berg aan het jagen was, en verwelkomt hen hartelijk. Hij overlaadt hen met eten en drinken en troost zijn afgematte vrienden met geschenken. De volgende dag roept Aeneas al zijn volgelingen en vrienden bijeen en spreekt hen vanaf een heuvel toe: ‘Grote nakomelingen van Dardanus 1, het is nu een jaar geleden dat wij de stoffelijke resten van mijn vader hier hebben begraven. Nu is de tijd aangebroken om hem te eren. Vandaag zullen wij hem herdenken met een offer en daarna nodigt onze Trojaanse vriend Acestes ons uit voor een feestmaaltijd en schenkt ons twee runderen per schip. Daarna, op de negende dag, zal ik spelen organiseren met mooie prijzen. Zwijg nu allen en omkrans uw hoofd met mirtetakken'.

Daarop trekken de duizenden naar de grafheuvel en plengt Aeneas twee bekers wijn op de aarde, twee bekers melk, twee met offerbloed, en strooit purperkleurige bloemen uit op het graf. Daarna zegt hij tegen zijn vader: ‘Gegroet, vader. Gegroet, as en schim, tevergeefs uit Troje gered. Het lot gunde u niet om in Italië te landen.’ Hij was nauwelijks uitgesproken of een glibberige slang kroop onder het altaar vandaan en omarmde het graf. Aeneas stond perplex, maar het dier schoof tussen de offers door, at van de geschonken etenswaar, en kroop daarna weer goedaardig terug onder de grafheuvel. Daarop gaat Aeneas nog intenser door met het eerbetoon aan zijn vader en slacht twee jonge schapen. Ook zijn volgelingen brengen vol vreugde geschenken en leggen die op het altaar.

Spelen

Op de negende dag begonnen de Spelen, de vijftiende die werden georganiseerd, waar ook de onderdanen van koning Acestes aan deelnemen. Als eerste wordt een roeiwedstrijd georganiseerd. Mnestheus had het schip Pistris, Gyas 1 het schip Chimaera, en Sergestus het schip Centaur. Cloanthus won met zijn schip Scylla, en ontving als prijs een talent zilver, en een met goud geborduurde mantel waar de figuur van Ganymedes met paars was ingeweven. Mnestheus ontving een borstharnas, Gyas 1 droeg ketels en gegraveerde zilveren bekers weg, en Sergestus won een slavin genaamd Pholoe 1 met haar twee zoons. Aan het tweede evenement, hardlopen, namen Nisus 3, Euryalus 6, Diores 3, Salius, Helymus en Panopes deel. Euryalus 6 won, en ontving als prijs een paard met mooie sieraden. Helymus ontving een pijlenkoker van de Amazonen als tweede prijs, en Diores 3 als derde een helm uit Argos. Aan Salius gaf hij de huid van een leeuw, aan Nisus 3, het werk van Didymaon. In het derde evenement boksten Dares 2 en Entellus tegen elkaar. Entellus won, en ontving een stier als prijs. Aan Dares 2 gaf hij een zwaard en een dolk. In de vierde wedstrijd bestreden Hippocoon 4, Mnestheus, Acestes en Eurytion 5 elkaar met de boog. Hij ontving een helm als geschenk, omdat, volgens het oordeel van Aeneas, op basis van een voorteken hij de eer aan Acestes gaf. Als vijfde, met zijn zoon Ascanius 3 als leider, speelden de jongens Trojaanse Spelen.

Aan het eind van dit spel krijgt Aeneas van Eumelus 5 het bericht dat zijn schepen in brand staan en ziet in de verte zwarte rook omhoog kringelen. Ascanius 3 stuift op zijn paard naar de ramp en Aeneas volgt te voet met alle andere Trojanen. Verbijsterd kijken zij naar het tafereel waarop Aeneas zijn kleren van het lijf rukt en de goden te hulp roept: 'Zeus, almachtige, als u alle Trojanen nog niet tot de laatste man toe haat, geef dan dat dit vuur de vloot nu met rust laat, vader, en ontruk de hachelijke staat van de Trojanen aan de ondergang, of anders, als ik dat verdien, stuur wat nu nog rest met uw vreselijke bliksem de dood in en begraaf het hier eigenhandig'. Hij was nauwelijks uitgesproken of een zwarte storm van stortregens plensde omlaag en de heuvels en velden weergalmden door de donder. Uit de hemel stroomde kolkend water, gitzwart van de winden, en de schepen stroomden vol met water, het half verkoolde hout werd doorweekt, totdat het vuur geblust was en alle schepen, op vier na, van de ondergang waren gered.

