Namen Dieren Geografie Gebeurtenissen Sterrenbeelden Bronnen

vorige pagina

volgende pagina

Tydeus

tydeus

Tydeus is volgens de meest gangbare mythen een zoon van koning Oeneus 1 uit Calydon, en zijn tweede vrouw Periboea 2. Volgens een enkele andere mythe was zijn moeder echter Gorge 1. Als zoon van Periboea 2 heeft Tydeus twee volle broers, Olenias en Melanippus 7, maar vele halfbroers en zussen die Oeneus 1 tijdens zijn eerste huwelijk bij Althaea 1 verwekt had. De meest bekende hiervan zijn Meleager en Deianira 1. Tydeus groeit aan het hof van zijn vader op tot een hooghartige maar strijdbare jongeman, die liever vecht dan nadenkt, en neemt in zijn jeugd deel aan de Tocht van de Argonauten. Over zijn daden tijdens deze tocht wordt alleen de nachtelijke strijd met de Dolionen beschreven, waarin hij Corythus 5, Cotys, Iron 1 en Bienor 3 doodde.

Verbanning

Na een jaar keert Tydeus terug naar Calydon, maar wordt korte tijd later door zijn vader uit het land verbannen. Over de oorzaak hiervan bestaan in de mythen drie varianten. Ofwel omdat hij de acht zoons van Melas 1, de broer van Oeneus 1, die een complot tegen Oeneus 1 beraamden had gedood, of omdat hij Alcathous 2 en Leucopeus doodde, de twee broers van Oeneus 1. Volgens de derde versie van de mythen werd Tydeus door zijn vader uit Calydon verbannen nadat hij zijn broer Olenias gedood had. Zonder doel voor ogen zwerft Tydeus vervolgens midden in de winter door het land, en arriveert op een nacht in Argos en gaat op weg naar het paleis van koning Adrastus 1.

Aankomst in Argos

Bij de poort aangekomen wil hij tegen de paleispoort een schuilplaats zoeken, om de nacht door te brengen, maar ziet dan een andere vluchteling die op hetzelfde idee is gekomen. Woedend over deze tegenslag wil Tydeus de vreemdeling wegjagen om zelf op zijn plek te gaan liggen, en ontstaat er een verhitte ruzie tussen de twee. Terwijl ze over en weer luid beschimpingen uitwisselen bereikt hun woede het kookpunt, en dagen ze elkaar uit tot een gevecht. Vervolgens vallen ze op elkaar aan, wordt er menige vuistslag uitgedeeld, en rollen even later worstelend door het stof. Maar op het moment dat ze naar hun zwaarden grijpen gaat de paleisdeur open en verschijnt koning Adrastus 1, die op het kabaal was afgekomen, en roept: ‘Vanwaar dit kabaal, vreemdelingen? Wie zijn jullie en waar komen jullie vandaan, want geen van mijn onderdanen zou het wagen om midden in de nacht voor mijn deur zich zo te misdragen!’ Dan maakt Tydeus bekend wie hij is, en waarom hij uit Calydon heeft moeten vluchten. Vervolgens vertelde de ander dat hij Polynices genoemd wordt, een zoon van koning Oedipus uit Thebe, en door zijn broer Eteocles 1 uit de stad is gejaagd omdat die het koningschap niet met hem wilde delen.

Ontvangst bij Adrastus 1

Terwijl de twee mannen hun verhaal doen ziet koning Adrastus 1 welke kleding en wapens ze dragen, en beseft opeens dat dit de tekenen zijn die hem door een oud orakel zijn voorspeld, en dat dit zijn schoonzoons zullen worden. Dan slaat hij zijn armen om de schouders van Tydeus en Polynices, neemt het tweetal mee zijn paleis in, en brengt hen naar de ontvangstkamer waar nog een vuurtje sluimerde in de haard. Vervolgens laat hij hen plaatsnemen en geeft bevel aan de bedienden om het vuur op te porren om een maaltijd voor zijn gasten op te dienen. Bovendien laat hij de verwondingen van het tweetal verzorgen en geeft ook opdracht om zijn dochters te roepen die het eten en de wijn moeten opdienen. Even later komen de twee beschroomde meisjes, Deipyle en Argia 1, de zaal in en bedienen zwijgend Tydeus en Polynices die hongerig op de maaltijd aanvallen. Terwijl ze eten ondervraagt Adrastus 1 het tweetal en vertellen die uitgebreid hun geschiedenis. Vooral het verhaal van Polynices en het onrecht dat hem door zijn broer Eteocles 1 is aangedaan, ontroert Adrastus 1 en beloofde om zowel hem als Tydeus te helpen.

