Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Patroclus 1

De buste van Patroclus

Patroclus 1 is de zoon van Menoetius 1 uit de stad Opus in Locrië. Over zijn moeder is minder eenduidigheid en worden in de verschillende mythen de volgende vier namen genoemd: Sthenele 2 , Periopis , Polymele 2 en Philomela 3. Als klein kind doodt Patroclus 1, tijdens een wedstrijd bikkelen of klootschieten, per ongeluk Clitonymus, de zoon van Amphidamas 2. Hierdoor moet Patroclus 1 uit Opus vluchten en gaat hij, samen met zijn vader, naar Peleus in Phthia. Vervolgens reinigt Peleus Patroclus 1 ritueel van de moord, en neemt hem samen met zijn vader liefdevol op in zijn huishouden. Daar wordt Patroclus 1 de boezemvriend van de iets jongere Achilles, de zoon van Peleus en groeien samen met hem op.

Chiron

Wanneer de twee nog zeer jong zijn brengt Menoetius 1, net als Peleus zijn zoon Achilles, naar de Centaur Chiron op de berg Pelion om voor de verdere opvoeding van zijn zoon te zorgen. De Spartaanse opvoeding van Chiron had het gewenste effect en Patroclus 1 groeide op tot een krachtig gebouwde jongeman, met grijze ogen en een knap uiterlijk, die uiterst vaardig met de speer overweg kon. Daarnaast leerde Patroclus 1 vaardig op de lier te spelen en zong hij regelmatig samen met Achilles de mooiste duetten. Tussen Achilles en Patroclus 1 groeit een innige vriendschap en Patroclus 1 is dan ook uiterst verdrietig als Thetis, op basis van een voorspelling, haar zoon komt ophalen om hem op een geheime plek te verbergen. Hierna keert Patroclus 1 alleen terug naar zijn vader Menoetius 1 bij Peleus om zijn opvoeding te voltooien. In Phthia wordt Patroclus 1 uiteindelijk een beminnelijke en vriendelijke jongeman die, godvrezend als hij was, Zeus regelmatig offer bracht.

Vrijer van Helena

Net als vele andere jongemannen in Griekenland dingt Patroclus 1 naar de hand van de mooie Helena in Sparta om haar tot zijn vrouw te maken. Maar haar stiefvader Tyndareus is bang dat er oorlog zal ontstaan tussen de vele vrijers, en laat Helena op advies van Odysseus zelf haar keuze maken, nadat hij alle vrijers een eed heeft laten zweren dat ze haar keuze zullen respecteren. Ze moeten bovendien beloven om te hulp te snellen als de huwelijkse staat van Helena door iemand wordt geschonden. Ook Patroclus 1 legt de eed af, maar kiest Helena voor Menelaus uit Mycene, en keert hij weer als vrijgezel terug naar Phthia. Enkele jaren later wordt Griekenland wreed opgeschud door de schaking van Helena door de Trojaan Paris, en worden boodschappers door heel het land gestuurd om degenen die de eed hadden afgelegd aan hun woord te houden.

Oproep tot oorlog

Omstreeks die tijd keerde ook Achilles terug bij zijn vader, nadat Odysseus zijn schuilplaats had ontdekt, en hem had overgehaald om deel te nemen aan de strafexpeditie tegen Troje. Zodra Achilles thuis komt ontdekken Patroclus 1 en Achilles verheugd dat hun vriendschap door de scheiding niet heeft geleden, en gaan weer even vertrouwd als altijd met elkaar om. Als ze op een dag samen vlees aan het bereiden zijn op de binnenplaats staan plotseling Odysseus en Nestor aan de poort. Achilles nodigt het tweetal uit om binnen te komen en vraagt hen om deel te nemen aan de maaltijd. Tijdens het eten vertellen Odysseus en Nestor het doel van hun komst. Koning Agamemnon is een legermacht aan het samenstellen om naar Troje te varen en daar de geschaakte vrouw van zijn broer terug te halen. Ook Patroclus 1 meldt zich spontaan aan voor de expeditie. Dan zegt Menoetius 1 tegen hem: ‘Mijn zoon, Achilles is sterker en edeler van geboorte dan jij. Maar jij bent de oudste, en het is dus aan jou om hem tot voorbeeld te zijn, te adviseren en te leiden. Voor zijn eigen bestwil zal hij je volgen.