Vertrek Sicilië

Geschokt door deze tegenslag twijfelt Aeneas wat hem nu te doen staat. Daarop zegt de oude Nautes, die enigszins in de toekomst kan zien, tegen hem: ‘Aeneas, laten we nu ons lot maar volgen, waarheen dat ons ook stuurt. We zullen ons naar deze toestand moeten voegen. Betrek Acestes in een overleg en vraag hem degene van ons, die genoeg hebben van de reis en zich hier willen vestigen, die oud en zwak zijn op te nemen en te laten wonen in een stad die we Acesta zullen noemen.

Geprikkeld door deze woorden van zijn oude vriend tobt Aeneas die nacht op zijn bed als plotseling zijn vader verschijnt en tegen hem zegt: ‘Mijn zoon, ik kom in opdracht van Zeus, die de brand op de schepen bluste, en medelijden met je hebt. Geef gehoor aan het uitstekende advies dat de oude Nautes je gaf en voer een uitgelezen groep jonge en dappere mannen en vrouwen mee naar Italië. Daar zal je een hard en onbehouwen volk moeten verslaan. Maar je moet eerst in de onderwereld afdalen en mij daar bezoeken. De kuise Sibyl zal je daarnaartoe leiden na een offer met veel bloed van zwarte schapen. Dan zal je alles vernemen over welke stad je geschonken wordt. Voor nu vaarwel!’ Na deze woorden vervaagde Anchises 1.

De volgende ochtend roept Aeneas zijn tochtgenoten bijeen en vertelt hen de boodschap van zijn vader. Daarop gaat iedereen aan de slag, de overgebleven schepen worden hersteld en een begin gemaakt met een nieuwe stad voor de achterblijvers waarbij Aeneas de kavels grond verdeeld. Op de top van de Eryx wordt een tempel gebouwd voor Aphrodite en rond het graf van Anchises 1 een heilig woud aangelegd. Dan volgt het moment van afscheid. Aeneas troost de achterblijvers met vriendelijke woorden en beveelt hen onder tranen bij zijn bloedverwant Acestes aan. Dan geeft hij opdracht om de masten te heffen, de zeilen uit te rollen, en vertrekken de schepen terwijl stuurman Palinurus de koers uitzet.

Cumae, Sibyl

Zo varen ze richting Italië, maar ’s nachts valt Palinurus in slaap en drijft de vloot, geholpen door Poseidon, onaangedaan voort over zee. Zo passeren zij Inarime, Prochyte en de Pithecusen, die zo genoemd zijn naar hun apenstam en de leugenachtigheid van de Cecropen. Zij waren al in de buurt van de rosten der Sirenen als Aeneas plotseling wakker schrikt en merkt dat zijn schepen, zonder stuurman aan het roer, op drift zijn geraakt, en neemt zelf de helmstok in handen. Ze landen bij Cumae op de kust van Italië waar Aeneas op weg gaat naar de burcht waar Apollo zetelt en de afgelegen grot van de huiveringwekkende Sibyl is.

Sibylle, de profetes

Als hij bijna in de buurt is, en naar de burcht staat te gapen, komt de vooruitgestuurde Achates hem tegemoet met de priesteres van Apollo en Artemis, Deiphobe, de dochter van Glaucus 7, die tegen Aeneas zegt: ‘Stop met staren, het is nu tijd om zeven stieren en evenzovele schapen te slachten.’ Ze voeren de opdracht uit waarna de Trojanen de hoge tempel mogen betreden. Toen zij bij de ingang kwamen, waar vele stemmen opklonken voor de Sibyl, zei Deiphobe: 'De tijd is aangebroken om naar je lotsbeschikkingen te vragen bij de god, oh zie, de god! Talm niet met je beloften en gebeden, Trojaan Aeneas? Talm niet, want de reusachtige mondingen van zijn donderend huis zullen niet eerder opengaan'. Na deze woorden valt zij stil.

