Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Polynices

Afstamming

De in Thebe geboren Polynices is de jongste zoon van koning Oedipus en zijn vrouw Iocasta, die ook wel Epicasta 1 wordt genoemd. Volgens een enkele mythe was zijn moeder niet Iocasta/Epicasta 1 maar Eurygania, de dochter van Hyperphas. Polynices heeft een broer, Eteocles 1, en twee zussen Antigone 1 en Ismene 2. Wat niemand echter weet of beseft is dat Oedipus getrouwd is met zijn moeder, wat ook toen al taboe en ten strengste verboden was. Ook Oedipus en Iocasta weten niet dat zij moeder en zoon zijn, omdat Oedipus, na zijn geboorte, door zijn vader te vondeling was gelegd en ruim twintig jaar later pas terugkeerde naar Thebe.

Incest

Ruzie van Eteocles en Polynices

Vanwege deze incestueuze verhouding veroorzaakten de Goden een enorme droogte in Thebe, werden de gewassen onvruchtbaar, en verviel de stad tot armoede. Toen Oedipus de ziener Tiresias raadpleegde vanwege deze ellende kwam uiteindelijk de waarheid aan het licht. Er ontstond een enorme commotie in de stad en schamen Polynices en Eteocles 1 zich diep voor wat er gebeurd was. Ze veroordelen hun ouders openlijk voor hun daad, waardoor Iocasta later, nadat de broers elkaar gedood hadden, uiteindelijk zelfmoord pleegt door zich op te hangen. Oedipus stak van woede en schaamte over deze incest zijn ogen uit en werd door de Thebanen van het koningschap ontheven. Omdat zijn zoons hem niet verdedigden toen hij werd afgezet sprak Oedipus een verschrikkelijk vloek uit over Polynices en Eteocles 1. Door deze vloek zouden ze de erfenis van hun vader nooit in liefdevolle broederschap delen en er een dodelijke strijd tussen de broers heersen.

Broedertwist

Toen Oedipus van het toneel verdwenen was ging het koningschap over op zijn zoons, en spraken Polynices en Eteocles 1 met elkaar af om elk om het jaar te regeren als koning over Thebe. Omdat Eteocles 1 de oudste was nam hij het eerste jaar het koningschap op zich. Maar toen het jaar om was beviel de macht hem zo goed dat hij weigerde om het koningschap aan Polynices af te staan. Polynices dringt aan bij Eteocles 1, herinnert hem aan de afspraak die ze gemaakt hebben, maar Eteocles 1 blijft weigeren. Uiteindelijk neemt Eteocles 1 een steeds dreigender houding aan en jaagt hij Polynices de stad uit.

Argos

Banneling

Zo zwerft Polynices als banneling door het land en weet niet waar hij naar toe moet gaan. Nu eens klagend, dan weer vloekend, over zijn lot hielden zijn gedachten hem bezig en besluit hij om naar Argos te reizen. Na een lange tocht komt hij daar laat in de avond aan bij het paleis van koning Adrastus 1 en gaat op zoek naar een plekje om te slapen. Op dat moment kwam ook een andere vluchteling, Tydeus, met hetzelfde doel voor ogen, bij het paleis aan en ontstaat er tussen de twee een heftige woordenwisseling omdat ze op dezelfde plek willen gaan slapen. De ruzie loopt zelfs zo hoog op dat de twee elkaar te lijf gaan met hun vuisten en er al snel bloed vloeit. Dan gaat de paleisdeur open en komt de koning naar buiten die wilde weten wat dat kabaal voor zijn deur betekende.

Ingrijpen van Adrastus 1

Zodra hij ziet wat er aan de hand is zegt hij: 'Waarom dit geweld, vreemde jongelingen? Geen enkele van mijn burgers zou het wagen om zo de stilte van de nacht te doorbreken. Maar vertel me, wie zijn jullie vaders, waar zijn jullie naar toe onderweg, en wat is de oorzaak van deze ruzie?’ Daarop antwoordde Polynices dat hij van Thebe kwam, en Tydeus dat hij de zoon was van Oeneus 1 uit Calydon. Vervolgens maant Adrastus 1 hen om te stoppen met vechten, en nodigt het tweetal uit binnen te komen om de nacht in zijn paleis door te brengen. Op dat moment laat Adrastus 1 zijn blik over hun kleding glijden, en ziet bij Polynices een leeuw op zijn rug staan terwijl om de schouders van Tydeus de huid van een grimmig everzwijn hangt. Adrastus 1 staat verbaasd stil als hij die kledingstukken ziet en herkent plotseling de symbolen die de God hem voorspeld had. Hij slaat daarop zijn armen om de mannen, dankt in gedachten de Goden, en leidt hen de centrale kamer van zijn paleis binnen.

