Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Polyphemus 2

Polyphemus, de Cycloop

Polyphemus 2 is een Cycloop en de zoon van Zeegod Poseidon en de Nimf Thoosa die op het eiland Sicilië, in het land van de Cylopen woonde. Hij is een uitzonderlijk grote en ruige man met wilde haren, die net als zijn soortgenoten maar één oog in zijn voorhoofd had. Verder was Polyphemus 2 een wilde bruut, die rauw vlees at, en ook niet schroomde om voorbijgangers als maaltijd te zien. In zijn jeugd raakt Polyphemus 2 uitermate verliefd op de mooie Nereide Galatea 1 die regelmatig lag te zonnen op het strand. Galatea 1 had haar hart echter verpand aan de zestienjarige Acis, moest niet weten van de eenogige wildeman, en ging er elke keer zo snel mogelijk vandoor als hij aan kwam lopen.

Orakel van Telemus

Polyphemus 2 gaf echter de moed niet op, en doet stugge pogingen om de Nimf voor zich te winnen. Zo kamde hij zijn stugge haar met een hark, snoeide zijn ruige baard met een kapmes, en bekeek dit alles met genoegen in het weerspiegelende water van de zee. Toen hij hier mee bezig was kwam ook de ziener Telemus, de zoon van Eurymus, bij Polyphemus 2 en zei tegen hem: ‘Dat ene oog in je hoofd zal eens door Odysseus worden verblind.’ Maar de verliefde Polyphemus 2 zei smalend: ‘Slecht gezien, profeet! Een vrouw heeft mij allang verblind!’ en ging daarna op weg naar het strand om zijn Galatea 1 het hof te maken. Daar klimt hij op een klip, die ver in zee stak, waar hij zijn rietfluit greep en een liefdeslied voor de mooie Nereide begon te zingen.

Het lied van Polyphemus 2

Galatea 1, je bent blanker dan het blad van ligusters, bloemrijker dan een wei en slanker dan een hoge els. Je huid glanst beter dan glas, je bent speelser dan een dartel geitje en gladder dan de schelpen in zee. Je bent behaaglijker dan de winterzon, of de schaduw in de zomer, en fraaier dan menige plataan. Maar je bent ook wreder dan een stier, harder dan eikenhout, bedrieglijker dan wilgentakken en kouder dan dit rotsplateau, want jij ontloopt me. Dat zou ik je graag beletten als ik kon, maar je bent sneller dan een opgejaagd hert. Als je me leert kennen krijg je spijt me al die tijd ontlopen te zijn en probeer je mijn zelfs vast te houden.

Ik heb een grot die in de zomergloed geen zonnestralen noch de koude van de winter voelt. Er groeien vele vruchten en in mijn wijngaard staan lange rijen druiven, deels goudglanzend, die ik koester voor jou. Je kunt er eigenhandig rijpe aardbeien plukken, ook herfstkornoelje, en pruimen. Als je mijn vrouw wordt, heb je nooit gebrek aan heesterbessen, of aan kastanjes, en zal elke boom jouw dienaar zijn. En al dit vee, dat over de hellingen en in de bossen dwaalt, is ook van mij. En als je denkt dat ik alleen maar opschep, kom dan zelf eens bij mij kijken naar hun volle uiers. De lammetjes staan in beschutte hokken terwijl in andere hokken de bokjes van hetzelfde jaar staan. Ik heb altijd voldoende roomwitte melk, waar ik een deel van bewaar om te drinken, maar de rest gebruik om kaas van te maken.

Je krijgt van mij troeteldieren om mee te spelen, reeën, hazen, bokjes, een koppel duiven of een uit de boom gevallen nest kleine vogeltjes. Je krijgt ook twee welpen van een harige berin om mee te spelen, Ik trof ze in de hoge bergen aan en dacht direct, toen ik ze vond: Die zijn voor Galatea 1. Toe, steek je mooie hoofd toch eens uit de blauwe zee! Kom, Galatea 1, kom en wijs niet af wat ik je aanbied! Ik ken mezelf heel goed, ik zag zojuist mijn spiegelbeeld in het helder water, en de schoonheid van dat beeld beviel mij! Kijk dan hoe groot ik ben! Mijn lichaam doet bepaald niet onder voor dat van Zeus. En mijn stoere hoofd heeft heel wat haar, dat als een bos mijn schouders overschaduwt, en mijn lichaam is dichtbegroeid als een stekelig gewas. Vindt dat niet lelijk, want bomen zonder loof zijn lelijk, net als een paard in zijn nek geen blonde manen draagt. Veren veren bedekken vogels, schapen pronken met hun wol, en bij mannen past een baard en ruige haargroei op het lichaam.