Een koude siddering overvalt Aeneas en vanuit het diepst van zijn hart zegt hij: ‘Apollo, u die altijd mededogen hebt getoond met het lijden van Troje, die het wapen van Paris op het lichaam van Achilles heeft gericht. Vele zeeën heb ik onder uw leiding bevaren en nu zetten wij eindelijk voet aan land in Italië. Laat het noodlot ons niet verder achtervolgen. Ik verzoek u ons verder te sparen en ook u, goden en godinnen die de roem van Troje een doorn in het oog was. En u profetes, die de toekomst kan lezen, sta toe dat wij ons in Italië vestigen. Dan zal ik voor Apollo en Artemis een marmeren tempel bouwen, en feestdagen instellen ter ere van Apollo. En ook u wacht een grote tempel, want daar breng ik uw orakels onder, bestemd voor mijn volk. Maar vertrouw uw voorspellingen niet toe aan de boombladeren, speelbal voor de winden, maar voorspel met uw eigen stem, zo smeek ik.’ Zo besloot Aeneas zijn smeekbede.

Dan gaan de vele poorten van het huis vanzelf open en klinken de antwoorden van de profetes door de lucht. ‘U, die grote gevaren op zee hebt doorstaan. U zult in het rijk aankomen, maak je daar maar niet bezorgd om. Maar er wachten je vele oorlogen, een tweede Achilles is al geboren en de kwellingen van Hera zullen je niet ontberen. Deins niet terug voor die ellende, maar biedt die des te moediger het hoofd, zolang het lot u dat gunt. Het eerste pad naar voorspoed loopt vanuit een Griekse stad!’ Zo voorspelde Sibyl haar huiveringwekkende raadsel en liet de grot weergalmen, waarheid verhullend in duistere taal.

Zodra haar razernij geweken en zij uitgesproken is zegt Aeneas: 'U vertelt geen nieuwe inspanningen, vrouwe, die onverwachts voor mij oprijzen. Dit alles heb ik voorzien en in mijn hart overwogen. Maar ik heb nog één verzoek, aangezien men zegt dat hier de deur naar de onderwereld is. Geef mij toestemming om mijn dierbare vader te ontmoeten en zijn gezicht te aanschouwen. Wijs mij de weg en open de heilige poort. Hem heb ik op mijn schouders door vlammen en een regen van speren in veiligheid gebracht. Hij heeft mijn tocht meegemaakt, alle zeeën, hun dreiging en die van de hemel met mij getrotseerd, ondanks zijn zwakte. Hij deed meer dan zijn kracht en het lot van zijn ouderdom toestond. Ja, hij droeg mij zelf op deze smeekbede tot u te richten en uw heiligdom te bezoeken. Heb medelijden met vader en zoon, doorluchtige, smeek ik.’ Met deze woorden bad hij met zijn hand aan het altaar.

Wederom begon de profetes te spreken: 'Zoon van Anchises 1, de afdaling via Avernus is gemakkelijk. De deur van de donkere Hades staat dag en nacht open. Maar terugkeren en weer ontkomen naar de bovenwereld, dat is het probleem, daarin schuilt de moeilijkheid. Slechts weinigen hebben dit gekund. Maar als zo’n groot verlangen in jouw geest leeft en je behoefte om twee maal de Stygische wateren over te steken zo groot is, twee maal de donkere Tartarus te zien, en je graag deze tocht van leed wilt volbrengen, hoor dan aan wat eerst volbracht moet worden. Er is in een donker woud een tak verborgen. Zijn bladeren en taaie schacht zijn van goud en aan Persephone 1 gewijd. Deze dekt het hele woud toe en wordt door een donker dal omsloten. Het wordt iemand pas toegestaan om af te dalen in de onderwereld nadat hij deze tak heeft geplukt. Deze moet als een passend geschenk bij Persephone 1 gebracht worden. zoek dus grondig en pluk hem als je de tak vind. Bovendien ligt er nog een ontzield lichaam, ach je weet het niet, en bezoedelt heel de vloot met zijn lijk. Geef hem eerst een passende rustplaats en zorg voor een graf. Pas dan zal je de onderwereld binnen mogen gaan.’ Zo sprak zij en sloot haar mond.

