Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Sibyl

Sibyl de zieneres

Sibyl is een zieneres die in een grot met honderd ingangen in Cumae woonde, een plaats in het zuiden van Italië vlakbij het huidige Napels. Omdat Sibyl weigerde op de avances van Apollo in te gaan strafte de God haar met een onnatuurlijk lang leven, maar Sibyl niet te behoeden voor de ouderdom. Diep in haar grot voorspelt de steeds ouder wordende Sibyl aan stervelingen hun lot aan de hand van tekens en woorden die haar werden toevertrouwd door het geruis van bladeren aan de bomen. Zo krijgt ze in haar grot eens bezoek van Aeneas, nadat hij met een groot aantal Trojanen op zoek was gegaan naar een nieuw vaderland, toen de Grieken Troje hadden vernietigd. Nog voordat Aeneas haar kan aanspreken weet Sibyl al wat hij wil en voorspelde hem zijn toekomst.

Opdracht aan Aeneas

Zodra Sibyl weer tot bezinning was gekomen vraagt Aeneas haar om hem naar de Onderwereld te begeleiden waar hij, in opdracht van een andere ziener, met zijn overleden vader Anchises 1 moet spreken. Hierop antwoordde Sibyl: ‘Zoon van Anchises 1, afdalen naar de Onderwereld is eenvoudig, maar terugkeren naar de wereld van de levenden is een probleem. Slechts enkelen is het gegund om dit te doen. Maar als je vastbesloten bent om de tocht te ondernemen, ga dan naar het woud dat aan Persephone 1 is gewijd en pluk daar een tak met gouden bladeren van de bomen. Daar zal je ook een gestorven vriend aantreffen die nog begraven moet worden. Bezorg hem zijn laatste rustplaats en offer zwarte schapen op zijn graf. Pas dan zal je in staat zijn om de tocht naar de Onderwereld te ondernemen en veilig terug te keren'. Zo sprak Sibyl en wist Aeneas geen woord meer aan haar lippen te ontfutselen. Dus vertrok hij om haar opdrachten uit te voeren.

Offer aan Hades

Zodra Aeneas met de gouden tak in zijn handen terugkomt bij Sibyl offert ze vier zwarte stieren aan Hades, en giet wijn over de afgesneden koppen van de dieren. Bij het eerste licht van de dag, begint de grond onder hun voeten te loeien en de wouden te beven. Dan roept Sibyl: ‘Aeneas, neem nu je zwaard uit de schede, en toon je durf en dapperheid.' Na deze kreet stort zij zich dieper in de duisternis van de grot, en gaat Aeneas haar onbevreesd achterna. Zo dalen de twee, in duister gehuld, door het lege verblijf van Hades. Vóór de eigenlijke toegang van de Onderwereld huizen vele verschrikkingen en daar aangekomen grijpt Aeneas, bevangen door een plotselinge angst, zijn zwaard en toont dat aan de Schimmen. Dan wijst Sibyl hem er op dat het slechts Schimmen zijn en niet van hen hoeft te vrezen.

Veerman Charon

Kort daarna komen ze bij de Acheron waar veerman Charon juist een menigte doden, die net zijn gestorven, rond zijn boot drommen en één voor één instappen. Aeneas kijkt verbaasd naar dit gedrang en vraagt aan zijn Sibyl: ‘Vrouwe, wat betekent deze drang naar de rivier? Wat jagen die zielen toch na? Met welk verschil verlaten zij de oever, maar strijken de anderen met riemen over het loodkleurige water?’ Daarop zegt ze: ‘Aeneas, je ziet hier het diepe water van de Styx, waar zelfs de Goden niet vals bij zweren. De meute die je hier ziet is hulpeloos en onbegraven. Hij daar is Charon en degenen die hij overzet zijn begraven. Maar hen daar mag hij niet vervoeren voordat hun botten rusten in graven. Honderd jaren moeten zij dolen en langs deze oever rondfladderen. Dan pas is 't hen gegund het water over te steken.’.

Even later krijgt Charon hen in het oog en zegt: ‘Wie je ook bent, die gewapend naar deze rivier komt, zeg op, wat je hier doen komt. Dit is het Rijk van de Schimmen. Het is verboden om levenden over te zetten.’ Dan zegt Sibyl: ‘Deze Trojaan Aeneas, is op weg naar beneden naar zijn vader bij de schimmen van de Erebus. Maar als een zo grote naam je karakter niet kan vermurwen, dan zal je toch zeker deze tak herkennen,' en toont de gouden tak ze verborgen had onder haar kleed. Dan zakt de woede van Charon en zweeg verder. In vervoering voor die prachtige gave, die hij lang niet meer gezien had, stuurt Charon zijn boot naar de oever, jaagt de andere zielen weg, en zet het tweetal over naar de overkant van de rivier.