Huwelijk

De volgende ochtend praat Adrastus 1 verder met de twee, en beloofde om zowel Polynices als Tydeus weer in ere te herstellen in hun vaderland en gaf als, teken van goede wil, elk één van zijn dochters als vrouw. Zo trouwde Tydeus in Argos met Deipyle, kreeg Polynices Argia 1, en wonen ze een tijd lang gelukkig samen met hun echtgenotes in het huis van hun schoonvader. Deipyle werd al snel zwanger en baarde Tydeus na negen maanden de zoon Diomedes 1, terwijl Polynices vader werd van Thersander 1. Daarnaast werd Tydeus, ondanks hun gewelddadige ontmoeting, een zeer goede vriend van Polynices, en steunde zijn vriend op alle mogelijke manieren om diens aanspraak op de troon in Thebe te herwinnen.

Gezant naar Thebe

Kort na de bruiloft voeren Adrastus 1, Polynices en Tydeus overleg wat er gebeuren moet om Polynices weer in zijn rechten te herstellen. Na veel wikken en wegen besluit het drietal om eerst te onderzoeken hoe standvastig Eteocles 1, de broer van Polynices, is om zijn broer van de troon weg te houden. Uiteindelijk besluiten ze een afgezant naar Thebe te sturen om bij Eteocles 1 over de veilige terugkeer van Polynices naar Thebe, en het herstel van zijn rechten te spreken. Zodra dit plan werd aangenomen aarzelt Tydeus geen moment en werpt zich direct op als kandidaat om voor zijn vriend als afgezant naar Thebe te gaan en met Eteocles 1 te spreken. Zo vertrekt Tydeus enkele dagen later en neemt afscheid van de hevig huilende, en zwangere, Deipyle die hij met kalmerende woorden tot bedaren trachtte te brengen door te zeggen dat hij zeker veilig terug zou keren.

De eis van Tydeus

Na een reis van enkele dagen arriveert Tydeus in Thebe waar hij, met een olijftak in zijn handen als teken van zijn gezantschap, snel voor Eteocles 1 wordt geleid. Wanneer die hem naar zijn naam vraagt, en het doel van zijn komst, begint Tydeus op een onbeschofte manier de aanspraken van Polynices op te sommen, en sommeert Eteocles 1 om voor het eind van het jaar de macht aan zijn broer over te dragen, zoals de broers eens hadden afgesproken. Mocht Eteocles 1 geen gehoor aan de oproep geven dan diende hij ernstig rekening te houden met een aanval op zijn stad, en zou Polynices, gesteund door zijn schoonvader Adrastus 1, met een groot leger voor de poorten van de stad verschijnen om zijn aanspraken op de kroon kracht bij te zetten. Uiteindelijk besluit Tydeus met de woorden: ´Ik waarschuw U, leer voor uw eigen bestwil het plezier van regeren af, en wacht geduldig op uw beurt om weer te regeren als het jaar van Polynices voorbij is.

Weigering en uitdaging

Terwijl hij zwijgend had zitten luisteren ontvlamde nu ook de woede bij Eteocles 1, weigert met even botte woorden om de macht op te geven, en dreigt met even oorlogszuchtige taal. Omdat Tydeus een gezant was, en in opdracht van Polynices sprak, zegt Eteocles 1 dat hij Tydeus niet zal doden voor zijn uitdagende woorden, en stuurt hem terug naar Argos. Hierdoor werd het ego van Tydeus weer gekwetst en daagt hij vele vooraanstaande Thebanen uit voor een ‘vriendschappelijk’ duel om hen te imponeren met zijn kracht, en om de strijdlust van de mannen uit Argos te tonen. Dankzij de hulp van Athena, die hem had verboden om de Thebanen uit te dagen, weet Tydeus al deze duels te winnen maar haalt hij zich de woede van alle Thebanen op de hals. Hierna verlaat hij met opgeheven hoofd het paleis, na nog enkele beledigende kreten richting Eteocles 1 te hebben geuit, en begint aan de terugreis naar Argos.