Begrafenis Misenus

Met bedrukt gezicht en neergeslagen ogen verliet Aeneas de grot terwijl hij in over de gebeurtenissen uit het verleden nadacht. Welke overleden vriend, welk lijk, bedoelde de priesteres? Aangekomen bij het strand zagen zij plotseling Misenus, omgekomen door een onwaardige dood. Deze had, overmoedig geworden, eens zijn hoorn laten klinken over de zeevlakten na een storm. Met dit geluid had hij de lagere zeegoden geprikkeld tot wedijver en Triton had hem van het dek gesleurd, onder water tussen de klippen, zonder dat iemand het gemerkt had. Luide jammerkreten klonken op en Aeneas haast zich om onmiddellijk het bevel van Sibyl uit te voeren. hij begraaft Misenus, richt een groot grafteken onder een hoge heuvel op, en noemt de plek Misenus.

Daarop trekken ze het woud in om te zoeken naar de gouden tak. Allen zoeken eindeloos maar kunnen hem niet vinden. In gedachten riep Aeneas zijn moeder aan. 'Ach mocht die gouden tak zich nu eens aan ons openbaren in dit enorme woud'. Na deze woorden komen prompt twee duiven uit de hemel aanvliegen en gingen op de groene grond zitten. Toen herkende hij de vogels van zijn moeder en bad vol vreugde: 'O, wees mijn gidsen, als er ergens een pad is, en leidt mij met jullie vlucht het bos in naar de plek waar die rijke tak de vette bodem beschaduwt. En u, moeder, verlaat mij niet in deze hachelijke omstandigheden'. Na deze woorden bleef hij staan, oplettend welke tekens zij gaven, en waarheen zij hem voorgingen. Ze bleven hem slechts zoveel vóór, als de ogen van hun volgers hen in het zicht konden houden. Toen zij bij de mond van de stinkende Onderwereld waren gekomen, vlogen zij snel omhoog en streken, na een glijvlucht door de heldere lucht, neer op de gewenste plek, boven een boom, waar de glans van goud door de takken glom. Direct greep Aeneas de gouden tak beet, brak die begerig af, en bracht hem naar het verblijf van Sibyl.

Afdaling in de onderwereld

Daarop brengt Aeneas, samen met de priesters, ’s nachts het gevraagde offer van zwarte stieren en lammeren. Bij het eerste licht van de dag begint de grond onder hun voeten te loeien, de wouden beginnen te beven, en honden lijken te janken in het duister, terwijl de godin in aantocht is. ‘Weg, ga weg, oningewijden.’ Roept de priesteres. ‘Ga allen weg van deze plaats in het bos. Maar jij, Aeneas, neem nu je zwaard uit de schede, toon durf en dapperheid.’ Na deze kreet stort zij zich in de razende muil van de grot en volgt Aeneas haar onbevreesd en met gelijke tred.

Zij liepen, in duister gehuld, door het donker van een verlaten nacht, door het lege verblijf van Hades. Vóór de eigenlijke toegang huizen vele verschrikkingen en daar aangekomen grijpt Aeneas, bevangen door een plotselinge angst, zijn zwaard en toont dat aan die schimmen. Gelukkig wijst zijn geleidster hem er op dat het slechts schimmen zijn anders was hij op hen afgerend en zou vergeefs geprobeerd hebben hen met zijn zwaard te treffen.