Orakel in Delphi

Samen bereiden Achilles en Patroclus 1 zich voor op de strijd, en varen na enige tijd met vijftig schepen, die elk zijn bemand door vijftig strijdlustige Myrmidonen, naar de haven van Aulis om zich bij de vloot van Agamemnon en Menelaus te voegen. In de haven riep Agamemnon, die tot legerleider werd verkozen, alle leiders bijeen in een raadsvergadering, en spoorden hen aan de misdaad die door Paris was begaan zo snel mogelijk te wreken. Voordat de vloot vertrekt wordt Achilles, samen met Patroclus 1, nog naar Delphi gestuurd, om het orakel over het verloop van de oorlog te raadplegen. Daar ontmoeten ze de ziener Calchas, die van het orakel te horen kreeg dat de oorlog tien jaar zal duren voordat Troje zou vallen. Gedrieën keren ze terug naar Aulis met dit bericht en vaart de vloot, na enig oponthoud door windstilte, uit naar Troje.

Eerste jaren van de strijd

Na enige omzwervingen landen de Grieken uiteindelijk op de kust van Troje en blinkt Achilles onmiddellijk uit door zijn enorme strijdlust. Hij weet vele Trojanen te doden, terwijl hij samen met Patroclus 1 de Myrmidonen aanvoert. Maar de Trojanen weren zich krachtig, krijgen regelmatig steun van bondgenoten uit omliggende landen, waardoor het de Grieken niet lukt om hen te verslaan. Na elke veldslag wordt er een bestand afgesproken om de vele doden te begraven en de gewonden te verzorgen. Uiteindelijk beslist Agamemnon om Achilles en enkele anderen naar de omliggende landen te sturen om die te veroveren, en zo de slagkracht van de Trojanen te breken. Patroclus 1 gaat elke keer met zijn vriend mee en weten ze samen vele bondgenoten van de Trojanen te verslaan, terwijl ze bovendien grote hoeveelheden buit en slaven meenemen naar het Griekse scheepskamp.

Briseis

Patroclus en Briseis

Zo neemt Achilles in het derde jaar van de oorlog Lycaon 2, een zoon van koning Priamus van Troje, krijgsgevangen, die Patroclus 1 als slaaf moet verkopen op het eiland Lemnos. Tijdens deze veroveringen maakt Achilles ook het mooie meisje Briseis buit. Hij vindt het meisje echter zo mooi dat hij haar niet wil verkopen, en voor zichzelf houdt om zijn bed te verwarmen. Wanneer het meisje jammerend in de tent van Achilles zit probeert Patroclus 1 haar te troosten en zegt: ‘Waarom huil je Briseis? Achilles zal je tot zijn wettige vrouw maken en, zodra de oorlog is afgelopen, meenemen naar Griekenland waar we tussen de Myrmidonen een grootste bruiloft zullen vieren’. Zo sleept de oorlog zich voort totdat het tiende jaar aanbreekt en Briseis onderdeel wordt van een knallende ruzie tussen Achilles en Agamemnon.

Ruzie Achilles

Apollo liet namelijk in het scheepskamp de pest uitbreken omdat Agamemnon zijn priester Chryses 1 bruut had weggestuurd, nadat die aan hem had gevraagd om zijn gevangen genomen dochter Chryseis 1 terug te geven. Agamemnon weigerde, omdat hij verliefd op het meisje was geworden. Als de andere Grieken bij Agamemnon aandringen om het meisje toch aan haar vader terug te geven ontstaat er een felle woordenwisseling tussen Achilles en Agamemnon. Woedend stemt Agamemnon uiteindelijk in, maar eist van Achilles dat hij Briseis als genoegdoening aan hem geeft. Op aanraden van de Godin Athena stemt Achilles uiteindelijk in, maar weigert daarna om nog langer voor de Grieken te vechten, en loopt samen met Patroclus 1 woedend terug naar zijn tent aan het strand.