Hinderlaag

De overval op Tydeus

Die avond, als Tydeus een donker bos nadert, terwijl de duisternis begint in te vallen, ontdekt hij echter een grote groep Thebanen die voor hem in een hinderlaag liggen. De laatste stralen van de zon weerkaatsten op hun schilden waardoor hij hen eerder zag dan zij hem. Dan roept hij, zonder een spoor van angst; ‘Waarom liggen jullie zo gewapend op de loer?’ Niemand geeft antwoord maar vliegt er even later wel een speer richting Tydeus die over zijn schouder vloog, en trillend in een boomstam achter hem bleef steken. Dan begint het bloed van Tydeus te koken en gaat op de mannen af. Als eerste trok hij een enorm rotsblok uit de rotsen en wierp dat naar de voorste mannen van de groep, waardoor er onmiddellijk vier van hen verpletterd werden. Door dit vertoon van kracht slaat de rest van de groep in paniek op de vlucht, maar gaat Tydeus achter hen aan. Woest zwaaiend met zijn wapens weet hij de ene na de andere Thebaan te doden, maar loopt hierbij zelf ook de nodige verwondingen op.

Boodschap voor Eteocles 1

Uiteindelijk weet Tydeus bijna alle veertig overvallers te doden en zou hij naar Thebe zijn gegaan om tegen Eteocles 1 te pochen over zijn overwinning, als Athena hem niet opnieuw had toegesproken. Terwijl Tydeus zijn speer tegen de keel van de laatste overvaller, Maeon 1, drukt roept de Godin tegen hem: ‘Stop nu, zoon van Oeneus 1, en laat deze laatste man in leven. Stuur hem met het bericht van jouw overwinning terug naar Thebe'. Tydeus gehoorzaamt, houdt zijn speer in, en zegt: ‘Wie van de Thebanen u ook bent, die door mij wordt gespaard. Ik beveel u om dit bericht naar uw koning te brengen. Werp een heuvel op voor uw poorten, vernieuw uw wapens, kijk de oude muren na, en denk er vooral aan om uw mannen in dichte gelederen op te stellen. Want binnenkort zullen wij met rokende zwaarden hier terugkeren en de stad vernietigen.’ Daarop vertrekt Tydeus, na een dankoffer aan Athena te hebben gebracht, en laat een verbouwereerde Maeon 1 achter.

Terugkeer Argos

Strompelend op zijn benen, terwijl zijn lichaam is overdekt met vele wonden en het stof van de reis, keert Tydeus uiteindelijk terug in Argos. Daar zit koning Adrastus 1 net met zijn raadgevers bijeen in vergadering als Tydeus de zaal binnenstapt. Met verontwaardigde stem vertelt hij vervolgens luidkeels hoe hij in Thebe mishandelt is, nadat hij zijn boodschap had overgebracht, en roept iedereen op om onmiddellijk tegen Thebe op te rukken. Van woede gaat dan ook Polynices tekeer en roept eveneens de leiders op tot oorlog. Maar de wijze Adrastus 1, goed onderlegd in het leiden van een machtig rijk, roept op tot kalmte. ‘Laat dit, smeek ik jullie, aan de Goden en mijn wijsheid over om in het juiste daglicht te stellen. Je broer zal niet ongestraft heersen, noch staan we te popelen om oorlog te voeren. Maar ontvang voor dit moment Tydeus, die in triomf van een dergelijk bloedvergieten terugkeerde, en laat de broodnodige slaap zijn oorlogszuchtige geest kalmeren. Wat ons betreft, verdriet zal zijn aandeel van het verstand krijgen.’ Daarop gaat de vergadering uiteen.

Het leger van de Zeven

Terwijl Tydeus werd verzorgd en herstelde van zijn verwondingen twijfelt Adrastus 1 of hij wel of niet een oorlog tegen Thebe moet beginnen. Uiteindelijk besluit hij na zeven dagen, voornamelijk door aandringen van zijn dochter, Argia 1, om de strijd aan te gaan en brengt een leger op de been. Omdat Thebe zeven poorten heeft besluit hij dat het leger geleid moet worden door zeven aanvoerders. Uiteraard werd Tydeus, net als zijn zwager Polynices, als aanvoerder gekozen en vertrekt er maanden later uiteindelijk een enorm leger van duizenden tot de tanden gewapende mannen. De andere vijf aanvoerders die de rest van het leger aanvoerden waren Adrastus 1, die het opperbevel had, en Hippomedon 1, Capaneus, de ziener Amphiaraus, en Parthenopaeus. Zo neemt Tydeus afscheid van zijn vrouw en de kleine Diomedes 1, wist niet dat hij ze hierna nooit meer zou zien, en ging stralend en vol strijdlust op weg om de Thebanen te vernietigen.