Vandaar loopt de weg naar de Acheron die hevig borrelt en modderig klotst. De afschrikwekkende veerman Charon bewaakt het water van deze rivier, terwijl er in zijn ogen een vuur brandt. Hij laat juist een menigte doden die net zijn gestorven, en rond zijn boot drommen, één voor één in zijn boot stappen. Aeneas kijkt verbaasd naar dit gedrang en vraagt aan zijn begeleidster: ‘Zeg mij, vrouwe, wat betekent deze drang naar de rivier? Wat jagen de zielen toch na? Met welk verschil verlaten zij de oever, maar strijken die anderen met riemen over het loodkleurige water?’ Daarop antwoordt de priesters: ‘Aeneas, je ziet hier het diepe water van de Styx, waarbij zelfs de goden niet vals zweren. Heel deze meute die je hier ziet is hulpeloos en onbegraven. Hij daar is Charon en degenen die hij overzet zijn begraven. Maar hen daar mag hij niet vervoeren voordat hun botten rusten in graven. Honderd jaren moeten zij dolen en langs deze oever rondfladderen. Dan pas is 't hen gegund het gewenste water terug te zien’. Aeneas bleef staan en hield zijn pas in, dacht hier lang over na terwijl hij dit onbillijke lot betreurde in zijn hart, en dacht aan zijn gesneuvelde kameraden, waaronder de pas verdwenen Palinurus, die op zee onbegraven waren gestorven.

Zodra Charon hen in het oog krijgt spreekt hij hen direct aan: ‘Wie je ook bent, die gewapend naar deze rivier komt, zeg op, wat je hier doen komt. Dit is het rijk van de schimmen. Het is verboden om levenden over te zetten.’ Daarop zegt de zieneres: ‘Deze Trojaan hier, Aeneas, is op weg naar beneden naar zijn vader bij de schimmen van de Erebus. Maar als een zo grote naam je karakter niet kan vermurwen, dan zal je toch zeker deze tak herkennen,' en toont de tak die verborgen zat onder haar kleed. Daarop zakt de woede van Charon en zweeg hij verder. In vervoering voor die prachtige gave, die hij lang niet meer gezien had, stuurt Charon zijn boot naar de oever, jaagt de andere zielen weg, en zet het tweetal over naar de andere oever van de rivier.

In de onderwereld

Daar blaft de hellehond Cerberus 1 luid uit zijn drie kelen, en ligt als een geweldig obstakel voor de ingang van de onderwereld. De zieneres werpt hem een slaapverwekkende koek toe als ze ziet dat hij overeind wil komen. De hond valt er hongerig op aan en valt direct in slaap met zijn grote lijf uitgestrekt op de grond. Nu de bewaker is uitgeschakeld gaat Aeneas de grot in en hoort onmiddellijk een luid gejammer van stemmen en ziet hoe onderwereldrechter Minos 1 de nieuw aangekomenen ondervraagt over hun leven en daden.

Even verder ziet hij Dido, barst in tranen uit, en zegt: ‘Ongelukkige Dido, het is dus waar dat je overleden bent? Was ik, oh ellende, de oorzaak van je dood? Ik zweer je bij de sterren en de goden, ik ben tegen mijn wil van je kust vertrokken. Nee, het bevel van de goden, dat me nu ook dwingt hier tussen de schimmen door te trekken, heeft mij met hun bevelen gedreven. Ik kan niet geloven dat ik je je door mijn vertrek zo’n groot onrecht heb aangedaan. Blijf staan en onttrek je niet aan mijn blik. Wie wil je ontvluchten? Dit is de laatste kans dat ik tot je mag spreken'. Met dergelijke woorden trachtte Aeneas haar woedende hart en grimmige blik mild te stemmen en liet zijn tranen de vrije loop.

Zij hield haar ogen echter op de grond gericht, en vertrok evenmin haar gezicht bij het begin van zijn woorden. Eindelijk vermant ze zich en neemt, vijandig, haar toevlucht tot het duistere woud, waar haar vroegere echtgenoot, Sychaeus, haar afkeer deelt en haar liefde beantwoordt. Aeneas, geschokt door dit harde toeval, kijkt haar onder tranen na, en beklaagt haar heengaan.