Mokkende Achilles

Even later komen de herauten van Agamemnon bij Achilles aan om zijn Briseis weg te halen, en zegt Achilles dat hij geen ruzie heeft met hen, maar met Agamemnon. Aan Patroclus 1 vraagt hij om het meisje uit de tent te halen en aan de herauten mee te geven. Patroclus 1 voldoet aan zijn verzoek en brengt het meisje bij de mannen. Vervolgens weigerde Achilles om enkele van de andere aanvoerders te zien die bij hem op bezoek kwamen. Noch wilde hij een van zijn vrienden vergeven voor het feit dat ze hem in de steek hadden gelaten toen zij hem tegen de buitensporige actie van Agamemnon hadden moeten verdedigen. Hij bleef liever in zijn hut met Patroclus 1, zijn dierbaarste vriend. De volgende dag wordt er een felle strijd geleverd tussen de Trojanen en de Grieken, terwijl Patroclus 1 en Achilles rustig bij hun schepen verblijven.

Delegatie van Agamemnon

Aan het einde van die dag zit Patroclus 1 samen met Achilles aan het strand terwijl Achilles op zijn lier speelt en Patroclus 1 bewonderend luistert. Op dat moment komen Odysseus, Diomedes 1 en Phoenix 1 op het tweetal af. Achilles ontvangt hen hartelijk, en vraagt aan Patroclus 1 of hij het mengvat gereed wil maken om hun gasten een heerlijke beker wijn en wat te eten aan te bieden. In het licht van het vuur zet Patroclus 1 een lange tafel neer met daarop de ruggen van een schaap, een mestgeit en een varkensbout met veel spek eraan. Vervolgens wakkert hij het vuur aan om het vlees te braden. Zorgvuldig steekt hij stukken vlees aan het spit en smeert er zout over. Vervolgens legt hij brood op tafel. Als de maaltijd klaar staat offert Patroclus 1, op verzoek van Achilles, aan de Goden, door wat vleesbrokken in het vuur te werpen. Het gezelschap valt op de maaltijd aan en drinkt van de lekkere wijn. Dan maken de gasten het doel van hun bezoek bekend en vragen Achilles om zijn ruzie met Agamemnon bij te leggen, en de Grieken weer te helpen met de strijd tegen de Trojanen. Maar Achilles weigert botweg waarna de delegatie weer vertrekt.

Iphis 1

Hoewel Patroclus 1 popelt om de Grieken weer te helpen in de strijd, die nu nadelig voor hen verloopt vanwege de weigering van Achilles, blijft hij zijn vriend trouw en neemt ook hij niet meer deel aan de strijd. Om de tijd te doden deelt hij regelmatig het bed met de slavin Iphis 1, die hij van Achilles had gekregen nadat ze de burcht op het eiland Scyros hadden veroverd. Intussen woedt er een verschrikkelijke strijd tussen de Trojanen en de Grieken, want Zeus had de aanvoerder van de Trojanen, Hector, onoverwinnelijk gemaakt. Ze slagen er zelfs in om, na een felle strijd, de Grieken in hun scheepskamp te omsingelen. Ondanks deze benauwde situatie blijven Patroclus 1 en Achilles zich afzijdig houden en kijken op afstand vanaf hun schip naar het verloop van de strijd, of doden de tijd door samen te musiceren.

Naar Nestor

Patroclus en Nestor

Als Patroclus 1 de volgende dag in de tent bezig is wordt hij door Achilles geroepen die op het dek naar de gevechten zat te kijken. Als Patroclus 1 bij hem is zegt Achilles: ‘Mijn goede vriend, ik zie dat het bijna zover is dat de Grieken smekend aan mijn knieën zullen liggen om mij te vragen weer deel te nemen aan de strijd. Maar nu zou ik graag willen dat je naar Nestor gaat om te vragen wie de gewonde is die hij van het slagveld afvoert? Vanaf deze afstand lijkt het Machaon te zijn, maar de paarden liepen zo snel dat ik het niet goed kon zien.’ Onmiddellijk gaat Patroclus 1 op pad naar Nestor. Zodra hij in de tentopening van Nestor staat ziet hij binnen Nestor en Machaon zitten, trekt Nestor hem naar binnen, en vraagt hem te gaan zitten.