Galatea en Acis

Ik heb één oog, in het midden van mijn voorhoofd, maar zo groot als een machtig schild. Welnu? Neemt ook de grote zon vanuit de lucht niet alles waar? Toch heeft hij maar één grote oogbol. Bedenk ook dat mijn vader heerser is in jullie zee. Via mij wordt jij de dochter van Poseidon! Toon slechts mededogen en luister naar een smekeling! Ik kniel alleen voor jou, ik die niets om Zeus en zijn fatale bliksems geef. Maar jou aanbid ik wel, dochter van Nereus. Jouw afkeer treft mij dieper dan bliksemvuur. Die onwil zou ik nog wel verdragen indien je andere mannen ook meed. Maar waarom verstoot je mij en houd je wel van Acis? Waarom geen Cycloop omhelzen en Acis wel? Maar als ik de kans krijg, Galatea 1, zal hij wel merken dat mijn kracht mijn grootte evenaart! Ik zal zijn levende organen plukken, hem in stukken uitstrooien over land en zee. In jouw zee, dan is hij toch weer bij je. Want ik brand van liefde en dat laait hoger op door liefdespijn.

Dood van Acis

Als hij uitgezongen is, en geen reactie uit zee krijgt, staat Polyphemus 2 woedend op en dwaalt als een woeste stier door zijn vertrouwde bossen. Dan ziet hij opeens Acis en Galatea 1 in elkaars armen liggen, en slaat bij Polyphemus 2 de vlam in de pan. 'Ik zie jullie wel!’ Schreeuwde hij met zijn bulderende stem, ‘Ik maak nu een eind aan jullie liefdesspel!’ Zodra het tweetal zijn stemgeluid hoort duikt Galatea 1 van schrik in zee, en gaat Acis er hardlopend vandoor. Terwijl Galatea 1 de Goden om hulp roept gaat Polyphemus 2 achter Acis aan, en rukt onderweg een groot rotsblok uit de berg. Dat werpt hij met zijn enorme armen naar de vluchtende Acis, die nog net door de punt van het rotsblok wordt geraakt waardoor hij werd verpletterd. Een felrood bloedspoor droop onder de rots vandaan, maar veranderde al snel in een helder stormende rivier. Even later kwam uit dit water een man omhoog met hoorns op zijn hoofd, en was Acis veranderd in een Riviergod. Woedend begrijpt Polyphemus 2 dat hij Galatea 1 nu voor altijd kwijt is, en keert teleurgesteld terug naar zijn grot.

Vreemdelingen in de grot

De jaren verstrijken, terwijl Polyphemus 2 zich weer aan zijn gewone bezigheden wijdt, en vaak met zijn schapen door de bossen op het eiland zwerft. Zo keert hij op een dag, met een enorme stapel hout op zijn rug, terugkeert bij zijn grot en drijft zijn ooien de grot in. De mannetjes liet hij in de kraal buiten staan, en sloot de opening af met een enorme steen. Vervolgens gaat hij zitten en begint zijn schapen te melken. Als hij hier klaar mee is, en een vuur ontsteekt, ziet hij plotseling in een hoek van de grot een aantal mannen zitten en zegt: ‘Hé vreemdelingen, wie zijn jullie en waarom komen jullie hier? Komen jullie met een bepaald doel of zwerven jullie zomaar wat rond als piraten.’ De mannen schrokken enorm van zijn bulderende stem, maar één van hen antwoordde: ‘Wij zijn Grieken die op weg zijn van Troje naar huis, maar door een storm uit koers zijn geslagen. Wij zijn soldaten die Troje hebben veroverd, maar u nu berouwvol smeken om ons gastvrij te ontvangen en een maaltijd te verstrekken, zoals het recht van vreemdelingen en smekelingen is dat door Zeus is bepaald!

Menseneter

Maar Polyphemus 2 trok zich niets van zijn woorden aan en antwoordde: ‘Je bent een sufferd, vreemdeling, als je me opdraagt de Goden te vrezen, want Cyclopen hebben maling aan Zeus of de andere Goden! Wij zijn immers veel machtiger, en ik zal je zeker niet uit angst voor Zeus genadig zijn. Maar vertel me eerst waar je schip is waarmee je hier bent aangekomen?' Als de vreemdeling vervolgens antwoordt dat zijn schip te pletter is geslagen geeft Polyphemus 2 geen antwoord, maar grijpt twee van zijn mannen in zijn enorme handen. Vervolgens slaat hij hun hoofden tegen de rotswand te pletter en sneed hun lichamen met een groot mes aan stukken. Van hun vlees bereidde hij vervolgens zijn de avondmaaltijd dat hij zonder verder iets te zeggen naar binnen schrokte. Zodra de reus zijn grote pens gevuld had stekt hij zich tussen zijn vee uit en gaat onbezorgd slapen terwijl de resterende mannen hem vanuit hun hoek met grote ogen van angst aankeken.