Dan snellen zij voort en komen aan bij het uiterste gebied, dat gereserveerd is voor oorlogshelden. Hier komen zij Tydeus tegen, Parthenopaeus, en ook de bleke schim van Adrastus 1. Hier zijn ook zijn dode stadgenoten, Glaucus 5, Medon 1 en Thersilochus 3, drie zonen van Antenor 1, Polyboetes, en Idaeus 2. De zielen dringen links en rechts op hem aan en het volstaat niet om éénmaal te kijken. Zij dralen, komen dichterbij, en vragen naar de reden van zijn komst. Maar de vorsten van de Trojanen en Agamemnons troepen raken in grote paniek, zodra ze hem zien en de wapens die glanzen in het donker. Ze vluchten weg zoals ze ooit naar hun schepen wegrenden.

Dan ziet hij Deiphobus 1, de zoon van Priamus, gewond over heel zijn lichaam, zijn vreselijk toegetakelde gezicht en afgehouwen neus. Hij herkent hem amper en zegt tegen hem: ‘Deiphobus 1, wie heeft jou zo wreed verminkt? Wie durfde je zoiets aan te doen? Mij bereikte in die laatste nacht het gerucht dat jij, uitgeput door het enorme bloedbad van de Grieken, neergezakt bent op de stapel lijken en heb persoonlijk, op een verre kust, voor jou een lege grafheuvel opgericht.’ Daarop antwoordt Deiphobus 1: ‘Ach, mijn vriend, dank daarvoor. Maar het lot en die verderfelijke Helena hebben mij deze wonden bezorgd. Tijdens die vreselijke nacht haalde die vrouw alle wapens uit huis, hield mij in slaap, liet Menelaus samen met Odysseus binnen, welke mij zo ter dood brachten. Maar kom, vertel mij hoe jij hier, levend, naar toe bent gekomen?' Maar Sibyl vermaant hen: ‘De nacht komt er aan, Aeneas, en wij verkwisten tijd met jammeren. Hier splits de weg zich naar twee kanten, naar rechts leidt de weg naar de stad van de grote Hades, links gaat naar het Elysium.’ Daarop zegt Deiphobus 1: ‘Wees niet boos, verheven priesters, ik ga al weg en voeg me weer bij de doden in het duister,’ en vertrok.

Ontmoeting met Anchises

Na die woorden zegt de priesters: ‘Kom, voltooi de onderneming die je op je nam, laten we opschieten, en naar het Elysium gaan.’ Daar aangekomen drommen de schimmen om haar heen en vraagt Sibyl: ‘Zeg mij, gelukzalige geesten, waar bevindt zich Anchises 1, op welke plaats is hij? Voor hem zijn wij gekomen.’ Daarop geeft Musaeus 1 antwoord: ‘Niemand heeft hier een vaste verblijfplaats. Wij wonen in een lommerrijk bos, en hebben oevers als rustbed en ook frisse weiden langs beekjes. Maar kom, beklim deze hoogte, dan zal ik u langs een gemakkelijk pad leiden’. Zo sprak hij en ging hen voor.

Als Anchises 1 zijn zoon ziet aankomen strekt hij beide armen verheugd naar hem uit en zegt in tranen: ‘Daar ben je dan toch! Je toewijding, die je vader verwachtte, heeft de barre tocht succesvol gemaakt! Ik mag je nog eens terugzien, m’n zoon, en we mogen, als ooit, nog eens met elkaar spreken! Waarachtig! Ik telde de dagen af, en mijn verlangen heeft mij niet bedrogen. Hoeveel landen, hoeveel zeeën heb je doorploegd, dat ik je nu mag omarmen! Hoeveel grote gevaren heb je niet doorstaan, mijn zoon!’ Daarop zegt Aeneas: ‘Jouw droevig beeld, vader, ja, jouw droevige beeld verscheen vaak in mijn gedachten, en bracht me naar deze wereld. Laat me je nu omarmen, sta dat toe, vader, en onttrek je niet aan mijn omhelzing'. Met deze woorden vergoot hij een stroom hete tranen. Drie maal probeerde hij zijn armen om hem heen te slaan, drie maal ontglipte de schim zijn vergeefs samenkomende handen, als ijle winden en vluchtige dromen.