Gesprek met Nestor

Maar Patroclus 1 blijft staan en zegt: ‘Beste Nestor, ik heb geen tijd om te gaan zitten en doorvragen is nutteloos. Achilles stuurde mij en wil met spoed weten wie je gewond hierheen bracht. Je weet hoe moeilijk en ongedurig hij is. Als ik ging zitten zou ik hem uitdagen. Ik zie nu met mijn eigen ogen dat de gewonde Machaon is. Ik ga dus onmiddellijk terug om dat aan Achilles te melden.’ Hierop reageert Nestor. ‘Waarom maakt Achilles zich zo druk over een enkele gewonde, terwijl zich een ramp over het hele leger voltrekt. We hebben vele dode en gewonde vrienden te betreuren. Wacht hij wellicht totdat de schepen in brand gestoken worden en het leger verslagen. O, had ik toch nog mijn kracht van vroeger terug.

Reactie Nestor

Maar, ook hij zal tranen vergieten, als het leger is vernietigd, en door wroeging worden overmand. Weet je nog wat je vader zei toe ik samen met Odysseus bij jullie thuis op bezoek was om soldaten te werven voor deze oorlog. Het is dus niet onverstandig om een wijs woord tot Achilles te spreken. Misschien dat hij naar jou luistert, de raad van een vriend is overtuigender. Maar als hij, vanwege een voorspelling, door de Goden weerhouden wordt om weer deel te nemen aan de strijd, laat hij dan jou toestemming geven om met de Myrmidonen deel te nemen aan de gevechten. Misschien dat de Grieken zo nog te redden zijn. Laat hem jou zijn eigen wapenuitrusting geven om in te vechten. De Trojanen zullen dan denken dat jij Achilles bent, en uit angst de strijd staken. Zelfs een moment van pauze kan al voldoende zijn om het tij te keren. De Trojanen zijn, net als wij, uitgeput. Misschien dat jij, niet moe van de gevechten, hen uit het scheepskamp kunt verjagen naar hun eigen stad.

Eurypylus 2

Diep ontroerd door de woorden van Nestor gaat Patroclus 1 terug Achilles en komt onderweg de gewonde Eurypylus 2 tegen. Het zweet druipt van zijn lijf en stroomt er bloed uit een wond in zijn been. Door medelijden bewogen roept Patroclus 1 tegen hem: ‘Ach, jij rampzalige. Moeten dan alle aanvoerders en raadslieden van de Grieken, ver van hun vaderland verwijderd, afgemaakt worden door die van Troje? Zeg me, Eurypylus 2. Is er dan geen hoop meer om die verschrikkelijke Hector te stuiten.’ Hierop antwoordde Eurypylus 2, ‘Patroclus 1, er rest de Grieken niets anders dan te vluchten. Al onze helden liggen gewond in de ruimen van hun schepen en de Trojanen worden voortdurend sterker. Mij kun je nog redden en veilig naar mijn schip brengen. Snij de pijl uit mijn dij en was de wond met schoon water. Men zegt dat jij enkele helende middelen kent, die je van Achilles leerde.’ Geëmotioneerd slaat Patroclus 1 vervolgens zijn arm om Eurypylus 2 en brengt hem naar zijn tent waar hij de wond verzorgt. Terwijl hij daarmee bezig is ziet Patroclus 1 de Trojanen door de muur om het scheepskamp breken, waarna de Grieken gillend op de vlucht slaan.

Smeekbede

Hij slaakt een klagende kreet, slaat zich met zijn hand op zijn dij, en zegt tegen Eurypylus 2: ‘Ik kan niet langer blijven, hoezeer je ook mijn hulp nodig hebt. Het beslissende moment is aangebroken. Je schildknaap moet je maar verder verzorgen terwijl ik snel naar Achilles ga, en probeer hem te overreden om weer deel te nemen aan de strijd. Misschien lukt het me.’ Zodra hij de tent bereikt lopen Patroclus 1 de tranen van verdriet over de wangen en vraagt Achilles: ‘Wat is er aan de hand, mijn vriend. Is er droevig nieuws, kom zeg het me.’ Patroclus 1 zucht diep en zegt: ‘Mijn vriend, verwijt me niet dat ik huil. Het leger is er slecht aan toe. Al onze grootste leiders liggen gewond in hun schepen en de Trojanen zijn al in het kamp, en jij blijft onvermurwbaar bij je schip zitten. De hemel behoede mij voor de wraakgevoelens die je koestert en zo een edele aard vertroebelen. Onbarmhartig en hard als je bent kan men je toch nauwelijks de zoon van Thetis en Peleus noemen. Maar ik neem aan dat je door een voorspelling van de Goden wordt weerhouden. Sta mij toe om onmiddellijk, aan het hoofd van de Myrmidonen ten strijde te trekken. Misschien kan ik de Grieken nog redden. Leen me ook je eigen wapenuitrusting. Misschien dat de Trojanen dan denken dat jij het bent en de strijd staken.