Gebeurtenissen Nemea

Halverwege de tocht komt het leger in Nemea aan waar een enorme droogte heerst. Terwijl ze op zoek gaan naar water worden de mannen geholpen door de verzorgster Hypsipyle die hen naar een rivier leidt waar nog water in stroomde. Om de aanvoerders de weg te wijzen laat ze het kind, waar Hypsipyle op moest passen, even achter op een plek in het bos, waar de zuigeling even later gedood wordt door een slang 6. Dit kind was de zoon van koning Lycurgus 4, die woest wordt als de aanvoerders hem het nieuws brengen, en wil hij het gevecht aangaan. Tydeus is uiteraard de eerste die naar de wapens grijpt maar weet Adrastus 1, mede door toedoen van Athena, de gemoederen te kalmeren. Uiteindelijk wordt er een grootste begrafenis geregeld en na afloop Spelen georganiseerd om het dode kind te eren.

Nemeïsche Spelen

Als het onderdeel worstelen op het programma staat daagt Tydeus de grote Agylleus uit. Nadat ze zich met olie hebben ingesmeerd, en met zand overdekt, betreed het tweetal de arena en grijpen elkaar beet met wijd gespreide armen. Onmiddellijk buigt de kleinere Tydeus door de knieën en trekt Agylleus naar beneden tot zijn eigen niveau. Vanwege de grotere kracht van Tydeus kon Agylleus niet anders dan meebuigen en worstelen ze lange tijd met elkaar, terwijl ze allerlei grepen op elkaar uitproberen, totdat het zweet beiden van het lichaam gutst. Maar Tydeus is duidelijk sterker en glijdt onder de greep van Agylleus vandaan, tilt hem op, en werpt hem op zijn rug op de grond. Snel springt Tydeus op zijn tegenstander en past een wurggreep toe. Vol schaamte spartelt Agylleus nog een beetje tegen maar moet uiteindelijk opgeven. Trots op zijn overwinning stapt Tydeus even later met de zegepalm in zijn hand rond en roept; ‘Wat zou er met hem gebeurd zijn als ik volledig hersteld was van mijn verwondingen in Thebe’, en laat vol trots zijn littekens aan de toeschouwers zien.

Aankomst Thebe

De volgende dag marcheert het leger verder naar Thebe, waar ze enkele dagen later, aan het eind van de dag aankomen, en op een heuvel hun kamp opslaan. Die avond komt de oude Iocasta, de moeder van Eteocles 1 en Polynices, samen met haar twee dochter, naar het legerkamp en smeekt de aanvoerders om de strijd op te geven en vrede te sluiten. De aanvoerders luisteren geroerd naar het verhaal van Iocasta en zijn bereid om op haar voorstel in te gaan. Maar de strijdbare Tydeus voelt niets voor haar voorstel en herinnert de aanvoerders eraan hoe respectloos hij is behandeld door Eteocles 1 en waarschuwt hen voor een valstrik. Dan breekt er in het kamp een plotseling rumoer los als twee tijgers het leger van de Zeven aanvallen, en is alle welwillendheid verdwenen. Hierna geeft Iocasta de moed op en vlucht het kamp uit. Ook nu is Tydeus weer de eerste die aanspoort tot de strijd en roept tegen de anderen: ‘Daar gaat de valse hoop op vrede en een eerlijke regeling. Die Eteocles 1 had toch kunnen wachten totdat zijn moeder veilig was teruggekeerd! Kom aanvoerders, laten we ons klaar maken voor de strijd, en morgenochtend direct de stad aanvallen!

De eerste slag

De volgende ochtend, bij het krieken van de dag, rukt het leger op en stelt elke aanvoerder zijn mannen voor één van de poorten op. Tydeus gaat naar de poort die vernoemd was naar Proetus 3, maar worden in de mythen ook andere namen voor deze poort genoemd, en daagt de Thebanen vloekend en tierend uit tot de strijd. Even later gaan de poorten van Thebe open en komt het leger de stad uit om het leger van de Zeven te weerstaan. Dan opent Tydeus de strijd en dood als eerste Pterelas 2 door hem met een speer aan zijn paard vast te pinnen. Maar tijdens die eerste wanordelijke strijd verdwijnt Amphiaraus in een zich plotseling openende spleet in de Aarde. Hierna vertrouwt het leger uit Argos de grond niet meer en is Adrastus 1 verbijsterd van schrik. Onmiddellijk laat hij het signaal voor de aftocht blazen en keren de troepen gedesillusioneerd terug naar het kamp waar zij rouwen om de dood van hun aanvoerder en ziener.