Daarop neemt Anchises 1 zijn zoon mee naar een verhoging waar ze gaan zitten en naar de om hen heen drommende menigte kijken. Aeneas huivert bij de aanblik en vraagt onwetend wie dat allemaal zijn. Daarop vertelt Anchises 1 het volgende: 'Zielen, die door het lot een ander lichaam nodig hebben, drinken hier water uit de Lethe-bron en vergeten alles wat zij hebben meegemaakt in hun leven zodat zij weer met een schone lei kunnen beginnen. Ik verlang er werkelijk al lang naar om jou dit te openbaren en van dichtbij te laten zien, zodat je, samen met mij, blij kunt zijn dat je Italië hebt bereikt.’ ‘Maar moet ik dan geloven dat sommige van deze zielen weer naar boven komen om opnieuw te leven,’ vraagt Aeneas verbaasd aan zijn vader.

Ja zeker.’ zegt Anchises 1, ‘Nadat men hier een bepaalde cyclus heeft volbracht, roept de god de zuiverste van deze geesten bijeen en laat hen terugkeren in hun lichamen. Nu zal ik je beschrijven welke roem ten deel zal vallen aan de nazaten van Dardanus 1, kinderen die in Italië geboren zullen worden, en ook jouw lot onthullen. Kijk, die jongeling daar, hij zal als eerste naar het licht hierboven gaan. Silvius, een Albaanse naam, jouw laatste nakomeling, die jou nog wacht bij je echtgenote Lavinia. Een koning en vader van koningen, door hem zal ons geslacht heerser zijn over Alba Longa. Die man daarnaast is Procas, de roem van het Trojaanse volk, en dan Capys en Numitor en de man die door zijn naam jouw wedergeboorte bewerkt. Silvius Aeneas, even voortreffelijk én in ouderliefde én in de oorlog als hij eenmaal over Alba koning is.

Wat een jongelingen! Kijk wat een kracht zij uitstralen. Zij daar stichten Nomentum en Gabii en de stad Fidenae, die daar bouwen de burchten van Collatina op de bergen, Pometii en Castrum Invi en Bola en Cora. Dat zullen dan klinkende namen zijn, nu nog onbenoemde terreinen. Ja, als metgezel zal Ares 1' zoon Romulus zich ook scharen aan de zij van zijn grootvader. Hem zal moeder Ilia baren uit Assaracus' bloed. Weet wel, mijn zoon, onder zijn leiding zal Rome zijn macht uitbreiden over de aarde. Wend nu je blik hierheen, aanschouw dit volk. Het zijn jouw Romeinen. Hier zie je Caesar en heel het geslacht van Ascanius 3 dat onder de grote hemel zal wonen. Dit, ja dit is de man, Caesar Augustus, die weer gouden eeuwen zal brengen voor Italië. Hij zal zijn heerschappij uitbreiden. Zijn komst vrezen de Caspische koninkrijken nu al op basis van orakels. Zelfs Heracles bezocht niet zoveel landen.

Maar de man daar, met die grijze baard, zal als eerste de stad Rome grondvesten en wetten uitvaardigen. Hem zal Tullus opvolgen, die de rust van het land zal verbreken en lome mannen weer onder de wapens zal brengen en troepen laten triomferen die dat al weer ontwend zijn. Na hem volgt Ancus. Wil je ook de Tarquinische koningen zien, en de trotse wreker Brutus en de macht die hij herovert? Hij zal het eerst de macht van een consul verkrijgen en de meedogenloze bijlen, als vader zal hij zonen die oproepen tot ongehoorde oorlog, straffen in ruil voor stralende vrijheid. Kijk daar naar de Decii en Drusi in de verte en Torquatus en Camillus die de veldtekens weer terugbracht. Die twee echter zijn nu nog eensgezind, zolang zij in het duister verkeren, maar ach, wat een vreselijke, onderlinge oorlog zullen zij ontketenen, als zij het levenslicht eenmaal aanschouwd hebben!' Zo voorspelt Anchises 1 aan zijn zoon heel de toekomst van het Romeinse rijk en leidt hem rond tussen de toekomstige wereldleiders.