Toestemming

Geprikkeld reageert Achilles: ‘Wat is dat voor wartaal over voorspellingen Patroclus 1? Al wist ik precies wat er ging gebeuren, dan zou ik nog doen wat ik nu doe.’ En zo gaat Achilles nog een tijdje door om zijn woede te luchten over het onrecht dat hem is aangedaan door Agamemnon. Uiteindelijk geeft hij Patroclus 1 toch toestemming om ten strijde te trekken en zegt: ‘Val de Trojanen uit alle macht aan, en verjaag ze uit het kamp voordat ze onze schepen in brand steken. Keer echter onmiddellijk terug als dat gebeurd is. Ook al zou Zeus je persoonlijk helpen, ga niet verder om de Trojanen rechtstreeks aan te vallen zonder mijn hulp. Stop zodra ze uit het kamp zijn en val de stad niet aan. Je zult dan ongetwijfeld één van de Goden, Apollo bijvoorbeeld, de voet dwars zetten. Keer terug zodra de schepen veilig zijn gesteld en laat het vechten op de vlakte aan de anderen over.’ Terwijl hij zo spreekt lukt het de Trojanen om één Grieks schip in de brand te steken en laaien de eerste vlammen hoog op.

Wapenrusting van Achilles

Als Achilles de vlammen ziet zegt hij: ‘Schiet op, Patroclus 1, ik zie in de verte een vlammengloed bij de schepen. Zorg dat de Trojanen verjaagd worden en onze schepen veilig zijn. Trek vlug mijn wapenuitrusting aan terwijl ik de mannen bijeen roep.’ Dankbaar voor de toestemming van Achilles trekt Patroclus 1 snel de glimmende bronzen wapenuitrusting van Achilles aan, maar neemt zijn eigen speer omdat die van Achilles te zwaar is om te hanteren. Zo uitgedost stapt hij de tent uit en gaat voor de, door Achilles opgeroepen, Myrmidonen staan. Dan brengt Achilles een offer aan de Goden en roept hun gunst af voor Patroclus 1 en zijn mannen. Daarna komen de mannen op bevel van Patroclus 1 in beweging en stormen op de Trojanen af.

Weer naar de strijd

Achilles stuurt Patroclus naar de strijd.

Terwijl ze tussen de schepen tevoorschijn komen moedigt Patroclus 1 de mannen aan en roept: ‘Myrmidonen, gedraag je als mannen, mijn vrienden, en laat als vanouds jullie moed zien om roem en glorie voor Achilles te behalen. Leer Agamemnon een lesje, en laat zien wat een dwaas hij was toen hij ruzie maakte met de allerbeste strijder van het Griekse leger.’ Na deze woorden vallen ze als één man aan op de Trojanen en nemen de andere Grieken hun strijdkreet over. Zodra de Trojanen hen zien begint het hart in hun keel te kloppen van angst en ontstaat er wanorde in de gelederen. Ze denken dat Achilles zijn ruzie met Agamemnon heeft bijgelegd en weer deelneemt aan de strijd. Ze kijken nog bang om zich heen wanneer Patroclus 1 als eerste zijn lans gooit, en Pyraechmes in zijn rechterschouder treft die dood neervalt. Diens mannen gaan er vol schrik vandoor en Patroclus 1 blust eigenhandig de vlammen op het brandende schip. Daarna gaat hij en zijn Myrmidonen met een oorverdovend geschreeuw achter de vluchtende Trojanen aan.