Kennismaking

Daar laat Adrastus 1 het vuur opstoken en een nachtelijk maal brengen, terwijl hij zich verheugt over deze onverwachtse invulling van de voorspelling. Tijdens de maaltijd leggen Polynices en Tydeus hun ruzie bij, en geeft Adrastus 1 de verzorgster van zijn dochters, Acaste 2, opdracht hen wakker te maken en naar de kamer te laten komen. De meisjes kijken steels naar het tweetal en een lichte blos kleurt hun wangen. Na de maaltijd brengt Adrastus 1 een plengoffer aan de Goden en vraagt Polynices uitgebreid naar zijn afkomst, en door welk Lot hij naar hem toe is gekomen. Polynices vertelt klagend het verhaal hoe hij met zijn broer, Eteocles 1, een afspraak had gemaakt dat zij elk, om het jaar, koning over Thebe zouden zijn. Maar Eteocles 1 had die afspraak geschonden en Polynices uit Thebe verbannen. Na door diverse landen gezworven te hebben was hij vannacht voor de deur van de koning beland. Adrastus 1 wordt tot vriendelijk mededogen bewogen en zegt: ‘We kennen het verhaal, het gerucht is al in Argos aangekomen. Stop met klagen, giet je wijn over het altaar en bidt samen met mij om hulp tot Apollo. Laten we nu gaan slapen en morgen weer verder zien.’ Maar in gedachten had hij al besloten wat hem te doen stond.

Aanbod van Adrastus 1

De volgende ochtend laat Adrastus 1 het tweetal snel uit hun bedden opstaan, en treffen ze elkaar in de centrale hal waar zij gaan zitten. 'Ik hoef jullie niet te vertellen,’ zegt Adrastus 1 tegen hen, ‘dat een grote groep vrijers achter mijn dochters aanzit. Hun schoonheid en bescheidenheid zijn prachtig, zoals je gisteravond tijdens de maaltijd hebt kunnen zien. Hoewel er goede partijen tussen de vrijers zitten verbiedt het Lot mij om ze aan hen uit te huwelijken. Apollo beloofde mijn bloed en huis aan u beiden toe, dat is de beloning voor de rake klappen die jullie elkaar gaven.’ Het tweetal luisterde met verbazing naar zijn verhaal en zijn graag bereid om hem als schoonvader aan te nemen. De oudste dochter Argia 1, wordt zo aan Polynices beloofd en Deipyle aan Tydeus. Polynices smeekt vervolgens Adrastus 1 hem, als aanstaande schoonzoon, een leger ter beschikking te stellen om het koninkrijk van zijn vader op zijn broer te veroveren. Adrastus 1 belooft hem niet alleen een leger maar zegt ook toe zelf met hem mee te gaan, samen met nog zes andere aanvoerders, om de zeven poorten van Thebe te veroveren. Ook Tydeus belooft Adrastus 1 weer in ere te herstellen in zijn vaderland zodra de klus in Thebe is geklaard.

Huwelijk

de bruiloft van Polynices en Argia

Het bericht van de bruiloft vliegt door het land en op die dag komen vele Argivers naar de stad. De Koninklijke zalen zijn vol met voorname mensen, en ook het gewone volk wordt in drommen binnengelaten. Terwijl de bruidsstoet de trappen beklom om naar de trouwzaal te gaan viel er uit de nok van het huis een bronzen schild naar beneden en verpletterde de huwelijkstoortsen. Iedereen keerde zich na de eerste schok om naar koning Adrastus 1, maar die deed net of hij niets gemerkt had. Ook Argia 1 droeg het onder een ongelukkig gesternte gemaakte sieraad, de ketting van Harmonia 1. Ondanks al deze slechte voortekens duurde het feest twaalf dagen en werd er luidruchtig feestgevierd.