Vol van de instructies en voorspellingen van zijn vader keert Aeneas, met toestemming van de Moiren, vermoeid terug naar de bovenwereld. De gesprekken met de Sibyl bekortten de tocht door de schemerige duisternis en op een gegeven moment zegt hij tegen haar: ‘Of u zelf een godheid bent of een gunstelinge der goden, ik vereer u voortaan als godin, omdat ik u, dat begrijp ik heel goed, mijn leven dank. Door uw genade mocht ik de wereld van de dood bezoeken en er ook weer aan ontsnappen. Eenmaal terug op aarde zal ik een tempel aan u wijden en levenslang met wierook eren.’ De profetes keek naar hem om en sprak diep zuchtend: ‘Nee, ik ben geen godheid en je mag een sterveling nooit danken met wierook! Vergis je in je onschuld niet! En weet dat ik het licht van de eeuwigheid alleen had kunnen zien, als ik mijn kuisheid had geofferd aan Apollo’s liefde. Toen hij die hoop nog had en dacht dat hij mij met cadeaus kon winnen. Ik wees hem af en leid sindsdien een ongehuwd bestaan. ik moet nog driemaal honderd zomers leven, dan komt ook voor mij het uur, dat ik van groot heel klein zal worden.’ Zo sprak hij met Sibyl tijdens zijn tocht omhoog, waarna Aeneas weer uit de onderwereld bij Cumae opdook.

De kabels werden losgegooid, de kruidenrijke oever verlaten, en enige tijd later Aeneas arriveert op de plek waar de Tiber, met zijn lichte zand en dichte nevelslierten, de zee in stroomt. Latinus 2, de zoon van Faunus 1, geeft hem onderdak en zijn dochter Lavina als vrouw, nadat hij een woeste oorlog tegen het volk van Turnus heeft gevoerd. Zo wordt een begin gemaakt met het latere Romeinse Rijk. De geschiedenis van Aeneas is hier zeker niet afgelopen maar die verhalen behoren tot de Romeinse mythologie.

Dood van Aeneas

Aeneas’ dapperheid had alle Goden, en zelfs Hera, ertoe gebracht hun oude wraaklust te beëindigen. De macht voor zijn nog jonge zoontje Ascanius 3 (Julus) was gegrondvest. Voor Aphrodite’s held brak nu het tijdstip aan van de hemelvaart. Aphrodite was eerst de goden langs gegaan, zij had haar vader omhelsd en hem gezegd: ‘Nog nooit hebt u mij, vaderlief, te streng bejegend. Wees nu minder streng dan ooit, ik smeek het, en gun Aeneas, die mijn eigen bloed is en daardoor uw kleinzoon, Zeus, een plaatsje, hoe bescheiden ook, zolang u maar iets gunt, onder de goden. Hij verdient het sinds hij dat kille rijk bezocht, sinds hij de Styx bevoer.

De Goden stemden in, en zelfs de hemelse vorstin toonde geen strak gezicht, maar knikte vriendelijk, waarop de vader sprak: ‘Mijn kind, de godenstatus die je voor Aeneas vraagt, past hem zozeer als jou. Doe naar believen.’ Verheugd om zijn genadig woord brengt zij haar vader dank, rijst door het hoge luchtruim op haar duivenspan, totdat ze de kuststrook bij Laurentium nadert, waar Numicus tussen het riet zijn trage waterstroom naar zee laat glijden. Hij krijgt de opdracht alles van Aeneas wat met dood bedreigd wordt, af te spoelen en mee te nemen naar zee. De hoorndragende riviergod doet zijn werk naar Aphrodite’s woord. Zijn water spoelt en reinigt wat Aeneas aan sterfelijkheid bezit, het beste deel blijft voortbestaan. De moeder heeft het reine lichaam met een hemels reukwerk gezalfd, zijn lippen aangeraakt met ambrozijn, vermengt met zoete nectar, en een god van hem gemaakt. Het volk bood hem offers en een tempel aan, en noemt hem Indiges.

Stambomen:

Anchises 1 Aphrodite Priamus Hecabe 1
Aeneas Creusa 2
Ascanius 3 (Julus)

Anchises 1 Aphrodite Belus 2 -
Aeneas Dido
-

Anchises 1 Aphrodite Latinus 2 -
Aeneas Lavinia
-

Bronnen:

©2014 Maarten Hendriksz