Strijdwoede

Patroclus 1 drijft zijn speer in de dij van Areilycus 2 als die vlucht, gaat het wapen gaat dwars door het vlees van de man heen, en breekt zijn bot. Vol moordlust gaat Patroclus 1 daarna achter de Trojanen aan terwijl hij de Grieken razend ophitst om de Trojanen te doden. Telkens als hij een grote groep vluchtelingen ziet gaat Patroclus 1 er op af in zijn strijdwagen, al rijdend over gesneuvelde mannen en paarden. Eenmaal op de vlakte probeert hij Hector in te halen, maar die heeft snellere paarden waardoor hij buiten bereik van de lans van Patroclus 1 blijft. De rest van de Trojanen heeft hij echter snel ingehaald en versperde hen zo de weg om terug te keren naar hun stad. Voor hen langs rijdend drijft hij hen terug naar de schepen. Terwijl ze proberen te ontsnappen doodt hij talrijke Trojanen als vergelding voor de vele gevallen Grieken.

Dood en verderf

Zijn volgende slachtoffer is Pronous 1, die hij met zijn lans in de borst steekt als hij zijn schild even laat zakken. Daarna was Thestor 3 aan de beurt, die gehurkt in zijn strijdwagen zat nadat de teugels uit zijn handen waren geglipt en verstarde van angst. Snel ging Patroclus 1 naast zijn wagen rijden en steekt een speer door de kaak van Thestor 3 waardoor de tanden uit zijn mond vlogen. Vervolgens tilt hij de gespietste man aan zijn speer uit de strijdwagen en liet hem in het stof vallen. Als daarna Erylaus Patroclus 1 wil aanvallen gooit hij hem een zware steen in zijn gezicht waardoor zijn hoofd uiteenspat in zijn helm. Hierna is Patroclus 1 niet meer te stuiten en velt hij de ene na de andere Trojaan of een van hun bondgenoten. Zo sterven achter elkaar de Lyciërs Amphoterus 1, Epaltes, Tlepolemus 2, Echius 2, Pyrisch, Ipheus, Evippus 1 en Polymelus 1.

Sarpedon 1

Maar Sarpedon 1 kon het niet verdragen dat zijn Lyciërs zo werden afgeslacht door Patroclus 1, en gaat op de Griek af. Zodra ze bij elkaar in de buurt zijn stappen beide mannen uit hun strijdwagen en gaan, onder het slaken van verschrikkelijke strijdkreten, op elkaar af. Patroclus 1 werpt als eerste zijn speer maar treft Thrasymelus, de wapenvriend van Sarpedon 1, in zijn buik. Direct daarop gooit Sarpedon 1 zijn wapen maar mist Patroclus 1, en raakt diens paard Pedasus 3 in de schouder. snel gooit hij nog een lans naar Patroclus 1, maar mist opnieuw. Nu gooit Patroclus 1 met kracht een tweede speer naar Sarpedon 1 en treft hem in het middenrif. Die stort neer op de grond en klauwt van pijn met zijn vingers in het stof. Met zijn laatste woorden moedigt hij Glaucus 1 aan om de strijd voort te zetten, en zijn dode lichaam te verdedigen.

Aanval van Glaucus 1

Ondertussen zet Patroclus 1 zijn voet op de borst van Sarpedon 1 en trekt zijn speer uit het vlees van de Lyciër, waardoor de darmen naar buiten puilen. Zegevierend roept Patroclus 1 tegen de Grieken: ‘Mannen, laat dit bericht uw strijdlust aanwakkeren. Sarpedon 1 ligt dood ter aarde, die de eerste was om onze muur te bestormen. Laten we ons van zijn lijk meester maken, en het van zijn wapens beroven. Laten we ook zijn vrienden, die het willen beschermen, doden'. Intussen had Glaucus 1 een aantal medestrijders om zich heen verzameld, onder wie Hector, Aeneas en Polydamas, en gaan op Patroclus 1 af. Zodra Patroclus 1 hen ziet aankomen, roept hij de twee Ajaxen en enkele andere Grieken te hulp. Die reageren snel en staan al naast hem voordat hij is uitgesproken. Hierna ontstaat een bloedige strijd om het lichaam van Sarpedon 1.