Afgezant naar Thebe

Kort na de bruiloft voeren Adrastus 1, Polynices en Tydeus overleg wat er moet gebeuren om Polynices weer in zijn rechten te herstellen. Na veel wikken en wegen werd besloten om eerst te onderzoeken hoe standvastig Eteocles 1, de broer van Polynices, was. Ze zouden Tydeus als afgezant naar Thebe sturen om daar voor een veilige terugkeer van Polynices, en herstel van zijn rechten, in Thebe te pleiten. Enige weken later keert Tydeus halfdood terug, en verschijnt onverwachts in de vergadering van Adrastus 1. Daar vertelt Tydeus hoe hij in Thebe mishandeld was nadat hij zijn boodschap verteld had, en roept iedereen op om onmiddellijk tegen Thebe op te rukken. Van woede gaat ook Polynices daarop tekeer en roept de leiders op tot oorlog. Maar de wijze Adrastus 1 maant hen tot kalmte en zegt: ‘Laat dit, smeek ik jullie, aan de Goden en mijn wijsheid over om in het juiste daglicht te stellen. Je broer zal niet ongestraft heersen, noch staan we te popelen om oorlog te voeren. Maar ontvang voor dit moment Tydeus, die in triomf van een dergelijk bloedvergieten terugkeerde, en laat de broodnodige slaap zijn oorlogszuchtige geest kalmeren. Wat ons betreft, verdriet zal zijn aandeel van het verstand krijgen.’ Daarop gaat de vergadering uiteen.

Twijfel

Adrastus 1 loopt zeven dagen lang rond met het probleem terwij hij met zichzelf overlegt wat hem nu te doen staat. Aan de ene kant wordt hij bewogen door de gedachte aan rust en vrede, aan de andere door de schaamte vanwege de belediging en de harde taak om zijn volk in een nieuwe oorlog te storten. In zijn twijfel beslist hij uiteindelijk tot het laatste, en geeft de zieners en profeten opdracht om de voortekenen te onderzoeken. Maar de zieners Amphiaraus en Melampus 1 kwamen niet snel met een antwoord, waarna Argia 1, de vrouw van Polynices, op een nacht naar de slaapkamer van haar vader gaat. Ze kan het niet aanzien dat haar Polynices zoveel verdriet heeft om zijn verbanning, en smeekt haar vader om een oorlog tegen Thebe te beginnen.

Omkoping van Eriphyle

Enkele weken later, na veel overleg met zijn leiders en de zieners, besluit Adrastus 1 toch om te zwichten voor het Lot, en met een groot leger tegen Thebe op te rukken. Er worden aanvoerders aangezocht voor het leger, en Polynices probeert de ziener Amphiaraus ervan te overtuigen om ook deel te nemen aan de campagne tegen Thebe. Als die weigert, omdat hij door zijn zienersgaven weet dat hij in Thebe zal sterven, belooft Polynices de gouden halsketting, die eens van Harmonia 1 was geweest, aan de vrouw van Amphiaraus, Eriphyle. Zo hoopt Polynices dat Eriphyle haar man zal overtuigen om zich bij de anderen te voegen als bondgenoot. Eriphyle, die de ketting erg graag wil hebben, slaagt in haar opzet waardoor Amphiaraus gedwongen is zijn Noodlot tegemoet te rijden.

Vertrek uit Argos

Een leger van in totaal drieduizend man wordt op de been gebracht, dat onder bevel staat van zeven aanvoerders. Polynices, die één van de Zeven aanvoerders is, was er in de tussentijd in geslaagd om mannen uit zijn eigen vaderland ronselen door hen te overtuigen van zijn rechtvaardige aanspraak op de troon. Bovendien had zijn schoonvader hem een groot aantal mannen uit Aegion, Arene en Troezen geschonken, waardoor hij met een grote groep soldaten naar Thebe kon vertrekken. In zijn gedachten en gebeden is hij al heerser over zijn rijk, en sluit zijn moeder en trouwe zusters in zijn armen. Dan neemt hij liefdevol afscheid van Argia 1, die intussen zwanger was geworden van de zoon Thersander 1. Ze zwaait haar man hoog op de toren uit, en ziet hoe het enorme leger naar Thebe vertrekt om de aanspraken op de troon van Polynices kracht bij te zetten. Het leger volgt jubelend in het gevolg van Adrastus 1 en de andere vijf aanvoerders: Hippomedon 1, Capaneus, Amphiaraus, Parthenopaeus en Tydeus.