Aanbod van de vreemdeling

De volgende ochtend melkt Polyphemus 2 opnieuw zijn vee, en grijpt daarna weer twee van de mannen als ontbijt. Zodra hij klaar was drijft hij zijn vee naar buiten, sloot de grot weer af met de grote steen waardoor de resterende man opgesloten zaten, en trok luid fluitend met zijn vee naar de bergen. Zo brengt Polyphemus 2 weer een dag in de natuur door, en keert pas terug naar zijn grot als de duisternis begint in te vallen. Daar herhaalt zich het tafereel van de vorige avond en verdwijnen er weer twee van de mannen in de maag van de reus. Dan stapt de leider van de mannen op Polyphemus 2 af en zegt: ‘Hier Cycloop, drink ook onze wijn maar op, nu je mensenvlees gegeten hebt, zodat je weet welke heerlijke drank ons schip aan boord had. Ik bracht dit mee als plengoffer, in de hoop dat je me zou helpen aan een geleide naar huis. Maar je gaat tekeer als een onmens en peuzelt ons allemaal op.

Wijn

Odysseus en Polyphemus

Polyphemus 2 neemt de wijnzak aan en drinkt die in één teug leeg, vond de drank heerlijk, en vroeg onmiddellijk om een tweede. ‘Geef me er alsjeblieft nog een, en zeg me je naam zodat ik je een gastgeschenk kan geven waar je plezier aan beleeft. Want ook bij de Cyclopen brengt de vruchtbare grond wijn voort uit dikke trossen, en de regen van Zeus doet die gedijen, maar dit hier is iets van ambrozijn en nectar’. De vreemdeling gaf hem daarna nog twee zakken wijn en zei met honingzoete stem, toen de wijn naar het hoofd van Polyphemus 2 begon te stijgen: ‘Cycloop, je vroeg naar mijn naam, en die zal ik u zeggen maar geef mij dan je gastgeschenk, zoals je beloofde. De naam die mijn ouders me gaven is 'Niemand', en dat is ook de naam waarmee mijn mannen me aanspreken!’ Hierop antwoordde Polyphemus 2 meedogenloos: ‘'Niemand' zal ik als laatste van allemaal opeten, de anderen eerst. Dat zal je gastgeschenk zijn.’ Na deze woorden viel hij achterover op zijn rug, en lag languit in zijn grot toen de wijn hem in een diepe slaap dompelde. Terwijl hij grote stukken vlees in zijn slaap uitbraakt steken de mannen vervolgens een scherp gepunte boomstam, die ze overdag in het vuur hadden gemaakt, in het ene oog van de Cycloop.

Blind

Van de pijn is Polyphemus 2 onmiddellijk klaarwakker, en stijgt er een afschuwelijk gejammer uit zijn keel omhoog. Hij springt op, rukt de paal uit zijn oog, en sloeg als een dolleman om zich heen. Door zijn gebrul kwamen naburige Cyclopen naar zijn grot, en vroegen buiten wat er aan de hand was. ‘Waardoor wordt je gekweld, Polyphemus 2? Je begon opeens zo te schreeuwen in de nacht dat wij wakker werden. Een sterveling probeert toch niet je vee te roven, of jou te doden met een list of geweld?’ En tegen hen brulde Polyphemus 2 vanuit zijn grot: ‘Vrienden, 'Niemand' probeert me te doden met een list!’ Gerustgesteld door zijn antwoord antwoordden daarop de andere Cyclopen: ‘Als dan niemand je te na komt en je alleen bent, en waarschijnlijk door een ziekte geteisterd word, bidt dan tot je vader Poseidon’. Na deze woorden trokken ze weer weg en lieten de blinde Polyphemus 2 alleen achter bij zijn kwelgeesten.

Niemand

Zuchtend en krimpend van de pijn nam Polyphemus 2 op de tast de steen weg voor de uitgang, en ging met uitgestrekte handen in de opening zitten. Zo hoopte hij zijn kwelgeesten te pakken te krijgen als die tussen de schapen naar buiten zouden willen gaan. Bij elk schaap dat naar buiten kwam tast Polyphemus 2 de rug van het dier af, om te voorkomen dat een van de mannen naar buiten wordt gedragen. Maar hij treft geen van de mannen aan en zucht als het laatste schaap naar buiten komt: ‘M'n rammetje, hoe komt het dat je als laatste de grot uitloopt? Anders kom je nooit achter de andere schapen aan, maar ga je met grote stappen voorop! Mis ook jij het oog van je baas, dat een lafbek heeft uitgestoken met zijn ellendige vrienden, na mijn geest met wijn beneveld te hebben. 'Niemand' is nog niet aan zijn onheil ontsnapt, dat verzeker ik je! Ach, had je ook maar verstand en een stem om te vertellen waar die vent naartoe is gevlucht voor mijn woede. Dan zouden zijn hersens overal door de grot spatten als hij tegen de grond werd geslagen.