Sthenelaus 1

Aanvankelijk slagen de Trojanen er in om de Grieken bij het lichaam te verdrijven, en sneuvelt één van de beste der Myrmidonen, Epigeus. Patroclus 1, diep getroffen door de dood van zijn vriend, snelt op de Trojanen af en raakt Sthenelaus 1 met een grote steen in zijn nek waardoor de pezen scheuren. Dan deinzen de Trojanen, inclusief Hector, iets terug voor de woede van Patroclus 1, maar komen daarop weer snel opzetten. De Grieken raken echter niet ontmoedigd en stormen zelf ook op de Trojanen af en doden Laogonus 1. Over en weer vallen er meerdere doden en wordt er uitdagend gesproken. Tegen Meriones zegt Patroclus 1 op een gegeven ogenblik: ‘Je bent een dappere krijger, Meriones. Maar weet dat de Trojanen niet bij het lijk van Sarpedon 1 vandaan verdreven kunnen worden met scherpzinnige woorden. Daden beslissen in de oorlog, en woorden in de raadsvergadering.’ Vervolgens gaat hij op de Trojanen af en doodt Gorgythion, om daarna diens broer Deiphobus 1 te verjagen door hem in de knie te steken met zijn speer.

Zeus en Apollo

Patroclus in zijn strijdwagen

Op dat moment besluit Zeus dat het einde van Patroclus 1 is gekomen. Maar eerst ontneemt hij de moed bij Hector waardoor de Trojanen uiteindelijk op de vlucht slaan. Patroclus 1 roept zijn wagenmenner Automedon om zijn wagen en gaat, tegen de wil van Achilles in, achter de Trojanen aan. Roekeloos tussen de vluchters door rijdend doodt hij Adrastus 2, Autonous 2, Echeclus 1, Perimus, Epistor, Melanippus 3, Elasus, Mulius 2, en Pylartes 2. Patroclus 1 werd zo gedreven door strijdlust dat hij ook de muur van Troje genomen zou hebben als Apollo niet ingegrepen had. Die stelde zich op voor de muur en wierp tot drie keer toe Patroclus 1 terug, zwaaiend met zijn schild en Goddelijke handen. Als Patroclus 1 voor de vierde keer op Apollo af gaat houdt die hem met een verschrikkelijke kreet tegen, en roept: ‘Terug jij, Patroclus 1. Ook al lijk je op een God, Troje is niet voor jou of je speer bestemd, en zelfs niet voor de grote Achilles die toch je meerdere is.’ Als Patroclus 1 dit hoort komt hij eindelijk tot bezinning en wijkt terug om de woede van de God te ontlopen.

Cebriones

Even later komt Hector in zijn strijdwagen op Patroclus 1 afrijden. Die springt uit zijn strijdwagen, de speer in zijn linkerhand, en pakt een hoekige steen van de grond. Met geweld gooit hij de steen naar Hector maar treft diens wagenmenner, Cebriones, dodelijk aan zijn voorhoofd waardoor hij uit de wagen tuimelt. Honend joelt Patroclus 1, ‘Kijk, hoe lenig en snel die kerel toch is. Hoe sierlijk duikt hij uit de wagen. Wat een voortreffelijke oesterduiker zou hij geweest zijn. Ik wist niet dat de Trojanen zulke prima duikers hadden.’ Hierna wil hij zich op de dode werpen om hem van zijn wapenuitrusting te beroven. Maar Hector was op zijn beurt ook uit zijn wagen gesprongen, en valt Patroclus 1 aan om te voorkomen dat die het dode lichaam onteert. Beiden lopen op het lijk af en pakt Hector het hoofd terwijl Patroclus 1 de voeten vastgrijpt. Zo trekken ze aan het lijk om te proberen dit binnen hun eigen gelederen te trekken.

Aanval Apollo

Andere Grieken en Trojanen voegen zich bij het strijdende tweetal en een wild handgemeen volgt. Als de zon begint te dalen ondernemen de Grieken nog een verwoede poging en slepen Cebriones tussen hun eigen gelederen, waar ze hem beroven van zijn wapenuitrusting. Patroclus 1 bemoeide zich hier echter niet mee en ging weer op de Trojanen af. Driemaal achter elkaar doodt hij drie mannen, maar als hij voor de vierde keer aanvalt slaat het Noodlot toe. Gehuld in een dikke nevel gaat Apollo achter hem staan, en slaat met zijn vlakke hand hard op de rug van Patroclus 1. Door de klap puilen de ogen uit zijn hoofd en valt zijn helm op de grond. Ook de lans van Patroclus 1 wordt door de klap verbrijzelt en valt zijn schild met draagriem en al van zijn schouder. Dan gespt Apollo zijn borstharnas los, terwijl Patroclus 1 door de klap verdwaasd staat te kijken en geen stap meer kan verzetten. Op dat moment steekt de Trojaan Euphorbus 1 hem van achteren een speer tussen zijn schouderbladen.