Nemea

Droogte

Na enkele dagen komt het leger in Nemea aan waar, op bevel van Dionysus 2, een enorme droogte heerst. De God liet rivieren en bronnen opdrogen waardoor het leger een probleem heeft met de watervoorziening. Ze hebben geen kracht meer om de hete schilden te dragen, terwijl hun kelen uitgedroogd zijn. Adrastus 1 stuurt verkenners op pad om naar water te zoeken, maar die keren allemaal onverrichter zake terug. Uiteindelijk komt het leger bij een bos aan waar zij een verdrietige vrouw, Hypsipyle, met een kind op haar arm aantreffen. Hoewel armoedig gekleed heeft ze Koninklijke kenmerken en spreekt Adrastus 1 haar vol ontzag aan omdat hij denkt dat het de Godin Artemis is.

Smeekbede Adrastus 1

Ontmoeting van Hypsipyle

Godin, koningin van het bos, want uw voorkomen en houding zeggen mij dat u geen stervelinge bent. U die onder deze brandende hitte gezegend bent omdat u geen water hoeft te zoeken, help een naburig volk en kijk genadig neer op onze bedroefde gelederen. Wij zijn van plan om het schuldige Thebe te vernietigen, maar de wrede droogte put onze krachten uit. Help ons falende fortuin, wellicht weet u ergens een troebele rivier of een stilstaand moeras. Niets, maar dan ook absoluut niets, zal als schaamtevol worden beschouwd in de toestand waarin wij verkeren. Met het bloed van talloze kudden zal ik u vergelden, o Godin, en een machtig altaar zal dit bos markeren.’ Zo sprak hij hijgend en met droge tong.

Reactie van Hypsipyle

Daarop geeft Hypsipyle met neergeslagen ogen antwoord: ‘Ik ben geen Godin, maar ik wilde dat mijn verdriet sterfelijk was! Het is een toevertrouwde gelofte die ik verzorg, en ben een verzorgster die zelf is beroofd. Maar of mijn zoons een schoot of borst hebben gevonden om aan te zogen, de hemel weet het. Toch had ik eens een koninkrijk en een machtige vader. Maar waarom spreek ik hierover, en houdt u op met uw zoektocht naar water? Kom met mij mee, misschien stroomt Langia’s water nog ongestoord.’ Onmiddellijk zette ze het kind op de grond in het gras, zo wilden de Schikgodinnen het. En wanneer het kind niet op de grond gezet wilde worden troost zij het met bloemen die in de buurt groeiden en een vleiend gemompel.

Door het bos

Zij gaan door het bos over kronkelende paden, sommigen drommen om hun gids, sommigen er achter, terwijl anderen haar voorbijstreven. In het midden van de groep beweegt zij met een trotse houding en snelle stappen. Het dal weerkaatst luid als zij de rivier naderen en water, dat op de rotsen spettert, hun oren bereikt. Dan schreeuwt Argus 6 als eerste uitgelaten ‘Water, water!’ en door de gelederen trekt de langgerekte kreet ‘Water!’ De soldaten duiken er gek van dwaasheid in. Sommigen worden door de rivier meegevoerd, terwijl anderen hun grip op de gladde rotsen verliezen. De golven brulden luid, terwijl ver van de bron de rivier wordt geplunderd, die eens groen en helder vloeide met lieflijk helder water, maar nu vanaf de bodem geheel werd vertroebeld en bezoedeld.

Dood Opheltes 1

Hun dorst was door de rivier gelest, en het leger verliet de oevers. Adrastus 1 spreekt Hypsipyle aan om haar te bedanken, en vraagt waarom ze zo droevig is. Daarop vertelt zij de geschiedenis van de vrouwen op Lemnos, hoe die Aphrodite hadden beledigd, waardoor zij verstoken raakten van mannen, en op een nacht hun echtgenoten doodden, uitgezonderd Hypsipyle. Terwijl zij haar verhaal doet verschijnt er een slang 6 bij de in het gras achtergelaten baby, en doodt het kind dat nog net in staat was om een kreet te slaken. Hypsipyle hoort het geluid en stormt naar het kind, dat Opheltes 1 heette, toe. Ze zoekt overal maar kan hem niet vinden. Uiteindelijk ziet ze de grote bewegingloze slang 6 op de grond liggen. De aanvoerder Capaneus doodt het monster, snijdt de buik van het beest open en haalt de dode Opheltes 1 uit de maag. Alle aanwezigen vinden dit een slecht voorteken voor het verloop van de oorlog en noemen het dode kind Archemorus (begin van het onheil).