Ontsnapt

De mannen hadden zich echter onder de buiken van de schapen verstopt en waren zo aan de graaiende handen van Polyphemus 2 ontsnapt. Terwijl Polyphemus 2 zijn laatste schaap doorliet renden ze naar de kust waar hun schip verborgen lag in een inham. Dan kan de aanvoerder zich niet langer inhouden en roept honend van grote afstand: ‘Cycloop, je kunt niet ongestraft weerloze mannen opeten in je grot. Daarom, en alle andere wandaden die je gepleegd hebt, werd je gestraft door Zeus en de andere Goden'. Als Polyphemus 2 de honende stem hoort wordt hij woedend, en breekt enorme stukken steen van de berg af die hij in de richting van het geluid werpt. Maar de mannen waren al verder gerend en klommen nu snel in hun schip, waar de rotsblokken op korte afstand in zee plonsden, en roeiden uit alle macht weg. Dan verheft de aanvoerder opnieuw zijn stem en roept naar Polyphemus 2: ‘Cycloop, als iemand je vraagt naar die afschuwelijke verblinding van je oog, zeg dan maar dat Odysseus dit gedaan heeft, de zoon van Laertes, die op Ithaca woont’.

Vervloeking Odysseus

Ontsnapping van Odysseus

Als Polyphemus 2 dit hoort barst hij in gejammer uit, en herinnert zich plotseling de voorspelling van Telemus. Woedend roept hij in de richting van de verdwijnende stem: ‘Kom terug, Odysseus, dan zal ik jou je gastgeschenken geven. Want Poseidon is mijn vader en zal hem vragen je naar huis te begeleiden. Hij zal mij ook genezen als hij wil.Odysseus geeft echter ook niet op en roept: ‘Och, kon ik je maar naar het Rijk van Hades sturen. Daar is zelfs Poseidon niet in staat om je oog te herstellen.’ Hierna wierp Polyphemus 2 nog een enorm rotsblok in de richting van de stem en miste, zonder dat hij het zelf zag, op een haar na het schip. Vervolgens bad hij tot Poseidon om wraak te nemen op Odysseus, die zijn gebed verhoorde en sindsdien een vurige wrok tegen Odysseus koesterde.

Alternatieve versie

Volgens een de schrijver Dictys Cretensis was Polyphemus 2 geen zoon van Poseidon maar van Cyclops en heeft hij een dochter Arene 2. In deze situatie is Antiphates 2 koning van de Laestrygonen over een stad op het eiland. Als Antiphates 2 op een dag staatszaken aan het bespreken is met Polyphemus 2, komt zijn vrouw de raadszaal binnenstormen. Ze meldt dat er vreemde schepen in de haven zijn gearriveerd, en een delegatie van schepelingen in de stad is aangekomen. Daarop gaat Antiphates 2 snel naar buiten om één van die mannen te grijpen die hij onmiddellijk opeet. De rest van de groep kijkt met afgrijzen toe en vlucht naar hun schepen.

Hoewel Polyphemus 2 in eerste instantie medelijden met de schepelingen kreeg, ontsteekt ook hij in woede als hij ontdekt dat een van de vluchters zijn dochter Arene 2 meeneemt naar zijn schip. Hij slaat onmiddellijk alarm, en van alle kanten komen de Laestrygonen naar de haven. Woedend haalt Polyphemus 2 zijn dochter terug terwijl de Laestrygonen vanaf de rotsen enorme stenen en bomen naar de schepen werpen, die onder deze stenenregen allen verbrijzeld worden. De mannen die omkwamen werden vervolgens van de schepen gesleurd, en aan stokken gespiest, om boven een vuurtje te braden en op te peuzelen.

Slechts één schip wist te ontkomen aan de slachting. Dit was het schip van Odysseus, die met een vloot van twaalf schepen terugkeerde uit de Trojaanse Oorlog en op weg was naar huis. Hij wist aan de dodelijke stenenregen te ontkomen omdat hij met zijn schip niet in de haven voor anker was gegaan. Hierdoor kon hij nog net op tijd de ankertrossen doorkappen en wist zo aan de moordende eetlust van de Laestrygonen te ontkomen.

Stamboom:

Poseidon / Cyclops Thoosa / - - -
Polyphemus 2 -
Arene 2

Bronnen:

©2015 Maarten Hendriksz