In de onderwereld

Sibyl en Aeneas in de onderwereld

Daar blaft de hellehond Cerberus 1 luid uit zijn drie kelen en ligt als een geweldig obstakel voor de ingang van de onderwereld. Sibyl werpt hem een slaapverwekkende koek toe als ze ziet dat hij overeind wil komen. De hond valt er hongerig op aan en valt direct in slaap met zijn grote lijf uitgestrekt op de grond. Nu de bewaker is uitgeschakeld gaat Aeneas de grot in en hoort onmiddellijk een luid gejammer van stemmen en ziet hoe Onderwereldrechter Minos 1 de nieuw aangekomenen ondervraagt over hun leven en daden. Daar heeft hij ook een korte ontmoeting met Dido en probeert Aeneas haar aan te spreken, maar hulde zij zich in een droevig stilzwijgen.

Ontmoeting met Deiphobus 1

Dan snellen Aeneas en Sibyl voort en komen aan bij gebied dat gereserveerd is voor oorlogshelden. Dan ziet hij Deiphobus 1, de zoon van Priamus. Hij is gewond over heel zijn lichaam, terwijl zijn gezicht vreselijk is toegetakeld door zijn afgeslagen neus. Aeneas herkent hem amper en zegt: ‘Deiphobus 1, wie heeft jou zo wreed verminkt? Wie durfde je zoiets aan te doen?' Daarop reageert Deiphobus 1: ‘Ach, mijn vriend, het Lot en die verderfelijke Helena hebben mij deze wonden bezorgd. Tijdens die vreselijke nacht haalde zij alle wapens uit huis, hield mij in slaap, en liet Menelaus samen met Odysseus binnen, die mij ter dood brachten. Maar kom, vertel mij hoe jij hier, levend, naar toe bent gekomen?' Maar Sibyl vermaant hen: ‘De nacht komt er aan, Aeneas, en wij verkwisten onze tijd met jammeren. Hier splitst de weg zich naar twee kanten, naar rechts leidt de weg naar de stad van de grote Hades, links gaat naar het Elysium.’ Dan zegt Deiphobus 1: ‘Wees niet boos, verheven priesters, ik ga al weg en voeg me weer bij de doden in het duister,’ en vertrok.

Waarschuwing aan Aeneas

Na die woorden zegt Sibyl: ‘Kom, voltooi de onderneming die je op je nam, laten we opschieten, en naar het Elysium gaan.’ Daar aangekomen drommen de Schimmen om haar heen en vraagt Sibyl: ‘Zeg mij, gelukzalige geesten, waar bevindt zich Anchises 1, op welke plaats is hij? Voor hem zijn wij gekomen.’ Daarop geeft Musaeus 1 antwoord: ‘Niemand heeft hier een vaste verblijfplaats. Wij wonen in een lommerrijk bos en hebben oevers als rustbed, en ook frisse weiden langs beekjes. Maar kom, beklim deze hoogte, dan zal ik u langs een gemakkelijk pad leiden’. Zo sprak hij en ging hen voor. Dan vindt Aeneas zijn vader en hebben de twee een lang gesprek waarbij Anchises 1 zijn zoon de toekomst voorspelde en voor alle gevaren waarschuwde die hem nog te wachten stonden.

Terugkeer

Vol van de instructies en voorspellingen van zijn vader keert Aeneas, samen met de zieneres, vermoeid maar voldaan, terug naar de bovenwereld. De gesprekken met de Sibyl bekortten de tocht door de schemerige duisternis en op een gegeven moment zegt hij tegen haar: ‘Of u nu zelf een God bent of een gunstelinge van de Goden, ik vereer u voortaan als Godin, omdat ik u, dat begrijp ik heel goed, mijn leven dank. Door uw genade mocht ik de wereld van de dood bezoeken en er ook weer aan ontsnappen. Eenmaal terug op aarde zal ik een tempel aan u wijden en levenslang met wierook eren.

Weemoed van Sibyl

Dan kijkt Sibyl hem aan en zegt diep zuchtend: ‘Nee, ik ben geen God en je mag een sterveling nooit danken met wierook! Vergis je in je onschuld niet! En weet dat ik het licht van de eeuwigheid alleen had kunnen zien, als ik mijn kuisheid had geofferd aan Apollo’s liefde. Toen hij die hoop nog had en dacht dat hij mij met cadeaus kon winnen. Ik wees hem af en leid sindsdien een ongehuwd bestaan. Ik moet nog driemaal honderd zomers leven, dan komt ook voor mij het uur, dat ik van groot heel klein zal worden.’ Zo sprak Aeneas met Sibyl tijdens zijn tocht omhoog, waarna ze weer uit de onderwereld opdoken bij Cumae. Daar neemt het tweetal afscheid van elkaar, en blijft Sibyl weer in eenzaam haar grot achter.

Stamboom:

- - - -
Sibyl -
-

Bronnen:

©2016 Maarten Hendriksz