Woedende Lycurgus 4

De aanvoerders gaan met Hypsipyle en het kind naar de vader, Lycurgus 4, die direct Hypsipyle wil doden. Maar Adrastus 1 springt beschermend voor de vrouw en Amphiaraus weet de woede van Lycurgus 4 met kalmerende woorden te sussen. De troepen zijn echter al slaags geraakt met de mannen van Lycurgus 4, waarop Adrastus 1 in zijn wagen er vliegensvlug met naar toe rijdt en roept: ‘Stop, stop, er is geen wrede daad begaan, en ook Lycurgus 4 heeft het niet verdiend om zo te sterven. En zie, hier is de ontdekker van het zo welkome water!’ Daarop bedaren de gemoederen en worden er voorbereidingen getroffen voor de begrafenis van Opheltes 1.

Begrafenis

Voor het dode kind wordt een enorme brandstapel opgericht, waarna de aanvoerders geschenken en offers in de vlammen werpen. Er wordt langdurig bij de brandstapel getreurd waarbij Eurydice 2, de moeder van het kind, haar jammerklachten uit en Lycurgus 4 zijn roemrijke scepter op het vuur werpt. Daarna cirkelt het leger, onder aanvoering van Adrastus 1, driemaal om de brandstapel en slaan viermaal met hun wapens tegen elkaar. Wanneer de brandstapel is gedoofd worden door Adrastus 1 spelen georganiseerd die bekend zouden komen te staan als de Nemeïsche Spelen.

Nemeïsche Spelen

Als eerste wordt er een paardenrace gehouden en laat Adrastus 1 Polynices deelnemen met het paard Arion. Daar het paard moeilijk onder controle is te houden zegt Adrastus 1 tegen hem: ‘Gebruik geen zweep om hem te laten galopperen maar laat hem de vrije teugel. Spoor andere paarden aan met stem en zweep, maar niet hem, want hij gaat sneller dan je wilt.’ Als de race van start gaat kijkt ook Apollo samen met de Muzen van grote afstand belangstellend toe, en zien hoe Arion gehakt maakt van de andere deelnemers door zijn ongelofelijke snelheid. Maar hij ziet ook twee gunstelingen van hem deelnemen en besluit dat Arion niet zal winnen. Voor de benen van het paard laat hij plotseling een monster uit de onderwereld verschijnen waarop Arion steigerend stopt en Polynices uit de wagen wordt gesmeten. Adrastus 1, die vanuit de verte toekijkt, is bang dat zijn schoonzoon door de klap is gedood maar ziet hem uiteindelijk weer strompelend overeind komen. Aan het eind van de race geeft Adrastus 1 de prijs aan de winnaar en troost hij Polynices met een dienstmeid.

Hardloopwedstrijd

De spelen in Nemea

Vervolgens wordt er een hardloopwedstrijd georganiseerd, waarbij Adrastus 1 aan het eind moet ingrijpen omdat Idas 6 aan de haren van de Arcadiër Alcon 6 had getrokken om te voorkomen dat deze zou winnen. Onmiddellijk schreeuwen de Arcadiërs ‘Te Wapen!’ en haasten zich naar hun prins om hem te verdedigen. In eerste instantie blijft Adrastus 1 besluiteloos staan maar zegt dan: ‘Stop met ruzie maken, jongens! Jullie dapperheid moet opnieuw op de proef worden gesteld. Maar om te voorkomen dat het weer gebeurt moeten jullie in verschillende banen lopen. Idas 6 loopt aan deze kant, blijf bij elkaar vandaan, en laat er geen bedrog in deze wedstrijd zijn!’ Het tweetal gehoorzaamt en ditmaal verloop de wedstrijd zonder problemen.

Werpringwedstrijd

Vervolgens staat er een werpringwedstrijd op het programma, die rustig verloopt, waarna het boksen volgt. Ook hier gebeurt weer iets waardoor Adrastus 1 moet ingrijpen. De woeste Argiver Capaneus daagt de Laconiër Alcidamas 3 uit. Capaneus gaat met veel vertoon van macht op de kleinere en lichtere Alcidamas 3 af, maar deze weet hem met veel behendigheid telkens te ontwijken en uiteindelijk de reus te verwonden. Beiden raken vermoeid en rusten even uit. Wanneer Capaneus weer woedend aanvalt maakt Alcidamas 3 een schijnbeweging en laat een regen van slagen op de ander neerkomen. De reus zakt op zijn knieën en krijgt een moordende blik in zijn ogen. Adrastus 1 ziet dit gebeuren en roept: ‘Haast je vrienden, smeek ik, hij is gek! Haast jullie, houdt hem tegen! Hij is gek geworden. Breng snel de palmtak en de prijzen! Hij zal niet stoppen, dat zie ik goed, totdat hij de hersenen binnen zijn schedel heeft fijngestampt. Red die verdoemde Laconiër!Tydeus en Hippomedon 1 gehoorzamen aan het bevel van Adrastus 1 en weten Capaneus met veel moeite te kalmeren.