Aanval Hector

Hoewel de wond pijn deed was hij niet dodelijk, trekt Patroclus 1 het wapen uit zijn rug, en wil zich terugtrekken tussen de andere Grieken. Maar Hector zag dat hij gewond was en ging snel achter Patroclus 1 aan. Zodra hij hem heeft bereikt steekt hij zijn speer in de onderbuik van Patroclus 1 en stort hij dodelijk getroffen neer. Juichend roept Hector, ‘Je dacht mijn stad te kunnen plunderen, Patroclus 1, en onze vrouwen tot slavinnen te kunnen maken. O jij dwaas. Ik, Hector, sta daartussen en nu zullen de Gieren van jouw lijk eten. Zelfs Achilles’ sterke arm redde je niet. Hij bleef veilig bij de schepen en hij zond je ongetwijfeld weg met de opdracht om niet eerder naar de schepen terug te keren voordat je Hector had gedood. Zo zal hij zeker tegen je gesproken hebben en een dwaas, zoals jij, geloofde hem!

Dood Patroclus 1

Strijd om het lijk van Patroclus

Dan zegt de stervende Patroclus 1, ‘Nu Zeus en Apollo je de zege over mij schonken kun je pochen en pralen. Ik werd door de Goden overwonnen en van mijn wapens beroofd. Maar als in plaats daarvan twintig Hector’s mij tegemoet waren getreden dan zouden die allen gesneuveld zijn. Maar let op mijn woorden, en neem ze ter harte. Ook jij hebt niet lang meer te leven. Ook jouw noodlot is zeer nabij. Je zult sneuvelen onder de handen van Achilles.’ Hierna breekt de stem van Patroclus 1 en stierf. Dan zegt Hector: ‘Waarom ben je zo zeker van mijn einde, Patroclus 1? Wie zegt dat Achilles mij niet voorgaat naar het Rijk der Doden.’ Dan zet hij een voet op het lichaam van Patroclus 1 om de speer uit zijn lijf te trekken. Het dode lichaam kwam omhoog met de speer waarna Hector het los trapte en Patroclus 1 met zijn gezicht omlaag in het stof viel.

Schim bij Achilles

Dagen later als Achilles de dood van zijn vriend heeft gewroken, door Hector te doden, keert Patroclus 1 als schim terug naar Achilles. Terwijl hij ligt te slapen gaat de schim bij het hoofd van staan en zegt. ‘Je slaapt en bent mij vergeten, O Achilles. Je verwaarloost me nu ik dood ben, terwijl je dat nooit deed toen ik nog leefde. Begraaf me onmiddellijk want de geesten beletten mij om de poorten van de onderwereld binnen te gaan. Bedroefd vraag ik je om mij je hand te geven. Als ik eenmaal gecremeerd ben zal ik nooit meer terugkeren uit de Onderwereld. Het noodlot heeft me ingehaald en we zullen nooit meer samen plannen smeden. Het is ook jouw lot om voor Troje te sneuvelen. Ik heb daarom nog één wens. Laat ons gebeente samen begraven worden. Zo zullen we in de dood, net als in onze jeugd, altijd samen zijn. Laat onze as in de gouden urn met twee handvatten doen die je van je moeder hebt gekregen.’ In zijn droom antwoordt Achilles vervolgens: ‘Ik zal nauwgezet uitvoeren wat je vraagt, mijn goede vriend. Maar kom nu dichterbij zodat ik je kan omhelzen. Al is het maar voor kort zodat we ons verdriet even kunnen vergeten.’ Terwijl Achilles sprak strekte hij zijn handen uit, maar verdween de schim als rook voor de zon.

Stamboom:

Menoetius 1 Sthenele 2 / Periopis / Polymele 2 / Philomela 3 - -
Patroclus 1 Iphis 1
-

Bronnen:

©2015 Maarten Hendriksz