Woeste strijd

De volgende dag trekt het leger, met aanmerkelijk minder bezieling, weer op naar de poorten van Thebe waar de strijd opnieuw oplaait. Tydeus gaat als een dolleman tekeer en maakt zijn vijanden op een onmenselijke manier af. Zo doorboort hij Idas 7 met zijn speer als die met een brandende toorts op het afkomt en roept: 'Verbrandt in je eigen vlammen, Thebaan. Zie we gunnen je een brandstapel!’ Dan, als een tijgerin boven haar eerste prooi, doodt hij Aon met een steen en doorboort Pholus 2 en Chromis 3 met zijn zwaard terwijl de moordlust in zijn ogen flikkert. Vervolgens rijgt hij twee andere Thebanen aan zijn speer. Waanzinnig door al het bloedvergieten gaat hij daarna achter Haemon 2 aan. Die vlucht echter zodra hij Tydeus op zich af ziet komen en velt Tydeus twee Thebanen met één stoot van zijn lans. Zo sneuvelt de ene na de andere Thebaan onder de moordende handen van Tydeus en slaan de Thebanen op de vlucht als hij er aan komt.

Uitdaging van Tydeus

Woedend over deze lafheid schreeuwt Tydeus: ‘Waarom rennen jullie weg? Willen jullie je gedode kameraden niet wreken, en boeten voor die trieste avond toen er voor mij een hinderlaag werd opgezet? Ik ben degene die veertig levens nam tijdens een onverzadigbaar bloedbad. Kom met zo veel mogelijk mannen, of Is dit alles dat Thebe moet verdedigen? Is dit de kracht van die nobele koning? En waar kan ik hem vinden?’ Dan ziet hij Eteocles 1 een eind verder strijden en gaat Tydeus op hem af. Daarop ontstaat een geweldig gevecht maar beschermen de Thebanen hun terugtrekkende koning moedig. Desondanks weet Tydeus het gezicht van Thoas 7 te verwonden, de borst van Deilochus 2, de ribben van Clonius 3, en de lies van Hippotades. Nu eens werpt hij verminkte ledematen terug naar hun rompen, of werpt hoofden en helmen door de lucht. Uiteindelijk zijn de Thebanen alleen met hem bezig, en vlogen alle pijlen op hem af. Sommigen bleven in zijn lichaam steken, en stonden er velen in zijn schild.

Gewond

De waanzin van Tydeus

Maar uiteindelijk wordt hij door een speer van Melanippus 5 getroffen in zijn lies en zakt Tydeus door zijn knieën. Terwijl er een luid gejuich onder de Thebanen opsteeg gaan enkele medestrijders rondom de gewonde Tydeus staan om hem te beschermen. Maar Tydeus geeft de strijd niet op en werpt met blote handen een pijl naar zijn tegenstanders, terwijl zijn bloed over de grond spat. Dan dragen zijn kameraden hem weg uit het strijdgewoel naar de rand van de vlakte. Leunend tegen twee schilden belooft hij hen terug te keren naar de strijd, maar merkt dat het licht in de hemel achteruit gaat en zijn lichaam begint toe te geven aan de uiteindelijke kilte. Dan strekt hij zich uit op de grond en roept: ‘Laat mijn botten hier op het veld liggen, want ik geef niet om begrafenisplechtigheden! Ik haat dit lichaam en de ledematen die zo zwak en nutteloos waren. Maar kan iemand mij het hoofd van Melanippus 5 brengen.'

Waanzin

Geroerd door zijn woorden geeft Capaneus gehoor aan het verzoek van Tydeus en brengt even later het lijk van de gesneuvelde Melanippus 5. Zodra Tydeus dit ziet smeekt hij de mannen om het hoofd af te hakken en aan hem te geven. Dan slaan alle stoppen door bij Tydeus en begint hij de hersenen uit het hoofd van Melanippus 5 te slurpen. Zodra de mannen dit zien vluchten ze weg van afschuw, en sterft de waanzinnig geworden Tydeus uiteindelijk met bloed besmeurde kaken. Hierna wordt nog fel gestreden om het lijk van Tydeus maar is zijn dood het begin van het einde voor het leger uit Argos. De Thebanen weten aan het eind van die dag uiteindelijk het leger van de Zeven Aanvoerders verpletterend te verslaan en is de strijd om Thebe afgelopen.

Stamboom:

Oeneus 1 Periboea 2 / Gorge 1 Adrastus 1 Amphithea 1
Tydeus Deipyle
Diomedes 1

Bronnen:

©2016 Maarten Hendriksz