Boogschieten

Na het boksen staat er nog worstelen en een wedstrijd boogschieten op het programma waarna de begrafenisrituelen tot een eind zijn gekomen. Dan giet Adrastus 1 wijn op de grond, om de as van Archemorus gunstig te stemmen, en zegt: ‘Sta toe, kleintje, dat deze dag vele malen tijdens vijfjaarlijkse feesten herhaald mag worden. Laat de festivals van Olympia, Delphi of de Isthmus minder geëerd worden. We weigeren jou, o kind, aan de droevige Onderwereld, en koppelen deze treurige riten aan de onsterfelijke sterren, en spoeden ons nu naar de wapens. Maar als je ons gunt om Thebe met het zwaard ten val te brengen, dan zal voor jou een machtige tempel opgericht worden. Dan zal je inderdaad een God zijn, niet alleen Argos zal je aanbidding verspreiden, maar ook het veroverde Thebe zal bij jouw naam zweren.’ Zo zwoer de leider voor iedereen, zo zwoer elke strijder zelf.

Oorlog bij Thebe

Aankomst bij Thebe

Het leger gaat weer op weg naar Thebe en marcheert dag en nacht door. Woede spoort hen aan, minachten rust en slaap, terwijl eten hen nauwelijks vertraagt. Ze hebben geen aandacht voor de voortekens die Kans, de heraut van het Noodlot, met onheilspellende tekens veelvuldig op hun pad strooide. Want vogels, dieren, sterren en terugstromende rivieren geven vreselijke waarschuwingen af, en ook Zeus donderde tegen hen terwijl de bliksems opgloeien. Zo marcheren zij op tot aan de rivier Asopus, die op dat moment met een machtige vloed stroomde, waardoor zij voorzichtig moeten oversteken. Even voorbij de rivier zien ze een heuvel, in het zicht van de stad Thebe, waar het kamp wordt opgeslagen en zij een palissade omheen bouwen.

Iocasta

De volgende ochtend staat plotseling Iocasta, de moeder van Polynices, met haar twee dochters voor de poort van het kamp en jammert om doorgelaten te worden. ‘Maak de poort open! Het is de moeder, die schuldig is aan de oorlog, die het jullie vraagt. Op basis van deze baarmoeder heb ik recht om dit kamp te vervloeken.’ Ze wordt binnengelaten en voor de Zeven Aanvoerders geleid. Zodra ze de Aanvoerders ziet, slaakt ze een angstige kreet van woede en verdriet: ‘Jullie Argivische aanvoerders, wie toont mij de vijand die ik baarde, onder welke helm vind ik mijn zoon?’ Huilend van vreugde stort Polynices zich in haar armen. Daarop smeekt zijn moeder hem om naar de stad te komen en met zijn broer te onderhandelen over vrede, in plaats van om de macht te strijden. Adrastus 1 en zijn andere aanvoerders zwichten voor haar woorden en beginnen te twijfelen. Maar Tydeus, die de wonden van zijn eerste ontmoeting met Eteocles 1, de heersende koning van Thebe, nog op zijn lichaam draagt, pleit dat het beter is dat hijzelf gaat in plaats van Polynices.

Ingrijpen wraakgodinnen

Terwijl hier nog over wordt gediscussieerd grijpen de Wraakgodinnen in, om te voorkomen dat de oorlog in de kiem gesmoord wordt. Plotseling verschijnen er twee enorme tijgers in de buurt van het kamp. Met een machtige sprong grijpen zij de wagenmenner van Amphiaraus, vervolgens Idas 6 en Aconteus 2 die bij het water hun paarden aan het drenken waren. De beesten worden opgejaagd door Aconteus 2 die hen naar de muur van Thebe drijft en daar doodt. De vergadering wordt opgebroken en Iocasta vlucht weg van het leger, dat door de aanval van de tijgers nu in een strijdlustige roes verkeert. Volledig bewapend naderen de Argivers de muren en, omdat er zeven poorten waren, stelde Adrastus 1 bij elke poort een Aanvoerder op. Ook Eteocles 1 bewapende zijn Thebanen en stelde een even groot aantal aanvoerders aan als zijn tegenstanders.

Moordende strijd

Strijd om Thebe

In die eerste wanordelijke strijd verdwijnt de ziener Amphiaraus in een zich plotseling openende spleet in de grond. Daar waar dit gebeurt, trekken de troepen zich terug, en vertrouwt niemand de grond meer waar hij op loopt. Adrastus 1 is stom van schrik, en gelooft het nauwelijks. Onmiddellijk laat hij het signaal voor de aftocht blazen en keren de troepen gedesillusioneerd terug naar het kamp, waar zij rouwen om de dood van de ziener. Adrastus 1, nu broos en oud geworden, luistert naar het gejammer en denkt na over wat hem te doen staat. Hij besluit de andere Aanvoerders bijeen te roepen en hen te vragen wie nu als ziener moet functioneren voor het leger. Onmiddellijk wordt de naam van Thiodamas 2 genoemd, de zoon van Melampus 1. Hij wordt gekozen en is overweldigd vanwege de grote eer. De volgende dag trekt het leger, zonder veel bezieling, weer op naar de poorten van Thebe waar de strijd opnieuw oplaait.

Dood van de aanvoerders

Tydeus gaat als een dolleman tekeer in die strijd en maakt zijn vijanden op een onmenselijke manier af. Maar uiteindelijk wordt ook Tydeus door de Thebanen gedood, terwijl hij de hersenen van een tegenstander aan het opeten was. Ook twee andere aanvoerders van de Zeven, Hippomedon 1 en Parthenopaeus, vinden de dood waardoor alleen Adrastus 1, Capaneus en Polynices nog overbleven om het geslonken leger aan te voeren. Maar de Thebanen werden geholpen door de Goden, zijn aan de winnende hand, waardoor er veel slachtoffers vallen in het leger van de Zeven. Opnieuw trekt het leger, bij het invallen van de nacht, terug naar het kamp op de heuvel waar Adrastus 1 hopeloos en radeloos om hulp vraagt voor hun benarde situatie.

Ook Capaneus sneuvelt

Dan begint de nieuw aangestelde ziener, Thiodamas 2, plotseling te orakelen en voorspelt dat het een vruchtbare nacht is om een overval te plegen op de Thebanen. Hij zal die aanval zelf, met een groep van dertig moedige strijders, leiden. Iedereen gelooft weer in de goede zaak en ook Adrastus 1 raakt in extase. De groep keert de volgende ochtend succesvol terug, na vele Thebanen gedood te hebben, en gaan de Argivers in alle vroegte opnieuw op de muren van Thebe af. Die hebben pas op het laatste moment in de gaten dat ze weer worden aangevallen, en kunnen nauwelijks op tijd de stadspoorten sluiten om hun stad te verdedigen vanaf de kantelen van de muur. Opnieuw vallen er over en weer vele doden door pijlen en stenen, terwijl Capaneus wordt gedood als hij via een ladder de muur beklimt en Zeus hem met een bliksem treft.

Een plan

Terwijl de strijd onverminderd voortraast en de dag ten einde loopt gaan de Wraakgodinnen Tisiphone 1 en Megaera op weg om de overwinning van de Thebanen te regelen. Megaera gaat op Polynices af en treft hem aan bij een poort van de stad aan waar zij een plan in zijn hoofd laat opkomen. Polynices zegt daarop tegen Adrastus 1: ‘Hoewel het laat is, vader, en wij vermoeid zijn, heb ik uiteindelijk de oplossing gevonden. Sta mij toe om te betalen voor wat ik verdien. Want u weet zeer goed dat ik degene ben die, terwijl u in rechtvaardige vrede regeerde, uw voortdurende straf is. Ik daag mijn broer uit tot een tweegevecht op leven en dood. U houdt me niet tegen, noch zult u daartoe de kans krijgen. Ik zag de aarde vanwege mij gapen, maar ging de man niet redden. Ik zag de dode Tydeus en de oorzaak van zijn schuld. Vijf aanvoerders zijn vanwege mij gesneuveld maar ik zal het u gepast vergoeden. Ik vecht tegen mijn broer, want wat blijft er anders over om te doen? Zorg alleen voor voor mijn as, en redt mijn lichaam na de strijd. Bescherm het tegen de vogels en mijn broer, en breng mijn urn thuis, dat is alles wat ik vraag.

Dood van de broers

Een duel

Ze huilden beiden overvloedig. De oude koning begon met zachte woorden de woede van Polynices te kalmeren, maar de wrede Wraakgodin brak zijn woorden af met nieuwe verschrikkingen. Ze liet onmiddellijk zijn paard en wapens brengen, en bedekte de oren van Polynices met de helm waardoor hij de vertrouwde adviezen niet hoorde. Toen riep zij ‘Haast je, aarzel niet! Ook je broer, zo zeggen ze, marcheert naar de poorten!’ Daarna greep zij Polynices beet en zette hem op zijn paard. Doodsbleek, speurt hij de open vlakte af, en blikt terug om de dreigende schaduw van de Godin te ontwaren. Ook de andere Wraakgodin deed haar werk en de broers traden elkaar tegemoet in het strijdperk voor een beslissend gevecht van man tegen man.

Bemiddeling van Adrastus 1

Zodra de broers elkaar in het open veld treffen roept Eteocles 1 van verre naar Polynices: ‘O, mijn broer, na vele dagen binden we de strijd weer aan, en geen wet of verdrag kan daar verandering in brengen!’ Terwijl Polynices zijn broer een schimpend antwoord geeft, komt Adrastus 1 naar de broers, gaat tussen hen in staan, en zegt: ‘Moeten we deze verschrikking aanzien, Eteocles 1 en Polynices? In naam van de gerechtigheid en de Goden, in naam van de oorlog, volhardt niet in die woede! Jij, mijn schoonzoon, als je honger naar macht zo groot is doe ik deze koninklijke mantel af. Neem die en ga naar Lerna en Argos om er over te regeren!’ Maar zijn overredingskracht doet hun woede niet bekoelen, of hen van hun voorgenomen doel afleiden. Als hij ziet dat zijn smeken vruchteloos is, en als waanzinnige mannen hun handen op de speer houden, vlucht hij weg en springen de broers op elkaar af.

Broedermoord

De dood van Polynices en Eteocles

Eteocles 1 schiet als eerste een pijl op Polynices af die zijn doel mist, en hij probeert het direct opnieuw met zijn speer die in het schild blijft steken. Dan doet Polynices een stap naar voren en werpt zijn speer. Het wapen vloog tussen de dij van de ruiter en de flank van zijn paard door en schampte nog net de knie van Eteocles 1. Dan springen beide mannen van hun paarden af en beginnen met hun zwaarden op elkaar in te slaan. Zonder enig mededogen kijken ze met felle ogen door de spleten in hun helmen naar elkaar, en proberen de ander zonder genade dodelijk te treffen. Ze gunnen elkaar geen pauze en blijven woest op elkaar inhakken en, hoewel ze geen dodelijke wonden maken, vloeit er toch bloed waardoor de twee steeds woester worden. Uiteindelijk stort Polynices zich naar voren en drijft zijn zwaard diep in het lichaam van Eteocles 1, precies op de plek in zijn lies waar het harnas geen bescherming bood. Eteocles 1 beseft dat hij verloren is, besluit een list toe te passen, en laat zich op de grond vallen. Polynices, die denkt dat zijn broer dood is heft zijn armen zegevierend in de lucht en voelt dan hoe het staal zijn hart doorboort. Verbouwereerd kijkt hij omlaag en ziet dat Eteocles 1 vanaf de grond hem op dezelfde plek in zijn lichaam heeft gestoken. Zo wordt de vloek van Oedipus door de Goden ingewilligd en sterven beide broers op het slagveld.

Crematie

Na de dood van Polynices slaat het leger uit Argos op de vlucht en weet Adrastus 1, dankzij de snelheid van zijn paard deze vernietiging te ontvluchten, en overleeft als enige de oorlog. Nadat Creon 1 het koningschap over Thebe had overgenomen, liet hij de lijken van de Argivers onbegraven buiten op het veld liggen, en proclameerde dat niemand hen mocht begraven. Hij stelde er bovendien wachtposten bij op om te voorkomen dat iemand zijn bevel negeerde. Maar Antigone 1, een van de dochters van Oedipus, haalde heimelijk het lichaam van Polynices weg en lag dat op dezelfde brandstapel waarop Eteocles 1 was gecremeerd. Zo werden de broers uiteindelijk in de dood toch nog verenigd en kringelde hun rook gebroederlijk omhoog.

Stambomen:

Oedipus Iocasta / Eurygania Adrastus 1 Amphithea 1
Polynices Argia 1
Thersander 1

Bronnen:

©2015 Maarten Hendriksz